Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Italië in de Middeleeuwen - Gedurdende duizend jaar (305-1313)
Author: Cotterill, H. B.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Italië in de Middeleeuwen - Gedurdende duizend jaar (305-1313)" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                       ITALIË IN DE MIDDELEEUWEN

                   Gedurende duizend jaar (305-1313)

    Een kort historisch overzicht met hoofdstukken over belangrijke
     gebeurtenissen en personen in verband met godsdienst, kunst en
                              litteratuur

                       Door H. B. COTTERILL M.A.

                   Bewerkt door Dr P. A. van der Laan
                          Met een voorrede van
                          Prof. Jhr Dr J. Six



                      Zutphen--W. J. Thieme & Cie



VOORREDE.


Niet als krijgslieden plachten de Nederlanders naar Italië te
trekken. Geen Gothen, geen Longobarden of Vandalen kwamen uit de lage
landen aan de zee. Aan de oorlogen van Guelfen en Ghibellijnen hebben
zij geen aandeel van beteekenis gehad. Wanneer de legende de Mariakerk
te Utrecht laat bouwen als boete voor een kerk te Milaan verwoest,
noemt zij een Duitschen Keizer als stichter, geen Nederlander.

Als pelgrims uit het heilige land kwamen zij de Brenner over naar
Venetië. Als Roomvaarders bezochten zij Italië voor hun zieleheil. De
"Anima", thans de Duitsche kerk te Rome, is een Nederlandsche
stichting.

Ook als kooplieden onderhielden zij goede betrekkingen. De Heeren van
Arkel hadden hun fortuin belegd in een bank te Genua. Het meesterwerk
van Hugo van der Goes werd door een Italiaansch koopman uit Brugge te
Florence gewijd. Een altaarstuk van Memling met soortgelijke bestemming
kwam slechts door zeeroof bij de Hanze terecht. Ook bezit Brugge van
oudsher een vroeg werk van Michelangelo. Mogen soms Nederlandsche
kunstenaars hun eigen aard verloochend hebben onder te sterken
Italiaanschen invloed, de van Eycken waarschijnlijk en velen na hen,
van Rogier van der Weijden tot Terborgh, hebben in het zuiden alleen
hun blik verruimd.

Dat is echter in later dagen dan waarvan Cotterill in dit boek
verhaalt. Onze gedachten gaan zoo zelden terug tot de tijden dat Karel
de Groote nu voor den Falkhof te Nijmegen zijn paarden zag weiden,
om dan weer te Rome als beschermer van het heilige Romeinsche rijk op
te treden of dat Frans van Assisi een innige vroomheid predikte, in
zijn land aanleiding tot nieuwe wonderen van kunst, in het noorden de
bron van die gemoedsstemming, waaruit de hervorming te voorschijn kwam.

Toch is het ook voor ons van belang in dit overzicht van duizend
jaren die smeltkroes der volkeren te aanschouwen door de oogen van
een man van kennis en smaak en zoo uit het ondergaande Romeinsche
rijk het nieuwe Italië te zien herboren worden, niet als een eenheid,
eer als een strijd van allen tegen allen, waaruit de republieken te
voorschijn kwamen, een vruchtbaren bodem voor kunst en wetenschap.

Wie Dante lezen wil en verstaan zal het niet berouwen in ons vlot
geschreven werk, in het begin vooral soms een wat zwaar te verteren
hoofdstuk doorworsteld te hebben, noodig voor een beter begrip van
wat volgt.

Goed gekozen afbeeldingen roepen de herinneringen op voor wie Italië
reeds bezocht, of helpen hen, die dat geluk nog misten aan eenig
aanschouwen.


J. Six.



Indien door het lezen van dit werk de studie van het gedicht, dat
het bewonderend nageslacht den eeretitel goddelijk heeft gegeven, in
breeder kring wordt ter hand genomen, zal ik mijn moeite ruimschoots
beloond achten.

Wat mij betreft,


    poscia di dí in dí l'amo piu forte.


De Vertaler.



VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER


Reeds ten tijde van Cicero en Varro", zegt Gibbon, "waren de Romeinsche
augures ervan overtuigd, dat de twaalf gieren, die Romulus had gezien,
de twaalf eeuwen voorstelden, die door het noodlot voor het bestaan
van zijn stad waren vastgesteld". Deze voorspelling, zoo lezen wij
bij de schrijvers van dien tijd, b.v. bij den dichter Claudianus,
vervulde den geest der menschen met somberen angst, toen de twaalfde
eeuw van Rome's bestaan ten einde spoedde en "zelfs het nageslacht moet
met eenige verbazing erkennen, dat de verklaring van een toevallige
of verdichte gebeurtenis inderdaad bevestigd is door den val van het
West-Romeinsche Keizerrijk." Het overgeleverde jaar van de stichting
van Rome is 753 v. Chr. en als wij nu aannemen, dat het Keizerrijk
eindigde met de inneming van de stad door den Vandaal Gaiserik en den
dood van Valentinianus III, den laatsten Keizer van de dynastie van
Theodosius den Groote, welke gebeurtenissen beide plaats vonden in 455
n. Chr., dan is de vervulling van de profetie werkelijk verrassend. En
ons geloof aan oude voorspellingen behoeft niet geschokt te worden,
indien wij ons gedrongen voelen den eindelijken val van het Keizerrijk
ongeveer éen en twintig jaren later te plaatsen, in welke periode niet
minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aanvaardden: ten eerste
de moordenaar van Valentinianus, daarna de beschermeling van den Koning
der West-Goten te Arles, dan vijf marionetten van den veldheer der
barbaren, Ricimer, vervolgens een weinig bekende ambtenaar van het hof,
gekozen door een voornaam Bourgondiër, en de negende, een zoon van een
Pannonisch soldaat uit Attila's leger, de "onschadelijke jongeling",
zooals Gibbon hem noemt, die de prachtig klinkende namen van Romulus
Augustus (uit medelijden of om hem te bespotten verkleind tot Momullus
Augustulus) had geërfd of aangenomen, en die in 476 door den barbaar
Odovacar werd onttroond en met beleedigende edelmoedigheid verlof
kreeg zich terug te trekken naar een ruime en weelderige gevangenis,
de villa, die Marius had laten bouwen en Lucullus had versierd, op
de hoogten, waarvan men een uitzicht heeft op de golven van Napels
en Baiae.

Dit jaar, 476, wordt algemeen aangenomen als de grens, die het einde
aangeeft van de geschiedenis van het oude Rome en het begin van de
Italiaansche geschiedenis. Toch zijn sommige schrijvers van meening,
dat het "Romeinsche Keizerrijk" onder de Keizers van het Oosten nog
voortduurde, ja zelfs nog ongeveer duizend jaar, tot de verovering
van Constantinopel door de Turken, in ieder geval nog meer dan
driehonderd jaar, totdat het in de macht geraakte van een vrouw,
die onmenschelijke ellendelinge, de vrome Irene. Deze gebeurtenis
gaf, volgens die schrijvers, den Romeinen het recht de keizerlijke
waardigheid door de pauselijke zalving te doen herleven in den persoon
van Karel den Groote. Dit herleefde Keizerrijk, dat bleef bestaan
tot den dood van Hendrik VII in 1313, toen elk werkelijk verband
met Italië verdween, of zelfs, volgens sommige, voortduurde totdat
Frans II in 1806 afstand deed van de regeering, was natuurlijk een
fictie; maar het geloof aan het zoogenaamde "Heilige Roomsche Rijk"
was een feit, dat op de middeleeuwsche geschiedenis van grooten
invloed is geweest en door den geschiedschrijver niet kan worden
geloochend. Maar welke bewijsgronden ook kunnen aangevoerd worden
om deze verschillende opvattingen te steunen, het is eenvoudiger
en het ligt meer in de rede aan te nemen, dat het oude Romeinsche
Keizerrijk, d.w.z. het uitgestrekte Imperium, waarvan Rome zelf de
metropolis was, indien het niet eindigde, toen Constantijn si fece
Greco en den keizerlijken zetel van Rome naar Byzantium bracht, of
toen de laatste Keizer uit de dynastie van Theodosius te Rome werd
vermoord, kort voor de aankomst van den Vandaal Gaiserik, toch te
gronde ging, toen in 476 de barbaar Odovacar den jeugdigen Keizer
Romulus Augustulus onttroonde en, zoo al niet den titel, dan toch de
bevoegheden van een Koning van Italië aanvaardde.

Derhalve kunnen wij aannemen, dat de geschiedenis van het
middeleeuwsche Italië begint met het jaar 476. Na dat jaar stond
Italië slechts tijdelijk en niet rechtstreeks in verband met het
Oostelijke Keizerrijk, dat sommigen het latere Romeinsche Keizerrijk
willen noemen, maar dat volgens mij, omdat "Constantinopolitaansch"
een lang woord is, beter "Byzantijnsch" genoemd kan worden, vooral
ook daar dit woord Oostersch genoeg klinkt, om een geschikte term te
zijn in kwesties over kunst en geschiedenis.

Het is waar, dat gedurende een zekere periode dit Byzantijnsche
Keizerrijk zijn heerschappij over Rome, dat door den Byzantijnschen
Keizer beschouwd werd als een provincie-stad van zijn Italiaansche
diocese, en over bijna het geheele schiereiland herstelde, en dat
het zijn souvereiniteit in eenige belangrijke Italiaansche steden
en landstreken eeuwen lang bewaarde, vooral in het Exarchaat en
de zuidelijke marina, zoodat zoo nu en dan de aanwezigheid van de
Byzantijnen in Italië ten zeerste onze aandacht zal vragen. Het is
ook waar, dat de Byzantijnsche Keizers aanspraak maakten op den
titel "Imperator Romanus" [1], en dikwijls als zoodanig werden
erkend. Bovendien moet men toegeven, dat de geschiedenis van het
zoogenaamde Oostelijke Keizerrijk in later tijd, met zijn Grieksche,
Syrische, Armenische, Macedonische, Latijnsche, Vlaamsche en Fransche
monarchen en dynastiën en met zijn rijke en weelderige uitloopers,
bekend als de "Keizerrijken" van Nicaea en Trebizonde, buitengewoon
schilderachtig en belangwekkend is.

Evenwel, daar ons onderwerp Italië en niet Byzantium is, zal het beter
zijn aan te nemen, dat het werkelijke Romeinsche Keizerrijk eindigde
met de onttroning van den laatsten opvolger van Augustus te Rome in
476 en na dat jaar onze aandacht voornamelijk tot Italië te bepalen,
terwijl wij slechts nu en dan een blik naar de andere zijde van de
Adriatische Zee zullen werpen.

Maar, ofschoon men kan zeggen, dat de geschiedenis van Italië in
de middeleeuwen met dat jaar begint, scheen het mij toch raadzaam
terug te gaan tot den tijd van Constantijn, om zekere religieuze,
staatkundige, artistieke en litteraire eigenaardigheden in haar
oorsprong na te speuren, als ook om in staat te zijn uitvoeriger
de invallen der barbaren te behandelen. Wanneer dit gebeurd is,
blijft de nog moeilijker taak over aan te toonen, hoe, te midden
van al die verschillende elementen en krachten, de nieuwe bezieling
begon te werken, die, na zoovele eeuwen, in onze dagen eindelijk
een Italiaansche natie deed ontstaan. Mijn onderwerp, dat zich
uitstrekt tot de eerste dageraad van de nieuwe kunst en litteratuur,
beslaat een tijdvak van duizend jaar en het zou een zeer vervelend
en nutteloos werk zijn, als ik trachtte mijn bladzijden te vullen
met een opsomming van de ontelbare personen, die in een zoo snelle
opvolging, in zoo ingewikkelde en vlug veranderende groepen, over
het steeds afwisselende tooneel van tien eeuwen voorbijtrekken. Zelfs
bij het uitvoerige en heldere verhaal van Gibbon moet de lezer, die
geen overvloed van tijd en zeldzame volharding bezit, er dikwijls aan
wanhopen zijn weg te vinden in het labyrint van barbaarsche invallen
en godsdiensttwisten of in het drama van het Keizerrijk, een drama,
dat zoo gecompliceerd is, dat bij meer dan een gelegenheid er niet
minder dan zes Keizers tegelijk op de planken verschijnen.

Met het oog op de beperkte ruimte en zulk een overweldigenden menigte
van bijzonderheden, moet hij, die iets beters wil geven dan een droge
opsomming van namen en gebeurtenissen, een methode vinden, die hem in
staat stelt in een samenhangend verhaal de belangrijke historische
feiten mede te deelen en die hem toch ook gelegenheid biedt andere
belangwekkende dingen op een minder stijve en statistiek-achtige
wijze te behandelen, en met vrije hand, om zoo te zeggen, de kale
historische omtrekken in te vullen.

De wijze, waarop ik te werk ben gegaan, is de volgende: aan elk van
de vijf deelen, waarin mijn onderwerp verdeeld is, heb ik een kort
overzicht van de staatkundige gebeurtenissen dier periode laten
voorafgaan. Deze overzichten zullen het den lezer mogelijk maken
den inhoud van die hoofdstukken te omlijsten (of misschien moet ik
zeggen, chronologisch te rangschikken), waarin ik met vrije hand
zekere belangrijke episodes en personen heb geschetst, terwijl ik
mij moeite heb gegeven, door aanhalingen en beschrijvingen de locale
kleur zooveel mogelijk tot haar recht te laten komen.

Aldus kon ik vermijden, dat mijn verhaal onderbroken werd door
verhandelingen over kunst en literatuur, en heb ik, wat over deze
onderwerpen mij belangrijk toescheen, verplaatst naar de bijgevoegde
hoofdstukken.

Een volledige lijst van de talrijke schrijvers over de geschiedenis,
kunst en literatuur van Italië in het tijdvak, dat hier behandeld
wordt, zou meer ruimte eischen, dan ik kan missen en indien ook
de titels van hun werken werden opgenoemd, zou een groot aantal
bladzijden noodig zijn. Ik zal dus slechts eenige oude en moderne
bekenden vermelden, aan wie ik bijzonderen dank verschuldigd ben.

Balzani (Cronache it. del Med. Evo); Boëthius (De Cons. Phil.); Bryce;
Cappelletti; Cassiodorus (en Jordanes; ook zijn brieven, uitgegeven
door Hodgkin); Compagni (Dino); Crowe en Cavalcaselle; Engel et Serrure
(Numismatique du Moyen Age); Eusebius; Ferrero; Gaspary (Scuola
Poet. Sicil.); Gibbon; Gregorovius (Gesch. Stadt Rom); Gregorius de
Groote; Hodgkin (Italy and her Invaders); T. G. Jackson (Romanesque
Architecture); Jordanes (Hist. Goth.); Kugler; Liber Pontificalis
(ed. Duchesne); Machiavelli (Istorie Fior.); Mothes (Baukunst
d. Mittelalters); Muratori; Paulus Diaconus (Hist. Lomb.); Priscus;
Ricci (vooral over Ravenna); Rivoira (Orig. dell' Arch. Lomb.);
Rotari (Editto); St. Augustinus (De Civ. Dei); Sismondi; Symonds;
Villani (Giov); Wroth (Brit. Mus. Catal. Goth. and Lomb. Coins);
Pasquale Villari (Invas. barbar. en L'Italia da Carlo Magno alla
Morte di Arrigo VII).

Misschien is het wel goed hier bij te voegen, dat ik mij er van bewust
ben, dat niemand over dergelijke onderwerpen als middeleeuwsche
architectuur een meening of opvatting kan verkondigen, zonder zich
aan een fucilata van verschillende kanten bloot te stellen.



INHOUD.


Eerste Deel.

    Hoofdstuk                                                   Bladz.

          Historisch Overzicht (305-476)                            1
    I.    Waarom het Keizerrijk gevallen is                        17
    II.   De Barbaren                                              23
    III.  Christendom en Heidendom                                 32
    IV.   Theodosius de Katholieke                                 49
    V.    Stilicho, Alarik en Placidia                             65
    VI.   Attila de Hun                                            82
    VII.  Van Gaiserik tot Odovacar                                93
          Aanteekeningen bij Plaat 9 van de munten (van
          Constantijn I tot Justinianus).                         103


Tweede Deel.

          Historisch overzicht (476-568)                          109
    I.    Theoderik                                               143
    II.   De schrijvers                                           154
    III.  St. Benedictus                                          164
    IV.   Justinianus                                             171


Derde Deel.

          Historisch overzicht (568-800)                          183
    I.    Gregorius de Groote                                     222
    II.   Bouwkunst en Mozaïekwerk (300-800)                      230
    III.  Venetië en andere steden                                252
    IV.   Karel de Groote te Rome                                 260
          Aanteekening over de Byzantijnsche keizers              273


Vierde Deel.

          Historisch overzicht (800-1190)                         276
    I.    De donkere eeuwen                                       340
    II.   De Noormannen                                           354
    III.  De opkomst der Republieken                              368
    IV.   Romaansche Bouwkunst (800-1200)                         390
          Aanteekeningen over mozaïeken en beeldende kunst in
          Zuid-Italië en Sicilië (1050-1200).                     403
          Aanteekeningen over Plaat 45 van de munten (van
          Heraclius tot Hendrik VII)                              407


Vijfde Deel.

          Historisch overzicht (1190-1313)                        410
          Aanteekening over Dante en Hendrik VII                  455
    I.    Godsdienstige stroomingen (c. 1200-1300)                458
    II.   De Republieken en "Signorie" tot 1320                   471
    III.  Kunst (c. 1300-c. 1320)                                 486

          Index                                                   503



LIJST EN VERKLARINGEN DER ILLUSTRATIES.


Kaarten.

                                                                Bladz.

    De vier praefecturae van het Romeinsche Keizerrijk ten
    tijde van Constantijn I                                         1
    Italië ten tijde van Odovacar                                 107
    Zuid-West-Europa ten tijde van Theoderik                      142
    De heerschappij van de Longobarden                            182
    Het rijk van Karel den Groote                                 213
    Italië ten tijde van Dante                                    454



Platen.



Plaat

1. Dante                                                     Titelplaat

Bronzen borstbeeld. Napels, Museo Nazionale. Het gezicht is misschien
genomen naar het Bargello-masker, dat, naar men zegt, na zijn dood
is gemaakt. In ieder geval is het een mooi stuk werk en geeft het in
overeenstemming met onze verwachting een zeer bevredigende voorstelling
van het uiterlijk van den dichter der Divina Commedia. Het herstelde
Bargello-fresco, dat oorspronkelijk misschien door Giotto is gemaakt,
geeft eerder den minnaar van Beatrice en den schrijver van de Vita
Nuova weer.

2. Slag bij de Saxa Rubra                                           8

Gedeelte van den Triumfboog van Constantijn, Rome. Het groteske en ruwe
relief in het midden, dat van 312 ongeveer dateert, stelt den slag van
de Saxa Rubra, bij den Pons Milvius voor, waar Maxentius verdronk. Zie
blz. 3 en 35. De reliefs daarboven, die veel fraaier zijn, dagteekenen
uit den tijd van Trajanus en de Antonini. Zie blz. 230. In een Stanza
van het Vaticaan is een beroemd fresco, dat hetzelfde voorstelt,
geteekend door Raffael en geschilderd door Giulio Romano.

3. Borstbeelden van Constantijn den Groote en Julianus             16

Uffizi, Florence, en Museum van het Capitool, Rome. Wat Constantijn's
krullen en opschik betreft, zie blz. 45 n. Of het borstbeeld van
Julianus echt is, wordt betwijfeld, daar de inscriptie middeleeuwsch
is.

4. S. Paolo fuori le mura, Rome                                    24

Gesticht in 388 door Theodosius en Valentinianus II. Zie blz. 52 en
onder Kerken in den Index. Afgebrand in 1823, behalve het koor en
de apsis. De reconstructie (1824-54) volgens het oude plan is zeer
indrukwekkend en het meer moderne karakter van sommige veranderingen
verhindert niet, dat het gebouw een van de meest grootsche nog
bestaande basilieken is.

5. S. Maria Maggiore, Rome                                         32

Zie Index onder Kerken.

6. Kansel, S. Ambrogio, Milaan                                     40

Met de zoogenaamde tombe van Stilicho. Daar hij te Ravenna (zie
blz. 70) gedood is, zal hij waarschijnlijk niet hier begraven zijn. De
sarcophaag dagteekent van 500 ongeveer. De oude Longobardische kansel
werd omstreeks 1100 verwijderd gedurende een herstelling, en later
in Romaanschen stijl weder opgericht, omstreeks 1200. Sommige van de
grillige reliefs dateeren misschien van 800, of zelfs van 500.

7. Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna                           48

Zie blz. 79, 231, 241. De sarcophaag in het midden is die van de
keizerin. Die aan den rechter- en aan de linkerkant (deze laatste
is onzichtbaar) zijn, naar men vooronderstelt, de tomben van haar
echtgenoot, Constantius III en haar zoon, Valentinianus III.

8. Paus Leo en Attila                                              56

Fresco, geschilderd door Raffael, in een van de Stanze van het
Vaticaan. Zie blz. 90. Raffael brengt het tooneel over naar de
nabijheid van Rome (Colosseum op den achtergrond) en geeft Leo I
de gelaatstrekken van Leo X (vgl. plaat 29). Wat het voorkomen van
Attila betreft, zie blz. 84. Opmerking verdient, dat de H. Petrus en
de H. Paulus alleen door de Hunnen gezien worden. In de St. Pieter,
boven het altaar van Leo I, is een theatraal relief van Algardi
(c. 1650), dat hetzelfde tooneel voorstelt.

9. Munten; van Constantijn I tot Justinianus (c. 306-565)          64

Zie aanteekeningen, blz. 103-05.

10. Doopvont van de orthodoxen, Ravenna                            72

Zie blz. 80, 241. De koepel, evenals die van de S. Vitale, is
samengesteld uit buizen van terra-cotta. Zie blz. 237.

11. Mausoleum van Theoderik, Ravenna                               80

Zie blz. 148-49.

12. S. Apollinare Nuovo, Ravenna                                   88

Zie beschrijvingen op blz. 151-53, 241.

13. S. Pietro in Ciel D'oro, Pavia                                 96

Zie onder Kerken in den Index. De kerk was oorspronkelijk (als zij nog
niet ouder was) Longobardisch, misschien gesticht door Agilulf, c. 604;
maar zij is in Romaanschen stijl herbouwd. Het grootste gedeelte van
het portaal dagteekent van 950 tot 1000. Voor de tombe van Boëthius
zie blz. 157 en voor die van den H. Augustinus zie de beschrijving
van plaat 52 (1). Koningen van Italië (zie verklaring van plaat 19)
werden soms gekroond te Pavia, de oude hoofdstad der Longobarden,
in de S. Pietro of anders in de S. Michele, die toen de kathedraal was.

14. Boëthius                                                      104

Zie blz. 155-59. Het schilderij, een fantasie of misschien gemaakt
naar een oud portret, is een werk van Giovanni Santi, den vader van
Raffael. Het bevindt zich in de Barberini-galerij, te Rome.

15. Monasterio del Sacro Speco, Subiaco                           112

Zie blz. 166. De kerk en het klooster, en ook de Abdij-kerk van Monte
Cassino en Collemaggio te Aquila (plaat 49) hebben naar men zegt,
zeer geleden door de geweldige aardbeving van den 13en Januari, 1915.

16. S. Vitale, Ravenna                                            120

Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 23.

17. Mozaïeken van Justinianus en Theodora, Ravenna                128

Zie blz. 179, 242.

18. S. Apollinare in Classe, Ravenna                              136

Zie onder Kerken in den Index. Voor de mozaïeken, zie blz. 242

19. (I). De IJzeren Kroon                                         144

Deze kroon wordt bewaard in de schatkamer van de kathedraal te
Monza (zie blz. 226 n.). Met deze kroon werden, naar men zegt,
de Longobardische koningen gekroond, te Pavia, hun hoofdstad, of
te Milaan (b.v. Agilulf) of misschien te Monza. De Frankische en
Duitsche monarchen tot Hendrik II (1002), schijnen als koningen van
Italië gewoonlijk te Pavia, maar later ook te Milaan, gekroond te
zijn. De "Italiaansche" koning Berengarius II (c. 950) werd te Pavia
gekroond. Frederik Barbarossa, die met Milaan in oorlog was, werd te
Monza, of misschien te Pavia, welke stad zijn partij koos, c. 1155
gekroond. Sinds dien tijd is de IJzeren Kroon te Monza bewaard. Karel
V kroonde zichzelf met deze kroon te Bologna in 1530 en Napoleon
werd er in 1805 mede gekroond (te Milaan). In 1859 werd zij door
de Oostenrijkers medegenomen, maar in 1866 teruggegeven. Misschien
was het oorspronkelijk een eenvoudige ijzeren kroon of was alleen de
binnenste ring van ijzer (dien men op de plaat kan zien); volgens de
overlevering was deze ring gemaakt van een der spijkers van het Kruis,
die door Helena uit Jeruzalem waren gebracht (zie blz. 37, noot 3). Het
gouden, met juweelen bezette, uitwendige dagteekent misschien van
het jaar 1100 ongeveer. Het is een eenvoudiger en waarschijnlijk een
later werk dan de kroon, die er onder is afgebeeld. Muratori verwerpt
de legende van den spijker. Bonincontro, een kroniekschrijver van
Monza uit de veertiende eeuw, vermeldt de legende niet, ofschoon hij
over de ijzeren kroon spreekt en ons vertelt, dat ijzer een sterk en
koninklijk metaal is. Er waren, naar men meende, talrijke spijkers van
het Kruis (zie blz. 37). Het verhaal zal, wanneer het zijn oorsprong
er niet aan te danken heeft, toch zeer zeker bevestigd zijn door het
feit, dat Matteo Villani (c. 1350) deze kroon de Sda Corona noemde,
hetgeen verkeerdelijk werd uitgelegd als Sancta Corona, terwijl het
beteekent Seconda Corona; de eerste kroon was de zilveren te Aken en
de derde de gouden te Rome.

   (II). De zoogenaamde Kroon van Karel den Groote                144

Deze prachtige kroon, versierd met een kruis en een boogvormigen
diadeem, wordt bewaard in de keizerlijke schatkamer te Weenen, (in
den "Hofburg"). Over den tijd, wanneer zij is gemaakt, bestaat groot
verschil van meening. Sommigen, zooals Bock, met wien ik het eens ben,
zijn overtuigd, dat de kroon zelf een vroeg Italiaansch werk is en
dat de diadeem met den naam Koenraad (Chuonradus) een bijvoegsel van
later tijd is. Wanneer dit zoo is, bestaat de mogelijkheid, dat dit
werkelijk de kroon is, die door Leo III gebruikt werd om Karel den
Groote te kronen. Maar sommige Duitschers, zooals v. Falke, die een
fraai geïllustreerde monografie over dit onderwerp heeft geschreven,
verzekeren, dat de beide deelen zonder twijfel in Duitschland zijn
gemaakt en zij houden vol, dat het geheel onmogelijk iets anders
kan zijn dan een werk uit de elfde eeuw en dus een keizerlijke
diadeem moet zijn, die bepaaldelijk (te Mainz?) vervaardigd is voor
de kroning van Koenraad II en zijn gemalin Gisela in het jaar 1027
(zie blz. 310). Er bestaat ook een verzameling van prachtige broches,
loovertjes, oorringen, halskettingen enz., die gevonden zijn bij
het graven in een straat te Mainz, niet zoo heel lang geleden;
deze voorwerpen lijken in bewerking zeer op de boogvormige kroon
en kunnen wel door Gisela bij de kroning gedragen zijn. Zij was een
zeer energieke en eerzuchtige vrouw. Door haar moeder stamde zij van
Karel den Groote af, en nadat zij tweemaal getrouwd was geweest,
trad zij in het huwelijk met Koenraad, toen deze nog slechts een
Graaf was. Zij rustte niet, voordat zij bereikt had, dat hij en zij
zelf met den keizerlijken diadeem te Rome gekroond waren, bij welke
gelegenheid er veel bloed werd vergoten door de twisten tusschen de
Duitschers en de Romeinen, zooals zoo dikwijls gebeurde, en ook door
den naijver tusschen de aartsbisschoppen van Ravenna en Milaan. De
boogvormige diadeem heeft, in parels, het opschrift: Chuonradus Dei
gratia Imperator Augustus. De kroon zelf bestaat uit edelgesteenten,
gouddraadwerk en parels; er zijn drie afbeeldingen in email op, die
het volgende voorstellen: (1) Christus, tusschen de twee aartsengelen,
als Koning der Koningen. (2) David als de Koning van den Manlijken
Moed. (3) Salomo, als de Koning der Rechtvaardigheid en Wijsheid. (4)
Hiskia, als de Koning der Vroomheid.

20. Theodelinda's Kip en Kuikens, Monza                           152

Zie aanteekening op blz. 226. Misschien stellen zij het Longobardische
koninkrijk en zijn zeven provincies voor. Zij zijn van verguld
zilver. De koperen plaat, waarop zij staan, is modern.

21. (I) S. Maria in Cosmedin, Rome                                160

Dicht bij den Tiber en den ronden Tempel, die vroeger de Tempel van
Vesta heette. Gebouwd c. 775. Niet groot, maar inwendig zeer mooi door
haar verhoudingen. De klokketoren (uit de achtste eeuw) is een goed
voorbeeld van een Romeinschen campanile. Zie den Index onder Campanile.

    (II) De Phocas-zuil, Rome                                     160

Op het forum. Eeuwen lang was deze zuil bekend als "de naamlooze
zuil met begraven voetstuk". [2] Na de uitgraving, die met hulp van
Engelsch geld geschiedde, bleek uit de inscriptie, dat de zuil, die
uit een antiek gebouw genomen is, in 608 door den Exarch Smaragdus was
opgericht ter eere van den gehaten tyran Phocas, van Constantinopel,
wiens verguld standbeeld op den top stond.

22. S. Clemente, Rome                                             168

De boven-kerk. Zie onder Kerken in den Index.

23. S. Vitale, Ravenna                                            176

Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 16.

24. Mozaïeken in de S. Pudenziana en S. Prassede, Rome            184

Zie de beschrijving op blz. 239 en blz. 487. De twee heiligen waren
dochters van Pudens, die te Rome de gastheer van den Heiligen Petrus
was, en de eerstgenoemde kerk is, naar men vertelt, gebouwd op de
plaats van het huis, waar de apostel verblijf hield. Men ziet op
het onderste gedeelte van de plaat, dat Paus Paschalis (817-824),
die een model van zijn kerk in de hand draagt, een vierkanten nimbus
heeft, een aanduiding, dat hij nog in leven was, toen het mozaïek
werd gemaakt. Opmerking verdient ook de phoenix op den palmboom met
een stralen-nimbus.

25. S. Pietro, Toscanella                                         192

Zie blz. 249 en onder Kerken in den Index.

26. S. Maria Maggiore, Toscanella                                 200

Zie blz. 250 en onder Kerken in den Index.

27. Kathedraal en S. Fosca, Torcello                              208

Zie blz. 251 en onder Kerken in den Index. Wat den marmeren zetel op
den voorgrond betreft ("de stoel van Attila") zie blz. 254 n. noot.

28. Kathedraal van Grado                                          216

Zie blz. 89 en 253. Grado en Aquileia, beide oude Italiaansche steden,
die in nauw verband staan met de geschiedenis van Italië, zijn meer
dan een eeuw geleden in de macht van Oostenrijk gekomen. In 568,
toen de Longobarden over de Venetiaansche Alpen kwamen, vluchtten
de burgers van Aquileia (dat na de verwoesting door Attila in 452
weder opgebouwd was) voor de tweede maal naar Grado. De Patriarch,
Paulinus, had alle reliquieën en schatten van de kerken van Aquileia
meegenomen, en zijn opvolger, Elias, verwierf den titel van Patriarch
van Grado. De Patriarch Elias (c. 578) bouwde de tegenwoordige
Kathedraal van Grado, zonder twijfel op de plaats van een oudere
kerk, terwijl hij als voorbeeld de basilieken van S. Apollinare
te Ravenna nam. De zuilen en de mozaïekvloer zijn blijkbaar van
de oude kerk (Byzantijnsch-Oost-Gotisch). Belangwekkend is de
kansel met merkwaardige reliëfs (Oost-Gotisch? Lombardisch ?) van
de evangelische dieren en een Venetiaanschen (Byzantijnschen)
troonhemel. Opmerking verdient de zilveren pala (schopvormig
schilderstuk) en de (dertiende-eeuwsche?) fresco's in de apsis. Aan
de kerk is een oud baptisterium gebouwd, dat steenen luiken heeft,
evenals te Torcello. De kerk is dikwijls hersteld en waarschijnlijk
zal men onder het pleister van het triforium wel mozaïeken of fresco's
kunnen vinden. In deze kerk wordt de oude middeleeuwsche liturgie
van het patriarchaat van Grado gezongen, de Cantus patriarchinus.

29. De schenking van Constantijn aan Silvester                    224

In de Stanze van het Vaticaan. Geschilderd door Raffaello da Colle,
en waarschijnlijk ontworpen door Raffael. Silvester heeft de
gelaatstrekken van Clemens VII. Als toeschouwers zijn geschilderd
Raffael's vriend Castiglione en zijn leerling Giulio Romano. De
behandeling heeft plaats in de oude basiliek van St. Pieter.

30. S. Miniato, Florence                                          232

Zie blz. 399 en Index.

31. Tombe van Beatrice, moeder van Gravin Mathilda, Campo Santo,
Pisa                                                              240

In de eerste plaats is deze graftombe merkwaardig in verband met
de beroemde Gravin Mathilde, wier moeder, Beatrice, de gemalin was
van Bonifacius, den Markies van Toskane (blz. 311, 315, 385; de
voorganger van Bonifacius was de Markies of Markgraaf, Ugo, die door
Dante il gran barone wordt genoemd en wiens graftombe wel bekend is
bij de bezoekers van de Florentijnsche abdij en wiens moeder, Willa,
de oprichtster is van de oorspronkelijke abdij). Bonifacius stierf
in 1052 en Beatrice, die met Godfried van Lotharingen was gehuwd,
werd gevangen genomen door Hendrik en met haar dochter Mathilde naar
Duitschland gevoerd; maar zij werden in 1056 in vrijheid gesteld en
Beatrice stierf, zoo op de tombe staat, eerst in 1076, een jaar voor
de gebeurtenis te Canossa; Mathilde volgde haar op. Sommigen nemen
aan, dat haar lichaam eerst in 1116 in deze oude (laat-Romeinsche)
sarcophaag werd geplaatst. De hexameter beteekent: "Ofschoon ik een
zondares was, heette ik toch Vrouwe Beatrix." Men verwacht tevergeefs,
dat de volgende woorden een pentameter zullen vormen, b.v. In tumulo
jaceo quae comitissa fui. Het beteekent: "In een tombe geplaatst lig
ik hier, die een gravin was". De pentameter is misschien bedorven door
een ongeletterden steenhouwer om een rijm te maken. Hij had het ook
moeten veranderen in "In tumulum missa" .... Wat betreft het verband
van dit relief met Niccolò, zie men blz. 497.

32. Ingang van het Baptisterium, Volterra                         248

Het achtzijdige Baptisterium dagteekent oorspronkelijk misschien
uit de zevende eeuw. Het eenvoudig versierde portaal met zijn mooie
verhoudingen is een goed voorbeeld van Toskaansch-Romaansche bouworde,
onafhankelijk van den Pisaanschen stijl; ook de rijkere façades van de
kerken te Toscanella zijn goede voorbeelden daarvan (plaat 25 en 26).

33. Cappella Palatina, Palermo                                    256

"Kapel van het Paleis", gebouwd aan het koninklijk paleis van de
Noormannen te Palermo. Het is de stijl der Noormannen, waarbij men
den Saraceenschen invloed zeer goed kan herkennen. Gebouwd in 1130
ongeveer door Koning Roger. De muren, bogen en apsis zijn rijk versierd
met prachtige mozaïeken uit de Siciliaansche school der Noormannen
(zie blz. 402 en 403). Merkwaardig zijn de flauw gespitste bogen,
die (evenals te Monreale) eenigen Arabischen invloed vertoonen. Zie
plaat 43.

34. Roger van Sicilië, door Christus gekroond                     264

Mozaïek in La Martorana, Palermo. Zie blz. 362 en 405.

35. Graftombe van Koning Roger                                    272

In de Kathedraal van Palermo. In de andere porfieren sarcophagen
zijn neergelegd Frederik II (plaat 47), zijn vader, Hendrik VI,
zijn moeder, de Keizerin Constantia (de dochter van Roger) en
in een oude Romeinsche sarcophaag ligt de gemalin van Frederik,
Constantia van Arragon. Ongeveer 1780 werden deze sarcophagen uit
een zijkapel gehaald, en, nadat zij waren geopend en onderzocht,
onder deze baldachini geplaatst.

36. Kathedraal te Palermo                                         280

Oorspronkelijk gebouwd door Aartsbisschop Offamilio (Walter of a Mill),
in de plaats van een oude kerk, die in een moskee was veranderd. De
zuid-zijde van de kathedraal en de oostzijde dateeren voornamelijk uit
1170-1200 en vertoonen vele merkwaardige aanwijzingen van Saraceenschen
invloed. (De gevel boven het prachtige portaal aan de zuid-zijde
is er in de vijftiende eeuw bijgevoegd en de minder fraaie koepel
dagteekent van 1800). De west-zijde is uit later tijd (c. 1350); zij
is door een boog, die de straat overspant, verbonden aan een grooten,
ouden klokketoren, waarvan het bovenste gedeelte hersteld is.

37. S. Marco, Venetië                                             288

Zie onder Kerken in den Index.

38. Baptisterium, Florence                                        296

Zie blz. 69.

39. Kathedraal te Ferrara                                         304

Dit is een goed voorbeeld van den overgang van de Romaansche tot de
Gotische bouworde. Het beneden-gedeelte dagteekent uit 1130 ongeveer,
en niet alleen de onderste arcade en de deuren, maar ook de voornaamste
eigenschappen van het geheele gebouw zijn Romaansch. Toch kan men een
Gotischen invloed zeer duidelijk aanwijzen en het geheel voldoet niet,
ofschoon het gebouw indrukwekkend is. Het vooruitspringende portaal
is er later bijgevoegd, en is gedeeltelijk Romaansch van stijl,
met leeuwen, en gedeeltelijk Venetiaansch-Gotisch.

40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren te Pisa               312

Zie blz. 397-98 en onder Kerken in den Index.

41. Kathedraal S. Martino, Lucca                                  320

Zie blz. 249 en 398. Wat betreft het ruiterstandbeeld van den
H. Martinus, een werk van Guidetto, en de Afneming van het Kruis van
Pisani zie men blz. 495 en 499. De klokketoren is een mooi voorbeeld
van een Lombardischen campanile. Opmerking verdienen de uitgetande
Ghibellijnsche tinnen (merli). Zie plaat 64.

42. La Collegiata, S. Gimignano                                   328

Zie blz. 400. Vgl. ook plaat 54. De kerk is rijk versierd met fresco's
van Benozzo Gozzoli, een leerling van Fra Angelico, Ghirlandajo,
en anderen, en bevat een altaar, dat gewijd is aan S. Fina, de
beschermheilige van de stad, en gemaakt door Benedotto da Maiano.

43. Kathedraal van Monreale, bij Palermo                          336

Gebouwd door Willem den Goede, c. 1175-89. De prachtige torens en
andere eigenaardigheden schijnen op den invloed van den bouwstijl der
Noordelijke, misschien Engelsche Noormannen te wijzen. Zie blz. 402. De
mooie lijnen van de flauw gespitste bogen geven wellicht een aanduiding
van Saraceenschen invloed. Schitterende mozaïeken bedekken de muren
en de apsis. Zie blz. 405-06.

44. Kathedraal te Cefalu                                          344

Wat de overeenkomst tusschen deze kerk en de St. Etienne te Caen
betreft, zie blz. 402 noot. Voor de prachtige mozaïeken zie blz. 405;
opmerking verdienen de anti-pauselijke kanteelen van den toren.

45. Munten. Van Heraclius tot Hendrik vii (c. 650-1313)           352

Zie aanteekeningen, blz. 407-09.

46. Castel del Monte                                              360

In Apulië, ongeveer 24 K.M. landwaarts van Trani, dat aan de kust van
de Adriatische zee ligt. Gebouwd door Frederik II en veel door hem
gebruikt om te jagen. Men vertelt, dat hij in dit kasteel zijn boek
over de valkenjacht heeft geschreven, waarvan het handschrift zich
in het Vaticaan bevindt. Hij stierf op een ander Apulisch kasteel,
van Fiorentino, dicht bij Lucera.

47. Graftombe van Frederik ii, Kathedraal te Palermo              368

Zie aanteekening bij plaat 35. Toen de sarcophaag werd geopend, vond
men het lijk van den Keizer, gewikkeld in Saraceensche gewaden; op
zijn hoofd was een kroon; zijn schepter en een zwaard lagen naast hem.

48. Karel van Anjou, Rome                                         376

In het Museum van het Capitool, (op een ongunstige plaats, wat de
belichting betreft.) Waarschijnlijk opgericht door de Romeinen na de
afschuwelijke terechtstelling van den jeugdigen Konradijn in 1268,
toen Karel, die hier gekleed ia in een Romeinsche toga, en schepter
en kroon draagt, herkozen werd als Senator van Rome. Het gezicht
is terugstootend door de ruwe en wreede trekken; de neus is "zeer
groot", zooals Gregorovius opmerkt, zeer terecht, want ook Dante,
die Karel van Anjou in het Anti-purgatorium (in plaats van de hel,
waar hij toch zeker had moeten zijn) ontmoet, maakt melding van
zijn maschio naso en noemt hem nasuto (Purgatorio VII, 113). Deze
gelaatstrekken kan Dante juist bij dit standbeeld hebben opgemerkt,
toen hij in 1300 en 1301 te Rome was; en misschien heeft ook Giovanni
Villani dit in Dante's gezelschap gezien, want hij beschrijft Karel
als iemand "met een wreed uiterlijk, een olijfkleurig gezicht en een
grooten neus". Zie blz 435 noot. Den grooten neus kan men ook zien
op de munten van Karel. Zie plaat 45, munt 10 (blz. 408), waar het
gezicht een sterke gelijkenis vertoont met dit standbeeld.

49. S. Maria di Collemaggio, Aquila                               384

Aquila ligt in de Abruzzen. Deze kerk verdient onze aandacht in
verband met de geschiedenis van den ongelukkigen kluizenaar, Paus
Celestinus V, wiens graftombe men hier kan zien, en ook fresco's,
die zijn lotgevallen voorstellen en geschilderd zijn door een
leerling van Rubens. Zie blz. 440 noot. De architectuur is ook
zeer merkwaardig, daar het een voorbeeld is van den zuidelijken,
waarschijnlijk twaalfde-eeuwsche, Lombardisch-Romaanschen bouwstijl,
met prachtige roosvensters, maar met een voorgevel van ingelegd marmer,
die een duidelijke aanwijzing is van Saraceenschen invloed. De kerk
heeft erg geleden door de verschrikkelijke aardbeving van Januari,
1915. Men zegt, dat zij nu zeer gevaarlijk is en men is bezig haar
te steunen, om te voorkomen, dat zij instort.

50. (I). Bonifacius, die het jubileum van 1300 afkondigt          392

Een fragment van een fresco van Giotto, aan een pilaar van het
schip in de Basiliek van het Lateraan, te Rome. Het bewijst, dat
Giotto nog kort voor het jaar 1300 te Rome was. (Zie blz. 488). Het
bewijst ook, dat in dezen tijd Bonifacius de tweede kroon, die men
bij het standbeeld kan zien (en ook zichtbaar is bij de figuur in de
Grotte van de St. Pieter), niet had aangenomen. De oorspronkelijke
hoofdbedekking van den Paus (tiara) was een kegelvormige muts van
goudlaken, waarschijnlijk een navolging van de Phrygische kyrbasia,
of van de apices der Romeinsche priesters. De eerste kroon werd
misschien aangenomen door Bisschop Silvester op grond van de
schenking van Constantijn den Groote. (In de onechte "Donatie"
wordt het woord frigium, d. i. Phrygische muts, gebruikt). Waarom
Bonifacius de tweede kroon heeft aanvaard, weet men niet; maar ik
vermoed, dat het de souvereiniteit over Sicilië en Apulië waarnaar
hij streefde, (zie blz. 442) moest aanduiden. De derde kroon van den
"driedubbelen tyran", zooals Milton hem noemt, werd, naar men weet,
door Paus Urbanus V (die Avignon trachtte te verlaten) aangenomen;
waarom hij dit gedaan heeft, is onbekend.

    (II) Het standbeeld van Bonifacius VIII                       392

Vroeger versierde het den voorgevel, maar nu staat het in den Duomo
te Florence, waar het langs een grooten pilaar toornig schijnt te
kijken naar het portret van Dante, die geschilderd is te midden van
tooneelen uit de Inferno, waartoe hij zijn grooten vijand veroordeelde.

51. Tombe van Hendrik van Luxemburg                               400

In den Campo Santo, te Pisa. Vervaardigd door een beeldhouwer van
Siena, c. 1315.

52. (I) Tombe van den H. Augustinus                               408

In de S. Pietro in Ciel d'oro, te Pavia. Zie plaat 13 en blz. 204
en 248. Het lichaam werd gered uit de handen der Saracenen, en van
Sardinië door Liutprand, c. 723, meegenomen; het werd geplaatst
in de oude Longobardische kerk, die door Agilulf gebouwd is. De
tegenwoordige tombe, kwistig versierd met reliëfs en beeldjes, werd
ongeveer 1370 vervaardigd. Toen de kerk een tijdlang als pakhuis is
gebruikt (1844-75), werd de tombe naar de kathedraal gebracht en het
gebeente werd gelegd in een glazen kist.

    (II) Tombe van den H. Dominicus                               408

In de S. Domenico, Bologna. Vasari zegt; dat het een vroeg werk
(1231!) van Niccolò Pisano is, en voltooid door zijn leerling, Fra
Guglielmo; maar waarschijnlijk is het in zijn geheel uitgevoerd door
dien leerling, omstreeks 1267. Daar hij geen loon had ontvangen,
stal de broeder, naar men vertelt, een rib van den heilige. Een van
de engelen wordt gehouden voor een vroeg werk van Michelangelo.

53. Assisi                                                        416

Klooster en boven-kerk (c. 1250) van de westzijde gezien. Het klooster
is geseculariseerd.

54. S. Gimignano                                                  424

55. S. Zeno (Maggiore), Verona                                    432

Een prachtige Romaansche basiliek uit de elfde eeuw (het koor is van
1260 ongeveer). Het gebouw met den toren en de uitgetande tinnen (de
Ghibellijnsche merli) werd soms, naar men vertelt, door de Keizers
als verblijf gebruikt, wanneer zij Italië bezochten.

56. De Paleizen Loredan en Farsetti, Venetië.                     440

Beide in Venetiaansch-Romaanschen stijl van ongeveer 1150 en
buitengewoon mooi door hun verhoudingen. Het Loredan (aan de
linkerzijde) noemt Ruskin het prachtigste van alle paleizen aan het
groote kanaal.

57. (1) Mozaïek in de S. Maria in Trastevere                      448

Voor het bovenste gedeelte (ongeveer 1140) zie men blz. 488 en voor
het algemeen karakter van dergelijke mozaïeken blz. 239-40.

    (2) La Navicella                                              448

In het voorportaal van de St. Pieter, te Rome. Geschilderd door Giotto,
of naar zijn ontwerp, misschien door Cavallini. Zie blz. 488. Het
bovenste gedeelte in het bijzonder heeft belangrijke veranderingen
ondergaan om het voor zijn tegenwoordige plaats in orde te maken. Het
was oorspronkelijk in het atrium van de oude basiliek.

58. Kansel in La Trinità della Cava, bij Salerno                  456

Zoowel de kansel als de spiraal-zuil voor de Paaschkaars zijn zeer
fraaie voorbeelden van Zuid-Italiaansch "Cosmati" werk (c. 1250). Zie
blz. 489.

59. Cosmati-tombe in S. Maria sopra Minerva, Rome                 464

Zie blz. 489.

60. S. Croce, Florence                                            472

Zie blz. 492-93.

61. De kansel van het Baptisterium, Pisa                          480

Een werk van Niccolò Pisano. Zie blz. 496-99.

62. De kansel te Ravello                                          488

Zie blz. 498-99. Ravello ligt niet ver van Amalfi.

63. De kansel te Siena                                            496

Zie blz. 499.

64. Palazzo pubblico, Siena                                       498

Een van de mooiste Italiaansch-Gotische paleizen. Zie blz. 494. De
klokketoren, ongeveer 100 meter hoog, heet La Torre del Mangio en
werd c. 1330-40 gebouwd; het paleis zelf werd tusschen 1289 en 1305
opgericht. Siena werd Welfsch in 1270 (zie blz. 477); derhalve hebben
wij hier de vierkante Welfsche tinnen, welke men moet onderscheiden
van de uitgetande Ghibellijnsche tinnen (merli) op de platen 41 en
55. Bij den Florentijnschen Palazzo Vecchio heeft het hoofdgebouw
(c. 1300) de vierkante, en de toren (c. 1460) de uitgetande tinnen.

65. Kathedraal te Siena                                           500

Zie blz. 492.



ILLUSTRATIES IN DEN TEKST.


                                                                Bladz.

Kasteel van Theoderik te Verona (zegel)                           150

Classe, Ravenna (Mozaïek)                                         152

Theoderik's paleis te Ravenna (Mozaïek)                           152

Leo's Triclinium-mozaïek                                          216

Relief boven het portaal van de Kathedraal te Monza               227

Zuilen en kapiteelen in de S. Costanza fuori, Rome                233

Kapiteelen in de S. Vitale                                        238

Lombardisch werk in de basiliek van S. Abbondio, bij Como         249

Kapiteel in de S. Pietro, Toscanella                              250

Kapiteel in de S. Ambrogio, Milaan                                250

De oude basiliek van St. Pieter te Rome                           261

Trappen van het Presbyterium en "Confessio" in de S. Giorgo te
Valabro                                                           266

"Confessio" in het Oratorium van de catacombe van S. Alessandro,
te Rome                                                           266

Munt van Michael Palaeologus                                      274

Hij knielt voor Christus en wordt gesteund door den Aartsengel
Michael. Op de keerzijde ziet men de Heilige Maagd, omgeven door de
muren van Constantinopel. Pachymerus, een geschiedschrijver uit dien
tijd, zegt, dat Michael Palaeologus valsche gouden munten liet slaan om
in de groote aanvraag te voorzien, en dat deze munten op de keerzijde
"een beeld van de stad" vertoonden.

Venetiaansche Munt van c. 860                                     374

Daar Venetië in dien tijd bijna onafhankelijk is, staat op deze munten
"God beware het Romeinsche Keizerrijk" en "God beware Venetië" in
plaats van den naam van den Keizer. Het gebouw is de "Karolingische
Tempel", die men dikwijls op munten van dit tijdperk vindt. Na 1100
worden alle aanduidingen over het Keizerrijk weggelaten, en na 1155
wordt op de grossi en matapans de naam van den Doge gezet. Giovanni
Dandolo liet het eerst gouden dukaten en zecchinen slaan, ongeveer
1285. Zie plaat 45, munt 14 (blz. 409).

Florentijnsche Munt van c. 1200                                   388

Zilveren grosso. Hetzelfde type werd gebruikt voor den gouden
florijn. Zie plaat 45, munt 16 (blz. 409).

Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290                            476

Ugolino was bailli in Sardinië, waar zijn zonen, Guelfo en Lotto deze
gouden munten lieten slaan met het wapen van de familie (Gherardesca).

Munt van Milaan, c. 1260                                          480

Type van den Milaneeschen gouden florijn, met S. Ambrosius en de twee
Milaneesche heiligen, Protasius en Gervasius. Waarschijnlijk heeft
een van den Torriani of Visconti dezen laten slaan.



EERSTE DEEL.

HISTORISCH OVERZICHT.

305-476.


In 305 deed Diocletianus afstand van de regeering en dwong Maximianus,
een Pannonisch soldaat, dien hij twintig jaar tevoren had gekozen
tot Keizerlijk collega (d. w. z. tot "Augustus") om hetzelfde te
doen. Daarna liet hij het Keizerrijk over aan Constantius Chlorus en
Galerius, die tot dusverre slechts "Caesars" d.w.z. troonopvolgers
waren geweest. Als nieuwe Caesars werden gekozen Severus en Maximinus.

Constantius had vroeger Helena, die misschien van Britsche afkomst
was getrouwd; bij haar had hij een zoon, den lateren Constantijn den
Groote. Toen hij tot Caesar werd gekozen (293) was hij gedwongen Helena
te verstooten en Theodora te huwen, de dochter van Keizer Maximianus;
en de jonge Constantijn, die zich waarschijnlijk beleedigd voelde, had
er de voorkeur aan gegeven in het verre Oosten als soldaat te dienen
in plaats van te blijven bij zijn vader, die het opperbevel voerde
in Gallië en Brittannië. Maar vijftien maanden na zijn verkiezing
als Keizer over het Westen stierf Constantius te York en zijn zoon
Constantijn, die haastig van Nicomedia (in Bithynië) was gekomen om
zich bij zijn vader te voegen op diens expeditie tegen de Caledoniers,
werd door het leger te York begroet als Augustus en Imperator.

Galerius had zich voorgesteld, dat hij bij den dood van Constantius
alleen keizer worden zou, maar toen Constantijn hem bericht zond van
zijn benoeming was hij verplicht zijn woede te verkroppen en morrend
stond hij hem den titel van Caesar toe, terwijl hij Severus bevorderde
tot de waardigheid van Augustus en hem de provincie Italië toekende.

Maar Maxentius, de zoon van den ouden Maximianus (die zich na zijn
abdicatie in onmachtigen wrok heeft teruggetrokken) verwekt nu een
opstand in Rome en Severus vlucht naar Ravenna, waar hij capituleert
en gedwongen wordt zelfmoord te plegen. De oude Maximianus bezoekt
Constantijn in Gallië om met hem te onderhandelen en neemt zijn dochter
Fausta mede, die Constantijn te Arles trouwt. Krachtens zijn vroegere
keizerlijke waardigheid bekleedt Maximianus daarna Constantijn met het
purper en bekrachtigt aldus zijn verkiezing door het leger. Dadelijk
dringt de Oostelijke Augustus, Galerius, toen hij den dood van Severus
had vernomen, Italië binnen, doch moet terugtrekken. Dan benoemt hij
Licinius als Augustus voor de Illyrische provincie. Daarna vraagt de
overgebleven "Caesar" Maximinus den keizertitel voor Egypte en Syrië,
die hem met tegenzin wordt toegekend, terwijl te Rome Maxentius
zichzelf tot Keizer van Italië proclameert en zijn vader, den oude
Maximianus, overhaalt wederom het purper aan te nemen. Derhalve
hebben wij niet minder dan zes Keizers tegelijk--een merkwaardig
verwarden toestand!

Maxentius en zijn vader krijgen twist. De praetorianen verklaren zich
voor den jongste en Maximianus trekt terug naar Illyricum; vandaar
door Galerius verdreven gaat hij weer naar Arles in Zuid-Gallië en
staat het purper af aan zijn schoonzoon Constantijn. Maar terwijl
Constantijn op een expeditie is in het Rijnland, overvalt den ouden
man een onbedwingbare aandrift om de schatkist te Arles te bemachtigen
en een aantal soldaten over te halen hem nog eens tot Keizer uit te
roepen. Constantijn komt met zijn vloot opzetten, de Saône en de Rhône
af, en Maximianus vlucht naar Marseille in de hoop door de Romeinsche
vloot van zijn zoon Maxentius ontzet te worden; maar de burgers laten
hem in den steek en hij wordt door Constantijn ter dood gebracht,
terwijl Fausta haar natuurlijk gevoel opoffert aan haar huwelijksche
plichten en blijkbaar de terechtstelling van haar vader goedkeurt.

Galerius stierf kort daarna (311) in zijn paleis te Nicomedia,
door wurmen opgevreten, naar men zegt. Hij schijnt een trotsch, maar
flink en ondernemend karakter gehad te hebben, en zijn regeering werd
bekend door vele werken van algemeen nut b.v. de draineering van een
uitgestrekt moeras tusschen de Drave en den Donau.

Nu zijn er nog slechts vier keizers over: Maximinus in Azië en Egypte,
Licinius in Oost-Europa, Constantijn in het Westen, terwijl Maxentius
Italië en Noord-Afrika tyranniseert. Maar Italië en Noord-Afrika
waren te klein voor de eerzucht van Maxentius. Hij toont openlijk
zijn bedoeling om het gebied van Constantijn binnen te dringen,
wiens keizerlijke titels op zijn bevel worden uitgekrast en wiens
standbeelden hij smadelijk laat omverwerpen. Daarop marcheert
Constantijn, na de helft van zijn leger aan den Rijn gelaten te
hebben, met ongeveer 40.000 man zuidwaarts tegen 200.000 op, trekt
de Mont-Cenis over, neemt Susa, Turijn, Milaan en Verona, en met de
snelheid van een adelaar, zooals de groote Caesar zelf, is hij weldra
bij Rome, waar in den slag bij Saxa Rubra (de roode rotsen, bij den
Pons Milvius) Maxentius wordt verslagen en in den Tiber verdrinkt
(312).

In 313 bevestigde Constantijn's "Edict van Milaan" den zoogenaamden
"Kerkvrede" en de erkenning, ten minste in het westelijke Keizerrijk,
van het Christendom als een wettigen godsdienst--misschien als den
Staatsgodsdienst, ofschoon Constantijn zelf een heiden bleef, of
ongedoopt, tot kort voor zijn dood. In hetzelfde jaar begint Maximinus
(Nicomedia) een oorlog met Licinius (Byzantium en Illyricum), maar
wordt verslagen en vlucht naar Tarsus, waar hij sterft. Derhalve zijn
er nu slechts twee Keizers, Constantijn en Licinius, die gedurende
tien jaar (314-324) het Romeinsche Keizerrijk verdeeld houden. Zij
twisten en verzoenen zich en twisten dan weer. Constantijn neemt
Byzantium, en ofschoon hij op verzoek van zijn eigen zuster beloofd
had het leven van haar gemaal te sparen, liet hij kort daarna zijn
schoonbroeder Licinius ter dood brengen, nadat hij hem gedwongen had
voor zijn voeten te knielen en hem met beleedigend medelijden had
doen opstaan. Aldus werd de Romeinsche wereld ten slotte wederom voor
eenigen tijd onder één Keizer vereenigd.

In de volgende zes jaar bewerkt Constantijn het overbrengen van den
zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat hij van nieuwe muren
en publieke gebouwen voorziet. In 330 wordt het aan hem gewijd met
zijn nieuwen naam Constantinopolis. Het was in deze periode--een
jaar na de inneming van Byzantium en den moord op Licinius--dat
hij het beroemde Concilie te Nicaea in Bithynië bijeenriep, waar de
Niceensche geloofsbelijdenis werd vastgesteld en de leerstellingen van
Arius werden veroordeeld. (Constantinus werd, ofschoon legende en kunst
vertellen, dat hij door bisschop Silvester te Rome in 324 werd gedoopt,
pas op zijn sterfbed door een Ariaansch bisschop gedoopt.) Niet lang
nadat hij aldus den eersten steen had gelegd van de orthodoxie, liet
hij zijn oudsten zoon Crispus en zijn eigen vrouw Fausta (men denke
aan Hippolytus en Don Carlos!) en zijn neef, den jongen Licinius ter
dood brengen. Tegen het einde van zijn regeering leidt Constantijn
een veldtocht tegen de Goten, die nu de Scythische bewoners van
Midden-Europa, in dien tijd Sarmaten geheeten, over den Donau
beginnen te drijven. Hij verslaat de Goten in een grooten veldslag,
maar de Sarmaten (voorvaders van de Bulgaren) worden ten slotte ten
Zuiden van den Donau gedrongen en 300.000 krijgen land in Thracië,
Macedonië en Italië.

In 337 sterft Constantijn de Groote in zijn paleis bij Nicomedia
(Bithynië) en het Keizerrijk wordt verdeeld onder zijn drie zonen,
een en twintig, twintig en zeventien jaar oud, Constantinus II,
Constantius II en Constans. De eerste van deze (Keizer van Gallië,
Brittannië en Spanje) wordt gedood, toen hij Italië, de provincie
van zijn broeder Constans binnendrong; Constans wordt vermoord door
een usurpator, Magnentius.

Toen werd Constantinus, die een dozijn neven en ooms uit den weg had
laten ruimen, alleen Keizer. Hij valt Magnentius aan en verslaat hem
bij Mursa aan de Drave en jaagt hem voort van de eene plaats naar de
andere. Eindelijk wordt de usurpator ingehaald bij Lyon en stoot zich
in zijn zwaard.

Constantius, wiens hof (te Constantinopel en later te Milaan) wordt
geregeerd door ambtenaren van het paleis, vooral door een eunuch,
Eusebius, vermeerdert zijn familiemoorden door Gallus, zijn neef, uit
den weg te ruimen, die met zijn zuster Constantina, een menschelijke
furie, was gehuwd en dien hij als "Caesar" voor de provincie van het
verre Oosten had aangesteld.

De broeder van Gallus, de toekomstige Keizer Julianus (van wien nog
vele geschriften over zijn) vertelt ons de schandelijke geschiedenis
van deze tragische gebeurtenis. Ook hij was door Constantius gevangen
gezet en redde ternauwernood het leven door de gunst van de Keizerin,
de schoone en beminnelijke Eusebia. Hij werd verbannen naar Athene,
maar door den invloed van Eusebia teruggeroepen naar Milaan, trouwde
met Helena, een andere zuster van Constantius, en ontving den titel
van "Caesar" en het bestuur over het Westen. Hoe er twist ontstond,
hoe Julianus door zijn soldaten tot Augustus werd uitgeroepen, hoe
Constantius kwam aanstormen van het verre Oosten om den usurpator te
straffen, hoe hij bij Tarsus stierf, zal later uitvoeriger verteld
worden, wanneer het karakter en de regeering van den Afvalligen Keizer
zal worden behandeld.

Julianus regeerde slechts twintig maanden en was nog geen 32 jaar, toen
hij stierf. Hij bezweek aan een pijlwond in Perzië ten Oosten van den
Tigris, niet ver van de plaats waar nu Bagdad staat, toen zijn leger
(zooals vroeger in die streken het leger van de 10.000 Grieken) groot
gevaar liep vernietigd te worden. Het wordt meer door de staatsmans-
dan veldheerskunst van Jovianus gered, een officier van de Lijfgarde,
die (nadat Sallustius, de edele Prefect van de Oostelijke provincies,
voor de eer heeft bedankt) tot Keizer wordt uitgeroepen door de troepen
en een vernederenden vrede aanneemt van den Perzischen Koning Sapor,
wien hij vijf provincies en verscheidene steden afstaat. Nadat het
Keizerlijke leger vele manschappen in de rivieren en de woestijn van
Mesopotamië heeft verloren, bereikt het Antiochië, waar, zooals overal
op zijn terugtocht, groote verontwaardiging wordt opgewekt door den
afstand van de Oostelijke provincies. (Op de munten van Jovianus ziet
men hem met lauwerkransen, gevleugelde Victoriae en gevangenen aan
zijn voeten!)

Gedurende zijn verblijf van zes weken te Antiochië en zijn geforceerden
marsch door Klein-Azië naar Constantinopel verspreidt Jovianus
proclamaties, die verdraagzaamheid aanraden jegens het paganisme,
maar het Christendom herstellen en ook den "Kerkvrede", terwijl hij
tevens den ouden Athanasius wederom op den patriarchalen troon van
Alexandria plaatst--een poging tot pacificatie die hem enthusiaste
toejuichingen bezorgt van de katholieke hierarchie, maar weldra gevolgd
wordt door nog meer verbitterde, broedermoordende twisten tusschen
de Christelijke sekten. Te Tarsus wordt het lijk van keizer Julianus
verbrand. Vandaar trekt Jovianus verder met de Christelijke vaan
(het Labarum) aan het hoofd van zijn leger; maar voordat hij Nicaea
bereikt, sterft hij plotseling--vergiftigd, misschien door paddestoelen
of door den damp van houtskool of van een pas gepleisterde kamer.

In plaats van Jovianus wordt (nadat de prefect Sallustius nog eens
voor de eer bedankt had) Valentinianus gekozen, een flink officier van
Pannonische afkomst. Na zijn benoeming roept men van alle kanten dat
hij een collega moet kiezen. Hij belooft niets, maar een maand later,
na zijn aankomst te Constantinopel, vereert hij zijn broeder Valens,
die beschreven wordt als een zwakzinnige, dikke, gebrekkige man,
met den titel van Augustus. Derhalve wordt het Keizerrijk wederom
verdeeld (364); Valens wordt het Oosten toegewezen, van den Donau tot
Perzië; hij resideert voornamelijk te Antiochië; Valentinianus behoudt
Illyricum, Italië, Noord-Gallië en de andere westelijke provinciën
en kiest Milaan als zijn keizerlijke residentie.

In 365 en 366 heeft plaats de aanslag van Procopius, een bloedverwant
van Julianus en een heiden, die zich meester wil maken van het
Oostelijke Keizerrijk. Hij neemt Constantinopel, wordt door de troepen
in Thracië en aan den Donau erkend en zijn generaals onderwerpen
Bithynië. De bange Valens, die nu te Caesarea is, wil afstand doen,
maar zijn ministers staan het niet toe. De bejaarde Sallustius wordt
wederom tot prefect van het Oosten gekozen en Procopius vlucht,
nadat hij bij Thyatira verslagen is, naar de Phrygische bergen,
maar wordt verraden en onthoofd. De laffe en zwakke Valens wordt dus
hersteld op den troon van het Oostelijke Keizerrijk. Hij wijdt zijn
grootste werkkracht aan het vervolgen van "Athanasische Katholieken"
(hij was zelf een Ariaan, gedoopt door den Ariaanschen patriarch
van Constantinopel). De oude Athanasius vlucht, misschien voor den
vijfden keer, uit Alexandrië; maar het volk grijpt naar de wapenen
en hersteld zijn patriarch, die kort daarna sterft (373).

Valentinianus, lang en koninklijk van gestalte, verwierf eerst
eerbied en genegenheid en schijnt nuttige wetten te hebben gemaakt
(een van dezen beperkte de legaten aan de Kerk, die nu aan weelde
begon toe te geven). Hij schijnt ook in verscheidene steden Akademies
te hebben gesticht, zooals eeuwen geleden in Athene bestonden. Maar
hij regeerde nog niet lang of hij werd de slaaf van een onbedwingbare
wreedheid, die vele duizenden slachtoffers eischte, vooral in Rome en
Antiochië; de vonnissen waren meestal gebaseerd op beschuldiging van
tooverkunst. (Men zegt dat hij twee woeste berinnen hield, Innocentia
en Mica Aurea om de veroordeelden voor zijn oogen te verscheuren.) Zijn
cholerisch temperament was de onmiddellijke oorzaak van zijn dood,
want toen in 375 gezanten van de Quaden, een barbaarsche volkstam,
bij hem in zijn paleis te Trier kwamen, voer hij zoo heftig tegen
hen uit, dat hij een aderbreuk kreeg.

Valentinianus I werd opgevolgd door zijn zoon Gratianus dien hij als
kind van negen jaar tot Augustus had benoemd en die nu zestien jaar
telde. Maar een deel van het leger was op de hand van zijn half-broeder
Valentinianus, een baby van vier jaar, en Gratianus neemt hem goedig
als collega aan, onder regentschap van de moeder van het kind,
Justina; hij geeft hem de provincie Italië en wijst hem Milaan als
residentie aan.

Omstreeks dezen tijd had de zwakzinnige Oostelijke Keizer, Valens,
de oom van de jeugdige bestuurders van het Westen, een groote
menigte West-Goten, die over den Donau waren gedreven door de Hunnen,
toegestaan zich te vestigen in Moesië en Thracië. Deze West-Goten, door
een afschuwelijken hongersnood geteisterd en ellendig behandeld door de
keizerlijke ambtenaren, stonden op en begonnen het land te verwoesten;
Valens valt hen aan. Niet ver van Hadrianopolis wordt slag geleverd
en ongeveer 40.000 man worden neergehouwen, een ramp te vergelijken
met die van Cannae. Valens verdween in het felst van den strijd en is
nooit meer gezien. Het gerucht liep, dat een hut waarin hij met zijn
gevolg was gevlucht, door de Goten in brand was gestoken en dat allen
in de vlammen waren omgekomen. Gratianus (378) kiest nu tot Keizer van
het Oosten den generaal Theodosius, van Spaansche afkomst. Hij zelf,
een vriendelijke en sportlievende jongeling van negentien jaar, die
opgegroeid was onder den zachten invloed van den dichter Ausonius,
wekte de verachting van zijn soldaten op door zijn tijd te gebruiken
met jagen op zijn uitgestrekte jachterreinen in Gallië, in Scythisch
kostuum, omgeven door Scythische meisjes en gunstelingen. Weldra wordt
er een opstand in Brittannië verwekt door Maximus, een Romeinschen
balling, die een edelvrouw van Carnarvon had gehuwd. Met een groot
leger (later sprak men van de emigratie van een belangrijk deel der
Britsche natie, zegt Gibbon) valt hij Gratianus aan, die naar Lyon
vlucht, waar hij wordt gevangen genomen en gedood (383). Maximus
proclameert zichzelf tot Augustus. Gedurende vier jaar is hij de facto
Keizer van het Westen ten noorden van de Alpen en als zoodanig door
Theodosius erkend; maar weldra dringt hij Italië binnen, en verjaagt
Justina met haar zoon, Valentinianus II, nu een jongen van vijftien
jaar, van Milaan naar Aquileia, en van Aquileia naar Constantinopel.

Theodosius, de keizer van het Oosten, ontvangt de vluchtelingen,
en wordt verliefd op Galla, de zuster van den jongen keizer van
het Westen. Nadat hij haar getrouwd heeft, voert hij oorlog tegen
Maximus, dien hij verslaat en doodt, herstelt Valentinianus II op zijn
troon (388) en brengt drie jaren in Rome en Milaan door. Gedurende
dit verblijf te Milaan werd Theodosius, die als vurig katholiek
en verdelger van het Arianisme in de bijzondere gunst stond van
St. Ambrosius, naar men zegt door den aartsbisschop uit de kathedraal
van Milaan geweerd, totdat hij openlijk boete had gedaan voor het
bloedbad van de argelooze burgers van Thessalonica, dat hij bij een
oploop had geduld.

Ongeveer twee jaren later (392), niet lang na Theodosius' terugkeer
te Constantinopel, werd de jonge Valentinianus vermoord te Vienne
in Gallië, waarschijnlijk door een Frankisch generaal, Arbogast. Zoo
bleef Theodosius als eenige wettig keizer over. Arbogast trad op als
dictator en koos als keizer van het Westen een rhetor, Eugenius. Het
duurde twee jaren, voordat Theodosius tegen dezen tweeden usurpator
een veldtocht waagde, dien hij met groote inspanningen gevaar versloeg
bij den Frigidus (Koude rivier), bij Aquileia. Arbogast stortte zich
in zijn zwaard en Theodosius, bevrijd van alle mededingers was nu,
zoowel in werkelijkheid als in naam, de opperheerscher van het
Romeinsche Keizerrijk.

Maar zijn leven wordt bedreigd door waterzucht, veroorzaakt door zijn
weelderige levenswijs; hij benoemt dus twee opvolgers, den eerste in
het Oosten, den tweede in het Westen, roept den jongste, Honorius, een
jongen van tien jaar, naar Milaan (395) om den schepter over het Westen
uit zijn stervende handen te ontvangen en vertrouwt de voogdij over den
jongen toe aan den bevelhebber van zijn leger, Stilicho. Het Oostelijke
Rijk werd toegewezen aan Arcadius, een zwakken jongeling van achttien
jaar, kwaadaardig en hebzuchtig van karakter, en als zijn regent
werd door Theodosius gekozen de eerste minister van Staat, Rufinus,
een hatelijke Galliër van obscure afkomst. Deze verdeeling van het
Rijk blijft bestaan, met uitzondering van twee jaren na den dood van
Honorius. Voortaan zal dus Italië voornamelijk onze aandacht vragen.

Honorius, die achtentwintig jaar regeerde, stond intellectueel
zoo laag, werd beheerscht door zoo teugellooze hartstochten en
onnatuurlijke neigingen, dat men hem met recht van krankzinnigheid
kan verdenken. Toch vonden er gedurende zijn regeering gebeurtenissen
plaats, die hoogst belangrijk waren voor de toekomst van Italië.

De hoofdrol in het nu volgende drama speelt Stilicho, de reeds
genoemde Vandaal, eerst voogd en later schoonvader van Honorius,
in de litteratuur bekend als de held in de gedichten van Claudianus,
den laatste van de klassieke Latijnsche dichters. In 395 gelukt het
hem zijn mededinger Rufinus te laten vermoorden door Gotische soldaten
en gedurende ongeveer dertien jaar is hij inderdaad de heerscher over
beide Keizerrijken.

In 402, nadat hij Honorius, die in grooten angst Milaan had verlaten
bij het binnendringen van de West-Goten onder Alarik en de Vandalen
onder Radegast, had bevrijd, overreedde Stilicho hem om den zetel
van de regeering over te brengen naar Ravenna; die stad bleef voor
vele jaren de hoofdstad van Italië.

Stilicho verslaat Alarik bij Turijn en daarna bij Verona; ten slotte
(405) neemt hij Radegast gevangen en doodt hem; deze was met een
geweldig leger van Vandalen en andere barbaren uit Rhaetia gekomen
en belegerde Florence. Maar om deze indringers het hoofd te bieden
trekt Stilicho legioenen van den Rijn weg, waardoor hij in Gallië een
stortvloed van woeste Vandalen en andere Germaansche stammen binnen
laat, die zeventien provincies verwoesten. Ook aan Brittannië onttrekt
hij troepen en weldra komt de Romeinsche heerschappij hier tot een
einde, zoodat de Britten, aldus overgelaten aan de plunderingen van
de Picten en Scoten, de "Engelsche" zeeroovers te hulp roepen--welke
hulp ongeveer veertig jaar later kwam met Hengist en Horsa!

In 407, een van de laatste jaren van de Romeinsche occupatie, wordt
een gewoon soldaat, Constantijn, door de soldateska in Brittannië tot
de waardigheid van Keizer verheven en gedurende eenigen tijd joeg hij
Honorius schrik aan door zijn veroveringen uit te breiden over Gallië
en Spanje, van den muur van Antoninus tot de zuilen van Hercules.

De populariteit en de invloed van Stilicho lijdt door deze
gebeurtenissen. Hij wordt aangeklaagd van verraad en in 408 te
Ravenna, waar hij in een kerk gevlucht was, vermoord, misschien
op bevel van Honorius. De dood van Stilicho opent de sluizen voor
de West-Goten. Dertig duizend Goten, tot nog toe in dienst van
Stilicho en het Keizerrijk, voegen zich bij Alarik, die, nadat hij
de haven van Ostia heeft genomen, driemaal Rome heeft geblokkeerd
en door hongersnood tot afschuwelijke daden heeft gebracht, Rome
binnentrekt in 410--de eerste keer, dat de stad werd betreden door
een buitenlandschen vijand sinds de inneming door de Galliërs in
390 vóór Christus. Alarik bleef slechts drie of misschien zes dagen
in Rome, waar blijkbaar minder gemoord en geplunderd is, dan men had
verwacht. Daarna marcheerde hij Zuidwaarts, misschien met de bedoeling
Sicilië aan te vallen, maar stierf te Cosenza en werd, naar men zegt,
onder het water van de Busento begraven; de bedding werd eenigen tijd
verlegd om een graf en een monument te bouwen.

De terugtocht van de West-Goten uit Italië onder Athaulf (Adolf), de
stichting van hun rijk in Zuid-Gallië, en de merkwaardige lotgevallen
van de prinses Galla Placidia, die Alarik in Rome gevangen nam,
zullen in het vijfde hoofdstuk uitvoeriger beschreven worden.

In dit verband is het voldoende te zeggen dat deze dochter van Keizer
Theodosius den Groote naar Gallië werd gevoerd door Athaulf, die kort
na zijn huwelijk met haar stierf. Zij wordt door haar halfbroeder
Honorius vrijgekocht voor 600.000 maat koren en op haar terugkeer naar
Italië trouwt zij met Constantius, die den titel Augustus van Honorius
ontvangt, maar reeds in 421 sterft. Daarna geraakt zij in twist met
Honorius en loopt weg met haar zoon, die nauwelijks vier jaar oud is,
naar Constantinopel. Daar was nu Theodosius II, haar neef, Keizer. Hij
was Arcadius opgevolgd, toen hij een kind van zeven jaar was, en was
tot nog toe onder het regentschap van zijn zuster Pulcheria geweest,
die nog langen tijd, zelfs gedurende zijn geheele regeering (vooral
nadat zijn gemalin Eudocia zich naar Palestina had teruggetrokken)
in waarheid de heerscheres van het Oostelijk Rijk was, en na zijn
dood in 450 als Keizerin werd erkend, maar gedwongen werd of verlof
kreeg tot Keizerlijk gemaal een handigen oud-soldaat en senator,
Marcianus te nemen.

Doch om terug te keeren tot Placidia en haar zoontje: zij worden
vriendelijk opgenomen door Pulcheria en Theodosius en een paar maanden
later, na den dood van Honorius, wordt de titel "Augustus van het
Westen" gegeven aan den jongen Valentinianus, die nu ongeveer zes jaar
is, en onder regentschap van zijn moeder staat. Het geheele Romeinsche
Rijk bevindt zich nu feitelijk onder het bestuur van twee vrouwen,
van welke de eene (Placidia) ongeveer vijftien jaar (425-'40) en de
andere (Pulcheria) ongeveer veertig jaar de teugels van het bewind
in handen houdt.

De lange regeering van Valentinianus III (425-'55) is bekend door
twee zeer belangrijke invallen--van de Hunnen en van de Vandalen.

Aan zijn hof, of liever aan dat van zijn moeder Placidia, te Ravenna,
heeft de rivaliteit van twee aanzienlijke generaals, Aëtius en
Bonifacius, grooten invloed op den loop der gebeurtenissen.

Bonifacius, een trouwe steun van Placidia in de dagen van haar
ballingschap, had het bestuur over de provincie Afrika gekregen,
waar hij een groot vriend was geworden van St. Augustinus. Aëtius
had een usurpator, die door Theodosius te Ravenna overwonnen was,
gesteund en zelfs een groot leger van Hunnen opgeroepen om den opstand
kracht bij te zetten, doch hij was verstandig genoeg om de gunst van
Placidia te zoeken, wier voornaamste raadsman hij werd aan het hof te
Ravenna. Door de kuiperijen van Aëtius werd Bonifacius teruggeroepen
van zijn commando in Afrika; maar hij gehoorzaamde niet en men zegt
dat hij in een opwelling van verontwaardiging de Vandalen naar Afrika
riep. In 429 stak hun koning Gaiserik (Genserik) van Spanje over met
een groot leger en trots den wanhopigen tegenstand van Bonifacius,
die te laat berouw had van zijn dwaling (als hij die ooit heeft begaan)
verwoesten zij het gansche land en nemen Hippo na een lange belegering
in, gedurende welke St. Augustinus, die met Bonifacius in de belegerde
stad was, stierf. Bonifacius ontsnapt en keert terug naar Ravenna,
waar hij duelleert (of misschien een slag levert) met Aëtius en aan
zijn wonden sterft (432). Aëtius wordt daarna--volgens sommigen--door
Placidia tot rebel verklaard; hij vlucht naar zijn vrienden, de Hunnen,
en voert wederom een geweldig leger van deze barbaren naar Ravenna om
schrik aan te jagen. Onderwijl verwoesten Gaiserik en zijn Vandalen
Afrika te vuur en te zwaard. In 439 nemen zij Carthago en kort daarna
vallen zij Sicilië aan en plunderen het; Placidia wordt gedwongen een
verdrag te teekenen, waarbij zij hun de veroverde provincies afstaat en
zich aldus een tijdperk van vrede verzekert. In 450 sterft Placidia,
die sinds tien jaar van haar regentschap afstand had gedaan, te Rome,
ofschoon haar graftombe te Ravenna is.

De periode 450-452 is gedenkwaardig wegens den schrik, door Attila den
Hun, den geesel Gods veroorzaakt, die als een bliksemstraal neerschiet
op het Westelijke Rijk, maar verslagen wordt of ten minste beteugeld
door Aëtius en zijn bondgenooten, de West-Goten, in den grooten slag
bij Châlons--een slag, die over het lot van Europa besliste en verdient
vermeld te worden naast den slag bij Salamis, Himera of Tours. Toen
stort Attila zich, razend, op Italië en verovert vele steden, waaronder
Padua en Aquileia. (De vluchtelingen van deze en andere plaatsen
vestigen zich te Grado, op de lagunen en de lidi, waar Venetië later
verrijst). Aan den zuidelijken oever van den Lacus Benácus (Lago di
Garda) ontmoet Attila nu een gezantschap van Rome, aan welks hoofd
Paus Leo de Groote staat. Wat er gezegd is of wat er gebeurde om
zulk een wonder te veroorzaken, is onbekend, maar het staat vast,
dat na dit onderhoud de woeste Hunnenkoning met zijn leger wegtrok;
en kort daarna sterft hij plotseling--misschien aan haemorrhagie.

Valentinianus III had Aëtius zijn dochter beloofd, maar na Attila's
dood krijgt hij meer zelfvertrouwen en toen Aëtius te zeer op zijn
belofte aandrong, vermoordt hij hem in een vlaag van woede.

Het volgend jaar (455) wordt Valentinianus zelf, terwijl hij de
athletische spelen te Rome bijwoonde, door twee soldaten gedood, uit
wraak over den moord op Aëtius, of, misschien om een andere reden,
zooals wij zullen zien. Dus is de dynastie van Theodosius uitgeroeid
(want Pulcheria was twee jaar tevoren te Constantinopel gestorven)
en wij kunnen dit jaar 455, dat verwoesting en ellende over Rome
bracht, terecht beschouwen als het einde van het West- d.w.z. van het
oude-Romeinsche Rijk; want, ofschoon in de volgende een en twintig
jaren niet minder dan negen zoogenaamde Keizers verrezen en vielen
in Rome, zijn deze slechts schimmen in de groote processie van
Augusteïsche monarchen--poppen van barbaarsche vorsten of generaals.

De moord op Valentinianus was misschien een wraakneming, niet alleen
voor den dood van Aëtius, maar ook voor een beleediging, die de
Keizer de vrouw van een Romeinsch senator, Petronius Maximus had
aangedaan. Hoe dat ook zij, Maximus werd nu benoemd tot Keizer, en hij
tracht de jonge weduwe van den vermoorden Valentinianus te dwingen met
hem te trouwen, wat een zonderlinge methode schijnt om de beleediging,
zijn eigen vrouw aangedaan, te wreken. Maar Eudoxia, dochter van
den vroegeren Keizer Theodosius II, verontwaardigd over het voorstel
van den moordenaar van haar gemaal roept den Koning der Vandalen naar
Rome. Doch misschien had zij nauwelijks tijd om dat te doen--want haar
gemaal was gedood in het begin van 455 en in Juni waren Gaiserik en
zijn Vandalen bij den mond van den Tiber. Eenige dagen later trekken
zij Rome binnen, waar de nieuwe Keizer gesteenigd en gedood wordt bij
een oploop, toen hij trachtte uit de stad te vluchten; een Bourgondisch
soldaat eischte de eer van de eerste wond op. De plundering van Rome
zal later beschreven worden; hier is het voldoende er bij te voegen,
dat, toen Gaiserik naar Sicilië en Afrika terugkeerde, hij met den
ontzaglijken buit (waaronder de schatten van den tempel van Jeruzalem)
ook als gevangene de Keizerin meevoerde, die, naar men zegt, hem naar
Italië had geroepen, alsmede haar twee dochters, van welke er een
(Eudocia) met zijn zoon, de Vandalen-Koning Hunnerik trouwde.

Rome is gedurende eenige maanden verlamd door deze ramp. Ten slotte
nam de Koning der West-Goten, Theoderik II, wiens vader was gesneuveld
in den slag bij Châlons, het op zich in de vergadering te Arles van de
hoofden der Romeinen en Goten van Gallië, den aanvoerder van het leger
in Gallië, Avitus, geboortig uit Auvergne, als Keizer te kiezen. De
senaat en het volk van Italië, ofschoon onwillig, nemen hem aan en zijn
verkiezing wordt bekrachtigd door den Keizer van het Oosten, Marcianus.

Maar de regeering van Avitus duurde kort. Zijn voornaamste bevelhebber,
Ricimer, een barbaar--zijn moeder was een West-Gotische prinses en zijn
vader was van Sueefschen adel--brengt de Vandalen een verpletterende
nederlaag toe bij Corsica en na aldus populariteit verworven te hebben,
neemt hij de teugels van het bewind in handen en speelt in de volgende
zestien jaar de rol van Keizer-fabrikant. Eerst zet hij Avitus af, die
bij zijn poging tot ontvluchten te Placentia wordt gegrepen en een lot
ondergaat, dat later verscheidene andere grooten overkwam: hij wordt
gedwongen de tonsuur aan te nemen en er wordt een bisschop van hem
gemaakt! Na een interregnum kiest Ricimer tot Keizer Marjorianus, een
dapper en energiek soldaat; maar zijn vloot van 300 schepen wordt door
Gaiserik bij de kust van Spanje vernield--en op zijn terugkeer wordt
hij door soldaten van Ricimer gedood--of hij doet afstand en sterft.

Daarop volgt een andere pop, Libius Severus, gedurende wiens
regeering (461-65), Ricimer de leiding heeft. Maar wegens de groote
machtsuitbreiding van de Vandalen ter zee wordt Ricimer genoodzaakt,
na den dood van Severus en een interregnum van achttien maanden,
de hulp in te roepen van den Keizer van het Oosten, Leo I, "den
Thraciër", ook de marionet van een barbaarsch generaal, Aspar, die te
Constantinopel dezelfde rol speelt als Ricimer. Leo stelt Anthemius
voor, die door Ricimer wordt geaccepteerd en hij neemt Anthemius'
dochter tot gemalin (467). Een groote expeditie van meer dan 1000
schepen wordt nu door Leo en Anthemius uitgezonden om de Vandalen
te verpletteren, maar deze mislukt en Gaiserik wordt almachtig
in de Middellandsche Zee, bezet Sardinië en Sicilië en plundert
ongehinderd de kusten van Italië. Anthemius was al te populair
geworden. Ricimer verzamelt dus een geweldige macht, belegert en
plundert Rome, vermoordt zijn schoonvader en kiest tot Keizer een
Romeinsch edelman, Olybrius, die Placidia had getrouwd, de vroeger
vermelde dochter van Valentinianus. Een paar weken na den moord op
Anthemius sterft de Keizer-fabrikant aan haemorrhagie en twee maanden
later sterft Olybrius (472).

Na den dood van Ricimer neemt zijn neef Gundobald, een Bourgondisch
vorst, zijn plaats in en laat te Ravenna als Keizer een kapitein van
de Garde van het Keizerlijke Huis (Comes Domesticorum) uitroepen,
Glycerius. Maar de Keizerin Verina te Constantinopel, steeds geneigd
om zich overal in te mengen, trekt voordeel van de ziekte van haar
gemaal, Leo den Thraciër, en benoemt tot Keizer van het Westen een
van haar verwanten, Julius Nepos. Als deze in Italië komt, trekt
Gundobald zich terug naar Bourgondië en Glycerius, die uit Rome is
gevlucht, stemt erin toe als bisschop van Salona in Dalmatië gewijd
te worden; voor een onttroonden Keizer was het in deze tijden een
geluk, wanneer hij tonsuur of een bisschopswijding mocht kiezen in
plaats van het uitsnijden van zijn tong of het uitbranden van zijn
oogen door middel van een bekken roodgloeiend metaal (een procédé,
dat men in het Italiaansch abbacinamento noemt).

Maar nu breekt onder de Gotische troepen in Rome muiterij
uit. Aangevoerd door hun generaal, Orestes, trekken zij tegen Ravenna
op. Nepos vlucht en bereikt Salona, waar hij zijn vroegeren mededinger,
den ex-Keizer-Bisschop Glycerius ontmoet. Hier aanvaardt hij het
bestuur over Dalmatië en regeert nog jaren lang, door het hof van
Constantinopel als Keizer erkend.

Orestes, de derde van deze "Keizer-makers", was waarschijnlijk
een Romeinsch patriciër, ofschoon hij in Illyrië geboren was. Hij
had in het leger van Attila gediend en was door dezen als gezant
naar Constantinopel gezonden, misschien met Edeco, den vader van
Odovacar. Hij zelf was een Romein, gehuwd met een vrouw van Romeinschen
adel en daarom waagde hij waarschijnlijk, wat zelfs Ricimer niet
zou gewaagd hebben--hij proclameerde zijn eigen zoon tot Keizer. De
naam van den jongeling verbindt de namen van den eersten Koning en den
eersten Keizer van Rome. Hij is algemeen bekend als Romulus Augustulus,
ofschoon het kleineerende of geaffecteerde diminutief niet op zijn
munten voorkomt.

Men zou verwachten dat het Romeinsche bloed en de Romeinsche
sympathiën van den jongen Keizer en van Orestes zelf hun regeering
sterk zou maken. Maar juist dit feit schijnt hun val veroorzaakt te
hebben. Stilicho en de andere barbaren waren ten val gebracht door den
haat van de Romeinen, d.w.z. van de oorspronkelijke Italianen; Orestes
valt, omdat hij den eisch van zijn barbaarsche troepen, geweldig door
hun aantal en invloed, niet inwilligt. Hun eisch was dat een derde
van het land aan hen zou gegeven worden--dit beteekende, dat voortaan
een uitgestrekt deel van Italië door barbaren zou worden bewoond.

Hierop breekt muiterij uit onder aanvoering van Odovacar (Odoacer);
deze was een officier van de Herulische troepen en waarschijnlijk de
zoon van Edeco, die, zooals gezegd is, door Attila als gezant naar
het Byzantijnsche hof van Theodosius II was gezonden. Orestes vlucht
naar Ticinum (Pavia), dat genomen en geplunderd wordt. Hij ontsnapt
naar Placentia (Piacenza), maar wordt ingehaald en gedood.

Het leven van Augustulus, die een schuilplaats in Ravenna had gezocht,
wordt door Odovacar gespaard. Wat met hem gebeurde is reeds verhaald
in de voorrede en een meer volledige beschrijving van de plaats
waar hij als gevangene vertoefde, zal elders gevonden worden. Den
val van Augustulus in 476 kan men beschouwen als het einde van het
West-Romeinsche Keizerrijk, d.w.z. het oude Imperium Romanum.



HOOFDSTUK I.

WAAROM HET KEIZERRIJK GEVALLEN IS.


Het onderwerp van dit werk wordt in vijf deelen gesplitst. Het eerste
loopt tot den val van het West-Romeinsche Rijk tot het jaar 479 waarin
Romulus Augustulus onttroond werd en de titel Imperator Romanus, die
met eenige onderbreking en dikwijls zonder eenige wettige aanspraak
door ongeveer zeventig opvolgers van den grooten Augustus is gevoerd,
uit Italië verdween; de talrijke usurpatoren laten we hier buiten
beschouwing.

Maar wanneer wij spreken over den val van het West-Romeinsche
Rijk, moet in herinnering gebracht worden, dat in het jaar 467 het
Westersche Rijk, dat in den tijd van Constantijn de halve Romeinsche
wereld omvatte--n.l. de zes uitgestrekte "diocesen" Brittania,
de twee Galliae, Hispania, Italia en Noord-West-Afrika--niet
meer bestond. Brittannië was in de macht van de Picten, Scoten en
Angelsaksen, de vijftien provincies van Gallië waren verdeeld in
onafhankelijke koninkrijken van Franken, West-Goten, Bourgondiërs en
Alemannen, Spanje werd bestuurd door West-Goten en Sueven, Afrika,
Sicilië en Sardinië waren in de macht van den Vandaal Gaiserik. Toen
dus Odovacar Augustulus onttroonde bestond het Westersche Rijk slechts
uit Italië met de provincies Noricum en Rhaetia in het noorden; hierbij
mogen wij misschien voegen die streek van Dalmatië, aan de Oost-kust
van de Adriatische Zee, waarheen een verdreven Romeinsche Keizer,
Nepos, zich had teruggetrokken en waar hij in zijn klein imperium
in imperio gesteund werd door de regeerende macht te Constantinopel,
Keizerin Verina.

De onttroning van Augustulus mag dus beschouwd worden als de
vernietiging van den naam van datgene, dat in werkelijkheid niet meer
bestond--het machtige Keizerrijk, waar Rome het centrum van was en dat
in de dagen van Trajanus (c. 100) zich uitstrekte van de Kaspische
zee tot den Atlantischen oceaan, van de Libysche woestijn tot de
hooglanden van Caledonië en ook nog een groote provincie omvatte,
Dacië, aan de andere zijde van den Donau, ofschoon Augustus, een eeuw
vroeger, wijselijk die rivier als de noord-oostelijke grens van het
Imperium Romanum had aangenomen.

En van die kant kwamen de moeilijkheden. Trajanus' annexatie van Dacië
(de streek tusschen de Theiss en de Pruth) schiep een kunstmatige
grens van groote uitgestrektheid, die onverdedigbaar bleek tegen
de ontelbare horden van barbaren, voortdurend opgedrongen naar het
Westen en het Zuiden door nieuwe golven van vijandelijke volkeren
uit het verre Oosten. Keizer Aurelianus (c. 272) vond het noodig
die provincie aan de West-Goten over te geven op voorwaarde dat
zij den Donau niet zouden oversteken. Aldus kocht hij een precairen
wapenstilstand van ongeveer honderd jaar, onderbroken door ettelijke
veldtochten in den tijd van Constantijn, die eens de barbaren een
verpletterende nederlaag en een verlies van 100.000 man, naar men
zegt, toebracht. Omstreeks 370 werden deze Dacische West-Goten (zie
p. 7) door de naderende Hunnen over den Donau gedreven en kregen
toestemming zich in Thracië te vestigen; maar kort daarna stonden
zij op en versloegen het keizerlijke leger in een grooten slag bij
Hadrianopolis, in welken slag de Keizer, Valens, verdween.

Dit was het begin van die invallen der barbaren, die de onmiddellijke
oorzaak waren van den val van Rome en die zulk een belangrijke rol
spelen in de vroegste geschiedenis van middeleeuwsch Italië. In
een ander hoofdstuk zal over den oorsprong en het karakter van deze
noordelijke en oostelijke stammen gesproken worden. Hier zal gewezen
worden op zekere eigenaardigheden van het latere Romeinsche Keizerrijk,
welke zijn ontbinding schijnen verhaast te hebben.

Een wereldrijk, zooals de droom van Alexander was en zooals Rome
eenmaal scheen te zullen verwezenlijken, zal altijd een gebouw zijn,
veroordeeld om in te storten onder zijn eigen overweldigende massa. Het
is waar, dat de Romeinen, als wij Germanië uitzonderen, feitelijk
de heerschers der aarde waren--terrarum domini--gedurende ongeveer
vijf eeuwen, van de verwoesting van Carthago in 146 v. Chr. tot den
slag bij Hadrianopolis in 378 n. Chr.; maar hoe lang is het Colosseum
blijven staan na den val van Rome?

De droom van een permanente wereld-heerschappij kan misschien eens
verwerkelijkt worden in den vorm van een federatie van de groote
mogendheden en een parlement der Menschheid, maar vrijheid en
zelfbestuur gepaard met vrijwillige onderwerping aan een centrale
regeering in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang moeten
ongetwijfeld de essentieele eigenschappen zijn van elk dergelijk
systeem; en die eigenschappen waren klaarblijkelijk afwezig in het
Romeinsche Keizerrijk. Het geheele stelsel, opgebouwd uit vele en
verschillende rassen, werd slechts bijeengehouden door het militaire
en administratieve gezag van een enkele stad en bestond voornamelijk
ten behoeve van die eene stad, in wier schatkamers voortdurend van alle
streken van de bekende wereld schattingen en belastingen en oorlogsbuit
stroomden. Hierheen voerden Rome's zegevierende generaals uit drie
wereldeelen hun ontelbare gevangenen om hun triumf op te luisteren
en de staatskas of de beurzen van hun overwinnaars te vullen met de
opbrengst van hun losprijs of verkoop als slaven; want het sociale
systeem van het Romeinsche Keizerrijk was voornamelijk gebouwd op
de gevaarlijke basis van slavernij [3]. Gibbon verzekert dat in
den tijd van Keizer Claudius de bevolking van het Keizerrijk steeg
tot ongeveer 120 millioen, van welke ongeveer zestig millioen slaven
waren; en tijdens de regeering van Diocletianus stamde, volgens Bryce,
twee derde van de geheele bevolking van het rijk van slaven af.

De buit en schattingen van vreemde landen en de aanvoer van
ontelbare slaven droeg meer en meer bij tot het verdwijnen van den
middenstand en terwijl de Romeinsche en provinciale ambtenaren, de
groot-grondbezitters, en zij, die de legers aanwierven, zich aldus
verrijkten, ontstond er een enorme massa van slaven op de uitgestrekte
landgoederen in Italië en een straatarm gepeupel in de stad, dat
steeds afhankelijker werd van de rijkere klasse, steeds hopeloozer
verstrikt in de klauwen van woekeraars, steeds heftiger begeerend
op te staan tegen hun onderdrukkers, die maar al te goed wisten hoe
zij hen rustig konden houden door rijkelijke brooduitdeelingen en
circus-spelen. Aan het hoofd van dit sociale systeem stond een monarch,
bekleed met bijna absolute macht, omringd door een dichte phalanx van
grondbezitters en ambtenaren, en in het bezit van een groot leger,
dat hem onmiddellijk ten dienste stond.

En de aard van dit leger bracht nog een ander gevaar voor het
Keizerrijk mee. In den tijd van de oude monarchie en de oude republiek
vormde de geheele manlijke bevolking den "exercitus" en bijna iedere
volwassen burger was soldaat. Ook later, toen bij Cannae werd gestreden
en Carthago werd verwoest, en ook in de dagen van Caesar, was het
leger uitsluitend gevormd uit Romeinsche burgers--van Rome zelf of
haar bondgenooten--uit burgers, die Italiaanschen grond bezaten
en bebouwden, die deel uitmaakten van de groote vergaderingen,
die wetten gaven aan de Romeinsche wereld en die van hun ploeg of
werkplaats konden worden geroepen om voor Rome te sterven of haar
leger ter overwinning te voeren.

Toen de grenzen van het rijk zich uitbreidden, werd het steeds
moeilijker recruten te vinden. Door Marius werd de heffe van het
Romeinsche volk en van de bondgenooten als huurlingen geworven;
door Marcus Aurelius werd het privilege om te dienen uitgebreid
tot de vrije bevolking van de gansche Romeinsche wereld; weldra
werden slaven toegelaten, en ten slotte barbaren en deze vormden
binnenkort het grootste gedeelte van de staande legers, die Rome
moest onderhouden, en op welke zij moest vertrouwen om haar gezag in
de afgelegen provincies van drie werelddeelen te handhaven.

Om deze groote legers soldij te betalen stegen voortdurend de
belastingen, totdat de druk bijna ondragelijk werd en het eenige
bedrijf van de regeering was geld af te persen.

Ten slotte, een van de voornaamste oorzaken, die bijdroeg tot de
ontbinding van het Keizerrijk, was de wonderbaarlijke groei en
eindelijke triomf van het Christendom, welks diep-wortelende en
levenskrachtige beginselen niet alleen het paganisme als erkenden
godsdienst omverwierpen, maar ook de grondvesten, waarop het gansche
sociale systeem, men zou kunnen zeggen, de geheele materieele en
intellectueele beschaving van de Romeinsche wereld gebouwd was. In zijn
omvangrijk werk "de Civitate Dei" gaf St. Augustinus zonder twijfel
de gevoelens van de Christenen weer, toen hij met ontzag sprak over
de plundering van Rome door Alarik als een uiting van Gods wraak op de
heidenen, die nog steeds op hun godenbeelden vertrouwden. En hij sprak
niet alleen met ontzag, doch bijna met verrukking; en inderdaad was,
zooals in de dagen van Noach, een zondvloed zeer gewenscht. Niet alleen
hingen zoowel de boeren als de hooggeboren senatoren hardnekkig aan
het oude bijgeloof en de oude vereering van i dei falsi e bugiardi nog
lang na Julianus den Afvallige en zelfs ten tijde van St. Benedictus,
maar het zedelijk en godsdienstig gevoel was gedaald, ondanks het
voorbeeld van menig edel karakter en de welgemeende, maar slecht
gerichte pogingen van het Stoïcisme, zelfs het Stoïcisme van Epictetus
en Marcus Aurelius, tot een peil, dat slechts kon verhoogd worden door
die nieuwe orde van zaken, die niet alleen door Joodsche profeten,
maar misschien zelfs door de Sibylle en Vergilius was voorspeld
(Ecloga IV. 5.) En ongetwijfeld verlangden velen, met Vergilius,
zelfs al voorzagen zij niet vaag de komst van een nieuwe eeuw, naar
een beteren toestand der dingen. Dit kan men duidelijk bemerken bij
Tacitus, die in zijn Germania met geestdrift de edele trekken in het
karakter der Germanen beschrijft en een voorgevoel schijnt te hebben
van den komenden val van het Imperium.

En hoe verschrikkelijk de rampen door de invallen over Italië gebracht,
ook waren, sommige van de barbaarsche indringers waren toch van edele
en krachtige afkomst en ofschoon zij waarschijnlijk op de toekomstige
Italianen niet zoo grooten invloed hebben gehad, als weleens is
aangenomen, daar zij meestal uit een aantal krijgers en ambtenaren
bestonden, klein in vergelijking van de inlandsche bevolking, brachten
zij toch nieuw bloed en nieuwe energie, en legden de grondvesten van
een nieuwe orde der dingen, de fundamenten van de sociale, artistieke,
intellectueele en religieuze beschaving van modern Europa, terwijl
het Oost-Romeinsche Rijk, ofschoon zijn bestaan nog ongeveer duizend
jaar duurde, steeds meer degenereerde en eindelijk een prooi van de
Turken werd.

Het is waar, dat, voor deze nieuwe orde der dingen van kracht werd,
Italië donkere tijden moest doormaken, in vergelijking van welke
de tijd van Hadrianus en de Antonini, zelfs de tijd van Juvenalis,
verlicht en humaan was; en het is waar, dat de strijd tusschen
de verschillende sekten van den nieuwen godsdienst in hevigheid en
venijnigheid alles van dien aard uit klassieke tijden overtrof en dat
de vervolgingen van Christenen door Christenen afschuwelijker bleken
dan het lijden van alle martelaren van Nero tot Diocletianus. Maar
misschien is het voor het bereiken van een hooger trap van evolutie
altijd noodzakelijk tijdelijk weder tot een lager af te dalen.



HOOFDSTUK II.

DE BARBAREN.


De indringers van Italië zijn vele geweest. In dit werk zullen wij,
naast minder belangrijke stammen, ontmoeten Goten, Hunnen, Vandalen,
Lombarden, Franken, Saracenen, Noormannen, Franschen, Spanjaarden en
bovendien de Byzantijnen van het Oost-Romeinsche rijk en de Germanen
van het Heilige Roomsche Rijk. In het eerste deel zullen wij ons
beperken tot de eerste drie van deze overweldigers en in dit hoofdstuk
zullen eenige inlichtingen over hen gegeven worden.

In de vroegste tijden werd Midden-Europa bezet door Arische stammen,
die waarschijnlijk van het oosten kwamen, uit het noorden van Indië
en uit landen aan de andere zijde van de Wolga en den Oeral. Ongeveer
1500 jaar v. chr. stroomden de Achaeërs van het noorden Griekenland
binnen. Zij werden gevolgd door de Doriërs, een ander Arisch volk uit
Midden-Europa en ongeveer drie eeuwen later vernemen wij dat geheel
Asia Minor overweldigd wordt door Kimmeriers, een volk van Oostersche
afkomst, die hun naam hebben gegeven aan de Krim en misschien tot
dezelfden stam behoorden als de Kelten of Galliërs, die Rome in 390
v. Chr. innamen en die reeds vroeg het noorden van Italië bezetten
(Gallia Cisalpina of Togata). Deze Kelten of Galliërs waren ook nauw
verwant aan de Kimbren, wier ontzaglijke horden Gallië en Spanje
in het begin van de tweede eeuw v. Chr. overstroomden en eindelijk
door Marius in den grooten slag bij Vercelli werden verslagen
(101 v. Chr.). Met de Kimbren waren de Teutonen verbonden, een
Germaansch volk, dat eveneens door Marius werd overwonnen bij Aquae
Sextiae (Aix) in Gallië. Het zuiden van Gallië werd toen Romeinsche
provincie (vandaar de naam Provence) en Julius Caesar onderwierp het
overige Gallië, dat te zamen met Brittannië een van de uitgestrekte
praefecturae vormde van het latere Romeinsche Keizerrijk.

Caesar versloeg ook de Germanen onder Ariovistus en joeg hem over
den Rijn; maar hij onthield zich wijselijk van een poging om Germanië
te veroveren en nam den Rijn als oostelijke grens van het Romeinsche
gebied aan. Drusus, de stiefzoon van Augustus, voerde oorlog in het
midden van Germanië en bereikte zelfs de Elbe; maar ongeveer achttien
jaar later (9 n. Chr.) werd een Romeinsch leger van drie legioenen
onder Varus vernietigd door de Germanen onder Arminius (Hermann,
leger-man) in den slag van het Teutoburgerwoud en ofschoon een andere
keizerlijke prins, Germanicus, erin slaagde het Romeinsche gezag te
herstellen door het grootste gedeelte van het gebied weer te veroveren,
werd hij teruggeroepen door de afgunst van zijn oom Tiberius, en er
werd geen verdere poging gewaagd om Germanië bij het keizerrijk in te
lijven. Behalve de tijdelijke annexatie van Dacië werd de politiek van
Augustus na de nederlaag van Varus voortgezet door zijn opvolgers en de
natuurlijke grenzen, de Rijn en de Donau, versterkt door uitstekende
vestingen [4], bleken een ondoordringbaar bolwerk te zijn gedurende
ongeveer 250 jaar,--totdat die noodlottige toestemming om den Donau
over te steken aan geweldige massa's van West-Goten werd gegeven,
welke leidde tot de ramp bij Hadrianopolis in 378.

Toen deze ramp vroeger werd vermeld (p. 7), hebben wij verteld dat
de Goten over den Donau werden gedreven door de naderende benden van
Hunnen. Nu zullen wij in het kort behandelen, wie die Goten waren,
hoe zij en de Vandalen en verscheidene andere volkeren, die zich
in Midden-Europa hadden gevestigd, zuidwaarts en westwaarts werden
gejaagd door de woeste horden van dit Tartaarsche ras, de Hunnen, en
tegen de grenzen van het Westelijke Keizerrijk gedrongen werden--een
verschuiving van zulk een omvang en met zoo ingrijpende gevolgen, dat
zij bekend is als "die Völkerwanderung". Daarna zullen wij nauwkeuriger
de drie groote barbaren-invallen in Italië beschouwen, die het gevolg
waren van deze verschuiving--den inval van de West-Goten onder Alarik,
van de Hunnen zelf onder Attila, en van Gaiserik en zijn Vandalen
(uit Afrika).

De Goten waren een Germaansche stam, die, naar men aanneemt, in
Midden-Europa is gekomen van Skandinavië [5], waar de naam Gotland
nog bestaat. Als dit zoo is, en als het waar is, dat ieder volk,
hetwelk een taal spreekt behoorende tot de groote Arische familie
oorspronkelijk kwam van de streken aan de andere zijde van de Kaspische
Zee, moet hieruit volgen dat de stamvaders van de Goten in oude
tijden hun weg gebaand hebben door Rusland naar Skandinavië. Maar,
hoe dat ook zij, ten tijde van de Antonini, wanneer wij het eerst
betrouwbare berichten over hen hooren, zijn zij in de streek van
de Vistula (Weichsel) en ongeveer zeventig jaar later (c. 250) zien
wij dat zij zijn verhuisd naar het land van de Borysthenes (Dnjepr)
en de noord-westkust van den Pontus Euxinus en dat zij zoo hinderlijk
zijn voor het Romeinsche Dacië, dat Keizer Decius een veldtocht tegen
hen onderneemt, en, tegelijk met zijn zoon, verslagen wordt.

In dezen tijd bestond de Gotische natie uit Oost-Goten, West-Goten en
die Gepiden, [6] die later de streken van Dacië en Pannonië zullen
bezetten, wanneer deze zijn verlaten door de Goten, die verder
trekken. De West-Goten kwamen natuurlijk het eerst in botsing met
de Romeinen in Dacië. Na de nederlaag en den dood van Decius werd
een vastberaden aanval tegen deze West-Goten gedaan door Keizer
Claudius II, wiens "litera laureata" aan den Romeinsche Senaat
berichtte, dat hij 320.000 van hen had verslagen en 2000 van hun
schepen had vernield; hij ontving van den Senaat den titel Goticus;
maar toch vond zijn opvolger, Aurelianus het twee jaar later (272)
noodzakelijk de provincie aan de barbaren over te geven, die daar een
zeer merkwaardig rijk grondvestten--een complex van de drie groote
Gotische Koninkrijken. In het noorden (Hongarije) waren de Gepiden,
in het oosten (Moldavië en Bess-Arabië) de Oost-Goten, en in zuidelijk
Dacië (Roemenië) de West-Goten.

De Oost-Goten, die machtig werden en een soort van Pan-Gotische
suprematie uitoefenden onder hun beroemden Koning Hermanric, [7] bleven
lang heidenen, daar zij evenmin als de Gepiden in Noord-Dacië beïnvloed
werden door de Romeinsche beschaving; maar de West-Goten, die in nauwer
aanraking kwamen met de Romeinen, werden snel geromaniseerd en bekeerd
tot het Christendom--van dit feit zijn de bewijzen nog over, want de
tegenwoordige Roemeniërs zijn voor een groot gedeelte afstammelingen
van de West-Goten, die achterbleven in Dacië (c. 378), toen velen
van hen den Donau overtrokken, met Alarik Italië binnendrongen en
gedeeltelijk in Gallië aankwamen; en deze tegenwoordige Roemeniërs
hebben, trots alle Turksche onderdrukking, hoewel aan alle kanten
door Magyaren en Slaven ingesloten, tot heden veel van den Romeinschen
aard in hun taal, litteratuur, gewoonten en sympathiën bewaard.

Grooten invloed op deze West-Goten heeft de zendeling Ulfilas
(Vulfila)--de Apostel van de Goten--uitgeoefend. Hijzelf was van
Gotische afkomst, maar hij ontving een Grieksche en Romeinsche
opvoeding te Constantinopel en wijdde het overige van zijn leven (van
c. 335 tot 380) aan het bekeeren van zijn landgenooten en het vertalen
van den Bijbel in het Gotisch. Ongeveer 177 pagina's van een prachtig
vijftiende-eeuwsch handschrift van zijn vertaling kan men nog in Upsala
zien. Het is geschreven met zilveren en gouden letters op purperkleurig
perkament en bevat meer dan de helft van de Evangeliën. Andere Gotische
manuscripten geven vertalingen van de brieven van Paulus en het Oude
Testament, waarschijnlijk ook zijn werk. [8]

Voor deze vertaling gebruikte hij gedeeltelijk letters van eigen
vinding, deels Grieksche en Latijnsche, en deels Runen-schrift. Dit
schrift had reeds vele eeuwen bij de Goten bestaan, waarschijnlijk
ingevoerd in de Noordelijke landen door kooplieden van de Grieksche
koloniën aan den Pontus Euxinus, of door Phoenicische zeelieden,
of was misschien door de voorvaderen van deze Noordelijke Arische
volkeren van hun oorspronkelijke woonplaatsen uit het verre Oosten
hierheen gebracht.

