Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Wilde Bob
Author: Kieviet, Cornelis Johannes, 1858-1931
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Wilde Bob" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  WILDE BOB



[Illustration: Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over
den weg heen en weer,.... (pag. 50).]



  WILDE BOB

  DOOR

  C. JOH. KIEVIET

  GEÏLLUSTREERD DOOR WM. STEELINK

  AMSTERDAM
  VAN HOLKEMA & WARENDORF



EERSTE HOOFDSTUK.

  Welke streken Bob uithaalde
  en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.


»Dorus!»

Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en ik zat mijn huiswerk
te maken op de bovenkamer.

»Ja, Moe! Wat wil U?»

»Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet door hem van je werk
meêtroonen, voordat je het afhebt. Zul je niet?»

»Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, dat beloof ik U.»

»Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, dat je in het
geheel met dien Bob niet omging, want ik houd hem voor een heel slecht
kameraad.»

»Heusch niet, Moe, echt niet! 't Is toch zoo'n aardige jongen. Wij
houden allen evenveel van hem en hij is wel goed ook. Slecht althans in
geen geval.»

»Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk daar om.»

»Ja, Moe!»

't Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe mij dit toeriep.
's Zaterdags hadden wij nooit school, daarentegen wel op Woensdagmiddag,
welken de kinderen tegenwoordig meestal vrij-af hebben.

Eigenlijk was Moe's waarschuwing niet noodig geweest, want ten eerste
was het mijn vaste voornemen, niet te gaan spelen, voordat ik mijn werk
afhad, en ten tweede had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij
gemeenlijk genoemd werd, al zien aankomen. »Eerst leeren en dan spelen,»
zei onze meester altoos, en ik was dat volkomen met hem eens. Niet omdat
ik studeeren zoo prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen
naar mijne kameraden gegaan, vóór ik mijn werk afhad, en dat had mij
even zooveel malen berouwd. Want als mijn vrije Zaterdag eindelijk
al spelende voorbij gegaan was, kon ik mijn Zondag besteden, om den
verloren tijd in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien
dag werkt niemand.

Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan eene zijde van de beek
die ons dorp doorsneed. 't Was dus geen wonder, dat ik hem had zien
aankomen, te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, precies op
zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten geleden had ik hem op
zijne stelten, want het was juist in den steltentijd, den tuin uit- en
den weg zien opstappen, en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar
mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het meest met hem
bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat alle jongens veel van hem hielden.

Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet zoo bijster met die
vriendschap waren ingenomen, want hij verdiende zijn bijnaam van Wilden
Bob volkomen, en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle
andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag ik hem bij dokter
Doreman van zijne stelten stappen en zich vlug als een kat meester maken
van de glazenspuit, die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis
stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken gaan halen, dat zij
vergeten had. En was het er hem nu nog maar om te doen geweest, zich op
de hoogte te stellen, hoe zoo'n perspompje toch eigenlijk werkt, dan was
het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel beter, want daar kende ik
Bobje te goed voor. Neen, hij zon natuurlijk weer op iets grappigs, en
dat grappige bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina om
den hoek van het huis verscheen, en plotseling de volle laag kreeg. Ik
zag hoe zij van schrik de armen omhoog sloeg en in minder dan geen tijd
droop van het water.

Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. In
plaats van op de vlucht te gaan, zooals Bob natuurlijk van haar verwacht
had, kwam zij heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat
hij zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne stelten zoo
spoedig mogelijk uit de voeten te maken. En het ergste kwam nog voor
hem aan, want in zijne haast liep hij met geweld tegen een dikken boom
aan, waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe gevolg was.
En het indirecte gevolg was een nat pak, want door den schok viel hij
achterover op den grond en kreeg van de dankbare Mina al het water over
zijn lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap was dus ons
Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was hij kwijt, want Mina nam ze
op en bracht ze achter het huis in veiligheid.

Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en op een eerbiedigen
afstand bleef wachten, of het de beleedigde Mina ook behagen mocht, hem
zijne houten onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard haar
werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob op en ging naar binnen.

Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, want hij stak zijne
handen in zijne broekzakken en vervolgde zonder stelten zijn weg naar
mij.

Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag door, van den morgen
tot den avond. Maar zijn humeur leed er niet erg onder. Hij was daarvoor
aan zulke afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, als
hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen had opgedaan, te
zeggen: »Wie kaatst moet den bal verwachten.» 't Was alleen maar jammer,
dat dit kaatsen bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart
werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het dorp, die lang
zoo berucht niet waren als hij, jongens met wie wij van onze ouders
volgaarne mochten omgaan en die toch inderdaad veel slechter waren dan
Bob. In elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als hij,
naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, zooals Moe straks deed,
dan achtten wij het onzen plicht, hem met al de kracht te verdedigen,
waarover wij beschikken konden.

Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij woonde nog maar een
paar maanden op het dorp. De vorige notaris was in den verschenen herfst
overleden, en Bob's vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij
Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem nooit anders dan
Bob, en wij, jongens, hadden van Bob de Wild al spoedig Wilden Bob
gemaakt, welke naam volkomen bij hem paste.

Enkele minuten na Moe's waarschuwing hoorde ik zijn bekend fluitje op
den weg. Want wij schelden nooit bij elkander aan. Karel Holm, Bob en
ik hadden afgesproken, dat wij dit nooit doen zouden, want het was
veel aardiger om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander
konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos erg in moesten
hebben, en bovendien scheen het ons iets bijzonder geheimzinnigs en
rooverachtigs toe, wat ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan
een bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. Al spoedig
konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, wiens fluitje gehoord
werd. Want al floten wij dezelfde reeks van tonen, ieder van ons had
toch weer zijne bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.

Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al Juni schreven en het
prachtig weêr was, had ik het zoover opengeschoven als ik kon, en zei:

»Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!»

»Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene jongens op het
schoolplein.»

»Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?»

»O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om vijf uur al op en ben
toen dadelijk aan het werk gegaan. Iedereen slaapt zoo lang niet als
jij!»

»Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?»

Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, want ik wist er
alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.

»O ja,» zei hij kortaf, »een beetje water, anders niet. Dat zal wel weer
drogen in het warme zonnetje. Dus je gaat niet meê?»

»Maar hoe kom-je zoo nat?» hield ik vol. »'t Heeft toch niet geregend?»

»Wel neen, 't zijn maar enkele spatjes water.....»

»En waar zijn je stelten?» vroeg ik, want hij moest den steek op mijn
lange slapen terug hebben.

»Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens uitgaan zonder mijne
stelten.»

»Ja, zeker, -- natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, toen ik je aan
den overkant zag loopen. En nu heb je ze niet meer.»

»Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. Zeg Dorus,
ik wou dat je dàt eens gezien hadt!»

»Wat? Dat ze jou de stelten afnam?»

»Neen, -- zeg jô, 't was toch zoo leuk! Ze had de glazenspuit vóór het
huis laten staan, en juist toen ze om den hoek verscheen, gaf ik haar
een stortbad, dat het een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze
leelijk!»

»Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op Bobje af, en Bobje
ging op de vlucht, en hij zat zóó in den angst, dat hij niet eens den
dikken boom zag, dien hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop,
dat hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den grond
tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde Mina zóóveel water over
zijn baadje, dat het wel een zondvloed geleek.»

»O -- zoo! dus je hebt alles gezien? 't Staat je fraai, om het mij dan
nog te laten vertellen. Dus je gaat niet meê?»

»Neen, nog niet. -- En toen pakte Mina snel de stelten van den jongeheer
en verdween er mede achter het huis. Zeg Bob, je hadt bij slot van
rekening toch niet zooveel pleizier van de grap als Mina.»

»Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik zeggen. Ik wou, dat
ik mijne stelten maar terug had. Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om
ze weer in handen te krijgen?»

»Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, en vraagt ze met een
deemoedig gezicht terug. Dan krijg je ze wel.»

»Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar nu krijg ik een
plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor me gingt vragen! Jou zal ze
niets doen, want jij bent heelemaal onschuldig aan dit zaakje.»

»Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet geven. Neen Bob,
't is er haar natuurlijk om te doen, dat je zelf komt. En dan zal ze wel
niet bijzonder vriendelijk wezen, vrees ik.»

»Dat denk ik ook. -- Wacht Dorus, daar komt Mietje de Veer aan met eene
stroopkan in haar hand. Daar moet ik toch eens eene grap mede hebben.»

»Och, laat haar loopen, dat domme wicht!»

Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok zijn mond in den
allervriendelijksten plooi en wachtte op de komst van zijn slachtoffer.
Zijne oogen tintelden van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en
zijn natte pak als zijne stelten vergeten.

Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, en een van de
domste kinderen van de geheele school. Idioot was ze niet, want ze wist
wel wat ze deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval
Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet van om zulke
onnoozele wichten voor den gek te houden, ten minste niet erg, maar Bob
dacht daar niet over.

»Dag Mietje!» zei hij op zijn vriendelijksten toon. »Moet je van middag
pannekoek eten!»

»Ja Bob, dat heb je geraden.»

»En lust je die graag?»

»Dat zou ik meenen. Jij niet?»

»Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. Dan bleef er voor
jou geen pannekoek over, Mie.»

»Waarom niet?» vroeg Mietje, die niet vlug genoeg van begrip was om te
snappen, wat hij bedoelde.

»Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!» zei Bob. »Allemaal, hoor;
misschien liet ik een halfje over voor jou, omdat ik zooveel van je
houd.»

Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en keek met alle
aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie met een heel vies gezicht aan, en
zeide:

»O neen, -- dank je. Ik zou er nu geen pannekoek meer van willen hebben.
Dank je feestelijk, Mie, eet jij ze maar op. Akkebà!»

»Akkebà -- waarom?» vroeg Mietje in de grootste verbazing, daar zij
onmogelijk kon begrijpen, waaraan die snelle omkeering bij Bob te wijten
was.

Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.

»Moet +die+ stroop er op?» vroeg Bob, op de kan wijzende, en steeds met
denzelfden opgetrokken neus.

»Ja zeker, -- waarom zou die stroop er niet op moeten?»

»Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens even in die kan!»

Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de ondoorzichtige
bruin-zwarte massa.

»Zie je niets?»

»Ik niet!» zei Mie. »Alleen de stroop.»

»Onder op den bodem, -- zie je daar ook niets?»

»Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?»

»Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, die er onder in
ligt?»

Mie keek met alle aandacht.

»Neen, ik zie geen tor, en -- 't is niet waar ook. Er zit geen tor in.»

»Nu, ik wèl!» zei Bob met overtuiging. »Maar jij kunt het beest ook niet
zien, omdat je er niet doorheen kunt kijken. +Ik+ zeg je, dat er een tor
in zit.»

»'t Is niet!» zei Mie ongeloovig.

»'t Is wèl!» hield Bob vol. »Ik wil wedden, dat jij het smerige dier op
je pannekoek krijgt.»

»'t Is niet!»

»'t Is wèl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, dan zul-je het
zelf zien!» raadde Bob met het ernstigste gezicht van de wereld aan.

»'t Is toch niet waar!» zei Mie. »Je houdt me voor den gek!»

»Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, wie er gelijk heeft.»

En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard hield zij de kan
onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, dat de stroop op den grond
terecht kwam. Bob en zij keken met alle aandacht, of eindelijk de
bewuste tor niet volgen zou.

Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje absent.

»Zie je nu wel!» riep Mie triomfantelijk uit. »Zie je nu wel, dat ik
gelijk had?»

»Waarlijk, er zit er geen in!» zei Bob hoofdschuddend. »Ik dacht het
toch stellig, want 't was net, of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch
gelijk gehad. Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis en
eet lekker!»

Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek zij beurtelings de
ledige kan en den strooperigen weg aan, tot zich plotseling hare oogen
met tranen vulden en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten
afstand konden wij haar nog hooren.

Maar Bob schaterde het uit van de pret.

»Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo'n domme meid? Ha-ha-ha-ha, ik kon mijn
lachen haast niet bedwingen toen zij de kan omkeerde, en wat keek zij
ernstig. Ha-ha-ha-ha! Zóó dom heb ik het nog nooit gezien.»

»Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om den eersten tijd en
vandaag vooral niet in de buurt van den schoenmaker te komen, want je
weet, dat hij zijn spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je
kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.»

Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het geval
allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat hij veel meer
succes had gehad, dan hij met reden had mogen verwachten.

Eindelijk kwam hij tot bedaren.

»Wat zei je ook weêr?» vroeg hij. »O ja, die schoenmaker, hé? Nu ja, hij
heeft me nog niet! Ik kan harder loopen dan hij.»

»Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.»

»Och kom, dat zal zoo'n vaart niet loopen. Dus je gaat niet meê? Toe
zeg, kom maar! Je werk komt nog wel af, en 't is zulk prachtig weêr.
Hoor de jongens eens joelen. Toe, zeg, kom nu!»

»O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af want anders moet ik
het vanmiddag of morgen nog doen, en dat is veel onpleizieriger. Over
een paar uren ben ik klaar.»

»Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? Ik heb er in 't geheel
maar twee uur over gewerkt.»

»O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger dan ik. Eerst moet
ik nog een kaartje van Frankrijk teekenen en dan moet ik nog drie
kwartier orgelspelen. Vóór twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En
hoe eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, -- tot straks dus.»

Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar Bob bleef nog
staan.

»Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga meê. Dan zal ik je vanmiddag
wel aan je kaartje helpen.»

»Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En als je +niet+ gaat,
schuif ik het raam dicht. Ga naar Karel Holm; die zal met zijn werk wel
niet zooveel haast maken.»

»Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt eerst om twee
uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, Dorus? En heb-je al een
orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel voor je doen. Willen we dat
afspreken?»

Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, die tevens organist
in de kerk was en mij in piano- en orgelmuziek les gaf, had mij ten
strengste verboden, ooit Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht
te maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij niet in den
preekstoel, dan stond hij den voorzanger op diens plaats in de kerk na
te apen, en dat kon hij wat koddig, -- en als hij dàt niet deed, dan
klom hij zoo hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens deed hij
eenig goeds, maar wel veel kwaads.

Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om mij op het kerkorgel
te mogen oefenen, maar natuurlijk moest ik een bedaarden jongen
medebrengen om den blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel.
En Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit kan blijken,
dat mijne reputatie onder de groote menschen vrij wat beter was dan die
van mijn vriend Bob, want werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel
vertrouwen geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd,
dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk een groot vertrouwen
wel verdiende. Of ik het echter nooit beschaamd heb, zal later blijken.

Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet wist, daar ik het
hem nooit gezegd had.

»Ik heb al een trapper,» zei ik daarom.

»Ja, -- wie dan?»

»Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat en dat mijne
ouders en de meester niet willen, dat ik andere jongens meêneem. Maar ga
nu, want anders krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag
niet meêspelen.»

Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam naar het kerkorgel.

»En als ik nu eens niet wegging?» vroeg hij plagend.

»Dan schuif ik het raam dicht!» zei ik beslist.

»Doe dat dan maar, want ik blijf!» klonk het antwoord. Maar nauwelijks
had Bobje dat gezegd, of ik zag hem schichtig omkijken en plotseling het
hazenpad kiezen. Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en
liep als een hazewind.

Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip en ik boog mij wat
verder het raam uit om te zien, of ik de oplossing van dit raadsel ook
zou kunnen ontdekken.

En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante van den
schoenmaker, die met den spanriem in de hand met groote schreden
naderde. O, o, wat keek hij kwaad, en wat liep hij hard. Maar het eene
baatte hem evenmin als het andere, want Bob liep harder dan hij en was
spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging op, juist op de
plaats, waar de kostelijke stroop op den grond lag, en nauwelijk kreeg
de brave man den vuilen plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den
vluchteling op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen zou.
Maar nù had hij hem toch nog niet. Onverrichter zake moest hij naar huis
terugkeeren.



TWEEDE HOOFDSTUK.

  Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als
  voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt.


Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken en kon ik aan mijn
werk voortgaan. Alles had ik af, behalve mijn kaartje van Frankrijk.
Ik nam mijn atlas uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne
passerdoos gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe prettig ik
het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk en Duitschland geteekend
was, niet zoozeer omdat daardoor aan een bloedigen oorlog een einde was
gemaakt en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat ik nu Elzas
en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen daar die beide provinciën
bij het sluiten van den vrede aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om
dat feit koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid van
Bismarck.

De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de ligging van de
voornaamste punten op mijn teekenpapier aan te geven. Als dat gedaan
was, had ik de grenzen spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding.
Den meesten last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het mijne
gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van te maken. Juist zou ik
met dat fijne werk beginnen, toen mij weer het signaal van mijn vriend
Bob in de ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer.

Lachend keek hij naar boven.

»Wat was hij kwaad!» riep hij me toe.

»Geen wonder!» was mijn antwoord. »Pas maar op, dat hij je niet krijgt,
want hij is tamelijk hardhandig.»

»En ik snelvoetig!» riep hij terug. »Maar ik begrijp toch waarlijk
niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er goed over nadenk, heb ik toch
feitelijk niets gedaan, dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen
beweging de kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten
loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me toch toegeven,
dat ìk het niet helpen kan, als Mietje domme dingen doet?»

»Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi schoon te praten.
Maar ik vrees, dat De Veer er zoo diep niet over zal nadenken, en je
eenvoudig een pak slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.»

»Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, zal ik maar denken.
Ga-je nu meê?»

»O, neen -- ik heb nog maar alleen de lijst en de grenzen af, en zou
juist aan de gebergten beginnen. Ga maar gerust heen, want ik kom toch
niet voor nà den middag; dan ontmoet ik je wel.»

»'t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen alleen te laten. Nu,
dan ga ik maar. Atjuus!»

»Atjuus, en denk om den schoenmaker!»

Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette ik mij weer aan den
arbeid. Wel moest ik af en toe eens lachen als ik aan Bob en zijne
avonturen van dezen morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart
over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn atlas dicht,
bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne kaart, die er werkelijk keurig
netjes uitzag, zette er met zwierige krullen mijn naam onder en borg
toen alles behoorlijk in de kast.

Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed opgeschoten was, ging
ik naar beneden, wat voor mij maar een oogenblik werk was, daar ik nooit
van de treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de leuning naar
beneden liet glijden, en stapte de woonkamer binnen. Daar nam ik mijn
orgelmuziek uit het muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek,
bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en wilde juist de
deur uitstappen, toen Moe mij toeriep:

»Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta doodsangsten uit,
dat je er wat aan bederven zult.»

»Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en doe er niets aan,
dat schaden kan. Ik ben er zelf veel te bang voor.»

»Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je toch niet mede? Dat wil
ik volstrekt niet hebben, hoor!»

»Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd, maar ik heb hem
gezegd, dat het niet mocht en dat Jan van der Vliet altijd met mij
meêging. Bob is wel een goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem
toch ook in het geheel niet vertrouwen.»

»Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben je uiterlijk half een
weer thuis om te eten.»

»Dag Moe!»

»Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.»

Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den geheelen dag bij
de werklieden op de tuinen moest zijn. Daar dezen allen om twaalf uur
aten, was dat ook voor ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op
weg naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg in, om Jan
af te halen. Want Jan woonde niet aan de hoofdstraat, doch in een
achterbuurtje.

Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek aan zijn voet had en
dientengevolge meestal zonder werk was. De boeren hadden liever een
flinken, stevigen kerel dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos
genoemd werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot van
verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige werkeloosheid moest
Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het brood verdienen voor het geheele
gezin, dat gelukkig niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein
zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. En daar de
menschen op het dorp medelijden met het arme gezin hadden, kreeg zij nog
al vrij wat werkhuizen, zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje
per week verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan naar
school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem wel toevertrouwd
was. Ook moest hij dan voor het middageten zorgen, wat tengevolge had,
dat sommige spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher noemden.
Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel voornamelijk aan de
flinkheid van Trijntje te danken was, want zij was eene handige werkster
en eene zindelijke waschvrouw.

Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene schel was er natuurlijk
niet te vinden; wie de bewoners spreken wilde, had eenvoudig maar naar
binnen te gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met vele
complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel naar beneden, waardoor
aan de binnenzijde de klink werd opgelicht, opende de deur en stapte
weldra het eenige vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen
Jan aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen.

»Dag Dorus!» zei hij.

»Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis?» vroeg ik, de kleine meid niet
meêtellende. »Ik kom je halen om mede te gaan naar het orgel.»

»Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn geen van beiden
thuis,» klonk het antwoord.

Dat was eene groote teleurstelling voor me, want orgelspelen vond ik
heel pleizierig en zonder Jan kon er niets van komen.

»Dat spijt me,» zei ik dan ook. »Je moeder is zeker uit werken?»

»Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd, zooals je
weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat de tuin eens eene flinke
beurt moest hebben. Mijnheer Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo
netjes doen.»

Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig trots uitgesproken,
en ik herinner mij nu nog het gewichtige gelaat, waarmede hij mij
aanzag.

»Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag van. Maar wat moet
ik nu beginnen? Bob de Wild heeft mij wel gevraagd of hij meê mocht
gaan, maar hem mag ik niet meênemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig
is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.»

»Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw vragen, of zij op
kleine zus wil passen. Moeder zegt altoos, dat wij geen verdiensten
verzuimen moeten. Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw
ga?»

Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig berouw van, want
nauwelijk was Jan de deur uit en zag zus zich alleen met een vreemden
jongen, of zij begon zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna
van dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar gerust te
stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom ging ik naar de kleine
meid toe, voortdurend met het hoofd knikkende, en zeide bij elken knik:
»dà! -- dà! -- dà!» Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij
begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er een ongeluk van
zou kunnen krijgen, en begon daarom steeds harder te knikken en riep uit
alle macht: »dà! -- dà! -- dà!»

Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek uit liep en naar
buiten ging, om Jan te hulp te roepen. Gelukkig kwam hij juist al terug.
Hij riep mij toe:

»'t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!»

Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, dat moet ik zeggen, en
ik stelde mij voor, dat zij met schreeuwende zus niet veel genoegen van
hare vriendelijkheid zou beleven. Doch 't was toch voor mij althans eene
prettige boodschap, want nu kon Jan met mij meêgaan.

Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, de deur werd
gesloten, en wij togen samen op weg naar de kerk.

Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels te halen. Hij
woonde schuin achter de kerk in een heel net huisje. Hij noch zijne
vrouw waren thuis, doch dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het
verlangde kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. Hij
heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders had verloren, was hij
als klein kind bij den koster en diens vrouw in huis gekomen, welke
brave menschen hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden
zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie al met bewijzen
hunner liefde, wat deden zij hun best een braven jongen, een flinken man
van hem te maken. Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen
teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die zijn grootste
genoegen vond in luieren, naar de herberg gaan en het geld opmaken van
zijne brave pleegouders. Zelden werd eene goede daad met meer ondank
beloond. Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo
slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, zelfs nu nog,
nu hij twintig jaar oud geworden was en nooit iets deed, dat hun vreugde
gaf. Hij volgde altijd zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste
raadden, werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen over Arie
van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk genoemd, spraken, zeiden ze
altoos, dat zijne pleegouders het »eindje» met hem nog niet beleefd
hadden, waarmede ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht met
Arie zou afloopen.

Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld liggen, met den
stroohoed over het gelaat, om geen last te hebben van de insecten.
Blijkbaar had hij geslapen, maar nu werd hij wakker door onze komst.

»Wat moet jelui hebben?» vroeg hij op norschen toon, daar hij het
onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord te worden.

»Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, Arie?» vroeg ik zoo
beleefd mogelijk, want ik had het niet erg op hem begrepen. Hij kon
iemand soms zóó leelijk aankijken, dat men er bang van werd.

»De sleutels? -- Wat moet jij met de sleutels doen?» bromde hij terug,
zonder in het minst blijk te geven, dat hij van plan was op te staan.

Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het orgel speelde. Hij
vroeg dus naar den bekenden weg. De zaak was echter, dat hij te lui was,
om op te staan, ten einde ze voor mij te halen.

»'t Is bespottelijk, om zoo'n kostbaar orgel aan zulke kwâjongens toe
te vertrouwen,» vervolgde hij. En op beslisten toon voegde hij er aan
toe: »Neen, kort en goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als
je orgel wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.»

»Is die dan niet thuis?» vroeg ik.

»Neen.»

»En je tante ook niet?»

»Ook niet!» klonk het kortaf terug. »Ga maar gerust heen, jongen, want
van mij krijg-je de sleutels niet. Ik wil daarvan de verantwoording niet
op mij nemen.»

»Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de kerk kom spelen, en
dat ik daartoe vergunning heb van de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu
niet?»

Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van ons af en sloot de
oogen weer.

»Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even halen, dan behoef
je er in het geheel geen moeite voor te doen,» hield ik vol.

»Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt!» klonk het barsch terug.

Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren wij mèt de sleutels
vertrokken.

»Hè -- hè, dat kostte moeite!» zeide Jan. »Hij was weer in eene booze
bui. Ik was bang van hem.»

»In eene luie bui, meen je!» zei ik. »Hij was te lui om op te staan, dat
was de voornaamste reden van zijne knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu
al vergeten is.»

Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. Want onze kerk
had drie deuren, waarvan er twee naar de galerijen voerden, die voor de
arme menschen bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van de
kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die naar het orgel leidde.
Dat orgel was geplaatst op eene geheel vrije ruimte, waar niemand plaats
mocht nemen dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht onze
meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan ook ruimte genoeg, althans
achter het orgel, waar een geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon
niemand zien, wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan
weerskanten van dat instrument door groene gordijnen was afgezet. Wij
spraken altijd van »op» het orgel, en dan bedoelden we de plaats, waar
het orgel stond. Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals
ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld van koning
David, op de harp spelende, en aan de beide kanten een engel met een
bazuin aan den mond, welke beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral
de engelen.

Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers van den
blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van het klavier en zette mij
tot spelen. Jan nam op de trappers plaats en maakte lucht. Verbazend
vermakelijk vonden wij dan altijd het dalen en het stijgen van het
gewichtje, dat aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen mocht
dan tot aan een zeker teeken, want dan was de balg vol en zou hij,
wanneer met trappen werd voortgegaan, kunnen barsten.

Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om de waarheid te
zeggen gevoelde ik mij altijd nog al gewichtig, als ik daar zat, waarvan
de reden was, dat ik nog al klein en het orgel verbazend groot was.
Bovendien werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon geprezen,
want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar en kon ik moeilijk
door anderen in het orgelspel worden overtroffen. Zijne bewondering voor
mij was werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig.
Zoodra hij den balg »vol» had, kwam hij altoos naast mij staan, om mijne
kunststukken te bewonderen, wat er mij gewoonlijk toe verleidde, alle
registers uit te trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan
het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk bijvoegen, dat Jan
dit prachtig vond, al moest hij dan ook tweemaal zoo hard trappen als
anders. Van zachte muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog
mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, daar hij er maar
geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand met zijne voeten muziek kon
maken en dan nog wel, zonder er naar te kijken.

Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang geweest zijn, toen
plotseling de deur van ons vertrek, als ik het zoo noemen mag, langzaam
geopend werd, en het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek
verscheen.

Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van zijne komst. Ik
wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad zat, om niet te vreezen, dat
hij zich ook hier niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij
ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat durf ik zeggen: ik
was een gehoorzame jongen. Nu weet ik wel, dat hij uit eigen beweging
kwam en dat zijne komst mijne schuld niet was, -- maar zoover dacht ik
op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, dat ik al het
mogelijke moest doen, om hem weer weg te krijgen.

Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, want hij kwam
lachend naar mij toe, en zeide:

»Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens een vroolijk
deuntje. Kan-je niet spelen: „Hij moppert alweer, Hij moppert alweer,
Hij moppert alweer, kiek, kiek!”» wat in die dagen een bekend
straatdeuntje was.

Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den weeromstuit ook.

»Neen,» zeide ik, »zulke deuntjes speel ik hier niet. Toe Bob, ga nu
heen, want je houdt mij van mijn werk af.»

»Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. Zeg, ga eens
eventjes van die bank af, en laat mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat
van.»

Nu, dat was niet waar.

»Bob!» zei ik ernstig. »Jij blijft van het orgel af, of ik doe het
direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik niemand zou toestaan, hier
gekheid te verkoopen, en daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door
dadelijk op te hoepelen.»

»Eerst eens spelen, Dorus!» zei Bob.

»Er afblijven!» was mijn antwoord. En ik liet er op volgen:

»Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan de toetsen komt,
krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je borg. Ik wil het bepaald niet
hebben. Toe Bob, ga nu heen.»

»Wat heb-je een praats! 't Is jou orgel toch niet? Ik heb er evenveel
over te zeggen als jij, zou ik meenen.»

»Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede gebeurt, krijg ik
er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, ga nu heen.»

»Neen, -- ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij maar; ik beloof je,
dat ik overal zal afblijven. Ik vind je zeldzaam flauw.»

Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, zette ik mijn spel
voort, in de hoop, dat mijn ijver hem vervelen en tot vertrekken bewegen
zou. Doch ik had het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob
en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het orgel ervan
dreunde.

Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan de hand was, en
nu zag ik Bobje bezig om Jan van de trappers te dringen, ten einde er
zelf op te gaan staan.

»Bob!» zei ik, »als je nu niet heengaat sluit ik het orgel, maar dan
speel ik ook den geheelen dag niet met je. Of wil je bepaald twist met
me hebben?»

Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast besloten er nu een
einde aan te maken.

Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen:

»Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, ik wil je
groeten.»

Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de deur achter zich
dicht en wij hoorden hem de trap afgaan.

»Zie zoo, dat ruimt op!» zei Jan, die niet erg op Bob gesteld was. »Ik
liet er mij toch lekker niet afdringen, al is hij grooter dan ik. Hij
moet niet denken, dat ik bang van hem ben.»

»Och, hij meent het zoo kwaad niet,» zei ik. »Toe Jan, trappen, dan ga
ik weer spelen.»

Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra geheel vergeten, tot
hij plotseling als een wervelwind kwam binnenstormen en ons toeriep:

»Toe jongens, ga je eens even meê; ik heb een uilennest gevonden. Gauw
zeg, er liggen eieren in!»

»Een uilennest?» vroeg ik verwonderd. »Waar is dat dan?»

»In den toren!» lachte Bob. »Of dacht je, dat ik naar huis gegaan was?
Mis mannetje, ik blijf net zoo lang als jij. Kom, ga je meê naar boven?
O, het ligt zoo hoog, -- dicht bij de galmgaten!»

In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en was ik gereed, hem
te volgen, want voor een uilennest geloof ik, dat ik zelfs mijne
boterham had laten staan.

»Kom Jan,» riep ik den orgeltrapper toe, »ga je meê? Dat moeten we
zien.»

»Er zat een uil op te broeiën!» zei Bob. »Zeg jô, wat schrikte ik van
hem, want toen ik met mijn hoofd boven de trap kwam, had ik zijn krommen
snavel en zijne groote ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat
ik zag, maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was. En wat
kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.»

In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij het uurwerk, doch toen
moesten wij nog hooger. Eerst duwden wij een luik omhoog en kwamen toen
op een volgende trap. Bob ging vooraan.

Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; de spinnewebben
waren haast ontelbaar. En wat woei ons een koude wind in het gelaat. Het
was duidelijk dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij boven,
bij de groote bel, en daar -- zagen wij het nest, met drie eieren er in!
Maar de uil was weg; wij zagen hem nergens, hoe wij ook zochten.

»Zeg jongens, de eieren laten liggen!» riep Bob. »Dan gaan we later
kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.»

»Ja, laten we dat doen,» zei ik. »Dan gaan we nu stil heen, en komen
over een week of drie nog eens terug. Willen we nu weer weggaan?»

»Ja, -- maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, wat Haarlem nu
dichtbij schijnt te liggen! En ginds zie ik Heemstede en daar verder
Hillegom en Lisse. Wat hebben we hier een mooi gezicht, hê?»

»En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt als hij moet luiden?»
zei Jan.

»Natuurlijk, trek er maar eens aan,» antwoordde Bob. »Dan begint het
bom-bam! bom-bam! Toe dan, Jan.»

»O neen, neen!» riep ik uit, want nu begon me mijn gevoel van
verantwoordelijkheid weer te drukken. »Niet doen, -- Jan, wat zouden de
menschen wel zeggen?»

»Ze zouden denken, dat er brand was!» lachte Bob. »Zeg jongens, willen
we die grap eens hebben?»

»Daar komt de koster naar boven!» riep ik plotseling op verschrikten
toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij pijlsnel naar beneden glijden.
En wat waren Bob en Jan mij kort op de hielen, want de koster liet niet
met zich spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, waar
van den koster natuurlijk niets te zien was, daar het eenvoudig een
krijgslist van me was geweest, om Bob van de bel weg te krijgen. Ik
vertrouwde hem daar in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje
wilde gaan spelen.

»Waar is de koster nu?» vroeg hij, toen wij beneden waren.

»In Haarlem,» zei ik lachend. »Maar Bob, ga jij nu heen, dan ben ik des
te spoediger klaar.»

»In Haarlem? Is hij dan niet thuis?» vroeg Bob.

»Neen,» zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem zoo leuk te pakken
had. »Wat wist Bob van beenen maken!»

»Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.»

Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar nauwelijks had ik
weer eene bladzijde gespeeld en zweeg het orgel een oogenblik, of daar
hoorde ik van uit de kerk een geluid, dat precies op de stem van den
voorzanger geleek.

»O jé, dat is Bob weer!» dacht ik dadelijk. Ik schoof het gordijn open,
en jawel -- daar stond hij met een hoogst ernstig gezicht voor den
lessenaar van den voorzanger. Hij trok een paar malen aan zijn boordje,
zooals de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde en
kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar:

»De gemeente gelieve te zingen»....

En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals de voorzanger
dat altoos deed, en galmde plechtig: »Den honderdnegentienden psalm van
het eerste tot het laatste vers!»

Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe er eene deur achter
hem geopend werd en de dominee stil de kerk binnentrad.

Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, want de
honderdnegentiende psalm telt niet minder dan acht en tachtig verzen,
maar nu lachte ik niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik
en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, maar hij zag het niet.
Hij verhief zijne stem nog hooger en galmde:

»Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste
vers!»

»Wel jou ondeugende bengel!» klonk het plotseling op gestrengen toon
achter hem. In een wip was Bob van zijne verhevenheid af en stond tot
zijn grooten schrik van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee.
Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, doch nu scheen
hij zeer boos te zijn. Hij keek mij gestreng aan, en zeide:

»Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je je niet, om
dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben we je dáárvoor het gebruik
van het orgel toegestaan? Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren,
of het verlof wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je
voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees gewaarschuwd.»

Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide:

»Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke spotternij kan ik
niet ongestraft laten passeeren!»

»Maar dominee, -- ik -- ik -- ik» -- stotterde Bob.

»Ik was een ondeugende bengel!» wil je zeker zeggen, niet waar?» viel de
dominee hem in de rede. »Daarom juist ga je mede naar de pastorie, waar
ik je zulke streken wel zal afleeren.»

»Maar dominee, ik -- ik beloof u....»

»Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, wat je niet
van plan bent te volbrengen.»

»Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen,» zei Bob, wien het
allerminst kon toelachen, eene gedwongen visite in de pastorie af te
leggen. O, o, wat zat Bobje in de perikelen!

»Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat je niet van plan bent te
volbrengen, moet je ook niet beloven.»

»Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden,» mompelde Bob. »Ik
beloof het u!»

»Geef me daar je hand op, Bob.»

Bob deed het.

»Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten vertrekken. Maar
zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk doen? Mij dunkt, jij hebt hier
heel geen boodschap!»

»Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het orgel speelde en
toen kwam ik even kijken.»

»En kwaad doen!» viel de dominee in. »Dus Dorus heeft je niet mede
genomen?»

»Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen,» zei Bob, die
werkelijk een vijand van liegen was.

»Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het kerk is, --
begrepen?»

»Ja, dominee. -- Dag, dominee!»

De hoed vloog Bob van 't hoofd en in een snap was hij de kerk uit. Ik
had middelerwijl het orgel gesloten en volgde met Jan, na den dominee
gegroet te hebben, zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis.

Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik bracht de sleutels
naar Arie de Zwaan, die nog op het bleekveld lag te slapen en niet
weinig bromde, toen ik hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel
op, want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, om er veel om
te geven.

»'t Is alles jou schuld!» zei ik tegen Bob onder het naar huis gaan.
»Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu krijg ik er de schuld nog van
en als Pa en Moe het hooren, volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind
het flauw van je, -- erg flauw!»

Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, dat ik gelijk had.

»En als de meester het hoort, is het nog erger. Je weet, hoe streng hij
is. Wat moet ik nu zeggen, als hij er over begint?»

Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons voort. Maar op eens
zei hij:

»Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan mij, Dorus, want
jou schuld is het niet.»

»Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik niet,» was mijn
antwoord.

»Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, dat jij in mijne
plaats straf krijgt. Maar ik spreek er niet van, voordat ik zeker weet,
dat de meester er van gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga
naar huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den schoenmaker
voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van middag!»

Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den hoofdweg langs naar
huis, waar men al met het eten op mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand
mij naar mijn orgelspel en de meester sprak later ook niet over het
geval. Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, of zoo
hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen gegeven, dat ik
er geen schuld aan had.

Eén voordeel was er aan verbonden, en wel dit -- dat Bob mij, den
eersten tijd althans, in vrede naar de kerk liet gaan, wanneer ik mij
op het orgel ging oefenen. Wel was de grootste schrik spoedig bij hem
vergeten, maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om in de
kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans niet, als hij wist,
dat de dominee thuis was. Want dan had hij veel kans, dat hij opgemerkt
zou worden, en hij twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er
niet zoo gemakkelijk afkomen als den eersten.

»Verbeeld je eens,» zei hij later tegen me, »dat de dominee mij voor
straf den geheelen honderdnegentienden psalm had laten uitschrijven. Dat
zou me eene geschiedenis geweest zijn -- acht en tachtig verzen!»



DERDE HOOFDSTUK.

  Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer
  Denappel, zijne stelten terug wil hebben en
  van den regen in den drop komt. De
  krijgslist van Karel Holm en mij.


Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, wat voor hem slechts
een omweg was van ongeveer tien minuten.

»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» mompelde hij
vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. »Maar toch,»
liet hij er op volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer
beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de
menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens
onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als
ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in
plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te
doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf
loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een
mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!»

Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de
toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging
fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan,
toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen.

De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het
dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den
overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge
moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom
een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom
was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos'
bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en
landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij
had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was
ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met
een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield
en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij)
had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot
genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite
getroostte.

Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.

»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag.

»Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg!»

Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er
altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden
wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg.

»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want hij mocht Bob
graag lijden.

»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» zei Bob.

»Zoo? -- Waagom? -- Hè-hè-hè-hè! Moet Mina ook stelten leegen loopen?
Hè-hè-hè-hè!»

Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij
lachte altijd met eene è-klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn
neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden
hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden
wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.

»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans
om ze terug te krijgen.»

»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust
hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet
willen?»

»Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we
het?»

»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om één uug. De
pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cgusoë, in een mooien blauwen
band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek.
De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te
geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je?»

»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen meêdoen? En waar is het?»

»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle
jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen?»

»Met alle genoegen, mijnheer!»

»En zouden ze eg lust in hebben?»

»Of ze, dat kan u begrijpen!»

»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want
andegs gaat de pget jou neus voogbij, hè-hè-hè-hè! Dag Bob!»

»Ja mijnheer, wist ik maar hoè!»

»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij
voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, --
hè-hè-hè-hè? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven,
hè-hè-hè-hè!»

Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene
visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest
hij natuurlijk Bob eens goed plagen.

»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog!»

Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over
het aanstaande feestje.

»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde hij. »Ik mòèt ze
terughebben, -- dat spreekt van zelf!»

Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van
hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen
had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er
zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen
naar de kerk mocht ik ze nooit meênemen.

Bob en ik waren in den tuin.

»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, »bedenk jij nu
toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen
kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen.
Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat
leelijke ding.»

»Ja, -- en ook van je idée, om Mina nat te spuiten in plaats van de
ramen.»

»Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op
dit oogenblik de hoofdzaak.»

»Wel, ga ze terugvragen.»

»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me
kopje onder in eene waschtobbe stopte!»

»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis
niet in den tuin van den dokter kijken?»

Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van
zijn hoofd en zwaaide er lustig meê in het rond. Toen wierp hij hem hoog
in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een
kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon
nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had.

»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd,
hoor! Kom jò, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet
eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede.»

»Ja, doe dat!»

In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van
mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den
verrekijker op den zolder.

»Zeg jò, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker goed uit elkaar
halen.»

Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds
zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en
dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn
idée was.

Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een
paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den
kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een
soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.

»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. Ze heeft ze
zeker hier of daar weggestopt.»

»Misschien wel in de keuken,» zei ik.

»Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid,
-- 't zijn hààr stelten toch niet?»

»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?»

»Dààr!»

Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument
bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij
met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker
bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.

Eindelijk gaf ik het op.

»'k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je stelten kwijt,
Bobbertje.»

»'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd meêdoen, als ik geen
stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken?»

Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het
bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien.

»Kijk eens, dáár, Bob, -- dáár, vlak onder het keukenraam, op den grond!
Daar liggen ze!»

Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij
veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden
willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook.

»'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam
gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben.»

Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten.

»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, jò, nu kan je
ze pas goed zien.»

Nu, dat was waar.

»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?»

»Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het
slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over,
spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar
ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam
staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag
en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het.»

»'t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten opmerken. »Als ze je
snapt, ben je er bij.»

»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe.

»Of als de dokter je ziet.....»

»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.»

»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.»

»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik
terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd
organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor
het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan
kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?»

»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.»

»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van
eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen?»

»Volkomen.»

»Tot straks dan!»

Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik
voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende
dak nog niet eens verlaten kon hebben.

Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk
ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen
houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste
gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den
kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin
van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen
om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde
doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij
bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar
frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het
schuurtje.

Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren.
Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk
aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen
bleef hij nog eenigen tijd zitten.

Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn
signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den
terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.

»Dat was toevallig, hè?» zei hij ernstig.

»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat zij lont geroken
heeft. 't Is toch een slimmerd.»

»Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft
gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij
onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen.»

»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt
niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo
buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù juist buiten kwam en de stelten in
het schuurtje bracht.»

»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» zei Bob. »Over een
kwartier waag ik het weer.»

Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou
zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te
ondernemen.

Eindelijk ging Bob.

Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en
sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den
dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles
veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van
nood zou ik mijn signaal doen hooren.

Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en
behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem
bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest
hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna
op zijn buik over den grond.

Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen,
tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het
schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts
zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het
schuurtje.....

O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging
snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina.

Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij
mislukte van den schrik.

Mina ijlde naar het schuurtje!

Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon.

Mina had de deur bereikt.

Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een
oogenblik en hij zou gered zijn.

Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel
voor.

Bob was gevangen.

Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n
akelige meid!

In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken
verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den
laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan.

Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen
maar, hoe dat gedaan moest worden.

Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten
einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel
uit Haarlem thuisgekomen zou zijn.

Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar
Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind.
Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij
een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou
niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een
kameraad in den steek laten zou hij nooit doen.

Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik
zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam.

»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.

»Zoo Karel! Al terug?»

»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»

»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten
in het schuurtje van den dokter.»

»Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter?» zei Karel in de
grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»

»Mina, de meid.»

Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest
hij er om lachen, maar later keek hij ernstig.

»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin,
dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij worden. Wij kunnen hem niet aan
zijn lot overlaten.»

»Juist, Karel, precies mijn idée, -- maar hoe?»

»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee
kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te
bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde
was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het
schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»

»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig idée. Hadden
wij maar eene boodschap!»

»Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik
wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en
geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?»

»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»

Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle
ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze
alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar
den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets belet ons, om dat
nu te doen.»

»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de
voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt
eene leuke historie, Karel!»

»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»

Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe
verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd.

Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze
wegen scheidden.

»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je
achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren.
Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»

»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen
hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.»

»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg er zin in.
Voorzichtig, hoor!»

»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»

»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»

»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je
kunt.»

»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»

Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo
noodlottig geworden was.

Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het
afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd,
namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te
bellen, en door Bob uit het schuurtje.

Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven
om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de
sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje.
Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze
krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om
mij heen.

Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof
den grendel weg, en opende de deur.

Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand.
Maar o jé, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina
opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan.

»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in
plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te
gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en
ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg
op.

Ik ijlde hem vooruit.

O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en
die muts op, en dan op stelten.

Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag
aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos,
toen zij bemerkte, wat er gebeurd was.

»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens
gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!»

Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en
weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld.

Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer
in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om
het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed.

Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden
Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar
niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te
doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug.
Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel
harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het
pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den
terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord
toe te voegen.

Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.

»'t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want ze had me beloofd,
dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!»



VIERDE HOOFDSTUK.

  Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel
  en daarna voor visch speelt.


Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, om zijne stelten te
halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp
gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede
te spelen.

Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat
de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij
zeide.

Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen,
was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep,
weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij
zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal
bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden:
Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang.

Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen
voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne
vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel
geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel.

Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan,
met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den
zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en
telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan
Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de
Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.

Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij
dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van
zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in.

»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden,» zei Tines
Wobbe, »dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.»

»'t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was nu al genoeg
geplaagd.»

»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een grijnslachje, dat
wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen
van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van
eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen
uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos
buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens
niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat
deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er
eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij
in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij
hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we
het nooit nalaten.

»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in de rede.

»Goed nieuws?» klonk het terug.

»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel
ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. »Ik noodig alle
jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg
te komen, 's middags om één uug, tot het houden van een wedstgijd in het
hagdloopen op stelten.»

»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de jongens hem vroolijk
in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als
iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend
hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na.
Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk.

»'t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn grappigsten toon.

»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het opeens uit aller mond.

»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben nog niet
uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in
pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...»

»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»

»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne
beide handen. »Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd
zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek,
maag niet in een fgaaien band.»

»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»

»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. »En dan heb ik nog
een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik
behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed
beggepen?»

»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk het lachend rondom
Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten
lachen.

»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» vroeg Dirk
Langeraar aan Bob.

»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan.» En heel
vaderlijk liet hij er op volgen: »Kleine jongetjes moeten niet naag
alles vgagen, hoog kegeltje?»

»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»

Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep
hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet.

En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De
schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de
Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór
den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar
uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde
zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar
twijfelde hij ook niet aan.

Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te
ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu
bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug.

»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.

»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.

»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines Wobbe. »Wat heb je hem
gedaan?»

»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van
middag,» zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij
wat hij gedaan had.

»Zoo'n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu voor den schoenmaker,
Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt.
't Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.»

»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig lachje. »En hij zal
me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het
hardst steltloopen?»

»Goed!» zei ik.

Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten.

»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.

»Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd.
Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk
Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»

Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we
konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer
dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij
niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden
op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen.
De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed
wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen!

Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de
Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te
zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam
boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn
voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa
in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op.

»Hè-hè!»

»Au! Ga toch weg!»

»Rijs op, zeg ik je!»

»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»

»Ik stik! Ik stik!»

»Au, mijn arm!»

»Mijne beenen breken!»

»Je zit op mijn rug!»

Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand
van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen
een steen terecht gekomen.

»'t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een buil op. 't Doet
me anders wel pijn.»

Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.

»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.

»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.

»'t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den dam is, volgen alle
anderen,» en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij
allen nadoen, net als de schapen.»

»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.

»Ja, overdoen! Overdoen!»

»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.

»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot zich niet
tweemaal aan denzelfden steen.»

Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob
en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk
de prijzen wel zouden winnen.

»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het van Bob en Tines toch
niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.»

»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede om een prettigen
middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is
toch de hoofdzaak.»

»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen,» zei ik.

»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij
tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen.» zei
Huib de Leeuw.

»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen?» vroeg Bob.

»Ja, -- wat dan?»

»Verstoppertje?»

»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?»

»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder
dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde.
Is dat afgesproken?»

»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel,
-- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.»

Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom
staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij
hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij
natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een
gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk.

Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een
luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij
gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende
spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten,
dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten
eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen,
bij het volgende spel weer schuil te gaan.

Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd,
om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel,
vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd.
Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende
schuilhoeken te vinden.

Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van
den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden,
kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug
verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes.
Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon
hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des
schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid
om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene
omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was
om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer
hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij
een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone
brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die
daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem,
zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich
daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om
zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan,
maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet
weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem
vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem
buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig
niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens
gevonden had, zei hij tot de andere jongens:

»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat brandnetelboschje
zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.»

»Ga kijken, -- dan weet je het!» raadde ik hem aan met een leuk gezicht.
Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid
waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne
meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland
door den rijstebrijberg.

»Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg hij met een
overmoedig lachje.

»Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik!» zei ik lachend.

»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet hier zitten! Vooruit,
daar gaat hij!»

En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in.
Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong
Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan
hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra
wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want
Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot
opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong
en wij hem hoorden roepen:

»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt
om te zoeken. Jou slimme rot!»

Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu
hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van
het boschje.

»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken toon. »Wel
driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!»

»'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei Tines Wobbe. »Ik gun
je de pret.»

»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde
kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.»

Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen
een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te
zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof
wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook
een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als
die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men
nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden bereikt. Het
kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te
verliezen.

't Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was
Cor Valk de zoeker.

En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij
dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs
zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde
van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als
hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg
niet was.

Welk plaatsje had hij dan gevonden?

De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met
den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman
als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en
dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd
uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot
gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit,
om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel
voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal
netten, waarmede hij menig vischje verschalkte.

Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote
vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet
anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water
er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of
luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door
den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar
binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den
gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de
visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.

Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het
droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was,
had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel
meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk
te kunnen ondernemen.

Hij deed het dan ook.

Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg
voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te
bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want
het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door.

Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden,
want dáár lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje
vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem
dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig
wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij
met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets
verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.

»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk
zocht te maken in zijne kleine gevangenis. »Zie zoo, -- laat ze nu
maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de
brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen,
zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als
een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes
heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze
zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een
wreede dood is. -- O jé, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in
zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, --
natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets
van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als
een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho
maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!»

Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de
handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel
voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje
zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek
te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij
het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel
gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten
rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker.

Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de
lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet;
hij dacht aan geen gevaar.

Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vóór Bob, die hem nu
wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong
hij met zijne beide knieën op het luik en draaide de wervels over.

»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene toe. »Nu ben je
gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet,
met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk
jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»

»Neen, de Veer, ik dacht.....»

»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor
je doen.....»

»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»

»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan
zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver
weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»

»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......»

»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.»

»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van
en ik zal de schade wel betalen.....»

»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek
met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je
opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn;
't is bepaald grappig, 't is vermakelijk!»

