Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Vonken
Author: Lagerlöf, Selma, 1858-1940
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Vonken" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=.               |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



Bij den Uitgever van dit boek verscheen van Selma Lagerlöf:

Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Prijs ingenaaid ƒ =4.90=; gebonden in prachtband ƒ =5.90=

=Jan Ligthart=:

=Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.=

=Het Nieuws van den Dag=:

Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische
dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den
voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen,
die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt
meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende
verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft
een filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels
wordt tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan
allerlei beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en
beter geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder
opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is
dit te zijn.

=Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor
kinderen.=

=De Nederlander=:

=Een mooi boek.= Het „sprookje” heeft een filosofischen ondergrond,
zooals men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma
Lagerlöf haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld
gebracht. =Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend
geschenk.=

=De Tijd=:

Dit werk van Selma Lagerlöf heeft iets wonderbaars in zich, van dat
sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken
meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naïeve
bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de
zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere
waarde.

=De Avondpost= (H. J. Stratenmeijer):

=De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer
en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.=

=De Nieuwe Arnhemsche Courant=:

=Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra
populair zal worden.=

=De Hofstad=:

Een prachtig sprookje à la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond
van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd
en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n
tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste poëzie, waar
doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlöf's phantasie
laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op
vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden.


_Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede_:

De Wonderen van den Anti-Christ

Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF

DOOR

MARGARETHA MEIJBOOM.

TWEEDE DRUK.

Prijs ingenaaid ƒ =3.90=; gebonden ƒ =4.90=


=Eenige Bladen over „De Wonderen van den Anti-Christ”.=

=De Kerkelijke Courant=:

Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar
vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar
fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo
gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek
speelt op het eiland Sicilië met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het
Socialisme tegenover het Christendom. „Hebt uw schat in den hemel,” zegt
het laatste. „Hebt uw schat op aarde,” predikt het eerste. Het slot is,
wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar
trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien
of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: „Alle menschen
klagen.” Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop
zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: „Alle menschen
juichen.” Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten
derden male uit, die terugkeerende zei: „Sommigen weenen en sommigen
lachen.” Toen verklaarde God de wereld gereed.

=Het Vaderland=:

Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken.

=Het Nieuws van den Dag=:

Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon.

=Nederland=:

Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in
haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer
boeiend.

=De Telegraaf=:

Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm
aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, geïnspireerd
door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel.



VONKEN



                                 VONKEN

                           NAAR HET ZWEEDSCH

                                  VAN

                             SELMA LAGERLÖF

                                  DOOR

                          MARGARETHA MEIJBOOM

                         GEAUTORISEERDE UITGAVE

                               AMSTERDAM
                             H. J. W. BECHT



BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM.



INHOUD.


  EERSTE DEEL.

                                       Bladz.

  De Doodskop                               1

  De Zonsverduistering                     19

  Iets over Landverhuizing                 29

  Kalle Frykstedt                          38

  De Legende van den Luciadag              50

  De Kanonnier                             87

  De Geschiedenis van Zuster Olive         95


  TWEEDE DEEL.

  De Prinses van Babylonië                117

  Stemmingen uit den Oorlogstijd          124
      I. 't Schreien van Rachel           124
     II. De verlaten Kerk                 133
    III. De Mist                          139
     IV. De jonge Zeeman                  152
      V. De Ster                          161
     VI. De Brandstapel                   169
    VII. Gustav Fröding                   176



EERSTE DEEL.



DE DOODSKOP.


Er was eens een man in de gemeente Svartsjö in Wermeland, die op een
Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond,
maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg
wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de
schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te
halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef
dan onverrichter zake weer naar huis te gaan.

De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan,
en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was
uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij
gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw
was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als
geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de
Kersttafel?

„'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen,” zei
hij, „'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden
om Kerstavond in mijn huis te vieren.”

Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen
van de menschen in Svartsjö,—nog nooit was het iemand in die
gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen,
omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook
geen gewone doodgraver. Hij heette Anders Öster en was uit een oud
speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers
geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was
geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen.

Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een
betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming,
waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven.

„Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't
kerkhof moeten vragen,” mompelde hij, „die zullen zich ten minste niet
schamen om op een feest bij den doodgraver te komen.”

Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het
kerkhof van Svartsjö loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij
zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan
daar ernst van te maken.

Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond,
wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat
scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien
wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering
niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en
steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven,
en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag.

In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een
mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval
in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het
knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets
zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn
hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een
eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden gebruikte, behalve
als hij in zijn allerslechtste humeur was.

„Goeden avond, goeden avond!” zei hij. „Ik ben blij dat ik u ontmoet.
Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik
u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen.
Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te
komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten
en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen.”

Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de
hand, als om 't antwoord af te wachten.

„Ja—u zegt ten minste geen: Nee,” ging hij voort, toen hij een
behoorlijken tijd had gewacht, „dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik
woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet
ver te loopen.”

Toen lachte Anders Öster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging
naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden.

't Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in
't kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't
voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed zag hij iets, dat niet
geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk
op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis.
Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den
natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil.

„Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder
oogenblik kunnen komen,” zei de man, terwijl hij binnen kwam.

Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi
met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden.

„Zoo, er was niemand die komen wou,” zei ze. „Ja, dat dacht ik wel.
Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond
uitgaat.”

„Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen
komen,” zei hij, zóó heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was.
„Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam,” ging hij
onverschillig voort, „maar hij komt wat later.”

„Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en
't licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar.”

Maar Anders Öster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd
werd. Hij bleef in de gang staan; hij stond de schurende vrouw in den
weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem
stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de
kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open
haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en
Anders Öster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets
ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van
geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken,
aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote
ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek,
schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen
rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en
onverstoorbare kalmte.

De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit
zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn
van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders Öster deftig en prettig
voor, en hij zei tegen zijn vrouw:

„Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in
de kerkeraadskamer dekken. Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren
wil.”

De vrouw zag heel verschrikt op.

„Wat bedoel je?” vroeg ze. „Wil je hier beneden zitten drinken met dien
gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de
vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten.”

Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van
de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon
er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt.

Maar Anders Öster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond
alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd.

„Wees nu niet lastig, Bolla!” zei hij. „Ik zeg je, dat ik hier van avond
wil zitten met ons Kerstmaal.”

't Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die
hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel
zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats
konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige
mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als
een aanzienlijk man, een groote boer, en dáár had hij behoefte aan.

„Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat
doet,” zei zijn vrouw. „Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik
leef.”

Toen zijn vrouw zich zóó beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn
woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in
hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij
antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in.
Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand.

Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de
leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te
schuren.

„Bolla, Bolla,” zei hij met een stem zóó zacht en hoog, dat ze bijna
suikerzoet klonk! „Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel
in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?”

„Ja, dat meen ik!” riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had,
dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze
wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't
geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd.

Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik stond de gang vol rook
en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond.

„Almachtige God!” Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar
buiten in 't donker.

Öster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend,
zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer
naar boven en hing het aan den wand.

Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals
hij 't hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang
om den doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor
het feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij
legde het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie
kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten
boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden
met verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een
schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst
sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel
met een kring glazen om de kraan heen.

Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel zitten, at en
dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot.

't Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem zóó kwelde,
dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het
schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet
anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld.

Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten?
Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar
zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan,
en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig.

Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze
tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de
baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten.
Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn
huwelijk.

Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje,
toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort
van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden.

Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin.

„Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt,” zei
hij. „Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga
halen.”

Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam
spoedig terug met den doodskop in de hand.

Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en
droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt
zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.—

Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die
vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die
probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar
uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun
Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof
ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten.

„Hij heeft op me geschoten!” dacht ze telkens weer. „Hij heeft me willen
vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!”

Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet geteld hebben. Maar hij
was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid.

Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden
meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen
dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid
voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen
hadden doorgemaakt.

Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een
paar kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele
geval. Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't
kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden.

„Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de
kerkeraadskamer,” vertelden ze. En een poos later was het: „Nu zit hij
in den voorzittersstoel te eten en te drinken.”

Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er
iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand
toe, dien de kinderen niet konden zien.

De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders
denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die
beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar
geschoten!

't Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was
niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor
een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar
verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende
gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier
te overvallen.

't Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit
ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd,
was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen.

Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te
roeren en de Kersttafel te dekken.

„Hij heeft mij met zijn schot gedood,” dacht ze. „Het is mij dwars door
't hart gegaan.”

Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen
de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder
de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar
niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen
maar.

't Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het
waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te
kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten
nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en
meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan.