Toen Ulfilas nog als jongeling zijn opvoeding genoot te Constantinopel,
was hij zonder twijfel onder den persoonlijken invloed gekomen
van Arius, wiens leerstellingen krachtig werden begunstigd door
Constantijn in de laatste jaren van zijn regeering. Vandaar, dat
door het onderwijs van den Apostel der Goten en andere zendelingen
alle barbaarsche volkeren van Midden-Europa, behalve de Franken
eerst bekeerd werden tot het Arianisme, en dat eerst veel later
het Katholicisme de overhand kreeg. Maar wat men moge denken van de
verdiensten van Ulfilas als Christelijk zendeling en verbreider van
de kennis van den Bijbel, men kan niet twijfelen over de waarde van
zijn werk, van litterair standpunt beschouwd.

Wij moeten nu van de Goten overgaan tot een andere natie, wellicht
ook van Germaanschen, maar waarschijnlijk van Slavischen oorsprong,
de Vandalen. Gedurende het bestaan van het groote Gotische rijk (van
c. 250 tot 400) schijnen zij in de bovenlanden van de Elbe en de Oder
geleefd te hebben, in welke streken hun afstammelingen (de Wenden)
en overblijfselen van hun taal (het Wendisch) misschien nog bestaan.

Bij de komst van de Hunnen (die, zooals wij hebben gezien geheel
midden-Europa in hevige beroering brachten, daar zij de Goten
dwongen het Romeinsche Rijk binnen te dringen en waarschijnlijk ook
de Angel-Saksen Brittannië te overvallen) schijnen de Vandalen te zijn
gevlucht naar het huidige Saksen en Silezië en met de Sueven (Zwaben),
Alanen en Bourgondiërs zich te hebben vereenigd met Alarik en zijn
West-Goten bij zijn eersten, niet gelukkigen inval in Italië. Hier
werd, bij Florence, de aanvoerder van dit vereenigd leger, Radegast,
gevangen genomen en gedood door den Romeinschen veldheer Stilicho
(405). Evenwel achtte Stilicho, zooals wij zagen, het noodzakelijk
de Romeinsche legioenen niet alleen van Brittannië, maar ook van
het Rijnland weg te halen, en de groote horden van heidensche [9]
Vandalen en hun bondgenooten, uit Italië verdreven, trokken den Rijn
over (406) en verwoestten (volgens Gibbon) het grootste gedeelte van
de zeventien provinciën van Gallië. Vele bloeiende steden werden
geplunderd, duizenden van Christenen in de Kerken vermoord, het
rijke en uitgestrekte land, ongeveer tot den Oceaan en de Pyreneën,
was overgeleverd aan de barbaren, die een verwarde massa voor zich
uit dreven, bisschoppen, senatoren, vrouwen, beladen met den buit
van hun eigen huizen en altaren.

Uit deze streken werden de Vandalen en de Sueven niet lang daarna
verdreven door de West-Goten, die, na Rome in 410 geplunderd te hebben,
naar het Zuiden van Gallië marcheerden en een groot Koninkrijk
stichtten, waarvan Arles en Toulouse de hoofdsteden werden. De
Vandalen [10] bleven een tijdlang in Spanje gevestigd, waarheen
zij gedreven waren (Vandalusia of Andalusia is een herinnering aan
hun verblijf), totdat de West-Goten hen over de Pyreneën volgden en
gedurende eenige jaren verontrustten (c. 412-420). Daarna schijnt
het dat zij gereorganiseerd zijn door den beroemden Gaiserik, die,
misschien uitgenoodigd door den Romeinschen veldheer Bonifacius, met
zijn geheele volk naar Afrika overstak. Vandaar, wellicht aangespoord
door Keizerin Eudoxia, zeilde Gaiserik, die een machtige vloot had
gebouwd, naar Zuid-Italië en plunderde Rome (455). Maar in een ander
hoofdstuk zal de geschiedenis van de Vandalen in Afrika en in Rome
uitvoerig behandeld worden.

Nu zullen wij over de Hunnen spreken, wie zij waren en vanwaar zij
kwamen. Hun invallen in Gallië en Italië onder Attila zullen later
beschreven worden. Hier zullen wij hun geschiedenis nagaan, van de
oudste tijden tot 445, toen Attila, de "Geesel Gods", het gezag in
handen kreeg.

Behalve de Basken en een paar andere bestanddeelen, de overblijfselen
der Saracenen-heerschappij en de Joden, bestaat de bevolking van
Europa uit twee groote families. Tot de Arische (of Indo-Germaansche)
behooren de Kelten, Grieken, Romeinen, Germanen en de Slavische
rassen. Tot de Toeraansche (of Mongoolsche) familie behooren de
Turken, Hongaren (Magyaren), Finnen, Bulgaren; deze laatsten zijn
Slavische Sarmaten of Scythen, die van de Mongolen afstamden en
volgens de beschrijving van den grooten geneesheer Hippocrates in
uiterlijk en gewoonten op de Hunnen geleken.

De volgende tabel geeft de afstamming van de Hunnen en hun verhouding
tot de andere volkeren aan:


                          TOERANEN of TARTAREN[12]
                                 |
        +-----------------+--------------------------+
        |                 |                          |
     MONGOLEN          TURKEN                     FINSCHE (Lappen)
(later het rijk van       |                         RAS    Ugranen
 den grooten Mogol)       |                          |
                 +--------+-----------+     +--------+--------+
                 |        |           |     |        |        |
               HUNNEN   AVAREN        |     |        |        |
                     (Oude Hongaren)  |  FINNEN   BULGAREN MAGYAREN[11]
                                      |
                                      |
                                  SELDSJOEKEN
                               en OTTOMAANSCHE
                                    TURKEN.


Volgens oude Chineesche berichten waren de "Hiong-nu", de Hunnen,
een groot en woelig volk, dat in Midden-Azië reeds 2000 jaar vóór
onze jaartelling bestond. De groote Muur werd gebouwd om hen buiten
China te houden. Later, na vele ernstige botsingen, versloegen de
Chineezen hen (c. 90 n. Chr.) en velen van hen verhuisden naar het
Westen. Gedurende ongeveer driehonderd jaar leefden zij tusschen den
Oeral en de Wolga, waarschijnlijk tegengehouden door de Alanen van den
Don, een Turksch ras, waarover reeds gesproken is. Deze overwonnen
zij eindelijk en marcheerden met hen weder westwaarts. De schrik,
die de nadering van deze Aziatische woestelingen veroorzaakte, wordt
levendig weergegeven in de verhalen van Jordanes, die hen vergelijkt
met beesten, die op hun achterpooten loopen en met de leelijke,
houten beelden op bruggen. Volkeren, zegt hij, die zij in een eerlijk
gevecht nooit zouden overwonnen hebben, vluchtten uit afschuw. "Zij
zijn woester dan de woestheid zelf. Zij kruiden hun spijzen niet en
kooken evenmin, maar eten rauw vleesch, nadat zij er een tijd onder hun
zadel op gereden hebben; want zij zijn altijd te paard. Zij zijn klein,
vlug en sterk. Hun gezichten--ofschoon men nauwelijks van menschelijke
gezichten kan spreken--zijn vormlooze stukken vleesch, met twee zwarte,
fonkelende punten in plaats van oogen. Zij hebben bijna geen baard,
want zij krabben de gezichten van hun kinderen open met messen om hen
aan wonden te gewennen, voordat zij de moedermelk proeven en platten
hun neuzen af om hen tegenover den vijand des te verschrikkelijker te
maken. Zij leiden hun afstamming af van de booze geesten en de heksen
die door de Goten uit de bosschen zijn gedreven; zij zijn geboren om
de Goten te overweldigen. Diezelfde booze geesten wezen hun den weg
om de Goten aan te vallen; en dat geschiedde aldus. Eenige Hunnen,
die aan het jagen waren, ontmoetten een hert, dat omkeerde en hen
scheen uit te noodigen om te volgen. Dat deden zij en toen het hert,
vooruit gaande, hun gewezen had, hoe zij het Maeotische moeras (de zee
van Azof) moesten overtrekken, verdween het plotseling--een duidelijk
bewijs, dat het zeker een van de booze geesten was, die den Goten
vijandig waren."

De stoot van de ontelbare benden Hunnen was onweerstaanbaar. De oude
Koning Hermanrik werd gedood--of doodde zichzelf--en zijn krijgers
werden ingedeeld in het leger van de Hunnen. Daarna werd den Dnjestr
overgetrokken en werden de West-Goten aangevallen. Sommigen ontsnapten
Noordwaarts naar de Karpathen; anderen vluchtten naar het Zuiden, waar
zij zulk een paniek onder hun stamverwanten in Beneden-Dacië verwekten,
dat een geweldige menigte, misschien een millioen, waaronder 200.000
gewapenden onder hun aanvoerder of "rechter", Fritigern, troepsgewijze,
uitermate verschrikt, den Donau overstak. De Romeinen--d. i. de
militaire macht van het Oostelijke Keizerrijk--trachtten tevergeefs
den stroom te stuiten en daar zij het zelfs onmogelijk achtten hen
te tellen en te ontwapenen, stonden zij den West-Goten toe zich te
vestigen in Moesië en Thracië. Een vreeselijke hongersnood brak uit,
waarmee de Romeinsche ambtenaren hun voordeel deden. Zij kochten van
de hongerlijdende vluchtelingen niet alleen kostbare voorwerpen,
maar ook duizenden van slaven, voor verrot of walgelijk voedsel,
zooals vleesch van honden, reptielen en ziek vee. Wanhopig,
begonnen de West-Goten, ondanks de waarschuwingen van Fritigern,
het land te plunderen en weldra vond er een treffen plaats tusschen
de barbaren en de keizerlijke troepen, terwijl hun aanvoerders een
feestmaaltijd hielden--zooals in het Nibelungenlied de mannen van
Gunther en Attila beginnen te twisten--, hetgeen met een vreeselijke
ramp eindigde. Daarop volgt, zooals wij zagen, de groote slag bij
Hadrianopolis. De Keizer, Valens, verdwijnt en onder het Keizerlijk
leger wordt een geweldig bloedbad aangericht (378).

Doch om nu tot de Hunnen terug te keeren--zij schijnen in Noord-Dacië
gevonden te hebben, wat zij behoefden, want in de volgende vijftig
jaar ongeveer bleven zij daar, ofschoon zij echter misschien
verschillende volkeren van Germanië, de Saksen en de Franken hebben
geplunderd, geannexeerd of Noord- en Westwaarts hebben gedreven. Met
het Oost-Romeinsche Rijk onderhielden zij vriendschappelijke
betrekkingen. Hunsche soldaten vochten soms mede als bondgenooten
van de Keizerlijke legioenen en zij gebruikten de gelegenheid om
de Romeinsche wapenen te leeren kennen en in hun eigen leger in te
voeren, ook de tucht, de krijgstactiek en ongetwijfeld ook Romeinsche
officieren.

De plotselinge en dreigende uitbreiding van het rijk der Hunnen,
toen Attila, in 445, aan het hoofd kwam te staan, zal beschreven
worden in een volgend hoofdstuk, wanneer zijn inval in Gallië en
Italië ter sprake komt.



HOOFDSTUK III.

CHRISTENDOM EN HEIDENDOM.


De periode, die ons voornamelijk zal bezighouden in de twee volgende
hoofdstukken strekt zich uit van de officieele erkenning van het
Christendom door Constantijn--de zoogenaamde Kerkvrede--tot de
vernietiging van het heidendom in het Keizerrijk, die wij ongeveer op
het einde van de regeering van Theodosius I (395) of het begin van
de vijfde eeuw kunnen stellen; want dan is het paganisme verdwenen,
ofschoon er zelfs te Rome nog overblijfselen worden gevonden in de
dagen van Alarik en St. Augustinus en op meer afgelegen plaatsen
nog veel later, zooals te Cassino, waar St. Benedictus ongeveer 529
een tempel liet omverhalen, waarin het "bedrogen en slechtgezinde"
landvolk (zooals Dante hen noemt) nog offerde aan den zonnegod Apollo
of zulk een "daemon". Een doorloopend verslag van de historische
feiten van deze periode, van Constantinus tot Honorius, is al gegeven
in het Overzicht, zoodat het niet meer noodig is de gevolgen daarvan
te verklaren, wanneer wij trachten in het kort den merkwaardigen en
snellen groei van het Christendom tot zijn volledige overwinning op
het Heidendom te beschrijven.

Onder Nero (54), Domitianus (81), Decius (250) en andere Keizers, zelfs
onder Trajanus en Marcus Aurelius hadden de Christenen door vele en
afschuwelijke vervolgingen geleden. In 303, onder Diocletianus, had de
hevigste plaats gehad, door toedoen van den "Caesar" Galerius--vooral
in het Oosten, waar deze Galerius het bestuur had; maar zelfs in
Gallië en Brittannië waren afgrijselijke dingen gebeurd, want zelfs
de zachtzinnige Constantius Chlorus, de vader van Constantijn den
Groote was, ofschoon hij deed wat kon om het lijden van de vervolgden
te verzachten, gedwongen het hardvochtige Keizerlijke edict af te
kondigen en uit te voeren.

Wat Diocletianus betreft, hij schijnt meer zwak dan wreed te zijn
geweest. Blijkbaar heeft hij met grooten onwil aan den drang van
Galerius toegegeven. Zijn neigingen waren gericht op een philosophisch
en eenvoudig leven, als wij mogen oordeelen naar het feit, dat, toen
hij op het hoogtepunt van zijn macht (zooals Karel V) vrijwillig
afstand deed van de regeering en zich terugtrok op zijn villa bij
Salona in Dalmatië, zijn eenige eerzucht schijnt geweest te zijn
groenten te kweeken, die een eersten prijs verdienden. Toen hij door
den heerschzuchtigen Maximianus werd aangezet om het Keizerlijk purper
en den diadeem weer aan te nemen, antwoordde hij, naar men vertelt:
"Gij zoudt niet zoo spreken, als gij mijn prachtige boonen en koolen
hadt gezien". En toch is dit de man, wiens naam--zooals die van Nero
of Philips van Spanje--in ons gewoonlijk niets anders dan een gevoel
van afgrijzen verwekt.

De geschiedenis van Constantijn's verhouding tot het Christendom,
zooals die verteld wordt door zijn tijdgenoot, den Bisschop Eusebius
van Caesarea, den vader van de Kerkgeschiedenis, en zooals die weer
verhaald wordt door latere schrijvers, is zulk een weefsel van legende
en waarheid, dat het moeilijk is de feiten van verzinsels te scheiden.

Eerst een korte mededeeling over zijn moeder, Helena, St. Helena Van
Engeland, zooals zij dikwijls wordt genoemd. Zij deelt met St. Albanus,
volgens sommige schrijvers, de eer een van de inlandsche Heiligen
der vroeg-Engelsche Kerk te zijn, vóór de komst van heidensche
"Engelschen" en ongeveer drie eeuwen voor de komst van den jongeren
St. Augustinus. Sommige verzekeren ook dat zij haar doorluchtigen
zoon bekeerde en dat derhalve de roem van de vestiging van het
Christendom in het Keizerrijk oorspronkelijk een Engelsche vrouw
toekomt. Maar Eusebius, onze voornaamste berichtgever, vertelt ons,
dat zij zelf later bekeerd werd door Constantijn. Haar afkomst is
ook onzeker. Sommigen zeggen dat zij in Bithynië (in Klein-Azië)
was geboren, anderen, dat zij de dochter was van den legendarischen
Koning Coel ("de oude Koning Cole" van de balladen?) en geboren was
in zijn stad, Colchester; men heeft ook vermoed, dat Constantius,
toen hij in het leger van Maximianus diende in de jaren, die aan de
dramatische overweldiging van Brittannië door Carausius voorafgaan,
Helena te Colchester of te York (want ook die stad wordt als haar
geboorteplaats genoemd) ontmoet heeft. Maar als dit zoo was, zou
Helena c. 272 haar gemaal naar het Oostelijke Rijk gevolgd zijn; het
schijnt toch wel vast te staan dat Constantijn in dit jaar te Naissus,
in Moesië--en niet in Brittannië geboren is.

Voordat Constantius naar Brittannië terugkeerde (273), bekleed met de
macht van een "Caesar", was Helena reeds verstooten (p.1). Gedurende
de jaren van haar vernedering leefde zij waarschijnlijk in het Oosten,
evenals haar zoon Constantijn; maar toen hij tot opvolger door zijn
vader was benoemd en door zijn troepen tot Keizer was uitgeroepen (305)
in plaats van den zoon van haar hooggeboren mededingster Theodora,
moet zij wederom in aanzien zijn gekomen. Ongeveer 326, kort na
de stichting van Nieuw-Rome (Constantinopel) was zij in Jeruzalem,
waar zij volgens de overlevering het Heilige Graf ontdekte onder een
tempel van Venus, die door Hadrianus gebouwd was; en zij richtte (of
bewoog Constantijn dit te doen) op de plaats van den afgebroken tempel
een kerk op, die misschien gedeeltelijk nog bestaat en het oudste
voorbeeld [13] is van een belangrijk gebouw voor den Christelijken
godsdienst, na de Kerk van de Geboorte te Bethlehem. Bovendien zou
Helena op den Calvarie-berg het aldaar begraven Ware Kruis hebben
gevonden. De drie kruisen werden allen gevonden, naar men zegt, en
ook het oorspronkelijke opschrift; maar, omdat dit afzonderlijk lag,
moest men op een andere wijze ontdekken, aan welk van de drie kruisen
de Verlosser had geleden. Een stervende vrouw werd er bij gebracht
en herstelde door de aanraking van de ware reliquie. Ofschoon de
ontdekking van het Kruis als feit werd aangenomen, zoowel door de Kerk
van het Oosten als door die van het Westen, vermeldt de gelijktijdige
kerkelijke kroniekschrijver Eusebius het niet en evenmin staat het
in het dagboek van een Gallischen pelgrim, die zeven jaar na Helena's
bezoek, te Jeruzalem was.

De bekeering van Constantijn wordt door kerkelijke schrijvers dikwijls
toegeschreven aan een visioen van het Kruis [14], dat hij zag boven
de middagzon,--sommigen zeggen bij Andernach, anderen bij Verona of
elders--toen hij van het Rijnland naar Rome trok om Maxentius aan te
vallen. Eusebius verzekert, dat Constantijn hem met een plechtigen
eed verklaarde, dat dit visioen door hem en het geheele leger gezien
was, en vertelde hoe in den daaropvolgenden nacht Christus zelf hem
was verschenen en hem, terwijl Hij op een kruis wees, verzocht dat
op de schilden van zijn soldaten te griffen en als zijn veldteeken
te gebruiken. Aldus ontstond, naar men zegt, de beroemde standaard,
waaraan de raadselachtige naam van labarum werd gegeven. Het bestond
uit een zijden vlag, waarop de beeltenis van den keizer geborduurd
was; daarboven was een gouden kroon of kring, waarin het mystieke
monogram stond--een kruis en een soort haak, die misschien de twee
eerste letters van den naam Christus (de Grieksche letters Ch en R)
voorstellen.

Ongeveer drie jaar na den slag bij de Roode Rotsen, dicht bij Rome,
waar Maxentius bij zijn poging om over den Pons Milvius te vluchten
verdronk, richtte Constantijn een triomfboog op, die men nog te Rome
kan zien, waarop die slag zeer onartistiek gebeeldhouwd is. [15] Op
dezen boog is ook een inscriptie, die in eenigzins duistere woorden
de overwinning schijnt toe te schrijven aan de inspiratie van het
Goddelijke Wezen (Instinctu Divinitatis). Wanneer deze woorden er niet
later bijgevoegd zijn, schijnen zij de bewering te bevestigen, dat
hij zijn overwinning dankte aan de gunst van den God der Christenen,
die hem het kruis als zijn veldteeken had gegeven en hem door een
bovennatuurlijk visioen had verzekerd, dat hij met dat teeken zou
overwinnen. [16]

Maar het is moeilijk te zeggen of Constantijn in dezen tijd--of
zelfs wel ooit--oprecht de Christelijke leer als de eenige ware
heeft aangenomen en openlijk afgekondigd. Dat hij de eischen van de
Katholieke Orthodoxie niet heeft ingewilligd is zeker. Het verhaal
dat hij en zijn zoon Crispus gedoopt zijn door Bisschop Silvester
in de Lateraan-kerk voor hun veldtocht (in 323) tegen Licinius en
de inneming van Constantinopel--deze doop is het onderwerp van een
der fresco's van het Vatikaan--is niet geloofwaardig; het ontstond
zonder twijfel tegelijkertijd met het nog beroemder verhaal van
Constantijn's bekende gift aan Silvester, waarover men meer zal
hooren, als wij den tijd van Karel den Groote behandelen. Bovendien
schijnt het vast te staan dat hij op het einde van zijn leven Arius
zelf in het oog loopend begunstigde en dat hij den doop ontving op
zijn sterfbed, uit de handen van een Ariaansch prelaat, Eusebius
van Nicomedia, die verbannen was, toen het Concilie van Nicaea het
Arianisme veroordeelde, maar was teruggeroepen en door den Keizer
was gerehabiliteerd. Te midden van zoovele tegenstrijdige verhalen
is het onmogelijk de waarheid te vinden. Er wordt ook verteld dat
Constantijn zijn Christelijke onderdanen zeer gunstig gestemd was;
dat hij de kruisiging uit eerbied voor Christus afschafte; dat hij
kort na zijn overwinning op Maxentius het beroemde Edict van Milaan
uitvaardigde, waarbij de Christelijke leer als Staatsgodsdienst
werd erkend; dat hij ijverig deelnam aan de kerkelijke discussies
en zelfs preekte over de meest diepzinnige theologische onderwerpen
[17]; dat hij af liet kondigen, dat noch zijn persoon noch zijn
beeld ooit in tempels mocht worden vereerd; dat hij medailles,
schilderijen en munten (waarvan eenige over zijn) liet maken, die hem,
met den Christelijken standaard, in een devote en smeekende houding
voor symbolen van den Christelijken godsdienst, voorstellen; dat
hij menig heidensch Romeinsch senator beleedigde door te weigeren
aan een processie ter eere van Jupiter Capitolinus deel te nemen;
dat hij het Concilie bijeen riep, hetwelk onzen godsdienst omschreef;
dat ten slotte zijn standbeeld in Rome hem voorstelt met een kruis in
de hand, waaraan hij, volgens de inscriptie, zijn overwinningen dankte.

Aan den anderen kant wordt verzekerd dat hij, waarschijnlijk tot
op hoogen leeftijd, een ijverig vereerder was van den zonnegod--van
Apollo, of van Mithras [18]; dat men hem op munten met deze heidensche
goden ziet afgebeeld; dat hij de apotheosis van zijn vader Constantius
afkondigde en hem aldus onder de Olympische godheden plaatste;
dat hij heidensche elementen in het nieuwe godsdienstige systeem
bracht, daar hij den Dag des Heeren gelijk stelde met hetgeen hij
in zijn Edict noemt "den ouden en eerbiedwaardigen dag van de Zon"
en dat hij voor het Westersche Christendom het feest van Christus'
geboorte vaststelde op den tijd van de nieuwe geboorte van de zon,
dadelijk na den winter-zonnestilstand [19]. Eindelijk kan nog een
merkwaardig bewijs van zijn vreemde, onpartijdige onverschilligheid
worden aangehaald: op een hooge zuil (waarvan nog een gedeelte te
Constantinopel bestaat) was een bronzen beeld gezet, sommigen zeggen
een werk van Phidias zelf, dat van Athene was gehaald. Dit beeld,
dat Helios voorstelde met een stralenkrans (zooals de zonnegod van
Rhodus op de munten heeft) nam Constantijn aan als een beeltenis
van hem zelf in de dubbele hoedanigheid van zonnegod en Christus,
terwijl hij de oorspronkelijke zonnestralen misschien liet vervangen
door spijkers van het Kruis. [20]

Wij kunnen dergelijke daden misschien toeschrijven aan politieke
beweegredenen, of verdraagzaamheid, of een merkwaardige vereeniging
van ijver voor de uiterlijke vormen van paganisme en Christendom,
maar het is moeilijk te gelooven, dat Constantijn gedreven werd door
een meer edele leerstelling van beide eerediensten. Wij kunnen slechts
afschuw gevoelen voor een man, die te midden van al zijn godsdienstig
vertoon, na zijn politieke mededinger en diens familie gedood te
hebben, de terechtstelling van zijn eigen zoon en vrouw bewerkte
(zie p. 4) en dat nog wel op blijkbaar ongegronde beschuldigingen.

In het jaar 325, dat tusschen deze beide bloedige daden van Constantijn
ligt, leidde hij het groote Concilie te Nicaea in Bithynie, om de
actueele kwesties te beslechten, die gerezen waren tusschen de
volgelingen van Arius, een priester van Alexandrië, en hen, die
met Athanasius aan het hoofd, den lateren bisschop van Alexandrië,
onder den naam van Katholieken er aanspraak op maakten de eenige,
algemeene Christelijke Kerk te vertegenwoordigen.

Constantijn nam het besluit van Nicaea--de veroordeeling van het
Arianisme--aan en onderteekende het. Maar deze ketterij had toch
gedurende vele jaren in Constantinopel en het grootste gedeelte van
het Oostelijk Rijk de overhand, daar zij zelfs door de Synode van
Jeruzalem werd aangenomen, en ook door de Goten en Vandalen in het
Westen en in Afrika; en, zooals wij reeds gezien hebben, Constantijn
zelf bleef maar een tijdelijk aanhanger van het Katholicisme en werd
ten slotte door een Ariaansch bisschop gedoopt.

Het geschilpunt te bespreken, dat de Arianen en de Katholieken zoo
ontvlamde en dat gedurende vijf eeuwen (tot de komst van de Franken)
zulk een bitteren en ellendigen strijd en schisma in de Kerk verwekte,
ligt buiten het bestek van dit werk. Men weet, dat het bestond in
de verschillende opvattingen van de natuur van Christus, met het
oog op Zijn identiteit met den Eersten Persoon van de Drieëenheid
en Zijn bestaan als de Logos sinds alle eeuwigheid, en dat de
Athanasische Leer het Katholieke geloof, in zijn geheelen omvang,
aanneemt. Bovendien was er een gematigde partij van semi-Arianen, die,
terwijl zij de homo-ousia (de wezensgelijkheid) van den Zoon en den
Vader verwierpen, de homoi-ousia (de gelijkvormigheid) aannamen--het
onderscheid tusschen beide termen kunnen wij aan theologen overlaten;
wij zullen slechts de juiste opmerking van Gibbon aanhalen, dat
"woorden, die het dichtst bij elkaar komen, dikwijls de grootste
tegenstelling aangeven". Misschien zullen de meesten van ons het ook
wel met hem eens zijn, wanneer hij zegt, dat, zoodra de Christenen
vrij waren geworden van externe vervolging [21], zij elkaar begonnen
te vervolgen, daar zij heftiger begeerden het wezen van hun Stichter
te onderzoeken dan Zijn wetten in praktijk te brengen.

De priester van Alexandrië, wiens leer in den tijd van ongeveer zes
jaar (319-325) in zulk een wijden kring was aangenomen door geesten,
die de leer van de Drie in Eén niet konden bevatten--dezelfde geesten,
die later bij den beeldenstorm de subtiele onderscheiding niet konden
begrijpen tusschen vereering van beelden en afgodendienst--werd
tengevolge van het Niceensche besluit geëxcommuniceerd en verbannen,
tegelijk met vele Ariaansche prelaten; en alle Ariaansche geschriften
werden veroordeeld om door het vuur te worden vernietigd.

Maar, gelijk wij hebben gezien, zoowel Arius als zijn volgelingen,
zooals Bisschop Eusebius van Nicomedia, werden weldra teruggeroepen
en in de laatste jaren van Constantijn schijnt hij aan het keizerlijk
hof bijzondere gunst genoten te hebben. In 336, het laatste jaar
van Constantijn's regeering, zou Arius toegelaten worden tot het
avondmaal in de Kathedraal van Constantinopel, maar op den voor die
plechtigheid vastgestelden dag stierf hij plotseling, een voorval,
dat zijn tegenstanders herinnerde aan het lot van Judas, maar misschien
door vergift was veroorzaakt.

Athanasius overleefde zijn grooten mededinger 37 jaar. Hij zag vier
keizers na Constantijn den troon van het Oosten bestijgen. Vier
keer werd hij uit Alexandrië verdreven door zijn godsdienstige
tegenstanders. Hij werd afgezet door Constantius en na zijn
herstelling door Constans werd hij weder afgezet door Julianus
en gerehabiliteerd door zijn beschermheer en bewonderaar Jovianus
[22], en toen misschien nog eens verbannen door Valens. Maar hij
overleefde al deze gevaren, éen of tweemaal misschien geholpen door
een wonderbaarlijke verdwijning en op bovennatuurlijke wijze gevoerd
naar de woestijnen van opper-Egypte, toen hij bijna werd gevangen
genomen. Hij stierf rustig, tachtig jaar oud, te Alexandrië, waar
hij gedurende 46 jaar met eenige onderbreking patriarch was geweest.

Deze twisten tusschen Trinitariers en Arianen mogen, zoo schijnt het,
met Italië in geenerlei betrekking staan, wij zullen toch weldra zien,
hoe zij leidden tot dat conflict tusschen de burgerlijke en kerkelijke
machten [23], tusschen keizers en pausen, hetwelk zulk een belangrijke
rol speelt in de geschiedenis van Italië; en voordat wij het onderwerp
loslaten, zal het nuttig zijn te verhalen hoe in het Westelijk Rijk
ten slotte het schisma is geheeld.

Wij hebben al gezien, dat de Goten en Vandalen en andere barbaren
bekeerd werden door Ariaansche zendelingen. De groote koninkrijken
van de West-Goten in Gallië en Spanje, van den Vandaal Gaiserik in
Afrika en van de Oost-Goten onder Theoderik in Italië waren alle
broeinesten van Ariaansche ketterij [24], tot de vernietiging van de
twee laatste rijken in 534 en 553. Ongeveer dertig jaar later verwerpt
de koninklijke erfgenaam van den troon der West-Goten het Arianisme,
staat tegen zijn vader op en wordt terechtgesteld. (Later werd hij
gecanoniseerd als St. Hermenegild.) Zijn broeder bestijgt den troon en
brengt het geheele volk er toe het Katholicisme te omhelzen. Daarna,
ongeveer 603, onder invloed van koningin Theodelinda, die zelf daartoe
was overgehaald door Paus Gregorius den Groote, werden de Lombarden,
die tot dusverre Arianen waren, orthodoxe Katholieken. Ondertusschen
zijn de West-Goten en andere bewoners van Gallië door de Franken
bekeerd tot het Trinitarische geloof en kort voor het aftreden van
Pepijn en Karel den Groote is het Arianisme in Italië uitgeroeid.

Maar, nadat wij nu eenigszins zijn afgedwaald om het einde van dezen
twist te bereiken--de heftigste van de velen [25], die den vrede van de
Kerk verstoord en haar bestaan in gevaar hebben gebracht--laten wij nu
terugkeeren tot ons onderwerp, den strijd tegen den gemeenschappelijken
vijand, het Heidendom, welks vernietiging lang voor de algeheele
verdwijning van het Arianisme bereikt is. [26]

Doch eerst een paar woorden over een vorm van paganisme, die misschien
een gevaarlijker, en zeker een sluwer vijand bleek te zijn dan het
grove bijgeloof van de menigte of de meesleepende pracht van het
heidensch ritueel.

Sommige van de diepzinniger leerstellingen van het Athanasische
Christendom, zooals die, welke betrekking hebben op de Drieëenheid
en den Logos, hebben een merkwaardige verwantschap met de leer van
oud-Grieksche philosophen--Pythagoras en Plato b.v.--hetzij, omdat
gelijke gedachtenvormen voortspruiten uit de diepere instinkten en
overtuigingen van de menschelijke natuur, hetzij, omdat de Christelijke
theologen vormen overnamen, die een duidelijke weergave waren van hun
Godsbegrip. De geboorteplaats van het Neoplatonisme was Alexandrië,
de stad van Athanasius en Arius. Een eeuw voor hen legde Plotinus
de grondslagen voor dit systeem van denken, dat door hem en zijn
beroemden leerling Porphyrius op een onderbouw van Platonische en
Pythagoreïsche beginselen was opgetrokken om een philosophische theorie
te vormen, die de Kerk vijandig was. Door hen en andere leeraren van
dezelfde school werd het Neoplatonisme naar Rome en Athene gebracht,
waar het snel wortel schoot en een ernstig gevaar werd voor het
Christendom. Theodosius verbrandde in het openbaar Porphyrius' bekende
verhandeling tegen den Christelijken Godsdienst; maar de verderfelijke
leer groeide voort, totdat in 529 Justinianus haar uitroeide door
de scholen van Grieksche philosophie op te heffen. Neoplatonisme,
zooals het door Plotinus wordt geleerd, ontleent, ofschoon hij
die verkeerd heeft begrepen [27], de fantastische beschrijving van
het menschelijke lichaam als de gevangenis van de ziel aan Plato's
Phaedo. De verachting en afschuw, die deze valsche Platonisten voelden
voor hetgeen St. Franciscus zoo hartelijk "broeder ezel" heeft genoemd,
hadden zonder twijfel, onder invloed van een op oostersche wijze
overprikkelden toestand, het krankzinnige Egyptische en Aziatische
ascetisme ten gevolge--een resultaat, veel verderfelijker dan eenig
ander, dat bereikt werd door de bittere vijandschap van hen, die,
zooals Julianus Apostata, openlijk het Christendom aanvielen of zelfs
van die latere Neoplatonisten, die een nieuw Evangelie verkondigden,
terwijl zij Pythagoras zelf als den Antichrist voorstelden.

Er is al vroeger verteld (p. 5), hoe Julianus op den troon kwam. Daar
zijn korte regeering van ongeveer achttien maanden belangrijk is
door zijn poging om het Heidendom te herstellen, zullen wij die in
het kort bespreken, terwijl wij de veel langer regeering van den
zwakken, onbetrouwbaren en onmenschelijken Constantius overslaan,
daar deze slechts weinig invloed had op den gang der gebeurtenissen,
behalve voor zooverre hij zijn vader's voorbeeld volgt in kerkelijke
aangelegenheden en zich voor het Arianisme verklaart, Athanasius
te Alexandrië vervolgt, en een anderen paus te Rome kiest, waardoor
hij den eerste van die Romeinsche opstanden verwekt, die later zoo
herhaaldelijk voorkomen.

Men zal zich herinneren, dat Julianus gevangen werd gezet en naar
Athene verbannen door zijn neef Constantius. Hier bracht hij zes
maanden door met philosophische studie, waarschijnlijk onder leiding
van Neoplatonisten [28]. Ofschoon hij reeds in 351 te Ephesus als
jongeling in het geheim was ingewijd in de mysteriën van de oude
Chthonische of Orphische leer, heeft Julianus waarschijnlijk eerst
te Athene, ongeveer 25 jaar oud, beslist het Christelijk geloof
afgezworen. Hierin was hij opgevoed door Eusebius, dien bekenden
bisschop, dien wij reeds ontmoet hebben aan het bed van den stervenden
Constantijn. Eusebius bezielde zijn jeugdigen leerling met zooveel
ijver, dat hij, naar men zegt, gewoon was de oefeningen te leiden in
de Kathedraal van Nicomedia.

Dramatische gebeurtenissen leidden tot zijn troonbestijging. Na zijn
terugroeping naar Milaan, zijn huwelijk met de zuster van Constantius
en zijn benoeming tot Caesar van de praefecturae van Gallië en
Brittannië--gebeurtenissen die hijzelf met humor vertelt, terwijl
hij zijn verlegenheid beschrijft bij de plotselinge metamorphose
[29]--ontwikkelt hij groote kracht en talent als veldheer. Hij
verslaat de Alemannen bij Straatsburg en stuurt hun koning naar
Constantius. Hij onderwerpt de Franken aan den beneden-Rijn, steekt
daarna de rivier over bij Mainz en verwoest het land der barbaren. Hij
bouwt zeven steden tusschen Mainz en de Noord-Zee weder op en vestigt
zich te Parijs, zijn residentie, "het dierbare Lutetia", dat toen
een versterkte plaats was op het Seine-eiland, met houten bruggen
verbonden aan den Campus Martius, het paleis, theater en de baden
(nu het Museum de Cluny) aan den zuidelijken oever van de rivier
(het tegenwoordige "Quartier Latin").

Plotseling, als een donderslag bij helderen hemel, komt een order
van Constantius (die door zijn hofbeambten--meest eunuchen--werd
getiranniseerd) dat het meerendeel van de Gallische legioenen dadelijk
naar Perzië moet marcheeren! De troepen belegeren terstond hun generaal
in zijn palatium onder luid geschreeuw van "Julianus Augustus", heffen
hem op een schild en roepen hem tot keizer uit. Hij protesteert;
maar het noodlottige woord is uitgesproken en de soldaten houden
vol. Derhalve zendt hij een bericht naar Constantius, die nu te
Antiochia is en vraagt nederig om bekrachtiging van den titel. Maar
Constantius, woedend, eischt onderwerping. Daarop vaardigt Julianus de
beroemde proclamatie uit, waarbij hij zijn lot aan de "onsterfelijke
goden" toevertrouwt, terwijl hij aldus den band met den Keizer en
het Christendom breekt, verzamelt een groot leger te Basel, zendt
troepen langs verschillende wegen naar Italië, rukt ondertusschen zelf
met 3000 man dwars door het Marciaansche (Zwarte) Woud, bereikt den
Donau, komt in elf dagen, op een flottille, die hij had bemachtigd,
te Sirmium en dringt Illyrië binnen.

Constantius rukt op van Antiochia, om den usurpator op te jagen, ut
venaticiam praedam; maar te Tarsus sterft hij aan een koortsaanval
en Julianus trekt Constantinopel binnen, waar het keizerlijk leger
zich vóór hem verklaart, ofschoon de eunuchen een tegen-candidaat
hadden gesteld. Hij gaat dadelijk aan het werk om het hof te redden
"uit de kaken van een veel-koppige Hydra", om zijn eigen uitdrukking
te gebruiken en jaagt een menigte satellieten, spionnen, aanklagers,
eunuchen en andere ministers van weelde en misdaad weg. Gedurende
de weinige maanden van zijn verblijf in de hoofdstad legt hij een
grooten ijver aan den dag om den ouden godsdienst te herstellen en,
terwijl hij een philosophische verdraagzaamheid afkondigt en soms
de andere godsdiensten begunstigt, is hij een heftige vijand [30]
van bijzondere aanspraken van het Christendom en bij uitstek streng
tegen Athanasius als den leider van hetgeen hij beschouwt als de meest
exclusieve en onverdraagzame van alle sekten. Hij beveelt den herbouw
en de heropening van alle heidensche tempels; hij roept alle verbannen
Ariaansche prelaten terug; hij vernietigt het labarum en het Kruis;
hij stelt de colleges van augures en flamines weer in, en is als
Pontifex Maximus voorzitter bij de heidensche ceremoniën; hij geeft
enorme sommen uit aan offers voor de heidensche goden, maar schrijft
tevens een brief aan het Joodsche volk, waarin hij hen verzekert
hun "Groote Godheid" te eerbiedigen en hen te willen beschermen
tegen de Galileërs "die den éénen waren God hebben verzaakt", hij
onderneemt het zelfs den Tempel op den berg Moriah te herbouwen,
met de bedoeling Salomo zelf te overtreffen, niet alleen door de
pracht van het bouwwerk, maar ook in het getal van de offerdieren
bij de inwijding--in Salomo's geval was dit 22.000 ossen en 120.000
schapen! Maar toen de grond uitgegraven werd om de nieuwe fundamenten
van den Tempel te leggen, zegt men, dat een geweldige ontploffing en
aardbeving zulk een schrik verwekten dat het werk werd opgegeven.

In hoeverre Julianus gesteund werd door het ware paganisme of
den tijdelijken afval van zijn onderdanen, is lastig na te gaan,
want het is even gevaarlijk de vleiende verhalen van zijn vriend
en aanbidder Libanius, den Griekschen redenaar en schrijver (den
leeraar van St. Basilius en St. Chrysostomus) te vertrouwen, als de
vijandige getuigenis van Gregorius van Nazianzus en andere kerkelijke
kroniekschrijvers. Men moet den geestdrift van Julianus voor den
ouden godendienst vooral toeschrijven aan zijn vurige liefde voor
oude kunst, litteratuur en philosophie en aan zijn afkeer om zich te
onderwerpen aan de aanmatigende dogmata van een priesterschap, dat de
wijsheid van Socrates en de kunst van Homerus met gelijke verachting
beschouwde. Maar--zoo zwak is de menschelijke natuur--hijzelf,
een leerling van Plato, een geleerde, een begaafd redenaar, een
uitstekend schrijver van beide klassieke talen, een voorbeeld van
gematigdheid en kuischheid [31], werd de prooi van het grofste en
belachelijkste bijgeloof. Hij werd vereerd, zooals hij geloofde,
door de intieme vriendschap en duidelijke aanwezigheid van de goden
zelf; hij raadpleegde hen door middel van voorspellingen en orakels
en herkende hun wil in de wonderen, en hun stem in de voorteekens.

Zijn enthusiasme voor de oude helden bracht Julianus er toe Alexander
den Groote na te volgen, zooals hij ook reeds beproefd had de daden
van Caesar in Gallië na te volgen [32]. Sinds den tijd van Keizer
Alexander Severus (c. 226) had Perzië onder haar koningen uit de
Sassaniden-dynastie den Romeinen steeds grooten last veroorzaakt. De
tegenwoordige monarch, Sapor (Shapur) II, was de negende van die
groote dynastie. Hij had reeds langer dan een halve eeuw geregeerd
[33] en bleef in leven tot het vierde jaar van Theodosius' regeering,
zoodat hij zes Keizers op den troon van het Oosten zag opvolgen. Hij
had Constantius en de keizerlijke troepen uit Mesopotamië verdreven
en dreigde hen uit Azië te jagen. De veldtocht van Julianus tegen
Sapor, waar uitgebreide toebereidselen voor waren gemaakt, eindigde,
zooals wij zagen, met zijn dood, en bijna met de vernietiging van
zijn leger. Hoe Jovianus er in slaagde het overschot te redden door
een roemloozen en ellendigen terugtocht, hoe hij gedurende zijn korte
regeering de luide toejuichingen verwierf van al zijn Christelijke
onderdanen door de herstelling van hun godsdienst, en de dankbaarheid
van de anti-Aranen door Athanasius weder op den patriarchalen troon
van Alexandrië te plaatsen, is vroeger verteld (p. 5).

Gedurende de regeering van Valentinianus en Valens, die
reeds verteld is in het Historisch overzicht, was wellicht de
belangrijkste gebeurtenis de bekeering van de West-Goten, of het
begin daarvan, door Ulfilas († 381), ofschoon de Trinitariërs
dit waarschijnlijk beschouwden als een Pyrrhus-overwinning van
het Christendom. Valentinianus schijnt verdraagzaam, of misschien
onverschillig geweest te zijn in doctrinaire aangelegenheden en eerbied
te hebben verworven wegens zijn manlijk en gematigd karakter. In
zijn latere jaren echter kreeg zijn cholerische aanleg de overhand en
veranderde hem in een woedenden tyran, wiens slachtoffers bij duizenden
werden terechtgesteld, beschuldigd van verraad en hekserij. [34]

De hysterische angst, verwekt door het geloof aan hekserij, had
ook op den zwakzinnigen Valens een dergelijke uitwerking. Van
de verst verwijderde deelen van Azië werden jong en oud gesleept
voor den rechterstoel van Antiochia, waar de keizer gewoon was te
resideeren. Zoo talrijk waren de gevangenen, dat de keizerlijke
troepen nauwelijks voldoende waren om hen te bewaken en in afgelegen
provinciën de vluchtelingen de bevolking in getal overtroffen.

Maar Valens bepaalde zich niet tot zulke wreedheden. Drie jaar na
zijn troonbestijging was hij gedoopt door den Ariaanschen Patriarch
van Constantinopel. De keizerlijke neophiet ontwikkelde zich weldra
tot een blinden ijveraar en een wreeden vervolger van "Athanasische
ketters" zooals hij hen noemde en het Oostelijke Rijk was weldra in
gisting en oproer. Dit duurde zoo lang, totdat Aartsbisschop Basilius
te Caesarea--eens de mede-student van Julianus te Athene, later
beroemd als kluizenaar en stichter van de eenige monniken-orde van de
Oostersche Kerk--den keizer trotseerde, zooals later St. Ambrosius
te Milaan Theodosius trotseerde en met hetzelfde gunstige gevolg;
want, naar men vertelt, geraakte Valens zoo onder den indruk, dat
hij bezwijmde in tegenwoordigheid van allen, toen hij van het altaar
werd teruggestooten, en dat hij boete deed voor zijn wreedheden door
Basilius een groot landgoed te schenken om daar een hospitaal te
stichten. Valens verdween, zooals reeds verhaald is, in den grooten
slag bij Hadrianopolis in 378.

In het Westen was Valentinianus opgevolgd door zijn zoon Gratianus,
(vgl. p. 7) een vriendelijken en sport-lievenden jongeling van 16 jaar,
die als collega zijn vierjarigen stief-broeder aannam, Valentinianus
II, terwijl hij het kind en zijn moeder Justina de praefectura Italië
toewees en de beide Galliae voor zich hield. Hij was nog een jonge man
van 24 jaar, toen hij door den usurpator Maximus te Lyon werd gedood
en had blijkbaar meer belangstelling in zijn herten- en berenparken
dan in Kettersche spitsvondigheden, zoodat tijdens zijn regeering van
acht jaar de Gallische Kerk vrij is gebleven van twisten, ofschoon
zij een werkzaam aandeel nam in het vernietigen van de heidensche
reliquieën. Te Rome bovendien schijnt Gratianus met Justina en haar
zoon veel bij te hebben gedragen tot het uitroeien van het paganisme,
want wij vernemen dat hij het oude college der Vestaalsche Maagden en
Augures heeft afgeschaft en de beelden der goden heeft vernietigd. [35]

Toen Valens verdwenen was, koos Gratianus tot Augustus van
het Oostelijk Rijk een dapperen soldaat van Spaansche afkomst,
Theodosius, die in het keizerlijk leger in Brittannië had gediend
en Hertog van Moesia was geworden. De vader van Theodosius was,
na schitterende veldtochten in Brittannië en Afrika, te Carthago
terechtgesteld, blijkbaar krachtens een beuzelachtige beschuldiging
van verraad. Wegens de ongenade en den dood van den ouden Theodosius
had de zoon zich teruggetrokken op zijn landgoed in Spanje, om zich,
zooals Xenophon of Cincinnatus, te wijden aan de verbetering van zijn
landerijen. Vandaar werd hij na vier maanden geroepen om de plaats
in te nemen, die door Valens' dood open was gevallen.

Gedurende zeventien jaar (378-395) was Theodosius eigenlijk de
heerscher, niet alleen in het Oosten, maar als beschermer van den
jongen Valentinianus en zijn moeder en als overwinnaar van Maximus
en Arbogast, ook in Italië en het verre Westen, ofschoon hij slechts
in het laatste jaar van zijn regeering onbetwist alleenheerscher
was. (Zie Historisch Overzicht p. 8).

In deze zeventien jaar (het onderwerp van het volgende hoofdstuk)
stierf het heidendom snel uit en ofschoon wij later nog eenige
merkwaardige overblijfselen ontmoeten, mogen wij toch aannemen dat op
het einde van Theodosius' regeering of het einde van de 4e eeuw, de
oude godsdienst in het Keizerrijk verdwenen was en de Trinitariaansche
of Athanasische Kerk--vooral de zoogenaamde Katholieke Kerk in
Italië--een waardige en invloedrijke positie tegenover de burgerlijke
macht had verworven.



HOOFDSTUK IV.

THEODOSIUS DE KATHOLIEKE.


De eerste plicht van den nieuwen Keizer in het Oosten was de nederlaag
van Hadrianopolis te wreken. Voordat hij van Thessalonica, waar hij
het Keizerlijk leger weer samengesteld had, tegen de West-Goten optrok,
onderging Theodosius den ritus van den doop en las het volgende edict
voor [36], in naam, naar men zegt, van de drie Keizers, Gratianus,
Valentinianus en hemzelf: "Het behaagt Ons, dat al onze onderdanen
den godsdienst, die den Romeinen door den H. Petrus geleerd is,
aanhangen. Volgens de leer van de Apostelen en de Evangeliën moeten
wij gelooven in de eene Godheid van den Vader, den Zoon en den Heiligen
Geest, gelijk van majesteit in de Heilige Drieëenheid. Wij willen dat
de aanhangers van deze leer Katholieke Christenen heeten en brandmerken
alle anderen met den schandelijken naam van ketters en verklaren
dat hun vergaderplaatsen niet langer den naam van Kerken zullen
dragen." Laten wij letten op de aanmatiging van de drie wereldlijke
heerschers van het Romeinsche Rijk, dat zij niet alleen het recht
hadden om de Christelijke leer op te dringen, maar ook om hun eigen
uitleg te geven aan de leerstellingen der Apostelen. Niet minder dan
15 strenge edicten van dien aard, gericht tegen de ketters, werden
door Theodosius uitgevaardigd en overtreding werd bedreigd met zware
straffen, soms met de doodstraf. Het ambt van Geloofs-Inquisiteur,
een terecht zoo verafschuwde naam, werd het eerst tijdens zijn
regeering ingesteld.

De veldtocht tegen de West-Goten, die een grooten slag vermeden,
eindigde in een verdrag, waarbij den barbaren toegestaan werd zich
ten zuiden van den Donau te vestigen als bondgenooten (foederati) van
het Keizerrijk, op voorwaarde dat zij, zoo noodig, een contingent van
40.000 man zouden opbrengen. Ongeveer twintig jaar later betreurde de
laatste van de Romeinsche dichters, Claudianus, het bestaan van dat
groote staande leger als een gevaar voor het Keizerrijk; en terecht,
want slechts zes jaar daarna namen deze West-Goten Rome in.

In het volgend jaar (383) werd Gratianus te Lyon gedood, waarheen
hij van Parijs was gevlucht--verraden door zijn eigen legioenen
en gevangen door de ruiterij van den overweldiger Maximus, die van
Brittannië een zoo groot getal volgelingen had overgevoerd, dat dit
feit later werd vermeld als "de verhuizing van een belangrijk deel
van de Britsche natie." In verband met deze exodus moet hier vermeld
worden de legende van St. Ursula, de prinses van Brittannië en haar
elf duizend Britsche maagden, die, naar men zegt, als pelgrim langs
den Rijn over de Alpen naar Rome zijn getrokken en op haar terugkeer
zijn vermoord door de Hunnen of Friezen bij Keulen, waar haar schedels
nog te zien zijn. Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat de oorsprong
van deze legende was het lot van een transport van Britsche vrouwen,
misschien onder leiding van een edelvrouwe, die bestemd waren als
echtgenooten voor een deel der honderd duizend volgelingen van Maximus,
die door ongunstigen wind den Rijn ingedreven en in handen gevallen
waren van Salische Franken of woeste Friezen, die ongeveer vier eeuwen
later den grooten Engelsche zendeling St. Bonifacius hebben gedood.

Wanneer Maximus tevreden was geweest met zijn veroverd keizerrijk
van Brittannië, Gallië en Spanje, zou hij nu misschien bekend zijn
als een van de gelukkigste keizers van het Westen, want hij regeerde
over een groot rijk en bezat een machtig leger, voornamelijk gelicht
uit de krijgshaftige Germaansche stammen. Bovendien werd hij door
Theodosius erkend, die het verstandig vond zijn aanspraken op de
landen ten noorden en ten westen van Italië in te willigen. Toch
viel hij Italië aan, niet alleen gedreven door een onverzadelijke
eerzucht, maar ook door de hoop, of de zekerheid, dat de Katholieke
meerderheid onder de Italianen met vreugde zich zou losrukken van
de regeering van den jongen Valentinianus--of liever van zijn moeder
Justina, die sterk gehecht was aan de Ariaansche ketterij ondanks de
welsprekendheid en de wonderen van St. Ambrosius, den Bisschop van
Milaan. Nadat hij troepen had vooruitgestuurd onder voorwendsel die
aan Valentinianus te leenen, bezette de usurpator de Alpenpassen en
verscheen weldra voor Milaan met een groot leger.

Bij zijn nadering vluchtte Justina met haar zoon--nu vijftien jaar
oud--en liet St. Ambrosius [37] achter om den vijand het hoofd te
bieden. De vluchtelingen bereikten Aquileia, doch, omdat zij zich daar
niet veilig gevoelden, gingen zij te scheep, voeren om Griekenland
en bereikten na een moeilijke reis Thessalonica. Hier werden zij
bezocht en verwelkomd door Theodosius; maar de rijke hulpbronnen van
Maximus deden hem aarzelen dadelijk toe te geven aan de smeekbeden
van Justina. Doch weldra verdween deze aarzeling van Theodosius door
den invloed van de bekoorlijke dochter van Justina, de prinses Galla,
die reeds beroemd was om haar jeugdige schoonheid en nog beroemder
zou worden als moeder van Galla Placidia. Theodosius was weduwnaar en
besloot de jonge, bekoorlijke prinses te huwen; na de bruiloft brak
hij op met een leger, waarin sterke contingenten waren van West-Goten,
Hunnen en Oostersche volkeren.

Hij vond Maximus met zijn Gallische en Germaansche strijdkrachten
aan de overkant van de Sau en door een stoutmoedigen aanval wierp
zijn ruiterij, na de rivier te zijn overgezwommen, den vijand op de
vlucht. Maximus vluchtte naar Aquileia, de stad nabij de Adriatische
kust, die zoo beroemd is als het tooneel van zoovele botsingen, en bij
de aankomst van Theodosius, die van de Juliaansche Alpen neerstreek
als een adelaar op een gewonden haas, werd de usurpator van zijn
troon gesleept, ruw van zijn purper en keizerlijke sieraden beroofd,
en als een misdadiger naar de legerplaats en in de tegenwoordigheid
van Theodosius gebracht. De keizer vertoonde eenige neiging om den
tyran van het Westen te vergeven; maar die zwakke opwelling week voor
zijn gevoel van rechtvaardigheid en de herinnering aan Gratianus,
en hij gaf zijn slachtoffer aan de soldaten over, die hem wegsleepten
en dadelijk het hoofd van het lichaam scheidden.

Na deze overwinning bleef Theodosius gedurende meer dan twee jaren
(388-391) in Italië; hij was feitelijk de alleenheerscher over het
Westen en het Oosten, ofschoon hij de regeering van Valentinianus
en Justina erkende, die evenwel kort na haar terugkeer in Italië
stierf. Van Milaan uit bezochten de beide keizers in het voorjaar
389 Rome, waar zij een roemrijke inkomst hielden en naar men gelooft,
op de plaats van een door Constantijn gebouwde kerk, de fundamenten
legden van de S. Paolo fuori le mura [38], de grootste van de oude
basilieken te Rome, welke in 1823 is afgebrand.

In 390 vinden wij Theodosius weder in Milaan en toen had die
dramatische gebeurtenis plaats, welke wij verbinden aan de welbekende
basiliek van S. Ambrogio.

Ongeveer drie jaren te voren was er te Antiochia een oproer uitgebroken
tegen den katholieken eeredienst en de belastingen. Het gepeupel had de
standbeelden van den keizer en zijn zonen omvergeworpen en hoonend door
de straten gesleept. Verschrikkelijk was de wraak van Theodosius. De
stad werd vernederd en gestraft; een groot aantal gevangenen wachtte
pijniging en dood. Maar een smeekschrift werd naar Constantinopel
gestuurd en--deels door den invloed van St. Chrysostomus, die ons
een levendige beschrijving heeft gegeven van deze dagen en wiens
wondere welsprekendheid zijn wanhopige medeburgers steunde--werd
het bevel voor de executie uitgesteld tot het antwoord was gekomen;
en het antwoord was een algemeene vergiffenis.

Maar Theodosius vergat het oproer van Antiochia niet en toen in 390
in Thessalonica, het welvarende militaire centrum van Macedonië, een
tumult voorviel, waren de gevolgen veel ernstiger. De ongeregeldheden
waren veroorzaakt door de gevangenneming van een wagenmenner, die
bij het publiek zeer in de gunst stond. Er ontstond een botsing
tusschen de bevolking en het gezag; ambtenaren werden gedood en
hun lijken geschonden. Bij deze gelegenheid verwierp Theodosius
elk beroep op genade. Hij beraamde een laffe en onrechtvaardige
wraakneming. De inwoners van Thessalonica werden in den waan gebracht,
dat hij vergiffenis had geschonken, werden uit naam van den Keizer
uitgenoodigd voor de spelen in den Circus, waar zij door gewapenden
werden aangevallen en zonder onderscheid vermoord; 7000, andere zeggen
15000, kwamen om. Het misdadige van deze bijna ongeloofelijke wreedheid
wordt nog verzwaard door het feit dat Theodosius bijzonder was gesteld
op Thessalonica en haar bisschop, die hem daar, waarschijnlijk in de
tegenwoordigheid van vele van die burgers, had gedoopt.

St. Ambrosius is reeds genoemd; hij is bij velen bekend als de
geestelijke vader van den oudsten St. Augustinus, als de schrijver van
het Te Deum (misschien), van Latijnsche hymnen en als de uitvinder van
het Ambrosiaansche muzikale ritueel en dat systeem van beurtzangen,
waarop het gezang in de Anglikaansche Kerk is gebaseerd [39]. Maar
allen die Milaan kennen [40], denken, wanneer zij den naam van
St. Ambrosius hooren, aan de basiliek van S. Ambrogio en haar oude
deuren van cypressen-hout, ofschoon het, helaas, onzeker is of wij nog
ook maar de fragmenten bezitten van die deuren, die voor Theodosius
den Groote werden gesloten.

Ambrosius was de zoon van een Gallisch prefect van edele Romeinsche
afkomst. Hij was geboren te Trier in 340 en werd magistraat van
een district, dat Liguria en Milaan omvatte, in welke stad hij zoo
populair was, dat hij bij den dood van den bisschop (374) door de
geheele bevolking tot diens opvolger werd gekozen en tot zijn eigen
verbazing en die van de wereld plotseling van magistraat veranderd
werd in een aartsbisschop, voordat hij het sacrament van den doop
had ontvangen. En de keuze van het volk was wel gerechtvaardigd, want
er is in de annalen van de Middeleeuwsche Kerk geen persoon, die ons
sympathieker is. Het is waar, dat de meesten van ons de verhalen van
zijn droom ter zijde zullen leggen en ook van zijn ontdekking van
de heilige geraamten, die door hun wonderbare hulp hem beveiligden
tegen den toorn van Justina, zelfs al heeft men ons de beenderen van
Gervasius en Protasius in de crypte van S. Ambrogio laten zien. Maar
ieder zal ontroerd worden door zijn moed en edele drijfveeren. Door
zijn toedoen trad de Christelijke Kerk het eerst op om de zaak van
rechtvaardigheid en menschelijkheid te verdedigen tegen de door
de wet beschermde tyrannie van de burgerlijke macht. Zijn rustige,
uitdagende houding tegen Theodosius is een culminatie-punt van den
zuiver Christelijken invloed. Als de Kerk zulk een invloed tot haar
eenig ideaal had gekozen!

Bij verschillende gelegenheden had Ambrosius zijn moed reeds
getoond. Eens, toen Justina geëischt had, dat eenige Kerken te Milaan
aan de Arianen zouden worden afgestaan en haar Gotische soldaten
had gestuurd om een van die Kerken te bezetten, trad hij hen in den
weg en verschrikte hen zoo met zijn banbliksems, dat de regentes het
verstandiger vond haar eisch in te trekken.

Toen Ambrosius hoorde van het bloedbad te Thessalonica trok hij zich
eerst op het land terug en ontweek Theodosius. Maar begrijpend dat
langer zwijgen laf was, stuurde hij hem een schrijven, waarin hij,
ook uit naam van andere bisschoppen, zijn afschuw uitdrukte over de
wreedaardige daad en erbij voegde, dat zulk een bloedschuld tot gebeden
en boete dwong en hij geen altaar mocht naderen, en dat hijzelf door
een visioen gewaarschuwd was den dienst van het Avondmaal niet waar
te nemen in tegenwoordigheid van iemand, wiens handen waren bezoedeld
met het onschuldige bloed van duizenden [41].

Modern scepticisme ziet in dezen brief den oorsprong van een
schilderachtige fictie, n.l. de overlevering, dat de Keizer, toen hij
met zijn gevolg den ingang van de kathedraal naderde, de groote houten
deuren snel zag sluiten, of dat hij Ambrosius zelf vóór het portaal
vond om nog eens het Godshuis met banbliksems tegen bezoedeling te
beschermen [42]. Bovendien zegt de overlevering, dat, toen Rufinus,
de bekende minister van Theodosius, gestuurd was om te zeggen, dat zijn
meester de macht had om den ingang van de Kerk te forceeren, de Heilige
onversaagd antwoordde: "Dan zal hij over mijn lijk moeten gaan."

Hetzij wij deze dramatische geschiedenis moeten gelooven of niet, het
schijnt niet te betwijfelen, dat Theodosius, onder den indruk van den
moed van Ambrosius en waarschijnlijk ook door het bewustzijn van de
onmenschelijke daad, waartoe hij door zijn hartstocht was gedreven,
openlijk boete heeft gedaan in de kathedraal en als boeteling gekleed
zich op de knieën heeft geworpen en de woorden van den Psalmist heeft
herhaald: "Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw
woord." Wanneer wij aan dit tooneel denken en ons het edict herinneren,
dat Theodosius een paar jaar tevoren had uitgevaardigd, waarin hij
zich, alsof hij zoowel de wereldlijke als ook geestelijke heerscher
was, het recht aanmatigde het Romeinsche Keizerrijk een geloof voor
te schrijven en het wezen van de Drieëenheid te bepalen, worden wij er
ons van bewust dat een nieuwe en reeds invloedrijke macht is ontstaan,
die zich met ongeloofelijke snelheid heeft uitgebreid, sinds den
dag waarop Constantijn de zwakke en vervolgde Kerk het eerst steun
beloofde. En wanneer wij verder denken, aan Keizer Hendrik te Canossa,
of aan Frederik Barbarossa, geknield in het portaal van S. Marco te
Venetië, hoe levendig doet ons dat dan het verschil beseffen tusschen
de drijfveeren en idealen van St. Ambrosius en die van Hildebrand of
Paus Alexander!

In het volgend jaar (391) keerde Theodosius naar Constantinopel terug
en ging in triomf de Gouden Poort door, die in zijne afwezigheid was
opgericht om zijn overwinning over Maximus te herdenken. Deze poort
werd later in het bijzonder gebruikt voor den plechtigen intocht
van de Keizers. Zij bestaat nog en heeft eenige zeer fraaie zuilen;
maar zij is dichtgemetseld. Een overlevering handhaaft zich onder de
Turken, dat door deze poort eens een Christelijk overwinnaar zal komen!

In 392 vond men Valentinianus gewurgd in zijn slaapkamer te
Vienne. Deze daad was ongetwijfeld bedreven of beraamd door Arbogast,
een heidenschen Frank, die tot bevelhebber der Keizerlijke legioenen in
Gallië geklommen was en zulk een onbeschaamde houding had aangenomen,
dat de jonge Keizer een paar dagen voor zijn dood, een soldaat het
zwaard had ontrukt en met moeite was verhinderd den trouweloozen
bevelhebber te doorboren. Arbogast, die het niet waagde het purper
aan te nemen, proclameerde als Keizer van het Westen een rhetor,
Eugenius, zijn vroegeren secretaris.

Valentinianus' zuster, Galla, die Theodosius had gehuwd en zeer
liefhad, spoorde haar echtgenoot dringend aan den moord op haar
broeder te wreken. Maar Arbogast had een groot leger en in naam van
zijn keizerlijke pop had hij zich meester gemaakt van Rome en het
Westelijke Keizerrijk. Daarom was het noodzakelijk voor Theodosius
een grootere macht te verzamelen, voordat hij weder een veldtocht
naar Italië waagde. Doch eerst wilde de vrome Keizer den Hemel over
zijn tocht om raad vragen. Daar het Christendom de orakels van Dodona
en Delphi tot zwijgen had gebracht, raadpleegde hij een Egyptischen
monnik, die, naar men meende, de gave van mirakels en de wetenschap
van de toekomst bezat. Eutropius, een van de eunuchen-gunstelingen
van het hof te Constantinopel, scheepte zich voor Alexandrië in,
vanwaar hij den Nijl opzeilde tot de stad Lycopolis, in de afgelegen
provincie Thebaïs. In de buurt van die stad, op den top van een hoogen
berg had de heilige Johannes met eigen hand een nederige hut gebouwd,
waar hij meer dan vijftig jaar had gewoond, zonder de deur te openen,
zonder het gezicht van een vrouw te zien, zonder eenig voedsel, dat met
vuur of menschelijke kunst bereid was. Vijf dagen van de week bracht
hij in gebed en overpeinzing door, maar op Zaterdag en Zondag opende
hij een klein venster en gaf audientie aan de menigte smeekelingen,
die uit alle oorden van de Christelijke wereld toestroomden. Het
gezantschap van Theodosius naderde het venster met eerbiedige schreden,
stelde zijn vragen betreffende den uitslag van den burgeroorlog en
kwam weldra terug met een gunstig orakel, hetwelk den moed van den
Keizer aanwakkerde door de verzekering van een bloedige, doch stellige
overwinning. De vervulling van die voorspelling werd bevorderd door
alle middelen, die menschelijk beleid kon verschaffen.

Voordat deze toebereidselen waren geëindigd, werd Theodosius getroffen
door het verlies van zijn jonge en bekoorlijke vrouw, die stierf bij
de geboorte van haar eenig kind, Galla Placidia. Doch hij gaf zijn
plan niet op en den 6en September 394 ontmoetten de legers elkander
bij de rivier de Frigidus, niet ver van Aquileia. Twee dagen lang
woedde de slag. Tienduizend van de Gotische hulptroepen [43] van
Theodosius kwamen om bij de bestorming van de wallen van den vijand;
maar eindelijk, geholpen door een geweldigen storm uit het Noorden
en door de desertie van sommige Gallische troepen van Arbogast,
dreef het Oostelijke leger den vijand op de vlucht. Eugenius werd
gevangen genomen en onthoofd. Nadat Arbogast verscheidene dagen in
de bosschen had gezworven en de onmogelijkheid om te ontvluchten had
ingezien, stortte hij zich in zijn zwaard. Hoe Theodosius vier maanden
later te Milaan sterft, terwijl hij het Rijk aan zijn twee zonen,
Honorius en Arcadius nalaat, is reeds verhaald (p. 8). Men vertelt,
dat hij prachtige Circus-spelen had voorbereid om Honorius, die toen
ongeveer tien jaar oud was, openlijk te verwelkomen, dat hij zelfs
's morgens bij de uitvoering aanwezig was, maar 's middags niet langer
kon blijven en den volgenden nacht stierf.

Het karakter van Theodosius kan men, zoo lijkt het, gemakkelijk
uit deze daden leeren kennen; maar wij zijn er niet zeker van,
dat deze daden altijd nauwkeurig zijn overgeleverd en altijd door de
tijdgenooten onpartijdig zijn beschreven. Aan den eenen kant hebben wij
zijn vereerders, den Christelijken, Latijnschen dichter Prudentius en
de Katholieke of Trinitarische Vaders, b.v. Gregorius van Nazianzus (†
379), Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius en Augustinus, en aan den
anderen kant den belangrijksten kroniekschrijver van deze periode,
den heidenschen Zosimus, een partijdig en kwaadaardig schrijver,
die elke daad van deze regeering in een verkeerd licht stelt. Maar
zelfs Zosimus is zoo genadig toe te geven dat Theodosius een van de
grootsten van de Romeinsche vorsten was, en trots den afschuw, dien
wij gevoelen door het bloedbad te Thessalonica, niet ongelijk aan
de verbazing en afschuw, die de Christen-vervolgingen door Marcus
Aurelius bij ons opwekken, moeten wij toch in zijn karakter, naast
vreemd bijgeloof en woeste hartstocht, veel erkennen, dat edel en
bewonderenswaardig was. Het geeft echter meer voldoening feiten te
constateeren, dan te trachten karakters te analyseeren en drijfveeren
te verklaren. Daarom zullen wij hier nog slechts een paar feiten
bijvoegen, die samenhangen met de uitbreiding van het Christendom
tijdens zijn regeering en de eindelijke uitroeiïng van het paganisme.

Onder de ontelbare incidenten, die den geschiedschrijver van deze
periode ten dienste staan, is hetgeen gebeurd is met een standbeeld
van Victoria, dat Caesar van Tarentum meebracht en te Rome in het
senaatsgebouw oprichtte, bijzonder geschikt om de godsdienstige
bewegingen aan te geven; dit beeld was een groote figuur met
uitgespreide vleugels en een lauwerkrans in de uitgestrekte hand. Bij
het altaar, dat voor deze Victoria stond, legden de senatoren den eed
van trouw aan den staat af en daarop werd wijn en wierook geofferd voor
den aanvang der beraadslagingen in den Senaat. Het beeld en tevens het
altaar schijnen verwijderd te zijn door Constantius en misschien naar
Constantinopel gestuurd. Door Julianus is het altaar er weder geplaatst
en door Gratianus weder verwijderd, en weder opgesteld door Eugenius
(c. 393), die misschien een heiden was, of door Arbogast, die zeker
een heiden was, en nog eens verwijderd door Theodosius, kort voor
zijn dood, of door Honorius. Zoo kunnen wij gedurende ongeveer een
halve eeuw de afwisselende krijgskans van Christendom en Heidendom
nagaan. Vier keer werden er deputaties gezonden door de aanhangers van
den ouden godsdienst om van verschillende keizers weder de plaatsing
van het altaar te vragen. Een interessant verslag van een dezer
bezoeken aan het keizerlijk hof bestaat nog, geschreven door Symmachus,
een Romein van edele afkomst, zeer gezien om zijn welsprekendheid en
de ambten die hij had bekleed, pontifex, augur, proconsul van Afrika
en prefect van Rome. Dit gezantschap werd gezonden naar het hof van
Theodosius en Valentinianus te Milaan, en de rhetoriek van Symmachus
(die Rome in zijn redevoering tegenover de twee Keizers haar eigen
zaak liet verdedigen) werd overbluft door de welsprekendheid en het
sarcasme van St. Ambrosius, die, zooals wij uit zijn verslag zien,
de idee bespotte, dat de Romeinsche overwinningen te danken waren aan
de Olympische Goden en vroeg of Jupiter nog steeds sprak bij monde
van de ganzen die het capitool hadden gered.

Maar de overwinning van Ambrosius en het Christendom bij deze
gelegenheid vernietigde het Heidendom toch volstrekt niet. Hoe langzaam
en moeilijk het uitgeroeid is, blijkt duidelijk. Ondanks de strenge
wetten van Theodosius, die de misdaad van offeren en voorspellen uit de
ingewanden met doodstraf of verlies van goederen bedreigden, ondanks
de onbarmhartigste verwoesting en onteigening van tempels, werden de
heidensche ceremonies, zoo veranderd, dat de wet er geen vat op had,
toch jarenlang voortgezet, werden de heidensche priesterambten toch
door de edelste families bekleed en hield de vereering van den zonnegod
Mithras en de Magna Mater, Cybele, en andere vreemde godheden stand.

Er wordt verhaald, dat Theodosius, toen hij eens te Rome was,
plechtig aan den Senaat de vraag voorlegde, of Christus dan wel
Jupiter als God der Romeinen moest aangenomen worden, en dat bij
een regelmatige stemming Jupiter door een zeer groote meerderheid
veroordeeld werd. Maar zonder twijfel--als het verhaal waar is--had de
aanwezigheid van den Keizer invloed op dezen omkeer van geloof, want
het is een feit, dat de heidenen, niettegenstaande hun gelegenheid
genoeg gegeven werd, geen lust hadden in het martelaarschap; zij
onthielden zich van het ritueel, hetwelk zij zelf in de angstwekkende
tegenwoordigheid van hun Keizer hadden veroordeeld--of, hetgeen
waarschijnlijker is, zij verrichtten het in het geheim.

Laten wij nu zien hoe de tempels verdwenen en de Kerken
toenamen. Tijdens de regeering van Gratianus (c. 380) bestonden er
in Rome 424 tempels van de oude goden, terwijl er, volgens de Notita
Urbis, een beschrijving van Rome uit dien tijd, geen Christelijke
Kerk was, die onder de gebouwen van de stad verdiende genoemd te
worden. En ofschoon er zeker eenige Christelijke Kerken waren, en
sommige van niet geringe afmeting [44], geven deze woorden toch een
waar beeld van haar betrekkelijke onbeduidendheid.

Op het einde van de regeering van Theodosius is de toestand zeer
veranderd. Theodosius was een Spanjaard, en in Spanje was het
orthodoxe Christendom bijna zonder inspanning machtig geworden en
keek met gelijke minachting neer op de toenmalige onmacht en den
vroegeren roem van het paganisme. En wanneer wij vragen hoe het
mogelijk was, dat de Romeinen zelf zoo onbarmhartig de prachtige
monumenten van hun voorouders konden vernielen, kunnen wij een
voldoende verklaring vinden in de gevaarlijke aanmoediging, die
zulke herinneringen aan het heidensche Keizerrijk gaven en in de
mogelijkheid van een tweeden keizerlijken afvallige, maar vooral ook
in de angst en afschuw, waarmee de meeste Christenen van dezen tijd,
en ook van later tijd, de heidensche tempels beschouwden als plaatsen,
die door kwaadaardige demonen [45] werden bezocht en de beelden als
gevaarlijke fetischen. Inderdaad was het geloof in het werkelijke
bestaan van de oude goden sterker bij den gewonen Christen van den
vroegsten tijd, dan bij de heidenen zelf.

Deze verwoesting van de oude tempels en beelden, waartegen Libanius,
de geleerde meester van Chrysostomus, tevergeefs protesteerde in zijn
vurige rede Pro Templis, werd niet beperkt tot Rome. De vele monumenten
van klassieke oudheid [46], die Constantinopel versierden, waren
uit Griekenland en Rome gestolen. Dit was erg genoeg, maar bovendien
werden er ontelbare prachtige gebouwen en kunstwerken vernield door
monniken en andere fanatieken, die werden opgewekt en gesteund door de
edicten van Theodosius en door de gevolmachtigden, die hij naar verre
provinciën stuurde om zijn edicten uit te voeren. Het verwoestingswerk
[47] begon, naar het schijnt in Syrië, waar een zekere bisschop
Marcellus, na met geweldige inspanning den grooten tempel van Zeus
te Apamea afgebroken te hebben, vergezeld van een bende fanatieken
andere steden aanviel met hetzelfde doel, totdat hij door de woedende
inwoners werd gegrepen en levend verbrand. In Gallië leidde (c. 370)
de bisschop van Tours, de beroemde St. Martinus, aan wien ongeveer 160
Engelsche Kerken gewijd zijn, groote benden monniken en andere zeloten
van de eene plaats naar de andere, terwijl hij alle overblijfselen van
heidensche architectuur en kunst vernielde, niettegenstaande de oude
goden zich in vijandige demonen-gestalten vertoonden. In Alexandrië,
na een bloedig gevecht tusschen Heidenen en Christenen, plunderde de
patriarch, de bekende Theophilus, den reusachtigen tempel van Serapis,
die beschouwd werd als het voornaamste steunpunt van het Egyptische
paganisme, en verwoestte dezen--het is mogelijk dat één van de twee
Alexandrijnsche bibliotheken met het Serapeum vernietigd is [48].

Wanneer wij spreken over deze verre streken van het Keizerrijk, waar
de oude goden--Olympische, Oostersche en Noorsche--verdwenen voor den
nieuwen godsdienst, kunnen wij ook de oudste Christelijke Kerken in
Brittannië en Ierland vermelden. In Brittannië werd het Christendom
het eerst ingevoerd door de Romeinen, maar natuurlijk niet door de
pauselijke Roomsche Kerk. Van deze periode is zeer weinig bekend, en
wij moeten ons tevreden stellen, met de legende omtrent St. Albanus
en St. Helena, tenzij iemand de oude fabels van Jozef van Arimathea
ernstig wil opnemen. Maar het is zeker, dat reeds in zeer vroege tijden
groote monnikenorden bestonden in verschillende centra, waarvan Avalon
(het tegenwoordige Glastonbury in Somerset) en Bangor (aan de Dee)
de meest bekende zijn [49].

Niet lang nadat Stilicho de Romeinsche legioenen van Brittannië had
weggetrokken (c. 405), werd het Christendom bijna geheel uitgeroeid
door de Angelsaksen, en de Iersche Kerk werd voor ongeveer 150 jaar
van het Christendom afgesneden door een wig van woest paganisme. Wij
zullen laten zien hoe deze Angelsaksen bekeerd werden door den jongsten
St. Augustinus (c. 600), den zendeling die door Gregorius den Groote
gezonden was. De overblijfselen van de oude Britsche Kerk hielden
nog stand tegen de pauselijke suprematie, die door Augustinus werd
afgekondigd; en de overlevering beschuldigt den Heilige (ten onrechte,
naar wij hopen, daar Augustinus in 604 stierf) het afschuwelijke
bloedbad te hebben veroorzaakt van de monniken te Bangor, toen
de Britten verslagen werden door de Saksen bij Chester in 607. De
buitengewone zendings-ijver, zoowel van de oude Iersche als ook van
de jongere Angelsaksische Kerk, zal in latere jaren besproken worden,
wanneer wij de dagen van de Lombardische koningen en van Karel den
Groote bereiken.

Dat verheven en eenvoudige voorschriften en leerstellingen in den
loop der tijden op grove wijze belachelijk worden gemaakt, schijnt
aan onverbeterlijke neigingen in de menschelijke natuur te moeten
worden toegeschreven en wanneer ten opzichte van het Christendom
zulke gevolgen bijzonder pijnlijk en verwonderlijk zijn, moeten wij
trachten troost te vinden in de woorden--misschien van Gregorius
den Groote--corruptio optimi pessima of, zooals Shakespeare zegt:
"Als lelies verrotten, rieken zij veel onaangenamer dan onkruid." Het
ligt ver buiten ons doel de evolutie van den Middeleeuwschen godsdienst
[50] in Italië in bijzonderheden na te gaan, maar wij zullen trachten
eenige belangwekkende religieuze verschijnselen uit deze periode aan
te wijzen, die van grooten invloed zijn geweest op de Italiaansche
kunst en geschiedenis. Van deze merkwaardige verschijnselen kies ik er
twee uit, nl. de bijgeloovige vereering van "reliquieën" en de bijna
ongeloofelijke geestdrift, opgewekt door de asceten en anachoreten.

Eerbied voor reliquieën van hetgeen vroeger groot en schoon was,
is natuurlijk een bewonderenswaardig gevoel, geheel verschillend van
antiquarisch enthusiasme. Maar de middeleeuwsche vereering voor de
zgn. heilige reliquieën was gebaseerd op een bijgeloovig vertrouwen
in de wonderlijke eigenschappen van zulke reliquieën en sloot een
fetisch-aanbidding in, die even plomp was als de oude godsdienst [51].

Zonder twijfel bestonden er eenige echte reliquieën, maar de aanvraag
werd zoo belangrijk, dat ontelbare nieuwe ontdekkingen werden gedaan,
dikwijls (zooals wij bij St. Ambrosius reeds hebben opgemerkt) door
middel van droomen en visioenen; en de voorraad groeide daardoor
geweldig. Het Ware Kruis, door Helena op den Calvarieberg gevonden,
verschafte, naar men zeide, genoeg hout om een oorlogsschip
te bouwen--een feit dat leidde tot de legende van zijn zichzelf
vernieuwende krachten. Verbazingwekkende verhalen werden verspreid
van de mirakels door beenderen, haar, bloeddruppels en heilige olie
veroorzaakt. Alle steden verlangden de een of andere reliquie te
bezitten. Geen kerk werd gebouwd, voordat men een heilig voorwerp
[52] machtig was geworden.

Den oorsprong van de groote ascetische beweging moet men zoeken
in het verre Oosten, waar de Indische fakir en de Thibetaansche
monnik en andere dergelijke lusus naturae sinds onheuglijke tijden
schijnen bestaan te hebben; of misschien is het juister te zeggen,
dat de neiging tot dergelijke afwijkingen, welke latent schijnt in
het Oostersche karakter, zulke gevolgen voortbracht als de Joodsche
anachoreten, de Essaeërs en de Egyptische Therapeuten, die vele jaren
voor de Christelijke monnikenorden bestonden, en dat de beweging onder
de Christenen van Egypte en Syrië ten deele althans moet toegeschreven
worden aan het Neoplatonisme (vgl. p. 41).

Ongeveer in het jaar, waarin Constantijn het purper aannam (305),
trok een geestdriftig, geloovig jongeling in Egypte, bekend als
Antonius van de Thebaïs, zich in de woestijn terug. Zijn voorbeeld
werd weldra nagevolgd en vele duizenden fanatieken, die zichzelf
woestijn-menschen (heremieten) of afgescheidenen (anachoreten)
noemden, begonnen de zandige en rotsachtige wildernissen van het
Nijlland te bevolken, totdat hun aantal de bevolking van alle steden
van Egypte evenaarde. Het is onnoodig de bekende, afschuwelijke
krankzinnigheden van het anachoretisme te beschrijven en het is
overbodig zich te verwonderen over deze monsterachtige voortwoekering,
die zelfs het bestaan van de Christelijke religie bedreigde. Het
systeem van afzondering bleek op den duur onmogelijk. De cel
van elken welbekenden kluizenaar werd omringd door de hutten van
zijn vereerders; een "eenzame" van Gaza, Hilarion, had, naar men
verhaalt, een gevolg van drie duizend menschen; en weldra vond
een anachoreet, Pachomius, het meer in overeenstemming met de
voorschriften van het Evangelie ongeveer veertien honderd kameraden
("coenobiten", samenwoners) om zich te verzamelen, waarvan hij een
monniken-huishouding maakte, natuurlijk geen monniken-orde, zooals
Benedictus later stichtte. Kloosters verrezen nu in groote getale en
wel over de geheele Christelijke wereld, van de woestijnen van Syrië,
Egypte en Ethiopië [53] tot de wildernissen in Gallië en Brittannië,
waar het leven van eenzame afzondering moeilijk na te volgen was door
het klimaat, en een beschaafder vorm van ascetisme trad blijvend op.

Antonius had de vriendschap van Athanasius verworven, (die later zijn
leven beschreef) en ongeveer 340 stelde de Alexandrijnsche patriarch
aan den Paus in het Vaticaan eenige van Antonius' leerlingen voor. Het
vreemde en woeste uiterlijk van deze "Egyptenaren" wekte in Rome eerst
afschuw, toen verachting, daarna geestdriftige navolging. Senatoren en
edele matronen wedijverden met elkaar om hun schitterende paleizen en
villa's in kloosters te veranderen en de Kerk werd er zich weldra van
bewust dat zij deze nieuwe beweging moest erkennen en begunstigen. In
het Oosten was St. Basilius, die zelf vroeger kluizenaar was geweest,
een ijverig stichter van godsdienstige huizen; St. Martinus van
Tours, of misschien zijn beschermheer St. Hilarius van Poitiers was de
stichter van de oudste kloosters in Gallië; en in Brittannië waren in
de vijfde eeuw, zoo niet vroeger, groote kloosters te Avalon en Bangor.

Wij zijn ver van Italië afgedwaald; maar een duidelijke voorstelling
van de geweldige kracht van sommige dezer godsdienstige stroomingen
zal het ons misschien mogelijk maken onze piccioletta barca in juiste
richting te sturen.



HOOFDSTUK V.

STILICHO, ALARIK EN PLACIDIA.

395-450


Wij hebben gezien, dat Theodosius de Groote zijn rijk verdeelde
tusschen zijn twee zonen, Arcadius en Honorius, die 18 en 10 jaar oud
waren, en dat hij Rufinus en Stilicho als hun voogden aanstelde. De
eerste had in Constantinopel het bestuur over de keizerlijke financiën
en trad op als voogd van Arcadius, terwijl Stilicho de zorg had over
den jongen Honorius, magister utriusque militiae (commandant van de
ruiterij en het voetvolk) was en zijn hoofdkwartier te Rome had. De
haat, die het afpersen der belastingen opwekte aan den eenen kant,
en aan den anderen kant de voordeelen, die een populair aanvoerder
van de Keizerlijke troepen verwierf, hadden ten gevolge, dat de
strijd tusschen de twee regenten eindigde met den moord op Rufinus
door Stilicho's Gotische troepen.

In dit hoofdstuk zullen wij, na een paar bijzonderheden over Stilicho
en zijn merkwaardigen levensloop (394-408), eenige van de vele
schilderachtige incidenten vertellen, die samenhangen met den inval
van Alarik en de lotgevallen van Galla Placidia.

Men zal zich herinneren, dat groote massa's West-Goten toestemming
hadden gekregen zich te vestigen ten Zuiden van den Donau en wij
hebben meermalen vernomen, dat zij de keizerlijke troepen met
flinke contingenten steunden. De Gotische soldaat, die Rufinus in
tegenwoordigheid van den Keizer Arcadius vermoordde, had, toen hij zijn
slachtoffer neerstiet, uitgeroepen: "Met dit zwaard treft Stilicho
u!"--beteekenisvolle woorden, want het Gotische zwaard was het,
dat nu over het lot van het Keizerrijk zou beslissen. Weldra kregen
deze Gotische troepen, wier aanvoerder, Gainas, zeer verknocht was
aan Stilicho, in Constantinopel de macht in handen; maar ten slotte
werden zij, nadat, gedeeltelijk door toedoen van St. Chrysostomus, die
natuurlijk als patriarch deze onbeschaamde Ariaansche barbaren vijandig
gezind was, een oproer was uitgebroken, uit de stad gedreven. Gainas
werd gedood door de Hunnen, toen hij den Donau wilde oversteken,
maar zijn mannen voegden zich bij hun landgenooten, de West-Goten
van Thracië en Moesië.

Deze West-Goten begonnen nu erg lastig te worden. Gedurende de laatste
vijf jaar (sinds 395 ongeveer) regeerde Alarik over hen, van wien
wij reeds hebben gehoord in den slag bij den Frigidus, waar hij als
jonge man voor Theodosius streed tegen Arbogast. De sluwe Rufinus had
getracht de gevaarlijke horden van Alarik op te zetten tegen Stilicho
en het Westersche Rijk, om hen van de hoofdstad van het Oosten af te
houden. Stilicho, die zelf een Vandaal was, had hen tegen Rufinus
gebruikt; maar daarna had hij zich tegenover hen gesteld en Alarik
verslagen in den Peloponnesus, toen deze Griekenland binnendrong [54].

Geprikkeld door zulk een onverstandige behandeling, besloten de
West-Goten wederom Zuidwaarts te trekken en een inval te ondernemen
in Italië. Wat het eigenlijke plan van Alarik was, is onzeker. Hij
had, evenals later Odovacar en Theoderik, een bijgeloovigen eerbied
voor het Keizerrijk en waarschijnlijk kwam het plan om zich meester
te maken van het Keizerlijke gezag nooit bij hem op. Zijn voornaamste
taak was blijkbaar een nieuw land te zoeken voor de opgewonden benden,
die heftig om plundering en buit schreeuwden. Ook werd Alarik (als wij
een overlevering mogen gelooven, die de dichter Claudianus mededeelt)
naar Rome gedreven door een stem, die hem plechtig beloofde, dat hij
eens de Eeuwige Stad zou bereiken: "Penetrabis ad Urbem!" Maar eerst
vond hij nog eens zijn meester in Stilicho.

Na Alarik verslagen te hebben in Griekenland (396), had Stilicho
zich verder onderscheiden door een oproer in Afrika te dempen, dat
was opgewekt door een Moorsch opperhoofd, Gildo. Stilicho, ofschoon
een Vandaal, was gehuwd met een nicht en aangenomen dochter van den
grooten Theodosius, de Spaansche Serena, wier schoonheid en deugden
door Claudianus zijn bezongen. Ongeveer 399 werd hun dochter Maria
uitgehuwelijkt aan haar half-idioten neef, den Keizer Honorius,
en Stilicho werd aldus steeds machtiger.

Zijn schitterende verdediging van Italië tegen de West-Goten onder
Alarik en tegen de geweldige horden van Rhaetische barbaren onder
den woesten Wodan-vereerder Radegast, die hij bij Fiesole gevangen
nam en doodde, is reeds verhaald (p. 9). Hier zullen wij nog slechts
een paar gebeurtenissen mededeelen, die van hooger belang waren dan
oorlog en politiek.

Toen Stilicho en Honorius Rome in triomf binnentrokken (404) na de
nederlagen der Goten bij Turijn en Verona, werd er in het Colosseum
een groot gladiatorenspel gegeven--want zelfs nu nog, een eeuw na den
zoogenaamden Vrede van de Kerk, werden, ondanks het protest van edeler
naturen (zooals de dichter Prudentius), ondanks het gedeeltelijke
verbod van sommige Keizers, zulke wreedheden toch waanzinnig
toegejuicht in een stad, die zich het centrum van de Christelijke
wereld noemde, ofschoon zij in Constantinopel [55] waren afgeschaft
of nooit bekend waren geweest en Theodosius zelfs in 394 reeds zulke
onschuldige vermakelijkheden als de Olympische spelen had verboden.

Als wij den schrijver Theodoretus mogen gelooven, was dit het
laatste gladiatorenspel, dat in het Keizerrijk gehouden werd. Een
monnik van het Oosten had de geheele reis naar Rome gemaakt om
door een moedige daad te protesteeren tegen die ruwe vertooningen,
en onder de oogen van de vele duizenden van toeschouwers, die de
rijen van het Colosseum vulden, stormde hij de arena in en scheidde
de strijdenden. Met een gebrul van verontwaardiging eischte het
geheele amphitheater zijn dood--en hij zakt ineen, overweldigd door
een stortvloed van werptuigen. Zijn schitterende heldendaad had de
toeschouwers zoo diep ontroerd, dat hun woede plaats maakte voor
bewondering en eerbied; en Honorius vaardigde een proclamatie uit,
waarbij voor altijd deze gevechten van menschen tegen menschen werden
afgeschaft [56]. De monnik, Telemachus, is heilig verklaard, maar hij
heeft geen hem toekomende erkenning in de kunst of op andere wijze
ontvangen. Misschien is dit zoo, omdat de gebeurtenis niet volkomen
vast staat--ofschoon de geschiedenis van menigen populairen Heilige
minder betrouwbaar is--of anders omdat hij slechts stierf voor de
menschelijkheid, en niet voor een theologisch dogma.

De veldtochten van Stilicho zijn het onderwerp van Claudiamus'
"serviele muze", zooals Gibbon misschien ten onrechte zegt. Claudianus
schreef in het Grieksch (hij was in Alexandrië geboren) en in het
Latijn, maar behalve door een paar Grieksche epigrammen, is hij beroemd
door zijn Latijnsche gedichten, vooral om de keurige hexameters waarin
hij zijn Gotische Oorlog heeft geschreven, dien hij Getische Oorlog
noemt; want evenals de latere schrijvers Cassiodorus en Jordanes,
meende hij, dat de Goten dezelfde waren als de Getae (de Thraciërs of
Daciërs van den klassieken tijd). Claudianus' gedichten doen denken
aan de schitterende kleuren van de latere Venetiaansche schilders of
van Rubens. Hij is tot op zekere hoogte vrij van de gezwollenheid van
Lucanus, met wiens Pharsalia wij natuurlijk gaarne zijn Getische Oorlog
vergelijken en als wij bedenken, dat het Latijn niet de moedertaal
van Claudianus was, staan wij verbaasd over de wondere ongedwongenheid
en kracht van zijn stijl en de vlucht van zijn verbeelding, waardoor
hij soms Vergilius en Lucretius evenaart.

Een zeer belangwekkende episode in de veldtochten van Stilicho is het
ontzet van Florence, toen het door Radegast werd belegerd in 405,
want het is misschien de vroegste gewichtige gebeurtenis, (waarvan
wij ten minste een volledig verslag bezitten), die samenhangt met
middeleeuwsch Florence--als wij Florence van het jaar 405 reeds als
middeleeuwsch kunnen beschouwen.

Florence werd waarschijnlijk gesticht door de Etrusci van Faesulae
(Fiesole); overblijfselen van de geweldige Etruscische muren bestaan
nog. In klassieken tijd was het een Romeinsche militaire kolonie en
misschien later door Caesar uitgebreid en meer versterkt. Toen dit
in het begin van de vijfde eeuw plaats vond, schijnt het vierkant
geweest te zijn, zooals de meeste Romeinsche castra en bezat het een
citadel, forum, amphitheater en tempels--waarvan er éen gewijd was
aan de drie goden, Jupiter, Juno en Minerva en een andere aan Mars
[57], beschermgod van de stad; dit laatste gebouw was misschien
datgene, wat Dante later il bel San Giovanni noemt en wat nu de
Battisterio is. Daar deze belegering noch bij Machiavelli noch in
de gewone beschrijvingen van Florence staat, lijkt het wel dienstig
hier te vertellen, wat Gibbon zegt: "De belegering van Florence door
Radegast is een van de vroegste gebeurtenissen in de geschiedenis van
de beroemde republiek. De stad werd hevig beproefd en de wanhopige
burgers hielden slechts vol onder invloed van St. Ambrosius, die in een
droom (hij was ongeveer acht jaar tevoren gestorven) hun een spoedige
redding beloofde. Plotseling zagen zij van hun wallen de vaandels van
Stilicho, die weldra de barbaarsche belegeraars, die gelegerd waren
op den "drogen en steenachtigen rug" van Faesulae (zooals Orosius [58]
zegt), insloot. De methode om den vijand met sterke verschansingen te
omringen, die Stilicho twee keer tegen den Goten-koning had toegepast,
werd op grooter schaal herhaald, en de ingesloten menigte van menschen
en paarden werd langzamerhand, meer door den honger dan het zwaard,
vernietigd. Hulptroepen en levensmiddelen werden binnen de muren
van Florence gebracht en de uitgehongerde benden van Radegast werden
op hun beurt belegerd. De trotsche koning van zoovele krijgshaftige
stammen moest vertrouwen op de voorwaarden eener capitulatie of op de
genade van Stilicho. Maar de dood van den aanvoerder, die smadelijk
werd onthoofd, onteerde den triomf van Rome en het Christendom. De
uitgehongerde Germanen werden als slaven verkocht; Stilicho berichtte
den Senaat en den keizer zijn overwinning en ontving voor den tweeden
keer den roemrijken titel van Bevrijder van Italië."

De oorzaken van den val van Stilicho waren vele. Jaren geleden hadden
zijn vijanden de beschuldiging verspreid, dat hij na de nederlaag van
Alarik diens ontvluchting had begunstigd, zoowel in Griekenland als
in Italië en dat hij hem zelfs als stadhouder van Illyrië had willen
erkennen; en de beschuldiging was des te moeilijker te weerleggen, daar
hijzelf een barbaar van geboorte en derhalve verdacht en gehaat was bij
het Romeinsche gedeelte van het leger, en ook in Rome bij den hoogen
zoowel als bij den lagen stand. Ook Honorius begon hem te verdenken
en daar hij nogal kinderlijk was, luisterde hij des te eerder naar het
gerucht, dat de almachtige generaal zijn zoon Eucherius--die zich een
bloedverwant noemde van den grooten Theodosius--op den troon van het
Westen of van het Oosten wilde plaatsen [59]. Een andere beschuldiging
was gegrond op het onweerlegbare, doch misschien noodzakelijke, feit
dat Keizerlijke troepen uit Brittannië en Gallië waren weggehaald,
waardoor groote woeste horden den Rijn waren overgetrokken, en
te midden van de paniek een gevaarlijke "tyran", Constantinus,
in Brittannië opgestaan was en zich meester gemaakt had van Gallië
en Spanje.

Al deze beschuldigingen werden aangewakkerd door den mededinger
van Stilicho, een officier van de Keizerlijke garde, Olympius, die
een ernstige muiterij verwekte onder de troepen te Pavia. De stad
werd geplunderd, de vrienden van Stilicho vermoord en Honorius,
hoewel aanwezig, deed geen poging om hen te redden. Toen Stilicho,
die te Bologna was, dat vernam, trok hij haastig naar Ravenna en
zocht bescherming in een Kerk--waarschijnlijk de Kathedraal, de
Basilica Ursiana [60], waarvan de oude klokketoren nog over is. Een
troep soldaten--door Olympius, of misschien door Honorius zelf
gezonden--verscheen weldra aan de deur van de Kerk. De bisschop werd
door valsche beloften overgehaald Stilicho aan te sporen zich over te
geven. Maar nauwelijks had Stilicho den drempel overschreden, of hij
werd gevat; hij weerhield zijn vrienden, die hem wilden bevrijden en
boog zijn nek voor de zwaarden van zijn moordenaars. In de basilica
van S. Ambrogio in Milaan is een sarcophaag, die gedurende vele eeuwen
de tombe van Stilicho heette--maar moderne geleerden zeggen ons dat
zij uit de zesde eeuw is (zie plaat 6).

Na den dood van Stilicho vond er een moorddadige vervolging van
zijn aanhangers plaats. Zijn zoon Eucherius trachtte te ontsnappen,
maar werd gevangen genomen en gedood. Thermantia werd van haar man
gescheiden. Serena, als nicht van Honorius, kreeg genade, maar voor
korten tijd, zooals wij zullen zien. Claudianus schreef een tijdlang
erbarmelijke (misschien ironische) gedichten, die zijn vroegere
beleedigende politieke epigrammen herriepen. Wij hooren niets meer
van hem; zijn lot is onbekend.

Honorius bemerkte weldra, dat hij door den moord op Stilicho als
het ware zijn eigen rechterhand had afgehakt. Omringd door zijn
onbekwame en bange satellieten, sloot hij zich in Ravenna op, een
stad, die door haar moerassen en haven zoo dikwijls in de dagen
van barbaarsche invallen een veilige verdediging aan de landzijde
en een gemakkelijke ontsnapping naar de zee aanbood. Hier hield de
zwakzinnige en kwaadaardige jongeling, nu 23 jaar oud, zich bezig met
zijn hoenderhof, terwijl Alarik Rome belegerde. Toen de Koning der
West-Goten gezanten stuurde (de Paus was onder hen) om vrede voor te
stellen op de zeer redelijke voorwaarden, dat Noricum aan de West-Goten
zou worden afgestaan, verwierp hij dat met gemelijke minachting;
en toen het bericht kwam dat Rome door Alarik genomen was, zegt men,
dat hij heeft uitgeroepen: "Onmogelijk! Een oogenblik geleden heb ik
haar met eigen hand gevoerd"--want voor hem was het eenige Rome, dat
belangrijk was, een van zijn hennen, aan wie hij dien naam had gegeven.

Een tragische gebeurtenis, die plaats greep, toen Alarik Rome
de eerste maal belegerde, was de vermoording van Serena door de
Romeinen; zij was de weduwe van Stilicho, de nicht en schoonmoeder van
Honorius. Zij werd, evenals haar gemaal, beschuldigd Alarik begunstigd
te hebben. Sommigen schreven haar dood toe aan den invloed van haar
nicht, de steeds jeugdige Galla Placidia.

Toen Honorius de voorwaarden van Alarik verwierp en de belegering
van Rome [61] werd hernieuwd (409), werd het lijden van het volk
verschrikkelijk. De verhalen brengen ons de belegering van Jeruzalem
en Numantia in herinnering, zooals Josephus en Livius die vertellen
of de niet minder afschuwelijke feiten uit den Oost-Gotischen
oorlog, dien Procopius beschrijft. Mannen en vrouwen werden in het
geheim vermoord en verslonden; zelfs moeders doodden en aten haar
kinderen. Tot wanhoop gedreven dreigden de Romeinen een uitval te
doen en masse en hun belegeraars te overweldigen; maar toen Alarik
dit hoorde, lachte hij luid en riep uit: "Hoe dichter het koren,
des te gemakkelijk het maaien." En toen zij, de waarheid van zijn
sarcasme inziende, de voorwaarden van den overwinnaar verlangden te
weten, vroeg hij al het goud en zilver, al de roerende goederen van
waarde en alle vreemde slaven in de stad. "Wat wilt gij ons dan laten,
o Koning?" riepen de gezanten uit. "Uw leven", was het antwoord. Maar
Alarik's blaffen was erger dan zijn bijten. Hij nam een redelijker
brandschatting aan en een tijdlang was er nu wapenstilstand.

In de tusschenruimten, die er ontstonden door zijn drie belegeringen,
oefende Alarik geen geringen invloed uit op den politieken toestand
van Rome. Zijn geweldige oorlogsschatting had de plundering van oude
tempels en andere oude gebouwen ten gevolge, zoodat de haat van
de nog steeds talrijke heidenen [62] tegen de Christenen heviger
werd. Door deze godsdienstige veete, als ook door den strijd van
de Arianen tegen de Katholieken slaagde Alarik, die door het bezit
van de haven van Ostia de Romeinen geheel in zijn macht had, er in,
Attalus, den Prefect van Rome tot Keizer te laten kiezen. Onder wilde,
geestdriftige toejuichingen van het Romeinsche plebs mochten Gotische
troepen de stad binnengaan en den nieuwen Keizer naar het paleis op
den Palatinus geleiden. Geheel Italië, behalve Ravenna, en Bologna,
scheen zijn nieuwen vorst toe te juichen. Alarik vergezelde hem bijna
tot de poorten van Ravenna en Honorius bood zijn mededinger de helft
van het Westersche Rijk aan, hetgeen Attalus minachtend verwierp,
terwijl hij van zijn kant Honorius aanbood de rest van zijn leven
in ballingschap door te brengen op een afgelegen eiland. Maar de
omstandigheden veranderden; hulptroepen uit Afrika verschenen in
de haven van Ravenna, en Attalus viel plotseling in ongenade bij
Alarik, die hem op het plein van Rimini, voor het geheele leger, zijn
keizerlijke insignes afnam; deze zond hij naar Honorius en bood hem
wederom vredesvoorwaarden aan. Doch Honorius weigerde nog eens en de
Gotische koning keerde naar Rome terug, vast besloten de beleediging
met de plundering van de stad te wreken.

Maar toen Alarik en zijn West-Goten eindelijk Rome binnentraden (410),
bleef hij slechts enkele dagen in de stad en toonde veel meer genade
en lankmoedigheid dan men verwacht zou hebben. De Christelijke kerken,
zooals de oude Vatikaan-basiliek van S. Pietro en de schitterende,
kort geleden gebouwde basiliek van S. Paolo werden geëerbiedigd. Zonder
twijfel werd er veel gemoord en geplunderd en werden er vele burgers
tot slaaf gemaakt; maar de schade die deze barbaren aanrichtten aan de
gebouwen en kunstwerken was vergelijkenderwijze minder dan die, welke
de Fransche en Venetiaansche Kruisvaarders [63] te Konstantinopel in
1204 veroorzaakten, of in Rome zelf de Spaansche Katholieken en de
Duitsche Lutheranen van den Connétable van Bourbon in 1527.

De geschiedenis van den dood en begrafenis van Alarik is bekend--maar
waarom hij zoo plotseling van Rome wegtrok, met welke bedoeling
hij een vloot verzamelde, of hij een aanval tegen Sicilië of
Afrika beraamde, en waar hij woonplaatsen voor zijn Goten hoopte
te vinden, die hij nog steeds zocht en die zij eindelijk in Gallië
vonden--zijn vragen, die onmogelijk met eenige zekerheid kunnen
beantwoord worden. Welke ook zijn plannen waren, zij zijn verijdeld
door zijn plotselingen dood. Het woeste karakter der barbaren kwam
tot uiting bij de begrafenis van hun held. Een menigte gevangenen
werd gedwongen de bedding van den Busentinus, een kleine rivier bij
Consentia in Calabrië te verleggen. Het koninklijk graf, versierd met
den schitterenden buit van Rome, werd gebouwd in de oude bedding;
het water hernam weder zijn natuurlijken loop en de geheime plek,
waar het stoffelijk overschot van Alarik was neergelegd, werd voor
eeuwig verborgen door de onmenschelijke slachting van de gevangenen,
die gebruikt waren om het werk uit te voeren.

Athaulf of Adolf, de broeder van Alarik's gemalin, nam het
legercommando over. Omtrent de beweegredenen, die hem van
vijandelijkheden tegen Honorius en Italië weerhielden, wordt ons een
belangwekkende beschouwing gegeven door den vriend van St. Augustinus,
den geschiedschrijver Orosius, die op een bezoek bij St. Hieronymus
in Palestina een pelgrim ontmoette, een wapenbroeder van den
barbaren-hoofdman. Eerst was Athaulf van plan geweest zich tot Augustus
op te werpen en een "Gotia" (een Gotisch Keizerrijk) te stichten in de
plaats van de "Romania". Maar hij had de overtuiging gekregen dat de
Goten zoo wild en onhandelbaar waren, dat zij niet op een blijvende
staat konden hopen, tenzij een die gebaseerd was op en onderworpen
aan wetten van het Romeinsche Keizerrijk. Hij schijnt geen hoop
gekoesterd te hebben, zooals Theoderik dit later tevergeefs trachtte
te verwezenlijken, dat een nieuwe staat zou kunnen worden opgebouwd uit
barbaarsche en Romeinsche elementen. Misschien hebben ook persoonlijke
motieven er hem toe gebracht een Romeinsche politiek te volgen, want
een van zijn Romeinsche gevangenen had hem bekoord, de half-zuster
van Honorius, de jeugdige Galla Placidia, die--matre pulchra filia
pulchrior--de schoonheid van haar moeder Galla en haar grootmoeder
Justina had geërfd. Honorius wilde in het huwelijk van een Keizerlijke
prinses en een barbaar niet toestemmen, maar daar hij door den "tyran"
Constantinus en een usurpator, die Spanje overweldigd had, juist zeer
in het nauw werd gebracht, was hij blij Italië van de West-Goten te
kunnen bevrijden. Athaulf en zijn leger konden dus ongehinderd Italië
doortrekken en Gallië binnenrukken, op voorwaarde, dat zij Honorius
zouden helpen de Westelijke provinciën te heroveren. Ondertusschen
was er, ofschoon de overweldiger van Spanje (die weder Maximus heette)
verpletterd was en Constantinus door een dapper veldheer van Honorius,
Constantius, te Arles gevangen genomen en naar Ravenna gestuurd was,
een derde usurpator opgestaan. Deze werd aangevallen en gedood door
Athaulf; zijn hoofd werd naar Honorius gezonden, die het naar Carthago
doorstuurde om aan die eenigszins ontrouwe stad te toonen, welk lot
opstandelingen konden verwachten. Maar ondanks dit bloedige geschenk
weigerde Honorius steeds het huwelijk te bekrachtigen en beloofde een
groote hoeveelheid graan aan de Goten, die gebrek leden, te zenden,
wanneer Athaulf van de schoone Placidia afzag. Dit aanbod evenwel
werd afgeslagen en Athaulf besloot door te tasten. Hij maakte zich
meester van Narbonne, Toulouse en Bordeaux en trachtte zelfs Marseille
te nemen, dat door de keizerlijke troepen onder Bonifacius verdedigd
werd. Daarna vierde hij zijn bruiloft met Galla Placidia, die Honorius'
meening in deze zaak volstrekt niet deelde, te Narbonne. De bruiloft,
zegt Villari, werd gevierd met echt Romeinsche plechtigheid. De
barbaar Athaulf droeg een Romeinsche tunica. Voor de bruid, die een
prachtig Romeinsch gewaad droeg, knielden vijftig jongelingen ieder
met twee gouden bekkens, een met goudstukken, het ander met juweelen
en andere kostbare voorwerpen gevuld--afkomstig van de plundering
van Rome. Om de plechtigheid te verhoogen werden Latijnsche verzen
voorgedragen--terwijl de [64] indrukwekkendheid werd vergroot door
het feit, dat deze huwelijkszang werd gedeclameerd door Attalus, den
"schijn-keizer", dien Alarik gekozen en kort daarna afgezet had.

Kort na de bruiloft, die in Januari 414 gehouden werd, voerde
Athaulf sterke afdeelingen van zijn Goten over de Pyrenaeën om een
inval te doen in het gebied van de Vandalen, Sueven en Alanen, die
(vgl. hfdst. II) het grootste gedeelte van Spanje hadden bezet en
door hun verwoestingen afschuwelijken hongersnood en pest hadden
verwekt. Te Barcelona werd Athaulf vermoord. Zijn opvolger, Singerik,
die de Romeinen haatte, behandelde Galla Placidia schandelijk, en
liet haar te voet met een troep gevangenen marcheeren; men zeide,
dat hij de kinderen van Athaulf, die deze van een vorige vrouw had,
liet slachten. Maar na zeven dagen werd ook hij vermoord, en zijn
opvolger, de dappere en energieke Wallia verstond zich met Honorius
om geheel Spanje voor het Keizerrijk te heroveren--een belofte die
hij vervulde, voordat hij de Pyrenaeën weer overtrok; hij stichtte
(c. 420) het groote West-Gotische koninkrijk, welks hoofdstad Tolosa
(Toulouse) werd.

Maar wij moeten terugkeeren tot Placidia, wier lotgevallen ons
weer naar Italië zullen voeren. Het verdrag van Wallia met Honorius
(c. 416) sloot de bevrijding van de prinses in, die, door den dood van
Athaulf, als een weduwe van 29 jaar was achtergelaten. Nogmaals bood
Honorius een groote hoeveelheid graan voor zijn zuster; of misschien
ried Wallia wegens den hongersnood Honorius deze vorm van losprijs
aan. Zeshonderd duizend maten werden als een behoorlijke vergoeding
aangenomen en Placidia keerde naar Ravenna terug. Hier bemerkte zij,
dat Honorius en zijn ministers het plan hadden gevormd haar uit te
huwen aan Constantius, den generaal, wiens krijgsdaden in Gallië
zoo even zijn verteld. Hij was een ruwe soldaat, blijkbaar zonder de
natuurlijke beschaving van den barbaar Athaulf en de prinses schijnt
hem met tegenzin te hebben aangenomen. Maar het huwelijk bleek niet
ongelukkig. Constantius kreeg den titel van Augustus. Twee kinderen
werden geboren--Honoria en Valentinianus--de eerste later beroemd om
haar romantische verhouding tot Attila, de laatste de toekomstige
Keizer Valentinianus II. Maar in 421 stierf Constantius en kort
daarna vond Galla Placidia het hof te Ravenna ondragelijk wegens de
dwaasheden van den zwakzinnigen Honorius. Derhalve ging zij met haar
kinderen naar Constantinopel.

Te Constantinopel regeerde nu Theodosius II, die in 408 zijn vader
Arcadius, den broeder van Honorius, was opgevolgd. Theodosius had
als kind van zeven jaar den troon bestegen. Hij had nu den leeftijd,
maar zijn zuster Pulcheria was regentes en daar zij (zooals in het
Historisch Overzicht verhaald is) een verstandig en flink karakter
had, bleef zij feitelijk het hoofd van het Oost-Romeinsche Keizerrijk
gedurende zijn geheele regeering en nog langer.