»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij,
asjeblieft!»

»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een
lus, en dan zijn we klaar.»

Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit
alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe
hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er
op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars
weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat.
En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De
kaar zat stevig in elkander.

»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!»

Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook
deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te
kunnen worden.

»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast,
hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten!
Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat
vergeet ik mijn leven lang niet!»

»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten toon. »Och toe,
laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal
doen.»

»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?»

»Dat ook niet, -- och toe, ik....»

O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette
haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd
lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk
met de beenen omhoog.

Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch
te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag
hij, dat de kaar vlak aan den kant stond.

Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen
te gelijk om hulp hoorden roepen.

»Help! -- Help! -- Moord! -- Moord!» gilde hij.

»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht maar, mijn jongen, wij
zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla!»

Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.

Och, och, wat lachte die schoenmaker.

Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel
wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden
man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed
niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden.

»Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help!» Bob kroop
ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op
en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan
hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig
dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en
dan hoorden wij hem weer om hulp roepen.

»O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik....
brrr!

Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er
toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er
weldra een groote oploop ontstond.

Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om
zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen
niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst
lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op
het droge te trekken.

»Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu
straf genoeg gehad.»

»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het uit de kaar.

»Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» riep een van de
omstanders lachend den schoenmaker toe.

»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat
ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»

»'t Bevalt hem er niet!» riep een ander.

»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»

»Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe!»

»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon
te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het
lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de
gaatjes in alle richtingen wegvloeide.

Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder
luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren.
Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het
volk heen, -- naar zijn huis toe.

Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest
ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was
hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst
op zijn gelaat.

Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet
ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de
keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij
nooit vernomen.

Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen
ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik
onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob
gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had
gehad.



VIJFDE HOOFDSTUK.

  Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot
  spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof
  tot treurigheid gaf.


De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van
groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis.
Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen
worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst,
maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid.

Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.

't Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de
vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen
ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was
ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in
de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare
lijfspreuk was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» en die
spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen
Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon
daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de
tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en
blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in
bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie
goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven.
Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker
was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen,
staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel
geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme
ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was
zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen,
dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij
bijna zoo rijk werd als een koning.

Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knieën voor het
geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand
tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:

»Kees! -- Kees! --»

Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.

»Kees! -- Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing van stem. »Kees!
Word dan toch wakker! Kijk eens, wat ik hier gevonden heb. -- Een
schat, Kees, drie gouden tientjes!»

»Hé? -- Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel
wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen
doorstak. »Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk,
Trijn, dat kan niet.»

»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze.
Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg!»

In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en
wat kleeren aan, en zeide:

»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat
eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de
wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.»

Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte
op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op
neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij
niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.

In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan,
precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de
tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het
geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener,
die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven.

»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien wij niet dankbaar
genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar
hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot
allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten
denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu
gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn.»

»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?»

»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook
wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand
zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos
tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen
moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven
toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan
zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan
kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we
moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen
eindelijk ook gaan komen.»

Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide
ze:

»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en 't is een mooi idée van je, maar
zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons
zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter
schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat
geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust
over.»

»Niet gerust? -- Niet aannemen?» vroeg Kees vol verwondering. »En waarom
zouden wij het niet aannemen? 't Is ons toch gegeven en we hebben het
niet gestolen!»

»Ja, dat is waar.»

»En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en
wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die
daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat
wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn.»

»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd
ons thuisbezorgd.»

»Juist, -- 't ging er precies mede als met dit geld. Een of ander
weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven,
wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet
van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.»

»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons op St.
Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.»

»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch zou ik er voor
zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. 't Is zoo'n
groote som.»

»Voor òns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene
kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom
hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen
niemand van te spreken, en -- --.»

»Dus geheim houden?»

»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken.
't Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een
huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan
voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan
onze armoede nu een einde komt.»

»Nu, 't is mij goed, -- hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen
vrede meê heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan
het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! 't Is toch waarlijk geen
kleinigheid, om die zoo maar weg te geven.»

»Ja vrouw, 't is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten.
't Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is,
daar twijfel ik niet aan.»

»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. 't Is me
nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is.»

»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge
je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons
bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen?»

»Ja, ja, -- dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen.»

»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook
stil, hoor!»

»Ja, vader.»

»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en 't is niet
noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen
altijd zooveel, veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, -- en dat is nu
niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.»

Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de
zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast
werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de
rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij
er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden
gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al
luchtkasteelen gebouwd!

Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord,
en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid.
Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den
burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel
ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd.

Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. 's Morgens om elf
uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend
vuurtje door het dorp rond.

't Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk,
de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet,
om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik
in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde,
hetgeen hij bij goed weêr elken morgen gewoon was te doen. Na eenige
oogenblikken rondwandelens echter werd zijne aandacht getrokken door
het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd
van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor
aanwezig, dus òf hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te
sluiten, òf er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door
het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist
was, moest er gestolen zijn.

De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen
aan Geertje, de meid:

»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?»

»Neen, mijnheer.»

»Weet je het zeker?»

»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.»

Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw:

»Lize, ben jij al op 't kantoor geweest van morgen?»

»Neen, waarom vraag je dat?»

»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor?»

»Neen pa, ik ook niet.»

»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, terwijl hij zich met
groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet.

Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich
droeg, en genadige hemel, -- ja, een enkele blik was voldoende om hem
te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief
geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten van zijn bureau
waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was
geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!

Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele
vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars
had bediend.

»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie kan dat nu toch
gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop
ik?»

»'k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde de
directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. »Wie had dàt nu ooit kunnen
denken! Zoo'n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd,
tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig -- 't is precies
twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: 't is twee
honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en
een van veertig.»

»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.»

»Waarlijk, -- dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er
is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig
gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis!»

»'t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de handen van
verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen,
lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden.»

»Dat is waar, -- je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den
burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een
woord, van hetgeen hier voorgevallen is, begrepen?»

»Ja, pa!»

»En vlug, -- als de wind, hoor!»

»Ja, pa!»

Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van
hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert
vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen.

Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de
directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren,
alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde
verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel
doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.

Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een
nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij
alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:

»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van
dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden?»

»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien
ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de
eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens,
u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is
op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor,
zij zingt in de keuken als een lijster.»

»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening toch schuldig
bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken.»

De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de
keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het
hoogste lied.

Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst
voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een
verlegen lachje:

»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw
zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil....»

»Neen, meisje, 't is mij om u te doen!» sprak de burgemeester op
gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje
keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare
onschuld.

»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, burgemeester?»

»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?»

»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer
grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: »Wel, op
bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me?»

»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is,
Geertje!» zei de burgemeester.

»Ingebroken! -- Gestolen!» riep Geertje doodsbleek uit. »Wel,
verschrikkelijk!»

En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet
zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van
ontsteltenis, luid begon te schreien. Het kostte mevrouw zelfs niet
weinig moeite, haar tot bedaren te brengen.

De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na
enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en
zeide, toen zij vertrokken was:

»Zij is beslist onschuldig.»

»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel mevrouw in. »Neen, wij
moeten den dief ergens anders zoeken.»

»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken.
Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad?»

»Gisteren? -- Neen, -- o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij
heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag.
Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel
gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn.»

De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij
zeide:

»Zoo, -- Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke
lieden, maar toch -- iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer
wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van
niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen
gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten?»

»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar is geen sprake van.
Zij zijn geen van beiden in het kantoor geweest en ik heb het zelf
gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van
diefstal te verdenken.»

»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is
eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de
brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er
misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest?»

»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen.
Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet
gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier
alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de
koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor.»

»Zoo, -- ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem
zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, -- en u?»

»Ik ook niet, burgemeester. 't Is, geloof ik, een jongmensch, dat
nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat
hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje
met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer
acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.»

»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de burgemeester. »U moet
wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den
dief kan afhangen.»

»Ik heb u verder niets te zeggen.»

»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het mijn plicht is,
eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij
Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag
nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!»

Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de
woning.

Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den
veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met
zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen
te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook
Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen
zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al
hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.

»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide ze tot Kees. »O
God, -- daar heb je 't al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd!»

»Waarom? -- Wij hebben het toch niet gestolen!» zei Kees binnensmonds.
Maar toch verbleekte ook hij.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen.

»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf.

Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds
ophad.

»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip!»

Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:

»Wil u niet gaan zitten?»

De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef
midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in
oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel,
enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er
niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd
gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt.
Op dat kastje bleef eindelijk 's burgemeesters blik rusten, en het met
den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:

»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud
hier uitgespreid op den grond.»

Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit
kwam, en zeide:

»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch
niet, dat we gestolen hebben, -- dat we dieven zijn?»

»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» voegde Kees er
bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten
wilde, het ontvangen bevel uit te voeren.

»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te
kort hebben gedaan.»

»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben
ons voor niets of niemand te schamen,» zei weêr Trijn, terwijl haar de
tranen in de oogen kwamen.

»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel
zeggen, als zij het hooren? Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dìt
nog eens beleven zou!»

»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. »En gij, goede
menschen,» -- vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, »ik raad u aan,
kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke
menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te
schamen. 't Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking
kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel,
wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek,
is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!»

»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want ik voel me in het
geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek
instelt, wil ik het u, -- neen, kàn en 'màg ik het u niet langer
verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is.»

»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij:

»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard
verder. -- En wàt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet?»

»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dààr
onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, --
hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik 't u zeg.»

»Wat? -- Hé, wat zegt u? -- Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar
gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen.»

»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog rustig te slapen,
ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer
dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden
tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.»

»'t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester met een ongeloovig
gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is
dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het
nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de
deur doorgeschoven worden?»

»'t Is wèl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder kaseweel[1]. Dat
moet ik zeggen.»

         [1] Casueel, bedoelde Kees.

Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar
echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze
zaak voor hen kon hebben.

»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we
ons voorgesteld hebben.»

»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een
stapeltje kleêren. Wil u het openen?»

»Geef maar hier.»

De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie
goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had.

»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei hij, terwijl hij
Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat had ik niet van u gedacht, vrouw
van der Vliet; ik heb u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw
gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u
gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak
de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie
weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld
weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten
niet door nog te liegen.»

Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het
spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze
uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te
roepen:

»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig,
mijnheer de burgemeester!»

Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit,
en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem.
't Was een treurig tooneel.

De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk,
met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed.

Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte
haar gelaat met haar boezelaar.

»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. »Ik ben onschuldig,
zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert
niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk
gezegd!»

Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.

»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze. »Nu zullen ze je
moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, -- en wie zal er
dan voor jou zorgen...»

»'t Zàl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....»

Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast
zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen.

»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek
toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik
u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk
hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, 't is de waarheid -- ik lieg u
niets voor, niets --»

De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden
te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al
bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht,
maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.

De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te
brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij
gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige
fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij
het maar gedaan.

Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan
hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen,
doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen
proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste
verslagenheid achterlatende.

Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van
Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht,
er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf
overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het
onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig
lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en
hem onaangenaam stemde.

»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij bij zichzelven, maar
hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen.

Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester:

»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij
Van der Vliet, burgemeester.»

»Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»

»Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn?»



ZESDE HOOFDSTUK.

  Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.
  Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter
  een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.


Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging,
zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde
het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het
uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze
had het hem verteld.

Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige
menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam
plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze
nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het
slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen
halven cent vertrouwen zouden schenken. 't Was eene echte dievenfamilie,
waarin geen greintje goeds stak.

Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op
gestrengen toon:

»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden
mag, nooit voorbarig in je oordeel. 't Kan nog best uitkomen, dat die
menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt
altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. 't Is eene schande!»

Nu, dat vond ik ook, maar wààr is het toch, dat maar weinig menschen
spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: »'t Is toch
maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en 't is maar goed, als ze
achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!»

Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos
bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich
hebben geschaamd, vooral toen 's middags zich veel meer wandelaars op
hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde
iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er
pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was
dientengevolge niemand te zien.

Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik
's middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen
allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en
wij waren er blij om, toen het 's middags vrij erg begon te regenen,
zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten
Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien
hadden na zijn onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover
spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.

Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden.
En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens
geducht te plagen.

Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open.

»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig
opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne
Moe bij ons is komen logeeren. Bah, 't is zoo'n vervelende jongen. Hij
ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok
heeft doorgeslikt. Ga-je meê, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar
niet lachen, hoor!»

Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen,
toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven
mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden
voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven
wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet
van Koorde.

»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit den mond der tante,
»mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit
te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen.»

»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me
niet kwalijk, als 't u belieft.»

Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon
statige dame was, die zoo recht als eene kaars op haar stoel zat. Zij
scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die
evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne
deftige moeder.

»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd!»
zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon.

»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan
hij al deed.

Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk
gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden.

Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp.

»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond ook in de
vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob?»

Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:

»Neen, mijnheer, -- dank u! Dat laten we aan Bob over.»

Plotseling klonk het uit den mond der tante:

»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een
vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, -- wat
ik afschuwelijk vind, maar Robert.»

»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens
noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo'n leelijken naam?»

»Rechtop zitten, Pieter! -- Wilden Bob! O, verschrikkelijk! 'k Wou niet
graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar
Wilde Bob! 't Is afschuwelijk, -- ik zou het niet dulden, broeder
Marinus!»

»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met een licht
schouderophalen. »De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er
weinig aan veranderen.»

»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel het je gisteren in die
vischkaar?»

Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel.

»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! 't Wordt waarlijk nog erger!
Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond
gesloten, zooals het behoort.»

»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het
hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.

»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg tante aan mevrouw de
Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren.

»Och, Bob -- Robert wil ik zeggen, -- is gisteren bij het verstoppertje
spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag,
en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen.»

»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam Tante met
verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft
zoo'n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert
ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik
zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet met Jan en alleman
op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van
dergelijke spelletjes?»

»Neen, Mama!»

»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?»

»Veel liever, Mama!»

Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist
het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was.

»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat is nu
zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn
glacé-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje
zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat
hem eens zien.»

»Ja, Mama!»

Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk
van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf
spreekt.

»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen
plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse
eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. 't Deed
hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de
hoogte, en riep:

»Au! Au!»

»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had
het met voordacht gedaan. »Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg
pijn?»

»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder
ophouden wreef.

»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef Robert kon het niet
helpen, zegt hij immers.»

Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet
vriendelijk aan.

»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob.

»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. »Zwiepen is geen
woord; dat zeggen koetsiers.»

Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken.
Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou
uithalen. Hij zeide daarom:

»'t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb
je huisarrest.»

»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op haar deftigsten
toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en
alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar
kroop. 'k Heb liever, dat hij binnen blijft.»

»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar
heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst.»

»Ja jongens, ga je meê?» vroeg Bob opstaande.

Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar
wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak
hem de lust.

»Ga jij niet meê?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef
zitten.

»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met een genadig knikje.

»Jawel, Mama!»

Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel,
Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij
schuddende van het lachen.

Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.

»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd.

»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel.

»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob.

»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik.

»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn wij natuurlijk
anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner
zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.»

»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan,
en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen.

»Au! Neen, -- boksen -- au -- kan ik niet. Au! -- Au!»

»Dan zal ik het je leeren! Toe jô, stomp terug, of jij krijgt alles
alleen. Zóó moet je doen!»

»Au! -- Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou.
»Houd-op, Robert, au! Ik doe -- au! -- jou immers -- au! -- ook niets!»

»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen,
neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet!»

»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. »Zoo is er toch
geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan
doen?»

Bob hield met boksen op.

»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »'t Is jammer, dat het zoo regent,
anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten.
Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?»

Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.

»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij.

»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. »Maar weet jij geen
mooi spelletje?»

»Ik niet; wij spelen nooit.»

»Zoo, -- zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens
laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden
heb. 't Is wat prachtigs!»

»Wat dan?» vroegen wij.

»Ja, wacht maar, -- dan zal ik het je laten zien. 't Is bepaald nog iets
uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer
aan.»

Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam
weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een
mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een
breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken.
't Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel
geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in
elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo'n lange pijp
gezien.

»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk
tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker.

»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?»

»Ik denk het wèl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet
meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens
rooken?»

»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste
minachting te lezen stond. »Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag?»

»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het niet verklapt, komt
niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik?»

»Neen, -- klikken doe ik niet.»

»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, met zijn bekend
knipoogje tegen ons. »Willen we het doen, jongens?»

»Heb-je tabak?» vroeg ik.

»Dat zou ik meenen, -- een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik
krijgen kon. Zie maar eens hier.»

Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk
hij met een trotsch gebaar omhoog hield.

»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak bestaat er niet.»

»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» Hij begon nu de
pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne
aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal
zoo lang als noodig was.

»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan we met ons
vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha's.
Hier heb ik een doosje lucifers.»

»Maar ik doe niet meê,» zei Pieter. »Rooken is vergif en staat bovendien
in het geheel niet fatsoenlijk.»

»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei Bob. »Weet je, wat
jij intusschen wel kunt doen?»