„Er is iets met hem gebeurd,” dacht ze. „Hij is niet meer dezelfde,
die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek
geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot.”

Ze stond op van haar plaats en zei zacht: „Ik dank jelui wel,” en ging
naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten
en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het
gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep—dan hij
zelf.

Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar
daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats.
Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag
alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen.

Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel
stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op
den doodskop.

„Zie daar eens naar,” zei hij.

Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan.

„Zie je wel, dat hij geschoten—vermoord is?” zei hij. „Dat is geen
zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter
het oor.”

„Ja, dat zie ik,” zei ze en een siddering van verwachting kwam over
haar.

„Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente
is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en
ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd
zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de
eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een
schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen.”

Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort.

„Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den
grond van 't kerkhof kwamen te liggen, is er misschien maar één, die
door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond
bij mij.”

De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen.

„Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met
het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar
toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat,
kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon
dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de
duisternis buiten te laten liggen, en dan ook—ik wou iemand hebben om
mee te spreken. En toen ik hem vóór mij op de tafel zette en een glas
inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een
schot was verbrijzeld.

Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam
hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen
moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?”

„Dat was zeker God,” fluisterde zij en vouwde de handen.

„Ja,” antwoordde hij—ook fluisterend. „Zoo is het. Het was Gods wil.
Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat
het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn
groote zonde en ellende zou inzien.”

Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en
stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als
van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei
hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden
met hen had en hen wilde redden.

Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De
vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze
had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen.
De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis
zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al
hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze
nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over
hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke—dat ze er toe zouden
komen elkaar te haten.

God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden.
Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten
ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste
geluk, dat menschen kunnen genieten.



DE ZONSVERDUISTERING.


Het waren Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en
Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude
vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den
grooten heuvel, in een streek, die zóó woest en vol steenen was, dat
geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te
slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere
had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een
heuvel, die zóó steil was, dat het een heel werk was om boven te komen.
En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men
er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er
niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen
hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar
hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er
allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar,
dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel
steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een
schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe
slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen
hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg
uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend
tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een
overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor
hen in orde was gebracht.

Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want
al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun
kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen
kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine
kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen
gezelschap noemen.

Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat
ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat
ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid
toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn
van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze
daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens
menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en
over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren
spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om
die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.

't Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen.
Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de
heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden
ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en
suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje
in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk
was—dat was een aanleiding te vinden.

Want allen:—Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en
Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere
oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag
ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met
je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een
slechten naam kunnen krijgen.

En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een
koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan
hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap
genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis
gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den
heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een
heilige dag was.

Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De
meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote
gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of
dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen,
die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een
geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren
vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te
zetten.

Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en
eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze
wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets
tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat
iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.

Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is
uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar
familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was héél
oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en
ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker
hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed
koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een
koffiefeest voor een kat te geven.

Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar
almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar
bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het
koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten
en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door,
zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist
dat van daar de hulp moest komen.

Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het
1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op
den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om
twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren.

Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in
eens werd het helder licht in haar binnenste. „Nu weet ik wat ik doen
zal,” zei ze.

Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde.
Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden
lachen.

Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de
gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon
te overleggen of zij 't niet wagen zou.

Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar
ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen
winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen,
die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug
zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die
altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen.
Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het
altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er
zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was
alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden
zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als
een rondwandelend lijk.

Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag
in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar
vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke
overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.

't Was nog maar kort vóór den 17den April; maar er was nog tijd
genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de
zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en
Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmörkret koffie te drinken. Ze
dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder
andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had
aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar
daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was,
toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag
en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van
't laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,—toen alleen
voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en
toen ging het weer over.

Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan
den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit
zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar—toen zagen ze de oude
Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag
neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:

    Weer straalt het heldre zonnelicht!
      Wij danken U o Heer,
    Met kracht en moed en nieuwe hoop.
      Zie zeegnend op ons neer!

Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar
terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar
leven kleur en kracht wilden geven.

Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei—half
verontschuldigend: „Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en
daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik
vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't
donker weer te voorschijn kwam.”

Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en
begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed
voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was
hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te
leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.

Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en
vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht
hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.

       *       *       *       *       *

Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende
van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een
geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te
berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart
en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit
de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De
couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde,
hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de
verduistering op 't hoogste was gekomen.

Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was—ik heb niet
gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmörkret een feest gaf om
de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te
voorschijn kwam.



IETS OVER LANDVERHUIZING.


Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Högbro, en de
eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de
lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.

Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en
alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en
de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was
benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de
vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar
ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van
gedachten over een en ander te wisselen.

En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op
de quaestie van landverhuizing.

En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam,
zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.

En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld meênamen
dan iemand wist.

En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente
den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat
groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden
uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.

En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat
ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de
jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet
anders gaan.

En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen,
wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand
ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.

En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn
meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet
meêgesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak
zou zeggen.

Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had,
die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog
zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat
hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op
eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost
zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de
kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor
en de inspecteur van de nieuwe lijn.

Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen
werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren
immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen
tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven.
Want dat de landverhuizing het land schaadde—dat was toch zeker niet
tegen te spreken!

En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen
voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu
een ander land ten goede zou komen.

En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel,
wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende,
hoorde je nooit wat.

En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen,
als ze maar zoo verstandig waren niet die photographieën naar huis te
sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren
juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook
naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.

En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was,
dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan
hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en
onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.

Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er
een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen
glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op,
want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij
kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen
wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de
anderen over deze zaak.

En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten
stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar
verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een
paar honderd.

En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat
het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar
Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen
wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.

't Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun
vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je
nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't
oude land.

Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den
presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.

Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel
zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren
vertrokken.

Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er
wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.

Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen,
die om hem heen zaten, strak aan.

„Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,”
zei hij. „Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze
terugkwamen?”

En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen
over de borst.

Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Högbro
dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon
gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had,
die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou
hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem
had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken.
En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel
werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen
woord.

De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de
Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele
gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan
ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en
daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes
onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele
gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er
niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar
te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.

Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het
sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde
hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn
station aankwamen, op het perron zou staan en „Hoera!” roepen. Maar toen
dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij
eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele
jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was—hij zou haar toch niet graag
ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder
een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te
antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard
te zadelen.

Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en
luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat
hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste
zou kunnen bezorgen—dat zou heelemaal niet moeilijk zijn—kwam hem in
de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen,
er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo
diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle
huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar
de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.

En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend
in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond
op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een
paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn
dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat
de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had
gebracht.

De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed
oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer.
En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die
zendingen ophielden.

De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een
schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens
gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist
niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook
op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van
't toeristbureau, die daar hingen.

Nu zat er nog maar één van de kooplieden aan de tafel; maar hij had
aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon
overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht,
terug zou komen. Want die was zóó knap in zaken, en had een zóó
innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel
in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd
gekregen had naar Amerika te gaan.

De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij
merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de
tafel zat, wendde hij zich tot hem:

„Ja, wat zegt u er van, Söderberg?”

„Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is.”

„Ja, dat zou ik ook meenen,” zei de proost. „Ik wist wel, dat allen tot
die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te
denken.”



KALLE FRYKSTEDT.


Mijn oude tante, Nanna Lagerlöf, die met Tullius Hammargren, den proost
in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gösta Berlingsaga niet.

„Zoo was het leven in dien tijd niet,” zei ze tegen mij, kort nadat het
boek verschenen was. „Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist
geteekend.”

Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en
hun land zou brengen.

Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had,
dat van dien kant te hooren.

De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van
't vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen
enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen
kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.

Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over
te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen.
Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor
Gösta Berling genomen had.

Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was,
waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde
opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het
ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.

De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.

„Jawel, Kalle Frykstedt,” zei ze. „Ik dacht wel, dat je aan hem had
gedacht.”

Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan
vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.

Haar ouderlijk huis op Mårbacka lag juist een mijl van de pastorie van
Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.

Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder
dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest,
nadat ze getrouwd was.

„Was hij toen al door den drank gesloopt?” vroeg ik.

„Kalle Frykstedt!” riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag
mij zóó verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.

Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar
eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd
als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette,
haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij
hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige
menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en
dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof
ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid
kwamen.

Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten.
Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: „Wacht eens, nu zul je
hooren hoe Kalle Frykstedt was,” zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu
zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.

„'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was,” begon ze. En nu wist
ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker
verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar
op de jongensschool in Amål was aangesteld en zij zoo verbazend weinig
hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist,
die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die
pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat
ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.

Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten
had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in
Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters
ook predikanten moesten zijn.

„Moest hij dan naar Upsala terug?” vroeg ik.

„Neen, alleen maar naar Karlstad,” antwoordde mijn tante. „Toen kon je
dat examen in Karlstad doen.”

Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Amål en
verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't
predikantsexamen duurde.

En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.

„Neen, hoe durfde hij dat te wagen?” zei ik.

„Ja, het moest wel,” antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog
te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming
begonnen.

„Maar ik zou nu niet van ons vertellen,” ging ze voort, „maar van
Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde
in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als
huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem
overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn
brood te kunnen verdienen.”

„En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als
alle andere menschen,” zei ik.

„Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter.”

„O!” riep ik, héél verbaasd. „En ik dacht...”

„Je vroeg of hij door den drank gesloopt was,” zei mijn tante. „Maar
hij was zóó knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen,
toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken—dat deed hij. Hammargren
en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor
een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den
heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op
zijn beenen kunnen staan.”

Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van
Gösta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in
die richting te zeggen.

„Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?” vroeg ik.

„Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten
graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was,” voegde
zij er bij.

Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet
voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen
erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten
van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat
Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te
verzorgen krijgen.

Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door
zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te
geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den
kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het
feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou
drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen
gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.

't Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen
maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd
met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de
keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar
eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten
was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het
grootste gedeelte van Mårbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en
zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van
vrienden en bekenden moest leenen.

Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten
vragen.

't Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de
examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk
genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.

Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag
als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest
ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar
verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.

Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe,
maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die
diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets
plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem
gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie,
levendige geestdrift vervuld.

Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk geïnspireerd kon
zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone
toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien
middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden.
Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar
nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de
hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij
zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel
't genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.

Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop
Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en
begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze
verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken
welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.

Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks
aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet
veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan
tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij
den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest,
dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den
bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok
zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed
te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer
en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.

Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij
ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel
geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij,
viel om en trok het tafellaken meê met al het glaswerk.

Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den
tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te
verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een
massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en
verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken
goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen
geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen
mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle
uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden,
aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de
ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet
beter had verzorgd.

Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante
droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en
kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje
praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante
onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid
te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te
verontschuldigen.

„Ik weet 't niet recht meer...” zei hij en streek met de hand over het
voorhoofd. „Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet
onbehoorlijk gedragen?”

„Neen,” zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag
met haar bekoorlijken glimlach. „U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk
gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed—dat is
veel te weinig—die ons allen in verrukking bracht.”

Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel
gerustgesteld. „Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was...”

„U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren,” zei mijn tante op
stelligen toon.

Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar
stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem
leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich
verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.

„O! wat ben ik blij!” had de arme stakker uitgeroepen. „Wat ben ik
blij!”

Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote
aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol
geest geworden als den vorigen dag.

Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen
bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er
lag poëzie over haar heele wezen, de poëzie van de menschen uit den
ouden tijd.

Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les
kende, jubelde er in mij iets hoog op.

„Mannen en vrouwen uit het verleden,” dacht ik, „al ontkent ge het
zelf,—toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom.”



DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.


Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke,
gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een
burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve—aan
de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land
stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden
opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een
kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van
knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te
betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar
voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen,
bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet
anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den
inham te gaan.

Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van
de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is
waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar
reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als
zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van
Börtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.

Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens,
die zóó rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die
door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door
den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een
goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar
schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk,
dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.

Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er
iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel
onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met
acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden
genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog
niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed
gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar
nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Börtsholm te wezen,
dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren
had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den
burcht alles regelen en besturen.

Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij
was, reed zij op een dag naar Börtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn
eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan
zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken
bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan
zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen
te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn
jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat
er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in één woord,
waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht
beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood
te gemoet ging.

Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is
verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit
alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn
huishoudster op Börtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die
oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar
boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.

„Lieve Eskil,” ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was
van de uitwerking van wat zij zei. „Ik weet, dat er nu gelegenheid is
voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk
genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan
een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de
jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen.”

Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een
jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging
voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met
de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die
dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu
toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was
daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar
had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding
geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.

„Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn,” zeide Vrouw Rangela,
„dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van
ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal
niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op Örehus,
als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt.”

Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen
aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw
Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een
paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela
volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in
verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden
toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het
voorjaar haar intocht deed op Börtsholm, eenige maanden nadat zij haar
twintigsten verjaardag had gevierd.

Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest,
omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had
gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar
de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog
wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot
over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.

Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar
maanden op Börtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die
op weg waren naar de heilige Drieëenheidsbron bij Sätra in Westmannaland
verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren
uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen,
die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het
gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten
geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge
bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk
soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze
wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.

Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er
onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen
op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand zóó hard kon wezen, hun
tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knieën en
probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl
de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken
uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij
werkelijk leeg waren.

Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der
armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Börtsholm
kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar
toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit:
„Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan
land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien
tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot.”

De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te
spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met
blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het
niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het
tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein
kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en
vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar
hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met
licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er
was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna
bang was haar aan te raken.

Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en
toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij
ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol
geweest waren, ze haar boot zóó zouden hebben overbelast, dat die
gezonken zou zijn vóór ze weer aan wal was gekomen.

Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van
dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun
van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze
haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig
moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vóór ze nog
meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar
vroegere duisternis te doen terugkeeren.

Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos
opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Börtsholm. Daar
deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten
en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden.
Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan
gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis
goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de
bedienden èn de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een
machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte
en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed
bezorgde.

Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken,
maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met
Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het
hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een
paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters
en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de
vrouwelijke bewoners van Börtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek
kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon
krijgen.

Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Börtsholm was en in zijn
kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk
een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar
buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.

Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort
van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.

„'t Is om je arme kinderen, Eskil,” riep ze, „ze zijn in levensgevaar
op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg
naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit
mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te
waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat
't leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te
laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!”

Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen
waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis.
Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met
alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Börtsholm
leidde.

De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar
was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof
ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar
beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan
om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en
riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen
toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar
boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.

Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen,
was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar
gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal
niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat
wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een
stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich
met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna
den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Börtsholm lag.

Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze
in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela
bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze
hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle
kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken
zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.

't Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van
dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op
den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart
gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze
zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij
bleef onbeweeglijk en machteloos.

Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van
veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar
zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de
handen klappend.

Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf
naar Börtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en
kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam
stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat
zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen
te nemen en naar zijn burcht te dragen.

Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en
hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl
misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij
sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar
gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van
zijn kinderen te kijken.

Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet
haastig Börtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen.
Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van
haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in
ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en
kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge
positie te berooven.

Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want
het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan
de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op
haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde
het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed,
wat Heer Eskil wel moest afkeuren.

Dit jaar was de oogst op Börtsholm zóó overvloedig geweest, dat hij dien
van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de
jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De
bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De
koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras
en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen.
Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij
beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de
hoeve neerdaalde.

Maar terwijl men nu op Börtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die
goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte
menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken
of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder
veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar
zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was
rondgetrokken—brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren
zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand
staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven
hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en
zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen
verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de
verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over
wat ze hadden verloren.

Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle
levensmiddelen, die zich op Börtsholm opstapelden, haar een pijniging.
Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den
overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer
over de lippen kon krijgen.

Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren
voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote
lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vóór alles
dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse,
die zóó ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen
jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar
oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had
om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was
en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en
gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat
ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging
te doen om te helpen.

Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht
van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een
reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten
vóór Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man
komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij
Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig
feest.

Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien
herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst,
die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen
alle levensmiddelen, die op Börtsholm waren opgehoopt, naar het strand
te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen
geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.

Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich,
door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed
bemand schip, en terwijl ze op Börtsholm alleen een paar oude wachters
achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar
bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag,
onbegrensd aan alle zijden als een zee.

Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en
berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't
Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst
bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer
teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of
beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen
haan had gekraaid, geen koe had geloeid.

Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven,
die Heer Kolbjörn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn
gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en
huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die
in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden
verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs
of rust te gunnen. Daardoor was hij zóó verzwakt, dat hij den dood
nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware
wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam
aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog
verzwaarde, die arme Heer Kolbjörn, die geen kracht meer had de mis te
lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods
zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste
klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar
land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan
land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit
liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij
dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen:
gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken,
kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam
de hulp als door een wonder.