De Augusta van het Westen met haar twee kinderen werd goed ontvangen
door haar neef en nicht, Theodosius en Pulcheria, ofschoon
zij blijkbaar haar titel niet wenschten te erkennen, daar het
Byzantijnsche hof noch den barbaar Athaulf noch den ruw-gemanierden
soldaat Constantius als een geschikten gemaal voor een lid van de
Theodosische familie had willen aannemen. Toen derhalve eenige
maanden later het bericht kwam, dat Honorius was gestorven, en
dat een usurpator gesteund werd door den machtigen invloed en de
Hunnen-huurlingen van Aëtius, een van de voornaamste generaals van
het Westelijke leger, terwijl de andere, Bonifacius--die in Afrika
was--de opvolging van het kind van Placidia begunstigde, was het
natuurlijk dat Pulcheria en Theodosius, ofschoon zij troepen stuurden
om den overweldiger te onderwerpen en zich dus openlijk voor Placidia
en Valentinianus verklaarden, zich voorloopig als alleenheerschers
van het hereenigde Romeinsche Keizerrijk beschouwden. Maar weldra
kwam het bericht, dat de usurpator was gevangen genomen en te
Aquileia onthoofd. Toen Theodosius dit vernam, woonde hij juist
een uitvoering in het Hippodroom te Constantinopel bij. Hij liet
dadelijk de wedrennen ophouden, en leidde onder het zingen van een
toepasselijken psalm het volk van het Hippodroom naar de Kerk, waar
hij het overige van den dag in dankbare devotie doorbracht. Hetzij
hij door eigen onverschilligheid, hetzij door de verstandige en edele
Pulcheria er toe bewogen werd, het is aangenaam te kunnen vermelden,
dat Theodosius geen voordeel trok van den toestand, maar den kleinen
Valentinianus, nu een kind van zes jaar, als Keizer van het Westen
onder het regentschap van zijn moeder liet uitroepen.

Valentinianus III regeerde dertig jaar (425-455). In al dien tijd
heeft hij bijna niets verricht, dat hem tot eer strekt, en misschien
had slechts één daad van hem--de moord op Aëtius--eenige historische
beteekenis. Maar groote en belangrijke gebeurtenissen vonden
plaats. Wij zullen in de twee volgende hoofdstukken den levensloop
van Attila (445-452) en de verovering van Noord-Afrika, Sicilië en
Rome (445) door Gaiserik beschrijven. In dit hoofdstuk zullen wij de
lotgevallen van Galla Placidia tot haar dood in 450 verhalen.

Juist gedurende de helft van de regeering van haar zoon nam Galla
Placidia het regentschap waar. Toen hij ouder was geworden, schijnt
zij nog wel invloed uitgeoefend te hebben, ofschoon zij zich van
daadwerkelijke inmenging in de regeering onthield. Zij vertoefde meest
te Ravenna, doch bezocht Rome niet zelden; tijdens een verblijf aldaar
stierf zij.

Aëtius en Bonifacius, de twee bevelhebbers van het leger in het Westen,
waren beroemd om hun bekwaamheid in den oorlog en hun dapperheid,
waardoor zij den titel van "de laatsten der Romeinen" verworven
hebben. Wij hebben gezien (p. 11), hoe Aëtius een usurpator begunstigde
en zelfs met 60.000 Hunnen steunde, en hoe, vreemd genoeg, toen hij
de andere partij koos en zijn Hunnen afdankte, Galla Placidia hem met
open armen ontving en als raadsman en bevelhebber van haar eigen leger
aannam, terwijl zijn mededinger, Bonifacius, die zich dadelijk voor
Placidia en Valentinianus had verklaard, zoo onrechtvaardig door haar
werd behandeld, dat hij Gaiserik en zijn Vandalen uitnoodigde over te
steken van Spanje en zich meester te maken van de diocese Afrika. Toen
de Vandalen kwamen en Bonifacius, die te laat berouw had, inzag, dat
hij den geweldigen stroom van Barbaren niet kon stremmen, keerde hij
naar Ravenna terug en duelleerde met Aëtius, die haastig van Gallië
was gekomen om hem te ontmoeten. Het schijnt dat hij Aëtius in dit
duel overwon; maar hij werd zelf gewond en stierf kort daarna (432).

Placidia verklaarde Aëtius tot opstandeling en hij trok zich een
tijdlang terug naar de legerplaats van Rugilas, den Koning van de
Hunnen in Pannonië. Daarna verscheen hij weer voor Ravenna met een
groot leger van Hunnen, en Placidia was genoodzaakt zichzelf, haar
zoon en het Westersche Rijk aan den onbeschaamden onderdaan over
te leveren; zoo vertelt Gibbon, maar volgens anderen werd Aëtius,
omdat hij toch de eenige bekwame veldheer was, door de eenigszins
wispelturige Placidia, als haar magister equitum peditumque wederom
vriendelijk ontvangen. Hoe dat ook zij, hij schijnt de titels van Dux
en Patricius te hebben gekregen en meer dan twintig jaar (432-454)
de eigenlijke heerscher van het Westersche Rijk te zijn geweest--of
liever, van hetgeen overbleef van het Westersche Rijk, want Brittannië
was verloren, Zuid-Gallië vormde het onafhankelijk koninkrijk van de
West-Goten, die feitelijk bijna geheel Spanje beheerschten, terwijl
Noord-Afrika en Sicilië in de macht van Gaiserik, den Vandaal, waren.

Het was in deze jaren, dat Aëtius de hulp van de Hunnen onder Attila
tegen de Bourgondiërs aannam. Het lijkt eenigszins verrassend, dat de
opperbevelhebber van het Westersche Keizerrijk hulp heeft willen vragen
van een woest heidensch volk, waarvan zoowel Romeinen als Germanen een
afschuw hadden, maar Aëtius was persoonlijk met verscheidene Koningen
der Hunnen bevriend, en zijn zoon, Carpilio, was gedeeltelijk opgevoed
in de legerplaats der Hunnen. Bovendien hadden de Bourgondiërs het
Aëtius zeer lastig gemaakt; zij kwamen (c. 353) van de streken aan de
Elbe en nadat zij deel hadden genomen aan Radegast's ongelukkigen inval
in Italië (405), hadden zij in 437 Worms aan den Rijn tot hun hoofdstad
gemaakt. Aëtius heeft hen verslagen met de hulp van Atilla's Hunnen en
20.000, waaronder hun Koning, Gundikar, gedood; de overlevenden dwong
hij zich te vestigen in het land, dat later het hertogdom Bourgogne
heette. Deze slachting is ongetwijfeld het historische feit, dat de
grond is van de prachtig dramatische, maar gruwelijke geschiedenis
van het "Einde der Nibelungen" verhaald in het Nibelungenlied. In
het voorbijgaan kunnen wij opmerken, dat de dichter het tooneel van
het bloedbad heeft overgebracht van Bourgondië naar de feestzaal van
Attila's paleis, den Etzelnburg aan den Donau en ten onrechte den
grooten Oost-Gotischen Koning Theoderik van Verona ("Dietrich von
Bern") laat optreden, die na Attila's dood is geboren, in plaats van
een anderen Theoderik, een Koning der West-Goten, die waarschijnlijk
bij deze gelegenheid Aëtius heeft geholpen. De schitterende overwinning
van Aëtius op zijn ouden vriend Attila (ongeveer veertien jaar later)
zal in het volgend hoofdstuk beschreven worden.

Een jaar voor dezen slag op de Catalaunische vlakte, waar Attila's
overwinningen werden gestuit, stierf Galla Placidia. Zij had voor
zichzelf te Ravenna een mausoleum gebouwd en haar lijk werd van
Rome daarheen gebracht. Het mausoleum bestaat nog en is een van de
schoonste en prachtigste gebouwen van dien tijd. Het is kruisvormig;
de koepel is van binnen rijk versierd met schitterend mozaïek en
gouden sterren op een donkerblauwen achtergrond--het doet door de
kleine afmetingen en heldere kleuren denken aan een colibri met
uitgespreide vleugels. Er zijn drie groote marmeren sarcophagen,
zonder naam en zonder inhoud, behalve een paar afgebrokkelde beenderen
(zie pl. 7 en verklaring). Men gelooft dat het de tomben zijn van
Placidia, van haar gemaal Constantius III en van Valentinianus III,
haar zoon. Die van Placidia was blijkbaar versierd met kostbare
steenen en aan den voorkant bedekt met zilveren platen, zooals de
schitterende pala [65] van het hoogaltaar in de St. Markus te Venetië;
maar Benedictijner monniken, die de graven beroofden om kloosters te
bouwen, wedijverden met Lombardische barbaren in het plunderen van
het mausoleum. De overlevering [66] verzekerde, dat het lijk van de
Keizerin in de sarcophaag was geplaatst, gehuld in haar Keizerlijk
gewaad en gezeten op een troon; en de overlevering schijnt gelijk te
hebben gehad, want in de veertiende eeuw werd er een opening gemaakt,
waardoor men een vorstelijk gekleede mummie kon zien, die op een
stoel van cypressenhout zat--Galla Placidia zelf of een beeld, dat
daar geplaatst was door de kerkelijke autoriteiten om als reliquie te
dienen. In 1577 trachtten eenige kinderen de sarcophaag te verlichten
door er een kaars in te brengen, doch staken het gewaad in brand en
de geheele zittende gedaante brandde af, behalve een paar beenderen,
die, volgens een schrijver uit dien tijd, bewezen, dat het lichaam
reusachtig moest geweest zijn--een raadselachtige mededeeling!

Ravenna staat in zulk een nauw verband met Galla Placidia, dat wij een
paar woorden over die stad willen zeggen. Van het oude Etruscische
en Romeinsche Ravenna, dat door Augustus een grootere haven kreeg,
ruim genoeg voor 250 oorlogsgaleien, de Portus Classis, is bijna niets
meer over. De oude haven is verdwenen, want de zee is een heel eind
teruggegaan. De eenzame basiliek van S. Apollinare in Classe fuori
(ongeveer een eeuw na Placidia's dood gebouwd) geeft waarschijnlijk
de plek aan, waar deze discipel van den H. Petrus werd vermoord,
buiten de poort bij de haven; maar nu is het ruim drie K.M. van de
zee af. Niet ver daarvan verwijderd is het groote dennebosch (Pineta),
bekend door Dante en Byron; men weet, dat het in de dagen van Odovacar
bestond en waarschijnlijk ook in den tijd van Placidia.

Galla Placidia bouwde talrijke Kerken in Ravenna, die nu bijna
alle gerestaureerd en onkenbaar gemaakt zijn. De groote Kathedraal
van Bisschop Ursus, waarvan de klokketoren nog bestaat, werd kort
voor haar geboorte begonnen. Zeker was er ook reeds een Kerk gewijd
aan St. Apollinaris, den vriend van den H. Petrus, want hij was de
martelaar en beschermheer van Ravenna. Het oude Baptisterium was nog
een Romeinsch bad, daar het door den Aartsbisschop Neon eerst in 450,
toen Placidia stierf, werd gewijd. Zij bouwde misschien ook S. Giovanni
Battista, S. Teodoro (later Spirito Santo), S. Agata en S. Croce
(naast haar mausoleum) en liet zeker de S. Giovanni Evangelista
bouwen--d. w. z. de oorspronkelijke basiliek, op wier fundamenten nu de
prachtige Romaansche campanile van de 11e en een Kerk van de 18e eeuw
staan. Deze basiliek richtte zij op ter vervulling van een gelofte,
die zij had afgelegd op haar reis van Constantinopel naar Ravenna,
toen zij door een storm was overvallen. "Ik zal u" riep zij uit,
"een tempel van schitterend marmer stichten op het strand, waar het
schip veilig zal aanlanden." Daarop verscheen haar de Heilige Johannes
in een verblindende gestalte, zette zich op den boeg van het schip en,
zijn armen uitstrekkend bracht hij de woedende golven tot bedaren.



HOOFDSTUK VI.

ATTILA DE HUN.


Hetgeen over de oudste geschiedenis van de Hunnen bekend is, hebben
wij reeds in het kort verhaald. Nu moeten de gebeurtenissen beschreven
worden van de jaren, waarin zij de schrik van Europa waren, aangevoerd
door Attila, den "Geesel Gods" [67], den verwoester, wiens strijders
een spoor nalieten, waar geen gras meer groeide, den moordenaar,
die in den diepsten poel van de helsche rivier van kokend bloed zich
wringt, want aldus heeft de verbeelding van volkeren en dichters hem
geschilderd [68].

Attila en Bleda, neven van Rugilas, den vriend van Aëtius, waren
hem als koningen van de Hunnen opgevolgd. Na ongeveer twaalf jaar
(c. 445) werd Bleda onttroond en vermoord--waarschijnlijk door zijn
broeder, die door zijn woeste onderdanen met bijgeloovigen eerbied
werd gevreesd, Attila, onoverwinnelijk door het bezit van een oud
zwaard, dat gevonden was door een schaapherder en beschouwd werd als
het zwaard van den oorlogsgod der Hunnen (die door de Latijnsche
schrijvers Mars genoemd wordt). Als alleenheerscher der Hunnen
breidde hij snel zijn koninkrijk uit, dat de naburige Gepiden,
Alanen en Sueven reeds in zich opgenomen had, evenals de Oost-Goten;
nu strekte zich het veroverde gebied reeds uit van Skandinavië tot
Perzië of misschien tot de grenzen van China. Zelfs in de jaren, toen
Attila het koningschap met Bleda deelde, was zijn stijgende macht
reeds een dreigend spook voor het Keizerrijk. In het Westen had hij
Aëtius tegen de Bourgondiërs geholpen; maar het Keizerrijk zelf was
hij uiterst vijandig gezind, terwijl hij volstrekt niet dien eerbied
kende, dien Alarik en Theoderik de Groote voor het Keizerrijk hebben
gevoeld. Hij had een groot gedeelte van het keizerlijk gebied in
het Oosten afgeloopen, had vele Romeinsche gevangenen als slaven
in verschillende landen achtergelaten, en had deserteurs van zijn
eigen leger, die hij had gevangen genomen, op Romeinsch gebied
gekruisigd. Hij had zoowel naar Valentinianus III te Ravenna als naar
Theodosius te Constantinopel onbeschaamde boodschappen gestuurd [69]
en een gezantschap van den Keizer van het Oosten naar het kamp van
de Hunnen, had slechts ten gevolge gehad, dat er door Attila tweemaal
zooveel schatting werd geëischt, als er tot nog toe was betaald.

In 447 naderde Attila tot de muren van Constantinopel, en eischte
een driedubbele schatting, die door Theodosius betaald werd. En
Attila's eischen beperkten zich niet tot zulk een belasting. Een
merkwaardige roman is gevlochten tusschen deze daden van woestheid en
bloeddorst. Men zal zich herinneren dat Galla Placidia twee kinderen
had, Honoria en Valentinianus. De dochter was, op haar manier,
even onnoozel en onhandelbaar als de zoon, misschien bedorven, maar
van nature ook sentimenteel en niet in evenwicht. Te Ravenna was de
jonge Augusta (dezen hoogen titel had zij reeds jong gekregen) in
moeilijkheden geraakt, toen zij ongeveer zestien jaar was. Zij was
toen (c. 434) door haar moeder naar Constantinopel gestuurd, waar
zij ongeveer veertien jaar doorbracht in het vervelende gezelschap
van de zusters van Theodosius en haar uitverkoren maagden, wier
voortdurend bidden, vasten en waken zij met tegenzin navolgde; want
het Byzantijnsche hof was ongeveer een klooster geworden, waar de
vrouwen, die geen manlijke bezoekers behalve priesters en bisschoppen
toelieten, hun tijd verdeelden tusschen borduren en godsdienstige
oefeningen, en de Keizer zelf--een traag, besluiteloos, aesthetisch
voelend en eenigszins fanatiek [70] mensch--een leven leidde van
een quasi-artistieken, sportlievenden, streng-orthodoxen, bekrompen
man. Jagen was het eenige, wat hem naar buiten kon lokken; maar hij
was bijna voortdurend, soms ook 's nachts, bezig met schilderen en
houtsnijden, en de keurige wijze, waarop hij godsdienstige boeken
overschreef, verschafte den Keizer den titel van "Calligraaf". Zoo werd
de tijd, dien hij won door zijn keizerlijke plichten te verwaarloozen,
verbruikt met ijdele vermaken en nuttelooze liefhebberijen.

Honoria werd door deze omgeving zoo geprikkeld, dat zij door middel
van een vertrouwden bode een ring naar Attila stuurde (c. 488) en hem
verzocht haar op te eischen en bij zijn vrouwen [71] te voegen. Eerst
wees hij haar verzoek met minachting af, maar na eenig nadenken leek
het hem een goed voorwendsel om mèt de keizerlijke Augusta tevens
een belangrijk deel van het Keizerrijk als bruidschat te vragen. En
dit voorwendsel bevrijdde hem van de moeite om een ander te zoeken,
toen hij niet alleen tot een inval in het Oostelijke Rijk maar ook
in Italië besloot.

In verband met deze escapade van Honoria zal de volgende beschrijving
van Attila's persoon en karakter belangwekkend zijn. Het is vertaald
uit het Latijn van Jordanes, die een compendium van de verloren
Gotische Geschiedenis van Cassiodorus schreef en Cassiodorus kreeg
waarschijnlijk zijn gegevens van Priscus, die den Hunnen-koning bezocht
en een verslag maakte van zijn bezoek. "Attila" zegt Jordanes, "was
een man geboren om landen te verwoesten en schrik te verspreiden over
de wereld; hij veroorzaakte een paniek door het ontzagwekkende gerucht,
dat voor hem uitging. Hij schreed met trotschen stap, rondkijkend naar
alle kanten, alsof hij zijn hoogmoed en macht door de bewegingen van
zijn lichaam wilde toonen; hij was een minnaar van den oorlog, maar
gematigd in zijn levenswijs; buitengewoon streng in de vergadering,
vriendelijk voor smeekelingen, voor altijd de beschermer van hem, aan
wien hij eenmaal zijn vertrouwen had geschonken, kort van gestalte,
met breeden borst, groot hoofd, kleine oogen, een dunnen baard met
grijze haren er tusschen, stompen neus, bleeke gelaatskleur--alle
kenmerken van zijn ras."

Van de vele gezantschappen, die tusschen Attila en Theodosius gewisseld
zijn, is er een van buitengewoon belang voor ons, omdat wij een
volledig verslag van dit bezoek der Romeinen aan de residentie van
den Hunnen-koning hebben; in het Nibelungenlied heet deze Etzelnburg
d.w.z. burcht van Attila, die misschien ergens tusschen den Donau en
de Theiss lag. Attila had twee gezanten naar Constantinopel gezonden,
Edeco en Orestes (zie p.p. 15 en 16) om vluchtelingen op te eischen,
en door den tolk [72] werd hun uit naam van een ambtenaar van het hof
een plan voorgelegd om Attila te vermoorden. Zij namen het voorstel
aan en ontvingen een zware beurs met goud, maar besloten den aanslag
aan hun koning mede te deelen. Op hun terugkeer vergezelde hen,
maar natuurlijk onbekend met het complot, Maximinus, een aanzienlijke
hoveling, en zijn vriend Priscus, wiens dagboek, hoewel fragmentarisch,
nog over is. Zij vonden de streek in het Noorden overal verwoest door
Attila's invallen. Sardica (Sofia) en Naissus (Nissa, geboorteplaats
van Constantijn den Groote) waren geslecht en verlaten; slechts een
troep zieke menschen kroop tusschen de ruïnes rond. Zij trokken de
heuvelige streken van het tegenwoordige Servië door en vonden overal
het stoffelijk overschot van menschen; zij staken den Donau over in
kano's van uitgeholde boomen en bereikten de legerplaats van Attila.

Maar Attila was woedend omdat hij slechts zeventien deserteurs
terugzag. Hij eischte, dat het gezantschap verder noordwaarts zou
gaan--ongeveer 375 K.M.--naar zijn vesting en zijn paleis. Derhalve
volgden zij de gidsen en bereikten het eindelijk, na lange omwegen,
door eindelooze bosschen en over ontelbare rivieren. Attila's paleis
was van hout opgetrokken en omringd door torens en palissaden, binnen
welke zijn talrijke vrouwen haar afzonderlijke woningen hadden. Het
eenige steenen gebouw in het kamp was een badhuis, gebouwd door een
Romeinsch architect. De gezanten werden ontvangen in de feestzaal van
het paleis. Attila en zijn zoon zaten met twee voorname barbaren op een
verhooging, terwijl de gasten aan kleine tafels zaten--de keizerlijke
gezanten hadden in rangorde voor de officieele personen der Goten en
andere barbaren moeten wijken. Wijn werd aan allen in gouden bekers
aangeboden en verschillende spijzen op zilveren schalen, maar op de
koninklijke tafel stonden slechts houten bekers en borden, en alleen
vleesch werd opgediend, want "Attila proefde nooit de weelde van brood"
(Gibbon). Hij versierde zijn wapens en tuig van zijn paard ook niet
met kostbaar metaal of edelgesteenten, zooals zijn voorname krijgers;
hij onderscheidde zich met trots van de anderen door de kleeding en
de gewoonten van zijn nomaden-voorvaderen. Toen het verraderlijk
plan tegen zijn leven onthuld werd, gedroeg hij zich waardig en
edelmoedig; hij nam de verzekering van de keizerlijke gezanten, dat
zij geheel onschuldig waren, aan, en zond hen ongedeerd terug. Ja
zelfs, toen Theodosius andere gezanten zond om Attila's toorn af te
wenden, drong deze er niet langer op aan de schuldige hovelingen te
straffen. Integendeel, hij liet zelfs Romeinsche gevangen vrij en
stond grondgebied ten zuiden van den Donau af.

In 450, het jaar waarin Galla Placidia stierf, werd Theodosius van
zijn paard geworpen en gedood. Marcianus, die hem als gemaal van
Pulcheria opvolgde, had een geheel ander karakter. Een van zijn eerste
daden was, met goedvinden van Pulcheria, den hoveling Chrysaphios,
die het complot tegen Attila had gesmeed, ter dood te brengen. Maar
deze daad van gerechtigheid, waarvan misschien de oorzaak te vinden
is in het edelmoedig gedrag van den koning, beteekende allerminst
een laffe onderwerping; want toen Attila weder schatting eischte, was
dit volgens Priscus Marcianus' antwoord: "Als hij zich rustig hield,
zou hij hem rijkelijk beschenken, maar als hij met oorlog dreigde,
zou hij hem met mannen en wapenen weerstaan."

Attila dreigde, hoogmoedig en onbeschaamd--maar aarzelde; en terwijl
hij aarzelde, of hij Constantinopel of Ravenna zou aanvallen, bereikten
hem berichten van het verre Westen en het Noorden, die zijn richting
bepaalden.

Een nieuwe barbaarsche macht was opgetreden--die van de Franken,
een lang, vlasblond, blauwoogig ras, dat zich had gevestigd aan den
Beneden-Rijn, de Maas, en in het land van de Belgae. Na den dood
van hun koning Clodion kregen zijn twee zonen twist. De een riep
Attila te hulp; de ander Meroveus (misschien Merowig, die zijn naam
gaf aan de Merovingers) zocht hulp bij Aëtius. Attila besloot de
gelegenheid aan te grijpen om een inval in Gallië te doen. Mogelijk
rekende hij ook op de medewerking van de West-Goten, wier koninkrijk in
Zuid-Gallië en Spanje bestuurd werd door Theoderik (wellicht den zoon
van Alarik). Maar de West-Goten waren in dien tijd hevig verbitterd
op Gaiserik, den koning der Vandalen in Afrika, die de bruid van
zijn zoon, Theoderik's dochter, naar Toulouse terug had gestuurd
met afgesneden neus en ooren; hij had haar beschuldigd hem te willen
vergiftigen. Theoderik hoopte daarom de hulp van Aëtius te verwerven
tegen den Vandalen-koning; deze wendde zich natuurlijk tot Attila en
vroeg hem Theoderik en Aëtius aan te vallen, terwijl hij hem beloofde
troepen in Zuid-Gallië aan land te zetten. Attila met zijn Hunnen
en Oost-Goten vereenigden zich dus met de Franken aan den Neckar, en
vertrouwend op de medewerking van de Vandalen, trok hij den Rijn over
bij Speyer en verwoestte de Gallische provincies. Metz en Reims werden
geplunderd. Troyes werd door zijn bisschop, St. Lupus, gered, die een
dergelijke vreemden invloed op Attila schijnt uitgeoefend te hebben
als later Paus Leo [73]. De Heilige Genoveva trad ter bescherming
van Parijs (Lutetia) op, zooals later Jeanne d'Arc voor Orléans zou
optreden en keerde den stroom van barbaren. Orléans werd belegerd,
en de muren stortten reeds voor den stormram in, toen als antwoord,
naar men zegt, op de gebeden van den bisschop Anianus, het vereenigde
leger van Aëtius en Theoderik opdaagde.

Attila trok terug tot dicht bij Troyes en daar, op de Catalaunische
vlakten (bij Châlons) tusschen de Seine en de Marne, werd een
slag geleverd, die waarschijnlijk geheel West-Europa redde van
een Hunnen-overheersching en van de omverwerping, misschien van
de vernietiging van Romeinsche beschaving en Christendom. De slag
is beschreven door Jordanes in zijn uittreksel van de Gotische
Geschiedenis van Cassiodorus (c. 500) en Cassiodorus had zonder
twijfel veteranen gesproken, die aan de eene of aan de andere zijde
gestreden hadden. "De slag was zoo woest, zoo uitgestrekt, zoo bloedig,
zoo hardnekkig, dat men uit de geheele oudheid iets dergelijks niet
kon aanhalen."

Het aantal dooden, zegt deze schrijver, was 162.000, ongerekend
15.000 Franken en Gepiden die bij een voorafgaande ontmoeting waren
gesneuveld. Dit getal is misschien overdreven, doch het staat vast,
dat de strijd lang en bloedig was. Men vertelt, dat Attila een
brandstapel van houten zadels en andere stukken der uitrustingen had
opgericht met de bedoeling om zich (en waarschijnlijk anderen) als een
brandoffer aan de goden te offeren in geval van een nederlaag--zooals
de Carthager Hamilcar negen eeuwen vroeger bij Himera had gedaan;
maar Attila's nederlaag was geen vernietiging. Aan beide kanten
waren zware verliezen geleden en de koning der West-Goten, Theoderik,
was gedood door een werpspies. Attila was dus in staat zijn troepen
weer veilig over den Rijn te voeren, want Aëtius (die hierom later
van verraad werd beschuldigd) deinsde er voor terug om "den gewonden
leeuw in zijn leger" aan te vallen, zooals Jordanes het uitdrukt.

Men kan zich de woede en verbittering van Attila voorstellen. Nog
eens zendt hij een dringend verzoek om de hand en bruidschat van
Honoria. Hij verzamelt een nog grooter leger en in het volgende
voorjaar (452) slaat hij als een orkaan op Italië neer. Zijn doel
was zonder twijfel Rome, maar eerst wilde hij zijn Hunnen beloonen
en de nederlaag wreken door de verwoesting en plundering van
Noord-Italië. Aquileia, dat nu de rijkste en meest bevolkte stad van
de Adriatische kust was geworden, werd drie maanden lang belegerd en
met allerlei belegeringswerktuigen bestookt. Maar alle pogingen waren
vruchteloos en reeds was hij besloten de onderneming op te geven,
toen hij bij zijn ommegang van de muren opmerkte, dat de ooievaars met
hun jongen de stad verlieten (waarschijnlijk vóor den gewonen tijd),
waaruit hij opmaakte, dat er geen voedsel meer te krijgen was. Derhalve
werd het beleg voortgezet en weldra werd Aquileia stormenderhand
genomen en geslecht, zoodat nog geen eeuw later, in de dagen van
Jordanes, nauwelijks een spoor van de stad over was. Later werd zij
herbouwd en de zetel van een machtig anti-pauselijk patriarchaat. Maar
nadat Attila de stad verwoest had, vluchtten alle inwoners naar Grado
(het strand), of naar die laguneneilanden, die later een federatie
vormden en eerst tribunen en daarna een Doge (Dux) kozen; de plaats
van zijn paleis was de Rialto (Rivo alto of diepe stroom) van Venetië.

Van Aquileia gingen de Hunnen naar het Westen; Altina en Padua werden
plat gebrand. Verona, Vicenza, Bergamo werden geplunderd. Toen schijnt
Attila zijn strijdkrachten verzameld te hebben bij den Lacus Benacus
(Lago di Garda) met de bedoeling de Apennijnen over te trekken en
Rome aan te vallen.

De zwakke en lafhartige Valentinianus was van Ravenna naar Rome
gevlucht; maar ook te Rome heerschte een paniek, want er was geen
leger, sterk genoeg om Attila te weerstaan en Aëtius had bericht
gestuurd, dat zijn bondgenooten, de West-Goten, en zijn Gallische
troepen weigerden op te trekken om Italië te ontzetten. Men besloot
derhalve een gezantschap te zenden om den toorn van den Hunnenkoning
te bezweren en zonder twijfel ook om hem een groote som geld aan te
bieden--waarschijnlijk in den verzoenenden vorm van den zoo dikwijls
gevraagden bruidschat van Honoria of beter gezegd een douceur, want
zij was reeds ten huwelijk gegeven aan een obscuren man, voordat
zij in een gevangenis werd opgesloten om daar gedurende haar verdere
leven haar dwaasheden te betreuren.

Als voornaamste gezant werd Avienus gekozen, een senator van hoogen
stand; de Bisschop van Rome, Leo I, (de Groote), vergezelde het
gezantschap, dat in 452 de Apennijnen overtrok. Zij vonden Attila en
zijn geweldig leger in een kamp dicht bij de plaats waar de Mincio uit
den Lago di Garda stroomt--nu ligt daar Peschiera--niet ver van Sirmio,
waar eens de villa van Catullus stond, en eveneens niet ver van het
land, heilig aan allen, die Vergilius liefhebben, waar de heuvels
langzaam afloopen naar Mantua en "de breede Mincius langzaam zijn
bochten maakt en zijn oevers met zacht riet omzoomt." (Georg. III. 14).

Wat bij de onderhandeling gebeurde, staat niet vast, maar zeker is
het, dat daarna, tot verbazing van gansch Europa, Attila den marsch
tegen Rome afgelastte en zijn leger over de Alpen wegvoerde naar
Pannonië. Katholieke overlevering schrijft dit wonder toe aan den
invloed, dien Leo, als het Hoofd van de Kerk en de stadhouder van God,
op den barbaar uitoefende; en het geval van St. Lupus te Troyes wordt
aangehaald om het geloof te versterken, dat een bovennatuurlijke
kracht werkzaam was, ofschoon nu misschien de verschijning van de
in de lucht zwevende apostelen, waarover een latere legende spreekt
en die zoo indrukwekkend door Raffael is geschilderd, weinig geloof
zal vinden [74]. Misschien kan Attila's handelwijze ook zonder de
hulp van het bovennatuurlijke verklaard worden. Aëtius bezat een
krachtig leger en Attila was wellicht bevreesd voor een hinderlaag,
als hij verder zuidwaarts trok. Bovendien zweefde het lot van Alarik,
die zoo plotseling na de plundering van Rome gestorven was, zonder
twijfel als een onheilspellend spook voor de bijgeloovige verbeelding
van den Hun en wij kunnen zeker aannemen, dat Leo niet heeft getracht
dit spook te verbannen. Tenslotte zal de machtige invloed van goud,
of zijns gelijke, veel bijgedragen hebben tot Attila's besluit. Toch
valt het tegelijkertijd niet te ontkennen, dat de invloed van een sterk
karakter, nog vergroot door een hecht geloof in de rechtvaardigheid
van een zaak en den steun van God, soms het wonderdadige nabij komt;
en zulk een karakter had Paus Leo de Groote--oprecht, krachtig,
standvastig, onwrikbaar overtuigd van de bovennatuurlijke kracht van de
Kerk en haar goddelijke stichting door den Heiligen Petrus en Paulus,
die hij gewoon was den Romulus en Remus van het Christelijke Rome te
noemen. Die eigenschappen treden in zijn geschriften te voorschijn;
hij vermijdt alle diepzinnige, theologische vraagstukken, alles
is eenvoudig, helder, nauwkeurig. Hij spreekt bijna nergens over
de heiligen of over Maria, maar zeer vaak over Jezus Christus. De
algemeene, geestelijke heerschappij van de Romeinsche Kerk was het
eenige onderwerp, waarop al zijn gedachten en handelingen betrekking
hadden; maar het wereldlijke gezag liet hij over aan wereldlijke macht.

Het lot van Alarik had Attila misschien afgeschrikt van de plundering
van Rome. Doch dit redde hem niet van een dergelijk einde. Kort na
zijn onderhandeling met de Romeinsche gezanten stierf hij plotseling
(waar en wanneer is onzeker, doch waarschijnlijk in het volgend jaar
(453) in Pannonië of te Etzelnburg) 's nachts aan een aderbreuk na
het feestmaal ter eere van zijn bruiloft met Idlico, de laatste van
zijn talrijke vrouwen. Een vaag en waarschijnlijk ongegrond verhaal
schreef aan Idlico de misdaad of de eer toe de rol van een Judith te
hebben gespeeld.

Het lijk van Attila werd plechtig ten toon gesteld in het midden
van de vlakte onder een zijden baldakijn, en uitgelezene escadrons
van de Hunnen, rondrijdende met gelijkmatige zwenkingen, zongen een
lijkzang ter eere van den held. Het stoffelijk overschot werd in drie
kisten gesloten, van goud, zilver en ijzer, en in den nacht begraven;
de buit van volkeren werd in zijn graf geworpen; de gevangenen,
die den grond hadden uitgegraven, werden meedoogenloos geslacht.

Na den dood van Attila schijnt het Hunnenrijk snel verbrokkeld te
zijn. Voordat veertig jaren waren verloopen, maakten de Oost-Goten
onder Theoderik zich meester van Italië en de naam der Hunnen wordt
zelden meer gehoord.

De overlevering vertelt, dat Leo bij zijn terugkeer uit dankbaarheid
jegens den grooten Apostel het bronzen standbeeld van den Heiligen
Petrus oprichtte, misschien het beeld van Jupiter Capitolinus veranderd
volgens de gelaatstrekken van den Heilige. Dit zittende beeld, welks
groote teen afgesleten is door de kussen [75] van millioenen menschen,
werd omstreeks 1610 van het afgebroken klooster van S. Martino
naar de St. Pieter gebracht. Sommigen gelooven dat het uit de 13e
eeuw is, een tijd waarin de navolging van klassieke werken begon;
maar ofschoon het misschien geen copie van den Jupiter Capitolinus
is, die waarschijnlijk vernield of weggesleept is door Gaiserik,
kan het toch wel dateeren uit de dagen van het vroege Keizerrijk;
want het is zeker geen Byzantijnsch werk.

In het jaar na Attila's dood (454) bezocht Aëtius Rome en werd door
Valentinianus gedood (zie p. 12). De vermoording van Valentinianus
zelf, die plaats vond in het volgend jaar en dadelijk gevolgd
werd door de plundering van Rome door Gaiserik, kan beschouwd
worden als het feitelijke einde van het West-Romeinsche Rijk. Maar
gedurende de twintig volgende jaren werd de titel van Augustus door
de machtige bevelhebbers van het Romeinsche leger geschonken aan hun
protégés; sommige van deze bevelhebbers waren van zuiver barbaarsche
afkomst. De voornaamste gebeurtenissen van deze periode zijn reeds
vermeld. Derhalve zullen wij, na een korten terugblik op het rijk van
Gaiserik in Afrika, dat bijna ter zelfder tijd bestond als Attila's
heerschappij in Midden-Europa, eenigszins uitvoeriger de inneming
van Rome door de Vandalen beschrijven en dan overgaan tot Romulus
Augustulus en Odovacar.



HOOFDSTUK VII.

VAN GAISERIK TOT ODOVACAR.


In het jaar 429 staken de Vandalen onder hun koning Gaiserik [76],
misschien op uitnoodiging van den Romeinschen stadhouder Bonifacius,
den grooten mededinger van Aëtius, van Spanje over naar Afrika. De
inval in de rijke en vruchtbare provincies van Noord-Afrika behoefde
eigenlijk nauwelijks te worden aangemoedigd door een verrader. In
Spanje waren de Vandalen hevig aangevallen door de West-Goten,
wier koning Wallia het grootste deel van het land had onderworpen,
maar Gaiserik of Genserik, die, zooals de beroemde Spartaansche
koning Agesilaus, klein en kreupel was (door een val van zijn paard)
schijnt hun leger gereorganiseerd en zelfs een veldtocht ondernomen te
hebben (428) tegen de Sueven in het tegenwoordige Noord-Portugal. In
het volgend jaar landt hij op de kust van Afrika met een groote
strijdmacht en een menigte vrouwen en kinderen--te zamen misschien
80.000. Deze landing is levendig, misschien met te groote fantasie,
door Gibbon beschreven. "De Mooren, die langzamerhand de kust en
het kamp van de Vandalen durfden naderen, moeten wel met schrik en
verbazing de kleeding, de wapenen, de krijgshaftige houding en de
tucht van de onbekende vreemdelingen, die hun land hadden betreden,
aanschouwd hebben; en de schoone gelaatskleur van de blauwoogige
Germaansche krijgers vormden een merkwaardige tegenstelling met
hun zwarte of olijfkleurige tint, veroorzaakt door de nabijheid
van de heete zone. Nadat de eerste moeilijkheden, ontstaan door de
wederzijdsche onbekendheid met elkanders taal, uit den weg waren
geruimd, sloten de Mooren een verbond met de vijanden van Rome, en
benden van naakte wilden stormden uit de wouden en de dalen van het
Atlas-gebergte om zich te wreken op de beschaafde tyrannen, die hen
de heerschappij over hun vaderland ontrukt hadden."

Afgrijselijke verhalen worden opgedischt over de verwoestingen en
wreedheden van de Vandalen in Afrika gedurende de tien jaren, die
verliepen voordat Gaiserik de geheele streek van Noord-West-Afrika
had veroverd en zijn macht geconcentreerd had in Carthago, vanwaar
hij met zijn sterke vloot het Westen van de Middellandsche Zee
schoon veegde en de Balearen, Corsica, Sardinië en eindelijk ook
Sicilië bemachtigde. Vandalisme is synoniem geworden met barbarisme
en wreedheid, maar het is zeer wel mogelijk dat het verhaal over den
ketterschen Gaiserik en zijn Vandalen door een vriend en biograaf van
St. Augustinus overdreven is, vooral ook door de latere schrijvers. Het
is nauwelijks te gelooven, dat indringers, die zich in een land willen
vestigen, wijngaarden en vruchtboomen zouden verbranden en uitroeien,
en de verhalen, dat zij lijken van geslachte gevangenen ophoopten om
de muren van een belegerde stad te beklimmen of dat zij die lieten
rotten om pest te verwekken, schijnen eenigszins fantastisch [77].

Indien Bonifacius werkelijk de Vandalen heeft aangespoord naar Afrika
over te steken, moet hij dat gedaan hebben in een vlaag van woede of
moet hij zich leelijk misrekend hebben, want een jaar later zien wij
hem wanhopig tegen hen strijden. Toen hij verslagen was, trok hij terug
naar de zeevesting Hippo, bekend als de stad van St. Augustinus. Hier
werd hij door de Vandalen belegerd. In de derde maand van de belegering
stierf St. Augustinus (28 Augustus 430), 76 jaar oud. Na veertien
maanden begonnen de belegeraars meer gebrek aan voedsel te krijgen
dan de belegerden, die vrijen toegang tot de zee hadden. Ook werden
er troepen gestuurd van Constantinopel, onder bevel van Aspar, die
met Bonifacius de Vandalen aanviel. Maar zij werden met zwaar verlies
teruggeslagen. Daarop scheepten zij al hun troepen in en zeilden weg,
Aspar naar Constantinopel en Bonifacius naar Ravenna, waar hij tot onze
verbazing zeer vriendelijk door Galla Placidia ontvangen werd en zelfs
geëerd werd met medailles, waarop hij was afgebeeld op een zegekar
met een palmtak in de eene, en een geesel in de andere hand. Maar
kort daarna stierf hij aan een wond, die hij in een duel met Aëtius
ontvangen had. De inwoners van Hippo werden door de Vandalen deels
vermoord, deels tot slaaf gemaakt en de stad werd verbrand.

Wat Gaiserik weerhield om Carthago aan te vallen, is niet
duidelijk. Misschien stelt men zich de uitgestrektheid van die
Afrikaansche provincies niet goed voor en evenmin het kleine
aantal Vandalen in verhouding tot de overwonnen, doch nog vijandige
bevolking. Bovendien was Carthago, herrezen op de oude puinhoopen,
die Scipio ongeveer zes eeuwen vroeger had achtergelaten, weder de
eerste stad geworden van Noord-Afrika (het werd "Rome" genoemd), en
ofschoon van de reusachtige Byrsa en de overige versterkingen van de
oude Phoenicische stad slechts enkele twijfelachtige overblijfselen
nog bestaan, is het toch niet onwaarschijnlijk dat er in Gaiserik's
tijd nog genoeg over was om te maken, dat de plaats [78] lastig
genomen kon worden, ondanks de verwijfdheid van haar bewoners,
die volgens de schrijvers ronddartelden in een poel van weelde,
goddeloosheid en misdaad. Daarom wilde Gaiserick voor zijn krijgers
eerst een staat opbouwen.

In dit verband is het van belang te weten, dat de politiek der Vandalen
eenigszins socialistisch schijnt geweest te zijn. Het regeerende
ras matigde zich natuurlijk een feudale heerschappij aan over het
onderworpen volk en was zelf vrij van belasting, maar de arbeiders
van de inlandsche bevolking werden bevoorrecht boven hen, die zich
van werken onthielden. Van de vermogende edelen, geestelijken en
rijke grondbezitters werden velen zwaar belast, zelfs verbannen,
terwijl landbouw, nijverheid en handel werden aangemoedigd door
gedeeltelijke ontheffing van belasting.

In de laatste jaren van deze periode van rust leefden de Vandalen
in vrede met het Keizerrijk, want drie jaren na de plundering van
Hippo was er een verdrag geteekend. Doch dit duurde kort en in 439
viel Carthago. Daarna veroverde Gaiserik's vloot alle eilanden
in het Westelijk deel van de Middellandsche zee; Sicilië werd
verwoest, de Vandalen landden zelfs op de kusten van Italië. In
442 sloot Valentinianus III, die zich vrij begon te maken van het
regentschap van zijn moeder Placidia, een vernederend verdrag met den
Vandalen-koning; hij erkende hem als heerscher over al het gebied, dat
hij had veroverd, en niet alleen als bondgenoot, gelijk zoo dikwijls
het geval was geweest, wanneer het Romeinsche Rijk een barbaar als
koning erkend had, maar als absoluut en onafhankelijk monarch. Zoo
was nu het Westelijke Rijk beroofd van het grootste deel van zijn
Afrikaansch gebied, van alle Westelijke eilanden (ook Sicilië),
van bijna geheel Spanje en Zuid-Gallië, en van Brittannië, terwijl
Attila reeds meester was in Dacië, en Moesië, Pannonië, Noricum,
Rhaetië en een groot deel van Illyrië en Thracië verwoestte.

Gedurende de volgende dertien jaren, de laatste van Valentinianus'
regeering, schijnt Gaiserik zich tamelijk rustig gehouden te
hebben. Hij was bezig zijn rijk te versterken en wachtte een
gelegenheid af om zijn veroverd gebied ook buiten Afrika te vergrooten,
terwijl zijn vloot de zee schoon veegde en zijn leger steeds verder
doordrong in de richting van Tripolis en de Groote Syrte.

In 455, het 27e van de 49 jaar zijner regeering, verzamelde Gaiserik
een vloot (wellicht uitgenoodigd door keizerin Eudoxia) en zette
een troep van zijn Vandalen en Mooren bij den mond van den Tiber aan
land [79]. Rome was zonder verdediging. Er waren geen georganiseerde
strijdkrachten en de geheele stad was in rep en roer. Toen Maximus,
de opvolger van den vermoorden Valentinianus, trachtte te vluchten,
werd hij gedood door het gepeupel; zijn lichaam werd in stukken gerukt
en in den Tiber geworpen; en toen drie dagen later de Vandalen en hun
Afrikaansche hulptroepen de poorten naderden, vonden zij geen wanhopige
bevolking, die besloten was haar haardsteden te verdedigen, en evenmin
een phalanx van geoefende soldaten, maar een aantal ongewapende
priesters aangevoerd door een eerwaardigen bisschop--denzelfden Leo,
die drie jaren tevoren den woesten Attila getrotseerd had bij den
oever van den Lacus Benacus. Men zegt dat Gaiserik eerbiedig heeft
geluisterd naar de waardige, onbeschroomde en welsprekende taal van
Leo en beloofd heeft de gebouwen van Rome te ontzien en de Romeinen,
wanneer zij geen weerstand boden, te sparen. Maar zulk een wonder als
in het geval van Attila gebeurde niet; geen bovennatuurlijke invloed
bewerkte, dat Gaiserik zijn Vandalen naar hun schepen terugriep en
naar Sicilië of Carthago voer; hij gaf toestemming om te plunderen
en in de volgende veertien dagen werden alle vervoerbare schatten van
Rome naar de schepen gesleept, die aan den mond van den Tiber lagen.

De Vandalen schijnen slechts weinig in Rome vernield te hebben,
maar bij de algemeene plundering zijn ook vele beroemde Grieksche
en Romeinsche kunstwerken verdwenen, die tegelijk met een geweldige
massa kostbare voorwerpen, juweelen, gouden, zilveren en bronzen
versierselen, geborduurde kleederen naar Carthago zijn vervoerd. Veel
van dezen buit ging naar Constantinopel, toen zeventig jaar later
Justianus' veldheer Belisarius, Carthago innam, en de vernietiging
daarvan moet men niet aan de Vandalen, maar aan de Fransche, Vlaamsche
en Venetiaansche kruisvaarders toeschrijven, die Constantinopel in 1204
plunderden. Misschien ontging de buit van den Joodschen tempel--hetgeen
velen wellicht het belangrijkste van de schatten zullen vinden--dit
lot. Ongeveer 400 jaar geleden had Titus dezen buit uit Jeruzalem
gebracht en afbeeldingen ervan kan men nog op zijn triomfboog te
Rome zien. De zeven-armige gouden kandelaar, de gouden tafel om de
brooden op te leggen, de zilveren trompetten en de talrijke gewijde
gouden vazen waren (volgens Josephus) in den Tempel van den Vrede te
Rome geplaatst en de Groote Voorhang van den Tempel en de heilige
Boeken van de Wet werden bewaard in het Paleis van de Caesars. Een
overlevering verzekert, dat deze schatten in den Tiber werden geworpen,
toen Maxentius bij den Pons Milvius verdronk. Waarschijnlijker is
evenwel dat zij naar Carthago zijn vervoerd en dat sommige ervan door
Belisarius naar Constantinopel werden gebracht. Hunne merkwaardige
lotgevallen waren daar nog niet ten einde, als wij Procopius mogen
gelooven, die verzekert, dat Justinianus door godsdienstige bezwaren
gedreven, de "utensilia (huisraad) van den Joodschen tempel" naar
Jeruzalem terugzond, waar zij in de schatkamer van een Christelijke
Kerk werden gezet. Als dit waar is, moeten wij vreezen, dat zij later
in handen van de Saracenen zijn gevallen en nu in de een of andere ver
afgelegen Arabische of Syrische moskee zijn. Niet minder belangrijk
is het feit, dat de Vandalen ook naar Carthago de helft--zoo niet
het geheel--van het zoogenaamde gouden dak van den Jupiter-tempel op
het Capitool medenamen, dat gemaakt was van vergulde bronzen pannen,
en zonder twijfel ook de vergulde beelden en quadrigae--welke beelden
Domitianus, naar men zegt, ongeveer dertig millioen gulden gekost
hadden.

Onder de duizenden Romeinsche gevangenen, die meest als slaven werden
verkocht, waren drie bijzonder belangrijke. "De keizerin Eudoxia",
zegt Gibbon, "ging haar vriend en bevrijder te gemoet, doch betreurde
weldra haar onvoorzichtigheid. Zij werd op ruwe wijze van haar
juweelen beroofd en met haar twee dochters, de eenige overgebleven
afstammelingen van den Grooten Theodosius, gedwongen den trotschen
Vandaal te volgen."

Men zal zich herinneren, dat de oudste van deze dochters, Eudocia,
met Hunnerik trouwde, die zijn vader Gaiserik in 477 opvolgde--want de
kleine kreupele stichter van het Vandalen-Rijk regeerde ongeveer zestig
jaar. De Keizerin zelf met haar jongste dochter, Placidia, werd ten
slotte (c. 463) naar Constantinopel gestuurd, waar de Keizer van het
Oosten haar vriendelijk ontving--een bewijs, dat men niet geloofde,
of niet wist, dat zij Gaiserik naar Rome had geroepen. Een tweede
bewijs zou kunnen zijn het feit, dat haar dochter Placidia de gemalin
was van Olybrius, die later (472) een paar weken Romeinsch Keizer was.

Een jaar na de inneming van Rome leed de vloot der Vandalen een
verpletterende nederlaag bij Sardinië tegen de Romeinsche onder
Ricimer, maar die ramp schijnt Gaiserik niet zeer getroffen te hebben,
want ongeveer twaalf jaar later (468) richtte een groote vloot, die
was uitgerust door de beide Keizerrijken, weinig tegen hem uit en vele
van de 1113 schepen, waaruit de Keizerlijke vloot bestond, werden
vernield door Gaiserik's branders. De zoon van Gaiserik, Hunnerik,
die met Eudocia was gehuwd, handhaafde de heerschappij van zijn
vader te land en ter zee en is bekend om zijn hevige vervolging van
de Katholieken--of misschien van de geestelijken van beide partijen,
want hij liet den Ariaanschen patriarch van Carthago op het forum
aldaar verbranden. Zooals later verteld zal worden, eindigde het
rijk van Gaiserik in 533, toen een opvolger van Hunnerik, Gelimer,
overwonnen werd door Belisarius, Justinianus' veldheer, die Carthago in
zulk een snel tempo innam, dat hij bij de inneming in staat was aan een
maaltijd deel te nemen, die bereid was voor den Koning der Vandalen.

Het volgende verhaal is belangwekkend in verband met de inneming van
Rome door Gaiserik. Er is een kerk te Rome, die druk bezocht wordt
wegens het prachtige standbeeld van Mozes--een van de figuren van het
reusachtige monument van Paus Julius II, dat Michelangelo nooit heeft
kunnen voltooien en wat hij gewoon was "de tragedie van mijn leven" te
noemen. Deze kerk heet thans S. Pietro ad Vincula. Zij was gebouwd door
Keizerin Eudoxia en heette oorspronkelijk Basilica Eudoxiana. Haar
tweede naam heeft op de volgende legende betrekking. "Eudocia,
de moeder van Keizerin Eudoxia" zegt Gregorovius in die Geschichte
der Stadt Rom, "bracht uit Jeruzalem den ketting van den Heiligen
Petrus (zie Handelingen XII); de eene helft hiervan zond zij naar
Constantinopel, de andere helft naar haar dochter in Rome. Daar was
reeds de ketting, waarmede de apostel geboeid was, voor hij gemarteld,
werd en toen Paus Leo (dezelfde, die Attila en Gaiserik trotseerde)
de twee kettingen dicht bij elkander hield, haakten zij zichzelf zoo
vast ineen, dat zij een enkele ketting vormden van 38 schakels. Dit
mirakel bewoog Eudoxia, die toen de gemalin van Valentinianus III was,
om deze kerk te bouwen, waar de kettingen [80] nog steeds bewaard en
vereerd worden."

De plundering van Rome door Gaiserik's opvolgers, zegt Gregorovius,
schijnt het spreekwoordelijke gebruik van "Vandalisme" wel te
rechtvaardigen, want een groot aantal burgers werden totaal geruïneerd
en duizenden tot slaaf gemaakt. Maar bijna alle schrijvers getuigen,
dat Gaiserik niet zulk een "Vandaal" is geweest. Hij hield zijn woord
ten opzichte van de vernieling van kerken, paleizen en oude monumenten.



Het Einde van Romulus Augustulus.

In de periode van 455 tot de onttroning van Romulus Augustulus zijn
er weinige gebeurtenissen van eenig belang, behalve Ricimer's reeds
vermelde overwinning op de vloot der Vandalen en zijn plundering
van Rome--de derde keer, dat het geplunderd werd in ongeveer
zestig jaar. De kronieken uit dien tijd bestaan bijna geheel uit
voortdurende onlusten, oproeren, onttroningen en verkiezingen; de
keizerlijke poppen van de militaire dictatoren Ricimer, Gundobald
en Orestes volgden elkaar, met kleine tusschenruimten, zoo snel op,
dat in twintig jaar niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het
purper aannamen. Het korte verslag in het Historisch Overzicht zal
dus wel voldoende zijn, en wij zullen hier slechts een levendige
beschrijving van den onttroonden Keizer uit Gibbon bijvoegen en iets
over het vroegere leven van Odovacar.

"Na den dood van Valentinianus waren in twintig jaren achtereenvolgens
negen Keizers verdwenen, en de zoon van Orestes, een jongeling,
slechts om zijn schoonheid beroemd, zou allerminst recht hebben
op de belangstelling van de nakomelingschap, indien niet zijn
regeering, die gekenmerkt werd door de vernietiging van het
West-Romeinsche Keizerrijk, een merkwaardig tijdperk afsloot in de
wereldgeschiedenis. De zoon van Orestes nam de namen van Romulus
en Augustus aan, en maakte die te schande. Het leven van dezen
ongevaarlijken jongeling werd gespaard door de edelmoedige genade
van Odoacer, die hem met zijn geheele familie uit zijn Keizerlijk
paleis wegzond, een jaarlijksch inkomen van 6000 goudstukken voor
hem vaststelde en hem het kasteel van Lucullus in Campanië als
verbanningsoord aanwees.

De heerlijke kust van de golf van Napels was vroeger bezaaid met
villa's en Sulla prees den meesterblik van zijn tegenstander Marius,
die zich had gevestigd op het hooge voorgebergte van Misenum, dat
aan alle kanten de zee en het land overziet, zoover als de horizont
reikt. De villa van Marius was na een paar jaren door Lucullus gekocht
en de prijs was van f 30.000 gestegen tot meer dan f 960.000. Het
werd door den nieuwen bezitter met Grieksche en Aziatische kunstwerken
versierd, en de huizen en parken van Lucullus verwierven een eervolle
plaats op de lijst van de Keizerlijke paleizen. Toen de Vandalen voor
de kusten gevaarlijk werden, werd de Lucullische villa langzamerhand
een sterke vesting, het afgelegen toevluchtsoord van den laatsten
Keizer van het Westen. Ongeveer twintig jaar na die groote omwenteling
werd het in een kerk en een klooster veranderd om de beenderen van
den Heiligen Severinus te ontvangen. Zij rustten veilig tusschen de
gebroken trofeeën van de overwinningen op de Cimbren en Armeniërs,
tot het begin van de tiende eeuw, toen de versterkingen, die een
gevaarlijk steunpunt konden geven aan de Saracenen, werden afgebroken
door het volk van Napels." (Gibbon c. XXXVI.)

Sommigen gelooven dat deze villa van Lucullus in Pizzofalcone stond,
wat nu een hoog gedeelte van Napels is. Maar op Kaap Misenum, die
de Baai van Pozzuoli (Puteoli) vormt, kan men nog overblijfselen
van een groote villa zien--zonder twijfel de villa van Lucullus,
waar Keizer Tiberius werd gesmoord, en waarschijnlijk ook die, waar
Romulus Augustulus stierf.

Van Odovacar's jeugd worden eenige bijzonderheden gegeven door Gibbon,
Villari en anderen--uit Jordanes en verschillende oude schrijvers,
o.a. een leerling en biograaf van den Heiligen Severinus. De
vader van Odovacar en van zijn broeder Onulf was waarschijnlijk de
Scirische of Herulische hoofdman Edeco, die door Attila gezonden was
naar Constantinopel als gezant met Orestes, den vader van Romulus
Augustulus. Na den dood van Attila, toen de Hunnen zich verspreidden,
leidde de jonge Odovacar een zwervend leven en is misschien de
zeeroover geweest van denzelfden naam, die een vloot van Saksische
piraten op de noordelijke zeeën aanvoerde. In ieder geval, het tooneel
van zijn vroegere avonturen schijnt het noorden geweest te zijn,
want wij vernemen, dat hij ongeveer 460 Noricum (Styria, Salzburg
enz.) doortrekt aan het hoofd van een bende barbaarsche soldaten,
die in Italië dienst wilden zoeken onder Ricimer. Noricum was nog
niet hersteld van de verwoestingen van Attila en verkeerde in een
toestand van anarchie. De eenige erkende autoriteit was de Heilige
Severinus, de kluizenaar, die van zijn cel uit de orde in het land
bewaard schijnt te hebben. De Heilige werd opgezocht door Odovacar,
die het lot, dat hem in Italië wachtte, wilde leeren kennen. Toen de
slanke, jonge krijgsman bukte om de lage deur door te gaan, werd hij
door den Heilige met deze woorden begroet: "Vade ad Italiam. Vade,
vilissimis nunc pellibus coopertus, sed multis cito plurima largiturus,
Ga naar Italië! Ga! Ofschoon gij nu in dit ruwe gewaad gekleed zijt,
zult gij weldra aan velen rijkdommen verschaffen." Niet lang daarna
streed Odovacar in Ricimer's leger onder de muren van Rome en schijnt
tot hoogen rang geklommen te zijn; hij was ook populair geworden, want
in 475 kozen zijn soldaten hem plechtig tot hun Koning door hem op een
schild omhoog te heffen (zooals zoo dikwijls gebeurde, wanneer het
leger een nieuwen keizer koos). Als Koning van barbaarsche krijgers
wierp hij zichzelf op tot heerscher over Italië. Hij matigde zich
dus niet de keizerlijke waardigheid en titel aan, maar schafte die af.



AANTEEKENINGEN BIJ DE MUNTEN [81]

Plaat 9.

Van c. 306 tot c. 565


1. Constantijn I. 2. Constantius II. 3. Julianus
(Apostata). 4. Jovianus. 5. Valentinianus
I. 6. Valens. 7. Gratianus. 8. Valentinianus II. 9. Theodosius de
Groote. 10. Honorius en Arcadius. 11. Galla Placidia. 12. Valentinianus
III. 13. Theodosius II. 14. Pulcheria. 15. Romulus Augustus
(-ulus). Het woord Conob of Comob, dat dikwijls op middeleeuwsche
munten voorkomt, beteekent Comitis Obryziacus, d.w.z. de Munt van
den Graaf. Deze Graaf, Comes sacrarum largitionum was zoo ongeveer
de Minister van Financiën.

16. Voorzijde van een bronzen munt van 22 nummi. Beeltenis van een
krijgsman met borstharnas en krijgsmantel, geleund op een speer;
misschien Gaiserik zelf. Oudere munten van Gaiserik hebben (zooals
dikwijls bij de barbaarsche heerschers het geval is) den beeldenaar
van den overleden of nog regeerenden Keizer, b.v. Honorius en
Valentinianus (zie no. 22). Geen der munten, die men aan Gaiserik
toeschrijft, dragen zijn naam. Hetgeen op sommige koperen munten
vroeger werd aangezien voor "Genserik", leest men nu als "Mense
Aug." (in de maand Augustus). Het woord Karthago en de paardekop,
het oude symbool van Carthago, bewijzen dat de munt werd geslagen na
de inneming van Carthago in 439. De oudste kroniekschrijvers spellen
zijn naam "Gaiserik", Procopius schrijft "Gizerichus".

17. Zilver. Keerzijde: Odovacar, zonder baard, doch met knevel;
borstharnas en krijgsmantel. Lees: Flod[ov]ac, d. i. Flavius Odovacar;
Flavius is de familienaam van Vespasianus, later aangenomen als
koninklijke titel door Constantius I en sommige van zijn opvolgers,
en ook door de koningen der Longobarden. Voorzijde: zijn monogram
met een krans en er onder RV (Ravenna). Hij sloeg eerst munten met
zijn eigen naam, nadat hij zijn residentie te Ravenna gevestigd had.

18. Goud. Voorzijde van een munt van 3 solidi (ongeveer 210 gram)
bij Sinigallia in 1894 gevonden. Vóór deze vondst bestond er geen munt
met Theoderik's beeldenaar. Gewoonlijk zetten dergelijke vorsten hun
naam of beeltenis niet op gouden munten; dit werd beschouwd als een
voorrecht van de Keizers. Het is een bijzonder kostbaar overblijfsel
van Romeinsch-Gotische kunst, dat, zooals men nog aan de keerzijde
kan zien, door een ouden bezitter als broche is gebruikt. Op deze munt
staat: Rex theodericus pius princ[eps] i[nvictus?] s[emper?]. Omgeven
door deze woorden, houdt Theoderik een globe in de hand, waarop een
Godin der overwinning staat met krans en palmtak. De bezitter van
deze munt is de heer F. Gnecchi, Milaan.

19. Brons. Athalarik in wapenrusting, met speer en ovaal schild. Lees:
DN (Dominus of Dominus noster) Atalaricus. In de tusschenruimten SC
(Senatusconsulto) en X (10 nummi). Waarschijnlijk uitgegeven door
Athalarik's moeder, Amalasuntha. De voorzijde vertoont een mooi
borstbeeld van "Rome"--misschien een bevestiging van de mededeeling
dat de koningin-moeder de schoone kunsten in Rome aanmoedigde.

20. Brons. Lees: dn. Theodahatus rex. Een keurig gemodeleerde
beeltenis. De nauwsluitende kroon is merkwaardig en ook het met
juweelen versierde gewaad. Het gezicht stemt overeen met onze
voorstelling van zijn karakter en is een type (misschien Vandaalsch),
geheel verschillend van Theoderik. Cassiodorus vertelt ons dat
Theodahad bevolen had zijn beeldenaar op zijn munten te slaan, "als een
herinnering aan onze regeering voor toekomstige eeuwen". Waarschijnlijk
te Rome gemunt, na zijn breuk met Justinianus (535-36).

21. Brons. Beeldenaar van Baduela (of Baduila), d. i. Totila. Lees:
... Duela rex; op de keerzijde: dn. Baduela (of -ila) rex. Geslagen
na 549 te Rome (of Pavia?).

22. Zilver. Lees: dn. Theia rex. De voorzijde vertoont den naam
en beeldenaar van den Oost-Romeinschen Keizer Anastasius († 518),
ofschoon deze munt natuurlijk van 552-53 is. Hetzelfde beeld werd
dikwijls nog lang na den dood van een Keizer gebruikt.

23. Brons. Lees: dn. Justinianus ppvag (waarschijnlijk verkeerd voor
ppaug d. i. Pius Princeps Augustus). Een van de vele bestaande
beeltenissen van Justinianus. Waarschijnlijk uitgegeven door
Theodahad of Witigis (Vitiges). Gemunt te Rome c. 536-38. Na 540 (toen
Belisarius Ravenna innam) werden er Keizerlijke Byzantijnsche munten
van Justinianus geslagen in Italië, doch waarschijnlijk niet eerder
dan na Theia's dood en den val van het Gotische Rijk (c. 553-55).



TWEEDE DEEL.

HISTORISCH OVERZICHT.

476-568.


De geschiedenis van de drie eeuwen (476-800), die verliepen tusschen de
vernietiging van het Keizerlijk gezag in Italië en het herstel daarvan
in den persoon van Karel den Groote kan men in twee perioden verdeelen,
van welke de eene ongeveer een eeuw (476-568) en de tweede iets langer
dan twee eeuwen (568-800) is. De eerste periode vormt nu het onderwerp
van ons verhaal. In dit tijdperk hebben wij eerst, ongeveer 16 1/2
jaar, de regeering van Odovacar, Ottowacker of Odoacer, die wij beter
den naam van zijn munten (Odovac of Odovacar) kunnen geven dan den
Latijnschen vorm "Odoacer"; daarna komt de heerschappij der Oost-Goten
(493-535), waaronder de belangrijke regeeringen vallen van Theoderik
den Groote, zijn zoon Athalarik (onder het regentschap van zijn moeder
Amalasuntha) en Theodatus of Theodahad; daarna de "Gotische oorlog"
met de lange veldtochten van Belisarius en Narses, waarvan het einde de
nederlaag en dood is van de koningin der Oost-Goten, Totila (Baduela)
en Theia (553), en dan, gedurende vijftien jaar (553-568) de vestiging
van de Byzantijnsche heerschappij in Italië, dat een tijdlang een
diocese wordt van den Oost-Romeinschen Keizer, Justinianus.

De tweede periode, die wij in het derde deel zullen behandelen,
begint met de Longobarden-heerschappij van twee eeuwen (568-774),
een lange reeks jaren, die, behalve door enkele zeer belangwekkende
persoonlijkheden en eenige vraagstukken over architectuur, bijna
even somber is als de tijd die volgde op den inval der Doriërs in
Griekenland. Ten slotte krijgen wij het verzoek om hulp van den
Paus aan den Koning der Franken, gevolgd door de tusschenkomst en
de heerschappij van de Franken en het zoogenaamde herstel van het
West-Romeinsche Keizerrijk door de daad van Paus Leo III, die een
gouden kroon op het hoofd van den Franken-koning, Karel den Groote,
zette, toen deze, zonder iets te vermoeden (volgens sommigen) oprees
van zijn gebeden voor de graftombe van den Heiligen Petrus te Rome.



I. Odovacar's regeering (476-'93).

Het verhaal werd afgebroken bij de onttroning van Romulus Augustulus
door Odovacar en op het einde van eerste Deel werd een schets gegeven
van het latere leven van den onttroonden Keizer en ook een beschrijving
van het vroegere leven van den barbaren-koning, die gedurende meer
dan zestien jaar (hij stierf 15 Augustus 493) op den troon zetelde,
ofschoon hij den titel of den diadeem van de Romeinsche Keizers
niet aannam.

In Ravenna had de jeugdige Romulus Augustulus geresideerd en daar
was hij gevangen genomen; daar vestigde ook Odovacar den zetel van
zijn regeering. Het rijk, waar zijn regeering werd erkend, omvatte
geheel Italië ten zuiden van de Alpen, en Rhaetia tusschen de Alpen
en Donau. Het grootste deel van Sicilië werd na den dood van Gaiserik
(477) ook aan hem onderdanig: maar de Vandalen behielden Lilybaeum
en andere gedeelten van het eiland, evenals Sardinië en Corsica,
terwijl aan gene zijde van de West-Alpen de Bourgondische Koningen
de streek van de Rhône en Saône bezaten, de West-Goten geheel Spanje
en het Zuiden van Gallië in hun macht hadden, en verder noordwaarts
de Alemannen en Franken heerschten.

Zoodra Odovacar zich sterk genoeg voelde, zond hij een gezantschap
naar den Keizer van het Oosten om zijn positie te bepalen en erkenning
te eischen. Dit gezantschap was gemachtigd te verklaren namens den
Romeinschen Senaat en en den vroegeren Keizer, Romulus Augustulus
(wiens handteekening Odovacar zich blijkbaar had verschaft), dat het
Romeinsche, of liever het Italiaansche volk besloten had, dat één
Keizer voldoende was voor beide deelen van het Keizerrijk; en uit
naam van Odovacar overhandigden zij Zeno de keizerlijke insignia--de
ornamenta Palatii--den purperen mantel, den diadeem, de globe en
schepter, met het verzoek, dat de Keizer den bestuurder van Italië
den titel van Patricius zou willen verleenen.

Zeno antwoordde, dat zijn voorgangers, Leo I en de Keizerin Verina,
twee Keizers voor de Romeinen hadden gekozen; den eene, Athemius
hadden zij gedood, den andere, Nepos, verbannen; maar Nepos leefde
nog en bestuurde zijn provincie Dalmatië. Derhalve moesten zij zich
tot hem wenden met hun verzoek. Zeno schreef persoonlijk aan Odovacar
en noemde hem "Patricius". [82]

Men zal zich herinneren dat de val van Orestes, den vader van Romulus
Augustulus, voornamelijk moet toegeschreven worden aan het feit,
dat hij zijn soldaten geweigerd had een derde deel van het land van
Italië te geven. Odovacar had den steun van het leger verworven door
de belofte dit verzoek om land toe te staan, en nu moest hij dat
doen. De bijzonderheden van dezen zeer belangrijken maatregel zijn
niet nauwkeurig bekend, maar men kan met zekerheid aannemen, dat vele
groot-grondbezitters verdreven en geruïneerd zijn en dat uitgestrekte,
vruchtbare landen verdeeld zijn onder veteranen, die den grond gingen
bebouwen. In andere gevallen stelden de nieuwe bezitters zich er mede
tevreden als landheeren op te treden en de oude bezitters als pachters
te gebruiken, terwijl zij waarschijnlijk den toestand der slaven
verbeterden, die zij, volgens de feudale gewoonte in het Noorden,
als leenmannen aannamen. Odovacar had, evenals Alarik en Athaulf en
de groote Theoderik, diepen eerbied voor de staatsregeling van het
Keizerrijk en was, naar het schijnt voor de uitvoering der wetten
en het innen der belastingen geheel en al afhankelijk van de oude
keizerlijke ambtenaren.

In 480 werd Nepos, die nog steeds erkend werd door het Oostelijke
Keizerrijk, door zijn comites palatii (ambtenaren van het paleis) te
Salona gedood. Odovacar werd aldus bevrijd van den eenigen mededinger,
die aanspraak maakte op den troon van Italië. Hij had te Ravenna,
dat nog steeds een prachtige haven bezat, een sterke vloot verzameld,
om tegen de zeeroovers der Vandalen op te treden en om Sicilië te
veroveren. Na den dood van Nepos stak hij de Adriatische zee over
en annexeerde Dalmatië. Dit was natuurlijk een daad van openlijke
vijandschap tegen Zeno en een schending van de integriteit van het
Oost-Romeinsche Rijk; maar Zeno was niet in staat het te vergelden,
daar hij werd bezig gehouden door gevaarlijke godsdienstige woelingen,
die in het oosten, dat broeinest van sophistische leerstellingen, waren
ontstaan; de patriarch van Alexandria was door fanatieken gedood. Deze
conflicten in Constantinopel hadden een ernstig karakter aangenomen
door Zeno's welgemeende poging om de verbitterde tegenstanders te
verzoenen--de Monophysieten (die verzekerden dat de menschelijke
en goddelijke natuur van Christus in één vereenigd waren) en de
zgn. orthodoxe partij. Gesteund door den patriarch Acacius had
hij een brief uitgegeven, die bekend is onder den naam Henotikon
(d.i. een poging tot verzoening), maar deze werd, zooals het met
dergelijke pogingen meestal gaat, ontvangen met den heftigsten
tegenstand, vooral van den kant van den Paus en de Katholieken te
Rome, en een tijdlang verergerde dit slechts den ellendigen twist,
totdat de zgn. orthodoxe partij de overwinning behaalde. [83]

Ofschoon Odovacar een Ariaan was, stond hij in dezen twist aan den kant
van Paus Simplicius; maar toen de Paus in 483 stierf, beschouwde hij
het terecht als zijn taak de onlusten, die gewoonlijk bij de verkiezing
van een Paus plaats vonden, te voorkomen; hij liet door den Prefect
het college der kiezers (toen nog niet beperkt tot de Kardinalen)
bijeenroepen, en verklaarde, dat geen verkiezing van kracht zou zijn
zonder zijn sanctie; en het was zijn candidaat, Felix II, die gekozen
werd. Deze inmenging in Kerkelijke aangelegenheden wordt door sommige
schrijvers met droefheid en verontwaardiging vermeld. Wel hadden de
Keizers van het Oosten zich soms, niet alleen bij de verkiezing van
prelaten, maar ook in het omschrijven en verspreiden van leerstukken
gezag aangematigd; en te Rome had Honorius zelfs tusschen twee Pausen
een beslissing genomen. Maar Odovacar was een barbaar en een Ariaan
en zijn krachtige en voorspoedige politiek wordt gebrandmerkt als
het begin van de lange en rampzalige veeten tusschen de wereldlijke
aanspraken van de Kerk en de wettige macht van de Staat, terwijl
Odovacar toch, wanneer hij op waardige wijze was opgetreden, geweldige
slachtingen en wederzijdsche verbittering had kunnen voorkomen en
den naam van het Christendom vrij had kunnen houden van de smetten,
die de godsdienstige vervolgingen en de oorlogen, gevoerd in naam
van het Evangelie des vredes, er op geworpen hebben.

De waarheid is, dat op de ruïnen van het Keizerlijke Rome onder den
naam van Pauselijk gezag een nieuwe politieke macht oprees--in naam
geestelijk, maar inderdaad wereldlijk van aard en in haar idealen--die,
daar zij als bondgenoot het godsdienstige en zedelijke gevoel van den
mensch opeischte en gewapend was met alle wapenen, die het bijgeloof
verschaft, in staat was zich eeuwen lang tegen het hoogste burgerlijke
gezag staande te houden. Hierin verschilt het Christendom geheel en
al van den Islam, waar dadelijk het hoogste geestelijke en het hoogste
burgerlijke gezag in één persoon werden vereenigd; want, welke andere
slechte gevolgen een dergelijk systeem ook had, op deze wijze kon
een zuiver geestelijke invloed nooit ontaarden in een staatkundige
instelling, wier hoofddoel was het verwerven van wereldlijke macht
en die aldus in botsing kwam met het wettige, burgerlijke gezag.

Ondanks Odovacar's verstandige regeering, ondanks zijn pogingen om de
nadeelen van het groot-grondbezit (latifundia), waaraan Plinius de
Oudere den ondergang van Italië toeschrijft, te verhelpen, schijnt
de toestand in vele streken van zijn koninkrijk droevig geweest te
zijn. Zoo lezen wij in een brief van Paus Gelasius (492) dat in Toscane
en Aemilia en de andere provincies "nauwelijks één menschelijk wezen
bestaat"--hominum prope nullus exsistit. In Rome was ook de werkende
klasse--de stadswerklieden en de scholae van schilders, bouwlieden,
geneesheeren enz.--in een toestand van armoede en verwaarloozing
gekomen, waaruit zij later met moeite voor korten tijd door Theoderik
werd opgeheven.

Ongeveer 486 gebeurde, hetgeen blijkbaar de onmiddellijke oorzaak
werd van Odovacar's nederlaag. In Noricum was de heilige kluizenaar
Severinus (p. 102) gestorven en het land was weder tot anarchie
vervallen. De woeste Germaansche volksstam van de Rugiërs, die in het
tegenwoordige Moravië en Zuid-Bohemen woonde, greep, waarschijnlijk
aangespoord door Zeno, de gelegenheid aan om Zuidwaarts op te rukken
en het land te plunderen en te verwoesten. Odovacar trok de Alpen
over met een groot leger van barbaren en Italianen, versloeg de
Rugiërs in Noricum, achtervolgde hen over den Donau en nam hun koning
gevangen. Maar de zoon van den koning ontsnapte en vluchtte naar de
Oost-Goten, die toen in de streek tusschen Noricum en Dacië gevestigd
waren, het land van de Save en de Drave, dat zich noordwaarts tot
den Donau uitstrekt. De hoofdman van deze Oost-Goten was Theoderik
de Amaler, een man van ongeveer 32 jaar. Zeno, die Odovacar wilde
onderwerpen en de onbeschaamdheid van de Pausen beteugelen, zette
Theoderik aan tot een inval in Italië. De smeekbeden van den jongen
vorst der Rugiërs deden Theoderik besluiten Odovacar aan te vallen.

Dit deed hij, zooals het heette, volgens opdracht van den Keizer
in het Oosten. Hij had den titel "Patricius" [84] verworven en had
onder zijn bevel een keizerlijk generaal (magister militum) en andere
Keizerlijke ambtenaren (comites, comtes, counts, graven). Zijn doel,
dat hij niet verborgen hield, was den usurpator of "tyran" aan te
vallen en Italië voor het Keizerrijk te heroveren.

Gedurende den herfst, winter, en lente van 488-'89 trokken geweldige
benden van verschillende volkstammen, doch voornamelijk van Oost-Goten,
te zamen waarschijnlijk 200.000, met ongeveer 50.000 krijgslieden,
onder aanvoering van Theoderik de Alpen over; zij begonnen hun
marsch bij Aemona (Laibach) en namen denzelfden weg als Theodosius,
Alarik en Attila hadden genomen. Aan de rivier de Sontius (Isonzo)
bij Aquileia en daarna aan de Athesis (Adige) bij Verona werd slag
geleverd; Odovacar werd gedwongen terug te trekken, doch ook de Goten
leden zware verliezen, en Theoderik trok, in plaats van zuidwaarts
over de Apennijnen, naar Milaan en sloeg zijn kamp op bij Ticinum
(Pavia). Toen haastte Odovacar zich (volgens sommige schrijvers)
naar Rome, maar vond de poorten gesloten. Hetzij dit gebeurde of niet,
zeker is het, dat na de veldslagen in Noord-Italië de Romeinsche Senaat
en de geestelijken voorstellen deden aan Theoderik, want Odovacar
had in de laatste jaren groote verbittering verwekt door de Kerken
te plunderen om zijn troepen te betalen. Sommige schrijvers spreken
ook van het overloopen van Tufa, Odovacar's magister militum, naar
Theoderik; maar het schijnt, dat Tufa dit slechts geveinsd heeft en
erin geslaagd is een aantal Goten van Theoderik naar Odovacar's kamp
te brengen. In ieder geval zien wij dat Odovacar zich krachtig staande
houdt in Noord-Italië--hij bezet Milaan en met hulp van Bourgondiërs,
die hij heeft ontboden, dwingt hij Theoderik binnen de muren van
Ticinum te blijven, waar de geweldige massa's menschen veel te lijden
hebben van gebrek aan ruimte en voedsel.

Maar in deze moeilijke omstandigheden (490) kwamen de West-Goten uit
Gallië hun stamgenooten te hulp en Odovacar leed bij de Adda een
verpletterende nederlaag. Hij trok terug naar Ravenna, dat weldra
door Theoderik van de landzijde belegerd werd. Maar de haven gaf
vrijen toegang tot de zee, daar de Goten geen vloot hadden, en wegens
de moerassen en sterke wallen kon Ravenna niet gemakkelijk bestormd
worden. En aldus werd Theoderik, ofschoon hij overal elders in Italië
als heer werd erkend, drie jaar lang getrotseerd [85] door de stad,
die later de hoofdstad van zijn koninkrijk werd en nog steeds zoo
nauw aan zijn naam verbonden is.

Eindelijk, in het begin van 493 werd Odovacar gedwongen te
capituleeren, want de Goten hadden zich meester gemaakt van de
zeevesting Rimini en genoeg schepen verzameld om Ravenna ook te
blokkeeren. Wij weten niet veel van deze capitulatie, behalve
dat Odovacar's leven gewaarborgd werd. Toch werd deze voorwaarde
geschonden, want ongeveer drie weken later noodigde Theoderik zijn
gevangene uit tot een feestmaal in het Paleis van den Raad, dat
volgens een ouden schrijver in het Zuid-Oostelijke deel van Ravenna was
(waarschijnlijk het gebouw, dat nu nog het Paleis van Theoderik genoemd
wordt) en liet hem bij zijn aankomst dooden; of misschien volvoerde
hij de bloedige en verraderlijke daad zelf; éen kroniekschrijver toch
verzekert dit, en geeft bovendien de dramatische bijzonderheid, dat
Theoderik, toen zijn zwaard het lichaam van zijn slachtoffer van de
hals tot de lendenen in tweeën kliefde, zich omkeerde en grijnslachend
mompelde: "Het ellendige creatuur schijnt geen beenderen te hebben."



II. De Heerschappij der Oost-Goten (493-535).

Daar Theoderik het onderwerp zal vormen van latere hoofdstukken, zal
hier slechts een kort verslag gegeven worden van zijn lange regeering
van drie en dertig jaren.

Na den slag bij de Adda (490), zond hij bericht van de overwinning
naar Constantinopel en vroeg verlof om den titel van koning aan te
nemen; maar Zeno stierf in April 491, en daar zijn opvolger Anastasius
[86], geen antwoord zond, liet Theoderik zich door zijn manschappen
tot koning kiezen. Door deze handeling verbeurde hij natuurlijk de
insignia en het ambt van keizerlijk gevolmachtigde en bracht zichzelf
in dezelfde positie, in welke de "tyran" zich had bevonden. Maar
Anastasius vond het mettertijd raadzaam den fait accompli te erkennen
en den toestand aan te nemen, zooals die was. Toen derhalve ongeveer
zeven jaar later (498) een ander gezantschap aan het hof in het
Oosten kwam, werd hij vriendelijk ontvangen, en kreeg opdracht de
keizerlijke insignia, die de Romeinsche senaat namens Odovacar aan Zeno
had gezonden, aan Theoderik te overhandigen. Natuurlijk beteekende dit
niet, dat Anastasius Theoderik als Keizer van het Westen erkende. Wat
het beteekende en wat de positie van Theoderik was, zal later besproken
worden, wanneer wij zijn wetgeving en regeering beschrijven.

Langzamerhand versterkte en breidde Theoderik zijn macht uit. In 504
heerscht hij niet alleen over het geheele vroegere rijk van Odovacar,
namelijk Italië, Rhaetië en Dalmatië, maar heeft ook Noricum en
Pannonië onderworpen en een afstammeling van Attila geholpen een
tijdelijke herleving van het Hunnenrijk in het oude gebied van de
Oost-Goten, in Dacië, tot stand te brengen en het leger van den Keizer
van het Oosten te verslaan.

En evenmin aarzelde Theoderik--ofschoon hij met onverstoorbaren
ernst de meest onderdanige brieven [87] aan Anastasius schreef--een
inval te doen in het gebied, dat den Keizer toebehoorde, want hij
nam niet alleen Sirmium aan den Donau, maar drong zelfs Illyricum
binnen. Hierop zond Anastasius, hevig vertoornd, in 508 een vloot van
200 schepen uit om Tarente aan te vallen en de kusten van Zuid-Italië
te verwoesten--een dwaze représsaille die niets uitwerkte, dan
(zooals een schrijver uit dien tijd, Marcellino Conte, zegt) een
"schandelijke overwinning van Romeinen over Romeinen", daar toch
de bewoners van Apulië en Calabrië geenszins verantwoordelijk waren
voor de daden van Theoderik. Ook naar het Westen was het gebied van
Theoderik aanmerkelijk uitgebreid. Waarschijnlijk uit vrees, dat
Anastasius anderen tegen hem zou opzetten, zooals hij tegen Odovacar
opgezet was, sloot hij verbonden met de drie machtigste barbaarsche
volkeren; hij gaf zijn zuster Amalafrida aan Thrasamund, den Koning
der Vandalen [88], zijn dochter Theudegotha aan Alarik II, Koning
der West-Goten, en een andere dochter, Ostrogotha, aan Sigismund,
den zoon van den Bourgondischen Koning. Bovendien was hijzelf,
blijkbaar omstreeks 497, met Audefleda, de dochter van den machtigen
en strijdlustigen Koning der Franken, Chlodovech (Chlodwig, Ludwig,
Clovis) in het huwelijk getreden.

Wanneer wij den tijd van Karel den Groote beschrijven, zullen wij de
opkomst van dat rijk en de Franken schetsen. Het is voldoende hier
te vermelden, dat zij in de laatste jaren snel waren opgerukt uit
het tegenwoordige Nederland en België, onder Clovis zich verspreid
hadden in het noorden van Gallië, en de Bourgondiërs hadden
overwonnen. Maar toen Clovis er toe overging de West-Goten aan te
vallen, kwam Theoderik zijn stamgenooten te hulp en dwong Clovis,
zijn schoonvader, het beleg van Arles op te geven en zich terug te
trekken over de Loire (c. 509), na een nederlaag, waarin hij, volgens
Jordanes, 30.000 man verloor. Theoderik kreeg nu de hoogste macht
in het rijk der West-Goten, daar zijn schoonzoon, Alarik II, in den
slag was gedood. Hij stelde zichzelf tot voogd en regent aan over den
troonopvolger, zijn kleinzoon Amalarik en werd aldus heerscher over
het geheele gebied der West-Goten in Gallië en Spanje, terwijl hij als
Koning van Italië, Sicilië, Pannonië, Dalmatië erkend was en ook van
Provence, dat hij geannexeerd had. Gedurende ongeveer zestien jaren
(510-526) heerschte hij over een grooter gebied van het Westersche
Rijk, dan sommige van de latere Keizers en hij beschouwde zich als een
"Princeps Romanus" en men sprak hem, hoewel niet officieel, aan als
"Augustus", ofschoon hij op de meest nederige en onderdanige wijze
bleef schrijven aan den Keizer van het Oosten.

Maar de laatste jaren van den grooten Koning der Oost-Goten zouden
ongelukkig zijn. Oneenigheden over leerstellige vraagstukken, wier
rampzalige gevolgen wij reeds zoo dikwijls hebben beschreven, verwekten
een steeds heftiger vijandigheid tegen hem en dit deed in de diepten
van zijn barbaarsche natuur den heftigsten wrok ontstaan. Hij werd
nukkig, verbitterd en argwanend. Eerst had hij, evenals Odovacar,
ofschoon hij een Ariaan was, de partij van den Paus gekozen tegen de
ongelukkige poging van Keizer Zeno om de Katholieken en Monophysieten
te verzoenen. (Zeno's poging, Henotikon, was door de Kerk van Rome als
een werk van Satan gebrandmerkt, ofschoon het geteekend was door alle
bisschoppen van het Oosten.) Na Zeno's dood (491) werden deze twisten
nog heviger en wij zagen reeds dat Anastasius voor een bende fanatieken
in Constantinopel om zijn leven moest smeeken. Ondertusschen schijnt
Theoderik den juisten koers genomen te hebben en achtereenvolgens drie
Pausen tegen den Keizer van het Oosten handig te hebben uitgespeeld,
terwijl hij zich aldus, ofschoon hij zelf een Ariaan was, de gunst
van zijn Katholieke onderdanen verzekerde.

Maar een plotselinge verandering ontstond in deze verhoudingen toen
Anastatius in 518 stierf. Hij werd opgevolgd door Justinus--een
onontwikkelden, dapperen, eenvoudigen, dom-orthodoxen, Dardanischen
(Bulgaarschen) boer, die niet lang na zijn verkiezing sterk onder
den invloed geraakte van zijn veel begaafder, ook orthodoxen
neef, Justinianus, die later, zooals hijzelf meende, een hechte
steunpilaar werd van de in zijn oogen eenige ware Kerk. Aan het
hof te Constantinopel kreeg de ketterij van de Monophysieten en
andere leerstukken plotseling een slechten naam en werd een begin
gemaakt met vervolgingen. Te Rome bleef Paus Hormisdas, die niet
zoo inschikkelijk was als zijn voorgangers, nogal koel tegenover de
vriendelijkheden en Kerk-bouwenden ijver van den Ariaan Theoderik
en opende onderhandelingen met Justinus en diens heerschzuchtigen
neef, met de bedoeling om over de verdraagzaamheid jegens ketters
den banvloek uit te spreken. Weldra verbinden de Paus en de Keizer
zich tegen Theoderik en dit verbond wordt plechtig bekrachtigd
door een Concilie, gehouden te Constantinopel en bijgewoond door
afgevaardigden van den Paus; hier wordt het Katholicisme afgekondigd
als staatsgodsdienst, het Henotikon plechtig veroordeeld, en over
Acacius, die er aan medegewerkt heeft, de banvloek uitgesproken.

Omstreeks 523 kwam het bevel van Justinus, dat alle Ariaansche Kerken
aan de Katholieken moesten worden afgestaan. Theoderik antwoordde
daarop door de Katholieke Kerken te sluiten. Hij was uitermate
verbitterd. Het voornaamste doel van zijn regeering en wetgeving
gedurende dertig jaren was geweest de Goten en Romeinen tot één volk
samen te smelten en hijzelf had vele Romeinsche gewoonten aangenomen
en toonde een oprechte bewondering voor de wetten, de litteratuur en
de monumenten van het Romeinsche Keizerrijk. Maar zijn welgemeende,
doch soms tamelijk onhandige navolging van Romeinsche gewoonten, taal
en idealen wekte den lachlust van de geboren Italianen op, onder wie,
vooral onder de rijken, een sterke beweging opkwam ten gunste van
Nationalisme en Katholicisme, als een protest tegen den vreemden
Gotischen indringer, wiens heerschzuchtige soldaten zich het beste
deel van hun land hadden toegeëigend, als ook hun fraaiste kerken en
voornaamste ambtelijke waardigheden en voordeelen. Verbitterd door
deze steeds toenemende vijandigheid, schijnt Theoderik aan zijn
misschien wat oppervlakkige bewondering voor Romeinsche zaken een
einde te hebben gemaakt en aan die aangeboren neiging tot wreedheid
te hebben toegegeven, die hij toonde door den moord op Odovacar. Zijn
woede tegen de Katholieken werd aangewakkerd door den fanatieken
ijver van zijn schoonzoon, Eutharik, een fellen Ariaan, aan wien hij
zijn eenige dochter, de erfgename van zijn troon, Amalasuntha had
gegeven. Theoderik verloor meer en meer zijn populariteit; daden van
geweld werden eerst op rechtvaardige wijze onderdrukt--zoo moesten
b.v. de Katholieken te Ravenna de Joodsche Synagoge, die zij in brand
hadden gestoken, weer opbouwen--maar later door harde represailles. Te
Rome vooral werd de stemming tegen de barbaarsche ketters zoo venijnig,
dat de Goten order kregen aan geen burger het gebruik van eenig wapen
toe te staan--usque ad cultellum.

Dat er onder de zeer gemengde bevolking van Rome pro-Goten waren, is
natuurlijk niet te verwonderen. De geschiedenis van de beschuldiging,
die door zulk een "delator" (aanklager) tegen een patriciër, Albinus,
is ingebracht en den dood (524) van den philosoof Boëthius en zijn
schoonvader Symmachus, het hoofd van den Romeinschen Senaat, zullen
later vermeld worden. Het werpt een somber licht op de twee laatste
jaren van Theoderik's regeering en maakt een andere wreede daad van
hem minder onbegrijpelijk. Paus Hormisdas was gestorven ven (523),
en door een waardigen, doch onbuigzamen anti-Ariaanschen prelaat,
Johannes I opgevolgd. Verontwaardigd over de handeling van het
Concilie te Constantinopel en Justinus' order om de Ariaansche
Kerken in Italië te sluiten, wilde Theoderik een krachtig protest
naar den Keizer van het Oosten sturen. Hij liet Paus Johannes te
Ravenna komen en droeg hem met eenige senatoren en den Ariaanschen
Aartsbisschop van Ravenna, Ecclesius, op Justinus te vragen, dat bevel
in te trekken. Het gezantschap werd eervol aan de poort ontvangen
en in feestelijken optocht geleid naar Constantijn's Basilica van
Hagia Sophia, terwijl de Keizer bijzonderen eerbied bewees aan den
eersten Paus, die Constantinopel binnentrad. Maar Theoderik's verzoek
werd geweigerd of ontweken, en op den terugtocht werd de Paus, die
blijkbaar verdacht werd met den Keizer te heulen, in de gevangenis
geworpen, waar hij weldra stierf. "De dankbare Kerk", zegt Gregorovius,
"heeft hem geëerd met den nimbus van een martelaar." Om zijn plaats te
vervullen stelde Theoderik voor Felix te kiezen. De Romeinen beefden
en gehoorzaamden.

Wij hebben gezien, dat Odovacar de ongeregeldheden trachtte te
voorkomen, die gewoonlijk bij de verkiezing van een Paus plaats
vonden. Theoderik's aanmatiging van het recht van investituur, niet
alleen van bisschoppen, maar van den Stedehouder van Christus zelf,
was iets geheel anders, en daar ook Theoderik's opvolgers zich dit
recht hebben aangematigd, en ook Belisarius, die met de hulp van
Theodora pausen liet aftreden en kiezen, en zelfs Justinianus,
die--ondanks zijn Pragmatieke Sanctie--den weerspannigen Paus
Vigilius gevangen zette, en later ook verschillende vorsten van
het z.g.n. Heilige Roomsche Rijk, kan dit beschouwd worden als de
werkelijke fons et origo mali. Theoderik stierf in 526, ongeveer drie
maanden na den dood van Paus Johannes in de gevangenis. Fantastische
verhalen over den dood van den koning worden in ernst door Procopius
en Gregorius den Groote gedaan. Die zullen verteld worden in het
volgende hoofdstuk. De ware oorzaak van zijn dood was waarschijnlijk
een aanval van dysenterie, en een oude schrijver verzekert, dat deze
plaats vond juist op den dag, waarop het besluit van den koning,
dat de Katholieke Kerken aan de Arianen zouden worden overgegeven,
in werking zou treden--een merkwaardige overeenkomst met het verhaal
van den dood van Arius zelf (pag. 39). De kroniekschrijver Jordanes,
die de verloren geraakte "Geschiedenis" van Cassiodorus, den eersten
minister van Theoderik, heeft gebruikt, schrijft, dat de dood van den
koning zeer kalm en waardig was. Toen hij het einde voelde naderen,
liet hij zijn ministers en de bevelhebbers der Oost-Goten komen en
stelde hun als opvolger zijn kleinzoon Athalarik voor--want Eutharik,
zijn schoonzoon, was gestorven.

Athalarik was een jongen van tien jaar. Zijn moeder Amalasuntha werd
dus regentes; haar minister was Cassiodorus. Zij wordt beschreven als
een schoone en geleerde vrouw, bedreven in het Gotisch, Grieksch en
Latijn en bijzonder gesteld op de klassieke litteratuur; en wij krijgen
een gunstigen indruk van haar karakter door het feit, dat zij bewerkte,
dat de verbeurd verklaarde goederen van Boëthius en Symmachus aan hun
families werden teruggegeven. Doch haar Romeinsche neigingen hadden
haar ondergang ten gevolge. De Goten, die een dergelijke verwijfdheid
verachtten, eischten, dat de jonge Athalarik de studies, die zijn
moeder voor hem had gekozen, zou opgeven en een militaire opvoeding
zou krijgen; zij verklaarden, dat het een stelling van Theoderik
was, dat geen man onversaagd een vijand het hoofd kon bieden, die
gesidderd had voor de roede van een leermeester; en de zaak kwam tot
een uitbarsting, toen zij den jongen eens zagen huilen, omdat hij
een klap van zijn meester of zijn moeder had gekregen. De militaire
opvoeding evenwel schijnt hem gelegenheid te hebben gegeven te veel
aan zichzelf te denken, hetgeen zijn zwakke gezondheid knakte, en na
acht jaren stierf hij (534), voordat hij gekroond was.

Het was een vast beginsel van de Goten, dat de regeering nooit zou
overgaan van de lans op het spinrok. De naaste manlijke erfgenaam was
Amalasuntha's neef, Theudehad of Theodahad, zooals hij op zijn munten
heet (zie Plaat 9), ofschoon hij beter bekend is als Theodatus. Hij was
de zoon van Theoderik's zuster Amalafrida, die met den Vandalen-koning
Thrasamund gehuwd was. Hij studeerde ijverig Plato en had uitgestrekte
landgoederen in Toskane, waar hij was gehaat wegens zijn hebzucht;
en hij, van zijn kant, haatte Amalasuntha, omdat zij trachtte zijn
inhaligheid te beteugelen, en beschuldigde haar, dat zij door het
regentschap te behouden de wet schond. Hierin werd hij gesteund door
drie van de invloedrijkste Goten en langzamerhand werd Amalasuntha
zoo gehaat, dat zij de hulp inriep van den Oost-Romeinschen Keizer,
Justinianus. Hij gaf haar een prachtig paleis te Dyrracchium (Durazzo),
waarheen zij haar schatten begon te vervoeren; maar op het laatste
oogenblik, misschien (ofschoon men niet geneigd is dit van haar te
gelooven) omdat zij erin slaagde de drie vijandige edelen te laten
vermoorden, gaf zij haar vlucht op en bood aan de regeering met
haar neef te deelen. Het aanbod werd aangenomen en haar minister,
Cassiodorus, schreef een prachtigen brief aan Justinianus, waarin
hij hem meedeelde, dat "zooals het menschelijk lichaam, twee ooren,
twee oogen en twee handen had, evenzoo het Gotische Koninkrijk nu
twee vorsten had."

Deze regeering eindigde echter weldra. Theodahad's krachtig optreden
en de vijandige stemming der Gotische edelen hadden tengevolge,
dat Amalasuntha verbannen werd naar een klein eiland in het meer van
Bolsena, waar zij kort daarna in haar bad werd verdronken (535). De
moord werd misschien bedreven om den dood van de drie edelen te
wreken en zeker met medeweten van Theodahad. [89] Dit feit was,
ofschoon het niet het einde aanduidt van de Gotische overheersching,
toch de onmiddellijke aanleiding tot den Gotischen oorlog, die ten
gevolge had, dat de veroveraars verdreven werden en de Oost-Romeinsche
Keizer tijdelijk Italië in zijn bezit kreeg, zoodat Rome en Ravenna de
hoofdsteden van twee Byzantijnsche provincies werden. Gedurende die
jaren regeerde Justinianus ook over de provincies van Noord-Afrika,
over Sicilië en de andere eilanden in de Middellandsche Zee en over
Zuid-Spanje (het grootste gedeelte van deze landen was door zijn
generaals op de Vandalen heroverd); van de Perzen had hij voor een
groote som gelds den z.g.n. eeuwigen vrede gekocht, die een tijdlang
aan zijn provincies in het verre oosten, Asia Minor, Syrië en Egypte,
rust verzekerde.



III. De Gotische oorlog. (535-'53).

De Byzantijnsche verovering van Italië kan men in twee perioden
verdeelen; de eerste van Belisarius' aankomst tot de inneming van
Ravenna en zijn terugroeping in 540, de tweede van 540 tot den
slag op den Vesuvius, den dood van Theia en de verdrijving van de
Goten in 553. Deze twee perioden omvatten een groot gedeelte van
de lange regeering van Justinianus; opmerkingen over zijn persoon,
zijn wetgeving, over het hof te Constantinopel en over den oorlog
van Belisarius in Afrika zullen in de volgende hoofdstukken gevonden
worden. Hier zullen wij ons beperken tot gebeurtenissen, die nauw
samenhangen met Italië.

De moord op Amalasuntha werd door Justinianus tot een casus belli
gemaakt. Het is waarschijnlijk dat hij reeds lang over een aanval op
de Goten had gedacht en zijn politiek in verband met Amalasuntha had
duidelijk bewezen hoe sterk zijn sympathie was voor de Romeinsche,
anti-Gotische beweging in Italië. En nu was hij in staat handelend
op te treden, want zijn groote veldheer Belisarius [90] had, na zijn
roemrijken veldtocht in Perzië (530), de macht der Vandalen in Afrika
gebroken door de inneming van Carthago (533) en door het gevangennemen
van Koning Gelimer, die eenigen tijd eenzaam had rondgezworven,
maar zich ten slotte had overgegeven aan den overwinnaar en door
de straten van Constantinopel was meegevoerd bij den triomftocht,
die bovendien merkwaardig was door de aanwezigheid van den drie-maal
veroverden buit van den Tempel van Jeruzalem.

Om Noord-Italië te bedreigen en aldus de Gotische strijdmachten te
verdeelen zond Justinianus een leger naar Dalmatië, en Belisarius
stak in 535 met slechts ongeveer 7500 man van Afrika naar Sicilië
over. Hij vertrouwde vooral, zooals hij tot Procopius zeide, op zijn
boogschutters te paard, een soort van lichte ruiterij, die de Goten
niet kenden. Maar met zulk een klein aantal had hij nooit kunnen hopen
te overwinnen, indien hij niet had gerekend op de zeer belangrijke
hulp van het Italiaansche volk, dat dagelijks afkeeriger werd van de
Gotische heerschappij. Inderdaad, zoodra hij op Sicilië was geland,
openden alle steden, behalve Palermo, de poorten voor hem. In
Palermo was een sterke Gotische bezetting, maar de boogschutters
van Belisarius schoten van de hooge schepen hun pijlen in de stad en
Palermo capituleerde. In zeven maanden werd geheel Sicilië veroverd
en de onkrijgshaftige Plato-liefhebber Theodahad was zoo verschrikt
dat hij aanbood af te treden en, voor een groot pensioen, zich terug
te trekken. Het aanbod werd aangenomen, maar toen hij hoorde, dat
zijn troepen een klein voordeel in Dalmatië hadden behaald, kwam hij
op zijn voorstel terug. Terwijl hij nog aarzelde, stak Belisarius
zoo snel als vroeger de fulmina belli, Scipiadae, naar Afrika over,
onderdrukte een opstand en kwam weer terug in Sicilië; daarna stak
hij naar Rhegium over, dat Theodahad's schoonzoon hem overleverde;
andere steden openden ook haar poorten. Doch Napels bood weerstand;
weldra echter werd het genomen en geplunderd; een troep van ongeveer
600 man was door een ongebruikte aquaeduct de stad binnengedrongen.

Onder de Goten te Rome heerschte groote ontsteltenis, en ook
verontwaardiging over hun laffen Koning. Zij hielden een vergadering
in de Campagna en zetten hem af. Een dapper krijgsman, Vitiges
(of Witigis) werd in zijn plaats gekozen. Theodahad vluchtte naar
Ravenna, maar werd ingehaald en gedood. Vitiges haastte zich, om
andere redenen, ook naar Ravenna; hij liet in Rome een garnizoen van
4000 Goten achter. Van Ravenna zond hij gezanten naar de Franken,
en verzekerde zich door een groote som geld en door het afstaan van
Gallia Narbonensis (Languedoc) van hun onzijdigheid. Daarna riep
hij haastig alle Gotische strijdkrachten en hulptroepen op, die in
Provence en Noord-West-Italië waren. Maar voordat deze zich verzameld
hadden, was Belisarius Rome binnengerukt--zonder twijfel geholpen
door de geestdriftige medewerking van de Italianen en officieel
uitgenoodigd door Paus Silverius--en terwijl zijn manschappen de
stad binnentrokken door de Porta Asinaria, trokken de Goten eruit,
noordwaarts, door de Porta Flaminia. Hij ging dadelijk aan het werk
om de oude versterkingen van Aurelianus te herstellen en de stad
voor een belegering van levensmiddelen te voorzien. Toen stormde
Vitiges, die 150.000 krijgers had verzameld, op Rome af, waar nu een
Keizerlijk leger van 5000 man was--een klein aantal om versterkingen
van ongeveer achttien K.M. in omtrek te verdedigen. In een ontmoeting
buiten de muren wordt Belisarius door het groote aantal overweldigd
en komt bijna om, daar de Romeinen de poorten vóor hem dichtwerpen;
maar door een wanhopigen aanval slaat hij de Goten terug en komt weder
binnen Rome; hier wordt hij éen jaar en negen dagen belegerd (537-38).

De bijzonderheden van deze lange belegering behoeven niet verteld
te worden. Krijgslisten, oorlogswerktuigen, alarm, overrompeling,
bestorming, wanhopige uitvallen, Homerische tweegevechten, dat alles
komt voor in de levendige schildering van Procopius. Vitiges snijdt
de aquaeducten af, besmet de rivier met lijken, bemachtigt de haven,
brengt zijn verplaatsbare torens, katapulten en stormrammen bij de
muren en verovert bijna de Moles Hadriani (den Engelenburg); maar hij
wordt afgeslagen door een hagelbui van marmeren beelden en verliest
(volgens Procopius) 30.000 man; ofschoon zijn leger nog 150.000
man telt (waarschijnlijk ook door Procopius overdreven), is hij
niet in staat de aankomst van levensmiddelen en versterkingen uit
Constantinopel te verhinderen--1600 ruiters, voornamelijk Hunnen,
ook Isauriërs en andere barbaarsche hulptroepen. De belegering had
soms blijkbaar weinig uitwerking, want Procopius ging naar Napels om
versterkingen en proviand te halen en slaagde daarin. Ook de gemalin
van Belisarius, Antonina, kwam veilig en gemakkelijk in Rome en
werd weldra gevolgd door een prelaat, Vigilius, uit Constantinopel
gestuurd door de Keizerin Theodora; deze verzocht Belisarius hem tot
Paus te laten kiezen, hetgeen zonder moeite geschiedde door den armen,
ouden Silverius te beschuldigen van verstandhouding met de Goten.

Ten slotte stelden de Goten voorwaarden; zij herinnerden Belisarius
er aan, dat Theoderik naar Italië was gezonden om het te veroveren op
den tyran Odovacar, dat hij den Keizer altijd als zijn heer had erkend,
hem had geëerd en de wetten van het Keizerrijk had gehandhaafd. Waarom,
zoo vroegen zij, was Justinianus dan een oorlog tegen hen begonnen? Als
Belisarius Italië wilde verlaten, met al zijn buit, zouden zij tevreden
zijn. Toen dit aanbod werd geweigerd, beloofde Vitiges Sicilië en
Zuid-Italië af te staan en zelfs een schatting te betalen; maar wederom
ontving hij een weigerend antwoord. Eindelijk werd een wapenstilstand
van drie maanden gesloten; maar Belisarius maakte daar misbruik van,
legde nieuwe versterkingen aan, voorzag zich van levensmiddelen
en nieuwe troepen, en veroverde zelfs verschillende punten die de
Goten volgens de overeenkomst tijdelijk verlaten hadden. Bovendien
werd een bevelhebber, Johannes, door hem uitgezonden met een sterke
afdeeling om Picenum te verwoesten; deze slaagde erin de vesting
Rimini te overrompelen, zoodat de Goten, verontwaardigd over deze
feiten, Rome trachtten binnen te dringen. Maar zij werden afgeslagen,
staken plotseling hun legerplaats in brand, braken het beleg op en
trokken noordwaarts.

De strijdkrachten, die Belisarius uit Afrika had overgebracht
bedroegen slechts 7500 man, volgens Procopius, die, zooals vroeger
Polybius had gedaan, den overwinnaar van Carthago op zijn veldtochten
vergezelde. De geestdrift van de Italianen schijnt het getal zijner
troepen weinig vermeerderd te hebben en hij was niet in staat de
Goten te achtervolgen. Daarom wachtte hij, totdat er hulp zou komen
uit Constantinopel. Het grootste deel van deze versterkingen landde
in den herfst van 538, waarschijnlijk bij Ancona, Fano of Pesaro,
een weinig ten Zuiden van Rimini, dat door de keizerlijke troepen
onder Johannes was bezet. Ondertusschen had Belisarius 2000 man den
Flaminischen weg opgestuurd, die den beroemden tunnel [91] door den
Oost-rug van de Apennijnen hadden geforceerd, waarbij zij de Goten,
die den pas bezet hielden, hadden verslagen; zij bereikten Rimini,
en weldra volgde hijzelf en vereenigde zich met de nieuwe troepen.

Deze versterkingen werden aangevoerd door Narses, een handigen,
eerzuchtigen, vurigen, rusteloozen, kleinen man met ronden rug,
die aan het hof het vertrouwen van Justinianus had gewonnen
(niet van Theodora, wier gunsteling Belisarius was) en tot hooge
ambten was geklommen. Hij was reeds zestig jaar oud en had, toen
hij het bevel over deze expeditie kreeg, volstrekt geen militaire
ervaring, maar was bestemd om weldra zijn natuurlijke begaafdheid
van groot aanvoerder te toonen. Daar hij de ongunstige stemming
te Constantinopel ten opzichte van Belisarius kende, nam hij een
onafhankelijke en hooghartige houding aan, eischte gelijk gezag, en
werkte met minachting de verouderde tactiek van zijn jongeren collega,
den overwinnaar der Vandalen en den verdediger van Rome, tegen. En
zonder twijfel was Belisarius, ofschoon hij slechts vier en dertig
jaar oud was, een soldaat van de oude school, eenigszins stijf en
exclusief, terwijl Narses een bijzondere gave schijnt gehad te hebben
om menschen in zijn dienst te halen, zooals blijkt uit het groote
aantal Italianen en barbaren, die zich in de latere jaren van den
oorlog onder zijn vaandel schaarden. Bovendien was de raad van Narses,
zooals de uitslag bewees, juist, en dit verergerde waarschijnlijk
den twist. De vereenigde keizerlijke legers trokken, zooals Narses
had aangeraden, noordwaarts, terwijl zij het land schoonveegden; de
Goten weken, en ten slotte verzamelde Vitiges al zijn krijgslieden,
omstreeks 30.000 man, binnen de muren van Ravenna.

Ravenna was, zooals wij reeds zagen, toen Odovacar belegerd werd,
een lastig te veroveren stad, vooral zonder vloot, en daar een
gemeenschappelijk optreden onmogelijk was door de verdeeldheid van
aanvoerders en legers, werd het beleg niet ondernomen. Terwijl
aldus de tijd verbruikt werd met onbelangrijke operaties tegen
kleine steden, kwamen de Franken, gehoor gevend aan den oproep van
Vitiges, in Italië, vergezeld door duizenden Bourgondiërs. Milaan,
waar eene kleine bezetting van keizerlijken lag, moest capituleeren,
werd in brand gestoken en geslecht. [92] Dit werd door een nog grooter
inval gevolgd in 539. Een geweldige bende van 100.000 Franken, onder
hun Koning, Theudebert, kleinzoon van Clovis, trok de Alpen over,
in naam om de Goten te helpen, doch feitelijk om te plunderen. Zij
namen Ticinum (Pavia) en roeiden bijna de geheele bevolking uit. Maar
toen zij bemerkten, dat het geheele land verwoest was, en daar zij
bovendien aan dysenterie leden, veroorzaakt door het drinken van het
water uit den Po of den Ticinus, of uit dat moerassige land, waar nu,
midden in de rijstvelden Certosa staat, besloten zij plotseling terug
te gaan naar Gallië, en verdwenen.

In deze crisis riep Justinianus Narses terug. Misschien verlangde
hij zijn raad te vernemen aangaande de onbeschaamdheid van Chosroes,
den grooten Perzischen koning, die het hem moeilijk maakte ondanks den
"Eeuwigen Vrede". Misschien begon hij te begrijpen, dat het verdeelde
gezag in Italië noodlottig was. Belisarius kreeg aldus vrijheid van
handelen, en nadat hij Fiesole en Osimo (bij Ancona), veroverd had,
sloeg hij het beleg voor Ravenna, in de hoop, dat er schepen uit het
oosten zouden komen om de haven te blokkeeren. Justinianus echter
wilde vrede en onderhandelde met Vitiges, die rekende op de belofte
van Theudebert om met 500.000 man terug te komen. Maar Belisarius was
besloten Ravenna te nemen, en Vitiges, ontmoedigd door de desertie van
vele Goten en het verbranden van zijn koren-voorraad, hetgeen door den
bliksem of door verraad van zijn vrouw geschied was, stelde eindelijk
voor Belisarius als koning van Italië of zelfs als keizer van het
Westen te erkennen. Belisarius veinsde dit voorstel aan te nemen. De
poorten werden geopend en de Byzantijnen kwamen de stad binnen tusschen
de rijen van toeschouwers, die, verontwaardigd over het kleine aantal
en de onaanzienlijke gestalten van hun overwinnaars vergeleken bij hun
verdedigers, in verwenschingen uitbarstten; de vrouwen, zegt Procopius,
spuwden haar Gotische minnaars en mannen in het gezicht. Belisarius
had beloofd het leven en de bezittingen van de overwonnenen te sparen
en hij hield zijn woord; maar Vitiges en de voornaamste edelen werden
als gevangenen behandeld. Aldus kwam Ravenna, in 540, onder het gezag
van de Oost-Romeinsche Keizers. Het bleef in hun macht als hoofdstad
van het Byzantijnsche Exarchaat, gedurende ongeveer twee eeuwen,
totdat de Longobarden het in 752 innamen. Vier jaren later werd het
den Longobarden ontrukt door Pepijn, den koning der Franken.

Op dit oogenblik, toen Belisarius den oorlog had kunnen beëindigen,
indien hij door Justinianus voldoende was gesteund, werd hij plotseling
teruggeroepen naar Constantinopel. Hij keerde terug met grooten buit
en zijn gevangenen, Vitiges en vele Gotische edelen, om zijn triumf
op te luisteren, zooals hij zeven jaar vroeger den Vandaal Gelimer
en den buit van Carthago had meegebracht.