»Nu, wat dan?»

»Wel, trek je glacé-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en
wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de
heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte
neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat
beginnen. Wij nemen een lucifer,» -- Bob voegde de daad bij het woord,
-- »schrappen hem aan, -- en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak
wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.»

»Laat mij eens probeeren!» zei Karel.

Bob gaf hem de pijp.

Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe
het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, -- Karel kon het ook
niet.

»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt,» zei
hij.

»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob.

Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat
rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand
wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.

Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte
nogmaals een lucifer aan, en ha -- daar dwarrelden de rookwolken
omhoog.

Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan,
hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.

»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep hij ons
opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke
verbeeldingskracht.

»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?»

Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies
hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon
te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op
Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke
gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij
hadden kleuren als boeien!

Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene
tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem
nogmaal toevoegde:

»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke
broeder spreke!»

»Kuche -- kuche -- kuche -- niets -- ik -- kuche ik wensch niemendal! --
Hè, je doet me bijna stikken!» riep Piet, terwijl hij met zijne beide
handen den rook van zich afweerde.

Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar
doorrooken.

»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen
klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een
groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!»

Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene geduchte rookwolk
toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de
pijp toe en zeide op plechtigen toon:

»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!»

»Wat? -- Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de
pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, dat doe ik niet -- dat heb ik
nog nooit gedaan!»

»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met woedende blikken uit,
terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield.

»Strijd? O neen, -- geen strijd!» zei Piet, die nog aan de bokskunst van
Bob dacht.

»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, op zichzelven
wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn
lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken.»

Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en -- rookte,
tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat
Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou
zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.

Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te
bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu
zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en
zeide:

»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens
dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt
hem zijn vriendschap aan.»

Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet gedacht, dat hij zoo
goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem
blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker
te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde:

»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder?»

En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:

»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder meê. 't Gaat heel gemakkelijk, en
't smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht.»

»Zoo, is 't waar? En wanneer wordt het onze beurt?» vroeg Karel. »Of ben
je van plan, de heele pijp leeg te rooken?»

»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp leeg is, stoppen we
haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt.»

En plotseling zijne knieën optrekkende en het hoofd daarop doende
rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:

»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier
terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne
oorlogsliederen zingen.»

»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds voortdampende.

»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode
kinderen gedood!» zei Bob somber.

»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij
vreezen den dood niet.»

»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. »Ik
geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak
aan.»

»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er
niet tegen, neefje, denk ik.»

»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons
allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede
op.

»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer
neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!»

»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend.

»Eerst, -- o ja, maar 't wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word
ik akelig.»

Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in
den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur
meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!

Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij
meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel
medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.

»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob plagend. »Zoekt mijn
bleeke broeder iets?»

»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de vredespijp te rooken.»

»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik voel, hier --
in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik
misselijk!»

»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijke raad van
Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook
wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten.

»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan
maak je een prachtig figuur,» zei Karel dampende.

»O, -- wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en
neerliep. »Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had.»

»'t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende.

»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan de beurt?»

»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan
gaat het 't best.»

Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend
toe.

»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, hè?»

»Ja, -- maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk vond ik het
afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak
mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort.

Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:

»Nu ben ik weer aan de beurt!»

Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een
fabrieksschoorsteen.

»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?»

»Ik ga dood, -- ik ben doodziek. O, -- ach, -- hê -- wat ben ik
ellendig.»

»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob.

»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen.»

Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij
schaterden soms van 't lachen.

»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger dan wij
dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd.

»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een
poosje.»

»Pak aan,» zei Bob kortaf. »'t Is eerlijk jou beurt.»

»O, -- ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama nu toch eens hier
kwam.»

»Pak aan, Karel, 't is jou beurt,» herhaalde Bob, daar Karel er
edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou.

Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang
zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het
geheel niet opgewekt uit.

Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter,
te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden.

»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de
pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien.

»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» zegt het
spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob
een even naar gevoel in hunne maag als neef Pieter, en daar ik mij nog
heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten
voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.»

»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. »Dat doet me
pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn
rotting krijgen.»

»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.».

»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben -- ik voel me erg onpasselijk. Ik ga
naar buiten.»

»Dan ga ik meê,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het hier benauwd.»

»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik me geen raad.»

»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, want daar ik
minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat
had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef
Pieter, en geëindigd was, met er zelf in te vallen.

't Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot
het priëel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden
zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten
en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, -- o heden,
daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje
uitvoerde.

»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat lig je daar
onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk!»

Pieter gehoorzaamde.

»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?»

»Ja Mama! -- ik ben ziek, och, toch zoo ziek!»

»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt
toch niets gegeten, dat verkeerd was?»

»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!»

»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter
moet komen, dadelijk, vóór het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt
het iets beter?»

»Neen Mama, nog niets. 't Wordt nog veel erger!»

Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door
mevrouw en mijnheer de Wild.

»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. »De volle waarheid,
hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben.»

»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne Moe, wie ook
de angst op het gelaat te lezen stond.

»Pa, -- wij hebben -- de vredespijp gerookt,» zei Bob. »Pfff, wat ben ik
ziek.»

Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.

»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist
toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, 't kon niet beter. Die pijp,
die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe,
die bij het misdrijf behoort. 't Is niets, vrouw, en beste zuster, maak
je ook maar niet ongerust, 't zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha!
't Is meer dan grappig!»

»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven zoozeer
verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!»

»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht.

»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben straf genoeg. Heusch,
vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we
naar binnen gaan.»

Karel Holm stond ook op.

»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was.

»Adieu! Tot morgen!»

»En ik -- ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.»

»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan Bob.

»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe.

»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord.

Zoo gingen wij ieder onzes weegs.

Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.



ZEVENDE HOOFDSTUK.

  Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.
  Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.


Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het
dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij
zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog
altoos met neef Pieter opgescheept zat.

»Kom je niet spelen?» vroegen we.

»Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar
hij mag wel wandelen.»

»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.

»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, dan moet je je
rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet meê!»

Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de
onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te
vervolgen.

Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide:

»Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer,
warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik
zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.»

»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»

»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan we immers altijd!»

»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»

»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, en ik weet niet,
of Mama het wel hebben wil.»

»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.

»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou geval maar niet
gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»

»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was
als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding.

Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal
pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene
enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man,
vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de
jongens zagen er altoos zóó vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde.
Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen
maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat
hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet
veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en
geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en
hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog.

Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo
heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij
lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden,
want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. Zij liepen dus
veel kans, het onderspit te moeten delven.

Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren
ons bad te nemen.

Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum
van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet,
want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste
plaats.

Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en volgde met
belangstelling onze evolutiën in het natte element. Die waren inderdaad
ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen
haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo
geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten.
Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij
een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg was,
dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn
rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat
kan ik verzekeren. Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw
rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o jé, als dan
het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en
kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven.

»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en
zich van zijne kleêren begon te ontdoen. »Ik kom er ook in; hier verveel
ik me, en 't schijnt me zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet
uit?»

»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet
greep en hem eene duikeling liet maken, »nog lang niet, Pieter, kom er
maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»

Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in
het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat
het voor hem een zeer ongewoon werk was.

»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, »wat is dat
koud!»

»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij
voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»

»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar in, Pietje. Heusch,
het zal je meêvallen.»

»Maar 't is zoo koud,» zei Piet weifelend.

»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan,» zei Bob. »Maar je
moet het zelf weten, hoor.»

Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene
been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere.

»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»

Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.

Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel
liepen zij op hem toe en grepen hem, vóór hij de vlucht had kunnen
nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken.

»Brrr -- hè -- hè -- hè -- brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat me lho-hos!»
zei hij smeekend. »Ik verdrink!»

»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei Bob. En toen zij
midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig
knipoogje:

»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee -- drie, daar gaat
Pieter!»

»O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen!» smeekte Piet. Maar dat baatte
hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling
kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer
boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór hij
gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.

»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.

En daar ging Pietje voor de derde maal.

»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je hier burger
geworden, Pietje!»

»Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff!» kermde Piet, die nu zijne
vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij
durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van
zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.

Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar
werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen
was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en
verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste
overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.

»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij ontsteld. »Er trok me
iets aan de beenen!»

»'k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een heel eind verder
bevond.

»Wat kan dat toch geweest.....»

O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst
bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje
toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets
meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij
dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde
het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier.

»Wat is men licht in het water, zoo licht als een veêrtje,» zei hij. »'k
Vind het hier heerlijk.»

»Krijgertje doen?» vroeg ik.

»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.

Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven
liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur
van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan
voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar
en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een
vijandigen voet stonden.

Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen,
-- maar toen was het laat.

»Gooi in het water -- die kleeren!» hoorden wij een van hen zeggen.

»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!»

»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei de derde met een
grijnslach. »Maar vlug dan, want ze komen al terug!»

Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen
zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in
staat.

Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles,
wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden,
ten einde tijd te winnen.

»Als je 't hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» riep hij hun toe.
»Wacht je dan voor de gevolgen!»

Maar zij waren onvermurwbaar.

Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en
groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken.

In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk
te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het
op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij
kwaad!

»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»

»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» voorspelde Karel. »Die
apen!»

»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze naar Artis sturen en
dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons
goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?»

»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht.
Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. »Al mijne
kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»

»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat ons overschiet.»

»En dan?»

»Ze aantrekken!»

»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen nader stond dan
het lachen.

Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken.

»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets wits boven de
oppervlakte verschijnende.

»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »'t Is het mijne, Kareltje.
Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie
ik wel.»

»O, 't is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd.

»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.

»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.

»En ik eene kous!» juichte ik.

»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen we het straks wel
sorteeren.»

»Eene broek!»

»Nog eene!»

»En eene blouse! Weer twee schoenen!»

»Hier is een hemd!»

Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken
wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze
schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen
Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem
eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze
natte kleeren, als het beeld der wanhoop.

»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde hij. »Was ik maar niet
met jelui meêgegaan en had ik maar niet gezwommen!»

»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder
meê. Help liever de kleêren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.»

»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» vroeg Piet op
schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en
duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop.

»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het
ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen,» zei Bob, die medelijden
met hem begon te krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts
en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf
als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna
geen droppeltje inblijft.»

»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij het ook doen.
Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken
wij er toch door kwijt.»

»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene
pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien
maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien,
zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!»

»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.

»Of een strijkijzer!» zei ik.

»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog wordt!»

»Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»

»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een
paar uren te bleeken leggen!»

»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen
gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was.

Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover
gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte
goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen
hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in
den tuin nog uit te lachen op den koop toe.

»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» zei Bob met gebalde
vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»

»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»

»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» zei Bob.

»Ja,» zei Karel, -- »en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben
door en door koud!»

»Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we!»

Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer
onaangenaam gevoel, al die natte kleêren, maar daar was nu eenmaal niets
aan te veranderen.

In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen
blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de
laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene
verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend
hebben.

Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven
werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen
achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk
was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig
vermaak, waarboven wij ons verheven achtten.

Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen
aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij
in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad
kozen.

»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.

»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde Karel, die erg
boos op hen was.

»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik een steen op mijn
hoofd! Ze gooien!»

»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze schijnen te meenen,
dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat
naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons
eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.»

Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren
en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed
voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien.

»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden
tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd
opkijken. Nu, -- daar gaat hij!»

»Een!»

Bob wachtte een oogenblik.

»Twee!»

Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken.

»Drie! Valt aan!»

Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet,
die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in
de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht.

O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij
daartoe hun best, -- maar 't was te laat.

In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de
vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield,
ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren
boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens
toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars
verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging
niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het
uitschreeuwden van pijn en angst.

»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand
toediende. »Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb
eene gulle bui vandaag!»

Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te
ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam
er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag
gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de
oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en
wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf
een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had
gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn
vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam,
knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:

»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»

»Hê, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» zei Bob.

Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen
tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren
zeer tevreden over onszelven.

»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.

»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik denk, dat ze ons
voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.»

»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.

Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder
den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders
toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te
vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite
gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats
zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar
te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter
evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor
dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te
vragen, iets, wat wij nooit deden.

't Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf
dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet
naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was,
thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar
-- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar
zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar
hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was,
maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de
slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde,
juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot
doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat
vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den
toeschouwer allerakeligst aan.

Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar
jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten.

Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu
eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij
vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers,
die al te voorschijn waren gekomen.

Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in
Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie
weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel
zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen
zouden er graag een willen hebben.

»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je
zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.»

»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne
oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige
Tante van die onschuldige diertjes had. »Aan jou?»

»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is.»

»'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met
den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het
niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»

»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.

Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te
gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen
zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten
waren slechts door een houten beschot gescheiden.

Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar
licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed.

»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» vroeg Bob lachend.
»Ik heb nog wel tabak.»

»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van den grootsten
afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er
aan denk, word ik nu nog ziek.»

»Wel te rusten dan!» zei Bob.

»Slaap lekker!» was Pieters wensch.

Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden.
Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het
was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant.

Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet
zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mòèst hij
het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er
van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht
kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam
oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de
oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te
schudden in zijn bed van 't lachen.

[Illustration: In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen
stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).]

Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij
tikte zacht terug.

»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»

»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.

»Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob!» hoorde hij Piet
fluisteren.

»Dieven?» vroeg Bob terug.

»Neen -- erger, Bob. Een -- spook.»

»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»

»Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij
hier!»

»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»

't Werd weer stil in Pieters kamer.

Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een
schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het
ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur
geopend en kwam Piet binnensluipen.

»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst,
»wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat
mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van
angst.»

»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,» was Bobs
hardvochtige raad. »Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op
bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.»

»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; »voor geen geld
ga ik dáár slapen! 't Is afschuwelijk, Bob.»

»Wat wil je dan?»

»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»

»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. We kunnen er
onmogelijk met ons beiden in.»

»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob,
asjeblieft?»

»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld
een onderzoek instellen.»

»O, -- maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte Piet, bevende van
ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar
beneden moest begeven.

»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, dat er niet eens iets
op je kamer is, om bang voor te wezen.»

»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een
afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen.»

Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.

»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij lachend uit zijn
bed sprong.

Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van
zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed
vandaan haalde.

»Waar is nu het spook?» vroeg hij.

»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.

»'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. »Je hebt je
weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!»

Pieter kwam behoedzaam nader.

»Dáár is het, -- dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, toen hij om den
hoek van de deur keek.

»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een
zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!»

Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en
teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende
om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet
zonder schaamte:

»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje,
waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.»

»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik Pa roepen?»

»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?»

»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij
zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap
lekker, Piet!»

»Goeden nacht!»



ACHTSTE HOOFDSTUK.

  Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van
  twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in
  figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in
  eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.


Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was
bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn
hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig
vóór schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed.
Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite
gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat
Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.

Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de
baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem,
menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn
tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijna te laat
was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien
minuten voor negenen, eer hij er aan dacht.

»O heden!» mompelde hij. »'t Is al bijna te laat, maar als ik hard loop,
kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet
ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.»

Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school
begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die
langzaam het dorp naderde.

Bob bleef staan.

Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide.
Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de
school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng,
dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat
naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel
belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan
een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob
de geheele school.

Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij
op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde
oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te
dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat
onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij
zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen
zijne plaats nog ledig bleef.

»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de meester. Doch wij wisten
het niet.

»Hij is toch niet ziek?» klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij
het antwoord schuldig blijven.

»Lees maar door, Anna!»

Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en
Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam.

»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.

»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»

»Van buiten, meester.»

»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»

Bob keek zwijgend voor zich op den grond.

»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»

»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»

»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar,
Bob?»

Bob mompelde zoo iets van: »Kon 't niet helpen,» maar veel verstonden
wij er niet van.

»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene kinderachtige
uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je
kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel,
maar ik kan er niets aan doen.»

Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of
hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te
kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was.

»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,»
fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden,
maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.

Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. In het portaal
was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels,
welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als
hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te
zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval met de woorden:

»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar
steentjes tellen.»

Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal
terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog
zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets
overschoot.

Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld
had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te
zetten.

»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas
op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.»

Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen.
Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk
moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde
hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet
eens, dat er gelezen werd.

»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.

Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons boek op te zien.

»'k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.

»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.

O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot
beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den
laatsten zin, dien hij gehoord had, niet.

»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» klonk het gestreng
uit 's meesters mond. »Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees
verder, Jacob de Haas.»

Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met
lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.

»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook
niet wat harder?» mompelde hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben.
Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O jé,
waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!»

»Die volgt!» klonk het weer.

Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een
weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te
kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht.
Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer
denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij
wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was.

»Jongens!» fluisterde hij weer.

Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij
zagen niet op.

»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob lispelen.

Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden,
wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging.

»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden
van pleizier.

»Ja, -- een grooten, bruinen beer.»

»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.

»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»

»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met
lezen op. »Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt
je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»

't Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob
een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het
goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester,
dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte
straf zou anders stellig Bobs deel zijn.

Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kòn ook
niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten,
om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het
goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens
ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het
ver mis!

»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je bent waarlijk
niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je
gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je zóó, dat
je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!»

Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig.
Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij
hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde,
wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters
rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit
naar de deur.

»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga
steentjes tellen!»

Bob bleef zwijgend zitten.

»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»

»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.

»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!»

Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar
wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest
allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met
neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht.

't Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg
boos.

»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.

En korten tijd daarna was het weer:

»Die volgt!»

Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de
rekenles.

Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden
oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn
gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng,
maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke
zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos
aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.

Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al
de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer
althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet
bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een
berenleider op een enkelen morgen »afgewerkt» te kunnen worden.

»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken,
terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» morde Bob, die erg boos
was op den meester. »Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik
doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij
wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat
het wil!»

Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede
hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te
beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven,
want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien
zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.

Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.

»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,»
mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna
nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met
gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik
hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken!»

Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij
bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen
naar het verscheurende dier stonden te kijken.

»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. »En nu steentjes te
moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den
achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch,
daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes
tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene
gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan
staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed
en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan
hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe
het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja,
daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten,
hoe lang de gang is.»

Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker.
Weldra wist hij, wat hij weten wilde.

»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»

»Nu de breedte.»

Bob mat weer.

»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De gang heeft dus
eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig
vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten.
Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene
oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot
veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante
centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is
precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den
meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb
ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan
worden.»

Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen.
Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de
hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan.

»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.

Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:

»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»

Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester
begreep het ook niet.

»Klaar?» vroeg hij. -- »Er zijn er duizend? Wat -- duizend?»

»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, zooals u
bevolen had. Er zijn er duizend.»

Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in
een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester
zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden,
want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet
tot bedaren komen.

Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even
smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij
gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:

»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»

»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene oppervlakte van
veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante
centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.»

»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer in den lach schoot,
»dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let
beter op.»

»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van
zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op
en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer.

Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te
keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen,
want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al
sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij
het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af.

Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.

»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol gelaat.

De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van
den wilden Bob.

»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob,» zei
hij, den deugniet op den schouder kloppende.

»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens
hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden.

»Ga dan maar heen, Bob.»

»Asjeblieft meester. Dag meester.»

En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór wij den beer bereikt
hadden.

»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op den achterweg!»

Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons
allen begaven wij ons daarheen.

Ha, daar zagen wij hem!

't Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had
dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den
grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan
had; dat stelde ons eenigszins gerust.

De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden gehoopt, dat hij
iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een
Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die
onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan
hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.

»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier
voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en
huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn
meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat.
Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende
dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna
nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was
een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene
bewondering op te wekken.

Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als
ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer
men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval
was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf
oploopen.

Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!



NEGENDE HOOFDSTUK.

  Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en
  hoe de beer wraak nam. De heldendaden van
  Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.
  Hoe Bob berenleider werd.


Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer
niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog
wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij
eene pret met dat dier gehad.

In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de
poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden
wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden
wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den
poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders
gezelschap ons vaderland door.

Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een
van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met
zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den
wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het
marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van
de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk
touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij
vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht
slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht,
doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel
bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden,
hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn
beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en --
begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet
te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel
niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede
plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een
anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak
voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een
vervaarlijk gebrom hooren.

Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt
van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden
waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat
we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons
aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe
vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het
dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed
te klimmen.

Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij
natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem
een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden.

Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met
onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel
wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen.

Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem
te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange
stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat
hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met
een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen
maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van
den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het
met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad.

»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst stilstond. »Gelukkig,
dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen
verscheurd!»

De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in
zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met
plagen.

»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de vrouw, die in
den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de
berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat
ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen.

Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij
medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het
marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor
de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.

Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier
staan.

»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. »Waar
is de berenleider?»

»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester,» klonk het
antwoord.

»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is,
zonder toezicht blijven?» zei de burgemeester op gestrengen toon.

»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.»

»Flip -- wie is dat?»

»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet
thuis.»

»Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen
kwaad?»

»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de vrouw, die het
buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, »Flip is niet thuis.»

»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, vrouw, of dat touw
sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht
worden.»

»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks
komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn
man naar Haarlem.»

»Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?»

»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt,
zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.»

»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had,
bruintje zoo nabij te komen.

»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten
mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me
moet komen.»

»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»

Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer
weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij
dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan
zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken.

Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet
eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij
bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen,
maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs
Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen,
dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen.

Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan
tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem
den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret,
dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder
schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te
krijgen, maar de beer hield vast.

Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een
vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof
dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en
begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen
de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone
bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn
meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp,
konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te
beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor
zoover zijn touw hem dat toeliet.

Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan,
wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen.

»Allo! Ho -- hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, en weer begon hij op
de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en
toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op.
Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond
hij er geheel op.

Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en
de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op
de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje
te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te
zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar
beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij
eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne
pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want
zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er
geen beweging in krijgen.

Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele
dorp!

De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo
hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak
bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok.

Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit
elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor
Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte
en stokstijf bleef staan.

»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, want wij dachten
niet anders of hij zou verscheurd worden.

Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier
af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het
beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De
haren rezen ons ten berge van schrik.

Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een
lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet
verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het
touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den
jongenstroep. Onder den kreet »De beer is los! De beer is los! De beer
is los!» sloegen allen op de vlucht.

Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen
den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om
hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door
met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die
midden op het marktplein stond.

Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van
schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om
hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde.

Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knieën had
willen vallen, als dat had kunnen baten.

»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een
eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou.
Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het
geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld.

Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen
veilig en zeer goed op zijn gemak.

»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den
lantaarnpaal stond.

»'k Durf -- niet -- o -- help!» kreunde Piet.

»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» plaagde Bob, die schik
in het geval begon te krijgen.

»O -- Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.

»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» ging zijn plaaggeest
voort.

Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in
het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos
in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel
verstandiger uit dan zijn slachtoffer.

Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van
rinkelen.

O hemel!

Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de
achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen.

Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in
achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte
hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde
en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om
zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht,
die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen
bijna uit den boom buitelde.

Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij
twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een
vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in
hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend.

Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed
van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar
achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op
vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter
verwaardigde hij met geen enkelen blik meer.

Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna
zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van
den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op
een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen,
dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar
hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij
hebben hem den geheelen avond niet terug gezien.

Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het
gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor
zoover wij bij een man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging
als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet,
dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog
niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis
moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden
hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen
kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan
en zeide:

»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.»

»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik
even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de
tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden.

»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt er een oploop.»

»Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer
kan immers klimmen?»

Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam
stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon
het wel eens bitter slecht met hem afloopen.

»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou Bob er uit moeten
komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en
weer loopt?»

»Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet
graag in zijne plaats willen zijn.»

»Ik ook niet, Jan.»

»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene
revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?»

»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet
tot nog toe niemand kwaad.»

»Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne
broodwinning verliezen,» merkte Jan op.

Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.

Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare
middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom
heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er
onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den
boom verwijderde.

Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: »De beer
komt! De beer komt!» sloegen zij op de vlucht.

Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging
regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen
blik aanzag, en zeide op boozen toon:

»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat
afschuwelijke beest hier midden op het dorp.»

»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver in de hand
verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.

»Is die man nog niet thuis?»

»'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er
nu niet dichtbij.»

»Ja, -- ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch opeens van
gedachten veranderende, vervolgde hij:

»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat
beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?»

Tip sloeg aan en zeide dapper:

»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.»

De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij
volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging
met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling
bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den
burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij
niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat
strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde
daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug.

Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de
ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die
gedachte maakte hem erg boos.

»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en vastbinden!»

»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet
brengende.

Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat
de burgemeester kortaf tot hem zeide:

»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»

Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene
eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht.
Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens
was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te
volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing:

»Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat
en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een
dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang
ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch
altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.»

»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is.
Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, --
begrepen, Tip!»

»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die verbazend in zijne
nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen
was.

»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en
vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.»

»Ja wel, burgemeester.»

Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den
wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar
bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van
Tip.

Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette
hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar
het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij
in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan
te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene
kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen,
toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen
spelende op hem af kwam.

O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips
gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het
op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom
terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger
dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen
afstand.

Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had
er ook niet weinig pret in, en begon te zingen:

    „O moeder, de beer is los;
    Hoor dat beest eens brullen!
    Snijd hem neus en ooren af,
    Dan hebben wij wat te smullen!”

Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper meê te zingen, tot
groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en --
vlug als eene kat klauterde hij den boom in.

Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst
aan.

»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!»
klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om
een einde aan de zaak te maken.

»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of het kost een
menschenleven.»

»Jawel, burgemeester,» zei Tip.

Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds
hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt.

»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.

Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de
revolver volstrekt geen meester was.

»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» dacht hij bij
zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit.

»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft hij dien jongen
bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»

Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet
schieten.

»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.

»Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van
den beer den jongen tref -- wat dan?»

»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.

»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het
je, Tip!»

Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al
wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef
waar hij was, aan den voet van den boom.

Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op
zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet
hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde
hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig
middel tot redding in de gedachten kwam.

De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende
dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat
de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde
Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en
nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak
het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor
hooren, als om hem te bedanken.

Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in
veiligheid te brengen. »Die waagt, die wint!» mompelde hij. Hij greep
den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne
occarino, en zei toen met gebiedende stem:

»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen rukte hij aan het touw,
zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood.

Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester
gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had,
of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.

»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, en alle menschen
hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen.

Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet
weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer
bereikt.

Bob blies op zijne occarino.

»Hallo! Op! -- Op!» gebood hij.

En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op
zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden
kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig
aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, --
en ging bedaard heen.

»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.

En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen,
dat oud en jong meêdeden, uit volle borst:

»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»

Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De
burgemeester trad dadelijk op hem toe.

»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in
beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.»

Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:

»'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»

»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een
verscheurend dier?»

»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch
geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij
heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»

»Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een
hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet
ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier
geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»

»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta
er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.»

»Doe dat, -- en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester heengaande. Tip
volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in
het geheel geen kranig figuur gemaakt had.

Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste
water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem
tot de grootste heldendaden in staat.

En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den
volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend.



TIENDE HOOFDSTUK.

  Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon
  en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,
  Bob eene edelmoedige daad verrichtte en
  Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje
  getooid werd.


Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen
wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden
wij ons veel genot van dat feestje voor.

's Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn
gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met
rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van
zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens
om te gaan) op de markt bij den kermiswagen.

Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen,
die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en
Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen
in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik
groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi
weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook,
dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was
spoedig gereed om mij te vergezellen.

Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei
hij op eens:

»Ik wou, dat ik dood was!»

En meteen begon hij te schreiën.

Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.

»Ja, -- dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij
ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel,
zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, --
schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word,
hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als
Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten
weten, niet waar?»

»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.

»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het weten. Maar Vader en
Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen
wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En
dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald
met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons
te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet
langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood
was, Dorus.»

Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.

»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. Neen, je moet
den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij
onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.»

»Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar
eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest,
en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij
niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn
tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht
zal afloopen, Dorus.»

»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. »Maar willen we nu de
sleutels gaan halen?»

Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en
Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis.

»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En Jan aanziende
vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte:

»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op
je porte-monnaie passen, Dorus.»

Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.

»Dat is laster, -- gemeene laster!» siste hem tusschen de lippen door.

»Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken,» lachte Arie
sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor kleine langvinger.»

»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden met hem.

Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe,
krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem
raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó over
zijne ouders hoorde spreken.

Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond
driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek
heel boos.

»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal ik je afleeren!»

Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen
hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het
kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?

»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee
neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog na. »Wij weten te goed, dat het
muist wat van de katten komt.»

»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei ik, om Jan te
troosten.

»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem!» zei
Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan.

Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet
bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en
telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war.

Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme
menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en
toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans
woorden, niet langer.

Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De
sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar
niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter.

»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem onder het naar huis
gaan.

»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen zucht. »Veel lust
heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de
jongens zien mij liever niet dan wel.»

»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het
waar was.

»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent
net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit
vergeten.»

»En Bob dan? -- En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij zullen je ook niet uit
den weg gaan.»

»Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden wij plotseling eene
stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we
goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te
wachten. Hij kwam nu te voorschijn.

»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen is, die het je
lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»

Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed.
En Jan klaarde er ook heelemaal van op.

»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe
graag hij wilde.

»Zeker, -- doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als je het niet doet,
dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!»

Dat was fideel van Bob.

»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.

»Goed. -- Ik doe meê!» klonk zijn antwoord.

Wij hielden woord.

Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten we, op stelten
natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden
joelen.

Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi
gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan
werd er vroolijk van.

»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij opgetogen. »'t Is
een man, zooals er maar weinig zijn.»

Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk
rondloopen, om alles in orde te brengen.

»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» zei Bob. »Jongens,
wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.»

»Jij natuurlijk,» zei Jan.

»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»

»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik.

»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven,
waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij
kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe
meer vreugd, zeg ik maar.»

Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte
heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van
den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op
stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen
klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.

Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden
toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op
het gelaat:

»Moet hij ook meêdoen?»

Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij
dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans
vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist
wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte
en vlak voor Tines ging staan.

»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen dat je daar niets
tegen hebt?»

»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en smalend liet hij er op
volgen: »Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer
Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd
deelneemt.»

»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines
Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want
Jan blijft hier en doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen
met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines!»

Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem,
waarom wij allen moesten lachen.

»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er toch eigenlijk niet
veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. »Dan was jij
vrij zeker van den prijs!»

»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!»

»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor
zoover ik weet.»

Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste
vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde
hij er zich vreeselijk aan.

»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als je durft!»

»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.

Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene
klok.

Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was.

't Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik
mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde.

»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij vriendelijk. »Mag
ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te
komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij
elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was
je dat veggeten?»

Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:

»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»

»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik
zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.»

O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines
Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van.

»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten.
Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken
appelwijn?»

»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, en allen gingen wij
mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons
gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer
Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken,
opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn
genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want
van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat
het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar
de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij
waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de
feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van
mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd,
of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de
kippetjes.

Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden:

  1. Pieter van Koorde.
  2. Jan van der Vliet.
  3. Adriaan Bolt.
  4. Tines Wobbe.
  5. Huibert de Leeuw.
  6. Dorus Volmaar.
  7. Karel Holm.
  8. Bob de Wild.
  9. Cor Valk.
  10. Dirk Langeraar.
  11. Arie Kooy.
  12. Karel Buurs.

Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder
vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar
Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van
Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op
was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander
moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen
het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar
als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren.

»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer Denappel, toen hij onze
namen in volgorde opgeschreven had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is
dood, -- goed begepen?»

»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»

»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan
het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal
vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen
zwenken naar den kant van den winner.

Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.

»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel
ging het voorwaarts.

Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er
smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij
meedeed.

»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij eigenwijs, »als hij
lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»

Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had
het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje.

»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.

Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.

Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou,
want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even
later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een
streepje.

»Numego vijf en zes!»

Nu was ik aan de beurt.

»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan lachen ze me uit, als
ik het zoo ver verlies.»

»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en inderdaad won ik het
met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo
hard niet geloopen, als ik kon.

Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden
het beiden best.

»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o
wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de
voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was
prachtig, om te zien.

Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte
eene buiteling, -- en kreeg een streepje.

Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander
gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was
Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we zouden
aan den tweeden beginnen.

»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» riep mijnheer
Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij.
En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang!

Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer
een streepje kreeg, mocht niet meer meêdoen.

Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige
gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna
Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm
er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen.
Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg
ook Arie Kooy zijn tweede streepje.

Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag.

»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.

Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje
»dgie», of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen
tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje
begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij
den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef
voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vóor hij kon opstaan had
Bob de vlag bereikt en was Karel dood.

Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk
als overwinnaar uit het strijdperk.

Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en
hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en
spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging.

»Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg?» vroeg
hij ontsteld.

En toen jammerde de geheele troep in koor:

»We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood!» Wij moesten
geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst.

»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat is dat jammeg,
want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te
pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.»

»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en
de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de
versnaperingen rondgedeeld werden.

Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde:

  1. Jan van der Vliet.
  2. Tines Wobbe.
  3. Dorus Volmaar.
  4. Bob de Wild.
  5. Cor Valk.
  6. Karel Buurs.

Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden
gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed
steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij
ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl
Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden.

»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob
draven.

»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die
nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen.
Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te
verkoopen.

Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei:

»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het
verloor.»

»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos
aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.»

»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.

»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!»

Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur,
want ik bleef hem kort op de hielen.

Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:

»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»

Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob
verslagen. Ik was dood.

Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar
drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.

Eerst moesten Jan en Bob loopen.

»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. »Als ik het tegen
hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het
wel winnen.»

»Dus je wilt het hem laten winnen?»

»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won,
al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.»

»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het hardst.»

»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.»

»Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines
kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dàt is de
reden.»

»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal
mis!»

Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af.
Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want
hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus
bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar
toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen.

»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij
zagen, »kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je
goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn
leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»

»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens hem bestormden
met de vraag, hoe dit mogelijk was.

