Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Stoomhuis - De Waanzinnige der Nerbudda
Author: Verne, Jules, 1828-1905
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Stoomhuis - De Waanzinnige der Nerbudda" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                             Wonderreizen.

                              JULES VERNE.



                             HET STOOMHUIS.
                      De Waanzinnige der Nerbudda.

                              Gevolgd door
                               DOKTER OX.



                     Rotterdam.--Jacs. G. Robbers.



HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA.


I.

DE KRAAL.


De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons
gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de
beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland,
is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die
jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden [1].

Men heeft,--zeker uit kortswijl,--beweerd, dat er vroeger op Martinique
geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd,
toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen
behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen
zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig,
en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.

Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif
snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen
vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep
was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.

Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van
Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging
werd gretig aangenomen.

Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier
bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van
»kraal," die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van
Zuidelijk-Afrika.

Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het
woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis
van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven
door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was
om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een
lange hut van boomstammen en planken, die aan al de bewoners der kraal
tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld,
ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde
der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich
gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de
vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit
was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de
wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht
op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.

De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het
was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens
terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar
werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over
Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.

De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van
lieden van het vak, »chikaris" genaamd. Zij moeten de sporen der
wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.

Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias
van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren
er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten,
maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De
vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem,
de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen
door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste
streek der Himalaya een ongezond oord.

En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd
in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria" werden aangedaan
als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij
voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben
kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein
Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den
overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken,
die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.

Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De
deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.

Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.

»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting
beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het
slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi"
noemen."

Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend,
die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er
alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester,
een tweede voor de chikaris, een derde voor de voerlieden, en in elke
kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal,
die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias
van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand
en verdiende met recht de benaming van houddi.

Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren
behoorende," bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der
viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.

Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed
eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan
de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak
inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven
een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer
voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje,
te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met
bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep
van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek
om de loge te bestormen.

Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen
rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks
hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in
de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het
in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij
te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt,
is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren."

De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen
stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie
afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten,
die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren,
naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene
afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers,
twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.

Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan
gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een
leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het
dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting
naar Bombay inslaan.

De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan,
waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden
gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit
merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen
en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de
geweldige slagen, die zij met de pooten tusschen de op vele plaatsen
verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.

Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder
dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.

»Arme dieren!" zei kapitein Hod.

»Arme dieren!" herhaalde Fox.

»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge
doodt?" vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.

»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten
vangen!" antwoordde kapitein Hod.

Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als
in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam
zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de
gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus,
wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen,
tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun
de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts," die ze
hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de
bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is
hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.

Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede
de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op
zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.

Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude
zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde
buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers
hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een
schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog
van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte
der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch,
met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert
men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt,
de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te
trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.

Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar
zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche
lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en
dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo
goed als verloren is.

Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den
korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens,
den bultigen rug,--die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen
stamgenoot,--met de van den hoef tot aan de knie toe witte pooten en
die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal
vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt,
bij troepen in het hooge gras der vlakte weidende, vreeselijk voor
iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.

Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de
roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de
chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij
voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te
voorschijn haalden.

Overigens gaf de leverancier, als een man die zijn vak verstond, zijnen
gasten slechts spaarzaam te eten. Eens per dag, te twaalf uur, werd
hun vier of vijf pond vleesch uitgedeeld en niets meer. En zelfs,--het
was toch zeker niet om den Zondag?--liet hij ze van Zaterdag tot
Maandag vasten. Een hongerige Zondag voor de arme dieren! Als zij
dan ook na acht en veertig uren hun bescheiden aandeel ontvingen,
was het een moeielijk in te houden woede, een ontzettend gehuil,
gepaard met geduchte sprongen, die de rollende kooien heen en weer
schudden en deden vreezen dat ze totaal vernield zouden worden.

Jawel, arme dieren! is men geneigd met kapitein Hod te herhalen. Doch
Matthias van Guitt handelde zoo niet zonder reden. Deze onthouding in
hun toestand van opsluiting bespaarde zijnen wilden dieren allerlei
huidaandoeningen en verhoogde den prijs op de markten van Europa.

Men kan zich intusschen gemakkelijk voorstellen, dat, terwijl
Matthias van Guitt ons zijne verzameling vertoonde, meer als
natuurkundige dan als dierenvertooner, hij zijn mond geen oogenblik
stil hield. Integendeel. Hij sprak, hij vertelde, hij schilderde,
en, daar de roofdieren van Tarryani het voornaamste onderwerp zijner
wijdloopige redeneeringen uitmaakten, hoorden wij hem niet zonder
belangstelling aan. Wij zouden de kraal dan ook niet verlaten,
dan nadat ons de diepste geheimen van de zoölogie der Himalaya
ontsluierd waren.

»Maar, mijnheer van Guitt," zeide Banks, »hoe is het gesteld met de
voordeelen van het vak, staan ze in verhouding tot de gevaren?"

»Mijnheer," antwoordde de leverancier, »de voordeelen waren vroeger
zeer aanzienlijk. Evenwel ben ik verplicht te erkennen, dat de wilde
dieren in daling verkeeren. U kunt er zelf over oordeelen door de
marktprijzen van de laatste koersnoteering. Onze voornaamste markt
is de zoölogische tuin van Antwerpen. Gevogelte, slangvormige dieren,
exemplaren van de familie der apen en hagedissen, vertegenwoordigers
van de roofdieren der twee werelden, daarheen verzend ik gewoonlijk
de opbrengst onzer avontuurlijke drijfjachten in de wouden van het
schiereiland. Hoe het zij, de smaak van het publiek schijnt zich
te wijzigen en de verkoopsprijzen zullen weldra minder bedragen
dan de inkoopsprijzen! Zoo werd onlangs een mannetjes-struisvogel
verkocht voor slechts elf honderd franken en het wijfje voor slechts
achthonderd. Een zwarte panter heeft slechts tegen zestien honderd
franken een kooper gevonden, een tijgerin van Java tegen twee duizend
vierhonderd, en een familie van leeuwen,--de vader, de moeder, een
oom, twee veelbelovende jonge leeuwtjes,--tegen zeven duizend franken
te zamen!"

»Dat is waarlijk voor niets!" antwoordde Banks.

»Wat de proboscidea betreft...." hernam Matthias van Guitt.

»Proboscidea?" zei kapitein Hod.

»We geven dien wetenschappelijken naam aan de dikhuiden, die door de
natuur met een snuit voorzien zijn."

»De olifanten dus!"

»Ja, olifanten, sedert het quaternaire tijdperk, mastodonten in de
voorhistorische tijden...."

»Ik dank u," antwoordde kapitein Hod.

»Wat dus de proboscidea aangaat," hernam Matthias van Guitt,
»men moet de vangst van die dieren opgeven, of men zou ze alleen
moeten vangen om hunne slagtanden, want het verbruik van het ivoor
is niet verminderd. Maar, sedert dramatische schrijvers, teneinde
raad, verzonnen hebben ze in hunne stukken op te voeren, voeren de
impressario's ze van stad tot stad en dezelfde olifant, het land met
den reizenden troep afloopende, voldoet aan de nieuwsgierigheid van
een geheel land. De olifanten zijn dan ook minder gezocht dan vroeger."

»Maar," vroeg ik, »levert u dan alleen aan de Europeesche menagerieën
die exemplaren van de Hindoesche dierenwereld?"

»U zult me toestaan," antwoordde Matthias van Guitt, »dat ik me ten
dezen opzichte, mijnheer, veroorloof, zonder nieuwsgierig te zijn,
u een eenvoudige vraag te doen."

Ik boog ten teeken van toestemming.

»Ge zijt Franschman, mijnheer," hernam de leverancier. »Dat merkt men
niet alleen aan uw accent, maar ook aan uw type, dat een aangenaam
mengsel is van het gallo-romeinsche en het keltische ras. Als
Franschman nu zult ge weinig neiging hebben tot het doen van verre
reizen en ongetwijfeld hebt ge een reis om de wereld niet gemaakt?"

Hier maakte Matthias van Guitt het gebaar van een der groote cirkels
van den aardbol.

»Ik heb dat genoegen nog niet gehad!" antwoordde ik.

»Ik moet u dus vragen, mijnheer," hernam de leverancier, »niet of ge
naar de Indiën gegaan zijt, want ge zijt er, maar of ge het Indisch
schiereiland in den grond kent?"

»Nog onvolkomen," antwoordde ik. »'k Heb Bombay, Calcutta, Bénarès,
Allahabad, de vallei van den Ganges reeds bezocht. 'k Heb hunne
monumenten gezien en bewonderd, 'k heb...."

»Welnu! wat geeft dat, mijnheer, wat geeft dat!" antwoordde Matthias
van Guitt, het hoofd afwendende, terwijl zijn hand, in koortsachtige
beweging, de grootste minachting uitdrukte.

Daarna gaf hij een levendige en aanschouwelijke voorstelling van
hetgeen in zijne herinnering opkwam en stroomden de woorden over
zijne lippen.

»Ja, wat geeft het als ge de menagerieën niet bezocht hebt van
die machtige rajahs, die de vereering bewaard hebben der prachtige
dieren waarop het heilige grondgebied van Indië met recht trotsch mag
zijn! Neem dan, mijnheer, den staf van den toerist weder op! Ga in
Guicowar den koning van Baroda hulde bewijzen! Zie zijne menagerieën,
die aan mij de meesten hunner gasten, leeuwen van Kattyawar, beren,
panters, tchitas, losschen, tijgers, verschuldigd zijn! Woon de viering
bij van het huwelijk zijner zestig duizend duiven, dat elk jaar met
de grootste staatsie word ingezegend. Bewonder zijne vijfhonderd
»boulbouls", nachtegalen van het schiereiland, wier opvoeding men
behartigt alsof ze de erfgenamen van den troon waren! Aanschouw
die olifanten, waarvan een, belast met de betrekking van beul,
de taak is opgedragen het hoofd van den veroordeelde op het blok te
verpletteren! Begeef u vervolgens naar het verblijf van den rajah van
Maïssour, den rijksten souverein van Azië! Treed het paleis binnen
waar de rhinocerossen, de olifanten, de tijgers en al de wilde beesten
van hoogen rang, die tot de dierenaristocratie van Indië behooren, bij
honderden geteld worden! En wanneer gij dat alles zult gezien hebben,
mijnheer, zult ge niet meer van onwetendheid kunnen beschuldigd worden
ten opzichte van de wonderen van dat onvergelijkelijke land!"

Ik had slechts te buigen voor de opmerkingen van Matthias van Guitt. De
hartstochtelijke wijze waarop hij de zaken voordroeg, liet niet toe
ze rijpelijk te bespreken.

Evenwel ondervroeg kapitein Hod hem meer rechtstreeks omtrent de
bijzondere fauna van deze streek van Tarryani.

»Eenige inlichtingen, als 't u blieft," vroeg hij hem, »betreffende de
roofdieren, die ik in dit gedeelte van Indië ben komen opzoeken. Hoewel
ik slechts een jager ben, zal ik u niet in de wielen rijden, mijnheer
van Guitt en zelfs wil ik u gaarne de hand reiken als ik u kan helpen
om de tijgers te vangen, die nog aan uwe verzameling ontbreken. Maar,
is eenmaal uw menagerie voltallig, dan zult ge 't mij niet euvel
duiden dat ik me voor mijn persoonlijk genoegen aan de vernieling
dezer dieren wijd!"

Matthias van Guitt nam de houding aan van iemand, die zich getroost
te ondergaan wat hij anders afkeurt, maar niet kan beletten. Hij
stemde overigens toe, dat Tarryani een aanzienlijk aantal boosaardige
dieren bevatte, die gewoonlijk weinig gevraagd worden op de markten
van Europa en waarvan de uitroeiïng hem geoorloofd toescheen.

»Dood de wilde zwijnen, 'k heb er vrede mee," antwoordde hij. »Hoewel
deze zwijnen, van de orde der dikhuidigen, geen vleeschetende dieren
zijn...."

»Vleeschetende dieren?" zei kapitein Hod.

»'k Meen daarmee dat zij plantetende dieren zijn; ze zijn zoo woest,
dat zij de jagers, die de stoutmoedigheid hebben ze aan te vallen,
aan het grootste gevaar blootstellen!"

»En de wolven?"

De wolven zijn talrijk door het gansche schiereiland verspreid
en zeer te duchten, als ze in troepen op een eenzame landhoeve
losstormen. Die dieren gelijken op den vaalrooden wolf van Polen en
ze zijn mij evenveel waard als de jakhalzen of de wilde honden. Ik
ontken trouwens de verwoestingen niet, die ze aanrichten, maar, daar
ze geen waarde hebben en niet waard zijn onder de hoogere klassen
der zoogdieren te worden opgenomen, laat ik u die ook, kapitein Hod."

»En de beren?" vroeg ik.

»De beren hebben veel goeds, mijnheer," antwoordde de leverancier,
toestemmend met het hoofd knikkende. »Al mogen de Indische beren
niet zoo gretig gezocht zijn als hunne stamgenooten onder andere
hemelstreken, zoo bezitten zij toch een zekere handelswaarde, die
hen aan de welwillende aandacht der kenners aanbeveelt. De smaak kan
verschillen tusschen de twee typen uit de valleien van Cashmir en
de heuvels van Raymahal. Doch, uitgenomen misschien in het tijdperk
van overwintering, zijn deze dieren genoegzaam onschadelijk en kunnen
zij het jagersinstinct van een echten jager, zooals kapitein Hod mij
toeschijnt, niet in verzoeking brengen."

De kapitein boog met een veelbeteekend air, te kennen gevende, dat
hij met of zonder toestemming van Matthias van Guitt, zelf in die
bijzondere quaesties zou beslissen.

»Daarbij komt," voegde de leverancier er bij, »dat ook deze beren
plantetende dieren zijn en niets dan kruiden eten en dus niets
gemeen hebben met de woeste soorten, waarop het schiereiland met
recht roem draagt."

»Rekent ge het luipaard onder deze wilde dieren?" vroeg kapitein Hod.

»Ongetwijfeld, mijnheer. Dit tot het kattengeslacht behoorende dier
is vlug, stoutmoedig, klimt in de boomen en is daardoor somtijds
geduchter dan de tijger...."

»Kom!" zei kapitein Hod.

»Mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt op drogen toon, »als een
jager niet meer verzekerd is een schuilplaats in de boomen te vinden,
dan scheelt het niet veel of hij wordt op zijn beurt gejaagd!"

»En de panter?" vroeg kapitein Hod, die een einde aan dit gesprek
wilde maken.

»Prachtig, de panter," antwoordde Matthias van Guitt, »en u kunt
u overtuigen, mijne heeren, dat ik er heerlijke exemplaren van
heb! Verwonderlijke dieren, die door een zonderlinge tegenstrijdigheid,
een antilogie, om een minder gewoon woord te gebruiken, voor de jacht
kunnen afgericht worden! Ja, mijne heeren, vooral in Guicowar oefenen
de rajahs de panters in deze edele lichaamsoefening! Men vervoert ze
in een palankijn, de kop in een kap gehuld als een giervalk of een
krem! 't Zijn echte valken met vier pooten! Zoodra de jagers in de
verte een kudde antilopen zien, wordt den panter de kap afgenomen en
werpt hij zich op de vreesachtige dieren, wier vlugge beenen ze niet
aan hunne vreeselijke klauwen kunnen onttrekken. Ja, ja, mijnheer de
kapitein, ge zult panters in Tarryani vinden! Ge zult er meer vinden,
dan u misschien lief is, maar 'k voeg er de christelijke waarschuwing
bij, dat die niet tam gemaakt zijn!"

»'k Hoop het van harte," antwoordde kapitein Hod.

»Evenmin als de leeuwen, trouwens," voegde de leverancier er bij,
die dit antwoord niet goed kon verkroppen.

»De leeuwen!" zei kapitein Hod. »Wees zoo goed en vertel ons eens
wat van de leeuwen!"

»Welnu mijnheer," hernam Matthias van Guitt, »'k beschouw die gewaande
koningen van het dierenrijk als beneden hunne stamgenooten van het
oude Lybië. Hier dragen de mannetjes de manen niet, die de trots
uitmaken van den Afrikaanschen leeuw en 't zijn, naar 't mij voorkomt,
slechts jammerlijk geschoren Samsons! Ze zijn trouwens bijna geheel uit
Centraal-Indië verdwenen om een schuilplaats te zoeken in Kattyawar,
de woestijn van Theil, en in Tarryani. Deze ontaarde dieren, nu als
kluizenaars levende, kunnen in den omgang met hunne gelijken, de oude
geestkracht niet terug erlangen. Ik plaats ze dan ook niet op den
eersten rang onder de viervoetige dieren, want, dat verzeker ik u,
mijne heeren, den leeuw kan men ontsnappen, maar den tijger, nooit!"

»O! die tijgers!" riep kapitein Hod uit.

»Ja! die tijgers!" herhaalde Fox.

»Den tijger de kroon," antwoordde Matthias van Guitt, zich
opwindende. »Men spreekt van den koningstijger en niet van
den koningsleeuw, en dat is juist. Indië hoort hem geheel toe
en gaat in hem op! Is hij niet de eerste bewoner van den bodem
geweest? Heeft hij het recht niet, niet alleen de vertegenwoordigers
van het Anglo-Saksische ras, maar ook de zonen van het zonneras
als veroveraars te beschouwen? Is hij het echte kind niet van het
heilige land der Argavarta? Ook ziet men die prachtige dieren over
de gansche oppervlakte van het schiereiland verspreid en hebben zij
geen enkel distrikt hunner voorvaderen verlaten, van kaap Comorin af
tot de Himalaya-keten toe!"

En, nadat Matthias van Guitt met zijn arm in de richting van het
Zuiden een vooruitstekend voorgebergte had beschreven, wendde hij
hem naar het noorden om een heele reeks bergen af te teekenen.

»In den Sonderbund," hernam hij, »zijn zij thuis! Daar heerschen
zij als meesters, en wee hem die hun dit grondgebied zou willen
betwisten! In de Nilgheries zwerven ze in menigte rond, als wilde
katten,


»Si parva licet componere magnis!" [2]


»Ge zult daarom licht begrijpen, waarom deze prachtige, tot het
kattengeslacht behoorende dieren op al de markten van Europa zoo
sterk gevraagd zijn en den trots uitmaken der dierentemmers. Wat is
het voorwerp der grootste belangstelling in de openbare of bijzondere
menagerieën? De tijger! Wanneer siddert ge voor het leven van den
dierentemmer? Als hij in het hok van den tijger treedt? Welk dier
betalen de rajahs zijn gewicht aan goud voor de versiering hunner
koninklijke tuinen? De tijger! Welk dier wordt het duurste betaald
op de beurzen van Londen, Antwerpen en Hamburg? De tijger! Bij
welke jachten onderscheiden zich de Indische jagers, officieren
van het koninklijke leger of die van de inlandsche armée? Bij de
tijgerjachten! Weet ge, mijne heeren, welk genot de vorsten van
het onafhankelijk Indië hunnen gasten verschaffen? Men voert een
koninklijken tijger in een hok aan. Het hok wordt geplaatst te
midden van een uitgestrekte vlakte. De rajah, zijne genoodigden,
zijne officieren, zijne wachters, zijn gewapend met lansen, revolvers
en karabijnen en berijden meestal vurige solidungula [3]."

»Solidungula?" zei kapitein Hod.

»Hunne paarden, als ge de voorkeur geeft aan dit wel wat alledaagsche
woord. Doch deze solidungula, verschrikt door de nabijheid van den
tijger, den eigenaardigen reuk dien het dier afgeeft, zijne vurige
oogen, steigeren, en de berijders hebben al hun behendigheid noodig
om ze te bedwingen. Plotseling wordt de deur van het hok geopend. Het
monster springt te voorschijn, hij vliegt, hij werpt zich op de hier
en daar verspreide groepen, hij offert een menigte slachtoffers aan
zijn woede op. Moge het hem een enkele maal gelukken door den kring
van ijzer en vuur, die hem omvat, heen te breken, meestal bezwijkt
hij, een tegen honderd! Maar zijn dood is althans roemrijk en is
vooruit gewroken!"

»Bravo! mijnheer Matthias van Guitt," riep kapitein Hod uit, die
op zijn beurt vuurvatte! »Ja, dat moet een prachtig schouwspel
zijn. Ja! de tijger is de koning der dieren!"

»Een koningschap dat de omwentelingen tart!" voegde de leverancier
er bij.

»En gij moogt er gevangen hebben, mijnheer van Guitt," antwoordde
kapitein Hod, »ik heb er gedood en 'k hoop Tarryani niet te verlaten,
voordat de vijftigste onder mijne schoten gevallen is!"

»Kapitein," zei de leverancier, de wenkbrauwen fronsende, »'k heb
u de wilde zwijnen, de wolven, de beren, de buffels gelaten! Is dat
dan nog niet genoeg om uw jagerswoede te koelen?"

Ik merkte, dat onze vriend Hod zich met evenveel vuur als Matthias
van Guitt over die netelige vraag ging uitlaten.

Had de een meer tijgers gevangen dan de andere er gedood had, welk
een stof ter bespreking! Was het beter ze te vangen dan ze om te
brengen? Wie zou deze quaestie beslissen!

Beiden, de kapitein en de leverancier, begonnen reeds driftige woorden
met elkander te wisselen, en zelfs tegelijk te spreken zonder elkander
meer te begrijpen.

Banks kwam nu tusschenbeiden.

»De tijgers," zeide hij, »zijn de koningen der schepping, dat is
zeker, mijne heeren, maar 'k ben zoo vrij er bij te voegen dat het
zeer gevaarlijke koningen voor hunne onderdanen zijn. In 1862 als ik
me niet bedrieg, hebben deze lieve diertjes al de telegrafisten op het
eiland Sangor verslonden. Men verhaalt ook van een tijgerin, die in
drie jaren niet minder dan honderdachttien slachtoffers gemaakt heeft,
en van een ander, die in hetzelfde tijdsverloop honderdzevenentwintig
personen heeft omgebracht. Dat is te veel, zelfs voor koninginnen! Ja
zelfs zijn sedert de ontwapening der Sipayers, in een tijdvak van
drie jaren, twaalfduizend vijfhonderd vierenvijftig individus onder
den aanval van tijgers bezweken."

»Maar, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt, »u schijnt te
vergeten, dat deze dieren omophagen zijn."

»Omophagen?" zei kapitein Hod.

»Ja eters van rauw vleesch, en zelfs beweren de Hindoes dat, zoo
zij eens menschenvleesch geproefd hebben, ze geen ander vleesch
meer willen!"

»Welnu, mijnheer?..." zei Banks.

»Welnu, mijnheer?" antwoordde glimlachend Matthias van Guitt, »het
is hun aard! ... Zij moeten immers eten!"



II.

EEN KONINGIN VAN TARRYANI.


Deze opmerking van den leverancier eindigde ons bezoek aan de
kraal. Het was tijd om het Stoomhuis weder op te zoeken.

Om de waarheid te zeggen, scheidden kapitein Hod en Matthias van Guitt
niet als de twee beste vrienden van de wereld. De een toch wilde de
roofdieren van Tarryani ombrengen, terwijl de ander ze wilde vangen
en evenwel waren er genoeg om beiden tevreden te stellen.

Men kwam niettemin overeen, dat de bewoners van de kraal en het
sanitarium elkander druk zouden bezoeken. Men zou elkander waarschuwen
als er een mooie slag te slaan was. De chikaris van Matthias van Guitt,
goed op de hoogte van deze soort van tochten, bekend met de omwegen en
schuilhoeken van Tarryani, konden kapitein Hod veel diensten bewijzen,
door hem de sporen van dieren aan te wijzen. De leverancier stelde hen
welwillend ter zijne beschikking en meer bijzonder Kâlagani. Hoewel
deze Hindoe eerst onlangs in het personeel der kraal was opgenomen,
deed hij zich als zeer kundig kennen en kon men vast op hem rekenen.

Kapitein Hod van zijn kant beloofde, zooveel hem mogelijk was, bij
de vangst der wilde dieren, die nog aan den voorraad van Matthias
van Guitt ontbraken, zijn hulp te verleenen.

Alvorens de kraal te verlaten, bedankte Sir Edward Munro, die
waarschijnlijk geen plan had er drukke bezoeken te maken, nogmaals
Kâlagani, wiens tusschenkomst hem gered had. Hij zeide hem, dat hij
altijd welkom in het Stoomhuis zoude zijn.

De Hindoe boog zich koel. Welk gevoel van voldoening hem ook bezielde
den man, die hem het leven verschuldigd was, zoo te hooren spreken,
liet hij er niets van blijken.

Wij hadden gezorgd vóór het etensuur thuis te zijn. Men kan zich
voorstellen, dat Matthias van Guitt de stof tot het gesprek leverde.

»Sakkerloot! wat maakt die leverancier mooie gebaren!" herhaalde
kapitein Hod »Welk een woordenschat! Welke uitgezochte
uitdrukkingen! Maar als hij nu in de wilde beesten niet anders ziet
dan voorwerpen om te laten zien, dan bedriegt hij zich!"

De volgende dagen, 27, 28 en 29 Juni regende het zoo hard, dat de
jagers, hoe verzot op de jacht ze ook waren, het Stoomhuis niet konden
verlaten. Bij zulk vreeselijk weer zijn trouwens de sporen onmogelijk
te herkennen en verlaten de roofdieren, die evenmin van water houden
als de katten, niet gaarne hunne schuilplaatsen.

Den 30n Juli was het weer gunstiger en zag de lucht er beter
uit. Dinsdag maakten kapitein Hod, Fox, Goûmi en ik onze toebereidselen
om naar de kraal af te zakken.

In den loop van den morgen, kwamen eenige bergbewoners ons een bezoek
brengen. Zij hadden vernomen, dat een wonderbaarlijke pagode in het
Himalayagebergte verschenen was en werden nu door een levendig gevoel
van nieuwsgierigheid naar het Stoomhuis gedreven.

Het waren recht schoone menschen, van het ras op de grenzen van Thibet,
krijgshaftige inboorlingen, eerlijk en getrouw, op ruime schaal de
gastvrijheid beoefenende en zedelijk en lichamelijk verheven boven
de Hindoes der vlakte.

De gewaande pagode verbaasde hen wel is waar, maar de IJzeren Reus
maakte zulk een overweldigenden indruk op hen, dat zij zich in
aanbidding voor hem nederbogen. Hij bevond zich evenwel in rust. Wat
zouden de goede lieden opgekeken hebben, als zij gezien hadden, hoe
hij rook en vlammen uitspuwende, met vasten tred de ruwe hellingen
hunner bergen beklom!

Kolonel Munro bereidde dezen inboorlingen, waarvan eenigen gewoonlijk
het grondgebied van Népaul, op de Indo-Chineesche grens doorloopen,
een goede ontvangst. Het gesprek liep een oogenblik over dat gedeelte
der grenzen waar Nana Sahib een schuilplaats gezocht had, na de
nederlaag der Sipayers, toen hij over het geheele grondgebied van
Indië werd nagezeten.

Deze bergbewoners wisten eigenlijk niets meer dan 't geen wij
zelven wisten. Ook tot hen was het gerucht van den dood van den
nabob doorgedrongen en zij schenen hem niet te betwijfelen. Wat de
metgezellen betreft, die hem overleefd hadden, zij waren spoorloos
verdwenen. Misschien hadden zij een schuilplaats tot Thibet opgezocht,
maar het zou moeilijk geweest zijn hen daar te achterhalen.

Indien kolonel Munro, met zijn reis naar het noorden van het
schiereiland, werkelijk het plan gehad had alles op te helderen wat
van verre of dichtbij aan Nana Sahib herinnerde, was dit antwoord wel
geschikt er hem af te brengen. Evenwel bleef hij, na deze bergbewoners
gehoord te hebben, in gedachten verdiept en nam hij geen deel meer
aan de gesprekken.

Wat kapitein Hod aangaat, deze stelde hun eenige vragen, maar met
geheel andere beweegredenen. Zij meldden hem dat werkelijk door wilde
dieren, en meer bijzonder door tijgers, vreeselijke verwoestingen in
de onderste streek der Himalaya werden aangericht. Landhoeven en zelfs
geheele dorpen waren door de bewoners verlaten moeten worden. Reeds
waren verscheidene kudden geiten en schapen verslonden, en men telde
ook talrijke slachtoffers onder de inlanders. Niettegenstaande de
aanzienlijke premie, door het gouvernement uitgeloofd,--driehonderd
ropijen per tijgerkop,--scheen toch het aantal dezer dieren niet te
verminderen, en men vroeg zich af, of de mensch niet weldra verplicht
zou zijn plaats voor hen te maken.

De bergbewoners voegden er ook nog deze bijzonderheid bij: dat namelijk
de tijgers zich niet alleen tot in Tarryani terugtrokken. Overal waar
de vlakte hun hoog gras, jungles, struikgewas aanbood waarin zij op
de loer konden gaan liggen, ontmoette men ze in grooten getale.

»Kwaadaardige dieren!" zeiden zij.

Die brave menschen koesterden, en met recht, zooals men ziet, ten
opzichte der tijgers niet dezelfde denkbeelden als de leverancier
Matthias van Guitt en onze vriend kapitein Hod.

De bergbewoners gingen heen, zeer ingenomen met de ontvangst door
hen genoten en beloofden hun bezoek aan het Stoomhuis te herhalen.

Na hun vertrek waren wij weldra met onze toebereidselen gereed en
daalden wij, kapitein Hod, onze beide metgezellen en ik, goed gewapend,
op elke ontmoeting voorbereid, naar Tarryani af.

Op de open plek in het bosch, waar de val gesteld was, waaruit wij
Matthias van Guitt zoo gelukkig verlost hadden, deed deze zich,
niet zonder eenige plechtigheid aan ons voor.

Vijf of zes zijner lieden, waaronder Kâlagani, hielden zich bezig
met uit den val een tijger, die zich des nachts had laten vangen,
in een rollend hok te doen overgaan.

Werkelijk een prachtig dier, dat door kapitein Hod met wangunst
werd aangezien!

»Één minder in Tarryani!" mompelde hij met een zucht, die een weerklank
vond in de borst van Fox.

»Eén meer in de menagerie," antwoordde de leverancier. »Nog twee
tijgers, een leeuw, twee luipaarden en 'k zal vóór het einde der
campagne aan mijne verplichtingen kunnen voldoen. Gaat ge met mij
mede naar de kraal, mijne heeren?"

»We zeggen u dank," zei kapitein Hod, »maar van daag jagen we voor
eigen rekening."

»Kâlagani is ter uwe beschikking gereed, kapitein Hod", antwoordde
de leverancier. »Hij kent het bosch en kan u nuttig zijn."

»We nemen hem gaarne als gids aan."

»Nu, mijne heeren," voegde Matthias van Guitt er bij, »veel geluk! Maar
beloof me niet alles te dooden!"

»Wees gerust, we zullen u nog wat overlaten!" antwoordde kapitein Hod.

En Matthias van Guitt verdween, ons deftig groetende, onder de boomen,
het rollend hok na.

»Op marsch," zei kapitein Hod, »op marsch, mijne vrienden. Naar mijn
twee en veertigsten!"

»Naar mijn acht en dertigsten!" antwoordde Fox.

»Naar mijn eersten!" voegde ik er bij.

Maar de toon waarop ik deze woorden sprak deed den kapitein
glimlachen. Blijkbaar miste ik de noodige bezieling.

Hod had zich naar Kâlagani omgewend.

»Ken je Tarryani goed?" vroeg hij hem.

»'k Heb het twintigmaal doorkruist, nacht en dag, in alle richtingen,"
antwoordde de Hindoe.

»Heb je hooren zeggen, dat een tijger meer bijzonder gezien is in
den omtrek van de kraal?"

»Ja, maar die tijger is een tijgerin. Men heeft haar op twee mijlen
van hier gezien, boven in het bosch en sedert eenige dagen tracht
men zich van haar meester te maken. Wilt u dat...."

»Of we willen!" antwoordde kapitein Hod, zonder den Hindoe den tijd
te laten den zin te eindigen.

Wij hadden inderdaad niets beters te doen dan Kâlagani te volgen,
hetgeen dan ook gedaan werd.

Het is niet twijfelachtig dat de wilde dieren zeer talrijk zijn in
Tarryani en daar, gelijk elders, hebben zij niet minder dan twee
runderen per week noodig voor hun bijzonder gebruik! Ga eens na wat
dit »onderhoud" het geheele schiereiland kost!

Maar al zijn de tijgers er in menigte voorhanden, moet men zich daarom
niet voorstellen, dat zij zonder noodzaak het land doorloopen. Zoolang
de honger ze niet aandrijft, blijven ze in hunne schuilhoeken
verborgen en men zou zich vergissen als men denkt, dat men ze bij
elken voetstap ontmoet. Hoevele reizigers hebben niet de bosschen of
de jungles doorloopen, zonder er ooit een ontmoet te hebben! Is er
dus een jacht op touw, dan moet men beginnen met de gewone toegangen
dezer dieren op te sporen en vooral de beek of de bron ontdekken
waarin zij gewoonlijk hun dorst gaan lesschen.

En dit is dikwijls nog niet voldoende, men moet ze nog lokken. Men
doet dit vrij gemakkelijk door een stuk ossenvleesch, aan een paal
gebonden, op een open plek te brengen, omringd door boomen of rotsen,
die den jagers ter beschutting kunnen dienen. Op deze wijze gaat men
althans in het bosch te werk.

Op de vlakte gaat het anders toe en wordt de olifant de nuttigste
helper van den mensch bij de gevaarlijke drijfjachten. Doch deze
dieren moeten hiertoe volkomen afgericht zijn en toch in weerwil
hiervan worden zij soms door een paniek overvallen, hetgeen den
toestand der jagers, die op hun rug zitten, somtijds zeer gevaarlijk
maakt. Ook moet hier gezegd worden, dat de tijger niet aarzelt zich
op den olifant te werpen. De worsteling tusschen den mensch en hem
heeft dan plaats op den rug van het reusachtige dikhuidige dier,
dat zich driftig maakt en het is zeldzaam, dat zij niet ten voordeele
van het wilde dier beslist wordt.

Op die wijze evenwel hebben de groote jachten der rajahs en der rijke
sportsmen van Indië plaats, waardig om in de jaarboeken der jacht te
worden opgenomen.

Doch dit was de wijze niet waarop kapitein Hod wilde tewerkgaan. Te
voet ging hij de tijgers opzoeken, te voet was hij gewoon ze te
bestrijden.

Intusschen volgden wij Kâlagani, die flink doorstapte. Terughoudend
als een Hindoe, praatte hij weinig en bepaalde hij zich kort te
antwoorden op de vragen, die hem gedaan werden.

Een uur later, hielden wij halt bij een schuimende beek, welker boorden
de nog versche sporen van dieren vertoonden. Te midden eener kleine
open plek in het bosch was een paal opgericht waaraan een groot stuk
rundvleesch was vastgebonden.

Het lokaas was niet geheel gespaard gebleven. De jakhalzen,
de gauwdieven der Indische dierenwereld, altijd op eenige prooi
uit, al is de prooi niet voor hen bestemd, hadden er juist even van
geproefd. Een dozijn van die roofdieren ging bij onze nadering op de
vlucht en liet ons volle vrijheid.

»Kapitein," zei Kâlagani, »hier zullen we de tijgerin afwachten. U
ziet dat de plek gunstig is."

Werkelijk was het gemakkelijk zich in de boomen of achter de rotsen
te verschuilen, zoodanig, dat men zijn vuur op de alleenstaande paal
in het midden der open plek kon kruisen.

Dit werd dan ook onmiddellijk gedaan. Goûmi en ik hadden op denzelfden
tak plaatsgenomen. Kapitein Hod en Fox, beiden op de eerste vertakking
van twee groote groene eiken geplaatst, zaten recht tegenover elkander.

Kâlagani had zich half verscholen achter een hooge rots, die hij
ingeval van dreigend gevaar kon beklimmen.

Het dier zou dus van alle kanten bestookt worden en het moeielijk
kunnen ontloopen. Alle kansen waren dus tegen hem, alhoewel men
rekening met onvoorziene omstandigheden moest houden.

Wij hadden nu niets anders te doen dan te wachten.

De jakhalzen, hier en daar verspreid, deden altijd hun schor geblaf
in het naburig kreupelhout hooren, maar zij dorsten zich niet meer
aan het stuk vleesch te wagen.

Nauwelijks was er een uur verloopen, of dit geblaf eindigde
plotseling. Bijna op hetzelfde oogenblik, sprongen twee of drie
jakhalzen uit het kreupelhout voor den dag, doorkruisten de open plek
en verdwenen in het dichtst van het woud.

Een teeken van Kâlagani, die op het punt stond om de rots te beklimmen,
waarschuwde ons op te passen.

Inderdaad was geen andere oorzaak voor deze overhaaste vlucht der
jakhalzen te vinden dan de nadering van een wild dier,--de tijgerin
ongetwijfeld,--en elk oogenblik kon men verwachten haar op een of
ander punt der open plek in het bosch te zien verschijnen.

Onze wapenen waren gereed. De karabijnen van kapitein Hod en zijn
oppasser, reeds gericht naar de plek van het kreupelbosch waaruit de
jakhalzen ontvlucht waren, wachtten slechts op een vingerdruk om los
te branden.

Weldra meende ik de bovenste takken van het kreupelhout even te zien
bewegen. Op hetzelfde oogenblik deed zich een gekraak van droog hout
vernemen. Duidelijk hoorde men nu een dier, welk dan ook, naderen,
maar voorzichtig, zonder zich te haasten. Van de jagers, die, onder
dicht gebladerte verscholen, hem beloerden, kon hij blijkbaar niets
zien. Nochtans moest zijn instinct hem doen gevoelen, dat de plaats
niet veilig voor hem was. Zeer zeker zou, indien hij niet door den
honger ware gedrongen en het stuk vleesch hem door den reuk niet had
verlokt, zich niet verder gewaagd hebben.

Hij vertoonde zich evenwel, half door de takken van een struik
verborgen en bleef zich alleen nog uit een gevoel van wantrouwen
ophouden.

Het was wel degelijk een tijgerin, groot van stuk, met een prachtigen
kop en een lenig lichaam. Zij kwam langzaam langs den grond
voortglijdende, met de golvende beweging van een kruipend dier vooruit.

Algemeen kwam men daarin overeen, haar tot aan de paal te laten
naderen. Zij rook den grond, ze richtte zich op, kromde den rug als
een énorme kat, die niet van plan is een sprong te nemen.

Eensklaps barstten twee karabijnschoten los.

»Twee en veertig!" riep kapitein Hod.

»Acht en dertig!" riep Fox.

De kapitein en zijn oppasser hadden te gelijkertijd geschoten, en zoo
juist, dat de tijgerin, getroffen door een, zoo niet door twee kogels,
over den grond rolde.

Kâlagani was op het dier toegesneld en ook wij waren op den grond
gesprongen.

De tijgerin bewoog zich niet meer.

Doch wien kwam de eer toe haar doodelijk getroffen te hebben? Den
kapitein of Fox? Men kan zich voorstellen, dat dit een punt van
gewicht was!

Het dier werd geopend. Het hart was door twee kogels doorboord.

»Kom," zei kapitein Hod, niet zonder eenigen spijt, »ieder de helft!"

»De helft, kapitein!" antwoordde Fox op denzelfden toon.

En ik geloof, dat noch de een nog de ander gaarne het deel had
afgestaan, dat hem toekwam.

Dit was het merkwaardige schot, waarvan het beste resultaat was, dat
het dier zonder worsteling bezweken was en bijgevolg zonder gevaar
voor de aanvallers,--een resultaat, dat bij de jachten dezer soort
zelden voorkomt.

Fox en Goûmi bleven op het slagveld achter, om het dier van zijn
prachtige huid te ontdoen, terwijl Hod en ik naar het Stoomhuis
terugkeerden.

Het is mijn voornemen niet de voorvallen onzer tochten in Tarryani tot
in de minste bijzonderheden te vermelden, tenzij zij iets merkwaardigs
opleveren. Het zij genoeg al dadelijk te zeggen, dat kapitein Hod en
Fox zich niet te beklagen hadden.

Den 10n Juli, bij een jacht uit de houddi, namelijk uit de hut,
hadden zij opnieuw een gelukkige kans, zonder dat zij werkelijk gevaar
geloopen hadden. De houddi, trouwens, is zeer geschikt om de groote
roofdieren te belagen. Het is een soort van gecreneleerd fortje, welks
muren, door schietgaten doorboord, de oevers van een beek beheerschen,
waar de dieren gewoon zijn te gaan drinken. Gewoon aan het gezicht
dezer kleine gebouwen, hebben zij geen wantrouwen en stellen zij zich
rechtstreeks aan het moorddadig lood bloot. Maar ook daar als overal,
komt het er op aan hen doodelijk met het eerste schot te treffen,
of de worsteling wordt gevaarlijk, want de houddi behoedt den jager
niet altijd voor de geduchte sprongen dezer dieren, die gewond,
woedend zijn geworden.

Dit was het nu juist wat gebeurde, zooals men weldra zien zal.

Matthias van Guitt vergezelde ons. Misschien hoopte hij wel, dat een
licht gewonde tijger naar de kraal medegenomen zou kunnen worden,
waar hij dan de zorg op zich zou nemen hem te verzorgen en te genezen.

Nu had onze troep jagers dien dag met drie tijgers te doen, die
door de eerste losbranding niet weerhouden werden de muren van de
houddi te bespringen. De twee eerste werden, tot groot verdriet
van den leverancier, met een tweeden kogel gedood, toen zij over de
gecreneleerde omheining sprongen. Wat den derden betreft, hij nam een
sprong tot in het inwendige van het gebouwtje, den schouder gewond,
maar overigens niet doodelijk getroffen.

»Dien zullen we dan toch hebben!" riep Matthias van Guitt uit, die
zoo sprekende wel wat veel waagde, »we zullen hem levend hebben!...."

Nauwelijks had hij deze onvoorzichtige woorden gesproken, of het dier
stortte zich op hem, wierp hem omver en het ware gedaan geweest met
den leverancier, had een kogel van kapitein Hod den kop des tijgers
niet geraakt, die als door den bliksem getroffen neerzeeg.

Matthias van Guitt was weder snel op de been.

»Hé! kapitein," riep hij uit, in plaats van onzen vriend te bedanken,
»u hadt wel kunnen wachten!...."

»Wachten.... wat?...." antwoordde kapitein Hod, »totdat het dier je
de borst met zijn klauwen had opengereten?"

»Zoo'n krab is nog niet doodelijk!..."

»Goed!" antwoordde bedaard kapitein Hod. »Een andermaal zal ik
wachten!"

Wat er van zij, het dier was buiten staat in de menagerie der
kraal te figureeren en had alleen om zijn vel nog eenige waarde;
maar deze gelukkige tocht bracht het getal der door den kapitein en
zijn oppasser gedoode tijgers op twee en veertig en acht en dertig,
zonder de reeds vermelde halve tijgerin mede te rekenen.

Men denke nu niet dat deze groote jachten ons de kleine deden
vergeten. Daar zorgde »Monsieur" Parazard wel voor. Een groote
verscheidenheid van allerlei wild, zooals patrijzen, hazen,
antilopen, gemzen, trapganzen, dat in den omtrek van het Stoomhuis
rijk vertegenwoordigd was, prijkte op onze tafel.

Zelden gebeurde het dat Banks ons bij onze tochten in Tarryani
vergezelde. Mochten die tochten mij belang beginnen in te boezemen,
hem bevielen ze niet bijzonder. Voor hem hadden de hoogere streken
der Himalaya meer aantrekkelijkheid, vooral als kolonel Munro hem
wilde vergezellen.

Maar een of twee malen slechts hadden de wandelingen van den ingenieur
op deze wijze plaats. Hij had opgemerkt, dat Sir Edward Munro in den
laatsten tijd weer meer in zich zelven gekeerd en bezorgder geworden
was. Hij sprak minder, hield zich meer afgezonderd en had somtijds
drukke gesprekken met sergeant Mac Neil. Zouden zij met hun beiden
eenig nieuw plan beramen, dat ze wilden verbergen, zelfs voor Banks?

Den 13n Juli kwam Matthias van Guitt ons een bezoek brengen. Hij
was minder gelukkig geweest dan kapitein Hod en had zijn menagerie
met geen nieuwen gast kunnen verrijken. Geen tijgers, noch leeuwen,
noch luipaarden schenen geneigd te zijn zich te laten vangen. De
gedachte zich in het verre westen te laten tentoonstellen lachte
hun ongetwijfeld niet toe. Vandaar dat de leverancier een ergernis
gevoelde, die hij niet trachtte te ontveinzen.

Kâlagani en twee chikaris van het personeel vergezelden Matthias van
Guitt bij dit bezoek.

De vestiging van het sanitarium in die bekoorlijke streek behaagde
hem buitengemeen. Kolonel Munro noodigde hem te blijven eten. Hij
nam het gretig aan en beloofde onze tafel eer aan te doen.

Voor het diner wenschte Matthias van Guitt het Stoom-House te
bezoeken, waarvan de geriefelijke inrichting zoo oneindig verschilde
met de eenvoudigheid zijner kraal. De twee rollende huizen lokten
een kompliment van hem uit, maar ik moet bekennen, dat de IJzeren
Reus hem onverschillig liet. Een natuurkundige, zooals hij, moest wel
ongevoelig blijven voor dit meesterstuk van werktuigkunde. Hoe kon hij
de schepping van dit kunstmatige dier, hoe merkwaardig ook, goedkeuren.

»Denk geen kwaad van onzen olifant, mijnheer van Guitt!" zeide
Banks tot hem. »'t Is een machtig dier, en als het moest, zou hij
er volstrekt niet over in zitten om tegelijk met onze twee wagens,
al de hokken uwer rollende menagerie voort te trekken."

»Daarvoor heb ik mijn buffels," antwoordde de leverancier, »en ik
geef de voorkeur aan hun bedaarden en zekeren stap."

»De IJzeren Reus vreest noch de klauwen, noch de tanden der
tijgers!" riep kapitein Hod uit.

»Dat moge waar zijn, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt,
»maar waarom zouden de wilde dieren hem aanvallen? Ze geven niet veel
om vleesch van plaatijzer!"

Mocht de natuurkundige zijn onverschilligheid voor onzen olifant niet
ontveinzen, zijne Hindoes en vooral Kâlagani hielden daarentegen
niet op hem met de oogen te verslinden. Men gevoelde, dat hunne
bewondering van het reusachtige dier gemengd was met een zekere dosis
bijgeloovigen eerbied.

Kâlagani scheen zelfs zeer verbaasd toen de ingenieur herhaalde, dat
de IJzeren Reus machtiger was dan de geheele bespanning der kraal. Dit
gaf kapitein Hod aanleiding, niet zonder eenige fierheid ons avontuur
met de drie »proboscidea" van prins Gourou Singh te vertellen.

Een ongeloovig glimlachje speelde om de lippen van den leverancier,
maar hij wachtte zich wel het feit te betwisten.

Het diner liep in de beste orde af en vooral Matthias van Guitt
deed het alle eer aan. Het menu was uitmuntend en bestond uit de
voortbrengselen onzer laatste jachten; werkelijk mag men zeggen,
dat »Monsieur" Parazard zich zelven overtroffen had.

Ook de wijnkelder van het Stoomhuis bleek goed voorzien te zijn en
vooral schenen een paar glazen Franschen wijn onzen gast uitmuntend
te smaken, want elk slokje werd gevolgd door een eigenaardig gesmak
van de tong tegen het verhemelte.

Na den maaltijd, op het oogenblik van scheiden, kon men uit de
onzekerheid van zijn gang opmaken, dat de wijn hem niet alleen naar
het hoofd gestegen, maar ook naar zijne beenen gezakt was.

Bij het vallen van den avond, scheidde men als de beste vrienden van
de wereld, en dank zij zijne tochtgenooten, kwam Matthias van Guitt
zonder ongelukken in zijn kraal terug.

Evenwel had er den 16n Juli een voorval plaats, die de goede
verstandhouding tusschen den leverancier en kapitein Hod dreigde
te verstoren.

Op het oogenblik dat een tijger in een der wipvallen zou gevangen
worden, werd hij door den kapitein gedood. Maar, mocht deze al zijn
drie en veertigste zijn, hij was niet de achtste van den leverancier.

Nochtans werd na eenige wederzijdsche ophelderingen, waarbij het
vrij scherp toeging, de zaak in der minne geschikt, dank zij de
tusschenkomst van kolonel Munro, en kwamen zij overeen, dat kapitein
Hod de wilde dieren zou eerbiedigen, die »van plan waren" zich in de
vallen van Matthias van Guitt te laten vangen.

De volgende dagen was het afschuwelijk slecht weder. Men moest tegen
wil en dank in het Stoomhuis blijven. Wij verlangden naar het einde
van den regentijd, die niet lang meer kon duren, daar hij reeds voor
meer dan drie maanden begonnen was. Indien het programma van onze
reis gevolgd werd, zooals Banks het van te voren had vastgesteld,
bleven ons nog slechts zes weken verblijf in het sanitarium over.

Den 23n Juli kwamen eenige bergbewoners van de grenzen den kolonel
Munro een tweede bezoek brengen. Hun dorp, Souari genaamd, was
slechts vijf mijlen van ons kamp verwijderd, bijna aan de bovenste
grens van Tarryani.

Een van hen deelde ons mede, dat een tijgerin sedert eenige weken
vreeselijke verwoestingen in die streken aanrichtte. De kudden werden
vernield en men sprak er reeds van om Souari, onbewoonbaar geworden,
te verlaten. Er was geen zekerheid meer, noch voor de huisdieren, noch
voor de menschen. Allerlei middelen om het dier te belagen, vallen,
strikken, drijfjachten, niets had het wreede dier, dat reeds onder
de geduchtste roofdieren begon te tellen waarvan de oude bergbewoners
ooit hadden hooren spreken, kunnen verjagen of dooden.

Men kan zich voorstellen, dat dit verhaal zeer geschikt was om
kapitein Hod in koortsachtige spanning te brengen. Hij bood dadelijk
den bergbewoners aan hen naar het dorp van Souari te vergezellen,
volkomen bereid zijn ondervinding als jager en de zekerheid van
zijn blik ter beschikking van die goede menschen te stellen, die,
naar het mij toescheen, wel een weinig op dit aanbod rekenden.

»Ga je mee, Maucler?" vroeg kapitein Hod mij, op den toon van iemand,
die geen invloed op een eenmaal genomen besluit wenscht uit te oefenen.

»Wel zeker," antwoordde ik. »'k Zou niet gaarne zulk een merkwaardigen
tocht mankeeren!"

»Ook ik wilde je ditmaal vergezellen," zei de ingenieur.

»Dat is een heerlijk idée van je, Banks."

»Ja, Hod! 'k Wensch zeer je daar eens aan 't werk te zien."

»Mag ik niet van de partij zijn, kapitein?" vroeg Fox.

»O! die intrigant?" riep kapitein Hod uit. »Hij zou gaarne zijn halve
tijgerin willen aanvullen! Ja, Fox! ja! je kunt meegaan!"

Daar men nu dus voor een drie of vier dagen het Stoomhuis ging
verlaten, vroeg Banks den kolonel of ook hij ons niet naar het dorp
Souari zou vergezellen.

Sir Edward Munro bedankte hem, daar hij van plan was van onze
afwezigheid gebruik te maken om met Goûmi en den sergeant Mac Neil de
middelste streek of zone van de Himalaya, boven Tarryani te bezoeken.

Banks drong niet verder aan.

Er werd dus bepaald, dat wij denzelfden dag naar de kraal zouden
vertrekken, om van Matthias van Guitt eenigen zijner chikaris te
leenen, die ons nuttig zouden kunnen zijn.

Een uur later, tegen twaalf uren, waren wij aangekomen. De leverancier
werd op de hoogte onzer plannen gebracht. Toen hij de heldendaden
van die tijgerin vernam, kon hij zijne geheime voldoening niet
verbergen. Dat dier toch, zeide hij, was wel geschikt om bij de kenners
den roem der dieren van het schiereiland te verhoogen. Daarna stelde
hij drie zijner Hindoes ter onze beschikking zonder Kâlagani mede te
rekenen, die altijd gereed was zich in het gevaar te begeven.

Het werd evenwel goed afgesproken met kapitein Hod, dat, zoo onverhoopt
de tijgerin zich levend liet vangen, zij rechtens tot de menagerie
van Matthias van Guitt zou behooren. Welk een uitlokkend bericht,
dat, aan de traliën van het hok gehangen, in welsprekende cijfers
de heldendaden zou vermelden van »een der koninginnen van Tarryani,
die niet minder dan honderd acht en dertig personen van beide seksen
verslonden heeft!"

Onze kleine troep verliet de kraal tegen twee uren van den
namiddag. Voor vier uren, kwam hij, na schuins naar het oosten
bergopwaarts te zijn gegaan, zonder ongelukken te Souari aan.

De paniek was daar tot het hoogste geklommen. Dien zelfden morgen
was een ongelukkige Hindoesche vrouw, onverwacht bij een beek door
de tijgerin verrast, naar het bosch medegesleept.

Een der bergbewoners, een rijke Engelsche landeigenaar, nam ons
gastvrij in zijne woning op. Onze gastheer had meer dan een ander
zich over het geduchte dier te beklagen gehad en gaarne had hij zijn
huid met vele duizenden ropijen betaald.

»U moet weten, kapitein Hod," zeide hij, »dat eenige jaren geleden
een tijgerin in de centrale provinciën de bewoners van dertien dorpen
verplicht heeft op de vlucht te gaan, zoodat twee honderd vijftig
vierkante mijlen beste grond braak moesten blijven liggen!"

»Heb je alle mogelijke middelen beproefd om het dier te dooden?" vroeg
Banks.

»Alles, mijnheer de ingenieur, vallen, kuilen en zelfs lokazen met
strychnine toebereid! Niets heeft geholpen!"

»Mijn goede vriend," zei kapitein Hod, »ik verzeker niet, dat het
ons zal gelukken je te voldoen, maar we zullen ons best doen!"

Zoodra we ons te Souari eenigszins hadden ingericht, werd dien
zelfden dag een drijfjacht ondernomen. Een twintigtal bergbewoners,
die het grondgebied waarop we ons zouden bewegen, volkomen goed kenden,
voegden zich bij ons, bij onze lieden en bij de chikaris der kraal.

Hoe weinig jager Banks ook ware, scheen het mij toe, dat ook hij
onzen tocht met de meeste belangstelling zou medemaken.

Drie dagen achtereen, den 24n, 25n en 26n Juli, werd dit geheele
gedeelte der bergachtige streek doorzocht, zonder dat onze nasporingen
eenig resultaat hadden opgeleverd, geen ander immers dan dat twee
andere tijgers, waaraan men weinig dacht, door den kapitein werden
neergeveld.

»Vijf en veertig!" vergenoegde zich Hod te zeggen, zonder er anders
eenig gewicht aan te hechten.

Eindelijk, den 27n, deed de tijgerin door een nieuwe wandaad van zijn
tegenwoordigheid blijken. Een buffel, die onzen gastheer toebehoorde,
verdween uit een bij Souari gelegen weide en men vond er een kwart
mijl van het dorp niets meer dan de overblijfselen van terug. De
moord,--moord met voorbedachten rade, zou een rechtskundige gezegd
hebben,--had even voor het opkomen der zon plaats gehad, zoodat de
moordenaar onmogelijk ver af kon zijn.

Doch zou de bedrijver van de misdaad wel de tijgerin zijn, die men
tot nog toe tevergeefs had trachten op te sporen?

De Hindoes van Souari twijfelden er niet aan.

»'t Is mijn oom, niemand anders dan hij kan de dood bedreven
hebben!" zei een der bergbewoners tot ons.

»Mijn oom!" Zoo noemen de Hindoes in de meeste streken van het
schiereiland gewoonlijk den tijger. Zij gelooven namelijk, dat ieder
hunner voorouders voor eeuwig verblijf houdt in het lichaam van een
dezer leden van de familie van het kattengeslacht.

In dit geval zouden zij juister hebben kunnen zeggen: »'t Is mijn
tante!"

Onmiddellijk werd het besluit genomen het dier te gaan opzoeken,
zonder zelfs den nacht af te wachten, omdat hij zich 's nachts beter
aan de nasporingen zou kunnen onttrekken. Hij moest trouwens verzadigd
zijn en zou zijn leger niet voor twee of drie dagen verlaten.

Men ging op marsch. Van de plek waar de buffel door de tijgerin gedood
was, toonden bloedige sporen den weg aan, door haar ingeslagen. Deze
sporen voerden naar een klein kreupelbosch, dat reeds meermalen was
afgeloopen, zonder dat men er iets kon ontdekken. Men besloot dus dit
kreupelbosch te omringen, teneinde op die wijze een kring te vormen,
die niet door het dier zou kunnen overschreden worden, althans niet
zonder gezien te worden.

De bergbewoners verspreidden zich nu eerst, om zich langzamerhand naar
het midden terug te trekken, hun kring daarbij verkleinende. Kapitein
Hod, Kâlagani en ik bevonden zich aan een kant, Banks en Fox aan den
anderen, doch in voortdurende gemeenschap met de lieden van de kraal
en met die van het dorp. Elk punt van dezen omtrek was natuurlijk
gevaarlijk, daar de tijgerin op elk punt kon trachten hem te verbreken.

Het leed overigens geen twijfel of het dier bevond zich wel degelijk
in het kreupelbosch. Inderdaad werden de sporen, die er aan eenen
kant op uitliepen, aan den anderen kant niet teruggevonden. Dat daar
haar gewone schuilplaats was, was niet bewezen, want men had er haar
tevergeefs gezocht, doch op dit oogenblik was het algemeene vermoeden,
dat dit kreupelbosch haar werkelijk tot schuilplaats diende.

Het was toen acht uren 's morgens. Nadat alle voorzorgen genomen waren,
gingen we langzaam in stilte vooruit, den kring van insluiting allengs
vernauwende. Een half uur later, bevonden wij ons bij de eerste boomen.

Tot nog toe was er niets bijzonders voorgevallen, niets verkondigde de
tegenwoordigheid van het dier en wat mij aangaat, begon ik te gelooven,
dat al onze moeite tevergeefs was.

Op dit oogenblik was het niet meer mogelijk elkander te zien dan voor
hen, die in elkander's onmiddellijke nabijheid waren en evenwel was
het van belang den onderlingen samenhang niet te verliezen.

Men was dus vooraf overeengekomen, dat een geweerschot het oogenblik
zou aankondigen waarop de eerste van ons het bosch zou binnentreden.

Het teeken werd gegeven door kapitein Hod, die altijd vooraan was en
de zoom van het bosch werd overschreden. Mijn horloge raadplegende,
zag ik dat het toen acht uren vijf en dertig minuten was.

Een kwartier later, toen de kring zich vernauwd had, raakte men
elkander met de elbogen aan en hield men halt in het dichtste gedeelte
van het kreupelhout, zonder iets ontmoet te hebben.

Tot nog toe had niets de stilte gestoord dan het gekraak der droge
takken, die niettegenstaande al onze voorzorgen onder het gaan
verbroken werden.

Op dit oogenblik deed zich een gehuil hooren.

»Daar is het dier!" riep kapitein Hod uit, naar de opening van een
hol wijzende in een opeenhooping van rotsen, die door een groep hooge
boomen bekroond werd.

Kapitein Hod bedroog zich niet. Al was het niet het gewone leger der
tijgerin, was het althans daar dat zij de wijk genomen had toen zij
zich door een talrijke bende jagers vervolgd zag.

Wij allen, Hod, Banks, Fox, Kâlagani, verscheidene lieden der kraal,
wij waren de nauwe opening genaderd, waar de bloedige sporen eindigden.

»We moeten daarin doordringen," zei kapitein Hod.

»Een gevaarlijke onderneming!" deed Banks opmerken. »De eerste,
die binnentreedt, loopt gevaar ernstig verwond te worden..."

»Niets zal mij toch weerhouden naar binnen te gaan," zei Hod, zich
verzekerende, dat zijn karabijn gereed was vuur te geven.

»Na mij, kapitein!" antwoordde Fox, die zich naar de opening van het
hol bukte.