Met de terugroeping van Belisarius eindigt de eerste periode van
den Gotischen oorlog (535-540). In die vijf jaren waren de Goten,
behalve een paar geïsoleerde garnizoenen, uit het schiereiland
verdreven. Zij behielden nu nog de noordelijke streken van Italië,
Ligurië en gedeelten van Emilia en Venetia, terwijl zij Pavia,
Verona en eenige andere steden als steunpunten bezaten. Vele van hun
krijgers waren tot de keizerlijken overgegaan. Rome en Ravenna waren
provincie-steden geworden van het Byzantijnsche Keizerrijk. Maar nog
elf jaren van oorlog en verwoesting moesten er volgen, voordat de
Gotische heerschappij geheel verdwenen was.

De toestand van Italië aan het einde van dit eerste tijdperk was
zeer treurig, vooral in de noordelijke streken, die door Franken en
Bourgondiërs, door Goten en ook door Byzantijnen verwoest waren. De
bewoners van Toskane en Emilia trokken naar de bergen en leefden van
eikels, of verzamelden zich aan de kusten om visch te vangen. Vijftig
duizend kwamen om volgens Procopius, die vele verschrikkelijke
tooneelen aanschouwde en met Thucydideïsche levendigheid de
ongelukkige, uitgehongerde schepsels beschrijft, die met verdwaasde
oogen rondstaarden, wier uitstekende beenderen bedekt waren met een
huid als perkament, die van geel donkerrood en van rood zwart werd,
zoodat noch vogels noch andere dieren hun lijken wilden eten. Hij
verzekert ook dat cannibalisme veel voorkwam, zoo als in Spanje, toen
de Vandalen daar een inval deden, en hij vertelt van twee vrouwen,
die dicht bij Rimini reizigers gastvrijheid aanboden en er zeventien
in hun slaap doodden om hen op te eten, doch door den achttiende
werden ontdekt en gedood.

Toen Belisarius aankwam, bemerkte hij, dat hij niet meer in de
gunst stond aan het hof te Constantinopel. Een triumf werd hem
niet toegestaan. Hij werd gezonden naar het verre Oosten, waar de
onbedwingbare Perzische koning, Chosroes, het keizerlijk gebied was
binnen gedrongen en Antiochië had genomen en geplunderd. Daarna,
beschuldigd van verraad, werd hij teruggeroepen en geraakte nog
meer in ongenade. Zijn vrouw, Antonina, had hem door haar gedrag te
schande gemaakt en was een vertrouwde geworden van Keizerin Theodora,
wier vroegere schanddaden langzamerhand vergeten werden door de
vroomheid van haar latere jaren. De sympathie, die Theodora eerst
voor Belisarius had gevoeld, was overgegaan op zijn ontrouwe gemalin
en toen hij trachtte haar gevangen te zetten, werd zij bevrijd door
den invloed van de Keizerin, die elke gelegenheid aangreep om hem te
vernederen. [93]

Ondertusschen heerschte in Italië ontevredenheid en wanorde. Niet
alleen het volk, maar ook het keizerlijke leger, veronachtzaamd en
zonder soldij, begon weer naar het bestuur der Goten te verlangen,
terwijl onder de Goten het zelfvertrouwen werd vernieuwd door de
verkiezing van een leider, Baduila of Baduela, [94] gewoonlijk Totila
genoemd, onder wiens aanvoering de Gotische heerschappij in Italië
zou herleven en gedurende elf jaren zou stand houden.

Belisarius leefde in dagelijksche angst, dat hij vermoord
zou worden. Eenzaam en somber wandelde hij door de straten van
Constantinopel, gemeden door al zijn vrienden. Eindelijk, in 544,
stelde Justinianus, ongerust over Italië en misschien verschrikt
door de nadering van de pest, voor, dat Belisarius de leiding van den
oorlog tegen de Oost-Goten weer op zich zou nemen. Maar geen troepen
werden voor hem beschikbaar gesteld. Op eigen kosten wierf hij dus
4000 Illyriërs. Met dezen stak hij over naar Ravenna en slaagde er
in Bologna te nemen.

Ondertusschen had Totila een groot gedeelte van Zuid-Italië veroverd,
en, gekampeerd bij Tibur (Tivoli), bedreigde hij Rome, dat de
keizerlijke troepen onder Bessa bezet hielden, nam sterke punten aan
den Flaminischen weg en legde er garnizoenen, om den toegang naar
Rome van het noorden af te snijden. Een jaar lang moest Belisarius,
die Rome te hulp wilde snellen, in machtelooze wanhoop werkeloos
blijven; hij zond dringende verzoeken om hulp aan Justinianus en stak
zelfs over naar Durazzo om hun aankomst af te wachten. Maar toen zij
eindelijk kwamen, bleken zij ongeoefend en tuchteloos te zijn, en hun
bevelhebber--dezelfde Johannes, die vroeger de plannen van Belisarius
bijna even hardnekkig had gedwarsboomd als Narses zelf--drong er
op aan de Goten eerst uit Apulië en Calabrië te verdrijven, voordat
zij zouden trachten Rome te ontzetten, dat Totila nu was begonnen te
belegeren en dat Belisarius had besloten te bevrijden.

Zooals in het geval van Narses, bleek het ook nu noodzakelijk de
strijdkrachten te verdeelen. Johannes ontscheepte zijn troepen bij
Otranto, en, daar er slechts een paar verspreide benden Goten in
die streken waren, kon hij weldra aan Justinianus melden, dat hij
Zuid-Italië in zijn macht had, terwijl Belisarius naar den mond
van den Tiber zeilde. Hier bezette hij de haven (Portus Romanus);
Ostia zelf was in handen van Totila's Goten, die een ketting over de
rivier hadden gespannen om den toevoer van levensmiddelen naar Rome
te verhinderen. Een moedige poging van de Byzantijnen om den ketting
te doen springen en zich met booten en branders een weg te banen naar
de stad mislukte op het laatste oogenblik door de onhandigheid of het
verraad van Bessa, en zoo woedend waren het volk en de soldaten op
hun aanvoerder, die een massa geld schijnt verdiend te hebben door
voedsel aan de uithongerde burgers voor buitensporige prijzen te
verkoopen, dat de Porta Asinaria, nadat eenige Isaurische wachters
waren omgekocht, midden in den nacht voor de Goten werd geopend. Toen
zij binnenrukten (17 December, 546), trok de Byzantijnsche bezetting
en een groote menigte door andere poorten de stad uit, terwijl Bessa
gedwongen werd al zijn schandelijk gewonnen goud achter te laten.

Het is bijna niet te gelooven, maar Procopius verzekert ons, dat, toen
de Goten Rome binnentrokken, zij er nauwelijks 500 menschen vonden. De
meesten waren in de kerken gevlucht en na eenig bloedvergieten in den
roes van de overwinning, werden de barbaren zoo niet van plundering,
dan toch van moord op de smeekelingen door Totila weerhouden, die,
zooals ook bij andere gelegenheden, waardig en menschelijk [95] optrad.

Totila bleef langer in Rome dan Alarik, die er slechts zes dagen
vertoefd had. Terwijl hij daar was, zond hij naar Justinianus den
diaken Pelagius (later Paus), die met rustigen moed, bijna alleen,
den Gotischen Koning had afgewacht, zooals Paus Leo vroeger Attila
en Gaiserik had ontvangen. Door middel van Pelagius zond Totila een
brief aan den Keizer: "Ik heb eerbied voor U als voor mijn vader",
schreef hij, "en zal altijd uw trouwe bondgenoot zijn; maar indien
gij geen vrede wilt aannemen, zal ik Rome verwoesten, opdat het niet
weder een gevaar voor de Goten kan worden."

Justinianus antwoordde niet; derhalve begon Totila de muren van Rome
neer te halen. Hij had een derde gedeelte ervan afgebroken en misschien
nog vele andere gebouwen, toen hij plotseling ophield--wellicht omdat
Belisarius, die juist diezelfde muren had herbouwd, hem daarover een
roerenden brief schreef, of omdat hij hoopte Rome eens tot hoofdstad
van een "Gotica" te maken onder de bescherming van het Oost-Romeinsche
Rijk. Toen trok hij naar het Zuiden van Italië, terwijl hij als
gijzelaars de Romeinsche senatoren meenam, die--zooals die beroemde
senatoren van den ouden tijd, toen de Galliërs Rome innamen--de
aankomst van den barbaarschen overwinnaar hadden afgewacht, hoewel
misschien niet in zulk een waardige houding.

Na hetgeen wij gehoord hebben, moeten wij er ons misschien niet over
verbazen te lezen, dat, toen Totila en zijn Goten Rome ontruimden,
de groote stad, die in de dagen van Alarik's inval nog ongeveer
twee millioen inwoners had, gedurende zes weken volstrekt ledig
bleef--nergens in het geweldige labyrinth van oude en nieuwe gebouwen,
nergens in de ontelbare straten en open pleinen was een sterfelijk
wezen te zien. [96]

Belisarius en zijn Byzantijnen trokken de verlaten stad binnen, en
de Aureliaansche muren werden haastig hersteld; vele oude marmeren
beelden werden er ingebouwd, hetgeen men nog kan zien (zooals dat
tijdens Themistocles ook in Athene was geschied). Uit de omstreken
kwamen nu duizenden terug, die zich verborgen hadden; toen hij
dit vernam, keerde Totila terug; maar hij werd afgeslagen en sloeg
weder zijn legerplaats bij Tivoli op. Nu waren (547) zoowel Rome als
Ravenna in handen van de Keizerlijken en zij konden zich voorstellen,
dat de fortuin hun gunstig was; maar elk verzoek om versterkingen was
vruchteloos, want Justinianus was geheel en al verdiept geraakt in
godsdienstige quaesties [97] en hij verlangde blijkbaar niet alleen
beroemd te worden als burgerlijk wetgever, maar ook als de hoogste
wetgever voor de Kerk en als degene, die de godsdienstige eenheid had
hersteld door de overwinning van dat geloof, dat hij als het eenige
ware beschouwde.

Daar Belisarius de hoop op hulp van Constantinopel had opgegeven en ook
van de troepen van Johannes, die hardnekkig al zijn kracht gebruikte
voor een guerilla in het zuiden, geen steun verwachtte, verliet hij
Rome en zeilde naar de kusten van Zuid-Italië, waar hij een geheel
jaar met vruchtelooze expedities zoek bracht, totdat hij eindelijk naar
Constantinopel teruggeroepen werd. Hier kwam hij in 549 met ontzaglijke
rijkdommen aan, maar zijn goede naam was geschandvlekt en zijn
geestkracht gebroken door zijn laatsten ongelukkigen veldtocht. Hij
was toen ongeveer 44 jaar oud. Nog zestien jaar overleefde hij zijn
terugroeping, maar, daar Italië hem niet meer zag, moet zijn later
leven hier met een paar woorden afgehandeld worden.

Tien jaren leefde hij teruggetrokken te Constantinopel, in weelde
en geëerbiedigd, maar zonder officieele waardeering. In 559 evenwel
bedreigden de Hunnen--of liever de Avaren, die het land, dat eens
den Hunnen toebehoorde, hadden veroverd en nu, evenals vroeger de
Hunnen, onbeschaamde boodschappen stuurden om een hooge schatting te
eischen--Constantinopel zoo ernstig, dat Justinianus er aan dacht
zijn hoofdstad te verlaten. In deze paniek riep hij Belisarius,
wiens zelfvertrouwen herleefd schijnt te zijn, want hij deed een
schitterenden aanval op de woeste indringers en verpletterde hen;
daarop werd hij plotseling door Justinianus teruggeroepen, die
door zijn seniele angst en argwanende jaloezie drie jaar later
(563) er toe gedreven werd tegen den ouden krijgsman, aan wien
hij zooveel verplichtingen had, beschuldigingen van verraad aan
te nemen. Belisarius werd van al zijn bezittingen beroofd en onder
nauwkeurig toezicht gesteld. Een paar maanden later kwam zijn onschuld
aan het licht en werd hij in zijn eer hersteld. In het begin van 565
stierf hij, negen maanden voor den dood van Justinianus. Het verhaal,
dat hij als een oude blinde bedelaar bij de deur van een kerk zat met
een bordje "Date obolum Belisario" ("Geeft Belisarius een stuiver"),
schijnt in de elfde of twaalfde eeuw ontstaan te zijn.

Maar wij moeten terugkeeren tot het jaar 549 en tot Italië, waar
Totila en zijn Goten zich wederom meester maakten van het geheele
land. Wederom veroveren zij de haven van den Tiber en belegeren Rome;
wederom zijn de uitgehongerde Romeinsche burgers zoo woedend op hun
Byzantijnsche aanvoerders, die zij ervan beschuldigen voorraden
van levensmiddelen te bewaren om die voor buitensporige prijzen
te verkoopen, dat zij een van hen dooden en de Isaurische wachters
overhalen een poort voor den vijand te openen. Taranto in het zuiden,
Rimini in het noorden, en vele andere steden gaven zich nu aan de
Goten over, die zelfs naar Sicilië overstaken en het geheele eiland
afliepen. Zij verzamelden ook een vloot en waagden het Ancona te
blokkeeren, maar Johannes, die na de terugroeping van Belisarius zijn
vrij nuttelooze guerrilla had voortgezet, vereenigde zijn schepen met
die der Byzantijnen te Ravenna en bracht de ongeoefende vloot van
de barbaren zulk een nederlaag toe, dat Totila wederom Justinianus
vrede aanbood, terwijl hij hem beloofde Sicilië en Dalmatië voor
het Keizerrijk te heroveren. Maar Justinianus had Narses reeds (551)
het opperbevel in den oorlog tegen de Goten opgedragen.

Narses was reeds 73 jaar oud, maar bezat, naar het schijnt nog
zijn oude geestkracht en zelfvertrouwen. Zijn groote rijkdom en
overredingskracht stelde hem in staat een geweldig leger te verzamelen,
dat bestond uit Avaren, Gepiden, Herulen, Perzen en andere barbaren,
waaronder 2500 wilden, die hij, omdat zij zoo woest en onhandelbaar
bleken, een weinig later moest omkoopen om weer naar het noorden
terug te gaan. Dit waren de Longobarden of Lombarden, waarover wij
later veel zullen hooren. Zij werden aangevoerd door hun hoofdman
Audoin, den vader van den beroemden Alboin. Narses werd gesteund
door een vloot; hij trok de monden van de rivieren door middel van
schipbruggen over en kwam aldus bij Ravenna. Toen marcheerde hij
zuidwaarts om de Furlo-pas met zijn tunnel (p. 127 n.), die door
den vijand sterk bezet was, te vermijden, daarna dicht langs de kust
en over den Apennijnen bij Sentinum en de "graven van de Galliërs"
(die gevallen waren in den grooten slag tegen de Romeinen, acht en een
halve eeuw geleden); vervolgens wachtte hij in de vlakte van Tadino of
Tagina de aankomst van Totila uit Rome af en leverde slag op den dag,
die hem door de Heilige Maagd (onder wier heilige bescherming hij
geloofde te staan) was geopenbaard [98]. De Goten werden verslagen,
en Totila getroffen door een speer werd door zijn mannen naar een hut
gedragen, eenige kilometers van het slagveld verwijderd, en stierf
daar. Deze overwinning had ten gevolge, dat vele steden zich overgaven
en dat Rome, waar slechts een kleine Gotische bezetting lag, die een
tijdlang heldhaftig de Moles Hadriani verdedigde, genomen werd. Toen
werden wederom de sleutels van de oude hoofdstad van het Romeinsche
Keizerrijk naar Constantinopel gezonden; gedurende Justinianus'
regeering werd Rome, zooals Procopius ons vertelt, vijf maal genomen
en hernomen.

Woedend over hun nederlaag en den dood van hun Koning, slachtten de
Goten in het zuiden 500 jongelingen, die Totila als gijzelaars, en vele
van de senatoren, die hij als krijgsgevangenen had meegenomen. Na
dien tijd bestond de Romeinsche senaat niet meer. Ondertusschen
werd in het noorden een nieuw Gotisch leger verzameld. Theia, een
dapper bevelhebber van Totila, had Verona tot zijn hoofdkwartier
gemaakt en hield nog Pavia en andere belangrijke punten bezet; hij
werd te Pavia tot Koning gekozen. Voordat hij trachtte zuidwaarts te
trekken, vond hij het noodig zich de onzijdigheid van de Franken te
verzekeren, die zich vasten voet hadden verschaft in de streek van
de meren en zelfs in gedeelten van Venetia. Toen dit geregeld was,
trok Theia de Apennijnen over. Zijn doel was zich te vereenigen met
zijn broeder Aligern, die zich geducht had versterkt in Cumae--die
stad bij het meer Avernus, de woonplaats van de Sibylle, misschien
meer dan 1000 jaar v. Chr. gesticht door de Grieken, van wier wallen
men nu nog overblijfselen kan zien. De Gotische Koning ontweek handig
de keizerlijke strijdkrachten en bereikte de golf van Napels, waar
hij zijn legerplaats opsloeg, niet ver van Pompeji, bij den mond
van den Draco (Sarno). Gedurende twee maanden lagen de legers van
Theia en Narses, door de diepe rivier gescheiden, tegenover elkaar
en waagden het geen van beiden over te steken om aan te vallen. Maar
de aanvoerder van de Gotische vloot, verschrikt door de nadering van
vijandelijke schepen, gaf zich aan de Byzantijnen over, en Theia,
die nu geen levensmiddelen meer kon ontvangen, was gedwongen zich
terug te trekken naar de hellingen van den Vesuvius. Door den honger
geteisterd besloot hij af te dalen en alles in een ontmoeting te
wagen. De Goten lieten hun paarden achter en naderden in dichte
slagorde, Theia vooraan. "Toen de Romeinen dit zagen," zegt Procopius
[99], "begrepen zij, dat het gemakkelijk zou zijn hun slaglinie te
verbreken, indien Theia terug gedreven werd; zij, die moed genoeg
hadden--en dat waren er velen--vereenigden zich om hem aan te vallen,
deels met werpspiesen, deels van dichtbij. Maar hij beschermde zich
met zijn schild en ving de speren op; vervolgens, plotseling naar
voren springend, versloeg hij menig vijand. En wanneer hij zag, dat
zijn schild vol werpspiesen was, gaf hij het aan zijn schilddrager
en nam een ander; zoo streed hij een derde deel van den dag, totdat
hij eindelijk, toen er weder twaalf speren in zijn schild staken, het
niet gemakkelijk kon oplichten en zijn aanvallers niet kon afslaan; hij
plantte het stevig voor zich, deelde met zijn rechter doodelijke slagen
uit, pareerde met de linkerhand en riep luide om den schilddrager. Toen
de man hem een ander schild bracht, verwisselde hij snel; maar een
oogenblik gaf hij zijn zijde bloot; hij werd getroffen door een
werpspies en onmiddellijk gedood. De Romeinen staken zijn hoofd op
een piek en droegen het rond, ten aanschouwe van beide legers". [100]



IV. De Byzantijnsche Overheersching.

Nadat hun Koning gevallen was, vochten de Goten nog twee dagen met
wanhopigen moed, maar eindelijk gaven zij zich over op voorwaarde, dat
zij of in Italië als onderdanen van den Keizer zouden blijven of zouden
wegtrekken buiten de grenzen van het Keizerrijk. Vele trokken de Alpen
weer over en vermengden zich met andere Germaansche volksstammen. Een
duizendtal trok weg, voordat het verdrag was geteekend, baande zich
een doortocht naar Pavia en verbonden zich daar waarschijnlijk met de
Franken. Eenige verspreide bezettingen hielden het nog een tijdlang
uit. Theia's broeder Aligern verdedigde Cumae dapper, langer dan
een jaar, totdat "de Romeinen de grot van de Sibylle uitholden tot
een geweldige mijn, de muur van de stad deden instorten en aldus de
belegerden tot overgave dwongen." (Gibbon, die Agathias citeert.)

Maar Lucca werd nog hardnekkiger verdedigd. Het was nog steeds niet
ingenomen, toen een nieuwe vloed van barbaren zich over geheel Italië
stortte. Geweldige horden van Franken en Alemannen, met ongeveer
75.000 krijgslieden, kwamen van het noorden onder aanvoering van
twee broeders, Alemannen, Butelin (Buccelin) en Leutar (Lotharius),
blijkbaar gevolmachtigd door den onkrijgshaftigen, doch machtigen
Frankischen Koning Theudebald, die veilig in zijn paleis te Metz
bleef. Nadat hij Lucanië, Campanië en Bruttië geplunderd had, trok
Leutar snel terug naar het noorden. Zijn leger werd gedecimeerd door
de pest, waaraan hijzelf stierf. Butelin werd door Narses aangevallen
bij den Volturnus in Calabrië. Hij werd gedood; zijn leger werd
verslagen en verstrooid; en vóór het einde van 455 was bijna elk
spoor van deze overweldiging, die ons doet denken aan den inval der
Kimmeriërs tijdens Koning Gyges van Lydië, verdwenen, en kunnen wij
voorloopig de groote Frankische natie vergeten.

Na de nederlaag bij den Volturnus en het verdwijnen van de barbaarsche
indringers trok Narses Rome binnen met zijn gevangenen en buit. Bij
Conza in Campanië werd nog steeds een versterkt kamp door 7000 Goten
verdedigd. Deze gaven zich nu over en werden als gevangenen naar
Constantinopel gestuurd, waarschijnlijk om in het keizerlijk leger te
worden opgenomen, en wij kunnen aannemen, dat met deze gebeurtenis
de Byzantijnsche heerschappij in Italië volkomen gevestigd is. De
veertien jaar, die hierop volgen, tot de komst van de Longobarden in
568, bieden niet veel bijzonders, en wij weten betrekkelijk weinig van
de geschiedenis van Italië in deze periode, behalve dat door oorlog
en pest en hongersnood het volk in groote ellende werd gebracht en
dat het Byzantijnsche bestuur, door zijn zware belastingen, die noodig
waren voor een groot staand leger en de hofhouding van een onderkoning,
den toestand nog erger maakte dan die onder de Goten was geweest. En
dit zegt veel, want, ofschoon het bestuur van Theoderik en Totila in
vele opzichten te bewonderen was, bestond er toch weinig hoop voor
de welvaart van het land, omdat er geen echte versmelting van het
heerschende en het onderworpen ras tot stand was gekomen; hoe oprecht
Theoderik's streven ook was, zulk een vereeniging was onmogelijk,
niet alleen wegens het essentieele verschil tusschen het Romeinsche
en Noorsche karakter en temperament (veel grooter dan tusschen de
Noormannen en de Angelsaksen), maar ook, omdat de Goten nooit, om
zoo te zeggen, kinderen van den Italiaanschen bodem zijn geworden,
doch altijd een militaire kaste zijn gebleven--een geluks-leger,
zooals Villari hen terecht noemt.

Veertien jaren lang na den dood van Theia in den slag bij den Vesuvius
was Narses de militaire dictator van Italië. Gedurende de eerste
helft van deze periode resideerde hij voornamelijk te Ravenna; maar
hij bezat niet den titel van Exarch, die later aan de gouverneurs van
die stad werd gegeven; zijn officieele titels waren "Patricius" en
"Magister militum". Zijn bestuur schijnt buitengewoon streng geweest
te zijn, en ondanks Justinianus' beroemde Pragmatieke Sanctie (554),
waarbij burgerlijk en geestelijk gezag in Italië vrij werd gesteld
van militaire inmenging, was het land feitelijk in staat van beleg;
de belastingen voor het leger werden ondragelijk, militaire beambten
speelden den baas over de burgerlijke rechters, groot-grondbezitters
van militairen rang onderdrukten den werkmansstand, en prelaten
werden gevangen gezet of naar Constantinopel gezonden, beschuldigd van
insubordinatie tegen het burgerlijk gezag [101]. Het is begrijpelijk,
dat onder dergelijke omstandigheden de landbouw werd verwaarloosd,
openbare gebouwen in puin vielen, hongersnood en pest in het land
heerschten.

In 560 ging Narses weder naar Rome en vestigde zich in het paleis
van de Caesars op den Palatinus. Ongeveer in dezen tijd kwamen de
Avaren dreigend opzetten en voordat Justinianus en Belisarius in
565 stierven, ontstond er nog meer beweging onder de noordelijke
volkeren. De Slaven, zoowel als verschillende Mongoolsche en
Tartaarsche volksstammen kwamen van Azië west-waarts aandringen en
joegen hen op, die (zooals de Longobarden) zich onlangs in Midden-
en Noord-Europa gevestigd hadden. Na den dood van Justinianus kondigde
zijn neef, Justinus II een politiek van vrede en militaire beperking
af; maar de vermindering van de subsidie, die zijn oom aan de Avaren
beloofd had, toonde hem het gevaar van dergelijke bezuinigingen,
en zijn ontsteltenis nam toe bij de aankomst van een gezantschap van
Romeinsche aanzienlijken, die verklaarden dat de Italianen weldra de
hulp van de Goten of andere barbaren zouden inroepen, liever dan nog
zich langer te onderwerpen aan het despotisme van Narses. Justinus'
angst verminderde waarschijnlijk niet door de opmerking van zijn
gemalin, Sophia, dat zij, indien zij haar gang mocht gaan, den ouden
eunuch wel gauw zou leeren, dat wol spinnen bij de meisjes de beste
bezigheid voor hem was. "Ik zal een strik voor haar spinnen, dien zij
nooit losmaken zal," antwoordde Narses, toen, tegelijk met de woorden
van de Keizerin, de gezanten hem het bevel van Justinus om terug te
komen brachten; en zijn verontwaardiging schijnt verergerd te zijn,
toen een officier, Longinus, benoemd werd om hem te vervangen als
gouverneur van Ravenna. Hij weigerde aan het bevel van den Keizer
gevolg te geven, en in 567 trok hij naar Napels, daar hij liever de
gevaren van ongehoorzaamheid wilde trotseeren, dan de vernederingen
ondergaan, die hem in Constantinopel wachtten.

De "strik", dien Narses dreigde te spinnen, was misschien de inval
van de Longobarden in Italië, die het volgend jaar plaats greep. Hoe
het ook zij, de geschiedschrijver van de Longobarden, Paulus Diaconus
vertelt ons, dat de oude overwinnaar van de Goten algemeen verdacht
werd, door woede en verontwaardiging gedreven, gezanten [102] te hebben
gestuurd aan de Longobarden om hen uit te noodigen Italië binnen te
dringen, zooals Bonifacius vroeger de Vandalen had uitgenoodigd naar
Afrika over te steken, en Eudoxia misschien Gaiserik had verzocht Rome
aan te vallen. Evenals Bonifacius, had ook Narses te laat berouw van
zijn daad. Hij ging op verzoek van Paus Johannes III, die hem in Napels
bezocht, naar Rome terug om den veldtocht tegen de Longobardische
horden, die reeds van plan waren de Alpen over te trekken, voor te
bereiden. Maar voordat de storm losbarstte, stierf hij, in het jaar
567 of 568--tenzij wij sommige oude schrijvers [103] moeten gelooven,
die verzekeren, dat hij in Rome nog vijf of zes jaren na den inval
der Longobarden leefde en dat hij in hetzelfde jaar stierf als Paus
Johannes, nl. 573.



HOOFDSTUK I.

THEODERIK.


Theoderik [104] behoorde tot het koninklijke geslacht van Amala
[105], dat, volgens Jordanes, beweerde af te stammen van Capt,
een van de voorvaderen, halfgoden of Anses--blijkbaar de "Asen"
van de Skandinavische Mythologie, het "bovenmenschelijke" geslacht,
dat Asgard, de gaarde der Asen, in de Gouden Eeuw bewoonde. Hij was,
zeide men, een rechtstreeksche afstammeling, in de tiende generatie,
van Hermanrik, den stichter van het groote Gotische Rijk. Toen hij
acht jaar was, werd hij door zijn vader Theodemir als gijzelaar naar
Constantinopel gezonden, waar hij tien jaar bleef--een feit, dat
zijn sympathie voor Romeinsche en Byzantijnsche beschaving volkomen
verklaart. Theodemir stierf in 474 en zijn eenige wettige erfgenaam was
naar Italië en Gallië gegaan om zijn geluk als krijgsman te beproeven;
derhalve volgde Theoderik, ofschoon hij geen zoon was van een wettige
vrouw, zijn vader als vorst der Oost-Goten op.

De opmerking is reeds gemaakt, dat in oude Germaansche sagen de
beroemde Oost-Gotische koning verward is met den West-Gotischen
Theoderik, die in den grooten slag op de Catalaunische vlakte gevallen
is, strijdende aan de zijde van Aëtius en de Romeinen tegen Attila--een
feit, dat drie jaar voor de geboorte van Theoderik den Groote
plaats vond (451). In deze oude Germaansche mythen wordt Theoderik
Dietrich van Bern (Verona) genoemd en zijn voornaamste hoofdman is
Hildebrand. In het Hildebrandslied, een van de oudste sagen, valt
Theoderik in Italië Odovacar aan, maar wordt overwonnen en vlucht
met Hildebrand naar het hof van Attila, met wiens hulp hij Odovacar
eindelijk verslaat in een geweldigen slag, de "Rabenschlacht," of den
slag voor Ravenna. Hier hebben wij groote verwarringen van tijd en
plaats. En in het oude Germaansche heldendicht, het Nibelungenlied, dat
in levendigheid van voorstelling en eenvoudige wijze van uitdrukking
kan vergeleken worden met Homerus, heerscht nog grooter verwarring,
want Dietrich treedt daarin niet alleen met Etzel (Attila) op, maar
ook met Siegfried, den drakendooder van de Skandinavische Edda-mythen,
een "bovenmenschelijken" held uit duistere, voor-historische tijden
[106]. In de sagen van Siegfried en Dietrich heeft de dichter van het
Nibelungenlied gevoegd de verschrikkelijke slachting der Bourgondiërs
door de Romeinen onder Aëtius en de Hunnen onder Attila, die in 437
plaats vond. Gunther, de Koning der Nibelungen--zooals de Bourgondiërs
werden genoemd, nadat zij den beroemden schat van de Nibelungen
hadden bemachtigd,--is blijkbaar de Bourgondische Koning Gundocar,
die bij dit bloedbad omkwam; maar het tooneel van de gebeurtenis is
van Bourgondië in Gallië overgebracht naar Etzelnburg, de legerplaats
en het paleis van Attila aan den Donau.

Er bestaat ook een Germaansche sage over Dietrich's geheimzinnige
verdwijning en dood. Dit is belangrijk in verband met de Italiaansche
legende over hetzelfde onderwerp; wij komen daar weldra op terug.

Ondanks de tien jaren, die Theoderik te Constantinopel op den meest
ontvankelijken leeftijd heeft doorgebracht, ondanks zijn zeventien
nog bestaande brieven (ongetwijfeld verbeterd en verfraaid door zijn
minister, Cassiodorus) en ondanks vele andere bewijzen van zijn
bewondering voor klassieke kunst en litteratuur, hebben sommigen
geloofd, dat Theoderik zoo onontwikkeld was, dat hij niet in staat
was zijn eigen naam te schrijven. De eerste vier letters van zijn
naam waren in een gouden plaatje uitgesneden en de koning trok zijn
pen over het papier door de openingen. Doch het is ook wel mogelijk,
dat dit alleen door hem gebruikt werd om stukken te onderteekenen
met zijn tamelijk ingewikkeld monogram, dat men op sommige van zijn
munten vindt [107]. Een metalen plaatje met openingen, waar men inkt
of verf in kan smeren is zeker een gewoon middel om snel woorden of
figuren op hout, linnen of papier te plaatsen.

Zooals wij reeds hebben gezien, was het doel van Theoderik's streven
de Goten en Italianen tot één volk te versmelten. Hij trachtte vooral
den invloed van de klassieke kunst en litteratuur op zijn Goten
te versterken. In Rome werden de scholen, waar kunst, rhetoriek,
geneeskunde en recht onderwezen werden ruim door hem gesteund, zooals
ook door zijn dochter Amalasuntha, die hem zelfs in geleerdheid en
"Romeinsche" voorliefde overtrof.

Litteraire studie werd mode, gedeeltelijk door de bescherming
van de Romeinsch-voelende Goten, gedeeltelijk ook zeer zeker als
een protest tegen den ongeletterden barbaar en zijn onbeschaamde
overheersching. Vergilius werd op het forum voorgedragen, klassieke
poëzie en proza werden nagevolgd, en bij religieuze en politieke
werkzaamheden werd veel zoogenaamd klassiek Latijn gebruikt. De brieven
en andere geschriften van Theoderik's voornaamsten staatssecretaris,
Cassiodorus, en van den senator en philosoof Boëthius kan men wegens
hun keurig Latijn vergelijken met de werken van Plinius en Seneca,
misschien zelfs met die van Cicero. De monumenten in Rome en andere
steden werden beschermd door de instelling van een bijzondere politie
en nachtwacht, waardoor de Gotische koning het vandalisme van den
"Romein"--een scheldnaam, zooals vroeger "barbaar" of "Graeculus
esuriens"--trachtte te beteugelen; want de oude bewoners van Rome
en andere Italiaansche steden waren er aan verslaafd de koppen en
armen van bronzen standbeelden [108] af te rukken en bronzen platen
weg te halen ter wille van het metaal. Wij vernemen, dat Theoderik
een groote som goudstukken uitloofde voor het vinden van een bronzen
beeld dat te Como was gestolen.

En het was niet alleen door het beschermen van de monumenten van
de vroegere beschaving dat Theoderik de beide volken trachtte op te
heffen; hij begunstigde ook den landbouw, richtte een postverkeer in,
regelde de visscherij, stichtte ijzerfabrieken in Italië, opende een
goudmijn in de Abruzzen en draineerde uitgestrekte gedeelten van de
Pontijnsche moerassen.

Wat zijn wetgeving betrof, was Theoderik misschien niet zoo verstandig
als de koning der West-Goten, Athaulf, die verklaard had, dat voor
de Goten geen vaste staatsregeling kon bestaan, behalve een, die
berustte op de wetten en instellingen van het Keizerrijk. Het is waar,
dat Theoderik het beginsel verkondigde, dat "in Constantinopel wetten
werden gemaakt en in Italië slechts edicten" en hij schijnt volkomen
berust te hebben in het feit, dat hij, ofschoon hij de keizerlijke
insignia van Anastasius ontvangen had, toch geen Keizer was en door
het hof in het oosten zelfs niet als een erfelijk koning [109] was
erkend, doch slechts als "tyran"; toch vaardigde hij edicten uit, die
alle eigenschappen hadden van Gotische wetten voor zijn koninkrijk en
ofschoon hij de namen van de oude Romeinsche ambtenaren behield en (in
den beginne) grooten eerbied betoonde voor den Romeinschen Senaat, en
zijn verre provincies in Gallië en Sicilië toevertrouwde aan Romeinsche
prefecten, berustte zijn macht toch alleen op zijn leger van Goten
[110] en in waarheid regeerde hij door zijn Gotische militaire graven
(comites) en zijn particulieren raad van Gotische edelen; want de
Senaat was niet anders dan een deftige, machtelooze vergadering
van Romeinsche patriciërs--zulk een beeld op den voorsteven, als de
Atheensche Areopagus werd in den tijd van Philippus van Macedonië.

De munten van Theoderik geven een aanwijzing voor zijn verhouding
tot het keizerrijk. Gibbon verzekert, dat zijn beeldenaar op zijn
munten is gegraveerd en haalt dit feit aan als een bewijs, dat hij
onder den titel van koning zich de volledige rechten van een keizer
toekende. Villari daarentegen verklaart, dat slechts de keizer munten
kon slaan met zijn eigen beeldenaar en volgens hem moeten wij aannemen,
dat Theoderik zich dat voorrecht nooit heeft aangematigd. De waarheid
schijnt te zijn, dat Theoderik soms zelfs op gouden munten zijn beeld
liet slaan en zich aldus een bijzonder keizerlijk voorrecht aanmatigde,
want er is éen zoodanige gouden munt gevonden in 1894 (zie p. 104).

Zijn belangrijkst edict (Edictum Theoderici) bestond uit 154
artikelen. Zij berustten op de Romeinsche wetten, verzacht door het
Christelijk gevoel. Schijnbaar behielden de Italianen hun wettige
rechten en werden beveiligd tegen onwettige handelingen van de Goten,
die onder het militaire bestuur van de graven stonden: maar deze
tweeledige wetgeving veroorzaakte natuurlijk sterke wrijving tusschen
het militaire en civiele gezag en de overheerschende trotsche barbaren
stoorden zich niet aan billijkheid, terwijl bovendien de Italianen
het recht niet hadden wapenen te dragen, behalve als huurlingen in
het Gotische leger; zij werden beschouwd als geschikte winkeliers,
handwerkslieden, kunstenaars en geneesheeren, en werden ook veel
gebruikt om belastingen van hun landgenooten te innen. Het land was
voor een groot gedeelte aan de Gotische soldaten gegeven, die de
veteranen van Odovacar van hun landgoederen verdreven.

Theoderik's poging om een fusie van de beide volken te bewerken
verwekte dus hevige vijandigheid en verbittering. Dit bracht
hem langzamerhand meer tot absolute tyrannie. Ten slotte voegde
godsdienstig fanatisme zich bij den rassenhaat en bleek hij,
geprikkeld door den tegenstand, zijn aangeboren wreedheid niet te
kunnen beteugelen. Hiermede komen wij tot de laatste ongelukkige jaren
van zijn regeering, tot den dood van Boëthius en Symmachus en tot het
einde van Theoderik zelf, dat ongeveer twee jaren later plaats vond.

Het afgrijzen, dat in veler geest door de sombere en wreede
persoonlijkheid van den Ketterschen barbaren-koning in zijn laatste
jaren werd opgewekt, was zonder twijfel de oorsprong van de talrijke
akelige verhalen over zijn dood. [111] Procopius vertelt het volgende,
wat bijna zoo ijselijk is als het feestmaal in Macbeth. Het gebeurde
kort na den dood van Paus Johannes, Boëthius (die op afschuwelijke
wijze was geworgd) en Symmachus, den schoonvader van Boëthius en
het hoofd van den Romeinschen Senaat, dien Theoderik zonder eenig
onderzoek had laten terechtstellen. Er werd een feestmaal gehouden
in het paleis te Ravenna en een schotel met een grooten visch werd
voor den Koning gezet. Zijn uitpuilende oogen en open bek (zooals die
van een geworgden man) verschrikten Theoderik zoo geweldig, dat hij
sidderend van zijn zetel opstond, de gasten ontsteld achterliet en
zich te bed legde; een hevige koortsaanval en dysenterie veroorzaakten
weldra zijn dood. Volgens een ander verhaal, dat zelfs Paus Gregorius
de Groote in ernst vertelt, werd aan een inner van belastingen,
die het eiland Lipari aandeed, door een kluizenaar gemeld, dat
Theoderik gestorven was. "Dat is onmogelijk", riep de ontvanger uit,
"ik heb hem kort geleden in goede gezondheid verlaten." "Maar ik
zag hem zooeven", hernam de kluizenaar. "Hij werd door demonen in
boeien naar Paus Johannes en Symmachus gesleept om daarna in onzen
vulkaan geworpen te worden." Een derde verhaal, dat in lateren tijd
te Ravenna in omloop was, vermeldde dat Theoderik, om de vervulling
van een voorspelling, dat hij door den bliksem gedood zou worden,
te voorkomen, zijn mausoleum liet voorzien van een dak uit één
geweldig steenblok en daar altijd bij onweer zijn toevlucht zocht;
maar de bliksem doorboorde de geweldige massa en doodde hem, terwijl
het blok juist tot aan het middelpunt gespleten werd, zooals men nu
nog kan zien!

Het Mausoleum van Theoderik, door hemzelf gebouwd, bestaat uit een
zwaren tienzijdigen onderbouw met bogen, waarop een ronde bovenbouw
zich verheft, vroeger omgeven door een zuilenrij en nog gedekt door
den reusachtigen monoliet, die een lagen koepel vormt, zes en dertig
voet in diameter, en waarschijnlijk ongeveer tien duizend centenaars
weegt. De vreemde uitwassen aan den geweldigen steen hebben misschien
gediend voor de touwen, waaraan kolossale kranen hem opgeheschen
hebben. De bovenbouw, die oorspronkelijk de kapel van het Mausoleum
was, werd als Katholieke Kerk (Sta. Maria delle Rotonda) gewijd
na de inneming van Ravenna door Belisarius (540) [112]. Sommigen
gelooven, dat de urn of sarkophaag van Theoderik op vier kleine
zuilen op den top van het dak stond; anderen, dat daar een ledige
urn of cenotaphium stond, maar dat de sarcophaag met het stoffelijke
overschot zich in den onderbouw bevond. Hoe het ook zij, de beenderen
van den Ariaanschen Koning schijnen verbrand, verstrooid, of gestolen
te zijn en begraven door monniken, die er belang bij hadden het verhaal
van den vulkaan op Lipari te bewijzen. Het zonderlingst van alles is,
dat hetgeen men beschouwde als het geraamte van Theoderik (vroeger
door monniken gestolen) in 1854 weer gevonden is en daarna weder is
verdwenen (blijkbaar door vijanden gestolen) tegelijk met een gouden
sieraad (Villari zegt een gouden borstharnas) dat, merkwaardig genoeg,
de monniken zich niet toegeëigend hadden. Van deze verhalen zegt de
Gotische Jordanes niets en hij vertelt ook niet, dat Theoderik eenige
wroeging of berouw voelde. Hij beschrijft, hoe hij op zijn sterfbed
door zijn familie en Gotische edelen was omringd, hoe hij zijn hand
legde op het hoofd van den kleinen Athalarik, dien hij, evenals zijn
moeder Amalasuntha, in hun genegenheid aanbeval, terwijl hij hen ook
aanspoorde het Romeinsche volk en den Romeinschen Senaat te ontzien
en de vriendschap en gunst van den Keizer in het oosten boven alles,
behalve de liefde tot God, te stellen.

De paleizen, kerken en andere gebouwen door Theoderik opgericht
waren blijkbaar zeer talrijk. Hij bouwde of herbouwde aquaeducten
te Rome (de Aqua Claudia en andere), te Terracina, Spoleto, Parma,
Trient en Ravenna (de Trajana); amphitheaters en thermae op andere
plaatsen; stadsmuren te Rome en Verona; basilieken te Ravenna, Rome,
Capua, Napels, Spoleto (waar de prachtige overblijfselen van de oude
S. Agostino del Crocifisso zeker Oost-Gotisch zijn) en ook in zijn
geliefd Verona en Pavia; paleizen te Rome, waar hij gedeelten van de
Domus van de Caesars herbouwde, te Terracina, te Monza, waar later
Koningin Theodelinda, volgens Paulus Diaconus, het zomerpaleis van
Theoderik liet herstellen; te Pavia, waar Agnellus, de kroniekschrijver
van Ravenna, op het gewelf van het Tribunaal in het groote paleis
een mozaïek zag, dat Theoderik op zijn strijdros voorstelde; te
Verona, waar, op de plaats van de tegenwoordige Castella San Pietro,
men misschien overblijfselen kan zien van een paleis van Theoderik,
dat is afgebeeld op een oud zegel van Verona; ten slotte bestaat te
Ravenna nog een gebouw bekend als Theoderik's paleis. Het is dicht
bij zijn prachtige basiliek, en men zou geneigd zijn te denken, dat
het een deel van de koninklijke gebouwen is geweest, maar Ricci en
andere deskundigen plaatsen het in een lateren tijd en meenen, dat
het groote paleis van Theoderik dichter bij de stadsmuren stond,
waar nu de openbare tuinen zijn, bij S. Apollinare Nuovo, omdat
daar ook fundamenten zijn opgegraven. Agnellus vertelt, dat het
paleis uitzag op zee (die toen echter veel dichter bij de stad was)
en omgeven was door mooie tuinen en versierd met prachtige mozaïeken
en beelden; en hij beschrijft een mozaïek van Theoderik te paard,
eenigzins gelijkend op hetgeen hij te Pavia zag. Dit paleis werd
door Belisarius (540) en door de Longobarden geplunderd, maar vele
marmeren beelden en andere kunstwerken bleven ongeschonden, totdat
Karel de Groote die naar Aken bracht om zijn paleis te versieren en
de kathedraal, die hij bouwde naar het voorbeeld van S. Vitale.

Behalve zijn Mausoleum en de overblijfselen van zijn paleis bezit
Ravenna van Theoderik nog in uitstekenden toestand, een zeer schoon
gebouw met prachtig decoratief--de basiliek, nu S. Apollinare Nuovo
geheeten, die hij bouwde in verbinding met zijn paleis. Toen hij,
in 493, de stad, die zoo lang door Odovacar was verdedigd, innam,
stonden er waarschijnlijk reeds de kerken, die in verband met Galla
Placidia zijn genoemd (p. 80). Deze kerken waren alle katholieke,
en Theoderik schijnt zich eerst tevreden gesteld te hebben met het
in bezit nemen van de kerk van S. Teodoro [114]; hij veranderde het
Romeinsche bad in een baptisterium, dat nu nog de Battistero degli
Ariani heet. Later beantwoordde hij Justinus' bevel om de Ariaansche
kerken te sluiten door alle Katholieke kerken te sluiten of voor den
Ariaanschen dienst te veranderen, en het zgn. Ariaansche kruis kon men
waarschijnlijk in alle kerken te Ravenna zien. [115] Zijn basiliek was
de kerk, die hij in verbinding met zijn paleis bouwde, waarvoor hij
vele prachtige marmeren zuilen van Rome liet aanvoeren. Zij werd gewijd
aan Jezus Christus en behield dien naam, totdat zij werd "gereinigd"
voor den Katholieken dienst door Aartsbisschop Agnellus (c. 560). Toen
kreeg die kerk den naam van Sanctus Martinus in Caelo aureo (met dien
"gouden hemel" wordt ook hier het vergulde dak bedoeld). Ongeveer 800
werd zij weder gewijd als S. Apollinare, en van de andere basiliek
van dien naam, die gebouwd werd op de plaats, waar de heilige [116]
was gemarteld, even buiten de havenstad van Ravenna (de toenmalige
"Classis"), onderscheiden door de bijvoeging Nuovo of Dentro
("Binnen").

Behalve de schoone, Romeinsche marmeren zuilen, met kapiteelen
van wit marmer met fijn lofwerk in Byzantijnschen stijl, waarop
de Byzantijnsche "pulvino" rust (een soort van tweede kapiteel),
bezit de basiliek bijzondere waarde en aantrekkelijkheid door haar
schitterende en hoogst belangrijke mozaïeken, waarmede beide zijden
van het schip zijn versierd. Boven de vensters aan de eene zijde
zijn dertien wonderen van Christus en aan andere zijde dertien
voorstellingen van Zijn Lijden afgebeeld; de afwezigheid van de
Kruisiging is kenschetsend voor de vroeg-Christelijke kunst, die er
voor terugdeinsde den doodstrijd van den Verlosser in beeld te brengen.

Tusschen de vensters zijn figuren van profeten en heiligen, waaronder
sommige zeer plechtige. Al deze mozaïeken dateeren uit den tijd
van Theoderik, en toonen vooral door hun verschillende houdingen,
hun prachtig geteekende en geschaduwde gewaden, hun fijne kleuren,
de kenmerken van de Romeinsche, in tegenstelling met de Byzantijnsche
school. Nog grootscher zijn de mozaïeken, die aan beide zijden van het
schip de ruimte tusschen de toppen van de bogen en de bovenvensters
vullen. Aan den eenen kant troont Christus tusschen vier engelen; vijf
en twintig martelaren naderen, en aan het einde van deze processie
staat het paleis van Theoderik. Aan den anderen kant troont de Maagd
met het Kind tusschen vier engelen; de drie Wijzen komen naderbij
gevolgd door vier en twintig maagden en iets verder ziet men de
stad met haar muren en de haven van Classe. Nu schijnt het wel zeker
(zooals later zal blijken), dat de processies van maagden en martelaren
van lateren datum zijn dan de overige mozaïeken en dat zij, toen
de kerk werd "gereinigd" voor den Katholieken dienst, aangebracht
zijn in de plaats van de oorspronkelijke mozaïeken van Theoderik,
die waarschijnlijk den koning te paard voorstelden en verschillende
optochten van Gotische edelen en krijgslieden. Op de afbeelding van
het paleis zijn nu de ruimten van de bogen gevuld door gordijnen,
die de figuren van den Koning (in het midden) en van zijn hovelingen
moeten verbergen, iets wat niet geheel bereikt is, want hier en daar
kan men een menschelijke gedaante gedeeltelijk nog herkennen.

Nog een feit is in dit verband van belang. Op den achtergrond van
het paleis en ook van de muren van Classe zijn talrijke gebouwen
geschilderd. Waarschijnlijk hebben wij hier ruwe omtrekken van de
oude Ursiaansche kathedraal en het aangrenzend baptisterium (dat nog
bestaat) en van de oorspronkelijke S. Giovanni Evangelista, gebouwd
door Galla Placidia, of van S. Teodoro, herbouwd door Theoderik,
en van den Battistero degli Ariani. Merkwaardig genoeg vindt men
geen aanwijzing van eenigen campanile, zooals die nu bestaan. Er
is ook geen aanduiding van de twee prachtige kerken te Ravenna, de
S. Vitale en S. Apollinare in Classe, die opgericht, of voltooid zijn
in de latere periode van den Gotischen oorlog of van de Byzantijnsche
overheersching (c. 535-550).



HOOFDSTUK II.

DE SCHRIJVERS.


De schrijvers van dezen tijd zijn deels Christelijke, zelfs Kerkvaders,
deels heidensche schrijvers, en meestal partijdig, zoodat het dikwijls
onmogelijk is hun feiten of waardeering van karakters te aanvaarden. De
schrijvers, die de gebeurtenissen beleefd hebben, wekken natuurlijk
de meeste belangstelling en men zou kunnen denken, dat deze de
nauwkeurigste bijzonderheden vertellen; maar juist zij werden het
meest door persoonlijke en politieke invloeden beheerscht. En zij,
die de geschiedenis schreven van vroegere tijden, waren gewoon vele
legenden te weven tusschen hun verhalen en ook zelf te fantaseeren,
zooals Agnellus van Ravenna, die, wanneer de feiten hem in den
steek lieten, op God en de gebeden van de broeders vertrouwde om
zijn verbeelding te bezielen, opdat er geen lacuna zou zijn in zijn
Levens der Pausen. Voor de eerste 30 jaren van de vierde eeuw hebben
wij Lactantius en Eusebius, bisschop van Caesarea, die ons o.a. een
"Leven van Constantijn" geeft. Hij verklaart openhartig, dat hij de
feiten heeft verhaald of verzwegen overeenkomstig de belangen van
den godsdienst. Dan hebben wij Keizer Julianus en zijn bewonderaar
Libanius, den redenaar en leermeester van Basilius (329-'79)
en Chrysostomus (347-407), Grieksche Kerkvaders, tijdgenooten van
den Heiligen Hieronymus, den Latijnschen Kerkvader, aan wien wij de
Vulgata danken, en den Heiligen Gregorius van Nazianzus, den hevigen
bestrijder van den afvalligen Keizer. Daarop volgt de dichter Ausonius
(c. 350), leermeester van Gratianus, en Ammianus Marcellinus, een
andere bewonderaar van Julianus, die zijn belangrijk werk begint vóór
de troonsbestijging van dien Keizer en doorgaat tot de verdwijning
van Valens (378). Hoewel te Antiochië in Syrië geboren, was hij de
laatste van de Romeinsche onderdanen die een profane geschiedenis in
het Latijn schreef. Daarna komt Zosimus, een heidensche Griek, een
vurige tegenstander van Theodosius den Katholiek. Zijn verhaal loopt
nog over een tamelijk lange periode na dezen Keizer. Een deel van het
volgende tijdperk wordt beschreven in de Brieven van St. Ambrosius,
de Confessiones en De Civitate Dei en andere werken van St. Augustinus
(354-431) en de geschriften van zijn leerling Orosius. Ook Jordanes
en Procopius worden nu bruikbaar, daar zij ons inlichtingen geven
over Alarik, Galla Placidia, de Vandalen en de periode tusschen
de plundering van Rome door Gaiserik en de onttroning van Romulus
Augustulus in 476. Voor Attila hebben wij veel te danken aan Priscus'
Excerpta etc. (zie pag. 84). Ten slotte moeten wij nog Sidonius
van Lyon, gehuwd met de dochter van Avitus, vermelden; hij schreef
lofredenen op hem en andere poppen-Keizers. Door zijn geschriften
verwierf hij den bisschopszetel van Clermont, maar voor ons zijn zij
van weinig waarde.

Na den val van het West-Romeinsche Rijk in 476 verdwijnt de Latijnsche
litteratuur een tijdlang; maar onder bescherming van Theoderik herleeft
zij schitterend in de beroemde "De Consolatione Philosophiae" van
Boëthius en de werken van Cassiodorus, vooral de Geschiedenis van
de Goten, of liever het uitstekende uittreksel, dat de Oost-Gotische
Jordanes hiervan heeft gemaakt. Een ander zeer bekend schrijver van
deze periode is de Griek Procopius, die Belisarius op zijn Perzische,
Afrikaansche en Italiaansche veldtochten vergezelde en een verhaal
schreef van den Gotischen Oorlog tot den dood van Theia.

Anicius Manlius Severinus Boëthius, wiens naam van een voorname
afkomst getuigt, werd ongeveer 470 geboren. In zijn jeugd studeerde
hij te Athene en stelde zich goed op de hoogte van de Grieksche
letterkunde. In 510 was hij consul, zooals zijn vader was geweest,
en later magister officiorum. Zijn geleerdheid, zijn rijkdom, en
zijn hoog ambt verschaften hem grooten invloed. Wij vernemen, dat
zijn paleis versierd was met ivoor en marmer, en er zijn nog brieven
over (blijkbaar door Cassiodorus geschreven), waarin Theoderik hem
vriendelijk om raad vraagt over munten, muziekinstrumenten, klokken,
die loopen door middel van stroomend water, zonnewijzers e.a.,
die hij wil zenden aan den Bourgondischen Koning en waarmede hij
de barbaren hoopt te verbazen en te leeren "zichzelve niet met ons
gelijk te stellen." In 522 werden zijn beide zonen, wier moeder de
dochter was van Symmachus, een der voornaamste senatoren, consuls,
ofschoon zij voor dat ambt tamelijk jong waren. Men zou het leven van
Boëthius dus gelukkig kunnen noemen, wanneer wij niet de waarheid
van Solon's woorden moesten erkennen, dat wij "op het einde moeten
letten" en niet gedwongen waren de uitspraak van Boëthius te gedenken:
"De grootste smart in elken tegenspoed is gelukkig geweest te zijn."

Men zal zich herinneren, dat tegen het einde van zijn regeering
Theoderik zeer verbitterd was door de vijandigheid, waarmede zijn goed
bedoelde pogingen waren ontvangen, vooral in Rome, waar een sterke
anti-Gotische stemming heerschte. Zonder twijfel stonden sommige van
deze patriotten in verbinding met Constantinopel en het ontbrak niet
aan menschen, die voorname Romeinen verdacht wilden maken. Een Gotisch
partijganger, een zekere Cyprianus, diende een aanklacht in tegen den
senator Albinus. Daarop haastte Boëthius zich naar Theoderik in zijn
paleis te Verona. "Als Albinus schuldig is, dan ben ik schuldig--en is
de geheele senaat schuldig", riep hij uit. Doch Theoderik legde deze
moedige woorden niet juist uit en beschuldigde hem, zooals Boëthius
zelf ons vertelt, dat hij in zekere brieven de hoop had uitgedrukt, dat
Rome zijn vrijheid mocht herwinnen (libertatem sperasse Romanam). Hij
werd naar Pavia gezonden en daar gevangen gezet. De senaat, bevreesd
geworden, verklaarde hem schuldig. Het is niet bekend, welke straf
eerst tegen hem geëischt werd. Hij schreef een verdediging, doch
deze is niet, zooals de Apologia van Socrates, bewaard gebleven. Men
weet niet zeker, waar hij gevangen gezeten heeft. Sommigen noemen
een kasteel ("Rocca") bij Pavia, anderen een gebouw bij de vroegere
kerk van S. Zeno, weer anderen het baptisterium van de toenmalige
kathedraal--misschien S. Zeno, die, zooals de meeste van Pavia's
voormalige 165 kerken, verdwenen is.

Gedurende verscheidene maanden van verschrikkelijke spanning hield
hij zich bezig met het schrijven van zijn Apologia en de Consolatione
Philosophiae. Ten slotte besloot Theoderik, misschien verbitterd
door de ontdekking van een complot en woedend over de sympathie, die
de Romeinen en vooral de vader van zijn vrouw, Symmachus, voor den
veroordeelden senator toonden, Boëthius te laten dooden. Het vonnis
werd met onmenschelijke barbaarschheid uitgevoerd. Een koord werd
om zijn hoofd gebonden en zoo strak gespannen, dat zijn oogen uit
hun kassen puilden; daarna werd hij met knuppels doodgeslagen. Dit
gebeurde, zegt men, in den Agro Calvenzano, aan den weg tusschen
Milaan en Pavia, en waarschijnlijk werd hij daar begraven, want
ongeveer 1000 liet Keizer Otto III zijn stoffelijk overschot naar de
S. Pietro in Ciel d'oro te Pavia brengen, waar men gedurende meer
dan acht eeuwen zijn tombe niet ver van die van S. Augustinus kon
zien. Zij schijnt verdwenen te zijn, toen de S. Pietro veranderd en
een tijdlang verlaten werd (1844-'75), want in de gerestaureerde kerk
is hij niet meer te zien. (vgl. plaat 13 en 52. Dante, Par. X, 127.)

Een paar maanden na den dood van Boëthius werd zijn schoonvader
Symmachus aangeklaagd, en geboeid naar Ravenna gebracht, waar hij,
zonder vorm van proces, waarschijnlijk onder martelingen, ter dood
werd gebracht.

Aldus vaagde, niettegenstaande zijn edicten en uitingen van bewondering
voor de Romeinsche wetten, het wreede militaire despotisme van
den Gotischen Koning alle billijkheid weg; want de schrijvers zijn
het allen eens over de valsche beschuldiging van Boëthius. Het is
bekend, dat hij voor Albinus en zichzelf een beroep deed op de wetten
en verzocht in het openbaar verhoord te worden; en dat Symmachus
hetzelfde deed, daarvan kunnen wij overtuigd zijn. Athaulf schijnt
wel gelijk te hebben gehad, toen hij zeide, dat de Goten niet in
staat waren zichzelf te regeeren.

Het werk van Boëthius is een van de meest oprechte en gevoelvolle
boeken, die ooit geschreven zijn en staat zelfs in vele opzichten
boven de Apologia van Socrates of de Phaedo. De uiterlijke vorm is
eenigszins dramatisch. Philosophia, een voorname jonkvrouw, verschijnt
bij Boëthius in den kerker, waar hij met hulp van de Muzen verzen heeft
geschreven en zwijgend nadenkt over hetgeen hij geschreven heeft. Zij
stuurt de bekoorlijke dochters van Mnemosyne eenigszins ontstemd weg en
ondervraagt hem. Hij beschrijft zijn ellende en verdedigt zijn gedrag:
hij wil een verslag van zijn onrechtvaardige behandeling nalaten; hij
klaagt Fortuna aan en beroept zich, evenals Job, op God. Philosophia
troost hem, en, ofschoon zij de Muzen heeft weggezonden, gaat zij
soms tot den poëtischen vorm over. Zij verzoekt hem dan zijn geloof
te belijden en hierover houden zij een langen dialoog in proza en
poëzie; de verzen, vol van schoone gedachten, zijn Horatiaansch van
taal en vorm, en geven bovendien nog wel zes en twintig variaties van
Anacreontische, Sapphische en Asclepiadeïsche versmaten. Philosophia
vindt dat Boëthius zichzelf niet kent (een toespeling op het Delphische
"Ken u zelven") en spoort hem aan zich niet te bekommeren om de wufte
Fortuna. "Ach", roept hij uit, "dat zijn mooie woorden, maar ellende is
werkelijkheid." Dan herinnert zij hem aan zijn vroeger geluk--aan zijn
vrouw, zijn zonen, zijn aanzien, zijn rijkdom. Hierop antwoordt hij:
"De grootste smart in elken tegenspoed is gelukkig geweest te zijn",
een gevoelsuiting, die weerklank gevonden heeft bij vele schrijvers
en door Dante in onsterfelijke verzen is vereeuwigd. [117] Maar
Philosophia wijst er hem op, dat hij nog steeds de liefde van zijn
gezin bezit en nog meer, dat hem gelukkig moet maken, en vaart uit
tegen eerzucht en roem. Hij antwoordt, dat niet de gewone eerzucht
hem tot het deelnemen aan de staatszaken dreef, maar de wensch om zijn
krachten te gebruiken ten voordeele van zijn medemensenen. Zij keurt
dat goed, maar weidt weer uit over de hooge macht van de Liefde en
zingt de lof van haar, die het heelal in harmonie vereenigd houdt:
"gelukkig zou het menschenras zijn, indien dezelfde liefde, die
den hemel bestuurt, ook de menschen bestuurde, want er bestaat geen
hoogere wet dan die, welke de liefde zichzelf stelt:


                Quis legem dat amantibus?
                Maior lex amor est sibi.


Daarop vraagt hij haar het wezen van het ware geluk te vertellen. Dit
doet zij door het valsche geluk te beschrijven en hem te verzoeken
zich het tegendeel voor te stellen--het geluk dat bestaat in de
verachting van alle aardsche dingen en in de beschouwing van God als
het summum bonum. Dit leidt tot een uitvoerige discussie (steeds
in verzen en proza) over het wezen van God, van de ziel, van de
dieren en de planten. Daarna brengt Boëthius de oude moeilijkheid
van het bestaan van het slechte ter sprake en wanneer dit, zoo goed
als men kan verwachten, opgelost is, gaat hij over tot het mysterie
van den menschelijken vrijen wil en de voorwetenschap van God, tot
de praedestinatie en het toeval, gebed, gedachte, gevoel, wilskracht
en andere diepzinnige vraagstukken. Philosophia tracht niet al deze
problemen op te lossen, maar houdt vol, dat hoop en gebed geen ijdele
begoocheling zijn en dat zij, indien zij oprecht zijn, wel degelijk
kracht bezitten. Zoo eindigt de Consolatio van Boëthius; daarna wordt
er gezwegen, maar Philosophia blijft bij hem, totdat alles voorbij is.

Sommige moderne schrijvers, vooral Duitschers, hebben hardnekkig
volgehouden, dat Boëthius een heiden was en dat de verschillende werken
tegen de Arianen en andere ketters, die aan hem worden toegeschreven,
onecht zijn. Zeker lijkt het vreemd, dat hij in zijn hoofdwerk geen
melding maakt van het Christendom. En toch werd hij vroeger altijd
als een Christen beschouwd en als een Christelijke martelaar, en niet
alleen werd zijn lichaam begraven in "Cieldauro" naast den grooten
Kerkvader, maar zijn "heilige ziel" wordt geplaatst in het Paradijs
[118] door den grooten Italiaanschen dichter, wiens poëem een spiegel
is van het geloof der Middeleeuwen en die, zooals Carlyle zegt,
dat geloof voor altijd rythmisch zichtbaar heeft gemaakt.

Hoe sterk dit boek van Boëthius tot vroegere geslachten sprak, blijkt
wel uit het feit, dat bijna ieder groot schrijver van de Middeleeuwen
het vermeldt, het aanhaalt of het navolgt.

De naam Cassiodorus [119] is reeds dikwijls genoemd. Hij was omstreeks
480 geboren. Door aanbeveling van zijn vader, die een hoog ambtenaar
was, kwam hij als jong man in dienst van Theoderik. Gedurende
verscheidene jaren was hij Secretaris en Minister van Staat bij den
Gotischen Koning en later bij Athalarik, Amalasuntha, Theodahad en
zelfs bij Vitiges. Maar hij was nu ongeveer zestig jaar oud en zijn
langdurige ervaring had hem ervan overtuigd, dat het plan, hetwelk
hij met Theoderik had gekoesterd, om het Gotische en Italiaansche volk
samen te smelten, onuitvoerbaar was. Daarom trok hij zich terug van het
openbare leven en stichtte (c. 539), nabij zijn geboortestad Squillace,
in Calabrië, een kluis en een klooster--dit laatste eenigszins naar
het voorbeeld van het wereldberoemde klooster van Monte Cassino,
dat St. Benedictus reeds tien jaren bestuurde. Hier bracht hij de
rest van zijn lang leven door met contemplatie en geestelijken
arbeid. Waarschijnlijk leefde hij tot den inval der Longobarden
in 568, volgens sommigen tot 575. Men zegt dat hij, 93 jaar oud,
een opvoedkundige verhandeling heeft geschreven voor zijn monniken;
in de dertig daaraan voorafgaande jaren heeft hij zijn groot werk,
de Historia Getarum, en verschillende Bijbelsche commentaren en
andere theologische werken, samengesteld, en een Kerkgeschiedenis
uitgegeven, die, door zijn leerling Epiphanius uit Grieksche schrijvers
gecompileerd, eeuwenlang een populair tekstboek is gebleven.

De brieven, die Cassiodorus in opdracht van Theoderik en andere
Oost-Gotische koningen geschreven heeft, zijn zeer belangrijk en
soms vermakelijk, maar zijn bloemrijke en pompeuze stijl is dikwijls
vervelend.

De Historia Getarum, in twaalf boeken, is geschreven om de voorouders
van Theoderik te verheerlijken. Cassiodorus geloofde ten onrechte,
dat de Goten tot hetzelfde ras behoorden als de Thracische Getae. Hij
beschouwde Zalmoxis [120], den God van de Getae, als stamvader van de
Amali en de Amazonen als oude Gotische heldinnen. Deze Historia is
niet meer over, maar wij bezitten er een uittreksel van, geschreven
door Jordanes, die, naar men zeide, tot de koninklijke familie van
de Amali behoorde. Hij schijnt dat omstreeks het jaar 551 te hebben
gemaakt, dus lang voor den dood van Cassiodorus te Constantinopel, en
als wij Jordanes zelf mogen gelooven, was zijn arbeid een merkwaardige
krachtproef van het geheugen, of het moet een voortbrengsel zijn van
een zeer vruchtbare verbeelding, want hij vertelt ons, dat hij het
oorspronkelijke werk (twaalf deelen!) niet langer dan drie dagen in
handen heeft gehad. Jordanes toont natuurlijk in zijn Getica groote
bewondering voor zijn Gotisch volk, maar deelt in de geestdrift van
Cassiodorus en zijn koninklijken meester voor Romeinsche beschaving
en in de hoop om een fusie van de twee volkeren te zien.

Litterair staat het werk [121] van Procopius veel hooger dan de
Getica. Men kan bemerken, dat het in later tijd is geschreven en de
navolging van anderen is onmiskenbaar. Wanneer men een beschrijving
leest van een slag of de ellende van een beleg of pest, kan men zich
dikwijls voorstellen een bladzijde te lezen uit den Peloponnesischen
Oorlog of een uitstekend academisch opstel in Thucydideïsch proza
met een zweem van Herodoteïsche naïveteit. Men is soms werkelijk
geneigd te gelooven, dat de schrijver in zijn litterairen ijver
den stijl hooger stelt dan de feiten. Maar behalve zijn geleerde
eigenaardigheden bevat het werk van Procopius vele oorspronkelijke
gedachten; bovendien is het als kroniek onschatbaar, want het is
bijna het eenige verhaal van de veldtochten van Belisarius en Narses,
dat wij van een tijdgenoot bezitten.

Procopius was geboren te Caesarea, in Palestina. Als jongeling kwam hij
te Constantinopel onder de regeering van Anastasius. Hij schijnt weldra
bekend te zijn geworden, want ongeveer 528 werd hij door Justinianus
uitgekozen om Belisarius op zijn Perzischen veldtocht te vergezellen,
waarschijnlijk als secretaris en politieke raadgever. Zooals Polybius
Scipio naar Afrika begeleidde en de verwoesting van Carthago bijwoonde,
zoo volgde Procopius Belisarius naar Afrika en was tegenwoordig bij
de inneming van Carthago. Na de vernietiging van de Vandaalsche
heerschappij in Afrika bleef hij bij den Byzantijnschen veldheer
in Italië en bewees hem belangrijke diensten tijdens het beleg van
Rome en bij andere gelegenheden. Zijn Gotische Oorlog eindigt met
den dood van Theia. De laatste zin herinnert sterk aan Thucydides:
"Aldus eindigde het 18e jaar van den Gotischen Oorlog, die beschreven
is door Procopius."

Spoedig hierna keerde hij naar Constantinopel terug, waar zijn
held Belisarius in tamelijk ongunstige omstandigheden verkeerde, en
vergezelde hem op zijn veldtocht tegen de Avaren in 559. Een jaar
of twee later werd hij stads-prefect. Men weet niet, wanneer hij
gestorven is.

Waarschijnlijk bezorgde zijn eenigszins vleiend verslag van Belisarius'
veldtochten hem en zijn boek een koele ontvangst aan het hof van
Justinianus. Misschien heeft hij, om den Keizer gunstig te stemmen,
de Aedificiis Justiniani geschreven, een zeer belangrijk werk, over
de gebouwen die onder Justinianus opgericht zijn. Een ander boek,
dat waarschijnlijk door hem is geschreven, is de Anecdota, dat door
zijn Latijnsche vertaler Historia Arcana (geheime geschiedenis) wordt
genoemd. Het beweert onthullingen te geven over schandelijke toestanden
aan het keizerlijk hof en stort een stroom van bittere satiren uit over
Justinianus en zijn gemalin Theodora, het vroegere circus-meisje. Als
dit boek van Procopius is, heeft hij het waarschijnlijk later
geschreven, toen zelfs zijn de Aedificiis geen gunstige uitwerking had,
of toen zijn verontwaardiging over de behandeling van Belisarius ten
top was gestegen. De satire werd uitgegeven na Justianius' dood in 565.

Wij zullen hier een uittreksel laten volgen van Procopius' beschrijving
van de pest, die Constantinopel omstreeks 544 teisterde, gedurende
twintig jaren [122] met eenige onderbrekingen terugkeerde, en Gallië
(zooals Gregorius van Tours vertelt) en waarschijnlijk Brittannië
bezocht. De nauwkeurige navolging van Thucydides is merkwaardig.

Hij begint te zeggen, dat "menschen met een aanmatigend verstand"
mogen beproeven de oorzaak op te sporen van dergelijke dingen,
die als de bliksem op het menschelijk ras neerstorten, maar dat God
alleen weet, vanwaar zij komen. Geen omstandigheid of land of klimaat
of jaargetijde of volk had invloed op de baan van de pest; zij ging
haar weg, verwoestte of spaarde, zooals zij wilde. "Laat dus ieder,
hetzij wijze of astroloog, over het onderwerp spreken volgens zijn
inzichten, maar ik zal vertellen, in welk land de pest het eerst is
verschenen en beschrijven, hoe zij de menschen doodde". Procopius
geloofde dat zij het eerst verscheen in Egypte en haar weg in twee
jaren door Palestina naar Constantinopel vond, waar hij zelf toen was
(543-44). Eerst verbeelden de menschen zich allerlei spookgestalten
te zien en door deze gewond te worden; dadelijk daarna worden zij
door de pest aangetast. Zij beproeven die door gebeden te verbannen,
maar vallen in de kerken dood. Anderen sluiten zich op in hun huizen
uit angst, dat zij door de demonen zullen worden opgeroepen. Het
eerste symptoom was plotselinge koorts, ofschoon het lichaam bij
aanraking niet heet was (zooals ook Thucydides zegt). Binnen een paar
dagen vormde zich in de lies of den oksel een gezwel, dat de lijders
in doodstrijd over den grond deed rollen of hen in de zee of in de
bronnen dreef. Bij ontleding werden in die klierachtige gezwellen
afschuwelijke bloedzweren gevonden. Bovendien was het heele lichaam
bedekt met zwarte puistjes zoo groot als linzen. Wanneer het gezwel
barstte, volgde er soms herstel, maar vele overlevenden werden door
paralysis, vooral van de tong, aangetast. "Toen nu alle graven vol
waren, en alle menschen, die gebruikt werden om de dooden in het
open veld te begraven, verdwenen waren, beklommen zij, die voor de
begrafenis van de lijken moesten zorg dragen, daar zij niet in staat
waren gelijken tred te houden met het aantal van hen, die stierven,
de torens van een gedeelte der stadsmuur, namen de daken er af en
wierpen de lijken door elkaar in de torens; en toen zij die allen,
om zoo te zeggen, tot den rand volgepropt hadden, legden zij de daken
er weer op. En de afgrijselijke stank, die vandaar de stad bereikte,
verergerde de ellende van de bewoners, vooral wanneer de wind van
die kant woei."



HOOFDSTUK III.

ST. BENEDICTUS.


Wij hebben gezien, hoe Cassiodorus, nadat hij ongeveer dertig jaren
verscheidene vorsten als raadsman en vertrouwde gediend had, zich
aan de wereld onttrok en het laatste gedeelte van zijn leven in een
klooster op de afgelegen, zuidelijke kust van Calabrië doorbracht. Dit
is een van de vele gevallen, waardoor de sterke aantrekking bewezen
wordt, die in deze vroegere tijden van de Kerk door het kloosterleven
werd uitgeoefend.

Men zal zich herinneren, dat de wilde buitensporigheden van de
Egyptische en Oostersche kluizenaars, in Italië een beweging
veroorzaakten, die, getemperd door den niet zoo prikkelbaren aard
van de Westersche en Noordsche rassen, een uitgebreiden groei van
het kloosterleven tengevolge had. Begunstigd door de Kerk, die
gewonnen was door de argumenten van Anastasius en had ingezien,
dat het verstandig was van de nieuwe religieuze geestdrift partij
te trekken, verspreidde het monasticisme zich met groote snelheid
tot de uiterste grenzen van het Westersche Rijk, en zelfs buiten
die grenzen, in Ierland en Wales, waar eenige bekende kloosters
de centra van het zendingswerk en intellectueel leven vormden,
totdat de Engelsche Kerk bijna geheel uitgeroeid werd door de
heidensche Angelen. In Italië waren er in alle standen velen, die
verlangden naar de heerlijke eenzaamheid en rustige contemplatie,
die vermoeid waren door de eindelooze verschrikkingen en gevaren van
den oorlog en de eindelooze godsdiensttwisten, die geen voldoening
vonden voor hun hooger gevoel van geloof, hoop en naastenliefde in
de vormelijke onderwerping aan een Kerk, die niets anders scheen te
eischen dan een bijgeloovigen eerbied voor zekere diepzinnige, dikwijls
onbegrijpelijke uitspraken en voor de wonderdadige krachten van oude
beenderen en dergelijke fetischen. Alle vormen van het monnikwezen
berusten op verkeerd geleide instincten, wier vrije uitoefening in
het gewone leven door het Christendom rijkelijk wordt bevorderd. De
meest onnatuurlijke van deze vormen was zeker het tragische en tevens
belachelijke verschijnsel van het oostersche kluizenaarsleven. Het
westersche kloosterwezen had meer zin en wanneer wij in aanmerking
nemen de staatkundige, kerkelijke en maatschappelijke toestanden van
dien tijd en de bijna algeheele afwezigheid van eenigen uitweg voor
religieuze, intellectueele en philanthropische geestdrift, kunnen
wij het zich onttrekken aan zulk een onbevredigende wereld niet
afkeuren, vooral, wanneer de idealen van eenzaamheid en eigen redding
gepaard gaan met die van godsdienstige broederschap en hard werken
(hetzij handenarbeid of geestelijk werk), en nog minder, wanneer
later zelfverloochenende hulpvaardigheid in de ellende van anderen,
St. Franciscus en zijn eerste volgelingen inspireert.

Cassiodorus stichtte een kluis voor eenzamen en een
kloostergemeenschap, wier leden hun tijd wijdden aan
godsdienstoefeningen, contemplatie en intellectueel werk. In
de Benedictijner-kloosters werd handenarbeid als noodzakelijker
beschouwd dan intellectueele arbeid, doch overigens is het groote
verschil, dat er tusschen Benedictus en Cassiodorus als stichters
bestaat, niet terstond duidelijk. Maar Benedictus was niet alleen de
oprichter van kloosters; hij was de stichter van de eerste groote
monnikenorde van het westersche Christendom en is de "patriarch"
van vier andere belangrijke Benedictijner Orden. [123] Of de
oprichting van monnikenorden, welke in hetzelfde jaar plaats vond,
waarin Justinianus de laatste philosophen uit Athene verdreef, een
zegen voor het menschdom was of niet, behoeft hier niet besproken
worden. Dat het, zoowel ten goede als ten kwade, op de evolutie
van de Europeesche beschaving van grooten invloed is geweest, is
ontwijfelbaar en dit verleent een bijzondere waarde aan de feiten,
die samenhangen met de stichting van de Orde, die zoo snel bijna alle
groepen van monniken in West-Europa in haar organisatie opnam [124] en
die, als wij de vroege, half georganiseerde Augustijnen uitzonderen,
gedurende zeven eeuwen,--dus tot den tijd van St. Franciscus en
St. Dominicus--de eenige Orde van het westersche Christendom was.

Het leven van St. Benedictus is uitvoerig en met vele fantastische
toevoegsels verteld door Gregorius den Groote, die volgens sommigen
juist op den dag geboren is, waarop de heilige stierf (21 Maart,
543). Benedictus was in 480 te Norcia, een kleine stad in de
Umbrische bergen ten Westen van Spoleto, geboren. Toen hij ongeveer
vijftien jaar was ging hij om te studeeren naar Rome, dat toen onder
Odovacar stond; maar het leven, dat zijn mede-studenten leidden,
werd hem zoo ondragelijk, dat hij zich terugtrok in de eenzaamheid
van de Apennijnen, dicht bij de bronnen van den Arno. Zijn voedster
volgde hem daarheen; haar overdreven zorg voor het veraangenamen van
zijn leven, de lastige bewondering van het landvolk voor zijn heilig
wezen en zijn vroeg ontwikkelde gave van wonderdadigheid dwongen hem
te vluchten. Hij zocht een schuilplaats in een hol of kloof in de
rotsen bij Subiaco aan den Boven-Anio--ongeveer 23 K.M. ten zuiden
van Vicovaro, het Varia van Horatius, dat niet ver van zijn Sabijnsch
landgoed in de Digentia vallei ligt.

Bij Subiaco leefde hij een tijd als kluizenaar; zijn voedsel werd hem
verschaft door een monnik en later door schaapherders, die het aan een
touw in zijn grot lieten zakken. Maar soms moest hij zijn schuilplaats
verlaten, wanneer het ten minste in deze periode was, dat hij gewoon
was zich te straffen voor zijn verliefde gedachten aan een Romeinsche
schoone door zich naakt in een doornboschje te rollen, dat sinds dien
tijd rozen droeg, de rechtstreeksche voorouders, zegt men, van die,
welke nu aan den bezoeker van den kloostertuin getoond worden. [125]

Ten slotte bewoog het heilige leven van Benedictus de monniken van
Vicovaro hem tot hun abt te kiezen. Maar zijn Regel bleek te streng
voor hun losbandige gemeenschap. Zij trachtten hem te vergiftigen;
toen hij echter den hem aangeboden beker zegende, viel deze uit de
hand van den moordenaar, een gebeurtenis, die op vele Benedictijner
schilderstukken wordt voorgesteld. Daarna trok hij zich met vele
discipelen terug naar de "Heilige Grot", die wat hooger op den heuvel
ligt dan zijn eerste hol [126]; hij bewerkte, dat in de omstreken
twaalf kloosters werden gebouwd; daartoe behoorde ook het klooster,
dat later aan zijn zuster Scholastica gewijd is; in de 11e en 13e eeuw
is er veel bijgebouwd en het is nu een der schoonste merkwaardigheden
van Subiaco. In dit gebouw werd in 1465 de eerste Italiaansche drukpers
opgesteld. Benedictus schijnt meer den nadruk gelegd te hebben op het
ontwijken van het kwaad dan op het weerstand bieden daaraan. Eenige
geestelijken, die afgunstig waren op zijn succes, huurden vrouwen
om de zeden van zijn monniken te bederven en zijn aardsch Paradijs
te verstoren. In een plotselinge vlaag van walging verliet hij
zijn twaalf kloosters en ging wederom een rustiger schuilplaats
zoeken. Op zijn tocht bereikte hij Cassinum, ongeveer halfweg Rome
en Napels. Boven de stad, die aan den Rapido, een zijrivier van
den Liris ligt, verheft zich de Monte Cassino, een kale kalksteenen
bergrug, ongeveer 1700 voet hoog. Hier stond nog een tempel en een
heilig bosch met standbeelden en altaren gewijd aan Apollo en Venus;
het landvolk bracht nog offers aan deze goden--of demonen. Benedictus
preekte het Christendom voor dit "bedrogen volk" en haalde hen over den
tempel en de altaren af te breken en het bosch om te hakken; op die
plaats bouwde hij een kapel voor Johannes den Dooper en Martinus van
Tours. Daarna stichtte hij (529) nog hooger op den berg een klooster,
dat gedurende meer dan dertien eeuwen als het voornaamste van het
westersche Christendom geëerd werd en dat in het Donkere Tijdperk
van de Europeesche Geschiedenis het voornaamste toevluchtsoord was
voor oude kunst en wetenschap en binnen zijn muren veiligheid bood
aan menigen vorst, krijgsman en geleerde, die de wereld moede was.

Van Monte Cassino heeft men het gezicht over de heerlijke vallei van
den Liris bekend uit Horatius--


                Non rura, quae Liris quieta
                Mordet aqua, taciturnus amnis.


In het westen ligt Aquinum, de geboorteplaats van Juvenalis en den
doctor Angelicus; naar het noorden krijgt men een kijkje over de
zee en het land van Minturnae, Caieta en Sinuessa, namen, die de
herinnering wekken aan Horatius en Vergilius, en aan de dagen, toen
Rome over de wereld heerschte. En dan denkt men aan het lange Donkere
Tijdperk, dat op den val van Rome volgde en men tracht zich voor te
stellen hoe van deze zelfde muren, door Benedictus gebouwd, menschen
neerzagen op de verwoestende benden van ontelbare indringers--Goten,
Byzantijnen, Longobarden, Saracenen, Noormannen, Duitschers, Franschen
en Spanjaarden--op elkaar volgend in een bijna onafgebroken reeks,
gedurende ongeveer duizend jaar.

Deze plaats en de komst van Benedictus zijn beschreven door Dante
of liever door den heilige zelf; want Dante ontmoet hem in de sfeer
van Saturnus, onder de contemplatieve zielen; deze, op sterren
gelijkend, gaan de groote gouden ladder, die, als de Jacobsladder,
van de aarde naar den hoogsten hemel reikt, op en af. "Die berg",
zegt St. Benedictus, "op welks zijde Cassino ligt, werd van oudsher
bezocht door het bedrogen, slecht gezinde volk; en ik ben het, die
het eerst hier den naam naar boven droeg van Hem die de waarheid aan
ons op aarde bracht; en zoo groote genade van God straalde over mij,
dat ik de naburige steden van dien vervloekten dienst aftrok, die
eens de wereld verleidde". Dan klaagt Benedictus over de ontaarding
van zijn Orde en spreekt met lof en sympathie over St. Romualdus
van Ravenna, den stichter (c. 1000) van de gereformeerde of Witte
Benedictijnen, de Camaldolesi. [127] Romualdus herstelde en verscherpte
den oorspronkelijken "Nieuwen Regel" van Benedictus; de 73 artikelen,
die berustten op de leeringen van St. Paulus en gedeeltelijk ontleend
waren aan den Oosterschen Regel van St. Macarius, schreven gemeenschap
van goederen, volstrekte gehoorzaamheid, volkomen gelijkheid en
handenarbeid voor, loochenden elk verschil van stand of ras, en
verboden het nietsdoen (otiositas) als een vijand van de ziel,
volgens het beginsel dat laborare est orare.

Tegen het einde van zijn leven voegde zich bij St. Benedictus zijn
zuster, St. Scholastica, die zich op eenigen afstand van het klooster,
in een kluis vestigde. Op de Benedictijner schilderstukken vindt
men haar afgebeeld, biddend, dat haar broeder, die haar bezocht en
wilde teruggaan, zou worden tegengehouden--een gebed, dat vervuld
werd door de plotselinge uitbarsting van een hevigen storm. Andere
schilderijen stellen Benedictus voor, terwijl hij naar een vogel kijkt,
die hemelwaarts vliegt; de vogel stelt de ziel van zijn zuster voor,
die twee dagen na het zoo even vermelde bezoek stierf.

Ongeveer 542 bezocht de Gotische koning Baduila (Totila)
St. Benedictus. Men zegt dat de heilige hem heeft herkend, ofschoon hij
zich vermomd had, hem streng heeft berispt wegens zijn verwoestingen,
en hem zijn dood heeft voorspeld, die echter eerst tien jaar later
plaats vond. Kort daarna, in Maart 543, stierf Benedictus zelf. Zijn
stoffelijk overschot, evenals dat van zijn zuster, ligt onder
het hoogaltaar van de kloosterkerk van Monte Cassino. Deze kerk
(herbouwd in de 17e eeuw) heeft bijna niets, wat ouder is dan de
elfde eeuw, uit welken tijd, naar men meent, de bronzen deur, een
Byzantijnsch werk, is. Op het plein van de kerk staan oude zuilen;
er is wel beweerd dat dit zuilen waren van den tempel van Apollo of
Venus (zie p. 167). Het klooster is meermalen afgebroken. In 589,
slechts zestig jaren na de stichting, werd het verwoest door de
Longobarden. Toen vluchtten de monniken naar Rome en bleven daar 130
jaar. In 883 werd de plaats genomen en verbrand door de Saracenen en
de monniken ontsnapten naar Capua en Teano; maar reeds in 886 was hun
abdij (Badia) herbouwd. Evenals andere kloosters in Italië, is ook
dit geseculariseerd (1866) en een nationaal monument geworden. Toch
bevat het nog een seminarium en wordt bewoond door ongeveer veertig
monniken. De librije, vroeger wereldberoemd, bezit nog menig kostbaar
manuscript. In den tijd van Dante schijnt die zeer veronachtzaamd te
zijn, zooals men kan zien uit een verhaal [128], dat Benvenuto, de
Dante-commentator geeft van een bezoek, dat Boccaccio aan die librije
had gebracht; hij vond "de bewaarplaats van zoo groote schatten zonder
eenige deur of andere afsluiting, gras voor de vensters, en alle boeken
en planken vol stof. Uit sommige boeken waren heele bladen gescheurd,
van anderen de randen afgeknipt. Bedroefd en weenend ging hij heen;
in het klooster kwam hij een monnik tegen en vroeg hem, waarom die
kostbare boeken zoo verminkt waren. Deze antwoordde, dat eenige
monniken, om een paar dukaten te verdienen, er bladen uitscheurden
om psalmboekjes voor jongens te maken; en van de randen maakten zij
breviaria, die zij aan vrouwen verkochten. Pijnig dus, o, geleerde,
uw hersenen om boeken te schrijven!"



HOOFDSTUK IV.

JUSTINIANUS.


Gedurende de eerste acht jaren van zijn regeering had Justinianus
bijna geen rechtstreeksch verband met Italië en ofschoon na 535
ongeveer dertig jaren lang de geschiedenis van het ongelukkige land
voornamelijk werd gemaakt door de wanhopige worsteling van Goten tegen
Byzantijnen en door een korte Byzantijnsche overheersching, zijn toch
de annalen van het Byzantijnsche hof volstrekt niet zoo belangrijk
voor een schrijver over Italië, als voor iemand die het bestaan van
het zgn. Romeinsche Keizerrijk [129] nagaat, van den val van Rome in
476 tot het theoretisch verdwijnen van den echten keizerlijken titel,
doordat een vrouw dien te Constantinopel wederrechtelijk aannam, en
het herleven van dien titel in den persoon van Karel den Groote--of
voor iemand, die de lotgevallen volgt van de zgn. Byzantijnsche
Keizers tot de inneming van Constantinopel door de Turken.

Het zal dus voldoende zijn, als wij een kort verslag geven van
Justinianus' persoonlijkheid en omgeving, en vooral van zijn invloed
op de wetgeving en de bouwkunst.

Men zal zich herinneren, dat Justinianus, een boer uit Dardanië
van lage afkomst, als jongen zijn oom Justinus naar Constantinopel
vergezelde, hoe ten slotte Justinus tot keizer werd uitgeroepen en
den troon aan zijn neef naliet. Ongeveer tien jaren voordat hij den
keizerlijken diadeem ontving, werd Justinianus tot Consul benoemd door
zijn oom, die nu meer dan zeventig jaar oud was. Het was teekenend
voor het streven van den jongen man naar den volksgunst, dat deze
gebeurtenis gevierd werd door schitterende vertooningen, niet van
gladiatoren, want die waren reeds lang, zelfs te Rome, afgeschaft
en te Constantinopel nooit toegestaan, maar door even afschuwelijke
gevechten met wilde dieren. Toen eigende hij zich een groot aandeel
in de regeering toe, en in 527, toen hij, vijf en vijftig jaar oud,
tot Augustus werd uitgeroepen, gaf Justinus hem de teugels van de
regeering geheel in handen, en stierf kort daarna.

Eenige jaren voor zijn verkiezing tot Consul had Justinianus een
hartstochtelijke genegenheid opgevat voor een vrouw, Theodora, wier
loopbaan, zooals Procopius, of wie de auteur van de Anecdota moge zijn,
die beschrijft, een merkwaardig voorbeeld geeft van onbeschrijfelijke
zedeloosheid gepaard aan eigenschappen, die in staat bleken haar de
devote liefde te verzekeren van een goeden, hoewel zelfgenoegzamen,
man, en blijkbaar de berusting en onderworpenheid, zoo al niet den
eerbied van het volk, ofschoon van dat volk eerbied werd geeischt voor
een Keizerin, die vroeger als een losbandige tooneelspeelster gewoon
was geweest met ongeloofelijke schaamteloosheid haar persoon bloot
te stellen aan het gelach en de toejuichingen van een stampvol theater.

Als wij den schrijver van de Anecdota mogen gelooven, was Theodora de
dochter van een Cypriër, die buffet-houder was in den Byzantijnschen
Circus. Op tamelijk jeugdigen leeftijd vergezelde zij een hoogen
ambtenaar naar Egypte; wegens haar onzedelijkheid door hem verstooten,
bracht zij eenige jaren in het Oosten door en keerde ten slotte naar
Constantinopel terug, waar zij blijkbaar een meer ingetogen leven
begon, misschien met het doel zich een echtgenoot te verschaffen. Dit
doel bereikte zij, want Justinianus, die als Patricius, misschien
reeds Consul, de invloedrijkste man was in het Oostelijk Keizerrijk,
werd niet alleen doodelijk verliefd op haar, maar was zoo vast besloten
haar te huwen, dat hij na den dood van Justinus' gemalin, die door haar
opvoeding als eenvoudig Dardaansch meisje een zeer strenge rechter was,
zijn oom overreedde een wet te laten aannemen om zulke huwelijken
te erkennen; en weldra vierde hij bruiloft (c. 525). Bovendien,
toen hij als Keizer werd gekroond, liet hij niet alleen door den
patriarch een keizerlijken diadeem op haar hoofd zetten, maar liet
haar op den troon plaats nemen, als een gelijke en onafhankelijke
collega in de regeering; en de bestuurders van de provincies moesten
een eed van trouw afleggen aan Justinianus en Theodora. Bezield door
den hartelijken eerbied, dien hij gedurende de vier en twintig jaren
van zijn huwelijk niet verloochende, gaf hij zelfs de eer van vele
zijner wetten "aan zijn wijze raadsvrouw, zijn geëerbiedigde gemalin,
die hij als een geschenk van de Godheid had ontvangen".

Toch wordt zij, niet alleen door den auteur van de Anecdota, maar
door verschillende orthodoxe schrijvers, als een helsche demon
beschreven. Zij wordt van de gemeenste misdaden beschuldigd, van den
moord op haar eenigen zoon (die, in het Oosten achtergelaten, later
in Constantinopel zijn rechten wilde doen gelden) en op verscheidene
aanzienlijke personen, waarvan sommige, naar men zegt, zijn omgekomen
in haar geheime onderaardsche kerkers en folterkamers. Zij werd ook,
wat men veel erger vond, beschuldigd van kettersche neigingen en van
een zoo brutale onbeschaamdheid, dat zij zelfs den Paus tegensprak en
het hem soms zeer lastig maakte. Maar wij moeten er bijvoegen, dat zij
rijkelijk geld heeft geschonken voor liefdadige doeleinden, b.v. de
stichting van een groot toevluchtsoord voor Magdalena's. Kloosters
en hospitalen werden ruim door haar gesteund en vele kerken--o.a. de
S. Vitale te Ravenna en de S. Sofia te Constantinopel--hadden groote
verplichtingen aan haar. Bovendien, wat haar fouten ook mogen geweest
zijn, wij kunnen niet ontkennen, dat zij moed bezat, en dat haar moed
bij het beruchte Nika-oproer [130] haar heer van een laffe vlucht
en misschien van een schandelijken dood weerhield. Zij verzocht hem
te vluchten, als hij dat wenschte, maar weigerde het zelf te doen en
verklaarde liever als een Keizerin te willen sterven.

Theodora was, volgens de Anecdota, bleek en opvallend mooi, met
schitterende, doordringende oogen. Haar gestalte was niet groot,
maar zij was uitstekend geproportioneerd en haar bewegingen
waren buitengewoon bevallig. Merkwaardig is, dat zij op het
Ravenna-mozaïek boven al hare hofdames uitsteekt, zelfs boven de
aanwezige geestelijken.

Welken roem Justinianus ook moge verworven hebben, volgens zijn
tijdgenooten of volgens Dante, door de overwinningen van zijn legers in
Afrika en Italië--overwinningen, waarvan hem de eer toch niet toekomt,
daar zijn ondankbare verwaarloozing en nog ondankbaarder jaloezie
de gunstigste kansen voor zijn besten generaal bedierven--het staat
vast, dat hij door zijn wetten of liever door de codificatie van de
Romeinsche wet de dankbaarheid van het nageslacht verdient.

In den Paradiso (VII, 6) zegt Dante, dat zich boven het hoofd
van Justinianus een tweevoudig licht verheft nl. de roem van den
krijgsman en den wetgever. In den zesden canto geeft Justinianus aan
Dante een prachtige beschrijving van het zegevierend voortschrijden
van den Romeinschen Adelaar van de dagen van Aeneas tot Karel den
Grooten en spreekt aldus over zichzelf: "Ik was Caesar en ik ben
Justinianus (d. i. hier zonder aardschen titel), die van de wetten het
overtollige en nuttelooze heb afgenomen. En voordat ik mij tot dit
werk zette, geloofde ik, dat er in Christus slechts éen natuur was,
(dus hij was een Monophysiet), en met dat geloof was ik tevreden;
maar de gebenedijde Agapetus heeft mij met zijn woorden tot het ware
geloof gebracht. Zoodra ik mij tot de Kerk begaf, behaagde het God
mij te bezielen voor deze hooge taak en ik wijdde mij er geheel aan;
de wapenen droeg ik aan Belisarius op, die door de rechterhand van
God zoo duidelijk werd geholpen, dat het een teeken was, dat ik moest
rusten". Rusten deed hij zeker, wat den oorlog betrof, en hij was er
tevreden mee te oogsten, waar anderen zaaiden, maar zijn arbeid op
ander gebied verdient erkenning.

Het Corpus Juris, dat door zijn gevolmachtigden werd samengesteld,
wordt nog steeds beschouwd als de voornaamste bron voor Romeinsch
recht, zooals het in Europa wordt toegepast. Deze gevolmachtigden,
onder leiding van een zekeren Tribonianus, een Pamphylischen geleerde
met een literairen aanleg, zooals die van Pico Mirandola of Bacon,
stelden gedurende de jaren 530-33, den geweldigen Codex van de
keizerlijke Constitutiones (edicten, decreten enz.) in 12 boeken op,
de Pandectae ("al-bevatters"--een compendium van ongeveer 2000 deelen
van oude wetten en senatus-consulta van Rome, samengevat in 50 boeken
en een meer beknopt handboek, de Institutiones. Als aanvulling van deze
geweldige massa wetten, die binnen zes jaren wederom gepubliceerd
werden, vaardigde Justinianus in later jaren (535-65) zeer vele
Novellae (nieuwe wetten) uit, waardoor hij zijn Code vergrootte of
veranderde om zijn afpersingen of die van Theodora te wettigen; en
hierin verliet hij zich vooral op de medewerking van Tribonianus. De
drie hoofdwerken zijn geschreven in een merkwaardig Latijn van de
zilveren eeuw. De Novellae zijn voornamelijk in het Grieksch. Een copie
van het Pandecten-handschrift, die misschien dateert uit Justinianus'
regeering en zeker niet later ontstond dan in de zevende eeuw, is een
van de schatten van de Laurentiaansche Bibliotheek te Florence. Men
zegt, dat alle andere bestaande manuscripten van dat werk daarvan
afgeleid zijn. In 1137 werd het van Amalfi gehaald door de vloot van
de Pisanen en nadat Pisa door de Florentijnen in 1406 was genomen,
werd het naar Florence overgebracht. De prachtige band van dat
handschrift werd in 1783 gestolen door den Groothertog Leopold en
voor 30 goudstukken verkocht.

Volgens Dante begon Justinianus, terwijl hij bezig was met dit
wetgevend werk, zich vrij te maken van kettersche dwalingen en over te
hellen tot de orthodoxe Kerk. Het was Paus Agapetus, door wiens invloed
dit tot stand kwam; het gebeurde in 535, in hetzelfde jaar, waarin
het Oost-Gotische Italië door Justinianus' Byzantijnsche troepen van
het noorden en door Belisarius en zijn Afrikaansche veteranen van het
zuiden werd aangevallen. Weldra was de werkzame geest van den Keizer,
die steeds bezig was te formuleeren en zijn formulae aan de wereld
op te leggen, zoo geheel verdiept in dogmatische vraagstukken, dat
hij zich om niets meer bekommerde, noch om den treurigen toestand
van Italië, dat door oorlog, hongersnood en pest geteisterd werd,
noch om de grieven en ellende der Byzantijnsche provincies, die
uitgezogen werden door de ondragelijke belastingen, noodig om de
enorme uitgaven van den staat te dekken. De hooge wetgever, wiens
wetten van zoo weinig nut waren voor zijn eigen volk, was nu bezield
door de eerzucht om de hoogste Christelijke leeraar van zijn eeuw te
worden: "Onze voornaamste zorg", schrijft hij omstreeks dezen tijd,
"is gericht op de ware dogmata van het Geloof".

Daar hij met bijzonderen nadruk de theorie van het goddelijk
recht der monarchen op zichzelf toepaste, meende hij, dat zijn
macht hem rechtstreeks door den hemel was opgedragen en geenszins
door bemiddeling van het leger, den Senaat, of het volk, en als
vicarius van de Godheid voelde hij zich gemachtigd de besluiten van
Synoden en Pausen te negeeren en slechts het gezag te erkennen van
een algemeen Concilie, dat door hem zelf was bijeengeroepen. Een
dergelijke gedragslijn, krachtig nagevolgd door Belisarius, die
een Paus afzette, en door Narses, die onwillige bisschoppen naar
Constantinopel verscheepte, moest wel de heftigste oppositie uitlokken
van den kant der geestelijkheid.

De toestand werd erger, toen Justinianus ontdekte, dat een eeuw
vroeger drie bisschoppen in de besluiten van het Concilie van
Chalcedon (451) drie verklaringen heimelijk hadden ingevoegd, die
een duidelijk kettersche gezindheid verrieden. Hevig verontwaardigd,
matigde Justinianus zich het recht van excommunicatie aan en sprak in
naam van de Drieëenheid den banvloek uit over die drie clausules. Maar
noch orthodox noch heterodox toonde in deze aanmatiging van pauselijke
bliksems te willen berusten. Ten slotte ontbood de vertoornde Keizer
Paus Vigilius naar Constantinopel. Deze Paus was, na den dood van
den goeden ouden Agapetus en nadat zijn opvolger door Belisarius was
afgezet, op den Heiligen Stoel geplaatst door den invloed van Theodora,
die veel verwachtte van zijn neiging tot het Monophytisme, een vorm van
ketterij die door haar begunstigd werd; maar hij stelde haar teleur,
ondersteunde den ultra-orthodoxen ijver van haar bekeerden echtgenoot
en kondigde te Constantinopel, waar hij kort vóór, of na haar dood (1
Juli, 548) kwam, een veroordeeling af van de drie beruchte clausules.

Maar de storm, die deze daad bij de Katholieken in het Westen
veroorzaakte, dwong hem die afkondiging te herroepen en zich te
verzetten tegen de aanspraken van den Keizer op geestelijke macht. Het
gevolg was, dat hij op een eiland in de Zee van Marmora gevangen werd
gezet; eerst in het zesde jaar van zijn ballingschap (554) kreeg hij
verlof naar Italië terug te gaan, nadat hij nog eens den banvloek
over de kettersche clausules had uitgesproken. Doch hij bereikte
Italië niet, want hij stierf op zijn reis, te Syracuse. Zonder
twijfel hadden de onderwerping van Vigilius en de vriendelijke
gevoelens van Justinianus jegens den volgenden Paus--den "diaken"
Pelagius--een tijdlang een gunstigen invloed op de betrekkingen van
den Keizer tot de Roomsche Kerk en een gevolg hiervan was blijkbaar de
zgn. Pragmatieke Sanctie, een decreet, dat het burgerlijk en kerkelijk
gezag in Italië moest beschermen tegen de militaire macht en aan de
Kerk eenige belangrijke judicieele voorrechten gaf.

Deze ellendige godsdiensttwisten, die ons misschien onbelangrijk
lijken, waren van grooten invloed op de regeering van Justinianus. De
vijandigheid, die tusschen de verschillende Christelijke sekten
heerschte, was heviger dan de verbittering van de Kerk tegen het
Heidendom was geweest en men kon geen politieke eenheid verwachten
zonder overeenstemming in leerstellige vraagstukken. Dat Justinianus
naar een dergelijke eensgezindheid streefde, kan niet betwijfeld
worden, maar, evenals Zeno met zijn Henotikon, bereikte hij slechts
een verwijding van de kloven; en vooral de kloof tusschen het Oosten
en Westen werd verbreed, waardoor een paar geslachten later de heftige
en langdurige strijd over den beeldendienst ontstond. Bovendien had
Justinianus' religieuze manie een zeer belangrijken en misschien
verderfelijken invloed op Italië, want het deed hem de welvaart
en de verdediging van de onlangs veroverde diocese schandelijk
verwaarloozen en het was aldus een van de oorzaken, waardoor de weg
voor de Longobarden gebaand werd.

In zijn boek over de bouwwerken van Justinianus beschrijft en vermeldt
Procopius een groot aantal kerken, aquaeducten, hospitalen, bruggen
en andere gebouwen, die door den Keizer of onder zijn auspiciën zijn
opgericht, niet alleen in Constantinopel, maar ook in Klein-Azië,
Syrië, Palestina, Egypte en andere deelen van Afrika. Het boek
is blijkbaar niet lang na den dood van Theia en den terugkeer van
Procopius in Constantinopel geschreven, en voordat de Byzantijnsche
heerschappij in Italië weer hecht gevestigd was. Dit verklaart
waarschijnlijk het feit, dat er geen Italiaansche gebouwen in worden
vermeld.

In en rondom Constantinopel bouwde en herbouwde Justinianus ongeveer
vijf en twintig kerken, waarvan vele rijk versierd waren met marmeren
beelden en mozaïeken. De meesten waren waarschijnlijk in den nieuwen
Byzantijnschen stijl, die den ouden basiliek-stijl begon te verdringen
en van dezen was de voornaamste de groote kathedraal, gewijd aan de
Heilige Wijsheid (Hagia Sophia) van God en algemeen bekend als de
Sofia-kerk. [131]) Door Constantijn was een basiliek van denzelfden
naam op dezelfde plaats gebouwd. Die was verbrand bij het tumult,
dat door de verbanning van den patriarch Chrysostomus ontstond, en een
tweede gebouw, een basiliek met houten dak, was eveneens vernield bij
het Nika-oproer. De Sofia-kerk van Justinianus bestaat nog, d.w.z. het
gebouw zooals het door hem hersteld is na een aardbeving, waarbij
een groot deel van den ouden koepel was ingestort. Het plan van deze
prachtige kerk (thans een moskee) werd ontworpen door Anthemius van
Tralles, éen der vijf broeders, die allen even beroemd waren, ieder in
hun beroep. Haar luister, die door Turksch fanatisme gedeeltelijk is
verborgen of ontsierd, wordt zeer juist beschreven door Justinianus'
uitroep: "Ik heb U overtroffen, o Salomon!" Over den bouwstijl van
de Sofia-kerk zullen wij later nog spreken.

Onder de vele andere kerken door Justinianus in Constantinopel
opgericht was een nieuw gebouw in Byzantijnschen stijl op de plaats
van de oude Constantijnsche Kerk van de Heilige Apostelen. Het is
verdwenen, doch naar dit voorbeeld is de St. Marcus' kathedraal met
de vijf koepels te Venetië gebouwd, en dus is de herinnering daaraan
blijven bestaan. Aan Justinianus moet ook worden toegeschreven de
Byzantijnsche kerk van St. Sergius en St. Bacchus, die zooals de
S. Vitale te Ravenna, in het midden achthoekig is, met acht bogen,
waarop een groote koepel rust. Deze S. Vitale is ook een beroemde,
nog bestaande kerk, die in nauwe betrekking staat met den naam van
Justinianus. Zij is ouder dan de St. Sophia (waaraan men in 532 begon);
het is een Byzantijnsche kerk, en gelijkt zoozeer op de kerk van
St. Sergius en St. Bacchus, dat zeer waarschijnlijk het ontwerp voor
Theoderik's kerk te Ravenna en misschien zelfs de werklieden afkomstig
waren van Anthemius en een ander oosterschen architect; en toevallig
was de man, die de leiding had van den bouw van de S. Vitale [132]),
Aartsbisschop Ecclesius, juist een jaar, voordat men aan de kerk
begon, te Constantinopel; want Koning Theoderik zond in 525 gezanten
naar het oostersche hof, en onder dezen was, behalve Paus Johannes,
ook Ecclesius. Zijn houding te Constantinopel beviel den Ariaanschen
monarch blijkbaar beter dan die van den ongelukkigen Paus, want kort
na zijn terugkeer en waarschijnlijk vóor Theoderik's dood begon hij
deze prachtige Byzantijnsche kerk, die, trots vele herstellingen
toch nog iets van haar oorspronkelijken luister behouden heeft. Van
bijzondere schoonheid zijn de marmeren zuilen, met de fijnbewerkte
kapiteelen en onbeschrijfelijk rijk zijn de mozaïeken.

Sommige van deze mozaïeken zijn geplaatst tijdens het leven van
Ecclesius († 534), want hij wordt er op voorgesteld zonder nimbus. Dit
apsis-mozaïek, zooals de groep engelen in de S. Apollinare Nuovo,
onderscheidt zich sterk van de andere door zijn eenvoudige en
indrukwekkende grootheid, die wij ook in de oudere mozaïeken
te Ravenna en te Rome vinden. De andere kenmerken zich door den
pronkerigen opschik en onartistieke uitvoering, die men gewoonlijk
bij Byzantijnsche mozaïeken aantreft. Deze behooren tot de periode,
die volgt op de inneming van Ravenna (540) door Belisarius, en waren
zonder twijfel bekostigd door Justinianus en Theodora, die ruim hadden
ingeschreven voor de versiering van de S. Vitale. Het is dus zeer
belangrijk, dat onder deze latere mozaïeken de portretten van den
Keizer en de Keizerin voorkomen en uit den nimbus, waarmede beiden
zijn versierd mogen wij misschien afleiden, dat de mozaïeken voltooid
zijn na 548, toen Theodora stierf, of zelfs na Justinianus' dood in
565. Justinianus wordt afgebeeld met een gouden bakje vol juweelen of
geld, dat hij de kerk aanbiedt; hij is vergezeld van den Aartsbisschop
Maximianus, die het gebouw in 547 heeft gewijd. Theodora [133], omgeven
door haar hofdames, brengt als haar offer een grooten beker en is op
het punt de kerkdeur binnen te gaan, waarbij de doopvont staat.

Nog éen kerk, S. Apollinare in Classe moet hier in verband met
Justinianus vermeld worden, want het is zeer waarschijnlijk dat
hij persoonlijk belang had bij de voltooiing van die kerk, daar zij
tusschen 535 en 538 gebouwd is door den opvolger van Ecclesius en,
evenals de S. Vitale, door Maximianus gewijd is. De stad en de haven
van Classe zijn, zooals wij reeds verteld hebben, geheel verdwenen
en deze groote basiliek van S. Apollinare staat nu, evenals de oude
Grieksche tempels te Paestum, bijna geheel verlaten; misschien is er
geen indrukwekkender gebouw in de wereld. Uitwendig bezit het geen
schoonheid die met een Griekschen tempel of noordelijke kathedraal
kan vergeleken worden, ofschoon men den ouden klokketoren, die in
zwijgende waardigheid tusschen de met waterlelies bedekte poelen en de
drassige velden van het eenzame moerasland zich verheft, niet licht
zal vergeten; maar inwendig is deze basiliek een van de heerlijkste
en prachtigste, die bestaan.



DERDE DEEL.

HISTORISCH OVERZICHT.

568-800.


Ons verhaal is afgebroken bij den dood van Narses, die waarschijnlijk
in 567 plaats vond, een paar maanden voor den inval van de Longobarden;
nu volgt, gedurende twee eeuwen ongeveer, de heerschappij van de
Longobarden, een tamelijk donkere en droevige periode, waarin vele
zaden, die later bloemen en vruchten voortbrachten, zich in den
grond ontwikkelden, maar die voor ons niet veel aantrekkelijks heeft,
behalve eenige belangrijke persoonlijkheden, voorboden van de komende
lente van de Italiaansche kunst.

De bronnen van onze kennis zijn verscheidene; van groot belang zijn
de geschriften van Paus Gregorius den Groote, het Edict van Koning
Rotharis (Roterik) met een voorrede, waarin vele feiten vermeld worden,
die een duisteren tijd eenigermate belichten (tot 640 ongeveer);
tegelijk met de handschriften van die voorrede is een belangwekkenden
Origo Langobardorum van omstreeks 607 gevonden, die de eenigszins
legendarische oudste geschiedenis van de Longobarden geeft; ten slotte
hebben de Historia Langobardorum van Paul Warnefrid, algemeen bekend
als Paulus Diaconus, een Longobard, die een tijdlang leefde aan het hof
van Karel den Groote en zich ten slotte terugtrok in het Benedictijner
klooster van Monte Cassino, waar hij waarschijnlijk omstreeks 800
stierf. Zijn Historia geeft een zeer duidelijke beschrijving van den
ellentoestand van Italië tijdens den Longobarden-inval en een reeks van
levendige portretten van de Longobardische koningen tot de regeering
van Liutprand, met vele invoegsels, in den trant van Herodotus. Het
werk is onvoltooid, misschien, omdat hijzelf een Longobard was en
toch veel aan den Frankischen koning te danken had, zoodat hij het
lastig vond de verovering van Italië door de Franken te beschrijven.