Niet ver van de kerk van Heer Kolbjörn op een landtong, die spits
in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude
boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de
eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve zóó lief, dat hij er niet toe
komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een
kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd,
maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de
puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen
te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag
en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met
inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te
jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het
niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den
heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd
ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw
Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog
verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige
heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten.
Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zóóveel eerbied gehad,
dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden
haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen
behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze één voor één
geslacht, tot er maar één overbleef. Maar die duif was heel tam, en de
vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden
verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif
wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen
daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het
strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de
duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze
kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig
hadden om den winter door te komen.

Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een
kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen
de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog
overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting
gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw
verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun
kind geboren. Maar daarna was de moeder zóó ziek geworden, dat ze niet
vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote
ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken
en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen
probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind
in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren,
wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid,
toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze
beiden weer aan land, maar 't kind was zóó geschrikt, dat het den heelen
nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep
de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.

Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't
Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te
voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer
te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het
voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog
zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't
minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog,
toen zij naar Börtsholm terugkeerde, den dag vóór St. Luciadag, vrij
laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond
dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den
heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over
eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.

„Maar nu krijgen we een drukken tijd,” ging ze voort, „morgen kunnen
we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals
andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en
slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil
terugkomt.”

Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers,
dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op
dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.

Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers
uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks
had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken
paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De
burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de
plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was
thuis gekomen met al zijn ruiters.

Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze
eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het
balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet
verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al
op weg naar haar kamer.

Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel
meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een
uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog,
dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en
dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met
bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze
wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen
gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op
Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden
angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.

„Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?” vroeg
hij hoonend. „Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik
en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten
gehad. Maar morgen,” voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn
toorn hem zóó, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, „verwachten
wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een
maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet
vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten
brengen.”

Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen
zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande,
bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen.
Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was,
die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door
hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.

Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in
't minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich
over haar heen en zei met een vreeselijke stem: „Bij het kruis van onzen
Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wèl, dat als deze maaltijd mij niet
voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!”

Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof
haar voor zich uit de slaapkamer in.

Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot
nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar
plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig
had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn,
omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij
probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en
hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar
niet aan het woord komen.

„Ga nu naar bed, Vrouw Lucia,” zei hij, „en pas op dat je niet vóór den
gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet
voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je
krachten voor noodig hebt.”

Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog
deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen
oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe
meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij
daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij
zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf
gezien had, dat zij zóó verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had
beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij
verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf
haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden,
langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit
zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou
veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone
dievegge.

Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,—en dat was werkelijk het
geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede
gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende
te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest
gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik
verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.

„Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig
man een maal voor te zetten?” dacht ze in haar wanhoop. „Ik kan even
goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt.”

't Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was
onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse.
„O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder,” bad zij, „het is
morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden
zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het
is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van
hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit
mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te
ontkomen.”

Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van
den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vóór zij het
verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor
het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden
stonden met geraas op in den stal.

„Nu wordt ook Heer Eskil wakker,” dacht zij. „Hij zal me dadelijk
bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik zóó
onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te
verkwikken.”

Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon
haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar
beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar
lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat
honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had
gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid
en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit
sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger
had geleden en liefde gegeven.

En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den
poorttoren van Börtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het
zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het
volgen kon, kwam recht op Börtsholm af, vloog voorbij den wachter, zóó
dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van
vuur,—dat meende de wachter ten minste,—bevond zich een jong meisje,
zóó, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de
hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.

Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven
slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de
slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad
tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een
gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen
gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone
bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele
kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de
lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan
iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid
uitstraalden.

In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een
zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de
kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal
en bood hem die aan.

Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op
zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als
hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem
geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten
droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele
Malvasier, de eer van Sicilië en de vorst van alle wijnsoorten, was
zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd,
voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde
de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in
toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.

De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te
onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al
de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende
krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het
zuiden.

Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid
genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van
streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.

Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen,
of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden
gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar
bedienden aan 't werk.

Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils
welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen
moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden
onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd,
rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.

De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe
kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden
gelegd.

En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen.
Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon,
dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij
zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de
ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen
was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met
groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over
zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en
onteerende straf op te leggen.

„Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,”
dacht hij. „Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij
mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar
naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf.”

Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar
de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en
wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel
voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.

Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in;
maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een
maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo
gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich
voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.

Maar toen zag zij op de tafel vóór zich de groote koperen kan, die de
heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met
geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming
van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl
ze hem vertelde hoe die naar Börtsholm was gekomen, waar hij met de
grootste verbazing naar luisterde.

Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal
toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend,
vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat
Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke,
Heer Kolbjörn, vertelde, barstte hij uit: „Heer Kolbjörn is een van
mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon
helpen.”

En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer
Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van
zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem
gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia
haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid
haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij
zoovelen van zijn vrienden had geholpen.

Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over
haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:

„Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb
gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te
geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef
het mij daarom.”

Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw
zóó vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer
had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe
hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had
gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn
hart zóó vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon
uitbrengen.

Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag
zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn
weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta
Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar
in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde,
die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die
zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche
aanmoediging.

„Nog wilde ik U één ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,” zei ze,
„en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in
verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde
kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen
dringen tusschen U en mij.”

Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in
hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde,
die hij voelde, overwon zijn schaamte.

Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een
van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen.
Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen
naar Börtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen.
Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang
haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht
ontmoetten, door één enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst
op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard
gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw
Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat
Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.

Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: „Het
schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw
antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela
afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken
mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig
werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende
loon heeft gekregen.”

Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was
zijn stem zóó zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in
zijn borst woonden.

„Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef,
evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat
het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in
mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst
treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede,
de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle
kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden,
dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der
ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid
heet.”

       *       *       *       *       *

Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis
regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de
heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche
rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog—ten minste voor de
oogen van kleine kinderen—een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in
't haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de
slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.

Nooit zag ik in dien tijd iets zóó heerlijks, als wanneer de deur
openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel
willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te
vertoonen.

Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende,
die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren
landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.



DE KANONNIER.


De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt
opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze
moet meedeelen, roept naar binnen:

„Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is
doodgeschoten!” Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat
verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet
blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is
zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd
heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt
daarheen terug te gaan.

De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil
te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich
zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze
heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade
zal worden gehouden.

Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar
alle toebereidselen laten zien.

„Kijk daar nu eens heen,” had hij gezegd. „Dat is de tribune voor den
president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast
zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier
vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige
menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een
billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar
ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken
hooren. Daar kun je mij ook zien,” had hij er schertsend bijgevoegd.

„Nu, waar zul jij dan staan?” had ze gevraagd.

„Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet?
't Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten
worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet
beginnen.”

„Arme mijnheer Carnot!” had ze toen gezegd. „Jelui hebt het kanon vlak
voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar
niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.”

„Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar
een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen
verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de
toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten
alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind
het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een
groote massa menschen staat.”

Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen
zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was.
Ze had dus thuis moeten blijven.

En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo
trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn?
Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is
immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze
voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar
over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te
loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching.
Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als
hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.

„Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere
proef had afgelegd,” placht hij te zeggen. „Neem nu mij maar. Ik ben
nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de
kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik
heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.”

„Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,” had ze geantwoord.

„Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit
zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester.
Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de
proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar
dreigt.”

Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam
te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich
bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet
voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.

't Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet
de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die
schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen
ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen
lokken.

Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze
weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.

Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't
Veld daarvoor is leeg—bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats
staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of
verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.

Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de
politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.

„Ga daarheen! Daar vindt je hem,” zegt hij en wijst naar het troepje
midden op het veld.

Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen
ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille,
zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen
heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op
en gaat haar tegemoet.

„Wacht even,” zegt hij. „Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst
vertellen wat er gebeurd is.”

Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door
te kunnen loopen.

„Wacht!” zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. „U moet hem nog
niet zien. U moet eerst weten...”

„Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft
gegooid.”

„Neen,” zegt de officier. „U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.”

Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze
begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog.
Misschien is hij alleen maar gewond.

„Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?” zegt de officier. „U weet, dat uw man
dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het
kanon is gebouwd?”

„Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,” snikt de vrouw. „Mijn man liet me
zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde
zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't
geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.”

„Welnu,” zegt de officier. „Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij
had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen
verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de
armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon,
alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen,
dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af
en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.”

Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier
houdt haar terug.

„Wacht nog even,” zei hij. „U moet weten wat we zagen toen we daarheen
snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was
doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier
getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?”