»Neen, Fox, neen!" riep Hod uit. »Dat gaat mij aan!"

»Och, kapitein!" antwoordde Fox zacht, op verwijtenden toon, »'k ben
er zes ten achteren!..."

Op zulk een oogenblik telden zij waarlijk het aantal tijgers, die
zij geschoten hadden!

»Geen van beiden zult ge daar binnen gaan!" riep Banks. »Neen! Nooit
zal ik toestaan..."

»Er zou misschien wel een middel zijn," zeide Kâlagani toen, den
ingenieur in de rede vallende.

»Welk?"

»Het dier door rook trachten te verdrijven," antwoordde de Hindoe. »We
zouden dan minder gevaar loopen en het gemakkelijker buiten kunnen
dooden."

»Kâlagani heeft gelijk," zeide Banks. »Komt, mijne vrienden, dood
hout, droog gras en gebladerte! Stopt de opening behoorlijk dicht! De
wind zal de vlammen en den rook naar binnen jagen. Het beest zal zich
moeten laten roosteren of trachten te ontvluchten!"

»Het zal zich willen redden," hernam de Hindoe.

»Goed!" antwoordde kapitein Hod. »We zullen het in het voorbijgaan
onze groeten overbrengen!"

In een oogwenk was een groote hoop brandbare zelfstandigheden, als
bladeren, droog gras, dood hout, waaraan in dit kreupelbosch geen
gebrek was, voor den ingang van het hol opgehoopt.

Niets had zich tot nog toe in het inwendige bewogen. Niets vertoonde
zich in den donkeren gang, die vrij diep moest zijn. Toch hadden
onze ooren ons niet kunnen bedriegen en was het gehuil stellig van
daar gekomen.

Nu werden al die droge zaken in brand gestoken en stond weldra alles in
vlam. Tegelijk ontwikkelde zich een scherpe, dichte rook, die door den
wind werd nedergeslagen en de lucht van binnen verstikkend moest maken.

Nu deed zich een tweede gebrul, woedender dan het eerste hooren. Het
dier gevoelde zich tot in zijn laatsten schuilhoek teruggedrongen en
om niet te stikken zou hij spoedig gedwongen worden zich naar buiten
te storten.

Wij wachtten hem af, tegen de zijdelingsche helling van de rots
geplaatst, gedekt door boomstammen, teneinde den schok van den eersten
sprong te vermijden.

Wat de kapitein betreft, deze had een andere plaats gekozen en, het
moet erkend worden, de gevaarlijkste. Deze bevond zich namelijk bij
den ingang van een opening in het kreupelhout, de eenige waardoor
de tijgerin kon ontvluchten. Hod zat met één knie op den grond,
teneinde zekerder van zijn schot te zijn, terwijl hij zijn karabijn
stevig tegen den schouder had aangedrukt; zijn geheele wezen had de
onbeweeglijkheid van een marmeren beeld aangenomen.

Er waren nauwlijks drie minuten verloopen sedert het oogenblik dat de
hoop hout in brand was gestoken, toen voor de derde maal een gehuil
of liever ditmaal een gereutel van verstikking aan de opening van
het hol weerklonk. In een oogwenk werden de brandbare voorwerpen
terzijde geworpen en verscheen er een énorm lichaam te midden van de
dwarrelende rookkolommen.

Het was de tijgerin.

»Vuur!" schreeuwde Banks.

Tien geweren brandden los, maar later konden wij ons verzekeren,
dat geen enkele kogel het dier getroffen had. Zijn verschijning was
te kort geweest. Hoe had men te midden van den rook, die het omgaf,
met eenige juistheid kunnen mikken?

Doch, als de tijgerin na haar eersten sprong, den grond had aangeraakt,
was dit slechts geweest om een steunpunt te zoeken voor een tweeden
nog verderen sprong, die haar in het kreupelhout zou brengen.

Kapitein Hod wachtte het dier met de grootste koelbloedigheid af en
als in de vlucht zond hij het een kogel na, die het slechts in het
dikke van den schouder raakte.

Snel als de bliksem, was de tijgerin op onzen metgezel toegesprongen,
had hem omver geworpen en was op het punt hem met een slag van zijn
ontzaglijke klauwen den schedel te verpletteren, toen Kâlagani met
een groot mes in de hand op hem toevloog.

De schreeuw, dien wij uitten, was nog niet verstomd of de moedige
Hindoe had het woeste dier bij de keel gepakt op het oogenblik dat
zijn rechterklauw op het hoofd van den kapitein zou nederkomen.

Het dier, door dien plotselingen aanval afgeleid, wierp den Hindoe
met een zijdelingsche beweging omver en viel woedend op hem aan.

Maar kapitein Hod was met één sprong op de been en het mes, dat
Kâlagani had laten vallen, oprapende, stak hij het met vaste hand
tot aan het heft in het hart van het dier.

De tijgerin rolde op den grond.

Niet langer dan vijf minuten had dit gansche ontzettende tooneel ons
in koortsachtige spanning gehouden.

Kapitein Hod lag nog steeds geknield toen wij bij hem kwamen. Kâlagani
had zich met bebloeden schouder zoo even opgericht.

»Bag mahryaga! Bag mahryaga!" schreeuwden de Hindoes,--'t geen
beteekende: de tijgerin is dood!

Ja, werkelijk dood! Welk een prachtig dier! Tien voet lang van den
snuit tot het uiteinde van den staart, grootte naar verhouding,
ontzaglijke pooten, gewapend met lange, scherpe klauwen.

Terwijl wij het roofdier bewonderden, overlaadden de Hindoes, die
zeer haatdragend van aard zijn, hem met scheldwoorden. Wat Kâlagani
aangaat, hij was kapitein Hod genaderd.

»Bedankt, kapitein!" zeide hij.

»Hoe! bedankt?" riep Hod uit. »Als iemand danken moet, dan ben ik het,
want zonder je hulp was het gedaan geweest met een der kapiteins van
het 1e eskadron der karabiniers van de koninklijke armée."

»Zonder u zou ik dood geweest zijn!" antwoordde de Hindoe koud.

»Wel, bij alle duivels! Heb je niet, met het mes in de hand je op
de tijgerin geworpen, op het oogenblik dat zij me den schedel zou
verpletteren!"

»U hebt haar gedood, kapitein, en dat is dus uw zes-en-veertigste!"

»Hoera! hoera!" riepen de Hindoes! »Hoera voor kapitein Hod!"

En inderdaad had de kapitein wel het recht de tijgerin op zijn rekening
te schrijven, maar hij betaalde Kâlagani met een stevigen handdruk.

»Kom mee naar het Stoomhuis," zei Banks tot Kâlagani. »Je schouder
is deerlijk gehavend, maar we zullen in onze reisapotheek wel iets
vinden om je wond te verzorgen."

Kâlagani boog ten teeken van goedkeuring en allen richtten we ons,
na afscheid genomen te hebben van de bergbewoners van Souari, die
hunne dankzeggingen niet spaarden, naar het sanitarium.

De chikaris verlieten ons om naar de kraal terug te keeren. Ook
ditmaal kwamen zij met ledige handen weder, en indien Matthias van
Guitt gerekend had op deze »koningin van Tarryani," moest hij rouw
voor haar dragen. Het is zeker, dat het onder deze omstandigheden
onmogelijk zou geweest zijn, haar levend te vangen.

Tegen twaalf uren, waren wij in het Stoomhuis terug. Daar had zich
iets onverwachts voorgedaan. Tot onze groote teleurstelling waren
kolonel Munro, sergeant Mac Neil en Goûmi vertrokken.

Een briefje, aan Banks gericht, meldde hem zich niet over hunne
afwezigheid te verontrusten, dat, Edward Munro, een verkenning naar
de grens van Népaul begeerende te maken, nog eenige twijfelachtige
omstandigheden wilde ophelderen betrekkelijk de metgezellen van Nana
Sahib en dat hij terug wilde zijn vóór het tijdperk waarop wij de
Himalaya moesten verlaten.

Bij het lezen van dit briefje, kwam het mij voor, dat aan Kâlagani
een teeken van bijna onwillekeurige teleurstelling ontsnapte.

Waarom die teleurstelling? Ik vergiste mij ongetwijfeld.



III.

NACHTELIJKE AANVAL.


Wij maakten ons zeer ongerust over het vertrek van den kolonel. Het
had blijkbaar betrekking op een verleden, dat wij voor altijd voorbij
hadden gewaand. Maar wat te doen? Het voetspoor van Sir Edward Munro
volgen? Wij wisten niet welken weg hij was ingeslagen en welk punt
van de Népaulsche grens hij zich voorstelde te bereiken. Wij konden
ons van den anderen kant niet ontveinzen dat, zoo hij zich niet aan
Banks had uitgelaten, dit was omdat hij de aanmerkingen van zijn
vriend vreesde, waaraan hij zich wilde onttrekken. Het speet Banks
zeer ons op dezen tocht gevolgd te zijn.

Men moest er dus in berusten en afwachten. Kolonel Munro zou zeker vóór
het einde van Augustus terug zijn, want die maand was de laatste,
die wij in het sanitarium zouden doorbrengen, alvorens door het
zuidwesten, den weg naar Bombay te kiezen.

Kâlagani werd zoo goed door Banks verzorgd, dat hij slechts
vierentwintig uren in het Stoomhuis bleef. Zijn wond was spoedig
genezen en hij verliet ons om zijn dienst in de kraal te gaan
hervatten.

Ook de maand Augustus begon onder hevige regenbuien,--een weer om
kikkers verkouden te maken,--zei kapitein Hod, maar toch zou het
minder regenachtig zijn dan in Juli en bijgevolg gunstiger voor onze
tochten in Tarryani.

Evenwel was de gemeenschap met de kraal zeer druk. Matthias van
Guitt was niet bijzonder in zijn schik. Ook hij rekende het kamp
in de eerste dagen van September op te breken. Nu ontbraken er nog
altijd een leeuw, twee tijgers en twee luipaarden aan zijn menagerie
en hij wist niet of hij zijn troep voltallig zou kunnen maken.

Om hem nog meer uit zijn humeur te maken kwamen inplaats van de
acteurs, die hij voor rekening zijner lastgevers wilde aannemen, zich
anderen aan zijn agentschap aanbieden, waarmede hij geen raad wist.

Zoo liet zich den 4n Augustus een prachtige beer in een zijner
vallen vangen.

Wij bevonden ons juist in de kraal, toen zijne chikaris hem in het
beweegbare hok een gevangene brachten van aanzienlijk lengte met een
zwarte vacht, scherpe klauwen, lange ooren met haren voorzien,--wat
eigenaardig is aan deze vertegenwoordigers van het geslacht der beren
in Indië.

»Wat heb ik aan zoo'n onnutten zooltreder!" riep de leverancier,
de schouders ophalende.

»Broeder Ballon! broeder Ballon!" riepen telkens de Hindoes.

Het schijnt wel, dat, zoo de Hindoes zich slechts de neven der tijgers,
zij zich de broeders der beren noemen.

Matthias van Guitt evenwel, ontving broeder Ballon, niettegenstaande
dezen graad van bloedverwantschap, met een gevoel van slecht verborgen
tegenzin. Beren te vangen, als hij tijgers noodig had, dat beviel
hem niet. Wat zou hij met dat lastige dier uitvoeren. Het leek hem
niets het te voeden zonder hoop zijne kosten vergoed te zien. De
Indische beer is weinig gevraagd op de markten van Europa en heeft
niet de handelswaarde van den grijzen Amerikaanschen beer, noch die
van den poolbeer. Daarom gaf dan ook Matthias van Guitt als een goed
koopman niets om een lastig dier, waarvan hij zich slechts moeilijk
zou kunnen ontdoen!

»Wilt u hem hebben?" vroeg hij kapitein Hod.

»En wat zou ik er mee doen?" vroeg de kapitein.

»U kunt er beefsteaks van maken," zei de leverancier, »indien ik
althans deze catachrese [4] mag gebruiken!"

»Mijnheer van Guitt," antwoordde Banks ernstig, »de catachrese is een
geschikt woord, wanneer het uit gebrek aan iedere andere uitdrukking
de gedachte behoorlijk wedergeeft.

»Zoo denk ik er ook over," hernam de leverancier.

»Welnu, Hod," zei Banks, »neemt ge of neemt ge niet den beer van
mijnheer van Guitt?"

»Welzeker niet!" antwoordde kapitein Hod. »Beren-beefsteak te eten,
wanneer de beer gedood is, laat ik nog daar, maar den beer te
dooden alleen met het doel om zijn beefsteak te eten, bezorgt me
geen eetlust!"

»Geeft dan den zooltreder de vrijheid," zeide Matthias van Guitt,
zich tot zijne chikaris wendende.

Men gehoorzaamde den leverancier. Het hok werd buiten de kraal
gebracht. Een der Hindoes opende de deur en broeder Ballon, die zeer
beschaamd scheen over zijn toestand, liet het zich geen tweemalen
zeggen. Hij verliet bedaard het hok, gaf een klein knikje met het
hoofd, dat men voor een bedankje kon houden en maakte zich onder een
geknor van voldoening uit de voeten.

»U hebt daar een goede daad verricht," zeide Banks. »Dat zal u geluk
aanbrengen, mijnheer van Guitt."

Banks had niet gedacht zoo juist gesproken te hebben. De dag van den
9n Augustus moest den leverancier beloonen, want hij schonk hem een
der wilde dieren, die hem nog ontbrak.

Ziehier onder welke omstandigheden:

Matthias van Guitt, kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, den
machinist Storr en Kâlagani, we doorkruisten, van zonsopgang af een
dicht kreupelbosch van cactus en mastikboomen, toen zich een half
gesmoord gehuil deed hooren.

Dadelijk hielden we onze geweren gereed om te vuren, alle zes goed
geplaatst, teneinde ons voor elken afzonderlijken aanval gedekt te
houden, en richtten we ons naar de verdachte plek.

Vijftig schreden verder liet de leverancier ons halt houden. Aan den
aard van het gebrul scheen hij herkend te hebben wat er van de zaak
was en, zich bijzonder tot kapitein Hod wendende, zeide hij:

»Vooral geen nutteloos schot."

Vervolgens eenige schreden vooruit makende, terwijl wij op een wenk
van hem achterbleven, riep hij uit:

»Een leeuw!"

En werkelijk deed een dier, dat aan het uiteinde van een sterk touw
was vastgemaakt, wanhopige pogingen om los te komen.

Het was wel degelijk een leeuw, een van de soort zonder manen,--die
zich door deze bijzonderheid van zijne stamgenooten van Afrika
onderscheidde,--maar overigens een werkelijke leeuw, de leeuw waarnaar
Matthias van Guitt zoo vurig gehaakt had.

Het woeste dier, dat aan een zijner voorpooten, omkneld door de
schuiflis van het touw, was opgehangen, deed vreeselijke rukken,
zonder dat het hem mocht gelukken zich los te wringen.

In weerwil van de aanbeveling van den leverancier was de eerste
beweging van den kapitein, vuur te geven.

»Schiet niet, kapitein!" riep Matthias van Guitt. »'k Bezweer u,
schiet niet!"

»Maar...."

»Neen, neen! zeg ik u! Die leeuw is in een mijner strikken gevangen
en hij hoort mij toe!"

't Was inderdaad een strik, een zoogenaamde galgstrik, tegelijk zeer
eenvoudig en zeer vernuftig.

Aan een sterken en buigzamen tak is een stevig touw bevestigd. Deze
tak wordt naar den grond toe gebogen, totdat het van een schuiflis
voorziene benedeneinde van het touw in de inkeping van een stevig in
den grond geheiden paal kan geslagen worden. Op deze paal nu plaatst
men een lokaas, zoodanig, dat ieder dier dat het wil aanraken, met
den kop of een zijner pooten in de lis gevangen wordt. Doch nauwelijks
heeft het dit gedaan of het lokaas, hoe zacht de aanraking ook geweest
zij, schuift het touw uit de inkeping los, de tak richt zich weder
op, het dier medesleurende, terwijl op hetzelfde oogenblik een zwaar
cilindervormig stuk hout, langs het touw naar beneden glijdende, op
de lis valt, haar vaster aandrukt en belet dat zij onder de pogingen
van den gehangene losgaat.

Deze soort van strik wordt dikwijls in de bosschen van Indië gespannen
en de roofdieren laten er zich veel meer in vangen, dan men geneigd
zou zijn te gelooven.

Het meest gebeurt het, dat het dier om den hals gepakt en bijna
onmiddellijk geworgd wordt, terwijl zijn kop half door den zwaren
houten cilinder verpletterd wordt. Maar de leeuw, die onder onze
oogen hing te spartelen, was slechts bij zijn poot gevangen en was
dus levend, springlevendig en waardig zich onder de gasten van den
leverancier te vertoonen.

Matthias van Guitt was verrukt over het avontuur en zond Kâlagani
naar de kraal, met de order het beweegbare hok onder het geleide van
een voerman te gaan halen. Inmiddels konden wij het dier, welks woede
door onze tegenwoordigheid verdubbelde, op ons gemak gadeslaan.

Ook de leverancier verloor hem niet uit het oog. Hij draaide om den
boom heen, daarbij evenwel zorgdragende zich buiten het bereik der
klauwen van het woedende dier te houden.

Een half uur later kwam het hok aan, door twee buffels getrokken. Men
liet er den gehangene, niet zonder eenige moeite in neder, waarna
wij den weg naar de kraal insloegen.

»Ik begon werkelijk te wanhopen," zeide Matthias van Guitt tot
ons. »De leeuwen maken geen belangrijk cijfer uit onder de nemorale
dieren van Indië...."

»Némorale?" zei kapitein Hod.

Ja, de dieren, die de bosschen bewonen, en 'k wensch mijzelven geluk
dit roofdier te hebben kunnen vangen, dat mijne menagerie eer zal
aandoen!"

Trouwens had Matthias van Guitt van dezen dag af aan, geen reden meer
zich over zijn tegenspoed te beklagen.

Den 11n Augustus werden twee luipaarden tegelijk in den tijgerval
gevangen, waaruit wij den leverancier verlost hadden.

Het waren twee tchitas, gelijk aan dien, die zoo stoutmoedig den
IJzeren Reus in de vlakten van Rohilkhande had aangetast en waarvan
wij ons niet hadden kunnen meester maken.

Er ontbraken nog slechts twee tijgers aan den voorraad van Matthias
van Guitt.

Het was de 15e Augustus. Kolonel Munro was nog niet weder te voorschijn
gekomen en ook hadden wij niet de minste tijding van hem gehoord. Banks
maakte zich meer ongerust dan hij het wilde doen voorkomen. Hij
ondervroeg Kâlagani, die de Népaulsche grens kende, naar de gevaren,
die Sir Edward Munro kon loopen in die onafhankelijke landstreken. De
Hindoe verzekerde hem, dat er geen enkele partijganger van Nana Sahib
op de grenzen van Thibet overbleef. Nochtans scheen het hem te spijten,
dat de kolonel hem niet tot gids gekozen had. In een land welks minste
voetpaden hem bekend waren, zouden zijne diensten hem zeer nuttig
geweest zijn. Doch nu was er niet aan te denken hem op te zoeken.

Intusschen zetten kapitein Hod en Fox meer bijzonder hunne tochten in
Tarryani voort. Met behulp van de chikaris der kraal gelukte het hem
niet zonder groot gevaar nog drie tijgers van gemiddelde grootte te
dooden. Twee van die roofdieren werden op rekening van den kapitein,
de derde op die van den oppasser geschreven.

»Acht en veertig!" zeide Hod, die gaarne, alvorens de Himalaya te
verlaten, het ronde cijfer van vijftig had willen bereiken.

»Negen en dertig!" had Fox gezegd, zonder een geduchten panter te
rekenen, die onder zijn schot gevallen was.

Den 20n Augustus liet de voorlaatste der tijgers, door Matthias van
Guitt benoodigd, zich in een der kuilen vangen, waaraan zij tot nog
toe, hetzij uit instinct, hetzij bij toeval ontkomen waren. Zooals
meestal gebeurt, verwondde zich het dier in zijn val, ofschoon de wond
volstrekt niet ernstig was. Eenige dagen van rust zouden voldoende zijn
om zijne genezing te verzekeren en op het tijdstip dat de levering
voor rekening van Hagenbeck van Hamburg moest plaats hebben, zou er
niets meer van blijken.

Het gebruik dezer kuilen wordt door de deskundigen als een barbaarsche
methode beschouwd. Als het slechts te doen is om de dieren te dooden,
zijn natuurlijk alle middelen goed, maar als men ze levend wil vangen,
is de dood maar al te dikwijls het gevolg van hun val, vooral als ze
in de vijftien tot twintig voeten diepe kuilen vallen, die bestemd
zijn voor de vangst van olifanten. Op tien kan men er nauwlijks
een vinden, die niet doodelijk verwond wordt. In Mysore, waar dit
systeem vooral in zwang was, zooals de leverancier ons mededeelde,
begint men er van af te zien.

Er ontbrak nu nog slechts één tijger aan de menagerie der kraal en
Matthias van Guitt wenschte meer dan ooit hem goed en wel in zijn bezit
te hebben, want hij had groote haast om naar Bombay te vertrekken.

Weldra zou hij zich ook van dezen tijger meester maken, maar tegen
welken prijs! Dit dient eenigszins breedvoerig vermeld te worden,
want het dier werd duur,--te duur,--betaald.

Door de bijzondere zorg van kapitein Hod zou in den nacht van den
26n Augustus een tocht georganiseerd worden. Het was te voorzien,
dat de jacht onder gunstige omstandigheden zou plaats hebben, een
heldere lucht, een kalme atmosfeer en een afnemende maan. Bij groote
duisternis, verlaten de roofdieren minder gaarne hun leger, terwijl
een halve duisternis ze er toe uitnoodigt. Juist nu zou de meniscus
of bolronde schijf der maan,--een woord van Matthias van Guitt,--na
middernacht nog eenig schijnsel geven.

Kapitein Hod en ik, Fox en Storr, die er mede smaak in begon te
krijgen, wij vormden de kern dezer expeditie, waarbij zich de
leverancier, Kâlagani en eenigen zijner Hindoes zouden voegen.

Toen dus de maaltijd was afgeloopen, verlieten wij, na afscheid genomen
te hebben van Banks, die voor de uitnoodiging om ons te vergezellen
bedankt had, het Stoomhuis tegen zeven uren des 's avonds en te acht
uur kwamen wij zonder eenige bijzondere ontmoeting aan de kraal aan.

Matthias van Guitt had juist gesoupeerd. Hij ontving ons met zijn
gewone komplimenten. Men raadpleegde met elkander en dadelijk werd
het plan van de jacht ontworpen.

Men zou op de loer gaan liggen aan den oever van een stroom, op den
bodem van een dier bergkloven, die men »nallah" noemt, op twee mijlen
van de kraal verwijderd, op een plek, die vrij geregeld 's nachts
door een paar tijgers bezocht werd. Er was daar vooraf geen lokaas
geplaatst, daar dit naar het zeggen der Hindoes onnoodig was. Een
drijfjacht, die onlangs in dit gedeelte van Tarryani gehouden was,
bewees dat de behoefte om hun dorst te lesschen voldoende was om de
tijgers, op den bodem dezer nallah te lokken. Men wist ook, dat het
gemakkelijk zoude zijn er zich met voordeel te plaatsen.

Wij zouden de kraal niet vóór middernacht verlaten en daar het nog
pas zeven uur was, moesten wij dus zonder ons te veel te vervelen
het oogenblik van vertrek afwachten.

»Mijne heeren," zei Matthias van Guitt, »mijn woning staat geheel
ter uwe beschikking. Ik raad u aan om te doen zooals ik en zoolang
naar bed te gaan. We zullen zeer vroeg op moeten staan en eenige uren
slaap zullen ons des te beter voor den strijd voorbereiden."

»Heb je lust om te gaan slapen, Maucler?" vroeg mij de kapitein.

»Neen," antwoordde ik, »en 'k wacht liever al wandelende den tijd af,
dan gedwongen te zijn midden in mijn slaap op te staan."

»Zooals u wilt, mijne heeren," antwoordde de leverancier. »Wat
mij aangaat, 'k voel reeds het krampachtige knippen der oogleden,
dat door de behoefte tot slapen wordt teweeggebracht. Ge ziet het,
'k begin me al uit te rekken!"

En Matthias van Guitt lichtte de armen in de hoogte, wierp het hoofd
en den tronk door een onwillekeurige uitrekking der buikspieren naar
achteren en liet een veel beteekenend gegeeuw hooren.

Toen hij zich dus op zijn gemak uitgerekt had, bracht hij ons zijn
laatsten afscheidsgroet, trad in zijn kooi en sliep ongetwijfeld
weldra in.

»En wat gaan wij nu uitvoeren?" vroeg ik.

»Laten we gaan wandelen, Maucler," antwoordde mij kapitein Hod,
»Laten we in de kraal gaan wandelen. 't Is een prachtige nacht en
'k zal frisscher zijn als het tijd is te vertrekken, dan wanneer 'k
een uur of wat sliep. De slaap moge bovendien onze beste vriend zijn,
dikwijls is 't een vriend, die op zich laat wachten."

Zoo schreden wij dan langzaam door de kraal, nu eens in gedachten
verdiept, dan weder druk pratende. Storr »dien zijn beste vriend niet
gewoon was te laten wachten," lag aan den voet van een boom en sliep
reeds. Ook de chikaris en de voerlieden zaten in hun hoek neergehurkt,
zoodat niemand binnen de omheining nog wakker was.

Dit was trouwens ook niet noodig, daar de kraal, door stevige
palissaden omgeven, volkomen gesloten was.

Kâlagani overtuigde zich zelf, dat de deur zorgvuldig gesloten was;
vervolgens begaf hij zich, na ons in het voorbijgaan goeden avond
gewenscht te hebben, naar de algemeene woning voor hem en zijne
metgezellen.

Kapitein Hod en ik waren nu geheel alleen.

Niet alleen de lieden van van Guitt, maar ook de huisdieren en de
wilde dieren sliepen, deze in hunne hokken, gene in groepen onder
de groote boomen, aan het uiteinde der kraal, uitgestrekt. Volkomen
stilte, zoowel van binnen als van buiten.

Het eerst bracht onze wandeling ons bij de plek door de buffels
ingenomen. Deze prachtige herkauwers, zoo zacht en gehoorzaam,
waren zelfs niet eens gekluisterd. Gewoon onder het gebladerte van
reusachtige ahornboomen te rusten, zagen we ze daar rustig uitgestrekt,
met de pooten onder zich gevouwen terwijl een langzame en luide
ademhaling uit die enorme massa's voortkomende, tot ons oor doordrong.

Zij ontwaakten niet eens bij onze nadering. Een van hen slechts
lichtte een oogenblik zijn grooten kop op, wierp den aan de dieren
van dit geslacht eigenaardigen onzekeren blik op ons en was weldra
weder in de slapende massa verloren.

»Zie tot welk een staat van tamheid deze dieren gebracht zijn,"
zei ik tot den kapitein.

»Ja," antwoordde Hod, »en toch zijn deze buffels vreeselijke dieren,
als ze in 't wild leven. Maar zij bezitten wel kracht, doch geen
levendigheid en wat vermogen hunne horens tegen het gebit der leeuwen
of de klauwen der tijgers? Ongetwijfeld ligt het voordeel aan de
zijde der roofdieren."

Al pratende waren wij bij de hokken teruggekomen. Ook daar doodsche
stilte. Tijgers, leeuwen, panters, luipaarden, sliepen allen in hunne
afzonderlijke afdeelingen. Matthias van Guitt vereenigde ze slechts
als ze door eenige weken gevangenschap tam geworden waren en hij had
gelijk. Zeer zeker toch zouden deze woeste dieren in de eerste dagen
hunner opsluiting elkander verslonden hebben.

De drie leeuwen, volkomen onbeweeglijk, lagen in een halven cirkel
gebogen als groote katten. Men zag niets van hun kop, die als verloren
was in een dikken mof van zwart bont, en ook zij sliepen den slaap
des rechtvaardigen.

In de hokken der tijgers was de slaap zoo vast niet. Vurige oogen
schitterden in het duister. Van tijd tot tijd werd er een groote poot
uitgestoken, welks klauwen de ijzeren staven omklemden. Het was een
slaap van roofdieren, die hun leed verkropten.

»Ze hebben benauwde droomen en ik begrijp het!" zei de medelijdende
kapitein.

Ook de drie panters werden ongetwijfeld door eenige wroeging, of
althans eenig berouw bezield. Op dit uur immers, zouden zij vrij van
alle banden door de bosschen gezworven, of de weiden doorloopen hebben,
naar levend vee zoekende.

Wat de vier luipaarden aangaat, geen nachtmerrie stoorde hun slaap. Zij
waren in diepe rust. Twee van die tot het kattengeslacht behoorende
dieren, het mannetje en het wijfje, bewoonden dezelfde slaapkamer en
bevonden zich daar even goed als in hun hol.

Een enkele afsluiting was nog ledig,--die welke moest bezet worden
door den zesden en onneembaren tijger, op welks vangst Matthias van
Guitt alleen nog maar wachtte om Tarryani te verlaten.

Onze wandeling duurde nagenoeg een uur. Na de kraal van binnen te zijn
rondgewandeld, zetten we ons neder aan den voet van een enorme mimosa.

Ook in het geheele woud heerschte een diepe stilte. De wind, die bij
het vallen van den avond nog door het gebladerte ruischte, was gaan
liggen. Geen blad bewoog zich. Beneden aan de oppervlakte der aarde,
zoowel als in de hooge luchtstreken, waar de halve maan haren loop
volbracht, overal was het even kalm.

Kapitein Hod en ik, bij elkander gezeten, ook wij zwegen. Geen
slaap maakte zich evenwel van hem meester. Het was eerder die meer
geestelijke dan lichamelijke afgetrokkenheid, onder welker invloed
men gedurende de volkomen rust in de natuur verkeert. Men denkt,
maar men kleedt zijne gedachte niet in. Men droomt als iemand zou
droomen, die niet slaapt, terwijl de blik, die door de oogleden nog
niet overschaduwd wordt, zich in fantastische droombeelden verliest.

Toch was er een bijzonderheid, die den kapitein verwonderde en, zacht
sprekende, zooals men het bijna onbewust doet, als alles om ons heen
zwijgt, zeide hij tot mij:

»Maucler, een dergelijke stilte verrast me! De wilde dieren brullen
gewoonlijk in het duister en des nachts is er leven in het bosch. Uit
gebrek van tijgers of panters zijn het jakhalzen, die zich nooit
stilhouden. Deze kraal, met levende wezens opgevuld, moest ze bij
honderden aantrekken en toch hooren we niets, niet het minste gekraak
van dood hout, niet het minste gehuil in de wildernis. Als Matthias
van Guitt wakker was, zou hij stellig niet minder verrast zijn dan
ik en met de een of andere zonderlinge uitdrukking zijn verbazing te
kennen geven."

»Je aanmerking komt me juist voor, waarde Hod," antwoordde ik, »en
'k weet waarlijk niet waaraan de afwezigheid van die nachtelijke
zwervers moet toegeschreven worden. Maar we mogen wel oppassen of
anders vallen we temidden van die kalmte ook in slaap!"

»Wakker blijven, wakker blijven!" antwoordde kapitein Hod, zich
uitrekkende. »'t Is nu haast tijd om te vertrekken."

En we sleepten het gesprek voort in door lange tusschenpoozen
afgebroken zinnen.

Hoe lang die droomende toestand duurde, zou ik niet hebben kunnen
zeggen, maar eensklaps werden wij uit onze slaperigheid gewekt door
een dof geruisch, dat ons beiden tegelijk deed opspringen.

Al spoedig bleek het dat het geruisch voortkwam uit het hok der
wilde dieren.

Leeuwen, tijgers, panters, luipaarden, straks nog zoo vreedzaam, deden
nu een toornachtig gebrom hooren. Overeind in hunne hokken, met kleine
schreden heen en weer loopende, snoven zij met kracht eenige lucht van
buiten op en richtten zich op tegen de ijzeren stangen hunner hokken.

»Wat scheelt ze toch?" vroeg ik.

»'k Weet het niet," antwoordde kapitein Hod, »maar ik vrees, dat ze
de nabijheid geroken hebben van..."

Eensklaps barstte een vreeselijk gebrul om de omheining van de
kraal los.

»Tijgers!" riep kapitein Hod uit, naar het slaapvertrek van Matthias
van Guitt snellende.

Maar, zoo geweldig was het gebrul geweest, dat het gansche personeel
der kraal reeds op de been was en de leverancier met al zijn bedienden
naar buiten kwam stuiven.

»Een aanval!" riep hij uit.

»'k Geloof het ook," antwoordde Hod.

»Wacht! We zullen zien!..."

»En zonder den volzin te eindigen, greep Matthias van Guitt een ladder
en plaatste ze overeind tegen de palissade. In een oogenblik had hij
er den hoogsten sport van bereikt.

»Tien tijgers en een dozijn panters!" schreeuwde hij.

»Dat kan ernstig genoeg worden," antwoordde Kapitein Hod. »Wij wilden
ze gaan jagen en zij komen jacht op ons maken!"

»De geweren! de geweren!" riep de leverancier.

En allen waren op zijn bevel binnen twintig seconden gereed om vuur
te geven.

Deze aanvallen van een bende wilde dieren zijn in Indië geenszins
zeldzaam. Hoe dikwijls zijn niet de bewoners der door de tijgers
bezochte streken en meer bijzonder die der Sunderbunds, in hunne
woningen belegerd geworden! Een dergelijke gebeurtenis behoort niet
tot de zeldzaamheden en maar al te vaak blijft het voordeel aan
de aanvallers!

Intusschen had zich bij het gehuil van buiten, het gebrul van binnen
gevoegd! De kraal beantwoordde het bosch. Men kon elkander binnen de
omheining niet meer verstaan.

»Naar de palissaden!" schreeuwde Matthias van Guitt, die zich meer
door gebaren dan door de stem deed begrijpen.

En allen snelden naar de omheining.

Op dit oogenblik deden de buffels, ten prooi aan den hevigsten schrik,
wanhopige pogingen om de plek waar ze opgesloten waren met geweld te
verlaten. De voerlieden beproefden te vergeefs ze te bedwingen.

Plotseling werd de deur, waarvan de houten boom zeker slecht bevestigd
was, met geweld opengebroken en stormde een bende wilde dieren de
kraal binnen.

Evenwel had Kâlagani die deur met de grootste zorg gesloten, zooals
hij elken avond deed!

»Naar de hut! Naar de hut!" schreeuwde Matthias van Guitt, naar het
huis snellende, dat alleen nog een schuilplaats kan aanbieden.

Maar hadden we den tijd er nog te komen?

Reeds waren twee chikaris, door de tijgers bereikt, op den grond
geworpen. De anderen, die de hut niet meer konden bereiken, liepen
door de kraal en zochten een schuilplaats waar ze haar vinden konden.

De leverancier, Storr en zes Hindoes waren reeds in het huis, waarvan
de deur gesloten werd op het oogenblik dat twee panters er zich in
wilden werpen.

Kâlagani, Fox en de anderen, hadden zich langs de boomen tot in de
eerste takken opgeheschen.

Kapitein Hod en ik hadden noch den tijd, noch de mogelijkheid gehad
zich bij Matthias van Guitt te voegen.

»Maucler! Maucler!" schreeuwde kapitein Hod, wiens rechterarm door
den slag van een klauw verscheurd was.

Een énorme tijger had mij met een slag van zijn staart ter aarde
geworpen. Ik richtte mij weder op juist op het oogenblik dat het dier
weder op mij toekwam en ik snelde naar kapitein Hod om hem ter hulp
te komen.

Een enkele schuilplaats bleef ons toen nog over: het was de ledige
afdeeling van het zesde hok. In een ommezien hadden we er ons
in geworpen en stelde de onmiddellijk gesloten deur ons voor het
oogenblik buiten het bereik der woedende dieren, die zich huilende
tegen de ijzeren stangen wierpen.

Zoo groot was de verbittering dier razende beesten, gevoegd bij de
woede der in de naaste afdeelingen gevangen tijgers, dat het hok,
op de wielen waggelde en op het punt was om te slaan.

Doch gelukkig verlieten de tijgers het weldra om zich op een zekerder
prooi te werpen.

Welk een tooneel, waarvan geen enkele bijzonderheid voor ons verloren
ging, daar wij het tusschen de stangen onzer afdeeling gadesloegen!

»'t Is de omgekeerde wereld!" riep kapitein Hod, die zich zat te
verbijten. »Zij buiten en wij binnen!"

»En je wond?" vroeg ik.

»Dat's niets!"

Vijf of zes geweren brandden op dit oogenblik los. Zij kwamen uit de
hut van Matthias van Guitt, die hardnekkig door twee tijgers en drie
panters belegerd werd.

Een van die dieren viel doodelijk getroffen door een ontplofbaren
kogel, waarschijnlijk uit de karabijn van Storr.

Wat de anderen aangaat, zij hadden zich dadelijk op de groep der
buffels geworpen en deze ongelukkige herkauwers zouden zich weldra
zonder verdediging tegen zulke tegenstanders bevinden.

Fox, Kâlagani en de Hindoes, die, om sneller in de boomen te klimmen,
hunne wapens hadden moeten wegwerpen, konden hen niet ter hulp komen.

Kapitein Hod evenwel gaf tusschen de stangen van ons hok door
vuur. Alhoewel zijn rechterarm, half verlamd door zijn wond, hem niet
toeliet met zijn gewone juistheid te schieten, had hij toch het geluk
zijn negen en veertigsten tijger te vellen.

Op dit oogenblik vlogen de buffels, razend van angst en schrik, loeiend
door de omheining. Tevergeefs beproefden zij den tijgers het hoofd te
bieden, die door geduchte sprongen aan hunne horens ontsnapten. Een
van hen, met een panter op den rug, die hem met zijn klauwen den nek
verscheurde, snelde, voor de deur aangekomen, naar buiten.

Vijf of zes anderen, door de wilde dieren achtervolgd, joegen hen na
en verdwenen.

Enkele tijgers vervolgden hen, maar de buffels, die de kraal niet
hadden kunnen verlaten, lagen met opengereten buik, op den grond.

Intusschen werden er nog andere geweerschoten door de vensters van
het houten huis gelost. Van onzen kant, deden wij, kapitein Hod en ik,
ons best toen een nieuw gevaar ons kwam bedreigen.

De dieren, in de hokken opgesloten, razend door de hardnekkige
worsteling, den reuk van het bloed, het gehuil hunner natuurgenooten,
trachtten zich met onstuimig geweld te bevrijden. Zou het hun gelukken
de traliën te verbreken? We moesten het werkelijk vreezen.

Inderdaad werd een der hokken omvergeworpen. Ik geloofde een oogenblik,
dat onze vrees zich bewaarheid had en ze werkelijk ontvlucht waren,
maar gelukkig was het niet zoo en konden zelfs de vluchtelingen niet
meer zien wat er buiten voorviel, omdat het hok met de getraliede
zijde op den grond was nedergekomen.

»Er zijn er bepaald te veel!" mompelde kapitein Hod, terwijl hij zijn
karabijn opnieuw laadde.

Op dit oogenblik nam een tijger een vervaarlijken sprong en met behulp
zijner klauwen gelukte het hem zich aan den ondersten tak van een boom
vast te klemmen, waarop twee chikaris een schuilplaats gezocht hadden.

Een dier ongelukkigen, bij de keel gepakt, beproefde te vergeefs
weerstand te bieden en werd op den grond geworpen.

Een panter betwistte den tijger dit reeds van het leven beroofde
lichaam, welks beenderen te midden van een plas bloed kraakten.

»Maar schiet dan toch, in Godsnaam!" schreeuwde kapitein Hod, alsof
hij zich door Matthias van Guitt en zijne metgezellen had kunnen
doen hooren.

Wat ons betreft, het was ons onmogelijk nu tusschenbeiden te
komen! Onze voorraad patronen was uitgeput en we konden ons slechts
bepalen tot de rol van onmachtige toeschouwers der worsteling! Maar
zie, daar gelukt het een tijger, in het naast ons gelegen vak, die
trachtte zijn traliën te verbreken, door het geven van een hevigen
schok, het evenwicht van het hok te verstoren. Het wankelde even en
viel bijna onmiddellijk omver.

Licht gekneusd door den val, hadden wij ons op de knieën opgericht. De
wanden hadden weerstand geboden, maar wij konden niets meer zien van
hetgeen buiten voorviel.

Mochten wij niets meer zien, wij hoorden althans! Welk een akelig
gehuil binnen de omheining der kraal! Welk een reuk van bloed
bezwangerde den dampkring! Het scheen dat de worsteling een heviger
karakter had aangenomen. Wat was er toch voorgevallen? Waren de
gevangenen der andere hokken ontsnapt? Vielen zij het houten verblijf
van Matthias van Guitt aan? Wierpen de tijgers en panters zich op de
boomen om de Hindoes er uit te rukken?

»En geen kans te zien om uit die doos te komen!" riep kapitein Hod
woedend uit.

Een kwartier ongeveer,--een kwartier waarvan wij de eindelooze minuten
telden, verliep in dezen toestand.

Toen nam het geraas der worsteling allengs af. Het gehuil
verzwakte. De sprongen der tijgers in de afdeelingen van ons hok
werden zeldzamer. Zou de moord een einde genomen hebben?

Eensklaps hoorde ik dat de deur der kraal met geweld gesloten
werd. Daarna riep Kâlagani ons met luide stem. Bij zijn stem voegde
zich die van Fox, herhalende:

»Kapitein! kapitein!"

»Hier!" antwoordde Hod.

Hij werd gehoord en bijna dadelijk daarop voelde ik dat het hok werd
opgelicht. Een oogenblik later waren wij vrij.

»Fox! Storr!" riep de kapitein, wiens eerste gedachte aan zijne
metgezellen gewijd was.

»Present!" antwoordden de machinist en de oppasser.

Zij waren wonderdadig behouden gebleven en zelfs niet eens gewond. Ook
Matthias van Guitt en Kâlagani waren ongedeerd. Twee tijgers en een
panter lagen levenloos op den grond uitgestrekt. De anderen hadden de
kraal verlaten, waarvan Kâlagani de deur gesloten had. Wij bevonden
ons allen in veiligheid.

Het was geen van de wilde dieren der menagerie gelukt onder de
worsteling te ontsnappen en zelfs telde de leverancier een gevangene
meer. Het was een jonge tijger, zittende in het kleine rollende
hok, dat over hem heen was gevallen en waaronder hij als in een val
gevangen was.

De voorraad van Matthias van Guitt was dus eindelijk voltallig; maar
het kostte hem duur! Vijf zijner buffels waren gedood, de anderen
hadden de vlucht genomen en drie Hindoes, vreeselijk verminkt,
zwommen in hun bloed op den bodem der kraal.



IV.

HET AFSCHEID VAN MATTHIAS VAN GUITT.


Gedurende het overige van den nacht deed zich niets bijzonders meer
voor, noch binnen, noch buiten de omheining. De deur werd ditmaal
stevig bevestigd. Hoe had zij geopend kunnen worden op het oogenblik
dat de bende wilde dieren de pâlissaden bestormde? Dit was inderdaad
iets onverklaarbaars, daar Kâlagani zelf haar met de zware dwarsboomen
gesloten had.

De wond van kapitein Hod veroorzaakte hem veel pijn, hoewel het
slechts een ontvelling was. Maar het scheelde weinig of hij had het
gebruik van den rechterarm verloren.

Wat mij betreft, ik voelde niets meer van den hevigen slag met den
staart, die mij ter aarde had geworpen.

Wij besloten dus met het krieken van den dag naar het Stoomhuis terug
te keeren.

Wat Matthias van Guitt aangaat, behalve zijn oprecht gemeend verdriet
over het verlies van drie zijner lieden, maakte hij zich overigens
volstrekt niet ongerust over zijn toestand, alhoewel het verlies zijner
buffels op het oogenblik van zijn vertrek hem in groote verlegenheid
moest brengen.

»Dat zijn de kansen van het vak," zeide hij, »en 'k had een soort
van voorgevoel, dat me iets dergelijks zou overkomen."

Daarna bezorgde hij de begrafenis der drie Hindoes, wier overblijfselen
in een hoek ter aarde werden besteld, en wel diep genoeg om niet door
de wilde dieren opgegraven te kunnen worden.

Intusschen verlichtte de dageraad weldra het benedenste gedeelte van
Tarryani en na hartelijke handdrukken gewisseld te hebben, namen wij
afscheid van Matthias van Guitt.

Om ons, althans op onzen tocht door het bosch niet onvergezeld te
laten gaan, drong de leverancier er op aan Kâlagani en twee zijner
Hindoes ter onze beschikking te stellen. Zijn aanbod werd aangenomen
en te zes uur verlieten wij de kraal.

Geen enkel ongelukkig toeval kenmerkte onzen terugkeer. Van tijgers
en panters was geen spoor meer te vinden. De volkomen verzadigde
roofdieren hadden ongetwijfeld hunne schuilhoeken opgezocht en het
was nu de tijd niet ze daar op te gaan sporen.

Wat de uit de kraal ontsnapte buffels betreft, ze waren of gedood en
lagen in het hooge gras, of wel, verdwaald in de dichte wouden van
Tarryani, mocht men er niet op rekenen, dat hun instinct hen naar
de kraal zou terugvoeren. Zij moesten dus beschouwd worden voor den
leverancier verloren te zijn.

Aan den zoom van het bosch, verlieten Kâlagani en de twee Hindoes
ons. Een uur later kondigden Phann en Black door hun geblaf onze
terugkomst aan het Stoomhuis aan.

Ik deed Banks het verhaal onzer avonturen. Hij wenschte ons hartelijk
geluk er zoo goed te zijn afgekomen. Maar al te vaak kon niemand der
aangevallenen bij dergelijke gevechten de heldendaden der aanvallers
verhalen!

Wat kapitein Hod betreft, hij moest tegen wil en dank zijn arm in een
draagband houden, maar overigens vond de ingenieur, die eigenlijk
de dokter der expeditie was, de wond volstrekt niet ernstig en hij
verzekerde, dat hij er over eenige dagen niet den minsten last meer
van zou hebben.

In zijn binnenste was kapitein Hod zeer uit zijn humeur, dat hij
zich een wond had laten toebrengen, zonder haar te hebben kunnen
wreken. Maar toch had hij een tijger gevoegd bij de acht-en-veertig
die op zijn actief stonden aangeteekend.

Den volgenden dag, 27 Augustus, op den namiddag, deed zich een
krachtig, maar vroolijk hondengeblaf hooren.

Het waren kolonel Munro, Mac Neil en Goûmi, die in het sanitarium
waren teruggekeerd. Hunne terugkomst was een ware verlichting voor
ons. Had Sir Edward Munro zijn tocht tot een goed einde geleid? wij
wisten het nog niet. Hij kwam gezond terug en dat was het voornaamste.

Dadelijk liep Banks hem te gemoet, drukte hem de hand en ondervroeg
hem met de oogen.

»Niets!" vergenoegde kolonel Munro zich met een eenvoudige beweging
van het hoofd te antwoorden.

Dit woord beteekende niet alleen dat zijne nasporingen op de grenzen
van Népaul niet het minste resultaat hadden opgeleverd, maar ook dat
alle gesprekken over dit onderwerp nutteloos waren. Hij scheen er mede
te kennen willen geven, dat het niet noodig was er over te spreken.

Mac Neil en Goûmi, die Banks dien avond ondervroeg, lieten zich
wat meer uit. Zij deelden hem mede, dat kolonel Munro inderdaad dat
gedeelte van Hindostan had willen terug zien, waar Nana Sahib vóór
zijn wederverschijning in het presidentschap Bombay zich verscholen
had. Zich verzekeren wat er van de metgezellen van den nabob geworden
was, onderzoeken of op dit punt van de Indo-Chineesche grens geen
sporen meer van hen overig waren, trachten te vernemen of in plaats
van Nana Sahib, zijn broeder Balao Rao zich niet in dat land, dat nog
niet onder Engelsche heerschappij stond, verborgen hield, ziehier
het doel dat Sir Edward Munro zich voor oogen had gesteld. Nu was
het resultaat zijner nasporingen, dat de opstandelingen ongetwijfeld
het land verlaten hadden. Van hun kamp, waar de gewaande begrafenis,
bestemd om aan den dood van Nana Sahib geloof te doen slaan, was
gevierd geworden, was geen spoor meer overig. Van Balao Kae niet de
minste tijding, noch ook van zijne metgezellen iets, dat aanleiding
kon geven hun spoor te zoeken. Nu de nabob in de bergpassen van
Sautpourra den dood gevonden had en de zijnen zeer waarschijnlijk aan
gene zijde der grenzen van het schiereiland verspreid waren, bleef er
voor den handhaver van het recht niets meer te doen over. Er stond
ons dus niets anders te doen dan de grens der Himalaya te verlaten
en eerst zuidelijk te gaan, om eindelijk onzen voorgestelden reisweg
van Calcutta naar Bombay te vervolgen.

Het vertrek werd dus bepaald en tot over acht dagen, den 3n September,
vastgesteld. Wij behoorden aan kapitein Hod den noodigen tijd te
laten ter volkomen genezing zijner wond. Van den anderen kant had
kolonel Munro, die zichtbaar vermoeid was van den lastigen tocht
langs ongebaande wegen, eenige dagen rust noodig.

Gedurende dien tijd zou Banks beginnen met het maken zijner
toebereidselen. Het in order brengen van onzen trein om in de
vlakte af te dalen en den weg op te zoeken van de Himalaya naar het
presidentschap van Bombay, zou ons wel een geheele week bezig houden.

Wij begonnen met te bepalen, dat het reisplan nogmaals gewijzigd
zou worden, in dien zin dat de groote steden van het noord-oosten,
Mirat, Delhi, Agra, Gwalior, Jansie en anderen, waar de opstand
van 1857 maar al te veel onheilen had nagelaten, zouden vermeden
worden. Met de laatste opstandelingen van het oproer moest alles
verdwijnen wat de herinnering er van in het geheugen van kolonel Munro
kon terugroepen. Onze rollende woningen zouden dus door de provinciën
gaan, zonder zich in de voornaamste steden op te houden, doch het
land was de moeite waard bezocht te worden al was het alleen om zijne
natuurlijke schoonheden. Het onmetelijk koninkrijk Scindia geeft aan
geen ander land der wereld in dit opzicht iets toe. Onze IJzeren Reus
zou dus de schilderachtigste punten van het schiereiland bezoeken.

De moesson was geëindigd met het regenseizoen, dat niet langer duurt
dan de maand Augustus. De eerste dagen van September beloofden een
aangename temperatuur, die dit tweede gedeelte minder moeielijk
moest maken.

Gedurende de tweede week van ons verblijf in het sanitarium moesten
Fox en Goûmi dagelijks in de behoefte der keuken voorzien. Vergezeld
van de beide honden, doorliepen zij deze middelste streek der Himalaya,
waar het wemelt van patrijzen, faisanten en trapganzen. Dit gevogelte,
dat bewaard werd in de ijskamer van het Stoomhuis, moest later op
weg een uitmuntend wild verschaffen.

Nog twee- of driemaal bracht men een bezoek aan de kraal. Daar
hield ook Matthias van Guitt in eigen persoon zich bezig met de
toebereidselen voor zijn vertrek naar Bombay, terwijl hij zijne
tegenspoeden opnam als een philosoof, die zich verheft boven de kleine
of groote kwellingen van ons bestaan.

Men weet, dat de menagerie door het vangen van den tienden tijger,
die zooveel gekost had, voltallig was. Matthias van Guitt had dus nog
slechts te zorgen, dat zijne buffelbespanningen in order waren. Geen
der herkauwers, die gedurende den aanval ontvlucht waren, waren
in de kraal teruggekeerd. Zeer waarschijnlijk waren zij, door het
bosch verspreid, een gewelddadigen dood gestorven. Hij moest ze dus
vervangen,--hetgeen in deze omstandigheden tamelijk moeielijk was. Met
dit doel had de leverancier Kâlagani naar de naburige landhoeven en
gehuchten gezonden en hij wachtte met ongeduld op zijn terugkomst.

Deze laatste week van ons verblijf in het sanitarium ging zonder
bijzondere voorvallen voorbij. De wond van kapitein Hod genas
langzamerhand. Hij dacht er half over om nog eens op expeditie
uit te gaan, maar op aandringen van kolonel Munro moest hij het
opgeven. Waarom zich bloot te stellen nu zijn hand niet zoo vast
was? Mocht hij op het overige gedeelte der reis een wild dier
ontmoeten, dan was hij immers in de gelegenheid revanche te nemen.

»Daarbij komt, kapitein," deed Banks hem opmerken, »dat ge nog in leven
zijt, en negen-en-veertig tijgers door uwe hand gedood zijn, zonder
de gewonden te rekenen. De weegschaal hangt dus in uw voordeel over!"

»Ja, negen en veertig!" antwoordde kapitein Hod met een zucht, »maar
'k had zoo gaarne het vijftigtal willen vol maken!"

Het ging hem blijkbaar ter harte.

De 2e September brak aan en wij zouden den volgenden dag vertrekken,
toen Goûmi op den morgen van dien dag ons het bezoek van den
leverancier aankondigde.

En werkelijk vervoegde zich Matthias van Guitt, vergezeld van Kâlagani
aan het Stoomhuis. Ongetwijfeld wilde hij op het oogenblik van zijn
vertrek, ons volgens de regelen der étiquette vaarwel komen zeggen.

Kolonel Munro ontving hem zeer hartelijk. Matthias van Guitt verviel
zooals gewoonlijk in een reeks van breedsprakige volzinnen, maar
het scheen mij toe dat er achter zijne komplimenten een bijbedoeling
school, waarmede hij aarzelde voor den dag te komen.

En toevallig roerde Banks de rechte snaar aan, toen hij Matthias
van Guitt vroeg of hij het geluk gehad had zijne bespanningen te
vernieuwen.

»Neen, mijnheer Banks," antwoordde de leverancier, »Kâlagani heeft te
vergeefs de dorpen afgeloopen en hoewel hij van mijn volmacht voorzien
was, heeft hij zich geen enkel span van die nuttige herkauwers kunnen
verschaffen. Ik ben dus tot mijn spijt verplicht te bekennen, dat,
om mijne menagerie naar het dichtstbijzijnde station te verzenden,
de beweegkracht mij ten eenenmale ontbreekt. De verspreiding mijner
buffels tengevolge van den plotselingen nachtelijken aanval van den 25n
op den 26n Augustus, brengt mij dus in een zekere verlegenheid... Mijne
hokken, met hunne vierbeenige gasten zijn zwaar... en..."

»En op welke wijze zult u ze dan naar 't station brengen?" vroeg
de ingenieur.

»'k Weet het waarlijk niet," antwoordde Matthias van Guitt. »Ik
zoek... ik overweeg... ik aarzel... en intusschen... is het uur
van vertrek aangebroken en moet ik den 20n September, dat is binnen
achttien dagen mijne bestelling te Bombay afleveren..."

»Over achttien dagen!" antwoordde Banks, »maar dan hebt u geen uur
te verliezen!"

»'k Weet het, mijnheer de ingenieur. Daarom ken ik slechts een middel,
een enkel!..."

»En dat is?"

»Dat is, zonder hem in het minst lastig te willen vallen, een zeer
onbescheiden vraag... zeer zeker, tot den kolonel te richten..."

»Spreek vrij uit, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro, »en als ik
u kan verplichten, geloof me dat ik het met pleizier zal doen."

Matthias van Guitt boog, en zijn rechterhand aan de lippen brengende,
geraakte het bovenste gedeelte van zijn lichaam in een zachte beweging,
terwijl zijn geheele houding die was van een mensch, die zich door
onverwachte goedheden bezwaard gevoelt.

Om kort te gaan, de ingenieur vroeg of het met het oog op het
trekvermogen van den IJzeren Reus, niet mogelijk zijn zou, zijne
rollende hokken achter aan onzen trein te spannen en ze op sleeptouw
te nemen tot Etawah, het naaste station van den spoorweg van Delhi
naar Allahabad.

Het was een afstand van ongeveer drie honderd vijftig kilometers,
op een vrij goeden weg.

»Zou 't mogelijk zijn mijnheer van Guitt te voldoen?" vroeg de kolonel
den ingenieur.

»'k Zie er niet de minste zwarigheid in," antwoordde Banks, »en de
IJzeren Reus zal zelfs niet eens iets van den meerderen last merken."

»Toegestaan dus, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro. »We zullen
uw gansche materieel naar Etawah overbrengen. Onder buren moet men
elkander helpen, zelfs in de Himalaya."

»Kolonel," antwoordde Matthias van Guitt, »ik kende uw goedheid, en,
om de waarheid te zeggen had ik, om mij uit mijne netelige positie
te redden, wel een weinig op uw dienstvaardigheid gerekend!"

»U hadt gelijk," antwoordde kolonel Munro.

Nadat dus alles overwogen en bepaald was, maakte Matthias van Guitt
zich gereed om naar de kraal terug te keeren, teneinde een gedeelte
van zijn personeel, dat nu overbodig werd, te ontslaan. Hij dacht
niet meer dan vier chikaris bij zich te houden, die noodig waren de
hokken te onderhouden.

»Tot morgen dus," zei kolonel Munro.

»Tot morgen, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt. »'k Zal
in de kraal de aankomst van uw IJzeren Reus afwachten!"

En de leverancier, zeer gelukkig met den goeden uitslag van zijn
bezoek aan het Stoomhuis, ging heen, niet zonder zijn afscheid
genomen te hebben op de manier van een acteur, die geheel volgens de
overleveringen der moderne komedie, tusschen de schermen treedt.

Kâlagani had een langdurigen blik op kolonel Munro geworpen, wiens reis
naar de Népaulsche grens hem veel belang scheen te hebben ingeboezemd,
en volgde den leverancier.

Onze laatste toebereidselen waren gereed. Het materieel was op
zijn plaats gebracht. Van het Stoomhuis-sanitarium, was niets meer
overgebleven. De twee wagens wachtten nog slechts op onzen IJzeren
Reus. Eerst moest de olifant ze naar de vlakte doen afdalen, daarna
naar de kraal gaan om de hokken te gaan halen en ze terug te brengen
ten einde den trein te vormen. Dan eerst zou hij zich rechtstreeks
door de vlakte van Rohilkhande begeven.

Den volgenden dag, den 2n September, te zeven uur 's morgens, was de
IJzeren Reus gereed om de taak te hervatten, die hij tot nog toe met
zooveel ijver en zorg vervuld had. Doch op dit oogenblik had er tot
verbazing van allen een zeer onverwacht voorval plaats.

De vuurhaard van den stoomketel, in den schoot van het dier bevat,
was met brandstof opgevuld, die door Kâlouth werd ontstoken, waarna
hij op de gedachte kwam de rookkast te openen,--aan welker wand de
buizen bevestigd zijn, bestemd om de producten der verbranding door
den stoomketel te leiden,--teneinde zich te overtuigen dat niets het
trekken belette.

Maar nauwelijks had hij de deuren dezer kast geopend, of hij trok zich
snel terug en een twintigtal smalle riemen werden met een zonderling
gefluit naar buiten geworpen.

Banks, Storr en ik, wij keken zonder iets van dit vreemde verschijnsel
te begrijpen.

»Wel! Kâlouth, wat is dat toch?" vroeg Banks.

»Een slangenregen, mijnheer!" riep de stoker.

En inderdaad waren deze riemen slangen, die de buizen van den
stoomketel tot woning gekozen hadden, zeker om er beter te slapen. De
eerste vlammen van den vuurhaard hadden ze juist bereikt en eenige
van die kruipende dieren, reeds verbrand, waren op den grond gevallen;
als Kâlouth de rookkast niet bij toeval geopend had, zouden ze allen
in een oogenblik gebraden geweest zijn.

»Wat!" riep kapitein Hod uit, die kwam toesnellen, »heeft onze IJzeren
Reus een nest met slangen in zijn ingewanden?"

»Ja, waarlijk! en van de gevaarlijkste, 't zijn »whip snakes"
of zweepslangen, »goulabis," zwarte cobras, bril-najas, tot de
vergiftigste soorten behoorende.