Volgens Paulus Diaconus kwamen de Langobardi of Longobardi
("Langbaarden"), evenals de Goten, van Scandinavië, waarheen hun
voorouders waarschijnlijk uit de binnenlanden van Azië getrokken
waren. Zij worden vermeld door een Latijnschen schrijver, Velleius
Paterculus, die ten tijde van Augustus in Germanië onder Tiberius
gediend had. Hij noemt hun woestheid erger dan die der Germanen
en vertelt dat zij aan de Beneden-Elbe wonen. Ongeveer 178 namen
zij deel aan de zuidwaartsche beweging van verschillende stammen,
die door Marcus Aurelius gestuit werd. Dan hooren wij drie eeuwen
niets van hen, maar zij zullen wel onder de bondgenooten van Attila
geweest zijn en blijkbaar trokken zij ongeveer 508 zuidwaarts van
de Elbe en vestigden zich aan den noordelijken oever van den Donau,
na de Herulen te hebben overwonnen. Vier en veertig jaar later (552)
gedroegen zich de Longobardische hulptroepen van Narses zoo woest,
dat hij hen moest omkoopen om naar hun land terug te gaan. De koning
van deze hulptroepen was Audoin, wiens zoon Alboin thans onze aandacht
vraagt.

Tegenover de Longobarden in het land der Rugiërs (de streek langs
den noordelijken oever van den Donau, tusschen Regensburg en Weenen)
woonden de Gepiden, die uit het Westen, uit Dacië schijnen, gekomen te
zijn en het land, dat Theoderik en zijn Oost-Goten hadden verlaten,
Pannonië enz. hadden bezet. Deze Gepiden waren in 554 zoo lastig
voor het Romeinsche Rijk, dat door Justinianus, volgens de gewone
politiek van het Byzantijnsche hof, de Longobarden werden omgekocht
om hen aan te vallen. Op den eersten veldtocht doodde de jonge Alboin
den zoon van den koning der Gepiden, Torismund, maar de oorlog werd
voortgezet en eerst toen de Longobarden voor een deel van hun vee en
veel land en buit een verbond met de Avaren, dien woesten stam van
Turksche afkomst, waardoor Justinianus zoo verschrikt was, hadden
gekocht, verpletterden zij hun vijand in een grooten slag. De Gepiden
schijnen ongeveer uitgeroeid te zijn, want men hoort niet meer van
hen en hun koning Cunimund onderging hetzelfde lot als zijn broeder
Torismund door de hand van Alboin, die nu koning van de Longobarden
was. Zijn hoofd werd afgeslagen en Alboin liet van den schedel een
drinkbeker maken. Zijn dochter Rosamund werd gevangen genomen en
gedwongen Alboin te trouwen, die vroeger naar haar hand had gedongen,
maar met minachting door haar vader was afgewezen.

De inval van de Longobarden in Italië had verschillende oorzaken. Een
van deze was zonder twijfel de druk op hen uitgeoefend door de woeste
Avaren, die zelf waarschijnlijk westwaarts werden gedrongen door
andere stammen uit het oosten; een andere oorzaak was misschien de
uitnoodiging van Narses; nog een andere, dat Italië door zijn bekenden
rijkdom en vruchtbaarheid de indringers tot zich trok, vooral daar het
in dezen tijd bijna weerloos was. De Byzantijnen hadden hun macht niet
voldoende bevestigd. Het was hun, evenmin als de Oost-Goten, gelukt
de gunst of berusting van het Italiaansche volk te winnen. Narses
had de geestelijkheid en den adel zoo verbitterd door zijn militair
despotisme, en het volk door zijn uitpersingen dat, zooals de
Romeinsche gezanten aan Justinus hadden verklaard, Italië verwoest
door de lange oorlogen, ontvolkt door hongersnood en pest, volkomen
onmachtig zich te verdedigen, bereid was zich onder Gotische of elke
andere heerschappij te stellen, daar die waarschijnlijk dragelijker
zou zijn dan die van Narses en het Oostelijke Keizerrijk. Narses
had toen zijn ontslag gekregen, maar ofschoon zijn opvolger Longinus
getracht had eenige verbetering te brengen, was hem dat mislukt. Hij
maakte geen plan voor een systematische verdediging, maar sloot zich
op in Ravenna. De verstrooide overblijfselen van het Gotische leger
sloten zich zonder twijfel bij den nieuwen barbaarschen indringer
aan en in ongeveer achttien maanden werden vele van de voornaamste
steden van Noord-Italië overgegeven aan of veroverd door de horden
[134] van Longobarden, Gepiden, Sueven, Saksen, Bulgaren en Beieren,
die met hun vrouwen, kinderen, vee en al hun roerende bezittingen
Alboin waren gevolgd over den welbekenden pas van de Julische Alpen,
die zoo dikwijls door binnendringende benden was gebruikt.

Pavia bood hardnekkigen weerstand en werd drie jaren lang belegerd. Het
was in dien tijd sterker en belangrijker dan Milaan, dat nog niet
hersteld was na den inval van de Franken, en het werd nu hoofdstad van
het Longobardische Koninkrijk. Dit rijk omvatte in Noord-Italië de
twee provincies Neustria en Austria, hetgeen ongeveer hetzelfde was
als het tegenwoordige Lombardije, Piemont, Emilia en Noord-Venetia,
met de volgende steden: Verona, Vicenza, Mantua, Trento, Bergamo,
Brescia, Milaan, Pavia, Turijn, Parma, Modena, Aquileia, Treviso. In
het noorden, westen en oosten werd dit gebied begrensd door de
Alpen, maar naar het zuiden breidde Alboin zijn veroveringen uit
over de Apennijnen en tot de streek van Urbino en den Furlo-pas
(de bekende Petra intercisa), welk strategisch punt hij bezette. En
zoo weinig weerstand werd er in Midden-Italië geboden, dat benden van
barbaren verder zuidwaarts marcheerden, het geheele binnenland en een
belangrijk deel van de kust veroverden, behalve de versterkte havens,
die toegankelijk waren voor de Byzantijnsche vloot. Twee van hun
aanvoerders wierpen zich als hertogen (duces) van dit veroverde gebied
op; de een koos Spoleto en de ander Benevento tot residentie. Deze
twee Longobardische hertogdommen, die later veel moeilijkheden
veroorzaakten, schijnen eerst in naam aan Alboin onderworpen geweest
te zijn, maar weldra werden zij feitelijk onafhankelijk.

De steden en landstreken van Italië, die de Byzantijnsche heerschappij
nog erkenden en in naam het Exarchaat [135] vormden, waren de volgende:
Ravenna en het omliggende gebied met de steden Padua, Bologna etc;
het hertogdom Venetia, d.w.z. Venetië en eenige aangrenzende eilanden
en gebied op het vasteland; een deel van Istrië; de "Pentapolis"
met de steden Rimini, Ancona etc; Genua en de Ligurische Riviera;
Rome en zijn "hertogdom"; Napels en zijn gebied, waartoe Cumae en
Amalfi behoorden; de "hak en teen" van Italië; Sicilië en Sardinië.

De verovering door de Longobarden was dus allerminst
volledig. Gedurende een eeuw was de heerschappij over Italië verdeeld
tusschen twee volkeren van geheel verschillend karakter, een feit dat
op zich zelf reeds een scheuring veróorzaakte; en deze scheuring in de
nationaliteit werd verergerd, totdat zij onherstelbaar werd door de
inwendige oneenigheden en de zwakheid van hen, die aanspraak maakten
op de heerschappij; want, aangezien oproer en anarchie voortdurend
het Longobarden-rijk teisterden, en de Byzantijnen steeds wanhopig
worstelden om hun gezag te handhaven tegen de snel toenemende macht
van de Pausen en de begeerte naar vrijheid, die in Italië wakker werd,
maakten in alle deelen van het land de steden zich langzamerhand min
of meer onafhankelijk of begonnen zich tot kleine staten te vereenigen,
waardoor ontelbare staatkundige verwikkelingen ontstonden.

Kort na de inneming van Pavia (572) werd Alboin vermoord. De
geschiedenis van zijn dood lijkt op het Gyges-verhaal van Herodotus
en schijnt een echo gevonden te hebben in de legende van de "Schoone
Rosamonde." Men zegt, dat hij zijn vrouw bij een feestmaal uitgenoodigd
of gedwongen heeft te drinken uit den beker, die gemaakt was van
den schedel van haar vader Cunimund. Rosamund wreekte zich door
haar minnaar, een edelman, Helmechis geheeten, den wapendrager van
den koning, over te halen hem te vermoorden, of volgens anderen, een
moordenaar voor die daad te huren. Alboin, in zijn slaap overvallen,
trachtte tevergeefs zijn zwaard te trekken, dat door zijn vrouw aan
de scheede was vastgebonden, en nadat hij zich eenigen tijd met een
stoel had verdedigd werd hij overweldigd en gedood. [136] Helmechis
en Rosamund trachtten met den steun van het Gepidische leger de
koninklijke heerschappij te bemachtigen, maar moesten wijken voor de
verontwaardigde Longobarden en de hulp inroepen van den Byzantijnschen
stadhouder van Ravenna, Longinus. Deze stuurde schepen de Po en de
Adige op en aldus ontvluchtten zij te zamen met Alboin's dochter
Albsuinda. Te Ravenna werden zij eervol ontvangen. Toen besloot
Rosamund, bemerkend dat Longinus verrukt was van haar schoonheid,
zich vrij te maken van Helmechis; maar nadat hij iets van den
wijn gedronken had, dien zij hem in zijn badkamer had gebracht,
ontdekte hij, dat er vergift in was en dwong haar het overige van den
doodelijken drank zelf te drinken. Misschien zijn de bijzonderheden
van dit dramatisch verhaal verzinsels, ontstaan door een poging van
de Koningin om Byzantijnschen invloed te laten gelden of zelfs door
een samenzwering om de Byzantijnsche suprematie te herstellen. Maar de
waarheid is soms even vreemd als de verdichting en de toestanden bij
de Longobarden waren in dien tijd, ondanks hun Christelijken godsdienst
(of beter Arianisme) zoodanig, dat men het verhaal wel kan gelooven.

Hoe het ook zij, twisten en samenzweringen kwamen blijkbaar
herhaaldelijk voor, want de volgende koning, Clefi of Kleph, werd
na een regeering van achttien maanden vermoord en daar de hertogen
het niet eens konden worden, werd er niemand in zijn plaats gekozen,
maar de volgende tien jaren bestuurden de hertogen, die waarschijnlijk
zes en dertig in aantal [137] waren, ieder hun eigen hertogdom zonder
een leenheer te erkennen; als wij Paulus Diaconus mogen gelooven,
regeerden de meesten zeer wreed, daar zij de rijke grondbezitters
verdreven en soms zelfs doodden, een derde van de inkomsten eischten,
de Katholieke kerken plunderden en de geestelijkheid vervolgden.

In het noorden waren de Longobarden reeds meermalen aangevallen en
verslagen door de Franken, die de grenslanden bij de Alpen (Savoye,
Zwitserland, Provence enz.) bezet hielden, vanwaar zij gemakkelijk op
Milaan en in de Po-vlakte konden neerstrijken, zooals zij ten tijde
van de Goten hadden gedaan. Deze Franken waren de eenige hoop voor
Italië, want de Byzantijnsche macht was snel [138] aan het afnemen
en een beroep van de Romeinen op den Keizer in het Oosten (Tiberius)
had slechts den raad ten gevolge gehad te trachten de Longobarden om te
koopen of de Franken over te halen om hen aan te vallen. Zonder twijfel
was dit plan vroeger besproken, voordat Tiberius dezen wanhopigen
raad gaf en het verrast ons niet, dat ongeveer een jaar later (581)
Paus Pelagius II aan den bisschop van Auxerre schrijft, de Franken er
toch op te wijzen, dat zij als orthodoxen Katholieken verplicht waren,
Rome en geheel Italië te bevrijden van dat goddelooze Longobardische
volk. Nog meer werkten waarschijnlijk vijftig duizend goudstukken
uit, die naar de Franken gestuurd werden door Keizer Mauricius,
die bij den dood van Tiberius door het gepeupel gekozen was, maar de
keizerlijke macht toch wel waardig bleek te zijn. De Franken schijnen
op deze uitnoodigingen gereageerd te hebben, maar zij werden zoo in
beslag genomen door burgertwisten, dat zij na een of twee woedende
aanvallen zich lieten omkoopen, ditmaal door de Longobarden. Zoo werd
de Frankische verovering van Italië, die reeds mogelijk en dreigend
scheen, voorloopig uitgesteld.

Maar het verbond met de Franken had de hoop en den moed van de
Byzantijnen in Italië hernieuwd en het dringend verzoek om hulp,
dat Paus Pelagius weder deed door middel van zijn gezant of Nuntius
(apocrisarius) Gregorius (den Groote), bewerkte de verkiezing van een
nieuwen en ondernemenden Exarch, Smaragdus (Smaraldo), die weldra kwam
met een aanzienlijke strijdmacht. De Longobarden daarentegen, die geen
Koning hadden, waren tot flinke samenwerking niet in staat, totdat
ten slotte de hertogen, die de oorzaak van hun eigen zwakte inzagen,
een vergadering te Pavia (585) hielden en Autharis (Autherik), den
zoon van Clefi, als hun souverein aannamen, terwijl zij gedeelten
van hun inkomsten afstonden om de monarchie te begiftigen. De
worsteling tusschen de Longobarden en Byzantijnen werd nu heviger,
vooral in het noorden en oosten, waar twee belangrijke gebeurtenissen
plaats grepen: de Isola Comacina, een klein rotsachtig eiland in het
meer van Como, dat zeer interessant is met het oog op den oorsprong
van de Longobardische architectuur en dat toen een sterke voorpost
van de Byzantijnen was, werd door de Longobarden genomen; Smaragdus
daarentegen heroverde in 588 de stad en de haven van Classe, waarover
wij ons nauwelijks behoeven te verbazen, daar de Byzantijnen meesters
van de zee waren. Inderdaad moet men er zich veeleer over verwonderen,
dat de Longobarden die plaats negen jaren lang behouden hebben, terwijl
zij toch ingesloten waren tusschen de zee en de bolwerken van Ravenna.

Deze oorlog werd een tijdlang onderbroken door een groote overwinning
van Autharis op de Franken, die, weder door de Byzantijnen omgekocht,
door den Splügen-pas de landstreek rondom het Como-meer binnendrongen;
volgens Paulus Diaconus had er nooit zulk een slachting onder de
Franken plaats gehad. In de tamelijk rustige pauze, die op dezen
slag (589) volgde, dong de Longobardische koning naar de hand
van een Beiersche prinses, Theudelinde, daar hij zich gaarne een
bondgenoot wilde verwerven. De geschiedenis van dit aanzoek en nog
veel meer over Koningin Theudelinde of Theodelinda, zooals de Romeinen
zeiden, zal later verhaald worden. [139] Dat huwelijk verbitterde
den Frankischen koning, Childebert zoozeer, dat hij wederom Italië
binnenrukte. Doch opnieuw werden de Franken gedwongen terug te trekken
wegens burgertwisten in hun land en de terugtocht werd verhaast door
een geweldige overstrooming van de Italiaansche laaglanden en vooral
ook door de pest, die met groote kwaadaardigheid uitbrak.

Paus Pelagius was een van de duizenden slachtoffers van die pest
in 590. Hij werd opgevolgd door Gregorius. Wij hebben reeds van hem
gehoord als gezant van den Paus te Constantinopel. In dit jaar 590
stierf ook Koning Autharis. Hij was waarschijnlijk een van de beste
Longobardische vorsten, ofschoon sommige onduidelijke uitdrukkingen
van Paulus Diaconus er op schijnen te wijzen, dat onder zijn regeering
de Italianen nog meer werden verdrukt dan onder de hertogen, zelfs tot
slaaf werden gemaakt en onder de Longobarden werden verdeeld. Maar dit
is in strijd met andere plaatsen, waar hij spreekt over den toestand
van het land in dien tijd. "Men hoorde van geen gewelddaden," zegt
hij "noch van eenige revolutionaire samenzwering; niemand onderdrukte
een ander op onrechtvaardige wijze, niemand plunderde; er waren geen
dieven, geen roovers; ieder ging zijn weg, waarheen hij wilde, zonder
vrees of angst."

Dat de Longobarden barbaren waren, die niet zoo artistiek waren
aangelegd als de Goten, is duidelijk; zij schijnen niet dat gevoel voor
de zuidelijke kunst en litteratuur gehad te hebben, dat zoo merkwaardig
is bij Theoderik, Amalasuntha. en ook bij Theodahad; maar zij waren
blijkbaar niet zoo wreed. Geen der Longobardische vorsten, zelfs Alboin
niet, kan beschuldigd worden van de woeste wreedheid, die Theoderik
en Theodahad aan den dag hebben gelegd. Het wilde uiterlijk van de
oorspronkelijke Longobarden, hun linnen kleederen met bonte strepen,
hun aan de achterzijde geschoren hoofden, de ruige haren, die over
hun gezicht hingen en hun lange baarden werden met nieuwsgierigheid en
schrik door hun naaste afstammelingen aanschouwd. In het zomerpaleis
van Theoderik, te Monza, dat Koningin Theodelinda liet herstellen
en met fresco's versieren, waren deze barbaarsche stamvaders van
het ras afgebeeld; zonder twijfel wekten zij groote verwondering
en afschuw, reeds lang voor de dagen van Paulus Diaconus, die
met eenige ontsteltenis de portretten van zijn voorvaderen zag
en beschreef. Maar ondanks dit ruwe uiterlijk en hun woestheid in
den oorlog, waardoor zelfs Narses gedwongen werd zich van hen, als
bondgenooten, te ontdoen, was er in hen een zachtheid, edelmoedigheid
en ridderlijkheid verborgen, die dikwijls hun gevangenen en onderdanen
verraste. Deze eigenschappen komen duidelijk uit in de Longobardische
wetten van Rotharis en worden juist aangegeven in het grafschrift
van een Longobardischen krijger, dat Faulus Diaconus aanhaalt:


            Terribilis visu facies; sed mente benignus
            Longaque robusto pectore barba fuit.


De meer humane, ridderlijke en gevoelige trekken in het Longobardische
karakter maakten ongetwijfeld die samen-smelting met de overwonnen
Italianen mogelijk, die onmogelijk was gebleken in het geval
met de Goten. De geleidelijke fusie van het Longobardische
met het Italiaansche ras bracht in den loop der tijden de
nieuw-Italiaansche kunst voort, die zich het eerst openbaarde in de
Longobardisch-Romaansche architectuur en later in de Toskaansche
beeldhouw- en schilderkunst--ofschoon alle drie uitwendig andere
invloeden hebben ondergaan. Daarentegen verdween door de gedeeltelijke
verovering en het gebrekkig georganiseerde bestuur der Longobarden
zeer zeker de eenheid in het Italiaansche volkskarakter. Of die
verdeeling gunstig was voor de kunst, is een vraag, die gemakkelijker
is te stellen dan te beantwoorden, maar dat het den risorgimento van
Italië voor vele eeuwen uitstelde, is onbetwistbaar.

Men zal zich herinneren, dat Alarik's opvolger, Athaulf, zijn plan om
een Gotisch Rijk te stichten opgaf, omdat hij overtuigd was geworden,
dat de Goten niet in staat waren zichzelf te besturen en dat de
eenige mogelijkheid om de orde te verzekeren lag in hun eerbied voor
de oude Romeinsche staatsinstellingen. Ook Theoderik en zijn dochter
Amalasuntha, moesten, niettegenstaande hun hevig verlangen om een
Vereenigd Italië te stichten, toegeven, dat Gotische invloeden hun
te sterk waren. De Longobarden brachten het evenmin tot stand, doch
tengevolge van andere oorzaken. Zij waren Italië niet binnengedrongen
op verzoek van den Oost-Romeinschen Keizer, zooals Theoderik, en
evenmin koesterden zij zulk een eerbied voor het Keizerrijk. In
hoeverre zij Romeinsche wetten en Romeinsche ambtenaren afgeschaft
hebben, kan men niet gemakkelijk aantoonen; maar het is zeker dat zij
in vele opzichten hun eigen regeeringsstelsel hebben ingevoerd. Nu
berustte dit stelsel alleen op mondeling overgeleverde wetten en
paste beter bij hun vroeger nomaden-leven dan bij de omstandigheden,
waarin zij nu verkeerden als heerschers in een land, dat gedurende vele
eeuwen het centrum van Europeesche beschaving was geweest, terwijl
zij vergelijkenderwijze de minderen in aantal waren. Bovendien was
de contrôle, die de Longobardische koning over zijn krijgslieden
uitoefende zeer verslapt, daar zijn onderdanen over bijna geheel
Italië verspreid waren en er een groot aantal hertogdommen waren
ontstaan, van welke sommige weldra onafhankelijk werden onder het
bestuur van vorsten, die erfelijke dynastiën stichtten. Ook had de
koning, ofschoon hij in geval van oorlog de hoogste macht bezat,
toch geen erfelijke rechten--een feit dat veel bloedvergieten en
verwarring veroorzaakte--en ofschoon zijn gezag aan de hertogelijke
hoven vertegenwoordigd werd door ambtenaren (gastaldi) die de
financiën moesten controleeren, oorlogsbelasting innen en toezicht
houden op militaire zaken, werden deze meer en meer tegengewerkt door
de particuliere raadslieden en gouverneurs van hertogen (gasiadi en
sculdasci). Deze decentralisatie was de oorzaak, dat het Longobardische
koninkrijk geen stevig aaneengesloten staat werd. Maar juist deze
onmacht om te heerschen leidde tot de fusie met de verschillende
Italiaansche volkeren en ofschoon het de vorming van een Italiaansche
natie uitstelde, is het toch zonder twijfel een zegen geweest.

Na den dood van Autharis in 590 verzochten de hertogen Theodelinda,
wier karakter en intellect indruk hadden gemaakt, een echtgenoot uit
hun midden te kiezen. Nadat zij consilium cum prudentibus had gehouden,
zooals Paulus Diaconus zegt, koos zij Agilulf, hertog van Turijn,
die in de kerk van S. Ambrogio te Milaan gekroond werd. Zij regeerden
vijf en twintig jaar. Deze regeering is om verschillende redenen
belangwekkend. Agilulf wordt door sommige schrijvers beschouwd als de
eerste Longobardische koning, die, zeer zeker onder invloed van zijn
verstandige koningin, getracht heeft een stevigen en gecentraliseerden
regeeringsvorm in te voeren. Bovendien is deze periode voor dengene,
die de Italiaansche kunst bestudeert, van bijzonder belang; Gregorius
de Groote is een indrukwekkende persoonlijkheid en zijn verhouding
tot den Longobardischen koning en koningin maakt het onderwerp nog
belangrijker. Wij zullen deze periode dus later uitvoeriger behandelen.

Agilulf vond drie geduchte vijanden tegenover zich, de Franken,
Byzantijnen en Romeinen, die hem gemakkelijk hadden kunnen
overweldigen, indien zij eensgezind waren geweest. Doch de Franken
waren oneenig, want hun koninkrijk, Neustrië en Austrasië, werd bewoond
door de zeer verschillende Salische en Ripuarische Franken en was bij
den dood van Clothar (558) en nog eens bij den dood van Childebert
(596) onder eenige erfgenamen verdeeld. De Byzantijnsche macht was
gehaat bij het Italiaansche volk en werd bovendien belemmerd door
de moeilijkheden in het Verre Oosten, waar de machtige dynastie van
de Perzische Sassaniden reeds ongeveer vier eeuwen het Keizerrijk
trotseerde en bleef trotseeren, totdat Perzië in 651 door de
Mohammedanen werd veroverd. De derde tegenstander van de Longobarden
was het "hertogdom" Rome, dat in naam nog onder den Byzantijnschen
stadhouder stond [140], maar inderdaad vrijwel onafhankelijk was
en zich vrijwillig gesteld had onder het gezag van den Paus, die
zoo krachtig mogelijk zijn burger-lijken en geestelijken invloed
tegen de Longobarden, die vreemdelingen en Arianen, aanwendde. Maar
Agilulf, geleid door de raadgevingen van zijn gemalin, slaagde er in
de Franken tevreden te stellen, die het hem een tijdlang niet meer
lastig maakten, en zich staande te houden tegen de Byzantijnen,
terwijl Theodelinda zelf ten slotte de warme vriendschap won van
den krachtigsten tegenstander van haar gemaal, Paus Gregorius, die
bekoord werd door het vooruitzicht de kettersche Longobarden door
haar invloed tot het Katholicisme te bekeeren.

Maar, voordat dit alles gebeurde, had Agilulf eenige jaren van zwaren
strijd. Eerst moest hij de ongehoorzame hertogen van Orta, Treviso en
Bergamo tuchtigen. De laatste van dezen, Gaidulf, had zich versterkt
op de Isola Comacina, een vesting in het meer van Como, die een paar
jaren te voren door Autharis op de Byzantijnen was veroverd. Agilulf
bemachtigde het eiland, waar hij aanzienlijke schatten vond, joeg
Gaidulf naar Bergamo en nam hem gevangen, maar spaarde zijn leven en
won aldus zijn vriendschap. Daarna maakte hij zich gereed den al te
onafhankelijken hertog van Benevento te onderwerpen. De Longobardische
hertogen van Benevento en Spoleto waren niet alleen tegen hun Koning
opgestaan, maar traden zoo dreigend tegen Rome op, dat Gregorius, die,
zooals hijzelf zegt, niet meer wist of hij een geestelijke herder
was of een wereldlijke vorst, na een vruchteloos beroep op Ravenna,
een verdrag teekende met de gens nefandissima Longobardorum, zooals
hij hen gewoonlijk noemde.

Hierop besloot Agilulf Rome aan te vallen en marcheerde in het voorjaar
naar het zuiden. Te Rome ontstond zulk een ontsteltenis, dat Gregorius
zijn preeken over Ezechiel afbrak en het zwaard aangordde. Maar,
hetzij de Romeinen, aangevuurd door hun krijgshaftigen Paus te hevigen
tegenstand boden, hetzij de malaria van de Campagna te veel offers
vroeg, Agilulf trok terug naar het noorden, na het land verwoest te
hebben; een paar jaren lang werd Italië noch door de Longobarden, noch
door de Byzantijnen meer geteisterd, want in het oosten ontstonden
ernstige onlusten, door de dreigende Avaren en door den dood van den
Keizer Mauricius die door den usurpator Phocas was vermoord.

In de latere jaren van Paus Gregorius' leven werd de verhouding
tusschen hem en den Longobardischen koning zeer hartelijk, vooral door
toedoen van Theodelinda, die als Beiersche prinses in de Katholieke
leer was opgevoed en een sterken invloed had op haar gemaal. Of Agilulf
werkelijk het Arianisme heeft afgezworen, is onzeker, maar hij stond
toe, dat zijn zoon Adelwald gedoopt werd (603) als Katholiek, zooals
wij vernemen uit Gregorius' briefwisseling met de Koningin over zijn
klein petekind. Dit begunstigde de uitbreiding van het Katholicisme
onder de Longobarden ten zeerste. Doch het duurde nog eenigen tijd,
voordat zij geheel en al afstand deden van hun ketterschen vorm van
Christelijken godsdienst.

Sinds 600 werd Gregorius hevig door jicht geplaagd en in 604 is hij
daaraan gestorven.

Het schijnt dat de populariteit, die Agilulf en Theodelinda door
hun krachtige en verstandige regeering en het aanmoedigen van kunst
en ontwikkeling gewonnen hadden, hun het voorrecht van erfelijke
souvereiniteit verschaft heeft, want in datzelfde jaar 604 werd
hun zoon, die nauwelijks twee jaar oud was, tot troonopvolger
uitgeroepen. Dit gebeurde te Milaan, in de tegenwoordigheid van den
gezant van Theudebert II, den Koning der Franken, wiens minderjarige
dochter tevens plechtig met den kleinen Adelwald verloofd werd. Na
deze gebeurtenis hooren wij weinig van Agilulf's regeering en behalve,
dat het noord-westelijk Longobardisch gebied een tijdlang geteisterd
werd door groote horden van Avaren, een Tartaarschen stam [141],
schijnen de laatste tien jaren van zijn leven rustig voorbij te zijn
gegaan, daar er officieel vrede bestond tusschen de Longobarden en het
Exarchaat; en gedurende deze periode en nog meer in de volgende tien
jaren was Theodelinda bezig eenige van hare vele kerken te bouwen,
haar paleis te versieren, en kunstenaars, Katholieke prelaten en
andere beroemde mannen aan haar hof te verbinden.

Na Agilulf's dood volgde Adelwald, nu twaalf jaar oud, een vurig
Katholiek, hem op onder het regentschap van zijn moeder. Van
de gebeurtenissen tijdens zijn regeering (615-25) weten wij zeer
weinig. Door toedoen van Ariaansche edelen brak een oproer uit, dat
hem dwong te vluchten naar Ravenna, en Ariwald, een Ariaan, werd op
den troon geplaatst. Theodelinda bleef misschien een tijdlang bij
haar zoon, maar het schijnt dat zij teruggekeerd is en als gast
aan het Longobardische hof heeft geleefd; want de nieuwe koning
trad in het huwelijk met haar dochter Gundeberga. Zij stierf in 628,
Ariwald in 636, en Gundeberga moest, evenals haar moeder, een anderen
gemaal kiezen. Zij koos Rotharis (Rotherik of Roderik), den hertog van
Brescia--een keuze, die voor het algemeen welzijn gunstiger bleek dan
voor haar persoonlijk geluk, want haar gemaal was, evenals haar eerste
echtgenoot, Ariaan en zoo weinig verdraagzaam jegens haar Katholieke
neigingen, dat hij haar gedurende vijf jaren streng gevangen hield in
zijn paleis te Pavia, waaruit zij werd bevrijd door tusschenkomst van
Clovis (Chlodwig II), den Frankischen koning. Zij wijdde het overige
van haar leven aan goede werken en volgde Theodelinda's voorbeeld
door de basiliek van S. Giovanni [142] te Pavia te herbouwen, waar
zij haar beide echtgenooten liet begraven.

Rotharis regeerde zestien jaren (636-52). Hij is voornamelijk beroemd
als de groote Longobardische wetgever, maar in de eerste zes jaren van
zijn regeering onderscheidde hij zich door het Longobardische gebied
uit te breiden over Ligurië tot de Frankische grens bij Marseille,
terwijl hij Genua en kleinere steden, Levanto en Sestri, op de
Byzantijnen veroverde. In 642 bracht hij, volgens Paulus Diaconus,
den Romeinen en Ravennaten een zware nederlaag toe bij de rivier
Panaro met een verlies van 8000 man. Zonder twijfel moet men zijn
stoutmoedigheid en geluk toeschrijven aan de volgende gebeurtenissen,
waardoor de Keizer van het Oosten, Heraclius, verhinderd werd zich
veel met Italië te bemoeien.

In de eerste jaren van zijn regeering was Heraclius opgeschrikt door
het optreden van de Perzen, die in 615 Jeruzalem hadden genomen,
vanwaar zij het Kruis (of wat er van over was) meenamen, en die
zelfs een verbond met de Avaren van Hongarije hadden gesloten en
Constantinopel bedreigden, zoodat hij er over dacht de regeering
van het Keizerrijk naar Carthago te verplaatsen. Maar hij schijnt
plotseling een merkwaardige kracht en moed te hebben ontwikkeld en
het gelukte hem eindelijk de Avaren en ook de Perzen te verslaan en
hij ontnam hun niet alleen alle gevangenen, maar ook het buitgemaakte
Kruis, dat hij in triomf naar Constantinopel bracht en daarna weder
naar Jeruzalem.

Dit gebeurde in 628-629, juist toen een nieuwe geduchte macht in
het oosten begon op te komen; want in 629, zeven jaren na de Hegira
(vlucht) werd Mekka genomen en de Heilige Oorlog door den grooten
Arabischen profeet afgekondigd. Mohammed zelf stond slechts vier
jaar aan het hoofd van zijn legers. Hij stierf in 632; maar zijn
Kaliefen breidden hun veroveringen zoo snel uit, dat tusschen 634 en
640 Damascus, Antiochië, Jeruzalem, Mesopotamië en Egypte gevallen
waren en de Saracenen, zooals de muzelmannen door de Grieken en
Romeinen genoemd werden, weldra Europa bedreigden.

Het nieuwe gevaar, dat zoo plotseling niet alleen in het oosten maar
ook in het zuiden was opgekomen, dwong Heraclius aan middelen ter
verdediging te denken, want het was niet meer mogelijk den zetel van
de regeering naar Afrika over te brengen. Een nauwere staatkundige
band tusschen alle deelen van het Rijk was zijn eenige hoop en hij
begreep, zooals ook andere Keizers reeds begrepen hadden, dat de eenige
kans om staatkundige eenheid te bereiken berustte op godsdienstige
overeenstemming; en misschien heeft de gelukkige hierarchie van
de kaliefen zijn vertrouwen in den basileus kai hiereus (koning en
priester), de leer van de oostelijke Keizers, versterkt. [143] Hij
trachtte derhalve de katholieke en kettersche sekten in het oosten
te verzoenen (de laatste waren meer geneigd gemeene zaak te maken met
den Islam, dan de Drieëenheid en de "dubbele natuur" van Christus aan
te nemen), maar zijn Ecthesis of Verklaring van het Geloof werd in
Italië met verontwaardiging verworpen en, zooals Zeno en Justinianus
en vele anderen, ondervond hij, dat elke poging om sekten met elkaar
te verzoenen en godsdienstige overeenstemming te brengen den toestand
eer slechter dan beter maakte. Daarop schijnt hij door een nerveuze
moedeloosheid te zijn aangetast en stierf in 641. Ondertusschen had
de Longobardische koning zijn macht in Italië uitgebreid en zijn
beroemden Code opgesteld.

Rotharis' Code of Edict werd bekrachtigd in een groote vergadering
gehouden te Pavia in 643. Autharis had geregeerd door mondeling
overgeleverde wetten, maar dit is de eerste barbaarsche code,
die in Italië is geschreven. Het is een soort barbaarsch Latijn en
bestaat uit 388 paragrafen. [144] In den Proloog, die historisch
de meeste waarde heeft, daar hij de namen en betrekkingen van de
Longobardische koningen tot 640 ongeveer geeft, vertelt Rotharis ons,
dat het zijn plan was al de oude wetten van zijn volk te verzamelen
en te verbeteren, en het overtollige er van te schrappen (d'entro
delle leggi trasse il troppo e vano, zooals Dante's Justinianus
van zichzelf zegt). Ofschoon men hier en daar den invloed van het
Romeinsche recht kan herkennen, is het over het algemeen Longobardisch
van inhoud en vorm; maar het geeft een paar doorslaande bewijzen van
verlichting. Zoo zijn de oude faida of vendetta en het duel afgeschaft
en ook het verbranden van heksen. Doodstraf wordt zelden opgelegd
en geldboeten komen in plaats van persoonlijke wraak--een bepaling,
die zelfs in de Romeinsche wet onbekend is. De algemeene strekking
van de wetten is gericht tegen de grootgrondbezitters evenals onder
de Gotische heerschappij en ten gunste van de arme en arbeidende
klasse. In dit opzicht steekt Rotharis' wetgeving zeer gunstig af
bij den gelijktijdigen Byzantijnschen Code, die de latifundia en
ambtelijke afpersingen toeliet.

Na den dood van Rotharis in 652 volgde een donkere en onbelangrijke
periode van zestig jaren. Zijn zoon en opvolger Rodwald wordt na een
korte regeering gedood. Daarna is Aribert, een neef van Theodelinda,
gedurende acht jaar koning, en verdeelt het koninkrijk onder zijn beide
zonen, Bertharis en Godebert, die Milaan en Pavia tot hun residenties
kiezen. De broeders krijgen twist en de jongste roept de hulp in
van den machtigen hertog van Benevento, Grimwald, die te Pavia komt,
doch Godebert doodt, in plaats van hem te helpen. Bertharis vlucht
naar de Avaren en Grimwald wordt te Pavia gekroond (662), terwijl hij
aldus voor den eersten en laatsten keer het noordelijk gebied met het
tot dusverre onafhankelijke hertogdom in het verre zuiden vereenigt
onder een Longobardischen koning [145].

Maar dit hertogdom van Benevento, dat hij aan de zorg van zijn zoon
Romwald had overgelaten, werd juist op dat oogenblik gevaarlijk
bedreigd door de Byzantijnen; en om de oorzaak hiervan te begrijpen
moeten wij weder naar Rome terug. Hier hadden de voortdurende twisten
over leerstellige spitsvondigheden zulk een hoogte bereikt, dat de
Keizer, Constans II (642-68), ten slotte den Exarch beval Paus Martinus
naar Constantinopel te sturen, daar hij weigerde te berusten in een
keizerlijk edict, dat alle verdere discussie over de "dubbele natuur"
van Christus verbood, en zelfs een Concilie had bijeengeroepen, dat
het edict als sceleratissimum veroordeelde. Paus Martinus werd door
Constans smadelijk behandeld en eindelijk gedeporteerd naar de Krim,
waar hij, naar men zegt, van honger is gestorven. Zijn opvolgers
evenwel kwamen tot een schikking met den Keizer, die zeer verontrust
werd door de veroveringen der Saracenen. Deze ongeloovigen hadden
zijn vloot bij de kust van Klein-Azië verslagen en verwoestten nu
Sicilië. Er werd dus een leger verzameld om dat eiland te verdedigen
en in 662 vertrok Constans aan het hoofd van zijn strijdkrachten
van Constantinopel en landde bij Otranto, in de meening dat het
een gunstige gelegenheid was om de Longobarden van Zuid-Italië te
overvallen; daarop belegerde hij Grimwald's zoon in Benevento. Maar
Grimwald kwam hem snel ontzetten en versloeg de 20.000 Byzantijnen
en Romeinen. Aldus redde hij zijn zuidelijke bezittingen [146].

Grimwald sterft kort daarna en Bertharis komt terug en wordt tot koning
uitgeroepen. Van zijn regeering (671-88) weten wij zeer weinig. Zijn
zoon Cunibert wordt door een usurpator van den troon gestooten, maar
later verslaat hij dien in een grooten slag bij de Adda en regeert
twaalf jaar (688-700). Wanneer Cunibert sterft, volgt zijn zoon hem
op, want het erfrecht schijnt nu erkend te zijn, maar hij wordt, omdat
hij minderjarig is, onder het regentschap van een edelman, Ansprand,
gesteld. Weldra daagt er een andere pretendent op, Ragimbert, die
zijn eigen zoon, Aribert II op den troon plaatst. Nu moet Ansprand
vluchten naar Beieren, het vaderland van Theodelinda. Toen de
usurpator Aribert hoorde, dat hij plannen maakte om terug te keeren,
nam hij zijn vrouw en kinderen (behalve Liutprand, die ontsnapte
en bij zijn vader kwam) gevangen, en verminkte hen op afschuwelijke
manier, door hun de oogen en de tong te laten uitrukken. Maar de dag
der wrake brak aan. Ansprand daalde van de Alpen af met een Beiersch
leger en velen, die den bloeddorstigen en vromen [147] tyran haatten,
voegden zich bij hem. Aribert trachtte te vluchten, maar verdronk,
toen hij met een zware tasch met geld de Ticino wilde overzwemmen.

Daarop wordt Ansprand tot koning geproclameerd, maar hij sterft
in hetzelfde jaar (712) en laat zijn zoon Liutprand als opvolger
achter. De lange regeering van Liutprand (712-744) is misschien
merkwaardiger dan die van eenig ander Longobardisch koning,
gedeeltelijk wegens gebeurtenissen, die niet rechtstreeks in verband
stonden met het Longobardische hof, maar van gewicht waren voor Italië.

Deze gebeurtenissen, die van grooten invloed waren op de verhouding
van het oostelijk keizerrijk tot het Byzantijnsche Italië (als men
dat zoo noemen mag), hingen ten nauwste samen met godsdienstige,
of liever kerkelijke vraagstukken. Wij moeten daar een oogenblik
aandacht voor vragen.

Reeds hebben wij gezien, dat de eene Keizer na den andere zich opwierp
als een soort van tegen-paus, die Concilies bijeenriep, die niet alleen
verzoenende Henotica en Ectheses afkondigde, maar ook uitdagende
definities van de Drieëenheid en de Natuur van Christus; wij hebben
gezien, hoe zij de hoogepriesters van Rome afzetten, gevangen namen,
smadelijk en wreed behandelden. Doch nu werd de vijandigheid zoo hevig,
dat zij moest eindigen in een volslagen breuk tusschen het Oosten en
het Westen. De pausen, met geestdrift ondersteund door de Italianen,
begonnen zich steeds minder te bekommeren om de eischen van de Keizers
en dit verergerde de verhouding tusschen het Byzantijnsche hof en
zijn Italiaansche provincies. In 691 deed Keizer Justinianus II een
Concilie in zijn paleis bijeenkomen. Paus Sergius weigerde de besluiten
van dit Concilie te onderteekenen. De Keizer zond toen Zacharias,
zijn Protospatharius (hoofdman van zijn lijfwacht) naar Rome om den
Paus gevangen te nemen; maar de troepen te Ravenna sloegen aan het
muiten en marcheerden naar Rome; de Romeinen stonden op om hun Paus
te verdedigen en de Protospatharius moest zijn leven redden door zich
in de slaapkamer van den Paus, onder diens bed, te verbergen, totdat
de woede van het volk in zoo verre was bedaard, dat hij de stad kon
verlaten. Justinianus wreekte zich later over deze beleediging door een
woesten aanval op Ravenna. De stad werd geplunderd, de aartsbisschop
blind gemaakt [148] en naar de Krim verbannen.

Maar de opstand breidde zich uit en niettegenstaande een tijdelijke
verzoening tusschen den Keizer en den Paus (Constantinus I) en
een feestelijke ontmoeting van deze twee in Klein-Azië, hadden
er toch ernstige onlusten te Rome plaats, waar de Exarch zelf
gedood werd; en de meeste steden van het Exarchaat maakten gemeene
zaak met Ravenna in een opstand tegen het oostenlijke Keizerrijk;
dit was de eerste confederatie van steden in de geschiedenis van
middeleeuwsch Italië. Justinianus was reeds voor eenige jaren
(695-705) van zijn troon verjaagd en zijn wreedheden verwekten nu
een tweeden opstand. Hij werd vermoord door den usurpator Bardanes,
of Philippicus, die Ravenna en de Romeinen voor zich trachtte te
winnen door den blinden aartsbisschop terug te sturen en het hoofd van
Justinianus over te zenden, waar allen zooals men vertelt "met gretige
verbazing naar keken." Doch de gunst, die hij hiermede verwierf, was
van korten duur. Zijn kettersche neigingen en het zich aanmatigen
van priesterlijke functies veroorzaakten wederom de heftigste
vijandelijkheden in Rome. De beeltenis van Philippicus werd uit de
St. Pieter en uit andere kerken verbannen; zijn naam werd niet meer
bij de mis gehoord; munten met zijn beeldenaar en onderschrift werden
geweigerd. Tot zulk een hevige uitbarsting kwam het, dat Philippicus
werd onttroond en blind gemaakt, en ook zijn twee opvolgers werden
afgezet en gedwongen de tonsuur aan te nemen. Daarna, in 717, beklom
Leo III den troon, een dapper soldaat van oostersche afkomst, daardoor
bekend als Leo de Isauriër en nog beter bekend als Leo de Iconoclast.

Het volgende bedrijf van ons drama wordt voornamelijk gespeeld
door Liutprand, Keizer Leo en (tot 731) Paus Gregorius den Tweede,
den krachtigen tegenstander van den iconoclastischen keizer. De
belangrijkste gebeurtenissen zijn de staatkundige en kerkelijke
scheuring tusschen het Oosten en Westen en de daaruit voortkomende
toeneming van de Longobardische macht, welke de Pausen dwong de hulp
van de Franken in te roepen [149].

Wat den beeldenstrijd betreft, dient opgemerkt te worden, dat velen
in het oosten van het Keizerrijk, zonder twijfel onder invloed van
de Oostersche monotheïsten, b.v. van de Joden en de Mohammedanen,
die overtuigd waren van de gevaarlijke neiging van de menschelijke
natuur tot afgodendienst, ofschoon zij niet door ultra-puriteinsche
beweegredenen gedreven werden, toch niet in staat waren de houding
van de Roomsche Kerk ten opzichte van het gebruik van beelden te
begrijpen, een houding, die vooral moet toegeschreven worden aan de
nawerking van het oude heidendom.

Keizer Leo [150] nam, nadat hij de eerste negen jaren van zijn
regeering had gebruikt om de Saracenen krachtig terug te werpen en
gelukkige veldtochten tegen hen in Sicilië had volbracht, in 628 het
gewichtig besluit de Hercules-arbeid op zich te nemen om de Godshuizen
te zuiveren van idolatrie, want hij was besloten den oorlog te
verklaren aan de fetisch-vereering van beelden en schilderstukken. Zijn
eerste daad was het beroemde Edict, dat beval alle godsdienstige
beelden te vernielen of uit de kerken te verwijderen. Dit Edict
was des te hatelijker voor de Katholieke geestelijkheid, omdat er
een minachting achter verscholen was voor de Maria-vereering en het
plompe bijgeloof, dat samenhing met de relieken--om niet te spreken
van het kloosterleven en het gedwongen coelibaat.

In Constantinopel zelf en elders in het Keizerrijk ontstond een
hevige oppositie tegen het Edict; maar hier werd dit met geweld
onderdrukt, terwijl er in Italië daarentegen een plotselinge en
geweldige uitbarsting op volgde, die de Byzantijnsche macht ernstig
aangreep. Ravenna, Venetië en andere steden van het noordelijke
Exarchaat stonden op tegen hun stadhouders en kozen hun eigen duces;
en voortaan erkenden slechts een paar steden in het uiterste zuiden
van het schiereiland den Keizer en den Patriarch van het Oosten--een
toestand, die bleef bestaan tot de komst van de Noormannen.

Het verdere verloop van den strijd over de beelden is meer uit een
kerkelijk dan een historisch oogpunt van belang. Na den dood van Paus
Gregorius II in 731 was zijn opvolger Gregorius III eerst op de hand
van Leo; maar zijn Concilie was het niet met hem eens en sprak over
ieder, die niet voor den beeldendienst was, den ban uit. In 754 kwam
een Concilie van 338 bisschoppen te Constantinopel samen en verklaarde
zich eenstemmig tegen beelden. De vrome Irene, die haar eigen zoon
onttroonde en blind maakte, heeft de eer verworven den beeldendienst
in het oosten weer hersteld te hebben, want een Concilie [151] door
haar te Nicaea in 787 bijeengeroepen nam met algemeene stemmen aan dat
"de beeldendienst de Heilige Schrift, de Vaders en de Concilies van
de Kerk welgevallig is" en dat "gebeden moeten worden opgezonden tot
de beelden van de Heiligen en tot het Kruis."

Wij zullen nu terugkeeren tot Liutprand. Zijn regeering van twee en
dertig jaren, merkwaardig als de periode van den beslissenden opstand
tegen het keizerlijk gezag in Italië, was bovendien belangrijk, omdat,
terwijl Pausen en Keizers, Romeinen en Byzantijnen, zich afmatten door
godsdienstigen en staatkundigen strijd, de Longobardische koning snel
zijn gebied uitbreidde en versterkte door verovering en verstandige
wetgeving, en de ontwikkeling van een nieuwe bouwkunst begunstigde
door de gilden van de Comacijnsche bouwmeesters te beschermen, die vele
kerken voor hem oprichtten, zooals de prachtige basiliek van S. Pietro
te Tuscania (Toscanella) bij Viterbo, den Duomo en Battisterio van
Novara en verscheidene kerken te Genua en Pavia, b.v. de beroemde
Ciel d'oro, waar hij de beenderen van den H. Augustinus neerlegde,
die hij had gekocht van de Saracenen op Sardinië.

Liutprand voegde 153 wetten bij den code van Rotharis. Deze wetten
zijn belangrijk om haar barmhartigheid en Christelijke zachtheid. Zij
toonen een innigen afkeer voor de oude barbaarsche gewoonten van het
duel of het "Godsoordeel"; zij geven de vrouw rechten en verdedigen
de armen tegen onderdrukking.

De eerste veroveringen van Liutprand hadden het Longobardische
koninkrijk zuidwaarts [152] uitgebreid en ook over het grootste
gedeelte van Emilia en Pentapolis; ongeveer 730 schijnt hij Ravenna
genomen te hebben; want wij lezen, dat in 734, Paus Gregorius
III aan Orso, den derden Doge van Venetië, verzoekt Ravenna "voor
het Keizerrijk" te heroveren; en dit gebeurde, hetgeen bewijst,
hoe machtig en onafhankelijk Venetië reeds was geworden. Het toont
ook, hoe ongerust Paus Gregorius werd over den snellen groei van de
Longobardische macht. Zoo ongerust werd hij, dat hij een paar jaren
later (739) een opstand trachtte te ondersteunen van de zuidelijke
Longobardische hertogdommen Spoleto en Benevento. Daarop marcheerde
Koning Liutprand nog eens naar het Zuiden, versloeg Thrasamund, den
oproerigen hertog van Spoleto, die naar den Paus vluchtte, en trok
tegen Rome op.

Het gebeurde in deze crisis, toen Liutprand het land van het Romeinsche
hertogdom verwoestte tot aan de basiliek van den H. Petrus, die
toen buiten de muren stond, dat Gregorius den beroemden brief
schreef, waarmede het nog beroemder Weener handschrift, de Codex
Carolinus [153], begint, den eersten brief door hem geschreven
"Domino excellentissimo filio Carolo subregulo", aan Karel Martel,
den overwinnaar van de Saksen, Friezen en Beieren, den redder van
Christelijk Europa door zijn eeuwig-gedenkwaardige overwinning over
de Mooren en Arabieren bij Poitiers, den heerscher over alle Franken,
ofschoon in naam slechts Hertog van Austrasië en Magister Palatii
in Neustrië.

Deze brief van Gregorius III kwam ongelegen, want Karel had juist
de hulp van Liutprand ingeroepen tegen de Arabieren en Liutprand was
reeds noordwaarts getrokken om hem te helpen; maar toen hij zag, dat
de oorlog tegen de ongeloovigen geëindigd was, keerde hij terug en
begon wederom het gebied van de Kerk in het Romeinsche Hertogdom te
verwoesten. Toen schreef Gregorius nog eens een dringenden brief aan
Karel, waarin hij hem te hulp riep contra nefandissimos Longobardos en
er hem aan herinnerde dat hij hem, behalve andere prachtige geschenken,
de gouden sleutels had gezonden van de tombe van den H. Petrus cum
vinculis (d.i. die vijlsel bevatten van de ketenen van den Apostel). De
bedoeling van deze sleutels was zeker Karel te beduiden, dat men
op hem als verdediger van de tombe van den H. Petrus vertrouwde;
en een kroniekschrijver verzekert, dat Gregorius de stellige belofte
gaf van den keizer af te vallen (a partibus Imperatoris recedere) en
Karel als Romeinsch Consul te erkennen. Het lijkt vreemd, dat de Paus
zou toegegeven hebben, dat er nog eenige band met het Byzantijnsche
hof bestond, want het schijnt, dat te Rome het Byzantijnsche gezag
volstrekt niet meer erkend werd. Maar het verhaal kan toch waarheid
bevatten; Gregorius is misschien eenigszins de uitnoodiging van Paus
Leo III aan Karel den Groote vooruitgeloopen.

Gregorius ontving geen antwoord op zijn verzoek, want hij stierf
plotseling in November van dit jaar (741) en Karel was reeds een maand
eerder gestorven. Keizer Leo overleed ook in hetzelfde jaar. Liutprand
bleef dus alleen over van de vier belangrijke persoonlijkheden van
deze periode, maar hij overleefde hen slechts drie jaren. Doch deze
drie jaren vermeerderden zijn gebied en roem niet weinig. De nieuwe
Paus, Zacharias, werd zonder keizerlijke bekrachtiging gewijd--een
sterk bewijs van de onlangs verworven onafhankelijkheid; hij nam
jegens den Longobardischen koning een verzoenende houding aan
en er vond een plechtige ontmoeting plaats in de basiliek van den
H. Petrus te Viterbo, bij de grens van het Longobardische Toskane en
het Romeinsche Hertogdom. Hier werd een wapenstilstand van twintig
jaar geteekend. Liutprand sloot ook een verdrag met Stephanus, den
Hertog of Patricius van Rome, die nu feitelijk de president was van
de Romeinsche Commune. Hij bevestigde ook zijn souvereine rechten over
de nog oproerige zuidelijke hertogdommen door Trasamund af te zetten,
die de tonsuur moest aannemen, evenals zoovele gevallen potentaten in
die tijden, en hij plaatste nieuwe regeerders op de hertogelijke tronen
van Spoleto en Benevento. Wellicht is het te betreuren, dat Liutprand
nu geen gebruik heeft gemaakt van zijn positie en getracht heeft zijn
koninkrijk te grondvesten op de basis van een vereenigd Italië, zelfs
wanneer die vereeniging van tamelijk heterogene elementen voorloopig
had moeten geschieden door buitenlandsche krachten. Hoe het ook zij,
de poging is niet gedaan, misschien omdat het genie om keizerrijken
te bouwen in het Longobardische karakter niet aanwezig was, misschien
ook omdat de eerbied van Liutprand, als oprecht katholiek, voor het
geestelijk gezag en de wereldlijke bezittingen van de Kerk hem deed
aarzelen. Hoe sterk hij onder den invloed van dien eerbied stond,
bewijst het feit, dat hij na het verdrag van Viterbo vele steden en
sterkten, waarop de Paus als erfgenaam van de Byzantijnsche bezittingen
aanspraak maakte, teruggaf, zoowel in het noordelijke Exarchaat als
in het Romeinsche hertogdom, en dat hij twee jaren voor zijn dood op
aandringen van den Paus zijn plan om Ravenna aan te vallen opgaf.

In 744 stierf Liutprand en zijn zoon (of neef) Hildebrand volgde hem
op, maar werd weldra afgezet door Ratchis. Van Ratchis' regeering
weten wij bijna niets, behalve dat zij eindigde, toen hij zich naar
Monte Cassino terugtrok. Zijn broeder en opvolger Astulf (749-56)
veroorzaakte door zijn hevige, aggressieve, anti-pauselijke politiek
den eersten ernstigen inval van de Franken. In 752 nam hij Ravenna,
welk feit men beschouwt als het einde van het Byzantijnsche Exarchaat,
en ondanks den vrede van veertig jaren, dien hij geteekend had,
weigerde hij hardnekkig de Romeinsche en pauselijke steden en
landstreken op te geven, welke hij had veroverd, en fremens ut leo joeg
hij den Romeinen zulk een schrik aan met zijn bedreigingen, dat Paus
Stephanus, barrevoets en bestrooid met asch processies van smeekelingen
leidde naar de drie groote kerken van Rome, terwijl hij het geschonden
verdrag op een kruis voor zich uitdroeg. Eindelijk bracht de Paus,
wanhopig, een bezoek aan den Longobardischen koning te Pavia. Maar
alles was vergeefsch; hij vervolgde dus zijn reis en trok de Alpen
over om persoonlijk Pepijn, den koning der Franken, om hulp te vragen.

Pepijn de korte en zijn broeder Karloman bezaten een tijdlang de
hoogste macht na den dood van hun vader Karel Martel, maar zij heetten
slechts maires du palais van den laatsten koning der Merovingers,
den roi fainéant Childerik III. Karloman, die het wereldsche leven
moede was, had zich in 746 teruggetrokken naar een klooster, dat hij
zelf gesticht had op den berg Soracte bij Rome, en vandaar naar het
Benedictijner klooster van Monte Cassino. Daarop had Pepijn tot den
Paus Zacharias de vraag gericht of hij, die werkelijk het koninklijk
gezag uitoefende, niet meer recht had den koninklijken titel te voeren
dan een roi fainéant. Hierop gaf Zacharias het verlangde antwoord en
stuurde Bonifacius, den Engelschen zendeling in Germanië, die toen
Aartsbisschop van Mainz was, om Pepijn te kronen in het plechtige
conclave van Soissons (751).

Toen nu twee jaren later de opvolger van Zacharias, Paus Stephanus
II de Alpen overtrok om de hulp van Koning Pepijn in te roepen,
kwam de jonge prins Karel (de latere Karel de Groote) hem tegemoet
en begeleidde hem, totdat de koning zelf kwam aanrijden om zijn
gast te ontvangen. Dadelijk, nog voordat zij het paleis bereikten,
beloofde Pepijn onder eede "dat hij het Exarchaat en alle andere
plaatsen en rechten aan de Republiek van Rome zou teruggeven" of, met
andere woorden, aan den Kerkelijken Staat. Hij dringt er dan op aan,
dat Stephanus den winter in de Abdij van St. Dionysius (St. Denis)
zal doorbrengen; hij schrijft dreigbrieven aan den Longobardischen
koning Astulf, maar vergeefs; hij vernieuwt zijn belofte aan den
Paus in plechtige vergaderingen; en Paus Stephanus, van zijn kant,
kroont in de kerk van St. Denis niet alleen Pepijn zelf, maar ook
zijn gemalin Bertharid (Berthe au grand pied) en hun beide zonen,
Karel en Karloman, een daad, die beschouwd wordt als de pauselijke
sanctie van Pepijn's dynastie, daar hij zelf reeds gekroond was als
koning der Franken door St. Bonifacius. Het was werkelijk eenigszins
een herleving van het Romeinsche Keizerrijk, want bij de kroning
schonk Stephanus, als vertegenwoordiger van Rome, aan den Frankischen
koning den hoogsten titel, Patricius, die door de Keizers slechts
aan eminente leden van het keizerlijk huis was gegeven, of gevoerd
was door vorsten als Odovacar en Theoderik.

Pepijn vervulde zijn belofte. Kort na zijn tweede kroning trok hij
aan het hoofd van een groot leger, vergezeld van den Paus en een
groote cavalcade van prelaten, den Mont Cenis over, dreef Astulf
naar Pavia terug en dwong hem de belofte af Ravenna en andere
steden van het vroegere Exarchaat terug te geven en wel, zooals
hij uitdrukkelijk bepaalde, aan den H. Petrus d.w.z. aan den Paus,
en niet aan den Oost-Romeinschen Keizer. Maar nauwelijks was Pepijn
uit Italië getrokken, of Astulf weigerde, als gewoonlijk, zijn woord
te houden. Hij marcheerde zuidwaarts, verwoestte het Romeinsche en
kerkelijke gebied en dreigde Rome te plunderen, als de Paus niet
aan hem werd uitgeleverd. Paus Stephanus, in uiterste wanhoop,
zendt Pepijn een brief, niet van hemzelf, maar van niemand minder
dan den H. Petrus, die verklaart dat de Heilige Maagd, de Hemel
en alle Heiligen en Martelaars zijn verzoek ondersteunen en dat,
indien Pepijn zich daaraan niet stoort, hij, Petrus, krachtens het
gezag van de Drieëenheid en zijn Heilig Ambt, hem, Pepijn, uit het
koninkrijk Gods en het eeuwige leven verbant. Derhalve trekt Pepijn
nog eens den Mont Cenis over, neemt Pavia in (756) en dwingt Astulf,
die zijn belegering van Rome snel had opgebroken, zijn veroveringen
in het Exarchaat en de Pentapolis [154] op te geven; daarna stuurt
hij de sleutels van al deze steden naar den Paus.

In ditzelfde jaar stierf Astulf. Zijn broeder Ratchis, die afstand
had gedaan en zich teruggetrokken had naar den Monte Cassino, trad
nu weder op, in de hoop tot koning verkozen te worden; maar de Paus
haalde hem over naar zijn klooster terug te keeren, en ondersteunde
de verkiezing van Desiderius, den hertog van Toskane, die kwistig was
met zijn beloften om den Paus te helpen in zijn aanspraken op al het
oorspronkelijke gebied van het Exarchaat en de Pentapolis, beloften
die, als gewoonlijk, onvervuld bleven; want de nieuwe Longobardische
Koning deed van niets afstand behalve van Faenza en Ferrara.

Maar de landhonger van de Pausen werd niet verzadigd door zoo'n
hapje. Stephanus' broeder, Paulus, was hem als Paus opgevolgd en
de aanspraken van den Paus, die steeds meer gebied vroeg (want de
aanspraken van "den H. Petrus" hadden nu die van "de Heilige Roomsche
Republiek" totaal verduisterd) begonnen bij den Romeinschen adel veel
vijandschap te verwekken, een opmerkenswaardig feit, daar dit, veel
meer dan eenige twist tusschen den Paus en Oost-Romeinschen Keizer het
werkelijke begin was van de veete tusschen de Gibellijnen en Welfen
[155].

In de volgende twaalf jaren worden er verdragen gesloten en geschonden
door de vijf heerschers, wier slaaf Italië is, maar de toestand blijft
over 't algemeen, zooals die was. In 767 sterft Paus Paulus en in het
volgend jaar Koning Pepijn. Hij laat het Frankische koninkrijk na aan
zijn twee zonen, Karel en Karloman, die door hun hevige twisten groote
onlusten stichten en de bestaande oneenigheden zelfs in de steden
van Italië nog scherper maken. Maar na drie jaren sterft Karloman
en zijn weduwe vlucht met haar kinderen naar het hof van Desiderius
te Pavia. Zoo wordt Karel in 771 alleenheerscher over het Frankische
rijk van Neustrië en Austrasië en alles, wat daarbij behoorde.

Voordat wij de onderwerping van de Longobarden door Karel vertellen,
is het noodig een blik te werpen op Rome na den dood van Paus Paulus
in 767, om ons een begrip te vormen van de bijna ongeloofelijke
wreedheid, met welke de aristocratische en kerkelijke partijen den
strijd hebben gevoerd. Paus Paulus lag op zijn sterfbed, maar leefde
toch nog, toen de Hertog van Nepi, een klein stadje in het Romeinsche
hertogdom, haastig tegen Rome optrok en zijn broeder Constantinus op
den pauselijken troon zette. Daar Constantinus een leek was, moest hij
bevestigd worden als geestelijke, diaken, priester en daarna gewijd
als bisschop en Paus, alles op denzelfden dag. Een jaar later werd een
priester, Philippus, door de Longobardische partij op den voorgrond
geschoven. Hij werd in het Lateraan gewijd en besteeg den pauselijken
troon in de St. Pieter, waar hij aan de menigte zijn pauselijken zegen
gaf. Maar de volgende maand (Augustus 768) werd door een combinatie van
geestelijken, van het leger en het volk een derde Paus, Stephanus III,
een vriend van wijlen Paus Paulus, gekozen. "Deze nieuwe verkiezing",
zegt Villari, "bracht de woede van het volk niet tot bedaren, want,
voordat de nieuwe Paus gewijd werd, besloot de overwinnende partij
wraak te nemen op Constantinus en zijn aanhangers. Sommigen werden
de oogen en tong uitgerukt. De razende menigte stormde daarna naar
het huis, waar de ex-Paus opgesloten was. Zij overstelpten hem met
beleedigingen, zetten hem te paard op een vrouwen-zadel en brachten
hem naar een klooster. Vandaar werd hij naar de Lateraan-basiliek
gevoerd, waar de verzamelde bisschoppen hem plechtig afzetten, door
hem zijn pallium en verdere pauselijke kleederen uit te trekken. Kort
daarna sleurden zijn vijanden hem uit het klooster, staken hem de
oogen uit en lieten hem halfdood op straat liggen". Een priester,
die de voornaamste bewerker was geweest van de verkiezing van Paus
Philippus en bescherming had gezocht in het Pantheon (S. Maria ad
Martyres) werd van het heilige beeld, waaraan hij zich vastgeklemd
had, losgescheurd, naar het Lateraan gesleept, en blind gemaakt op
dezelfde wijze; hij stierf aan de gevolgen.

Maar wij moeten tot Karel terugkeeren. Door den dood van zijn broeder
was hij alleenheerscher der Franken geworden. Niet lang voordat dit
gebeurde had zijn moeder Bertharid (Berthe) hem overgehaald om zich
te verbinden met den Longobardischen koning Desiderius en zelfs diens
dochter Desiderata tot gemalin te nemen. Toen Paus Stephanus III van
dit huwelijk hoorde, was hij zeer ontsteld. Zijn brief aan Karel,
dien deze zelf bij zijn collectie van pauselijke brieven voegde
en dien men nog in Weenen kan inzien, is in zeer heftige termen
geschreven. Hij noemt elken band tusschen het edele Frankische en
het zondige Longobardische ras "diabolisch" en voegt er bij, dat
hij zijn brief gelegd heeft op de tombe van den H. Petrus en dat hij
hem nu met tranen in de oogen wegstuurt. En toch--zoo wisselvallig
waren de gebeurtenissen in deze jaren--in hetzelfde jaar (771),
dat Karel alleen koning werd (want dit gebeurde pas in December),
had Stephanus plechtige samenkomsten gehouden met Desiderius, die met
een sterke lijfgarde naar Rome was gekomen, schijnbaar als pelgrim,
doch in werkelijkheid om den Paus te bevrijden van zekere woelige
edelen en geestelijken, welk doel werd bereikt, daar de leiders
van de vijandige partij werden gevat en blind gemaakt. Doch in een
paar maanden veranderde Stephanus' gezindheid, want toen hij hoorde,
dat Karel met den Longobardischen koning gebroken had,--hij had hem
doodelijk beleedigd door Desiderata terug te sturen--brak ook hij
met Desiderius en trachtte de gunst van den Frankischen vorst te
winnen. Maar de dood maakte een einde aan zijn intriges (Februari 772).

Paus Stephanus werd opgevolgd door Hadrianus I, een man met een
sterk karakter. Zijn regeering van drie en twintig jaren was zeer
belangrijk. Een van zijn eerste daden was een gezantschap te zenden
om te protesteeren tegen het gedrag van Desiderius, die, woedend over
de beleedigingen hem door Karel aangedaan en ongetwijfeld daartoe
aangezet door de weduwe van Karloman, Faenza en Ferrara had ingenomen
en Ravenna bedreigde. Hadrianus' gezantschap richtte niets uit en
weldra was de Longobardische koning op marsch naar Rome.

Toen riep de Paus dringend om hulp en Karel haastte zich hem
te ontzetten. Hij trok met twee legers naar Italië. Eén leger,
onder bevel van zijn oom, een zoon van Karel Martel, nam zijn weg
door den pas van Jupiter Poeninus (Monte Giove, Mont Joux of Groote
St. Bernard), het andere voerde hijzelf over den Mont Cenis; een hevige
strijd werd gevoerd (Juni 773) in de bergpassen, waar de Longobarden
sterke versperringen hadden aangelegd. Desiderius werd naar Pavia
teruggeslagen, waar hij door het eene Frankische leger nauw werd
ingesloten, terwijl het andere Turijn, Milaan, Verona [156] en andere
steden veroverde. Nadat Karel Pavia zes maanden vergeefs belegerd had,
besloot hij het Paaschfeest van 774 in Rome te gaan vieren. Dit eerste
bezoek van hem aan Rome, dat van belang is wegens de bevestiging van
Pepijn's Donatie, zal in een volgend hoofdstuk worden beschreven. In
Juni verliet hij Rome en keerde weer naar Pavia terug, dat zich
weldra overgaf. [157] Desiderius werd met zijn vrouw en dochter naar
Frankrijk gezonden. Hij werd gedwongen de tonsuur aan te nemen en
stierf in vergetelheid. Zoo eindigde de Longobardische heerschappij.



Karel, die nu ongeveer 32 jaar oud was, beheerschte het geheele
Frankische gebied ten noorden van de Alpen en het Longobardische
rijk in Italië [158] tot de rivier de Garigliano (Liris). Hij voelde
zich reeds gerechtigd den titel Rex Francorum et Longobardorum te
voeren behalve dien van Patricius Romanorum, den titel van zijn
vader Pepijn. Maar zijn rijk zou zich nog geweldig uitbreiden. Hij
was bestemd te regeeren over geheel Westelijk Europa; en zijn
veroveringsoorlogen begonnen ook terstond. Hij verliet Pavia,
haastte zich ook noordwaarts en begon dadelijk den eerste van de elf
veldtochten, waarin hij in de volgende elf jaar met groote inspanning
en veel bloedvergieten de Oost- en Westfaalsche Saksen onderwierp,
woeste en verbitterde vijanden van het Christendom, aangevoerd door
hun beroemd opperhoofd, Widukind. [159] Op zijn eersten veldtocht
(775) bracht hij deze Saksische heidenen een gevoelige nederlaag toe,
maar nauwelijks was de vrede weer hersteld, of er kwam uit Italië
bericht, dat een Longobardisch hertog een complot smeedde om zichzelf
tot koning der Longobarden op te werpen en dat Adelchis, de zoon
van den ongelukkigen Desiderius, met een vloot van Constantinopel
was overgestoken om den opstand te steunen. Als een bliksemstraal
schoot Karel neer van de Alpen en verpletterde de rebellen met een
onverwachte woestheid, die men waarschijnlijk aan zijn opgekropte
verontwaardiging moet toeschrijven. Dan trok hij even snel naar het
noorden terug. Hier strafte hij de Saksen nogmaals. Een paar maanden
later is hij in Spanje, strijdt tegen de Saracenen, neemt Pampluna en
nadert Saragossa. Daarna wordt hij weder teruggeroepen (778), trekt
naar het noorden terug en op zuidelijke hellingen van de Pyreneeën, bij
Roncesvalles, wordt zijn geheele achterhoede, volgens sommigen 30.000
man, en vele paladijnen neergehouwen door de Basken (Vascones), een
voorval, dat beroemd is geworden door de legenden, die samenhangen met
Orlando en gebruikt zijn door de dichters van de Gestes de Charlemagne
en de Chanson de Roland, en later weder door Boiardo en Pulci en
Ariosto; maar, wanneer Milton [160] dacht, dat Karel vernietigd was in
de dolorosa rotta van Roncesvalles, vergiste hij zich deerlijk, want,
ofschoon hij, zooals Dante zegt "zijn heilige onderneming verloor"
(perdè la sante gesta) om de Saracenen uit Spanje te verdrijven,
had hij toch binnen een paar maanden de steeds weerspannige Saksen
gegeeseld en was weder in Italië, waarheen hem Paus Hadrianus geroepen
had; want Zijne Heiligheid werd op nieuw zeer lastig gevallen door
de in naam onderworpen, maar feitelijk onafhankelijke Longobardische
Hertogen van Spoleto en Benevento, die slechts weinig aandacht schonken
aan territoriale aanspraken van het Pausdom of aan Donaties van Pepijn
en Constantinus. Nadat Karel de Kerstdagen te Pavia had doorgebracht,
bezocht hij Rome weder, waar hij het Paaschfeest van 781 vierde en
zijn vierjarigen zoon Karloman nog eens liet doopen door Hadrianus
en kronen als "Koning van Italië" en zijn tweejarigen Louis (Ludwig)
als Koning van Aquitania; het gewicht van deze plechtigheden ligt in
het feit, dat Karel hiermede formeel het recht van den Paus erkende
om koningen te benoemen en aldus het zaad strooide van de toekomstige
twisten over de Investituur.

De gebeurtenissen van de volgende jaren zijn van weinig belang. Nog
eens roept Paus Hadrianus, in het nauw gebracht door den Hertog van
Benevento, Karel naar Rome, wederom bezoekt Karel Italië en viert
Kerstmis te Florence en Paschen te Rome (787). Daarna ontstaat er
een voorbijgaande opwinding door de landing van Adelchis, zoon van
Desiderius, in Zuid-Italië, gesteund door Byzantijnsche troepen;
maar zij worden door de Franken en hun Longobardische hulptroepen
weggejaagd naar Sicilië en wij hooren niets meer van Adelchis.

Wat de bouwkunst betreft is het volgende van groote beteekenis; Karel
gaf een bewijs van zijn openlijke erkenning der pauselijke rechten
door hem verlof te vragen "zekere marmeren beelden en mozaïeken" uit
Ravenna te halen om zijn paleis en zijn kathedraal te Aken daarmede
te versieren. Deze kathedraal, waarin hij begraven is, was gebouwd
volgens het plan van de S. Vitale en de verwijdering van "zekere
marmeren beelden en mozaïeken" beduidde ongetwijfeld de algeheele
berooving van eenige der prachtigste kerken te Ravenna en ook van de
paleizen van Theoderik en de Exarchen.

Tusschen 790 en 795 vernemen wij, dat Karel oorlog voert met de
Avaren en natuurlijk met de Saksen en dat zijn onwettige zoon Pepijn
een opstand leidt in Friuli, maar ten slotte in een klooster sterft;
wij hooren ook van een synode te Frankfurt, waar de koning werkzaam
aan deelneemt, en van een grafschrift van 38 versregels door hem
gemaakt op Paus Hadrianus, die in 795 stierf en door den beroemden
Leo III werd opgevolgd.

De nieuwe Paus toonde dadelijk, welke lijn hij in de politiek zou
volgen. Hij zond Karel het vaandel van de stad Rome en de gouden
sleutels van de St. Pieter, waardoor hij hem als Patricius en
Verdediger van de Kerk [161] erkende en bij de dateering van zijn
Bullen ging hij niet uit van de troonsbestijging van den Keizer,
maar van den "Koning der Franken en Longobarden"; aldus verbrak
hij den laatsten band met de Oost-Romeinsche heerschappij. Karel
beantwoordde deze beleefdheden door Zijne Heiligheid te verzekeren,
dat hij de Kerk zou verdedigen tegen buitenlandsche vijanden en
binnenlandsche ketterij en smeekte, dat hij hem zooals Mozes [162],
met opgeheven handen, bij zijn ondernemingen zou helpen.

Kort hierna vond er een coup d'état plaats te Constantinopel, die, in
theorie althans, een einde maakte aan het Oost-Romeinsche Keizerrijk,
als men ten minste mag zeggen, dat zulk een imperium ooit bestaan
heeft. [163] De ongelukkige Constantinus VI werd onttroond en van het
gezicht beroofd door zijn moeder Irene, die den keizerlijken diadeem
aannam; vijf jaren lang hield zij een schitterend hof en reed in een
vergulden wagen, getrokken door melk-witte paarden, door de straten
van de hoofdstad, omgeven door een slaafschen stoet edelen, terwijl
haar blinde zoon tastend zijn weg zocht in de tuinen van het paleis,
verwaarloosd, veracht of vergeten.

En nu gebeurde te Rome, wat het rechtstreeksch gevolg was van
de herleving van het Romeinsche Imperium in de persoon van Karel
den Groote. De Romeinsche aristocratie, zoowel de leeken als de
geestelijken, aangemoedigd door de volslagen breuk met het Oostelijk
Rijk, hoopte misschien een republikeinsche of oligarchische autonomie
te stichten, zooals in Venetië, Napels en andere steden in opkomst
was; zij spanden samen met de partijgenooten van den vorigen Paus,
Hadrianus, en vielen Leo aan, terwijl hij een processie door de straten
leidde. Hij werd van zijn paard geworpen; oogen en tong werden hem
uitgerukt. Deze werden hem echter volgens een schrijver van den Liber
Pontificalis op miraculeuze wijze teruggegeven. Zijn vrienden verbergen
hem in een klooster. Daaruit ontsnapt hij door middel van een touw,
evenals de H. Paulus [164], bereikt Spoleto en stuurt een dringende
smeekbede aan Karel. Maar de koning wordt geheel in beslag genomen
door een opstand van de Saksen en verzoekt Leo hem te Paderborn,
tusschen Keulen en Hannover, te bezoeken; hij zendt den jeugdigen
Pepijn (den wettigen Pepijn, koning van Italië) en andere edelen om
hem te escorteeren. Te Paderborn wordt Leo met grooten eer ingehaald;
Karel en zijn krijgslieden knielen om zijn zegen te ontvangen.

Doch weldra kwamen er uit Rome zeer ernstige beschuldigingen. Men
verzekerde, dat de koning, indien hij de zaak slechts nauwkeurig
onderzocht, het wel noodzakelijk zou achten Leo af te zetten. Ten
slotte besloot Karel, aangespoord door zijn Engelschen raadsman,
Alcwin, die hem zeide, dat hij meer aandacht moest schenken aan het
hoofd dan aan de voeten van het Rijk, de Saksen voorloopig aan hun
eigen plannen over te laten en Rome te bezoeken. Maar toen hij zag,
dat dit onmogelijk was--want ook Bretagne en de Saracenen maakten het
hem lastig--, zond hij Paus Leo daarheen, vergezeld van prelaten en
ambtenaren en gaf bevel, dat de zaak openlijk onderzocht zou worden. De
Paus maakt een triumftocht door Italië en wordt (November 799) buiten
Rome, bij den Pons Milvius, door een groote menigte geestelijken,
senatoren, edelen, afgevaardigden van het leger, het volk en de gilden
(scholae) ontvangen. Hij houdt de Mis in de St. Pieter en geeft zijn
zegen aan de menigte; een paar dagen later worden zijn beschuldigers
in een plechtige rechtszitting, gehouden in de Feestzaal (Triclinium)
van het Lateraan, die hijzelf had laten bouwen, veroordeeld wegens
laster en naar Frankrijk gezonden om door Karel gevonnist te worden.

Maar Karel was van plan zelf te Rome de zaak te beslissen en in den
herfst van 800 trok hij daarheen, nadat hij zijn vijanden eindelijk
overwonnen had. Te Mentana, ongeveer 20 K.M. van de stad, kwam Leo met
een groote menigte hem te gemoet, en op den eersten December hield hij
een plechtig conclave in de basiliek van de St. Pieter, gekleed als
Patricius in toga en chlamys en omgeven door zijn paladijnen, edelen,
en alle prelaten en aristocraten van Rome. Van deze rechtszitting is
geen gelijktijdig verslag overgebleven, maar wij weten, dat op den
23en December, nadat alle bewijzen waren gehoord, Paus Leo den kansel
besteeg en met de hand op de Evangeliën zijn onschuld betuigde--een
tooneel, dat op een van Raffael's beroemde fresco's is voorgesteld. De
aanklagers werden ter dood veroordeeld; maar door tusschenkomst
van Leo werd het vonnis veranderd in levenslange verbanning naar
Frankrijk. Op denzelfden dag kwamen er, zegt Villari, twee gezanten
van den Patriarch van Jeruzalem, die aan Karel de sleutels van die
stad en van de kerk van het Heilige Graf overhandigde.

Op Kerstdag werd een plechtige Mis gehouden door den Paus in de
St. Pieter; na den dienst gingen de Paus en Karel naar de tombe van
den Heilige om te bidden en ten aanschouwe van alle aanwezigen,
knielden zij voor het hoogaltaar, waar de confessio (de toegang,
voorzien van een hek) naar beneden voerde, naar het graf van den
apostel. Toen Karel na het gebed oprees, plaatste Paus Leo een gouden
kroon of diadeem op zijn hoofd; tegelijkertijd liet de menigte, die
in de groote basilica dicht opeengedrongen stond, luide de volgende
woorden hooren: "Carolo, piissimo Augusto, a Deo coronato, magno,
pacifico Imperatori, vita et victoria!" Toen zalfde Paus Leo Karel
en zijn zoon Pepijn, bekleedde den nieuw-gekroonden Keizer met den
purperen mantel en gaf hem, door te knielen, of volgens anderen,
door hem te kussen, zijn gehoorzaamheid of vereering te kennen.

Men kan vragen, wat den Paus bewoog, een Keizer, die hijzelf, zooals
men zou kunnen beweren, gekozen had, te aanbidden. Zonder twijfel
kende hij aan het idool, dat zijn eigen handen hadden gemaakt,
een zekere goddelijke heiligheid toe en aanbad hij in Karel den
door God Uitverkorene; maar, welke ook zijn theoriën mogen geweest,
het is volkomen begrijpelijk, dat hij, die Karel groote dankbaarheid
schuldig was voor zijn redding uit een zeer gevaarlijken toestand,
gaarne in hem zijn wereldlijken heer erkende, ofschoon hij blijkbaar
den Paus beschouwde als den eenigen uitvoerder van den Goddelijken
Wil en met hooger gezag bekleed dan de Keizer.

Maar was de Paus bij deze gelegenheid de bemiddelaar van de keuze
des Hemels? Was Karel door den Paus uitverkoren, terwijl deze
voor den Hemel handelde of voor zichzelf? En was zijn kroning als
Keizer gelegitimeerd door deze willekeurige en eenigszins theatrale
handeling van Paus Leo of was het geen uiting van recht, maar van
macht en door Karel zelf tevoren beraamd? Of was dit het gevolg van
de wel-overdachte keuze of bekrachtiging van den Romeinschen Senaat
en het Romeinsche volk?

Eginard (Einhart), de secretaris en biograaf van Karel den Groote
verzekert (waarschijnlijk heeft Karel zelf hem dit meegedeeld), dat
de koning volkomen verrast was, daar hij geenerlei vermoeden had van
de dramatische vertooning, die de Paus had voorbereid. Alles wijst
er echter op, dat het plan tevoren overlegd was, waarschijnlijk te
Paderborn en dat Karel naar Rome kwam met het opzettelijk doel de
pauselijke en openbare bekrachtiging te ontvangen van een titel,
dien hij reeds als den zijne beschouwde [165].

Gregorovius vertelt ons dat "een plechtig decreet van de hooge
vergadering van alle Romeinsche prelaten, geestelijken, edelen en
het volk aan de kroning voorafging." Het schijnt werkelijk, alsof
de toejuichingen bij de kroning van buiten geleerd en gerepeteerd
waren. Zeker is het duidelijk dat, wat ook Karel en Paus Leo mogen
gedacht hebben, het Romeinsche volk, of misschien moeten wij zeggen
het Italiaansche volk, zich voorstelde dat zij den Frankischen vorst
tot hun Imperator en Augustus hadden gekozen--een werkelijk Romeinschen
Keizer, die te Rome was gekroond.



HOOFDSTUK I.

GREGORIUS DE GROOTE.


Er had in 589 een groote overstrooming van den Tiber plaats, gevolgd
door een hevige uitbarsting van de pest, die reeds vele jaren vroeger
Europa had geteisterd. Paus Pelagius was een van de vele duizenden
slachtoffers te Rome. Als zijn opvolger werd met algemeene stemmen
Gregorius gekozen. Deze was geboren in 540, toen Belisarius Ravenna
innam of een weinig later, toen Baduela de Gotische heerschappij
in Italië weer deed herleven. De juiste datum is niet bekend,
maar sommigen zeggen, dat het dezelfde dag (21 Maart, 543) was,
waarop de groote Heilige stierf, dien hij bijzonder vereerde en wiens
leven hij heeft beschreven, St. Benedictus. Zijn familie was van den
senatorenstand en zeer vermogend. Zijn ouders, vurige Katholieken,
lieten hem theologie en philosophie studeeren [166], maar hij schijnt,
evenals St. Ambrosius, een politieken loopbaan gekozen te hebben, want
als jong man was hij reeds Prefect of Praetor van Rome. Doch weldra
kreeg zijn religieuze neiging de overhand, en hij gebruikte een groot
deel van zijn vermogen om zes kloosters op Sicilië te stichten en een
zevende te Rome, terwijl hij voor dat doel zijn voorvaderlijk paleis
[167] op den Coelischen Heuvel afstond, waar nu de kerk van S. Gregorio
Magno staat. Hier leefde hij eenige jaren zeer sober, en werd, toen hij
ongeveer 36 jaar oud was, diaken, waarschijnlijk daartoe bewogen door
Paus Benedictus I, die hem de wijding gaf. Sinds dien tijd schijnt
hij veel belangstelling te hebben gehad in zendingswerk; en zijn
geestdrift werd geprikkeld of misschien zelfs het eerst opgewekt door
die schoon-lokkige Engelsche jongelingen, die als slaven werden ten
toon gesteld, wier schoonheid hem volgens Beda den uitroep ontlokte:
"Non Angli, sed Angeli".

Beda, die een van Gregorius' oudste biografen is, verzekert ook, dat
hij een zendings-expeditie ondernomen heeft om de Angel-saksers te
bekeeren; maar na een reis van drie dagen gaf hij zijn voornemen op
en keerde naar Rome terug. Dit gebeurde op aandrang van zijn vrienden
of naar aanleiding van het volgende voorval, indien het waar is; en
waarom zou het niet waar zijn? Men heeft reden om het te gelooven; want
ondanks zijn vastberaden en flink karakter was Gregorius kinderlijk
bijgeloovig [168]. Gedurende de middagrust sprong een sprinkhaan
op den vermoeiden zendeling, die het vriendelijk diertje met zijn
Latijnschen naam, locusta, aansprak en daarna zoo getroffen was door
de overeenstemming met de woorden "loco sta!" ("blijf op uw plaats
staan"), dat hij het voorteeken aannam. Na zijn terugkeer werd hij door
Paus Pelagius gekozen als zijn nuntius of secretaris (apocrisarius)
te Constantinopel, en bij den dood van den Paus in 590 werd hij, daar
hij juist in dien tijd te Rome was, aangewezen om hem op te volgen. De
verkiezing van een Paus moest in die tijden nog bekrachtigd worden door
den Oost-Romeinschen Keizer en men zegt, dat Gregorius hem dringend
geschreven heeft zijn toestemming te weigeren; maar de brief werd
onderschept en een vlucht mislukte, zoodat Gregorius ten slotte toegaf
en dadelijk, nog voordat de keizerlijke bekrachtiging was aangekomen,
zijn krachtig karakter toonde door plechtige processies te houden om
den toorn van den Hemel af te wenden en een einde te maken aan de pest.

Er was bevolen, dat alle prelaten, priesters, monniken, nonnen, en een
groote menigte burgers, met zwarte sluiers en kappen en verdeeld naar
de vier wijken van de stad, hun hoofdkerken zouden bezoeken, die alle
zwart gedrapeerd waren en dan zouden opgaan naar de basiliek van de
Moeder Gods (S. Maria Maggiore). De straten waren vol van eindelooze
processies van smeekelingen, die brandende kaarsen en fakkels droegen,
treurzangen en Kyrie Eleisons zongen, terwijl nu en dan een zwarte
gedaante, getroffen door de doodelijke pest, ter aarde stortte.

Toen nu de grootste processie de St. Pieter naderde en Gregorius zelf
juist het midden van de brug bereikt had, verscheen er in de lucht,
zwevend boven het mausoleum van Hadrianus, de gedaante van een engel
met een vlammend zwaard; en men zag, dat hij het zwaard in de scheede
stak, om te beduiden, dat de pest tot stilstand was gebracht. Men
hoorde hemelsche stemmen het Regina coeli zingen en Paus Gregorius
antwoordde door het Ora pro nobis aan te heffen. Hierom kreeg de Moles
Hadriani den naam Engelenburg (Castel Sant' Angelo). Het is onzeker,
wanneer er het eerst een standbeeld van den engel is opgericht. Men
zegt, dat Paus Bonifacius IV, de opvolger van Gregorius, een kapel
heeft gebouwd boven op de Moles en die genoemd heeft "S. Angelus
inter Nubes." Een marmeren beeld, dat ongeveer 1550 door Montelupo is
gemaakt, werd waarschijnlijk in 1740 vervangen door de tegenwoordige
bronzen figuur, het werk van een Vlaamschen kunstenaar.

Gedurende het eerste gedeelte van zijn pontificaat was Paus Gregorius
een zeer hevige en openlijke vijand van de Longobarden. In zijn
brieven worden de Italiaansche steden steeds aangespoord den barbaren
en ketters weerstand te bieden en dringt hij er zelfs op aan, dat de
geestelijken de wapenen zullen opnemen. Niet minder ijverig was hij in
het verdedigen van de Italianen tegen de Byzantijnsche verdrukking,
zooals wij kunnen zien in zijn brieven aan Keizerin Constantina,
waarin hij den ellendigen toestand van het volk op Sicilië en Sardinië
(waar de heidensche beeldendienst blijkbaar nog steeds bestond) en
de schaamtelooze afpersingen en onrechtvaardige handelingen van de
Byzantijnsche ambtenaren beschrijft. Doch de voornaamste reden tot
zorg gaven hem de Longobarden. Men zal zich herinneren, hoe Agilulf,
die door Theodelinda in hetzelfde jaar, waarin Gregorius Paus werd,
tot haar koninklijken gemaal was gekozen, in 593 naar het Zuiden
marcheerde en het Romeinsche gebied verwoestte, hoe Gregorius zijn
publieke voordrachten over Ezechiël afbrak en al zijn energie gebruikte
om de stadsmuren weer op te bouwen en strijdkrachten te organiseeren,
zoodat hij ten slotte niet meer wist "of hij een geestelijke was of
een wereldlijk vorst." Aldus wordt hij door zijn vurig patriotisme en
zijn krachtige werkzaamheid erkend als het civiele hoofd van Rome;
hij leidt de onderhandelingen en verbreekt of sluit verdragen met
Longobardische koningen en hertogen en Byzantijnsche Exarchen.

Zijn vaderlandsliefde werd geëvenaard door zijn godsdienstijver. Niet
slechts had hij als Christen zulk een afschuw van het heidendom, dat
men hem verdacht van de vernietiging van vele oude monumenten en veel
literatuur, maar als katholiek had hij misschien nog meer afkeer van
alle vormen van ketterij. De bekeering van de heidensche Angel-saksen
was een van zijn vroegste idealen en in 596, toen hij nog slechts zes
jaren paus was, zond hij zendelingen onder leiding van St. Augustinus
den jongere naar koningin Bertha, de Frankische katholieke gemalin van
Ethelbert, koning van Kent [169]. In een brief aan den Bisschop van
Alexandrië beschrijft Gregorius deze onderneming aldus: "Daar het volk
van de Angelen, dat in den meest afgelegen hoek van de wereld leeft,
nog steeds hardnekkig volhardt in de vereering van blokken en steenen,
kwam de gedachte bij mij op hun een monnik te sturen om onder hen,
als God het zoo wilde, te preeken; en toen met mijn goedkeuring de
bisschoppen van Germanië dezen gewijd hadden, hielpen zij hem om
dat volk daar aan het einde van de wereld te bereiken." Dan vertelt
hij van mirakelen, die de wonderen van de Apostelen evenaren, en van
de bekeering van de 10.000 Angelen. Ofschoon men het uitroeien van
de oude Engelsche Kerk moet betreuren, kan men toch niet ontkennen,
dat de zending van Gregorius de beschaving van de Romeinsche wereld
weder in Brittannië heeft gebracht, hetgeen volgens onze meening een
weldaad was.

Een ander zendingswerk, dat door zijn gunstigen afloop Gregorius
groote vreugde bracht, was de bekeering van de Longobarden, d.w.z. hun
bekeering van Arianisme tot orthodox Katholicisme. Evenals Bertha
en Ethelbert, was ook de Longobardische koningin een goed katholiek,
daar zij een Beiersche prinses was, en door toedoen van Theodelinda
was Gregorius aan het eind van zijn leven op goeden voet met den
Longobardischen koning en in staat een invloed uit te oefenen, die
ten slotte bewerkte, dat het geheele Longobardische volk gereinigd
werd van de Ariaansche besmetting. Agilulf bleef waarschijnlijk een
ketter tot zijn dood, ofschoon Paulus Diaconus het ontkent. Misschien
was de koning geen zeloot en wilde hij liever jegens beide partijen
verdraagzaam zijn. In ieder geval, toen zijn opvolger, de kleine
Adelwald, werd geboren (602) stond hij toe, dat deze als Katholiek
gedoopt zou worden. De brieven, die Paus Gregorius bij deze gelegenheid
aan Koningin Theodelinda schreef zijn op zichzelf zeer belangrijk en
verdienen bovendien hierom onze belangstelling, omdat ten minste éen
van de geschenken, die hij aan zijn klein petekind zond, herkend kan
worden op het oude relief, dat men nog kan zien boven den ingang van
de kathedraal van S. Giovanni te Monza, die oorspronkelijk gebouwd
is door Theodelinda [170].

"De brief, dien gij mij uit de omgeving van Genua stuurt" schrijft
Gregorius, "maakt mij deelgenoot in uw vreugde door mij ervan
te verwittigen, dat U door de genade van den Almachtigen God een
zoontje is geboren en ook, dat hij, hetgeen u tot eer strekt, bij de
Katholieke kerk is ingeschreven ... Ik bid, dat God u moge bewaren en
mijn kleine Adelwald moge opgroeien in Zijn liefde." Nadat hij daarna
heeft verteld, hoe pijnlijk hij door de jicht geplaagd wordt, voegt
hij erbij, dat hij aan den kleinen Adelwald zendt "eenige relieken,
nl. een kruis met een stukje hout van het Heilige Kruis van den
Heiland, en een afschrift van het Heilige Evangelie in een Perzisch
étui. En aan mijn kleine dochter, zijn zuster, stuur ik drie ringen,
twee van hyacint en een van onyx ...."

Ongeveer een jaar later (14 Maart, 604) maakte de jicht, waaraan
hij vier jaren lang steeds meer geleden had, een einde aan zijn
leven. Die plaag was misschien de male di fianco, dien hij gekozen
had, in plaats van twee dagen in het Purgatorium, als een straf voor
de gebeden, waarmede hij Trajanus had doen herrijzen om hem te doopen,
zoodat de heidensche Keizer, in strijd met de wetten van het noodlot,
in den hemel was toegelaten. [171]

Hodgkin zegt in zijn Italy and her Invaders, dat Gregorius grooter is
als Romein dan als Heilige. Zeker is er veel in zijn karakter, zooals
het uit zijn leven en geschriften blijkt, dat onze bewondering en
sympathie heeft, maar er zijn trekken, die geen van beide opwekken. Een
van deze is zijn neiging tot plomp bijgeloof, en een ander zijn blinde
onverdraagzaamheid jegens klassieke literatuur en kunst. "Men neemt
algemeen aan", zegt Gibbon, "dat Gregorius de tempels bestormde en
de beelden van de stad verminkte, dat op bevel van dien barbaar de
Palatijnsche bibliotheek in asch is gelegd en dat in het bijzonder
het werk van Livius het doel van zijn fanatieke aanvallen was. De
geschriften van Gregorius zelf toonen zijn onverzoenlijken afkeer
van de monumenten van het klassieke genie en hij kritiseert hevig de
profane kennis van een bisschop, die de Latijnsche dichters bestudeerde
en in één adem de lofzangen op Jupiter en die op Christus uitsprak." Er
is, zooals Gibbon toegeeft, geen stellig bewijs, dat hij werkelijk de
vandalismen bedreven heeft, waarvan hij beschuldigd wordt, maar hij was
blijkbaar trotsch op zijn onbekendheid met het Grieksch en ofschoon
hij niet het barbaarsche Latijn schreef, dat een beetje later door
Leo III, Stephanus III en anderen uit dien tijd gebruikt werd, [172]
had hij toch een fanatieken afkeer van het heidensche classicisme,
zooals blijkt uit zijn toornig schrijven aan den Gallischen bisschop,
waarop Gibbon doelt (in uno ore cunt Jovis laudibus Christi laudes
non se capere) en uit zijn verzekering, dat "het zeer ongepast is,
dat de woorden van het hemelsch orakel zouden onderworpen zijn aan
de wetten van den grammaticus Donatus".

Een vreemd en lastig te verklaren feit moet nog vermeld worden,
ofschoon men het gaarne zou willen verzwijgen. In 602 werd Keizer
Mauricius te Constantinopel onttroond door een overweldiger,
Phocas [173], die met monsterachtige onmenschelijkheid zijn
slachtoffer vermoordde, nadat hij zijn kinderen voor zijn oogen
geslacht had. Gregorius, die een tijdlang, toen hij nuntius van Paus
Pelagius was, aan het hof te Constantinopel geleefd had, was zeer
bevriend geweest met den Keizer en zijn familie; maar toen Phocas zich
beschermend tot Gregorius richtte, schreef de Paus, in plaats van hem
verontwaardigd van zich te stooten, een slaafschen en vleienden brief
(die nog bestaat), waarin hij zijn vermoorden vriend verzaakte en zich
verheugde in de verwachtingen, die hij koesterde van dat monster ten
opzichte van de kerk.

Zijn werken zijn talrijk: Epistolae, Dialogi, Homiliae, Libri
Morales, Cura pastoralis enz. en ook praktische handboeken, die
aanwijzingen geven voor den dienst in de Kerk. De Roomsche Kerk volgt
nog steeds bij de mis voornamelijk het voorschrift van Gregorius, dat
verschilt van den regel van St. Ambrosius, die te Milaan in gebruik
is. Gregorius voegde ook vier toonschalen bij de vier authentieke
schalen van St. Ambrosius. De muziek, die gebaseerd is op deze acht
toonladders is bekend als het Gregoriaansche koraalgezang. Een van
de prachtigste motieven van Wagner's Parsifal, het Graal-motief is
rechtstreeks genomen van een Gregoriaanschen toonschaal.

Als theoloog schijnt hij niet altijd onfeilbaar geweest te zijn,
indien wij mogen gelooven, wat Beatrice aan Dante vertelde, toen
zij in het Paradijs hem de cirkels en de hierarchiën der engelen
verklaarde. Gregorius, zeide zij, durfde op dit punt af te wijken van
Dionysius den Areopagiet, maar "zoodra hij zijn oogen in den hemel
opende, lachte hij over zichzelf"--


            ...... sì toste come gli occhi aperse
            In questo cielo, di sè medesmo rise.



HOOFDSTUK II.

BOUWKUNST EN MOZAÏEKWERK.

300-800.


In dit hoofdstuk zullen eerst eenige eigenaardigheden van de
verschillende bouwstijlen behandeld worden, die in sommige deelen van
Italië gedurende de periode, die wij doorloopen hebben overheerschend
waren en daarna zal er iets over de mozaïeken bijgevoegd worden. Het
groote verschil van meening, dat onder de schrijvers bestaat
over den oorsprong, classificatie, chronologie en benaming van de
bouwstijlen--vooral over het gebruik van zulke woorden als "Romeinsch",
"Byzantijnsch", "Romaansch", "Longobardisch", enz.--maakt het bijna
onmogelijk eenige mededeeling te doen zonder zich aan kritiek bloot
te stellen. Misschien is het onder dergelijke omstandigheden het best
de termen te gebruiken, die de rechtstreeksche indrukken, gewijzigd
door de meeningen van anderen, ons langzamerhand hebben geleerd als
de verstandigste en doelmatigste. [174] Vagliami 'l lungo studio e
'l grande amore.

Men kan aannemen, dat de klassieke Romeinsche kunst, ofschoon haar
geest nog vele jaren bleef leven en men geen nauwkeurigen datum kan
geven voor haar verdwijnen, is uitgestorven tusschen den tijd van de
Antonini en dien van Constantijn den Groote (c. 160-300). Misschien
wordt de beste illustratie van het bijna ongeloofelijke verschil
tusschen deze twee tijdperken ten opzichte van de kunst gegeven door
den triomfboog van Constantijn (zie fig. 2). De boog dateert, hetzij
hij door Constantijn hersteld is of niet, zeker uit den tijd van de
Antonini, misschien van Trajanus (c. 110) en is een mooi voorbeeld
van laat-klassieke bouwkunst; maar een blik op de reliëfs--die van
Trajanus en de Antonini naast die van Constantijn--zal beter dan
woorden aantoonen, niet alleen wat de beeldhouwers van Constantijn's
tijd beteekenden, maar ook hoe de Romeinen alle gevoel voor kunst
moesten verloren hebben, wanneer zij zonder zichzelf te minachten èn
naar deze èn naar gene afbeeldingen konden kijken.

Maar zelfs in den tijd van Constantijn vertoont de bouwkunst soms nog
de oude klassieke bevalligheid en adel, zooals wij zien in de villa van
Diocletianus te Spalato en in de S. Costanza te Rome, en deze klassieke
bezieling bleef vele jaren bestaan en verscheen zoo nu en dan als een
geest van het verleden, zooals b.v. in de twee beroemde Mausoleums, van
Galla Placidia en van Theoderik, edele en werkelijk Romeinsche [175]
gebouwen, ofschoon het eerste kruisvormig en van een koepel voorzien
is en het tweede eveneens onder invloed van de Oostersche architectuur
staat. Maar deze geest van het verleden was gedoemd te verdwijnen en
een nieuw beginsel zou een nieuwen stijl bezielen. Laten wij, om dit
te bewijzen, het vraagstuk van den boog en het gewelf behandelen.

Het eigenaardig verschil, dat de Romeinsche bouwkunst van de
Grieksche onderscheidt, is voornamelijk gelegen in de toepassing
van den boogvorm, niet alleen bij tempels, maar ook bij de groote
bouwwerken van algemeen nut, aquaeducten, bruggen, reusachtige
amphitheaters en badhuizen. Het eigenlijke verschil tusschen de
twee stijlen kan men zich het best denken, wanneer men zich het
Parthenon en daarna de bekende aquaeduct, den Pont du Gard voor oogen
stelt. Groote aquaeducten en groote bruggen waren, als bouwwerken,
den Grieken onbekend, ofschoon zij hun Enneakrounoi en schipbruggen,
zooals die van Xerxes, hadden. Werken van dien omvang en met die
bedoelingen zijn onuitvoerbaar in een stijl, welks leidend beginsel
een horizontaal systeem was van architraaf, fries en kroonlijst
gedragen door zuilen. Het is waar, dat het gewelf reeds gevonden
wordt in de Grieksche bouwkunst (b.v. in de oude grafkamers te
Mycenae) en de aetos of de driehoekige gevel een neiging vertoont
tot het principe van wederzijdschen steun. Maar toen de Romeinen
den boogvorm aannamen, en ook het gewelf, de apsis en den koepel
[176], ontstonden er geheel nieuwe mogelijkheden; de oude Grieksche
bouworde verloor zijn constructieve functie en werd meer dienstbaar
gemaakt aan de versiering; want in de groote Romeinsche gebouwen,
zooals de amphitheaters, werden de zuilen dikwijls voor colonnades
gebruikt, de een boven den ander, een bouworde, die ongetwijfeld
artistiek onjuist maar soms toch zeer indrukwekkend is, indien de
verhoudingen goed zijn. De Romeinsche boog had geen zuilen noodig;
het was oorspronkelijk niet anders dan een boog uitgehouwen in een
dikken muur, en de horizontale bovenbouw van den ouden stijl werd
gebogen en dikwijls als een nutteloos overblijfsel aangegeven door
een versiering langs den boog, die soms zelfs van de basis van den
eenen pijler naar den ander liep.

Hier begon zich nu het nieuwe principe te toonen. Wij hebben gewezen
op de villa van Diocletianus te Spalato en de S. Costanza te Rome als
overblijfselen van de klassieke kunst, en dit is juist, wat betreft
den edelen vorm en verhouding; maar zij kunnen nog beter dienen als
voorbeelden van den ouden bouwvorm bezield door een nieuwen geest;
want te midden van de droevige ontaarding van de klassieke sculptuur
en architectuur en de algemeene plundering van antieke monumenten
voor de oprichting of versiering van nieuwer gebouwen, een wijze van
handelen, die met de meest gevoellooze barbaarschheid plaats vond,
begon men toch in te zien, dat in de bouwkunst (zooals misschien
in alles) schoonheid en nut innig samenhangen, ofschoon men dien
samenhang niet altijd duidelijk kan aanwijzen. In dit geval was
het de zuil, die wederom iets te doen kreeg. In Diocletianus' villa
(c. 300) vinden wij zuilen, die werkelijk bogen dragen, zooals bij
den "Dom van de Rots" (de kerk van het Heilige Graf), die misschien
door Constantijn te Jeruzalem gebouwd is, terwijl bij het Romeinsche
Mausoleum van Constantijn's dochter (later de kerk van S. Costanza)
een zware bovenbouw van muur en koepel gedragen wordt door bogen,
die rusten op korte, horizontale stukken, elk liggende op twee zuilen,
zooals men op de schets kan zien. Dit is misschien het eerste bekende
voorbeeld van vrije zuilen, die het geheele gewicht van een grooten
bovenbouw dragen, zooals dat ook in de oude Christelijke basilieken
is; een tweede belangrijk punt is het feit, dat het korte gekoppelde
kapiteel een duidelijke aankondiging is van het tweede kapiteel of
pulvino van een anderen stijl, den Byzantijnschen, die weldra in
het oostelijke Rijk en in sommige deelen van Italië overheerschend
zou worden. Laten wij nu deze twee nieuwe bouwstijlen, dien van
de Christelijke basilieken en dien van de Byzantijnsche gebouwen
behandelen.



Basilieken.

De oorsprong van de Christelijke basiliek is onbekend. Het woord
beteekent in het Grieksch een koninklijk gebouw. In het oude Rome
werd het gebruikt voor een zaal om rechtszittingen of vergaderingen
te houden; de grootste was de Basilica van Constantijn (eindelijk
gebouwd door zijn mededinger Maxentius), wier geweldige ruïne bekend
is aan ieder, die Rome heeft bezocht. Beroemd is ook de Basilica
te Trier, die oorspronkelijk een rechtzaal of een hal was. Maar de
theorie, dat ooit een dergelijk openbaar gebouw aan de Christenen
zou zijn afgestaan, of dat zij of de architecten van Constantijn de
eerste kerken zouden gebouwd hebben naar het voorbeeld van dergelijke
gebouwen, wordt over het algemeen niet meer aanvaard, en het gewone
Romeinsche huis met zijn atrium en zuilengangen, of een schola wordt
nu als het prototype beschouwd; en de naam wordt verklaard als het
"Huis des Konings" d.w.z., "Huis des Heeren", wat ook het woord "kerk"
(kyriakon) beteekent.

Niet lang geleden werd een kleine Christelijke kerk van basiliekvorm,
de S. Maria Antiqua, aan het licht gebracht te midden van de
geweldige ruïnen aan de noordzijde van den Palatinus. Men gelooft,
dat het oorspronkelijk de bibliotheek van den Tempel van Augustus
is geweest en het is zeer wel mogelijk, dat het een van de eerste
kerken in Rome was en als voorbeeld voor de oudste Christelijke
basilieken heeft gediend. Men kan duidelijk zien hoe de zuilenrijen
en de aula veranderd zijn in schip en apsis. De muren zijn versierd
met Byzantijnsche frescos uit lateren tijd, die snel verkleuren.

Een oude Christelijke basiliek is gewoonlijk een langwerpig rechthoekig
gebouw, in de lengte in drie of vijf ruimten verdeeld door zuilenrijen,
die houten daken dragen, terwijl het dak van het midden-gedeelte,
het schip, zooveel hooger is dan de andere daken, dat de wanden
bovenaan van ramen voorzien en door mozaïeken of frescos versierd
kunnen worden. Het schip eindigt in een halfrond koor gedekt door
een halven koepel of apsis, en aan de andere zijde van het gebouw is
een vestibule of zuilengang of een atrium, waarvan wij nog een mooi
voorbeeld hebben in de S. Ambrogio te Milaan [177].

Zelfs in zeer oude basilieken vinden wij het beginsel van een transept
(kruisvleugel), zooals b.v. in de drie grootste oude basilieken van
Rome, de S. Pietro, S. Paolo (fuori le mura) en S. Maria Maggiore
[178]. In de oudste basilieken werd ongetwijfeld de horizontale
bouworde aangewend, maar de nieuwe stijl, die den zuil met den boog
combineerde, schijnt vroeg in zwang te zijn gekomen. In de Maria
Maggiore hebben wij de architraaf, in de S. Paolo en S. Clemente de
archivolte en in de S. Pietro (de oude basiliek) rustten op de zuilen
van het schip architraven, terwijl de buitenste zuilen van den zijbeuk
bogen droegen.

Het is niet zeker of er Christelijke basilieken of in het algemeen
kerken, die zich niet onder den grond bevonden, vóór den "Kerkvrede"
(313) bestaan hebben. Van den tijd van Constantijn [179] tot de dagen
van Theoderik en de komst van de Longobarden (ongeveer 250 jaar)
was de basiliek-stijl overheerschend in Rome, waar ongeveer twintig
kerken [180] nog in mindere of meerdere mate de sporen van klassieke
tempels of basilieken vertoonen, daar de zuilen of fundamenten dikwijls
van oude tempels of basilieken zijn. De prachtigste van dezen is de
S. Maria Maggiore (gesticht c. 352) en een zeer belangrijk voorbeeld is
de S. Clemente (gesticht c. 320), terwijl de heerlijke S. Paolo fuori
die voor den noodlottigen brand van 1823 de grootste was van de nog
bestaande oude basilieken, nu onder de reconstructies gerekend moet
worden. Wanneer men bedenkt, dat Rome zoo lang onder Byzantijnsche
heerschappij heeft gestaan lijkt het vreemd, dat het nauwelijks
eenig ander spoor van Byzantijnsche bouwkunst bezit, vooral daar de
Byzantijnsche invloed op de Romeinsche mozaïeken later (d.w.z. nadat
de strijd over den beeldendienst de kunstenaars uit het oosten naar
Rome had gebracht) zeer waarneembaar is.

De eenige stad van Italië, die Rome misschien in basilieken overtreft,
is Ravenna, dat gedurende drie eeuwen, als hoofdstad van het Westersche
Keizerrijk, van het Oost-Gotische koninkrijk, en van het Exarchaat,
in staatkundige en geestelijke aangelegenheden Rome's mededingster
was. Deze schitterende basilieken van Ravenna (van c. 500-600)
zijn vroeger reeds beschreven. Zij verschillen in dit opzicht van de
basilieken te Rome, dat zij, zooals de latere basilieken van Grado en
Torcello, Byzantijnschen invloed vertoonen in de détails, zooals de
pulvino (zie fig. 17 en 23 en pag. 238) en de buitengewoon prachtige
en oorspronkelijke sculptuur van de wit-marmeren kapiteelen.

In de eerste drie eeuwen van de periode 300-800 hebben wij dus, behalve
de barbaarsche toepassing van den ouden stijl bij het construeeren
van nieuwe gebouwen, slechts weinig overblijfselen van den klassieken
stijl, dien wij nog kunnen zien in het mausoleum van Galla Placidia en
dat van Theoderik, en die door den Romeinsch-gezinden Oostgotischen
Koning bij de bouw van zijn paleizen wel zal zijn begunstigd. Dan
hebben wij den nieuwen stijl van de Christelijke basilieken [181];
en ten slotte den zgn. Byzantijnschen stijl, waarover nog iets gezegd
moet worden.



Byzantijnsche Bouwkunst.

Toen wij de regeering van Justinianus I behandeld hebben, is er melding
gemaakt van de vele gebouwen, die door hem zijn opgericht en in het
bijzonder is zijn groote kathedraal van S. Sofia te Constantinopel
genoemd en de S. Vitale te Ravenna. Men zal zich herinneren dat deze
kerken, prachtige voorbeelden van den ouden Byzantijnsche stijl,
van het zgn. centrale type zijn, d.w.z. niet gebouwd volgens het
ontwerp van een Romeinsche basilica.

Men vond, misschien meer in het Oosten dan in het Westen, dat voor
sommige ceremoniën de basiliek, vooral toen zij door de toevoeging van
het transept kruisvormig werd, niet zoo doelmatig was, als de ronde of
veelhoekige ruimte, die de andere kerken, zooals de "Dom van de Rots"
te Jeruzalem, de S. Costanza of de grootste van alle ronde kerken,
de S. Stefano Rotondo aanbood. In het Oosten werden daarom de armen
van het kruis ingekort en bedekt met koepels; het middengedeelte
werd ook door een koepel gedekt; aldus ontstond de kerk met vijf
koepels, waarvan wij in de S. Marco te Venetië een mooi voorbeeld uit
later tijd hebben. Ook werd een eenigszins eenvoudiger vorm van het
centrale type gebruikt, zooals die van de S. Vitale [182], waar de
achthoekige middenruimte bedekt is door een koepel, rustend op acht
zware pijlers, en omgeven is door zeven diepe nissen met galerijen
en een nog diepere apsis. De S. Sofia is in denzelfden stijl, maar
grooter en meer gecompliceerd, met een ellipsvormige centrale ruimte
die bedekt is door een koepel en twee halve koepels.

In verband met deze Byzantijnsche kerken heeft de koepel een groote
beteekenis. Hij is het voornaamste kenmerk, en hetzij de koepel is
ontstaan in navolging van de geweldige Romeinsche Thermae, hetzij hij
of uit het Oosten is gekomen, het is, als het ware, een herschepping
van de Byzantijnsche bouwmeesters, misschien van Athemius van Tralles,
in Klein-Azië, die de S. Sofia voor Justinianus heeft gebouwd. Hoe
dit is geschied, vereischt eenige verklaring.