„Ja,” antwoordde zij.

„Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en
had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in
het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht,
voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen
heeft hij in een oogenblik voor zich gezien—want voor denken had hij
geen tijd—wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune
vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even
veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk
medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn
eigen lichaam te ontvangen.”

„O mijn God!” barst de vrouw uit en vouwt de handen.

Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.

„Mevrouw,” zegt hij. „Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien.
Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in
de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te
verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om
al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij
allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te
handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het
om 't leven gaat—dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel
in zich omdragen.”



DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.


Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren
menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren
Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook
onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke
groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar
Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de
ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine
belgische schilderes en een italiaansche diacones.

Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over
Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een
geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste
wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel
hem snel in de rede.

„Neen, Mijnheer de Consul,” zei ze, „U hebt ons nog niet gezegd wat het
voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.”

„Ach!” zei de oude heer, wat spotachtig, „het voornaamste verschil! Hebt
U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?”

„Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping
hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan
boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het
oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons
afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische
rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een
luchttorpedo uitvinden.”

„Nu, en wij dan,” zei de consul en wierp snel een blik op zijn
reisgenooten, „wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een
innerlijke roeping volgen.”

„Pardon, Mijnheer!” zei de Belgische, „U blijft in den stand, waarin U
is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U
laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons
er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.”

„Nu ja,” zei de andere Franschman bemiddelend, „daar kunt u gelijk aan
hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen
vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.”

Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de
bewering van de schilderes te ontzenuwen. „Zuster Agnes!” riep hij en
wendde zich tot de diacones, „U hebt veel fransche zusters in uw orde.
Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?”

„Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,” antwoordde de
diacones. „Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn.
Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van
den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De
meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen
wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.”

„Maar u zelf, Mevrouw?” Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de
Belgische. „U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...”

Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman
in: „Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen.
Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen
volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe,
dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en
die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.”

„Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn.
Roeping kan niet falen.”

„Ach Mijnheer,” barstte de Belgische uit. „Innerlijke roeping! Is er
iets wat meer bedriegelijk is?”

„Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij,
Franschen die missen,” zei een van de Fransche dames.

„Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U
weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.”

Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een
vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken
over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de
wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet
overeen stemden.

„Ik ken een groot schrijver,” zei een van de dames, „die meent, dat
zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij
verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij
helaas! die niet heeft kunnen volgen.”

De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder
uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een
veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.

„Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?” vroeg hij.

„Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw
landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,” zei de
diacones. „Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij
was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde
opgenomen, lang vóór mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster
Olive was een Fransche, maar ze leek zóó weinig op alle Franschen,
die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een
Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, òf een mooie en
gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen,
òf klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive
daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en
vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd
ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een
grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive
Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen
paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa
had omgegaan.

Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vóór ze diacones was, en
bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen
kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een
grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene
maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen,
maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon
wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek
had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel
geld en ze trad op in het Theatre Français.

Toen ik Zuster Olive zag, had ik—zooals ik al zei—moeite om te
gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster
Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over
zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk
of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive
zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag,
dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich
had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was
waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die
eenvoudige typen zóó trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en
met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het
Theatre Français te krijgen.

Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was
indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar
positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij
nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar
eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen
intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke
kameraad, waar allen van hielden.

Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had
gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had
begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar
't ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als
waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele
leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.

't Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat
haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang
in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer
bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te
houden en in de lucht te blijven zweven.

Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een
boerendochter uit Normandië. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd
onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze
nooit een stad of een theater gezien.

Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt
in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en
dochter mee naar het theater nam.

Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was
Hernani,—Hernani van den grooten Victor Hugo.

Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een
andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam
haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze
trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al
beleefd had.

Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive
Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een
boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze
zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone
Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani,
en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk,
voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen
werd.

Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar één
gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje
gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna
Sol spelen.

't Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te
maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar
vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen
man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat
zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt,
zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.

Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken,
kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het
tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was
geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over
den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te
houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone
opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat
ze gauw zou mogen optreden. „Och, u moest toch een geschikte rol voor
die arme Olive zoeken,” zeiden ze tegen den directeur.

Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt
had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als
de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove
stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.

Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos
werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde,
had ze nooit geschreid.

Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze
nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht
vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als
molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als
schoenmakersjongen begonnen.

Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon.
Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk
gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar
gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude,
geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.

Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor
haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat
vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.

En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't
verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd
optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in
verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met
vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.

Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing
bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De
directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen
contract vóór de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te
laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar
ze altijd succes mee had, maar Hernani—Hernani, verklaarde hij, was
verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire
te zetten.

De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor
haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar
de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en
ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of
inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze
zóóveel naam, dat de directeur van het Theatre français kwam om haar
spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar
intrede deed in het huis van Molière.

Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de
voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste
tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die
eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden
gebracht.

Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle
groote actrices, die deze rol op het Theatre français hadden gespeeld,
dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de
tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.

„Nu of nooit,” zei ze tegen zich zelf. „Je weet, dat je Donna Sol kunt
spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je
hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet
van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet
tot in het Theater français hoeven opwerken.”

Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en
hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich
drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.

Toen ze volle tien jaar aan het Theater français was aangesteld, kwam ze
op een dag weer op haar klachten terug:

„Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,” zei ze. „Nu moet u mij
Donna Sol geven, Mijnheer.”

Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het
Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.

„We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,” zeiden ze. „Natuurlijk
wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.”

De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk
vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't
Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar
taak was.

„Ik moet het doen,” dacht ze, „maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als
het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.”

En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde,
vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.

„Ach!” zei ze, „ze hebben mij te oud laten worden.” Maar eigenlijk lag
de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw
leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden
wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere
manier haar handen moest leeren bewegen.

„'t Is immers onzinnig,” zei ze meer dan eens. „Nooit heeft iemand op
die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor
een mensch.”

Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over
haar rol; en dan dacht ze: „Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk
op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit
deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er
toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't
beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.” Maar toch was Zuster
Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door
den directeur en de andere artisten.

„Mademoiselle Miteau,” zei de directeur op een dag, heel vriendelijk.
„Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het
werkelijk?”

„Ik weet niet of ik het wil,” antwoordde zij, „maar ik weet, dat ik
moet!”

Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de
eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche
Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.

Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te
verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken
en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar
levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde
nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met
olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als
adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig
uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen
zij de Spaansche schoone moest voorstellen.

„Maar het moet me gelukken,” dacht ze. „Al van mijn zeventiende jaar af
heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die
rol te spelen.”

't Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar
dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater
vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen
door die levenslange liefde.

„Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?” vroeg men. „Ze is te
oud. Dat wordt akelig.”

Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van
haar leven scheen te wezen.

Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek.
Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te
spreken!—Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen
was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men
probeerde haar te vergeten.

Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling
doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren
heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig
verkeerd deed, dat ze in zóó hooge mate haar roeping had misverstaan.

„Ze kan in ieder geval tevreden zijn,” zei men. „Ze heeft op die manier
een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die
vreeselijke rol op te treden.”

Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar
rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze zóó
onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna
lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben
en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.

„Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?” dacht ze, toen ze zwaar en
ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en
zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi,
dat èn de kritiek èn het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't
zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster
Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden.
Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze
aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. „Was het zóó erg?”
dacht ze. „Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft
spreken?”

Dien morgen bracht de directeur van het Theater Français Zuster Olive
een bezoek.

Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij
verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.

„U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet.
U speelde—om zoo te zeggen—met een strik om den hals en geboeide
handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag
moet u uitrusten; maar morgen,—wilt u 't morgen weer probeeren?”

Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men
het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het
nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had
niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het
ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.

Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.

De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over
iets anders te spreken.

Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: „We zien
elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?”

Bij die woorden schrikte Zuster Olive zóó, dat zij bijna wankelde.
Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en
onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar
duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen
kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de
directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het.
Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was
ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.

Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen
tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar
ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.

En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld
had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd,
zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te
praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone
Spaansche.

Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een
practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar
ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk
werd die haar te machtig.

„Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,” zei ze tegen haar directeur. „Er
blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.”

Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en
opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons.
Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en
ik vroeg haar meer dan eens: „Verlangt u niet naar de wereld terug,
Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw
sierlijk huis?”

Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke
vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan
lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar
ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar
heldere oogen.

„Waar zou ik naar verlangen?” zei ze. „'t Was immers onmogelijk langer
door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar
ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.””

Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.

„Wil ik u eens wat zeggen?” zei de consul. „Ik heb haar zien spelen. Ik
was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een
geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?”