En op hetzelfde oogenblik stak een prachtige tijger-python
of reuzenslang, van de familie der boa's, zijn spitsen kop uit
de bovenste opening van den schoorsteen, dat is te zeggen uit het
bovenste uiteinde van den snuit des olifants, die zich te midden der
eerste rookkolommen ontrolde.

De slangen, die levend uit de buizen gekomen waren, hadden zich snel
en vlug tusschen het struikgewas verspreid, voordat wij tijd hadden
ze te dooden.

Maar de python kon zoo gemakkelijk niet uit den ijzeren cilinder
ontsnappen. Ook haastte zich kapitein Hod zijn karabijn te gaan halen,
waarmede hij op hem aanlegde en den kop van het dier verbrijzelde.

Goûmi klom toen op den IJzeren Reus, heesch zich tot de bovenste
opening van den tromp en met behulp van Kâlouth en Storr gelukte het
hem er het énorme dier uit te trekken.

Niets prachtiger dan deze boa, met zijn blauwachtig groen vel,
versierd met regelmatig geplaatste ringen en die uit een tijgervel
schenen gesneden te zijn. Zijne lengte bedroeg niet minder dan vijf
meters bij een dikte als die van den arm.

Het was dus een prachtexemplaar uit de Indische slangenwereld en zou
een voortreffelijk figuur gemaakt hebben in de menagerie van Matthias
van Guitt, in aanmerking genomen den naam van tijger-python, dien
men hem geeft. Evenwel moet ik bekennen, dat kapitein Hod hem niet
onder de door hem gevelde tijgers meetelde.

Na aldus de machine van dit ongedierte bevrijd te hebben, sloot
Kâlouth de rookkast, begon het vuur van den vuurhaard, door den
tochtwind aangewakkerd, goed te branden, de stoomketel deed weldra
zijn dof gebrom hooren en drie kwartier later wees de manometer een
voldoenden stoomdruk aan. Wij konden dus nu vertrekken.

De twee wagens werden aan elkander gespannen en de IJzeren Reus stelde
zich aan het hoofd van den trein.

Nog een laatsten blik geworpen op het bewonderenswaardige panorama, dat
zich in het Zuiden ontrolde, voor het laatst het oog gewend naar die
trotsche keten welker profiel als kantwerk tegen den helderen blauwen
hemel in het Noorden afstak, een laatsten groet aan den Dawalaghiri,
die met zijn top het geheele grondgebied van Noordelijk-Indië
beheerschte en daarna gaf de stoomfluit het sein tot vertrek.

De daling langs den bochtigen weg ging zonder de minste
moeielijkheid. De atmosfeerische remtoestel hield op de al te steile
hellingen de wielen onweerstaanbaar terug. Een uur later hield onze
trein aan de onderste grens van Tarryani, aan den rand der vlakte stil.

De IJzeren Reus werd toen losgemaakt en onder geleide van Banks,
den machinist en den stoker ging hij langzaam een der breede wegen
van het bosch op.

Twee uren later liet zijn gebriesch zich hooren en kwam hij uit het
dichte geboomte te voorschijn, de zes hokken der menagerie achter
zich aan sleepende.

Zoodra Matthias van Guitt was aangekomen, hernieuwde hij zijne
dankzeggingen aan kolonel Munro. De hokken, voorafgegaan door een
rijtuig met den leverancier en zijne lieden, werden aan onzen trein
gespannen,--een wezenlijk konvooi, samengesteld uit acht wagens.

Nadat Banks wederom een signaal gegeven had en de stoomfluit zich
op nieuw had laten hooren, stelde zich de IJzeren Reus in beweging
en ging majestueus voorwaarts op den prachtigen weg, die naar het
Zuiden afdaalde. Het Stoomhuis en de hokken van Matthias van Guitt,
met wilde dieren beladen, schenen voor hem niet zwaarder te zijn dan
een eenvoudige verhuiswagen.

»Welnu, wat dunkt u er van, mijnheer de leverancier?" vroeg kapitein
Hod.

»Me dunkt, kapitein," antwoordde niet geheel ten onrechte Matthias
van Guitt, »dat die olifant nog buitengewoner zou zijn, als hij van
vleesch en beenderen was!"

Deze weg was niet die, welke ons naar den voet der Himalaya had
gebracht. Hij liep schuin naar het zuidwesten naar Philibit, een
klein stadje, dat honderdvijftig kilometers gelegen was van het punt
waarvan we vertrokken waren.

Deze afstand werd rustig, met matige snelheid, zonder eenige
onaangename ontmoeting afgelegd.

Matthias van Guitt zat dagelijks mede aan de tafel van het Stoomhuis,
waar zijn gezonde eetlust de keuken van »mijnheer" Parazard alle
eer aandeed.

Ter voorziening van de keuken moesten dan ook weldra de gewone
spijsbezorgers weder in functie treden, zoodat ook kapitein Hod,
nu goed van zijn wond genezen,--het schot op den python had het
bewezen,--zijn jachtgeweer weder ter hand moest nemen.

Daarenboven moesten niet alleen het geheele personeel, maar ook de
talrijke gasten der menagerie gevoed worden. Deze taak was den chikaris
opgedragen. Deze bekwame Hindoes, onder het bestuur van Kâlagani,
die zelf een handige schutter was, zorgden steeds voor een goeden
voorraad bison- en antilopevleesch. Die Kâlagani was werkelijk een
bijzonder mensch. Ofschoon hij gewoonlijk stil en afgetrokken was,
behandelde kolonel Munro hem zeer vriendschappelijk, daar hij niet
tot de menschen behoorde, die licht een bewezen dienst vergeten.

Den 10n September ging de trein om Philibit henen, zonder er zich op
te houden, maar men kon niet voorkomen, dat een groot aantal Hindoes
hem een bezoek kwamen brengen.

Zeer zeker konden de wilde dieren van Matthias van Guitt, hoe
merkwaardig overigens ook, de vergelijking met den IJzeren Reus niet
doorstaan. Men keek ze zelfs niet aan door de traliën hunner hokken
en al de bewondering was den mechanischen olifant voorbehouden.

De trein zette zijn tocht over de uitgestrekte vlakte van Noord-Indië
voort, eenige mijlen ten westen van Bareille, een der voornaamste
steden van Rohilkhande. Nu eens bewoog hij zich te midden van bosschen,
bewoond door een wereld van vogels, wier schitterend gevederte
Matthias van Guitt ons deed bewonderen, dan weder over vlakten, door
kreupelbosschen van doornachtige acacia's, van twee tot drie meters
hoog, door de Engelschen »wait-a-bit-bush" genoemd. Daar werden in
groote menigte wilde zwijnen aangetroffen, verzot op de geelachtige
bes, die deze struiken voortbrengen. Eenigen dezer dieren werden niet
zonder gevaar gedood, want het zijn werkelijk wilde en gevaarlijke
dieren. Bij verschillende gelegenheden hadden kapitein Hod en Kâlagani
gelegenheid een koelbloedigheid en behendigheid aan den dag te leggen,
die er twee buitengewone jagers van maakten.

Tusschen Philibit en het station Etawah moest de trein een gedeelte
van den boven-Ganges passeeren en even daarna, een zijner belangrijke
bijstroomen, den Kali-Nadi.

Het geheele rollende materieel der menagerie werd losgemaakt en het
Stoomhuis, in een drijvend toestel herschapen, werd gemakkelijk op
de oppervlakte van den stroom van den eenen oever naar den anderen
overgebracht.

Met den trein van Matthias van Guitt ging dit niet zoo gemakkelijk. Men
moest hiertoe een pont gebruiken, waarmede de hokken over de
beide stroomen een voor een werden overgezet. Er ging met dezen
overtocht wel eenige tijd verloren, maar toch had hij zonder groote
moeielijkheden plaats. De leverancier had reeds ondervinding van
dergelijke overtochten opgedaan, daar zijne onderhoorigen op hun reis
naar de Himalaya reeds verscheidene stroomen hadden moeten passeeren.

Kortom, zonder ter vermelding waardige voorvallen, hadden wij den
17n September den spoorweg van Delhi naar Allahabad, geen honderd
schreden van het station Etawah verwijderd, bereikt.

Daar zou ons konvooi zich in twee gedeelten splitsen, die niet bestemd
waren weder samen te komen.

Het eerste moest zijn reis naar het Zuiden door het uitgestrekte
koninkrijk Scindia voortzetten, teneinde de Vindhyas en het
presidentschap Bombay te bereiken.

Het tweede, geplaatst op de rolwagens van den spoorweg, nam zijn reis
naar Allahabad en vandaar per spoorweg van Bombay, naar de kust der
Indische Zee.

Men hield dus halt en richtte het kamp voor den nacht in. Den volgenden
morgen, met den dageraad, onderwijl de leverancier den weg naar het
zuidoosten zou inslaan, zouden wij, dezen weg rechthoekig snijdende,
nagenoeg de zeven-en-zeventigste meridiaan volgen.

Doch, terwijl hij ons verliet, moest Matthias van Guitt ook scheiden
van het gedeelte van zijn personeel, dat hij nu niet meer kon
gebruiken. Uitgezonderd twee Hindoes, die noodig waren voor den
dienst der hokken op een reis die slechts twee of drie dagen zou
duren, had hij niemand noodig. In de haven van Bombay aangekomen,
waar een schip, zeilree voor Europa, hem wachtte, zou de overscheping
van zijn koopwaar door de gewone bevrachters der haven plaatshebben.

Dientengevolge werden eenigen zijner chikaris weder vrij en in het
bijzonder Kâlagani.

Men weet hoe en waarom wij ons werkelijk aan dien Hindoe gehecht
hadden, sedert de diensten, die hij kolonel Munro en kapitein Hod
had bewezen.

Toen Matthias van Guitt zijne onderhoorigen ontslagen had, meende Banks
op te merken, dat Kâlagani niet recht wist wat te beginnen en vroeg
hij hem daarom of het hem zou aanstaan ons tot Bombay te vergezellen.

Na een oogenblik nagedacht te hebben, nam Kâlagani het aanbod van den
ingenieur aan, waarna kolonel Munro hem zijn genoegen te kennen gaf
hem bij deze gelegenheid zijne diensten wel te willen verleenen. De
Hindoe zou dus nu deel van het personeel van het Stoomhuis uitmaken
en kon door zijne bekendheid met dit geheele gedeelte van Indië ons
zeer nuttig zijn.

Den volgenden dag was het kamp opgebroken en bestond er geen enkele
reden meer waarom wij onzen halt zouden verlengen. De IJzeren Reus
bevond zich onder de noodige drukking. Banks gaf Storr order zich
gereed te houden.

Er bleef nog slechts over afscheid van onzen vriend den leverancier
te nemen. Dat was van onze zijde een zeer eenvoudige zaak, maar van
de zijne was het natuurlijk meer theatraal.

De dankzeggingen van Matthias van Guitt voor den dienst, hem
door kolonel Munro bewezen, waren natuurlijk zeer overdreven. Hij
»speelde" dit laatste bedrijf meesterlijk en was volmaakt in het
groote afscheidstooneel.

Door een beweging van de spieren van den voorarm, bracht hij zijn
rechterhand in pronatie, op die wijze dat de palm der hand naar den
grond gekeerd was. Dit moest beteekenen, dat hij hier beneden nooit
zou vergeten wat hij kolonel Munro schuldig was en dat, indien
de dankbaarheid uit deze wereld verbannen was, zij een laatste
schuilplaats in zijn hart zou vinden.

Daarna bracht hij zijn hand door een omgekeerde beweging in supinatie,
dat wil zeggen, hij keerde de palm om en richtte haar naar boven,
hetgeen beteekende dat zijne gevoelens zelfs daar boven niet bij
hem zouden uitgedoofd worden en dat een gansche eeuwigheid van
dankbaarheid, de verplichtingen, die hij had aangegaan, nooit zou
kunnen afdoen.

Kolonel Munro dankte Matthias van Guitt op eenigszins eenvoudiger
manier en eenige minuten later, was de leverancier van de huizen van
Hamburg en Londen uit onze oogen verdwenen.



V.

DE OVERTOCHT VAN DE BETWA.


Ziehier onze juiste positie, berekend van het punt van vertrek, van
het punt van halt en van het punt van aankomst, op den 18n September.

1o. Van Calcutta, dertien honderd kilometers;

2o. Van het sanitarium der Himalaya, drie honderd tachtig kilometers;

3o. Van Bombay zestien honderd kilometers.

Wat den afstand aangaat, hadden wij de helft van onzen reisweg nog
niet afgelegd; maar de zeven weken mederekenende, die het Stoomhuis in
het Himalayagebergte had doorgebracht, was meer dan de helft van den
tijd, die aan deze reis moest besteed worden, verloopen. Wij hadden
den 6n Maart Calcutta verlaten en binnen twee maanden, rekenden wij,
zonder tegenspoed, de westkust van Hindostan bereikt te hebben.

Onze reisweg zou trouwens in zekere mate verkort worden. Het besluit
om de groote steden, die in den opstand van 1857 verwikkeld waren
geweest, te vermijden, verplichtte ons meer rechtstreeks naar het
zuiden af te zakken. Door de prachtige provinciën van het koninkrijk
Scindia liepen schoone rijwegen en de IJzeren Reus zou geen enkelen
hinderpaal ontmoeten, althans tot aan de bergen van het centrum. Er was
dus alle hoop, dat de reis gemakkelijk en veilig zou worden afgelegd.

Daarenboven zou de tegenwoordigheid van Kâlagani, die onder het
personeel van het Stoomhuis was opgenomen, de reis nog gemakkelijker
maken. Deze Hindoe toch was verwonderlijk goed met dit geheele gedeelte
van het schiereiland bekend, waarvan Banks zich reeds dienzelfden dag
kon verzekeren. Na het ontbijt, onder het middagslaapje van kolonel
Munro en kapitein Hod, vroeg Banks hem in welke hoedanigheid hij zoo
dikwijls deze provinciën bezocht had.

»'k Maakte deel uit," antwoordde Kâlagani, »van een dier talrijke
karavanen van Banjaris, die, hetzij voor rekening van het gouvernement,
hetzij voor die van partikulieren, door middel van ossen graan
vervoeren. Als zoodanig ben ik twintigmaal door de streken van
Centraal- en Noord-Indië getrokken."

»Trekken deze karavanen nog door dit gedeelte van het
schiereiland?" vroeg de ingenieur.

»Ja, mijnheer," antwoordde Kâlagani, »'t zou me zeer verwonderen,
als we in dezen tijd van 't jaar geen troep Banjaris ontmoeten op
marsch naar het noorden."

»Welnu, Kâlagani," hernam Banks, »je bekendheid met deze streken zal
ons zeer nuttig zijn. Inplaats van de groote steden van het koninkrijk
Scindia te doorreizen, zullen wij door het open veld gaan en gij zult
onze gids zijn."

»Gaarne, mijnheer," antwoordde de Hindoe op den koelen toon, die hem
eigen was en waaraan ik mij nog niet had kunnen gewennen.

Daarna voegde hij er bij:

»Wilt u, dat ik u in 't breede de richting aanwijs, die we moeten
nemen?"

»Als 't u blieft."

Dit zeggende spreidde Banks een kaart met groote punten van dit
gedeelte van Indië op de tafel uit, teneinde de juistheid der
inlichtingen van Kâlagani na te gaan.

»Niets eenvoudigers," hernam de Hindoe. »In bijna rechte lijn zullen
we gaan van den spoorweg van Delhi naar den spoorweg van Bombay, die te
Allahabad samenloopen. Van het station Etawah, dat we op de grenzen van
Bundelkund verlaten hebben, zal er slechts één belangrijke stroom zijn
over te trekken, de Jumna, en van deze grens naar de Vindhyasbergen,
nog een water, de Betwa. In het geval zelfs dat deze twee rivieren
tengevolge der vele regens in het regenseizoen mochten overloopen,
zal toch immers de drijvende trein geen moeite hebben om van den
eenen oever naar den anderen over te steken?"

»Dat zal geen ernstige moeielijkheid geven," antwoordde de ingenieur,
»en wanneer we nu eenmaal aan de Vindhyas zijn aangekomen..."

»Dan zullen we iets naar het zuidoosten moeten afwijken, om een
toegankelijken bergpas te kiezen. Ook daar zal geen hinderpaal onzen
marsch vertragen. Ik ken een passage met zachte hellingen. Dat is de
Sirgourpas, die bij voorkeur door rijtuigen genomen wordt."

»Zou overal waar paarden kunnen gaan," zei ik, »onze IJzeren Reus
niet kunnen passeeren?"

»Zeker kan hij dat," antwoordde Banks, »maar, aan de andere zijde van
de Sirgourpas, is het land zeer bergachtig. Zouden wij de Vindhyas
niet kunnen aandoen, door onzen weg door Bhôpal te nemen?"

»Daar zijn de steden talrijk," antwoordde Kâlagani, »'t zal
moeielijk zijn ze te vermijden en de Sipayers hebben zich in den
onafhankelijkheidsoorlog daar bijzonder onderscheiden."

Ik was wel een weinig verwonderd over die benaming van
»onafhankelijkheidsoorlog," die Kâlagani aan den opstand van 1857
gaf. Doch men moest niet vergeten, dat het een Hindoe en geen
Engelschman was, die sprak. Uit niets bleek overigens, dat Kâlagani
deel aan den opstand genomen had, of althans had hij nooit iets gezegd
waaruit het was op te maken.

»Goed," hernam Banks, »we zullen de steden van Bhôpal ten westen
laten liggen en als ge er zeker van zijt, dat de Sirgourpas ons
toegang tot een begaanbaren weg verleent..."

»Een weg, dien ik dikwijls begaan heb, mijnheer en die, na om het meer
Puturia te zijn heengegaan, veertig mijlen van daar op den spoorweg
uitloopt van Bombay naar Allahabad, bij Jubbulpore."

»Inderdaad," antwoordde Banks, die op de kaart de door den Hindoe
gegeven aanwijzingen volgde; »en van dit punt af?..."

»De groote weg wendt zich naar het zuidwesten en loopt om zoo te
zeggen langs den spoorweg naar Bombay."

»Begrepen," antwoordde Banks. »'k Zie geen enkele ernstige reden
waarom we de Vindhyas niet zouden doortrekken en deze reisweg komt
ons goed te pas. Bij de diensten, die ge ons reeds bewezen hebt,
Kâlagani, voegt ge er nog een bij, dien we nooit zullen vergeten."

Kâlagani boog en wilde heengaan, toen hij, zich bedenkende, op den
ingenieur toetrad.

»Wilde je me iets vragen?" zei Banks.

»Ja, mijnheer," antwoordde de Hindoe. »Mag ik u vragen waarom u
er zoo bijzonder op gesteld zijt de voorname steden van Bundelkund
te ontwijken?"

Banks keek mij aan. Er bestond geen enkele reden om aan Kâlagani iets
omtrent Sir Edward Munro te verbergen en de Hindoe werd op de hoogte
van den toestand des kolonels gebracht.

Kâlagani luisterde zeer oplettend naar hetgeen de ingenieur hem
mededeelde. Daarna zeide hij op een toon, die eenige verwondering
verried:

»Kolonel Munro," zeide hij, »heeft niets meer te vreezen van Nana
Sahib, althans in deze provincies."

»Noch in deze provincies, noch ergens anders," antwoordde
Banks. »Waarom zegt ge, »in deze provincies?""

»Omdat, als de nabob werkelijk eenige maanden geleden in het
presidentschap Bombay is weder verschenen, zooals men beweerd heeft,"
zei Kâlagani, »de nasporingen zijn schuilplaats niet aan den dag
hebben kunnen brengen, en het is zeer waarschijnlijk, dat hij opnieuw
de Indo-Chineesche grens overschreden heeft."

Uit dit antwoord scheen te blijken, dat Kâlagani niet wist wat in het
Sautpourragebergte was voorgevallen en ook niet dat, in de maand Mei
ll., Nana Sahib door de soldaten van de koninklijke armée bij den
pâl van Tandit was gedood geworden.

»'k Zie, Kâlagani," zei daarop Banks, »dat het nieuws uit Indië niet
gemakkelijk tot de bosschen van de Himalaya doordringt!"

De Hindoe keek ons strak aan, zonder te antwoorden, als iemand,
die niet begrijpt.

»Ja," hernam Banks, »je schijnt niet te weten, dat Nana Sahib dood is."

»Is Nana Sahib dood?" riep Kâlagani uit.

»Ongetwijfeld," antwoordde Banks, »en het gouvernement heeft doen
weten onder welke omstandigheden hij gedood is."

»Gedood?" zei Kâlagani, het hoofd schuddende. »Waar zou Nana Sahib
dan gedood zijn?"

»Bij den pâl van Tandit, in de Sautpourrabergen."

»En wanneer?..."

»Reeds bijna vier maanden geleden," antwoordde de ingenieur, »den
25n Mei ll."

Kâlagani, wiens blik mij op dit oogenblik zonderling toescheen,
had zich de armen gekruist en stond zwijgend daar.

»Heb je redenen," vroeg ik hem, »om niet aan den dood van Nana Sahib
te gelooven?"

»Geene, mijne heeren," vergenoegde zich Kâlagani te antwoorden. »'k
Geloof wat u me zegt."

Een oogenblik later, waren Banks en ik alleen en de ingenieur voegde
er niet zonder reden bij:

»'t Is met alle Hindoes hetzelfde liedje! Het opperhoofd der
opgestane Sipayers is de held der legende geworden. Nooit zullen die
bijgeloovigen gelooven, dat hij gedood is, omdat ze 'm niet hebben
zien ophangen!"

»'t Is met hen," antwoordde ik, »als met de oude »grognards" van het
Keizerrijk, die twintig jaren na zijn dood, volhielden dat Napoleon
nog altijd leefde!"

Sedert den overtocht van den Boven-Ganges, door het Stoomhuis voor
veertien dagen volbracht, legde een vruchtbaar land zijne prachtige
wegen voor den IJzeren Reus open. Het was Doâb, begrepen in den
hoek, gevormd door den Ganges en de Jumna, vóór hunne vereeniging
bij Allahabad. Alluviale vlakten, twintig eeuwen voor de christelijke
jaartelling door de Brahmanen ontgonnen, een nog zeer onvolkomen wijze
van akkerbouw bij de boeren, grootsche werken van kanalisatie door
Engelsche ingenieurs, velden met katoenboomen, die meer bijzonder
in dezen bodem gedijen, het zuchten der katoenpersen, die bij elk
dorp in werking zijn, het gezang der werklieden, die ze in beweging
brengen, dat zijn de indrukken, die mij van dit Doâb, waar de eerste
christenkerk gesticht werd, zijn bijgebleven.

De reis werd onder de beste omstandigheden voortgezet. Het
landschap wisselde af, men zou kunnen zeggen, naar de luim onzer
fantasie. De woning verplaatste zich, zonder eenige vermoeienis,
alleen voor het genot onzer oogen. Was dat dus niet, zooals Banks
beweerd had, het laatste woord van den vooruitgang in de kunst der
plaatsverandering? Ossenwagens, rijtuigen door paarden of muilezels
getrokken, spoorwegwaggons, wat zijt gij allen, vergeleken met onze
rollende huizen!

Den 19n September hield het Stoomhuis stil op den linkeroever van de
Jumna. Deze belangrijke stroom bakent in het centrale gedeelte van
het schiereiland, het land der Rajahs eigenlijk gezegd of Rajasthan,
af van Hindostan, dat meer uitsluitend het land der Hindoes is.

Een eerste was begon de wateren van de Jumna te doen rijzen. De
stroom was sneller geworden, maar al was daardoor onze overtocht een
weinig minder gemakkelijk, een beletsel was dit toch niet. Banks
nam eenige voorzorgen. Men moest een geschikter punt vinden om te
landen. Men vond het en een half uur later besteeg het Stoomhuis
den tegengestelden oever van den stroom. Voor de spoorwegtreinen
zijn met groote kosten gebouwde bruggen noodig en zulk een brug is
dan ook over de Jumna bij de sterkte van Selimgarh, in de nabijheid
van Delhi gespannen. De stroomen nu boden onzen IJzeren Reus en de
twee wagens, die hij voorttrok, een weg aan zoo gemakkelijk als de
schoonste macadamwegen van het schiereiland.

Aan de andere zijde van de Jumna telt het grondgebied van Rajasthan een
zeker aantal van die steden, welke de voorzorg van den ingenieur gaarne
van zijn reisweg wilde verwijderd houden. Links was het Gwalior, aan
den oever van de rivier Sawunrika, gevestigd op haar basaltrots, met
haar trotsche moskee Musjid, haar paleis Pâl, haar zonderlinge poort
der Olifanten, haar beroemde sterkte, haar Vihara van bouddhistischen
oorsprong; een oude stad, waarmede de moderne stad Lashkar, een paar
kilometers verder gebouwd, nu sterk concurreert. Daar, binnen in dat
Gibraltar van Indië, had de Rani van Jansi, de toegenegen gezellin van
Nana Sahib heldhaftig tot het laatste oogenblik gestreden. Men weet,
dat zij in de ontmoeting met twee escadrons huzaren van het 8e der
koninklijke armee, eigenhandig gedood werd door kolonel Munro, die met
een bataillon van zijn regiment aan het gevecht had deelgenomen. Van
dien dag af aan, men weet het ook, dateerde die onverzoenbare haat
van Nana Sahib, naar welks voldoening de nabob tot zijn laatsten
snik was blijven haken! Ja! het was beter, dat Sir Edward Munro zijne
herinneringen voor de poorten van Gwalior niet ging verlevendigen!

Voorbij Gwalior, ten westen van onzen nieuwen reisweg, was het Antri
en haar uitgestrekte vlakte, vanwaar hier en daar talrijke bergen
met hunne spitse toppen ten hemel reiken, als zoovele eilandjes van
een archipel. Het was Duttiah, dat nog geen vijf eeuwen bestaan telt
en waarvan men de sierlijke huizen, de centrale sterkte, de tempels
met hunne verschillende torens, het verlaten paleis van Birsing-Deo,
het arsenaal van Tôpe-Kana bewondert,--'twelk alles te zamen de
hoofdstad vormt van het koninkrijk Duttiah, afgezonderd liggende in den
noordelijken hoek van Bundelkund en dat zich onder de bescherming van
Engeland gesteld heeft. Evenals Gwalior, hadden ook Antri en Duttiah
een ernstig aandeel genomen aan de oproerige beweging van 1857.

Het was eindelijk Jansi, dat wij den 22n September op een afstand
van minder dan veertig kilometers passeerden. Deze stad is het
belangrijkste militaire station van Bundelkund en vooral bij het
mindere volk is de oproerige geest aldaar levendig gebleven. Jansi
is een betrekkelijk moderne stad en drijft een belangrijken handel in
inlandsche moesselines en blauwe katoenen stoffen. Er bevindt zich geen
monument van oudere dagteekening dan hare stichting, die slechts van
de zeventiende eeuw dateert. Evenwel is het belangrijk haar citadel
te bezoeken, welker buitenmuren de Engelsche projectielen niet hebben
kunnen verwoesten, alsmede haar begraafplaats der rajahs, die een
buitengewoon schilderachtig gezicht aanbiedt. Daar was de voornaamste
vesting der opgestane Sipayers van centraal Indië. Daar verwekte de
stoutmoedige Rani het eerste oproer, dat weldra geheel Bundelkund in
vuur en vlam zou zetten. Daar zou Sir Hugh Rose een slag leveren, die
niet minder dan zes dagen duurde en waarin hij vijftien percent van
zijn macht verloor. Daar moesten, niettegenstaande hunne verbittering,
Tantia Topi, Balao Rao, broeder van Nana Sahib, de Rani zelve, alhoewel
ondersteund door een garnizoen van twaalf duizend Sipayers en geholpen
door een leger van twintig duizend, voor de voortreffelijkheid der
Engelsche wapenen bukken. Daar, zooals Mac Neil het ons verhaald
had, had kolonel Munro zijn sergeant het leven gered door hem den
laatsten druppel water te gunnen, die hun overbleef. Ja! Jansi,
meer dan eenige andere dier steden vol noodlottige herinneringen,
moest buiten den reisweg gelaten worden waarvan de beste vrienden
van den kolonel de rustpunten gekozen hadden!

Den volgenden dag, 23 September, zou een ontmoeting, die ons gedurende
eenige uren ophield, een der vroeger door Kâlagani gemaakte opmerkingen
rechtvaardigen.

Het was elf uren 's morgens. Na het ontbijt hadden wij ons allen
nedergezet om de gewone siesta te houden, sommigen onder de veranda,
anderen in het salon van het Stoomhuis. De IJzeren Reus bewoog zich
tegen negen à tien kilometers per uur. Een prachtige weg, beschaduwd
door schoone boomen, slingerde zich schilderachtig tusschen velden
met katoenboomen en granen. Het weder was fraai en een schitterende
zon bescheen alles met hare koesterende stralen. Men moet erkennen
dat een besproeiing van dien grooten weg niet te versmaden zou geweest
zijn, want het fijne, witte stof, dat de wind voor onzen trein opwoei,
maakte het ons somtijds vrij lastig.

Doch het was nog geheel iets anders toen in een uitgestrektheid van
twee of drie mijlen, de dampkring ons met zulke dichte stofwolken
vervuld scheen, dat een hevige simoun geen dikkere wolken in de
Lybische woestijn had kunnen opwaaien.

»'k Begrijp niet hoe dat verschijnsel kan ontstaan," zei Banks,
»omdat er zulk een licht windje waait."

»Kâlagani zal ons dat verklaren," antwoordde kolonel Munro.

Men riep den Hindoe, die naar de veranda trad, den weg langs keek en
zonder aarzelen zeide:

»'t Is een lange karavaan, die naar het noorden trekt," zeide hij,
»en, zooals ik u reeds mededeelde, mijnheer Banks, is het zeer
waarschijnlijk een karavaan van Banjaris."

»Welnu, Kâlagani," zei Banks, »je zult er zeker nog wel eenige oude
bekenden onder aantreffen?"

»Zeer mogelijk, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »omdat ik lang onder
die zwervende stammen geleefd heb."

»Ben je dus nu van plan ons te verlaten om je bij hen te voegen?" vroeg
kapitein Hod.

»Volstrekt niet," antwoordde Kâlagani.

De Hindoe had zich niet vergist. Een half uur later was de IJzeren
Reus, hoe onweerstaanbaar overigens, wel gedwongen op te houden voor
een muur van herkauwende dieren.

Maar hij had zich over deze vertraging niet te beklagen. Het
schouwspel, dat zich aan onze blikken voordeed, was de moeite waard
gadegeslagen te worden.

Een kudde van minstens vier of vijf duizend ossen versperde den weg
naar het zuiden, verscheidene kilometers ver. Zooals Kâlagani gezegd
had, behoorde dit konvooi rundvee aan een karavaan Banjaris.

»De Banjaris," vertelde ons Banks, »zijn de wezenlijke Zingaris van
Hindostan. Het is meer een volk dan een stam, zonder vaste woonplaats,
des zomers onder tenten, des winters in hutten levende. Het zijn de
lastdragers van het schiereiland en 'k heb ze gedurende den opstand
van 1857 aan 't werk gezien. Door een soort van zwijgende overeenkomst
tusschen de oorlogvoerende partijen, liet men hunne konvooien de door
den opstand geteisterde provincies door trekken. Zij waren inderdaad de
voorraadbezorgers van het land en ze voorzagen zoowel het koninklijke
leger als dat der inboorlingen van voedsel. Moest men ze volstrekt
ergens in Indië 't huis brengen, dan zou het in Rapoutana zijn en
meer bijzonder misschien in het koninkrijk Milwar. Maar, daar ze
voorbij ons heen gaan defileeren, mijn waarde Maucler, recommandeer
ik je deze Banjaris eens goed op te nemen."

Onze trein had zich voorzichtig aan een der kanten van den grooten
weg geschaard. Hij zou tegen dezen stroom van horenvee, waarvoor de
wilde dieren zelve niet aarzelen zich uit de voeten te maken, niet
hebben kunnen opwerken.

Zooals Banks mij had aanbevolen, sloeg ik den langen stoet met aandacht
gade, maar vooraf moet ik op het eenigszins zonderlinge feit wijzen,
dat het Stoomhuis bij deze gelegenheid de gewone uitwerking niet scheen
teweeg te brengen. De IJzeren Reus, anders zoo gewoon de algemeene
bewondering te wekken, trok nu nauwlijks de aandacht van deze Banjaris,
die ongetwijfeld gewoon waren zich over niets te verwonderen.

Mannen en vrouwen van dit Boheemsche ras waren bewonderenswaardig;--de
eerste, groot, krachtig gebouwd, met fijne trekken, een adelaarsneus,
gekrulde haren, bronskleurig, gekleed met het lange onderkleed en
den tulband op het hoofd, gewapend met de lans, het schild en den
grooten degen;--de vrouwen, rijzig van gedaante, evenredig van vormen,
fier als de mannen van hun klan, het bovenlijf gevat in een keurslijf,
het beneden gedeelte des lichaams gehuld in de plooien van een wijden
rok, en het geheel, van het hoofd tot de voeten gewikkeld in een
sierlijken mantel, juweelen in de ooren, een snoer van parelen om
den hals, braceletten om de armen, ringen aan de enkels van goud,
ivoor of schelpen.

Bij deze mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen liepen met bedaarden
stap duizenden ossen, zonder zadel of halster, terwijl zij de roode
eikels aan hunne koppen schudden of de belletjes om den nek deden
weerklinken, daarenboven op den rug een dubbelen zak dragende, die
het koren of andere graansoorten bevat.

Het was een gansche stam, vertrokken als karavaan, onder het bestuur
van een bij meerderheid van stemmen verkozen opperhoofd, den »naik,"
wiens macht gedurende den tijd van zijn mandaat onbegrensd is. Aan
hem is de taak opgedragen het konvooi te besturen, de uren van rust
te bepalen, en voor de inrichting van het kamp zorg te dragen.

Vooraan ging een énorme stier, met fieren tred, behangen met
schitterende stoffen, versierd met een tros schelletjes en andere
sieraden van schelpen. Ik vroeg Banks of hij mij kon zeggen welke
taak dat prachtige dier had te vervullen.

»Kâlagani zou het ons met zekerheid kunnen zeggen," antwoordde de
ingenieur. »Waar is hij toch?"

Kâlagani werd geroepen, maar hij kwam niet te voorschijn. Men zocht
hem overal, doch hij was niet meer in het Stoomhuis.

»Hij is zeker oude kennissen gaan opzoeken," zei kolonel Munro,
»maar voordat we vertrekken, zal hij wel weder bij ons zijn."

Niets natuurlijkers en werkelijk was er ook niets verontrustends in
de kortstondige afwezigheid van den Hindoe, maar toch kon ik mij niet
van eenige bezorgdheid onthouden.

»Welnu," zei Banks, »als ik me niet vergis, dan is die stier in de
karavanen der Banjaris de vertegenwoordiger hunner godheid. Waar hij
heen gaat, volgt men hem. Wanneer hij ophoudt, kampeert men, maar
't zou me niet verwonderen, dat hij in 't geheim aan de ingeving van
den naik gehoorzaamt. Om kort te gaan, in hem is de geheele godsdienst
dezer zwervende stammen saamgevat."

Twee volle uren hield het voorbijtrekken van den onafzienbaren stoet
aan. Ik zocht Kâlagani in de achterhoede, toen hij eensklaps voor
ons stond, vergezeld van een Hindoe, die niet tot den Banjari-type
behoorde. Het was ongetwijfeld een van die inlanders, die zich
tijdelijk in dienst der karavanen stellen, zooals ook Kâlagani het
meermalen gedaan had. Beiden praatten koel, als met half gesloten
lippen. Van wien en waarover spraken zij? Waarschijnlijk over het land,
dat de reizende stam doorkruist had,--het land, dat ook wij onder de
leiding van onzen nieuwen gids zouden bezoeken.

De inlander, die in de achterhoede der karavaan gebleven was,
hield, het Stoomhuis voorbijgaande, een oogenblik op. Hij bekeek met
belangstelling den trein, voorafgegaan door zijn kunstmatigen olifant
en naar het mij voorkwam, nam hij meer in 't bijzonder kolonel Munro
op, maar hij sprak geen woord tot ons. Daarna groette hij Kâlagani,
voegde zich bij den stoet en was weldra in een wolk van stof verdwenen.

Toen Kâlagani bij ons was teruggekomen, richtte hij zich tot kolonel
Munro, zonder af te wachten totdat hij ondervraagd werd en zeide
alleen:

»Een mijner vroegere kameraden, die sedert twee maanden in dienst
van de karavaan staat."

Dit was alles. Kâlagani hernam zijn plaats in onzen trein en weldra
rolde het Stoomhuis wederom over den weg, doorwoeld door de breede
sporen van de hoeven dier duizenden ossen.

Den volgenden dag, den 24n September, hield de trein op om den nacht
door te brengen op vijf of zes kilometers ten oosten van Ourtcha, aan
den linker oever van de Betwa, een van de voornaamste takken der Jumna.

Van Ourtcha valt tegenwoordig niets meer te zeggen. Het is de oude
hoofdstad van Bundelkund en een stad, die in de eerste helft der
zeventiende eeuw bloeide. Maar de Mongolen aan den eenen kant,
de Maharatten van den anderen, brachten haar geduchte slagen toe,
waarvan zij zich nooit herstelde. En nu, is een der groote steden
van Centraal-Indië slechts een gehucht, dat eenige honderden boeren
tot een ellendige schuilplaats verstrekt.

Ik zeide, dat wij aan den oever der Betwa ons kamp hadden
opgeslagen. Het is juister te zeggen, dat de trein stil hield op
zekeren afstand van haar linkeroever. Want deze belangrijke stroom,
sterk wassende, trad toen buiten zijn bedding en overstroomde zijn
oevers. Vandaar misschien eenige moeielijkheden om onzen overtocht te
bewerkstelligen. Daar de duisternis evenwel reeds te groot was, kon
Banks geen raad geven en moesten wij onze plannen tot den volgenden
dag uitstellen.

Bij gevolg zochten we dus allen, dadelijk na de gewone avondsiesta,
onze vertrekken op en legden ons ter ruste.

Nooit, tenzij bijzondere omstandigheden er ons toe noopten, lieten wij
's nachts het kamp bewaken. En waartoe ook? Kon men onze rollende
huizen wegnemen? Neen! Kon men onzen olifant stelen? Evenmin. Zijn
zwaarte alleen was reeds verdediging genoeg. Wat betreft de
mogelijkheid van een aanval der nachtelijke zwervers, die deze
provinciën onveilig maken, dit was zeer onwaarschijnlijk. En al werd
er geen wacht gehouden 's nachts, dan hadden wij toch onze honden
Phann en Black, die ons tijdig genoeg van elk verdacht bezoek zouden
verwittigd hebben.

En dit nu was juist hetgeen dezen nacht gebeurde. Tegen twee uren
's morgens, werden wij door luid geblaf gewekt. Ik stond dadelijk op
en vond ook mijne metgezellen reeds op de been.

»Wat is er toch?" vroeg kolonel Munro.

»De honden blaffen," antwoordde Banks, »en ze doen dat stellig niet
zonder reden."

»'t Zal een panter zijn, die in 't naburige kreupelbosch gehoest
heeft," zei kapitein Hod. » Spoedig naar beneden, den zoom van het
bosch doorzocht en uit voorzorg onze geweren medegenomen."

Sergeant Mac Neil, Kâlagani, Goûmi, allen bevonden zich reeds buiten
het kamp, pratende, overleggende en trachtende te weten te komen wat
er in het duister voorviel. Wij voegden ons bij hen.

»Welnu," zei kapitein Hod, »'t zijn zeker een paar dieren, die hun
dorst zijn komen lesschen?"

»Kâlagani denkt het niet," antwoordde Mac Neil.

»Wat denkt ge dan dat het is?" vroeg kolonel Munro den Hindoe.

»'k Weet het niet, kolonel Munro," antwoordde Kâlagani, »maar stellig
hebben we met geen tijgers, panters of zelfs jakhalzen te doen. 'k
Meen daar onder de boomen een verwarde massa te onderscheiden."

»We zullen 't gauw weten!" riep kapitein Hod, steeds denkende aan
den vijftigsten tijger, die hem nog ontbrak.

»Wacht Hod," zei Banks. »In Bundelkund is het altijd goed zich te
wachten voor nachtelijke zwervers."

»We zijn talrijk en goed gewapend!" antwoordde kapitein Hod. »'k Wil
er het mijne van weten!"

»Mij goed!" zei Banks.

De twee honden blaften altijd, maar zonder eenig bewijs te geven van
de boosheid, die de nabijheid van wilde dieren bij hen zou hebben
opgewekt.

»Munro," zei Banks toen, »blijf in het kamp met Mac Neil en de
anderen. In dien tijd gaan Hod, Maucler, Kâlagani en ik op verkenning
uit."

»Ga je mee?" riep kapitein Hod, die terzelfder tijd Fox wenkte om
hem te vergezellen.

Phann en Black, reeds onder het eerste geboomte, wezen den weg aan. Men
had ze slechts te volgen.

Nauwlijks waren wij onder de boomen, of het geluid van voetstappen
deed zich hooren. Duidelijk verkende een talrijke troep op den zoom
van het bosch ons kampement. Men zag ter loops eenige stille schaduwen,
die de vlucht door het kreupelbosch namen.

De twee honden, liepen, blaften en vlogen eenige schreden voor ons
uit heen en weder.

»Werda?" riep kapitein Hod.

Geen antwoord.

»Een van beiden, die lieden willen niet antwoorden," zei Banks,
»of zij verstaan geen Engelsch."

»Wel, dan verstaan ze zeker Hindoesch," antwoordde ik.

»Kâlagani," zei Banks, »roep eens in het Hindoesch, dat, als ze niet
antwoorden, we vuur geven."

Kâlagani gebruikte den eigenaardigen tongval van de inlanders van
Centraal-Indië en beval den zwervers te naderen.

Evenmin een antwoord als de eerste keer.

Nu barstte een geweerschot los. De ongeduldige kapitein Hod had op
goed geluk af geschoten op een schaduw, die zich tusschen de boomen
door uit de voeten maakte.

Een blijkbare opschudding werd door de losbranding der karabijn
teweeggebracht. Het was alsof een gansche troep individuen, van welke
soort dan ook, zich naar rechts en links verspreidde. Dit vermoeden
werd zekerheid, toen Phann en Black, die vooruit gevlogen waren,
bedaard terugkwamen en geen enkel blijk van ongerustheid meer gaven.

»Wie zij ook mogen zijn, roovers of landloopers," zei kapitein Hod,
»die lieden zijn al heel spoedig op den loop gegaan!"

»Dat schijnt zoo," antwoordde Banks, »en er blijft ons niets anders
over dan naar het Stoomhuis terug te keeren. Maar uit voorzorg,
zullen we wacht laten houden, totdat de dag aanbreekt."

Eenige oogenblikken later waren wij bij onze metgezellen
teruggekeerd. Mac Neil, Goûmi en Fox maakten toebereidselen om bij
beurten de wacht van het kamp op zich te nemen, terwijl wij ons weder
naar onze vertrekken begaven.

De nacht verliep zonder verdere stoornissen. Er was dus alle reden om
te denken, dat de bezoekers, het Stoomhuis zoo goed verdedigd ziende,
het hadden opgegeven hun bezoek te verlengen.

Terwijl den volgenden dag, den 25n September, de toebereidselen tot
het vertrek gemaakt werden, wilden wij, kolonel Munro, kapitein Hod,
Mac Neil, Kâlagani en ik, een laatste maal den zoom van het bosch
onderzoeken.

Evenwel was er geen spoor meer te vinden van de bende, die ons den
vorigen nacht verontrust had. Er bestond dus in elk geval niet de
minste noodzakelijkheid meer er ons mede bezig te houden.

Toen wij teruggekomen waren, nam Banks zijne beschikkingen om den
overtocht van de Betwa te bewerkstelligen. Deze rivier was ver buiten
hare oevers getreden en stuwde hare geelachtige wateren met dolle
vaart ver buiten haar bedding voort. De stroom was buitengewoon sterk
en de IJzeren Reus moest hem het hoofd bieden, teneinde niet te ver
stroomafwaarts medegevoerd te worden.

De ingenieur hield zich eerst bezig met het kiezen van de gunstigste
plaats om te ontschepen. De oogen met een verrekijker gewapend,
trachtte hij het punt te ontdekken waar de rechteroever het best zou
te bereiken zijn. De Betwa verbreedde zich in dit gedeelte van haren
loop tot ongeveer een mijl. Dit zou dus de verste afstand te water
zijn, dien de drijvende trein tot nog toe zou af te leggen hebben.

»Maar," vroeg ik, »hoe leggen de reizigers of de kooplieden het
aan, als ze bij een dergelijken was door stroomen als deze worden
opgehouden? Me dunkt dat ponten moeielijk dergelijke stroomingen
kunnen weerstaan."

»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »niets eenvoudiger! Ze steken
niet over."

»Ja wel," antwoordde Banks, »ze gaan over als ze olifanten ter hunner
beschikking hebben."

»Wat! kunnen olifanten dan zwemmende zulke afstanden afleggen?"

»Wel zeker, en ziehier hoe men te werk gaat," antwoordde de
ingenieur. »Men plaatst al de bagage op den rug van deze....."

»Proboscidea!..." zei kapitein Hod, om met zijn vriend Matthias van
Guitt te spreken.

»En de mahouts dwingen ze zich in den stroom te begeven," hernam
Banks. »In 't eerst aarzelt het dier, gaat terug en doet een gebriesch
hooren; maar, weldra zijn besluit nemende, stapt hij in den stroom, zet
zich aan 't zwemmen en steekt flink de rivier over. 't Gebeurt evenwel,
dat er een wordt medegesleept en voor altijd verdwijnt, maar, als ze
door een behendigen mahout bestuurd worden, komt dit zelden voor."

»Nu, goed!" zei kapitein Hod, »al hebben we geen »olifanten," we
hebben er toch een....."

»En met dien eenen hopen we 't te volbrengen," antwoordde Banks. »Hij
is licht zoo goed als de Oructor Amphibolis van den Amerikaan Evan,
die in het jaar 1804, op het land rolde en dreef op het water? Iedereen
nam zijn plaats in den trein in, Kâlouth bij zijn vuurhaard, Storr
in zijn torentje, Banks bij hem, het ambt van stuurman waarnemende.

Men moest een vijftigtal voeten op den overstroomden oever afleggen,
alvorens den eigenlijken stroom te bereiken. Zachtjes stelde de
IJzeren Reus zich in beweging en begon te loopen. Zijn dikke pooten
werden nat, maar hij dreef nog niet. De overgang van het vasteland
op de vloeibare oppervlakte moest met voorzorg geschieden.

Eensklaps kwam het geluid van dezelfde nachtelijke opschudding tot
ons over.

Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten
trekkende, kwamen uit het bosch te voorschijn.

»Wel drommels! 't Waren apen!" riep kapitein Hod uit, hartelijk
lachende.

En inderdaad naderde een gansche troep van die vertegenwoordigers
van het apengeslacht in een dichte groep het Stoomhuis.

»Wat willen ze?" vroeg Mac Neil.

»Ons aanvallen, zeker!" antwoordde kapitein Hod, die zich altijd ter
verdediging gereed hield.

»Neen! Er is niets te vreezen," zei Kâlagani, die den tijd gehad had
de bende apen waar te nemen.

»Maar wat willen ze dan toch?" vroeg sergeant Mac Neil ten tweeden
male.

»De rivier in ons gezelschap oversteken en niets anders!" antwoordde
de Hindoe.

Kâlagani vergiste zich niet. Wij hadden niet te doen met gibbons met
lange behaarde armen, lastige en brutale dieren, noch met »leden der
aristocratische familie" die het paleis van Bénarès bewoont. Het waren
apen van de soort der Langours, de grootste van het schiereiland,
lenige vierhandige zoogdieren, zwart van vel, glad van gelaat,
omgeven met een witten ringbaard, die hun het voorkomen gaf van oude
mannen. Wat hunne vreemde houdingen en onnatuurlijke gebaren aangaat,
overtroffen zij zelfs Matthias van Guitt. Hun vel was als dat van het
Peruaansche stinkdier, grijs op den rug, wit aan den buik, terwijl
zij den staart opgericht droegen.

Ik vernam bij deze gelegenheid, dat die Langours door gansch Indië
als heilig beschouwd worden. Volgens een legende stammen zij af van
de krijgslieden van Rama, die het eiland Ceilon veroverden. Te Amber
bewonen zij een paleis, Zenanah, alwaar de toeristen vriendschappelijk
door hen ontvangen worden. Het is streng verboden ze te dooden en de
overtreding dezer wet heeft reeds aan verscheidene Engelsche officieren
het leven gekost.

Die apen, die vrij zacht van aard en gemakkelijk te temmen zijn, zijn
zeer gevaarlijk als men ze aanvalt, en zoo ze slechts gekwetst zijn,
doen zij, zooals Louis Rousselet terecht gezegd heeft, in woestheid
niet onder voor hyena's of panters.

Maar natuurlijk was er geen sprake van deze Langours aan te vallen
en kapitein Hod wendde dan ook zijn geweer af.

Had Kâlagani dan gelijk toen hij beweerde, dat die geheele troep den
fellen stroom niet dorst te trotseeren, en daarom van ons voertuig
wilde gebruik maken, om de Betwa te passeeren?

Het was mogelijk en wij zouden het spoedig zien.

De IJzeren Reus, die het water buiten den oever doorwaad had, was nu
in de bedding der rivier gekomen. Weldra dreef de geheele trein hem
na. Een kromming van den oever vormde op deze plek een stilstaand
water en in het eerst bleef het Stoomhuis genoegzaam onbewegelijk.

De troep apen was dichterbij gekomen, en plaste reeds in het ondiepe
water rond, dat de helling van den oever bedekte.

Hun houding was volstrekt niet vijandig en plotseling, daar kwamen
ze aan, mannetjes, wijfjes, ouden, jongen, allerlei kromme sprongen
makende, elkander bij de hand vattende, en eindelijk op den trein
springende, die hen scheen af te wachten.

Binnen weinige seconden waren er tien op den IJzeren Reus, dertig op
ieder der huizen, in 't geheel een honderdtal, vroolijk, gemeenzaam,
men zou haast zeggen praatachtig,--althans onder elkander,--en
ongetwijfeld in hun schik, zoo recht van pas een vaartuig ontmoet te
hebben, waarmede zij de reis konden vervolgen.

De IJzeren Reus stapte dadelijk in den stroom en, zich stroomopwaarts
wendende, zette hij zich er tegen in.

Een oogenblik was de gedachte bij Banks opgekomen of de trein
misschien niet te zwaar zou zijn met dien overlast van passagiers,
maar zijn vrees bleek gelukkig ongegrond. De apen hadden zich met de
grootste schranderheid over den geheelen trein verdeeld. Er waren er
op het kruis van den olifant, op het torentje, op den nek, tot aan
het uiteinde van zijn tromp en, vreemd genoeg, zij waren volstrekt
niet verschrikt door den stoom, die er zich met het bekende zuchtend
geluid aan ontwrong. Dan waren er verder op de ronde koepeldaken
onzer pagoden, deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten,
terwijl nog anderen, zelfs onder de veranda der balkons aan den staart
hingen. Maar het Stoomhuis dreef statig voort, dank zij de gelukkige
inrichting zijner luchtkasten, en er was niet het minste gevaar voor
het buitengewone overwicht te duchten.

Kapitein Hod en Fox stonden werkelijk verbaasd, vooral de oppasser. Hij
had gaarne dien grijnzenden en ongegeneerden troep met alle eerbewijzen
in het Stoomhuis ontvangen. Hij sprak tot die Langours, hij drukte hun
de hand, hij nam zijn hoed voor hen af en zou ze gaarne met suikergoed
overladen hebben, zoo »mijnheer" Parazard, geërgerd dat hij zich in
zulk gezelschap bevond, er geen schotje voor geschoten had.

Intusschen werkte de IJzeren Reus hard voort met zijn vier pooten, die
het water sloegen en dienst deden als groote pagaaien. Al afdrijvende,
volgde hij de schuinsche lijn, die ons naar de landingsplaats zou
brengen.

Een half uur later, had hij deze bereikt, maar nauwelijks was hij
aangeland of de geheele troep vierhandige clowns sprong op den oever
en was met talrijke kromme sprongen spoedig uit het gezicht verdwenen.

»Ze hadden wel dankje mogen zeggen!" riep Fox uit, ontevreden over
de lompheid van zijn vrienden.

Een luid gelach was het antwoord op de opmerking van den oppasser,
die niets meer verdiende.



VI.

HOD TEGEN BANKS.


De Betwa was overgetrokken. Reeds honderd kilometers waren wij van
het station van Etawah verwijderd.

Vier dagen gingen zonder bijzondere avonturen voorbij,--zelfs zonder
jachtavonturen, want wilde beesten waren niet talrijk in dit gedeelte
van Scindia.

»'k Vrees maar al te zeer," herhaalde kapitein Hod niet zonder groote
spijt, »dat ik te Bombay zal aankomen, zonder mijn vijftigsten gedood
te hebben!"

Kâlagani geleidde ons met bewonderenswaardige schranderheid door dit
minst bevolkte gedeelte van het grondgebied, welks topographie hij
zeer goed kende, en, den 29n September begon de trein de noordelijke
helling der Vindhyas te beklimmen, teneinde door den pas van Sirgour
de reis voort te zetten.

Tot zoover was onze tocht door Bundelkund zonder hindernis
volbracht. Dit land, evenwel, is een der meest verdachte van Indië. De
misdadigers zoeken er gaarne een schuilplaats, en landloopers worden er
in overvloed aangetroffen. Daar ook geven de Dacoits zich bij voorkeur
aan hun dubbel bedrijf van gifmengers en dieven over. Het is dus
voorzichtig, ernstig op zijn hoede te zijn, als men dit land bereist.

Het slechtste gedeelte nu van Bundelkund is juist deze bergachtige
streek der Vindhyas, waarin het Stoomhuis nu zou doordringen. De
afstand was niet groot,--honderd kilometer hoogstens,--tot
Jubbulpore, het dichtstbijzijnde station van den spoorweg van
Bombay naar Allahabad. Doch wij konden niet rekenen, zoo snel
en gemakkelijk vooruit te komen, als wij gedaan hadden door de
vlakte van Scindia. Vrij steile hellingen, half gebaande wegen,
een steenachtige bodem, plotselinge krommingen, zekere smalle
gedeelten van den weg, alles liep samen onze snelheid tot beneden het
gemiddelde te verminderen. Banks dacht niet meer te verkrijgen dan
vijftien tot twintig kilometers in de tien uren, die onze reisdagen
uitmaakten. Daarbij kwam, dat de toegangen tot de wegen en kampementen
dag en nacht met de uiterste zorg moesten bewaakt worden.

Kâlagani was de eerste geweest om ons dezen raad te geven. Nu waren
wij talrijk genoeg en daarbij goed gewapend. Onze kleine troep,
met zijn twee huizen en het torentje,--een echte kazemat, door den
IJzeren Reus op den rug gedragen, bood een zeker »weerstandsvermogen"
aan, om een uitdrukking naar de mode te gebruiken. Straatroovers,
Dacoits of andere, zelfs Thugs,--indien er in dit woeste gedeelte van
Bundelkund nog waren overgebleven,--zouden ongetwijfeld geaarzeld
hebben ons aan te vallen. Doch, het kan nooit kwaad voorzichtig te
zijn en het was beter dat wij op alle mogelijkheden gewapend waren.

Des morgens van dezen dag werd de Sirgourpas bereikt, waarin de
trein zonder veel moeite zich een weg baande. Enkele malen, bij het
bestijgen van steile hellingen, moest men den stoom versterken, maar
de IJzeren Reus ontwikkelde onder de hand van Storr onmiddellijk het
noodige vermogen, en beklom enkele hellingen van twaalf tot vijftien
centimeters per meter.

Ook behoefde men niet te vreezen zich in den weg te vergissen. Kâlagani
was volkomen bekend met de bochtige bergpassen der Vindhyas en meer
bijzonder met den Sirgourpas. Hij twijfelde dan ook nooit, zelfs
als verscheidene wegen op een kruisweg ergens tusschen hooge rotsen,
in diepe bergkloven, uitliepen, te midden van dichte bosschen, die
den blik tot twee of driehonderd schreden beperkten. Verliet hij
ons tusschenbeiden eens en ging hij nu eens alleen, dan vergezeld
door Banks, door mij of door een ander onzer metgezellen vooruit,
dan was dit om niet den weg, maar zijn begaanbaarheid te verkennen.

Inderdaad hadden de regens, gedurende het regenseizoen, dat nauwelijks
geëindigd was, de paden bedorven, den bodem omgewoeld,--omstandigheden
waarvan rekening moest gehouden worden, alvorens zich op wegen te
begeven, waarop de terugkeer hoogst moeielijk zou geweest zijn.

Ten opzichte alleen van ons vervoer, ging dus alles zoo goed
mogelijk. De regen had geheel opgehouden. De hemel, half door lichte
nevels bedekt, die de zonnestralen lieten doorschemeren, dreigde niet
met een van die donderbuien, waarvan men in het centrale gedeelte van
het schiereiland de vreeselijke hevigheid ducht. Ofschoon de hitte
niet hevig was, deed zij toch gedurende eenige uren van den dag vrij
sterk aan; maar, over het geheel bleef het een gemiddelde temperatuur,
zeer goed te verdragen voor reizigers, die zich in de schaduw aan
haren invloed konden onttrekken. Aan klein wild was geen gebrek en
onze jagers voorzagen in de behoefte der tafel, zonder zich ver van
het Stoomhuis te verwijderen.

Alleen kapitein Hod,--en ook Fox zeker,--betreurde misschien
de afwezigheid der wilde beesten, die in Tarryani zoo overvloedig
werden aangetroffen. Maar konden zij ook verwachten leeuwen, tijgers,
panters te ontmoeten in streken waar aan de voor hun voedsel benoodigde
herkauwende dieren gebrek was?

Doch, mochten deze roofdieren al aan de fauna der Vindhyas ontbreken,
zoo kwamen wij in de gelegenheid om op ruimer schaal kennis te maken
met de olifanten van Indië,--ik meen met de wilde olifanten, waarvan
wij tot nog toe slechts enkele exemplaren gezien hadden.

Den 30n September, tegen twaalf uren zagen wij voor den trein uit
een paar van die prachtige dieren. Bij onze nadering wierpen zij
zich ter zijde van den weg, teneinde de voor hen nieuwe equipage,
die hun zeker schrik aanjoeg, te laten voorbijgaan.

Waartoe ze zonder noodzaak uit loutere liefhebberij te dooden? Kapitein
Hod dacht er zelfs niet aan. Hij vergenoegde zich die heerlijke dieren
te bewonderen, die in volle vrijheid tusschen de bergen rondliepen,
waar beken, stroomen en weiden in al hunne behoeften voorzagen.

»Wat een schoone gelegenheid," zei hij, »voor onzen vriend van Guitt,
om ons een les in de zoölogie te geven!"

Men weet, dat Indië bij uitnemendheid het land der olifanten is. Deze
dikhuiden behooren allen tot een zelfde soort, die een weinig beneden
die der Afrikaansche olifanten staat,--zoowel zij die de verschillende
provincies van het schiereiland bewonen, als die waarvan men de sporen
in Birmanië, in het koninkrijk Siam en in al de streken ten oosten
van de golf van Bengalen kan vinden.

Hoe vangt men ze? Meestal in een »kiddah," een ruimte door palissaden
omgeven. Wil men een geheele kudde vangen, dan drijven de jagers,
ten getale van een drie à vierhonderd, aangevoerd door een »djawadar"
of inlandschen sergeant, ze langzamerhand in de kiddah, sluiten ze
er in op, scheiden ze met behulp van opzettelijk daartoe afgerichte
tamme olifanten van elkander af, kluisteren de achterpooten, en de
vangst is gemaakt.