De Romeinsche koepel was een monoliet, zooals de reusachtige steen,
die het mausoleum van Theoderik dekt, of bestond uit een massa cement,
die op een tijdelijk geraamte werd samengevoegd en op een rond bouwwerk
rustte, zooals een deksel op een pot, zonder zijdelingschen druk. Dit
systeem was zeer lastig en kostbaar en de Byzantijnsche bouwmeesters
bedachten andere methoden. Zij construeerden een koepel van terra-cotta
buizen, spiraalsgewijze samengevoegd en bedekt met pleister; deze nu
was veel lichter dan de Romeinsche koepel. Maar er waren zware pijlers
noodig, daar de samengestelde bouw een sterkeren zijdelingschen druk
uitoefende. En er was nog een andere moeilijkheid. De ruimte, die door
een koepel bedekt moest worden, was meestal vierkant of veelhoekig. Hoe
moet men een ronden koepel op een vierkante basis zetten? Wanneer men
de hoeken van het vierkant zoo opvult dat men een ronde basis vormt,
is de draagkracht zeer zwak. De oplossing van deze moeilijkheid door
middel van pendentieven is een van de belangrijkste feiten in de
Byzantijnsche bouwkunst.

In plaats van den koepel op de vierkante basis te bouwen, richt men
op de zijden van het vierkant bogen op en vult de tusschenruimten tot
gelijke hoogte met pendentieven aan. Deze "pendentieven" (hangbogen),
wier binnenzijden hol zijn (als apsiden) en wier omtrekken kromlijnige
driehoeken zijn, zullen met hun bovenste gebogen lijnen een cirkel
[183] vormen. Op deze ronde basis bouwden de Byzantijnen hun koepel,
en dit gaf een sterken steun, want de hangbogen trokken den geheelen
verticalen druk van den koepel naar zich toe.

Een andere merkwaardigheid van den Byzantijnschen stijl is de vorm van
het kapiteel, dat niet langer concaaf blijft, daar de zuil een geweldig
gewicht moet dragen, maar convex is en niet meer diep uitgesneden,
zooals het Corinthische kapiteel, maar in ondiep relief gebeeldhouwd
is. De versiering van het kapiteel is dikwijls bijzonder fraai, hoewel
conventioneel, b.v. blad- en bloem-ornamenten, mandewerk of een fijn
diep ingeboorde bewerking, die op kant lijkt. En eindelijk werd,
om den boog hooger en lichter te maken, het Byzantijnsche kapiteel
gekroond door de pulvino (een tweede, "boven-kapiteel").

Nog een andere merkwaardigheid is het gebruik van gekleurd-marmeren
dunne platen, waarmede de Byzantijnsche gebouwen, die niet zelden van
baksteen waren, dikwijls in- en uitwendig werden versierd; aldus kon
men zeer rijke en schitterende effecten bereiken.



Mozaïek.

Er bestaan zeer fraaie voorbeelden van oud-Romeinschen steen- en
glasmozaïek, zooals het Nijl-landschap in een vloer te Palestrina en
de "Alexander-slag" te Pompeii; maar de kunst om muren en apsiden
met groote mozaïek-werken te versieren schijnt onder de Christenen
te Rome tegelijk met de oprichting van de eerste basilieken te zijn
ontstaan en van Italië naar Constantinopel te zijn overgeplant, waar
zij zich weer verder ontwikkeld heeft. Wij zullen ons beperken tot
een paar voorbeelden van mozaïeken te Rome en te Ravenna; want de
zuiver-Byzantijnsche mozaïeken, die eens in grooten getale aanwezig
waren, zijn bijna alle vernield door de beeldenstormers, Kruisvaarders
en Turken, terwijl de nog bestaande, in de S. Sofia of andere moskeeën,
meerendeels verborgen zijn door bepleistering. Maar wij zullen den
Byzantijnschen stijl in eenige Italiaansche mozaïeken kunnen nagaan.

De eerste groote mozaïeken van het Christelijke Rome zijn natuurlijk
uit den tijd van Constantijn, want voor den "Vrede" hadden de
Christenen geen groote kerken. Bovendien schijnt de herleving
van het glasmozaïek uit deze periode te dateeren. De oudste zijn
waarschijnlijk die van S. Constanza (c. 320). Dit gebouw was bedoeld
als mausoleum, niet als kerk, en het feit, dat Constantijn een
ongedoopte heiden was tot zijn laatste uren, maakt het duidelijk,
waarom deze mozaïeken,--die gedeeltelijk bewaard, gedeeltelijk bekend
zijn uit oude teekeningen,--bijna geheel decoratief en niet Christelijk
zijn, nl. voorstellingen van den oogst, wijnrank-ornamenten, vogels,
Cupidootjes, alles zeer fijn afgewerkt. Een ander schitterend
mozaïek (c. 370) kan men zien in de S. Pudenziana, een kerk, die,
naar men zeide, gebouwd was op een terrein, behoorend aan Pudent, den
gastheer van den H. Petrus, en gewijd aan zijn dochter Pudentia. Hier
hebben wij (fig. 24) zooals op vele andere apsis-mozaïeken, een
groote symbolische voorstelling. De Zaligmaker, een zeer eerwaardige
figuur met breeden baard en lang haar, dat over zijn schouders valt,
troont te midden van de Apostelen voor de muren en torens van het
Nieuwe Jeruzalem; op den achtergrond verheft zich de Calvariënberg
met het triumfeerende Kruis, waar omheen de dier-gestalten van de
Evangelisten zweven. In deze groote apocalyptische voorstellingen is
Christus meestal de midden-figuur en Hij wordt omringd door engelen
en allerlei symbolische afbeeldingen, den zeven-armigen kandelaar, de
rivieren van het Paradijs, het Lam op den troon, de twaalf Apostolische
schapen, gewoonlijk komende uit gebouwen, die Jeruzalem en Bethlehem
voorstellen, de Evangelische dieren en de Hand van God, die uit een
wolk te voorschijn treedt. Op den boog van de apsis en de muren van
het schip zijn veelal Bijbelsche voorstellingen of personen. Andere
prachtige, oude mozaïeken waren die van de S. Paulo fuori (fig. 4),
die kort nadat de kerk voltooid was, door Honorius werden aangebracht
(c. 420); maar hiervan hebben wij nu slechts reconstructies, daar de
origineele vernield zijn door den brand van 1823.

Er zijn mozaïeken in de oude basiliek van S. Maria Maggiore (fig. 5),
die een treffend bewijs geven van een overgangsphase, waarin de
Christelijke gedachte zich nog hulde in heidensche vormen, want het
duurde lang, voordat het Christendom alles afschafte, wat het had
overgenomen van de klassieke decoratieve kunst, en ook van de klassieke
mythologie en symboliek [184]. De hier bedoelde mozaïeken bevinden
zich op de muren van het schip en zijn van 350 ongeveer, misschien
een eeuw ouder dan de wondere voorstellingen uit het leven van de
Maagd op den apsis-boog. Het zijn tafereelen uit het Oude Testament,
Bijbelsche figuren in heidensche gedaanten, Israëlietische krijgslieden
voorgesteld door Romeinsche legioenensoldaten, de engelen door
Romeinsche Victoriae, heiligen en patriarchen door Romeinsche goden.

Het laatste Romeinsche mozaïek van groote waardigheid en schoonheid,
in ouden stijl, kan men zien in de apsis van S.S. Cosma e Damiano. Het
is van c. 530. In het midden staat de majestueuze figuur van den
Zaligmaker op een glanzende wolk, omringd door den H. Petrus, den
H. Paulus en de twee martelaren. Op den voorgrond zijn de vier rivieren
van het Paradijs, het Lam en Schapen. Merkwaardig is het gelaat van
Christus, dat in de oude kunst (b.v. in sommige Ravenna-mozaïeken)
gewoonlijk jong en baardeloos is, maar in de S. Pudenziana hebben wij,
misschien voor het eerst, den baard, het lange haar en de oudere en
ernstiger uitdrukking opgemerkt, en hier is dat nog meer ontwikkeld
en bijna gelijk aan de voorstelling van de latere Italiaansche kunst.

Na de komst van de Longobarden kreeg de Byzantijnsche stijl de
overhand te Rome, waar een tijdlang een nauwere aansluiting met het
oostelijke Keizerrijk werd gezocht als een middel om de Longobardische
invasie te keeren. Maar tegen het midden van de achtste eeuw was Rome
feitelijk weer onafhankelijk en kwamen de Romeinsche kunstenaars
in de gunst. Doch de kunst was zeer gedaald, ofschoon de Scholae
de traditie van den edelen stijl nog eenigszins schijnen bewaard
te hebben. Een goed voorbeeld daarvan is het Triclinium-mozaïek
van Paus Leo III, waarvan een gedeelte gegeven is op p. 216. Hier
vinden wij wel een eerwaardige Christus-figuur, met vollen baard,
en eerwaardige Apostelen; ook de zittende H. Petrus is plechtig,
maar in de knielende figuren van Leo en Karel ligt niet weinig
middeleeuwsche groteske deftigheid.

De prachtige Ravenna-mozaïeken dateeren uit de periode c. 440-560. De
oudste zijn in het mausoleum van Galla Placidia (zie p. 79); zij zijn
in zuiver Romeinschen stijl en bijzonder mooi door hun donkerblauwen
achtergrond.

Merkwaardig is het mozaïek, waarop Christus als jonge herder,
baardeloos, doch met lang haar, gezeten te midden van Zijn kudde,
is afgebeeld. Ongeveer tien jaar ouder zijn de mozaïeken van het
Baptisterium (fig. 10), een Romeinsch badhuis, dat Bisschop Neon
omstreeks 450 "bekeerd" heeft. In het midden van den koepel ziet men
den Doop, een fijne schildering op gouden grond; daar rondom bewegen
zich de Apostelen, op een helderblauwen achtergrond. De mozaïeken
van het Santo Spirito Baptisterium, een Romeinsch badhuis veranderd
voor Theoderik's Arianen, toont hetzelfde motief, maar de Apostelen
zijn eerwaardiger, en Christus is een jongeling.

Theoderik's basiliek van Jezus Christus, later S. Apollinare Nuovo
geheeten, is reeds vroeger (p. 151) beschreven, en wij hebben
aangetoond, dat sommige mozaïeken van den Oost-Gotischen Koning
vervangen zijn door de processies van maagden en martelaars, die nu
de muren van het schip versieren (fig. 12). Deze veranderingen, die
waarschijnlijk hebben plaats gevonden na de inneming van Ravenna door
Belisarius (540) toonen ons duidelijk den overgang van den Romeinschen
naar den Byzantijnsche stijl. Prachtig zijn de figuren van de heiligen
en profeten in hun kalme en indrukwekkende waardigheid, als ook de
twee groepen van engelen, te midden van welke Christus en de Maagd
gezeten zijn, en de verscheidenheid van houding en uitdrukking is
even merkwaardig als de kunstvaardigheid, waarmede de menschelijke
vorm en kleeding met lijnen zijn aangegeven en in fijne kleuren zijn
gebracht [185], terwijl bij de martelaars en de maagden alle liefde
voor den vorm is onderworpen aan het verlangen om decoratief effect te
bereiken. De figuren volgen op elkaar zonder eenige verscheidenheid,
alsof zij met denzelfden stempel geslagen zijn [186]. De plooien van de
witte gewaden worden aangeduid door lange, stijve, hoekige lijnen, die
dikwijls de lichaamsvormen geheel verkeerd weergeven. De handen zijn
allen volkomen gelijk, de voeten plomp, de hoofden slecht geteekend,
de gezichten hebben slechts vier of vijf kleurschakeeringen.

Ook in de S. Vitale behoeft men slechts zijn blikken te wenden van de
mozaïeken van Justinianus (fig. 17) met hun schitterende pracht van
juweelen, diademen en hofkleedij naar de oudere mozaïeken van de apsis,
waar de Zaligmaker in kalme schoonheid en waardigheid op den wereldbol
troont te midden van de in het wit gekleede engelen, om plotseling
te gevoelen, dat men in een hooger sfeer gevoerd wordt. Het laatste
van deze Ravenna-mozaïeken, in de S. Apollinare in Classe, stelt een
apocalyptisch visioen van de Transfiguratie voor. In het midden staat
een Kruis, niet als symbool van boetedoening door smartelijk lijden
en bloedigen doodstrijd, maar van overwinning en vreugde. Bij het
Kruis ziet men de drie apostelen op den berg Tabor, aangeduid door
schapen; daarna rijen van andere schapen, en bloeiende weilanden,
waar zich de groote figuur van S. Apollinare verheft. Dit mozaïek is
dikwijls hersteld, maar het is zeer edel van conceptie en verdient
een plaats onder de schoonste van de Romeinsche school.

Grootschheid en kleurenpracht, die de Byzantijnsche mozaïeken
kenmerken, kunnen natuurlijk worden aangewend voor werkelijk
artistieke en niet zuiver decoratieve doeleinden (zooals bij de
latere Venetiaansche schilders), maar wanneer de liefde voor de
waarheid ontbreekt, moet dit uitloopen op ijdel vertoon en leidt het
slechts tot mechanische productie en zinnelooze herhaling. Tijdens
Justinianus' regeering begon de vroeg-Byzantijnsche stijl in
de mozaïeken zijn invloed uit te oefenen op Italië, dat door de
herovering in een ellendigen toestand was gebracht, en waarschijnlijk
was daar, behalve in eenige gilden (scholae te Rome), alle kunstzin
verdwenen. Maar deze Byzantijnsche invloed heeft, behalve te Ravenna
en in eenige kerken te Rome (b.v. S. Agnese fuori) zeer weinig sporen
achtergelaten. De Longobardische oorlogen en overheersching zullen
wel de oorzaak zijn van het verdwijnen van vele kunstschatten, die
door de kroniekschrijvers worden vermeld, en toen (c. 730) het edict
van Keizer Leo over den beeldenstorm vele Byzantijnsche kunstenaars
naar Italië dreef, was blijkbaar de kunst van muur-mozaïek in Rome
ongeveer uitgestorven. Hier vinden wij na 800 zeer weinig mozaïekwerken
en zij vertoonen een achteruitgang, die steeds grooter wordt. Maar
in sommige Italiaansche steden, die langer onder Byzantijnsche
heerschappij bleven, behield de Oostersche invloed niet alleen in
de mozaïek-kunst, maar ook in het metaalwerk (brons, zilver, goud
en email) zijn kracht. Te Venetië, dat de voornaamste haven werd
voor den Oosterschen handel, ontstond een krachtige herleving van
het Byzantijnsche mozaïek, vooral in verband met den herbouw van de
St. Marcus in Byzantijnschen stijl na den brand van 976. De oudste van
de vele en prachtige mozaïeken van die kerk zijn van deze periode, en
na de inneming van Constantinopel door de Latijnen in 1204 veroorzaakte
de nieuwe stroom van Byzantijnsche kunstenaars wederom een herleving,
waarvan de gevolgen zich over meer dan drie eeuwen, tot de dagen van
Tintoretto uitbreidden. Met het oog op deze Venetiaansche mozaïeken
moet men niet vergeten, dat, ofschoon de stoot door de Byzantijnsche
kunst gegeven is, de stijl toch door het Italiaansche genie zeer
is veredeld.

Ook in Zuid-Italië en Sicilië was gedurende de periode 1000-1200
(den tijd van de Noormannen) blijkbaar een belangrijke school van
Byzantijnsche kunstenaars, want wij vinden prachtige Byzantijnsche
mozaïeken in de groote kerken en paleizen van Normandische en
Saraceensche architectuur (b.v. in Salerno, Palermo, Cefalù,
Monreale etc).

De invloed van de Byzantijnsche schilderkunst op Italië zal later
besproken worden. Hier moet slechts opgemerkt worden, dat vele van deze
Byzantijnen bekwame handwerkslieden waren zonder eenig kunstgevoel,
doch van groote technische vaardigheid en een gemakkelijkheid en
vlugheid van productie, die een ontaarde kunst te gronde richt. De
oogst van beelden was enorm, vooral nadat de Oostersche Kerk
weer teruggekeerd was tot den orthodoxen beeldendienst [187]. De
Christelijke wereld werd overstroomd met wonderdadige beelden en
figuren--Madonna's en Heiligen, met oranje of steenroode gezichten,
dikwijls overgaande tot cadaver-groen, tegen een gouden achtergrond en
met vergulde en pronkerige opschik. Het volkomen machinale karakter
van dit werk wordt juist aangegeven door de volgende verklaring
van een der sprekers op het bekende tweede Concilie van Nicaea,
bijeengeroepen door de vrome Keizerin Irene, die haar eigen zoon
liet blind maken: "Het is niet het plan van den schilder", zegt deze
beelden-advokaat, "dat het schilderij voortbrengt, maar de wet en de
traditie thesmothesia kai paradosis van de Katholieke Kerk. Het zijn
niet de schilders, maar de Heilige Vaders, die ontwerpen en bevelen".



Romeinsch-Longobardische Bouwkunst (Vroeg-Romaansch)

Evenals in de geschiedenis van het oude Griekenland, hebben wij ook in
de geschiedenis van Italië, tijdens de Longobardische overheersching
(c. 568-774), een Donker Tijdperk; en dit Donkere Tijdperk strekt
zich nog verder uit, al is het niet zoo hopeloos duister als de
drie eeuwen, die op de Dorische volksverhuizing volgden. In Italië,
evenals in Griekenland, was het gevolg van de verovering door een
noordelijk volk een lange en doodsche periode, die gevolgd werd
door een schitterend opleven van de kunst, hetgeen misschien te
danken is aan de vermenging van de frissche manlijke, zij het ook
wat barbaarsche kracht van het Noorden met de zuidelijke, eenigszins
verwijfde gevoeligheid voor schoonheid van vorm en kleur.

Wij hebben gezien, hoe de latere, ontaarde klassiek Romeinsche
architectuur nieuw leven en nieuwe vormen ontwikkelde door het
aanvaarden van dergelijke vondsten als de boog-dragende zuil, den
koepel en den pendentief. Maar wij hebben ook gezien, hoe in de drie
eeuwen (300-600), waarin, de basiliek-stijl en de Byzantijnsche
vormen van de Romeinsche bouwkunst hun hoogtepunt bereikten, de
oude bezielende geest van de inheemsche [188] kunst voortleefde,
elk oogenblik gereed om andere vormen aan te nemen, wanneer de
vereischte voorwaarden zich voordeden; want er is reden om aan te
nemen, dat te Rome, in al de onstuimige jaren van barbaarsche en
Byzantijnsche invallen, ondanks alle belegeringen, hongersnood en pest,
niettegenstaande een tijdlang alle inwoners de stad verlaten hadden,
toch de gilden in stand zijn gebleven, die zekere kunsten en handwerken
van geslacht op geslacht hebben overgeleverd. Wij hooren van "scholen"
in Rome, zooals de schola Graeca, door Paus Hadrianus I in 782
gesticht en de scholae Francorum, scholae Saxonum en dergelijke. Het
is onbekend, of dit godsdienstige of kunstenaars-vereenigingen waren,
zooals nu ook in Rome bestaan, voor buitenlandsche studenten, of dat
het gilden waren van kooplieden, geleerden, toonkunstenaars enz.,
waarvan de kroniekschrijvers vermelden, dat zij in de 7e en 8e eeuw
te Rome bestonden en die er waarschijnlijk reeds vroeger waren. Dat
er gilden van architecten bestonden, kunnen wij afleiden uit het feit,
dat er hier en daar prachtige voorbeelden van architectuur en sculptuur
bestaan, die zeker noch Byzantijnsch noch Longobardisch zijn en die
schijnen te dateeren uit den tijd, dien wij het Donkere Tijdperk hebben
genoemd, toen in Italië, te oordeelen naar alle andere overblijfselen,
de kunst zeer diep gezonken was. Men kan niet ontkennen, dat die
"specimina" zeldzaam zijn en van twijfelachtige afkomst en tijd; maar
zij wekken toch het vermoeden, dat dank zij de gilden het geslacht
van de inheemsche kunstenaars niet geheel uitgestorven was; en het
lijkt niet onwaarschijnlijk, dat handwerkslieden van deze gilden
hun weg vonden naar de Gotische en Byzantijnsche hoven te Ravenna,
naar de steden van Zuid-Italië en het noordelijk Exarchaat, en ook
naar de eilanden van Venetië, daar in al die plaatsen sporen van hen
schijnen te bestaan. [189]

Doch met groote zekerheid kunnen wij het werk van Romeinsche
handwerkslieden aanwijzen in Noord-Italië gedurende de heerschappij
der Longobarden, eerst aan het hof van Agilulf en Theodelinda,
die talrijke mooie kerken bouwden, en later in vele deelen van het
Longobardische koninkrijk.

De Longobarden waren oorspronkelijk een woest volk,--zoo woest,
dat Narses zijn Longobardische bondgenooten naar huis moest sturen
wegens hun barbaarschheden,--en in de eerste vijf jaren van hun
Italiaansche overheersching, tijdens de regeering van Alboin en Clefi
en de daarop volgende anarchie (575-85) zal de beschaving onder deze
gens nefandissima et sceleratissima wel erg geleden hebben. Maar de
nakomelingen van deze noordelijke barbaren begonnen reeds ten tijde
van Agilulf en Theodelinda (590) met verbazing de afbeeldingen van hun
woeste voorvaderen te beschouwen, en geestdrift te gevoelen voor de
kunst en beschaving van het land, dat zij hadden veroverd. Te Pavia,
Cremona, Bergamo, Perledo, en andere plaatsen in het Como-district
richtte Theodelinda kerken en kasteelen op, en te Monza herbouwde zij
het zomerpaleis van Theoderik, versierde het met frescos en verbond
daaraan een schoone basilica, waarin zich 70 ampullae met heilige olie,
een schatkamer en een merkwaardige lunette bevond (zie hoofdst. I).

De vraag komt hier bij ons op, waar Theodelinda haar bouwmeesters
en beeldhouwers voor al deze gebouwen vandaan haalde? Vanwaar kreeg
Agilulf, haar gemaal, de "Italiaansche kunstenaars", die zij naar
de Avaren stuurde om hen den scheepsbouw te leeren (ad faciendas
naves)? Waren deze architecten en "kunstenaars" Italianen [190],
of Byzantijnsche werklieden van Ravenna? Welke andere stad had hen
kunnen verschaffen? Er bestaat een verleidelijke theorie, gebaseerd
op niet zeer vaste gronden, dat vele leden van de Romeinsche
kunstenaars-gilden, verdreven uit Rome, waar kunst, geleerdheid,
en ook de taal, tot een zeer laag peil waren gezonken, noordwaarts
zijn getrokken en als hoofdkwartier hebben gekozen dat kleine eiland
in den Lago di Como, de Isola Comacina, dat Theoderik had versterkt
en dat later een stevig bolwerk was van het Byzantijnsche Exarchaat,
maar door de Longobarden tijdens de regeering van het Autharis werd
genomen (587). Deze theorie is gegrond op het feit, dat "Comacijnsche
bouwmeesters" door de kroniekschrijvers vermeld worden. Door de
wetten van Rotharis b.v. (c. 640) worden aan deze magistri Comacini
zekere privileges toegekend ten opzichte van slaven, huisbedienden,
contracten enz., en een eeuw later (739), tijdens de regeering van
Luitprand, wordt een Comacijnsch meester Rodpert (blijkbaar een
Noorman, geen Romein) genoemd, die te Toscanella bezig schijnt te
zijn met den bouw van de prachtige basiliek van S. Pietro. (fig. 25).

Deze Comacijnschen meesters, zoo genoemd naar het eiland [191] of
de streek van Como, spelen een belangrijken rol in sommige moderne
theoriën over den oorsprong van de Romaansche bouwkunst, die na een
lange donkere periode (van c. 600-c. 1000), plotseling in al haar
schoonheid en volmaaktheid is verschenen.

Maar of het woord comacinus in eenig verband staat met het eiland of
met Como, is onzeker en het is niet onwaarschijnlijk, dat het zou
beteekenen mede-metselaar, co-macio (het middeleeuwsch-Latijnsche
macio = maçon), dus een lid van het metselaarsgilde, ofschoon wij
niet dadelijk moeten aannemen, dat deze magistri Comacini, aan
wie zoo vele privileges werden gegeven, werkelijk vrijmetselaars
waren d. w. z. de middeleeuwsche erfgenamen en overbrengers van
de maçonnieke mysteriën van Koning Salomon. [192] Hoe het ook zij,
wij mogen het als een feit beschouwen, dat Italiaansche bouwmeesters
en beeldhouwers, waarschijnlijk uit Rome, in grooten getale gebruikt
werden door de Longobardische veroveraars, en dat de beeldhouwers--de
architecten waarschijnlijk niet--hun eigen artistieke neigingen
geheel moesten wijzigen naar den eigenaardigen smaak van de
heerschers. Deze heerschers nu schepten vermaak in groteske en min
of meer monsterachtige diervormen en waren volkomen ongevoelig voor
stuitende wanstaltigheid, want deze eigenaardigheden ontmoeten wij
in al haar naakte leelijkheid ten Noorden van de Alpen en overal in
Noord-Italië, waar wij zuiver Longobardisch werk [193] aantreffen. Maar
in architectuur is de Romeinsche of Comacijnsche bouwmeester zichzelf
gebleven en ofschoon hij eenigszins rekening hield met de eischen
en de traditioneele ideën van zijn Longobardischen heer, heeft hij
langzamerhand een nieuwen stijl ontwikkeld, dien wij kennen als den
Longobardisch-Romaanschen, den oorsprong van alle andere Romaansche
bouwkunst, de Toskaansche, Germaansche, Noordsche.

De eerste Longobardische basiliek, die door de kroniekschrijvers
wordt vermeld, is gebouwd bij Bergamo door Theodelinda's eersten
echtgenoot, Koning Autharis. Over de vele bouwwerken van Theodelinda
is reeds gesproken. Van haar Monza-basiliek, een gebouw met achthoekig
centrum, zijn nog slechts eenige oude ronde en achtzijdige zuilen
over met kapiteelen, waarop Longobardische vogels en andere dieren
zijn afgebeeld; van haar eigen paleis bestaan nog slechts een
paar twijfelachtige overblijfselen. De kathedraal van Padua geeft
misschien de oudste (dikwijls herstelde) Longobardische façade,
met blinde galerijen en eenvoudige ronde vensters. (De groote
Romaansche vensters in den vorm van een wiel of rozet zijn van later
tijd.) De oude kerk van S. Salvatore te Brescia, die nu een deel
van het Museum uitmaakt, heeft eenige bijzonder fraaie witmarmeren
kapiteelen met lofwerk, en ook andere, die de Longobardische,
groteske kenmerken vertoonen. De laatste zijn uit den tijd van
Desiderius; de eerste zijn misschien Romeinsch of Byzantijnsch werk,
dat men zich toegeëigend heeft; maar zij kunnen ook "Comacijnsch"
d. i. Romeinsch-Longobardisch zijn. Te Lucca, in de S. Frediane
(oorspronkelijk gebouwd door een Ierschen bisschop c. 570), zijn
eenige zeer mooie oude of Romeinsch-Longobardische zuilen en een
apside-colonnade met architraven in plaats van bogen, die misschien
Romeinsch-Longobardisch is. Te Pavia werd de beroemde S. Pietro in
Ciel d'oro, wellicht opgericht door Agilulf of Theodelinda, herbouwd
of hersteld door Liutprand, die, zooals reeds verhaald is, het gebeente
van St. Augustinus daarheen bracht. Van het oorspronkelijke gebouw zijn
een paar kapiteelen en een gedeelte van den voorgevel nog over. Andere
kerken, die overblijfselen bezitten van vroeg Romeinsch-Longobardische
bouwkunst zijn de oude, doch onlangs herbouwde basilica van S. Abbondio
bij Como, de S. Giusto en S. Martino (fig. 41 te Lucca, de kapel van
de S. Maria della Valle te Cividale (c. 750), de S. Fedele te Como,
en de S. Ambrogio te Milaan, wier atrium oorspronkelijk van c. 790 is.

Doch de meest volledige en fraaiste overblijfselen van deze
Romeinsch-Longobardische periode vindt men te Toscanella, [194]
oudtijds Tuscania, een kleine doch flink versterkte stad bij
Viterbo, in het zuiden van het Longobardische Toskane. Hier zijn
twee basilieken. Die van S. Pietro werd oorspronkelijk gebouwd in
628 (om de gebeenten van drie heiligen te bewaren), maar zij werd,
zooals zoo vaak het geval was met de oudste Longobardische kerken, die
waarschijnlijk dikwijls niet goed werden opgericht, herbouwd tijdens
de regeering van Luitprand (c. 740), misschien door den Comacijnschen
bouwmeester Rodpert, dien wij reeds genoemd hebben. Van deze periode
dateert veel van het zeer fijne binnenwerk. Sommige van de zuilen en
kapiteelen zijn antiek of anders zeer goed nagevolgd door Comacijnsche
of Romeinsche werklieden.

Andere kerken, zooals de hier afgebeelde, zijn zeer zeker
Longobardisch, ofschoon zij het barbaarsche karakter missen. Het
uitwendige is voornamelijk in later Romaanschen stijl en toont
daarvan vele kenmerken, zooals de diep inliggende vensters, de arcades
van baksteen en marmer, en het zigzag-ornament dat zo gewoon is in
de Noordsche architectuur. De prachtige voorgevel, met het fraaie
rozet-raam (fig. 25), dateert grootendeels van een reconstructie van
omstreeks 1040; maar de schoone inspringende portalen zijn ongetwijfeld
voor een deel oud Romeinsch-Longobardisch. De andere basiliek, de
S. Maria Maggiore, was de oudste van de twee en de zetel van den
bisschop tot 650, doch er is niet veel over van het oude gebouw,
dat omstreeks 800 geheel herbouwd is. De façade is ongeveer uit
denzelfden tijd als die van de S. Pietro.

Het is waarschijnlijk, dat de Romeinsch-Longobardische bouwstijl
door de Franken naar de landen ten noorden van de Alpen is
overgebracht. Vooral langs den grooten waterweg van den Rijn vinden
wij voorbeelden van oud-Romaanschen stijl. De beroemde abdij van
Lauresheim te Lorsch, niet ver van Worms, is gesticht aan het einde
van de regeering van Pepijn den Korte (c. 767), en ingewijd in de
tegenwoordigheid van Karel den Groote in 774, in hetzelfde jaar, toen
hij den laatsten Longobardischen Koning, Desiderius, naar Frankrijk
voerde. Het origineel van de S. Maria im Capitol te Keulen was zeer
waarschijnlijk een Romeinsch-Longobardische kerk, gebouwd in de 8e of
9e eeuw. Te Aken bouwde Karel zijn kathedraal, zooals wij reeds weten,
naar het voorbeeld van de S. Vitale te Ravenna. [195]

In verband met deze periode (300-800) moeten wij spreken over
klokkentorens, want, ofschoon de ontelbare campanili van Italië meest
van later tijd zijn en hierna behandeld zullen worden, zijn sommige
reeds gebouwd in de 7e of zelfs 6e eeuw. Men zal zich herinneren,
dat op de mozaïeken van Theoderik de voornaamste gebouwen van Ravenna
en Classe werden voorgesteld, en dat men daar geen campanile op
ziet. Het is dus waarschijnlijk, dat de oude ronde klokkentoren van
de kathedraal, van de S. Apollinare Nuova en de S. Apollinare in
Classe niet gebouwd zijn voor 600 ongeveer of misschien zelfs een
eeuw later. Gregorovius vertelt ons, dat de klokkentoren van de oude
St. Pieter te Rome door Paus Stephanus is opgericht, omstreeks 755,
en dat dit de eerste campanile was (in Rome?). Als de oude teekening
op blz. 261 (zie hfdst. IV) juist is, was die campanile blijkbaar
vierkant, zooals die van de Torcello-kathedraal, die misschien
van de 9e eeuw is. Waarschijnlijk bestond er reeds lang voor den
oudsten campanile, die nog bestaat, een type van klokkentoren, want
kerkklokken werden het eerst te Nola [196], in Campanië, omstreeks
400 gebruikt. Groote klokken waren echter niet voor 600 ongeveer in
gebruik; c. 700 zijn zij zeer gewoon. Zij worden door Beda vermeld.



HOOFDSTUK III.

VENETIË EN ANDERE STEDEN.


Wij hebben gezien hoe in het begin van de 8e eeuw de steden onder
de Byzantijnsche suprematie zeer ontevreden werden. Te Rome had de
Exarch zich onder het bed van den Paus moeten verbergen om aan een
woedende menigte te ontsnappen en de wreedheden te Ravenna door
den Oost-Romeinschen Keizer Justinianus II bedreven hadden hevige
verontwaardiging en een algemeenen opstand onder de steden van het
noordelijk Exarchaat en de Pentapolis verwekt. Deze opstand had
de Byzantijnsche macht in Italië zeer geschokt, en wij kunnen nu,
omstreeks 730, nadat de twisten over den beeldendienst de kloof
tusschen het Oosten en Westen hadden verbreed, Rome en het Exarchaat
als feitelijk autonoom beschouwen. Doch de autonomie van het Exarchaat
duurde kort. Het viel weldra in de macht van de Longobarden, die
Ravenna innamen. In 734 echter heroverden de Venetianen, op verzoek van
den Paus, de stad en gaven die weder aan het Keizerrijk, een bewijs,
dat Venetië reeds machtig en onafhankelijk was. Een paar jaren later
(752) veroverden de Longobarden onder Astulf die geheele streek van
Italië en maakten aldus voor altijd een einde aan het Exarchaat,
behalve als geografischen naam, waardoor die streek wordt aangeduid
in de Donaties van Pepijn en Karel den Groote.

Eenige eeuwen moesten toch nog voorbijgaan, voordat de vreemde
overheersching zou plaats maken voor de opkomst van de Republieken,
die zulk een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van Italië;
maar reeds in de 7e eeuw, te midden van de algemeene verbrokkeling,
veroorzaakt door de gedeeltelijke verovering van het land door de
Longobarden, door de verbittering tusschen Rome en Constantinopel,
en door het verdwijnen van de Byzantijnsche macht in Italië,
hadden verscheidene groote steden een zekere mate van zelfbestuur
verworven. Dit was vooral het geval met Rome en Venetië.

Te Rome schijnt, niettegenstaande de snel toenemende macht van de
Pausen, een republikeinsche geest in dezen tijd de overhand te hebben
gehad, ofschoon de regeeringsvorm eenigszins oligarchisch [197]
was. De geschiedenis van Rome in deze periode is reeds uitvoerig
door ons verhaald. Zij bestaat voornamelijk uit oproeren en twisten,
politieke en kerkelijke, die geen herhaling behoeven, daar zij niet
meer van belang zijn, terwijl hetgeen bij voortduring belangrijk is,
zooals de persoonlijkheid van Gregorius den Groote en de twee Leo's,
reeds veel van onze aandacht gevergd heeft, evenals de verschillende
vraagstukken over Romeinsche architectuur. Derhalve zullen wij nu tot
Venetië overgaan, dat het oudste en meest treffende voorbeeld geeft
van een onafhankelijke Italiaansche stad.

Eeuwen lang voor den tijd van Attila werden de eilanden bij Venetië
bezocht door visschersvolk en tijdelijk ook bewoond; op sommige van
die eilanden hadden rijke Romeinen hun villa's gebouwd; want oudtijds
hadden de Veneti of Heneti, in het nauw gebracht door de Kelten, zich
onder bescherming gesteld van Rome en toen het noorden van Italië
(Gallia Cisalpina of Togata) een Romeinsche provincie was geworden,
werd het Venetiaansche gebied, met zijn steden Patavium (Padua),
Aquileia, en Altinum een deel van het Keizerrijk. In vroegere tijden,
voordat Venetië bestond, werden de eilanden, die nu Torcello en
S. Giorgio Maggiore heeten, dikwijls door de Romeinsche patriciërs
gekozen als geschikte plaatsen voor hun zomerverblijven en het strand
(litus) van Gradus (thans de lido van Grado) was reeds, naar het
schijnt, aan het vasteland verbonden door een dam en bezat reeds
zijn weiden en wijngaarden. Toen Attila op Venetië losstormde en
Aquileia plunderde, vonden dus de vluchtelingen, die naar Grado, op
de eilanden en lidi van de lagunen samenstroomden, nog iets meer dan
verlaten modder. Deze vluchtelingen schijnen twaalf nederzettingen
te hebben gesticht. Grado werd als toevluchtsoord gekozen door de
bewoners van Aquileia, Heraclea (dat eerst de voornaamste stad was
van Venetia maritima, maar later is verwoest) werd bezet door het
volk van Belluno, Torcello en Burano door de menschen van Altinum,
Malamocco en Rivoalto (de Rialto) door de Paduanen. In 466 kwamen de
vertegenwoordigers van de twaalf nederzettingen te Grado bijeen en
kozen twaalf Tribunen [198].

In hoeverre Venetië onder de Gotische heerschappij kwam, is
onbekend. Wij vernemen, dat de Goten het tijdens Baduela's (Totila's)
regeering bezetten, maar het is onzeker, of Theoderik het ooit bij
zijn gebied heeft ingelijfd, ofschoon wij lezen, dat Cassiodorus, de
minister van den Gotischen koning en zijn opvolgers, aan de Tribuni
maritimorum in het jaar 537 (of misschien een Interdictio vroeger,
dus in 523) een dringend schrijven richt, dat zij niet moeten vergeten
over zee of liever over de "rivieren" van de lagunen zekere bijdragen
bestaande in olie en wijn van Istria naar Ravenna te brengen. Of dit nu
als handel werd bedoeld dan wel als een verplichting aan den bondsheer
Theoderik of Vitiges, is niet geheel duidelijk, doch ondanks den ietwat
bevelenden toon van den brief geeft deze het bewijs--misschien wel het
vroegste bewijs--dat de Tribunen van het maritieme Venetië officieel
erkend waren en dat de Bond reeds in deze vroege tijden een zekere
mate van zelfbestuur bezat. Het is daarom wel de moeite waard eenige
passages uit den brief [199] te laten volgen:

"Wij hebben orders gegeven, dat Istria wijn en olie, waarvan de
oogst dit jaar overvloedig was, naar de koninklijke residentie te
Ravenna zal sturen. Betoont gijlieden nu, die aan de stranden van
de Provincia ontelbare schepen bezit, dezelfde toewijding in het
doorzenden van voorraden, die zij betoonen in het verschaffen..... Gij
hebt het voordeel, dat er voor u nog een tweede weg openstaat,
die steeds veilig en rustig is; want, wanneer de woedende winden de
zee onbevaarbaar maken, is er voor u nog een prachtige weg door de
geulen. Uw vrachtschuiten, met touwen getrokken, behoeven de rukwinden
niet te vreezen; en, hoe dikwijls zij ook in aanraking komen met de
grond, zij worden er niet door beschadigd. Wanneer men het op een
afstand ziet en geen kanaal of rivier ontwaart, zou men denken dat gij
over de weilanden vaart...... Het is een genoegen aan uw woonplaatsen
te denken, zooals ik die eens heb gezien. Venetië, het hooggeroemde
[200], waar vroeger de nobiles zoo gaarne vertoefden, grenst in het
Zuiden aan Ravenna en de Po, terwijl het in het Oosten geniet van
het heerlijke Ionische (Adriatische) strand en zijn afwisselend
getij. Hier hebt gij, als de watervogels, uw huizen gebouwd. Te
midden van de wijde watervlakten hebt gij de woonplaatsen, die de
natuur u heeft verschaft, door uw eigen arbeid stevig gemaakt; door
gevlochten en samengeknoopte wilgeteenen hebt gij den grond in een
vaste massa veranderd, die de zware branding van de ondiepe zee niet
kan wegrukken". Daarna beschrijft hij hun rijkdom van visch en zout,
en spoort hen nog eens aan hun schepen in orde te brengen en gereed
te houden, "die daar aan uw muren gemeerd liggen".

Gedurende en na de herovering van Italië door de Byzantijnen was de
verhouding tusschen Venetia maritima en het Oost-Romeinsche Keizerrijk
vriendschappelijk, doch men bemerkt niets van onderhoorigheid. Toen
in 538 Narses uit het oosten werd gezonden om met Belisarius samen te
werken, hielpen de Venetianen hem om zijn troepen over te voeren met
hun schepen en er wordt verteld (maar het wordt ook tegengesproken),
dat hij hen van zijn kant Byzantijnsche bouwmeesters stuurde, die op
den Rivoalto de basiliek van S. Teodoro oprichtten, de oudste kerk van
Venetië, die later afgebroken werd om plaats te maken voor de S. Marco,
toen het gebeente van den heilige in 828 uit Alexandria werd gebracht.

Met de hulp van de Byzantijnen was de Venetiaansche confederatie
een tijdlang in staat zich te verdedigen tegen de Longobarden en
zij bezat in deze periode een tamelijk groote onafhankelijkheid
door haar zeemacht [201]; de bevolking nam ook zeer toe door de
vluchtelingen van de steden [202] op het vasteland en een groot
staatkundig voordeel verkregen de eilanders in 580 door de vlucht van
den Patriarch van Aquileia naar Grado; want aldus kreeg de confederatie
een kerkelijk Hoofd, erkend door den Paus. In 584 werd er een soort
van Parlement ingesteld, bestaande uit Tribuni majores. Doch onder
deze gemeenten braken twisten uit, en zij werden voortdurend bedreigd
door de Longobardische hertogen van Friule. Zij besloten dus zich tot
éen staat te vereenigen. In 697 riep de Patriarch, blijkbaar zonder
daartoe gemachtigd te zijn door den Keizer of den Exarch, een Parlement
te Heraclea bijeen, de eerste Doge werd gekozen en met het hoogste
gezag bekleed; deze Dogen, wier zetel eerst te Heraclea was gevestigd,
regeerden bijna onafgebroken elf eeuwen over de Venetianen. Zij werden
voor hun leven gekozen en bezaten een bijna koninklijk gezag. Alle
openbare ambten hingen van hen af. In hun handen was de investituur
van bisschoppen en patriarchen; de kerkelijke Synode en het Parlement
(Arengo) konden zij naar hun goedvinden bijeenroepen en ontbinden;
de Arengo bleef tot 1423 het eenige belangrijke democratische element
in de Venetiaansche staatsinrichting.

De eerste Doge van het maritieme Venetië was Paoluccio Anafesto. Hij
werd gedood bij een burgertwist en opgevolgd door Marcello, zijn
Magister equitum. Tijdens de regeering van den derden Doge, Orso,
maakten de Longobarden, zooals wij reeds gezien hebben, zich meester
van het Exarchaat en namen Ravenna in. De Byzantijnsche Exarch vluchtte
naar de Venetiaansche eilanden en haalde, gesteund door de brieven
van Paus Gregorius III, den Doge en den Arengo over om Ravenna voor
het keizerrijk te heroveren. Deze stoutmoedige onderneming werd met
goed gevolg uitgevoerd (734), hetgeen bewijst, dat de Venetianen
niet alleen een vloot bezaten, die krachtig genoeg was om de haven,
Classe, te nemen, maar ook een leger, dat in staat was de sterke stad
zelf te veroveren [203].

Doch binnenlandsche twisten bedreigden wederom de jonge staat. De
pro-Byzantijnsche partij vermoordde den Doge, Orso, die aan het
hoofd stond van de nationalisten en vijf jaren lang (737-41)
werd de titel van Doge opgeschort en het bestuur uitgeoefend door
jaarlijksche Magistri militum onder het hooge toezicht van den Exarch
van Ravenna. Daarna bracht een tweede revolutie den zoon van Orso,
Diodato, op den troon, terwijl de ongelukkige Magister blind werd
gemaakt, abbacinato, op de wreedaardige, Byzantijnsche manier (zie
p. 15). De nieuwe Doge werd niet, zooals gewoonlijk, te Heraclea
gekozen, maar te Malamocco [204], dat nu (742) residentie werd.

Onder Astulf (c. 752) veroverden de Longobarden, zooals wij
zagen, het geheele Venetiaansche vasteland en maakten een eind
aan het Byzantijnsche Exarchaat; maar blijkbaar onderwierpen
zij de maritieme Venetianen niet met geweld, want wij vernemen,
dat zij een vriendschappelijk en onafhankelijk verbond met hen
hadden. Doch toen Pepijn en de Franken kwamen, en vooral toen Karel
Pavia veroverde, Koning Desiderius gevangen nam en een einde maakte
aan de Longobardische heerschappij, moesten de Venetianen een andere
politiek volgen. In die crisis werden zij bestuurd door den wijzen en
krachtigen Doge Galbaio en het schijnt (indien wij een oude inscriptie
op een looden plaat in het Britsch Museum mogen vertrouwen) dat vier
en twintig Venetiaansche galeien de Po en de Ticino opvoeren om Karel
bij de belegering van Pavia te helpen en dat de gevangen Longobardische
koning een tijdlang door de Venetianen vastgehouden werd.

Doch deze Frankische politiek leidde tot een vernieuwing van de
binnenlandsche twisten en ook met de Franken zelf ontstonden er
moeielijkheden, daar de Venetianen uit Ravenna en de Pentapolis werden
verdreven wegens hun gehechtheid aan den slavenhandel, die Karel door
een wet had afgeschaft. De veeten tusschen den Doge en Patriarch,
tusschen Heraclea, Jesolo en de andere steden van de Venetiaansche
Confederatie eindigden weldra met den moord op den Patriarch, de
volkomen verwoesting van Heraclea en Jesolo, de verbanning van den
Doge Galbaio en zijn zoon, dien hij reeds als opvolger had aangewezen,
en de verkiezing van een Frankischen partijganger, Obelerio. Maar
de andere partij, die de Byzantijnsche heerschappij begunstigde en
waarbij zich de verdreven bewoners van Heraclea aansloten, kreeg op
haar beurt de overhand en bracht een verbond met den Oost-Romeinschen
Keizer tot stand. Dit deed den Frankischen monarch besluiten een einde
te maken aan de voortdurende moeilijkheden, die de woelige en oproerige
eilandbewoners hem veroorzaakten. Hij stuurde zijn zoon Pepijn, den
koning van Italië, met een sterk leger en een groote vloot om hun
versterkte plaatsen te veroveren. Toen werd Obelerio, die aanried zich
te onderwerpen, door de woedende Venetianen afgezet en een bewoner
van Heraclea, Agnello Partecipazio werd gekozen, niet als Doge, maar
als militaire kommandant. De Franken namen weldra Grado, Brondolo,
en Chioggia. Daarna vielen zij de lidi van Pellestrina en Malamocco
aan en namen na hevige gevechten Malamocco zelf in; doch onderwijl
hadden de eilanders zich teruggetrokken en versterkt op den Rivoalto,
en nadat Pepijn zes maanden lang tevergeefs beproefd had hen vandaar te
verjagen, gaf hij, ontmoedigd door hun tegenstand, door het labyrint
van ondiepe lagunen, en door de gevaarlijke moerasdampen, die door de
hitte in den herfst opkwamen, de onderneming op en trok af. Kort daarna
stierf hij te Milaan, waar men zijn tombe in de S. Ambrogio kan zien,
en Karel achtte het verstandig het maritieme Venetië als een vrijstaat
onder het protectoraat van het Oostelijke Keizerrijk te erkennen.

In 811 werd Agnello Partecipazio, dien sommige schrijvers Particiaco
noemen, tot Doge gekozen en in 813, of misschien vroeger, bracht hij
den zetel der regeering over naar den Rivoalto of Rialto; de stad op
de oevers van dezen "Diepen Stroom" heette voortaan Venetia of Venezia
en werd erkend als het centrum van de Venetiaansche staat. Hier kreeg
Partecipazio, de elfde Doge van den Venetiaanschen confederatie en
de eerste Doge, die te Venetië regeerde, een paleis, dat op de plaats
stond, waar zich thans het hertogelijke Paleis bevindt.

Over de andere steden, Florence, Pisa, Pavia, Milaan, Monza,
Genua enz. vinden wij slechts weinige opmerkingen bij de oudste
kroniekschrijvers. Hier en daar is reeds vroeger melding van deze
steden gemaakt. Napels evenwel verdient eenige aandacht. Het beroemt
er zich op veel ouder te zijn dan Venetië, zelfs ouder dan Rome, want
men zegt dat het omstreeks 900 v. Chr. onder den naam Parthenope, door
de Grieken van Cymae (Cumae) gesticht is. De oudste geschiedenis van
Napels is onbelangrijk, want de eerste gelegenheid, waarbij de stad
een rol speelde in de geschiedenis van Italië was in 535 n. Chr. toen
de Goten haar hardnekkig tegen Belisarus verdedigden, totdat hij
haar eindelijk innam door een list, bijna even vernuftig als die
van het houten paard; hij liet n.l. 600 man door de galerijen van de
aquaeducten ("voorloopers" van de groote Serino-aquaeducten) kruipen,
waardoor zij de stad binnendrongen en de poorten openden. Acht jaren
later werd Napels door de Goten onder Baduela hernomen. Na den slag
op de helling van den Vesuvius en den dood van Theia (553) viel het
natuurlijk in de handen van de Byzantijnen; en men zal zich herinneren,
dat Narses zijn residentie daar in 567 vestigde, toen hij zijn ontslag
als veldheer had gekregen.

Door de Longobarden werd Napels niet veroverd. Het werd eng ingesloten
door den Hertog van Benevento in 581, toen de Longobarden Campanië
verwoestten en het klooster van Monte Cassino plunderden; maar het
bood met goed gevolg weerstand, voornamelijk door de hulp van de
Byzantijnsche vloot en gedurende de 7e en de eerste helft van de 8e
eeuw bleef het trouw, ofschoon de Keizers, die werden bezig gehouden
door de Saracenen op Sicilië, er zich weinig mee bemoeiden; het werd
toen bestuurd door Byzantijnsche Rechters en Kommandanten en later
door Byzantijnsche Hertogen en nam geen deel aan den opstand van
Ravenna en de Pentapolis tegen de Byzantijnsche heerschappij. Ten
slotte verklaarde omstreeks 760 de Hertog van Napels, Stephanus II
de stad onafhankelijk. De officieele taal was van Grieksch Latijn
geworden; de munten, behalve in sommige gevallen, waarin het oude type
werd bewaard, droegen den beeldenaar van St. Januarius in plaats van
dien van den Keizer; de zoon van Hertog Stephanus werd als mederegent
aangenomen, een daad, waardoor een soort van dynastieke regeering werd
ingeleid; en eindelijk nam de Hertog zelf, die weduwnaar was geworden,
het prachtige besluit in zijn eigen persoon de hoogste burgerlijke en
geestelijke macht te vereenigen; nadat hij de tonsuur had aangenomen
werd hij te Rome tot Bisschop van Napels gewijd. Onder de volgende
Hertogen verdedigde de stad zich dapper tegen de Saracenen en hield het
een tijdlang tegen de Noormannen uit; maar in 1134, na een langen en
heldhaftigen tegenstand, werd zij door Roger, den koning van Sicilië,
ingenomen en werd aldus aan haar zelfbestuur een einde gemaakt.



HOOFDSTUK IV.

KAREL DE GROOTE TE ROME.


Karel bezocht Rome voor 800 driemaal. De eerste keer was in 774,
ongeveer 27 jaren voor zijn kroning. Sinds de eerste dagen van den
herfst van 773 had hij Desiderius in Pavia belegerd en daar het scheen,
dat de belegering nog lang zou duren, besloot hij Paschen (2 April)
in Rome te vieren, waar hij van plan was belangrijke zaken met Paus
Hadrianus te bespreken. Het eerste bezoek van den Frankischen vorst
aan de stad, die de metropool van het oude Romeinsche Keizerrijk was
geweest en weldra de hoofdstad zou worden van het nieuwe Romeinsche
Keizerrijk, is van bijzonder belang wegens de z.g.n. Donaties. Hierom,
en ook omdat de ontmoeting van den koning en den Paus plaats vond
onder treffende en merkwaardige omstandigheden en samenhangt met
eenige belangrijke vraagstukken over kunst, zullen wij deze episode
en de Donaties ietwat uitvoeriger behandelen.

Men zal zich herinneren, dat Hadrianus, toen hij in 772 Paus was
geworden, vergeefs getracht had op goeden voet te komen met den
Longobardischen koning Desiderius, die hevig verontwaardigd was, dat
zijn dochter Desiderata door Karel verstooten was, en die beproefd had
den Paus over te halen Karloman's zoon, die gevlucht was, als wettige
koning van de Franken te wijden. Dit verzoek weigerde Hadrianus in te
willigen en hij toonde zich, zooals de oude kroniekschrijver zegt,
"zoo onbuigzaam als diamant". Daarop wilde Desiderius de steden van
het Exarchaat niet overgeven, nam bovendien Faenza en Ferrara in,
bedreigde Ravenna en trok plotseling zuidwaarts tegen Rome op. Daarna,


              quando 'l dente longobardo morse
            La santa Chiesa, sotto alle sue ali
            Carlo magno, vincendo, la soccorse, [205]


want als een adelaar schoot hij van de Alpen neer en de Longobardische
koning had nauwelijks tijd noordwaarts te vluchten en zich in Pavia
op te sluiten. De stad werd weldra door de Franken belegerd en na
zes maanden besloot Karel, omdat, zooals wij zagen, de belegering
waarschijnlijk nog lang zou duren, naar Rome te gaan om aldaar Paschen
te vieren. Hij ging de Apennijnen over en trok aan het hoofd van een
groot gevolg Toskane door langs de Via Clodia.

Toen Paus Hadrianus van zijn aankomst bericht kreeg, besloot hij
hem met dezelfde eer te ontvangen, die den Byzantijnschen Exarch
bewezen werd, wanneer hij de oude hoofdstad van het Keizerrijk
bezocht. Hij zond dus een deputatie van edelen en magistraten om
hem te verwelkomen en hem als een bewijs van hulde, de banier van de
stad te overhandigen. Zij ontmoetten den Frankischen koning bij den
Lacus Sabatinus, ongeveer 45 K.M. van de stad, in loco qui vocatur
Nobas. Toen de koninklijke cavalcade met zijn gevolg van Frankische
krijgslieden en Romeinsche autoriteiten den Pons Milvius, die ons
in verband met Constantijn en Maxentius, zoo goed bekend is, bereikt
hadden en den Tiber waren overgetrokken, troffen zij aan beide zijden
van de Via Flaminia een groote menigte aan en werden zij ontvangen door
een processie van studenten van alle militaire en burgerlijke scholen
te Rome, "met palm- en olijftakken, onder het zingen van lofliederen",
terwijl de geestelijkheid venerandas cruces, id est signa, droeg;
dit waren waarschijnlijk vaandels zooals het labarum.

Toen Karel de heilige banieren zag, steeg hij af en ging te voet naar
de basiliek van St. Pieter, waar Paus Hadrianus bovenaan staande super
grados [sic] juxta fores ecclesiae hem afwachtte. Karel besteeg op zijn
knieën de groote marmeren trap, die tot de basiliek toegang geeft,
terwijl hij elke trede kuste (omnes grados singillatim deosculatus),
totdat hij Hadrianus bereikte; deze kuste hem en hand in hand gingen
toen de sanctissimus papa en de excellentissimus Francorum rex het
heilige gebouw binnen, terwijl een groot koor van geestelijken de
woorden Benedictus qui venit in nomine Domini zong. Zij schreden
eerst over den witmarmeren vloer van het portaal, waar onder den
kolossalen bronzen dennekegel de fontein zich verhief; daarna gingen
zij de basiliek zelf binnen en knielden voor het hoogaltaar, tegenover
de "confessio", de getraliede opening van de schacht, die toegang
gaf tot het graf van den Heilige, en verheerlijkten de Goddelijke
Almacht, die hun de overwinning had geschonken (over de Longobarden)
per interventionum suffragia ejusdem principis apostolorum. Daarna
daalden zij in de crypte af en voor het gebeente van den Heiligen
Petrus zwoeren zij en alle edelen en prelaten elkander trouw.

Karel had verzocht ook in andere groote kerken van Rome zijn gebeden
te mogen uitspreken; zij gingen dus op den Zaterdag voor Paschen (774)
naar de basiliek van S. Salvatore (later S. Giovanni in Laterano),
waar de Paus de volwassenen doopte, een ritus nog die tegenwoordig
in het Lateraan-Baptisterium wordt verricht, doch niet door den
Paus. Op Paaschzondag werd een mis gehouden in de oude kerk, de
S. Maria Maggiore, in ecclesia sanctae Dei Genetricis ad Praesepe
[206], en een groot feestmaal in het Lateraan. Op den vierden dag van
de Paaschweek, quarta feria, vond de belangrijke plechtigheid van de
Donatie plaats in de St. Pieter, waar Hadrianus den koning verzocht
in alle bijzonderheden (ut adimpleret in omnibus) de belofte van zijn
vader Pepijn, van hemzelf, zijn broeder Karloman en alle Frankische
edelen te vervullen. Karel liet zich de oorkonde van Koning Pepijn
voorlezen en daarna betuigde die praeexcellentissimus et revera
christianissimus rex Francorum vrijwillig, bono et libenti animo,
zijn volledige instemming daarmede, zooals ook al zijn edelen deden,
en beval, dat een tweede promissio zou worden opgesteld, die de vorige
Donatie zou bevestigen en uitbreiden. Deze teekende hij propria manu
(hetgeen hem misschien moeite kostte, want zijn biograaf Einhart
vertelt, dat hij laat schrijven had geleerd), en liet het door al
zijn edelen teekenen, die zich sub terribili sacramento verbonden
alle voorwaarden na te komen. Hij liet het ook copieeren. Van deze
afschriften schijnt hij een of twee te hebben mee genomen en een werd
opgehangen in de "Confessio" van de St. Pieter, als wij den schrijver
van Hadrianus' leven in den Liber Pontificalis mogen gelooven.

De Frankische vorst bleef ongeveer twee maanden in Rome. Het beleg
van Pavia, waar Koning Desiderius was opgesloten, liep nu ten einde en
Karel haastte zich noordwaarts om nog bij de overgave aanwezig te zijn.

Zijn andere bezoeken aan Rome en zijn kroning zijn reeds
beschreven. Toen hij gekroond werd, was hij 58 jaar oud, zoodat wij
er om moeten denken, dat Karel bij het bezoek, dat in dit hoofdstuk
is beschreven, slechts 32 jaar en een indrukwekkende verschijning
was, daar zijn lengte, volgens Einhart, zeven maal die van zijn
voet bedroeg. Zijn lange lichtblonde haren en knevel, die door
Einhart zoo worden geroemd, kan men op zijn munten (plaat 45) of het
Tricliniummozaïek (p. 216) niet gemakkelijk zien.



De Basiliek van St. Pieter.

In verband met de bezoeken van Karel den Groote te Rome is het van
belang iets meer te vertellen over de oude basiliek van St. Pieter.

Het stadsgedeelte, waar de St. Pieter staat, in Raffael's [207] dagen
en ook nu nog bekend als de Borgo (voorstad), heette in den Romeinschen
tijd Ager Vaticanus, waarschijnlijk naar een Etrurisch dorp, dat
daar lag. Daar het in een moerassige bocht van de rivier lag, was het
onderhevig aan malaria en bevond zich nog niet binnen de stadsmuren,
zelfs niet binnen de Aureliaansche (c. 270 n. Chr.). Caligula liet hier
een groot circus en een amphitheater maken, dat onder Nero berucht
werd door de vreeselijke martelingen, die de Christenen volgens
Tacitus daar leden. Waarschijnlijk werd in dit amphitheater, tusschen
de twee metae, zegt men, de apostel gekruisigd, of op de helling van
den Janiculus, waar nu de S. Pietro in Montorio staat. Zijn lichaam
werd eerst naar een catacombe aan de Via Appia, doch later naar de
Vatikaansche heuvel gebracht. Op dit laatste graf richtte de vijfde
Paus, Anacletus, die door den H. Petrus zelf tot priester was gewijd,
een kapel op. Meer dan twee eeuwen later (306) stichtten Constantijn
en Silvester op die plek een basiliek, terwijl de Keizer zelf het werk
inwijdde door een hoeveelheid aarde uit te graven en weg te dragen.

Deze basiliek bleef, ofschoon er veel aan veranderd werd, bestaan
tot ongeveer 1500-10, toen zij plaats moest maken voor de nieuwe
St. Pieter, ontworpen door Bramante, wiens plannen, met vele
veranderingen, zijn uitgevoerd door Raffael, Michelangelo en vele
andere architecten. Maar het afbreken ging langzaam en het is zeer
waarschijnlijk, dat, toen Raffael in 1508 Rome voor het eerst bezocht,
de voorgevel van de oude basiliek, die hij in zijn Incendio del
Borgo heeft geschilderd, en de groote zuilen van het schip, die wij
op den achtergrond van de Donatie van Constantijn (fig. 29) zien,
nog bestonden. Behalve deze frescos en een schilderij in de crypte
van de St. Pieter hebben wij den plattegrond van Alfarano (1591),
die door Rossi en den Abbé Duchesne met vele details wordt gegeven. De
kleine reconstructie op blz. 261 is gebaseerd op dezen plattegrond.

De basiliek, die geflankeerd was door vele kapellen, en andere
gebouwen, die op de schets niet voorkomen, had aan de voorzijde
(de oost-zijde, want de St. Pieter heeft geen orthodoxe ligging) een
zeer ruim atrium of quadriportus, waaraan andere gebouwen grensden
o. a. de campanile met de drie klokken, die c. 755 door Paus Stephanus
II is gebouwd. Dit atrium, "il Paradiso" geheeten, had een witmarmeren
vloer; in het midden stond een fontein, c. 370 door Paus Damasus voor
de pelgrims opgericht, en c. 498 door Paus Symmachus van een metalen
dak voorzien, waarop hij den reusachtigen bronzen dennekegel plaatste,
die misschien vroeger op het Pantheon of de Moles Hadriani stond en
die nu in den Giardino della Pigna van het Vatikaan staat. Dit is
de pijnappel, waarover Dante spreekt, wanneer hij een van de reuzen
beschrijft, die den rand van de Helleput "omtorenden":


            La faccia sua mi parea lunga e grossa
            Come la pina di San Pietro a Roma.


Het dak van de kerk bestond uit vergulde pannen, een geschenk van Paus
Honorius (c. 625). De voorgevel was met mozaïek versierd. Boven het
portaal waren oorspronkelijk de Verlosser en de H. Petrus afgebeeld,
wien Constantijn de kerk toonde (of een model van de kerk gaf?). Op
Raffael's Incendio kan men nog flauwe sporen van mozaïek op het gebouw
zien. De latere mozaïeken bestonden uit drie gedeelten: in den gevel
stonden Christus en de H. Maagd, tusschen en naast de bovenvensters
de vier Evangelisten en tusschen de benedenvensters de 24 oudsten,
die hun gouden kronen tot den Verlosser omhoog hieven. Het schip van
de basiliek was aan de zijden geflankeerd door twee zijbeuken. Zes en
negentig zuilen [208], waarvan vele genomen waren uit oude gebouwen,
zooals b.v. het amphitheater van Nero, scheidden de beuken en
droegen de clerestory [209], die evenals de apsis was versierd met
mozaïekwerk. Kostbare lampen, schitterende gordijnen van brokaat,
gouden, zilveren en bronzen kandelabres, lampen, altaren en beelden
luisterden het inwendige van de kerk op.

Aan de westzijde werden het schip en de beuken gekruist door een
kort transsept; daaraan grensde een hooger gebouwd presbyterium,
zooals men in de Florentijnsche S. Miniato, S. Giorgio te Rome en
andere kerken kan zien. Om het presbyterium te bereiken besteeg men,
rechts of links van het hoogaltaar, zeven treden van porfier. Onder
het hoogaltaar bevond zich de crypte, met de graven van den H. Petrus
en den H. Paulus; de fenestella confessionis was onder het altaar
[210] tusschen de beide porfieren trappen, zooals men kan zien
op Raffael's fresco, waar Leo III den eed voor Karel den Groote
aflegt. Dit "venster van de belijdenis" was een traliewerk met een
opening, waardoor men in een loodrechte schacht kon zien naar het
graf van den Heilige. St.-Gregorius vertelt, wat zijn diaken in de
St. Pieter-basiliek zag, en spreekt van een "parvula fenestella",
waardoor men, als het traliewerk geopend was, zijn hoofd kon steken
(immisso introrsum capite) en aldus zijn beden kon uiten. De schacht en
het graf in de St. Pieter werden waarschijnlijk in 846 na den inval
van de Saracenen volgegooid en begraven onder het puin. Ongeveer
zeven en een halve eeuw later (1594) schijnt, toen de fundamenten
werden uitgegraven, de oude tombe weer aan het licht gekomen te zijn
en inderdaad zag Paus Clemens VIII door een opening een zilveren
sarcophaag en een gouden kruis; doch hij liet alles weer dichtmetselen.

Zooals zij, die de Grotte nuove in de St. Pieter hebben bezocht, weten,
bevindt zich thans de "confessio" ongeveer tien voet onder den vloer
van de tegenwoordige kathedraal. Het vraagstuk over de echtheid van
de reliquieën en de sarcophagen van den H. Petrus en den H. Paulus
(want ook het lichaam van den H. Paulus is van de catacomben van de
Via Appia daarheen gebracht en in de 16e eeuw is bij den herbouw de
sarcophaag gezien) behoeft hier niet besproken te worden; maar dit
dient vermeld te worden, dat, toen de Saracenen in 846 de S. Pietro
en de S. Paolo plunderden, zij den inhoud van de groote bronzen
(zilveren?) sarcophaag van den H. Petrus wegwierpen, zooals Anastasius,
de schrijver van dit gedeelte van den Liber Pontificalis, vertelt,
en "het graf van den H. Paulus, dat in de basiliek bij de Via Appia
was, verwoestten".



De Donaties.

Op den vijfden dag van zijn eerste bezoek aan Rome liet Karel, zooals
wij zagen, in de basiliek van de St. Pieter zich de Donatie van Pepijn
voorlezen; en deze Donatie, overgeschreven en met eenige bijzonderheden
vermeerderd, werd plechtig door hem bekrachtigd en voorzien van zijn
handteekening en die van zijn voornaamste edelen en prelaten.

Doch er bestond, ofschoon Karel hiervan blijkbaar niet op de hoogte
was, een dergelijk charter, dat voor veel ouder gehouden werd, de
z.g.n. Donatie van Constantijn. Dit vrome bedrog werd misschien het
eerst beraamd door Stephanus II, toen hij Koning Pepijn in 754 te
Parijs bezocht. Wanneer dit zoo is, dan gebruikte hij de legende van
het bestaan van een dergelijk stuk om den Frankischen vorst over te
halen hem hulp te brengen tegen de plunderende Longobarden. Maar het
document zelf, waarschijnlijk een imitatie van een oud handschrift,
schijnt iets later vervaardigd te zijn, misschien door een handigen
secretaris van Paus Paulus I. Hadrianus kende ongetwijfeld het stuk
wel, doch daar hij ook wist, hoe het ontstaan was, durfde hij het
Karel, ofschoon deze waarschijnlijk niet kon lezen, niet toonen, toen
in 774 de Donatie van Pepijn aan den koning werd voorgelezen. Drie
jaren later evenwel, toen hij zijn gezag in de hem geschonken landen
ten noorden van de Apennijnen niet kon handhaven en hevig geplaagd
werd door de vijandigheid van Ravenna, Spoleto en Benevento als
ook door den opstand van Tarracina en andere steden, was Hadrianus
wederom genoodzaakt de hulp van Karel in te roepen, en bij deze
gelegenheid (777) werd de Donatie van Constantijn, die eenige eeuwen
later zoo beroemd [211] is geworden, voor het eerst openlijk en
plechtig genoemd en richtte Hadrianus tot Karel het dringend verzoek
"een tweede Constantijn te worden". De historische waarde van het
stuk bestaat niet in de legende, die het bewaart, maar in het feit,
dat het, ofschoon het een monsterachtig bedrog is, ons een zeer juist
oordeel geeft over de gedachten en overtuigingen van de priesterschap,
die het heeft ontworpen.

Laten wij deze Donatie van Constantijn nog iets nauwkeuriger
beschouwen, voordat wij de Donatie van Pepijn en de bekrachtiging
daarvan door Karel behandelen.



(1) De Donatie van Constantijn.

Volgens een oud verhaal, dat het eerst verschijnt in een Vita
S. Silvestri van 490 ongeveer, daarna ook in het Grieksch en het
Syrisch, en dat even wordt aangeroerd door den schrijver (c. 510) van
Silvester's leven in den Liber Pontificalis, werd Constantijn door
melaatschheid aangetast en rieden zijn geneesheeren hem aan zich in
kinderbloed te baden. Drie duizend onschuldige kleinen moesten voor
dit doel geslacht worden, maar het weeklagen en de smeekbeden van de
moeders wekten Constantijn's medelijden zoo zeer op, dat hij weigerde
zich aan de voorgeschreven kuur te onderwerpen. Daarop kreeg hij 's
nachts in een visioen een bezoek van den H. Petrus en den H. Paulus,
die hem prezen en zeiden: "Zoek Silvester, den Bisschop van Rome, die
zich in de bergen schuil houdt; hij zal u een bron wijzen, waarin gij
u drie keer moet wasschen; dan zult gij gereinigd zijn". Constantijn
zond soldaten uit, die Silvester dicht bij den top van de Syraptim (op
de Soracte, zegt Dante, evenals de Liber) vonden en de Heilige doopte
hem en hij kwam bevrijd van zijn melaatschheid uit den bron. Toen liet
hij afkondigen, dat in het geheele Keizerrijk Christus alleen mocht
aanbeden worden en dat de Bisschop van Rome aan het hoofd zou staan
van alle bisschoppen (ut in toto orbe sacerdotes pontificem Romanum
caput habeant). Op den achtsten dag bezocht hij de "Confessio" van
de tombe van den H. Petrus, groef met eigen handen wat aarde uit voor
de stichting van een nieuwe basiliek en legde den eersten steen. Den
volgenden dag legde hij den grondslag voor zijn paleis en een nieuwe
basiliek bij het Lateraan.

Wat men ook wil denken van het overige dezer geschiedenis, de doop
van Constantijn in het Lateraan-Baptisterium is toch, ofschoon die
door Raffael op een beroemd fresco geschilderd en door Chaucer in
zijn Confessio Amantis is beschreven, en ofschoon in den Liber een
volledige beschrijving wordt gegeven van de prachtige porfieren
doopvont door Constantijn voor die plechtigheid geschonken, een
legende, want hij is eerst kort voor zijn dood gedoopt; en al is
het mogelijk, dat hij aan Bisschop Silvester het Lateraanpaleis en
een zekere hoeveelheid land heeft gegeven, en aan de Kerk en de
Bisschop verschillende privileges en patrimonia heeft toegekend,
men heeft alle reden om te gelooven dat geen souvereine rechten van
eenigen aard door Constantijn zijn toegestaan, en evenmin, zooals wij
zullen zien, door Karel den Groote. En toch verklaarde het valsche
document--en verklaart nog, want er bestaan nog vertalingen van--dat
het edict de volgende woorden bevatte: "Wij, als ook onze Satrapen,
de geheele Senaat, de Edelen en het Volk, achten het wenschelijk,
dat evenals de H. Petrus op aarde de Vicarius van God was, evenzoo de
Hoogepriesters, zijn plaatsvervangers, van ons en van ons imperium een
macht en een waardigheid zullen ontvangen, die grooter is dan de onze,
en wij decreteeren, dat de heilige zetel van den H. Petrus zal verheven
worden boven onzen wereldlijken troon. Wij overhandigen en schenken
aan den heiligen Hoogepriester en Paus (een titel, die eerst twee
eeuwen later werd gebruikt!) Silvester ons paleis, de stad Rome, alle
provincies, plaatsen en steden van Italië en de landen van het Westen
en wij bevelen, dat die door hem en zijn opvolgers zullen bestuurd
worden en zullen blijven onder het gezag van de heilige Roomsche Kerk".

Het is nauwelijks te gelooven, dat zulk een document ooit in ernst is
aangehaald als een bewijs, zelfs door de brutaalste verdedigers van
de wereldlijke macht van den Paus. Men zou denken dat een dergelijke
buitensporige onbeschaamdheid met minachtend ongeloof zou zijn
ontvangen. Doch onder de aanhangers van den paus werd de legende
langen tijd geloofd. Dante zelfs twijfelde niet aan de waarheid van
de Schenking, ofschoon hij bitter klaagde over "de slechte vrucht
van hetgeen met goede bedoeling was gedaan". "Wee! Constantijn",
riep hij uit [212],


          van hoeveel kwaad was moeder,
        Niet uwe bekeering, maar de gift,
        Die de eerste rijke vader van u ontving!


Maar ten tijde van Ariosto werd de Donatie door spotters belachelijk
gemaakt. In den Orlando Furioso [213] vindt de Paladijn Astolfo de
pauselijke domeinen op de Maan:


        Toen kwam hij aan een berg met bonte bloemen,
        Die eens heerlijk geurde, maar nu afschuwelijk stonk;
        Dat was die gift, (als het geoorloofd is te zeggen)
        Die Constantijn aan den goeden Silvester schonk.


En de aanspraken, die de Pausen maakten op grond van de Donatie van
Pepijn, zooals deze door Karel was bekrachtigd, waren, zooals wij
zullen zien, niet minder onbeschaamd.



(2) De Donatie van Pepijn en Karel.

Wij hebben gezien, hoe Pepijn, de vader van Karel den Groote, in
751 den titel van koning aannam op aanraden van Paus Zacharias, die
St. Bonifacius, den Engelschen zendeling in Duitschland, uitzond om hem
te kronen, en hoe de opvolger van Zacharias, Stephanus II, daar zijn
verzoek aan Astulf zonder uitwerking bleef, de Alpen overstak en de
eerste zes maanden van 754 de gast was van den Frankischen koning in
de abdij van St. Denis, bij Parijs. Wij hebben ook gezien, hoe Pepijn
hem met nadruk beloofde te zullen restitueeren "de steden van het
Exarchaat en de andere plaatsen en rechten", die de Longobarden zich
toegeëigend hadden; en deze belofte heeft hij, naar men zegt, plechtig
hernieuwd en bekrachtigd (misschien schriftelijk) in tegenwoordigheid
van zijn edelen, die te Quierzy (Carisiacus in den Liber), bij Laon,
vergaderd waren. Stephanus kroonde toen Pepijn in de kerk van St. Denis
en kort na deze plechtigheid vergezelde hij den koning en zijn leger
naar Italië, waar Astulf gedwongen werd zijn verzet te staken en al
zijn veroveringen beloofde terug te geven.

Maar nauwelijks was Pepijn de Alpen weder overgetrokken, of de
doortrapte Longobard weigerde zijn woord te houden en bedreigde
zelfs Rome. Vele brieven werden er nu tusschen Pepijn en Stephanus
gewisseld; de Paus smeekte steeds dringender om hulp, totdat ten
laatste de Frankische koning terugkwam en Astulf dwong al het
veroverde gebied weer af te staan. Daarop werden de sleutels van
al deze steden, ongeveer twintig, aan den Paus overgegeven, met een
formeele akte van Donatie "aan den Apostel van God, aan Zijn Vicarius,
den allerheiligsten Paus en al zijn opvolgers". Deze Donatie, met de
sleutels, werd gelegd in de "Confessio" van de St. Pieter te Rome,
en was naar men verzekerde, hetzelfde document, dat door Karel in
774 gelezen en bekrachtigd was. Het oorspronkelijke manuscript is
niet over en evenmin een van de afschriften, die Karel heeft laten
maken; maar wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zij werkelijk
hebben bestaan, want wij hebben in den Liber een getuigenis van den
schrijver van Hadrianus' leven, die blijkbaar bij de plechtigheid
tegenwoordig was en de copie van het stuk zag, die in de "Confessio"
van de tombe van den H. Petrus was opgehangen.

Het is echter zeer moeilijk eenige zekerheid te verkrijgen omtrent
den inhoud van de bekrachtigde Donatie; en nog moeilijker de juiste
verklaring te geven van hetgeen er van aangehaald wordt door den
biograaf van Hadrianus in den Liber Pontificalis. De nieuwe belofte
(alia promissio) van Karel was waarschijnlijk in denzelfden geest als
Pepijn's charter (ad instar anterioris, zegt de Liber); doch dit is
niet van zoo groot belang, want in elk geval was de belofte van Karel
bindend en had geen precedent noodig. Belangrijk zijn de volgende drie
punten. Ten eerste, is de Liber Pontificalis betrouwbaar, wat betreft
de steden en landen, die geschonken zijn, of vertelt de schrijver
slechts waarop pauselijke hebzucht en eerzucht aanspraak maakten? Ten
tweede, aan wien werd het gebied afgestaan? Ten derde, werden deze
steden en landen eenvoudig beschouwd als patrimonia d.w.z. afgestaan
aan de Kerk als eigendom, waar de geestelijke autoriteiten hun
Kerkelijke rechten en eischen konden doen gelden; of werden zij
overgegeven met souvereine rechten, zoodat zij gescheiden werden van
het gebied van den Frankischen Koning (en het nieuwe Keizerrijk) en
niet zoozeer een imperium in imperio vormden als wel een afzonderlijk,
onafhankelijk rijk?

Hierop kan men antwoorden, dat, wanneer het gebied, door Pepijn en
Karel afgestaan, werkelijk zoo groot was, als de Liber aangeeft,
het Corsica, Lunigiana, Parma, Mantua, Reggio, universum Exarchatum
Ravennatium, provincias Venetiarum et Istriae, necnon et cunctum
ducatum Spoletinum et Beneventinum omvatte, inderdaad ongeveer
hetzelfde als "alle provincies, plaatsen en steden van Italië",
zooals in de valsche Donatie van Constantijn staat. Indien dit alles
nu met souvereine rechten aan de Kerk of den Paus gegeven werd, en
indien de Frankische Koning werkelijk bedoelde (zooals de Donatie
van Constantijn het omschrijft), dat de allerheiligste zetel van
den H. Petrus zou verheven worden boven alle aardsche tronen, dan
zou men wel kunnen vragen, wat Karel nog voor zichzelf wilde houden
ten zuiden van de Alpen! Dat echter Karel--de rex Longobardorum--van
plan was al, of bijna al zijn nieuw Italiaansch gebied te behouden,
is duidelijk genoeg en het is zeer waarschijnlijk, dat hij slechts
bedoelde de belangen van de Kerk, wat betrof haar privaat eigendom,
haar inkomsten en geestelijke privileges, in deze "geschonken" landen
te verdedigen. Slechts een paar jaren later zien wij hem handelen
alsof hij alleen de leenheer was van geheel Italië, behalve misschien
van Rome en het Hertogdom Rome, en dat dit door den Paus zelf werd
erkend wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in denzelfden tijd
(c. 777), toen Hadrianus de Donatie van Constantijn aanhaalde om zijn
aanspraken op de uitgestrekte landen in Noord-Italië te bewijzen,
hij verplicht was aan Karel toestemming te vragen, voordat hij het
waagde op de Spoletaansche heuvels eenige boomen te vellen, die hij
noodig had om het dak van de basiliek van St. Pieter te herstellen. En
wanneer men daar tegen aanvoert, dat Karel bij zijn latere bezoeken
aan Rome, in 781 en 787, zijn concessies vernieuwde, dan kunnen wij
daarop antwoorden, dat hij bij die gelegenheden niets deed, waardoor
hij blijk gaf eenig souverein recht aan den Paus toe te kennen, al
vroeg hij hem ook den jongen Pepijn als Koning van Italië te kronen,
een feit, dat Hadrianus zonder twijfel uitlegde als een erkenning van
zijn souvereiniteit in Italië. Deze "vernieuwde concessies" bepaalden
zich eenvoudig tot een zekere uitbreiding van het Hertogdom Rome, dat
nu voortaan ook het twistzieke stadje Tuscania of Toscanella bevatte,
waarover wij in een ander hoofdstuk hebben gesproken.

Wat de tweede vraag betreft--aan wien was het gebied geschonken?--is
het leerzaam en eenigzins vermakelijk, op te merken, hoe Paus Stephanus
II in zijn brieven aan Pepijn en aan Astulf eerst schrijft alsof
deze steden en landen moeten worden teruggegeven aan het Keizerrijk;
vervolgens lezen wij, dat zij moeten worden teruggegeven "aan Rome
of de Romeinsche Republiek"; een weinig later is het geworden "aan
den H. Petrus"; en eindelijk krijgen wij de volledige bekentenis,
dat het geheele Exarchaat in de Pentapolis en al deze andere landen en
steden met souvereine rechten worden opgeëischt door de "Heilige Kerk"
en door haar hoogepriester en Zijn opvolgers voor alle eeuwigheid.



Aanteekening over de Byzantijnsche keizers

800-1453.

Omdat Rome, toen Irene den keizerlijken diadeem had aangenomen en Karel
door den Paus gekroond was wederom de algemeen erkende hoofdstad van
het Keizerrijk werd, zal er minder dan ooit reden voor ons zijn onze
aandacht te richten op de lotgevallen van de zoogenaamde Byzantijnsche
Keizers. Doch het zal toch weleens noodig zijn een enkelen keer
een blik in die richting te werpen en daarom is het nuttig een paar
woorden over het latere Byzantijnsche Keizerrijk te spreken.

Van de herleving van het Romeinsche Keizerrijk tot de inneming van
Constantinopel door de Turken verliepen 653 jaren. Gedurende dien
tijd regeerden te Constantinopel ongeveer 55 zoogenaamde Keizers van
verschillende dynastiën. Vier eeuwen lang na de dagen van Irene geven
de annalen van dit Byzantijnsche Rijk weinig belangrijke mededeelingen;
maar de invloed van de Byzantijnsche school op de kunst van Zuid-Italië
is voor hem, die de geschiedenis van Italië bestudeert, van belang.

In 1202-04 werd Constantinopel genomen door de Kruisvaarders uit
het westen en de Venetianen, en nadat de stad op barbaarsche wijze
was geplunderd, werd Baldwin, (Boudewijn) Graaf van Vlaanderen op
den troon van de Oostelijke keizers gezet. Vijf andere "Latijnsche"
Keizers volgden op hem. Ondertusschen was er een "Keizer" opgetreden
te Thessalonica, een ander te Nicaea in Klein-Azië en een derde
te Trapezus (Trebizonde) op de afgelegen stranden van den Pontus
Euxinus. Eén van de Keizers te Nicaea, Vatatzes, veroverde het
"Imperium" van Thessalonica en bemachtigde Macedonië en Thracië en in
1260-61 nam een van zijn opvolgers, Michael Palaeologos Constantinopel
in, verdreef Baldwin II, den "Latijnschen" Keizer en stichtte
een dynastie, die bleef bestaan tot de komst van de Turken, toen de
laatste Byzantijnsche Keizer, Constantinus Palaeologos, gedood werd. De
verhalen bij Gibbon over deze "Romeinsche Keizerrijken" van Nicaea
en Trebizonde in het verre oosten zijn buitengewoon merkwaardig. Te
Trebizonde liet een Keizer, Alexius, aan zijn opvolgers den beroemden
keizerlijken naam van de Comneni na. Het hof te Trebizonde was bekend
om zijn rijkdom en half-Oostersche weelde en de schoonheid van zijn
vorstinnen. Tijdelijk was soms dit Keizerrijk Trebizonde onderworpen
aan den Sultan van Rûm (Iconium), aan de Seldsjoeken, Mongolen en
Turcomannen en eindelijk werd het onderworpen door een veldheer van
Mohammed II, den veroveraar van Constantinopel.

De toestanden te Constantinopel,--hoe deze stad na de verwoesting
door de Latijnsche Kruisvaarders wederom het middelpunt van beschaving
in Europa werd,--zijn levendig door Gibbon beschreven in het laatste
deel van zijn Decline and Fall of the Roman Empire.



VIERDE DEEL

HISTORISCH OVERZICHT

800-1190.


De staatkundige geschiedenis van Italië in de 4 eeuwen, die nu
volgen, kan in drie perioden verdeeld worden. Eerst komen (800-962) de
Karolingers en de zgn. Italiaansche koningen, van welke er sommige tot
Keizer werden gekroond; daarna ontstaat het zgn. Heilige Roomsche Rijk,
gebouwd op de grondvesten van het oude Keizerrijk door de Saksische
en Frankische vorsten; de derde periode omvat de regeering van de
twee eerste Keizers der Hohenstaufen en eindigt met de opkomst der
Italiaansche republieken en vereeniging van het Duitsche rijk met dat
der Noormannen. De eerste periode is, na den dood van Karel den Groote
in 814, weinig belangwekkend. De kronieken van deze vrome, domme en
zwakke Karolingische Keizers en de nauwelijks minder onbelangrijke of
verachtelijke "Italiaansche" vorsten vertoonen een verbijsterend en
vermoeiend warnet van staatkundige verwikkelingen, van gevechten van
zonen tegen vaders, broeders tegen broeders, van ellendige oorlogen
en opstanden en bloedvergieten, van boosaardigheid, bijgeloof, verraad
en misdaad. Indien wij meer wisten van de werkelijke geschiedenis van
Italië in dezen tijd, de geschiedenis van het volk, zijn gedachteleven,
zijn voelen en werken, zijn taal, literatuur en kunst; indien wij
duidelijk den groei der Italiaansche republieken, haar handel en
hartstochtelijke liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid konden
nagaan; indien wij van meer nabij konden waarnemen, hoe de adel van
den arbeid zich langzamerhand verhief tegenover de aanmatiging van
den militairen en geestelijken stand, hoe het feudalisme uit zijn
sterkten werd gedreven; indien wij meer konden vernemen van de groote
en edele mannen en vrouwen, wier persoonlijkheid is begraven in de
beschimmelde kronieken van Pausen en Keizers, dan zouden degenen van
ons die niet alleen oudheidkundigen of politieke historici zijn, deze
periode belangrijk genoeg vinden. Maar de kronieken geven slechts een
opsomming van al het lage en verachtelijke in de menschelijke natuur,
zooals dat te voorschijn treedt bij de vreemde overheerschers en
pretendenten naar koninklijke en keizerlijke titels, of bij de listige,
losbandige en eerzuchtige hoogepriesters van de Roomsche Kerk. Deze
eerste droevige periode zullen wij dus vrij kort behandelen; wij zullen
meer in bijzonderheden afdalen, wanneer wij komen aan den belangrijken
tijd van de Noormannen, Otto den Groote en Frederik Barbarossa.



(1) De Karolingers (800-888).

Het verhaal der historische gebeurtenissen werd in het derde deel
afgebroken met de kroning van Karel te Rome op den Kerstdag van het
jaar 800. Als Keizer regeerde hij dertien jaren en een maand, daar
hij den 28en Januari 814 stierf. Eenige karaktertrekken van hem zijn
reeds vermeld; in een later hoofdstuk zal er nog meer gezegd worden
over zijn persoonlijkheid, zijn invloed, zijn wijze van regeeren;
dus zullen wij ons thans tot de volgende feiten bepalen.

De uitgestrektheid van het nieuwe Keizerrijk en het groote verschil
tusschen de vele volken, die het omvatte en die zonder eenig
onderling verband door een dwang van buiten werden bijeengehouden,
veroordeelden het tot een snellen ondergang. Karel was een groot
aanvoerder en uitstekend soldaat, maar geen man, die een Imperium
kon stichten, un grandissimo condottiero, zegt Villari, senza un
vero genio organizzatore. Bovendien werd door Karel het Duitsche
systeem van opvolging toegepast, waarbij de vorst beschouwd werd als
de persoonlijke eigenaar van het rijk en zijn gebied gewoonlijk onder
zijn erfgenamen verdeelde, een systeem, dat zoo verderfelijk voor het
oude Frankische Koninkrijk was gebleken; Karel hoopte aldus twisten
tusschen zijn zonen te voorkomen. Zijn kinderen, wettige en onwettige,
waren niet minder dan vijftien in aantal, maar hij beschouwde de drie
zonen van zijn gemalin Hildegard, nl. Karel, Pepijn en Lodewijk, als
zijn erfgenamen, en hij had door een testament, dat in den wettelijken
vorm in 806 was opgesteld, Frankrijk (d.w.z. Austrasië en Neustrië),
Italië en Aquitanië respectievelijk aan deze drie toegewezen. Maar
Pepijn stierf te Milaan, waar men zijn graftombe kan zien, in 810 na
zijn ongelukkige belegering van Venetië, en zijn broeder stierf in
het volgend jaar. Dus vond de ontworpen verdeeling van het rijk niet
plaats en de zwakke en bijgeloovige Lodewijk, bijgenaamd "de Vrome"
of "de Zachtmoedige" (le Débonnaire), werd plechtig als medekeizer
door zijn vader in 813 te Aken [214] gekroond en volgde hem het jaar
daarna als Keizer op.

Lodewijk de Vrome toonde zijn karakter door den nieuwen Paus, Stephanus
IV te smeeken naar Reims te komen om hem nog eens te kronen. Deze Paus
nu had, evenals zoovele andere Pausen, voor zijn eigen wijding zich
niet bekommerd om de keizerlijke bekrachtiging, waarop Karel de Groote
zoo sterk had aangedrongen; doch niettegenstaande dit feit beschouwde
de nieuwe Keizer zichzelf niet alleen zonder de pauselijke zalving als
ongekroond, maar wierp zich bij de komst van den Paus te Reims driemaal
voor hem op zijn knieën, een gebeurtenis, die wel verdient vermeld te
worden met het oog op den toekomstigen strijd over de Investituur. Ja
zelfs, toen bij den dood van Stephanus Paus Paschalis haastig gewijd
werd, voordat de keizerlijke sanctie was gekomen, toonde Lodewijk zich
wederom niet beleedigd, maar was zelfs zoo vriendelijk een Donatie
te schenken, zooals Pepijn er een had toegekend, waarbij hij (als
het document echt is) alle vroegere territoriale giften bekrachtigde
en aan de kerk souverein gezag gaf over uitgestrekte gebieden als
ook volledige vrijstelling van keizerlijke inmenging bij pauselijke
verkiezingen. Merkwaardig is het, dat deze concessies weldra gevolgd
werden door een daad, die eenigzins beleedigend schijnt tegenover
den Heiligen Vader: in navolging van zijn vader plaatste Lodewijk met
eigen handen de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Lotharius
in de kathedraal te Aken en wees aan zijn twee jongere zonen, Pepijn
en Lodewijk (den Duitscher) Aquitanië en Beieren toe, zonder zich
blijkbaar in het minst te bekommeren om de pauselijke zalving.

Ofschoon Lotharius dus mede-keizer was geworden, had hij toch als
keizer [215] over Rome of Italië nog geen macht. Zijn jeugdige neef,
de onwettige zoon van Pepijn, Bernard geheeten, was Koning van Italië
geworden en moest den Keizerstitel hulde bewijzen. Daar hij echter
een dergelijke slaafschheid haatte, stond hij tegen het keizerlijk
gezag op. Hierop werd de jonge vorst spoedig overweldigd en door zijn
vromen oom Lodewijk op zulk een wreede wijze van het gezicht beroofd,
dat hij stierf.

Toen werd Lotharius in zijn plaats Koning van Italië en nam de
uitnoodiging van den Paus aan om zijn keizerlijken titel in Rome te
laten bekrachtigen. Maar hoe weinig geneigd hij was de pauselijke
aanspraken op gezag of zelfs op rechtspraak in Rome te erkennen,
blijkt wel uit het feit, dat hij aldaar zijn keizerlijken rechterstoel
plaatste en als hoogste rechter uitspraak deed in een zaak tegen Paus
Paschalis. Dit besliste optreden, waartoe Lotharius eerder geleid werd
door het voorbeeld van zijn grootvader dan door den invloed van zijn
zwakken en bigotten vader, was ongetwijfeld in de goede richting; hij
en zijn opvolgers hadden, indien zij aldus krachtig waren voortgegaan,
misschien de ellende kunnen voorkomen, die de Pausen eeuwen lang
veroorzaakt hebben door hun begeerte naar wereldlijke macht [216]. Doch
de mede-keizer was niet krachtig genoeg om den Paus in zijn eigen hol
te trotseeren. Zoodra Lotharius Rome verlaten had, werden eenige van
Paschalis' tegenstanders gevangen genomen en gedood, waarschijnlijk
op bevel van den Paus, en toen er gezanten van den verontwaardigden
Keizer kwamen om de zaak te onderzoeken, stelde de sluwe priester hen
door een welbekende list te leur en legde plechtig voor een openbare
vergadering in het Lateraan een verklaring af van zijn volkomen
onschuld, terwijl hij tegelijkertijd stoutweg verzekerde, dat zijn
vijanden als verraders waren omgekomen (velut majestatis reos).

Aldus had Lotharius' goed bedoelde poging slechts ten gevolge, dat
het Italiaansche volk verdeeld werd in twee partijen, die later
de Ghibellijnen en Welfen zouden heeten. Zoo bitter was reeds de
vijandschap, dat het, toen Paus Paschalis stierf, onmogelijk bleek
hem in de St. Pieter te begraven, en de onlusten bij de verkiezing
van zijn opvolger waren zoo hevig, dat Lotharius nog eens door zijn
vader gezonden werd om den vrede te herstellen. Bij deze gelegenheid,
(824) vaardigde hij een Constitutio uit, die bepaalde, dat er te Rome
een keizerlijke gezant (missus) gevestigd moest zijn en de keizerlijke
sanctie vóór de wijding van een Paus als noodzakelijk voorschreef.

Ermengard, de vrouw van Lodewijk den Vrome, was in 818 gestorven en men
had Lodewijk met moeite kunnen weerhouden zich in een klooster terug
te trekken; maar weldra trad hij weder in het huwelijk en geraakte
geheel en al onder den invloed van zijn tweede gemalin, de Beiersche
prinses Judith; en toen het langzamerhand bleek, dat haar jonge zoon,
de latere Karel de Kale, de vooruitzichten van zijn oudere broeders
zou vernietigen en zich niet om hun geboorterechten zou bekommeren,
brak er een afschuwelijke familietwist uit. De drie oudste zonen,
Lotharius, Pepijn en Lodewijk de Duitscher verbonden zich en zetten hun
stiefmoeder gevangen; en bijna dwongen zij hun vader in een klooster
te gaan. Maar het volk kwam tusschenbeide; de koningin werd bevrijd
en de zwakke oude koning werd weder op den troon geplaatst. Hij
stierf evenwel kort daarna (840) en dadelijk namen de drie broeders
(Pepijn was gestorven) de wapenen tegen elkander op, totdat zij te
Verdun een overeenkomst sloten, waarbij Karel de Kale Frankrijk,
Lodewijk Duitschland en Lotharius Italië kreeg met een strook lands,
die Frankrijk van Duitschland scheidde en zich uitstrekte van den
mond van den Rijn tot dien van de Rhône. Deze merkwaardige strook,
met haar twee hoofdsteden, Aken en Arles, noemde hij Lotharingen en
een deel daarvan draagt nog dien naam.

Wij zullen nu van de dynastieke twisten van deze Karolingers afscheid
nemen en onze aandacht meer bepalen bij hetgeen in Italië zelf gebeurde
tijdens de regeering van Lotharius. In het noorden van het schiereiland
was, ofschoon verscheidene steden, vooral Venetië, een groote mate
van onafhankelijkheid hadden verworven, de Frankische vorst, die
zich "Koning van Italië" noemde ook werkelijk de heerscher. Ook in
Rome slaagde hij erin tot op zekere hoogte, zooals wij zagen, zijn
keizerlijke rechten tegen het Pausdom te handhaven. Maar in het zuiden
en het midden had deze "Rex Longobardorum" slechts een schaduw van
macht over den hertog van Spoleto en zelfs dit niet over den hertog van
Benevento [217]. Bovendien waren er verscheidene zuidelijke steden,
zooals Salerno en Capua, die niet alleen weigerden de Frankische
suprematie te erkennen, maar ook hun onafhankelijkheid tegen hun
Longobardische heeren handhaafden, of die, zooals Napels en Amalfi,
de Byzantijnsche overheersching afschudden en autonomie verwierven.

Zooals het ook het geval was geweest met de Longobarden, sloot de
onvolkomenheid van de Frankische verovering alle mogelijkheid uit,
om Italië tot één geheel te maken. De verdeeldheid van het land
stelde het bloot aan vreemde indringers, onder wie het zeer lang
geleden heeft; en juist in dezen tijd hebben wederom indringers een
belangrijke rol gespeeld, indringers, die zeer verschilden van de
Ariaansche Goten en Vandalen, van de Katholieke Franken, of zelfs
van de heidensche Hunnen. De Mohammedanen of Saracenen van Arabië
en Noord-Afrika hadden hun veroveringen met verbijsterende snelheid
over de geheele zuidelijke en oostelijke kust van de Middellandsche
zee uitgebreid, hadden het grootste gedeelte van Spanje bemachtigd
en zouden zich van geheel West-Europa meester gemaakt hebben, indien
Karel Martel hen niet in 732 bij Tours een verpletterende nederlaag had
toegebracht. In de volgende eeuw maakten zij voortdurend de kusten van
Sicilië, Sardinië en Zuid-Italië onveilig, bedreven de meest brutale
daden van zeerooverij, soms zelfs in bondgenootschap met Christelijke
steden, die hen te hulp riepen tegen hun Christelijke tegenstanders. In
827 vluchtte een Byzantijnsche veldheer, Euphemius, die op Sicilië
zonder resultaat een opstand had verwekt, naar Afrika en overreedde
de Saracenen een vloot van honderd schepen met ongeveer 10.000 man
uit te zenden om Sicilië te veroveren. In den beginne werden zij door
nederlagen en pest gedecimeerd; doch er werden talrijke versterkingen
gezonden en na een langdurig en verschrikkelijk beleg namen zij
Palermo in, welks bevolking, naar men zeide, gedurende de belegering
van 70.000 op 3000 was gedaald. Van Sicilië uit begonnen de Saracenen
het kustgebied van Zuid-Italië te bestoken en hun stoutmoedigheid werd
aangewakkerd door het verraad van verscheidene Italiaansche steden,
van welke Napels in het bijzonder zich schandelijk heeft gedragen
door de Mohammedanen behulpzaam te zijn bij de inneming van Messina.

Om Rome zelf tegen deze Muzelmannen te beschermen vond Paus Gregorius
IV (tijdens de regeering van Lotharius) het noodzakelijk een nieuwe
stad [218] bij Ostia te bouwen, die stevig te versterken en zware
ballistae op de wallen te plaatsen. Maar de Saracenen baanden zich
met geweld een doortocht den Tiber op (846), plunderden het land tot
de stadsmuren en ook de twee groote basilieken van den H. Paulus en
de H. Petrus, die buiten de muren lagen. De Angel-Saksen, Franken en
andere vreemdelingen die hunne "kolonies" in den Borgo hadden, werden
overweldigd en er ontstond een wanhopige strijd op de Vatikaansche
brug; doch eindelijk werden de ongeloovigen door de Romeinen, geholpen
door de Longobardische troepen uit Spoleto, teruggeworpen. De schrik
door deze stoutmoedige onderneming veroorzaakt deed Lotharius en den
Paus, den energieken en krijgshaftigen Leo IV besluiten den Borgo
[219] met muren te omringen en deze wijk heette in het vervolg de
Città Leonina.

Terwijl deze nieuwe muren verrezen (in 849), werd er op de hoogte van
Ostia een zeer belangrijke zeeslag geleverd, een slag die misschien
van evenveel gewicht was als die van Salamis, van Châlons (op de
Catalaunische velden) of van Tours. De Napolitanen, die alle reden
hadden om berouw te hebben over hun verbond met de Muzelmannen, vielen
stoutmoedig een sterke vloot der Saracenen aan, die Ostia bedreigde en
geholpen door een storm, die vele schepen van den vijand deed stranden,
maakten zij een ontzaglijk aantal gevangenen, van welke velen gedwongen
werden te werken aan de muren van de Città Leonina. Een prachtig,
hoewel bloeddorstig fresco, door Raffael ontworpen en uitgevoerd door
Giov. da Udine stelt Leo IV voor, terwijl hij te Ostia met opgeheven
hand de slachting van Saraceensche gevangenen zegent. Dit is echter
historisch onjuist, want Leo heeft, naar men zegt, den dag voor den
slag een bidstond gehouden in de S. Aurea, de basiliek te Ostia en
is dadelijk daarna naar Rome vertrokken.

[Voordat wij van dit onderwerp afscheid nemen, zal het noodig zijn een
weinig vooruit te loopen en op te merken dat de Saracenen nog vele
jaren Sicilië behielden en Zuid-Italië teisterden. Zij maakten Bari
tot hun voornaamste steunpunt en plunderden geheel Apulië, Calabrië en
zelfs Campanië tot de poorten van Salerno. In 888 verwoestten zij de
Benedictijner abdij van Monte Cassino, zooals te voren is vermeld. Zoo
nu en dan werden zij streng gestraft. Lodewijk II veroverde Bari en
maakte den "Sultan" der Saracenen gevangen. De zgn. Keizer Guido
(c. 890) hakte hem in de pan en maakte een sterke legerplaats,
die zij op den berg Garigliano (bij de Liris) hadden aangelegd,
met den grond gelijk; toen deze legerplaats was herbouwd, werd die
wederom geheel en al vernield door de verbonden staten van Zuid-Italië
tijdens de regeering van Berengarius (915). Maar zij bleven toch een
voortdurend gevaar en veroorzaakten zelfs den Saksischen keizers veel
last. Otto III werd inderdaad volkomen door hen verslagen en kwam bijna
in dien slag om. De Saracenen van Spanje teisterden bovendien jaren
lang de noordelijke kusten. Zij bemachtigden Provence en Sardinië en
verwoestten de marina van Ligurië, Toskane en Latium en eens zelfs
brandden zij een gedeelte van de stad Pisa plat. Eindelijk werden
deze Spaansche Saracenen door de vloten van de Pisanen, van Sicilië
en Zuid-Italië overwonnen en opgenomen door de Noormannen, zooals
wij later zullen zien.

In 855 stierven zoowel Lotharius als Paus Leo, de eerste in een
klooster, waarin hij zich had teruggetrokken, nadat hij afstand
had gedaan van den troon ten behoeve van zijn zoon Lodewijk, die
ongeveer vijf jaren te voren als medekeizer was gekroond. Leo werd
opgevolgd door Benedictus III, die door de pauselijke partij werd
gesteund en gekozen werd in strijd met de wenschen uitgesproken door
de officieele gezanten namens den nieuwen Keizer, hetgeen een zeer
duidelijke aanwijzing van den stand van zaken te Rome was.

Ofschoon de kroniekschrijvers zonder twijfel veel, wat van groot
belang voor de toekomst van Italië was, onopgemerkt hebben gelaten,
geven de annalen van de twintig jaar van Lodewijk's regeering
(855-75) nauwelijks iets belangrijks behalve de veldtochten van den
Keizer tegen de Saracenen, waarover reeds gesproken is, en eenige
gebeurtenissen, die samenhangen met het krachtig optreden van Paus
Nicolaas I. Deze was gekozen door den invloed van den Keizer, doch
het duurde niet lang of hij geraakte in hevigen strijd met Lodewijk
II en het volkomen ontbreken van elk gevoel van eerlijkheid, dat in
het pauselijk gemoed bijna altijd scheen gepaard te gaan met andere,
niet zelden bewonderenswaardig dappere eigenschappen, bracht er
hem toe, de bekende "Isidorische decretalen", een verzameling van
onechte in Frankrijk verzamelde decreten van gefingeerde Concilies,
waardoor den Paus de suprematie over alle bisschoppen gegeven werd en
het kerkelijk gezag (zooals in de beroemde Donaties van Constantijn en
Pepijn) volkomen onafhankelijk werd gemaakt van de burgerlijke macht,
als aanvalswapen te gebruiken. Hierna keerde Paus Nicolaas zich tegen
den aartsbisschop van Ravenna, die, zooals vele van zijn voorgangers,
een eenigzins uitdagende houding tegen Rome had aangenomen, en na een
korten strijd overwon hij hem volkomen. Toen viel hij den Patriarch
van Constantinopel aan en de twist tusschen het Oosten en Westen werd
een breuk naar aanleiding van de heftig bestreden Filioque-vraag,
de vraag of de Heilige geest niet alleen van den Vader maar ook van
den Zoon uitgaat. Daarna toonde hij zijn moed in een zaak van minder
diepzinnigen aard. De broeder van Lodewijk II, Lotharius, koning van
Lotharingen, was hevig verliefd geworden op een zekere Waldrada,
die hem op daemonische wijze fascineerde en die hij werkelijk had
laten kronen in de plaats van zijn koningin, Luitberga. Het was
een geval gelijkend op dat van Anna Boleyn en in beide gevallen
had de Paus ongetwijfeld gelijk. Een Kerkelijk Concilie te Metz
had de echtscheiding bekrachtigd en het nieuwe huwelijk ingezegend;
de Aartsbisschoppen van Trier en van Keulen kwamen naar Rome om hun
meening kracht bij te zetten; maar Paus Nicolaas weigerde drie weken
lang hun audientie te verleenen; daarna zette hij hen af en sprak
over beiden den banvloek uit.

Daarop marcheerde Lodewijk, die op een veldtocht tegen de Saracenen te
Benevento was, hevig verontwaardigd naar Rome en bezette de Civitas
Leonina. Paus Nicolaas nam een houding van lijdelijk verzet aan; hij
ging de St. Pieter binnen en bleef twee dagen lang, zonder voedsel,
geknield voor het hoogaltaar liggen; ten slotte zegevierde hij,
want Lodewijk werd ziek en keerde naar het noorden terug zonder
iets bereikt te hebben; en Lotharius stierf een paar jaren later,
nadat hij vergeefsche en vernederende pogingen had aangewend om van
den opvolger van Paus Nicolaas de erkenning van Waldrada te verkrijgen.

Toen Lodewijk II in 875 te Brescia stierf, waren zijn twee ooms,
Lodewijk, de koning van Duitschland, en Karel de Kale van Frankrijk,
die reeds beslag hadden gelegd op het gebied van Lotharius, de
pretendenten naar de kroon van Italië en den keizerstitel, en het
is belangwekkend te zien, dat bij deze gelegenheid, in plaats van
een zich zelf kronenden Keizer, de Paus, de energieke en eerzuchtige
Johannes VIII en de Italiaansche grooten de zaak beslissen. Het is
zeker, dat Karel werd uitgenoodigd (of aangemaand) door Johannes
naar Rome te komen om door den Paus tot keizer te worden gekroond,
dat hij gehoorzaamde en dadelijk daarna naar Pavia trok, waar hij
voor een groote vergadering van Italiaansche edelen en prelaten
door den Aartsbisschop van Milaan met de Longobardische IJzeren
Kroon tot Koning van Italië werd gekroond. De twee jaren van de
regeering van Karel den Kale zijn merkwaardig om zijn voortdurende
gevechten tegen zijn neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher,
en de hernieuwde moeilijkheden met de Saracenen, die, ofschoon zij
door een Italiaansche vloot onder aanvoering van Paus Johannes zelf
verslagen waren, toch het Romeinsche gebied verwoestten en, wederom
geholpen door de verraderlijke Napolitanen, Rome zelf bedreigden [220].

Na den dood van Karel den Kale in 877 volgde er een sombere periode
van vier jaren van onbeduidende oorlogen, gedurende welke er geen
Keizer was. De pretendenten waren Lodewijk de Stamelaar (le Bègue) en
zijn drie neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher. Een van deze,
Karloman, werd Koning van Italië en na zijn dood in 879 volgde zijn
broeder Karel de Dikke hem op en werd ten slotte in 881 tot Keizer
gekroond. Daar al zijn mededingers waren gestorven, werd Karel
de Dikke kort daarna ook koning van Duitschland en van Frankrijk
(d.w.z. van de Oost- en West-Frankische koninkrijken) en regeerde dus
over bijna het geheele vroegere Rijk van Karel den Groote. Maar zijn
domme onmacht bleek even merkwaardig als zijn lichamelijke grofheid;
en een vergadering van edelen te Tribur, bij Mainz, onttroonde hem en
het volgend jaar stierf hij. Aldus eindigde na 88 jaar de erfelijke
dynastie der Karolingers, die zich Koningen van Italië en Keizers der
Romeinen noemden, ofschoon, zooals wij zullen zien, sommige van de
koningen en z.g.n. keizers van de volgende sombere en woelige periode
op onwettige wijze (zooals Arnulf) of door de vrouwelijke linie
(zooals Berengar en Lodewijk) van Karel den Groote afstamden.



(2) Zoogenaamde Italiaansche Koningen en Keizers (888-962).

Het verval van de keizerlijke en koninklijke waardigheid moet men
aan vele oorzaken toeschrijven. Een daarvan was de ontaarding van
de Karolingische vorsten; een andere de noodlottige familie-veeten
die zich vermenigvuldigden als hydra-koppen; nog een andere oorzaak
was het feit, dat de Pausen en de bisschoppen zich wereldlijke macht
aanmatigden; vervolgens ook de uitputtende en dikwijls vergeefsche
worstelingen met buitenlandsche vijanden, zooals de Saracenen,
waarbij weldra nog de Hongaren en Noormannen kwamen; en ten slotte
was een zeer voorname oorzaak de snel toenemende onafhankelijkheid
van vele steden, zooals Venetië en Napels (om niet te spreken van
Rome), en ook van de machtige leenmannen van de kroon, die in vele
gevallen erfelijke hertogdommen of markiezaten hadden gesticht en
geneigd waren steeds hooger te streven en met elkander te strijden
om de kroon van Italië of zelfs te grijpen naar het bedriegelijke
schijnbeeld van den keizerlijken diadeem.

Het ineenstorten van het Karolingische Rijk had de opkomst van twee
groote volken ten gevolge, het Duitsche en het Fransche; en een
tijdlang scheen het alsof Italië eindelijk zich tot één natie onder
eigen koningen zou vereenigen. Daarom zijn Italiaansche schrijvers
geneigd om met een zeker genoegen over deze z.g.n. "Italiaansche"
hertogen en markiezen, en den regno d'Italia indipendente uit de
weiden, terwijl door de Duitsche historici deze periode, in welke
Italië grootendeels vrij was van Duitsche overheersching, dikwijls
beschouwd wordt als een triviale periode van ontaarding, die geen
beschrijving verdient.

Daar er in een volgend hoofdstuk iets zal gezegd worden over
wetenschap, godsdienst en kunst in Italië gedurende de negende en
tiende eeuw en de twisten van de pretendenten naar de kroon van Italië
onbelangrijk zijn, zullen wij nu slechts een kort verslag geven van
de voornaamste gebeurtenissen van deze periode.

Bij de verkiezing van Karel den Dikke hebben wij gezien, dat de keuze
van een keizer, een tijdlang ten minste, afhankelijk was van den Paus,
en de grooten, zoowel de leeken als de geestelijken, van Noord-Italië,
zich het recht hadden aangematigd hun eigen koning te kiezen of
de keuze te bekrachtigen; want zij lieten Karel te Pavia door den
Aartsbisschop van Milaan kronen met de Longobardische kroon. Na zijn
onttroning was het dus natuurlijk van zelf sprekend, dat deze grooten
weder hun eigen koning zouden kiezen. Zij negeerden het feit, dat
Arnulf van Carinthië, een Karolingische bastaard, in de plaats van
Karel als koning van Duitschland was gekozen en zich dus ipso facto
als Koning van Italië beschouwde, en kozen Berengarius, den Markies van
Friaul [221], den zoon van Gisela, een dochter van Lodewijk den Vrome.