»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel niet moê.»

Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee
streepjes en was dus dood.

Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den
tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had.
Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was
afgeloopen, dan wij gedacht hadden.

Wat was Jan van der Vliet blij!

»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, »want jij loopt toch
veel beter dan ik.»

»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn
list zoo goed gelukt was, »ik zal het later wel eens beter overdoen, dat
beloof ik je!»

»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om
getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.

Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem
staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu
stil, en mijnheer Denappel zeide:

»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met
vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt
me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik
zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een
pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg
Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen
zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.»

Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan.

Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank.

»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de
avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij
eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met
pleizieg.»

Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.

»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» vervolgde mijnheer
Denappel, »en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal
geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen
gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En
nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen zóó bijzondeg
moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet
meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit
geschenk van mij kgijgt.»

Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar
tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had,
hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene
mooie daad van Bob vond.

Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde
mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons:

»'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» En haar
Tines bij het oor houdende zeide hij: »Luister maar, Tines, je kunt het
best hooren.»

Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene
hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had
zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt
zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het
oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.

't Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob
stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik
nog, dat de ondeugd het er om gedaan had.

Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf
het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende.

Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en
vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal
hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk
over het geheele dorp.

't Was een heerlijke middag geweest.



ELFDE HOOFDSTUK.

  Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij
  eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.
  Onze vlucht en de gevolgen daarvan.
  Pieter komt tot de ontdekking, dat het in
  het bosch spookt.


't Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob
en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het
dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam
terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is
eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v.
als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het
water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den
weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen
en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste
voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten
wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende
golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine
scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.

Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden
bevroeden.

»Waar heb jij zoo'n pret over, Bob?» vroeg ik.

»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het
huis van Wobbe?»

»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.»

»Neen, ik ook niet,» zei ik.

»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken,
als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot
is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de
ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne
kar weg.»

»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.

»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en
wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den
wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht.
Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen
doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne
bollen en stoeten. Ha-ha-ha!»

Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne
brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de
zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.

»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik
moet hem een handje helpen!»

»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook
wel min of meer toelachte.

»Natuurlijk!» zei Bob.

»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke
onderneming.»

»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er
nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik
ga, jongens, die grap moet ik hebben.»

Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.

Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis
aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.

Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een
oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs
op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.

Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man
een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar
duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was
het deksel dicht.

Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het
tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen,
hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden
het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht
hebben, eer wij het gedaan hadden.

Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet
bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou
worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene
menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk
gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.

»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar
buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de
portaligheid vandaan?»

Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.

»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m'n lieve mensch.
Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog
door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.»

»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene
hand uit te steken, om hem te helpen.

»'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg
en rad. Help maar eens kijken!»

»'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere.

»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke
noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker
volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.

Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De
aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene
behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig
op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den
bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor
de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons
heen.

»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt,
zal het je niet bevallen.»

Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand
ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons
wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het
hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en
hadden hem weldra ingehaald.

Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder
een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het
bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer
vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus
onzen gang en liepen doelloos verder.

Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan
een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen
stonden.

»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »'t Ziet er daar zoo echt prettig
uit.»

»Mij goed!» zeiden Bob en ik.

»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,» zei Pieter, op de
waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»

»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers,
die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.»

Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was
hij daarvan niet erg zeker.

»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen
komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch
zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen,
dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en
kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.»

Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen
er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het
bosch in.

Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende
kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur
van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen
prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die
daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan
en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk!

Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons
zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust
meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf
ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn
boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.

Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op,
berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar
wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te
rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was.
In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep
was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil
lag eene plank.

»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?»
vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een
boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.

»Ik weet het niet,» zei ik.

»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne
villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt
wordt.»

»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik
van de plank val, ben ik doornat.»

Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij,
waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de
plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen.
Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na
tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen,
wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij
loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan
weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van
inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den
baron als zijn boschwachter vergeten.

Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou
veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen
wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob
de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op.
Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te
begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond
terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een
hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij
gebroken was.

»Stuk!» zei Bob.

»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.»

»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en
ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.»

»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet
stuk, kijkt maar.»

»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch
is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.»

»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en
met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te
maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan
leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij
stuk is.»

»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel.

»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt
geen twijfel.»

»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen,
Bob, -- ik heb het liever niet.»

»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten
liggen?»

»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten
wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan
iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»

»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt
gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.»

Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke
letters:

»Deze plank is gebroken.»

»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is
duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de
gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.»

Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals
we haar gevonden hadden.

»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in
het geheel niet op zijn gemak gevoelde.

Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen
wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan
den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij
ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.

En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde
ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven
klimmen.

»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.

Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten
vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.

»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»

't Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid
te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.

»'t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds
achter de struiken, is zeker de koning.»

»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat
zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel
grappig, zulk eene konijnen-kolonie.»

»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!»

»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er
bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.»

»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.»

»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens
probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid
verraden; maar met pijlen konden we het wagen.»

»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.

»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan.
't Wordt hoog tijd.»

»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.»

»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe
van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe
komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»

»'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op.
»Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.»

»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.

»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen
zij ze met de handen.»

»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht,
waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »'t Moet wel een
aardig werkje zijn, dunkt me.»

»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de
strooper onder het zand bedolven en moet sterven.»

»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. »En
dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het
einde.»

»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke
nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.

Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel
niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik
overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den
gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den
schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de
struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde
hij hals over kop naar beneden.

»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je
jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je
stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»

Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te
schrijven.

»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de
oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om
te krullen van boosheid.

»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk.

»Vluchten, jongens!»

Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij
voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich
naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die
nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.

»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en
haastig bij hem neerknielde.

»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.

»Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar?» vroeg Bob angstig.

»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.

»Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg
Pieter, -- wáár ben je getroffen?»

»Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet!» jammerde Piet.

»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter
aan! Vooruit, Pieter, gauw?»

»De boschwachter? O -- O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar
-- waar is hij, Bob?»

»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden!
Maar haast je!»

Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te
zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst
had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte,
dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne
macht te krijgen.

Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het
gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want
Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom,
den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook
ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.

Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd
was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.

»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.

»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo
vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet
aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte,
dat deze hem begon in te halen.

»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.

Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei
weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.

Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen
oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om
hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.

Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het
voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te
klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en
juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven
letters in het oog vielen.

»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden
naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter
zich te kijken.

»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger
roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.

[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak....
(pag. 195).]

Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak
gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water
viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om
hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze
gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en
in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd,
en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te
springen.

Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk,
daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand
van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan
den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar
malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger
werd, tot aan zijn middel in het water terug.

't Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En
dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in,
sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te
werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot
bedaren komen van het lachen.

Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te
zien, dat zijne woede geen grenzen kende.

»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe.
Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en
was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat
als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op
de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de
vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren
te gaan aantrekken.

En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien
hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door
daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en
Pieter te wachten.

Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met
Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij
verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was.
't Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.

»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob,
grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, 't zou me wat waard
geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig
schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar
is Pieter-neef?»

»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou
komen. Heb-je hem niet gezien?»

»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat
hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn
ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel
mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar
dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de
rekening werd. Waar zou hij nu blijven?»

»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je
maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten
wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.»

Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef
bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te
maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat
laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch
al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou
vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen.

»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik geloof, dat
Pieter-neef verdwaald is.»

»Dat zou erger zijn,» vond Karel.

»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.

»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees
ik,» hernam Bob.

»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in 't bosch ook in het
geheel niet meê. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.»

»Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn
lot overlaten, niet waar?»

»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.

»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten op te sporen.»

»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. »'t Bosch is heel
groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in
zijn angst al afgedwaald is.»

»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer geen tijd verliezen.»

»En Burts dan?» vroeg Karel.

»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed,
want na een bad is men altijd slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»

Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in.

»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant
uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te
vinden.»

»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij
scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden,» zei Karel.

»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat met het oog op Burts
gevaarlijk zijn?»

»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe meer kans om
gesnapt te worden.»

»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel doen, als het geheel
donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister
hier in het bosch, vindt-je niet?»

»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.

»'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.»

»'t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje onrustig, nu het
zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij
ons, dat wij vóór donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de
hand aan.

Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig
spoor van Pieter te ontdekken.

Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker
al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond
tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar
huis te moeten gaan.

Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.

»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. »Ga gij beiden
maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige
menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets
beters?»

Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden
wij ook onaangenaam.

»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen
als we kunnen,» zei Karel. »Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij
thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot
overlaten.»

»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»

Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze
stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in
den omtrek moest kunnen hooren.

»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!» weerklonk het uit drie monden
tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels
en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de
ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en
vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen
van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen,
maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het
hooren daarvan eene rilling door de leden voer.

Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil
staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze
gehoorvliezen zou doen trillen.

Doch wij luisterden tevergeefs.

»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog niet opgeven.»

Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden
wij, of wij iets mochten vernemen.

Opeens zei Bob:

»Luister, jongens, ik hoor iets!»

Wij luisterden.

»Hoor, -- daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.

»Ja, -- ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter zijn. 't Komt van
dien kant.»

Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.

»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan straks nog eens
roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.»

Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij
opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren.

»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!»

Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden
daarna, of we Pieters antwoord hoorden.

Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij
elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed!

»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting!» riep Bob ons
opgetogen toe. »'t Is toch wel aardig, hê, zoo'n nachtelijk tochtje door
een bosch. 't Is zoo geheimzinnig!»

Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de
gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.

Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar
vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij
beefde over zijn geheele lichaam.

»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben ik blij, dat
jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»

»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat voor me opzitten,
als ik thuis kom.»

Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra
hadden wij het dorp bereikt.

Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch
duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan.

»'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij zacht en met eene
huivering, »en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt
er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste
wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door
den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede,
als je weer naar het bosch gaat.»

»Och, -- dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, jongen!»

Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een
haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij
alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik
vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar
hij zeide gestreng:

»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar
verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en
grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.»

»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: »'t Komt alles
van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor
hem. Ga naar bed, Dorus!»

Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

  Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieën
  een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw
  van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht
  werden gejaagd en Pieter het verloren
  terrein heroverde.


Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen.
Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust
was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.

Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan
dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter:

»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me
daar een groot genoegen mede doen.»

»Je kunt er vast op rekenen.»

Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te
wenschen.

»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende. »Kom je nu ook
eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en
losloopende beren, hoor neefje.»

Bob lachte eens.

»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan komen als het
vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.»

»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel
fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»

Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog
tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken
wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.

»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.

»Zeer slecht, -- 't kon niet slechter,» zei Jan met een diepen zucht.
»We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden
gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. 't Is
verschrikkelijk!»

»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch immers nog
vrijgesproken worden?»

»Kunnen, ja, dat is waar, -- maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij
hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de
Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is
zeer gering.»

Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar
wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de
hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd
in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het
hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele
keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel
geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht
plagen.

Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de
hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne
kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart
gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest.

»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.

Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: »Dorus, ik moet
voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij
nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.»

»Zeker, meester, met genoegen.»

»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal
geschieden.»

»Ja meester, daar kan u op aan.»

»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het orgel?»

»Ik beloof het u, meester.»

»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar
bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek
ook vooral niet te veel registers uit.»

Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben
gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen
kwartier later moest Bob al schoolblijven.

Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien
schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel 's morgens
als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof
ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de
schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen
groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel
te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden
wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.

»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik
's avonds bij elkander waren.

»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.

»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er
hebben?»

»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk vinden, als wij
er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij
willen zijn, als hij die ontvangt.»

»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op
volgen: »Ja, -- doen.»

Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris,
wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze
jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer
kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd.

Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd
gevangenen in.

»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we Pieter zijn cadeautje
sturen.»

»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig dood.»

»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje,
dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze
onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten
we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.»

»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons drieën wel een versje
maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.»

»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan
het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»

Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de
mand deden. 't Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij
zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren!

Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat
er geen enkele ontsnappen kon.

»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat zaakje is in orde. Nu
ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar meê,
dan gaan we naar de speelkamer.»

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel
zitten.

»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»

»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat zoo gemakkelijk is?
Ik weet geen begin.»

»Ik ook niet!» zei ik.

»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu
het er op aankomt, trek je je terug.»

»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf maar op,
Bobbertje, en mopper niet zoo.»

    „Zie Pieter, wat ik zenden zal!”

»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie je wel; dat je
het wel kunt? 't Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou
beurt.»

    „Driehonderd roovers in getal!”

zei ik. »Dat rijmt immers?»

»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er
uitstekend bij. 't Zijn ook echte roovers.»

»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»

»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen
regel.»

»'t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te
rijmen,» zei ik.

»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar:

    „'t Geschenk is wel niet heel veel waard.”

»Is die goed?»

»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord op »waard» te vinden.

»Waard -- wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O ja, waard, paard,
staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg.
Ha, ik weet er al een:

    „'t Is een geschenk uit onzen gaard.”

Dat rijmt goed, hè?»

»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, jongens, 't gaat
best. Jou beurt, Dorus.»

»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:

    „Zij vliegen vroolijk in het rond.”

»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:

    „Of kruipen langzaam op den grond,”

want dat doen ze ook dikwijls.»

    „En brommen haast den heelen nacht,”

vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord
behoefde te zoeken.

    „Zeg Pieter, had je dat gedacht?”

zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.

»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drieën,
dus nu het laatste nog. 't Is mijne beurt, niet waar?» zei Bob.

»Ja, jou beurt,» zei Karel.

»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, laat mij eens even
bedenken. Misschien komt het wel.»

En na een oogenblik toevens vervolgde hij:

»Ha, ik ben klaar. Luister:

    „Wel neefje, ben je nu tevreê?”

»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vreê? Wacht:
wee, meê, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor.

    „En valt het aantal je niet meê?”

»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu nog twee regeltjes
en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»

»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op 't oogenblik.
Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een:

    „Me dunkt, je hebt nu overvloed.”

»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»

»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt
op gegroet. De laatste regel kan dus zijn:

    „Ontvang ten slotte onzen groet.”

Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net
overschrijven en het jelui eens voorlezen.»

Bob deed het, en las:

                          Waarde Pieter!

    „Zie Pieter, wat ik zenden zal:
    Driehonderd roovers in getal.
    't Geschenk is wel niet heel veel waard,
    't Is een cadeau uit onzen gaard.

    Zij vliegen vroolijk in het rond,
    Of kruipen langzaam op den grond,
    En brommen haast den heelen nacht.
    Zeg Pieter, had-je dat gedacht?

    Wel neefje, ben je nu tevreê?
    En valt het aantal je niet meê?
    Me dunkt, je hebt nu overvloed.
    Ontvang ten slotte onzen groet.”

                          KAREL HOLM.
                          DORUS VOLMAAR.
                          BOB DE WILD.

»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die het vers in eene
enveloppe deed en deze dichtplakte. »Dichten schijnt me toch niet erg
moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig
tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend
geslaagd. En jelui?»

Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de
proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast,
zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk
gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid:

                    »Jongeheer Pieter van Koorde,
                              Keizersgracht No. 234
                                    Amsterdam.»

»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa
al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?»

»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob deftig, en na gegroet
te hebben gingen wij het dorp in.

Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes
in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals
wij later hoorden, dat zij gedaan hadden.

Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde
aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis,
omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van
Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.

»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.

»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. 't Kost een dubbeltje
vracht, Mevrouw.»

»O, -- ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.»

Mientje gehoorzaamde.

»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan hij mij te sturen
hebben? Maar neen, -- ik ben abuis. 't Is voor Pieter, zie ik. Daar
staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar
school is. Wat kan daar toch inzitten?»

Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was.

»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met de vingers betast
te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je
wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den
brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo aardig voor
hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, -- heel
zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.»

Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug.

»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel.
Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.

Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die
honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis
gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan
zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op
de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen.

De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden,
begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te
klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de
vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te
snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons
en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van
angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen.

Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen,
haastig binnen.

»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er brand, Mevrouw?»

»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng
haar dadelijk weg -- naar buiten. Dadelijk, asjeblief.»

Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren;
zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het
geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde
oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te
kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van
schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met
alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in
den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen
van hare daad stond aan te staren.

[Illustration: .... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin
was, op den grond vallen. (pag. 213).]

De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit
en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot
ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne
hoeken te verlaten.

Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen
blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen,
eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje
meer, waar geen kever te vinden was.

»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, die beefde als een
espenblad.

Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten
van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen
zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten
te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en
weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den schouder en vier kropen
tegen haar boezelaar op.

»Domme meid! -- Ga weg, afschuwelijk dier! -- Hoe kon je nu zoo dom --
koest, beest, koest, -- zijn, om die mand, -- sss -- sss; -- te laten
vallen!»

»O mevrouw, -- ga weg -- ga weg, -- bah, wat afschuwelijke dieren! --
kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op -- o foei, hu, er zit er een
in mijn hals, -- en tegen de lamp -- en o, mevrouw, de gordijnen --
ksss, ksss -- zitten vol! 't Is afschuwelijk.»