Doch deze methode, die tijd en een zekere machtsontwikkeling vordert,
is meestal vruchteloos, als men zich van de groote mannetjes wil
meestermaken. Deze toch zijn meer bij de hand en schrander genoeg
om den kring der drijvers te verbreken en hunne gevangenneming in de
kiddah te vermijden. In dat geval worden tamgemaakte wijfjes belast
deze mannetjes gedurende eenige dagen te volgen. Zij dragen hunne
mahouts op den rug in donker gekleurde dekkleeden gehuld en, als de
olifanten, die niets merken, zich aan een gerusten slaap overgeven,
maakt men zich van hen meester, worden zij geketend en medegevoerd,
zonder zelfs den tijd gehad te hebben tot zich zelve te komen.

Zooals ik reeds vroeger gelegenheid had te zeggen, ving men de
olifanten in kuilen, op hun spoor gegraven, en een vijftiental voet
diep, maar in zijn val verwondde of doodde zich het dier en heeft
men daarom bijna algemeen dit barbaarsche middel opgegeven.

Eindelijk wordt in Bengalen en Népaul de lasso nog gebruikt. Dit is
een ware jacht, somtijds vol belangwekkende avonturen. Men gebruikt
daartoe goed afgerichte olifanten, die door drie mannen bereden
worden. Op hun nek zit een mahout, die ze bestuurt, op het kruis een
drijver, die ze met den hamer of met den haak aanport; op den rug,
de Hindoe, die belast is met het werpen van den lasso, voorzien van
een schuifknoop. Zoo uitgerust, vervolgen deze dikhuiden den wilden
olifant uren achtereen, somtijds door vlakten, door bosschen tot
groot nadeel somtijds van hen, die ze berijden en eindelijk als het
beest den lasso om den kop geslingerd is, valt hij plomp op den grond,
aan de jagers overgeleverd.

Op deze verschillende wijzen worden er jaarlijks in Indië een groot
aantal olifanten gevangen. Het is geen slechte speculatie. Een wijfje
wordt verkocht tegen zeven duizend franken, een mannetje tegen twintig
duizend en zelfs tegen vijftig duizend franken als hij van zuiver
bloed is.

Zijn ze nu werkelijk nuttig, die dieren, dat men ze tegen zulke hooge
prijzen betaalt? Ja, en als men ze maar behoorlijk voedt,--namelijk
zes à zeven honderd pond groen voeder in de achttien uren geeft,
dat is nagenoeg het gewicht, dat ze op een gewoon traject kunnen
dragen,--bewijzen ze werkelijk goede diensten, waaronder vervoer van
artillerie in bergachtige landen, of in de voor paarden ontoegankelijke
jungles, zwaar werk voor rekening der particulieren, die ze gebruiken,
als trekdieren. Deze machtige en zachte reuzen, gemakkelijk en
snel te dresseeren, tengevolge van een bijzonder instinct, dat ze
tot gehoorzaamheid aanzet, zijn in de verschillende provinciën van
Hindostan algemeen gezocht. Daar zij zich nu in tammen toestand niet
vermenigvuldigen, moet men onophoudelijk jacht op hen maken, om aan
de aanvraag van het schiereiland en van den vreemde te voldoen.

Ook vervolgt men ze, sluit men ze in, vangt men ze op de zooeven
vermelde wijzen. En toch schijnt hun getal, niettegenstaande hun
verbruik, niet te verminderen; nog altijd blijft er in de verschillende
streken van Indië een aanzienlijk getal ever.

Zelfs moet ik er bijvoegen dat er »te veel" overblijven, zooals men
weldra zien zal.

De twee olifanten hadden zich, zooals ik reeds zeide, terzijde van den
weg geschaard, teneinde onzen trein te laten passeeren, waarna zij hun
een oogenblik afgebroken marsch hervat hadden. Bijna dadelijk daarop
kwamen andere olifanten in de achterhoede te voorschijn en voegden
zich, hunne schreden versnellende, bij de twee, die wij voorbij gegaan
waren. Een kwartier later, kon men er een dozijn tellen. Zij hielden
het Stoomhuis in het oog, zij volgden ons, zich op een afstand van
hoogstens vijftig meters houdende. Zij schenen evenmin begeerig ons
in te halen, als ons te verlaten. Nu was dit hun gemakkelijk, omdat
de IJzeren Reus op de hellende wegen, die om de voornaamste toppen
der Vindhyas heen loopen, zijn gang niet kon versnellen.

Een olifant kan trouwens sneller loopen dan men wel denken zou,--en
wel met een snelheid, die, volgens Sanderson, een zeer bevoegde
beoordeelaar in deze zaak, somtijds vijf en twintig kilometers per
uur overtreft. Voor hen dus, die ons op dat oogenblik volgden, was
niets gemakkelijker dan of ons te bereiken, of ons vooruit te komen.

Doch dit scheen niet in hun plan te liggen,--op dit oogenblik
althans. Zeker wilden zij zich eerst in grooter getale vereenigen,
en werkelijk deden zij uit hun enorme keel zekere kreten hooren, als
een sein, dat door kreten van achterblijvers, denzelfden weg volgende,
beantwoord werd.

Tegen een uur na den middag werden wij door een troep van een dertigtal
olifanten achtervolgd. Het was een geduchte bende geworden. Niets
bewees, dat hun aantal niet nog zou aangroeien. Gewoonlijk bestaat
een troep van die dikhuiden uit dertig of veertig individus, die een
familie vormen van meer of minder naverwante leden, maar niet zelden
ontmoet men verzamelingen van een honderdtal dier dieren, iets wat
den reizigers wel eenige ongerustheid inboezemt.

Kolonel Munro, Banks, Hod, de sergeant, Kâlagani en ik, waren onder
de veranda van het tweede rijtuig gezeten en letten op 't geen achter
ons plaatsgreep.

»Hun aantal neemt steeds toe," zei Banks en zal ongetwijfeld aangroeien
met al de olifanten uit de geheele streek!"

»Maar," deed ik opmerken, »ze kunnen toch elkander niet zoo bijzonder
ver hooren."

»Dat is waar," antwoordde de ingenieur, »maar ze ruiken elkander en
ze hebben zulk een fijnen reuk, dat tamme olifanten de wilde zelfs
drie of vier mijlen ver weten te ontdekken."

»'t Is een wezenlijke verhuizing," zei toen kolonel Munro. »Zie
eens! Er is daar achter onzen trein een gansche kudde, in groepen
van tien tot twaalf olifanten van elkander gescheiden en die groepen
zullen spoedig aan de algemeene beweging deelnemen. We zullen ons
wat dienen te haasten, Banks."

»De IJzeren Reus doet wat hij kan, Munro," antwoordde de ingenieur. »We
hebben al vijf atmosfeeren drukking en de weg is zeer steil!"

»Maar waarom ons zoo gehaast?" riep kapitein Hod uit, die bij
dergelijke voorvallen altijd vroolijk werd. »Laat die lieve beestjes
ons vergezellen! 't Is een stoet, onzen trein waardig! Het land was
eenzaam en verlaten, dat kunnen we nu niet meer zeggen, want we worden
nu geëscorteerd als een rajah op reis!"

»We zullen ze hun zin wel moeten laten," antwoordde Banks, »want ik
zie niet in hoe we ze zouden kunnen beletten ons te volgen!"

»Maar wat vrees je eigenlijk toch?" vroeg kapitein Hod. »Je weet
toch wel, dat een kudde altijd minder geducht is dan een enkele
olifant! 't Zijn werkelijk lieve dieren!... Schapen, groote schapen,
voorzien van een tromp, anders niet!"

»Komaan! Hod windt zich op!" zei kolonel Munro. »'k Geef gaarne toe
dat, als de kudde maar op een respectabelen afstand blijft, we niets te
duchten hebben; maar als ze 't in den zin krijgt ons op dien smallen
weg voorbij te komen, zou er voor het Stoomhuis meer dan één nadeel
uit kunnen voortvloeien!"

»Zonder nog te rekenen," voegde ik er bij, »dat, als ze zich voor den
eersten keer tegenover onzen IJzeren Reus bevinden, 'k niet weet hoe
ze hem zullen ontvangen!"

»Ze zullen hem groeten, voor den drommel!" riep kapitein Hod uit. »Ze
zullen hem groeten zooals de olifanten van prins Gourou Singh hem
gegroet hebben!"

»Dat waren tamme olifanten," merkte sergeant Mac Neil terecht aan.

»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »ook deze zullen tam worden,
of liever, ze zullen voor onzen reus verstomd staan van verbazing,
die spoedig in eerbied zal overgaan!"

Men ziet dat onze vriend niets van zijn enthusiasme verloren had
voor den kunstmatigen olifant, »dat meesterstuk van mechanisme,
voortgebracht door de hand van een Engelschen ingenieur!"

»Trouwens," voegde hij er bij, »deze proboscideën,--hij was werkelijk
op dat woord gesteld,--deze proboscideën zijn zeer schrander, ze
redeneeren, ze oordeelen, ze vergelijken, ze denken aaneengeschakeld
en geven bewijzen van een menschelijk verstand!"

»Dat is op zijn minst zeer overdreven," antwoordde Banks.

»Wat, overdreven!" riep kapitein Hod uit. »Hij, die zoo spreekt,
heeft niet in Indië gewoond! Laat men de schrandere dieren niet
allerlei huiswerk verrichten? Is er een met hen te vergelijken? Is de
olifant in het huis van zijn meester niet gereed tot het verrichten van
allerlei diensten? Weet je dan niet, Maucler, wat de schrijvers, die
hem het best gekend hebben, van hem zeggen? Volgens hen is de olifant
voorkomend voor hen die hij liefheeft, hij ontheft ze van hunne lasten,
hij gaat bloemen of vruchten voor hen plukken, hij zamelt aalmoezen in
voor de armen als de olifanten voor de beroemde pagode van Willenoor,
bij Pondicherie, hij betaalt in de bazars den suiker, de bananen of de
mango's, die hij voor eigen rekening koopt, hij beschermt in Sunderbund
de kudden en de woning van zijn meester tegen de wilde dieren, hij
pompt water uit de putten, hij past met meer zorg op de kinderen, die
men hem toevertrouwt, dan de beste kindermeid van gansch Engeland! En
menschelijk, dankbaar, want hij heeft een verbazend geheugen, vergeet
hij evenmin de weldaden als het onrecht, dat hem gedaan wordt! Ja,
mijne vrienden, die menschelijke reuzen,--'k zeg menschelijke reuzen,
zullen niet licht een onschadelijk insect verpletteren! Een mijner
vrienden,--en dat zijn trekken, die men niet licht vergeet,--zag dat
men een lievenheersbeestje op een steen zette en een tammen olifant
beval het te verpletteren! En wat deed de goede dikhuid? Hij lichtte,
telkens als hij over den steen heen ging, zijn poot op en noch bevelen,
noch slagen zouden hem er toe gebracht hebben hem op het insect te
plaatsen! In tegendeel, toen men hem beval het op te nemen en aan
te reiken, nam hij het met die soort van wonderhand, die hij aan de
punt van zijn snuit heeft, op en stelde het in vrijheid! Zeg nu nog
eens, Banks, dat de olifant niet goed, niet edelmoedig en niet boven
alle anderen dieren verheven is, zelfs boven den aap, zelfs boven
den hond en moeten we niet erkennen, dat de Hindoes gelijk hebben,
als zij hem bijna evenveel verstand toekennen als den mensch!"

Nadat hij met vuur deze woorden had uitgesproken, vond kapitein Hod
niets beters te doen dan zijn hoed af te nemen om de geduchte kudde,
die ons met afgemeten schreden volgde, te groeten.

»Goed gesproken, kapitein Hod!" antwoordde kolonel Munro
glimlachende. »De olifanten hebben in u een warmen verdediger!"

»En heb ik dan niet volkomen gelijk, kolonel?" vroeg kapitein Hod.

»'t Is mogelijk, dat kapitein Hod gelijk heeft," antwoordde Banks,
»maar ik hecht meer aan het oordeel van Sanderson, een olifantenjager
en een volleerde meester in alles wat hen betreft."

»En wat zegt die Sanderson dan toch?" riep de kapitein op vrij
minachtenden toon uit.

»Hij beweert, dat de olifant slechts een zeer middelmatig verstand
heeft en dat de verwonderlijkste zaken, die men die dieren ziet
volbrengen, slechts het resultaat zijn van een vrij slaafsche
gehoorzaamheid aan de bevelen, die hunne cornac's meer of minder in
't geheim hun geven!"

»Nu, die is mooi!" antwoordde kapitein Hod, die zich begon warm
te maken.

»Zoo doet hij ook opmerken," hernam Banks, »dat de Hindoes nooit den
olifant als een zinnebeeld van verstand, voor hun beeldhouwwerk of
hunne heilige teekeningen gekozen hebben en de voorkeur gaven aan
den vos, den raaf, en den aap!"

»'k Protesteer!" riep kapitein Hod uit, wiens arm de golvende beweging
van een tromp nabootste.

»Protesteer, kapitein, maar hoor me aan!" hernam Banks. »Sanderson
voegt er nog bij, dat, wat den olifant meer bijzonder onderscheidt,
de knobbel der gehoorzaamheid is, die een uitwas van belang op
zijn schedel moet vormen. Hij merkt ook aan, dat de olifant zich op
een zeer gemakkelijke manier laat vangen,--dat is het juiste woord,
zooals in kuilen met bladeren bedekt, en dat hij niet de minste moeite
doet om er uit te komen! Hij doet verder uitkomen, dat hij zich in
omheiningen laat drijven, waartoe met geen mogelijkheid andere wilde
dieren zouden te brengen zijn! Eindelijk is het volgens hem een feit,
dat de gevangen olifanten, wien het gelukte te ontkomen, zich met
een gemakkelijkheid laten hernemen, die hun schranderheid geen eer
aandoet! De ondervinding leert hun niet eens voorzichtig te zijn!"

»Arme dieren!" antwoordde kapitein Hod op komieken toon, »wat takelt
die ingenieur je toe!"

»Als een laatste bewijsgrond ten gunste van mijn stelling, moet ik er
nog bijvoegen," antwoordde Banks, »dat de olifanten niet zelden zeer
moeielijk zijn tam te maken, uit gebrek aan voldoende verstandelijke
vermogens en dikwijls is het zeer moeilijk ze te bedwingen, vooral
als ze jong zijn of tot de zwakke sekse behooren!"

»Dat is een overeenkomst te meer met de menschelijke
wezens!" antwoordde kapitein Hod. »Zijn de mannen niet veel
gemakkelijker te leiden dan de kinderen en de vrouwen?"

»Me dunkt, kapitein, dat we beiden al te zeer celibatair zijn om in
een dergelijke aangelegenheid juist te oordeelen!"

»Goed geantwoord!"

»Om er een eind aan te maken," voegde Banks er nog bij, »ik beweer,
dat men niet te veel moet vertrouwen op de al te zeer geroemde goedheid
van den olifant en dat het onmogelijk zou zijn een troep van die reuzen
weerstand te bieden, als de een of andere reden ze woedend maakte en
'k had wel zoo lief, dat zij, die ons op dit oogenblik vergezellen,
iets in het noorden te doen hadden, omdat wij zuidelijk gaan!"

»Zooveel te meer nog, Banks," antwoordde kolonel Munro, »omdat,
terwijl ge 't zamen zoo druk hadt, Hod en gij, hun aantal onrustbarend
is toegenomen!"



VII.

HONDERD TEGEN EEN.


Sir Edward Munro vergiste zich niet. Onze trein werd nu door een massa
van vijftig of zestig olifanten gevolgd. Zij liepen in dichte rijen
en reeds bevonden zich de eerste zoo dicht achter het Stoomhuis--op
een afstand van minder dan tien meters,--dat het mogelijk was ze
nauwkeurig waar te nemen.

Aan het hoofd liep toen een van de grootste uit de groep, ofschoon
zijn grootte, vertikaal tot aan den schouder gemeten, stellig niet
meer dan drie meters bedroeg. Zooals ik reeds zeide, is dit een
grootte beneden die van de Afrikaansche olifanten, waarvan eenige
vier meters bereiken. Zijne slagtanden ook, niet zoo lang als die
van zijn Afrikaanschen stamgenoot, waren niet langer dan een meter
vijftig aan de buitenste kromming, en veertig van de beenachtige spil
af, die tot basis dient. Op het eiland Ceilon ontmoet men een zeker
aantal dezer dieren zonder slagtanden, overigens een geducht wapen
waarvan zij zich met behendigheid bedienen, doch in Hindostan komen
deze »mucknas,"--zoo worden ze genoemd--zeer zelden voor.

Achter dezen olifant kwamen verscheidene wijfjes, die de eigenlijke
bestuursters der karavaan zijn. Ware het Stoomhuis er niet geweest,
dan zouden zij de voorhoede hebben uitgemaakt en ware dit mannetje
stellig achter in de rijen zijner metgezellen gebleven. Inderdaad
verstaan de mannetjes niets van de leiding der kudde. Zij hebben niet
voor hunne jongen te zorgen en kunnen niet weten wanneer het noodig
is halt te houden voor de behoeften dezer »zuigelingen" en ook niet
welk soort van kampementen ze noodig hebben. Het zijn dus zedelijk
de wijfjes, die de »slagtanden" in het huisgezin dragen en de groote
verhuizingen besturen.

Om nu de vraag te beantwoorden waarom die geheele troep nu zoo opbrak,
of de behoefte uitgeputte weilanden te verlaten, de noodzakelijkheid
den steek van zekere noodlottige vliegen te ontvluchten, of misschien
de lust onze vreemde equipage te volgen, ze door de bergengten der
Vindhyas dreef, zou moeielijk geweest zijn te beantwoorden. Het land
was tamelijk vlak en volgens hunne gewoonten reisden deze olifanten,
zoodra zij zich niet meer in boschachtige streken bevinden, op
klaarlichten dag. Zouden zij ophouden bij het aanbreken van den nacht,
zooals wij zelven verplicht waren het te doen? De tijd zou het leeren.

»Kapitein Hod," vroeg ik onzen vriend, »je ziet die achterhoede van
olifanten, die steeds in aantal toeneemt! Blijf je er bij, geen vrees
te hebben?....."

»Kom!" riep kapitein Hod. »Waarom zouden die beesten ons kwaad
willen? 't Zijn geen tijgers, niet waar, Fox?"

»En niet eens panters!" antwoordde de oppasser, die het natuurlijk
eens met zijn meester was.

Doch bij dit antwoord zag ik Kâlagani het hoofd schudden ten teeken
van afkeuring. Hij scheen de volkomen gerustheid der beide jagers
niet te deelen.

»Je schijnt niet gerust te zijn, Kâlagani," zei Banks tot hem, die
hem op hetzelfde oogenblik aankeek.

»Zou de gang van den trein niet een beetje te verhaasten
zijn?" vergenoegde de Hindoe zich te antwoorden.

»Dat zal niet gemakkelijk gaan," hernam Banks. »We kunnen 't evenwel
beproeven."

En Banks begaf zich van de achterveranda naar het torentje waar
Storr zich bevond. Bijna op hetzelfde oogenblik deed het gebriesch
van den IJzeren Reus zich sneller hooren en verhaastte zich de gang
van den trein.

Maar al had men den gang van den trein verdubbeld, zou er toch
geen verandering in den toestand der reizigers gekomen zijn. De
kudde olifanten zou eenvoudig hare schreden verhaast hebben. Dit
geschiedde ook werkelijk en de afstand tusschen haar en het Stoomhuis
bleef dezelfde.

Verscheidene uren gingen op deze wijze voorbij, zonder belangrijke
verandering. Na het diner hernamen wij onze zitplaatsen onder de
veranda van het tweede rijtuig.

Op dit oogenblik bood de weg van achteren een rechtlijnige richting
van minstens twee mijlen aan, en was de blik dus niet begrensd door
plotselinge bochten.

Tot onze ernstige ongerustheid zagen wij dat het aantal olifanten
sedert een uur al weer was toegenomen! Wij konden er nu minstens een
honderd tellen.

Deze dieren liepen toen in twee- of driedubbele gelederen, al naar de
breedte van den weg, in alle stilte, met gelijken pas, zou men zeggen,
deze met opgerichten tromp, gene met de slagtanden in de lucht. Het
was als het geklots der baren, die door groote grondgolven worden
opgelicht. Niets bruischte nog op, om de gelijkenis voort te zetten,
maar als een storm deze bewegelijke massa met woest geweld deed
uiteenspatten, zou het gevaar waaraan we bloot stonden, vreeselijk
zijn.

Intusschen begon de nacht langzamerhand te vallen,--een nacht waaraan
het licht van de maan en de glans der sterren zouden ontbreken, want
een soort van nevel hulde de hoogere hemelstreken in diepe duisternis.

Zooals Banks voorspeld had, zou men in zulk een donkeren nacht
onmogelijk op deze moeielijke wegen kunnen voortgaan, men zou wel
moeten stilhouden. De ingenieur besloot dus halt te houden, zoodra een
verwijding der vallei of een uitholling in een minder nauwe bergengte
de dreigende kudde zou toelaten ter zijde van den trein heen te gaan,
en haar verhuizing naar het zuiden voort te zetten.

Maar zou de kudde dit doen, en zou zij niet liever kampeeren op de
plek waar wij zelve zouden kampeeren?

Dat was de groote quaestie.

Het werd trouwens merkbaar, dat de olifanten met het vallen van
den nacht eenige vrees uitten, waarvan wij op den dag geen enkel
verschijnsel hadden waargenomen. Een soort van machtig maar dof geloei
ontsnapte aan hunne enorme longen. Op dit verontrustend leven volgde
een ander geluid van bijzonderen aard.

»Welk geluid is dat nu?" vroeg kolonel Munro.

»Dat is het geluid, dat deze dieren voortbrengen," antwoordde Kâlagani,
»als ze zich in tegenwoordigheid van een vijand bevinden."

»En dat zijn wij, 't kan niet anders zijn dan wij, die ze als zoodanig
beschouwen?" vroeg Banks.

»Ik vrees het!" antwoordde de Hindoe.

Het was alsof het in de verte donderde en het herinnerde aan het
geluid, dat men achter de schermen van een tooneel voortbrengt door een
stuk opgehangen ijzerblik in trilling te brengen. Terwijl de olifanten
het uiteinde hunner tromp op den grond wreven, ontlastten zij zich van
énorme hoeveelheden lucht, die zij door een langdurige opsnuiving in
hunne longen geborgen hadden. Dat was de oorzaak van dien machtigen
en diepen klank, die het hart toekneep als het gerommel van den donder.

Het was toen negen uren 's avonds.

Op deze plek diende een soort van kleine, bijna ronde vlakte, een
halve mijl in omtrek, tot uitgang van den weg, die naar het Puturia
meer geleidde, in welks nabijheid Kâlagani ons kamp meende op te
slaan. Maar dit meer bevond zich nog op een afstand van vijftien
kilometers, en wij moesten opgeven het voor den nacht te bereiken.

Banks liet nu halt houden. De IJzeren Reus bleef staan, maar men
spande hem niet uit. De vuren werden zelfs niet uitgedoofd en Storr
kreeg bevel zich altijd onder drukking te houden, teneinde den trein
op het eerste signaal te kunnen doen vertrekken. Men moest zich op
alle mogelijkheden voorbereid houden.

Kolonel Munro trok zich in zijn kamer terug. Wat Banks en kapitein
Hod aangaat, zij wilden liever niet naar bed gaan en ik verkoos bij
hen te blijven. Het geheele personeel was trouwens op de been. Doch
wat vermochten wij, als het den olifanten in den zin kwam zich op
het Stoomhuis te werpen?

Gedurende het eerste uur van ons waken hield een dof geruisch om het
kamp aan. Blijkbaar verspreidden de groote massa's zich over de kleine
vlakte. Zouden ze haar oversteken en hun weg naar het zuiden vervolgen?

»'t Blijft altijd mogelijk," zei Banks.

»'t Is zelfs waarschijnlijk," voegde kapitein Hod er bij, die er
altijd het beste van bleef denken.

Tegen omstreeks elf uren, nam het geraas allengs af en tien minuten
later, had het geheel opgehouden.

De nacht was toen volkomen stil. Het minste vreemde geluid zou ons
oor getroffen hebben. Men hoorde niets dan het doffe gerommel van
den IJzeren Reus in het donker. Men zag niets dan den vonkenregen,
die nu en dan uit zijn tromp ontsnapte.

»Welnu," zei kapitein Hod, »had ik geen gelijk? Zij zijn vertrokken,
die goede olifanten!"

»Goede reis!" antwoordde ik.

»Vertrokken!" antwoordde Banks, het hoofd schuddende. »Dat zullen we
gauw te weten komen!"

Daarna den machinist roepende, zeide hij:

»Storr, de lichten."

»Dadelijk, mijnheer Banks!"

Twintig seconden later sprongen twee electrische bundels stralen uit
de oogen van den IJzeren Reus, die door een zelfwerkend mechanisme
alle punten van den horizont in vollen gloed zette.

En tot hunne ontsteltenis zagen zij nu, dat de olifanten in een wijden
kring om het Stoomhuis gelegerd waren, onbeweeglijk, als ingeslapen,
slapende misschien. Het electrische vuur, dat hunne dichte massa's
onduidelijk verlichtte, scheen ze met een bovennatuurlijk leven
te bezielen. Door een eenvoudig gezichtsbedrog namen die monsters,
welke meer rechtstreeks door de schitterende stralen getroffen werden,
reusachtige afmetingen aan, waardig om met die van den IJzeren Reus
te wedijveren. Verschrikt vlogen ze op, alsof ze door een vurigen
prikkel waren gestoken geworden. Hun tromp stak naar voren uit,
hunne slagtanden richtten zich op. Men zou gezegd hebben, dat zij den
trein gingen bestormen. Een schor gebrom ontsnapte aan hun énormen
muil. Spoedig zelfs deelde zich deze plotselinge woede aan allen mede
en klonk een oorverdoovend concert ons kampement in het rond, alsof
honderd klaroenen tegelijk een wijdklinkend appél hadden aangeheven.

»Doof uit!" schreeuwde Banks.

De electrische stroom werd plotseling afgebroken en het getier hield
bijna onmiddellijk op.

»Ze zijn in een kring gelegerd," zei de ingenieur, »en zullen zich
daar morgen ochtend nog bevinden!"

Uit de gelaatstrekken van kapitein Hod meende ik op te maken, dat
zijn vertrouwen nu toch eenigszins aan het wankelen gebracht was.

Hoe te handelen? Kâlagani werd geraadpleegd en deze verborg zijne
ongerustheid niet.

Kon men er aan denken het kampement in het midden van dezen donkeren
nacht te verlaten? Dat was onmogelijk. Waartoe zou dat trouwens ook
gediend hebben? De troep olifanten zou ons zeker gevolgd hebben en
stellig waren de moeielijkheden grooter dan op den dag.

Men kwam dus overeen, dat men eerst met het krieken van den dag op weg
zou gaan. Men zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid en snelheid
vooruitgaan, maar zonder den geduchten stoet vrees aan te jagen.

»En als nu die dieren ons hardnekkig blijven volgen?" vroeg ik.

»Dan zullen we beproeven een plek te bereiken waar het Stoomhuis zich
buiten hun bereik kan stellen," antwoordde Banks.

»Zullen we die plek vinden, voordat we de Vindhyas verlaten
hebben?" zei kapitein Hod.

»Er is er een," antwoordde de Hindoe.

»Welke?" vroeg Banks.

»Het Puturiameer."

»Hoe ver is dat nog?"

»Nog ongeveer negen mijlen."

»Maar de olifanten zwemmen," antwoordde Banks, »en misschien beter
dan één ander viervoetig dier! Men heeft er gezien, die meer dan een
halven dag lang op de oppervlakte van het water verbleven! Is het
daarom niet te vreezen, dat ze ons op het Puturiameer volgen en dat
het Stoomhuis daardoor nog meer in gevaar wordt gebracht?"

»'k Zie geen ander middel om ons aan hun aanval te onttrekken!" zei
de Hindoe.

»We zullen het dan beproeven!" antwoordde de ingenieur.

Het was werkelijk het eenige wat we doen konden. Misschien zouden de
olifanten het niet durven wagen, om in deze omstandigheden te zwemmen
en misschien ook konden we 't in snelheid van hen winnen!

Men verbeidde met ongeduld den dag, die dan ook eindelijk aanbrak. Men
had niet de minste vijandige beweging gedurende het overige van den
nacht bespeurd; maar bij het opgaan der zon was geen enkele olifant
van plaats veranderd en het Stoomhuis van alle kanten ingesloten.

Er had toen een algemeene opschudding op de plek van het
kamp plaats. Het was alsof de olifanten aan een wachtwoord
gehoorzaamden. Zij schudden hun snuit, wreven hunne slagtanden tegen
den grond, maakten hun toilet, door zich met water te besproeien,
haastten zich nog hier en daar eenige mondvollen gras tot zich te
nemen, waarmede de bodem dik bezet was en begaven zich eindelijk
dichter bij het Stoomhuis, zoo dicht zelfs, dat men ze uit de vensters
met pieken zou hebben kunnen verwonden.

Banks beval ons evenwel ten sterkste aan, ze niet te tergen. Het
kwam er vooral op aan geen voorwendsel tot een plotselingen aanval
van hunne zijde te geven.

Intusschen begonnen enkele olifanten onzen IJzeren Reus al meer en
meer op de hielen te zitten. Blijkbaar wilden zij te weten komen
wat dat énorme dier was, dat zich tot nog toe onbeweeglijk gehouden
had. Beschouwden zij het als een hunner stamgenooten? Vermoedden
zij, dat er een verwonderlijke macht in hem school? Den vorigen dag
hadden zij geen gelegenheid gehad hem aan 't werk te zien, omdat
hunne eerste rangen zich altijd op een zekeren afstand achter den
trein hadden gehouden.

Maar wat zouden zij doen als zij hem hoorden zuchten, als zijn tromp
wolken stoom uitwierp, als zij hem zijne dikke gelede pooten zagen
oplichten en weder neerzetten, voortloopen en de twee rollende wagens
achter zich aan sleepen?

Kolonel Munro, kapitein Hod, Kâlagani en ik hadden voor op den trein
plaatsgenomen. Sergeant Mac Neil en zijne metgezellen bleven achter.

Kâlouth stond voor den vuurhaard van zijn stoomketel, dien hij
met brandstof bleef voorzien, niettegenstaande de stoom reeds vijf
atmosfeeren drukking bereikt had.

Banks, in het torentje bij Storr, hield de hand aan den regulateur.

Het oogenblik van vertrek was daar. Op een wenk van Banks, liet de
machinist de stoomfluit haar doordringend schel geluid hooren.

De olifanten spitsten het oor; daarna, een weinig achteruitgaande,
lieten zij den weg eenige passen ver open.

De stoom werd in de cilinders gelaten, en met geweld baande hij zich
door den tromp een weg naar buiten, de wielen der machine brachten de
pooten van den IJzeren Reus en daardoor den geheelen trein in beweging.

Men zal mij wel willen gelooven als ik verzeker, dat er zich in het
eerst een levendige verbazing openbaarde bij de dieren, die elkander
in de eerste rangen verdrongen. De doorgang tusschen hen in verwijdde
zich en de weg scheen nu vrij genoeg om het Stoomhuis een snelheid
te doen aannemen, die gelijk kon gesteld worden met die van een paard
in den draf.

Maar onmiddellijk zette zich ook de geheele »proboscideaansche
massa,"--een uitdrukking van kapitein Hod,--zoowel voor als achter,
in beweging. De eerste groepen stelden zich aan het hoofd van den
stoet, de laatste volgden den trein. Allen schenen vastbesloten hen
niet te verlaten.

Terzelfder tijd werden wij aan de zijde van den weg, die hier breeder
was, door andere olifanten vergezeld, als ruiters aan de portieren van
een staatsiekoets. Mannetjes en wijfjes, alles liep door elkander. Er
waren er van allerlei grootte, van allerlei leeftijd, jongelingen
van vijfentwintig jaren, volwassenen van zestig, oude dikhuiden van
meer dan honderd jaren, zuigelingen bij hunne moeders, die met de
lippen aan hunne borsten en niet met hun tromp--zooals men het wel
eens geloofd heeft,--onder het loopen, zogen. De geheele troep hield
hierbij een zekere orde in acht, haastte zich niet meer dan noodig
was en regelde zijne schreden naar die van den IJzeren Reus.

»'k Heb er vrede mee, dat ze op ons die wijze tot aan het meer
vergezellen," zei kolonel Munro.

»Ja," antwoordde Kâlagani, »maar hoe zal 't gaan als de weg weder
smaller wordt?"

Daarin was het gevaar gelegen.

Niets bijzonders had er plaats in de drie uren, die besteed werden om
twaalf kilometers af te leggen van de vijftien, die de afstand bedroeg
van het kamp naar het Puturiameer. Twee of drie keeren slechts,
hadden zich eenige olifanten dwars op den weg gesteld, alsof het
hun plan was geweest hem te versperren, maar de IJzeren Reus liep
met zijn slagtanden in horizontale richting vooruit op hen toe,
spuwde hun zijn stoom in het gezicht en dwong hen te wijken om hem
den doorgang vrij te laten.

Ten tien ure 's morgens bleven nog vier à vijf kilometers over om
het meer te bereiken. Daar,--men hoopte het althans,--zouden wij
betrekkelijk in veiligheid zijn.

Het spreekt van zelf, dat, indien de houding van de énorme kudde niet
vijandiger werd vóór onze komst aan het meer, Banks dit westelijk liet
liggen, zonder er zich op te houden, teneinde den volgenden morgen uit
de streek der Vindhyas te komen. Van daar naar het station Jubbulpore
zou het dan nog slechts een quaestie van eenige uren zijn.

Ik voeg hier nog bij, dat het land niet alleen zeer woest,
maar volkomen verlaten was. Geen enkel dorp, geen enkele
landhoeve,--tengevolge van het gebrek aan weiden,--geen enkele
karavaan, zelfs geen reiziger. Sedert onze komst in dit bergachtige
gedeelte van Bundelkund, hadden wij geen levende ziel ontmoet.

Tegen elf uren begon de vallei, door het Stoomhuis gevolgd, tusschen
twee machtige zijgebergten der keten, zich te vernauwen en zooals
Kâlagani gezegd had zou de weg zeer smal worden tot de plaats waar
hij op het meer uitliep.

Onze toestand, die reeds zeer verontrustend was, zou zich dus nog
verergeren.

Inderdaad zou, indien de rijen olifanten zich voor en achter den trein
eenvoudig verlengden, de moeielijkheid niet toegenomen zijn. Maar
de dieren die aan de zijden liepen, konden er niet blijven, want
zij zouden tegen de rotsachtige wanden van den weg verpletterd zijn
geworden, of in den afgrond, die hem op vele plaatsen begrensde,
gestort zijn. Uit instinct beproefden zij dus zich òf voor- òf
achteraan te plaatsen. Het gevolg was, dat het al spoedig niet meer
mogelijk was noch achteruit, noch vooruit te gaan.

»Nu wordt de zaak ingewikkeld," zei kolonel Munro.

»Ja," antwoordde Banks, »en nu zijn we in de noodzakelijkheid die
massa overhoop te werpen."

»Welnu, 't zij zoo!" riep kapitein Hod uit. »Wat duivel! De stalen
slagtanden van onzen reus zijn opgewassen tegen de ivoren slagtanden
van die malle beesten!"

Dus waren nu die proboscideaansche dieren al niet meer dan »malle
beesten" voor den levendigen en veranderlijken kapitein!

»Ongetwijfeld," antwoordde sergeant Mac Neil, »maar we zijn een
tegen honderd!"

»Vooruit, in allen gevalle!" riep Banks uit, »anders gaat de gansche
kudde over ons heen!"

Eenige stoomslagen deelden den IJzeren Reus een snellere beweging
mede. Zijne slagtanden bereikten het achterdeel van een der olifanten,
die zich vóór hem bevonden.

Het dier slaakte een kreet van pijn, die beantwoord werd door het
woeste geschreeuw van den ganschen troep. Nu zou het dan toch eindelijk
tot een worsteling komen, waarvan men den uitslag niet voorzien kon.

Wij hadden onze wapenen ter hand genomen, de geweren met puntkogels
geladen, de karabijnen met ontplofbare kogels, de revolvers voorzien
van hunne patronen. Wij moesten ons op alles gereed houden.

De eerste aanval kwam van een reusachtig mannetje, van een woest
voorkomen, die met de slagtanden vooruit, de achterpooten stevig op
den grond geschoord, zich tegen den IJzeren Reus keerde.

»Een »gunesh"," riep Kâlagani uit.

»Kom! hij heeft maar één slagtand!" merkte kapitein Hod aan, die ten
teeken van minachting de schouders ophaalde.

»Hij is er slechts te vreeselijker om!" antwoordde de Hindoe.

Kâlagani had dezen olifant met den naam bestempeld, dien de jagers hem
geven om de mannetjes met één slagtand aan te duiden. Het zijn dieren,
die bijzonder door de Hindoes geëerd worden, vooral als de rechter
slagtand hun ontbreekt. Zoodanig een nu was deze, en werkelijk was
hij, zooals Kâlagani terecht gezegd had, zeer geducht, zooals allen
zijner soort.

Men zag het dadelijk. Deze gunesh stootte een langen trompettoon uit,
boog zijn tromp terug, waarvan de olifanten zich nooit bedienen om
te vechten, en stortte zich op den IJzeren Reus.

Zijn slagtand trof het plaatijzer van de borst en doorboorde het
geheel; maar toen hij tegen het dikke bekleedsel van den inwendigen
haard aanstootte, brak hij door den schok glad af.

De geheele trein schudde, maar de eenmaal medegedeelde beweging dreef
hem vooruit en duwde den gunesh terug, die, hem het hoofd biedende,
te vergeefs beproefde weerstand te bieden.

Maar zijn oorlogskreet was gehoord en begrepen. De geheele voorste
massa der kudde bleef staan en bood een onoverkomelijken hinderpaal
van levend vleesch. Op hetzelfde oogenblik drongen de groepen van
achteren, hun marsch voortzettende, met geweld tegen de veranda
aan. Hoe een dergelijke verpletterende kracht te weerstaan!

Terzelfder tijd klemden zich eenigen van hen, die ter zijde liepen,
met opgerichte trompen, aan de rijtuigen vast, die zij met geweld
heen en weer schudden.

Men moest niet ophouden, of het was met den trein gedaan, doch men
moest zich verdedigen. Er viel nu niet meer te aarzelen. Geweren en
karabijnen werden op de aanvallers aangelegd.

»Laat geen enkel schot verloren gaan!" riep kapitein Hod. »Mijne
vrienden, mikt op het punt waar de tromp begint, of op de holte onder
het oog. Dat is 't best!"

De raad van kapitein Hod werd gevolgd. Er vielen verscheidene
geweerschoten, die door kreten van smart gevolgd werden.

Drie of vier olifanten, op de goede plek geraakt, waren gevallen,
zoowel achter als terzijde,--een gelukkige omstandigheid, omdat hunne
lijken nu den weg niet versperden. De eerste groepen waren een weinig
achteruit gegaan en de trein kon zijn weg vervolgen.

»Laadt weder en wacht af!" riep kapitein Hod.

Indien wat hij kommandeerde »af te wachten" de aanval was der geheele
kudde, dan werd hun geduld niet op de proef gesteld. Hij kwam en met
zulk een geweld, dat we ons verloren waanden.

Een concert van woedende en schorre kreten barstte eensklaps los. Men
zou gezegd hebben, dat het de olifanten waren, die de Hindoes door
een bijzondere behandeling ten strijde africhten en tot een onkenbare
woede, »musth" genaamd, weten op te hitsen. Niets vreeselijkers en
de stoutmoedigste olifantendooders, die in Guicowar worden afgericht
om tegen deze geduchte dieren te strijden, zouden voor de aanvallers
van het Stoomhuis stellig teruggedeinsd zijn.

»Vooruit!" schreeuwde Banks.

»Vuur!" schreeuwde Hod.

En met het snellere zuchten der machine paarden zich de losbarstingen
der vuurwapenen. Nu werd het in deze verwarde massa moeilijk juist
te mikken, zooals de kapitein had aanbevolen. Iedere kogel vond wel
een stuk vleesch te doorboren, maar hij trof niet doodelijk. Ook nam
de woede der gekwetste olifanten nog toe en zij beantwoordden onze
geweerschoten met nieuwe slagen hunner slagtanden, die de wanden van
het Stoomhuis aan flarden scheurden.

Intusschen voegde zich bij de losbarstingen der karabijnen, die van
voren en achter aan den trein werden afgeschoten, bij de ontploffing
der springkogels in het lichaam der dieren, het gefluit van den
stoom, vreeselijk verhit door de kunstmatige trekking. Steeds klom
de drukking. De IJzeren Reus stormde op den hoop toe en dreef hem
uit een. Terzelfder tijd deed zijn beweeglijke tromp dienst als
een geduchte knods en sloeg op de vleeschmassa los, die door zijn
slagtanden verscheurd werd.

En op die wijze ging men op den smallen weg vooruit. Een enkele maal
draaiden de wielen rond zonder vooruit te gaan, maar weldra sloegen
zij met hunne gegroefde vellingen weder in den weg en kwamen wij in
de richting van het meer vooruit.

»Hoera!" schreeuwde dan kapitein Hod, als een soldaat, die zich in
het dichtst van den strijd stortte.

»Hoera! hoera!" herhaalden we na hem.

Maar nu daalt een tromp op de voorveranda neder en ik zie het oogenblik
aankomen, dat kolonel Munro, door den levenden lasso opgenomen, onder
de pooten der olifanten geworpen wordt. En werkelijk zou dit gebeurd
zijn, zonder de tusschenkomst van Kâlagani, die met een krachtigen
bijlslag den tromp doorhakte.

Terwijl dus de Hindoe, met ijver aan de algemeene verdediging deelnam,
verloor hij Sir Edward Munro niet uit het oog. Bij de toewijding aan
den persoon van den kolonel, die zich nooit verloochend had, scheen hij
te begrijpen, dat hij het was, dien men boven allen moest beschermen.

Nu eerst bleek het welk een macht onze IJzeren Reus in zijn schoot
verborgen hield! Met welk een zekerheid hij zich een weg in de
levende massa maakte als een wig waarvan het doordringingsvermogen
om zoo te zeggen oneindig is! En daar tegelijkertijd de olifanten
der achterhoede ons met den kop vooruitduwden, ging de trein zonder
ophouden, zooal niet zonder schokken vooruit, en wel sneller dan wij
het hadden kunnen hopen.

Eensklaps deed zich te midden van het ontzettende rumoer een nieuw
geraas hooren.

Het was het tweede rijtuig, dat een groep olifanten tegen de rotsen
van den weg verbrijzelde.

»Springt over! springt over!" riep Banks onzen makkers toe, die het
Stoomhuis van achteren verdedigden.

En gelukkig waren Goûmi en sergeant Fox in allerijl van het tweede
rijtuig in het eerste overgegaan.

»En Parazard?" zei kapitein Hod.

»Hij wil zijn keuken niet verlaten," antwoordde Fox.

»Ontvoert hem! ontvoert hem!"

Onze kok dacht zeker dat het schande voor hem was den post te verlaten,
die hem was toevertrouwd. Maar weerstand te bieden aan de krachtige
armen van Goûmi, als deze armen zich aan het werk zetten, zou even
vruchteloos geweest zijn als zich te willen ontwringen aan de kaken
van een kaaiman. »Mijnheer" Parazard werd dus eenvoudig in de eetzaal
nedergezet.

»Allen present?" schreeuwde Banks.

»Ja, mijnheer," antwoordde Goûmi.

»Snijdt de verbindingsstrengen door!"

»Wat! de helft van den trein achterlaten!...." riep kapitein Hod uit.

»Het moet!" antwoordde Banks.

Nadat de verbinding verbroken, het brugje met bijlslagen vernield was,
bleef ons tweede rijtuig achter.

Het was tijd. Dit rijtuig werd heen en weer geslingerd, opgelicht,
toen op zijde geworpen, waarna de olifanten er zich met hunne gansche
zwaarte op wierpen en het eindelijk totaal verbrijzelden. Het was niets
meer dan een vormlooze massa, die nu den weg van achteren versperde.

»Wat blieft je!" zei kapitein Hod, op een toon waarom we gelachen
zouden hebben als de toestand anders geweest ware, »en nu zeggen
ze nog, dat die dieren zelfs geen lievenheersbeestje kwaad zouden
gedaan hebben!"

Indien die olifanten, woest geworden, het eerste rijtuig behandelden,
zooals zij het tweede behandeld hadden, dan hadden we ons geen illusie
te maken over het lot, dat ons wachtte.

»Stook op, Kâlouth!" schreeuwde de ingenieur.

Nog een halven kilometer, een laatste krachtsinspanning en het
Puturiameer was misschien bereikt!

En die laatste krachtsinspanning, die men van den IJzeren Reus
verwachtte, werd door het machtige dier door de hand van Storr
verricht, die den regulateur geheel opende. Hij baande zich een
weg door dat bolwerk van olifanten, waarvan de achtergestellen zich
boven de massa afteekenden als die der paarden op de schilderijen van
Salvator Rosa. Daarenboven vergenoegde hij zich niet hen met zijne
slagtanden toe te takelen, hij overstelpte ze met stralen brandenden
stoom, zooals hij de pelgrims van Phalgou gedaan had, hij zweepte ze
met stroomen kokend water!... In een woord, hij was prachtig!

Eindelijk vertoonde zich het meer bij de laatste kromming van den weg.

Als onze trein het nu nog tien minuten kon uithouden, zou hij er
betrekkelijk in zekerheid zijn.

De olifanten merkten dit zeker,--'t geen een bewijs was hunner
schranderheid, waarvoor kapitein Hod partij had getrokken. Een laatste
maal trachtten zij ons rijtuig omver te werpen.

Maar opnieuw donderden de vuurwapenen. Als hagel sloegen de kogels
op de eerste groepen neder. Nauwlijks versperden nog vijf of zes
olifanten den doorgang. De meesten vielen en de raderen knersten op
den met bloed gedrenkten grond.

Op honderd schreden van het meer verwijderd, moest men de dieren,
die een laatsten hinderpaal in den weg stelden, met geweld wegduwen.

»Stoom! stoom!" riep Banks den machinist toe.

De IJzeren Reus snorde alsof hij een werkplaats mechanische
garenwinders in zijn schoot verborgen droeg. De stoom spoot uit de
veiligheidskleppen onder een drukking van acht atmosfeeren. Ze te
belasten, met hoe weinig ook, zou den ketel, wiens wanden trilden,
hebben doen springen. Het was gelukkig onnoodig. De kracht van den
IJzeren Reus was nu onweerstaanbaar. Wat van den trein overbleef,
sleepte hem na en verbrijzelde de ledematen der op den grond geworpen
olifanten, op gevaar af zelf omver te vallen. Indien een dergelijk
ongeluk gebeurd was, ware het met al de gasten van het Stoomhuis
gedaan geweest.

Het ongeluk gebeurde evenwel niet, de oever van het meer werd eindelijk
bereikt en de trein dreef weldra op de stille wateren.

»God zij geloofd!" zei kolonel Munro.

Twee of drie olifanten, verblind van woede, stortten zich mede in het
meer en beproefden hen, die zij op vasten grond niet hadden kunnen
vernietigen, te vervolgen.

Maar de pooten van den Reus volbrachten hunne taak. De trein
verwijderde zich langzamerhand van den oever en eenige laatste, goed
gerichte kogels verlosten ons van de woedende dieren op het oogenblik
dat hunne trompen op de achterveranda zouden neder komen.

»Wel, kapitein," riep Banks uit, »wat zeg je nu van de zachtaardigheid
der Indische olifanten?"

»Nu, 't zou wat!" zei kapitein Hod, »met verscheurende dieren zou
't toch nog heel wat anders geweest zijn! Stel eens een dertigtal
tijgers maar, in de plaats van die honderd dikhuiden en 'k mag mijn
aanstelling verliezen, als er op dit oogenblik nog een van ons over
was om het avontuur te vertellen!"



VIII.

HET PUTURIAMEER.


Het meer Puturia, waarop het Stoomhuis voorloopig een schuilplaats
gevonden had, is ongeveer veertig kilometers gelegen ten oosten van
Dumoh. Deze stad, hoofdplaats van de Engelsche provincie waaraan zij
haar naam gegeven heeft, neemt in bloei toe en beheerscht met haar
twaalf duizend inwoners, nog versterkt door een klein garnizoen, dit
gevaarlijk gedeelte van Bundelkund. Maar buiten hare muren, vooral
naar het oostelijk gedeelte van het land, toe, in de meest onbebouwde
streek der Vindhyas, waarvan het meer het middelpunt inneemt, doet
haar invloed zich slechts moeielijk gevoelen.

Wat kon ons nu ook erger overkomen dan deze ontmoeting met olifanten,
waaruit we ons heelhuids hadden gered?

Toch was onze toestand ver van geruststellend, daar het grootste
gedeelte van ons materieel verloren was gegaan. Een der rijtuigen,
die den trein van het Stoomhuis uitmaakten, was vernietigd. Er was
geen middel het te »kalefateren," om een zeeterm te gebruiken. Omver
gevallen, tegen de rotsen verbrijzeld, moest er van zijn karkas,
waarover de gansche massa olifanten had moeten heen gaan, niets dan
vormlooze overblijfselen zijn overgebleven.

Ongelukkig bevatte dit rijtuig, behalve dat het diende om het personeel
der expeditie te herbergen, niet alleen de keuken en de voorraadkamer,
maar ook de bergplaats van het voedsel en de ammunitie. Van deze
laatste bleef ons niets meer over dan een dozijn patronen, maar het
was niet waarschijnlijk, dat we van onze vuurwapenen gebruik behoefden
te maken, vóór onze aankomst te Jubbulpore.

Wat het voedsel betreft was het een andere vraag, die niet zoo
gemakkelijk was op te lossen.

Inderdaad was er niets meer over dan de eetwaren der
provisiekamer. Aannemende, dat wij den avond van den volgenden dag
het nog zeventig mijlen verwijderde station konden bereiken, zouden
wij ons vier en twintig uren van eten moeten onthouden.

Welnu, men zou zich ook dit getroosten!

Hij, die in deze omstandigheid het meest hiervan wist, was natuurlijk
»mijnheer" Parazard. Het verlies van zijn provisiekamer, de verwoesting
van zijn laboratorium, de verspreiding van al zijn voorraad, hadden
hem tot in de ziel getroffen. Hij verborg zijn wanhoop niet en was
slechts bezorgd over den persoonlijken toestand, waarin hij zich
gebracht zag, terwijl hij de gevaren vergat, waaraan wij bijna
wonderdadig ontsnapt waren.

Op het oogenblik dus dat wij, in het salon vereenigd, zouden gaan
overwegen wat ons in deze omstandigheden te doen stond, verscheen de
altijd deftige »mijnheer" Parazard op den drempel en verzocht »een
mededeeling van het uiterste belang te doen."

»Spreek, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro hem, hem
uitnoodigende binnen te treden.

»Mijne heeren," zei onze zwarte chef ernstig, »het is u bekend
dat het geheele materieel, door de tweede woning van het Stoomhuis
medegevoerd, door deze ramp vernietigd is geworden! In het geval
zelfs dat er eenige levensmiddelen voor ons overgebleven waren, zou
ik uit gebrek aan een keuken, zeer in de verlegenheid geweest zijn,
u een maaltijd te bereiden, hoe eenvoudig ook.

»We weten het, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro. »Dat
is zeker te betreuren, maar we zullen doen zooals we kunnen, en we
zullen vasten als er gevast moet worden."

»Het is inderdaad dáárom nog te meer te bejammeren, mijneheeren,"
hernam onze chef, »omdat op het gezicht van die groepen olifanten,
die ons aantastten en waarvan er meer dan een onder uw moordend lood
gevallen is...."

»Prachtig uitgedrukt, mijnheer Parazard!" zei kapitein Hod. »Met
eenige lessen, zoudt u je al gauw even sierlijk kunnen uitdrukken,
als onze vriend Matthias van Guitt."

»Mijnheer" Parazard boog bij dit kompliment, dat hij zeer ernstig
opnam, en ging na een zucht, op deze wijze verder:

»'k Zei dus, mijneheeren, dat mij een gelegenheid was aangeboden,
eenig in haar soort, om mij te onderscheiden. Het vleesch van den
olifant, is, wat men er zich ook van moge voorstellen, niet goed
in al zijn deelen, waarvan eenige ontegenzeglijk hard en taai zijn;
maar het schijnt dat de Schepper van alle dingen, in die vleeschmassa
twee stukken heeft willen uitkiezen, van bijzondere hoedanigheid,
waardig te verschijnen op de tafel van den onderkoning van Indië. Ik
meen de tong van het dier, die buitengewoon smakelijk is, indien ze
wordt toebereid volgens een recept, dat niemand anders dan ik kan
klaarmaken en verder de pooten van den pachydermus...."

»Pachydermus?... wel, zeer goed, ofschoon proboscideër sierlijker is,"
zei kapitein Hod, zijne goedkeuring met een gebaar te kennen gevende.

»....De pooten," hernam »mijnheer" Parazard, »waarmede men een
der beste schotels maakt in de edele kookkunst, waarvan ik de
vertegenwoordiger ben in het Stoomhuis."

»U doet ons watertanden, mijnheer Parazard," antwoordde
Banks. »Ongelukkig aan den eenen kant, gelukkig aan den anderen,
hebben de olifanten ons niet op het meer gevolgd, en ik vrees maar
al te zeer, dat we, althans voor eenigen tijd, die fijne schotels
zullen moeten missen."

»Zou 't niet mogelijk zijn," hernam de chef, even naar den oever
terug te keeren, om ons te proviandeeren!"

»Dat is niet mogelijk, mijnheer Parazard. Hoe volmaakt uwe schotels
ook zouden geweest zijn, zoo iets mogen we niet wagen."

»Welnu, mijneheeren," hernam onze chef, »ontvangt dan de uitdrukking
van mijn innigen spijt, dien ik gevoel over dit betreurenswaardige
avontuur."

»We nemen gaarne uwe gevoelens van spijt aan, mijnheer Parazard,"
hernam kolonel Munro, »en zeggen er u dank voor. Wat het diner en
het déjeuner betreft, maak er u niet bezorgd over voor onze aankomst
te Jubbulpore."

»Er blijft me dus niet anders over dan me te verwijderen," zei
»mijnheer" Parazard, zich buigende, zonder iets van zijn gewonen
ernst te verliezen.

Wij zouden gaarne over de houding van onzen chef gelachen hebben,
indien wij geen andere zorgen gehad hadden.

Er deed zich namelijk een omstandigheid op, die onzen toestand
nog hachelijker maakte. Banks meldde ons, dat niet het gebrek aan
levensmiddelen, noch aan ammunitie op dit oogenblik het meest te
betreuren was, maar het gebrek aan brandstof. En werkelijk was hier
niets vreemds in gelegen, want het was sedert acht en veertig uren
niet mogelijk geweest het voor de voeding der machine noodige hout
te vernieuwen. De geheele voorraad was bij onze aankomst aan het
meer uitgeput. Een uur later zou het onmogelijk geweest zijn het te
bereiken, en het eerste rijtuig van het Stoomhuis zou hetzelfde lot
gedeeld hebben van het tweede.

»En nu," voegde Banks er bij, »hebben we niets meer te verbranden,
de drukking vermindert, ze is reeds tot twee atmosfeeren gedaald,
en er is geen middel haar te verhoogen!"

»Is dan werkelijk de toestand zoo ernstig als u schijnt te meenen,
Banks?" vroeg kolonel Munro.

»We zouden wel naar den oever kunnen terugkeeren, waarvan we niet ver
meer af zijn," antwoordde Banks. »Binnen een kwartier zouden we er
zijn, maar 't zou toch al te onvoorzichtig zijn naar de plek terug te
keeren, waar de kudde olifanten ongetwijfeld nog vereenigd is. Neen,
we moeten in tegendeel het meer oversteken en aan den zuidelijken
oever een punt opzoeken waar we kunnen ontschepen."

»Hoe groot is de breedte van het meer op deze plaats?" vroeg kolonel
Munro.

»Kâlagani schat dezen afstand op zeven of acht mijlen ongeveer. In
de omstandigheden waarin we ons nu bevinden, zouden we verscheidene
uren noodig hebben dezen afstand af te leggen, maar 'k zeg nog eens,
voordat er veertig minuten verloopen zijn, is de machine niet meer
in staat te werken."

»Welnu," antwoordde Sir Edward Munro, »laten we gerust den nacht op
het meer doorbrengen, we zijn er in zekerheid, dan kunnen we morgen
raad schaffen."

Er was op dit oogenblik niets beters te doen en we hadden overigens
zeer rust noodig. Op de laatste rustplaats, omringd door dien kring
van olifanten, had niemand in het Stoomhuis kunnen slapen en was dus
de nacht wakende doorgebracht.

En zou ook dezen nacht de lang gewenschte rust genoten worden?

Tegen zeven uren begon een lichte mist zich over het meer te
verspreiden. Men herinnert zich, dat den voorgaanden nacht reeds
dikke nevelen de hoogere streken der lucht bezochten. Hier nu
was een wijziging voorgevallen tengevolge van het verschil van
plaats. Mochten op de plaats waar de olifanten kampeerden deze dampen
op eenige honderden voeten boven den grond zijn blijven hangen, dit
was niet het geval op de oppervlakte van het Puturiameer, dank zij de
uitwaseming van het water. Na een vrij warmen dag, was er vermenging
van de hooge en lage luchtlagen en weldra was het geheele meer in een
mist verdwenen, niet dik in het begin, maar die toch elk oogenblik
dikker werd.

Dit was dus, zooals Banks gezegd had, een van die omstandigheden
waarvan rekening moest gehouden worden.

Zooals hij mede had aangekondigd, deden tegen half acht uur, de
laatste zuchten van den IJzeren Reus zich hooren, de zuigerslagen
werden minder snel, de gelede pooten hielden op het water te slaan,
de drukking daalde beneden een atmosfeer. Geen brandstof meer en geen
middel het zich te verschaffen.

De IJzeren Reus en het eenige rijtuig, dat hij nog op sleeptouw had,
dreven vreedzaam op de wateren van het meer, doch verplaatsten zich
niet meer.

In deze omstandigheden zou het te midden van den nevel moeielijk
geweest zijn onze positie nauwkeurig te bepalen. Gedurende den
korten tijd dat de machine gewerkt had, had de trein zich naar den
zuidoostelijken oever van het meer gericht, teneinde er een punt van
ontscheping op te zoeken. Daar nu het meer de gedaante van een vrij
verlengd ovaal heeft, was het mogelijk, dat het Stoomhuis niet ver
van den een of anderen oever verwijderd was.

Het spreekt van zelf, dat het geschreeuw der olifanten, dat ons
omstreeks gedurende een uur vervolgd had, zich nu niet meer deed
hooren.

Wij spraken dus over de verschillende mogelijkheden, die deze nieuwe
toestand ons konde brengen. Banks liet Kâlagani roepen, dien hij
wilde raadplegen.

De Hindoe verscheen dadelijk en werd verzocht zijne meening te zeggen.

Wij waren toen bijeen in de eetzaal, die, het licht van boven
krijgende, geen zijdelingsche vensters had. Op deze wijze kon het licht
der lampen niet naar buiten uitstralen. Dit was een nuttige voorzorg,
want het was beter, dat de positie van het Stoomhuis onbekend bleef
voor de zwervers, die misschien de oevers van het meer bezochten.

Het scheen mij toe dat Kâlagani in het eerst aarzelde de vragen,
die hem gesteld werden, te beantwoorden. Het gold de bepaling van de
positie, die de drijvende trein dat oogenblik op de wateren van het
Puturiameer innam, en ik moet zeggen, dat het antwoord wel eenigszins
moeielijk was. Misschien had een zwakke bries uit het noordwesten
haren invloed op de massa van het Stoomhuis doen gelden? Misschien
voerde een lichte strooming ons naar de onderste punt van het meer?

»Kom, Kâlagani," zei Banks, aandringende, »je bent volkomen bekend
met de uitgestrektheid van het Puturiameer?"

»Wel zeker, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »maar 't is moeielijk,
te midden van dien dikken mist....."

»Kunt ge bij benadering den afstand bepalen, waarop we ons op dit
oogenblik van den dichtst bij zijnde oever bevinden?"