In de volgende 37 jaren (888-925) moest Berengar achtereenvolgens
tegen vijf mededingers strijden; van deze gelukte het vier de
pauselijke kroning deelachtig te worden, voordat Berengar zelf in
915 dit bereikte. De eerste van deze mededingers was de Hertog van
Spoleto. Hoe stoutmoedig en onafhankelijk deze Longobardische hertogen
van Zuid-Italië geworden waren, hebben wij reeds gezien. Toen Lodewijk
II nog keizer en Hadrianus II Paus (867) was, had de hertog van
Spoleto, Lambert, plotseling een inval gedaan en Rome geplunderd. Deze
daad herhaalde hij in 878, toen hij Paus Johannes VIII een maand lang
gevangen hield, en hem tevergeefs trachtte te dwingen Karloman den
keizerstitel toe te kennen; hij gebruikte dergelijke dreigementen,
dat de Paus, dien wij reeds om zijn krijgshaftig optreden en zijn
schitterende overwinning op de Saracenen hebben bewonderd, op een
schip naar Graaf Boso van Provence vluchtte.

Deze Lambert van Spoleto nu had een zoon, Guido, dien Karel de Dikke
wegens verraad afzette, terwijl hij zijn hertogdom aan Berengar
van Friuli gaf. Maar Guido kwam weer met behulp van de Saracenen
[222] terug, en nadat hij Berengar bij de Trebia, niet ver van Pavia,
verslagen had, zette hij zich als Koning van Italië de IJzeren Kroon op
het hoofd en werd twee jaren later (891) met den keizerlijken diadeem
in de St. Pieter te Rome gekroond, ofschoon de Paus, Stephanus V,
in het geheim samenspande met een derden mededinger, Arnulf van
Carinthië, die, als opvolger van Karel den Dikke ten noorden van de
Alpen, al dien tijd zijn aanspraken op het koningschap van Italië en
den keizerstitel had volgehouden [223].

Guido was niet tevreden met den keizerstitel; hij wenschte een
keizerlijke dynastie te stichten door ook zijn zoon, Lambert, tot
keizer te maken, en de beruchte Formosus, die Paus was geworden,
begunstigde eerst die eerzuchtige plannen en kroonde Lambert te
Ravenna als medekeizer; maar toen na Guido's dood Arnulf (896)
met een sterk leger in Italië drong en Rome binnentrok, weigerde de
besluitelooze of sluwe Paus den Spoletaanschen pretendent zijn hulp
en ofschoon hij de keizerlijke kroon op Lambert's hoofd had gezet,
herhaalde hij nu deze plechtigheid ten gunste van diens mededinger.

Arnulf evenwel had niet veel voordeel van het feit, dat hij het
doel van zijn eerzucht bereikt had, want terwijl hij zich gereed
maakte Lambert te Spoleto aan te vallen, werd hij door een beroerte
getroffen en ofschoon hij nog drie jaren in leven bleef, beteekende
zijn politieke invloed in Italië toch niets meer. De ommekeer van de
stemming wegens de kroning van dezen "barbaar" over den Paus, die
deze verfoeilijke unctio barbarica had verricht was zoo geweldig,
dat het lijk van Formosus voor den dag werd gehaald om voor een
Synode ter verantwoording te worden geroepen,--een tooneel, dat later
beschreven zal worden. Lambert daarentegen, krachtig geholpen door
zijn eerzuchtige moeder, Agiltrud, (de dochter van den hertog van
Benevento, die Keizer Lodewijk gevangen nam), rees ten zeerste in
de achting van het volk en zou er waarschijnlijk in zijn geslaagd
zijn eenig overgebleven mededinger te verdrijven, ware hij niet in
898 gestorven ten gevolge van een val van zijn paard, terwijl hij op
jacht was--of volgens anderen, vermoord. Aldus werd Berengar van zijn
mededingers bevrijd.

Doch niet lang werd den Koning van Italië rust gegund. De nieuwe,
verschrikkelijke vijanden, de Magyaren, zooals zij zichzelf noemden,
of Hun-ugri, zooals de Slaven hen noemden, waren evenals de Hunnen
van Oostersche afkomst en geleken op hen, wat hun woestheid en
meedoogenlooze onmenschelijkheid betrof; zij waren in groote massa's
van de Oeral-streken gekomen en hadden nu, daar zij bij de Slavische
volken slechts weinig weerstand vonden, reeds onder hun aanvoerder
Arpad het land veroverd, dat naar hen nog Hongarije heet; en weldra
drongen zij door in Duitschland, Frankrijk en Italië en waren een
halve eeuw lang de schrik van Europa, totdat zij in 955 volkomen werden
verslagen door Keizer Otto I in den grooten slag op het Lechfeld [224].

In 899 vielen deze Magyaren in Italië en brachten Berengarius bij de
rivier de Brenta zulk een nederlaag toe, dat zijn tegenstanders wederom
moed vatten en een vreemden vorst, Lodewijk, den zoon van Boso, den
"Koning" van Provence, voor de keizerskroon opriepen, daarbij een
gedragslijn volgend, die ontzaglijk veel ellende over Italië bracht.

De jeugdige pretendent, de zoon van Boso en Ermengard, de dochter
van den Karolinger Lodewijk II, gaf gehoor aan de uitnoodiging; hij
kwam te Rome en werd inderdaad door Paus Johannes IX gekroond; maar
Berengarius viel hem stoutmoedig aan, dwong hem naar huis te gaan en
te beloven nooit meer in Italië terug te komen. Deze belofte evenwel
werd door Lodewijk gebroken; maar in 904 werd hij door Berengarius
gevangen genomen, blind gemaakt en naar Provence teruggezonden.

Wederom volgde een periode, waarin Berengarius onbetwist koning was,
en in 915 werd hij te Rome als keizer gekroond, nadat het hem gelukt
was te zamen met Paus Johannes X een bond van de Longobardische
hertogen, van Napels en andere steden te vormen, met de bedoeling
het Saraceensche kamp bij de Garigliano te vernietigen, welk doel
werkelijk werd bereikt. Het scheen nu wederom, alsof Italië eindelijk
vrede en eenheid zou deelachtig worden onder zijn eigen regeerders;
maar deze Italiaansche Koningen en Keizers waren in het geheel niet
naar den zin van de Pausen, die aldus onder voortdurend toezicht
stonden, en de eerzuchtige en beginsellooze Johannes X begon, kort
nadat hij Berengar den keizerlijken diadeem op het hoofd had gezet,
evenals vele van zijn voorgangers en opvolgers, te "boeleeren" met
vreemde vorsten, zooals Dante het noemt. Hij noodigde Rudolf, koning
van Hoog-Bourgondië uit, het koningschap over Italië te aanvaarden en
plaatste hem te Pavia in 922 de IJzeren Kroon op het hoofd. Berengar,
in het nauw gebracht, riep zijn oude vijanden, de Magyaren, weder in
het land. Deze kwamen, doch in plaats van hem te helpen, begonnen
zij de landstreek te plunderen. Zij staken Pavia in brand en hun
benden strekten hun strooptochten naar het zuiden bijna tot Rome
uit. Ondertusschen was Berengar, zonder hun hulp, erin geslaagd Rudolf
te verslaan en naar Bourgondië terug te jagen; maar kort daarna (924)
werd hij te Verona vermoord, naar men zegt door een intiemen vriend,
Flambert, die reeds eenmaal tegen hem een samenzwering had gesmeed
en vergiffenis had gekregen [225].

In de volgende zeven en dertig jaren was er geen Keizer. De titel,
die eens het zinnebeeld was geweest van een macht over de geheele
wereld, had nu geen waarde meer; Byzantijnsche vorsten matigden
zich dien titel aan en Pausen kenden dien aan Duitsche monarchen,
Provençaalsche prinsen of Longobardische hertogen toe. Het ontbreken
van een Imperator Romanorum in Italië gedurende meer dan een derde van
een eeuw was van weinig belang, want het is de werkelijkheid achter
dergelijke namen, die er eenig gewicht aan geeft, en het aanzien,
dat die naam aan het latere "Heilige Roomsche Rijk" schenkt, is niet
te danken aan de onafgebroken opvolging, maar geheel en al aan het
staatkundige en persoonlijke gewicht van de Duitsche vorsten, die,
in meerdere of mindere mate met goedvinden van het Italiaansche volk,
den keizerlijken titel hebben gevoerd. Het oorspronkelijke Imperium
Romanum had reeds voor de zesde eeuw opgehouden te bestaan en het
eenige recht, dat de middeleeuwsche Imperatores Romanorum hadden op
hun titel, bestond in hun macht of was het recht, dat de Italianen (en
in sommige gevallen misschien de Pausen als hun vertegenwoordigers)
bezaten, om dien titel te doen herleven en toe te kennen, aan wien
zij wilden. Maar, ofschoon men moet erkennen, dat de keizerlijke
waardigheid, zooals die in den persoon van Otto herleefde, nog meer
een fictie was dan de titel, die met de woorden piissimus Augustus,
a Deo coronatus, magnus Imperator aan Karel den Groote werd toegekend
of zelfs dan de eer, die Arnulf van Carinthië deelachtig werd door
de unctio barbarica van den Paus, men mag toch niet vergeten dat
zoo iets als keizerlijke opvolging soms een zoogenaamde subjectieve
werkelijkheid bezit; want hoe denkbeeldig de onafgebroken overdracht
van een geheimzinnig voorrecht ook moge zijn, de ontroering, die gewekt
wordt in de gemoederen, die dergelijke aanspraken erkennen, blijkt
dikwijls een wezenlijke en groote kracht te zijn in de historische
evolutie en die ontroering kan niet geloochend worden [226].

Eindelooze veeten en burgertwisten, algeheele ondergang van patriotisme
door lage, persoonlijke eerzucht, schaamtelooze verbintenissen met
vreemde vorsten en barbaarsche vijanden--dat zijn de voornaamste
trekken van de z.g.n. regno d'Italia indipendente, een tijd, waarin het
bleek, dat de Italianen nog niet hoog genoeg stonden om onafhankelijk
te zijn.

Merkwaardig is het, dat in deze periode van zeven en dertig jaren
verscheidene vrouwen zulk een belangrijken invloed hebben uitgeoefend;
meer dan eene heeft een tijdlang een staatkundige macht bezeten,
die men kan vergelijken met het gezag van Placidia of Pulcheria;
maar zij verwierven en behielden die macht door een daemonische, of
misschien beter gezegd, diabolische bekoring, die eerder doet denken
aan de jongere Agrippina of Lucrezia Borgia dan aan de dochter of
kleindochter van den grooten Theodosius. Een van deze vrouwen was
Bertha, de dochter van die Waldrada, die wij vroeger vermeld hebben
in verband met Lotharius (p. 285). Bertha was eerst gehuwd met Graaf
Theobald van Provence, die haar een zoon, Hugo, had geschonken. Daarna
trouwde zij met Adalbert, Markies van Toskane, en kreeg verscheidene
kinderen, van welke er een, Ermengard, met de fascineerende schoonheid
van haar moeder begiftigd was. Bertha, en na haar dood, Ermengard,
Markiezin van Ivrea, schijnen op de Italiaansche edelen zulk een
invloed te hebben gehad, dat deze kort na den moord op Berengarius
besloten Rudolf van Bourgondië, ofschoon hij reeds door den Paus
gekroond was, niet te erkennen en den jongen graaf van Provence uit
te noodigen de kroon van Italië te aanvaarden [227]. Hugo landde bij
Pisa (926) en werd te Pavia gekroond, terwijl Paus Johannes X voor
de derde maal zijn goddelooze zalving gaf aan een pretendent tijdens
het leven van diens mededinger en er aldus de oorzaak van werd, dat
de open wond van Italië ging zweren in plaats van die, als Hoofd van
Christelijk Kerk, te verbinden en te heelen.



Rome van 896 tot 926.

Maar in Rome was de vrouwelijke overheersching in deze periode aan
het licht gekomen, en wij moeten een weinig teruggaan om te zien hoe
dit begon. Nadat Paus Formosus Arnulf als keizer had gekroond, en Paus
Stephanus VI om deze onwaardige handeling te wreken, zijn lijk uit het
graf had gehaald en voor een Synode ter verantwoording had geroepen,
heerschte er een schandelijke toestand in Rome, waar in acht jaren
(896-904) niet minder dan tien Pausen optraden, van wie de meeste hun
ambt verwierven of verloren door misdadige kuiperij of moord [228]. In
dezen tijd, waarin volgens sommigen geheel Italië een gelukkige
onafhankelijkheid genoot onder de regeering van hun eigen koning
Berengarius, begon in Rome een verschrikkelijk despotisme op te komen,
waarvoor zoowel het Pausdom als het Koningschap van Italië zouden
moeten buigen. Een zekere Theophylactus, een leider van de wereldlijke
aristocratie (judices de militia) was gestegen tot het ambt van Dux et
Magister militum en had de titels van Senator en Consul aangenomen,
terwijl zijn vrouw, die den onheilspellenden naam Theodora droeg,
en hare twee dochters Marozia en Theodora er in slaagden door haar
schoonheid en losbandigheid een groot getal aanbidders en satellieten
tot zich te trekken. In 904 werd de eerzuchtige Kardinaal Sergius,
die reeds jaren lang getracht had de pauselijke tiara te bemachtigen
en wien het ten slotte gelukt was de minnaar van Marozia te worden,
tot Paus gekozen; sinds dat jaar was het ambt van paus langen tijd
afhankelijk van deze vrouwen. Zeven jaren troonde deze man op den zetel
van den H. Petrus; door Baronius en andere kerkelijke schrijvers wordt
hij een monster, door Gregorovius een "terroriseerende misdadiger"
genoemd; zijn concubine en haar Semiramis-achtige moeder hadden een
hofhouding, die door haar weelde en zedeloosheid deed denken aan de
ergste tijden van het oude Keizerrijk.

Sergius III stierf in 911. Twee pausen volgden daarna, van wie wij
bijna niets weten, maar wier verkiezing en plotseling verdwijnen
waarschijnlijk moeten worden toegeschreven aan hof-intriges. Toen
werd een zekere priester, Johannes, die langen tijd Theodora,
ofschoon zij niet jong meer was, het hof had gemaakt en Aartsbisschop
van Ravenna was geworden, door den invloed van zijn minnares op
den pauselijken troon geplaatst (914). Hij was die zedelooze en
onbetrouwbare Paus Johannes X, van wien wij reeds meer dan genoeg
hebben gehoord. Ondertusschen had Marozia, die haar pauselijken minnaar
had verloren, een fortuinzoeker getrouwd (913), een soldaat, Alberik
geheeten, die na afwisselend onder Guido en Berengarius gediend te
hebben er in geslaagd was zich tot Hertog van Spoleto op te werpen.

Het was kort hierna, dat Berengarius, gesteund door Theophylactus,
Alberik en hun beider almachtige echtgenooten, naar Rome kwam en als
Keizer werd gekroond (915) door Paus Johannes X, nadat hij de Saracenen
op den berg Garigliano, zooals reeds verteld is, verslagen had.

Theophylactus, Theodora en Alberik verdwijnen nu plotseling en
eenigzins geheimzinnig van het tooneel en Marozia vestigt zich in
den sterken burcht van S. Angelo (Engelenburg), vanwaar zij Rome
beheerscht. Paus Johannes laat Berengarius in den steek en kroont
Rudolf van Bourgondië; niet lang daarna herhaalt hij dit spel met
Hugo van Provence. Deze verraderlijke intriges brengen Marozia in
botsing met den vroegeren minnaar van haar moeder; ten slotte neemt
zij hem gevangen en sluit hem in den burcht op, waar hij weldra op
haar bevel wordt geworgd, of volgens sommigen, met een kussen gesmoord.



Na den dood van haar echtgenoot, Alberik van Spoleto, was Marozia in
het huwelijk getreden met Guido van Toskane, den broeder van Ermengard
en den stiefbroeder van Hugo van Provence. Toen nu Hugo in 926 tot
Koning van Italië werd gekozen en gekroond, gevoelde Marozia zich
natuurlijk diep gegriefd, want zij had ongetwijfeld Guido getrouwd
met de bedoeling zichzelf Koningin van Italië te maken. Doch gelukkig
stierf Guido weldra, en Hugo van Provence verloor omstreeks denzelfden
tijd zijn vrouw. Deze kans mocht Marozia niet laten voorbijgaan en
weldra werden de listen van de verleidelijke meesteres van Rome met
succes bekroond. Hugo kwam te Rome (932) en vierde zijn bruiloft met
Marozia in den Engelenburg; de onlangs gekozen Paus Johannes XI, een
zoon van de bruid en haar minnaar van vroegere jaren, Paus Sergius
III, verrichtte de plechtige handeling en zegende het koninklijk
echtpaar in.

Maar bij haar eersten echtgenoot, Alberik van Spoleto, had Marozia
een wettigen zoon, die nu ongeveer achttien jaar was, ook Alberik
geheeten; deze zoon had de krijgshaftige eigenschappen van zijn vader
geërfd en bezat een heerschzuchtig karakter en aanleg om leider te
zijn. De jongeling was zeer verontwaardigd over het gedrag van zijn
moeder en voelde zich beleedigd door de aanwezigheid van zijn nieuwen
stiefvader, in wiens gevolg hij als page had gediend, en toen Hugo
eens zijn onbeschaamdheid [229] met een oorveeg beloonde, snelde
hij naar buiten en sprak met vurige welsprekendheid de verzamelde
menigte toe, die dadelijk daarop een aanval deed op den burcht. Hugo,
verschrikt, liet zich aan een touw naar beneden zakken en vluchtte uit
Rome. Alberik zette zijn moeder [230] gevangen, stelde zijn onechten
halfbroeder, den jongen Paus, onder strenge bewaking en nam de titels
van Princeps en Senator aan.

Alberik, of Alberico, bestuurde Rome misschien streng, maar
rechtvaardig, gedurende 22 jaren (932-954). Het is een periode van
de Italiaansche geschiedenis vol belangrijke hervormingen, die,
helaas, weer te gronde zijn gegaan onder Alberik's zoon en opvolger,
die het karakter van zijn grootmoeder, Marozia, had geërfd. Hij
verdeelde het leger in twaalf scholae naar de twaalf wijken van
de stad, elk onder bevel van een banderese, "baanderheer", zooals
de Florentijnsche Gonfaloniere della compagnia. Door de titels van
Princeps en Senator bekleedde hij blijkbaar zichzelf met de voornaamste
wetgevende en uitvoerende bevoegheden; want de Senaat bestond niet
meer en de aanzienlijken schijnen slechts als zijn ondergeschikte
ambtenaren gehandeld te hebben. Als President van het Gerechtshof
[231] had hij, zooals de Venetiaansche Doges van vroeger tijden,
een bijna absolute macht, en ofschoon wij op zijn munten naast zijn
naam dien van den Paus vinden, is het toch zeer duidelijk, dat geen
der zeven Pausen van deze periode eenig politiek gezag had. De meeste
van hen waren door Alberik zelf uitgekozen, en onder zijn régime was
een Paus niets anders dan het Hoofd van de Kerk, die het geestelijke
gezag uitoefende. En men kan er niet aan twijfelen, dat Alberik de
werking van geestelijken invloed zeer hoog schatte, ten minste als
een steun voor het burgerlijke gezag. Dit blijkt uit twee feiten. Ten
eerste moedigde hij krachtig de hervorming van de kloosters [232] aan,
waarmede Broeder Berno te Cluny, in Frankrijk, een begin had gemaakt,
en toen Berno's leerling, Odo, Rome bezocht, gaf hij hem een paleis
op den Aventinus om daar een hervormd klooster te stichten (thans
S. Maria Aventina en het klooster van de Maltezer Ridders). En ten
tweede was hij zoo overtuigd van de noodzakelijkheid om den invloed
van den godsdienst te erkennen en te gebruiken, dat hij besloot het
hoogste burgerlijke en het hoogste geestelijke gezag in één hand te
vereenigen, een stoutmoedige poging, die bij de oudste Romeinsche
Keizers en bij eenige Kaliefen van de Mohammedanen schijnt geslaagd
te zijn, maar die in vele gevallen de oorzaak is gebleken van groote
ellende. Vóór zijn dood verzamelde hij de aanzienlijken van Rome voor
de Confessio van de St. Pieter en liet hen zweren, dat zij, zoodra
de gelegenheid zich voordeed, zijn zoon en opvolger, Octavianus, tot
Paus zouden kiezen. Wij zullen zien, hoe deze belangrijke proef afliep.

Voordat Alberik stierf (954), had Koning Hugo driemaal (933, 936 en
941) Rome aangevallen om zich te wreken en zijn oproerigen stiefzoon
te verdrijven; maar Alberik had hem krachtig afgeslagen en, ofschoon
er een tijdelijke wapenstilstand was gesloten en hij in dien tijd
Hugo's dochter trouwde, verhinderde hij toch al zijn pogingen om de
stad binnen te komen en de keizerskroon uit de handen van den Paus
te ontvangen.

Ongeveer 940 was er nog een pretendent voor de kroon van Italië
verschenen in den persoon van een anderen Berengarius, Markies
van Ivrea, een stiefzoon van Ermengard, die wij vroeger genoemd
hebben. Hugo veinsde vriendelijk naar zijn aanspraken te luisteren
en noodigde hem uit naar zijn hof te komen, met de bedoeling hem te
dooden of blind te maken. Maar Hugo's zoon, Lotharius, bracht, uit
vriendschap of medelijden, Berengarius van dien toeleg op de hoogte;
deze vluchtte daarop naar Duitschland, keerde in 946 geholpen door
Otto, den Saksischen Koning, terug en verdreef Hugo, die zich terugtrok
naar zijn eigen rijk, Provence, en kort daarna te Arles stierf. Nu
was Berengarius in naam regent van den jongen koning Lotharius,
maar het duurde niet lang of Lotharius stierf (950), waarschijnlijk
vergiftigd door den man, wiens levens hij had gered. Hugo had een
Bourgondische douairière getrouwd en haar dochter, Adelheid, aan zijn
zoon Lotharius uitgehuwelijkt. Na den dood van Lotharius trachtte
Berengarius Adelheid te dwingen zijn zoon Adalbert te trouwen, dien
hij tot deelgenoot in het koningschap van Italië had benoemd. Doch
Adelheid wees die eer natuurlijk van de hand. Zij werd dadelijk naar
den Lago di Garda gevoerd en daar in een toren gevangen gezet; maar
zij ontsnapte en riep de hulp in van Otto van Saksen. Door haar en
andere vijanden van den tyrannieken Berengarius uitgenoodigd, rukte
Otto met een leger (het eerste Duitsche leger, dat in den loop van een
halve eeuw de Alpen overstak) Italië binnen, en, na Pavia veroverd
te hebben, trouwde hij met de schoone Adelheid en liet zich tot
Koning van Italië kronen, ofschoon Berengarius dien titel nog steeds
voerde. Hij stuurde ook een bericht naar Paus Agapetus, dat hij van
plan was naar Rome te komen en zich als Keizer te laten kronen. Dit
plan evenwel gaf hij wijselijk op, want Alberik liet hem weten, dat
zonder zijn toestemming geen koning Rome zou binnentrekken en die
toestemming weigerde hij te geven. Maar na Alberik's dood in 954 werd
de toestand te Rome ondragelijk. Octavianus, zijn losbandige zoon,
volgde hem als Princeps en Senator op en werd na het overlijden van
Agapetus (955) ook tot Paus gekozen onder den naam van Johannes XII.

De verhalen over de pazza bestialità van dezen pauselijken losbol,
zooals die niet alleen door onpartijdige schrijvers, b.v. Villari
en Gregorovius, gegeven worden maar ook zelfs door partijdige
schrijvers als de Abbé Duchesne (in zijn prachtige uitgave van den
Liber Pontificalis) zijn bijna ongeloofelijk. Men zegt dat hij er
een harem van concubines op na hield. In gezelschap van losbandige
vrienden gaf hij zich aan alle mogelijke zinnelijke uitspattingen
over. Hij was gewoon op de gezondheid van den duivel te drinken en
de heidensche goden aan te roepen. Wij lezen van een geestelijke,
die in een stal werd bevestigd; van een bisschop, die op zijn tiende
jaar werd gewijd; van een kardinaal, die op schandelijke wijze werd
verminkt en gedood op bevel van dezen Vicarius van Christus. Geen
fatsoenlijke vrouw durfde een voet in het Lateraan zetten [233]. En
aan het hof en in de legerplaats van Koning Berengarius II was de
toestand nauwelijks beter; deze had de Longobardische kroon van den
Saksischen Koning te Augsburg terug ontvangen, daar hij beloofd
had die te zullen dragen als vazal van Otto. Zijn waanzinnige
buitensporigheden en onbeschaamde wreedheid, als ook de woeste
bacchanalen van het pauselijk-senatoriale hof te Rome, bewogen de
Italianen om nog eens de hulp in te roepen van den Duitschen monarch,
die daarop met een groot leger den Brenner-pas doortrok. Toen hij geen
weerstand in Noord-Italië vond--want Berengarius' soldaten weigerden
te vechten--en een uitnoodiging ontving van den losbandigen jongeling
te Rome, die nu besloten had den Duitschen tegen den Italiaanschen
Koning van Italië uit te spelen, trok Otto de stad binnen en werd op
den tweeden Februari 962 als Keizer gekroond.

Aldus werd door de met bloed bevlekte handen van dezen jeugdigen schurk
ingesteld, wat later bekend was als het Heilige Roomsche Rijk. Hoe
Paus Johannes de bewerker kon zijn van zulk een instelling, is een
vraagstuk voor de theologen, maar in welk een geringe mate hij den
wensch van de inwoners van Rome weergaf, kan men opmaken uit hetgeen
een oude kroniekschrijver, Thietmar, mededeelt. De aanzienlijken,
zegt hij, verborgen hun gevoel achter een somber stilzwijgen. Op
de gezichten van deze Romeinen, wier vrijheid en macht hij kwam
vernietigen, las Otto wrok en moordlust en voordat hij zich aan de
plechtigheid van de kroning onderwierp, zeide hij tot Ansfried van
Leuven: "Wanneer ik voor de tombe van den H. Petrus kniel, houd dan uw
zwaard voortdurend boven mijn hoofd, want ik weet, dat mijn voorvaders
dikwijls de trouweloosheid van de Romeinen ondervonden hebben". Men
moet er zich dus nauwelijks over verwonderen, dat de nieuwe Keizer,
voordat er twee jaren waren verloopen, den Paus afzette, door wiens
apostolische zalving hij zijn goddelijke rechten had verkregen en de
Romeinen van hun recht om hun eigen Pausen te kiezen beroofde.



(3) De Saksische Keizers (962-1024).

Er bestaat nog een document, het Privilegium Ottonis, dat, afgezien
van enkele latere toevoegsels, schijnt opgemaakt te zijn tusschen Otto
en Paus Johannes XII. Het bekrachtigt officieel de herleving van het
Imperium en de overdracht van de waardigheid van de Frankische aan
de Saksische vorsten; het hernieuwt ook alle concessies, die gedaan
zijn door de Donaties van Pepijn en Karel de Groote, en geeft aan
de Kerk zelfs Venetië, Istrië, Napels, Benevento en ook Sicilië,
dat nog in de macht van de Saracenen was!

Maar, wat men ook moge denken van vernieuwde Donaties en het
herstelde Imperium, de herleving van de Germaansche heerschappij
in Italië was een feit, waarvan de waarheid weldra duidelijk werd;
want, toen Paus Johannes, aangespoord door den ontevreden adel,
zich met Berengarius in verbinding stelde en Berengarius' zoon,
Adalbert, als zijn gast in Rome ontving, kwam Otto oogenblikkelijk
van Noord-Italië terug. Bij zijn nadering namen Adalbert en Paus
Johannes de vlucht. Otto trok Rome binnen, riep een Concilie bijeen
(het "Concilie van November"), zette Johannes plechtig af en gaf den
Romeinen zijn keizerlijke bekrachtiging bij het kiezen van een anderen
Paus, Leo VIII, een precedent van groote beteekenis, wanneer men ziet,
dat in de volgende honderd jaren de Pausen door de Keizers werden
uitgekozen of aangewezen door hun gezanten. Maar de verbannen Paus
Johannes was niet gemakkelijk te bedwingen. Hij verwekte een oproer te
Rome, en een aanval op Otto, in het Vatikaan, werd met moeite en veel
bloedvergieten afgeslagen. Men kan niet zeggen, hoe het verder zou
gegaan zijn, want de Romeinen waren zeer verontwaardigd over Otto's
inmenging in hun rechten. Maar Paus Johannes werd door een bedrogen
echtgenoot betrapt en zoo duchtig afgerost, dat hij aan de gevolgen
stierf. Dadelijk koos men in zijn plaats, zonder zich om Otto's Paus
te bekommeren, een anderen Paus, Benedictus V, die echter, toen de
keizerlijke partij ten slotte de overhand kreeg werd afgezet.

Ondertusschen had Otto in Noord-Italië Berengarius gevangen genomen
en hem naar Duitschland gezonden, waar hij kort daarna stierf.

In 966, toen er ongeregeldheden te Rome waren voorgevallen,
marcheerde Otto wederom zuidwaarts en strafte de rebellen met groote
strengheid. De Prefect van de stad, die zich tegen Paus Johannes
XIII, den beschermeling van Otto, had verzet, werd aan zijn haren
opgehangen aan het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius [234],
vervolgens omgekeerd op een ezel gezet, door de straten geleid en ten
slotte naar Duitschland in de gevangenis gevoerd. Daarna bracht Otto
het grootste gedeelte van zijn leven in Italië door, hetgeen bewijst,
hoe bezorgd hij ervoor was, niettegenstaande zijn uitgestrekt gebied
in het Noorden, den titel van erfelijk Romeinsch Keizer van het Westen
te behouden. Deze bezorgdheid bracht er hem toe zijn twaalfjarigen
zoon door den Paus met den keizerlijken diadeem te laten kronen, een
plechtigheid, die in de St. Pieter op Kerstdag 967 plaats vond. En
hiermede nog niet tevreden, deed hij een poging zich door den Keizer
van het Oosten te laten erkennen als Keizer van het Westen en vroeg
als bruid voor den jongen Otto een Byzantijnsche prinses; maar dit
voorstel, dat bovendien de verovering van Sicilië op de Saracenen
en den afstand van de Byzantijnsche bezittingen in Zuid-Italië
als bruidschat insloot, werd hoogmoedig van de hand gewezen door
Nicephorus Phocas, den veroveraar van Creta, die zichzelf als eenig
wettig Romeinsch Keizer beschouwde, en Otto's aanspraken minachtte. Ja
zelfs, ofschoon Otto zijn trouwen Liudprand [235] als gezant naar
Constantinopel zond, verzamelde de Byzantijnsche Keizer een vloot om
Adalbert, Berengarius' zoon, te helpen en, zoo mogelijk, voor het
Oostersche Keizerrijk de steden Capua, Benevento, Ravenna--en Rome
te heroveren! Derhalve moest Otto vluchten, en belegerde Bari met de
hulp van een machtigen Longobardischen Hertog, Pandulf, het IJzeren
Hoofd (Testa di ferro), die onder zijn bestuur het gebied van Spoleto,
Benevento en Capua vereenigd had; maar Bari lag aan de zee, die door
de Byzantijnsche vloot beheerscht werd, en Pandulf viel ongelukkig
in een hinderlaag en werd gevangen genomen.

In dezen tijd werd Phocas vermoord door zijn gemalin, die reeds haar
vader en haar eersten echtgenoot, Keizer Romanus, had vergiftigd. Haar
deelgenoot in de samenzwering, de kleine Johannes Tzimeskes besteeg
den Byzantijnschen troon en liet Pandulf vrij; ook bevredigde hij Otto,
daar hij de begeerde prinses Theophano, de dochter van de driedubbele
moordenares, naar Italië zond. Zij trad in het huwelijk met den jongen
mede-keizer en ontving den titel van Keizerin. Een jaar later, Mei 973,
stierf Otto de Groote, zooals hij wordt genoemd.

Zijn opvolger, Otto II, was nu zeventien jaar oud. Ofschoon hij het
heerschzuchtig karakter van zijn vader niet had, toonde hij toch
moed en kracht en had van zijn moeder Adelheid de fijne beschaving
geërfd, die zijn vader blijkbaar miste. Zijn tienjarige regeering werd
voornamelijk in beslag genomen door oorlog. Eerst werd hij aangevallen
door Hendrik van Beieren, dien hij versloeg en onttroonde. Daarna viel
Lotharius van Frankrijk hem aan, en nam hem te Aken bijna gevangen;
vervolgens voerde hij een leger aan tegen Parijs en ofschoon hij er
niet in slaagde die stad te nemen, verzekerde hij zich het ongestoorde
bezit van Lotharingen. Vervolgens rukte hij Italië binnen, herstelde
een verbannen Paus, en, nadat hij den toestand te Rome, waar heftige
twisten tusschen de keizerlijke en pauselijke partijen chronisch
waren geworden, geregeld had, opende hij (982) den veldtocht tegen de
Saracenen, die nog steeds Sicilië bezet hielden en onlangs in grooten
getale wederom waren overgestoken naar Zuid-Italië. Stoutmoedig
geworden door zijn succes, handelde Otto overijld, werd overrompeld
en niet ver van Cotrone, het oude Crotona volkomen verslagen; hij zou
gevangen genomen zijn wanneer hij niet in zee was gesprongen en naar
een Byzantijnsch schip was gezwommen, welks bemanning hem gelukkig niet
herkende. Het bericht van deze ramp veroorzaakte geweldige woelingen
en gevaarlijke opstanden in de noordelijke landen, maar Otto besloot
toch eerst zijn gezag en invloed in Italië te herstellen. Hij riep
te Verona een groote vergadering van de aanzienlijken van zijn beide
volken bijeen en liet zijn zoon, een kind van drie jaar, tot Koning van
Duitschland en Italië kiezen. Toen maakte hij zich gereed den oorlog
tegen de Saracenen weder te beginnen en trok, nadat hij tevergeefs
getracht had de Venetianen te overreden hem een vloot te leenen,
nogmaals naar het zuiden. Te Rome werd hij door koorts aangetast en
stierf. Hij werd begraven in een oude sarcophaag met een porfieren
deksel, dat gestolen was van de graftombe van Hadrianus. Deze
sarcophaag stond vijf eeuwen in den Paradiso, het groote atrium
(portaal) van de oude basiliek, maar toen Paulus V de gewelven van
de kathedraal omstreeks 1610 herstelde, werd het porfieren deksel er
afgenomen om als doopvont dienst te doen (zooals ook nu nog geschiedt);
de oude sarcophaag werd naar de keuken gebracht om als trog te worden
gebruikt en het gebeente van den jongen Keizer werd in de marmeren
kist gelegd, die nu in de crypte (Grotte Vecchie) van de St. Pieter
staat. Een mozaïek, dat waarschijnlijk door Keizerin Theophano is
opgesteld, kan men nog dicht bij de tombe van Otto zien; het is een
belangwekkend voorbeeld van de ontaarde kunst van deze periode.

De kleine Otto III, in 980 geboren, was onlangs te Aken door de
Duitsche edelen tot Koning van Duitschland en van Italië gekroond,
toen het bericht van zijn vader's dood te Rome kwam. Zijn moeder,
Keizerin Theophano, werd regentes en zij bleek die taak waardig, daar
zij blijkbaar meer de natuur van haar vader geërfd had, den Keizer
van het Oosten, Romanus, dan het schandelijk karakter van haar moeder.

Van de eerste zes jaren van haar regentschap vernemen wij weinig,
behalve dat er te Rome, zooals gewoonlijk, hevige twisten waren. Een
paus, Benedictus VI, was gevangen gezet en door de volksleiders
geworgd; de volgende, Bonifacius VII, was voor de keizerlijken naar
Constantinopel gevlucht; een derde, Benedictus VII, door het volk
verdreven en door Otto II in zijn ambt hersteld, was opgevolgd door
Johannes XIV, Bisschop van Pavia en keizerlijk kanselier. Maar
Bonifacius kwam uit het oosten terug (985), zette Johannes af,
vergiftigde hem of liet hem dood hongeren, en gedroeg zich zoo
wreed, dat het volk opstond, hem vermoordde, zijn lijk door de
straten sleurde en onder "het paard van Constantijn", d.w.z. het
ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (zie p. 300) wierp, den grooten
heidenschen keizer-philosoof, wiens overpeinzingen zouden verstoord
zijn, indien hij had kunnen voorzien, welk een vreemd gebruik men
van zijn standbeeld zou maken.

De leider van deze opstanden was Crescentius, wiens vader ook het hoofd
van de anti-Duitsche partij was geweest. Crescentius nam den ouden
titel "Patricius" aan, en was blijkbaar eenige jaren lang, evenals
Alberik vroeger, de machtigste in Rome, en niet alleen koos hij als
Paus Johannes XV, die elf jaren regeerde, maar verdreef hem ook, toen
hij lastig werd. Het is dus ietwat vreemd, wanneer wij Theophano nog
in 989 te Rome vinden en blijkbaar zoowel door Crescentius als door
dezen Paus als Keizerin erkend zien; en zelfs, toen de jonge Otto,
nu zestien jaar oud, na haar dood en na het korte regentschap van
koningin Adelheid, naar Rome kwam (966) om tot keizer gekroond te
worden, schijnt Crescentius zich niet verzet te hebben en ook geen
straf te hebben ontvangen. Maar hij zou weldra zijn lot ondergaan,
zooals wij zullen zien.

Voordat het verhaal wordt voortgezet, moet er iets gezegd worden over
de persoonlijkheid van den jongen Saksischen vorst, die negentien
jaar regeerde en twee en twintig jaar oud werd. "De Germanen", zegt
een schrijver over deze periode van de Italiaansche geschiedenis,
"waren groote, blonde menschen, bierdrinkers, geweldige eters,
ruw, ongemanierd, aanmatigend, phlegmatiek en roekeloos". Men is
misschien maar al te zeer geneigd om deze beschrijving toe te passen
op de Saksische Otto's. Wellicht is dit vrij juist ten opzichte
van Otto den Groote, die, naar men zegt, zeer onontwikkeld was,
ofschoon hij, evenals Karel de Groote, een ijverige beschermer was
van de wetenschappen [236] en een vriend van geleerden, zooals de
polyglotte Liudprand. Maar zeker is het niet juist deze beschrijving
toe te passen op Otto II, die dweepte met de beschaving van het
zuiden, donker van uiterlijk en klein van gestalte was, zooals
gebleken is, toen zijn gebeente uit de sarcophaag werd genomen
(vgl. p. 302). Nog minder juist is het ten opzichte van Otto III,
ofschoon Gregorovius hem "een Germaan van top tot teen" noemt. Zijn
moeder, de Byzantijnsche prinses Theophano, die afstamde van Keizer
Basilius en Leo, bekend als philosoof, had hem begiftigd met een
oostersch temperament en fantastische neigingen en zij had zijn
geestdrift voor de Byzantijnsche beschaving en de idealen van het
Christendom in het oosten aangewakkerd.

Toen Otto III, als jongeling van zestien jaar, voor het eerst in
996 te Rome kwam, was Paus Johannes XV juist gestorven. Hij liet
dadelijk zijn achterneef, Bruno, tot Paus wijden; deze nam den naam
Gregorius V aan en plaatste drie weken later den keizerlijken diadeem
op het hoofd van zijn vorstelijken beschermheer. Hij, de eerste
Duitsche Paus, begunstigde niet alleen de hervormingen te Cluny
(p. 296), maar koesterde, evenals Otto zelf, een warme geestdrift
voor het kloosterleven, dat wederom, zooals natuurlijk was in zulk
een periode van staatkundige en godsdienstige woelingen, zich in
het Christendom deed gelden. Eenige merkwaardige voorbeelden hadden
onlangs navolging opgewekt. De H. Nilus, een ongeletterde Calabriër,
die als kluizenaar in een grot bij Gaeta leefde, werd door Otto
en vele anderen met oprechte vereering aanbeden. De H. Romualdus
van Ravenna, die iets later de Gereformeerde (Witte) Benedictijner
Orde van Camaldoli stichtte, wekte ook geestdriftige belangstelling;
men geloofde, dat door zijn invloed Doge Pietro Orseolo Venetië in
stilte als pelgrim vermomd had verlaten, en zich had begraven in
een Fransch klooster. Nog dieper indruk maakte Adalbert, de vrome
en geleerde Bisschop van Praag, die, nadat hij te Rome de wijding
voor het kluizenaarsleven had ontvangen, tegen zijn zin gedwongen
werd naar zijn Boheemsche diocese terug te keeren en eindelijk den
martelaarsdood zocht en vond onder de woeste heidenen van Noord-Polen.

Door den invloed van dergelijke voorbeelden werd de dweepzieke
Otto gemakkelijk tot zonderlinge buitensporigheden verleid. Hij
bezoekt nu eens als pelgrim den Monte Gargano en de reliquieën van
den H. Bartholomaeus te Benevento [237], dan weer gaat hij naar de
tombe van den H. Adalbert in de wildernissen van Polen of beraamt
een kruistocht om het Heilige Graf uit de macht van de Saracenen te
bevrijden, een plan, dat eerst een eeuw later verwezenlijkt werd;
soms ook zien wij hem in een aanval van razernij en fanatisme de
meest bloeddorstige wreedheden bedrijven. Voorbeelden van dergelijke
wreedheden, de onmenschelijke verminking en moord op den "tegen-Paus"
Johannes XVI, die door Crescentius was gekozen in plaats van Otto's
neef Gregorius, en de terechtstelling van Crescentius zelf en alle
voornaamste magistraten van Rome, zullen later behandeld worden
als bewijs van de barbaarschheid der tiende eeuw. Een andere daad
van Otto, waardoor hij blijk gaf van zijn zonderlinge neigingen, is
het openen van de tombe in de kathedraal te Aken, waarin het lijk van
Karel den Groote naar men zeide, op een troon gezeten was. Het is niet
mogelijk met zekerheid vast te stellen, wat Otto vond en wat hij deed,
met hetgeen hij vond; maar wij weten, dat zijn eigen lichaam te Aken
zou begraven worden naast dat van Karel en toen hij in 1003 dicht bij
Rome stierf, droegen zij hem daarheen, terwijl zij zich met geweld
een weg baanden door Italië, dat in openlijken opstand was; want in
de laatste jaren van zijn regeering had hij vergeefsche pogingen
aangewend om zijn droom van een hersteld Romeinsch-Byzantijnsch
Keizerrijk te verwerkelijken in Rome, dat hij de Eeuwige Stad en de
eenige ware hoofdstad van de wereld noemde. Doch de inwoners van
Rome koesterden een zoo groote minachting voor zijn staatkundige
plannen en zijn religieuze bezieling, dat zij hem bij zijn laatste
bezoek uitgelachen en beleedigd, en hem zelfs in zijn paleis op den
Aventinus belegerd hadden, zoodat hij hen nauwelijks kon overhalen
hem ongedeerd te laten vertrekken. Nadat hij zich een tijdlang in het
klooster van St. Romualdus te Ravenna had teruggetrokken, besloot hij,
ofschoon de heilige het hem met nadruk afried, het kloosterleven op te
geven en nog eens een poging te ondernemen om zijn Imperium Romanum te
herstellen. Maar eerst moest hij Rome zelf heroveren en terwijl hij
aarzelde het aan te vallen, werd hij door koorts aangetast en stierf
in het kasteel van Paterno, bij den berg Soracte. In deze dagen reisde
een Byzantijnsche prinses naar Italië om zijn gemalin en de Keizerin
van het Keizerrijk zijner droomen te worden. Wanneer wij ons denken,
hoe zij zich over zijn levenloos lichaam boog, hebben wij misschien
een zinnebeeldige voorstelling van zijn onvervuld gebleven wenschen.

Hendrik II, een Beiersch hertog van het Saksische huis, die Otto
opvolgde, had persoonlijk niet veel met Italië te doen, maar zooals
ook met andere Duitsche Koningen van Italië en Imperatores Romanorum
het geval is, kan zijn regeering dienen als een bruikbare omlijsting
van belangrijke gebeurtenissen. Otto's pogingen om in Italië een
Keizerrijk te stichten hadden niet slechts gefaald, maar zelfs een
krachtig anti-Germaansch gevoel in het heele land opgewekt. Hij had
gehoopt op den steun van de Kerk en den invloed van de geestelijkheid
versterkt door te erkennen, dat zij het erfelijk recht op de gunst van
de kroon had en onafhankelijk was van andere leenheeren. Hierdoor waren
de edelen diep gegriefd en besloten het vreemde juk af te werpen. In
Rome bezat de zoon van Crescentius, dien Otto had terechtgesteld,
ondanks de keizersgezinde politiek van den wijzen Paus Silvester II,
die vroeger de voogd van Otto was geweest, tien jaren lang groote macht
als hoofd van de leeken-aristocratie, totdat hij werd opgevolgd door
de Graven van Tusculum [238], die de stad gedurende een nog langere
periode beheerschten. In Noord-Italië was, niet alleen onder den adel,
maar ook in de talrijke steden [239], wier rijkdom en onafhankelijkheid
snel toenam, de vijandige stemming tegen de Noordelijke barbaren zoo
sterk, dat een maand na den dood van Otto III de markgraaf van Ivrea,
Arduin, met de ijzeren Longobardische kroon te Pavia gekroond werd.

Hendrik, die reeds den titel van Koning der Romeinen had aangenomen,
beantwoordde deze uitdaging door het zenden van een kleine
legerafdeeling, die door Arduin verslagen werd. Toen kwam hijzelf met
een leger en werd eveneens te Pavia met de ijzeren kroon als Koning
van Italië gekroond; maar dat zijn rechten allerminst berustten op
den wil van het volk, bewijst wel het feit, dat op denzelfden avond
een zeer ernstig oproer uitbrak; de Duitschers staken Pavia in brand
en verwoestten een groot deel van de stad [240].

De republikeinsche beweging breidde zich, zooals overal elders, ook
te Rome uit en de Graven van Tusculum zagen zich hierdoor genoodzaakt
een tijdlang zich te verbinden met den Paus en de keizerlijke partij
tegen Arduin en zijn aanhang. Het gevolg hiervan was, dat Hendrik werd
uitgenoodigd den keizerlijken diadeem te aanvaarden; tegelijk met hem
werd ook zijn koningin Kunigunde te Rome gekroond (1014). Wederom
vonden er heftige anti-Duitsche betoogingen en ernstige onlusten
plaats; maar zij werden met geweld onderdrukt en de aanwezigheid van
den nieuwen Keizer en zijn machtig leger boezemden Koning Arduin zulk
een vrees in, dat hij zich naar een Benediktijner klooster in Piemont
terugtrok, waar hij weldra stierf.

De volgende tien jaren kenmerken zich door gebeurtenissen, die
weinig verband hebben met Hendrik en zijn Duitschers, maar van groot
belang zijn voor de toekomst van Italië. Pelgrims van de Noormannen
[241], terugkeerend van Jeruzalem (c. 1016), hadden Salerno tegen
de Saracenen geholpen en waren door Melo van Bari in dienst genomen
tegen de Byzantijnen. Maar de Byzantijnen hadden den rebel Melo en
zijn Noormannen bij Canne (op het oude slagveld van Cannae) verslagen
en hun heerschappij over het grootste gedeelte van Apulië en Calabrië
weder bevestigd, en zelfs ook over Napels, Capua en Salerno.

Deze wending der gebeurtenissen bewoog zoowel Melo als Paus Benedictus
VIII de reis naar Duitschland te ondernemen om Hendrik over te halen
hen te komen helpen; en hij gaf aan hun verzoek gehoor. Met een groot
leger marcheerde hij naar het zuiden en behaalde eenige voordelen;
maar hij was weldra gedwongen terug te keeren naar zijn noordelijke
landen, waar hij in 1024 stierf.



(4) De Frankische Keizers (1024-1125).

Zoowel Otto III als Hendrik II stierven kinderloos. De Duitschers kozen
tot koning Koenraad II van Frankenland, d.w.z. het land van den Main,
Würzburg en Nürnberg. De regeeringen van de vier Frankische Keizers,
die juist een eeuw duren (1024-1125), behooren voornamelijk bij de
geschiedenis van Duitschland en behoeven hier slechts vermeld te
worden, voor zoover de geschiedenis van Italië in verband staat met
de houding van het Italiaansche volk en de Pausen jegens die vreemde
vorsten; deze beschouwden zichzelf en werden, niet alleen door hun
noordelijke onderdanen, maar ook door een aantal hunner Italiaansche
vazallen, leeken en geestelijken, beschouwd als degenen, die
krachtens hun Duitsche koningskroon recht hadden op de ijzeren kroon
van Lombardije en, als "aangewezen" Keizers (imperatores designati)
op den diadeem van de Caesars. Deze rechten werden echter door de
groote meerderheid van het Italiaansche volk allerminst erkend--een
feit, dat zeer duidelijk aan het licht komt door de ernstige onlusten,
die bijna regelmatig voorkwamen bij de kroningen te Pavia, Milaan en
Rome en ook door de vijandige houding, waarmede een Duitsche koning,
die Italië kwam bezoeken, ontvangen werd.

Doch om niet te verdwalen in het labyrint van staatkundige
verwikkelingen van dit tijdperk en om de juiste verhouding tusschen
de Duitschers en Italianen te ontdekken, is het noodig eenige punten
vast te stellen en dit kan misschien vergemakkelijkt worden door de
volgende opmerkingen. Ten eerste moet de invloed, dien de Duitsche
vorsten op een deel van het Italiaansche volk bezat voornamelijk
toegeschreven worden aan het feit, dat zij de kleine landbezitters
(vooral de geestelijken, die beneficia bezaten) in bescherming
namen tegen de machtige edelen, die op hen als hun leenmannen hun
rechten wilden laten gelden. Daar zij deze beneficiarii erkenden als
rechtstreeksche leenmannen van de kroon en niet als achterleenmannen
van de groote edelen, wonnen zij hen voor de zaak van het keizerrijk
en tegelijkertijd versterkten zij ten zeerste de onafhankelijkheid en
macht van de geestelijken en een groot gedeelte van de leeken. Ten
tweede werd Rome voortdurend bezocht door Duitsche vorsten en
hun krijgslieden. Aldus verwierf de keizerlijke partij een zeer
belangrijken aanhang. Dit verwekte steeds onlusten en bloedvergieten,
waarbij de aristocratie, de volkspartij en de aanhangers van den Paus
om beurten de hulp van den vreemdeling inriepen om hun tegenstanders
te overweldigen. Bovendien waren zoowel de Romeinen als ook de
Italianen van het zuiden dikwijls gedwongen de Duitsche vorsten om
steun te vragen tegen de Byzantijnen, Saracenen of heerschzuchtige
Longobardische hertogen. Ten slotte waren vele steden in Noord-Italië
bezig zich onafhankelijk te maken als republieken en verwierven snel
een belangrijke welvaart en grooten invloed [242], sommige vooral
door hun zeemacht, en deze republieken behoorden natuurlijk tot
de patriottische, anti-Duitsche partij; doch de onderlinge twisten
hadden dikwijls ten gevolge, dat de vreemdeling er bij werd geroepen,
die altijd geneigd was tusschenbeide te komen en van die oneenigheden
voordeel te trekken.

In dit verband moet men zich herinneren, dat het de gunst van de
Frankische en Duitsche Keizers (vooral van de drie Otto's) was, die
het Pausdom tot zulk een machtige positie had verheven, dat het ten
slotte in staat was door middel van zijn wereldlijke en geestelijke
wapenen zijn beschermheer te trotseeren en vernederen. Dat nu de
Kerk, d.w.z. eerst Aribert van Milaan en later Paus Gregorius VII
(Hildebrand), de keizerlijke macht aldus weerstreefde, is ongetwijfeld
een feit, dat de regeeringen van deze Frankische vorsten buitengewoon
belangwekkend voor ons maakt. Derhalve zullen wij hierover nog
eenigszins uitvoeriger spreken en het overige gedeelte van dit tijdperk
in het kort behandelen, terwijl wij dergelijke onderwerpen als de
overheersching van de Noormannen, de opkomst van de Republieken, en
de ontwikkeling van de Romaansche bouwkunst voor volgende hoofdstukken
zullen bewaren.

Aribert had zich meester gemaakt van de wereldlijke macht in Milaan,
waar hij aartsbisschop was. Zijn eerzuchtig doel was, naar het
schijnt, de Ambrosijnsche Kerk vrij te maken van Rome. Om zijn
plannen te bevorderen noodigde hij Koenraad II uit naar Milaan te
komen en kroonde hem met de ijzeren kroon in de kathedraal van
S. Ambrogio. Na een verblijf van een jaar in Noord-Italië, trok
Koenraad, aangespoord door zijn eerzuchtige gemalin Gisela, naar Rome
(1027), waar zij beiden met den keizerlijken diadeem gekroond werden
in tegenwoordigheid van vele vorsten, onder wie zich Kanoet (Knut),
Koning van Denemarken, Noorwegen en Engeland bevond [243]. De Keizer
bleef eenigen tijd in Zuid-Italië om te trachten zijn gezag aldaar te
herstellen. De verwarde toestand in deze streken was bijna niet voor
verbetering vatbaar; er was voortdurend oorlog tusschen Byzantijnen,
Saracenen, Longobarden en vele steden, zooals Napels en Capua, die
onder verschillende bestuurders zich onafhankelijk hadden gemaakt
of den vrijen republikeinschen regeeringsvorm hadden aangenomen; en
de toestand werd misschien nog erger door het feit, dat avonturiers
van de Noormannen, die steeds in aantal toenamen, nu eens aan deze,
dan weer aan gene partij hun diensten verhuurden. Het schijnt, dat
Koenraad erin geslaagd is sommige deelen van het land tijdelijk aan
zijn gezag te onderwerpen, want wij lezen, dat hij den Noormannen
plechtig toestemming verleent zich bij Capua te vestigen en hen aldus
een eerste pied-à-terre in Italië verschafte. Ten noorden van de Alpen
waren zijn krijgsbedrijven zeer belangrijk, daar hij o.a. Bourgondië
veroverde en annexeerde. Dit bracht hij tot stand door de hulp van
een groot contingent Italiaansche troepen, en deze Longobarden en
Toskaners, die Bourgondië bereikten over den Grooten St. Bernard en
het meer van Genève, werden aangevoerd door den krijgshaftigen en
eerzuchtigen Aartsbisschop Aribert van Milaan en door Bonifacius,
den markies van Toskane, den vader van gravin Mathilde, die beroemd
is zoowel om haar belangrijke "erfenis", als ook om de rol die zij
misschien vervult in Dante's Aardsch Paradijs [244].

Aribert werd nu bijna almachtig in Milaan, maar Koenraad, die hem niet
in alle opzichten vertrouwde, ging naar Milaan en liet hem gevangen
zetten. Groot is de verontwaardiging hierover; Aribert slaagt erin te
ontvluchten, verschanst zich in het kasteel van Milaan en er wordt
een slag geleverd, die onbeslist blijft. Koenraad laat het aan zijn
troepen over den rebel te belegeren en gaat zelf naar Rome, waar
hij den losbandigen Benedictus IX op den pauselijken troon herstelt
[245] en hem overreedt den banvloek over Aribert uit te spreken. Maar
de aartsbisschop hield dapper stand in Milaan (welke stad hij nog
zeven jaar bestuurde) en de Duitsche troepen trokken ten slotte weg
naar Parma, waar zij bloedige gevechten leverden met de Italiaansche
bevolking en de stad in brand staken. Koenraad trok nog eens naar
het zuiden en ondernam met zijn vriend Paus Benedictus een eenigzins
vergeefschen veldtocht tegen de Byzantijnen en een zekeren Pandulf
van Capua; daarna ging hij weer noordwaarts met een leger, dat door
de pest en koorts gedecimeerd was. De belegering van Milaan liet hij
over aan zijn Italiaansche leenmannen en keerde zelf naar Duitschland
terug, waar hij in 1039, waarschijnlijk aan de pest, stierf.

Hendrik III, de zoon en opvolger van Koenraad, regeerde ongeveer
zeventien jaar als koning en tien jaar als keizer. Hij werd eerst
ernstig bezig gehouden door onlusten in Hongarije en Carinthië, en toen
hij ten slotte in 1046 besloot Italië een bezoek te brengen, deed hij
dit blijkbaar niet zoozeer met de bedoeling den keizerlijken diadeem te
ontvangen als wel om een eind te maken aan den schandelijken toestand,
die toen aan het pauselijke hof heerschte. Hij was zeer godsdienstig
van aard, geneigd tot ascetisme [246] en begunstigde ernstig de
hervorming van de Kerk, waarvoor de monniken van Cluny streden; zelfs
was hij een voorstander van het moedige voorstel van een "Godsvrede"
(treuga Dei), waarbij alle strijd gedurende vier dagen van de week zou
verboden worden. Hoe de stand van zaken in Rome was, kan men eenigszins
opmaken uit de volgende feiten; waarschijnlijk was het nooit erger,
zelfs niet in de dagen van de Borgia's. Toen Hendrik in Italië gekomen
was, hield hij drie Concilies, te Pavia, in de oude Etrurische stad
Sutri, en te Rome. Op deze Concilies werd het feit, dat de pauselijke
waardigheid door Benedictus aan Gregorius verkocht was, veroordeeld
als de snoodste simonie en werden de drie Pausen afgezet. Silvester
trok zich in een klooster terug, Gregorius werd naar Duitschland
gevoerd (vergezeld door Hildebrand, den monnik, van wien wij later
meer zullen hooren) en Benedictus vluchtte met zijn bloedverwanten
naar Tusculum. Hendrik liet den Duitschen Bisschop van Bamberg tot
Paus kiezen en werd door hem op Kerstmis 1046 als Keizer gekroond.

Maar voordat er een jaar was verloopen, werd de Duitsche Paus,
Clemens II, vergiftigd door handlangers van Benedictus, die met
de hulp van den Toskaanschen markgraaf, Bonifacius, voor de derde
maal den pauselijken troon besteeg. Hendrik zette hem weer af en
benoemde den Duitschen Bisschop van Brixen; doch na drie en twintig
dagen stierf ook deze Paus, Damasus II, plotseling, waarschijnlijk
eveneens vergiftigd door handlangers van Benedictus. Wederom liet
Hendrik een Duitscher, den Bisschop van Toul (in Lotharingen) tot Paus
kiezen. Het schijnt dat Benedictus eindelijk van zijn aanspraken heeft
afgezien. Zijn einde is onbekend. Een vriendelijke kroniekschrijver
zegt dat hij kluizenaar is geworden en, als een heilige betreurd,
is gestorven. Anderen verzekeren dat "hij voortging te leven als een
beest". Men geloofde algemeen, dat hij in het diepst van een donker
woud geheime beraadslagingen hield met den Satan.

De Bisschop van Toul, die Rome op zijn bloote voeten (vergezeld door
Hildebrand, den monnik, als zijn raadsman) binnenkwam, bleek als Paus
Leo IX een ernstig hervormer te zijn en begon met ijver den Augiasstal
van Rome te reinigen. Hij bezocht ook eenige van de voornaamste
Europeesche steden om de hervorming te bevorderen en misbruiken af te
schaffen, zooals simonie en het huwelijk van de geestelijkheid [247].

Thans moeten wij onze aandacht richten op het feit, dat er, ten noorden
van Rome, en ook ten zuiden, zich machten hadden ontwikkeld, die,
in hoogere mate dan de op zich zelf staande republieken der steden,
een gevaar voor de Duitsche heerschappij schenen te worden. In het
noorden toonde de machtige Markgraaf van Toskane, Bonifacius, die
reeds vermeld is als de vader van Gravin Mathilde, een duidelijke
neiging om den vreemden overheerscher zijn rechten te betwisten. Zijn
grootvader, Azzo, had het kasteel Canossa [248] (dat weldra zoo
beroemd zou worden) bezeten en had daar prinses Adelheid, met wie
Otto de Groote later trouwde, op haar vlucht gastvrij ontvangen. Azzo
en zijn zoon Ugo werden daarom zeer begunstigd en ontvingen weldra
uitgestrekte beneficia, waartoe ook de steden Mantua, Brescia, Modena
en Reggio behoorden. Van Koenraad II kreeg Bonifacius het markiezaat
Toskane en hij hielp hem, zooals wij gezien hebben, bij de verovering
van Bourgondië; maar in den laatsten tijd koesterde hij eerzuchtige
plannen en had zich zelfs verbonden met vijanden van het Keizerrijk,
zelfs met dien misdadigen ellendeling, Benedictus IX.

De Noormannen waren de andere vijandige macht. Hun geschiedenis wordt
elders verteld. Hier zullen een paar feiten voldoende zijn.

Nadat de Noormannen van Koenraad II toestemming hadden gekregen om
zich in de omstreken van Capua te vestigen, werd de stad Aversa hun
voornaamste vesting. Ongeveer tien jaar later (c. 1040) kwam, met
vele andere avonturiers van de Noormannen, een van de talrijke zonen
van Tancred d'Hauteville aldaar aan, en de macht van de Noormannen,
die steeds nieuw gebied veroverden en zich nu eens bij deze, dan weer
bij gene partij (de Byzantijnen, Longobarden, de hertogen van Napels
enz.) aansloten, werd zoo geducht, dat de bevolking van Benevento
de hulp van Paus Leo IX inriep en hun stad aan hem overgaf [249],
op voorwaarde dat hij hen tegen deze lastige vijanden zou helpen. Leo
nam dat aan. Hij vertrok dadelijk naar Duitschland en het gelukte hem
van Hendrik een aantal soldaten te krijgen. Met deze en zijn eigen
troepen marcheerde hij zuidwaarts langs de Adriatische kust, toen
hij bij het voorgebergte Gargano de Noormannen ontmoette, onder wier
aanvoerders zich thans de beroemde Robert Guiscard bevond; Leo werd
volkomen verslagen en gevangen genomen. Maar de overwinnaars wierpen
zich eerbiedig voor hem op de knieën en smeekten hem om vergiffenis;
daarna voerden zij hem naar Benevento en hielden hem zes maanden als
gijzelaar gevangen! Hij kocht zich waarschijnlijk vrij met de belofte
hen te zullen bekleeden met de heerschappij over Apulië, Calabrië en
zelfs over Sicilië, dat nog altijd in de macht van de Muzelmannen was.

Leo IX stierf kort na die ramp. Hendrik benoemde terstond weder
een Duitscher, den Bisschop van Eichstadt (Victor II). Men moet
hierbij opmerken, dat dit de vierde Paus was, die door den Keizer
werd aangewezen en zonder eenige openlijke oppositie door het volk
en de geestelijkheid van Rome werd gekozen. Geen wonder, dat deze
Duitsche monarchen de investituur van Pausen en bisschoppen begonnen
te beschouwen als een recht, dat onafscheidelijk verbonden was aan
de keizerlijke, of zelfs koninklijke, waardigheid.

Hendrik begeleidde den door hem aangewezen Paus naar Italië. De
verdachte plannen van den Markies Bonifacius hadden hem ongerust
gemaakt en zijn ongerustheid was niet verdwenen door den dood
van Bonifacius (1052), want diens weduwe Beatrice had een anderen
tegenstander van hem getrouwd, namelijk Godfried van Lotharingen. Na
de bruiloft was Godfried naar zijn noordelijke landen vertrokken
en om den opstand in de kiem te onderdrukken nam de Keizer zoowel
Beatrice als haar dochter Mathilde gevangen en voerde beiden naar
Duitschland. Kort daarna, in October 1056, stierf hij.

Zijn zoon, Hendrik IV, een kind van zes jaren, werd als koning
uitgeroepen onder het regentschap van zijn moeder Agnes. Om zijn lange
regeering van vijftig jaar als een soort van lijst te gebruiken, waarin
de schetsen van de vele en bonte tafereelen, die de geschiedenis van
Italië van dit tijdperk vormen, gezet kunnen worden, zullen wij die
regeering in vier perioden verdeden.

(1) Gedurende zes jaren (1056-1062) neemt de keizerin-weduwe Agnes
het regentschap waar, terwijl het haar steeds moeilijker wordt gemaakt
door vele oproeren. Daarna ontvoert Anno, de Aartsbisschop van Keulen,
den jeugdigen koning en maakt zichzelf regent. (Agnes trekt zich
in een klooster terug en sterft later te Rome.) Vervolgens neemt de
Aartsbisschop van Bremen het regentschap over. In 1066 komt Hendrik
zelf, die daarvoor nu den leeftijd bereikt had, aan de regeering en
treedt krachtig en despotisch op, waardoor hij zich vele vijanden
maakt. In 1073 breekt er een ernstige opstand onder de Saksers
uit, en Hendrik wordt door bijna alle Duitsche edelen in den steek
gelaten. De steden evenwel (vooral de steden aan den Rijn, zooals
Worms) steunden hem en na veel bloedvergieten krijgt hij eindelijk
eenigzins vasten voet en zou misschien zijn macht gevestigd hebben,
als hij niet de uitdaging van de Paus had aangenomen.

(2) Van 1073 tot 1084 woedt de lange en dramatische strijd over
de investituur tusschen Hendrik en Hildebrand. De voornaamste
gebeurtenissen van dit tijdperk zijn de vernedering van den koning,
nu een jong man van zeven en twintig jaar, over wien de banvloek is
uitgesproken, te Canossa in 1077, de overwinning over zijn mededinger,
Rudolf van Zwaben, zijn eindelijke triomf en kroning te Rome (1084);
daarna volgde de bevrijding van den Paus en de plundering van Rome
door Robert Guiscard en zijn Noormannen en Saracenen.

(3) Van 1085-1095 bestuurt Hendrik met tamelijk gunstig gevolg zijn
noordelijke landen en bemoeit zich weinig met Italië, behalve dat
hij in 1090 een korten veldtocht leidt tegen Mathilde van Toskane en
Mantua en andere steden inneemt.

(4) Van 1095 tot zijn dood in 1106 wordt het leven van Hendrik IV
verbitterd door den opstand van zijn zonen. Eerst wordt zijn oudste
zoon, Koenraad, overgehaald de partij van den Paus en het Toskaansche
hof te kiezen; hij wordt te Monza en later in de S. Ambrogio te
Milaan als Koning van Italië gekroond. Zijn jongste innig geliefde
zoon, Hendrik, een koelbloedige, berekenende ellendeling, wordt
door de priesters en Gravin Mathilde verleid, en nadat hij zijn
broeder Koenraad, die in 1101 sterft, heeft onttroond, voegen zich
de meeste van de Zuid-Duitsche edelen bij hem. Maar het Rijnland
geeft wederom blijk van zijn trouw aan den koning en de jonge rebel
wordt gedwongen om vergiffenis te smeeken. Zijn vader ontmoet hem te
Coblenz, omhelst hem onder tranen en volgt hem zonder argwaan naar
een van zijn kasteelen in het Nahe-dal, waar hij verraderlijk wordt
gevangen genomen en hem de belofte wordt afgedwongen, dat hij afstand
zal doen van de regeering. Het gelukt hem echter te ontvluchten en hij
verzamelt wederom troepen om zijn ontaarden zoon het hoofd te bieden;
maar weldra sterft hij. Het lichaam van den koning, over wien nog
steeds de ban bleef uitgesproken, werd begraven te Luik; het werd
echter door priesters verwijderd en, nadat het een tijdlang op een
eiland in de rivier de Maas had gerust, werd het gebracht naar Speyer,
waar Hendrik de reusachtige Romaansche kathedraal had laten bouwen,
die kort te voren voltooid was. Vijf jaren lang, tot 1111, bleef het
lijk boven aarde staan, waarschijnlijk in opgerichte houding, in de
zijkapel van St. Afra; maar eindelijk werd de ban opgeheven en werd
het stoffelijk overschot in een tombe gelegd [250].

In de twee eerste perioden van de regeering van Hendrik IV vonden er
eenige belangrijke gebeurtenissen in verschillende deelen van Italië
plaats. Dit zal evenwel verteld worden, wanneer de opkomst van de
Republieken en de veroveringen van de Noormannen onze aandacht
vragen. Hier zullen wij ons beperken tot de oorzaak van den
Investituurstrijd en eenige feiten uit dat tijdperk.

De Duitsche Paus, Victor II, dien Hendrik III had benoemd (1054), was
vriendelijk of politiek genoeg geweest om te trachten een verzoening
tot stand te brengen tusschen het Duitsche en het Toskaansche hof. De
Keizerin-weduwe Agnes werd overgehaald Gravin Beatrice en haar dochter
Mathilde, die Hendrik als gijzelaars naar Duitschland had gevoerd, in
vrijheid te stellen en zij gaf Godfried, den Hertog van Lotharingen,
toestemming naar zijn gemalin en stiefdochter te Florence terug te
keeren. Na den dood van Victor, werd Godfried's broeder, de abt van
Monte Cassino, gekozen tot Paus (Stephanus IX) en alles scheen goed te
zullen gaan. Maar de Paus stierf plotseling te Florence, waarschijnlijk
vergiftigd door handlangers van den Romeinschen adel, en deze edelen
kozen dadelijk een van Hertogen van Tusculum (Benedictus X). Daarop
benoemden Godfried en Beatrice, met toestemming van de Keizerin en
op aanraden van den monnik Hildebrand en een ander vurig hervormer en
asceet, Pietro Damiano van Ravenna [251], den Bisschop van Florence,
die als Paus Nikolaas II zich met gunstig gevolg te Rome vestigde,
daar hij zijn mededinger Benedictus dwong te vluchten.

Aldus had de nieuwe partij der hervorming, gesteund door de onvermoeide
werkkracht en ijver van Hildebrand, de overhand gekregen. In het
algemeen moet het ontstaan van deze partij, zooals ook het geval was
geweest met de hervormers van Cluny en dertig jaar later het geval was
met St. Romualdus en zijn gereformeerde Benedictijnen van Camaldoli,
en ook met de Vallombrosiërs en Kartuizers [252], toegeschreven worden
aan de verontwaardiging over de ruwe onzedelijkheid en simonie van
de geestelijken; maar bij een man als Hildebrand was de voornaamste
beweegreden zonder twijfel van politieken aard. Door aan te dringen
op het celibaat (de slechtste van alle methoden om onzedelijkheid
te bestrijden), hoopten dergelijke verdedigers van het Pausdom
zich te verzekeren van de gehechtheid van een groote menigte,
die geen andere banden had, staccata, zooals Balzani zegt, da ogni
cura d'affetti mondani; en deze menschen kwamen in opstand tegen de
leeken-investituur, niet slechts om dergelijke redenen, waarom men
er toe is overgegaan kosteloos toegankelijke Kerken te stichten,
maar ook omdat de handeling van de investituur gepaard ging met het
schenken van beneficia (leengoederen), waardoor de geestelijke als
vazal aan zijn keizerlijken leenheer gebonden werd. Zoo was Hendrik,
toen hij tegen het Pausdom en den hoogen adel streed, in staat den
steun van een groot aantal bisschoppen en abten in te roepen, die
zijn rechtstreeksche vazallen waren.

Zoowel Nikolaas II als zijn opvolger Alexander II (Bisschop Anselmus
van Lucca) waren door de Kardinalen gekozen, zonder de bekrachtiging
van Agnes of Hendrik. Zij waren voorgedragen door Hildebrand en
door hem daartoe aangezet vaardigden zij decreten uit, die aan de
geestelijken het huwelijk verboden en aan de Kardinalen alleen, in
overeenstemming met den clerus en het volk van Rome, het recht gaven
Pausen te kiezen. En toen in 1073 Hildebrand zelf als Gregorius
VII den pauselijken stoel beklom, aarzelde hij niet een besluit
af te kondigen, dat feitelijk een oorlogsverklaring aan Hendrik
was; want op zijn Concilie van 1075 liet hij een decreet aannemen,
dat de investituur door leeken als de ergste simonie veroordeelde;
tevens verklaarde hij het schenken van ring en staf door Koning of
Keizer van geenerlei waarde, zette de bisschoppen af, die Hendrik had
aangesteld en sprak over verscheidene den banvloek uit, als ook over
eenige ambtenaren van Hendrik, die, volgens hem, geld hadden aangenomen
van die prelaten om hen bij hun benoeming tot bisschoppen te steunen.

Hendrik, zeer verontwaardigd, riep een concilie van zijn geestelijken
te Worms bijeen en, blijkbaar zeer gedachtig aan het prerogatief, dat
zijn eigen vader zich had aangematigd en had uitgeoefend, zond hij
Gregorius bericht, dat hij was afgezet. "Hendrik, koning, niet door
usurpatie, maar door den heiligen wil van God, aan Hildebrand, die geen
Paus meer is, maar een valsche monnik." Zoo was de brief geadresseerd
en hij eindigde aldus: "Ik, Hendrik, Koning bij God's genade, en al
mijn bisschoppen zeggen tot u: "Wees in alle eeuwigheid vervloekt!"

Het antwoord van Hildebrand was de banvloek. In zijn geschriften [253]
verzekert hij, dat de Paus een hooger gezag bezit dan eenige vorst
op aarde en de macht heeft om zelfs Keizers te onttronen: illi licet
deponere imperatores. Maar de manier, waarop hij zijn meening duidelijk
maakte was ongewoon en een bewijs van zijn grooten moed. De gevolgen
waren geweldig, want de Duitsche edelen hielden een vergadering te
Tribur, bij Mainz, en berichtten Hendrik, dat zij hem niet langer
als hun leenheer zouden erkennen, wanneer hij niet binnen een jaar
(dus vóór Februari 1077) absolutie van den ban verwierf. Er bleef nu
slechts één uitweg voor hem open. Vergezeld door zijn gemalin en de
geëxcommuniceerde bisschoppen en ambtenaren, trok hij midden in den
winter de Alpen over om den vrede met den kerkvorst te herstellen. In
Lombardije boden velen hem hun diensten aan en trachtten hem over te
halen weerstand te bieden; maar hij besloot zijn plan ten uitvoer
te brengen en, gekleed als boeteling, barrevoets, kwam hij bij het
voorvaderlijke kasteel van Mathilde, Canossa, waar Gregorius zich
had teruggetrokken, toen hij gehoord had, dat de Lombardijsche steden
Hendrik en zijn gevolg hulp hadden aangeboden.

Drie dagen lang moesten Hendrik en zijn gevolg voor de poort van de
binnenplaats in de sneeuw wachten. Toen hij eindelijk werd toegelaten,
wierp hij zich op de knieën, verwierf ten slotte vergiffenis en kreeg
vergunning om wederom van de heilige hostie te proeven, terwijl hij
moest beloven zichzelf als onttroond te beschouwen, totdat zijn edelen
en zijn volk hem herkozen zouden hebben [254]. De verontwaardiging
der Duitsche edelen over deze zelf-vernedering verwekte wederom
een grooten opstand en Rudolf van Zwaben, Hendrik's schoonbroeder,
werd tot koning uitgeroepen. Maar Hendrik trad krachtig en moedig
op en werd geholpen door Frederik van Staufen (van Buren), de eerste
bekende persoonlijkheid van dat beroemde huis, die later schoonzoon
van Hendrik en Hertog van Zwaben werd. Er werd slag geleverd (October
1080) bij Merseburg, een stad dicht bij Leipzig, die reeds bekend was
door de worsteling van Hendrik I tegen de Hongaren. Daar werd Rudolf,
naar men zegt, gedood door Godfried van Bouillon, die in Rudolf's
plaats Hertog van Zwaben werd; later werd deze wereld-beroemd als
de Kruisvader che 'l gran sepolcro liberò di Cristo en weigerde een
koningskroon te dragen in de stad, waar de Koning der Koningen een
doornenkroon had gedragen.

Deze daden hadden de veete tusschen Hendrik en den Paus hernieuwd;
Gregorius zette hem wederom af, sprak den banvloek over hem uit en
erkende Rudolf als koning. Hierop antwoordde Hendrik dadelijk door
nog eens een concilie van zijn bisschoppen, nu te Mainz, bijeen te
roepen, waar Gregorius van zijn waardigheid vervallen werd verklaard
en Wibert, de Aartsbisschop van Ravenna tot Paus werd gekozen. Na
zijn overwinning bij Merseburg trok Hendrik naar Italië, ontving de
ijzeren kroon te Pavia en sloeg driemaal het beleg voor Rome, terwijl
zijn leger hevig te lijden had van malaria; tegen het einde van 1082
drong hij de città Leonina [255] binnen. Gregorius vluchtte naar den
sterken Engelenburg. In 1083 trok Hendrik den Tiber over, bezette het
Lateraan en riep alle edelen en geestelijken van Rome (ook Gregorius,
die niet verscheen) op om een Concilie te houden, waar de verkiezing
van Wibert als Paus werd bekrachtigd; en Paaschzondag 1084 kroonde
deze nieuwe Paus, bekend als de "tegen-Paus" Clemens, in de basiliek
van St. Pieter, Hendrik en zijn koningin Bertha als Keizer en Keizerin.

Al dien tijd bleef Paus Gregorius veilig verschanst in den geweldigen
burcht van S. Angelo en wachtte op ontzet. Deze hulp verwachtte hij,
en niet tevergeefs, van de Noormannen, die zich in deze periode
onder verschillende aanvoerders, maar vooral onder Robert Guiscard,
blijvend gevestigd hadden in Zuid-Italië en daar een geduchte macht
waren geworden. Zij hadden, zooals men zich zal herinneren, Leo IX
volkomen verslagen en gevangen genomen. Doch een paar jaren later
(1060) schijnt Paus Nikolaas II de veroveringen van de Noormannen te
hebben bekrachtigd en hen beloofd, dat hij hen de souvereiniteit over
Calabrië en zelfs over Sicilië, zoodra zij dit op de Saracenen konden
veroveren, zou toestaan en in 1080 had Robert Guiscard, door Hildebrand
tot Hertog van Apulië en Calabrië benoemd, hem, als zijn leenheer,
trouw gezworen en de aanspraken van het Pausdom op Benevento erkend.

Door dezen handigen politieken zet had de Paus zich verzekerd van den
krachtigen steun der Noormannen. Men kan wel vragen, met welk recht
de Pausen aanspraak maakten op het leenheerschap over de Apulische
en Calabrische hertogdommen, om niet te spreken van Sicilië, dat nog
steeds in de macht van de Saracenen was. Maar, zelfs al berustten hun
aanspraken op geen hechter grondslagen dan op de fictieve Donatie van
Constantijn, de gevolgen van hun staatkunde waren duidelijk genoeg;
want in antwoord op Gregorius' dringend verzoek om hulp marcheerde
Robert Guiscard met ongeveer 40.000 man, waaronder vele Saraceensche
huurlingen, naar Rome. Drie dagen voor hun aankomst was Hendrik
wijselijk naar het noorden getrokken, terwijl hij beloofde met een
groot leger te zullen terugkeeren. De Noormannen drongen met geweld
binnen en plunderden de stad (Mei 1084).

Nooit te voren, vertelt men, heeft Rome van haar veroveraars zooveel
te lijden gehad. De verwoesting van ontelbare monumenten en vele
prachtige kerken (waaronder de S. Clemente) wordt aan de Saracenen
van Robert Guiscard toegeschreven. Wat Paus Gregorius betreft,
hij werd verlost uit zijn lange gevangenschap in de Moles Hadriani,
doch vond het raadzaam Rome met zijn bevrijders te verlaten en stierf
in den loop van het volgend jaar te Salerno. Zijn laatste woorden
worden dikwijls door zijn bewonderaars aangehaald: Dilexi justitiam,
odi iniquitatem; propterea morior in exilio. Maar deze verklaring
schijnt niet bijzonder oorspronkelijk en evenmin waar te zijn.

In de derde periode van Hendrik's regeering (1085-95) vonden slechts
een paar gebeurtenissen plaats, die hier moeten vermeld worden. In Rome
heerschten, zooals dikwijls het geval was, voortdurend onlusten, die
veroorzaakt werden door de eindelooze twisten tusschen de verschillende
partijen van clericalen en leeken. De verkiezing van Urbanus II, een
Franschen monnik van Cluny en Bisschop van Ostia, die de politiek van
Hildebrand krachtig voortzette, verdient vermelding wegens het feit,
dat hij Koenraad tegen zijn eigen vader heeft opgestookt en wegens
den roem, dien hij heeft verworven door zijn geestdriftvolle opwekking
tot den eersten Kruistocht.

Drie jaren na zijn verkiezing werd hij gedwongen Rome een tijdlang
te ontvluchten, omdat de Romeinen, nadat Hendrik met goed gevolg
een veldtocht in Toskane had ondernomen, uit vrees voor zijn wraak
zich meester hadden gemaakt van den Engelenburg en den "tegen-Paus"
Clemens hadden uitgenoodigd terug te keeren. Maar de triumf van
Clemens duurde niet lang en weldra (1093) nam Urbanus zijn plaats
op den troon van het Lateraan wederom in. Andere, misschien meer
belangrijke gebeurtenissen, die verhaald zullen worden in een later
hoofdstuk, waren de schitterende krijgsdaden van Robert Guiscard
en zijn Noormannen in Dalmatië, zijn dood in 1085, de eindelijke
overweldiging van de Saracenen en de verovering van Sicilië door zijn
broeder, Graaf Roger, in 1091.

De voornaamste gebeurtenis van de vierde periode (1095-1106), een
feit dat bijna op de geheele wereld zijn invloed heeft doen gelden,
was zonder twijfel de eerste kruistocht. Die invloed werd meer
in Italië gevoeld dan in Duitschland, waar men vol verbazing naar
de woeste horden van voorbijgaande kluizenaars staarde en waar de
beklagenswaardige veete tusschen Hendrik en zijn zonen verhinderde, dat
men met geestdrift deelnam aan de onderneming, die door de prediking
van Peter van Amiens werd voorbereid; maar Italië zelf werd toch niet
meegesleept door den wervelwind, die Frankrijk half ontvolkte [256].

Ofschoon verscheidene Pausen, waartoe ook de Duitscher Leo IX behoorde,
het verlangen te kennen hadden gegeven om het graf van Christus
te bevrijden, had toch het voorstel om het plan te verwezenlijken,
dat men waarschijnlijk moet toeschrijven aan de Fransche hervormers
van Cluny, den Italianen geen geestdrift kunnen inboezemen, toen te
Piacenza en later te Clermont de Franschman Urbanus den Kruistocht
afkondigde. Mogelijk ook werd in steden, zooals Genua, Pisa en
Venetië door de bezorgdheid voor den uitgestrekten handel het vuur
van het fanatisme gedoofd. Wellicht was ook de aanwezigheid van de
Muzelmannen op Sicilië en de vijandige houding van de Noormannen tegen
den Keizer van het Oosten, die gezanten had gestuurd naar het Concilie
te Piacenza om hulp te vragen tegen de Turken, een hinderpaal voor
de beweging in Zuid-Italië. Maar niet weinig Italiaansche Noormannen
sloten zich bij den Kruistocht aan, waaronder Bohemund, de oudste
zoon van Guiscard, uitblonk en Italië verleende krachtigen steun
door ontelbare kruisvaarders over te voeren, die Rome doortrokken en
zich te Bari inscheepten; deze stonden versteld over den toestand van
heidensche verwildering, die zij in de metropolis van de Christelijke
wereld aantroffen.

Wij gaan nu over tot de regeering van Hendrik V. Zijn verhouding met
het Pausdom leek eerst vriendschappelijk, maar weldra was ook hij van
meening, dat hij het recht van investituur, dat hem het leenheerschap
over zijn bisschoppen verzekerde, niet kon missen, en toen Paus
Paschalis hardnekkig weigerde hem dat recht toe te staan, trok de
koning in 1110 met zijn leger de Alpen over. De Lombardijsche steden,
behalve Milaan en Pavia, erkenden hem; te Florence werd hij zelfs
ontvangen door Gravin Mathilde, die ongeveer twintig jaren geleden, op
den leeftijd van drie en veertig, als haar tweeden gemaal had genomen
een jongeling van achttien jaren, den stamhouder van het hertogelijk
geslacht van de Welfen of Guelfen [257], die trouwe bondgenooten van
de Pausen en tegenstanders van de Frankische Keizers waren [258].

Paus Paschalis was in groote verlegenheid. Hij kon geen hulp verwachten
van Mathilde en haar Toskaners en evenmin van de Noormannen van
Zuid-Italië, die toen juist door den zwakken en ziekelijken Willem, den
kleinzoon van Robert Guiscard geregeerd werden. Hij teekende dus een
verdrag, waarbij de Kerk afstand deed van de wereldlijke rechten der
investituur, maar de geestelijke rechten behield en stemde er in toe
Hendrik als Keizer te kronen. Maar toen het document werd voorgelezen
aan de geestelijken en de edelen, die in de St. Pieter verzameld waren
om de kroning bij te wonen, ontstond er een hevig tumult en Hendrik
vond het raadzaam den Paus en zestien kardinalen gevangen te nemen
en naar Tivoli weg te voeren. Eindelijk gaf de Paus toe. Hij teekende
een Privilegium, waarbij hij aan den koning het recht van investituur
"met ring en staf" toestond, en in April 1111 vond de kroning plaats,
die zoo ruw onderbroken was.

Hendrik V had nu het hoogtepunt van zijn macht bereikt en hij
versterkte zijn invloed door in 1113 een huwelijk aan te gaan met
een Engelsche prinses, Maud of Mathilde, de dochter van Hendrik I,
die later de gemalin van Godfried Plantagenet en de moeder van Hendrik
II van Engeland werd.

In 1115 stierf Gravin Mathilde, negen en zestig jaar oud. Haar
jeugdige echtgenoot had haar reeds lang verlaten en zij had geen
wettigen erfgenaam. Zij liet bijna al haar bezittingen aan de Roomsche
Kerk na. Welke ook de rechten waren, die zij ten opzichte van haar
allodiale bezittingen bezat, zij had zeker niet het recht de erfelijke
leengoederen, die zij (op onwettige wijze, zeide men, daar zij een
vrouw en een rebel was) als vazal van de kroon had, aan iemand,
behalve aan een wettig erfgenaam, na te laten. En zelfs al nemen
wij aan, dat haar rechten als onafhankelijke heerscheres bekrachtigd
waren door het Toskaansche volk, zij was toch niet gemachtigd om het
land, met of zonder souvereine rechten aan de Pausen of aan iemand,
wie dan ook, over te geven. Deze erfenis had echter zoowel goede
als slechte gevolgen, want, ofschoon Toskane later erg geplaagd en
geteisterd werd door Pausen en Keizers, grepen verscheidene steden
van Toskane de gelegenheid aan om het leenmanschap af te werpen en
zich onafhankelijk te verklaren. De geschiedenis van de Florentijnsche
republiek begint met den dood van Gravin Mathilde.

In 1117, toen deze Toskaansche steden weigerden de Vicarissen
van Hendrik te ontvangen en Paus Paschalis zijn Privilegium had
herroepen, trok de koning wederom met een leger de Alpen over. Het
schijnt, dat hij ervoor terugdeinsde een aanval op de verbonden
steden te wagen, en hij marcheerde recht op Rome aan, daar hij
besloten had niet alleen een bekrachtiging van zijn privileges,
maar ook een herhaling van de kroningsplechtigheid te eischen. Maar
Paus Paschalis was gevlucht. Hendrik overreedde dus een kardinaal om
hem te kronen en vertrok toen. Doch na den dood van Paschalis kwam
hij haastig terug en liet dien kardinaal, Burdino, tot Paus kiezen,
of liever tot tegen-paus, want het volk van Rome had reeds Gelasius
II benoemd. Een geweldig oproer volgde daarop. Eindelijk, toen Paus
Gelasius in ballingschap te Cluny was gestorven, werd een bekwame en
besliste tegenstander van den keizer door de kardinalen, die te Vienne,
in Frankrijk vergaderd waren, gekozen. Deze Paus, die Aartsbisschop
van Vienne was en een bloedverwant van den Franschen koning en van
Hendrik, nam den naam van Calixtus II aan. Hij sprak terstond den
banvloek uit over den tegen-paus van Hendrik en dit flinke optreden
had voor hem een gunstig gevolg, want met den tegen-paus liep het
ellendig af [259] en Hendrik, afgemat door de oppositie in zijn eigen
land en daar buiten, nam ten slotte genoegen met de overeenkomst
(Concordaat), die het Concilie te Worms in 1122 voorstelde.

Volgens de voorwaarden van het Concordaat deed Hendrik V afstand
van het recht om prelaten te kiezen en hen te bekleeden met "ring en
staf". Zijn gezant mocht bij de investituur tegenwoordig zijn; maar
dit was een ijdele vorm. Hij had ook het recht door de aanraking
van zijn schepter de wereldlijke macht te verleenen, d.w.z. de
landen en inkomsten van het ambt aan den nieuw benoemden dignitaris
over te geven, hetgeen echter dikwijls een tamelijk onbelangrijk
koninklijk privilege was. In het algemeen leed het koningschap door
dit Concordaat aanmerkelijke schade. De domeinen van de voorname
edelen waren oorspronkelijk veroverde of verbeurd verklaarde landen,
waarvoor zij, als leengoederen, trouw schuldig waren aan de kroon;
maar deze machtige edelen verpachtten dikwijls hun bezittingen
of beloofden op hun beurt bescherming in ruil voor leenmanschap
(hetgeen men recommandatie noemde) en verwierven zich aldus een
groote menigte van achterleenmannen, die naar hun meening den koning
geen trouw schuldig waren. Deze toestand werd door de Duitsche
koningen hevig bestreden, doch met weinig goed gevolg. Derhalve
vertrouwden zij voornamelijk op de bisschoppen en andere clericale
waardigheidsbekleeders, die zij kozen, en die hun leenmannen waren
door de uitgestrekte kerkelijke beneficia, waaruit het grondbezit van
het rijk voor een groot gedeelte bestond. Maar door het concordaat
van Worms verloor de koning de bevoegdheid om personen te kiezen,
die voornamelijk zijn belangen behartigden en de koninklijke macht
leed ernstig door deze uitbreiding van de pauselijke rechten [260].



(5) Keizers der Hohenstaufen.

Calixtus zoowel als Hendrik V stierven niet lang na het Concordaat van
Worms. Hendrik had geen kinderen en wederom kwamen de edelen te Tribur
bijeen; de meeste van deze edelen verheugden er zich in hun bevoegdheid
als keurvorsten te kunnen uitoefenen en aldus te protesteeren tegen
een erfelijk koningschap. Frederik van Staufen, zoon van dien Frederik,
die door Hendrik IV tot Hertog van Zwaben was verheven en zijn dochter
had getrouwd, was de voornaamste pretendent; maar het Concordaat
droeg reeds vruchten en de aartsbisschoppen, gesteund door eenige van
de edelen, slaagden erin zoowel de aanspraken van Frederik als van
zijn broeder Koenraad te verwerpen, "daar zij te zeer bezield waren
met Ghibellijnschen geest". Een verknochte aanhanger van de Kerk, de
vroegere leider van de Saksische en Welfsche rebellen, Lotharius, werd
gekozen. Frederik weigerde eerst de koninklijke domeinen op te geven,
waarop hij aanspraak had gemaakt, maar eindelijk besloot de familie
der Staufen den nieuwen koning te erkennen, doch niet voordat Koenraad
als Koning van Italië en "aangewezen" Keizer door het volk van Milaan
was erkend (1130) en te Monza met de ijzeren kroon gekroond was. In
1133 kwam Lotharius te Rome. Hier hadden, als gewoonlijk, ernstige
onlusten naar aanleiding van de verkiezing van verschillende Pausen
plaats gehad. De een was Innocentius II, gesteund door de invloedrijke
familie der Frangipani; de ander was Anacletus, behoorende tot de
oude Joodsch-Romeinsche familie der Pierleoni, een monnik van Cluny
en leerling van den beroemden Abelard van Parijs. Anacletus had in
Rome de overhand gekregen en Innocentius was naar Frankrijk gevlucht,
waar hij een krachtigen steun vond in St. Bernard van Clairvaux,
die een heftig tegenstander van Abélard en zijn leer was.

St. Bernard kreeg van Lodewijk van Frankrijk de opdracht uitspraak
te doen tusschen de twee Pausen en besliste natuurlijk ten nadeele
van Anacletus. Maar Innocentius moest met geweld worden hersteld;
de orthodoxe Lotharius nam die taak op zich en liet zich bij die
gelegenheid tevens door Paus Innocentius te Rome als Keizer kronen
(1133). Zijn vrome dankbaarheid voor deze gunst bracht er hem toe
van den Paus de souvereine rechten over de voormalige bezittingen van
Mathilde aan te nemen en aldus erkende hij de geldigheid van Mathilde's
erfenis en degradeerde zichzelf tot een vazal van het Pausdom.

Roger de Noorman, van Sicilië, die zich in 1130 tot koning had laten
uitroepen, was door Anacletus erkend, maar niet door Innocentius. Hij
begon zich thans meester te maken van Zuid-Italië en Innocentius
riep Lotharius te hulp; deze kwam met zijn leger en met Genueesche
en Pisaansche schepen en, geholpen door de steden Napels en Capua,
die waren opgestaan, was hij in staat Roger naar Sicilië terug te
drijven. Maar weldra trokken Lotharius en zijn leger naar het noorden
terug en in December 1137, kort nadat hij de Alpen was overgetrokken,
stierf hij.

Toen het bericht van zijn dood was gekomen, keerde Roger terug en
niet alleen heroverde hij alles, wat hij verloren had, maar ook
versloeg hij Innocentius en nam hem gevangen; door een edelmoedige
behandeling evenwel verwierf hij eindelijk de bekrachtiging van zijn
koninklijken titel.

De Welfsche Hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Trotsche, aan
wien Lotharius de landen van Mathilde als achterleen had gegeven en
die derhalve over een uitgestrekt gebied heerschte, stelde zich voor
tot koning te worden verkozen en had zich reeds van de koninklijke
insignia meester gemaakt. Maar wederom schrikte het Duitsche volk
er voor terug een al te machtigen vorst te kiezen en de aanspraken
van een ander mededingend geslacht te bestendigen. Zelfs nog vóór
de bijeenkomst te Tribur werd de Ghibellijn Koenraad van Staufen tot
koning uitgeroepen en gekroond, en Hertog Hendrik vond het raadzaam
de koninklijke insignia terug te geven; weldra moest hij ook zijn
Saksisch Hertogdom overgeven, want de hevige uitbarsting van de veete
tusschen Welfen en Ghibellijnen, die in deze jaren het volk in twee
partijen verdeeld hield, eindigde ten gunste van Koenraad.

Te midden van zoovele onlusten was het niet waarschijnlijk,
dat Koenraad zich veel met Italië kon bemoeien; maar men zal zich
herinneren, dat, terwijl hij met Lotharius naar de Duitsche kroon dong,
hij erin geslaagd was, hoewel de banvloek over hem was uitgesproken,
den Aartsbisschop van Milaan te overreden hem met de ijzeren kroon
als Koning van Italië en "aangewezen" Keizer te kronen. Hij streefde
er dus naar zijn aanspraken op die titels te verwezenlijken en wij
zullen later zien, hoe hij dit trachtte te bereiken. Ondertusschen
vraagt Rome wederom onze aandacht.

De republikeinsche beweging, die reeds zeer groote uitbreiding had in
het noorden van Italië, werd in het zuiden ernstig tegengewerkt door de
veroveringen van de Noormannen. In Rome zelf had de geest van vrijheid,
ofschoon deze krachtig onderdrukt werd door invloedrijke families,
zooals de Tusculaansche graven, de Crescenzi en de Frangipani, en door
die Pausen, die de werktuigen van de aristocratische en keizerlijke
partijen waren, zich toch in zooverre laten gelden, dat het burgerlijk
bestuur van de stad vrijwel republikeinsch was, terwijl het leger,
volgens de twaalf wijken van Rome in twaalf scholae verdeeld, met
zijn twaalf bevelhebbers (banderesi) onder toezicht van het volk
stond. Maar een plotselinge en hevige uitbarsting zou ten gevolge
hebben, dat Rome een tijdlang een volkomen republiek werd. De kleine
stad Tibur (Tivoli), wier liefde voor de vrijheid de vrijheidslievende
Romeinen ten zeerste had gehinderd, was overweldigd, maar weigerde
hardnekkig zich te onderwerpen aan het Romeinsche volk, op grond van
de bewering, dat de Paus het eenige hoogste gezag in Rome was; en toen
Paus Innocentius openlijk deze theorie steunde, vond er een omwenteling
plaats: de Republiek werd afgekondigd, de Prefectuur afgeschaft, en de
Senaat, voornamelijk samengesteld uit burgers in plaats van patriciërs,
werd geïnstalleerd op het Capitool [261]. In hetzelfde jaar (1143)
stierf Innocentius en eveneens zijn opvolger, Celestinus. De volgende
Paus, Lucius II, werd doodelijk getroffen door een steen, toen hij
aan het hoofd van een bende edelen het Capitool trachtte te bestormen;
zijn opvolger, Eugenius III, die op denzelfden dag werd gekozen, werd
genoodzaakt uit Rome te vluchten [262]. Als Consul of eerste senator
van de nieuwe republiek werd Giordano gekozen, blijkbaar een afvallig
lid van de aristocratische familie der Pierleoni, want hij was, zeide
men, een broeder van den tegen-paus Anacletus. Onder zijn presidium
schijnt de herrezen Romeinsche Republiek zich gevestigd te hebben op
een stevigen grondslag, waarvan zij zelfs door de vereenigde krachten
van Barbarossa en Paus Hadrianus IV niet kon worden afgeworpen. Te
oordeelen naar haar munten, erkende de Republiek in den eersten tijd
den Keizer als haar vorst, maar stond den Paus geen aandeel in de
regeering toe, en dwong hem van alle wereldlijke macht afstand te
doen en zich tevreden te stellen met tienden en geschenken.

Men geloofde vroeger, dat deze omwenteling was voorbereid en geleid
door Arnold van Brescia; doch het schijnt zeker, dat hij zelf,
ofschoon zijn leerstukken reeds over geheel Italië [263] waren
verspreid en zonder twijfel grooten invloed uitoefenden op de
Romeinsche republikeinen, in 1143 niet te Rome was, aangezien hij
daar in 1145 voor het eerst kwam.

Arnold, geboortig uit Brescia, had onder Abelard te Parijs gestudeerd
en was een geestdriftig bewonderaar geworden van het oude Rome en
de republikeinsche vrijheid. Bij zijn terugkeer in Italië werd hij
monnik en predikte vurig tegen alle vormen van tyrannie, vooral tegen
de wereldlijke macht van de Pausen, terwijl hij met voorliefde de
apostolische armoede aanhaalde, die ook St. Benedictus prees, toen
Dante hem in den hemel [264] ontmoette:


            Pier cominciò senz' oro e senz' argento,
            Ed io con orazione e con digiuno.


Maar Arnold's welsprekendheid werd koel ontvangen, zelfs te Brescia,
en hij keerde naar Frankrijk terug, waar zijn leermeester Abelard
hevige aanvallen te verduren had van St. Bernard; en nadat de
toornige heilige den ketteraanvoerder verpletterd had, wendde hij
zich tegen diens leerling. Arnold werd verbannen en schijnt eenige
jaren, misschien als onderwijzer, in Zürich te hebben doorgebracht,
een plaats, waar later een gelukkiger hervormer, Zwingli, heeft
gewoond. In 1145 vinden wij hem te Rome, waar zijn staatkundige
theoriën uitvoerig in praktijk werden gebracht. Tien jaren lang
bezielde en leidde zijn ijver en geleerdheid de jonge republiek,
en wanneer zijn hoogste ideaal verwerkelijkt was, het ideaal van een
waarlijk apostolisch Pausdom, hoog tronend boven elke begeerte naar
wereldlijke rijkdom en macht, hoevele eeuwen van ellende zouden Italië,
en het menschdom, bespaard zijn gebleven! Maar het laffe weifelen
van Koenraad en de blinde staatkunde van Barbarossa in zijn eerste
dagen, misbruikt door de verwaande eerzucht van een Engelschen Paus,
verijdelden een hervorming, die misschien heilzamer en grondiger was
geweest dan die van Luther's tijd.

In 1147 namen een millioen krijgslieden van West-Europa, voornamelijk
opgewekt door de prediking van St. Bernard, deel aan den tweeden
kruistocht. Deze verwekte meer geestdrift in Duitschland dan de eerste
kruistocht, en Koenraad III besloot eindelijk zich er bij aan te
sluiten. Twee jaren was hij in het Oosten, en het verdient vermelding,
dat in zijn gevolg zich twee strijders bevonden, die in onzen geest
twee zeer levendige, maar geheel verschillende voorstellingen wakker
roepen. Een van deze was zijn neef, de jonge Frederik van Staufen
(Barbarossa), die vele jaren later, als Kruisvaarder, wederom naar die
oostersche landen trok en daar stierf. De ander was een voorvader van
Dante, zijn overgrootvader, Cacciaguida, die, toen de dichter hem in
den hemel van Mars [265] ontmoette, hem vertelde, dat hij op aarde
Keizer Koenraad gevolgd was en dat deze hem tot ridder had geslagen
(mi cinse della sua milizia).

Maar deze "imperador Currado" werd nooit als Keizer gekroond. Toen
hij in 1149 uit het oosten terug kwam, zonden de Romeinsche senatoren,
misschien op aanraden van Arnold, hem eenige bombastische epistels. In
den laatste van deze, doorspekt met barbaarsche hexameters, wordt hij
"de Heerscher over de Stad en de geheele Wereld", "Koning der Romeinen"
en "Augustus" genoemd; men smeekt hem te komen en den roem van het
Romeinschen Keizerrijk te herstellen, zooals het onder Constantijn en
Justinianus was, voordat het te gronde werd gericht door de Pausen
en den adel. Ook werd daarin te kennen gegeven, en terecht, dat het
Romeinsche volk, en niet de Paus, de werkelijke bevoegdheid had om
iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden.

Doch Koenraad aarzelde. Hij was noch verstandig noch dapper genoeg om
het aanbod aan te nemen. Ten slotte schreef hij, dat hij zou komen
"om de orde te herstellen, de trouw van zijn vrienden te steunen en
de opstandelingen te straffen", een ietwat dubbelzinnig antwoord,
dat de republikeinsche partij met vrees vervulde. En deze vrees nam
grootelijks toe, zoodra het bekend werd, dat Koenraad onderhandelingen
had aangeknoopt met Paus Eugenius, die uit Frankrijk was teruggekomen
en de laatste drie jaren in Latium van de eene plaats naar de andere
rondzwierf. Eindelijk, nadat hij eenige lastige Welfsche rebellen in
Duitschland had onderworpen, schreef Koenraad, niet aan den Senaat,
dien hij negeerde, maar aan den weder onlangs benoemden Prefect en aan
andere magistraten, en gaf als zijn voornemen te kennen, dat hij Rome
zou bezoeken en gekroond wilde worden, niet door afgevaardigden uit
den Senaat, maar door den Paus. Dit plan echter werd niet uitgevoerd,
want hij stierf in Februari 1152, voordat de maatregelen voor zijn
reis voltooid waren.

Koenraad liet een zoon na, die slechts acht jaren oud was. Daarom
had hij de keurvorsten verzocht zijn neef te kiezen, die met hem
aan de kruistocht had deelgenomen, Frederik van Staufen, die nu een
en dertig jaar was. Frederik's staatkunde betreffende Italië werd
weldra duidelijk. Toen de Romeinsche Senaat hem, evenals vroeger aan
Koenraad, een hoogdravend schrijven zond, waarin werd medegedeeld,
dat de S. P. Q. R. er trotsch op zou zijn hem te bekleeden met den
titel van Keizer, antwoordde hij, dat zijn voorvaderen dien titel
met de wapenen hadden gewonnen en "dat hij, die het durfde, maar
moest trachten Hercules de knots te ontwringen". Hij had besloten de
hydra van de republikeinsche vrijheid te dooden. Hij schreef aan Paus
Eugenius; deze wakkerde door zijn antwoord Frederik's toorn jegens de
onbeschaamde senatoren nog aan en verklaarde hem te zullen kronen,
indien hij kwam en Rome, zooals hij beloofd had, onderwierp aan het
Keizerrijk en de Heilige Kerk. En Frederik stelde zijn komst niet
lang uit. Zoodra hij zijn gezag in zijn noordelijke landen stevig
had gevestigd, de kronen van Denemarken en Boheme had vergeven en
Bourgondië had geannexeerd, trok hij de Alpen over en hield in November
1154 een groote bijeenkomst van al zijn Italiaansche leenmannen, leeken
en geestelijken, in de vlakte van Roncaglia, dicht bij Piacenza. Trouw
aan zijn staatkunde nam hij strenge maatregelen tegen de toenemende
onafhankelijkheid van de Lombardische steden; en de nijd, het vergif
voor de republieken, bewees hem goede diensten, want bittere afgunst
en twisten waren reeds tusschen de steden ontstaan, en sommige grepen
de gelegenheid om hun mededingers te beschuldigen gretig aan. Milaan
vooral werd heftig aangevallen door andere steden, die minder welvarend
en meer imperialistisch waren, zooals Pavia, en wekte Frederik's
misnoegen in hooge mate op door hem de koninklijke rechten (b.v. het
munten, het voedsel voor zijn soldaten enz.) te weigeren; ook spoorde
zij tot verzet aan, toen hij de consuls en andere republikeinsche
magistraten trachtte af te schaffen en Duitsche gouverneurs (Podestà)
met dictatoriaal gezag wilde aanstellen. Hij achtte het niet raadzaam
Milaan zelf aan te vallen, maar gaf zijn toorn lucht door twee steden
van haar bondgenooten te verwoesten, het kleine Tortona, dat twee
maanden heldhaftig een belegering doorstond (en weldra herbouwd werd
door de Milaneezen) en Asti, later beroemd door haar wijn en Alfieri.

Onderwijl was Paus Eugenius en ook zijn opvolger gestorven en had de
Engelschman Breakspear (Hadrianus IV) den pauselijken zetel bezet. Zijn
trots en onstuimigheid, die hem voor zijn dood de bekentenis ontlokten,
dat een Paus de ongelukkigste sterveling op aarde was, kwamen spoedig
aan het licht.

Een kardinaal was op straat aangevallen, misschien door anti-clericale
republikeinen. Hadrianus, die wist, dat Frederik weldra zou komen
om hem te helpen, deed oogenblikkelijk, wat nog nooit een Paus had
gedurfd--hij kondigde over de geheele stad het interdict af. Geen
godsdienstige handelingen mochten verricht worden, behalve de doop
en het toedienen van het laatste oliesel. De Romeinen waren zoo
verschrikt, dat zelfs de senatoren eindelijk om vergiffenis smeekten;
en zij verwierven die door de verdrijving van Arnold van Brescia, die
als banneling van de eene plaats naar de andere zwierf, bevreesd voor
de wraak van den Engelschen Paus, terwijl Hadrianus triomfantelijk in
het Lateraan troonde. En nu verscheen Frederik, "bezoedeld met het
bloed van de Lombardische steden", voor de poorten van Rome. Arnold
werd verraden en door den Keizer aan den Paus overgeleverd, en door den
Paus aan den Prefect, die hem liet ophangen en verbranden. De Senaat,
die zich verbeeldde door deze laffe daad de gunst van den Duitschen
vorst gewonnen te hebben, zond naar zijn legerplaats een bericht,
vol van walgelijke vleierij, en stelde wederom voor hem den titel
van Keizer te schenken.

Maar de gezanten werden smadelijk weggezonden en Frederik rukte
met zijn soldaten de Città Leonina binnen en bezette de basiliek
van St. Pieter; daar legde Paus Hadrianus, een paar dagen, nadat
hij Arnold aan de galg en den brandstapel had overgeleverd, den
keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn weldoener (Juni 1155).

Maar dit onnatuurlijk verbond, dit puttaneggiar co' regi, zooals
Dante zegt [266], was een kort leven beschoren. Een hevig gevecht
werd na de kroning geleverd, op en bij de brug van S. Angelo. Ongeveer
duizend Romeinsche burgers werden gedood of verdronken. Geweldig was
de verontwaardiging en Frederik vond het raadzaam uit Rome te vluchten
en naar het noorden te trekken, nadat hij den Paus en zijn kardinalen
veilig in Tivoli had achtergelaten. Met moeite baande hij zich een
weg door zijn ontrouwe Italiaansche bezittingen, en toen hij weder
in zijn land was, begon hij zijn staatkunde te herzien. Hij had zich
reeds geërgerd over de Pauselijke aanspraken op Toskane (de domeinen
van Mathilde) en over het feit, dat Hadrianus, zooals verscheidene
van zijn voorgangers, getracht had zijn macht te versterken door een
verbond met roovers en overweldigers, de Noormannen, en zich zelfs had
aangematigd als leenheer van Zuid-Italië en Sicilië op te treden en
Willem den Booze, den zoon van Roger, met de koninklijke waardigheid te
bekleeden. Doch ernstiger gebeurtenissen zouden volgen. Frederik was
begonnen, zonder zich te bekommeren om het Concordaat van Worms, zijn
eigen Duitsche bisschoppen te benoemen. Hadrianus protesteerde, en in
zijn brief maakte hij een toespeling op de kroning, alsof hij Frederik
door die daad beleend had met het Keizerrijk als een beneficium,
zoodat hij daarmede wilde te kennen geven dat de Keizer zijn leenman
was. Daarop volgde een hevige uitbarsting van verontwaardiging. De
vriendschap met den Paus werd in flarden gescheurd en Frederik trok
wederom (Juli 1158) met een sterk leger en een groot aantal juristen,
leeken zoowel als geestelijken over de Alpen om de ongehoorzame steden
[267] te straffen en eens voor altijd zijn rechten tegenover Pausen
en republieken vast te stellen. Milaan werd gedwongen zich over
te geven en niet alleen de burgers, maar ook hun aartsbisschop en
consuls moesten als smeekelingen, barrevoets, met asch bestrooid,
met een koord om den hals voor hem verschijnen; terwijl de vaandels
van hun Carroccio (vaandelwagen) als teeken van onderwerping laag
werden gehouden, zonk de geheele menigte op de knieën en bad om genade.

De besluiten, die de rechtsgeleerden van Frederik te Roncaglia hadden
genomen, berustten voornamelijk op verouderlijke bepalingen van
Justinianus en gaven den Keizer een gezag, dat onvereenigbaar was
met een constitutioneelen regeeringsvorm. Ja zelfs, er werden zeer
onrechtvaardige beslissingen genomen, daar sommige steden groote
vrijheid kregen en andere tot slavernij werden gedoemd. Maar de
vernedering van Milaan had den tegenstand gebroken. Een dapper stadje,
Crema, trotseerde den Duitschen despoot, maar na een belegering [268]
van zes maanden werd het genomen en verwoest.

De breuk met Frederik bracht den Paus er toe een ander onnatuurlijk
verbond te sluiten. Ofschoon de Paus te Rome een doodvijand was van
republikeinsche vrijheid, was hij nu verstandig genoeg vriendschap met
de steden in Noord-Italië te zoeken en deze te steunen in den strijd
tegen den gemeenschappelijken vijand. Na den dood van Hadrianus in
1159 was er door de clericale partij een Paus gekozen, die een even
sterken wil en een even groote eerzucht bezat.

Maar geweldige onlusten waren het gevolg van die verkiezing geweest, en
de keizerlijke partij had met zulk een goeden uitslag den tegen-paus
Victor tegenover Alexander III gesteld, dat deze naar Frankrijk
moest vluchten en zich slechts kon troosten door een machteloozen
banvloek over den tegen-paus en den Keizer uit te spreken. Aldus
werd de zaak van de republieken voorloopig door het verbond met den
Paus weinig geholpen, en toen Frederik in 1161, geprikkeld door de
hernieuwde onbeschaamdheid van Milaan, het beleg voor die stad sloeg,
daagde er geen ontzet op. Na een langen en heldhaftigen tegenstand
werd zij genomen (1162), en, zooals wel te verwachten was, geheel
en al verwoest en ontvolkt, een lot, dat het in vroeger tijden reeds
meerdere malen had ondergaan [269].

Maar de strijd voor de vrijheid werd hardnekkig volgehouden. De
Noord-Italiaansche steden, tot wanhoop gedreven, door het thans
machtige en onafhankelijke Venetië geleid, begonnen zich te vereenigen,
en toen, tegen het einde van 1163, Frederik voor den derden keer
Italië was binnengedrongen, vond hij het weldra raadzaam terug te
trekken. Drie jaar daarna kwam hij terug met een grooter leger; maar
ondertusschen had de Bond [270], die onlangs door Venetië, Verona,
Padua en Vicenza gesticht was, zich uitgebreid over Lombardije en
sloten zich daarbij zelfs steden aan als Cremona, dat tot nog toe op de
hand van den keizer was geweest. Bovendien verminderde de invloed van
de keizerlijke partij in Rome. Victor, de tegenpaus van Frederik, was
gestorven en ofschoon de keizerlijken terstond een ander, Paschalis,
hadden gekozen, was toch Paus Alexander III uit Frankrijk teruggekeerd
en had zijn mededinger verjaagd.