»Mientje, hier houd ik het niet langer uit -- o foei, ze zitten me op
mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu,
haal dat beest er uit! -- Haal het er uit, zeg ik!»

»Ik durf niet, -- dat durf ik niet!»

En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje,
schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden.

Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo
verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken.

Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij
moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden.

Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er
enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten.

»O Mientje, -- wat voel ik daar in mijn hals?» riep Mevrouw huiverend
uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, -- »wat voel ik
daar, Mientje!»

»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, --
voor duizend gulden niet! -- Hu, wat een akelige beesten!»

Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand
langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje
vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar
ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen.

»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt
die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik
zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten
bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»

Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld.

»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. »Hij zal ons
misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»

Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig
uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was.

»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen torren, het zijn
meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En
nu zijn ze alle weg!»

»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg?
De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van
die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»

»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar zaten er ook in! Hu,
ik ga niet meê, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets,
niemendal van hebben.»

»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij den langen stoffer
maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me?
Een sigarenkistje, of zoo iets?»

»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik, om er die akelige
beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt
niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar
buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»

»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»

»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper
gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die
beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»

Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen
ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte
diertjes te vangen.

Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware
met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever.
't Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het
lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne
Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de
kamer weer vrij zou zijn.

Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden,
stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen
had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij
drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje,
om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij
nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de
gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd
Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van
een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje,
maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen.

Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon
telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden
genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.

Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers
afgekomen.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

  Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat
  Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis
  vreugde en in het andere droefheid kon
  heerschen om eenzelfde gebeurtenis.


't Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat
ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep
ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest
optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu
vroeg ontwaken.

Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was
bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld
en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de
zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk,
langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende
dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op
het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe,
het zonnetje scheen zoo heerlijk. 't Was een genot, buiten te zijn.

't Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen
werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren
opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een
lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees
langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet
dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot
boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de
andere.

Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen,
want overal opende hij de achterdeur en riep: »Mel-lek!» En de laatste
lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.

Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en
gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich
binnenstormden.

»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. »Moe heeft het
gezegd.»

Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke
boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was,
ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd
er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden
keer een uur later, als de kerk aanging.

Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn
gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou
afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen
en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo
tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij
drukte.

Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij
altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de
doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls.

Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei
tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te
brengen.

»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken daarboven, hoor, en geen
jongens meênemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er
niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»

»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.

»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» riep Pa mij nog na.

Onderweg kwam ik Bob tegen.

»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»

»Ja, ik ga naar de kerk.»

Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want
dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al.
Hij vervolgde:

»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»

Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl zou zijn, maar van
liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het
niet.

»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten toon, »en de
meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten
beloven, dat ik geen jongens zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als
je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»

»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg
vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»

»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?»

»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer
loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?»

»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden.
Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben
niet op tijd gereed. Tot van middag!»

Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat
hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer
over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.

Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels
van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het
orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien
morgen gezongen zouden worden.

Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er
stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den
gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet
bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het
waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden.

Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was
een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een
duitje bijverdiende met orgeltrappen.

»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? Komt de meester
niet?»

»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»

»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk
komen, denk ik, want het is prachtig weêr. Kom, ik zal maar gaan
zitten.»

Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond,
en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die
had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen
jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd.
Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze
boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de
hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de
jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene
groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel
waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de
andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan
meteen onze giften in ontvangst.

»Morgen Dorus!» zei Jan.

»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig
stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de
kerk kon zien, en staarde op de bank, waar 's Zondags altoos zijne
ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven
nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne
oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders
gedachten te kunnen lezen.

»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij toe, en zijn mond
plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te
schreien.

Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik
den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig
over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd
de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen
met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef?

Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel
veroordeeld zouden worden.

»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden
aanzag. »Maar -- dat zou verschrikkelijk zijn.»

Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd
het drukker in de kerk.

Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook
bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk
midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een
verbazend drukke praktijk.

En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook
meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was
hij nog boos op me?

De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de
meeste menschen komen precies op tijd of te laat.

Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen
voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het
luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze
volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk:

»De gemeente gelieve te zingen --» maar nu verhief zijne stem zich,
zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger,
en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van
den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij zei altoos veers
en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet.

»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» En nu
begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven
vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt
vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter
mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geëindigd had, speelde
ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit
en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders
altoos uit volle borst meêzong, scheen nu geen zingenslust te hebben,
althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.

Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat
bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging
dan ook tot het einde toe zeer goed.

Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de
dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord.

Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat
ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die
opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij
recht prettig.

Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde,
want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob
binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid
bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en
nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij
het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het
ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou
Bob misschien weer gaan uithalen, -- want dat deed hij immers altijd?

Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest
ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den
koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus
eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat
wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht.

Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar
plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te
drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.

»Niet doen! -- Niet doen!» riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob
zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij
zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te
drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene
onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht
dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon
hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik,
dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:

»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»

Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte
alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die
doodbedaard op een stoel was gaan zitten.

»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, »ben je daar toch?»

»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo
nijdig aan.»

»Ik vind het leelijk van je, Bob -- erg leelijk!» zei ik weer. »Als ik
den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.»

»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar
bedaard, -- ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en
stil zal blijven zitten. Is het nu goed?»

Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist
wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor
mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien.

Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt
geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net,
of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want
ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij
direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik
wilde hem in het geheel niet aanmoedigen.

Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen
had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken,
wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon
zitten.

»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch ik bleef op mijne
muziek turen en verwaardigde hem met geen blik.

Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest,
en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de
zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden
Potman, die hem heel boos zat aan te kijken.

»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou
beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte.

»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden Potman eens boos wezen!
Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.»

En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te
schommelen, zoodat de stoel er van kraakte.

»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»

Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde
niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. »Aanstonds
breekt de stoel nog,» zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik
die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor
en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het
hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de
kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar
het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van
gehoord, dan ik vreesde.

Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want
Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de
koster naar boven zou komen.

Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der
Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek
van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn
vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman
ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten
weg, of de oude man zat al te knikkebollen.

Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de
trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon
niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar
hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen?
Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in
ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem.

Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig
gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte
ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle
kerkgangers vergeten.

»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond.

»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik heb het geld
gevonden van den diefstal, -- al het geld!»

In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek.

»Het geld! -- Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot er niet mede, Bob,
want dat zou laag en laf wezen.»

»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. 't Ligt boven in den toren,
onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben
gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!»

Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik
hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd.

Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen
moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou
toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens
zien.

Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig
tikte, en hadden weldra het nest bereikt.

»Kijk, -- hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de eieren er nog
precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door
den dief, want zie maar, hier ligt het geld!»

Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, -- daar lag het gestolene; een
briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes.
Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door
geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige
honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden
te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was.

Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war.

»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de onschuld van mijne
ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!»

»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.

»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den
burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek er tegen
niemand......»

Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want -- daar
klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er
gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. 't Was kerkgezang -- en dat
nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde,
had ik het orgel vergeten, en nu -- was het te laat!

Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide
vrienden aan.

»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig voor je uit. 't Is
zeker het derde gezang?»

Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt
en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden,
naar het orgel, -- maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds
onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar
invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd.
Hij vond mij zeker erg slecht.

En ik -- schreide tranen van verdriet.

Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het
zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was.

Zijn gelaat stond zeer ernstig.

»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.

Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik
antwoordde niet.

»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, maar dringend.

»Ik was er niet, Pa.»

Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.

»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt me meer, dan je
wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.»

Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben.

»Waar was je dan?» vroeg hij even later.

»Pa, ik was in den toren. Bob......»

»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, -- Dorus!
Wat val je me tegen.»

»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. »Hij is zelfs
gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.»

»En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven.
't Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.»

»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft
hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk
gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem
naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen -- toen was ik het
derde gezang vergeten, -- ik dacht er in het geheel niet meer aan,
totdat ik opeens hoorde zingen.»

»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een en al verbazing
was. »Dat zeg je immers?»

»Ja, Pa.»

»En waar zijn die jongens nu?»

»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want
zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.»

Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:

»Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus?»

»Ja, Pa.»

Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk
verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed
voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van
zijne predikatie.

Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij
zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig
gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren
gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der
Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht
gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar
zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?

Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om
het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten
schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van
den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.

Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat
verscheen om den hoek.

»Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat
geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet
denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa
heeft het mij bevolen.»

En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne
domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet
weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer
ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de
preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik
er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen
zeide.

Eindelijk werd de slotzang opgegeven.

Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te
herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn
mooiste stuk ten beste.

Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester
en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene
zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig
naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen
toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was,
spreekt vanzelf.

Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles
vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk,
om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en
daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen,
uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven
geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar
voor eenigen tijd ontdekt hadden.

»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.

»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.

Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout
vergaf.

Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:

»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij
verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den
burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door
iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te
bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft
dat alles daar zeker verstopt.»

»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar
weet je immers niets van?»

Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een
bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.

»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de
burgemeester.

»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob.
»Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest,
want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de
eieren in den steek lieten.»

»Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal
er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om één uur bij me
op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?»

»Ja burgemeester.»

»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene
zal ik meênemen.»

Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij
voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker
den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien
gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag,
vroeg hij:

»Wat is er in den toren te doen, jongens?»

»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat
ziet hij bleek!»

En luid antwoordde hij:

»In den toren? Op dit oogenblik niets.»

Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist
naar buiten komen.

De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter
gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige
spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne
gejaagde bewegingen zien.

De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester
Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde,
en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u
gevangen.»

Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's
tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.

»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt,
laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?»

Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om
zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige
woning groote vreugde hebben geheerscht!



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Besluit.


Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, over hetgeen er
gebeurd was. Er werd bijna over niets anders gesproken dan over Bobs
vondst en de gevolgen daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets
hoogst gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.

En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan eene geweldige
opschudding teweeg. Overal zag men de menschen voor de ramen of op de
straat verschijnen, toen hij tusschen den burgemeester en den
veldwachter naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in het
gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen oogen liep hij tusschen
zijne bewakers voort, ongeboeid, dat is waar, maar toch scherp bewaakt.

's Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw eene wandeling door
het dorp. Hun gelaat straalde van vreugde, en zij liepen met het hoofd
fier omhoog. Ieder die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en
allen féliciteerden hen met de gunstige wending, die de zaak genomen
had.

't Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, dat zij altoos wel aan
hun onschuld hadden geloofd, en die vroeger het meeste van hen te zeggen
hadden gehad, waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.

Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester met groote
beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, en wat de burgemeester
ook deed, hij bleef halsstarrig bij die verklaring.

's Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis waren geweest, waar de
burgemeester ons het proces-verbaal had voorgelezen, werd Arie de Zwaan
per rijtuig en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar hij in
de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den volgenden dag voor den
Officier van Justitie werd gebracht legde hij eene volledige bekentenis
af. Ja, hij had 's nachts het raam weten open te schuiven en al het
aanwezige geld gestolen, en om de verdenking van zich af te werpen,
had hij de drie gouden tientjes bij Van der Vliet onder de deur
doorgeschoven, daar hij gezien had, dat deze met zijne vrouw dien dag
bij den Directeur hadden gewerkt.

De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige gevangenisstraf.
Zijn oom en tante, de koster en diens vrouw, waren zeer bedroefd over
het slechte gedrag van hun neef. Toen hij later uit de gevangenis
terugkeerde, hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren.
Hier wisten zij geen raad meer met hem.

Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist had
waargenomen, werd zeer weinig gesproken. Bob had het goed geraden:
door het vinden van het geld werd over mijne afwezigheid op dat
gedenkwaardige oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er
niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later heeft hij mij
nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens van huis moest, zijne
betrekking voor hem waar te nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote
vreugde opmaken, dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.

Maar Bob ging nooit weer met mij mede.

Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft hij tot onze groote
spijt het dorp verlaten. De reden daarvan was, dat zijne Moe ernstig
ziek werd, zoodat men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter
Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar beter te maken,
doch zijne pogingen waren vruchteloos. Eindelijk werd er besloten, een
professor te raadplegen. Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek
aan, naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar een hoog
gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, of daar zou zij hare
verloren gezondheid terugvinden.

Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want hij had zijne Moe
innig lief. Wij zagen hem bijna niet meer op de straat en van spelen met
ons was geen sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke
met de teederste zorgen omringde.

Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te volgen. Hij kon er
echter niet toe besluiten, de lieve patiente alleen naar het vreemde
oord te laten gaan. Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde
zich metterwoon te Oosterbeek.

Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons ging verlaten. Hij
had nog geen vol jaar bij ons op het dorp gewoond, maar toch hielden wij
allen innig veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek.
Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.

Maar Karel Holm en mij speet het 't meest van allen, want wij hadden het
meest met hem omgegaan.

»Dag Bob,» zeiden we bij het afscheid nemen, en onze oogen waren
vochtig, evenals de zijne: »Het ga je goed, jô. 't Spijt me, dat je
heengaat.»

»Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar 't is om Moe, weet je. Als
ik haar maar behouden mag.»

En hij mocht haar behouden; de professor had het goed ingezien. Van
het oogenblik af, dat zij de Geldersche lucht inademde, begon zij te
herstellen, en nog geen drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij
volkomen beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.

      »En jongens,» zoo eindigde hij zijn brief, »in de volgende
      zomervacantie mag je beiden hier komen logeeren, zeggen Pa en
      Moe. Vindt je dat niet heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe
      blij ik ben. Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret
      maken.
                          Adieu!
                                      Je vriend
                                               BOB.»



KAPITEIN MARRYAT's Jongensboeken.


De Geïllustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.

De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste boeken voor onze
Jongens.

KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.

  _Het Handelsblad_ zegt:
  „met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts
  bewondering, geen critiek wordt zijn deel.”

  _Het Vaderland_ zegt:
  „MARRYAT veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk.”

  _De Portefeuille_ noemt deze boeken:
  Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. MARRYAT was een onderhoudend
  verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend
  wist te boeien.

De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in 2 uitgaven.

A. De =groote geïllustreerde uitgave met twaalf platen=, geteekend door
JOHAN BRAAKENSIEK en JOS. SCHEIDEL. Hierin zijn nog voorhanden:

=De zoon van den Strooper= -- =Snarley Yow= -- =Frank Mildmay= -- =Onder
de Hottentotten= -- =Stuurman Flink= -- =Rattlin de Zeeman= -- =Japhet
de Vondeling= -- =Het Spookschip= -- =Jack Rustig=.

Prijs in geïllustreerd omslag ƒ 1.50, gebonden ƒ 1.90.


B. De =goedkoope geïllustreerde uitgave=. Elk deel in groot formaat
hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 bladzijden druks. --
Verschenen zijn:

=Pieter Simpel= -- =Het Koningskind= -- =Arme Jaap= -- =Jacob Eerlijk=
-- =De Kinderen van het Woud= -- =De Landverhuizers van Canada= -- =De
Zwerver= -- =De Kaper uit de vorige eeuw= en =Percival Keene=.

Prijs van ieder deel in een door JOHAN BRAAKENSIEK geteekend omslag
ƒ 0.90, prachtig gebonden ƒ 1.25.



Geïllustreerde Werken van MARK TWAIN.


  De Lotgevallen van Tom Sawyer,
  6e herziene druk met platen van JOHAN BRAAKENSIEK.

  De Lotgevallen van Huckleberry Finn
  (TOM SAWYER'S MAKKER).
  2e druk met ruim 50 illustratiën.

  De Reisavonturen van Tom Sawyer,
  met 30 fraaie platen.

  Prins en Bedelknaap.
  2e druk met ruim 50 illustratiën.


  _Het Handelsblad_ zegt:
  De boeken van MARK TWAIN wemelen van leuke zetten, die ook ouderen
  met plezier kunnen lezen.

De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is ingenaaid
ƒ 1.50, geb. ƒ 1.90 per deel.


  Jongensboeken van G. A. Henty,
  vertaald door H. Th. CHAPPUIS.


Goedkoope geïllustreerde uitgave.

Als Nihilist naar Siberië, Roodhuiden en Grensroovers, Cowboys en
Goudzoekers.

Alle geïllustreerd. Prijs ingen. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.


Historische Werken van C. Joh. Kieviet.


FULCO DE MINSTREEL.

Een verhaal uit den tijd van Graaf JAN I.

Met platen van JOH. BRAAKENSIEK.

  Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50,
  in prachtband ƒ 1.90.


IN WOELIGE DAGEN.

Een verhaal uit de jaren 1345-1351.

Met platen van L. R. W. WENCKEBACH.

  Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50,
  in prachtband ƒ 1.90.



Opmerkingen van de bewerker:

Er komen in dit boek drie soorten nadruk voor: _cursief_, =vet= en
+gespatieerd+.

Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. “mêe” i.p.v. “meê”,
en “stellen” i.p.v. “stelten”.

Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot »„...”»,
waar dat nodig was voor de duidelijkheid.

Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd
overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik
van trema's en accenten.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Wilde Bob" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home