»Ja," antwoordde de Hindoe, na eenigen tijd nagedacht te hebben. »Die
afstand moet niet verder zijn dan een en een halve mijl."

»Oostelijk?" vroeg Banks.

»Oostelijk."

»Zoo we dus aan dezen oever aanlandden, zouden we dichter bij
Jubbulpore dan bij Dumoh zijn?"

»Voorzeker."

»We zouden ons dus te Jubbulpore moeten proviandeeren," zei
Banks. »Doch, wie weet wanneer en hoe we den oever zullen kunnen
bereiken! Dat kan een, twee dagen duren en onze voorraad is uitgeput!"

»Maar," zei Kâlagani, »zou men niet kunnen beproeven nog dezen zelfden
nacht aan wal te komen?"

»En hoe?"

»Door zwemmende den oever te bereiken."

»Anderhalve mijl, te midden van dien dikken mist!" antwoordde
Banks. »Dat zou te gewaagd zijn...."

»Dat is geen reden om het niet te probeeren," antwoordde de Hindoe.

Ik weet niet waarom, maar het kwam me op nieuw voor, dat de stem van
Kâlagani niet zoo rond was als gewoonlijk.

»Zoudt ge willen beproeven het meer zwemmende over te steken?" vroeg
kolonel Munro, die den Hindoe aandachtig gadesloeg.

»Ja, kolonel, en 'k heb alle reden te gelooven, dat het me zou
gelukken."

»Wel, mijn vriend," hernam Banks, »je zoudt ons een grooten dienst
daarmede bewijzen! Eenmaal aan wal, zou 't je makkelijk vallen het
station van Jubbulpore te bereiken en er de hulp te halen, die we
noodig hebben."

»'k Ben gereed om te vertrekken!" antwoordde Kâlagani eenvoudig.

Ik wachtte totdat kolonel Munro onzen gids bedankte, die zich aanbood
om zulk een gevaarlijke taak te ondernemen; maar, na hem met nog meer
aandacht te hebben aangekeken, riep hij Goûmi.

Goûmi verscheen dadelijk.

»Goûmi," zeide Sir Edward Munro, »je kunt goed zwemmen?"

»Ja, kolonel."

»Zou je kans zien om dezen nacht een anderhalve mijl op het meer
zwemmende af te leggen?"

»Wel twee, kolonel."

»Welnu," hernam kolonel Munro, »Kâlagani hier biedt zich aan om
zwemmende den naasten oever bij Jubbulpore te bereiken. Nu hebben,
zoowel op het meer als in dit gedeelte van Bundelkund, twee schrandere
en stoutmoedige mannen, die elkander hulp kunnen verleenen, meer kans
op slagen.--Wil je Kâlagani vergezellen?"

»Dadelijk, kolonel," antwoordde Goûmi.

»'k Heb niemand noodig," antwoordde Kâlagani, »maar als kolonel Munro
er op staat, neem ik gaarne Goûmi als metgezel aan."

»Gaat dan, mijne vrienden," zei Banks, »en laat je moed je niet tot
onvoorzichtige stappen leiden!"

Nadat dit was afgesproken, gaf kolonel Munro, die Goûmi ter zijde nam,
hem eenige korte aanbevelingen. Vijf minuten later, lieten de twee
Hindoes, met een bundel kleeren op het hoofd, zich in het water van
het meer glijden. De mist was toen zeer dik en eenige vademen ver
waren zij reeds buiten het gezicht.

Ik vroeg toen kolonel Munro waarom hij er zoo op gesteld was geweest
Kâlagani een metgezel mede te geven.

»Mijne vrienden," antwoordde Sir Edward Munro, »de antwoorden van
dezen Hindoe, wiens getrouwheid ik tot nog toe nooit betwijfeld had,
kwamen me niet oprecht voor!"

»'k Heb denzelfden indruk gehad," zei ik.

»Wat mij betreft, ik heb niets opgemerkt..." zei de ingenieur.

»Hoor eens, Banks," hernam kolonel Munro. »Toen hij zich aanbood aan
land te gaan, had Kâlagani daar eenig doel mede."

»Welk?"

»'k Weet het niet, maar stellig had hij met zijn vraag om naar den
wal te gaan, het doel niet hulp te Jubbulpore te gaan vragen!"

»Wat zeg je!" riep kapitein Hod uit.

Banks keek den kolonel aan, de wenkbrauwen fronsende. Vervolgens
zei hij:

»Munro, tot nog toe heeft die Hindoe zich zeer welwillend en getrouw
betoond en meer bijzonder jegens u! Heden beweer je, dat Kâlagani
ons verraadt! Welk bewijs heb je er voor?"

»Terwijl Kâlagani sprak," antwoordde kolonel Munro, »heb ik gezien, dat
zijn huid zwart werd, en als de menschen met koperkleurige huid zwart
worden, liegen ze! Twintigmaal heb ik daardoor Hindoes en Bengalis
kunnen ontmaskeren en nooit heb ik me er bedrogen in gezien. 'k Zeg
dus nog eens dat Kâlagani, niettegenstaande de schijn vóór hem is,
de waarheid niet gezegd heeft."

Deze opmerking van Sir Edward Munro was,--'k heb er mij dikwijls van
overtuigd,--werkelijk gegrond.

Wanneer de Hindoes liegen, worden zij een weinig zwart, even als de
blanken rood worden. Dit verschijnsel had den scherpzinnigen kolonel
niet kunnen ontgaan en men moest zijn opmerking niet in den wind slaan.

»Maar welke plannen zou die Kâlagani dan toch hebben," vroeg Banks,
»en waarom zou hij ons verraden?"

»Dat zullen we later weten..." antwoordde kolonel Munro, »te laat
misschien!"

»Te laat, kolonel!" riep kapitein Hod uit! »Wel, we verkeeren toch
niet in gevaar, verbeeld ik me!"

»In alle geval, Munro," hernam de ingenieur, »heb je goed gehandeld hem
Goûmi mede te geven. Die toch is ons getrouw tot in den dood. Behendig,
schrander, zal hij, zoo hij eenig gevaar vermoedt, weten...."

»Zooveel te meer," antwoordde kolonel Munro, »nu hij gewaarschuwd is
en zijn metgezel in 't oog zal houden."

»Goed," zei Banks. »Nu hebben we niets anders te doen dan den dag af
te wachten. De mist zal zeker met de zon wel optrekken en dan kunnen
we zien, wat we doen zullen."

Wachten, inderdaad! Ook deze nacht zou dus geheel slapeloos worden
doorgebracht.

De mist was wel dikker geworden, maar niets voorspelde slecht weder. En
dat was gelukkig, want al kon onze trein drijven, hij was niet gemaakt
om »zee te bouwen!" We moesten dus hopen, dat al die blaasjes damp
zich bij het opgaan der zon zouden verdichten, wat voor den volgenden
dag prachtig weer zou beloven.

Terwijl ons personeel dus in de eetzaal plaatsnam, vleiden wij ons op
de divans van het salon neder, weinig pratende, maar het oor leenende
aan al de geruchten van buiten.

Eensklaps, tegen twee uren na middernacht, verstoorde een concert
van wilde dieren de stilte van den nacht.

Daar was dus de oever, in de richting van het zuidoosten, maar hij
moest nog vrij ver af zijn. Dit gehuil was nog zeer verzwakt door den
afstand, en Banks schatte dezen afstand op niet minder dan een goede
mijl. Een troep wilde beesten was zeker hun dorst komen lesschen aan
de uiterste punt van het meer.

Maar weldra ook bleek het, dat onder den invloed eener lichte bries, de
drijvende trein langzaam en gestadig naar den oever afdreef. Werkelijk
kwamen die kreten niet alleen duidelijk tot ons gehoor, maar men
onderscheidde reeds het statige gebrul van den tijger van het schorre
gehuil der panters.

»Sakkerloot!" kon kapitein Hod niet nalaten te zeggen, »wat een
prachtige gelegenheid om daar zijn vijftigsten te dooden!"

»Een anderen keer, kapitein!" antwoordde Banks. »Als de dag aanbreekt,
zal, op het oogenblik dat we aanlanden, die troep wilde dieren wel
plaats voor ons gemaakt hebben!"

»Zou er iets tegen zijn," vroeg ik, »de electrische vuren te
ontsteken?"

»Me dunkt, niet," antwoordde Banks. »Dit gedeelte van den oever
wordt zeer waarschijnlijk slechts bezocht door dieren, die willen
drinken. Er is dus geen reden om niet te beproeven het te verkennen."

En op bevel van Banks werden twee lichtbundels in de richting van het
zuidoosten uitgeworpen. Maar het electrische licht, niet bij machte
den dikken nevel te doorboren, kon slechts een klein eind voor het
Stoomhuis verlichten, zoodat de oever volkomen voor onze blikken
verborgen bleef.

Intusschen nam de hevigheid van het gehuil allengs toe, waaruit
bleek dat de trein voortging op de oppervlakte van het meer af te
drijven. Zeker moesten de op die plaats verzamelde dieren zeer talrijk
zijn, en dit was ook niet te verwonderen, omdat het Puturiameer voor
de wilde beesten van dit gedeelte van Bundelkund tot een natuurlijke
drinkplaats diende.

»Als Goûmi en Kâlagani maar niet te midden van den troep verzeild
zijn!" zei kapitein Hod.

»De tijgers vrees ik niet voor Goûmi!" antwoordde kolonel Munro.

Toen eenmaal de vermoedens in het hart van den kolonel waren wakker
geschud, was er geen houden meer aan en wat mij betreft, ik begon ze
te deelen. En toch de goede diensten van Kâlagani sedert onze komst in
het Himalayagebergte, zijne onbetwistbare verdiensten, zijne toewijding
in de twee omstandigheden waarbij hij zijn leven voor Sir Edward Munro
en kapitein Hod gewaagd had, alles getuigde in zijn voordeel. Maar,
als eenmaal de geest zich door kwade vermoedens laat medesleepen,
neemt de waarde der vroeger gebeurde feiten af en veranderen zij van
voorkomen, men vergeet het verledene, men vreest de toekomst.

En toch, welke drijfveer bewoog dien Hindoe om ons te verraden? Had
hij redenen van persoonlijken haat tegen de gasten van het
Stoomhuis? Voorzeker niet! Waarom ze dan in een hinderlaag gelokt? 't
Was onverklaarbaar. Iedereen gaf zich dus aan zeer duistere gedachten
over en met ongeduld wachtten wij de ontknooping van dezen toestand af.

Tegen vier uren van den ochtend hielden de dieren plotseling met
hun gehuil op en hetgeen ons allen trof, was, dat zij zich niet
langzamerhand schenen verwijderd te hebben, het een na het ander,
na een laatste teug een laatst gehuil doende hooren. Neen, het
was oogenblikkelijk. Men zou gezegd hebben, dat een onvoorziene
omstandigheid ze in hun bezigheid gestoord had en ze op de vlucht had
gedreven. Blijkbaar zochten ze hunne holen weder op, niet als dieren,
die ze rustig weder betreden, maar als dieren, die op de vlucht gaan.

De stilte was dus zonder overgang op al dat leven gevolgd. Het was
een feit waarvan de oorzaak ons nog niet helder was, maar dat onze
ongerustheid nog slechts deed toenemen.

Uit voorzichtigheid deed Banks de lichten uitdooven. Mochten de dieren
op de vlucht zijn gegaan voor een bende landloopers, die Bundelkund
en de Vindhyas bezoeken, dan moest men zorgvuldig de tegenwoordigheid
van het Stoomhuis verborgen houden.

De stilte werd nu niet eens meer gestoord door het lichte gekabbel der
golfjes. De bries was gaan liggen. Het was onmogelijk te weten of de
trein onder den invloed van een stroom bleef afdrijven. Maar spoedig
zou nu de dag aanbreken, die ongetwijfeld de nevelen zou verdrijven,
welke slechts de onderste lagen van den dampkring innamen.

Ik keek op mijn horloge. Het was vijf uren en zonder den mist, zou
de dageraad den gezichtskring reeds tot een omtrek van eenige mijlen
verwijd hebben. De oever zou dus in het gezicht geweest zijn, maar
de nevelsluier scheurde niet vaneen en--men moest nog geduld hebben.

Kolonel Munro, Mac Neil en ik, voor in het salon, Fox, Kâlouth en
»mijnheer" Parazard, achter in de eetzaal, Banks en Storr in het
torentje, kapitein Hod op den rug van het reusachtige dier, bij de
tromp, als een matroos op den uitkijk voor in een schip, we wachtten
allen totdat een onzer de kreet deed hooren van: land!

Tegen zes uren stak er een kleine bries op, nauwlijks voelbaar, maar
ze wakkerde weldra aan. De eerste zonnestralen doorboorden den nevel
en de horizont lag voor onze blikken open.

De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Hij vormde aan het
uiteinde van het meer een soort van scherpen inham, zeer boschrijk
op den achtergrond. De dampen stegen langzamerhand op en lieten in
de verte een rij bergen zien, welker toppen zich snel tegen de lucht
afteekenden.

»Land!" had kapitein Hod geroepen.

De drijvende trein bevond zich toen nog slechts op twee honderd meters
van den achtergrond der kreek van het Puturiameer en hij dreef af,
voortgestuwd door de bries, die uit het noordwesten woei.

Niets was er op dezen oever te zien, noch dier, noch menschelijk
wezen. Hij scheen volkomen verlaten te zijn. Geen woning overigens,
geen landhoeve onder het dichte gebladerte der eerste boomen. Men
scheen dus zonder gevaar te kunnen landen.

Met den wind van achteren ging de landing gemakkelijk op den platten,
zandigen oever. Doch, uit gebrek aan stoom, was het niet mogelijk
er tegen op te komen, noch ons vooruit te begeven op een weg, die,
na de richting door het kompas aangegeven, geraadpleegd te hebben,
de weg naar Jubbulpore moest zijn.

Zonder een oogenblik te verliezen, hadden wij kapitein Hod gevolgd,
die het eerst op den oever gesprongen was.

Nu, dadelijk aan het verzamelen van brandstof! »Binnen een uur,"
riep Banks, »zijn we onder stoom en op weg!"

De oogst was gemakkelijk. Overal op den grond was hout in overvloed
verspreid, en het was droog genoeg om onmiddellijk gebruikt te
worden. Het was dus meer dan genoeg om er den vuurhaard mede te vullen
en er den tender mede vol te laden.

Iedereen ging aan het werk. Kâlouth alleen bleef voor zijn stoomketel,
terwijl wij voor vier en twintig uren brandstof inzamelden. Het
was meer dan genoeg om het station van Jubbulpore te bereiken, waar
steenkool ons niet zou ontbreken. Wat het voedsel betreft, waaraan
de behoefte zich deed gevoelen, welnu!--het was immers den jagers
der expeditie niet verboden er onderweg in te voorzien. »Mijnheer"
Parazard zou gebruik maken van het vuur van Kâlouth en we zouden zoo
goed mogelijk onzen honger stillen.

Drie uren later had de stoom de noodige drukking, de IJzeren Reus
stelde zich in beweging, klom tegen de helling van den oever op en
bevond zich aan den ingang van den weg.

»Naar Jubbulpore!" riep Banks.

Maar Storr had den tijd niet gehad den regulator half om te draaien of
woeste kreten deden zich aan den zoom van het bosch hooren. Een bende
van minstens honderd vijftig Hindoes stortte zich op het Stoomhuis. Het
torentje van den IJzeren Reus, het rijtuig, van voren en van achteren,
werden overmeesterd, voordat wij den tijd gehad hadden tot ons zelve
te komen!

Bijna onmiddellijk voerden de Hindoes ons tot op vijftig schreden van
den trein mede en werden wij in de onmogelijkheid gesteld te vluchten!

Men stelle zich onzen toorn, onze woede voor bij het tooneel van
verwoesting en plundering, dat nu volgde. De Hindoes bestormden met
de bijl in de hand het Stoomhuis. Alles werd geplunderd, verwoest,
vernietigd. Van het ameublement bleef weldra niets meer over! Toen
voltooide het vuur het werk der verwoesting en binnen eenige minuten
was alles wat van ons laatste rijtuig overbleef, door de vlammen
vernield!

»Die deugnieten, die schoeljes!" schreeuwde kapitein Hod, dien
verscheidene Hindoes moeite hadden te bedwingen.

Maar, zooals ons, bleven ook hem slechts nuttelooze beleedigingen
over, welke die Hindoes niet eens schenen te begrijpen. En, om hun,
die ons bewaakten, te ontkomen, daar was geen denken aan.

De laatste vlammen waren uitgedoofd en weldra bleef er niets meer
over dan het vormlooze geraamte van de rollende pagode, die de helft
van het schiereiland had afgelegd!

Vervolgens hadden de Hindoes zich op onzen IJzeren Reus geworpen. Ook
hem wilden ze vernielen, maar daartoe waren zij onmachtig. Noch
de bijl, noch het vuur vermochten iets tegen het dikke harnas van
plaatijzer, dat het lichaam van den kunstmatigen olifant vormde,
noch tegen de machine, die hij in zich droeg. Niettegenstaande al
hunne pogingen, bleef hij ongedeerd, tot verrukking van kapitein Hod,
die hoera's van pleizier en van woede te gelijk uitbracht.

Op dit oogenblik kwam er een man te voorschijn. Hij moest het
opperhoofd dezer Hindoes zijn.

De geheele bende schaarde zich dadelijk om hem heen.

Een andere man vergezelde hem. Alles werd duidelijk. Die man was onze
gids, het was Kâlagani.

Van Goûmi geen spoor. De getrouwe was verdwenen, de verrader
was overgebleven. Ongetwijfeld hadden de trouw en opoffering van
onzen braven dienaar hem het leven gekost en zouden wij hem niet
terugzien! Kâlagani liep op kolonel Munro toe en koel, zonder de
oogen neer te slaan, zeide hij, op hem wijzende:

»Deze!"

Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept, en hij verdween
te midden der bende, die den weg naar het zuiden weder insloeg,
zonder ons nog voor de laatste maal de hand te hebben kunnen drukken,
noch ons een laatst vaarwel te hebben kunnen toeroepen!

Kapitein Hod, Banks, de sergeant, Fox, allen, we hadden hem zoo gaarne
aan die Hindoes willen ontrukken, maar vijftig armen hielden ons aan
den grond gekluisterd en ééne beweging meer was voldoende om ons het
leven te benemen.

»Geen wederstand!" zeide Banks.

De ingenieur had gelijk. Wij vermochten op dit oogenblik niets om
kolonel Munro te verlossen. Beter was het dus zich in te houden met
het oog op latere gebeurtenissen.

Een kwartier later, verlieten de Hindoes ons op hunne beurt en
volgden de sporen van de eerste bende. Hen te volgen zou een ramp
teweeggebracht hebben, zonder eenig voordeel voor kolonel Munro op
te leveren en toch was onze eerste opwelling hem te volgen...

»Geen stap verder," zei Banks.

Men gehoorzaamde hem.

Het was dan ten slotte wel degelijk kolonel Munro en hem alleen dien
deze Hindoes, door Kâlagani gewaarschuwd, op het oog hadden. Wat was
het plan van dezen verrader? Hij handelde blijkbaar niet op eigen
gezag. Maar wien gehoorzaamde hij dan?... Daar kwam plotseling de
naam van Nana-Sahib bij mij op!...



Hier houdt het handschrift op, door Maucler bezorgd. De jonge
Franschman zou niets meer zien van de gebeurtenissen, die
de ontknooping van dit treurspel zouden verhaasten. Doch deze
gebeurtenissen zijn later bekend geworden en, vereenigd onder den
vorm van een verhaal, voltooien zij de beschrijving van deze reis
door Noord-Indië.



IX.

VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.


De Thugs, bloediger gedachtenis, waarvan Hindostan verlost schijnt
te zijn, hebben evenwel opvolgers nagelaten hunner waardig. Het zijn
de Dacoits, een soort van Thugs in een andere gedaante. De wijze van
executie dezer boosdoeners is veranderd, het doel der moordenaars
moge niet meer hetzelfde zijn, het resultaat is het wel: het is de
moord met voorbedachten rade.

Er wordt nu niet meer, zooals vroeger, een slachtoffer aan de wreede
Kâli, de godin van den dood aangeboden. Deze nieuwe dweepers gaan nu
niet meer door worging te werk, zij vergiftigen om te stelen. Op de
worgers zijn meer praktische, doch even geduchte misdadigers gevolgd.

De Dacoits, die in zekere streken van het schiereiland afzonderlijke
benden vormen, nemen alles op wat de Engelsch-Indische rechtspleging
aan moordenaars door de mazen van haar net doet ontsnappen. Zij zwerven
dag en nacht langs de groote wegen, vooral in de meest afgelegen woeste
streken en men weet, dat in Bundelkund de geschiktste plaatsen gevonden
worden voor zulke tooneelen van geweld en plundering. Niet zelden
vereenigen deze bandieten zich in grooten getale om een afgelegen dorp
aan te tasten. Het eenige wat dan voor die bevolking overblijft, is de
vlucht te nemen, maar de pijniging met al hare verfijnde wreedheden,
wacht hen, die in de handen der Dacoits achterblijven. Onder hen zijn
de overleveringen in zwang gebleven van de voetschroeiers uit het
verre westen. Volgens Louis Rousselet overtreffen de »listen dier
ellendigen, de wijze waarop zij te werk gaan, alles wat ooit in het
meest fantastische brein eens romanschrijvers is opgekomen!"

En het was nu in handen van zulk een bende Dacoits, door Kâlagani
overgehaald, dat kolonel Munro gevallen was. Voordat hij tijd gehad had
tot bezinning te komen, gewelddadig van zijne metgezellen gescheiden,
was hij op den weg naar Jubbulpore medegevoerd.

Het gedrag van Kâlagani was van den dag af aan, dat hij met de
bewoners van het Stoomhuis betrekkingen had aangeknoopt, slechts
dat van een verrader geweest. Nana Sahib was de man geweest, die
hem had afgezonden, hij alleen had hem uitgekozen om zijn wraak voor
te bereiden.

Men herinnert zich, dat de nabob den 24n Mei ll., te Bhopal, gedurende
de laatste feesten van Moharum, die hij de stoutmoedigheid gehad had
bij te wonen, het vertrek van Sir Edward Munro naar de noordelijke
provinciën van Indië vernomen had. Op zijn bevel had Kâlagani, een
der aan zijne zaak en zijn persoon innig verknochte Hindoes, Bhopal
verlaten. Den kolonel op het spoor te komen, hem weder te vinden,
hem te volgen, hem niet meer uit het oog te verliezen, zijn leven,
als het moest, te wagen om zich in de omgeving te doen aannemen van
den onverzoenbaren vijand van Nana Sahib, dat was zijn zending.

Kâlagani was onmiddellijk vertrokken in de richting van de noordelijke
streken. Te Cawnpore had hij den trein van het Stoomhuis kunnen
achterhalen. Sedert dat oogenblik had hij, zonder zich ooit te
laten zien, naar gelegenheden gezocht, die zich niet voordeden. Toen
kolonel Munro en zijne metgezellen zich in het sanitarium van het
Himalayagebergte vestigden, besloot hij in dienst te treden van
Matthias van Guitt.

Het instinct van Kâlagani zeide hem, dat tusschen de kraal en
het Stoomhuis noodzakelijk bijna dagelijksche betrekkingen zouden
aangeknoopt worden. Dit was ook werkelijk het geval en van den eersten
dag af aan was hij zoo gelukkig, niet alleen dat de aandacht van
kolonel Munro op hem viel, maar ook, dat hij zich het recht op zijne
dankbaarheid verwierf.

Hij was dus door het ergste heen. Men weet het overige. De Hindoe
kwam dikwijls het Stoomhuis bezoeken. Hij werd op de hoogte van
de latere plannen zijner meesters gebracht, hij was bekend met den
reisweg, dien Banks zich voorstelde te volgen en van dat oogenblik
af aan beheerschte een enkel denkbeeld al zijne daden: zich te doen
aannemen als gids der expeditie, als deze naar het zuiden zou afzakken.

Ter bereiking van dit doel, verzuimde Kâlagani niets. Hij aarzelde
niet alleen niet het leven van anderen te wagen, maar ook het zijne. In
welke omstandigheden? Men heeft het nog niet vergeten.

De gedachte toch was bij hem opgekomen dat, indien hij de expeditie
dadelijk na het begin der reis vergezelde en onderwijl in dienst
van Matthias van Guitt bleef, dit alle verdenking zou verijdelen en
kolonel Munro misschien aanleiding zou geven hem aan te bieden wat
hij juist wilde verkrijgen.

Doch, om daartoe te geraken, moest de leverancier, van zijne
buffelbespanningen beroofd, in de noodzakelijkheid gebracht worden
de hulp van den IJzeren Reus in te roepen. Van daar dien aanval
der wilde dieren,--een onverwachte aanval, weliswaar,--maar waarvan
Kâlagani partij wist te trekken. Op gevaar af een groot onheil te
doen ontstaan, ontzag hij zich niet, ongemerkt de slagboomen, die
de deur der kraal gesloten hielden, te verwijderen. De tijgers, de
panters, snelden nu binnen de omheining, de buffels werden verspreid
of vernietigd, verscheidene Hindoes bezweken, maar het plan van
Kâlagani was gelukt. Matthias van Guitt zou nu wel genoodzaakt zijn
zijn toevlucht te zoeken bij kolonel Munro, teneinde met zijn rollende
menagerie Bombay te bereiken.

En inderdaad, in deze bijna verlaten streek van het Himalayagebergte
zijne bespanningen te vernieuwen, zou moeielijk geweest zijn. In alle
geval was het Kâlagani, die zich voor rekening van den leverancier
met deze zaak belastte. Het spreekt van zelf, dat hij hierin niet
slaagde en zoo geschiedde het, dat Matthias van Guitt, door den
IJzeren Reus op sleeptouw genomen, met zijn geheele personeel tot
het station Etawah afdaalde.

Daar zou de spoorweg het materieel der menagerie verder vervoeren. De
chikaris werden dus afgedankt en Kâlagani, wiens diensten mede
vervielen, zou hun lot deelen. Toen zat hij er zeer over in, wat er
verder van hem worden zou. Banks liep er in. Het kwam bij hem op,
dat die schrandere en trouwe Hindoe, zoo door en door bekend met dit
gedeelte van Indië, wezenlijke diensten zou kunnen bewijzen. Hij bood
hem dus aan tot Bombay hun gids te zijn, en van dien dag af aan lag
het lot der expeditie in de handen van Kâlagani.

Wie zou in dien Hindoe, altijd gereed zijn leven te wagen, een verrader
gezocht hebben.

Een oogenblik had Kâlagani zich bijna verraden. Dit was, toen Banks
hem over den dood van Nana Sahib sprak. Het was hem onmogelijk zijn
twijfel te verbergen en hij schudde het hoofd als iemand, die er niet
aan kon gelooven. Maar zou dit niet met elken Hindoe het geval zijn
geweest, voor wien de nabob een van die bovennatuurlijke wezens was,
dien de dood niet kon bereiken!

Kreeg Kâlagani hieromtrent de bevestiging dezer tijding, toen,--het
was geen toeval,--hij een zijner oude metgezellen in de karavaan der
Banjaris ontmoette? Men weet het niet, maar men mag veronderstellen,
dat hij nauwkeurig op de hoogte was, waaraan zich te houden.

Hoe het zij, de verrader verloor geen oogenblik zijne verfoeielijke
plannen uit het oog, alsof hij de ondernemingen van den nabob voor
zijn rekening had willen ten uitvoer brengen.

Daarom zette het Stoomhuis zijn weg door de bergpassen der Vindhyas
voort en na de vermelde avonturen kwamen de reizigers aan de oevers
van het Puturiameer aan, waar men een schuilplaats moest zoeken.

Toen Kâlagani daar den drijvenden trein wilde verlaten, onder
voorwendsel zich naar Jubbulpore te begeven, liet hij zich
doorgronden. Hoezeer hij zich zelven ook kon beheerschen, had een
eenvoudig physiologisch verschijnsel, dat niet aan de scherpzinnigheid
van den kolonel kon ontsnappen, hem verdacht gemaakt en men weet nu,
dat het wantrouwen van Sir Edward Munro maar al te zeer gerechtvaardigd
was.

Men liet hem vertrekken, maar gaf hem Goûmi mede. Beiden stortten zich
in het meer en hadden een uur later den zuidoostelijken oever bereikt.

Nu vervolgden zij in dien donkeren nacht te zamen hun weg, de een den
ander wantrouwende, deze niet wetende, dat hij gewantrouwd werd. Het
voordeel was dus toen aan de zijde van Goûmi, dezen tweeden Mac Neil
van kolonel Munro.

Gedurende drie uren bewandelden de twee Hindoes op die wijze den
grooten weg, die de zuidelijke ketens der Vindhyas doorkruist om uit
te komen aan het station van Jubbulpore. De mist was veel minder dik
in het open veld dan op het meer. Goûmi hield steeds een wakend oog
op zijn metgezel gevestigd. Hij droeg een flink mes in zijn gordel
en, vrij driftig van aard had hij zich voorgekomen om bij de eerste
verdachte beweging zich op Kâlagani te werpen en hem buiten staat te
stellen zijne kwade voornemens in praktijk te brengen.

Ongelukkig had de getrouwe Hindoe den tijd niet om te doen zooals
hij hoopte.

De nacht was, zonder maan, zeer duister. Op twintig passen afstand
was geen loopend mensch te onderscheiden.

Daar liet zich, aan een der krommingen van den weg gekomen, eensklaps
een stem hooren, Kâlagani roepende.

»Ja, Nassim!" antwoordde de Hindoe.

En op hetzelfde oogenblik weerklonk links van den weg een scherpe,
zeer vreemde kreet.

Deze kreet was de »kisri" van de woeste stammen van Gondwana, dien
Goûmi wel kende!

Goûmi stond verbaasd en kon niet handelen. En wat had hij ook, al
was Kâlagani dood, kunnen uitvoeren tegen een geheele bende Hindoes,
voor wie deze kreet tot wachtwoord moest strekken. Een voorgevoel gaf
hem in op de vlucht te gaan, teneinde te beproeven zijne metgezellen
te waarschuwen. Ja! trachten vrij te blijven, daarna naar het meer
terugkeeren en beproeven zwemmende den IJzeren Reus te bereiken om
hem te beletten aan wal te gaan, er was op dat oogenblik niets anders
te doen.

Goûmi aarzelde niet. Op het oogenblik dat Kâlagani zich bij den Nassim
vervoegde, die hem geantwoord had, sprong hij op zijde en verdween
in de jungles, die den weg bezoomden.

En toen Kâlagani met zijn medeplichtige terugkwam, om zich van den
metgezel te ontdoen, hem door kolonel opgedrongen, was Goûmi er
niet meer.

Nassim was het opperhoofd van een bende Dacoits, de zaak van Nana Sahib
toegedaan. Toen hij de verdwijning van Goûmi vernam, liet hij zijne
lieden de jungles doorzoeken. Tot elken prijs wilde hij zich weder
meester maken van den stoutmoedigen dienaar, die zooeven ontsnapt was.

De nasporingen waren vruchteloos. Goûmi had zich òf door de duisternis
begunstigd òf door zich in een of ander hol te verschuilen, uit de
voeten kunnen maken en men moest het zoeken opgeven.

Maar wat hadden ook die Dacoits van Goûmi te vreezen, van Goûmi,
aan zich zelven overgeleverd te midden van dat woeste land, drie uren
gaans reeds van het Puturiameer verwijderd, dat hij, hoe groot zijn
spoed ook was, niet vóór hen zou kunnen bereiken?

Kâlagani berustte er dan ook in. Hij beraadslaagde een oogenblik
met het opperhoofd der Dacoits, die zijne bevelen scheen af te
wachten. Daarna sloegen allen denzelfden weg weder in en liepen met
groote schreden in de richting van het meer.

En waarom had nu deze troep de bergpassen der Vindhyas verlaten,
waar zij sedert eenigen tijd kampeerden? Eenvoudig omdat Kâlagani de
aanstaande komst van kolonel Munro in de omstreken van het Puturiameer
had kunnen boodschappen. Door wien? Door dien Hindoe, die niemand
anders was dan Nassim en die deel uitmaakte van de karavaan der
Banjaris. Aan wien? Aan hem, wiens hand den geheelen aanslag in het
duister leidde!

Want, wat reeds voorgevallen was en toen nog voorviel, was het
resultaat van een vooraf beraamd plan, dat kolonel Munro en zijne
metgezellen niet konden verijdelen. Daarom konden op het oogenblik
dat de trein aan de zuidelijke punt van het meer aanlandde, de Dacoits
hem onder de bevelen van Nassim en van Kâlagani aanvallen.

Maar men had het op kolonel Munro gemunt, op hem alleen. Zijne
metgezellen, aan hun lot overgelaten en wier laatste huis vernield
was, waren niet meer te vreezen. Hij werd dus medegevoerd, en te
zeven uur 's morgens, was hij reeds een afstand van zes mijlen van
het Puturiameer verwijderd.

Dat Sir Edward Munro door Kâlagani naar het station van Jubbulpore
zou geleid worden, was niet aan te nemen. Hij zeide dan ook bij zich
zelven, dat hij de streek der Vindhyas niet zou verlaten en dat,
eenmaal in de macht zijner vijanden, hij er misschien nooit uit
zou geraken.

Evenwel had de moedige man niets van zijn koelbloedigheid verloren. Hij
hield zich te midden van die woeste Hindoes op elke gebeurtenis
voorbereid. Hij deed zelfs alsof hij Kâlagani niet opmerkte. De
verrader had zich aan het hoofd van den troep gesteld en hij was
er inderdaad het hoofd van. Vluchten was niet mogelijk. Hoewel niet
geboeid, zag kolonel Munro noch voor, noch achter, noch op de flanken
van zijn geleide, een enkele opening, die hem een doortocht had kunnen
verleenen. Trouwens zou hij ook onmiddellijk weder gevat zijn.

Hij dacht dus na over de gevolgen van zijn toestand. Moest hij
gelooven, dat Nana Sahib de hand in dit alles had? Neen, hij dacht
niet anders of de nabob was wel werkelijk dood. Maar had niet een
vriend of bloedverwant van het oude opperhoofd der opstandelingen,
Balao Rao misschien, besloten zijn haat te koelen, door deze wraak
te volvoeren, waaraan zijn broeder zijn leven gewijd had? Sir Edward
Munro vermoedde een streek van dezen aard.

Terzelfdertijd dacht hij aan den ongelukkigen Goûmi, die geen gevangene
der Dacoits was. Had hij kunnen ontsnappen? het was mogelijk. Was hij
niet dadelijk bezweken? het was waarschijnlijker. Kon men op zijn hulp
rekenen, in geval hij zich gezond en wel bevond? het was moeielijk.

Indien Goûmi toch eerst naar het station van Jubbulpore had gemeend
te moeten gaan om er hulp te zoeken, zou hij te laat komen.

Indien hij daarentegen zich bij Banks en zijne metgezellen aan
de zuidelijke punt van het meer was gaan vervoegen, wat zouden zij
beginnen bijna geheel van ammunitie ontbloot? Zouden zij den weg naar
Jubbulpore inslaan?... Maar, voordat zij hem hadden kunnen bereiken,
zou de gevangene reeds naar een ontoegankelijken schuilhoek der
Vindhyas gevankelijk zijn weggevoerd!

Van deze zijde dus geen straal hoop!

Kolonel Munro zag zijn toestand koelbloedig in. Hij wanhoopte niet,
want hij was geen man om zich te laten neerslaan, maar hij zag de
dingen liever in de werkelijkheid, inplaats van zich over te geven
aan een illusie, onwaardig een geest dien niets kon ontstellen.

Intusschen ging de troep met groote snelheid voorwaarts. Blijkbaar
wilden Nassim en Kâlagani vóór het ondergaan der zon een voorafbepaald
rendez-vous bereiken, waar het lot van den kolonel zou beslist
worden. Niet alleen de verrader had haast, maar ook Sir Edward Munro
was niet minder gejaagd er een eind aan te maken en ongeduldig te
weten, welk het einde was dat hem wachtte.

Een enkele maal, tegen twaalf uren, liet Kâlagani gedurende een half
uur halt houden. De Dacoits waren van levensmiddelen voorzien en aten
aan den rand eener kleine beek.

Een weinig brood en gedroogd vleesch werd ter beschikking van den
kolonel gesteld, die niet weigerde er iets van te gebruiken. Sedert
den vorigen dag had hij niets genomen en hij gunde zijnen vijanden
het genoegen niet hem in het laatste oogenblik lichamelijk te zien
verzwakken.

Op dit oogenblik had men bij dezen geforceerden marsch ongeveer zestien
mijlen afgelegd. Op bevel van Kâlagani, ging men weder op weg, steeds
in de richting van Jubbulpore.

Eerst ten vijf ure 's avonds, verliet de bende der Dacoits den grooten
weg, om links een zijpad in te slaan. Mocht dus kolonel Munro nog
een schijn van hoop bewaard hebben, zoolang hij den grooten weg bleef
houden, toen begreep hij, dat hij zich in de hand van God bevond.

Een kwartier later trokken Kâlagani en de zijnen door een nauwen
bergpas, die de uiterste grens vormde van de vallei der Nerbudda,
naar het meest woeste gedeelte van Bundelkund toe.

De plaats was gelegen op drie honderd vijftig kilometers ongeveer
van den pâl van Tandit af, in het oosten der Sautpourrabergen, die
men kan beschouwen als de westelijke verlenging der Vindhyas.

Daar verhief zich op een der laatste zijbergen de oude sterkte van
Ripore, sedert lang verlaten, omdat zij niet geproviandeerd kon worden,
bijaldien de bergpassen van het westen door den vijand bezet waren.

Deze sterkte bestreek een der laatste vooruitspringende bergen der
keten, een soort van natuurlijk bolwerk, vijf honderd voet hoog,
dat over een aanzienlijke verwijding van den bergpas, te midden der
naburige bergruggen hing. Het was niet te genaken dan langs een smal
voetpad, dat kronkelend in de rotsmassa was uitgehouwen, een pad,
nauwelijks voor voetgangers toegankelijk.

Op dat bergvlak bevonden zich nog eenige bouwvallen van
vestingwerken. Op het midden der vlakte, door een steenen borstwering
van den afgrond afgesloten, stond een half verwoest gebouw, dat
vroeger voor het kleine garnizoen van Ripore tot kazerne diende en
nu als stal zelfs niet bruikbaar meer zou geweest zijn.

Op het midden van het centrale vlak, was nog een stuk geschut
overgebleven van de velen, die vroeger door de schietgaten der
borstwering te voorschijn kwamen. Het was een enorm kanon, gericht
naar de voorzijde der vlakte. Te zwaar om te worden afgelaten, te
sterk beschadigd overigens om nog eenige waarde te hebben, had men
het daar laten liggen op zijn affuit, overgeleverd aan den roest,
die zijn ijzeren omhulsel verteerde.

Het mocht wel, door zijn lengte en dikte, de waardige tegenhanger
heeten van het vermaarde bronzen kanon van Bhilza, dat ten tijde
van Jehanghir gegoten werd, een enorm stuk, van zes meters lang, met
een kaliber van vier en veertig. Men had het ook kunnen vergelijken
met het niet minder beroemde kanon van Bidjapour, welks ontbranding,
volgens het zeggen der inlanders, geen enkel van de monumenten der
stad overeind had gelaten.

Dit was de sterkte van Ripore, waarheen de gevangene door den troep
van Kâlagani gevoerd werd. Het was vijf uren 's avonds, toen hij er
aankwam, na een dagmarsch van meer dan vijf en twintig mijlen.

Tegenover wien zijner vijanden zou kolonel Munro zich eindelijk
bevinden? Hij zou het maar al te spoedig weten.

Een groep Hindoes bewoonde toen het vervallen gebouwtje, dat zich te
midden van het bergvlak verhief. Deze groep kwam er uit te voorschijn,
terwijl de bende der Dacoits zich in een kring langs de borstwering
plaatste.

Kolonel Munro nam het midden van dezen kring in. Met gekruiste armen
wachtte hij.

Kâlagani verliet de plaats, die hij in de rij innam en deed eenige
stappen vooruit.

Een Hindoe, eenvoudig gekleed, liep aan het hoofd.

Kâlagani bleef voor hem staan en boog zich. De Hindoe reikte hem
een hand, die Kâlagani eerbiedig kuste. Een beweging van het hoofd
betuigde hem dat men over zijne diensten tevreden was.

Daarna stapte de Hindoe op den gevangene toe, langzaam, maar het
oog in vuur, met al de verschijnselen van een nauwlijks ingehouden
toorn. Het was als een roofdier, dat op zijn prooi los ging.

Kolonel Munro liet hem naderen, zonder een stap terug te treden,
hem even strak aankijkende, als hij zelf aangekeken werd.

Toen de Hindoe nog slechts vijf schreden van hem af was, zei de
kolonel, op een toon, die de diepste minachting te kennen gaf:

»'t Is Balao Rao maar, de broeder van den nabob!"

»Kijk beter!" antwoordde de Hindoe.

»Nana Sahib!" riep kolonel Munro uit, ditmaal ondanks zich zei ven
terugtredende. »Nana Sahib in leven!..."

Ja, de nabob zelf, het oude opperhoofd van den opstand der Sipayers,
de onverzoenbare vijand van Munro!

Doch wie was dan bij de ontmoeting in den pâl van Tandît bezweken? Het
was Balao Rao, zijn broeder.

De buitengewone gelijkenis dezer twee mannen, beiden in het gelaat
door de pokken geschonden, beiden denzelfden vinger van dezelfde hand
missende, had de soldaten van Lucknow en van Cawnpore bedrogen. Dezen
hadden niet geaarzeld den nabob te herkennen in hem, die slechts zijn
broeder was, en het zou onmogelijk geweest zijn deze vergissing niet
te maken. Toen dan ook aan de regeering bericht van den dood des
nabobs gezonden werd, leefde Nana Sahib nog en was het Balao Rao,
die gedood was.

Nana Sahib had zich gehaast van deze nieuwe omstandigheid
partij te trekken. Opnieuw bezorgde zij hem een bijna volstrekte
veiligheid. Immers zou zijn broeder door de Engelsche politie niet
met dezelfde hardnekkigheid vervolgd worden, en werd het ook werkelijk
niet. Niet alleen werd de moord van Cawnpore hem niet geweten, maar hij
had ook op de Hindoes van het centrum niet den noodlottigen invloed,
dien de nabob bezat.

Toen Nana Sahib zag, dat men hem zoo dicht op de hielen zat, nam hij
het besluit zich dood te houden tot het oogenblik, dat hij eindelijk
zou kunnen handelen, en tijdelijk zijne revolutionnaire plannen
latende rusten, had hij zich geheel aan zijne wraak gewijd. Nooit,
trouwens, waren de omstandigheden zoo gunstig geweest. Kolonel Munro,
steeds door zijne agenten bespied, had Calcutta verlaten om een reis
te ondernemen, die hem naar Bombay zou brengen. Zou het niet mogelijk
zijn hem in de streek der Vindhyas te lokken, door de provinciën van
Bundelkund? Nana Sahib dacht er over na en zond hem met dit doel den
schranderen Kâlagani.

De nabob verliet toen den pâl van Tandît, die hem geen zekere
schuilplaats meer toescheen. Hij drong door tot de vallei der Nerbudda,
tot de laatste bergengten der Vindhyas. Daar verhief zich de sterkte
van Ripore, die hem een schuilplaats voorkwam, waar de politie hem
niet licht zou opsporen, omdat zij wel moest aannemen dat hij dood was.

Nana Sahib vestigde er zich dus met de weinige aan zijn persoon
verknochte Hindoes. Hij versterkte deze weldra met een bende Dacoits,
waardig zich onder de bevelen van zulk een opperhoofd te stellen,
en wachtte nu op de dingen, die komen zouden.

Maar wat wachtte hij sedert vier maanden? Dat Kâlagani zijn taak
vervuld had en hem de op handen zijnde komst van kolonel Munro in dit
gedeelte der Vindhyas, alwaar hij zich in zijn macht zou bevinden,
boodschapte.

Eene vrees, evenwel, maakte zich van Nana Sahib meester. Deze, dat
de tijding van zijn dood, door het geheele schiereiland verspreid,
ook ter oore van Kâlagani kwam. Zou deze er geen geloof aanslaan en
zijn verraderlijke plannen tegen kolonel Munro laten varen?

Van daar dus de zending van een anderen Hindoe naar Bundelkund,
van dien Nassim, die, deel uitmakende van de karavaan der Banjaris,
den trein van het Stoomhuis op den weg van Scindia ontmoette, zich
in gemeenschap met Kâlagani stelde, en hem met den waren staat van
zaken bekend maakte.

Nadat dit geschied was, keerde Nassim, zonder een uur te verliezen
naar de sterkte van Ripore terug en berichtte Nana Sahib alles wat er
gebeurd was sedert den dag toen Kâlagani Bhopal verlaten had. Kolonel
Munro en zijne metgezellen begaven zich in kleine dagmarschen naar
de Vindhyas, Kâlagani leidde hen, en het was in de omgeving van het
Puturiameer, dat men hen moest afwachten.

Alles was dus gegaan, zooals de nabob het gewenscht had. Zijn wraak
kon hem niet meer ontsnappen.

En werkelijk bevond zich kolonel Munro dienzelfden avond, alleen,
ontwapend, in zijn tegenwoordigheid, aan zijne genade overgeleverd.

Na de eerste gewisselde woorden, keken deze twee mannen elkander een
oogenblik aan, zonder een enkel woord te uiten.

Maar plotseling kwam levendiger dan ooit het beeld van lady Munro bij
den kolonel op en steeg hem het bloed naar het hoofd. Hij sprong op
den moordenaar van de gevangenen van Cawnpore toe!....

Nana Sahib vergenoegde zich twee schreden achterwaarts te doen.

Drie Hindoes wierpen zich onmiddellijk op den kolonel, die hem niet
zonder moeite bedwongen.

Intusschen was Sir Edward Munro weder meester van zich zelf
geworden. De nabob begreep het ongetwijfeld, want met een wenk
verwijderde hij de Hindoes.

Opnieuw bevonden zich de twee vijanden van aangezicht tot aangezicht
tegenover elkander.

»Munro," zei Nana Sahib, »de uwen hebben voor den mond hunner kanonnen
de honderd twintig gevangenen van Peschawar vastgebonden en sedert dien
dag zijn meer dan twaalf honderd Sipayers op die vreeselijke wijze
ter dood gebracht! De uwen hebben onmeedoogend de vluchtelingen van
Lahore vermoord, zij hebben na de inneming van Delhi, drie prinsen en
negen en twintig leden der koninklijke familie gedood, zij hebben te
Lucknow zes duizend der onzen om het leven gebracht en drie duizend
na den veldtocht van Pentjab! In het geheel hebben door het kanon, het
geweer, de galg of de sabel, honderd twintig officieren of inlandsche
soldaten en twee honderd duizend inlanders met hun leven dezen opstand
voor de nationale onafhankelijkheid betaald!

»Dat ook hij sterve!" riepen de Dacoits en de Hindoes om Nana Sahib
geschaard.

De nabob lag hun met de hand het stilzwijgen op en wachtte totdat
kolonel Munro hem op deze beschuldigingen antwoordde.

De kolonel antwoordde niet.

»Wat u aangaat, Munro," hernam de nabob, »ge hebt met eigen hand
de Rani van Jansi, mijn getrouwe gezellin gedood... en ze is nog
niet gewroken!"

Geen antwoord van kolonel Munro.

»Eindelijk, voor vier maanden," zei Nana Sahib, »is mijn broeder Balao
Rao gevallen onder de Engelsche kogels, tegen mij gericht... en mijn
broeder is nog niet gewroken!"

»Dat hij sterve! Dat hij sterve!"

Deze kreten barstten met steeds meerdere hevigheid los en de geheele
bende maakte een beweging om zich op den gevangene te werpen.

»Stilte!" riep Nana Sahib uit. »Wacht het uur der gerechtigheid af!"

Allen zwegen.

»Munro," hernam de nabob, »het is een uwer voorouders, het is Hector
Munro, die voor het eerst deze verschrikkelijke straf heeft durven
opleggen, waarvan de uwen in den oorlog van 1857 zulk een vreeselijk
gebruik gemaakt hebben! Hij is het, die het bevel gaf, Hindoes, onze
bloedverwanten, onze broeders, levend voor den mond zijner kanonnen
vast te binden..."

Nieuwe kreten, nieuwe blijken den gevangene te lijf te willen, die
Nana Sahib ditmaal niet zoo licht had kunnen verhoeden. Ook voegde
hij er bij.

»Wraak roept wraak! Munro, ge zult sterven, zooals zoovelen onzer
gestorven zijn!"

Zich toen omkeerende:

»Zie dat kanon!" zeide hij.

En de nabob wees op het enorme stuk, meer dan vijf meters lang,
dat het midden van het bergvlak innam.

»Ge zult vastgebonden worden voor den mond van dat kanon! Het is
geladen, en morgen bij het opgaan der zon, zal zijn losbarsting,
die tot in de verre bergpassen der Vindhyas zal weergalmen, iedereen
verkondigen, dat de wraak van Nana Sahib eindelijk gekoeld is!"

Kolonel Munro keek den nabob strak aan met een kalmte, die de
aankondiging van zijn op handen zijnde dood, niet kon verstoren.

»Het is goed," zeide hij, »ge handelt zooals ik zou gehandeld hebben,
als ge in mijn handen gevallen waart!"

En uit eigen beweging ging kolonel Munro zich voor den mond van het
kanon plaatsen, waaraan hij met de handen op den rug met sterke touwen
werd vastgebonden.

En toen kwam, een heel uur achtereen, de gansche bende Dacoits
en Hindoes hem op laffe wijze beleedigen. Men zou gezegd hebben,
dat het Sioux waren uit Noord-Amerika, om een gevangene geschaard,
die aan den martelpaal was vastgeklonken.

Kolonel Munro bleef ongevoelig voor smaad, zooals hij ongevoelig voor
den dood wilde zijn.

Toen daarna de avond viel, trokken Nana Sahib, Kâlagani en Nassim zich
in de oude kazerne terug. De geheele bende, eindelijk moede geworden,
verliet de plaats en voegde zich bij hare opperhoofden.

Sir Edward Munro bleef alleen, in tegenwoordigheid van den dood en
van God.



X.

VOOR DEN MOND VAN EEN KANON.


De stilte hield niet lang aan. Niet alleen waren levensmiddelen ter
beschikking van de bende der Dacoits gesteld, maar zij maakten ook
een bovenmatig gebruik van sterke arak, onder welker invloed men ze
kon hooren schreeuwen en vloeken.

Doch al dat leven hield allengs op. Het zou niet lang duren of de
slaap zou zich meester maken van die dieren in menschengedaante,
die daarenboven reeds afgemat waren door een langen, vermoeienden dag.

Zou Sir Edward Munro dan nu zonder wachter gelaten worden tot het
oogenblik dat zijn doodsuur zou slaan? Zou Nana Sahib zijn gevangene
niet laten bewaken, al was hij stevig vastgebonden met driedubbele
dikke koorden, die armen en borst omgaven en hij daardoor volkomen
buiten staat was de minste beweging te maken?

De kolonel vroeg het zich af, toen hij tegen acht uren een Hindoe de
kazerne zag verlaten en zich naar het bergvlak begeven.

Deze Hindoe had het bevel, den geheelen nacht in het gezelschap van
kolonel Munro te blijven.

Na schuin het bergvlak te zijn overgestoken, kwam hij recht op het
kanon af, teneinde zich te overtuigen, dat de gevangene zich nog
altijd daar bevond. Met krachtige hand onderzocht hij de touwen,
die hem stevig genoeg voorkwamen. Daarna, zonder zich rechtstreeks
tot den kolonel te wenden, maar in zich zelven sprekende, zeide hij:

»Tien pond kruit! In langen tijd liet het oude kanon van Ripore niets
van zich hooren, maar morgen zal het spreken!..."

Deze opmerking bracht een glimlach van minachting op het fiere
gelaat van kolonel Munro. De dood kon hem niet versagen, onder welken
verschrikkelijken vorm hij hem ook zou genaken.

De Hindoe bekeek eerst het voorste gedeelte van den vuurmond, trad
toen een paar stappen terug, streek met de hand over den dikken kulas,
terwijl hij den vinger een oogenblik op het zundgat liet rusten,
dat tot aan den rand toe met slagkruit gevuld was.

Daarna bleef de Hindoe dood op zijn gemak, tegen de druif aangeleund
staan. Hij scheen geheel vergeten te hebben, dat de gevangene zich
daar nog bevond als een lijder aan den voet der galg, wachtende,
dat het valluik zich aan zijne voeten onttrok.

Hetzij uit onverschilligheid, hetzij als een gevolg van de arak, die
hij dien avond gedronken had, neuriede de Hindoe half binnensmonds een
oud refrein van Goundwana. Hij brak telkens af en begon dan opnieuw,
als iemand, die, onder den invloed van een half dronken toestand,
langzamerhand zijne gedachten begon te verliezen.

Een kwartier later, richtte de Hindoe zich weder op. Zijn hand gleed
over het achterste gedeelte van het stuk. Hij ging er om heen en voor
kolonel Munro blijvende staan, keek hij hem aan, onder het prevelen
van onsamenhangende woorden. Uit instinct grepen zijne vingers een
laatste maal de touwen, als om ze nog vaster aan te trekken; daarna
ging hij met het hoofd knikkende, als iemand die gerust is, een tiental
schreden verder, links van den vuurmond, over de borstwering leunen.

Gedurende nog tien minuten, bleef de Hindoe in deze positie, nu eens
naar het bergvlak gekeerd, dan weder naar buiten over de borstwering
heen gebogen en zijne blikken gericht in den afgrond aan den voet
der sterkte.

Duidelijk deed hij een laatste, wanhopige poging om niet voor den
slaap te bukken. Maar eindelijk was hij door vermoeidheid overwonnen
en liet hij zich op den grond zakken, strekte er zich op uit en was
nu volkomen onzichtbaar door de schaduw der borstwering.

Het was intusschen reeds zeer donker geworden. Dikke, onbeweeglijke
wolken strekten zich over den hemel uit. De dampkring was zoo stil
alsof de luchtmoleculen aan elkander gesoldeerd waren. De geluiden
uit de vallei drongen niet tot op deze hoogte door. Het was doodstil.

Hoe kolonel Munro dien benauwden nacht doorbracht, moet ter eere van
dien man vol geestkracht hier vermeld worden. Geen oogenblik dacht hij
aan die laatste seconde van zijn leven waarin de weefsels van zijn
lichaam, met geweld vaneen gescheurd, zijne vreeselijk verspreide
ledematen zich in de ruimte zouden verliezen. Het zou slechts een
bliksemslag zijn en dat was niet iets, dat in staat was hem van
zijn stuk te brengen en hem zijne gewone koelbloedigheid te doen
verliezen. Eenige uren slechts had hij nog te leven; zij behoorden nog
tot dat bestaan, dat voor het grootste gedeelte zoo gelukkig geweest
was. Zijn leven ging tot in de minste bijzonderheden voor hem voorbij,
zijn geheele verleden doemde in zijn geest op.

Het beeld van lady Munro stond voor hem. Hij zag haar weder, hij
hoorde haar, de ongelukkige, die hij nog als in de eerste dagen
beweende, niet meer met de oogen, maar met het hart! Hij vond haar
terug als jong meisje, te midden dier noodlottige stad Cawnpore, in
die woning waar hij haar voor het eerst gekend, bewonderd, bemind
had! Die weinige jaren van geluk, zoo plotseling afgebroken door
de vreeselijkste der rampen, herlevendigden zich in zijn geest. Al
de bijzonderheden dier jaren, hoe gering ook, kwamen zoo juist
in zijn geheugen terug, dat ze niet door de werkelijkheid hadden
kunnen overtroffen worden! Reeds was de halve nacht verstreken,
zonder dat Sir Edward Munro er iets van gemerkt had. Hij had geheel
in zijne herinneringen geleefd, daar, bij zijn aangebeden vrouw,
zonder dat iets er hem van had kunnen afbrengen. In drie uren had
hij als in een droom de drie jaren doorleefd, die hij bij haar had
doorgebracht! Ja! zijn verbeelding had hem onweerstaanbaar van het
bergvlak der sterkte van Ripore weggetooverd, zij had hem losgerukt
van den mond van dat kanon, waarvan de eerste zonnestraal, om zoo te
zeggen, de lont zou doen ontvlammen!

Maar toen kwam de vreeselijke ontknooping van het beleg van Cawnpore
hem voor den geest, de gevangenneming van lady Munro en hare moeder
in Bibi-Ghar, de moord hunner ongelukkige gezellinnen en eindelijk
die put, het graf van twee honderd slachtoffers, waarop hij vier
maanden geleden, een laatste maal was gaan weenen.

En die verfoeielijke Nana Sahib, die zich daar op eenige schreden van
hem af, achter de muren van die bouwvallige kazerne ophield, hij,
de lastgever van die moorden, de moordenaar van lady Munro en van
zoovele andere ongelukkigen! En in zijne handen was hij gevallen,
hij, die als rechter had willen optreden van den moordenaar, dien
het gerecht niet had kunnen bemachtigen!

Sir Edward Munro, door een blinde woede bezield, deed een
bovenmenschelijke poging om zijn banden te verbreken. De touwen
kraakten en de nog vaster gesnoerde knoopen drongen hem in het
vleesch. Hij uitte een kreet, niet van smart, maar van onmachtige
woede.

Bij dien kreet lichtte de Hindoe, in de schaduw der borstwering
uitgestrekt, het hoofd op. Het gevoel van zijn toestand kwam bij hem
terug. Hij herinnerde zich, dat hij de bewaker van den gevangene was.

Hij stond dus op, trad aarzelend op kolonel Munro toe, legde hem de
hand op den schouder, om zich te verzekeren, dat hij zich nog altijd
daar bevond en zeide op den toon van iemand in half slapenden toestand:

»Morgen, bij het opgaan der zon... Boem!"

Daarna ging hij naar de borstwering terug, teneinde er zijn steunpunt
te hernemen. Zoodra hij haar had teruggevonden, strekte hij zich
weder op den grond uit en sliep spoedig geheel in.

Na deze vergeefsche poging had kolonel Munro zijn gewone kalmte
teruggekregen. Zijne gedachten namen een andere richting, zonder dat
hij meer dacht aan het lot dat hem wachtte. Door een natuurlijken
samenloop van gedachten, kwamen hem zijne vrienden, zijne metgezellen
voor den geest. Hij vroeg zich af of zij ook in de handen eener andere
bende van Dacoits gevallen waren, waarvan het in de Vindhyas wemelt,
of men hun geen dergelijk lot als het zijne voorbereidde, en die
gedachte deed hem het hart ineenkrimpen.

Maar bijna onmiddellijk daarop, zeide hij zich zelven, dat dit
niet kon zijn. Immers, indien de nabob ook hun dood had gewild, zou
hij ze met hem in dezelfde straf vereenigd hebben. Neen! aan hem,
aan hem alleen,--hij beproefde het te hopen,--wilde Nana Sahib zijn
hart koelen!

En evenwel, indien het mocht zijn, dat Banks, kapitein Hod, Maucler
reeds vrij waren, wat deden ze dan nu? Waren zij op weg naar Jubbulpore
met den IJzeren Reus, dien de Dacoits niet hadden kunnen vernielen? Aan
hulp zou het hun daar niet ontbreken! Maar waartoe? Hoe zouden zij
geweten hebben waar kolonel Munro zich bevond? Niemand kende het fort
van Ripore, den schuilhoek van Nana Sahib. En buitendien, waarom zou
de naam van den nabob hun in de gedachte gekomen zijn? Was Nana Sahib
niet dood voor hen? Was hij niet bezweken bij den aanval van den pâl
van Tandît? Neen, ze konden werkelijk niets voor den gevangene doen!

Van de zijde van Goûmi was evenmin hoop te verwachten. Kâlagani had
er alle belang bij gehad zich van dien getrouwen dienaar te ontdoen en
hoogst waarschijnlijk was Goûmi zijn meester in den dood vooruitgegaan!