„We kunnen er maar één ding van zeggen,” barstte de Belgische schilderes
uit. „De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.”

„Men moet haar zeker wantrouwen,” zei een van de Fransche dames.

„Wantrouwen! wantrouwen!” riep de consul uit. „Dan moeten we ook de
liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets!
En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden?
Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?”

„Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.”

„Ja, vast en zeker!” zei de Consul. „En al kan dat goddelijke ook
gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!”



TWEEDE DEEL.



DE PRINSES VAN BABYLONIË.


't Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de
huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook,
zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn
rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik
Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken,
terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken,
dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat
dien winter vier jaar was.

Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet
bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan één ding
hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje
zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist
zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf
kreeg,—dat wist Katharina wel—zou ze nooit een verstandig mensch
worden.

Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind
hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want
nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd,
in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te
bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den
toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid
had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.

„Ja, en ze kwamen aandragen met klei,” zei Jan, „en ze bakten steenen,
en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken
dag hooger.

Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren
bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den
hemel te komen en te zien hoe het daar is.

„Luister nu eens, menschen,” zei Onze Lieve Heer, „nu zeg ik jelui voor
't laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij
ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten
komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af
komt, en er nooit iets tegen kunt doen.”

Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou
zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.

Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe
hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het
uit met dat pleizier.

Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: „Breng wat klei,” dan zeiden ze
in plaats daarvan: „Kolvippen, kolvappen.” En als de leerjongens wilden
vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: „Erbe, derbe, mirbe, marbe?” En
dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.

De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden,
maar als ze wilden zeggen: „Praat toch behoorlijk,” dan zeiden ze in
plaats daarvan: „Ullen, dullen, dorf.” En als de leerjongens wilden
vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan:
„Abekadabra?”

Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de
haren vlogen en begonnen te vechten.

Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en
niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen,
zijn eigen kant uit.”

Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde
naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw
en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort.
Hij sprak alleen wat zachter.

„Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een
koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje
begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch
een van de anderen er een woord van konden begrijpen.

Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't
paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote,
wijde wereld in.

Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers
niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn
voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze
haar in 't oog kregen.

Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.

Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe,
zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze
wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde,
en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.

Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een
landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar
binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen
hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan.
Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven,
kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch
was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist
door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: „Goeien avond.”

Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te
warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze
ook: „Goeienavond.”

Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze
zóó, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun
niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.

„Hoe heet deze hut?” vroeg ze, om hen op de proef te stellen.

„Die heet Skrolycka,” antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat
ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze
vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.

„Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?” vroeg ze.

„Die heet de Wermelandsche taal,” zeiden de menschen in de hut.

Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven
mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen
konden verstaan wat ze zei.

Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje
uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze
zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De
Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze,
zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.

Maar 't prinsesje wou niet toegeven. „Nee,” zei ze, „nu merk ik wel, dat
ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde
brengen en nuttig zijn,” zei ze.”

De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en
geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan
zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't
hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit
te voren gezien had.

„Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,” zei ze eindelijk.
„Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben
gekomen.”

Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was
geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.

„Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt
dat ze heel wat deftigs en groots is,” zei ze.



STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.


I.

't Schreien van Rachel.

                                                      Augustus 1914.

In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn
huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk
geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart
en razernij en tegelijk zóó vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst
verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan
kwam.

Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat
vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal
gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de
heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet
in staat zulke kreten uit te stooten, zóó geweldig en ruw, dat het een
weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.

't Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil—of wat
men het ook noemen mocht—van een mensch kon komen, die gekwetst was.
Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden.
De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen
wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen
ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.

De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag,
heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de
bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en
bronnen en dreigde het heele dal vóór ons tot een bruin verbrande
woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist
gehoord had, was mij zóó onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam,
dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet
van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.

Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden
we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken
waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren—pijnigend
als een martelwerktuig.

Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij
waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten.
Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had
gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de
verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.

Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst,
naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in
welgevormde heuvels.

Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog
boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een
heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel
een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de
plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in
mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene
loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, héél ver van
Wermeland en Zweden.

Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de
vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot
klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden
landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote
stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op
een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik
herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de
rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de
omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen
ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank
zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het
hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met
een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van
den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen
voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele
heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen
gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een
stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen
voorbij komen.

De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en
hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar
een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid
van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit
over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob,
ook wel Israël genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort
nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen
zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een
zwerftocht door de woestijn.

Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had
een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan
niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vóór haar zoon
Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vóór nog een
koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee
was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar
graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.

De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen
toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen
was gehoord, telkens als een ongeluk Israël zou treffen. Hier had de
stammoeder der Judaeën haar jammerkreet doen hooren in den nacht vóór
den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord
worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den
avond, vóór dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom
tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters.
En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de
Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden
Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange
tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den
slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk
bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig
door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid
door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend
wezen uiten kan.

Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is,
dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle
menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar
kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en
niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand
aan haar rustplaats te slaan.

Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt.
Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is
't geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een
langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.

't Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons
trommelvlies. Er is niets menschelijks in—en ook niets dierlijks. Het
hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten,
zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo
heeft Eva gejammerd, toen Kaïn Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over
Israël geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle
tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan
geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den
wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.

Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een
Bedouïnenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor
een zieken zoon.

Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat
wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen
tegen elkaar, dat die Bedouïnenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet
hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen
in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het
meegevoel van de sluimerende doode te wekken.

We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche
vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit
zullen hooren.

We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag,
den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak
bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen
't gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord,
hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.

Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze
zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar
eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake
van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij
meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog
was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan
schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat
ze zoo had _moeten_ schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den
oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.

Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in
haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het
geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men
het in deze streken hoorde, zóó lang, dat niemand had kunnen zeggen, van
welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld,
was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en
nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.

Misschien zullen wij het nu zóó dikwijls hooren, dat allen het zullen
herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders,
die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien
ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.


II.

De verlaten Kerk.

Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het
groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer
merkwaardige dingen waren.

Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, zóó zeldzaam,
dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand
precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van
overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen
aan den rand van een donkeren vijver—zooveel wist men er van. En als
maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van
haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien,
dan zouden ze haar liever hebben dan leliën en rozen.

Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was
een geneeskrachtige bron.

Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel
van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg
daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de
lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't
Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of
naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren
zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand
zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van
Bethesda.

De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude
verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest
woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.

Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen
en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen
doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat
hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.

In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was
arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een
grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen
man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het
dak te reiken.

Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar
dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en
houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok
was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar
de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had
nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar
binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren
gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten,
daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met
groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen,
zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok
was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.

Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht
mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De
adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd
van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er
nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven.
Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar
nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen
hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat
ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden
gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen
daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.

't Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en
getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen
hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar
waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen
huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en
al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de
sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed
over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.

Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke
jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige
dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er
gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met
angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van
den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er
nooit iets gevonden.

Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en
vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in
't bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd,
van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren
onwaarheid te spreken.

En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs
gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht
de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik
het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.

Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor
dat oude huis geweest, waar eens zóóveel angstige gebeden en klagend
gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker,
dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat
niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt
stond onder te gaan, op de knieën heeft gelegen en te vergeefs om hulp
geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken,
had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of
genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat
getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele
dorpen en streken.

„Verlaten kerk,” zou ik willen zeggen, „de tijd van verwoesting is weer
gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken.
Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De
zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den
grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden.
Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens
de uwe.

Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan
gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is
geen spel of scherts meer.

Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder
gezang.

Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden
van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij
weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en
verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude
kerk in de wildernis.”


III.

De Mist.

Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog,
breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de
wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame
woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin
en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet
doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn
gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij
op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.

Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem zóó
vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets
drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien,
en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij
zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.

Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik
scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen.
Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller
dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't
eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te
bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen.
Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde
spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren
gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de
schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen
van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende
schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.

Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met
nieuwe belangstelling rond. Vóór zich had hij een oude appelboom, met
takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat
hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem,
telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn
humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik
in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de
takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij
toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware
lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden
kunnen dragen.

Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het,
die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan
kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.

„Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,” dacht hij, „is het ten
allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.”

Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een
paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien
het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de
mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam
snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde
hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een
sterke, zware stem riep ergens in den mist:

„O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God,
wees genadig voor de oorlogvoerenden!”

Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist
tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.

„Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja,
wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't
Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!”