Het ware dus nutteloos geweest op eenig reddingsmiddel te
rekenen. Kolonel Munro was de man niet zich daaromtrent eenige illusie
te maken. Hij bekeek de dingen in het ware licht en kwam geleidelijk
tot zijne eerste gedachten terug, tot de herinnering der gelukkige
dagen, die zijn hart vervulde.

Het zou hem moeielijk geweest zijn te berekenen hoeveel uren er
verloopen waren sedert hij zich op die wijze in zijne herinneringen
verdiept had. De nacht was altijd donker. Niets vertoonde zich nog
op de toppen der bergen in het oosten, dat de eerste stralen der
opgaande zon verkondigde.

Evenwel zal het omstreeks vier uren van den morgen geweest zijn,
toen de aandacht van kolonel Munro gewekt werd op een vrij zonderling
verschijnsel. Tot op dat oogenblik, gedurende dat terugkeeren tot zijn
verleden, had hij meer een blik in zijn binnenste dan wel in de wereld
buiten hem geslagen. De uitwendige voorwerpen, die zich te midden van
die diepe duisternis slechts onduidelijk aan hem voordeden, zouden
hem niet hebben kunnen aftrekken, maar toen vestigden zijne oogen
zich op één punt, en al de beelden, in zijne herinnering opdoemende,
verdwenen eensklaps voor een soort van verschijning, even onverwacht
als onverklaarbaar.

Kolonel Munro toch was niet meer alleen op het bergvlak van Ripore. Het
was alsof er zich een licht, onzeker, weifelend nog, aan het uiteinde
van het pad, aan de poort van het fort vertoonde. Het kwam en ging
ongestadig, dof, dreigende uit te gaan, dan weder opflikkerende,
alsof het door een onvaste hand werd gedragen.

Alles in den toestand van den gevangene kon van belang zijn. Zijne
oogen waren dus onafgewend op deze vlam gericht en hij merkte op, dat
zij een dikken damp van zich gaf en beweeglijk was. Hij besloot dus,
dat de vlam niet in een lantaarn was opgesloten.

»Een mijner metgezellen zeker," zei kolonel Munro in zich
zelven. »... Goûmi misschien! Maar neen! Die zou met geen licht
rondloopen, dat hem zou verraden.... Wat kan 't dan zijn?"

Het licht kwam langzamerhand dichter bij. Eerst gleed het langs den
muur der oude kazerne en Sir Edward mocht met recht vreezen, dat het
door eenigen der daar binnen slapende Hindoes zou opgemerkt worden.

Gelukkig was dit niet het geval en het licht ging voorbij zonder
opgemerkt te worden. Somtijds, als de hand, die het droeg in
koortsachtige beweging geraakte, flikkerde het op en schitterde met
levendiger glans.

Weldra had het licht den muur der borstwering bereikt en liep er langs,
als het St.-Elmusvuur in een stormachtigen nacht.

Toen begon kolonel Munro een soort van spooksel te onderscheiden,
zonder duidelijken vorm, een »schaduw", die onduidelijk door dat
licht beschenen werd. Het wezen, welk dan ook, dat zich op die wijze
voorwaarts spoedde, moest gehuld zijn in een lang overkleed, waaronder
zich de armen en het hoofd verborgen.

De gevangene bewoog zich niet. Hij hield zijn adem in. Hij vreesde
de verschijning schrik aan te jagen, de vlam te zien uitdooven,
waarvan het licht haar in het donker geleidde. Hij hield zich even
onbeweeglijk als het zware stuk metaal, dat hem in zijn enormen mond
scheen te bevatten.

Intusschen gleed het spooksel steeds langs de borstwering voort. Zou
het niet kunnen gebeuren, dat het tegen het lichaam van den slapenden
Hindoe aanstootte? Neen. De Hindoe lag links van het kanon uitgestrekt
en de verschijning kwam van de rechterzijde, nu eens stilstaande,
dan weder met kleine schreden voortgaande.

Eindelijk was zij zoo dicht genaderd, dat kolonel Munro haar
duidelijker kon onderscheiden.

Het was een wezen van gemiddelde lengte, welks lichaam werkelijk geheel
door een lang overkleed bedekt was. Van onder dit overkleed kwam een
hand te voorschijn, die een brandenden harsachtigen tak vasthield.

»Zeker een gek, die gewoon is de kampementen der Dacoits te bezoeken,"
zei kolonel Munro in zich zelven, »en waarop men geen acht meer
slaat! Waarom heeft hij geen dolk in de hand, in plaats van een
fakkel!... Misschien zou ik dan?..."

Het was wel geen gek, maar toch had Sir Edward Munro het nagenoeg
geraden.

Het was de waanzinnige van de vallei der Nerbudda, het in hare
geestvermogens gekrenkte schepsel, dat sedert vier maanden door de
Vindhyas ronddwaalde, altijd gevierd en gastvrij ontvangen door de
bijgeloovige Gounds. Noch Nana Sahib, noch een zijner metgezellen
wisten welk deel de »Dwalende Vlam" aan den aanval van den pâl
van Tandît genomen had. Dikwijls hadden zij haar ontmoet in het
bergachtige gedeelte van Bundelkund, en zij hadden zich nooit over
hare tegenwoordigheid bekommerd. Meermalen reeds had zij op hare
dagelijksche tochten hare schreden gericht naar het fort van Ripore en
niemand was het in de gedachte gekomen haar er uit te verjagen. Alleen
het toeval harer nachtelijke omzwervingen had er haar dezen zelfden
nacht heen geleid.

Kolonel Munro wist niets van de waanzinnige af. Hij had nooit van
de Dwalende Vlam hooren spreken en toch deed dat onbekende wezen,
dat hem misschien zou aanraken, misschien tot hem zou spreken, zijn
hart met een onverklaarbare hevigheid slaan.

Langzamerhand was de waanzinnige het kanon genaderd. Haar fakkel gaf
nog slechts een zwak licht van zich en zij scheen den gevangene niet
te zien, hoewel zij zich vlak voor hem bevond en hare oogen door het
overkleed heen, dat als het boetkleed eens boetvaardigen door gaten
doorboord was, bijna zichtbaar waren.

Sir Edward Munro hield zich doodstil. Noch door een beweging met
het hoofd, noch door een woord beproefde hij de aandacht van dit
zonderlinge schepsel te trekken.

Trouwens keerde zij bijna dadelijk op hare schreden terug, teneinde
om het enorme stuk geschut heen te gaan, op welks oppervlakte haar
fakkel kleine zwevende schaduwen afteekende.

Begreep ze, de krankzinnige, waartoe dit kanon, dat daar als een
monster lag uitgestrekt, moest dienen, waarom die man voor den mond
was vastgebonden, die bij de eerste stralen der opgaande zon bliksem
en donder zou uitbraken?

Neen, ongetwijfeld. De Dwalende Vlam was daar, zooals ze overal was,
zonder het zelve te weten. Zij dwaalde dien nacht, zooals zij het
reeds zoo dikwijls gedaan had, over het bergvlak van Ripore. Daarna
zou zij het verlaten, zij zou langs het kronkelende voetpad afdalen,
zij zou de vallei weder bereiken en hare schreden daarheen richten,
waar hare grillige verbeelding haar brengen zou.

Kolonel Munro, die vrij het hoofd kon omkeeren, volgde al hare
bewegingen. Hij zag haar achter om het stuk heengaan. Van daar begaf
zij zich in de richting van den muur der borstwering, zeker om deze
te volgen tot het punt waar zij zich aan de poort aansloot.

En werkelijk liep de Dwalende Vlam juist zooals de kolonel vermoedde,
doch op eenige schreden van den slapenden Hindoe af zich omgekeerd
hebbende, keerde zij zich om. Belette een onzichtbare band haar verder
te gaan? Hoe het zij, een onverklaarbaar instinct voerde haar naar
kolonel Munro terug en wederom bleef zij onbeweeglijk voor hem staan.

Ditmaal sloeg het hart van Sir Edward Munro zoo onstuimig, dat hij
het met de hand tot bedaren had willen brengen.

De Dwalende Vlam was naderbij gekomen. Zij had haar fakkel op de
hoogte van het gelaat van den gevangene gebracht, alsof zij hem beter
had willen zien. Door de gaten van haar boethemd heen, kon men hare
oogen zien schitteren.

Kolonel Munro, onwillekeurig door die vurige oogen als betooverd,
verslond haar met zijn blikken.

Toen trok de waanzinnige langzamerhand de plooien van haar overkleed
van een. Weldra vertoonde zich haar gelaat ontbloot en op dit
oogenblik schudde ze met de rechterhand de fakkel heen en weder,
die een helderder glans verspreidde.

Een kreet!--een half gesmoorde kreet,--ontsnapte aan de borst van
den gevangene.

»Laurence! Laurence!"

Hij meende op zijn beurt krankzinnig te worden!... Zijne oogen sloten
zich een oogenblik.

Het was lady Munro! Ja! lady Munro zelve,--die daar voor hem stond!

»Laurence... gij... gij!" herhaalde hij.

Lady Munro antwoordde niets. Zij herkende hem. Zij scheen hem zelfs
niet te hooren.

»Laurence! Krankzinnig! krankzinnig, ja!... maar levend!"

Sir Edward Munro had zich niet kunnen vergissen door een gewaande
gelijkenis. Het beeld zijner jonge vrouw was te diep in zijn hart
gegrift. Neen! zelfs na een scheiding van negen jaren, die hij niet
anders dacht dan dat eeuwig zou zijn, was het ongetwijfeld lady Munro,
veranderd zeker, maar nog schoon, het was lady Munro, als door een
wonder aan de beulen van Nana Sahib ontsnapt, die daar voor hem stond!

De ongelukkige, na al het mogelijke gedaan te hebben om hare moeder,
onder hare oogen gedood, te redden, was gevallen. Gewond, maar niet
doodelijk en onder zoovele anderen gemengd, werd zij een van de laatste
in de put van Cawnpore geworpen, op de opgehoopte slachtoffers, die
haar reeds vulden. Toen de nacht was aangebroken, deed een laatst
instinct van zelfbehoud haar tot den rand der put voortsleepen,--het
instinct alleen, want toen reeds had zij haar verstand tengevolge
dezer vreeselijke tooneelen verloren. Na alles wat zij geleden had
sedert het begin van het beleg, in de gevangenis van Bibi-Ghar, op
het tooneel van den moord, na hare moeder te hebben zien ombrengen,
had zij het hoofd verloren. Zij was krankzinnig, maar levend! zooals
Munro er zich zooeven van overtuigd had. Krankzinnig had zij zich
buiten de put gesleept, had in den omtrek rondgezworven, was zij
buiten de stad kunnen komen, op het oogenblik dat Nana Sahib en de
zijnen haar na de bloedigen executie verlieten. Krankzinnig had zij
zich in het duister gered, steeds voor zich heen gaande, dwars over
de velden. De steden vermijdende, de bewoonde streken ontvluchtende,
hier en daar door arme raïots opgenomen, geëerbiedigd als een wezen
van verstand beroofd, was de arme waanzinnige op die wijze tot de
Sautpourrabergen, tot de Vindhyas gedwaald! En, sedert negen jaren
dood voor allen, maar de geest altijd getroffen door de herinnering
aan de verschrikkingen van het beleg, zwierf zij steeds overal rond!

Ja, zij was het wel!

Nogmaals riep kolonel Munro haar... Zij antwoordde niet. Wat zou hij
niet hebben willen geven om haar te omarmen, haar op te nemen, mede
te voeren, een nieuw leven met haar te beginnen, haar het verstand
terug te geven door tal van zorgen en liefdeblijken!... En hij stond
daar gebonden aan die metaalmassa, het bloed vloeide uit zijne armen
door de diepe insnijdingen der touwen en niets kon hem met haar aan
die gevloekte plek ontrukken!

Welk een foltering, zoo wreed als zelfs de verbeelding van een Nana
Sahib niet had kunnen uitdenken! O! indien dat monster daar geweest
was, als hij geweten had dat lady Munro in zijn macht was, welk
een vreeselijk genot zou hij gesmaakt hebben! Met welke verfijnde
martelingen zou hij ongetwijfeld de wanhoop van den gevangene nog
slechts vergroot hebben!

»Laurence! Laurence!" herhaalde Sir Edward Munro.

En hij riep haar met luide stem, op gevaar af den eenige schreden
verder slapenden Hindoe te wekken, op gevaar af de Dacoits te lokken,
in de oude kazerne gelegerd en Nana Sahib zelven!

Doch lady Munro bleef hem, zonder te begrijpen, met verwilderde
oogen aanzien. Zij zag niets van het verschrikkelijk lijden van den
ongelukkige, die haar terugvond op het oogenblik, dat hij zelf ging
sterven! Haar hoofd schudde heen en weder alsof zij niet had willen
antwoorden!

Eenige minuten verliepen op deze wijze; toen liet zij haar hand zakken,
de kap viel weder over haar gelaat, en ze trad een schrede achteruit.

Kolonel Munro dacht, dat zij ging ontvluchten!

»Laurence!" riep hij een laatste maal, alsof hij haar voor eeuwig
een afscheidsgroet toewierp.

Doch neen! Lady Munro dacht er niet aan het bergvlak van Ripore te
verlaten en de toestand, hoe verschrikkelijk zij reeds ware, zou zich
nog verergeren.

Werkelijk, lady Munro bleef staan. Blijkbaar had dit kanon haar
aandacht getrokken. Misschien gloorde er een duistere herinnering aan
het beleg van Cawnpore bij haar op! Zij keerde dus terug, met langzame
schreden. Haar hand, waarin zij de fakkel hield, liet de vlam langs
de metalen buis gaan en een vonk was genoeg om het slagkruit te doen
ontvlammen en het stuk te doen afgaan!

Zou Munro dan door deze hand sterven?

Dit denkbeeld kon hij niet verdragen! Dan was het honderdmaal beter
onder de oogen van Nana Sahib en de zijnen te sterven!

Munro was op het punt zijne beulen te roepen, hen wakker te maken!

Plotseling voelde hij uit het binnenste van het kanon een hand
zijn handen op den rug gebonden, drukken. Het was de drukking van
een vriendenhand, die zijne banden trachtte los te maken. Weldra
waarschuwde hem de koude aanraking van een stalenlemmer, dat met
voorzichtigheid tusschen de koorden en zijn polsen werd gestoken, dat
zich in de ziel zelve van dit enorme stuk, maar door welk wonder! een
bevrijder ophield.

Hij kon er zich niet in vergissen! Men sneed de touwen door, die hem
vastgebonden hielden!...

Binnen een seconde was het verricht! Hij kon een schrede voorwaarts
doen. Hij was vrij!

Hoezeer meester van zich zelven, zou een kreet hem in het verderf
storten!...

Een hand strekte zich buiten het stuk uit... Munro vatte haar,
trok haar naar zich toe en een man, die zich door een laatste
krachtsinspanning uit de opening van het kanon ontwrongen had, viel
aan zijne voeten neder.

Het was Goûmi!

De getrouwe dienaar was, na ontsnapt te zijn, den weg naar Jubbulpore
blijven houden, inplaats van naar het meer terug te keeren, waarheen
de troep van Nassim zich wendde. Aan den weg van Ripore aangekomen,
had hij zich een tweede maal moeten verbergen. Er bevond zich daar
een groep Hindoes, sprekende over kolonel Munro, dien de Dacoits,
aangevoerd door Kâlagani naar de sterkte zouden brengen, waar Nana
Sahib hem den dood door het kanon had toegezegd. Zonder een oogenblik
te verliezen, was Goûmi in het donker naar het kronkelend voetpad
geslopen en had het op dit oogenblik verlaten bergvlak bereikt. En
toen was het heldhaftige plan bij hem opgekomen in het enorme kanon
te kruipen, met de gedachte zijn meester te verlossen, indien de
omstandigheden zich er toe leenden, of, zoo hij hem niet kon redden,
met hem te sterven!

»De dag breekt aan!" zei Goûmi zacht. »Laat ons vluchten!"

»En lady Munro?"

De kolonel wees op de waanzinnige, overeind, onbeweeglijk. Haar hand
lag op dit oogenblik op den kulas van het kanon.

»In onze armen... meester..." antwoordde Goûmi, zonder nadere
verklaring te vragen.

Het was te laat!

Op het oogenblik, dat de kolonel en Goûmi haar naderden om haar op
te nemen, hield lady Munro, hun willende ontsnappen, zich even met
de hand aan het stuk vast, haar fakkel viel op het slagkruit en een
vreeselijke losbarsting, weerkaatst door de echo's der Vindhyas,
klonk als een donderslag door de geheele vallei der Nerbudda.



XI.

IJZEREN REUS.


Bij het geweld dezer ontploffing was lady Munro in de armen van haar
man in onmacht gevallen.

Zonder een oogenblik te verliezen, snelde de kolonel over het plein,
door Goûmi gevolgd. De Hindoe, gewapend met zijn groot mes, had in
een oogwenk den verbijsterden bewaker, dien de losbranding op de been
had gebracht, onschadelijk gemaakt. Daarna wierpen zij zich beiden
op het smalle voetpad, dat naar den weg van Ripore voerde.

Nauwelijks waren Sir Edward Munro en Goûmi de poort gepasseerd of
de troep van Nana Sahib, plotseling uit hun slaap gewekt, ijlde over
het bergvlak.

Een oogenblik van aarzeling, dat den vluchtelingen misschien gunstig
was, hield de Hindoes terug.

Nana Sahib toch bracht zelden den geheelen nacht in het fort door. Na
den vorigen dag kolonel Munro voor den mond van het kanon te hebben
laten vastbinden, had hij zich naar eenige hoofden van stammen uit
Goundwana begeven, die hij nooit op klaarlichten dag bezocht. Maar het
was het uur waarop hij gewoonlijk weder naar zijn verblijf terugkeerde
en het kon niet lang duren of hij zou werkelijk verschijnen.

Kâlagani, Nassim, de Hindoes, de Dacoits, meer dan honderd mannen,
stonden gereed den gevangene te vervolgen, doch ééne zaak hield hen
nog terug, namelijk de volstrekte onwetendheid waarin zij verkeerden
omtrent hetgeen er gebeurd was. Het lijk van den Hindoe, die gesteld
was ter bewaking van den kolonel, kon hun niets leeren.

Van al de waarschijnlijkheden nu, moest dit voor hen het resultaat
zijn: dat, door een toevallige omstandigheid het kanon was afgeschoten
vóór het uur, voor de strafoefening bepaald en dat er van den gevangene
op dit oogenblik niets meer bestond dan vormlooze overblijfselen!

De woede van Kâlagani en de anderen uitte zich door een concert van
vervloekingen. Noch Nana Sahib, noch iemand hunner zou dus het genot
hebben de laatste oogenblikken van kolonel Munro bij te wonen!

Maar de Nabob was niet ver meer af. Ook hij had de losbranding moeten
hooren. In allerijl zou hij naar de sterkte komen toesnellen. Wat zoude
men hem antwoorden, als hij hun rekenschap vroeg van den gevangene,
die hij er had achtergelaten?

Van daar bij allen een aarzeling, die den vluchteling den tijd had
gegeven iets vooruit te komen, voordat zij werden opgemerkt.

Sir Edward Munro en Goûmi waren dan ook na deze verwonderlijke
verlossing vol hoop en daalden snel het kronkelend voetpad af naar
beneden. Lady Munro lag in zwijm, maar woog toch niet zwaar in de
sterke armen van den kolonel. Zijn dienaar stond trouwens ieder
oogenblik gereed hem te helpen.

Vijf minuten na door de poort gegaan te zijn, bevonden beiden zich
halfweg van het bergvlak naar de vallei. Maar de dag begon aan te
breken en de eerste stralen der zon drongen door tot in de diepste
schuilhoeken van den nauwen bergpas.

Op dat oogenblik barstten luide kreten boven hun hoofd los.

Over de borstwering heen gebogen, kon Kâlagani juist nog even het
profiel van het gelaat der twee mannen die vluchtten onderscheiden. Een
van die mannen kon niemand anders zijn dan de gevangene van Nana Sahib!

»Munro, 't is Munro!" riep Kâlagani woedend.

En, de poort uitsnellende, vloog hij ze na, gevolgd door de geheele
bende.

»Ze hebben ons gezien!" zei de kolonel, zonder zijn schreden in
te houden.

»'k Zal de eersten ophouden!" antwoordde Goûmi. »Ze zullen me dooden,
maar dat zal u misschien den tijd geven den weg te bereiken!"

»Ze zullen ons beiden dooden, of we zullen hun samen ontkomen!" riep
Munro uit.

Kolonel Munro en Goûmi hadden hun loop nog versneld. Toen zij onder op
het voetpad waren aangekomen, konden zij met alle macht voortijlen. Nog
een veertig schreden en zij hadden den weg van Ripore bereikt, die
op den grooten weg uitliep en waarop het hun gemakkelijker zou vallen
te vluchten.

Doch gemakkelijker zou dan ook de vervolging zijn. Een schuilplaats te
zoeken was onnoodig, want zij zouden dadelijk ontdekt zijn. Het was
dus van het meeste belang de Hindoes vooruit te komen en bovendien
vóór hen uit den laatsten bergpas der Vindhyas te komen.

Oogenblikkelijk nam kolonel Munro het besluit niet opnieuw levend in
de handen van Nana Sahib te vallen. Haar, die hem was teruggegeven,
zou hij liever met den dolk van Goûmi dooden, dan haar den nabob
overleveren en met dien zelfden dolk zou hij daarna zich zelven
treffen!

De vluchtelingen hadden toen bijna vijf minuten op hunne vervolgers
gewonnen. Op het oogenblik dat de eerste Hindoes de poort uitsnelden,
zagen kolonel Munro en Goûmi van verre reeds den weg waarop het
voetpad uitliep, terwijl de groote weg nog slechts een kwart mijl
verwijderd was.

»Moed gehouden, meester!" zeide Goûmi, gereed den kolonel tot bolwerk
van zijn lichaam te strekken. »Nog vijf minuten en we zijn op den
weg naar Jubbulpore!"

»God geve, dat we er hulp vinden!" mompelde kolonel Munro.

De kreten der Hindoes werden allengs duidelijker.

Op het oogenblik dat de vluchtelingen den weg opsnelden, kwamen twee
mannen, die snel liepen, onder aan het voetpad aan.

Het was toen licht genoeg om elkaar te onderscheiden en twee namen,
met doodelijken haat uitgesproken, beantwoordden elkander tegelijk:

»Munro!"

»Nana Sahib!"

De nabob was op het geluid der losbarsting toegesneld en besteeg in
allerijl het pad naar het fort. Hij begreep niet waarom zijne bevelen
vóór den door hem bepaalden tijd waren uitgevoerd.

Een Hindoe vergezelde hem, doch voordat deze Hindoe een stap verder
en zelfs een gebaar had kunnen doen, viel hij voor de voeten van
Goûmi neder, doodelijk getroffen door het mes, dat de banden van den
kolonel had losgesneden.

»Help!" schreeuwde Nana Sahib tot den troep, die het voetpad afdaalde.

»Ja, wacht!" antwoordde Goûmi.

En sneller dan de bliksem, wierp hij zich op den nabob.

Zijn plan was geweest, als het hem althans niet mocht gelukken hem
dadelijk te dooden, dan toch zoolang met hem te worstelen, dat kolonel
Munro den tijd zou hebben den weg te bereiken, maar de ijzeren hand
van den nabob had de zijne afgewend en zijn mes was hem ontvallen.

Woedend zich ontwapend te zien greep nu Goûmi zijn tegenstander bij
den gordel en hem tegen zich aan drukkende, nam hij hem in zijne
krachtige armen op, vast besloten zich met hem in den eersten den
besten afgrond te storten.

Intusschen waren Kâlagani en zijne metgezellen naderbij gekomen,
ze hadden het onderste gedeelte van het voetpad bereikt en dan was
er geen hoop meer hun te kunnen ontsnappen!

»Nog een poging!" herhaalde Goûmi. »'k Zal 't nog eenige minuten zien
uit te houden en me van hun nabob als een schild bedienen! Vlucht,
meester, vlucht zonder mij!"

Maar nauwlijks drie minuten waren nu de vluchtelingen van hunne
vervolgers verwijderd en de nabob riep Kâlagani met gesmoorde stem.

Plotseling klonken twintig passen verder kreten van:

»Munro! Munro!"

Daar was Banks, op den weg naar Ripore, met kapitein Hod, Maucler,
sergeant Mac Neil, Fox, Parazard en honderd schreden van hen af,
op den grooten weg, de IJzeren Reus, die wolken damp uitwerpende,
hen met Storr en Kâlouth opwachtte!

Na de vernieling van het laatste huis van het Stoomhuis, hadden de
ingenieur en zijn metgezellen slechts een besluit te nemen, den olifant
namelijk, dien de bende der Dacoits niet had kunnen vernietigen,
als voertuig te gebruiken. Dadelijk hadden zij dus op den rug van
den IJzeren Reus het Puturiameer verlaten en waren zij den weg naar
Jubbulpore ingeslagen. Maar juist op het oogenblik dat zij den weg,
die naar het fort leidde, voorbijgingen, had een geduchte losbranding
boven hunne hoofden weerklonken en hadden zij dadelijk halt gehouden.

Een voorgevoel, een instinct, als men wil, had hen aangezet dezen weg
te volgen. Wat hoopten zij? Zij zouden het niet hebben kunnen zeggen.

Zeker is het, dat eenige minuten later de kolonel voor hen stond,
hun toeroepende:

»Red lady Munro!"

»En help me Nana Sahib overmeesteren, ditmaal den echten!" riep
Goûmi uit.

Met een laatste wanhopige krachtsinspanning had hij den nabob ter
aarde geworpen, die nu verder door kapitein Hod, Mac Neil en Fox
bedwongen werd.

Vervolgens begaven Banks en de zijnen zonder verder eenige verklaring
te vragen, zich naar den IJzeren Reus op den weg.

Op bevel van den kolonel, die hem aan de Engelsche rechtspleging wilde
overleveren, werd Nana Sahib aan den hals van den olifant gebonden. Wat
lady Munro betreft, men bracht haar in het torentje, alwaar haar
man aan haar zijde plaatsnam. Geheel met de zorg voor zijne vrouw
vervuld, die weder tot bewustzijn scheen te komen, trachtte hij eenige
schemering van licht in hare verstandelijke vermogens te ontdekken.

De ingenieur en zijne metgezellen waren haastig op den rug van den
IJzeren Reus geklommen.

»En nu »fullspeed" vooruit!" riep Banks.

Het was toen dag geworden. Een honderd schreden achterwaarts verscheen
reeds een eerste groep Hindoes. Tot elken prijs moest men vóór hen den
vooruitgeschoven post van het militaire kantonnement van Jubbulpore,
die den laatsten bergpas der Vindhyas bezet houdt, bereiken.

De IJzeren Reus had nu in overvloed water, brandstof, alles wat
noodig was de noodige drukking te onderhouden en hem zijn maximum
van snelheid te verleenen. Maar op dezen weg met zijne plotselinge
krommingen, kon hij zich niet blindelings voortbewegen.

De kreten der Hindoes verdubbelden toen en de geheele troep won
zichtbaar op hem.

»We zullen ons moeten verdedigen," zei sergeant Mac Neil.

»Welnu, we zullen ons verdedigen!" antwoordde kapitein Hod.

Er bleef nog een twaalftal schoten over. Het was dus noodzakelijk
geen enkelen kogel te verliezen, want de Hindoes waren gewapend en
men moest ze vooral op een afstand houden.

Kapitein Hod en Fox plaatsten zich met de karabijn in de hand op
het kruis van den olifant, achter het torentje. Goûmi voor, had zich
zoodanig geplaatst, dat hij in schuinsche richting kon vuren. Mac Neil,
bij Nana Sahib, in de eene hand een revolver, in de andere een dolk,
hield zich gereed hem te dooden, als de Hindoes hem mochten naderen,
Kâlouth en Parazard voor den vuurhaard, voorzagen hem onophoudelijk
met brandstof. Banks en Storr bestuurden den gang van den IJzeren Reus.

De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Twee honderd schreden
op zijn hoogst, scheidden de Hindoes van Banks en de zijnen. Mochten
zij sneller gaan, de kunstmatige olifant kon het langer uithouden dan
zij. De geheele tactiek bestond dus daarin, hen te beletten vooruit
te komen.

Op dit oogenblik barstten er een tiental geweerschoten los. De kogels
passeerden fluitende boven den IJzeren Reus, uitgenomen een, die hem
tegen het uiteinde van zijn tromp trof.

»Schiet niet, en als ge schiet, wees dan zeker van uw schot!" riep
kapitein Hod. »Laten we onze kogels sparen! Ze zijn nog te ver af!"

Toen Banks nu een eind weg bijna in rechte lijn voor zich zag, draaide
hij den regulateur wijd open, waarna de IJzeren Reus, zijn snelheid
verdubbelende, de bende verscheidene honderd passen achter zich liet.

»Hoera! hoera! leve onze Reus!" riep kapitein Hod uit, die zich niet
meer kon inhouden! »O! die schelmen, ze zullen hem niet hebben!"

Doch aan het einde van dit rechte gedeelte van den weg, zou een
soort van opstijgenden en bochtigen hollen weg, laatste bergpas van
de zuidelijke helling der Vindhyas, noodzakelijk den gang van Banks
en zijne metgezellen vertragen. Kâlagani en de anderen wisten deze
bijzonderheid en gaven de vervolging niet op.

De IJzeren Reus had snel deze vernauwing van den weg bereikt, die
tusschen twee hooge hellende rotsen doorliep.

Men moest toen wel minder snel en slechts met de grootste
voorzichtigheid vooruitgaan. Tengevolge van deze vertraging, wonnen
de Hindoes het geheele verloren terrein terug. Al hadden zij de hoop
opgegeven Nana Sahib te redden, althans wilden zij zijn dood wreken.

Weldra barstten nieuwe geweerschoten los, doch zonder een der berijders
van den IJzeren Reus te treffen.

»Nu begint het ernstig te worden!" zei kapitein Hod, zijn karabijn
aanleggende. »Attentie!"

Goûmi en hij vuurden tegelijk af. Twee der naastbijzijnde Hindoes,
beiden in de borst getroffen, vielen neder.

»Twee minder!" zei Goûmi, zijn wapen opnieuw ladende.

»Twee percent!" riep kapitein Hod uit. »'t Is nog niet genoeg. We
dienen ze nog meer af te nemen!"

En de karabijnen van den kapitein en van Goûmi, waarbij zich het
geweer van Fox voegde, troffen doodelijk drie andere Hindoes.

Maar men kwam niet snel vooruit in den bochtigen bergpas. Niet alleen
dat de weg zich vernauwde, men weet dat hij ook sterk helde. Evenwel
nog een halve mijl en de laatste berghelling der Vindhyas was voorbij
en de IJzeren Reus kwam uit op honderd passen van een post, bijna in
het gezicht van het station van Jubbulpore!

De Hindoes waren de menschen niet om voor het vuur van kapitein Hod
en zijne metgezellen terug te deinzen. Zij gaven niets om hun leven
als het er op aan kwam Nana Sahib te redden of te wreken! Tien,
twintig van hen zouden misschien sneuvelen, maar tachtig bleven
er nog over om zich op den IJzeren Reus te werpen en den kleinen
troep te overmeesteren wien hij tot een rollend bolwerk diende! Ook
verdubbelden zij hunne pogingen hen, die ze vervolgden te bereiken.

Kâlagani wist trouwens, dat kapitein Hod en de zijnen aan hunne
laatste patronen waren en dat weldra geweren en karabijnen slechts
nuttelooze wapenen in hunne handen zouden zijn.

En werkelijk hadden de vluchtelingen de helft der ammunitie verbruikt,
die hun nog overbleef, zoodat zij weldra in de onmogelijkheid zouden
zijn zich te verdedigen.

Evenwel weerklonken nog vier geweerschoten en vier Hindoes beten in
het stof.

Er bleven kapitein Hod en Fox nog slechts twee schoten over.

Op dit oogenblik kwam Kâlagani, die zich tot nog toe een weinig
had schuil gehouden, meer naar voren dan met de voorzichtigheid
overeenkwam.

»Hoera! nu heb ik hem!" riep kapitein Hod uit, terwijl hij met de
grootste kalmte op hem mikte.

De kogel uit de karabijn van den kapitein trof den verrader midden
op het voorhoofd. Zijne handen tastten een oogenblik in de ruimte,
hij draaide in het rond en viel.

Op dit oogenblik kwam het zuidelijk uiteinde van den bergpas in het
gezicht. De IJzeren Reus deed een laatste poging. Voor het laatst liet
de karabijn van Fox zich hooren en een laatste Hindoe mat den bodem.

Maar ook bijna dadelijk daarop bemerkten de Hindoes, dat het vuren
had opgehouden en als wanhopigen snelden zij ter bestorming van den
olifant, waarvan zij slechts vijftig schreden verwijderd waren.

»Op den grond! op den grond!" schreeuwde Banks.

En werkelijk was het in de gegeven omstandigheden beter den IJzeren
Reus te verlaten en naar den post te loopen, die niet veraf meer was.

Kolonel Munro, zijne vrouw in zijn armen nemende, zette den voet op
den weg.

Ook kapitein Hod, Maucler, de sergeant en de anderen waren onmiddellijk
op den grond gesprongen.

Banks alleen was in het torentje gebleven.

»En die schoelje daar!" riep kapitein Hod uit, op Nana Sahib wijzende,
die nog altijd aan den hals van den olifant was vastgebonden.

»Laat me mijn gang eens gaan, kapitein!" antwoordde Banks op vreemden
toon.

Daarna, voor het laatst den regulateur omdraaiende, klom hij op zijn
beurt af.

Allen gingen toen op de vlucht, met den dolk in de hand, gereed om
zoo duur mogelijk hun leven te verkoopen.

Intusschen bleef de IJzeren Reus, door den stoom voortgedreven,
hoewel nu aan zich zelven overgelaten, tegen de helling opklimmen;
doch, niet meer bestuurd wordende, stootte hij met vreeselijk geweld
tegen de linker helling van den weg aan en plotseling stil blijvende
staan, versperde hij den weg bijna in zijn geheele breedte.

Banks en de zijnen waren reeds een dertig schreden van hem af, toen
de Hindoes zich in massa op den IJzeren Reus wierpen, om Nana Sahib
te verlossen.

Eensklaps bracht een ontzettend geraas, gelijk aan de geweldigste
donderslagen, de luchtlagen met een onbeschrijfelijke hevigheid
in beweging.

Banks had, alvorens het torentje te verlaten, de veiligheidskleppen
zwaar belast. De stoom bereikte dus zijn maximum van spanning en
toen de IJzeren Reus tegen den rotswand aanbotste, deed deze stoom,
zich niet meer door de cilinders kunnende ontlasten, den stoomketel
springen, welks overblijfselen naar alle richtingen heen verspreid
werden.

»Arme Reus!" riep kapitein Hod uit, »verloren om ons te redden!"



XII.

DE VIJFTIGSTE TIJGER VAN KAPITEIN HOD.


Kolonel Munro, zijne vrienden, zijne metgezellen, hadden niets meer te
vreezen, noch van den nabob, noch van de Hindoes, die hem aanhingen,
noch van de Dacoits, waarvan hij in dit gedeelte van Bundelkund een
geduchte bende gevormd had.

Op het geraas der ontploffing waren de soldaten van den post van
Jubbulpore in aanzienlijken getale naar buiten gesneld. Wat van de
metgezellen van Nana Sahib overbleef, zich zonder chef bevindende,
was dadelijk op de vlucht gegaan.

Kolonel Munro maakte zich bekend. Een half uur later, bevonden allen
zich aan het station, alwaar zij in overvloed vonden wat hun ontbrak
en vooral de levensmiddelen, die zij het dringendst noodig hadden.

Lady Munro werd tijdelijk geherbergd in een comfortabel hotel, totdat
de gelegenheid zich voordeed haar naar Bombay te vervoeren. Daar hoopte
Sir Edward Munro haar, die nog slechts een lichamelijk leven leidde,
het zieleleven terug te geven, want zoolang zij haar verstand niet
had teruggekregen, zou zij immers altijd dood voor hem zijn!

Trouwens, niemand zijner vrienden wanhoopte aan de aanstaande genezing
van lady Munro. Allen wachtten met vertrouwen een gebeurtenis af,
die alleen in staat was een omkeering in het leven van den kolonel
te brengen.

Men besloot, reeds den volgenden dag naar Bombay te vertrekken. De
eerste trein zou al de gasten van het Stoomhuis naar de hoofdstad van
West-Indië terugbrengen. Ditmaal zou het de gewone locomotief zijn, die
hen zou medevoeren en niet meer de onvermoeide IJzeren Reus, waarvan
nu nog slechts vormlooze overblijfselen hier en daar verspreid lagen.

Maar, noch kapitein Hod, zijn dweepende bewonderaar, noch Banks,
zijn schrandere maker, noch iemand van de leden der expeditie, zouden
ooit het »getrouwe dier" vergeten, wien zij eindelijk een werkelijk
leven hadden toegekend. Nog lang zou het geraas der ontploffing,
die hem vernietigd had, in hunne herinnering nablijven.

Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat Banks, kapitein Hod,
Maucler, Fox, Goûmi, alvorens Jubbulpore te verlaten, eerst nog eens
naar het tooneel der ramp wilden terugkeeren.

Er was blijkbaar niets meer van de bende der Dacoits te
vreezen. Nochtans, toen de ingenieur en zijn metgezellen aan den post
der Vindhyas kwamen, voegde zich uit overmaat van voorzichtigheid een
detachement soldaten bij hen, waarmede zij tegen elf uren den ingang
van den bergpas bereikten.

Al dadelijk vonden zij vijf of zes verminkte lijken over den grond
verspreid. Het waren die der aanvallers, die zich op den IJzeren Reus
geworpen hadden, om Nana Sahib te bevrijden.

Maar dat was ook alles. Van het overige der bende was geen spoor meer
te vinden. Inplaats van naar hun oude schuilplaats van Ripore terug
te keeren, die trouwens nu bekend was, hadden de laatste aanhangers
van Nana Sahib zich overal door de vallei der Nerbudda verspreid.

Wat den IJzeren Reus betreft, deze was geheel door de ontploffing
van den stoomketel vernield. Een zijner groote pooten was tot op
verren afstand weggeslingerd. Een gedeelte van zijn snuit, tegen
de berghelling geworpen, was er in vast blijven zitten en stak er
uit als een reusachtige arm. Overal geblakerde stukken plaatijzer,
krammen, klinkbouten, roosters, overblijfselen van cilinders,
stukken geledingen. Op het oogenblik der ontploffing, toen de belaste
veiligheidskleppen den stoom geen uitweg meer konden verschaffen,
moet zijn spanning zeker vreeselijk geweest zijn en misschien twintig
atmosfeeren hebben overtroffen.

En nu, van den kunstmatigen olifant waarop de gasten van het Stoomhuis
zoo trotsch waren, van dien kolos, die de bijgeloovige bewondering der
Hindoes uitlokte, van het mechanische meesterstuk van den ingenieur
Banks, van dien verwezenlijkten droom van den fantastischen rajah
van Bouthan, bleef niets meer over dan een onherkenbaar karkas,
zonder eenige de minste waarde!

»Arm dier!" kon kapitein Hod zich niet weerhouden uit te roepen bij
het lijk van zijn waarden IJzeren Reus.

»We kunnen een ander vervaardigen... een ander, die nog machtiger
zal zijn!" zeide Banks.

»Ongetwijfeld," antwoordde de kapitein, een diepe zucht loozende,
»maar onze IJzeren Reus zal het toch niet meer zijn!"

Terwijl zij zich met dit onderzoek bezighielden, kwam het den ingenieur
en zijnen metgezellen in de gedachte rond te zien of niet hier of daar
eenige overblijfselen van Nana Sahib zouden te vinden zijn. Bij gebrek
van het gelaat van den nabob, overigens zoo gemakkelijk te herkennen,
zou de hand waaraan een vinger ontbrak hun voldoende geweest zijn om
de identiteit te bevestigen. Zij zouden dit onbetwistbare bewijsstuk
van den dood van hem, dien men niet meer met zijn broeder Balao Rao
kon verwarren, wel in hun bezit gehad willen hebben.

Maar geen der bloedige overblijfselen, die over den grond verspreid
lagen, scheen hem te hebben toebehoord, die Nana Sahib was. Hadden
zijne dweepzieke volgelingen tot het laatste spoor zijner
overblijfselen medegenomen? Het was meer dan waarschijnlijk.

Het gevolg hiervan zoude zijn dat, daar er geen enkel zeker bewijs
was van den dood van Nana Sahib, de legende hare rechten wederom zou
doen gelden en dat, in den geest der bevolking van Centraal-Indië,
de nabob altijd voor levend zou doorgaan, in afwachting dat men een
onsterfelijken god van het oude opperhoofd der Sipayers maakte.

Doch Banks en de zijnen konden moeielijk gelooven, dat Nana Sahib de
ontploffing had kunnen overleven.

Zij kwamen aan het station terug, evenwel niet zonder dat kapitein
Hod een stuk van een der slagtanden van den IJzeren Reus had
opgeraapt,--een kostbaar overblijfsel, dat hij als een souvenir
wilde bewaren.

Den volgenden dag, 4 October, verlieten allen Jubbulpore in een waggon,
die ter beschikking van kolonel Munro en zijn personeel gesteld
was. Vier en twintig uren later passeerden zij de westelijke Ghâtes,
deze Hindostansche Andes, die zich over een lengte van drie honderd
zestig mijlen uitstrekken, te midden van dichte bosschen vijgeboomen,
ahornboomen, teks, vermengd met palmboomen, kokosboomen, areks of
pinangpalmen, peperboomen, sandelboomen, bamboes. Eenige uren later,
zette de trein hen af op het eiland Bombay, dat met de eilanden
Salcetti, Elephanta en anderen een prachtige reede vormt, aan welker
zuidoostelijk uiteinde de hoofdstad van het Presidentschap gelegen is.

Kolonel Munro zou niet in deze groote stad blijven, waar Arabieren,
Perziërs, Banyanen, Abyssiniërs, Passis of Guèbres, Scindiërs,
Europeanen van alle landen, en zelfs,--naar het schijnt,--Hindoes
elkander verdringen.

De geneeskundigen, geraadpleegd over den toestand van lady Munro,
rieden aan haar naar een villa in de omstreken te brengen, waar de
kalmte, gevoegd bij hunne dagelijksche zorgen en de onophoudelijke
toewijding van haren echtgenoot, ongetwijfeld een heilzame uitwerking
moest tengevolge hebben.

Een maand ging op deze wijze voorbij. Geen enkele van de metgezellen
van den kolonel, geen enkele zijner bedienden had er aan gedacht hem
te verlaten. Op het tijdstip, dat niet ver meer verwijderd was en
waarop zich verschijnselen van genezing bij de jonge vrouw begonnen
voor te doen, wilden ze allen tegenwoordig zijn.

Eindelijk was die lang gewenschte dag daar. Langzamerhand kreeg lady
Munro hare vermogens terug. Die rijk begaafde geest begon weder te
denken. Van hetgeen eens de Dwalende Vlam geweest was, bleef niets
meer over, zelfs niet de herinnering.

»Laurence! Laurence!" had de kolonel uitgeroepen, en lady Munro,
hem eindelijk herkennende, was in zijne armen gevallen.

Een week later, waren de gasten van het Stoomhuis in den bungalow te
Calcutta vereenigd. Daar zou een leven beginnen, zeer verschillend
van dat, hetwelk tot nog toe in de weelderige woning geleid was. Banks
moest er den tijd doorbrengen, dien zijne werkzaamheden hem vrij lieten
en kapitein Hod de verloftijden waarover hij zou kunnen beschikken. Wat
Mac Neil en Goûmi betreft, zij behoorden tot het huis en zouden zich
nooit meer van kolonel Munro scheiden.

Op dit tijdstip was Maucler verplicht Calcutta te verlaten om naar
Europa terug te keeren. Hij deed dit terzelfdertijd als kapitein
Hod, wiens verlof om was en dien de getrouwe Fox naar de militaire
kantonnementen van Madras ging volgen.

»Vaarwel, kapitein," zei kolonel Munro tot hem. »Het doet me genoegen,
dat ge geen berouw hebt over uw reis door Noord-Indië, of het zou
moeten zijn dat ge uw vijftigsten tijger niet geschoten hebt!"

»Wel, hij is geschoten, kolonel."

»Wat! Is hij geschoten?"

»Wel zeker," antwoordde kapitein Hod. »Negen en veertig tijgers
en... Kâlagani... is dat geen vijftig?"



DOKTER OX.

I.

Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft op te zoeken,
zelfs niet op de beste kaarten.


Zoo ge het stadje Quiquendone op een kaart van Vlaanderen mocht willen
opzoeken, hetzij een oude of een nieuwe, zoudt ge het waarschijnlijk
niet vinden. Is Quiquendone dan een van die steden, welke van
de aarde verdwenen zijn? Niet? Een stad in haar opkomst dan? Ook
niet. De stad bestaat, wat de aardrijkskundigen ook mogen beweren,
en ze bestaat wel al acht of negen eeuwen. Ze telt zelfs twee duizend
drie honderd drie en negentig zielen, aannemende dat ieder inwoner
een ziel heeft. Quiquendone ligt dertien en een halve kilometer ten
Noordwesten van Oudenaarde en vijftien en een kwart kilometer ten
Zuid-oosten van Brugge, in 't hartje van Vlaanderen dus. De Vaar,
een bijriviertje van de Schelde, loopt er midden door, en er zijn
drie bruggen over geslagen in middeleeuwschen stijl, zooals men er
ook te Doornik vindt. Verder kan men er een oud kasteel bewonderen,
waarvan de eerste steen gelegd werd in 1197 door Graaf Boudewijn,
den toekomstigen Keizer van het Ottomanische Rijk, en een stadhuis
met gothische vensters, versierd met kanteelen en prijkende met
een kolossalen klokketoren van drie honderd zeven en vijftig voet
hoogte. Elk uur laat zich daar een klokkenspel van vijf octaven
hooren; dat is een ware luchtpiano, nog vermaarder dan het beroemde
carillon van Brugge. Als er vreemdelingen komen in Quiquendone--zoo
dat al ooit gebeurd is--verzuimen zij nooit de zaal der stadhouders te
bezoeken, waar het portret van Willem den Zwijger prijkt, door Brandon
geschilderd; de kerk, een meesterstuk van bouwkunst uit de zestiende
eeuw; de drinkwaterput met een bewonderenswaardig ijzeren hek van
Quinten Metsys; het graf, vroeger bestemd voor Maria van Bourgogne,
die thans in de Notre Dame te Brugge rust, en andere merkwaardigheden
meer. De voornaamste tak van nijverheid te Quiquendone bestaat in de
vervaardiging van zeker roomgebak, waarvoor zij beroemd is, en van
suikerwerkjes op groote schaal. Sedert eeuwen staat de stad onder
bestuur van de familie Van Tricasse, in welke familie die waardigheid
van vader op zoon overgaat. Toch komt Quiquendone op de kaarten van
Vlaanderen maar niet voor! Hebben de aardrijkskundigen haar vergeten,
of misschien met opzet weggelaten? Dat zou ik u niet kunnen zeggen,
maar wel weet ik, dat het stadje met zijn nauwe straten, zijn
wallen, zijn Spaansche huizen, zijn stadhuis en zijn burgemeester
bestaat,--en, wat boven alles bewijst dat het bestaat, is dat er
zich onlangs verrassende, buitengewone, even onwaarschijnlijke als
waarachtige tooneelen voordeden, waarvan ik u thans een getrouw
verhaal zal leveren.

Men moet me geen kwaad spreken van de Vlamingen in West-Vlaanderen! Het
zijn welgezeten, brave, spaarzame, gezellige, gastvrije lieden;
misschien zijn ze niet erg rad van tong en vlug van geest, maar dat
is nog geen reden, waarom een van hun meest belangwekkende steden
nog altijd op een plaatsje in den atlas moet wachten.

Dat is een betreurenswaardig verzuim! Spraken nu nog maar de
geschiedenis, of althans de kronieken, of zelfs maar de gewestelijke
overleveringen van Quiquendone! Maar neen, noch atlassen, noch
gidsen, noch reisbeschrijvingen spreken er van. Ieder gevoelt,
hoe zeer dit den handel en de nijverheid eener stad moet benadeelen,
doch we dienen gauw op te merken, dat Quiquendone noch nijverheid noch
handel bezit en er best buiten kan. Ook 't suikerwerk en het roomgebak,
die het vervaardigt, vinden hun man op de plaats zelve en gaan niet
naar buiten. Kortom, de Quiquendoners hebben geen mensch noodig. Ze
hebben maar weinig wenschen, ze leven zeer eenvoudig, ze zijn kalm,
matig, koel, flegmatisch, in een woord, echte Vlamingers!



II.

Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over
de belangen der stad spreken.


»Zoudt ge dat denken?" vroeg de burgemeester.

»Ja, dat denk ik," antwoordde de wethouder na eenige minuten zwijgens.

»Maar 't zou zeer bedenkelijk zijn lichtvaardig een besluit te nemen,"
hernam de burgemeester.

»Ja, dat is zoo, waarde Van Tricasse," gaf de wethouder Niklausse
ten antwoord. »Ik wil u wel zeggen, we zijn nu tien jaren over de
gewichtige zaak bezig, maar ik kan er nog niet toe komen een besluit
te nemen."

»Ik kan mij zeer goed verklaren, dat gij aarzelt," antwoordde de
burgemeester, na zich een goed kwartier bedacht te hebben. »Ik kan
mij verklaren dat ge aarzelt, en ik zelf aarzel ook. We zullen het
best doen door nog niet te beslissen en eerst de zaak eens nauwkeurig
te overwegen."

»Zeker is het," hernam Niklausse, »dat de plaats van commissaris van
politie in een zoo rustige stad als Quiquendone overbodig is."

»Onze voorganger," gaf Van Tricasse op ernstigen toon ten antwoord,
»onze voorganger zeide nimmer, zou nimmer hebben durven zeggen, dat
dit of dat zeker was. 't Is altijd mogelijk, dat het later berouwt
zoo iets stelligs gezegd te hebben."

De wethouder trok met een bevestigend gebaar de wenkbrauwen op
en liet zich in ongeveer een half uur niet hooren. Al dien tijd
verroerden de wethouder en de burgemeester geen vin. Daarna vroeg
Niklausse aan Van Tricasse, of zijn voorganger, die een twintig jaar
geleden gestorven was, ook nooit eens op de gedachte gekomen was,
die commissaris-betrekking op te heffen, welke toch elk jaar de stad
Quiquendone met een uitgaaf van dertien honderd vijf en zeventig
frank en eenige centimes bezwaarde.

»Welzeker," antwoordde de burgemeester, die met een gewichtig gebaar
de hand aan zijn voorhoofd bracht, »welzeker, maar die waardige man
stierf voordat hij een besluit genomen had, hetzij ten opzichte
van deze zaak, hetzij ten opzichte van eenige andere zaak van
administratieven aard. Hij deed wijs. Waarom zou ik ook zoo niet doen?"

De wethouder Niklausse kon geen enkele reden bedenken, waarom de
burgemeester niet ook zoo zou doen.

»De man die als hij sterft, zeggen kan nooit in zijn leven tot een
besluit gekomen te zijn," ging Van Tricasse op deftigen toon voort,
»heeft in dit ondermaansche bijna het volmaakte bereikt."

Toen de burgemeester dit gezegd had, drukte hij op de veer eener schel,
die een nauw hoorbaar geluid gaf. Bijna op hetzelfde oogenblik gleed
iemand met zachte schreden over de vloersteenen. Een muis had op een
dik tapijt niet minder leven kunnen maken. De kamerdeur had op hare
goedgesmeerde hengsels gedraaid, en een jong meisje met lange blonde
vlechten was binnengekomen. Het was Suze Van Tricasse, de eenige
dochter van den burgemeester. Zij gaf haren vader een gestopte pijp
en zette een koperen komfoortje neer; zonder een woord te spreken
verdween zij weder, even onhoorbaar als zij gekomen was.

De burgervader stak den eerbiedwaardigen inhoud van zijn rooktoestel
aan en hulde zich weldra in een wolk van blauwen rook, terwijl de
wethouder Niklausse in diep gepeins verzonken bleef.

Het vertrek, waarin deze beide bestuurders van Quiquendone hun gesprek
voerden, was een spreekkamer, waarin rijke versierselen van snijwerk
in donker hout waren aangebracht. Een geheele wand werd ingenomen door
een geweldigen vuurhaard, waarop een os gebraden had kunnen worden;
daartegenover bevond zich een venster met in lood gevatte ruitjes,
welker schilderwerk het daglicht temperde. Boven den schoorsteen hing
in een ouderwetsche lijst een portret, naar men zeide van Hemlïng,
dat een der voorvaderen der Van Tricasses moest voorstellen, een
geslacht, dat stellig opklimt tot de veertiende eeuw, in den tijd
toen de Vlamingen strijd moesten voeren met Keizer Rudolf van Habsburg.

Die spreekkamer was een vertrek in het huis van den burgemeester, dat
een der aangenaamste woningen van de stad was. Het was naar Vlaamschen
trant gebouwd en had al het verrassende, grillige, schilderachtige
van den spitsbogenstijl; het behoorde dan ook tot de merkwaardigste
monumenten der stad.

In een klooster van Karthuizer monniken of een instituut voor
doofstommen had het niet stiller kunnen zijn dan in dat huis. Niets
verstoorde er de stilte; men liep niet, maar gleed over den vloer;
men praatte niet, maar lispelde. Toch waren er vrouwen in huis, en
wel de vrouw van den burgemeester, Mevrouw Brigitta Van Tricasse, hare
dochter, Suze Van Tricasse, en een dienstmeisje, Lotje Janssen. Voorts
woonde er nog de zuster van den burgemeester, Tante Hermance, een
oude-jongejuffrouw, die nog luisterde naar den naam van tantetje,
zooals haar nichtje Suze, toen die nog een klein meisje was, haar
noemde. Niettegenstaande er dus bouwstoffen te over waren voor
oneenigheid, gedruisch en gebabbel, was het in de woning van den
burgemeester rustig als in de woestijn.

De burgemeester was iemand van een vijftig jaren, niet dik en
niet mager, niet groot en niet klein, niet blozend en niet bleek,
niet vroolijk en niet somber, niet tevreden en niet pruilerig, niet
ferm en niet flauw, niet trotsch en niet nederig, niet goed en niet
kwaad, niet mild en niet gierig, niet dapper en niet laf, niet te
veel en niet te weinig,--ne quid nimis,--een man die in alles de maat
hield. De burgemeester Van Tricasse was het flegma in eigen persoon;
dat had een gelaatskenner dadelijk gezien aan de onverstoorbare
langzaamheid van zijne bewegingen, aan zijne eenigszins hangende
benedenkaak, aan zijn voortdurend opgetrokken wenkbrauwen, aan zijn
glad rimpeloos voorhoofd. Nimmer had, hetzij door toorn, hetzij door
hartstocht, eenige aandoening dezen man het hart sneller doen kloppen
of zijn gelaat doen kleuren, nooit waren zijne wenkbrauwen door drift
samengetrokken, al ware het ook slechts voor een oogenblik. Hij had
altijd goede kleeren aan, niet te wijd en niet te nauw, en kon ze ook
niet verslijten. Hij droeg altijd groote schoenen met zilveren gespen
en driedubbele zolen, die door hun groote duurzaamheid zijn schoenmaker
tot wanhoop brachten. Zijn hoofd was bedekt met een breeden hoed, die
nog dagteekende van den tijd toen Vlaanderen voor goed van Nederland
gescheiden werd, zoodat dit hoofddeksel den achtenswaardigen leeftijd
van veertig jaren bereikt had.

Hoe kon het ook anders? Hartstochten doen het lichaam zoowel als de
ziel slijten, en de kleedingstukken zoowel als het lichaam, en onze
kalme, rustige, onverschillige burgemeester had geen hartstochten. Hij
zorgde wel, dat hij niet versleet en hij zorgde er ook wel voor, dat
hij niet sleet; daardoor kwam hij zich zelf uiterst geschikt voor,
om de stad Quiquendone en haar rustige inwoners te besturen.

De stad toch was niet minder rustig dan de woning van haar
burgemeester, en in dat vreedzame verblijf dacht de waardige Van
Tricasse zoolang mogelijk het einde zijner dagen af te wachten, in elk
geval zoolang tot de goede Mevrouw Brigitta Van Tricasse, zijn vrouw,
hem in het graf was voorgegaan, waar zeker haar rust niet grooter
kon zijn dan die zij nu reeds sinds zestig jaren hier op aarde smaakte.

Dit vereischt een nadere uitlegging.

Ieder kent de geschiedenis van den man, die al wel vijfentwintig
jaren éen mes gebruikt had, maar ook het hecht vernieuwde zoodra
het niet meer deugde, en een ander lemmer nam als dit niet goed meer
was. Precies iets dergelijks gebeurde ook sedert onheuglijke tijden
in de familie Van Tricasse, en de natuur had er zich met zeldzame
welwillendheid in gevoegd.

Sedert het jaar 1340 was het onveranderlijk gebeurd, dat een Van
Tricasse, zoodra hij weduwnaar was geworden, hertrouwd was met
een jongere Van Tricasse, die, zoodra zij weduwe was geworden, een
nieuw huwelijk aanging met een jongeren Van Tricasse, die, werd hij
weduwnaar... enz. enz. in een oneindige reeks door. Ieder lid der
familie stierf als het zijn beurt was.

Nu was de thans levende Van Tricasse reeds de tweede man van de
waardige Mevrouw Brigitta Van Tricasse, die, wilde zij niet in al hare
plichten tekortschieten, haar tien jaren jongeren echtgenoot naar
de andere wereld moest voorgaan, teneinde plaats te maken voor een
nieuwe Van Tricasse. Daar rekende de achtbare burgemeester stellig op,
opdat de overleveringen der familie niet geschonden zouden worden.

Zoo zag het er uit in dat vreedzame en stille huis, waar de deuren
niet piepten, de vensters niet rammelden, de vloeren niet kraakten,
de schoorsteenen niet snorden, de windhanen niet knersten, de meubels
niet knapten, de sloten niet klepperden, en waar de bewoners niet
meer gedruisch maakten dan hun schaduw. Harpocrates, de God der
stilzwijgendheid, had dit verblijf zeker voor den tempel der rust
verkozen.



III.

Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als onverwachte
manier komt binnenvallen.


't Was kwart vóor drie, toen het hiervoren vermelde gewichtige gesprek
tusschen den wethouder en den burgemeester begon, 't was kwart vóor
vier, toen Van Tricasse zijn gewone pijp opstak, waarin een kwart ons
tabak ging. Vijf minuten over half zes had hij haar opgerookt, en al
dien tijd was tusschen beide personen geen woord gewisseld. Tegen zes
uren maakte de wethouder, die zijn onderwerp niet gemakkelijk losliet,
de opmerking:

»Besluiten we dus?..."

»Met niets te besluiten, ja," was het antwoord van den burgemeester.

»'k Zou wel denken, dat ge 't bij het rechte eind hadt, Van Tricasse."

»Mij dunkt het ook, Niklausse. We zullen ten opzichte van den
commissaris van politie wel eens een besluit nemen als wij beter op
de hoogte zijn... later... 't Komt er toch op geen maand aan..."

»O, zelfs op een jaar niet," gaf Niklausse ten antwoord, terwijl
hij langzaam zijn zakdoek ontvouwde, waarvan hij overigens een bijna
onmerkbaar gebruik maakte.

Het stilzwijgen werd wederom gedurende een uur tijds niet
afgebroken. De rust werd door niets verstoord, zelfs niet door het
binnenkomen van den hond Lento, die, even bedaard als zijn meester,
zich door de kamer bewoog. Dat was een hond! Een waar model voor al
zijn rasgenooten. Als hij van bordpapier geweest was met rolletjes
onder de pooten, zou hij niet minder leven hebben kunnen maken.

Tegen acht uren, toen Lotje de ouderwetsche lamp had binnengebracht,
zeide de burgemeester tot den wethouder:

»Is er geen andere dringende zaak af te doen, Niklausse?"

»Neen, Van Tricasse, zoover ik weet niet."