De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had
geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je
nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders
wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer
naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid
kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: „'t Bloed vloeit als
water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als
riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!”

't Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de
streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te
roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar
ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den
mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon
hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den
wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.

„Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!” herhaalde de
krankzinnige. „'t Bloed vloeit in de greppels als water!”

Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte
hij en zette zijn wandeling voort.

Voorwaar, deze tijd was zóó, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op
velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.

Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele
menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde.
Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was,
waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar
dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen
veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te
denken, dat er—omdat het wezens met verstand waren, die door den
waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een
maatregel te vinden moest zijn—die de razernij tot staan kon brengen.
Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te
peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.

„Wat kan ik doen?” vroeg hij zich af. „Mijn woorden zouden niet meer
beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...”

Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet
stil kon blijven zitten.

Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin
gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een
lachend en innemend beeld vóór zich.

Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't
woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met
haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't
Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had
een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het
omliggende landschap scheidde.

Toen de hoeve zich daar zoo geheel geïsoleerd vertoonde, merkte hij
eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene
en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de
golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die
den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie
geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets
kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.

Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis
aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit.
Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.

Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij
alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille
leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de
wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Zóó dicht, zóó
ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het
bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.

De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in
dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den
ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets
van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve
naar de buitenwereld kunnen komen.

De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame
afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden
met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude
en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou
toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude
hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het
bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken
worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril
werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun
eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan.
De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich
zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de
wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.

Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de
ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen
uit en sprak tot den mist.

„Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen!
Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte
muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat
ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij
en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden
door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu
en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief
onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme
waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we
zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.

Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten
en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die
niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met
verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te
genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en
bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren
van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen
in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van
nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn
als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te
zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet
het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden.”

Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee
verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een
slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van
't gebed van de zwerfster: „Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere
God!” Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing,
maar hij liet zich niet terughouden.

„Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist,” barstte hij uit, „en nieuwe
schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt.
Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan
verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen
om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb.”

Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende
iets te hooren dat leek op: „U geschiede naar uw wensch!”

Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde
oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist
in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam
zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist
in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar
het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de
natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen
toe te geven.

Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog,
hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet zóó kwelden als vroeger.
Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen
hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst
bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.

De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich
als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht
en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en
voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed,
die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den
dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde.
Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij
was zóó dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om
zich niet met een hopeloos streven te overspannen.

Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om
een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun
spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen
in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten
wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid
hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch
hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere
sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht
hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en
voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw,
die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan.
En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: „In uw tijd liet
Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge
u voor 't stormweer zoudt verbergen?”

Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: „'t Was
bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat
ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik
vreesde meer te schaden dan goed te doen.”

Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: „Ik weet dat Ik u geen verstand
genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht
genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen.”

Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon
stond. „Die vrouw heeft gesproken—en gesproken zonder ophouden,” zou
hij zeggen, „en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de
harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten.”

Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. „Maar mijn
armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid.”

Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn
wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot
die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche
stilte en alles omsluierende nevel is.


IV.

De jonge Zeeman.

't Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden
tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is
een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is
open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om
heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die
zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt
voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en
voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk
aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet,
glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste
aanbiedt wat haar huis kan opleveren.

Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen.
Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor
ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.

't Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte
kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een
welgestelden zeeman. De beide ouden zijn zóó onder den indruk van 't
feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat
ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man
voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.

„Moeder en Tante!” roept hij uit, „wat is 't prettig, dat we zulk mooi
weer hebben op dezen tocht.”

„Ja, dat is heel prettig,” antwoorden de twee ouden uit één mond, en dan
daalt de stilte weer op hen neer.

Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge
zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de
zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er
heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een
genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.

De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn
buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar
zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een
zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man
en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is
niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar
vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.

„Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op
dezen tocht!” roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.

Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude
vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke
echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar
eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze
't niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te
vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze
voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en
naar 't gezang luisteren.

Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld één keer mee heeft
willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het
groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in
zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze
vreedzame plaats trokken.

Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze
er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar
haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit
gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.

Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt.
De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als
ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan
aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem
gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten.
Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de
kopjes doet—alles overvloedig.

Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij
durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten
doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie
gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt
hij zóóveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat
hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht.
Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu
haar onthaalt, dàt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit
de nauwe straat te lokken.

Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen
keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de
loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij
eens aannemen.

Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten,
denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk
een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om
zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman
is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't
zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze
weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij
schenkt ieder weer een volle kop in.

„Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een
lange reis!”

Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit
kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.

Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij
zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan
tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.

„Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer
drinken wilt!”

Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden
vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.

Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij
en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken
rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier
hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.

„Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben
gehad,” zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de
zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer
van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er
niet verder over door.

De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze
werkelijk tot een gesprek uitlokken.

„Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen,” zegt hij.

De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar
oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er
niet toe. „Ja, en wat vliegen ze mooi!” zegt ze.

Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige
een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt
ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het
hier zoo genoeglijk.

En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het
gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is
volkomen met zijn lot tevreden.

Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen.
Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een
heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen
heerschte.

Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en
wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan
verder.

Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne
gelaatskleur en groote, smeekende oogen.

„Dag Kristenssen,” zegt ze en komt aarzelend dichterbij.

De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de
handen niet uit den zak.

„Dag Anna.”

„Je was van morgen niet bij 't zeilen.”

„Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't
begraven van den duitschen matroos.”

„Maar van avond kom je toch zeker mee dansen.”

Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.

„Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je
weet wel, dat ik morgen weg moet.”

„Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen.”

„Dag Anna.”

Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer
zachtjes te fluiten.

De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht
gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over
hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever
bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.

Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze
moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor
't feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder
uit: „Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!”

De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij
blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier
aldoor zou willen blijven.

Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge
zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde
steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en
steunt haar.

Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij
zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.

En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt,
maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.

„Hij is bang,” denk ik. „Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken
schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist
als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn
moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?”

Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben
gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel
geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den
man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de
kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee
aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten,
hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door
zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft
verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige
haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de
zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen
verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder
voorbehoud geschonken wordt.


V.

De Ster.

_(Brief van een Zweedsch arbeider)._

                                                  ... 20 April 1917.

Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar
beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte
gezien. Die valt—en valt en komt elken dag nader!

Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben
ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten
met de Openbaring voor me, om er profetieën uit te zoeken. Ik houd me
alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die
spreken in waanzin.

Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en
pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een
Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche
gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en
rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden,
en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik
heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan
verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.

Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef
niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in
een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld,
en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden.
Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb
ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van
groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat
alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte
en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.

Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't
heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er
toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want
ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten
zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me
duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde
moest komen.

Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar
een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op
wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden,
zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je
denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen,
en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare
machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid
is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die
geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en
houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij
maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang
en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen
ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag
menschen tusschen de machines raken.

Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo
kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en
een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de
oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe
arbeiders wou probeeren.

Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig
geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken
wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen.
Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk
moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den
rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de
revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht
verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk,
dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was
of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog
iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste
had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.

Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe
celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten
luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te
vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige
gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te
worden. „Jelui moet niet zoo angstig wezen,” zeg ik tot hen. „'t Kwam
alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo
moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat
we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal
vernietigen,” maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was
of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende
niet vol was.

En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen
ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen,
overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster
naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in
den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging,
links en rechts.

Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was
die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.

„Sta op,” zei de stem. „Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op
aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote
hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in
Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal
niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan
de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de
bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.

Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het
uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn
zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.

Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden
en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal
uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der
aarde zullen gespaard blijven.”

En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan
elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan
had, sprak zij opnieuw.

„Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult
dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de
autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken
vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered
worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is.
Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen
over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om
een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten,
zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten.”

Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.

Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot
mij zelf: „Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou
spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de
geheele wereld?”

Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan
de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de
sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren
en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?

Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen
boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de
Openbaring voor me, om er de profetieën uit te zoeken; maar sinds dien
nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn
lichaam.

Er is geen tijd voor twijfel.

Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de
heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik
nadert...


VI.

De Brandstapel.

_(Brief van een Deensch krijgsgevangene)._

Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik
niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke
gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te
zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.

Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb
juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en
wat men „dichtervrede” noemt—daar geniet ik niet veel van. Ik zit in
een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberië, en ik heb
negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.

Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles
doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen
liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze
niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't
verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik
me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.

Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil
me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde
werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben
over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.

Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de
gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig
van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze
ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten,
die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen
onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberië gezonden.

Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen
bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer
opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog
betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn
hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde,
toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen
verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.

Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag
ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet
ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?

Er kan maar één bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht,
opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen
gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten
zal en nooit tot een vergelijk zal komen.

Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm
te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden,
die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak
uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die
niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen
worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een
beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter
aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt
zich om om te zien wat daar valt.

Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in
een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet
schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie
jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn zóó versleten, dat
ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het
venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp
komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord,
dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem
smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven
in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberië.

Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische
gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn
velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben
nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.

Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de
wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en
boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven
en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit
vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden
zooals vonken hooibergen aansteken.

Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van
het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En
als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den
oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt
en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun
huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle
oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en
met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En
dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.

Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige
heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed:
hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste
ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook
de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn
proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden
verteerd.

En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten
vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn
schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en
kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.

Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot
vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeeërs, de
vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde
voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het
menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog
bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar
verdrukker!

Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn
woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.

       *       *       *       *       *

Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den
vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen.
Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.

Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet
sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven
wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten
vrede-brandstapel.

Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen,
en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het
ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn
gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze
hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik
zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.

Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn
gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet
goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberië
is gestorven.

Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de
menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt
voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te
steken?

Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberië. Er is
typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.

Mijn arme verzen, zullen zij leven?—Zullen zij leven, als ik uit dit
leven zal zijn heengegaan?


VII.

Gustav Fröding.

_(Proloog op het feest ter eere van den dichter Fröding in 't Koninklijk
Theater in Stockholm)._

                                                      8 Febr. 1921.

    Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan,
    Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden
    In het land van den Klarelf,
    Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodieën
    En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel;
    Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig
    En hun macht was als die van den liefdedronk,
    Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht.

    Zeg mij, Wermelands dochters!
    Gij, die dwaalt over de bergen,
    Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,
    Waarom is zijn harp verstomd?
    Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek
    In de maneschijnsnachten?
    Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen:
    „O, waar zijt gij?”

    Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide,
    Als de dans van de dochter van een grooten koning,
    Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter,
    Als het ruischen van een beek onder de sneeuw,
    Als zonneschijn na stormvlagen,
    Als dauw in de droogte van den zomer.
    't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden.

    Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen,
    Als de avond daalde en de schaduwen lang werden;
    Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten,
    Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans;
    Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid.
    Op de teenen sloop ik over de zandvlakten,
    Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist,
    Waar de schuimvlokken rondvliegen
    En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen.

    Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters,
    Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels,
    Hij was de speelman, die in den stroom speelt,
    Hij was de stroomgeest met gouden harp,
    Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond,
    Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen.

    En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde.
    Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle;
    Hij speelde alles wat hij gehoord had;
    Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier,
    Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de
                                                            zaligheid.
    En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen;
    Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop
    En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen,
    Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen,
    Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul,
    Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo,
    Maar zijn harp was als die van Daniël;
    Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van
                                                                smart.

    Vele dagen zijn voorbijgegaan,
    Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend,
                                                     bij den waterval.
    Waarom zijn die tonen verstomd,
    Die een lichtglans wierpen over de ziel,
    Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld?

    Zeg mij, Wermelands dochters!
    Gij, die de kudde hoedt op de bergen,
    Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,
    Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde?
    Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag,
    Die niemand kon doorbreken,
    Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd?
    Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf.
    Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar,
    Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering
    En door velen geëerd en benijd wordt.
    Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen
    En zich met ringen en kettingen getooid.
    De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en
                                                       edelgesteenten.
    O, gij Wermelands dochters!
    Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde?

    Onze vriend was als een heel schuwe vogel;
    Hij was teer als de bloem van den meidoorn
    En licht te breken als de wilg aan den oever.
    Gij, Wermelands dochters!
    Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde,
                                                      als hij speelde?

    Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde.
    Met groote kunst greep hij in de snaren
    En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water,
    De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels.
    Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was,
    Zooals die komen kan over de watergeesten,
    En zijn spel werd woest en grillig.

    Zeg mij, gij Wermelands dochters!
    Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt?
    Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen?
    Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen?
    Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters,
    Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde?

    Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren
    Klonk in onze ooren een wreede menschenstem:
    „Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning?
    Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt?
    Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis
                                                              brengt?”

    Toen zweeg de gouden harp,
    Toen zonk de speelman neer in den waterval,
    Toen ging een rilling door het sparrenwoud,
    Toen bruiste de waterval toornig en woest,
    Als wilde hij een vijand aanvallen.

    Zeg mij, gij Wermelands dochters!
    Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was?
    Hij was teer als de bloem van den meidoorn
    En licht te breken als de wilgetak.
    Hij was een heel schuwe vogel.
    Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was,
    Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar
                                                            zaligheid?

    Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren?
    Ge wacht te vergeefs aan den oever.
    Ach! Wermelands dochters!
    Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen,
    Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen,
    Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd,
    Met handen als vlammen snel zich bewegend,
    Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen.

    Als ge hem nu nog weerziet
    Ligt hij stil op de golven,
    Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos,
    Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van
                                                            de bergen,
    Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren,
    De vreeselijke oogen van den watergeest,
    Die van geen hoop of verlangen weten,
    Die enkel vragen en smeeken om vernietiging.

    Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan,
    Sinds we de harp van onzen vriend hoorden
    In het land van de Klarelf,
    Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodieën
    En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel,
    Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters!
    Gij, die de kudden weidt op de bergen
    Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg.
    Houdt de herinnering aan onzen vriend levend;
    Want onze vriend was meer dan alle anderen,
    Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels
    En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk
    En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.



              VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
                             SELMA LAGERLÖF
                VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:

=GÖSTA BERLING=, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 3.90 EN EEN
PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG
PAULI, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.50.

=DE BANNELING=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 5.50.

=JERUZALEM=, 3E DRUK, IN PRACHTBAND ƒ 5.90.

=HERINNERINGEN=, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 4.50.

=MACHTEN EN MENSCHEN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.

=DE KEIZER VAN PORTUGAL=, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN ƒ 4.50.

=CHRISTUSLEGENDEN=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.

=NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB.
ƒ 5.90.

=DE VOERMAN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.

=HET HUIS VAN LILJECRONA=, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.

=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND
ƒ 4.90.

=ONZICHTBARE KETENEN=, IN PRACHTB. ƒ 4.90.

=LEVENSGEHEIMEN=, IN PRACHTBAND ƒ 3.90.

=OUD EN NIEUW=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.

=INGRID=, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.90.

=ELSA=, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50.

=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND
ƒ 2.50.

=VONKEN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.



  +--------------------------------------------------------+
  |                                                        |
  |              OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:              |
  |                                                        |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:  |
  |                                                        |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                           |
  |                                                        |
  |  B:                                                    |
  |  C: EERSTE DEEL.                                       |
  |  B: van Zuster Oliva        95                         |
  |  C: van Zuster Olive        95                         |
  |  B: de bleek had gelegen 't Was                        |
  |  C: de bleek had gelegen. 't Was                       |
  |  B: ze allemaal: Stine en Line, en                     |
  |  C: ze allemaal: Stina en Lina, en                     |
  |  B: als je oud werdt, kwam                             |
  |  C: als je oud werd, kwam                              |
  |  B: brood te kunnen verdienen.                         |
  |  C: brood te kunnen verdienen.”                        |
  |  B: zijn beenen kunnen staan.                          |
  |  C: zijn beenen kunnen staan.”                         |
  |  B: toe ge-geroeid, en 't was                          |
  |  C: toe geroeid, en 't was                             |
  |  B: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVA.                     |
  |  C: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.                     |
  |  B: had, daar had ik geen lust in.”                    |
  |  C: had, daar had ik geen lust in.””                   |
  |  B: zijn eigen kant uit.                               |
  |  C: zijn eigen kant uit.”                              |
  |  B: brengen en nuttig zijn,” zei ze.                   |
  |  C: brengen en nuttig zijn,” zei ze.”                  |
  |  B: kerk in de wildernis.                              |
  |  C: kerk in de wildernis.”                             |
  |  B: hij zeggen. „en wat heeft het                      |
  |  C: hij zeggen, „en wat heeft het                      |
  |  B: in Zijn barmhartigheid: „Gij zult                  |
  |  C: in Zijn barmhartigheid: Gij zult                   |
  |  B: het vervloekte land: Siberie.                      |
  |  C: het vervloekte land: Siberië.                      |
  |  B: Waar Wermeland's zonen en dochters                 |
  |  C: Waar Wermelands zonen en dochters                  |
  |  B: mij, Wermeland's dochters!                         |
  |  C: mij, Wermelands dochters!                          |
  |                                                        |
  +--------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Vonken" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home