»Wat ik zeggen wil; heb ik niet gehoord, dat de Oudenaardesche poort
op inzakken stond?"

»Juist," antwoordde de wethouder, »en wezenlijk, 't zou mij niet
verwonderen, als zij op den een of anderen dag boven een voorbijganger
instortte."

»Nu," was het antwoord, »voordat dit gebeurt zullen we, hoop ik,
daaromtrent wel een beslissing genomen hebben."

»Dat hoop ik ook, Van Tricasse."

»Er zijn zaken die meer haast hebben."

»Zeker," gaf de wethouder ten antwoord, »bijv. de zaak van het
ledermagazijn."

»Brandt dat nog altijd?" was de vraag.

»Nog altijd, sedert drie weken."

»Hebben we in den Raad niet besloten het te laten branden?"

»Zeker, Van Tricasse, op uw voorstel nog wel."

»Was dat niet het beste en eenvoudigste middel om den brand meester
te worden?"

»Daar kan niemand iets tegen zeggen."

»Wel, dan kunnen we ook wachten. Is dat alles?"

»Ja, dat is alles," zeide de wethouder, met peinzend gelaat het hoofd
krabbend, als om zich te vergewissen, dat hij niet de een of andere
gewichtige zaak vergat.

»Wacht eens," hernam de burgemeester, »hebt ge ook niet hooren spreken
van een doorbraak, waardoor de laaggelegen wijk van St. Jacob dreigt
onder te loopen?"

»Ja, juist," was het antwoord. »Hoe jammer dat die doorbraak niet
ontstond vlak boven het ledermagazijn! Dan was natuurlijk de brand
gebluscht en bespaarde het ons vrij wat hoofdbrekens."

»Och, die ongelukken kunnen zoo wonderlijk loopen," sprak de waardige
burgemeester. »Daar is hoegenaamd geen verband tusschen, en men kan
maar niet van het eene gebruik maken om het andere te bestrijden."

De wethouder had eenigen tijd noodig om ten volle het fijne van die
opmerking te beseffen.

»Maar hoe is het mogelijk," riep een poos later de wethouder Niklausse
uit, »hoe is het mogelijk, dat wij niet eens over de groote zaak
spreken!"

»Welke groote zaak? Hebben wij dan een groote zaak?" vroeg de
burgemeester.

»Wel zeker. De quaestie van de stedelijke verlichting immers!"

»O ja," gaf de burgemeester ten antwoord. »Als mijn geheugen me niet
bedriegt, bedoelt ge de verlichting door dien dokter Ox."

»Juist."

»Zoo; en hoe staat het er meê?"

»Best. De zaak marcheert goed. Men begint de buizen reeds te leggen;
de fabriek is al klaar. Maar me dunkt, we haasten ons wel wat met
die zaak," zeide de wethouder, terwijl hij zijn schouders ophaalde.

»'t Kan zijn," antwoordde de burgemeester, »maar we moeten niet
vergeten, dat dokter Ox de proef geheel voor zijn rekening neemt. 't
Kost ons geen duit."

»Ja, dat zegt heel veel. Men moet toch ook met zijn eeuw medegaan. Als
de proef gelukt, zal Quiquendone de eerste stad van Vlaanderen zijn,
die verlicht wordt met hydro-oxy.... Hoe heet dat gas ook weer?"

»Hydro-oxygeengas."

»Nu, hydro-oxygeengas dan."

Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Lotje den burgemeester
zeggen, dat het avondmaal gereed stond. De wethouder Niklausse stond
op om afscheid te nemen van den burgemeester, dien het nemen van
zoovele besluiten en het behandelen van zoovele zaken geducht hongerig
gemaakt hadden. Men besloot ten slotte over een vrij geruimen tijd
den raad van notabelen bijeen te roepen, om te beslissen of men ook
voorloopig eene beslissing zou nemen ten aanzien van den toren der
Oudenaardesche poort.

Daarna gingen de beide waardige magistraatspersonen naar de deur,
die op de straat uitkwam en liet de burgemeester den wethouder
uit. Deze ontstak zijn lantaarntje, dat hem veilig door de donkere
straten van Quiquendone moest brengen, die nog niet verlicht waren
door het nieuwe gas van dokter Ox. 't Was een donkere Octobernacht
en er hing een lichte nevel over de stad.

't Duurde een goed kwartier, voordat de wethouder Niklausse gereed
was tot vertrekken, want nadat hij zijn lantaarn had ontstoken, moest
hij nog zijn slobkousen aandoen en zijn dikke wollen handschoenen
aantrekken. Vervolgens zette hij den gevoerden kraag van zijn overjas
op, sloeg de klep van zijn muts neer, nam zijn stevigen parapluie in
de hand en was toen eindelijk klaar.

Juist toen Lotje den sluitboom van de deur zou nemen, werd plotseling
eenig gedruisch van buiten hoorbaar.

Ja, dat klinkt nu wel onwaarschijnlijk, maar er was toch gedruisch,
zooals misschien in de gansche stad niet gehoord was sedert de
bezetting door de Spanjaarden in 1563, en dat gedruisch riep al
de slapende echo's in het oude huis Van Tricasse wakker. Men duwde
tegen de deur, die tot dusver nog nooit door eene hand onbehoorlijk
was aangeraakt! Men klopte herhaaldelijk met een klinkend voorwerp,
waarschijnlijk een knoestigen stok door een krachtige hand in beweging
gebracht! Tusschen de slagen hoorde men roepen, schreeuwen en duidelijk
kon men deze woorden verstaan:

»Mijnheer Van Tricasse! Mijnheer de burgemeester! Doe open, doe eens
gauw open!"

De burgemeester was al even onthutst als de wethouder, en beiden keken
elkander aan zonder een woord te spreken. Van zoo iets hadden zij
geen begrip. Als men vlak vóor hen de oude veldslang had afgeschoten
die op het kasteel stond en sedert 1385 niet gebruikt was, zouden de
bewoners in het huis van Van Tricasse niet meer uit de lijken geslagen
zijn dan nu.

Het geklop en het geschreeuw werd inmiddels steeds sterker. Eindelijk
was Lotje zichzelve genoeg meester geworden om te durven roepen:

»Wie is daar?"

»Ik ben het! Ik!"

»Wie is ik?"

»De commissaris Passauf!"

Dat leven werd dus gemaakt door den commissaris van politie, terwijl er
al tien jaar van gesproken was of die betrekking eigenlijk wel noodig
was! Wat was er dan toch gebeurd? Hadden de inwoners van Bourguignon
de stad Quiquendone bestormd, evenals in de 14e eeuw? Minstens zoo
iets moest er gebeurd zijn om den commissaris Passauf zoodanig op te
winden, want anders was hij al niet minder kalm en flegmatiek dan de
Burgemeester zelf.

Van Tricasse gaf een teeken, want spreken kon de waardige man niet,
en de sluitboom werd weggenomen en de deur geopend.

De commissaris kwam als een hoos de kamer binnenstormen.

»Wat is er toch, mijnheer de commissaris?" vroeg Lotje, een flinke
meid, die zelfs in de bangste oogenblikken het hoofd niet verloor.

»Wat er is!" riep de commissaris, wiens groote ronde oogen van
ontroering schitterden. »Wat er is? Ik kom van de woning van dokter
Ox; daar was partij, en daar..."

»Nu, en daar?" vroeg de wethouder.

»Daar ben ik getuige geweest van een woordenwisseling die... Mijnheer
de burgemeester, er is daar over politiek gesproken!"

»Over politiek," herhaalde Van Tricasse, terwijl hij de kuif van zijn
pruik opstreek.

»Over politiek," hernam de commissaris, waarmede hij iets berichtte,
dat stellig in geen honderd jaar te Quiquendone gebeurd was. »Het
gesprek is steeds levendiger geworden. De advocaat André Schut en de
geneesheer Dominicus Custos hebben zulk een heftige woordenwisseling
gehad, dat misschien een uitdaging...."

»Wat! een uitdaging!" riep de wethouder uit. »Een duel! Een duel te
Quiquendone! En wat hebben de advocaat Schut en de geneesheer Custos
wel gezegd?"

»Woordelijk dit: »Mijnheer de advocaat," heeft de geneesheer tot zijn
tegenpartij gezegd, »gij gaat eenigszins te ver, dunkt mij, en het
schijnt, dat gij er niet genoeg op bedacht zijt uwe woorden te wegen!""

De burgemeester Van Tricasse sloeg de handen ineen. De wethouder werd
bleek en liet zijn lantaarn vallen. Zulke krasse woorden, en dat door
twee van de notabelste inwoners!

»Die geneesheer Custos," mompelde Van Tricasse, »is zonder twijfel
een gevaarlijk man, een heethoofd; laat ons de zaak overwegen,
mijne heeren!"

Hierop begaven de wethouder Niklausse en de commissaris zich met den
burgemeester in de spreekkamer.



IV.

Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute
proeven neemt.


Wie is toch die man met dien zonderlingen naam, die dokter Ox? Een
zonderling stellig, maar tegelijkertijd ook een stout geleerde, een
natuurkundige, wiens talent door gansch Europa gewaardeerd wordt,
een gelukkig mededinger van mannen als Davy, Dalton, Bostock,
Menzie, Godwin, Vierordt, kortom van al die knappe menschen, die
de natuurkunde tot een van de voornaamste vakken der hedendaagsche
wetenschap verheven hebben.

Dokter Ox was een vrij gezet man van middelbare grootte; hij
telde... neen, hoeveel jaren hij telde, zouden wij niet precies
kunnen opgeven, ook niet waar hij vandaan kwam. Dat komt er ook
trouwens minder op aan. Hij was, en dat is voldoende, een ongewoon
personage, warmbloedig, snel in zijn bewegingen, in één woord een
levende tegenstelling van de bewoners van Quiquendone.

In zich zelf en in zijn leer stelde hij een onverstoorbaar
vertrouwen. 't Was een lust hem te zien loopen met zijn eeuwigen
glimlach, met opgerichten hoofde, de borst flink en vrij met elke
ademhaling zoo krachtig uitzettende. Levendig was hij, zeer levendig
zelfs; kwikzilver had hij in de aderen, en hij liep als op spelden. Hij
trippelde altijd heen en weer en sprak haastig en met veel beweging.

Was die dokter Ox dan rijk, dat hij op zijn kosten een gansche stad
ging verlichten?

Misschien wel, anders doet men zulke uitgaven niet. Meer kunnen we
op die onbescheiden vraag niet antwoorden.

't Zal een vijf maanden geleden zijn, dat de dokter te Quiquendone
kwam; hij was vergezeld van zijn assistent, luisterende naar den
naam van Gideon Ygeen. Dat was een lange, magere man, die echter even
levendig was als zijn patroon.

Maar waarom had dokter Ox aangenomen op zijne kosten de stad te
verlichten? En waarom had hij nu juist de vreedzame Quiquendoners
gekozen, de rustigste aller Vlamingen; waarom wilde hij hunne stad de
weldaden doen genieten van een uitstekende gasverlichting? Kon het
ook zijn, dat hij een of andere groote natuurkundige proef op het
oog had en die in anima vili wilde uitvoeren? Wat wilde die man toch?

Hierop moeten wij het antwoord schuldig blijven, want dokter Ox had
maar één vertrouwde, zijn assistent Ygeen, en die gehoorzaamde hem
blindelings.

Naar het schijnt, had dokter Ox aangenomen de stad te verlichten;
zij had er behoefte aan, vooral 's nachts, zooals de commissaris
Passauf zeer ter snede opgemerkt had. De inrichting was bijna klaar,
en gasbuizen waren gereed het gas te doen stroomen in de sierlijke
gasbekken, die in eenige openbare gebouwen en in de woningen van
eenige vrienden van den vooruitgang aangebracht waren.

Van Tricasse, als burgemeester, en Niklausse, als wethouder, hadden
gemeend in hunne woningen die nieuwe verlichting te moeten doen
aanleggen, en eenige andere autoriteiten hadden gemeend hun voorbeeld
te moeten volgen.

Dat gas toch was iets nieuws; het was geen gewoon koolwaterstofgas,
gas dat uit steenkool gestookt wordt, neen, het hydro-oxygeengas
was twintig maal helderder en werd gevormd door eene vermenging van
hydrogenium en oxygenium, dus waterstof met zuurstof.

De dokter had als bekwaam scheikundige en vernuftig natuurkundige er
een middel op gevonden, om het gas op groote schaal te verkrijgen
en langs veel goedkooper weg dan de gewone manier. Heel eenvoudig
ontleedde hij het water, waarin een zwak zuur was opgelost, met een
door hem uitgedachte batterij, uit nieuwe elementen bestaande. De dure
hulpmiddelen waren dus vermeden; zoo waren geen platina, geen retorten,
geen brandstoffen, geen fijnbewerkte toestel om de beide gassen
afzonderlijk daar te stellen, meer noodig. Een electrische stroom liep
door groote bakken vol water, en de vloeistof werd ontleed in hare
samenstellende deelen: oxygenium en hydrogenium. Het oxygenium ging
langs den eenen weg, het hydrogenium, welks volume dubbel zoo groot
was als dat van zijn ouden makker, ging den anderen kant uit. Beide
gassen werden in afzonderlijke reservoirs opgevangen, dat was noodig,
want anders zou er een verschrikkelijke ontploffing gevolgd zijn,
als het eens in vlam geraakte. Door pijpen werden ze vervolgens naar
de verschillende gasbekken gevoerd, die zoo zouden ingericht zijn,
dat er geen ontploffing kon ontstaan. Dat alles zou een prachtige vlam
geven, minstens gelijk aan het electrisch licht, dat, zooals iedereen
uit de proeven van Casselmann weet, een lichtkracht heeft van niet
meer en niet minder dan elf honderd een en zeventig waskaarsen.

Zonder twijfel zou de stad Quiquendone door deze edelmoedige
onderneming een heerlijke verlichting rijk worden; maar daar was het
dokter Ox en zijn assistent toch minder om te doen, gelijk uit het
volgende blijken zal.

Juist den dag nadat de commissaris Passauf op zoo luidruchtige wijze
bij den burgemeester was komen binnenstuiven, waren Gideon Ygeen en
dokter Ox aan het praten in hun gemeenschappelijk werkvertrek in de
benedenverdieping van de fabriek.

»Wel Ygeen, wat zegt ge er van?" riep dokter Ox uit, terwijl hij zich
tevreden in de handen wreef. »Ge hebt gisteren op de partij die goede,
koudbloedige Quiquendoners eens gezien, die, wat hartstochtelijkheid
betreft, het midden houden tusschen sponzen en koraalgewassen. Ge
hebt nu gezien, dat ze al beginnen te redetwisten en elkander met
woorden en gebaren uitdagen. In geestelijk en lichamelijk opzicht
waren ze reeds veranderd. Dat is nog maar een begin! Wacht nu eerst
totdat we hun een grootere dosis geven!"

»Ik kan niet anders zeggen, dokter," antwoordde Gideon Ygeen, terwijl
hij met den wijsvinger langs zijn spitsen neus wreef, »dan dat de
proef goed begint, en als ik niet zoo voorzichtig was geweest om de
kraan te sluiten, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn."

»Ge hebt gehoord wat die advocaat Schut en die geneesheer Custos
zeiden," hernam dokter Ox. »Op zichzelf waren de woorden zoo erg
niet, maar voor een Quiquendoner zijn ze wel zoo kras als de gansche
reeks van vloeken, die de helden van Homerus elkander naar het hoofd
wierpen voordat ze van leer trokken. Ha, die Vlamingen, ge zult eens
zien wat we daar nog van maken!"

»We zullen hen tot ondankbaren maken," antwoordde Gideon Ygeen,
op den toon van iemand die de menschheid op haar rechte waarde schat.

»Kom, kom!" was het antwoord van den dokter, »wat kan het ons schelen
of ze er ons dankbaar voor zijn of niet, als onze proef maar gelukt."

»Maar dan is het nog de vraag," voegde zijn assistent er glimlachend
bij, »of wij, door hunne ademhalingswerktuigen zoo in opschudding
te brengen, niet de longen van die brave bewoners van Quiquendone
eenigszins van streek maken.

»Des te erger voor hen," gaf de dokter ten antwoord. »Het is in het
belang van de wetenschap. Stel u eens voor, dat honden of kikvorschen
zich eens niet langer tot de vivisectie wilden leenen!"

Hoogstwaarschijnlijk zouden de honden en kikvorschen, als ze
geraadpleegd werden, wel eenige bezwaren inbrengen tegen de
verrichtingen der heeren vivisectionisten; dokter Ox bekreunde zich
evenwel om die gissing niet veel en gaf een zucht van voldoening over
zijn onwederlegbaar argument.

»Alles wèl beschouwd, dokter, hebt ge gelijk," gaf Gideon Ygeen met
berusting ten antwoord. »We konden eigenlijk nergens beter terechtkomen
dan bij deze inwoners van Quiquendone."

»Neen, dat konden we zeker niet," zeide de dokter met eenigen nadruk
op elke lettergreep.

»Hebt ge den pols van die menschen wel eens gevoeld?"

»Wel honderd maal."

»En hoeveel slagen gemiddeld?"

»Geen vijftig in de minuut. Maar begrijp ook eens; een stad waar sedert
een eeuw geen schijn of schaduw van woordenwisseling bestond, een stad
waar de karrelui niet vloeken, waar de koetsiers niet schelden, waar
de paarden niet hollen, waar de honden niet bijten, waar de katten
niet krabben! Een stad waar het kantongerecht het eene jaar in,
het andere uit, geen politieovertredingen te behandelen heeft! Een
stad waar men zich om geen enkele zaak warm maakt, om geen kunsten,
om geen zaken! Een stad waar gendarmes tot de mythe behooren, waar in
geen honderd jaar een procesverbaal is opgemaakt! Een stad ten slotte,
waar in de laatste drie eeuwen geen klap of stomp toegediend is! Ge
begrijpt nu toch, Ygeen, dat zoo iets niet langer kan voortduren,
en dat wij daarin eens verandering zullen brengen."

»Prachtig! Overheerlijk!" gaf de assistent met geestdrift ten
antwoord. »Maar de lucht, dokter, hebt ge die onderzocht?"

»Natuurlijk. Negen en zeventig deelen stikstof en twintig deelen
zuurstof, koolzuur en waterdamp in veranderlijke hoeveelheid. Dat
zijn de gewone verhoudingen."

»Best, dokter, best," antwoordde Ygeen. »De proef zal grootsch zijn
en beslissend."

»En als ze beslissend is," voegde dokter Ox er met een zegepralend
lachje bij, »dan herscheppen wij de wereld!"



V.

Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter
Ox en hetgeen daaruit voortvloeit.


De wethouder Niklausse en de burgemeester Van Tricasse wisten nu eens
wat een onrustige nacht was. Ze hadden letterlijk niet kunnen slapen
van het ernstige voorval ten huize van dokter Ox. Welke gevolgen kon
die zaak wel hebben? Ze konden het zich niet voorstellen. Moest er een
besluit genomen worden? Zou het gemeentebestuur, in hunne personen
vertegenwoordigd, genoodzaakt zijn tusschenbeide te komen? Moesten
er besluiten afgevaardigd worden, om te zorgen dat een dergelijk
schandaal niet meer voorkwam?

Die twijfel bracht natuurlijk een groote stoornis in hun vreedzaam
karakter teweeg. Voordat zij scheidden evenwel, hadden de beide
notabelen »besloten" er morgen nog eens over te praten.

Den volgenden dag, nog vóór tafel, begaf de burgemeester Van Tricasse
zich in persoon naar den wethouder Niklausse. Hij trof zijn vriend
in veel bedaarder gemoedstoestand aan. Hij zelf had weer al zijn
waardigheid hernomen.

»Iets nieuws?" was zijn vraag.

»Sinds gisteren niet," antwoordde Niklausse.

»Hoe is het met den geneesheer Dominicus Custos?"

»Ik heb er evenmin iets van gehoord als van den advocaat André Schut."

Na een gesprek van een uur, waarvan de inhoud in drie regels zou
te vermelden zijn en dat daarom nutteloos zou zijn over te brengen,
hadden de burgemeester en de wethouder wezenlijk besloten dokter Ox
een bezoek te gaan brengen, teneinde ongemerkt eenige inlichtingen
uit hem te trekken.

Nadat, geheel tegen hunne gewoonte in, dit besluit genomen was, vonden
de twee notabelen zich verplicht, het onmiddellijk uit te voeren. Zij
verlieten het huis en richtten zich naar de fabriek van dokter Ox,
buiten de stad, bij de poort van Oudenaarde gelegen,--dezelfde waarvan
de toren bijna inviel.

De burgemeester en de wethouder liepen niet gearmd, maar zij liepen
passibus aequis, met langzame en deftige schreden, die hen nauwelijks
dertien duim per seconde vooruitbracht. 't Was trouwens de gewone
gang hunner onderhoorigen, die bij menschen geheugen, nooit iemand
hard hadden zien loopen in de straten van Quiquendone.

Van tijd tot tijd hielden de twee notabelen op den hoek van een stille
straat eens op om de menschen te groeten.

»Goeden dag, mijnheer de burgemeester," zei de een.

»Goeden dag, mijn vriend", antwoordde Van Tricasse.

»Niets nieuws, mijnheer de wethouder?" vroeg de ander.

»Niets nieuws," antwoordde Niklausse.

Maar toch kon men aan zekere verwonderde gezichten, aan zekere
vragende blikken merken, dat de woordenwisseling van den vorigen
avond in de stad bekend was. Alleen reeds aan de door Van Tricasse
gevolgde richting, kon de domste inwoner van Quiquendone raden, dat
de burgemeester een ernstigen stap ging nemen. De zaak Custos en Schut
hield aller gedachten bezig, maar men was er nog niet aan toe om partij
voor den een of ander te trekken. Die advocaat en die geneesheer waren
toch inderdaad beiden zeer geachte personages. De advocaat Schut,
die nooit in de gelegenheid geweest was te pleiten in een stad, waar
de prokureurs en de deurwaarders slechts voor de leus bestonden, had
dus ook nooit een proces verloren. Wat den geneesheer Custos betreft,
't was een achtenswaardige prakticus, die, op het voetspoor zijner
collega's, hunne zieken van alle ziekten genazen, uitgenomen van die
waaraan zij stierven. 't Was een noodlottige gewoonte, die, ongelukkig
genoeg, aangenomen is door al de leden van al de Faculteiten, in welk
land ze ook praktiseeren.

Toen ze bij de poort van Oudenaarde waren aangekomen, namen de
wethouder en de burgemeester voorzichtig een klein omwegje om niet
te dicht in den omtrek van den toren te komen, die dreigde omver te
vallen; daarna bekeken ze hem met aandacht.

»'k Denk dat hij vallen zal," zei Van Tricasse.

»'k Denk het ook," antwoordde Niklausse.

»Of men moet hem stutten," voegde Van Tricasse erbij. »Maar moeten we
'm stutten? Dat is de vraag."

»Dat is juist de vraag," antwoordde Niklausse.

Eenige oogenblikken later meldden ze zich aan de fabriek aan.

»Is dokter Ox te spreken?" vroegen zij.

Dokter Ox was voor de eerste magistraatspersonen der stad altijd te
spreken en deze werden dan ook dadelijk in de spreekkamer van den
beroemden natuurkundige ontvangen.

Het kan wel een uur zijn dat de twee notabelen moesten wachten,
voordat de dokter verscheen. Er bestaat althans alle grond het te
gelooven, want de burgemeester--en dit was hem nog nooit in zijn
leven gebeurd--toonde zich wel een beetje ongeduldig, waarvan zijn
collega ook niet was vrij te pleiten!

Eindelijk trad dokter Ox binnen en begon met zich te verontschuldigen
de heeren te hebben laten wachten, maar een nieuw model van een
gasmeter, het verbeteren van een vertakking van gasbuizen... Overigens,
alles ging goed! De geleidingen voor het oxygenium waren al
gesteld. Over eenige maanden zou de stad het voorrecht genieten eener
prachtige verlichting. De twee notabelen konden de monden der buizen
reeds zien, die in de spreekkamer van den dokter uitkwamen.

Daarna verzocht de dokter de reden te mogen weten van de eer, die
hij genoot den burgemeester en den wethouder bij zich aan huis te
mogen ontvangen.

»Maar, enkel u eens te zien, dokter, u eens te zien," antwoordde Van
Tricasse. »'t Is al zoo lang geleden, dat we dat genoegen niet mochten
smaken. We gaan weinig uit in ons goede Quiquendone. We tellen onze
passen en meten onze schreden af. Gelukkig als niets de eentoonigheid
komt verstoren..."

Niklausse keek ter sluiks zijn vriend eens aan. Zijn vriend had
nooit zoo lang achtereen gesproken,--althans zonder tusschenpoozen en
oogenblikken van plechtige stilte. Hij vond dat Van Tricasse zich met
een zekere radheid van tong uitdrukte als hij nog nooit van hem gehoord
had. Niklausse zelf gevoelde een onweerstaanbaren lust tot spreken.

Dokter Ox van zijn kant keek den burgemeester guitig aan.

Van Tricasse, die nooit redeneerde of hij moest zich eerst gemakkelijk
in een goeden leunstoel gezet hebben, was ditmaal opgestaan. Een zekere
zenuwachtige overspanning, geheel in strijd met zijn gewone kalme
gemoedsstemming, had zich van hem meester gemaakt. Hij gesticuleerde
nog wel niet, maar ook dat zou niet lang uitblijven. Wat den wethouder
aangaat, hij wreef zich de kuiten en haalde lang en diep adem. Zijn
oog verhelderde zich langzamerhand en hij was werkelijk »besloten"
om, als het moest, zijn getrouwen vriend den burgemeester, het mocht
gaan zoo het wilde, bij te staan.

Van Tricasse was opgestaan, hij had eenige schreden gedaan en was
toen weder tegenover den dokter gaan zitten.

»En over hoeveel maanden," vroeg hij hem met zekeren nadruk, »over
hoeveel maanden denkt u met uw werkzaamheden gereed te zijn?"

»Over drie of vier maanden, mijnheer de burgemeester," antwoordde
dokter Ox.

»Over drie of vier maanden, dat is veel!" zeide Van Tricasse.

»Veel te veel!" riep Niklausse, die het op zijn plaats niet langer
kon uithouden en bij hem was komen staan.

»Ja, zooveel tijd hebben wij noodig om met ons werk gereed te komen,"
antwoordde de dokter. »We hebben onze werklieden hier uit de stad
moeten halen, en die zijn niet vlug."

»Wat, niet vlug!" schreeuwde de burgemeester, die dat woord als een
persoonlijke beleediging scheen op te vatten.

»Neen, mijnheer de burgemeester," hield dokter Ox vol. »Een Fransch
werkman werkt op éen dag zoo hard als tien van de uwen. U begrijpt,
't zijn echte Vlamingen!..."

»Vlamingen!" riep de wethouder Niklausse uit, wiens vingers begonnen
te jeuken. »In welken zin, Mijnheer, vat gij dat woord op?"

»Wel, in den zelfden... vleienden zin als ieder ander," gaf de dokter
met een glimlach ten antwoord.

»Hoor eens, Mijnheer!" zeide de burgemeester, terwijl hij met groote
stappen heen en weer liep, »'k houd niet van die draaierijen. De
werklieden van Quiquendone doen niet onder voor de werklieden uit
welke stad ter wereld ook, begrijpt u, en Londen noch Parijs hebben
we ons tot voorbeeld te stellen! Overigens verzoek ik u met het werk,
dat u onderhanden hebt, haast te maken. Onze straten zijn opgebroken
voor het leggen der gasbuizen; dat hindert het verkeer. De handel zal
er over klagen, en ik, de verantwoordelijke bestuurder, verkies niet
verwijten te hooren, waarvoor maar al te veel reden zou bestaan!"

Flink gesproken, burgemeester. Daar hoort moed toe, van handel, van
verkeer te spreken, als men aan die woorden niet gewoon is. Maar wat
scheelde hem toch?

»En dan," voegde Niklausse er bij, »kan de stad ook niet langer van
verlichting verstoken blijven."

»Acht of negen eeuwen lang heeft men het toch wel zonder gedaan,"
antwoordde de dokter.

»Reden te meer, Mijnheer," sprak de burgemeester met veel nadruk:
»Andere tijden, andere zeden! De wereld gaat vooruit, en wij willen
niet achter blijven! Binnen een maand dienen onze straten verlicht
te zijn, of ge zult voor elken dag vertraging een aanzienlijke
schadeloosstelling te betalen hebben! Waar zou het heen, als in die
duisternis eens ruzie ontstond?"

»Verschrikkelijk!" riep Niklausse. »Er is maar een kleinigheid noodig
om den strijdlust van een Vlaming te doen ontvlammen! Vlam--Vlaming!"

»En wat dat betreft," viel de burgemeester hierop in, »is ons door
onzen commissaris van politie Passauf gerapporteerd, dat gisterenavond
in uwe salons, mijnheer de dokter, een woordenwisseling gevoerd is. Is
het zoo, dat het een gesprek over staatkunde was?"

»Zoo was het, mijnheer de burgemeester," antwoordde dokter Ox, die
moeite had een zucht van voldoening te smoren.

»En werd die woordenwisseling niet gevoerd tusschen den geneesheer
Dominicus Custos en den advocaat André Schut?"

»Ja, mijnheer de wethouder, maar de woordenwisseling was nog al
niet scherp."

»Niet scherp!" riep de burgemeester uit, »is dat niet scherp als de
eene man tot den ander zegt, dat hij zijn woorden niet schijnt te
wegen! Maar van welk deeg zijt gij dan wel gebakken, Mijnheer? Weet
gij dan niet, dat hier in Quiquendone niets meer noodig is om uiterst
betreurenswaardige gevolgen te veroorzaken? Zie, Mijnheer, als gij
of iemand anders zóo tegen mij durfdet spreken..."

»Of tegen mij..." riep ook Niklausse, en beide notabelen stonden
met gekruiste armen en te bergen gerezen haren vlak voor dokter Ox,
die slecht van de reis zou gekomen zijn, als hij het ongeluk gehad
had met een enkele beweging, of, nog minder, met een blik slechts de
bedoeling te verraden hun het geringste in den weg te willen leggen.

Gelukkig vertrok de dokter geen spier.

»In alle geval, Mijnheer," liet de burgemeester er op volgen, »stel
ik u aansprakelijk voor hetgeen in uwe woning voorvalt. Aan mij is
de rust in deze stad toevertrouwd, en ik zal niet dulden dat zij
verstoord worde. Hetgeen gisteren gebeurd is moet zich niet herhalen,
of ik zal weten wat mij te doen staat. Begrepen? Maar geef dan toch
antwoord, Mijnheer!"

Terwijl de burgemeester zich zoo door een buitengewone opgewondenheid
had laten medesleepen, was zijn spreken in bulderen overgegaan. Hij
was woedend, de waardige Van Tricasse, en buiten zou men hem stellig
kunnen hooren. Toen hij eindelijk buiten adem was en zag dat de dokter
op zijne uittartingen niet antwoordde, zeide hij tot den wethouder:

»Ga mede, Niklausse."

De deur werd zoo hard dichtgeslagen, dat het huis dreunde, en de
burgemeester was met den wethouder vertrokken.

Langzamerhand, toen zij een twintig pas geloopen hadden, kwamen de
waardige vrienden tot bedaren. Zij liepen langzamer, hun stap werd
gematigder. Hun gelaat schitterde niet meer zoo; van rood werd het
blozend.

Een kwartier nadat zij de fabriek verlaten hadden, zeide Van Tricasse
vriendelijk tot den wethouder:

»Wat een aardig man, die dokter Ox! 'k Zie hem altijd met het grootste
genoegen."



VI.

Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes voor de
toekomst maken.


De lezers weten, dat de burgemeester eene dochter had, Suze
geheeten. Voor hoe scherpzinnig ik hen nu ook houd, hebben zij toch
zeker niet kunnen raden, dat de wethouder Niklausse een zoon had,
die Frans heette, en dat die zoon de aanstaande was van Suze. Deze
beide jongelieden waren trouwens voor elkaar geschapen, en ze beminden
elkaar zooals men te Quiquendone bemint.

Men moet niet denken, dat in deze buitengewone stad de jonge hartjes
niet klopten; ze klopten alleen maar wat langzaam. Men trouwde er even
goed als in alle andere steden van de wereld, maar men overhaastte
zich niet. De verloofden wilden, voordat zij die vreeselijke banden
smeedden, elkander leeren kennen en die studie duurde minstens
tien jaren.

Tien jaren vrijde men, ja! Is dat dan te veel, als men zich voor
het leven wil verbinden? Men studeert soms wel zoo lang om dokter
of advocaat te worden, en zou men dan in minder tijd de kundigheden
willen verkrijgen die een echtgenoot noodig heeft? Dat mag men niet
aannemen, en of het nu wegens het temperament geschiedt of na rijpelijk
nadenken, het komt ons voor, dat de Quiquendoners met hun lange studie
geen ongelijk hebben. Als men in andere, vrije en vurige steden soms
in enkele maanden een huwelijk ziet sluiten, moet men de schouders
ophalen, en men zou wel doen, zijn jongens naar het college en zijne
meisjes naar de kostschool te Quiquendone te zenden.

In een halve eeuw was het slechts eens voorgekomen, dat een huwelijk
binnen de twee jaren tot stand kwam, en dat liep nog bijna slecht af!

Frans Niklausse beminde dus Suze Van Tricasse, maar kalmpjes, zooals
men bemint, wanneer men tien jaren vóor zich heeft om het beminde
voorwerp eenmaal het zijne te mogen noemen. Eenmaal 's weeks kwam
Frans op een bepaald uur zijn Suze afhalen, en ging met haar naar
de oevers van de Vaar. Frans nam zijn hengel mede, en Suze vergat
nooit haar stremien mede te nemen, waarop haar lieve vingeren de
onmogelijkste bloemen tooverden.

We dienen ook nog te zeggen, dat Frans een jonkman van twee en twintig
jaar was, dat zijne wangen zich met een licht perzikkendons begonnen
te bedekken en ten slotte dat zijne stem nauwelijks meer dan een
octaaf omvang had.

Suze was blond en had een rozenkleurtje. Zij telde pas zeventien zomers
en had toch geen hekel aan het hengelen, welk een zonderling genoegen
het ook moge zijn om de vischjes met een weerhaak te verschalken. Maar
het kwam doordat Frans er van hield; 't was juist een vermaak naar
zijn aard. Hij was zoo geduldig als 't maar kan, mocht gaarne een
weinig droomerig op zijn dobber staren en had geduld genoeg om te
wachten totdat, misschien na zes uren zittens, een voorntje zoo goed
was, misschien uit medelijden met hem, zich te laten vangen; dan was
hij gelukkig, maar altijd met gematigdheid.

Dien zelfden dag hadden de beide aanstaanden zich op den
begroeiden oever neergevleid; eenige voeten beneden hen kabbelde de
vreedzame Vaar. Suze trok achteloos haar naald heen en weer door het
stremien. Frans slingerde werktuiglijk zijn sim van rechts naar links,
en liet haar dan met den stroom van links naar rechts drijven. De
vorentjes sprongen lustig rond nabij den dobber, terwijl de haak,
nog vrij, dieper in het water lag.

Nadat het een poos geduurd had, zei Frans:

»Ik geloof dat ik beet heb, Suze," maar hij keek haar niet aan.

»Zoudt ge denken, Frans?" gaf Suze ten antwoord, terwijl ze voor een
oogenblik haar werk liet rusten, en met bewogen oog den dobber van
haar aanstaande volgde.

»Neen, toch niet," zeide Frans weer, »ik dacht maar dat ik voelde
trekken. Ik heb mij vergist."

Eenigen tijd daarna merkte Suze met haar lieve, zachte stem op:

»Ze zullen wel bijten, Frans, maar vergeet niet tijdig op te halen. Ge
zijt altijd eenige seconden te laat, en dan ontsnapt de visch."

»Wilt gij den hengel eens houden, Suze?"

»Gaarne, Frans."

»Geef mij dan uw tappiseriewerk. Ik zal zien of ik beter slaag met
de naald dan met den angel."

Nu nam het meisje met bevende hand den hengel, en de jongman haalde
ijverig de naald door het stremien.

Zoo wisselden zij uren lang vriendelijke woordjes, en hunne harten
klopten als er beweging in den dobber kwam. O, dat ze nooit de
heerlijke uren mogen vergeten, waarin ze onder het gekabbel der
golfjes bij elkander zaten!

De zon was dien dag reeds een goed eind gedaald, en ondanks de
vereenigde talenten van Suze en Frans, had de visch nog maar niet
gebeten. De vorentjes hadden ditmaal geen medelijden en lachten wat om
de jongelieden, die trouwens veel te redelijk dachten om hun ongelijk
te geven.

»Een ander maal zullen we gelukkiger zijn, Frans," zeide Suze, toen
de jonge visscher zijn haak weder op het plankje stak.

»Dat zullen we hopen, Suze," gaf Frans ten antwoord.

Daarna sloegen beiden naast elkaar den weg naar huis in zonder een
woord te spreken, even zwijgend als de lange schaduwen, die voor hen
uitgingen. Suze werd groot, heel groot onder de schuine stralen der
ondergaande zon; Frans werd mager, zoo mager als de hengel, dien hij
in de hand hield.

Nu had men de woning van den burgemeester bereikt. Tusschen de
straatsteenen wiesen geheele grasstruiken, maar men trok ze niet uit,
want ze dempten het geluid der voetstappen.

Toen de deur stond geopend te worden, meende Frans tot zijn beminde
te moeten zeggen:

»Denkt ge er wel eens aan, Suze, dat de groote dag nadert?"

»Ja, hij nadert zeker, Frans," antwoordde het meisje met neergeslagen
blik.

»Ja," hernam Frans, »binnen vijf of zes jaar...."

»Tot ziens, Frans," zeide Suze.

»Tot ziens, Suze," antwoordde Frans.

Daarop werd de deur gesloten, en de jonkman vervolgde met kalmen tred
zijn weg naar het huis van den wethouder Niklausse.



VII.

Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de »allegro's" in »vivaces"
overgaan.


De gemoederen waren bedaard na het voorgevallene tusschen den advocaat
Schut en den geneesheer Custos. De zaak had geene gevolgen gehad. Men
had dus reden om te hopen, dat Quiquendone tot zijn gewone kalmte
zou terugkeeren, die een oogenblik door een onverklaarbaar voorval
was gestoord.

Inmiddels vorderde men snel met het leggen der buizen voor het
hydro-oxygeengas naar de voornaamste gebouwen der stad. Hoofdbuizen
en zijbuizen werden onder de straten van Quiquendone steeds
verder voortgeschoven. Branders waren er nog niet, want hunne
vervaardiging vereischte bijzonder veel zorg en moest in het buitenland
geschieden. Dokter Ox was hier en daar en overal, hij en zijn assistent
Ygeen lieten geen oogenblik verloren gaan; zij spoorden onophoudelijk
de werklieden aan, werkten aan de voltooiing der gasmeters en hielden
dag en nacht de reusachtige electrische batterijen in werking waarmede
het water ontleed werd.

De dokter was namelijk al aan het maken van zijn gas, ofschoon het
buizennet nog niet voltooid was, iets wat, tusschen ons gezegd,
wel wat vreemd scheen. Maar het zou niet lang duren, ten minste dat
mocht men hopen, of dokter Ox zou voor het eerst in den schouwburg
zijn prachtig licht laten schijnen.

Quiquendone bezat werkelijk een schouwburg, en inderdaad een fraai
gebouw ook. In- en uitwendig had het iets van alle bouwstijlen; het
had gelijkertijd iets van den Byzantijnschen, van den Romaanschen,
van den Gothischen en van den Renaissance-stijl; deuren met rondbogen,
spitsboogvensters, ster-rosetten, fantasie-klokketorentjes, kortom,
het was een staalkaart van alle mogelijke stijlen. Verwonderen
doet het niet, als men weet, dat het gebouw begonnen werd onder
den burgemeester Lodewijk Van Tricasse in 1175 en voltooid in 1837
onder den burgemeester Natalis Van Tricasse. Het bouwen had zeven
eeuwen geduurd, en achtereenvolgens hadden verschillende modes haar
invloed laten gelden. Toch was en bleef het een mooi gebouw, en bij de
Romaansche zuilen en Byzantijnsche gewelven, zou het nieuwe lichtgas
in het geheel niet misstaan.

In dien schouwburg van Quiquendone werd zoo wat van alles gespeeld,
vooral opera en opera-comique. 't Zou evenwel de vraag zijn, of de
componisten er wel hun eigen werk herkend zouden hebben, zoo zeer
had men het tempo veranderd.

In Quiquendone werd niets haastig gedaan, en dus moesten ook de
dramatische werken naar het karakter der Quiquendoners geschikt
worden. De schouwburg opende zijne deuren gewoonlijk te vier uren en
sloot ze te tien uren, maar in die zes uren tijds waren er nooit meer
dan twee bedrijven gespeeld. Voor Robert le diable, les Huguenots,
Guillaume Tell, enz. had men gewoonlijk drie avonden noodig, vanwege
de langzame wijze waarop die werken uitgevoerd werden. De vivaces
ontaardden in den schouwburg van Quiquendone in ware adagio's; de
allegro's werden tot in het oneindige gerekt. De vier en zestigste
wonnen het van de heele noten in andere landen. Een vlugge roulade
had, als ze naar den smaak der Quiquendoners uitgevoerd werd, den
gang van een plechtige kerkmis. Een losse triller moest uiterst
bedaard en volkomen gelijkmatig gespeeld worden, wilde hij de ooren
der dilettanten niet kwetsen. Om een voorbeeld te noemen: het vlugge
air, dat Figaro in de eerste acte van den Barbier de Séville bij
zijn optreden zingt, werd genomen met nommer 33 van den metronoom;
het duurde acht en vijftig minuten, en dan nog heette het, dat de
zanger er flink achter heenzat.

De artisten, die van buiten de stad kwamen, hadden zich natuurlijk
naar die mode moeten schikken, maar men betaalde hen goed en dus
klaagden zij niet; zij gehoorzaamden stipt aan den strijkstok van den
orkestdirecteur, die in een allegro nooit meer dan acht maten in de
minuut sloeg.

Maar welke toejuichingen wachtten ook niet de artisten, die het
publiek van Quiquendone in verrukking brachten, zonder zich ooit te
vermoeien! Het geheele publiek sloeg met geregelde tusschenpoozen de
handen in elkaar, hetgeen dan in de couranten »daverende toejuichingen"
heette. Een of twee malen zelfs zou wellicht de zaal onder die
bijvalsbewijzen ingestort zijn, indien men er niet in de twaalfde
eeuw geenszins tegen opgezien had flinke fondamenten te leggen.

Om voorts die levendige Vlamingen niet al te zeer op te winden, werd er
maar eens in den schouwburg gespeeld; dat gaf den acteurs gelegenheid
dieper in hunne rollen door te dringen, en aan het publiek om langer
te teren op de schoonheden der meesterwerken van dramatische kunst.

Op die manier ging het al langen tijd. De artisten van buiten waren
gewoon te Quiquendone een contract te sluiten, als zij wilden uitrusten
van de vermoeienis op andere tooneelen. Niets scheen eene wijziging
in die ingewortelde gewoonte aan te duiden, toen twee weken na de
zaak Schut-Custos een onverwachte gebeurtenis opnieuw de rust der
bevolking kwam storen.

Het was op een Zaterdag, dag van de opera. Er was nog geen sprake
van de inwijding van de nieuwe verlichting, zooals men allicht zou
denken; volstrekt niet, de pijpen kwamen wel reeds in de zaal uit,
maar er stonden nog geen branders op, en daarom wierpen nog altijd
waskaarsen haar zacht licht op het talrijk publiek dat de zaal
vulde. Te half een waren de deuren geopend en te vier uren was de zaal
reeds vol. Eén oogenblik was er een queue, die zich uitstrekte tot het
einde van het Stefanusplein, voor den winkel van den apotheker Josse
Liefrink. Zooveel belangstelling deed een prachtigen avond verwachten.

»Gaat ge van avond naar de comedie?" had dienzelfden ochtend de
wethouder aan den burgemeester gevraagd.

»Wel zeker," had Van Tricasse geantwoord, »en mevrouw Van Tricasse
gaat mee, en ook onze dochter Suze en de oude tante, die allen dol
zijn op muziek."

»Komt mejuffrouw Suze dus ook?" vroeg de wethouder.

»Zonder twijfel, Niklausse."

»Dan zal mijn zoon Frans wel maken, dat hij een van de eersten is,"
hernam Niklausse.

»Een vurig jongeling, Niklausse," merkte de burgemeester met waardigen
ernst op; »een heethoofd! Ge moogt wel oppassen met dien jonkman."

»Hij bemint, Van Tricasse; hij bemint uw bekoorlijke Suze."

»Welnu, Niklausse; hij zal haar krijgen, zoodra wij besloten hebben
dat dit huwelijk tot stand zal komen! Wat kan hij meer verlangen?"

»Hij verlangt niets, Van Tricasse; hij verlangt zeker niets, die
beste jongen! Maar dat is zeker, en meer zal ik er niet van zeggen,
dat hij niet de laatste zal zijn, die een plaatsbiljet haalt!"

»Ach, die ongeduldige, vurige jeugd!" riep de burgemeester, met een
glimlach aan zijn verleden terugdenkend. »Zoo zijn wij ook geweest,
waarde vriend! Ook wij hebben eenmaal bemind! Wij hebben in onzen
tijd ook queue gemaakt! Tot van avond dus, tot van avond! Zeg eens,
dat is een groot artist, die Fioravanti! Hij is hier dan ook prachtig
ontvangen. Die toejuichingen van Quiquendone zal hij niet licht
vergeten!"

Er was inderdaad sprake van den beroemden tenor Fioravanti, die door
zijn uitnemend talent, zijn volmaakte methode, zijn sympathieke stem
bij alle kunstliefhebbers in de stad ware geestdrift wekte.

In de laatste drie weken had Fioravanti met de Hugenoten een
ontzaglijk succes behaald. De eerste acte, opgevoerd naar den
smaak der Quiquendoners, had in de eerste week van deze maand een
ganschen avond ingenomen. De week daarna had de volgende acte, door
eindelooze andantes verlengd, den beroemden zanger een ware ovatie
bezorgd. Met de derde acte van Meyerbeer's meesterwerk was het succes
nog toegenomen. Nu had men er zich echter op gespitst Fioravanti in de
vierde acte te hooren, en die vierde acte zou hij dezen eigen avond
spelen voor een publiek, dat van ongeduld brandde. Dat was de acte
met het duo van Raoul en Valentine! Ach, die liefdezang voor twee
stemmen, breed en statig voorgedragen, dit bruisend hartstochtelijke
duet met zijn crescendo's zijn stringendo's, zijn animato's, zijn piu
crescendo's, langzaam, regelmatig, sleepend gezongen, welk een genot!

Te vier uren dan, was de zaal vol. Loges, parterre, galerijen waren
om 't meest bezet. Vooraan zaten de burgemeester Van Tricasse,
mejuffrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse en de goede oude
tante met een lichtgroene muts op. Een klein eind verder zat de
wethouder Niklausse met zijn familie, natuurlijk niet zonder den
verliefden Frans. Men zag er ook nog de familie van den geneesheer
Custos, van den advocaat Schut, van Honoré Syntax, de opperrechter,
van Norbert Soutman, directeur der verzekeringmaatschappij, van den
dikken bankier Collaert, die dol was op Duitsche muziek en ook zelf
wat aan muziek deed, van den ontvanger Rupp, van den directeur der
Academie, Jerome Resh, van den commissaris van politie en van tal van
andere achtenswaardige personen uit de stad, die hier evenwel niet
allen opgenoemd kunnen worden, als wij den lezer niet willen vervelen.

Gewoonlijk wachtten de Quiquendoners rustig het ophalen van het gordijn
af, hetzij onder het lezen der courant, hetzij dat ze zachtjes eenige
woorden onder elkander spraken; anderen weer zochten langzaam en zonder
gedruisch hunne plaats op, en enkelen wierpen een beschroomden blik
op de lieftallige schoonheden in het rond.

Op dezen avond echter, zou het voor een waarnemer duidelijk geweest
zijn, dat zelfs voor het ophalen van het gordijn een ongewone
levendigheid in de zaal heerschte. Men zag personen bewegingen maken
die zich anders nooit bewogen. De waaiers der dames werden met zeldzame
levendigheid gebruikt. Al die borsten schenen met een prikkelende
lucht gevuld te zijn, men ademde dieper en langer. Bij sommigen
schitterden de oogen, zelfs, om de waarheid getrouw te blijven, bijna
even sterk als de lichten, die dezen avond al bijzonder helder waren;
tenminste men zag helderder, ofschoon de verlichting niet sterker
was dan anders. Ja, als de verlichting van dokter Ox nu al werkte,
maar die werkte nog niet!

Het orkest was thans op zijn post en geheel voltallig. De eerste
viool had bij de verschillende lessenaars de ronde gedaan en een
bescheiden »a" aangegeven. De strijk- en de blaasinstrumenten
stemmen. De orkestdirecteur wacht slechts op het schelletje om de
eerste maat te slaan.

Daar klinkt de schel. De vierde acte begint. Het Allegro appassionato
van de entr'acte is volgens gewoonte gespeeld, zoo majestueus langzaam,
dat 't voor Meyerbeer zou geweest zijn om razend te worden, maar de
kunstliefhebbers van Quiquendone genoten er al de majesteit van.

't Duurt niet lang, of de orkest-directeur gevoelt dat hij zijne
executanten niet meer geheel meester is. Hij heeft moeite hen in te
toomen, dezelfde menschen die anders zoo gehoorzaam, zoo kalm zijn. De
blaasinstrumenten leggen eene neiging aan den dag om de beweging te
versnellen; ze moeten met vaste hand ingehouden worden, want anders
zouden ze de strijkinstrumenten vooruitgeraken, 'tgeen aan de harmonie
nog al zou schaden. De fagottist zelfs, de zoon van den apotheker
Liefrinck, anders zoo'n welopgevoed jongmensch, wil ook jagen.

Inmiddels heeft Valentine haar recitatief begonnen:


    »Je suis seule chez moi..."


maar ze haast. De orkest-directeur en al zijne muzikanten volgen
haar--misschien zonder het te weten--in haar cantabile, dat breed
genomen moest worden want het is een 12/8 maat. Raoul verschijnt in
de deur op den achtergrond, maar nu verloopt tusschen het oogenblik
waarop Valentine naar hem toegaat, en dat waarop zij hem in hare kamer
ter zijde verbergt, geen kwartier, terwijl anders in den schouwburg
van Quiquendone dit recitatief van zeven en dertig maten ook juist
zeven en dertig minuten moest duren.

Saint-Bris, Nevers, Cavannes en de catholieke heeren zijn opgekomen,
misschien wel wat haastig. Allegro pomposo teekende de componist bij
dat gedeelte aan; nu gaan de heeren en het orkest wel allegro, maar in
het geheel niet pomposo, en in het ensemble-gedeelte van de prachtige
»samenzwering en zegening der wapenen" is er van geen matigen van het
allegro sprake. Zangers en muzikanten houden een wedren. De directeur
denkt er niet meer aan hen in te houden. Het publiek verlangt dat
trouwens ook niet; integendeel. Het is medegesleept, het neemt deel
aan de beweging, en die beweging komt overeen met de wenschen van
zijn hart.


    »Des troubles renaissants et d'une guerre impie,
    Voulez-vous, comme moi, délivrer le pays?"


Men belooft, men zweert het. Ternauwernood heeft Nevers tijd om
te protesteeren en te zingen, »dat hij onder zijn voorvaderen wel
soldaten telt, maar geen moordenaars." Men arresteert hem. Schout
en schepenen komen aanloopen en zweren inderhaast »allen tegelijk te
treffen." Saint-Bris maakt een relletje van het recitatief, waarbij de
catholieken tot wraakneming worden opgeroepen. De drie monniken, zwarte
mantels dragende met witte sjerpen, komen de deur van het vertrek
van Nevers binnenstormen, met verwaarloozing van de lessen van den
regisseur, die hun leerde zacht voort te schrijden. Al de aanwezigen
hebben reeds degens en ponjaarden getrokken, en het zegenen houdt
de monniken maar een ommezien bezig. De sopranen, tenoren en bassen
schreeuwen het allegro furioso. Daarop vertrekken zij, al brullende:


    A minuit
    Point de bruit!
    Dieu le veut!
    Oui,
    A minuit!


Het gansche publiek is opgerezen. In loges, parterre en galerijen
is het erg woelig. Al de toeschouwers, met den burgemeester aan het
hoofd, schijnen zich op het tooneel te willen storten, teneinde
met de samenzweerders mee te doen en de Hugenoten te verdelgen,
niettegenstaande zij de godsdienstige begrippen van deze deelen. Men
juicht, men roept terug, men gilt. De oude tante trekt zenuwachtig
aan haar lichtgroene muts. Het licht in de zaal straalt hoe langer
zoo helderder.

Raoul komt weer op, en tilt niet zachtkens het gordijn op, maar
scheurt het met een kloeke beweging vaneen en staat dan vlak tegenover
Valentine.

Nu begint het groote duo, en wel allegro vivace. Raoul wacht de vragen
van Valentine niet af, en Valentine wacht niet op de antwoorden van
Raoul. De heerlijke passage:


    »Le danger presse
    Et le temps vole..."


wordt een van die snelle 2/4 maten, waarmede Offenbach naam gemaakt
heeft als hij deze of gene samenzweerders laat dansen; het andante
amoroso:


    »Tu l'as dit!
    Oui, tu m'aimes!"


is ten slotte een vivace furioso, en de violoncel in het orkest
streeft er in de verste verte niet meer naar, om mede te gaan met de
stem van den zanger, zooals zijne partij aangeeft.

Daar slaat de klok, maar welk een hijgend, gejaagd geluid! Degeen die
slaat, is stellig zich zelf niet meer meester. Het is een donderende
stormklok, welke in geweld wedijvert met het razend orkest.

Eindelijk komt het air, waarmede deze heerlijke acte eindigt:


    »Plus d'amour, plus d'ivresse
    O remords qui m'oppresse!"


door den componist als allegro con moto aangeduid, maar hier in een
ontembaar prestissimo genomen. 't Is alsof er een express-trein voorbij
suist. Daar begint de stormklok weer. Valentine valt in zwijm. Raoul
springt uit het venster!....

't Was wel tijd. Het orkest, dat volslagen dronken scheen, had het
niet langer kunnen volhouden. De dirigeerstok is tot op een klein
gedeelte na stukgeslagen op het hokje van den souffleur. De snaren
der violen zijn gesprongen, de halzen verwrongen! De paukenslager
heeft zoo woedend op zijn pauken geslagen, dat ze gebarsten zijn! De
contrabassist is boven op zijn welluidend gebouw gekropen! De eerste
klarinet zit op zijn mondstuk te bijten, en de tweede hobo heeft zijn
rieten tongetje ingeslikt! De schuif van de trombone is vol bulten, en
de ongelukkige hoornist eindelijk kan zijn hand niet meer loskrijgen,
daar hij ze te ver in zijn instrument geduwd heeft!

En het publiek?--Het publiek hijgt, schreeuwt en brult! Ieder ziet
vuurrood, alsof zijn lichaam van binnen in brand staat! Men stoot,
men verdringt elkander om naar buiten te komen, de mannen zonder hoed,
de vrouwen zonder mantel! In de gangen verdringt men elkander, bij de
deuren drukt men elkander plat; men twist, men geraakt handgemeen! Geen
sprake meer van autoriteiten, van burgemeester! Allen zijn gelijk
voor deze helsche opgewondenheid...

Weinige oogenblikken later, terwijl allen buiten op de straat zijn,
herneemt ieder zijn gewone kalmte en keert bedaard naar huis, met
een onbestemde herinnering aan 'tgeen er gebeurd is.

De vierde acte van de Hugenoten, die anders op de klok af zes uren
duurde, was nu begonnen te half vijf en afgeloopen twaalf minuten
vóór vijven.

Ze had achttien minuten geduurd!



VIII.

Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt.


Wel herkregen de toeschouwers, nadat ze den schouwburg verlaten
hadden, hun gewone kalmte; wel gingen ze rustig naar huis, alleen
onder den indruk van een voorbijgaande versuftheid, maar toch had
de buitengewone opgewondenheid hen geweldig van streek gebracht,
en ze vielen in bed alsof zij bijzonder zwaar getafeld hadden.

Den volgenden dag was er voor ieder nog een souvenir van het gebeurde
van den vorigen dag: van den een toch was de hoed bij het standje
verdwenen, een ander miste een slip van zijn jas; deze dame had haar
satijnen laarsje verloren, een andere haar zondagschen mantel. De
herinnering aan het voorval werd bij die eenvoudige menschen wakker,
en met die herinnering zeker schaamtegevoel over hun onvergeeflijke
buitensporigheid. 't Was alsof zij aan een overdadig festijn hadden
deelgenomen en er onbewust de helden van geweest waren! Zij spraken
er niet over en wilden er liefst niet meer aan denken.

Niemand was evenwel zoo verbijsterd als de burgemeester Van
Tricasse. Toen de waardige man den volgenden ochtend opstond, was hij
zijn pruik kwijt. Lotje had overal gezocht, maar 't hielp niets, de
pruik was op het slagveld achtergebleven. Men zou haar kunnen doen
uitroepen door Jan Mistrol, den beëedigden omroeper van de stad,
maar dat ging niet; dan was het maar beter het hoofddeksel in den
steek te laten, dan zich zoo ten toon te stellen, voor iemand die de
eer had de eerste overheidspersoon van de stad te zijn.

Zoo nu peinsde de waardige Van Tricasse, terwijl hij met een zwaar
hoofd, dikke tong en hijgende borst onder de dekens lag. Hij had
geen den minsten lust om op te staan, wel het tegendeel, en in
zijn hersenen ging dien morgen meer om dan anders in veertig jaren
tijds. De achtbare magistraat overdacht nog eens alles wat bij die
onverklaarbare voorstelling gebeurd was. Hij bracht het in verband
met het voorgevallene op de partij ten huize van dokter Ox. Hij zocht
naar de redenen van die zonderlinge opgewondenheid, die zich nu ten
tweede male bij zijne rustige ingezetenen had voorgedaan.

»Maar wat gebeurt er dan toch?" vroeg hij zich zelf. »Hoe komen in
mijn stille stad de zinnen zoo verbijsterd? Staan we op het punt
gek te worden en moet de gansche stad een groot hospitaal worden? De
gansche stad, want alle notabelen, wethouders, rechters, advocaten,
geneesheeren, gestudeerden, allen waren er, en als ik mij goed
herinner, zijn we allen even dol geweest! En hoe kwam het, dat die
muziek zoo'n helsch spektakel maakte? Onbegrijpelijk! Ik voor mij
weet zeker, dat ik niets gegeten, niets gedronken had, dat mij zoo kon
opwinden! Och neen, gisteren at ik een doorgaar sneedje kalfsvleesch,
een paar schepjes spinazie met suiker, geklutste eieren en ik dronk een
paar glaasjes onschuldig bier. Dat stijgt niet naar het hoofd! Neen,
er is iets onverklaarbaars in de geheele zaak, en daar ik toch de
verantwoordelijke man ben voor hetgeen de ingezetenen van mijne stad
doen, zal ik een onderzoek doen instellen."

De stedelijke raad kon zich met dat onderzoek vereenigen, maar het
leidde tot niets. De feiten waren niet te loochenen, de oorzaken
echter gingen boven het verstand van de magistraten. Overigens waren
alle gemoederen nu weer tot kalmte gekomen, en de buitensporigheden
geraakten in het vergeetboek. De dagbladen vermeden ook er over te
spreken, en in het verslag der voorstelling, dat in de stadscourant
verscheen, werd niet eens een toespeling gemaakt op de koortsachtige
opgewondenheid van de geheele zaal.

Evenwel, de stad had wel weer haar gewone bedaardheid herkregen, en ze
werd wel weer even Vlaamsch als te voren, maar toch was het merkbaar,
dat het karakter en de geaardheid der bewoners langzamerhand eene
wijziging ondergingen. 't Was of ze meer zenuwen hadden gekregen,
zooals de geneesheer Dominicus Custos opmerkte.

Dat vereischt eenige toelichting. De verandering, die onloochenbaar
was en ook niet geloochend werd, openbaarde zich slechts in sommige
gevallen. Wanneer de Quiquendoners op de straat waren of langs
de Vaar wandelden, waren zij dezelfde kalme, geregelde menschen
van vroeger. Zoo ook in hunne woningen, waar de een een handwerk
uitoefende, de ander met het hoofd werkte, nog een ander niets deed en
een vierde zelfs niet dacht. In hun privaat leven waren ze zwijgend,
stil en leidden ze een plantenleven als voorheen. Geen twist, geen
verwijt in huis; hun hart klopte niet sneller, hunne hersenen werden
door niets aangedaan. De gemiddelde polsslag kwam overeen met dien
uit den goeden ouden tijd: vijftig a twee en vijftig in de minuut.

Een volkomen onverklaarbaar verschijnsel was het evenwel, een
verschijnsel waarop de knapste physiologen der eeuw zich stomp
zouden gedacht hebben, dat de Quiquendoners, in hun particulier leven
onveranderd dezelfden, merkbaar veranderden zoodra zij in het openbaar
te zamen kwamen.

Zoodra zij zich in een openbaar lokaal vereenigden, »was het mis,"
zooals de commissaris Passauf verklaarde. Op de beurs, op het
stadhuis, in de academie, zoowel in raadsvergaderingen als in de
bijeenkomsten van geleerden, kwam er meer leven onder de aanwezigen,
werden ze aangetast door een vreemde opgewondenheid. Geen uur waren
ze daar, of ze waren reeds scherp jegens elkander. Na twee uren
was een beraadslaging een dispuut geworden; men werd warm en wierp
elkaar persoonlijkheden naar het hoofd. In de kerk, zelfs onder de
preek, konden de geloovigen niet meer bedaard naar dominé Van Stabel
luisteren, die trouwens van zijn kant zich in zijn preekstoel niet
meer zoo rustig als vroeger hield en zijn gehoor krachtiger toesprak
dan anders.

In dezen stand van zaken ontstonden helaas nog ernstiger
woordenwisselingen dan tusschen den geneesheer Custos en den advocaat
Schut, en dat nooit de tusschenkomst der autoriteit werd vereischt, was
alleen daaraan te danken, dat de twistenden, zoodra zij thuisgekomen
waren, er rust vonden en weldra de beleedigingen van weerskanten
vergaten.

Die bijzonderheid had echter nooit in het oog kunnen vallen aan
menschen, die volstrekt niet konden waarnemen hetgeen met hen
gebeurde. Slechts één persoon in de gansche stad, en wel degeen wiens
betrekking al sinds dertig jaren lang op de nominatie stond opgeheven
te worden, de commissaris van politie Passauf, had de opmerking
gemaakt, dat de opgewondenheid, die in de particuliere woningen niet
bestond, zich spoedig in publieke gebouwen openbaarde. Nu dacht hij
er met zekere bezorgdheid over wat toch wel gebeuren zou, indien
deze prikkelbaarheid eens tot de huizen der ingezetenen doordrong
en indien de epidemie--want zoo noemde hij haar--zich tot de straat
uitbreidde. Dan werden geen beleedigingen meer vergeten, dan waren er
geen oogenblikken van kalmte meer in den waanzin, maar dan zou men
voortdurend in de hoogste opgewondenheid verkeeren en met elkander
in botsing komen.

»Wat dan?" vroeg de commissaris Passauf met schrik. »Hoe moesten
die aanvallen van wilde woede te keer gegaan worden? Hoe moesten
die prikkelbare gestellen in toom worden gehouden? Dan zal mijne
betrekking waarlijk geen sinecure meer zijn, en dan zal de Raad mijne
wedde wel dienen te verdubbelen,--tenminste, als hij mij niet laat
oppakken... wegens inbreuk op de openbare orde!"

Die zeer rechtmatige vrees begon zich meer en meer te
verwezenlijken. Van de beurs, de kerk, den schouwburg, de raadzaal
was het kwaad tot de woningen der particulieren doorgedrongen, en
wel twee weken na de verschrikkelijke voorstellingen van de Hugenoten.

In de woning van den bankier Collaert werden de eerste verschijnselen
der epidemie waargenomen.

Deze rijke bankier gaf aan de notabelen der stad een bal, of althans
een soirée dansante. Eenige maanden te voren was hij er gelukkig in
geslaagd eene leening van f 15,000 voor drievierden te plaatsen, en ter
viering van dit finantieel succes gaf hij zijn stadgenooten dit feest.

Een feest in Vlaanderen loopt gewoonlijk bedaard en kalm af; bier en
eenige zoetigheden vormen het onthaal. Men praat wat over het weer,
over den stand van den oogst, over de bloemen in den tuin en vooral
over de tulpen; van tijd tot tijd waagt men heel langzaam en bedaard
een dansje, maakt een menuet, soms ook een wals, maar dan een van die
Duitsche walsjes, waarbij men anderhalven keer omdraait in de minuut,
terwijl onder den dans de walsers zoover van elkander afblijven als
hunne armen gedoogen. Zoo gaat het gewoonlijk toe op een bal onder
de voorname lieden van Quiquendone. Men had getracht er de polka in
te voeren en ze daartoe in vier tempo's gedanst, maar de dansende
paren kwamen nog altijd bij het orkest achter, hoe langzaam men de
maat ook nam, en daarom had men er van moeten afzien.

Deze vreedzame bijeenkomsten, waar jonkmannen en jongedochters zich
eerlijk en rustig konden vermaken, hadden nooit eenige schadelijke
gevolgen gehad. Maar hoe kwam het dan nu, dat dien avond bij den
bankier Collaert die zoete dranken veranderd schenen te zijn in
schuimenden wijn, bruisenden champagne, vlammende punch? Hoe kwam het,
dat tegen het midden van de partij alle gasten dronken schenen te
zijn? Waarom werd de eerzame menuet een rondedans? Waarom verhaastten
de muzikanten de maat zoo? Hoe kwam het, dat de kaarsen dien avond,
evenals in den schouwburg, zulk een ongewonen glans hadden? Welke
electrische stroom liep toch door de salons van den rijken bankier? Hoe
kwam het, dat de paren veel dichter bij elkander kwamen, dat de handen
elkander hartstochtelijker drukten, dat de »cavaliers seul" ditmaal
eenige gewaagde sprongen vertoonden, hoewel ze anders zoo deftig,
zoo ernstig, zoo majestueus waren?

Helaas, wie zou het antwoord kunnen geven op al die vragen? De
commissaris Passauf was op de partij aanwezig, hij zag den storm
aankomen, maar hij kon hem niet bedwingen, hij kon hem niet ontgaan,
en zelfs hij voelde zich bevangen! Zijne begeerten en hartstochten
werden gedurig sterker; men zag hem herhaaldelijk een aanval doen op
het suikerwerk, men zag hem verscheidene schotels ledigen, alsof hij
ik weet niet hoelang gevast had!

Inmiddels werd het bal hoe langer hoe geanimeerder. Men begon nu
eerst met volle teugen van het dansen te genieten, want het mocht
nu werkelijk dansen heeten. De voeten bewogen zich met koortsachtige
snelheid. De gezichten werden rood van inspanning, de oogen glinsterden
als vurige kolen. De algemeene opgewondenheid had haar hoogste
toppunt bereikt.

En toen het orkest de wals uit den Freyschutz aanhief, toen die echt
Duitsche en statige wals met dolle woestheid door de muziekanten
gespeeld werd, was het meer een met onzinnige snelheid in de rondte
draaien, een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Daarna
verviel alles in een helschen galop, die niet kon gestuit worden en
een uur lang duurde en niet alleen de salons maar al de vertrekken
van het prachtige huis in opschudding bracht, waarin allen met
hartstochtelijkheid deelden, jongelieden van beide seksen, oudere
van iederen leeftijd, de dikke bankier Collaert en Mevr. Collaert,
raadslieden, overheidspersonen, de kantonrechter en Niklausse en
Mevr. Van Tricasse en de burgemeester Van Tricasse en de commissaris
Passauf in eigen persoon, die zich daarna nooit kon herinneren,
wie in dien dollen nacht zijne danseres geweest was.

Maar »zij" ze vergat het niet. En sedert dien nacht, zag »zij" in haar
droomen den vurigen commissaris weder, haar met hartstochtelijkheid
omkneld houdende! En »zij", was niemand anders dan de oude tante!



IX.

Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander slechts enkele
woorden zeggen.


»Wel, Ygeen?"

»Wel, meester, alles is klaar! De buizen zijn gelegd."

»Kom! Dan gaan we nu in het groot en op de massa's werken!"



X.

Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad aantast en welke
uitwerking zij teweegbrengt.


In de nu volgende maanden werd het van kwaad tot erger en breidde
de epidemie zich van uit de huizen tot op de straat uit. De stad
Quiquendone was onherkenbaar geworden.

En, wat nog het vreemdste natuurverschijnsel was, niet alleen het
dierenrijk, maar ook het plantenrijk ontsnapte niet aan den algemeenen
invloed.

Volgens den gewonen loop der dingen, zijn de epidemieën speciaal,
want zij die den mensch treffen tasten de dieren niet aan en zij die de
dieren treffen, verschoonen de planten. Heeft men ooit gezien, dat een
paard door de pokken werd aangetast of een mensch door de runderpest en
krijgen de schapen de aardappelziekte? Maar hier schenen al de wetten
der natuur omgekeerd. Niet alleen waren het karakter, het temperament,
de denkbeelden der bewoners en bewoonsters van Quiquendone veranderd,
maar ook de huisdieren, honden of katten, koeien of paarden, ezels
of geiten, alles verkeerde onder dezen epidemischen invloed, en 't
scheen dat zij volkomen van aard veranderd waren. De planken zelve
»emancipeerden" zich, als men ons deze uitdrukking wel wil veroorloven.

In de tuinen, de moestuinen, de boomgaarden toch deden zich
allervreemdste verschijnselen op. De klimplanten klommen met meer
stoutmoedigheid. De struiken werden boomen. De zaden, nauwelijks
gezaaid, vertoonden kleine groene puntjes en in hetzelfde tijdsverloop,
wonnen ze in duimen wat vroeger, onder de gunstigste omstandigheden,
ze in strepen wonnen. De asperges werden twee voet hoog; de artisjokken
werden zoo groot als meloenen, de meloenen zoo groot als pompoenen,
de pompoenen zoo groot als de groote klok uit den toren, die negen
voet in diameter mat. De kolen waren kreupelboschjes en de paddestoelen
parapluies.

Met de vruchten ging het denzelfden weg op als met de groenten. Één
aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. De
trossen druiven waren zoo groot als de enorme tros, die voorkomt
op het zoo prachtig beschilderde doek van Poussin »de terugkeer der
afgezondenen naar het beloofde land."

Hetzelfde was het geval met de bloemen: de groote viooltjes
verspreidden doordringerder geuren, de buitengewoon groote rozen
schitterden met levendiger kleuren, de seringen vormden binnen
weinige dagen ondoordringbare kreupelbosschen; geraniums, madelieven,
dahlia's, camelia's, rhododendrons, maakten zich van de paden meester
en verstikten elkander! Het snoeimes schoot hier te kort. En de
tulpen, de vreugde der Vlamingen, wat brachten ze de liefhebbers in
verrukking! De waardige Van Bistrom viel op zekeren dag van louter
ontroering bijna omver, toen hij in zijn tuin een eenvoudige tulipa
gesneriana van enorme, monsterachtige, reusachtige grootte zag, waarvan
de bloemkelk tot nest diende van een gansche familie roodborstjes!

De geheele stad kwam toeloopen om die wonderbaarlijke bloem te zien
en gaf haar den naam van tulipa quiquendonia.

Maar, helaas! al kwamen die planten, die vruchten, die bloemen
zichtbaar vooruit, al toonden alle gewassen een voorliefde kolossale
afmetingen aan te nemen, al bedwelmden de glans hunner kleuren en het
doordringende hunner geuren den reuk en de blikken, zoo verwelkten
zij daarentegen snel. De lucht, die zij opslorpten, verbrandde ze
maar al te spoedig en ze stierven weldra, uitgeput, verwelkt, verteerd.

Dat was het lot van de vermaarde tulp, die na eenige dagen van glans
en luister verkwijnde!

Op dezelfde wijze ging het al spoedig met de huisdieren, van den
huishond tot de zwijnen in den stal, van het kanarievogeltje in de
kooi tot den kalkoen in den hof.

Nu waren die dieren in gewone tijden al even flegmatiek als hunne
meesters. Honden en katten leidden meer een plantenleven dan dat ze
werkelijk leefden. Nooit sprongen ze in 't rond van blijdschap, nooit
werden ze door een aandoening van toorn in hunne kalmte gestoord. De
staarten bewogen zich niet levendiger, dan alsof ze uit brons waren
gegoten geweest. Sedert onheuglijke tijden had men van geen krabben of
bijten gehoord. Wat de dolle honden betreft, deze beschouwde men als
denkbeeldige dieren, die onder de griffoenen en andere fantastische
dieren uit de Openbaring moesten gerangschikt worden.

Maar welk een verandering in die weinige maanden, waarvan we de
geringste voorvallen trachten op te teekenen! Honden en katten begonnen
hunne tanden en klauwen te laten zien. Men was verplicht, tengevolge
van herhaalde aanvallen, eenigen af te maken. Men zag voor het eerst
in de straten van Quiquendone een paard op hol gaan, een os zich met
de horens naar omlaag op een zijner natuurgenooten werpen, een ezel
omvervallen met de pooten in de lucht en een gebalk uitgalmen, dat
niets »dierlijks" meer had, een schaap, zelfs een schaap tegen het mes
van den slager dapper de karbonaden verdedigen, die het in zich droeg!

De burgemeester Van Tricasse was verplicht politie-verordeningen
uit te vaardigen tegen de huisdieren die, door razernij aangetast,
de straten van Quiquendone onveilig maakten.

Maar, helaas! zoo de dieren gek waren, de menschen waren niet wijs
meer!

Geen leeftijd was van de plaag verschoond.

De zuigelingen werden zeer spoedig onverdraaglijk, die wezentjes die
tot nog toe zoo gemakkelijk waren groot te brengen en voor het eerst
moest de kantonrechter Honoré Syntax zijn kroost met de roede straffen.

Op de school ging het ook vrij oproerig toe en wierpen de jongens
elkander met dictionnaires naar het hoofd. Men kon ze niet meer op de
banken houden en zelfs de onderwijzers, die ze met allerlei taakwerk
overlaadden, deelden in de algemeene overprikkeling.

Nog een ander vreemd verschijnsel was het, dat al die inwoners
van Quiquendone, die tot nog toe altijd zoo matig waren, en wier
voornaamste voedsel uit melkspijzen en zoetigheidjes bestond, zich nu
werkelijk in eten en drinken te buiten gingen. Hun gewone leefregel
was hun niet genoeg meer. Iedere maag was een afgrond geworden, dien
men met enorme hoeveelheden spijzen en dranken moest trachten te
dempen. Het verbruik der inwoners was verdriedubbeld. In plaats van
twee maaltijden, nam men er zes. De stoornissen in de spijsvertering
waren ontelbaar. De wethouder Niklausse kon zich niet verzadigen. De
burgemeester Van Tricasse kon zijn dorst niet stillen en was altijd
half dronken.

Kortom, dagelijks openbaarden zich de meest verontrustende
verschijnselen en deed zich de toekomst donker voor.

Onophoudelijk kwam men dronken menschen tegen en onder deze dronken
lieden, dikwijls notabelen.

De geneesheer Dominicus Custos had het verschrikkelijk druk met
allerlei maagstoornissen en zenuwachtige aandoeningen, wel een bewijs
van de groote prikkelbaarheid, waaraan de zenuwen der bevolking leden.

De vroeger zoo stille straten van Quiquendone, die tegenwoordig zoo
druk waren, want niemand kon thuis blijven, waren nu het tooneel van
dagelijksche woordenwisselingen en zelfs twisten.

De politie moest versterkt worden, teneinde de rustverstoorders in
toom te houden.

Er moest een gevangenis in het gemeentehuis ingericht worden, die
dag en nacht met oproermakers was opgevuld. De commissaris Passauf
was bekaf.

Er gebeurde iets, dat nog nooit gebeurd was,--binnen den tijd van twee
maanden werd er een huwelijk gesloten. Een ongehoord feit! De zoon
van den ontvanger Rupp huwde met de dochter van de schoone Augustine
de Rovère en dat binnen slechts zevenenvijftig dagen na haar hand
gevraagd te hebben!

Nog andere huwelijken werden beslist, die anders jaren lang zouden
uitgesteld zijn. De burgemeester kon er zich geen begrip van vormen
en ook zijn dochter, de lieve Suze, leed aan dezelfde kwaal en zou
spoedig aan zijn handen ontsnappen.

Wat onze waarde oude tante betreft, ze had waarlijk den commissaris
Passauf durven polsen over een vereeniging, die haar toescheen alle
elementen in zich te bevatten van geluk, fortuin, wederzijdsche
achting, jeugd!...

Om de maat vol te meten, had er tot overmaat van ijselijkheid,
een duel plaats! Een wezenlijk duel met pistolen, en nog wel met
ruiterpistolen, op vijf en twintig pas! En tusschen wie? Onze lezers
zullen 't nauwlijks kunnen gelooven!

Tusschen den heer Frans Niklausse, den zachtaardigen hengelaar en
den zoon van den rijken bankier, den jongen Simon Collaert.

En de onschuldige oorzaak van dit duel was niemand anders dan de
dochter van den burgemeester, op wie Simon dol verliefd was en die
hij aan niemand ter wereld wilde afstaan.



XI.

Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen.


Men ziet in welk een betreurenswaardigen toestand de bevolking van
Quiquendone zich bevond. De hoofden verkeerden in een onnatuurlijke
gisting. Men kende en herkende elkander niet meer. De vreedzaamste
menschen waren twistziek geworden. Men moest hen niet met den nek
aanzien, of ze zonden dadelijk getuigen op uw dak. Velen lieten
hun snorren staan en enkele echte vechtersbazen krulden ze aan de
punten om.

Onder dergelijke omstandigheden werd het moeielijk de stad te besturen
en de orde op de straten en in de openbare gebouwen te handhaven,
want de dienst was voor zulk een stand van zaken niet ingericht. De
burgemeester, onze waardige Van Tricasse, dien we zoo zacht, zoo kalm
en vreedzaam en zoo besluiteloos gekend hebben, was nu niet meer tot
bedaren te brengen. Zijn huis weerklonk den ganschen dag van zijn
bevelen. Onophoudelijk beknorde hij zijne agenten en zag in eigen
persoon nauwkeurig toe dat zijne orders strikt werden uitgevoerd.

Helaas! Welk een verandering! Waar was de kalmte, die vroeger in het
vriendelijke en rustige huis van den burgemeester, die goede Vlaamsche
woning, heerschte? Welke treurige huiselijke tooneelen hadden daar nu
plaats! Mevrouw Van Tricasse was kregelig, twistziek en kwalijknemend
geworden. Mocht het haar man al gelukken haar te overschreeuwen,
tot zwijgen kon hij haar niet brengen. De goede vrouw had met haar
prikkelbaar humeur op alles en allen wat aan te merken. 't Ging alles
verkeerd! Niets werd op zijn tijd gedaan! Zij gaf Lotje en zelfs tante,
haar schoonzuster de schuld, die, niet minder slecht gehumeurd, haar
scherpe antwoorden gaf. Natuurlijk hield Van Tricasse zijn dienstbode
Lotje de hand boven het hoofd, zooals men dat meermalen in de beste
huishoudens ziet. Van daar dan voortdurende verbittering van mevrouw
de burgemeesteres, hevige verwijten, woordenwisselingen, twisten,
tooneelen tot in het oneindige!

»Maar wat scheelt ons toch?" riep dan de ongelukkige burgemeester
uit. »Door welk vuur worden we toch verteerd? Zijn we dan van den
duivel bezeten? O! mevrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse! Je
verhaast mijn dood en zult maken, dat ik vóór u naar het graf gedragen
word en hoe zullen dan de overleveringen der familie worden nagekomen!"

Want de lezer zal zeker de vreemde bijzonderheid niet vergeten hebben,
dat de heer Van Tricasse weduwnaar moest worden en hertrouwen, om de
eenmaal tot wet geworden gewoonte niet te breken.

Evenwel bracht die eigenaardige gesteldheid der gemoederen nog
andere vrij zonderlinge uitwerkselen teweeg, die der vermelding
over waardig zijn. Die zenuwachtige overspanning, waarvan de
oorzaak voor als nog voor ons in het duister ligt, geleidde tot
allervreemdste physiologische verschijnselen, die men niet zou
verwacht hebben. Talenten, die anders verborgen zouden gebleven zijn,
kwamen nu voor den dag. Bij velen openbaarde zich een bijzondere
aanleg hier- of daarvoor. Kunstenaars met tot nog toe middelmatige
talenten, stelden zich onverwacht in een nieuw licht. Zoowel in de
politiek als in de letteren stonden eensklaps tot nog toe onbekende
mannen op. Redenaars behandelden de belangrijkste en moeielijkste
quaesties en deden een gehoor ontvlammen, dat trouwens zeer vatbaar
was om ontvlamd te worden. Uit de zittingen van den raad, ging de
beweging over in de openbare bijeenkomsten: er vormde zich een club
te Quiquendone, terwijl twintig dagbladen, de Guetteur de Quiquendone,
de Impartial van Quiquendone, de Radical de Quiquendone, de Outrancier
de Quiquendone, met vuur geschreven, de gewichtigste maatschappelijke
vraagpunten behandelden.

Maar naar aanleiding waarvan? vraagt men niet zonder reden. Naar
aanleiding van alles en van niets; naar aanleiding van den toren van
Oudenaarde, die overhing en dien sommigen wilden afbreken en anderen
wilden herstellen; naar aanleiding van de politieverordeningen,
door den raad uitgevaardigd en die kwaadgezinde hoofden trachtten
tegen te werken, naar aanleiding van het uitdiepen der beken en het
schoonhouden der riolen, enz. En als die onstuimige redenaars nu
alleen het stedelijk bestuur nog maar hadden aangevallen! Maar neen,
door den stroom medegesleept, holden zij maar voort en zouden ze, als
de Voorzienigheid niet tusschenbeide was gekomen, hunne stadgenooten,
een oorlog op den hals hebben gehaald.

Wat was het geval? Sedert acht of negen honderd jaar smeulde er
in de archieven van Quiquendone een zeldzaam schoone casus belli;
maar zij bewaarde hem met de grootste zorg, als een reliquie, en
werkelijk scheen hij eenige kans te hebben te verschimmelen en zijn
kracht te verliezen.

Ziehier hoe die casus belli was in de wereld gekomen.

Het is niet algemeen bekend, dat Quiquendone, in dat hoekje van
Vlaanderen, dicht bij de kleine stad Virgamen gelegen is. Het
grondgebied beider gemeenten grenst aan elkander.

Nu gebeurde het in 1135, eenigen tijd voor het vertrek van graaf
Baudouin naar het Heilige Land, dat een koe van Virgamen--wel
te verstaan, geen koe van een inwoner, maar een koe der
gemeente--zich verstoutte op het grondgebied van Quiquendone te gaan
weiden. Nauwelijks had het ongelukkige dier drie mondjes vol gras
verorberd, maar het wanbedrijf, de misdaad als men wil, was bedreven
en geconstateerd bij procesverbaal van dien tijd, want te dien tijde
begonnen de overheidspersonen de kunst van schrijven te leeren.

»Ter rechter tijd zullen we ons wreken," zei eenvoudig Natalis Van
Tricasse, de twee en dertigste voorganger van den tegenwoordigen
burgemeester, »en uitstel is geen afstel!"

De inwoners van Virgamen waren bij tijds onderricht. Zij wachtten en
dachten niet zonder reden, dat de tijd de herinnering der beleediging
wel zou uitwisschen en werkelijk leefden zij gedurende verscheidene
eeuwen in de beste verstandhouding met hunne buren van Quiquendone.

Maar zij hadden buiten den waard gerekend, of liever buiten die
zonderlinge epidemie, die, terwijl zij het karakter hunner buren ten
eenenmale veranderde, het uitgedoofde vuur der wraak in die harten
weder oprakelde.

Het was in de club van de Monstrelet-straat, dat de vurige advocaat
Schut eensklaps de quaestie te berde bracht, en zijne toehoorders
electriseerde door de uitdrukkingen en schilderingen te gebruiken, die
in deze omstandigheden in zwang zijn. Hij herinnerde de overtreding,
hij herinnerde het ongelijk, der gemeente Quiquendone aangedaan,
en waarvoor een natie »naijverig op haar rechten" geen verjaring
kon dulden; hij wees op de nog altijd gevoelde beleediging, op de nog
altijd bloedende wond; hij sprak van zekere eigenaardige bewegingen van
het hoofd der inwoners van Virgamen en die aantoonden hoezeer zij de
inwoners van Quiquendone verachtten; hij smeekte zijne landgenooten,
die misschien »onbewust" gedurende lange eeuwen die doodelijke
beleediging verdragen hadden, hij bezwoer »de kinderen der oude
stad" geen ander doel meer voor oogen te houden dan een schitterende
voldoening te verkrijgen! Eindelijk deed hij een beroep op de levende
strijdkrachten der natie!

Het is onmogelijk in woorden weer te geven met welk een geestdrift
deze taal, die voor Quiquendonsche ooren zoo nieuw was, ontvangen
werd. Het geheele auditorium was opgestaan en met luide kreten, de
armen uitgestrekt, vroegen alle toehoorders den oorlog. Nooit had
de advocaat Schut zulk een succes gehad en het moet erkend worden,
dat hij prachtig geweest was.

De burgemeester, de wethouder, al de notabelen, die deze gedenkwaardige
zitting bijwoonden, zouden zich vruchteloos tegen die vervoering
van het volk hebben kunnen verzetten. Trouwens hadden zij er ook
niet den minsten lust toe en, zooal niet harder, dan toch even hard,
schreeuwden ook zij:

»Naar de grenzen! Naar de grenzen!"

Daar nu deze grenzen slechts drie kilometers van de muren van
Quiquendone verwijderd waren, is het zeker, dat de inwoners van
Virgamen werkelijk gevaar liepen, want zij konden overmeesterd zijn,
alvorens den tijd gehad te hebben tot bezinning te komen.

Inmiddels scheen de achtbare apotheker Josse Liefrinck, onder deze
ernstige omstandigheden, alleen zijn zinnen bij elkander gehouden te
hebben, want hij maakte de opmerking dat er gebrek was aan geweren,
kanonnen en generaals.

Men antwoordde hem en liet dit antwoord van eenige handtastelijke
bewijsgronden vergezeld gaan, dat men die generaals, die kanonnen en
geweren wel zou vinden en dat het goed recht en de liefde voor het
vaderland voldoende waren en een volk onwederstaanbaar maakten.

Daarop nam de burgemeester zelf het woord en brak in een sierlijke,
voor de vuist uitgesproken redevoering den staf over die kinderachtige
zielen, die achter het masker der voorzichtigheid de vrees verbergen
en dit masker rukte hij af met een vaderlandslievende hand.

Men zou op dit oogenblik gezegd hebben, dat de zaal onder de
toejuichingen inviel.

Men vroeg stemming.

De stemming geschiedde bij acclamatie, en de kreten verdubbelden:

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!"

De burgemeester nam op zich om het leger mobiel te maken en in den
naam der stad beloofde hij dengenen zijner aanstaande generaals,
die als overwinnaar zou terugkeeren, de eerbewijzingen der zegepraal,
zooals dit ten tijde der Romeinen plaatsgreep.

Evenwel wilde de apotheker Josse Liefrinck, die een eigen hoofd had,
en zich niet voor geslagen hield, ofschoon hij het werkelijk was,
nog een opmerking maken. Hij zei namelijk, dat te Rome de overwinnende
generaals niet in triomf werden ingehaald, of ze moesten vijf duizend
vijanden gedood hebben.

»Welnu! welnu!" schreeuwde het publiek in de grootste opgewondenheid.

»... En dat, daar de bevolking der gemeente Virgamen niet meer
beloopt dan drie duizend vijf honderd vijf en zeventig inwoners,
het moeielijk zou zijn, of men moest verscheidene keeren denzelfden
persoon dooden..."

Maar men liet den ongelukkigen logischen apotheker niet uitpraten en
gestompt en geslagen werd hij de deur uitgesmeten.

»Burgers," zei daarop Sylvester Pulmacker, een klein kruideniertje,
»burgers, laat dien laffen apotheker maar zeggen wat hij wil, ik
neem aan vijf duizend Virgamenaars te dooden, als ge mijne diensten
wilt aannemen."

»Vijf duizend vijf honderd!" schreeuwde een nog onversaagder
vaderlander.

»Zes duizend zes honderd!" hernam de kruidenier.

»Zeven duizend!" riep de banketbakker uit de Hemlingstraat, Jan
Orbideck, die op weg was zijn fortuin in de roomgebakjes te maken.

»Toegewezen!" riep burgemeester Van Tricasse uit, toen hij zag,
dat niemand hooger bood.

En zoo kwam het dat de banketbakker Jan Orbideck, de generaal,
opperbevelhebber der troepen van Quiquendone werd.



XII.

Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft, die driftig
door Dr. Ox wordt van de hand gewezen.


»Wel! meester," zei de assistent Ygeen den volgenden dag, terwijl hij
emmers met zwavelzuur in den bak zijner enorme batterijen uitstortte.

»Wel!" hernam dokter Ox, »had ik geen gelijk? Daarvan hangt nu niet
alleen de physische ontwikkeling van een geheele natie af, maar haar
zedelijkheid, haar waardigheid, haar talenten, haar politieke zin! 't
Is maar een quaestie van moleculen."

»Zeker, maar..."

»Maar?..."

»Vindt u niet, dat het nu al wel zoo is en dat die arme duivels nu
genoeg overprikkeld zijn?"

»Neen! neen!" riep de dokter uit, »neen! 'k houd tot het einde
toe vol."

»Zooals u wilt, meester, ofschoon de proef, naar 't me voorkomt,
genoeg bewijst en daarom dunkt me, zou het tijd zijn om..."

»Om?..."

»De kraan te sluiten."

»Nu nog mooier!" riep dokter Ox uit. » Probeer het eens als je 't
hart hebt!"



XIII.

Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle
menschelijke nietigheden beheerscht.


»Wat zeg je?" vroeg burgemeester Van Tricasse den wethouder Niklausse.

»'k Zeg, dat deze oorlog noodzakelijk is," antwoordde de wethouder
op vasten toon, »en dat het tijd is om onze beleediging te wreken."

»En ik," antwoordde de burgemeester kwaad, »ik zeg, dat als de
bevolking van Quiquendone niet van deze gelegenheid gebruik maakte
om haar recht te handhaven, ze onwaardig zou zijn haar naam te dragen."

»En ik, 'k houd staande, dat we onmiddellijk onze troepenmassa moeten
verzamelen en haar vooruit moeten brengen."

»Ei! mijnheer, ei!" antwoordde Van Tricasse, »en spreekt u zoo
tegen mij?"

»Tegen u, mijnheer de burgemeester, en u zult de waarheid hooren,
hoe hard ze ook zij."

»En u zult haar zelf hooren, mijnheer de wethouder," gaf Van Tricasse
buiten zich zelven ten antwoord, »want ze zal beter uit mijn mond
komen dan uit den uwe! Ja! mijnheer, ja, nog langer te wachten zou
schande zijn. Sedert negen honderd jaar wacht de stad Quiquendone
op het oogenblik van weerwraak en zeg nu wat je wilt, of 't je kan
schelen of niet, maar we gaan op den vijand los."

»O! praat je zoo?" antwoordde de wethouder Niklausse
heftig. »Welnu! mijnheer, als 't je niet bevalt mee te gaan, zullen
we zonder u er op los gaan."

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer."

»En die van een wethouder ook, mijnheer."

»Je beleedigt me met je woorden en werkt me onophoudelijk tegen,"
riep de burgemeester uit, wiens vuisten zich balden.

»En je beleedigt wederkeerig door aan mijn vaderlandsliefde te
twijfelen," riep Niklausse uit, die zich ook slagvaardig stelde.

»'k Zeg u, mijnheer, dat het Quiquendonsche leger binnen twee dagen
marschvaardig zal zijn!"

»En ik zeg nog eens, ik, mijnheer, dat er geen achtenveertig uren
zullen verloopen, voordat we tegen den vijand optrekken!"

Men zal uit dit gesprek gemakkelijk zien, dat beide sprekers juist
hetzelfde denkbeeld voorstonden. Beiden wilden den veldslag, doch hun
overspannen gemoedstoestand bracht hen aan 't twisten en Niklausse
verstond Van Tricasse niet en Tricasse verstond Niklausse niet. Ware
hunne meening omtrent deze ernstige aangelegenheid verdeeld geweest
en de burgemeester had liever oorlog, de wethouder daarentegen liever
vrede gehad, zou de twist niet heviger hebben kunnen zijn. De twee
oude vrienden keken elkander verwoed aan. Aan de versnelde beweging
van hun hart, aan hun rood gelaat, aan hunne vernauwde pupillen, aan
het trillen hunner spieren, aan hun stem, bevende van ingehouden toorn,
begreep men dat ze op het punt stonden zich op elkander te werpen.

Maar een groote klok, die sloeg deed gelukkig de tegenstanders tot
bezinning komen op het oogenblik dat zij handgemeen zouden worden.

»Daar slaat het eindelijk," riep de burgemeester uit.

»Wat slaat er?" vroeg de wethouder.

»Wel, het uur om naar den klokketoren te gaan."

»'t Is waar en of 't u bevalt of niet, ik ga, mijnheer!"

»Ik ook."

»Laat ons gaan!"

»Laat ons gaan!"

Uit deze laatste woorden zou men allicht hebben opgemaakt, dat er een
ontmoeting zou plaats hebben en de twee tegenstanders zich naar het
terrein zouden begeven, maar dat was volstrekt het geval niet. Men
was overeengekomen, dat de burgemeester en de wethouder--werkelijk de
twee voornaamste notabelen uit de stad--zich naar het stadhuis zouden
begeven, dat zij daar den zeer hoogen toren zouden beklimmen en van
den omloop het omliggende land zouden verkennen, teneinde zoodanige
strategische beschikkingen te nemen als dienstig zouden zijn voor de
beweging hunner troepen.

Alhoewel zij het nu hieromtrent volkomen eens waren, hielden zij niet
op elkander onderweg de grootste hatelijkheden toe te voegen. Men
hoorde op straat hunne twistende stemmen, maar al de voorbijgangers
verkeerden in dezelfde driftige stemming als zij en daarom lette men
er niet op. In deze omstandigheden zou een bedaard mensch als een
monster beschouwd zijn.

Toen de burgemeester en de wethouder in het portaal van den toren
waren aangekomen, was hun woede ten top gestegen. Zij waren nu niet
rood meer, maar bleek. Hoewel zij het steeds eens waren, had die
vijandige woordenwisseling hun krampen in het lijf bezorgd en men
weet dat bleekheid het bewijs is van een grenzenloozen toorn.

Onder aan den smallen trap had er een ware uitbarsting plaats. Wie
zou voorgaan? Wie zou het eerst den wenteltrap beklimmen? De waarheid
verplicht ons te zeggen, dat er een kleine schermutseling plaats had
en dat de wethouder Niklausse, geheel uit het oog verliezende wat hij
zijn meerdere, den eersten overheidspersoon der stad verschuldigd was,
Van Tricasse ruw op zijde duwde en het eerst den smallen trap opvloog.

Beiden klommen nu naar boven, eerst vier treden tegelijk, elkander de
gemeenste scheldwoorden naar het hoofd werpende. Men had waarlijk alle
reden om te vreezen, dat boven op dien toren, die drie honderd zeven
en vijftig voet hoog was, een noodlottige ontknooping zou plaatshebben.

Maar de twee vijanden waren spoedig buiten adem, en klommen na
een minuut, bij de tachtigste trede, nog slechts met moeite, en
al hijgende.

En toen,--'t was misschien een gevolg hunner kortademigheid,--was
hun toorn nog wel niet bedaard, maar uitte ze zich niet meer in een
stroom van onbehoorlijke benamingen. Zij zwegen nu, en vreemd genoeg,
scheen het wel, dat hun drift bedaarde naarmate zij hooger klommen. Een
zekere kalmte maakte zich van hun geest meester. Het opbruisen hunner
hersenen bedaarde als dat van een koffiekan, die men van het vuur
neemt. Hoe kwam dat?

Wij kunnen geen antwoord hierop geven, maar waar is het, dat, toen
de twee tegenstanders, op twee honderd zes en zestig voet boven
het niveau, een zeker portaal bereikt hadden, zij gingen zitten en
werkelijk veel bedaarder geworden, elkander niet meer boos aankeken.

»Wat is dat hoog!" zei de burgemeester, zijn rood gelaat met zijn
zakdoek afvegende.

»Zeer hoog!" antwoordde de wethouder. »U weet, dat we veertien voet
hooger zijn dan de St. Michiel van Hamburg?"

»Welzeker weet ik dat," antwoordde de burgemeester op hoogmoedigen
toon, te vergeven aan den eersten magistraatspersoon van Quiquendone.

Na eenige oogenblikken zetten de twee notabelen hun reis naar boven
voort, onderwijl nieuwsgierige blikken door de schietgaten in den
muur van den toren werpende. De burgemeester had zich aan het hoofd
van de karavaan gesteld, zonder dat de wethouder de minste aanmerking
gemaakt had. Toen Van Tricasse bij de drie honderd vierde trede geheel
afgemat was, gebeurde het zelfs, dat Niklausse hem zeer dienstwillig
een douwtje in de lendenen gaf. De burgemeester liet hem zijn gang gaan
en boven op den omloop van den toren aangekomen, zei hij vriendelijk:

»Dank je, Niklausse, tot wederdienst bereid."

Zooeven nog onder aan den toren, waren het twee wilde beesten, gereed
elkander te verscheuren en nu boven gekomen, waren het twee vrienden.

Het was prachtig weer en men was in de Meimaand! De zon had alle dampen
verdreven. Welk een reine, heldere lucht! De blik kon in een wijden
omtrek de kleine voorwerpen onderscheiden. Op weinige mijlen slechts
zag men de glinsterend witte muren van Virgamen, hare roode daken,
en hare in den glans der zon schitterende torens. En dat was de stad,
bij voorbaat gewijd aan al de verschrikkingen van plundering en brand!

De burgemeester en de wethouder zaten bij elkander op een klein bankje,
als twee goede luidjes, wier zielen door nauwe vriendschapsbanden
innig met elkander verbonden waren. Al hijgende, keken zij en toen
riep na eenige oogenblikken van stilte de burgemeester uit:

»Hoe schoon!" waarop de wethouder antwoordde:

»Ja! 't is prachtig. Dunkt u ook niet, mijn waarde Van Tricasse,
dat het veeleer de bestemming is van de menschheid op zulke hoogten
te wonen, dan op de korst van onzen aardbol rond te kruipen?"

»Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Niklausse," antwoordde de
burgemeester. »Men gevoelt hier beter de uitingen der natuur. Men
geniet haar met zijn gansche wezen! Op zulke hoogten moesten
philosophen gevormd worden en daar, verheven boven de nietigheden
dezer wereld moesten de wijzen wonen!

»Willen we den omloop eens rondgaan?" vroeg de wethouder.

»Laten we den omloop eens rondgaan," antwoordde de burgemeester.

En de twee vrienden wandelden gearmd rond en, even als vroeger,
elkanders vragen eerst na lange tusschenpoozen beantwoordende,
richtten zij hunne blikken naar alle punten van den horizont.

»'t Zal minstens zeventien jaar geleden zijn, dat ik hier boven op
den toren geweest ben," zei Van Tricasse.

»'k Geloof niet, dat ik er ooit geweest ben," antwoordde de wethouder
Niklausse, »en 't spijt me, want het gezicht is prachtig van deze
hoogte! Ziet ge hoe bekoorlijk de Vaar zich daar tusschen de boomen
heen slingert?"

»En verderop de heuvels van St.-Hermandad! Hoe schoon vertoonen
ze zich in het verre verschiet! Ziet ge daar die boomen, door de
natuur zoo schilderachtig gegroepeerd! O! de natuur, de natuur,
Niklausse! Kunnen menschenhanden ooit met haar wedijveren!"

»'t Is een verrukkelijk gezicht, mijn beste vriend," antwoordde de
wethouder. »Zie de kudden in de groene weiden grazen, die ossen,
koeien, schapen..."

»En de landlieden, zich naar de velden spoedende, als herders van
Arcadië. Er ontbreekt hun slechts een schalmei!"

»En boven dat uitgestrekte, vruchtbare land, welft zich de schoone,
blauwe, onbewolkte hemel! O! Niklausse, men zou hier dichter worden! 'k
Begrijp waarlijk niet dat St.-Simeon, de pilaarheilige, niet een van
de grootste dichters der wereld geweest is."

»Dat komt misschien omdat zijn zuil niet hoog genoeg geweest
is!" antwoordde de wethouder met een zacht glimlachje.

Op dit oogenblik stelde zich het klokkespel in beweging. De
helderklinkende klokken speelden een harer meest welluidende
liederen. De twee vrienden waren verrukt.

Toen sprak de burgemeester op zijn ouden, bedaarden toon, »wat zijn
we ook boven op den toren komen doen?"

»'k Geloof waarlijk," antwoordde de wethouder, »dat we ons door onze
droomerijen laten wegsleepen..."

»Wat zijn we hier toch komen doen?" herhaalde de burgemeester.

»We zijn hier de zuivere lucht komen inademen, die nog niet door de
menschelijke zwakheden bedorven is," antwoordde Niklausse.

»Welnu, willen we dan nu maar weder naar beneden gaan, vriend
Niklausse?"

»Goed, vriend Van Tricasse, laten we weer naar beneden gaan."

De twee notabelen sloegen nog een laatsten blik op het prachtige
panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde; toen ging de burgemeester
vooruit en begon met langzamen en afgemeten tred af te klimmen. De
wethouder volgde eenige treden achter hem. De twee notabelen kwamen
op het portaal waar ze zich bij het naar boven klimmen hadden
opgehouden. Daar reeds begonnen hunne wangen te gloeien. Zij hielden
een oogenblik stil en hernamen hunne afgebroken nederdaling.

Na verloop van een minuut, verzocht Van Tricasse Niklausse wat
langzamer te loopen, aangezien hij voelde dat hij op zijn hielen zat
en »hem dit hinderde."

Het deed hem zelfs meer dan hinderen, want twintig treden lager,
beval hij den wethouder te blijven staan, omdat hij eerst een beetje
vooruit wilde gaan.

De wethouder antwoordde, dat hij geen lust had om voor het pleizier
van den burgemeester te blijven staan wachten.

Van Tricasse van zijn kant antwoordde hierop niet zeer vriendelijk.

De wethouder maakte nu een beleedigende zinspeling op den leeftijd
van den burgemeester, door familieoverleveringen bestemd om een tweede
huwelijk aan te gaan.

De burgemeester klom nog twintig trappen naar beneden en waarschuwde
Niklausse driftig, dat dat maar zoo niet ging.

Niklausse antwoordde, dat hij dan in alle geval vooruit zou gaan,
en, daar nu de trap zeer smal was, had er een botsing tusschen de
twee notabelen plaats, die zich nu in diepe duisternis bevonden.

De woorden domoor en lomperd waren nog de zachtste, die toen gewisseld
werden.

»We zullen eens zien," schreeuwde de burgemeester, »we zullen eens
zien, welk figuur je in dien oorlog maken zult; 'k geloof niet,
dat je een van de voorsten zijn zult!"

»In alle geval vóór jou, ingebeelde gek!" antwoordde Niklausse.

Op deze wijze ging het nog eenigen tijd voort en eindelijk was het
alsof ze aan het vechten waren...

Wat gebeurde er toch weder? Hoe waren die gemoederen zoo schielijk
veranderd? Waarom waren de schapen van den omloop twee honderd voet
lager tijgers geworden?

Hoe het zij, toen de bewaarder van den toren zulk een helsch leven
hoorde, opende hij de benedendeur, juist op het oogenblik dat
de tegenstanders, gekneusd, met de oogen uit het hoofd, elkander
wederkeerig de haren uittrokken, of liever de pruiken afrukten.

»Je zult me voldoening geven!" riep de burgemeester uit, met de
gebalde vuist onder den neus van zijn tegenstander.

»Wanneer je maar wilt!" gilde de wethouder het uit, in dreigende
houding.

De bewaarder, die zelf woedend was,--waarom is niet bekend,--vond
niets vreemds in dit twisttooneel. 'k Weet niet welke persoonlijke
overprikkeling hem drong partij te kiezen. Maar hij hield zich in
en verspreidde in de gansche buurt de tijding, dat er spoedig een
ontmoeting zou plaats hebben tusschen den burgemeester Van Tricasse
en den wethouder Niklausse.



XIV.

Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart nemen,
dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver een onmiddellijke
ontknooping vorderen.


Dit laatste voorval doet zien tot welk een hoogte de opgewondenheid van
de Quiquendonsche bevolking gestegen was. Wie had ooit kunnen denken,
dat de twee oudste vrienden der stad en daarbij de vreedzaamste,--vóór
de treurige bezoeking,--zoo op elkander gebeten konden worden! En dat
eenige minuten slechts nadat hunne oude sympathie, hun zacht karakter,
hun kalme levensbeschouwing daarboven op den toren weder de overhand
hadden gekregen!

Toen dokter Ox hoorde wat er al zoo in het stadje omging, kon hij zijn
blijdschap niet inhouden. Hij was het volstrekt niet eens met zijn
assistent, die zag dat het niet goed ging. Ook zij, trouwens, deelden
in de algemeene overspanning. Zij waren niet minder overprikkeld dan
de overige bevolking en geraakten waarlijk ook, evenals de burgemeester
en de wethouder, aan het kibbelen.

Evenwel moet erkend worden, dat de voorname quaestie, de quaestie
van den dag al de andere verdrong en de voorgenomen duels verschoof
totdat de zaak met de inwoners van Virgamen was uitgemaakt. Niemand
had het recht zijn bloed nutteloos te vergieten, want het behoorde
immers tot den laatsten druppel aan het bedreigde vaderland.

Want inderdaad waren de omstandigheden ernstig en kon men niet
teruggaan.

Niettegenstaande al het oorlogsvuur, dat in hem brandde, meende de
burgemeester Van Tricasse den vijand niet te moeten aanvallen zonder
hem te waarschuwen. Hij had dus den veldwachter, heer Hottering naar
Virgamen gezonden en de inwoners gerechtelijk aangemaand hun voldoening
te geven voor de overtreding in den jare 1195 op het grondgebied van
Quiquendone begaan.

De overheid van Virgamen had er in het eerst geen flauw begrip van
gehad, waarvan er toch eigenlijke sprake was en den veldwachter,
in weerwil van zijn officieel karakter zonder complimenten buiten de
gemeente laten brengen.

Toen zond Van Tricasse een der aides-de-camp van den
generaal-banketbakker, den burger Hildevert Shuman, een flinken vent,
vol geestkracht, die aan de overheid van Virgamen het origineel bracht
van het procesverbaal, opgemaakt in 1195 door den burgemeester Natalis
Van Tricasse.

De regeering van Virgamen barstte uit in lachen en het ging met den
aide-de-camp precies op dezelfde manier als met den veldwachter.

De burgemeester belegde toen een vergadering van de notabelen der
stad. In deze vergadering werd besloten in den vorm van een ultimatum
een flinken brief op te maken, waarin de casus belli duidelijk
werd uiteengezet en een uitstel van vier en twintig uren aan de
schuldige stad gegeven werd om de beleediging, Quiquendone aangedaan,
te herstellen.

De brief werd verzonden en kwam eenige uren later terug, in kleine
stukjes verscheurd, die als zoovele beleedigingen beschouwd werden. De
inwoners van Virgamen kenden van langen datum de lankmoedigheid der
Quiquendoners en gaven geen zier om hunne vorderingen, hun casus
belli en hun ultimatum.

Er bleef dus nu niets anders over dan het lot der wapenen te laten
beslissen, den god der veldslagen aan te roepen en, volgens Pruisische
manier, de inwoners van Virgamen aan te tasten voordat zij nog geheel
gereed waren.

Dit was het besluit van den raad in een plechtige zitting, waar het
met ongekende hevigheid toeging, zoo zelfs, dat het in een vergadering
van gekken, een vereeniging van bezetenen of een club van razenden
niet oproeriger had kunnen toegaan.

Zoodra de oorlogsverklaring bekend was, verzamelde de generaal Jan
Orbideck zijne troepen, twee duizend drie honderd drie en negentig
zielen, want de vrouwen, de kinderen en de grijsaards hadden
zich bij de strijdbare mannen gevoegd. Alle scherpe of kneuzende
voorwerpen waren wapenen geworden. Al de geweren uit de stad waren
opgevorderd. Men was er vijf meester geworden waarvan twee zonder hanen
en zij werden aan de voorhoede uitgedeeld. De artillerie bestond uit
de oude veldslang van het kasteel, genomen in 1339 bij den aanval op
Quesnoy, een der eerste vuurmonden, in de geschiedenis vermeld, en
die sedert vijf eeuwen geen schot gelost had. Gelukkig evenwel voor
hen die het stuk zouden bedienen, waren er geen projectielen om het
te laden, maar, zooals het daar was, kon dit oorlogstuig den vijand
nog genoeg vrees aanjagen. Wat de blanke wapenen aangaat, deze waren
geput uit het museum van oudheden, steenen strijdbijlen, knodsen,
werpspiesen, pertizanen, enz. en mede uit de bijzondere arsenalen,
algemeen bekend onder den naam van keukens. Doch de moed, het gevoel
van recht, de haat jegens den vreemdeling, de wraakzucht moesten in
de plaats treden van tot meerdere volkomenheid gebracht oorlogstuig
en--men hoopte het althans--de mitrailleuses en de achterlaadkanonnen
van den tegenwoordigen tijd vervangen.

Bij de revue die gehouden werd, ontbrak geen enkele burger aan het
appel. Generaal Orbideck, niet zeer vast op zijn paard, dat niet te
vertrouwen was, viel driemaal voor het front van het leger er af,
maar hij stond weder op zonder zich bezeerd te hebben, hetgeen als een
gunstig voorteeken beschouwd werd. De burgemeester, de wethouder, de
commissaris van politie, de vrederechter, de ontvanger, de bankier, de
rektor, kortom al de notabelen der stad marcheerden aan het hoofd. Er
werd geen traan gestort, noch door de moeders, noch door de zusters,
noch door de dochters. Zij zetten hunne mannen, hunne vaders, hunne
broeders tot den strijd aan en volgden hen zelfs in de achterhoede,
onder kommando van de moedige Mevr. Van Tricasse.

De trompet van den omroeper Jan Mistrol klonk; het leger stelde zich
in beweging, verliet het plein onder het uiten van woeste kreten en
richtte zich naar de poort van Oudenaarde.



Op het oogenblik dat het hoofd der colonne buiten de muren der stad
zou treden, vloog hem een man tegemoet.

»Houdt op! houdt op! gij dwazen!" riep hij. »Houdt de wapens op! Laat
me de kraan sluiten! Gij dorscht nu naar bloed! Ge zijt goede,
vredelievende burgers! Dat ge zoo vol vuur zijt, is alleen de schuld
van mijn meester, dokter Ox! 't Is een proefneming! Onder voorwendsel
u een verlichting met oxy-hydrogeengas te geven, heeft hij...."

De assistent was buiten zich zelven, maar hij kon niet uitspreken. Op
het oogenblik dat het geheim van den dokter hem zou ontsnappen,
stortte zich dokter Ox zelf, in onbeschrijfelijke woede, op den
ongelukkigen Ygeen en sloot hem den mond met vuistslagen.

Dat gaf een gevecht. De burgemeester, de wethouder, de notabelen,
die op het gezicht van Ygeen waren blijven staan, op hunne beurt door
hunne verbittering medegesleept, wierpen zich op de twee vreemdelingen,
zonder een van beiden te willen hooren. Dokter Ox en zijn assistent,
getrokken, geslagen, mishandeld, zouden op bevel Van Tricasse zoo
naar de gevangenis gesleept worden, toen....



XV.

Waarin de ontknooping losbarst.


.... toen een vreeselijke ontploffing weerklonk. De geheele atmosfeer
om Quiquendone scheen in vuur en vlam te staan. Een buitengewoon
heldere, schitterende vlam steeg als een luchtverschijnsel tot in
de wolken. Als het nacht geweest was, zou deze vuurgloed tien mijlen
ver in het rond gezien zijn.

De gansche Quiquendonsche armee werd ter aarde geworpen... Gelukkig
was er geen enkel slachtoffer gevallen, eenige krabben en bulten
en anders niet. Alleen de pluim van den steek des banketbakkers,
die bij toeval nu niet van zijn paard was gevallen, was geschroeid,
maar overigens was hij er goed van afgekomen.

Wat was er gebeurd?

Heel eenvoudig was, zooals men spoedig hoorde, de gasfabriek in
de lucht gesprongen. Waarschijnlijk was er in de afwezigheid van
den dokter en zijn assistent, de een of andere onvoorzichtigheid
begaan. Men weet niet hoe, noch waarom het reservoir met oxygenium
met dat hetwelk het hydrogenium bevatte, in gemeenschap gekomen is,
maar dat is zeker dat uit de vereeniging dezer beide gassen een
ontploffend mengsel ontstaan is, dat bij vergissing met vuur in
aanraking is gekomen.

Dit gaf een heele omkeering;--doch toen het leger weder op de been
kwam, waren dokter Ox en zijn assistent Ygeen verdwenen.



XVI.

Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed geraden had,
niettegenstaande al de voorzorgen van den schrijver.


Na de ontploffing was Quiquendone onmiddellijk weder de vreedzame,
flegmatische en Vlaamsche stad van vroeger geworden.

Na de ontploffing, die trouwens geen bijzonder diepe ontroering
teweegbracht, sloeg iedereen, zonder te weten waarom, werktuiglijk
den weg naar huis weder in, de burgemeester gearmd met den wethouder,
de advocaat Schut met den geneesheer Custos, Frans Niklausse met
zijn medeminnaar Simon Collaert, allen even bedaard en rustig,
onbewust zelfs van 't geen er was voorgevallen, en Virgamen en de
wraak reeds vergeten hebbende. De generaal was tot zijn confituren
en zijn aide-de-camp tot zijn suikergoed teruggekeerd.

Alles was dus weder tot kalmte gekomen, alles had het gewone leven
hervat, menschen en dieren, dieren en planten, zelfs de toren van
de Oudenaardsche poort, die de ontploffing,--die ontploffingen zijn
dikwijls zulke verwonderlijke zaken,--die de ontploffing weder had
opgericht!

En van dien tijd af aan, nooit één woord luider dan het andere,
nooit een woordenwisseling in de stad Quiquendone. Geen politiek,
geen club, geen proces, geen politieagenten meer! De betrekking
van den commissaris Passauf was even als vroeger een sinecure, en
dat men hem zijn honorarium niet onttrok, had hij alleen daaraan te
danken, dat de burgemeester en de wethouder niet konden besluiten
een beslissing ten zijnen opzichte te nemen. Overigens bleef hij,
maar zonder er iets van te weten, van tijd tot tijd het onderwerp
van de droomen der oude tante.

Wat den medeminnaar van Frans betreft, hij zag edelmoedig van de
bekoorlijke Suze af ten behoeve van haren beminde, die zich, vijf of
zes jaren na deze gebeurtenissen, haastte haar te huwen.

En wat Mevr. Van Tricasse aangaat, zij stierf tien jaren later juist
op den gewenschten termijn en de burgemeester trouwde nu met Mejuffrouw
Pélagie Van Tricasse, zijne nicht.



XVII.

Waarin de theorie van dokter Ox verklaard wordt.


Wat had die geheimzinnige dokter Ox dan toch gedaan? Niets meer of
minder dan een fantastische proef.

Na zijn gasbuizen gelegd te hebben, had hij de openbare gebouwen,
daarna de bijzondere huizen en eindelijk de straten van Quiquendone
met zuiver oxygenium verzadigd, doch zonder ze ooit met een atoom
hydrogenium te voorzien.

Dit gas, overigens zonder smaak of reuk, in zulk een groote hoeveelheid
in den dampkring verspreid, brengt ingeademd, de ernstigste stoornissen
in het organisme teweeg. Door in een met oxygenium verzadigde ruimte
te leven, wordt men opgewekt, overspannen, men brandt!

Nauwelijks in den gewonen dampkring teruggekomen, wordt men weder
wat men vroeger was, zooals in het geval van den wethouder en den
burgemeester, toen zij boven in den klokketoren gekomen, zich wederom
in de gewone dampkringslucht bevonden, daar het oxygenium door zijn
meerdere zwaarte in de onderste lagen bleef hangen.

Maar door in zulk een toestand te leven, door dit gas in te ademen,
dat het lichaam zoowel als de ziel physiologisch verandert, sterft
men spoedig, evenals de dwazen, die te sterk leven!

Het was dus gelukkig voor de Quiquendoners, dat een door de
Voorzienigheid bewerkte ontploffing een eind aan deze gevaarlijke
proefneming gemaakt had, door de fabriek van dokter Ox te vernietigen.

Maar zouden nu, om te besluiten, deugd, moed, talent, verstand,
verbeeldingskracht, al die hoedanigheden of vermogens, afhangen van
een meerdere of mindere hoeveelheid oxygenium in de atmosfeer?

Dat is de theorie van dokter Ox, maar men heeft het recht haar niet
aan te nemen en wat ons betreft, we verwerpen haar in alle opzichten,
niettegenstaande de fantastische proefneming, waarvan de achtbare
stad Quiquendone het tooneel was.



INHOUD.


                                                                  Bladz.

        I.  De kraal                                                  1
       II. Een koningin van Tarryani                                 14
      III. Nachtelijke aanval                                        35
       IV. Het afscheid van Matthias van Guitt                       51
        V. De overtocht van de Betwa                                 64
       VI. Hod tegen Banks                                           83
      VII. Honderd tegen een                                         94
     VIII. Het Puturiameer                                          108
       IX. Van aangezicht tot aangezicht                            124
        X. Voor den mond van een kanon                              138
       XI. IJzeren reus                                             150
      XII. De vijftigste tijger van kapitein Hod                    160


           DOKTER OX.

        I. Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft
           op te zoeken, zelfs niet op de beste kaarten             167
       II. Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder
           Niklausse over de belangen der stad spreken              170
      III. Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als
           onverwachte manier komt binnenvallen                     174
       IV. Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige
           is en stoute proeven neemt                               179
        V. Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek
           brengen aan dokter Ox en hetgeen daaruit voortvloeit     184
       VI. Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes
           voor de toekomst maken                                   190
      VII. Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de
           »allegro's" in »vivaces" overgaan                        194
     VIII. Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt  202
       IX. Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander
           slechts enkele woorden zeggen                            208
        X. Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad
           aantast en welke uitwerking zij teweegbrengt             208
       XI. Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig
           besluit nemen                                            212
      XII. Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft,
           die driftig door Dr. Ox wordt van de hand gewezen        219
     XIII. Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats
           alle menschelijke nietigheden beheerscht                 219
      XIV. Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart
           nemen, dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver
           een onmiddellijke ontknooping vorderen                   227
       XV. Waarin de ontknooping losbarst                           230
      XVI. Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed
           geraden had, niettegenstaande al de voorzorgen van den
           schrijver                                                230
     XVII. Waarin de theorie van dokter Ox verklaard wordt          231



AANTEEKENINGEN


[1] In 1877 zijn 1677 menschelijke wezens door den beet van slangen
omgekomen. Uit de door het gouvernement betaalde premieën voor de
uitroeiing dezer kruipende dieren blijkt, dat er in datzelfde jaar
127,295 gedood zijn.

[2] Als het kleine met het groote mag vergeleken worden.

[3] Eenhoevigen.

[4] Catachresis is een redekunstige figuur waarbij men een woord
gebruikt in den tegengestelden zin van zijn eigenlijke beteekenis.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Stoomhuis - De Waanzinnige der Nerbudda" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home