Frederik besloot eerst tegen Rome op te trekken. Hij liet de
noordelijke steden dus ongemoeid, veroverde Ancona, een strategisch
punt, dat hij noodig had om zijn vooruitrukkend leger te dekken, en
trok in het midden van een buitengewoon heeten en gevaarlijken zomer
(1167) de Città Leonina binnen. Maar de Romeinen boden tegenstand en
de Duitschers waren niet in staat zich een weg te banen over den Tiber
of den Engelenburg te bemachtigen. Zij konden slechts de St. Pieter
met troepen bezetten, terwijl de tegenpaus Paschalis de gemalin
van Frederik plechtig tot Keizerin kroonde. En zij waren nauwelijks
veertien dagen in Rome, toen er een kwaadaardige malaria-epidemie of
misschien een pest uitbrak, en Frederik zijn leger haastig naar het
noorden voerde. Velen van zijn gevolg, edelen, generaals en prelaten,
vielen als slachtoffers van die ziekte en ongeveer 2000 van zijn
krijgslieden; de sterfte hield eerst op, toen men reeds eenigen tijd
in Duitschland was [271].

Padua was bijna de eenige groote Lombardische stad, die zich niet
had aangesloten bij den Bond. Het bleek een voortdurend gevaar voor
Milaan, dat door de geestdrift van de bondgenooten in een ongelooflijk
korten tijd was herbouwd [272]. Om Pavia ook van het zuiden te kunnen
beteugelen, werd nu de stad Alessandria gesticht, die in korten tijd
15000 krijgslieden kon leveren. Haar naam kenmerkte de vriendschap
van den Paus, maar van haar vijanden kreeg zij den hoonenden bijnaam
van "stad van stroo", een toespeling op haar vooronderstelde zwakte
of op de haastig opgerichte, met stroo bedekte huizen. Zwak bleek
Alessandria niet te zijn, want toen na een pauze van zes jaren
Frederik zijn vijfden tocht naar Italië maakte en deze stad van
stroo trachtte in te nemen, werd hij na een vergeefsch beleg van vijf
maanden gedwongen zijn troepen terug te trekken en kort daarna werd
hem door de bondgenooten een verpletterende nederlaag toegebracht
bij Legnano, ongeveer twintig K.M. ten noord-westen van Milaan. Zoo
verschrikkelijk was de catastrophe, dat, naar men vertelt, Frederik
zelf in de algemeene slachting verdween, en eerst drie dagen na het
gevecht met groote moeite Pavia bereikte.

Deze ramp gaf Frederik de overtuiging, dat wreedheid en
onmenschelijkheid niet in staat waren hen te overweldigen, die bereid
waren voor de vrijheid te sterven. Ook was zijn karakter niet zoo
hardvochtig en laag, dat hij niet eenige bewondering kon gevoelen
voor heldhaftigheid. Hij nam het voorstel van den Doge Ziani aan om te
Venetië niet alleen Paus Alexander en de gezanten van Willem den Goede
van Sicilië te ontmoeten, maar ook de afgevaardigden van de verbonden
steden. Dit was de eerste keer, dat republikeinsche afgevaardigden als
gelijken met een Paus of Keizer in onderhandeling traden. Het was dus
een gebeurtenis, die belangrijke dingen voorspelde. Misschien was dit
de ernstigste crisis, die Italië ooit beleefde. Helaas, dat een zoo
schoone belofte zonder uitwerking is gebleven door inwendige twisten,
die er de oorzaak van waren, dat Italië een parel van groote waarde
wegwierp, en zelfs de herinnering aan de herwonnen vrijheid uitwischte.

De ontmoeting van Frederik Barbarossa en Paus Alexander te Venetië
in den zomer van 1177 is zoo dikwijls beschreven, (soms zelfs buiten
eenig verband met Legnano en de afgevaardigden van de Lombardische
republieken!) dat wij het hier wel kort kunnen behandelen. In den Atrio
van de S. Marco zijn drie porfieren steenen, die, naar men gelooft, de
schitterende en dramatische plechtigheid vermelden; maar ongetwijfeld
gebeurde het, zooals een ooggetuige [273] beschrijft, buiten of bij
den grooten ingang. Het gevolg van de Venetiaansche bijeenkomst was,
dat Calixtus (de derde van Frederik's tegenpausen) werd afgezet,
dat er een vrede van vijftien jaren met Willem van Sicilië werd
gesloten en een wapenstilstand van zes jaren met de Lombardische
republieken. Bovendien werd er een overeenkomst ten opzichte van de
lastige kwestie over Mathilde's erfenis getroffen; doch deze afspraak
bleek niet afdoende of van blijvenden aard te zijn. Paus Alexander trok
in triomf Rome weder binnen, onder luide toejuichingen en geestdrift
van alle partijen [274]. Frederik keerde naar Duitschland terug
en genoot gedurende de volgende zeven jaren van de trouwe hulde
zijner noordelijke onderdanen, terwijl hij de genegenheid van de
Lombardische steden door een edelmoedig verdrag, dat hij in 1183
te Constanz teekende, in zoo hooge mate won, dat Alessandria zelfs
aanbood zijn naam te veranderen in Caesarea! Duidelijke bewijzen van
zijn geluk vindt men ook in de beschrijving, die de kroniekschrijvers
geven van een schitterend feest, dat hij in 1184 te Mainz vierde. Zijn
laatste bezoek aan Italië droeg een geheel ander karakter dan zijn
vroegere tochten. Zonder leger reisde hij van stad tot stad, overal
met vroolijk gejuich en hulde ontvangen. In het bijzonder gaf hij
blijk van zijn genegenheid voor Milaan en hij maakte plannen om het
kleine heldhaftige Crema weder op te bouwen.

In 1186 werd er te Milaan een zeer belangrijke bruiloft gevierd. Willem
II, koning van Sicilië, had geen kinderen; hij stemde er derhalve in
toe, dat zijn oude tante en erfgenaam Constantia (Costanza) de dochter
van wijlen koning Roger, zou trouwen met Frederik's zoon, Hendrik, een
jongen man van een en twintig. Aldus eindigde de langdurige vijandschap
van de Noormannen en de Duitschers, en voegden de Hohenstaufen Sicilië
en Zuid-Italië bij hun machtig Keizerrijk.

In 1187 werd Jeruzalem door de Turken heroverd en in 1189 nam Frederik,
nu 68 jaar oud, met Richard Leeuwenhart van Engeland [275] en Philips
August van Frankrijk deel aan den derden Kruistocht. Maar voordat hij
het Heilige Land had bereikt, verdronk hij in 1190 bij een poging om
de rivier den Salef over te zwemmen, niet ver van den Cydnus, waarin
Alexander de Groote bijna het leven had verloren. Eeuwen lang bleef
in Duitschland het geloof leven, dat de groote Kaiser in werkelijkheid
nooit gestorven was, maar onder zijn kasteel op den Kyfhäuserberg sliep
en eens zou ontwaken om het Keizerrijk te herstellen, een overlevering,
die Rückert in een schoone ballade heeft uitgewerkt. Het karakter van
Frederik, zooals wij het uit zijn daden, die ons medegedeeld worden,
leeren kennen, is voor ons moeilijk te waardeeren, en misschien maakt
het oordeel van Dante, dat waarschijnlijk het oordeel van zijn tijd
was, de zaak voor ons nog ingewikkelder; want, ofschoon hij Frederik
II in zijn Inferno met het vlammende graf van een ketter straft,
spreekt hij van il buon Barbarossa [276]. Maar wij moeten er bij
voegen, dat sommige commentatoren deze uitdrukking ironisch opvatten.

Als omlijsting zijn regeeringen en dynastieën dikwijls zeer bruikbaar
en de geschiedenis van Italië in de middeleeuwen heeft zoo weinig
innerlijken samenhang, dat het de omlijsting, die de regeeringen en
dynastieën van de indringers en van de vreemde, vooral de Duitsche
heerschers, verschaffen, zeer noodig heeft. Doch in sommige gevallen
beantwoorden de perioden, waarin de Duitsche geschiedenis vervalt,
niet aan die, waarin men de Italiaansche historie moet verdeden. De
Hohenstaufen-dynastie bleef nog langer dan een halve eeuw regeeren,
maar dergelijke gebeurtenissen, als de erkenning van de republieken
bij het verdrag van Constanz en het samensmelten van het Koninkrijk
der Noormannen met het Duitsche Keizerrijk door het huwelijk van
Constantia met Hendrik VI, doen een nieuw tijdperk ontstaan in de
Italiaansche geschiedenis en maken het raadzaam hier, in 1190, bij
den dood van Barbarossa, af te breken.



HOOFDSTUK I.

DE DONKERE EEUWEN.


Wanneer wij spreken van de Donkere eeuwen van de Europeesche
geschiedenis, gebruiken wij die uitdrukking gewoonlijk tamelijk vaag
om een niet gemakkelijk te bepalen tijdperk van de Middeleeuwen aan
te geven. Het is moeilijk, misschien zelfs niet mogelijk, eenige
eeuw of zelfs in het algemeen eenige periode te vinden, waarin de
duisternis met gelijke sterkte over geheel West-Europa heerschte;
en wij kunnen niet nalaten op te merken, dat de hoedanigheid van de
duisternis in de verschillende landen zeer ongelijk was; want ofschoon
onwetendheid, bijgeloof, misdaad en wreedheid meestal hand in hand
gaan, is het toch ook wel voorgekomen, dat de afschuwelijkste misdaden,
onmenschelijkheid en goddeloosheid bestaan hebben in een gouden eeuw
van wetenschap en aesthetische verfijning, behangen, om zoo te zeggen,
met Raffaeleske gobelins. Ja zelfs, men zou er ons niet van kunnen
beschuldigen een verkeerde uitdrukking te gebruiken, indien wij den
tijd van de Borgia's, welke toch tevens de tijd van de Renaissance
was, de donkerste periode van de Roomsche Kerk noemden,--misschien
zelfs donkerder dan het pontificaat van Johannes XII.

Wat Italië echter betreft, of misschien juister gezegd, Rome, kunnen
wij, meen ik, de negende en tiende eeuw en de helft van de elfde,
laten wij zeggen 830-1050, als het somberste tijdperk van de Donkere
Eeuwen beschouwen. In vroeger tijden waren er lange perioden geweest,
waarin het geheele land, geteisterd door het zwaard, het vuur,
hongersnood en pest in een ellendigen toestand was geraakt, maar
de voortwoekerende kanker van inwendige verdorvenheid gedurende de
donkerste eeuwen van de geschiedenis van het Christelijke Rome was
oneindig afschuwelijker dan alle ellende die het geleden heeft door
barbaarsche of Byzantijnsche vijanden.

Een eenigszins volledig verslag van deze Donkere Eeuwen in de
Italiaansche geschiedenis zou meer bladzijden beslaan, dan dit boek
bevat. Wij moeten ons dus tevreden stellen met eenige algemeene
opmerkingen te maken en een paar beschrijvingen te geven van de
levenswijze en gewoonten van die dagen. Soms krijgen wij door de
vluchtige schildering van een enkel tooneel een beteren en meer
blijvenden indruk van het karakter van een tijd dan door vele woorden.

Wij kunnen ons voorstellen, dat de oorspronkelijke voorraad van
klassieke kunst en literatuur langzamerhand verminderd is gedurende de
drie eeuwen, die volgden op den tijd der Antonini en dat de klassieke
invloed nauwelijks meer van kracht is geweest in de dagen van Theoderik
en tijdens de Lombardische overheersching, wanneer wij de litteraire
werken van Boëthius, Cassiodorus en Amalasuntha uitzonderen en ook
eenige scholae, die de traditie van klassieke kunst hoog hielden.

Het is waar, dat er in de kloosters een zekere soort van beschaving
beoefend werd, die berustte op klassieke geschriften, ofschoon
deze beschaving bijna geheel was gericht op theologische en vrome
doeleinden. Deze cultuur verbreidde zich, zelfs vóór den tijd
van Benedictus en Monte Cassino, in de woeste streken van Gallië
en Brittannië, zoodat er ten tijde van Gregorius den Groote en
Theodelinda in dat opzicht waarschijnlijk meer beschaving was te Tours,
Bangor-Iscoed en Caerleon, of in Ierland en het Iersche St. Gallen,
dan in Rome; en bijna een eeuw voor Karel den Groote, in een periode,
toen de duistere nevelen zich steeds dichter over de hoofdstad van
het Westelijke Christendom samenpakten, kon het vaderland van Beda er
aanspraak op maken een belangrijk centrum van Europeesche wetenschap
te zijn en had St. Bonifacius den titel van Apostel van Duitschland
verworven.

Karel de Groote was de beschermheer van de wetenschap, zooals die door
de monniken bewaard is, een wetenschap, die bezield was met slechts
weinig geestdrift voor hetgeen groot is in de oude literatuur en kunst,
maar die ten minste de krachten van de literaire beschaving levendig
hield [277]. Aan zijn hof vinden wij een aantal geleerde mannen, zooals
zijn biograaf Einhart (Eginhard), Paulus Diaconus, en den Engelschman
Alcwin, den raadsman van den Keizer, die bijzonder bij hem in de
gunst stond en op wiens raad in verschillende streken scholen werden
gesticht. Men zegt ook, ofschoon het niet gemakkelijk te bewijzen is,
dat Karel vele kerken liet bouwen en de kunst begunstigde. Hoe dit
ook zij, wij weten, dat zijn liefde voor schoone kunstwerken geen
gewetensbezwaren kende, daar hij Ravenna van vele prachtige marmeren
beelden beroofde om zijn paleis en kathedraal te Aken te versieren. In
het Karolingische [278] tijdperk werd Rome, en met Rome ook het
grootste deel van Italië, behalve die steden, die onder Byzantijnsche
heerschappij of in verband met het Oosten stonden, zooals Venetië,
of die, zooals Palermo en Messina, met de Saraceensche beschaving
in aanraking kwamen, in steeds dieper duisternis gehuld en tijdens
het sociale en politieke verval, veroorzaakt door den regno d'Italia
independente en de regeering van Marozia, Alberik en Johannes XII was
te Rome de dofheid misschien het ergst. Sommige schrijvers trachten
aan te toonen, dat wij ten opzichte van deze eeuwen misleid worden
door het gebrek aan goede berichtgevers en dat wij over den algemeenen
toestand geen oordeel kunnen vellen op grond van de droevige literaire
voortbrengselen, die overgebleven zijn [279]. Men vertelt ons, dat
Duitschland nooit geleerder en voortreffelijker bisschoppen heeft
bezeten, dan aan het einde van de tiende en in het begin van de elfde
eeuw. Dat kan volkomen waar zijn. Zooals wij reeds opgemerkt hebben,
heerschte de Donkerste Eeuw niet in denzelfden tijd met dezelfde
intensiteit over geheel West- en Midden-Europa. In de tiende eeuw waren
er middelpunten van wetenschap, zooals Reims en Cluny. Ook Duitschland
was waarschijnlijk in dat tijdperk met meer licht gezegend dan Rome, en
die geleerde en voortreffelijke bisschoppen waren zonder twijfel door
Duitsche koningen gekozen en geen handlangers van de Pausen. Maar hoe
was het met Italië in die eeuwen gesteld? En hoe was het in Rome zelf?

Van den socialen en intellectueelen toestand in het overige
gedeelte van Italië gedurende het tijdperk, dat wij de Donkere
Eeuwen (c. 830-1050) kunnen noemen, weten wij weinig, maar het is
duidelijk, dat, niettegenstaande de voortdurende burgeroorlogen, die
er tot de komst van Otto den Groote gewoed hebben, in sommige van de
noordelijke steden, die zich reeds een tamelijk groot zelfvertrouwen
en onafhankelijkheid verworven hadden, de zeden en de opvoeding op een
belangrijk hooger trap van beschaving stonden, dan in de stad, die er
zich op beroemde de metropolis van den godsdienst van West-Europa te
zijn. Kunstgevoel en kunstvaardigheid stonden in ieder geval beslist
hooger in de noordelijke steden, zooals men kan zien, wanneer men
de eerste teekenen van die schitterende Romaansche architectuur, die
zich weldra in al haar schoonheid in die streken [280] zou ontwikkelen,
vergelijkt met de volstrekte doodschheid van alle oorspronkelijke kunst
gedurende dezen geheelen tijd in Rome. Terwijl Pisa plannen maakte om
te beginnen met den bouw van den Dom en Venetië de S. Marco herbouwde
en die kerk met wondermooie mozaïeken versierde, ondernam men in Rome
niets dan reconstructies, waarvoor de oude monumenten zonder genade
werden geplunderd; en de mozaïekkunst was verdwenen [281].

Tijdens de heerschappij van de Saksische en Frankische Keizers, in
den loop van de elfde eeuw, begint het eerste licht van een nieuwen
dageraad, die over Italië zou opkomen, door te breken. De roem van
de Italiaansche hoogescholen te Bologna en te Salerno dringt tot ons
door. (De laatste evenwel heeft waarschijnlijk haar vermaardheid op het
gebied van geneeskunde en wiskunde te danken aan de Saracenen.) Wij
hooren ook van geleerde Italianen in verre landen, zooals Lanfranc
en Anselmus, die beiden priors waren van de beroemde Abdij van
Sainte-Marie-du-Bec en beiden Aartsbisschoppen van Canterbury, de
een geboortig uit Pavia, de ander uit Aosta. Kort daarna, ongeveer
in de jaren van 1030 tot 1040, hooren wij van Abelard, die voor een
buitengewoon talrijk gehoor voordrachten houdt te Parijs en van zijn
leerling, Arnold van Brescia, wiens gloeiende geestdrift gedurende
korten tijd als een vuurbaak haar licht, dat, helaas, al te spoedig zou
worden uitgebluscht, laat schijnen voor de vrienden van de wetenschap
en de vrijheid. En nu worden de republieken in Lombardije met een zoo
krachtigen geest bezield, dat zij vol verwachting zijn die staatkundige
vrijheid te zullen veroveren, waardoor zij, niettegenstaande vele
droevige en beklagenswaardige gebeurtenissen, zich met grooten moed
en standvastigheid een weg gebaand hebben naar het licht.

Men heeft weleens beweerd, zooals ook reeds is opgemerkt, dat de
stand der wetenschap in Italië, zelfs in Rome, gedurende de Donkere
Eeuwen in werkelijkheid niet zoo slecht was, als wordt aangenomen
[282]. Men heeft verzekerd, dat er meer scholen waren in Italië dan
in eenig noordelijk land en dat te Rome de geleerdheid op een hoog
peil stond, vooral onder de leeken (zulke leeken als de heeren van
het hof van Marozia, of de Graven van Tusculum?), en dat, indien de
Pausen en de geestelijkheid van Rome slechts weinig belangstelling
in zulke dingen toonden, de oorzaak daarvan was, dat zij verdiept
waren in zaken van groot belang--dergelijke zaken misschien als de
uitbreiding van de wereldlijke macht van de Kerk en de verbanning of
vergiftiging van hun staatkundige vijanden of tegenpausen.

Zelfs indien wij deze verzekering aannemen en toegeven, dat er geleerde
Grieken te Rome waren, en bibliotheken en vele oude handschriften, die
later zijn verdwenen, dan zijn wij toch gedwongen er bij te voegen,
dat het bestaan van scholen en geleerdheid in de hoofdstad van het
Christendom de onzedelijkheid, het bijgeloof en de wreedheid, die daar
toen heerschten, des te feller doen uitkomen. En dat de toestand
zoodanig was, is niet moeilijk te bewijzen. Zooals Gregorovius
terecht zegt, leefden Pausen, geestelijken, edelen en het volk in
een toestand van barbaarschheid, die bijna onbegrijpelijk is, en
Rome had zich niet slechts diep vernederd tegenover het Christendom
en de wetenschap van Gallië, Brittannië, Duitschland en Byzantium,
maar ook tegenover die Arabische Muzelmannen, die wel de Campagna
verwoestten en de altaren van de heiligen ontwijdden en plunderden,
maar toch het licht van de wetenschap--van wiskunde, wijsbegeerte,
geneeskunde en sterrekunde--van Bagdad naar Alexandrië, van Alexandrië
naar Sevilla verspreidden [283]. En ofschoon Rome zelf zich van die
vernedering misschien niet bewust was, aan de buitenwereld was het
bekend genoeg. De minachting, die de Byzantijnen voor de Romeinen
gevoelden, blijkt ten duidelijkste uit de smadelijke woorden van Keizer
Michael, die in zijn brief aan Paus Nicolaas I (c. 860) hun taal [284]
een taal van barbaren en Scythen noemt; en de hoonende schimpwoorden,
waarmede de bisschoppen van de Gallische Kerk, die in 900 ongeveer te
Reims vergaderd waren, de ongeletterde geestelijkheid van Rome en den
Paus zelf aanvielen, geven ongetwijfeld het algemeene gevoelen van de
noordelijke Christenen goed weer. En zeker rijst Rome en het Pausdom
niet in onze achting, wanneer wij vernemen, dat deze smaadrede door
den pauselijken gezant beantwoord werd met de verzekering, dat God
in den beginne den eenvoudige en ongeletterde had uitverkoren om
de wijsheid van de wereld te vernietigen en dat de Vicarissen van
den H. Petrus en hun discipelen "niet behoefden vetgemest te worden
aan den trog van Plato, Vergilius, Terentius of een ander dergelijk
philosophisch varken". Maar een paar schetsen van hetgeen in Rome
gedurende deze Donkere Eeuwen werkelijk gebeurd is, zullen beter
in staat zijn ons een indruk te geven, hoe het met den godsdienst,
zedelijkheid en menschelijkheid gesteld was.



De Reliquieën-Manie.

In een vroeger hoofdstuk hebben wij de manie beschreven, die reeds
in vroeger dagen ten doel had de lijken of beenderen van heiligen en
martelaars te verzamelen, en ook het bijgeloof, dat samenhangt met
miraculeuze werkingen van beenderen en brandea (vgl. p. 63 noot);
en bij verschillende gelegenheden is melding gemaakt van de vermeende
ontdekking en de vreemde lotgevallen van sommige beroemde reliquieën
(zooals die van den H. Markus, H. Petrus, H. Paulus, H. Bartholomeus,
H. Augustinus); ook hebben wij reeds gesproken van den trots, dien de
steden en de stichters van kerken gevoelden, wanneer zij het lijk van
een heilige hadden kunnen koopen, of, voor het geval dat onmogelijk
bleek (want een ongeschonden echt lijk was buitengewoon kostbaar),
wanneer het hun gelukt was ook slechts de helft of een vierde deel
van een dood lichaam te bemachtigen, dat zij zoo vurig verlangd hadden
te bezitten.

Daar het aantal kerken over de geheele Christelijke wereld toenam,
werd de vraag naar lijken en gebeenten steeds grooter en de
instelling van bedevaarten [285] had ten gevolge, dat de voorraad
voortdurend moest aangevuld worden, want elke roméo (pelgrim, die
naar Rome trok, Roomvaarder), verlangde vurig reliquieën machtig te
worden, zooals de tegenwoordige toerist curiositeiten verzamelt;
en dus moesten de reliquieën, evenals de moderne antiquiteiten,
"aangemaakt" worden. Catacomben en graven werden des nachts geplunderd,
en de graftomben in de kerken moesten door gewapende mannen worden
bewaakt. Rome, zegt Gregorovius, geleek op een vermolmde begraafplaats,
waar de hyena's huilden en vochten, terwijl zij begeerig naar lijken
groeven. En deze lijken en geraamten werden voorzien van etiquetten
met de namen van bekende heiligen en bij stukken en brokken aan de
pelgrims verkocht. Soms ook gelukte het een dapperen vreemdeling een
kostbare reliquie uit een kerk te stelen [286]. In 827 ontvoerden
Frankische bedevaartgangers de gebeenten van den H. Petrus en den
H. Marcellinus naar Soissons, en een presbyter van Reims had het geluk
in 849 het vermeende lijk van St. Helena, Constantijn's moeder, machtig
te worden. Soms ook vereerde de Paus, als een zeer bijzondere gunst,
een of andere buitenlandsche kerk of vorst met een kostbaar lijk. "Deze
doode lichamen", zegt Gregorovius, "werden op rijk versierde voertuigen
overgebracht en een eind weegs door de bevolking van Rome in plechtige
processie, met brandende toortsen en onder vroom gezang, uitgeleide
gedaan; en uit elke stad stroomden, bij de nadering van den wagen,
de burgers den optocht te gemoet, terwijl zij smeekend hun hoop op
miraculeuze genezingen te kennen gaven. Wanneer het heilige lichaam
op de plaats van zijn bestemming, een stad of klooster in Duitschland,
Frankrijk of Engeland, aankwam, werd het verwelkomd met triomfliederen
en werden er gedurende vele dagen feesten gevierd". Oorlogen zelfs
werden er ondernomen voor een vurig begeerde reliquie. Zoo dwongen
bijvoorbeeld de Hertogen van Benevento, nadat zij Napels en Amalfi
onderworpen hadden, hun verschrikte slachtoffers de mummies van
St. Januarius en St. Triphomena, als prijs voor den vrede, uit te
leveren. Het was een van deze Hertogen, Sicard, die er in slaagde het
lijk van St. Bartholomeus machtig te worden; over de wonderbare reis
van dat lichaam hebben wij reeds vroeger gesproken (p. 305 n.). "Deze
hertog", vertelt Gregorovius, "zond zijn agenten uit om overal langs
de kusten en eilanden van Italië beenderen en schedels en andere
reliquieën te gaan zoeken en veranderde de kathedraal van Benevento
in een knekelhuis".

Dit afschuwelijk verlangen naar lijken en beenderen is nooit volkomen
verdwenen in de Christelijke wereld, en dat het nog zeer sterk was
aan het einde van de Donkere Eeuwen, kan men afleiden uit het feit
(want als zoodanig wordt het medegedeeld), dat, toen St. Romualdus, de
stichter van de Benedictijner Orde van Camaldoli, Italië zou verlaten,
hem sluipmoordenaars achterna werden gezonden met de opdracht, om,
zoo mogelijk, zich van zijn lijk te verzekeren, liever dan hem naar
zijn eigen land te laten trekken, zoodat hij geheel verloren zou
zijn. Ongelukkig ontsnapte hij [287].



"Pausin Johanna".

Het merkwaardige verhaal van "Pausin Johanna" (la Papessa Giovanna)
ligt buiten het gebied van de vaststaande feiten, maar valt niet
buiten het gebied van de historie, want de geschiedenis moet geen
mogelijkheden verwerpen en evenmin een geloof negeeren, dat invloed
heeft gehad op den gang der gebeurtenissen; en dit verhaal, ofschoon
het waarschijnlijk eerst in de dertiende eeuw ontstaan en misschien
verzonnen is door eenige van de vele heftige vijanden van het Pausdom,
in het bijzonder van Paus Bonifacius VIII, werd eeuwen lang, zooals
Gregorovius ons mededeelt, geloofd door kroniekschrijvers en door
bisschoppen, ja zelfs, door Pausen en verder door iedereen. Hoe
krachtig dit geloof was, wordt bewezen door het feit, dat twee eeuwen
lang (1400-1600) het borstbeeld van "Johannes VIII, femina ex Anglia",
tusschen de borstbeelden van de Pausen in de Kathedraal van Siena stond
[288].

Volgens het verhaal was "Pausin Johanna" de dochter van een
Angelsakser; maar zij was geboren in het Rijnland, te Ingelheim, waar
Karel de Groote een kasteel had, gelegen tusschen Mainz en Bingen. Zij
was te Mainz wegens haar geleerdheid zeer gezien en kwam, als man
verkleed, in het beroemde klooster van Fulda (tusschen Frankfort
en Bebra), dat ongeveer tachtig jaar vroeger gesticht was door den
Engelschen zendeling in Duitschland, St. Bonifacius, den Aartsbisschop
van Mainz. Later studeerde zij, naar men vertelt, in Engeland en ook
te Athene, en kreeg daarna de betrekking van leeraar aan de Schola
Graecorum te Rome, waar van oudsher diakenen hun opleiding genoten;
en daar verwierf zij zoo grooten invloed, dat zij na den dood van
Leo IV tot Paus werd gekozen (omstreeks 855). Na een pontificaat van
twee jaren, éen maand en vier dagen, zooals de kroniekschrijvers
nauwkeurig hebben berekend, werd haar geslacht ontdekt, daar zij,
tijdens een plechtige processie, plotseling het leven schonk aan een
kind en na die bevalling stierf. De ontstelde geestelijken begroeven
haar op de plaats, waar zij overleden was, tusschen het Colosseum
en S. Clemente, en op deze plek, die later door de Pausen angstig
vermeden werd, richtte men een standbeeld voor haar op, met het
kind in de armen en den pauselijken mijter op het hoofd [289]. Hoe
men zulk een prachtig samenhangend verhaal heeft kunnen verzinnen,
is niet gemakkelijk te raden, maar, ofschoon de geschiedenis van
haar avontuurlijk leven wellicht eenigen grond van waarheid bezit,
de bewering, dat zij tot Paus is gekozen, schijnt beslist te worden
weerlegd door een munt van Paus Benedictus III, waarop de naam van den
Keizer Lotharius voorkomt. Nu staat het vrijwel vast, dat Leo IV den
17en Juli 855 gestorven is, en Lotharius stierf den 28en September
van hetzelfde jaar in een Benedictijner klooster; hieruit blijkt,
dat Benedictus Leo moet opgevolgd hebben, en dit wordt ook bevestigd
door den Liber Pontificalis, waarin ons wordt medegedeeld, dat zijn
wijding den dag na Leo's dood plaats vond.



Een Lijk gedagvaard voor een Synode [290].

Men zal zich herinneren, dat gedurende de woelige periode, die de
Italianen il regno d'Italia indipendente noemen, een Hertog van
Spoleto, Guido geheeten, er in slaagde Paus Stephanus V te overreden
of te dwingen hem in de St. Pieter tot Keizer te kronen, en dat hij
in het volgend jaar (892) een dergelijke dwang uitoefende op den
opvolger van Stephanus, Paus Formosus, die te Ravenna Guido's zoon
Lambertus, als mede-regent van zijn vader, de keizerlijke kroon op
het hoofd zette; zoo ten minste vertellen de kroniekschrijvers, die
door Villari gevolgd worden. Deze Paus Formosus was blijkbaar een
zwak en onbetrouwbaar individu, want zelfs terwijl hij den jeugdigen
Lambertus te Ravenna kroonde, dacht hij er aan (daar behoeft men niet
aan te twijfelen!), evenals Stephanus had gedacht, hoeveel aangenamer
het hem zou zijn de keizerlijke kroon op het hoofd van den Duitscher
Arnulf te zien; en kort na de kroning te Ravenna begon hij zich in
verbinding te stellen met den Hertog van Carinthië en spoorde hem aan
te komen en zijn geluk te beproeven. Na een ongelukkige poging in 894
baande zich Arnulf ten slotte een weg naar Rome en werd onmiddellijk
door Formosus gekroond, die het feit negeerde, dat er nog twee andere
zoogenaamde Keizers bestonden, en dat hijzelf den een had erkend en
den ander met eigen handen had gekroond.

De kroning van den vreemden overweldiger--de unctio barbarica,
zooals men het hoonend noemde--deed de woede van de patriottische,
anti-Duitsche partij in Rome ontvlammen, en toen Arnulf plotseling aan
een beroerte was gestorven en Lambertus met zijn moeder Agiltrud Rome
in triomf was binnengetrokken, overreedde deze wraakzuchtige vrouw den
Paus, Stephanus VI, die voor niets terugdeinsde, een daad te bedrijven,
die in haar ijzingwekkende afzichtelijkheid in de geschiedenis der
menschheid misschien nooit is geëvenaard. Er werd besloten, dat
er een plechtige Synode zou gehouden worden, om Paus Formosus ter
verantwoording te roepen en dat hij zou gedagvaard worden om in propria
persona te verschijnen. Zijn lijk, dat acht maanden in de crypte
van de St. Pieter had gelegen, werd uit de tombe gesleurd, en, in
pauselijke gewaden gekleed, op een troon gezet in de vergaderzaal voor
de verzamelde priesters en prelaten van de Kerk van Christus. Terwijl
allen met afgrijzen naar de spookachtige gedaante staarden, die door
haar aanwezigheid en stank de geheele vergaderzaal met een verpestende
lucht en en somberheid vervulde, rees de advocaat van Paus Stephanus
op en richtte zich tot het lijk, bij hetwelk de bevende diaken stond,
die moest optreden als de verdediger van den dooden man. Toen de
beschuldigingen [291] waren voorgelezen, daagde Paus Stephanus zelf
het lijk uit op de aanklachten te antwoorden. Wat de verdediger van
den overleden Paus, de bevende diaken durfde zeggen, weten wij niet,
maar het vonnis luidde, dat Formosus uit het pauselijke ambt werd
ontzet, en al zijn akten en besluiten werden nietig verklaard, de
drie vingers van de rechterhand, waarmede de pauselijke zegen was
geschonken, werden afgehakt, de pauselijke gewaden werden van het
ellendige, doode lichaam gescheurd, het werd bij de voeten door de
vergaderzaal en de straten gesleept, en eindelijk onder het gejouw
en gelach van het gepeupel in den Tiber geworpen [292].

Stephanus genoot niet lang van zijn triomf. Het toeval, zegt
Gregorovius, dat somtijds de taak van de Voorzienigheid op zich
neemt en wonderen doet, wanneer de heiligen machteloos zijn,
wilde, dat kort na de Synode van Verschrikking, terwijl het lijk
van Formosus nog door de golven van den Tiber werd voortgewenteld,
de oude basiliek van het Lateraan plotseling door een aardbeving
werd geschud en instortte. Door het gekraak van de neervallende kerk
werd Paus Stephanus, die daar dicht bij in het Patriarchium woonde,
opgeschrikt uit zijn sombere overpeinzingen van het verleden, en hem
moest de donder van de instorting der oude kerk van het Romeinsche
Christendom wel een voorteeken toeschijnen van het lot van het Pausdom
en de verdoeming, die hijzelf weldra zou ondergaan. In hetzelfde
jaar stond het Romeinsche gepeupel op tegen Keizer Lambertus en zijn
pauselijken bondgenoot. Stephanus werd gevangen genomen, beroofd
van zijn pontificale gewaden, gekleed in een monnikspij, en naar een
klooster gezonden, waar hij kort daarna werd geworgd [293]. Een van
zijn opvolgers, Theodorus, gaf, ofschoon hij zelf slechts twintig dagen
paus was, een eervolle begrafenis aan het ellendige, geschonden lijk
van Formosus, dat door Romeinsche visschers gevonden was, en Liudprand
verzekert ons, dat hij dikwijls door vrome menschen in Rome had
hooren vertellen, dat, toen het lijk in de St. Pieter werd gedragen,
sommige figuren van heiligen het met eerbied begroetten,--misschien
de heiligen op de schilderijen of mozaiëken, waarmede Formosus zelf
de kerk of de crypte had laten versieren.

Hoe stuitend de voorstelling ook moge zijn, de beschrijvingen, die
de kroniekschrijvers van de Synode van Paus Stephanus geven, dragen
er toe bij om ons een juist denkbeeld te vormen van den toestand,
waarin de godsdienst, de zedelijkheid en de menschelijkheid in de
negende eeuw te Rome verkeerden. En wij moeten er om denken, dat
deze feiten geen uitzondering waren, die algemeene aanklachten of
protesten verwekten. Niet minder afschuwelijke gebeurtenissen vonden
voortdurend plaats. Tijdens de acht jaren, die op deze afgrijselijke
Synode volgden, stierven er zeven Pausen, verscheidene waarschijnlijk
door vergift of worging. Het voorval, dat hierna beschreven zal worden,
is slechts een voorbeeld van de bijna ongeloofelijke wreedheid van dien
tijd en een van de duizend bewijzen van de waarheid van dergelijke
beweringen, als van Gregorovius, die vroeger reeds aangehaald is,
dat "de Pausen, de geestelijkheid, de adel en het volk van Rome in
deze eeuwen in een toestand van verwildering leefden, die nooit in
de geschiedenis is geëvenaard."



Het lot van den tegenpaus Johannes XVI [294].

In het jaar 996 liet Otto III, die toen nog slechts zestien jaar was,
tot paus kiezen den kapelaan Bruno, zijn achterneef, 23 jaar oud,
den zoon van de Markgravin van Verona. Bruno, die de eerste Duitsche
Paus was, nam den naam Gregorius V aan. Ongeveer drie weken na zijn
wijding zette hij den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn
koninklijken bloedverwant in de St. Pieterskerk te Rome. Maar in
September van hetzelfde jaar werd Paus Gregorius door een opstand,
die geleid werd door een machtig edelman, Crescentius, gedwongen
te vluchten naar Pavia, vanwaar hij een machteloozen banbliksem
slingerde tegen den Romeinschen rebel. Crescentius beantwoordde de
uitdaging door een tegenpaus te laten benoemen. Zijn keuze viel op
Philagathus, den Bisschop van Piacenza, een Griek uit Calabrië,
die vroeger, evenals Silvester II, de gouverneur van Otto was
geweest. Deze prelaat was onlangs uit Constantinopel teruggekeerd,
waarheen Otto, zijn vroegere leerling, hem had gestuurd om voor hem
de hand te vragen van een Byzantijnsche prinses. Zeer waarschijnlijk
had hij de hoop gekoesterd den pauselijken zetel te bemachtigen en
voelde zich ongetwijfeld beleedigd, toen de jonge Otto zijn neef Bruno
benoemde. Hoe dit ook zij, hij nam het aanbod, dat Crescentius hem
deed, aan en werd in Mei 997 gewijd met den naam Johannes XVI. Toen
besloot Otto zijn neef in de pauselijke waardigheid te herstellen. Hij
trok de Alpen over en bracht Kerstmis van dat jaar te Pavia door. Vroeg
in het volgend voorjaar trok hij Rome binnen. Crescentius trok zich
in den bijna onneembaren, van levensmiddelen goed voorzienen burcht
van S. Angelo (Engelenburg) terug, terwijl de tegenpaus uit de stad
vlood en een toevlucht in een kasteel, ergens in de Campagna, zocht,
in de hoop vandaar over land of over zee naar het Byzantijnsch gebied
te kunnen ontsnappen. Voor een beschrijving van hetgeen daarop volgde
zullen wij een passage uit Villari, vrij vertaald, laten volgen:

"Terwijl de tegenpaus zich in dit kasteel schuil hield, werd hij door
eenige soldaten van den Keizer ontdekt, die hem zijn oogen uitstaken,
zijn tong uitrukten en zijn ooren afsneden. Zoo verminkt werd hij
voor een Synode gebracht, geëxcommuniceerd en van zijn pontificale
kleederen beroofd. Daarop werd hij omgekeerd op een ezel gezet en in
optocht door de straten van Rome geleid, vergezeld van een heraut,
die zijn misdaden en de straf, die hem was opgelegd, met luider
stemme afkondigde. Vervolgens werd hij in een kerker geworpen en daar
stierf hij.

Nadat Otto verscheidene concilies geleid had en bevel had gegeven,
dat nieuwe kerken en kloosters zouden worden opgericht, bij welke
gelegenheden hij voor geen uitgaven terugdeinsde, begon hij wederom
den Engelenburg te belegeren en moest Crescentius dien weldra
overgeven. Hij slaagde daarin, zegt men, door te beloven het leven
van Crescentius te sparen; maar hij hield zijn woord niet. Crescentius
werd onthoofd en zijn lichaam werd, nadat men het van den muur van den
burcht had geslingerd, aan de voeten opgehangen aan een galg op den
Monte Mario. Ook de voornaamste magistraten van elk der twaalf wijken
van de stad werden met den dood gestraft. Zoo trad deze fanatische
hersteller van het Romeinsche Keizerrijk, deze vrome stichter van
kerken en kloosters, deze godsvruchtige vereerder van kluizenaars,
wanneer zich de gelegenheid aanbood, als een wreede despoot op".



HOOFDSTUK II.

DE NOORMANNEN.


De schitterende episode van de Noormannen-overheersching in Sicilië
en Zuid-Italië is zoo belangwekkend [295] en had zulk een grooten
invloed op de geschiedenis van Italië, dat, ofschoon de voornaamste
gebeurtenissen reeds vermeld zijn in het historisch overzicht van
dit tijdperk, er toch nog eenige bladzijden aan dit onderwerp zullen
gewijd worden.

De Noormannen, wier voorvaders, zooals van de meeste der vroegste
bewoners van Noord- en Midden-Europa, waarschijnlijk uit het
verre oosten kwamen en tot den zoogenaamden Indo-Germaanschen
stam behoorden, schijnen een ras van buitengewoon schoon-gevormde,
moedige en geharde Noren geweest te zijn, nauw verwant aan de Denen,
en die evenals deze hartstochtelijk van het zeeleven hielden. Gedreven
door lust tot avonturen en door een stem uit het zuiden, die in deze
Arische indringers van de sombere en ruwe noordelijke landen dikwijls
reeds lang sluimerende herinneringen aan een zonniger klimaat wakker
riep, begonnen zij de woeste golven op hun vlugge zwarte schepen te
doorklieven, "de vlucht van den zwaan volgend"; en weldra verspreidden
deze stoutmoedige Vikings (kreek-mannen, fjordmannen) schrik en angst
langs de kusten van Duitschland en Frankrijk en voeren met hun lichte
vaartuigen zelfs ver het binnenland in, de bevaarbare rivieren op,
en droegen soms hun schepen van de eene rivier naar de andere over.

Toen Karel de Groote een vloot van deze Noorsche zeeschuimers in snelle
vaart langs de kust van Frankrijk zag zeilen, werd hij door sombere
voorgevoelens bevangen. En weldra werd zijn angst bewaarheid. In
845 staken de Noormannen Hamburg in brand en een paar jaren later
plunderden zij Keulen, Trier en Aken en gebruikten de prachtige
kathedraal van Karel den Groote als stal voor hun paarden. Ongeveer
een halve eeuw lang maakten zij deze streken onveilig, maar in 891
viel Arnulf van Carinthië, voordat hij naar Italië kwam en tot Keizer
werd gekroond, hun sterke legerplaats in de moerassen van de Dyle aan
en bracht hen daar bij Leuven zulk een verpletterende nederlaag toe,
dat zij uit Noord-Duitschland wegtrokken, hen in de toekomst met vrede
[296] lieten en naar het Westen, naar de noordkust van Frankrijk
gingen. Zij voeren hier de Seine op, veroverden Rouaan en bezetten
het omliggende gebied. In 911 stond de Fransche koning, Karel de
Eenvoudige, deze landstreek af aan Rollo, den hertog der Noormannen
en het duurde niet lang, of de heidensche "Piraten", zooals zij
gewoonlijk werden genoemd, namen taal (langue d'oïl), godsdienst en
zeden, en zelfs de volkslegenden, van hun nieuw vaderland over [297].

Toen de Noormannen den Christelijken godsdienst hadden aangenomen en
als volk door de andere Christelijke volkeren waren erkend, bracht
hun oorlogzuchtige en rustelooze geest, en misschien ook staatkundige
troebelen, vele edelen er toe benden van avonturiers naar zuidelijke
landen te leiden. Onder deze, die men dolende ridders, doch ook
wel pelgrims zou kunnen noemen, waren eenige Noormannen, die zelfs
het Heilige Land bereikten en wel ongeveer vijftig jaar, voordat de
Noormannen Engeland veroverden en de Turken Jeruzalem innamen. Op
hun terugtocht naar het vaderland landden zij in Italië. Daar vonden
zij de Saracenen van Sicilië, die hun niet minder vijandig gezind
bleken dan de Fatimiden, de kaliefen in Palestina. De Saracenen
belegerden de stad Salerno, om haar te dwingen schatting te betalen;
ofschoon de Noormannen slechts veertig in getal waren, noodzaakten
zij, naar men vertelt, de ongeloovigen het beleg op te breken. De
vorst van Salerno, Guaimar, was zoo onder den indruk van dit feit,
dat hij de vreemdelingen verzocht in zijn dienst te treden, en toen
zij weigerden, daar zij "slechts voor hun geloof en niet voor betaling
streden", gaf hij hun een boodschap, of gezanten, mede naar Normandië,
in de hoop daar soldaten te zullen werven. Het was misschien ook deze
troep pelgrims, die, toen zij uit Palestina terugkeerden, bij den Monte
Gargano (zooals wij vroeger reeds hebben verteld) een zekeren soldaat,
een gelukzoeker, Melus of Melo geheeten, ontmoetten. Er wordt verteld,
dat deze man gevlucht was uit de stad Bari, die toen in handen van
de Byzantijnen was, en dat hij met de Noormannen en met soldaten van
Guaimar een overeenkomst heeft gesloten om zich op de Byzantijnen te
wreken. [298]

Dit zijn de gebeurtenissen, die misschien een juiste verklaring
geven van de aanwezigheid van verschillende benden van Noorsche
krijgslieden in Zuid-Italië, omstreeks 1018. Melo's poging om wraak
te nemen mislukte, niettegenstaande den moed van zijn huursoldaten,
de Noormannen, en de Byzantijnen breidden voor eenigen tijd hun
macht aanzienlijk uit (zie p. 308). Maar de Hertog van Benevento en
andere vorsten streefden er ijverig naar de Noormannen in dienst te
nemen en het aantal van deze geweldige krijgers nam zoo snel toe,
dat zij weldra in staat waren hun aanspraken op het gebied, dat door
hun krachtige hulp veroverd was, te laten gelden; aldus begonnen zij
onafhankelijke gemeenten te stichten. Het recht om zoo te handelen was
hun omstreeks 1028 door Koenraad II geschonken, die hun had toegestaan
zich te vestigen in het gebied van Capua om Pandulf tegen te werken,
den oproerigen despoot van die stad; en Pandulf's vijand, de Hertog
van Napels, Sergius, beloonde de Noormannen voor hun hulp door de
stad Aversa aan hun aanvoerder, Rainulf te geven. Deze stad Aversa,
welke achttien K.M. ten noorden van Napels ligt, was de eerste vaste
woonplaats van de Noormannen in Italië en het werd, als het ware,
de kern van hun toekomstig koninkrijk.

Behalve de Noormannen te Aversa waren er vele groepen, die zich
nog nergens blijvend gevestigd hadden, maar in dienst traden, waar
gestreden werd, en hun aantal groeide voortdurend aan door nieuwen
aanvoer uit het noorden. Guaimar van Salerno, die steeds door de
Saracenen met hun sterke vloten werd lastig gevallen, verbond zich
(1038) met de Byzantijnen van Zuid-Italië om een aanval te doen op
Sicilië, dat reeds twee eeuwen, sinds den val van Palermo in 831,
in de macht van de ongeloovigen was. Deze expeditie, ofschoon die
mislukt is, omdat de aanvoerders twist kregen en de strijdkrachten
van de Christenen weldra naar Italië terugkeerden, verdient toch onze
aandacht, daar een van de voornaamste strijders bij het contingent
van de Noormannen een oudere broeder van den beroemden Robert Guiscard
was, een van de twaalf zonen van Tancredo d'Hauteville. Zijn naam was
Willem Bras de fer, hij noemde zichzelf Graaf van Apulië en volgens
zijn levensbeschrijver [299] was hij "een leeuw in den oorlog, een lam
in gezelschap en een engel in den raad". Met zijn "ijzeren arm" wierp
hij den emir van Syracuse van het paard en doodde hem; zijn kleine
troep krijgslieden versloeg 60.000 Saracenen. Doch niettegenstaande
dergelijke wapenfeiten was alles vergeefsch en het duurde nog vijftig
jaren, voordat de heerschappij der Noormannen op Sicilië gevestigd was.

Gedurende deze vijftig jaar (c. 1040-1090) nam de macht der
Noormannen in Zuid-Italië in hooge mate toe. Willem Bras de fer
stierf, maar andere dappere zonen van Tancredo d'Hauteville kwamen
uit hun vaderland, om zijn plaats in te nemen. Droge was zijn eerste
opvolger en toen Droge door de hand van een sluipmoordenaar was
gevallen, werd zijn broeder Humfried Graaf van Apulië en nam deze de
leiding van de vereenigde strijdkrachten der Noormannen in Apulië en
Calabrië op zich. In 1053 vond de slag plaats (vgl. p. 314), waarin
de Noormannen van Humfried, geholpen door hun landgenooten van Aversa
onder Graaf Richard, de Duitsche en Italiaansche troepen van Leo IX
een verpletterende nederlaag niet ver van den berg Gargano, bij de
Adriatische kust toebrachten. Paus Leo zelf werd gevangen genomen, en
men zal zich herinneren, hoe de overwinnaars zich eerbiedig voor hun
gevangene op de knieën wierpen en hem om vergiffenis smeekten--maar
hem toch zes maanden als gijzelaar vast hielden. Eindelijk, toen zij
hem vrijgelaten hadden, of misschien om zijn vrijheid te herkrijgen,
erkende de Paus als een fait accompli de veroveringen van de Noormannen
en wanneer hij Humfried niet plechtig bekleed heeft met de waardigheid
van Graaf of Hertog van Apulië en Calabrië, dan werd toch zeker zes
jaren later door Paus Nicolaas II de broeder en opvolger van Humfried,
Robert Guiscard, met die waardigheid bekleed. Nicolaas had blijkbaar
niet zulk een reden tot dankbaarheid, als Leo had, maar er waren,
zooals wij zullen zien, staatkundige beweegredenen, die de oorzaak
waren van zijn blijkbaar groote edelmoedigheid; want hij bevrijdde
Robert niet alleen [300] van den ban en huldigde hem als Hertog van
Apulië en Calabrië, maar beloofde ook hem als Hertog van Sicilië te
herkennen, zoodra hij er in zou slagen dit eiland aan de Saracenen
te ontrukken.

Robert Guiscard (of Wiscard, "de Wijze"), de zesde zoon van Tancredo
d'Hauteville, was toen veertig jaar oud. Hij regeerde, nadat hij door
Nicolaas als hertog erkend was, vijf en twintig jaar en breidde de
macht van de Noormannen in Italië aanmerkelijk uit. Hij was eerst,
evenals Richard van Aversa (of beter gezegd, van Capua, want over deze
stad had hij de heerschappij gekregen), op goeden voet met de Pausen,
maar toen Hildebrand gekozen werd, ontstonden er moeilijkheden;
want de toenemende macht van Robert strookte volstrekt niet met
de eerzuchtige plannen van den nieuwen Paus. Maar door de listige
politiek van Hildebrand veranderde de stand van zaken geheel en
al. Men zal zich herinneren, dat Hildebrand, de monnik, lang voordat
hij Paus werd, grooten invloed had uitgeoefend op de besluiten van
het pauselijk hof; inderdaad waren Nicolaas II en Alexander II slechts
zijn werktuigen. Zijn sluwe politiek was het, waardoor Nicolaas er toe
overging om Robert als hertog te erkennen en hijzelf had in zoo hooge
mate de vriendschap gewonnen van den anderen Noorschen aanvoerder,
Richard van Aversa en Capua, dat deze vorst hem had geholpen om den
tegenpaus Benedictus den genadeslag te geven. Toen Hildebrand nu Paus
werd en de Investituurstrijd uitbrak was hij verstandig genoeg om te
voorzien, dat een verbond met de Noormannen voor hem noodzakelijk was
met het oog op zijn conflict met den Keizer; en toen, na de vernedering
van Hendrik IV te Canossa, het zich liet aanzien, dat de twist weder
met groote bitterheid zou losbarsten, was hij vast besloten zich van de
vriendschap met Robert Guiscard te verzekeren, die juist onlangs zijn
macht had vergroot door zich meester te maken van Salerno en aldus het
laatste steunpunt van de Longobardische heerschappij in Zuid-Italië
had doen verdwijnen. Hildebrand's diplomatische bekwaamheid werd in
dit geval met een verrassenden uitslag bekroond.

Hertog Robert (het is niet gemakkelijk te begrijpen, om welke redenen)
ging niet alleen op zijn voorstellen in, maar bracht hem zelfs wegens
zijn hertogdom hulde als leenman (een hulde, die de koningen van
Sicilië 600 jaar gebracht hebben) en bevestigde de aanspraak van den
Paus op Benevento, een recht dat tot het jaar 1860 erkend is. Sinds
dien tijd waren de Noormannen van Zuid-Italië een sterke steunpilaar
van de Kerk van Rome.

Ongeveer tien jaar voor deze gebeurtenis was Robert Guiscard zijn
jongsten broeder, Roger, te hulp gekomen, dien hij had uitgezonden
tegen de Saracenen op Sicilië. In 1072 had hij deelgenomen aan de
inneming van Palermo, dat thans, nadat het 240 jaar in de macht van
de Arabische en Afrikaansche Muzelmannen was geweest, de hoofdstad zou
worden van Christelijke vorsten, wier naaste voorouders Scandinavische
Vikings waren geweest. Roger liet zich tot Graaf van Sicilië uitroepen,
maar het duurde bijna twintig jaar, voordat hij het geheele eiland
volkomen had onderworpen en de Saracenen in zijn leger en zijn rijk
had opgenomen.

Onderwijl had Robert Guiscard, nadat de laatste van de Longobardische
staten in zijn gebied was ingelijfd, het plan gevormd zijn veroveringen
aan de overzijde van de Adriatische zee voort te zetten en zich meester
te maken van Constantinopel zelf. Zijn tochten naar Sicilië hadden
ten gevolge gehad, dat hij een sterke vloot had gekregen, en het bloed
van de oude Vikings klopte in zijn aderen, toen hij voor zijn nieuwe
eerzuchtige plannen [301] meer dan honderd oorlogsschepen liet bouwen
om de zee over te steken met een leger van 30.000 man, naar men zegt,
waaronder vele Saracenen waren, die hij in zijn dienst had genomen. Hij
bezette Corfu en sloeg het beleg voor Durazzo (Dyrracchium). De Keizer
van het oosten, Alexius Comnenus, riep toen de hulp in van Venetië,
en Venetië, dat met afgunst een nieuwe macht ter zee zag opkomen, sloeg
het verzoek niet af. Met een groote menigte galeien viel Doge Selvo aan
en het scheen, alsof hij de vloot der belegeraars zou overweldigen,
maar Robert en zijn Noormannen deden de krijgskans keeren en trokken
weldra Durazzo binnen (1082). Het leek wel waarschijnlijk, dat hij een
aanval zou wagen op Constantinopel, dat men van Durazzo gemakkelijk
kon bereiken langs den prachtigen Romeinschen militairen weg, de Via
Egnatia. Maar in Rome waren ernstige dingen gebeurd. Keizer Hendrik IV
had, zooals wij weten, de città Leonina (de wijk die naar Paus Leo IV
heette) bezet, en Paus Gregorius werd ingesloten op den Engelenburg
en zond angstige boodschappen aan Robert om hulp. Deze liet daarop
den oorlog in Dalmatië aan zijn zoon Bohemund over en ging haastig
naar Italië terug, joeg Hendrik op de vlucht, bevrijdde Hildebrand en
bracht eeuwigdurende schande over zijn goeden naam, door zijn troepen
toestemming te geven Rome te plunderen.

Dit gebeurde in het begin van den zomer 1084. In den herfst bereikte
hij weder Dalmatië, juist op tijd om een tweeden hevigen aanval van
de Venetianen en Byzantijnen af te slaan, die bij deze gelegenheid,
zegt men, 13.000 man verloren. Doge Selvo vluchtte naar zijn lagunen
met de overblijfselen van zijn vloot en werd afgezet [302]. Zijn
opvolger, Vitale Falieri, wendde krachtige pogingen aan om de nederlaag
te wreken, en inderdaad met eenig gunstig gevolg; maar het was de
dood van Robert Guiscard, die een einde maakte aan den aanval van de
Noormannen op het Oostelijke Keizerrijk. Hij stierf plotseling [303],
misschien aan de pest of door vergift, terwijl hij een poging deed
om het eiland Cephalonia te veroveren (Juli 1085).

De jongste van Robert's twee zonen, Roger Borsa, was de lieveling
van zijn vader geweest en had zich van de opvolging in het hertogdom
verzekerd. De oudste, Bohemund, moest zich tevreden stellen met Taranto
(Tarente). In 1097 sloot hij zich bij den eersten kruistocht aan met
eenige duizenden Normandische krijgslieden. Verhalen, die in verband
staan met zijn heldendaden in het oosten--de inneming van Antiochië met
de hulp van de Genueezen en Pisanen en door een list, die den zoon van
"Guiscard" waardig was (Gibbon noemt hem den Latijnschen Odysseus),
de ontdekking van de "heilige speer" en de nederlaag van een geweldig
leger der ongeloovigen, de stichting van Christelijk vorstendom in
Antiochië--kan men vinden in de Gerusalemne Liberata van Tasso en
schilderachtige beschrijvingen kan men lezen in de Decline and Fall
of the Roman Empire. Kroniekschrijvers vertellen ook, hoe hij vier
jaren in Turksche gevangenis smachtte en eindelijk ontsnapte door de
hulp van een Mohammedaansche prinses. Na zijn ontvluchting schijnt hij
weder troepen in Italië verzameld te hebben om Antiochië te heroveren,
maar zijn aanval op Durazzo was blijkbaar vergeefsch en hij keerde
naar Tarente terug, waar hij ongeveer 1112 stierf. Roger Borso was
kort tevoren gestorven en het hertogdom van Apulië was overgegaan
in de handen van zijn zoon Willem, die, ofschoon zwak van lichaam en
geest, toch gedurende de volgende zestien jaren 1111-1127 zijn gezag
wist staande te houden.

Ondertusschen had de jongste broeder van Robert Guiscard, Graaf Roger,
de Saracenen in Sicilië volkomen overwonnen. Hij bereikte, evenals
Robert, den leeftijd van zeventig jaar. Bij zijn dood, in 1101, liet
hij slechts twee zonen na, een van acht en een van zes jaar. Hun
moeder, de derde vrouw van Graaf Roger, Adelaïda van Monteferrato,
was regentes over den oudste, Simon, die in 1105 stierf, en over den
jongste, Roger, totdat hij den volwassen leeftijd had bereikt. Zij
vertrok naar Palaestina, waar zij trouwde met Boudewijn (den broeder
van Godfried), den koning van Jeruzalem.

Wij hooren weinig van Graaf Roger den Tweede van Sicilië, totdat
het hertogdom van Apulië en Calabrië openvalt door den dood van zijn
achterneef Willem. Hij treedt nu krachtig op, landt bij Salerno, maakt
aanspraak op de opvolging, aanvaardt de hulde van zijn aanhangers,
stuurt gezanten naar Rome om te berichten, dat het hem aangenaam zal
zijn de investituur te ontvangen, en, wanneer Paus Honorius II niet
genegen blijkt om op dat voorstel in te gaan, wordt hij door eenig
machtsvertoon weldra tot meer inschikkelijkheid gebracht. Nadat hij
door dergelijke maatregelen overal in het gebied der Noormannen zijn
gezag bevestigd had, riep hij een groot Concilie of Parlement bijeen
te Palermo in het jaar 1130 en neemt de koninklijke kroon aan en den
titel Koning van Sicilië of misschien van "de Beide Siciliën [304]".

Men zal zich herinneren, dat in dezen tijd Paus Innocentius II naar
Frankrijk moest vluchten en Anacletus, de tegenpaus, de macht in
handen had. Anacletus zond naar Palermo een gezant om de plechtige
handeling van de kroning te verrichten; maar deze kroning werd
door de orthodoxen als onwettig beschouwd en de toestand werd nog
bedenkelijker, toen St. Bernard van Clairvaux en het Lateraan-Concilie
van 1133 Innocentius alleen als Paus erkenden en de handelingen
van Anacletus nietig verklaarden. Plaat 34 stelt een mozaïek voor,
dat Roger in de S. Maria dell'Ammiraglio (thans la Martorana) te
Palermo heeft laten aanbrengen. Men ziet daarop den koning, die van
Christus de kroon, welke hem door den Paus is geweigerd, ontvangt. Maar
kort na het Lateraan-Concilie overkwam Paus Innocentius het ongeluk
door Roger gevangen te worden genomen en de overwinnaar behandelde,
evenals Robert Guiscard zich ten opzichte van Leo IX had gedragen,
zijn gevangene met eerbied, en werd, als belooning hiervoor, erkend
als Koning van Sicilië, Hertog van Apulië en Capua [305].

De honderd jaren (1087-1189), gedurende welke Sicilië onder
de heerschappij der Noormannen stond, vormen een van de meest
aantrekkelijke perioden in de lange en merkwaardig afwisselende
geschiedenis van het eiland, dat reeds sinds den tijd van de oude
Siculi en Sicani (of misschien van de Cyclopen en Laestrygonen) tot
de dagen van de Bourbons en Garibaldi het slagveld en het vaderland
van vele rassen is geweest. Deze Noorsche vorsten, afstammelingen
van de piraten-koningen van Scandinavië, die niet alleen Sicilië,
maar ook een groot gedeelte van Zuid-Italië (het oude Magna Graecia)
veroverden en een tijdlang belangrijke streken van Dalmatië en
Griekenland in hun macht hadden, en wier vloten de kusten van de
Adriatische en Aegaeïsche zee en den Levant onveilig maakten en zelfs
Constantinopel bedreigden, schijnen de polyglottische menigte van hun
Sicilische onderdanen op verstandige en onbekrompen wijze bestuurd te
hebben. Zij stonden niet alleen den Muzelmannen vrije uitoefening van
hun godsdienst toe, maar namen hen zelfs als soldaten in dienst en
ook als ambtenaren; de Noormannen zelf stonden onder den invloed van
de Saraceensche wetenschap en kunst. Grieksch en Latijn en Arabisch
werden zonder onderscheid in publieke documenten [306] gebruikt, en
ten aanzien van godsdienst heerschte er blijkbaar een merkwaardige
verdraagzaamheid, wanneer men ten minste bedenkt, dat het de tijd
van de kruistochten en het fanatisme was. "De Koning", zegt Villari,
"was bij de Katholieke plechtigheden als apostolische afgevaardigde
aanwezig, gekleed in een dalmatiek, waarop met gouden Kufische
karakters de datum van de Hegira [307] geborduurd was. Dicht bij
elkander zag men feudale kasteelen, Grieksche steden, Mohammedaansche
dorpen, Lombardische kolonies, straten, bevolkt met Pisanen, Genueezen
en Amalfitanen. Het geluid van kerkklokken en het gezang van monniken
vermengde zich met de stem van den Muezzin, die van zijn minaret de
uren van het gebed afriep, en in de menigte zag men naast elkander
het Arabische kleed, den Mohammedaanschen tulband, den Noorschen
maliënkolder, het lange Grieksche gewaad en het korte Italiaansche
wambuis". Zooals wij zullen zien, draagt hun bouwkunst ook den stempel
van deze schilderachtige verscheidenheid. Ofschoon de koningen van
de Noormannen in werkelijkheid zeer zeker absolute monarchen waren,
droegen zij toch het militaire en burgerlijke gezag op aan hun
"Admiraals" (bevelhebbers of ministers, Ammàraglio is het Arabische
al Emir), en het schijnt dat zij een soort van Parlement hebben
ingesteld, waarin het volk was vertegenwoordigd door aanzienlijke
leeken en geestelijken, zoodat wij deze Normandische koningen van
Sicilië misschien moeten beschouwen als de eerste constitutioneele
vorsten. Aan hun hoven vinden wij vele geleerde en bekwame mannen,
b.v. den Engelschman Gualtiero Offamilio (Walter Of a Mill).

De krijgsdaden van Koning Roger waren schitterend, maar hadden geen
blijvende gevolgen. Hij maakte eenige veroveringen in Noord-Afrika,
en deed, evenals Robert Guiscard had gedaan, een aanval op het
oostelijke Keizerrijk, veroverde Corfu, nam Thebe en Corinthe in,
en genoot zelfs de voldoening, dat de pijlen der Noormannen tegen de
vensters van het keizerlijk paleis te Byzantium hadden gekletterd.

De regeering (1154-1166) van Roger's zoon en opvolger, Willem I,
werd door verschillende opstanden zeer verontrust. Hij had vele
machtige vijanden. Tegen den Keizer van het oosten, Manuel Comnenus,
handhaafde hij zich krachtig, en veegde de Jonische en Aegaeïsche
zee met zijn vloten schoon, zooals zijn voorvaderen, de Vikings, de
noordelijke zeeën hadden schoongeveegd; maar gevaarlijker vijand was
Barbarossa, die, in bondgenootschap met den Engelschen Paus Hadrianus
en vertrouwend op de vloot van de Pisanen, het plan beraamde de "Beide
Siciliën" te veroveren, en een ernstigen opstand verwekte onder de
edelen van Apulië tegen hun Normandischen vorst. Willem slaagde er
evenwel in Paus Hadrianus met zich te verzoenen, en deze waarborgde hem
genadiglijk de investituur [308]. Daarna keerde hij zich woedend tegen
de edelen van Apulië en legde hun een verdiende straf op; door zijn
wreede wraakneming verwierf hij den naam van Willem den Booze. Ook
op Sicilië stonden de feudale edelen op, richtten een bloedbad aan
onder de Saraceensche aanhangers van den koning en slaagden er zelfs
in hem gevangen te nemen en op te sluiten; maar het volk trad voor
hem op en bevrijdde hem; zijn laatste jaren schijnt hij bezoedeld
te hebben met verdere wreedheden tegen de oproerige edelen. Zonder
twijfel was hij heftig, wraakzuchtig en bloeddorstig van aard; maar
zijn biografen behoorden allen tot de feudale en clericale partijen
en misschien verdiende hij, van het standpunt van het volk beschouwd,
allerminst bij de nakomelingschap bekend te zijn als Willem de Booze.

Hoe dit ook zij, wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zijn zoon
terecht Willem de Goede werd genoemd, want gedurende zijn regeering
van twee en twintig jaren (of zeventien, indien wij het regentschap van
zijn moeder Margherita er aftrekken), was er geen spoor van oproer of
ontevredenheid. Toen zijn vader stierf, was hij een jongen van dertien
jaar. Zijn opvoeding werd toevertrouwd aan leermeesters, die door zijn
vorstelijke verwanten uit Normandië waren gezonden,--aan Stephanus
van Rouaan, Petrus van Blois, en den Engelschman Walter Of a Mill,
die als zijn particuliere raadsman en kanselier grooten invloed op
hem uitoefende, en door middel van hem op den gang der staatszaken,
en in later tijden beroemd is geworden door de prachtige kerken,
tot wier bouw hij, als Aartsbisschop van Palermo, zijn steun heeft
verleend. Door zijn invloed geschiedde het ongetwijfeld, dat Willem
met een Engelsche prinses in het huwelijk trad, Johanna, de dochter
van Hendrik II en de zuster van Richard Leeuwenhart. Dat Willem II op
een verstandige en onbekrompen wijze optrad, blijkt niet alleen uit
den vreedzamen en welvarenden toestand van zijn eigen gebied, maar
ook uit zijn buitenlandsche staatkunde. Hij sloot een verbond van
twintig jaren met Venetië, en waarschijnlijk werd door zijn toedoen
verhinderd, dat die stad door de wraakzuchtige Byzantijnen verwoest
werd. Hij ondersteunde ook de Noord-Italiaansche republieken krachtig
in haar wanhopigen strijd voor de vrijheid en nam door middel van zijn
afgevaardigden deel aan de beroemde bijeenkomst te Venetië in 1177,
waar Barbarossa met den Paus en de Lombardische steden vrede sloot.

Als een groot en uitstekend regeerder heeft Willem II van Sicilië
onsterfelijke eer gekregen door Dante, die zijn ziel, in de gedaante
van een schitterende ster, in het sterrebeeld van den machtigen Adelaar
plaatst, in den hemel van Jupiter--niet alleen het symbool van het
Romeinsche Keizerrijk, maar van elke rechtvaardige regeering [309].

Het was evenwel ook naar aanleiding van zijn oorlogen tegen de
Muzelmannen en de anti-pauselijke Byzantijnen, dat Willem van de
kroniekschrijvers, de monniken, den bijnaam van "de Goede" [310]
verwierf, ofschoon deze oorlogen niet zeer roemvol of bijzonder
gerechtvaardigd waren. Omstreeks 1180 stak een groote vloot, met
80.000 man, naar men zeide, de Adriatische zee over, en veroverde
Durazzo. Daarna zeilde men Griekenland om en werd Thessalonica
genomen. Maar door een woedenden storm, zooals die, waardoor de vloot
van Darius bij Athos schipbreuk leed, verloren 10.000 man het leven;
en tegen deze ramp woog nauwelijks een groote overwinning ter zee op,
die later op de Grieksche vloot bij Cyprus werd behaald. Willem zond
ook schepen naar het oosten, ofschoon hij zelf zich niet aansloot bij
den derden kruistocht, toen, zooals wij hebben gezien, de inneming
van Jeruzalem door Saladin in 1187 zoovele vorsten opwekte (b.v. de
jonge Richard Leeuwenhart en de oude Barbarossa), om in eigen persoon
deel te nemen aan de herovering van de Heilige Stad.

Niet lang voordat Frederik Barbarossa naar het oosten trok (vanwaar
hij nimmer zou terugkeeren), vond het huwelijk van zijn zoon
Hendrik met de erfgenaam van het koninkrijk der Beide Siciliën te
Milaan plaats. Willem had geen kinderen. Ongeveer drie jaren voor
zijn dood nam hij, gehoor gevend aan den dringenden raad van zijn
Engelschen kanselier, Walter Of a Mill, het verderfelijke besluit
(verderfelijk voor de toekomst van het Italiaansche patriottisme) om
dit huwelijk van zijn tante Constantia met den vorst der Hohenstaufen
te begunstigen. Sommige oude schrijvers beweren, dat Constantia,
die toen op middelbaren leeftijd was, uit een klooster [311] werd
gehaald om dat huwelijk aan te gaan. Dante, die dit verhaal gelooft
en haar ziel in de sfeer van de veranderlijke maan plaatst, spreekt
(bij monde van Beatrice) over haar gehechtheid aan den sluier, dien
zij tegen haar wil weder moest afleggen, en geeft ons een preek over
geloften, die vrijwillig of gedwongen gebroken worden. Machiavelli
verzekert ons, dat Paus Celestinus III (hetgeen onjuist is, want
Celestinus werd eerst in 1191 Paus) trasse di monastero Costanza già
vecchia figliuola di Guglielmo, om haar aan Hendrik als echtgenoot te
geven. Hoe dit ook zij, vrijwillig of onvrijwillig, Constantia trad
in het huwelijk met den Duitschen vorst; honderd en vijftig paarden
brachten naar Milaan een geweldige hoeveelheid goud en zilver en
kostbare stoffen, den bruidschat van haar, die bestemd was de moeder
[312] te worden van het "Wonder der Wereld".

Met den dood van Willem den Goede eindigde de dynastie van de
Noormannen op Sicilië. Onwettige pretendenten verschenen ten tooneele,
maar, zooals wij zullen zien, de Hohenstaufen wonnen het pleit [313].



HOOFDSTUK III.

DE OPKOMST DER REPUBLIEKEN.

tot c. 1200.


Gedeeltelijk aan de onvolledigheid hunner veroveringen, gedeeltelijk
aan de uiteenloopende eigenschappen der rassen moet men het
toeschrijven, dat geen der indringers en vreemde overheerschers er in
geslaagd is een Italiaansche natie te stichten. De krachten, die onder
bepaalde voorwaarden verschillende volken tot één natie vereenigen,
openbaarden zich gedurende de middeleeuwen in Italië, zooals dat in
het oude Griekenland was gebeurd, in een plaatselijk patriottisme
en in de vorming van een aantal onafhankelijke steden, die, omdat
er geen organisch verband tusschen bestond, veroordeeld waren om,
evenals de steden van Griekenland, nooit samen te smelten tot een
hechte confederatie, zooals gevormd wordt door het stevige lichaam van
de moderne constitutioneele republiek of het beperkte koningschap,
maar die er steeds naar streefden zich los van elkander te houden,
behalve wanneer zij tijdelijk door een druk, die van buiten kwam,
werden bijeengehouden. Wat de inwendige aangelegenheden betreft,
hadden de Grieksche en Italiaansche steden ervaringen, welke, daar
zij onder invloed van gelijke krachten, die onder ongeveer gelijke
omstandigheden werkten, ontstonden, dikwijls groote overeenkomst
vertoonen, maar soms ook merkwaardige tegenstellingen [314]. De
binnenlandsche, godsdienstige zoowel als staatkundige twisten, de
omwentelingen, de perioden van democratie, oligarchie en tyrannie,
die vele van deze steden hebben doorgemaakt, bieden belangwekkende
stof voor degenen, die vergelijkende staatkunde studeeren. Doch
hier moeten wij er ons mede tevreden stellen in het kort de opkomst
van deze Italiaansche gemeenten of republieken te verhalen, en haar
ontwikkeling tot het einde van de twaalfde eeuw na te gaan, tot den
vrede van Constanz ongeveer, terwijl wij eenige bijzonderheden zullen
vermelden in verband met de meer belangrijke steden.

De republikeinsche regeeringsvorm vond natuurlijk geen gelegenheid om
zich te ontwikkelen tijdens het militaire despotisme van de Goten,
Byzantijnen, Longobarden en Saracenen, en het civiele en clericale
leenstelsel van het herleefde Keizerrijk was een aartsvijand van dien
regeeringsvorm. Het aangeboren verlangen naar vrijheid en zelfbestuur
geeft een voldoende verklaring van zijn bestaan [315]. De wrok tegen
de vreemde overheersching, die sinds den tijd van Theoderik steeds is
blijven bestaan, kwam bij vele gelegenheden tot uitbarsting; vooral
bleek dit bij de ernstige onlusten, die dikwijls zoowel te Rome als
elders, plaats vonden bij de kroning van een keizer; en toen gedurende
de slappe regeering van de Karolingische vorsten en de anarchie van
de daarop volgende periode vele steden met eigen krachten oorlog
moesten voeren tegen de verschillende vijanden, Saracenen, Magyaren,
Byzantijnen, Lombardische hertogen of vijandige gemeenten, was het
natuurlijk, dat zij op zich zelf moesten leeren vertrouwen en zelf
hun onafhankelijkheid moesten handhaven.

Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. III), hoe Venetië in vroege
tijden reeds voordeel trok van zijn natuurlijke ligging om een bond te
stichten van de steden op de eilanden en zich zoowel van het oostelijk
als van het westelijk Keizerrijk vrij te maken. Ook in het zuiden
vinden wij reeds vroeg ettelijke zeesteden, zooals Napels, Gaeta,
Salerno en Amalfi [316], die haar onafhankelijkheid trachten staande te
houden (niet altijd als republikeinschen regeeringsvorm); deze steden
bereiken door haar handel een hoogen graad van welvaart en door haar
vloten worden zij belangrijke zeestaten, die den Mohammedaanschen
indringers krachtigen weerstand bieden en zich ook weten staande te
houden tegen de Byzantijnsche overweldigers en tegen de Noormannen,
totdat zij ten slotte bij het koninkrijk van de Beide Siciliën worden
ingelijfd. Toen de onafhankelijkheid van deze zuidelijke zeesteden
door de Noormannen was gebroken, ging, ofschoon de Noormannen haar
handel volstrekt niet vernietigden, toch een groot gedeelte van dien
handel over op de Pisanen, Genueezen en Venetianen. In het begin van de
elfde eeuw waren de vloten van Pisa en Genua er in geslaagd Sardinië
te bezetten en de Saracenen [317] van de Ligurische en Toskaansche
kusten en zeeën te verdrijven, en sinds dien tijd groeide de macht van
deze twee steden, onder het bestuur van hun republikeinsche consuls
en volksvergaderingen zeer snel aan, zoowel te land als ter zee; Pisa
werd heerscheres over de Toscaansche en Romeinsche Maremma van Spezia
tot Civita-vecchia en ook over Sardinië en de Balearen, terwijl Genua
het grootste gedeelte van de Riviera bezette en Pisa het bezit van
Corsica betwistte. Beide steden hadden ook een werkzaam aandeel in de
kruistochten en breidden om strijd hun handel naar het oosten [318]
uit, zoodat zij eeuwen lang alle andere machten ter zee, behalve de
Venetianen, overvleugelden; maar Venetië had twee groote voordeden;
het stond in nauwe verbinding met het Byzantijnsche Keizerrijk, en
het had den transito-handel van de oostersche handelswaren, bestemd
voor West- en Noord-Europa, waar nu de verfijning en de weelde van
oudere culturen in hooge mate begon door te dringen.

In het voorbijgaan dient er de aandacht op gevestigd te worden,
hoe tegelijk met de opkomst van deze Italiaansche republieken reeds
dadelijk de onderlinge twisten begonnen. Nauwelijks waren Pisa
en Genua door hun overwinningen op de Saracenen ter zee machtig
geworden, of zij richtten hun vloten tegen elkander en toen namen
die ellendige conflicten een aanvang, die eeuwen lang de krachten van
Italië ondermijnden. Zelfs leenden zij, om sommige hunner mededingers
te vernietigen, hun vloten aan vreemde overweldigers en vijanden van
de republikeinsche vrijheid [319].

Behalve de zeesteden, waarbij Venetië natuurlijk een belangrijke
plaats innam en later onze aandacht zal vragen, verdienen nog de
Lombardische en Toskaansche steden, en ook Rome, nadere beschouwing.

De pogingen van het Romeinsche volk om de Republiek te herstellen,
zijn beschreven in het Historisch Overzicht. Dat deze pogingen,
ofschoon zij een tijdlang met gunstigen uitslag bekroond werden,
ten slotte schipbreuk leden, is zeer goed te begrijpen, wanneer wij
denken aan de eindelooze botsingen tusschen de Pausen en de edelen,
en wanneer wij ons ook rekenschap geven van het feit, dat de stad Rome
zelf, ofschoon er groote rijkdom was onder de feudale aanzienlijken,
zoowel onder de leeken als onder de geestelijken, toch niet zulk
een handel bezat als die, waarop de nieuwe republieken gegrondvest
waren. Rome was geen zeestad met een haven en een sterke vloot. Het was
ook geen middelpunt van een productieve landstreek. Evenmin bezat het
een talrijke en vermogende klasse van burgers, die handel dreven. De
bevolking bestond bijna geheel uit het gepeupel en de aristocratie,
die op veel grooter afstand van elkander stonden dan de plebejers
en patriciërs van vroeger dagen, en tusschen hen bestond slechts
een niet talrijke middenstand, de leden van de militaire scholae
(stads-militie), die zekere staatkundige rechten hadden, bezitters
mochten zijn van onbezwaard land, en wier eenige groote eerzucht was
tot de klasse der nobiliteit te worden toegelaten.

In vorige hoofdstukken hebben wij vele gewichtige punten besproken
in verband met de oudste geschiedenis van de meer belangrijke steden
van Noord- en Midden-Italië. Wij moeten nu onze aandacht beperken
tot eenige van deze steden, die een voornaam aandeel hadden in de
groote republikeinsche beweging van de twaalfde eeuw tegen Frederik
I. Deze beweging bepaalde zich eerst tot eenige Lombardische steden,
waarvan de voornaamste waren Milaan, Brescia, Piacenza, Parma en
Modena (tegen de keizersgezinde steden Pavia, Como, Lodi, Cremona
en andere), maar bij den Bond sloten zich weldra ook de steden,
die meer in het oosten lagen aan, namelijk Verona, Padua, Bologna,
Mantua en Vicenza. De leiding van deze steden had Venetië [320].

Een uitbarsting zooals deze, waardoor de Lombardische Stedenbond tot
stand kwam, moet het gevolg geweest zijn van krachtige invloeden,
die zich ver hadden doen gelden en jaren lang gewerkt hadden. Eenige
van deze krachten hebben wij reeds leeren kennen in verband met de
republikeinsche bewegingen in de aan zee gelegen steden. Wat betreft
de meeste steden van Lombardije en Toskane, belette zonder twijfel
de herhaalde aanwezigheid of doortocht van sterke Duitsche legers de
vroegtijdige ontwikkeling van het republikeinsche regeeringstelsel en
blijkbaar was het eerst gedurende den hevigen en langdurigen strijd
over de Investituur (1073-1122), dat deze steden hun eigen gewicht
als bondgenooten en steunpunten begonnen in te zien en zich gingen
aansluiten bij de eene of de andere partij, zooals het hun voordeelig
toescheen. Florence, en evenzoo een groot deel van Toskane, stond,
gelijk wij in een vorig hoofdstuk hebben gezien, langen tijd onder
regeerders, die het Duitsche imperialisme zeer vijandig gezind
waren en toen na den dood van Gravin Mathilde in 1115 de stad een
zekere mate van onafhankelijkheid verwierf, bleef haar gezindheid
vele jaren lang Welfsch. Maar noch Florence, noch een van de andere
Toskaansche steden, waarvan er sommige Florence vijandig gezind en
hevig Ghibellijnsch waren, nam eenig werkzaam aandeel in de oorlogen
tusschen de republieken en Frederik, ofschoon in dezen tijd vele
van de Toskaansche steden, zooals Siena, Volterra en S. Gimignano,
zich het recht verworven hadden om door jaarlijks gekozen consuls
[321] bestuurd te worden--een voorbeeld, dat weldra door vele andere
steden van Midden-Italië, zooals Spoleto, Assisi, Perugia en Foligno,
zou nagevolgd worden.

De geschiedenis van de botsing tusschen de verbonden republieken en
Frederik Barbarossa is reeds elders verteld. Wij zullen dus eenige
bladzijden besteden aan de inwendige historie van de twee belangrijkste
steden van den Lombardischen Bond, Venetië en Milaan, terwijl wij er
ons niet om zullen bekommeren de feiten nauwkeurig in de omlijsting
van oorlogen en politieke gebeurtenissen te passen.



Venetië (800-1200).

Een vluchtige schets van de geschiedenis van Venetië, of juister
Venetia, van den eersten oorsprong tot de dagen van Karel den Groote
is reeds vroeger gegeven in het derde deel (hfdst. III). Wij zullen
hier nog iets uit de annalen vertellen van de daarop volgende periode
tot de dertiende eeuw. Men zal zich herinneren, dat de vergeefsche
pogingen van Pepijn, den zoon van Karel den Groote, om de Venetianen te
overwinnen, ten gevolge hadden, dat er een nieuwe hoofdstad gesticht
werd op de oevers van den Rivoalto, een plaats, die onneembaar
gebleken was. De aanvoerder van de dappere eilanders, die den aanval
van den Frankischen indringer hadden afgeslagen, werd tot Doge gekozen
(811). Deze nu, Agnello Partecipazio, was de eerste Doge van Venetië,
ofschoon er wel tien Doges van Venetia Maritima waren geweest, van
welke de eerste, Anafesto, reeds in 697 was gekozen. In 813 werd de
zetel der regeering plechtig naar den Rivoalto overgebracht. Hier,
op den westelijken oever van den "Diepen Stroom", op de plaats waar
later, in 1173, de eerste houten Rialto-brug gebouwd werd, was drie
of vier eeuwen lang de marktplaats geweest van deze eilandbewoners,
de Campo di Rialto, en hier was in 421, zooals de overlevering
verhaalt, hun eerste kerk, de S. Giacomo, verrezen [322]. Op den
oostelijken oever van den Rivo Alto stond midden in een grasrijk
veld, de Broglio of Brolo geheeten, de oude kerk van S. Teodore, den
eersten beschermheilige van Venetië, die ongeveer drie eeuwen voor
de dagen van Partecipazio, (wanneer de annalen waarheid spreken),
was opgericht door Byzantijnsche bouwmeesters, die door Narses uit
Constantinopel ontboden waren (zie p. 255). Dicht bij deze kerk werd
weldra, misschien door den zoon en opvolger van Partecipazio, het
oorspronkelijke Paleis van de Doges [323] gebouwd. Ook verrees nu de
oorspronkelijke kerk van S. Zaccaria, om het vermeende stoffelijke
overschot van den vader van Johannes den Dooper [324] te ontvangen
en als begraafplaats van de oudste Doges te dienen.

Omstreeks 828 werd het gewaande lijk van den H. Marcus naar Venetië
gebracht, wanneer men het verhaal van de vrome dieven mag gelooven;
en het werd gered uit de handen der goddelooze Saracenen, die het
aan een onderzoek wilden onderwerpen door het aan den mast te binden
en met varkensvleesch te bedekken. Een kapel (memoria) werd op den
Broglio opgericht om de reliquie te ontvangen.

In 976 verwoestte een groote brand deze gedenk-kapel, en ook, ten
minste gedeeltelijk, het hertogelijk paleis. Dit gebeurde gedurende
de korte regeering van den Doge Pietro Orseolo I, die, zooals in een
vroeger hoofdstuk is verteld, door St. Romualdus van Ravenna werd
overreed om kluizenaar te worden en Venetië in het geheim te verlaten
(zie p. 304). Men zegt, dat Orseolo een verzoek naar Constantinopel
heeft gestuurd om bekwame bouwmeesters te zenden en zijn geheele
vermogen heeft verbruikt om de kapel te herbouwen of misschien om
den bouw van de veel grooter kerk te beginnen, die op dezelfde plaats
langzamerhand verrees.

Dat Venetië reeds in deze vroegste tijden, niettegenstaande
den merkwaardigen groei van zijn handel en zijn macht ter zee
en niettegenstaande den schijnbaar stevigen vorm van regeering,
blootgesteld was aan dergelijke gevaren, als die waarvan alle andere
Italiaansche republieken te lijden hadden, blijkt uit de vele en
ernstige intriges en ongeregeldheden, waarover wij berichten hebben
in verband met de verkiezingen van de Doges, en de talrijke veeten en
partijtwisten, die voortdurend in de stad heerschten. Om dit nader
toe te lichten kunnen wij vermelden, dat tijdens de regeering van
Memo, een zwakken en slechten man, die in 991, van moord verdacht,
is afgezet, de invloedrijke familie van de Caloprini er bijna in
slaagde hun geboortestad op te offeren aan de wraak, die zij wilden
nemen op hun staatkundige mededingers, de Morosini; de Caloprini
zochten hun toevlucht aan het hof van Otto II en overreedden hem
met een sterke vloot en een groot leger op te trekken tegen Venetië,
waar hun partijgenooten bereid waren om de belegeraars door verraad
te helpen. Maar, gelukkig voor Venetië, werd het plan verijdeld door
den dood van Otto.

Memo werd opgevolgd door een van de grootste van de Doges, Pietro
Orseolo II, onder wiens regeering Venetië een aanvang maakte met
die veroveringen, waardoor het zulk een belangrijke macht werd
aan de Middellandsche zee; want hij onderwierp de Kroaten en de
Adriatische zeeroovers en annexeerde Dalmatië. Sinds dien tijd werd
door den Venetiaanschen Doge de titel "Doge van Dalmatië" gevoerd,
en maakte Venetië zelf er aanspraak op heerscher van de Adriatische
zee te zijn; het recht op deze heerschappij werd ook zinnebeeldig
voorgesteld door een feest, de Sensa geheeten, waarbij de schepen van
den Staat uitzeilden naar de open zee en de Doge door den Bisschop
met zout water werd besprenkeld. Dit feest ontwikkelde zich in
later tijden tot de schilderachtige plechtigheid van den Sposalizio,
de bruiloft van Venetië met de Adriatische zee, een plechtigheid,
die stand hield tot het jaar 1797, ongeveer achthonderd jaar, nadat
de Sensa was ingesteld. Orseolo II wekte een groote bewondering op
in het overgevoelige gemoed van Otto III. Men zal zich herinneren,
dat deze vrome, overspannen vorst het plan (dat nooit verwezenlijkt
zou worden) koesterde om zich uit de wereld terug te trekken, zooals
de eerste Doge Orseolo had gedaan, en dat hij een tijdlang in het
klooster van Classe, bij Ravenna, leefde, waar St. Romualdus tevergeefs
trachtte hem te overreden zich voor altijd aan het kloosterleven te
wijden. Gedurende zijn verblijf te Ravenna (omstreeks 1000) heeft
Otto, "in slaafsche kleederen vermomd", naar men vertelt, Venetië
bezocht en tranen van ontroering kwamen hem in de oogen, toen hij
den luister van de onlangs herbouwde kathedraal en het hertogelijk
paleis aanschouwde. Maar ondanks deze tranen schijnt Doge Orseolo
toch de Venetiaansche vloot niet beloofd te hebben (of in ieder geval
niet geleend te hebben), die Otto zoo gaarne had willen gebruiken om
zekere plannen van niet zeer godsdienstige strekking te volvoeren.

Omstreeks het jaar 1032 waren er reeds zoovele Doges afgezet, in
ongenade gevallen of zelfs gedood, dikwijls wegens het vermoeden,
dat zij er naar streefden een erfelijk despotisme te grondvesten,
dat de Arengo wetten liet aannemen, die blijkbaar waren bedoeld als
stappen in democratische richting, doch een tegengestelde uitwerking
bleken te hebben. Tot dusverre had de Doge een bijna absolute macht
bezeten, ofschoon hij door de stemmen van het volk werd gekozen
en afgezet. Aldus was de Venetiaansche staat een republiek met een
president, aan wien koninklijke macht was opgedragen; en toen dit een
gevaarlijke proef bleek te zijn, beperkte de Arengo, in plaats van
(zooals de koningen der Noormannen op Sicilië hadden gedaan) te werken
in de richting van een regeeringsvorm met volksvertegenwoordiging,
de macht van den Doge door hem twee consiglieri (raadslieden) te
geven en hem te dwingen andere voorname en verdienstelijke burgers
uit te noodigen om hem in zaken van groot gewicht met hun raad bij
te staan. Deze particuliere raadslieden en deze kamer van de Pregadi
("uitgenoodigden") maakten het absolutisme van de Doges onschadelijk,
maar tevens was dit de kern, waaraan de Venetiaansche oligarchische
tyrannie en de Raad van Tienen, die zulk een beruchten naam heeft,
hun ontstaan te danken hebben.

Vijftig jaren later (1082-84) werd door Venetië, als bondgenoot van
Alexius, den Keizer van het Oosten, de oorlog ondernomen tegen Robert
Guiscard en werd de ongelukkige zeeslag bij Durazzo (zie p. 360)
geleverd, waarin de vloot van de Venetianen werd vernield en die
tengevolge had, dat Doge Selvo werd afgezet. Maar deze ramp kwamen
de Venetianen weldra te boven. De dood van Robert Guiscard in 1085
was de oorzaak, dat de Noormannen van het oostelijk gedeelte der
Adriatische zee wegtrokken, en daarna nam de Venetiaansche Doge zijn
titel van Hertog van Dalmatië weder aan. Na dien tijd begon de macht
van de Venetianen in het oostelijk deel van de Middellandsche zee
zich snel te ontwikkelen.

Men zegt, dat Doge Selvo, wiens regeering van dertien jaren zulk een
droevig einde nam, de nieuwe S. Marco met vele kostbare marmeren
beelden en Byzantijnsche mozaïeken heeft versierd, zooals hij ook
gedaan had met de S. Giacomo di Rialto [325]. Doge Orseolo I begon
kort na den brand van 976 misschien een nieuw gebouw volgens het plan
van de oude kerk van de Heilige Apostelen te Constantinopel, maar of
het gebouw van Orseolo vernield is door een anderen brand of nooit is
voltooid en weder is afgebroken, weten wij niet. In ieder geval neemt
men gewoonlijk aan, dat de herbouw van de S. Marco in Byzantijnschen
stijl omstreeks 1065, kort voor de regeering van Selvo, begonnen
is. (Dat de overblijfselen van de oude gedenk-kapel en van de nog
oudere kerk van S. Teodoro voor het nieuwe gebouw gebruikt zijn, wordt
bewezen door het feit, dat ongeveer dertig jaren geleden gedeelten van
deze kerken in het tegenwoordige gebouw gevonden werden). In 1094 was
de nieuwe, prachtige kerk gereed om ingewijd te worden; maar na den
grooten brand van 976 was het stoffelijk overschot van den H. Marcus
verdwenen, blijkbaar door de vlammen vernield. De merkwaardige
geschiedenis van zijn gelukkige redding, de miraculeuze wijze, waarop
hij zichzelf door den geur en het uitstrekken van een hand met den
gouden ring openbaarde, behoeft hier niet verteld te worden. Diegene
van ons, die niet dadelijk bereid mochten zijn de legende aan te nemen,
zooals deze door de Venetiaansche kunstenaars wordt voorgesteld,
kunnen misschien overtuigd worden door de mededeeling dat in 1811
het lichaam van den Heilige [326], of hetgeen als zoodanig dienst
moest doen, ontdekt werd in de crypte van de kerk en dat aan den
vinger de beroemde gouden ring werd gevonden en niet ver daarvandaan
een metalen plaat, waarop de datum (8 October 1094) en de naam van
Selvo's opvolger, Doge Vitale Falieri gegraveerd was.

Onder hen, die in dezen tijd Venetië bezochten om hun hulde brengen
aan de overblijfselen van den Heilige [327] en de nieuwe kathedraal
met haar oostersche mozaïeken en marmeren beelden te zien, was Hendrik
IV. Hij werd op luisterrijke wijze ontvangen en uit dankbaarheid voor
de privileges, die hij aan de Venetiaansche kooplieden toestond,
ontving hij waarschijnlijk de belofte, dat de Venetiaansche vloot
hem zou bijstaan tegen zijn talrijke vijanden, want in dit tijdperk
van zijn regeering was hij niet slechts gewikkeld in den wanhopigen
strijd tegen het Pausdom en tegen de steden, die overal in Italië waren
opgestaan, maar ook was hij in botsing gekomen met zijn eigen zonen,
hetgeen een veel droeviger ramp voor hem was.

De Venetianen namen op schitterende wijze deel aan den eersten en
tweeden kruistocht, misschien meer met het oog op handelsbelangen dan
uit godsdienstige beweegredenen, ofschoon Ruskin ons verzekert, dat
Venetië, al was het ook zeer begeerig, toch oprecht vroom was en niet
alleen zonder meer beheerscht werd door een begeerte naar geld maar
ook naar roem en marmeren zuilen. Als een bewijs van zijn commercieele
afgunst kunnen wij misschien het feit beschouwen, dat Venetië op
den eersten kruistocht met gunstigen afloop een zeer belangrijken
zeeslag tegen de Pisanen leverde bij Rhodus, en als een staaltje van
zijn begeerte naar het bezit van marmeren zuilen kunnen wij ons de
drie prachtige zuilen in herinnering brengen, die in 1127 door Doge
Michieli naar zijn vaderstad werden gebracht; Michieli was naar het
oosten getrokken om Koning Boudewijn te helpen, had de Saraceensche
vloot bij Jaffa (Joppe) een verpletterende nederlaag toegebracht,
had Tyrus helpen innemen en op zijn terugtocht vele eilanden, die aan
den Keizer van het Oosten behoorden, veroverd en geplunderd. Bij den
schitterenden buit, dien hij in triomf naar Venetië bracht, waren de
lichamen van de twee heiligen, waarover reeds gesproken is en deze
drie groote zuilen; éen van deze ligt nog in het groote kanaal en de
andere twee werden met veel moeite opgericht onder de bekwame leiding
van een Lombardisch ingenieur, Barattieri, en hebben reeds meer dan
700 jaar op de Piazzetta gestaan [328].

In 1172 vond er weder een verandering in de staatsregeling plaats. Het
gezag van den Doge werd nogmaals beperkt, maar voor den tweeden keer
werd de macht van de edelen vergroot door een maatregel, die zooals
het volk geloofde, een democratische strekking had, doch inderdaad
een tegengestelde uitwerking bleek te hebben. De sestieri (zes wijken
van de stad) kregen in naam het recht den grooten jaarlijkschen Raad
te kiezen; maar ofschoon dit lichaam voor de eerste maal gekozen werd
door de twaalf, die de zes wijken benoemd hadden, benoemde de Raad na
het eerste jaar zelf de twaalf kiezers. Er werd ook door den Raad een
commissie uit zijn leden afgevaardigd om den Doge te kiezen. Aldus
werd het volk ten opzichte van zijn kiesrecht bedrogen.

In 1177 had te Venetië de dramatische ontmoeting plaats van Frederik
Barbarossa en Paus Alexander III. Dit is reeds beschreven in het
Historisch Overzicht (p. 337). Tijdens den derden kruistocht (1189-92),
waarbij Frederik Barbarossa het leven verloren heeft, zonden de
Venetianen, waarschijnlijk weder met het oog op hun handelsbelangen
en misschien ook om andere redenen, een sterke vloot naar het oosten,
waar zij zich onderscheidden bij het ontzet van Tyrus en de belegering
van Akkon (Acre).

In 1193 werd tot Doge de beroemde Enrico Dandolo gekozen, wiens naam
misschien bij sommigen van ons eerst bekend is geworden door Byron
[329], al is het twijfelachtig of Byron hem met recht blind noemt
[330]. Reeds gedurende een halve eeuw had hij uitgeblonken zoowel in de
staatkunde als in den oorlog, en ofschoon hij nu reeds ongeveer vijf
en tachtig jaar oud was, zullen wij toch nog veel meer van hem hooren
in een later hoofdstuk, want op den leeftijd van zeven en negentig
veroverde hij tweemaal Constantinopel en zijn wapenfeiten bij de
bestorming van die stad hebben hem met een nimbus van roem omgeven,
die zelfs door de onrechtvaardigheid en de verschrikkingen van dezen
zoogenaamden vierden kruistocht niet verbleekt is.



Milaan.

De geschiedenis van Milaan biedt een zeer sterke tegenstelling met
die van Venetië. Het was geen zeemogendheid en evenmin een welvarende
handelstad. Het bezat geen natuurlijke verdediging, en daar het dicht
bij de noordelijke poorten van Italië lag, is het steeds de prooi
geweest van indringers en heeft het wellicht meer dan eenige andere
stad in Europa, met uitzondering misschien van Rome, geleden, door
verwoesting en vreemde overheersching, van den val van het Romeinsche
Keizerrijk tot onze dagen. Venetië was, ofschoon het volstrekt niet
altijd een voorbeeld van politieke vrijheid was, toch onder haar eigen
Doges gedurende elf eeuwen (697-1797) autonoom, terwijl Milaan tweemaal
bijna geheel met den grond gelijk werd gemaakt, en gedurende al deze
lange eeuwen zuchtte onder het juk van vele vreemde heerschers [331],
uitgezonderd de twee eeuwen (1076-1277) van stormachtige en onzekere
republikeinsche vrijheid.

Van het Romeinsche Mediolanum, ofschoon het van de dagen van
Diocletianus tot den tijd van Attila de residentie was van de
Westersche Keizers was en, naar men zeide, Rome in omvang en
belangrijkheid evenaarde, is nauwelijks iets overgebleven, behalve de
zestien Corinthische zuilen in den Corso della Porta Ticinese. Uit
de dagen van St. Ambrosius en St. Augustinus bestaan waarschijnlijk
nog slechts eenige gedeelten van de basiliek van S. Ambrogio, die
geheel gereconstrueerd is in de negende eeuw, en ofschoon de Franken en
Bourgondiërs, die in 538 de stad plunderen en volgens Procopius 300.000
inwoners slachtten, naar men vertelt een paar kerken hebben gespaard,
is naar alle waarschijnlijkheid het oudste ongeschonden gebouw in
Milaan de S. Lorenzo, die eenige jaren na de zoo even vermelde ramp
gebouwd werd [332] op de fundamenten van een Romeinschen tempel.

Sinds de dagen van St. Ambrosius was de kerk van Milaan, evenals
die van Ravenna, geneigd haar onafhankelijkheid tegenover Rome te
handhaven, en in tijden van gevaar of wanorde na den val van het
Longobardische koninkrijk maakten de Aartsbisschoppen van Milaan zich
soms van de leiding van de stad meester en namen de teugels van het
burgerlijk gezag in handen. Een treffend voorbeeld hiervan ziet men
in den persoon van den Aartsbisschop Aribert (Heribert, Herbert),
die ongeveer tien jaar lang, van 1035 tot 1045, zich tegen de Keizers
Koenraad II en Hendrik III verzette. Eerst stond hij aan den kant
van de keizerlijken (voor kroning van Koenraad en Gisela zie p. 310)
en voerde den adel aan tegen het volk en de lagere nobiliteit; maar er
viel verdenking op hem en hij werd door Koenraad gevangen genomen. Ten
slotte stelde hij zich aan het hoofd van de volkspartij en trotseerde
de keizersgezinde edelen en de strijdmacht van den Keizer, die Milaan
aanviel, maar stierf, terwijl het nog steeds belegerd werd. Aribert
schijnt de geheele burgerij met geestdrift voor de vrijheid bezield
te hebben en sloeg de aanvallen van de belegeraars dapper af. Een
uitvinding van hem, die later door andere Italiaansche steden werd
nagevolgd [333], bleek zeer krachtig de vaderlandslievende gevoelens
van de burgers op te wekken. Dit was de Carroccio, die, evenals de
Ark van de Israelieten, de burgers naar het slagveld vergezelde,
een wagen, die door ossen werd getrokken, en waarop een mast stond
met een groot crucifix en twee wapperende vaandels. Van dezen wagen
of van een tweeden, die daar achter kwam, weerklonk de bel, die aan
den strijders signalen gaf.

Ondanks den gunstigen uitslag van dezen strijd bevond Aribert zich toch
in een zeer moeilijken toestand als tegenstander van de aristocratische
partij, waartoe hij behoorde als een verdediger van de onafhankelijke
Milaneesche Kerk en van het huwelijk der geestelijken. De hervormers
van Cluny en Hildebrand, die de partij van het Pausdom en het coelibaat
vertegenwoordigden, waren op de hand van het volk van Milaan,
evenals Aribert, maar zij waren bittere vijanden van de autonomie
der Milaneesche Kerk van St. Ambrosius, waarvan hij, evenals de adel,
een vurig voorstander was. Eindelijk trok hij zich uit het openbare
leven terug en stierf kort daarna (1045). Na zijn dood hadden er
hevige gevechten plaats, daar het volk voor zijn politieke vrijheid
en religieuze slavernij streed, terwijl de adel, die krachtig opkwam
voor de onafhankelijkheid van zijn Kerk en gehuwde geestelijken,
zelfs bereid was zijn staatkundige vrijheid aan den vreemden vijand
te verraden. Ten slotte kreeg de partij van den Paus en het volk de
overhand; de gehuwde priesters werden uit de kerken gejaagd en hun
echtgenooten in het openbaar door de vrouwen van de stad gehoond en
beleedigd. Een diaken van de Kerk van Rome, Erlembald, maakte zich
meester van het hoogere gezag en regeerde een tijdlang over Milaan met
een Raad van Dertig, terwijl hij zich zulk een ijverig voorstander van
de pauselijke partij betoonde, dat hij door den Paus vereerd werd met
den titel van il Gonfaloniere della Chiesa. Doch er waren nog vele,
die aan hun Ambrosiaansche Kerk verknocht waren, en toen Erlembald bij
een oproer was gedood, besloten de Milaneezen zich voor een nieuwen
aartsbisschop te wenden tot Hendrik IV, en niet tot Gregorius; wegens
die daad werd Milaan door den banbliksem van den Paus getroffen.

Niet lang daarna hooren wij voor het eerst van Consuls te
Milaan. Het schijnt wel alsof de Milaneezen besloten hadden hun
godsdiensttwisten ter zijde te zetten ter wille van hun republikeinsche
vrijheid. Ongeveer zestig of zeventig jaren lang wordt er weinig
vermeld, een feit, dat men zonder twijfel moet toeschrijven aan
betrekkelijk vreedzame en welvarende toestanden. Omstreeks 1154 wordt
deze rust afgebroken door de geweldige botsing van Frederik Barbarossa
met de Lombardische steden en, zooals wij reeds weten, was Milaan het
middelpunt, de Carroccio als het ware, waar om heen zich de strijd
ontwikkelde. Den uitslag van dien strijd en de lotgevallen van Milaan
hebben wij reeds beschreven.



Florence (tot 1200)

                   La bellissima e famosissima figlia di Roma, Fiorenza.

                                                                  Dante.


In verband met Florence, dat later in het bijzonder onze aandacht zal
vragen, is er betrekkelijk weinig van algemeen belang te vermelden
gedurende deze vier eeuwen en dit onderwerp wordt dan ook, niet
alleen door den Taciteïschen Machiavelli, maar zelfs door Sismondi
in zijn uitvoerig werk van zestien deelen kort afgehandeld. Er
zijn echter verschillende bijzonderheden, die alleen door het feit,
dat zij betrekking hebben op de "schoonste dochter van Rome", een
sterke bekoring uitoefenen op allen, die de Italiaansche kunst en
de Italiaansche literatuur liefhebben. Wij zullen hier in het kort
de vroegste lotgevallen van de stad beschrijven en dan eenige van
deze details geven, zonder ons bij het laatste al te zeer om den
historischen samenhang te bekommeren.

Florentia was ongetwijfeld oorspronkelijk niets anders dan een
aanlegplaats aan de rivier van de Etruriërs en Galliërs, die de
vesting Faesulae op den heuvel bewoonden. Het werd eerst een stad,
toen de pax Romana na de burgeroorlogen van Marius en Sulla grootere
veiligheid aan de laaglanden verschafte. Faesulae deed dienst als
hoofdkwartier van het leger van Catilina. Toen dit genomen werd,
zijn waarschijnlijk de zware Etruscische muren (waarvan nu nog
overblijfselen zijn gevonden) geheel afgebroken; maar de stad bleef
bestaan. Florentia werd volgens de overlevering door Julius Caesar
gesticht. Hij vergrootte het waarschijnlijk en omgaf het met muren,
gelijk Romulus het gedaan had met Roma quadrata, als Romeinsche castra
(zie p. 68). Hij voorzag het van baden en tempels, een citadel en een
amphitheater, en bevolkte het niet alleen met bewoners van Faesulae
maar ook met Romeinsche coloni [334]. Overblijfselen van het oude
Romeinsche Florentia kan men misschien vinden in den onderbouw van
het Baptisterium [335], dat volgens den ouden geschiedschrijver
Villani († 1348) oorspronkelijk een tempel van Mars, den beschermgod
van Florence, was geweest. Een ander zeer belangrijk overblijfsel,
dat ten slotte verdwenen is door de groote overstrooming van 1333,
twaalf jaren na den dood van Dante, was een standbeeld van Mars. Dat
stond misschien vroeger in dien tempel. Later werd het op een zuil
dicht bij de rivier geplaatst; het werd er door de Goten afgeworpen
en lag eeuwen lang in of bij het water. Toen de Ponte Vecchio werd
herbouwd (volgens sommigen door Karel den Groote, waarschijnlijk
gebeurde dit niet voor 1180 ongeveer) werd het verweerde standbeeld,
of beter hetgeen er nog van over was, aan het begin van de brug gezet,
waar het later met sombere gebeurtenissen in verband werd gebracht;
want dicht bij dezen "verminkten steen, die de brug bewaakt" [336],
zooals Dante zegt, werd aan den oorlogsgod de jonge Buondelmonte
geofferd; en deze moord had de uitbarsting van den bitteren strijd
tusschen de Neri en Bianchi te Florence ten gevolge.

Maar, om terug te keeren tot vroegere tijden, men zal zich herinneren,
hoe, omstreeks het jaar 405 Florence, evenals Fiesole, werd belegerd
door Radegast en zijn geweldig leger van barbaren uit het noorden
en hoe Stilicho aanrukte om de stad te ontzetten en de belegeraars
versloeg (zie p. 69). Villani schrijft de redding toe aan de
uitwerking van de gebeden van den eersten, grooten bisschop van
Florence, St. Zenobius; de meesten van hen, die Florence bezocht
hebben, zullen de legenden, die met hem in verband staan, wel
kennen. Ongeveer honderd en vijftig jaren later, heeft Totila, zegt
men, de stad geplunderd en alles verwoest, behalve het Baptisterium,
een daad, waarvan Dante ten onrechte Attila beschuldigt. Nadat wederom
eenige eeuwen waren verloopen, bracht Karel de Groote een bezoek aan
de stad; hij stichtte, zooals de overlevering en een inscriptie op
den voorgevel verzekeren, de kleine basiliek van de Santi Apostoli,
die hij door den Aartsbisschop Turpin in tegenwoordigheid van Orlando
en andere van zijn paladijnen liet inwijden(!).

Over de gebeurtenissen gedurende de heerschappij van de Karolingers en
de woelige tijden van den zoogenaamden regno d' Italia indipendente kan
weinig met zekerheid vermeld worden. Dat de stad nu zeer welvarend was,
blijkt wel uit de herhaalde bezoeken, die de Keizers, zooals de Otto's,
er brachten, en ook uit het feit, dat vele prachtige Romaansche
bouwwerken door de kroniekschrijvers genoemd worden. Onder deze
moeten wij in het bijzonder op de S. Miniato de aandacht vestigen,
die volgens Machiavelli door Hendrik II in 1002 gesticht is. Zij
is van al deze Romaansche kerken, die nog in Florence over zijn,
het eenige ongeschonden voorbeeld.

Ten tijde van Otto II en Otto III werd Florence (tot 1001 of misschien
tot 1006) bestuurd door den beroemden Markies Ugo van Brandenburg,
il gran barone, zooals hij door Dante wordt genoemd, den voorvader van
vijf adelijke Florentijnsche geslachten, wiens graftombe, gebeeldhouwd
door Mino da Fiesole, men in de Badía (de Abdij-kerk, gesticht door
zijn moeder, Gravin Willa, in 978) kan zien. Zijn opvolger, Markies
Bonifacius, die zijn macht uitbreidde als Hertog van Ferrara, Modena
en Mantua, was de vader van de bekende Gravin Mathilde, van wie wij
reeds zooveel gehoord hebben.

Onder Bonifacius († 1052), zijn weduwe Beatrice († 1076) en hun
dochter Mathilde († 1115) werd Florence een belangrijk handelscentrum
en breidde zich uit buiten de cerchia antica van haar oude muren,
waarbinnen nog in de dagen van Dante de klokken den Florentijnen de
uren verkondden [337]. Dit was de Gouden Eeuw van Florence, die met zoo
groote liefde door den ouden Cacciaguida in den Paradiso [338] wordt
beschreven. De stad was wat haar gezindheid betrof geheel Welfsch, en
de ellendige inwendige veeten waren nog niet binnengedrongen. Mannen
en vrouwen leidden het eenvoudige leven van den heldentijd. Zij
konden nog aan iets hoogers denken dan aan het vermoorden van hun
medeburgers. Cacciaguida zelf, zooals wij reeds weten, gordde het
zwaard van kruisvaarder aan en volgde Keizer Koenraad III naar het
oosten, waar hij in den strijd tegen de ongeloovigen werd gedood,
"ontzwachteld uit de bedriegelijke wereld", om zijn eigen vreemde
uitdrukking [339] te gebruiken. En wij vernemen, hoe een andere
Florentijnsche kruisvaarder, een lid van het edele geslacht der Pazzi,
uit Jeruzalem stukken van het Heilige Graf meebracht, waaruit de
bisschop in tegenwoordigheid van een opgewonden menigte vuur sloeg
om daarmede de kaarsen op het hoogaltaar aan te steken--een feit,
dat nog steeds met Paschen herdacht wordt door de plechtigheid van de
witte duif, de columbina della casa de' Pazzi, die hetzelfde heilige,
altijd brandende vuur van het altaar van den Duomo brengt om het
vuurwerk van den carro de' Pazzi op de Piazza te ontsteken.

Omstreeks 1063, tijdens de regeering van Gravin Beatrice en
haar tweeden gemaal, Godfried van Lotharingen, kwam de stemming
van het volk tot een uitbarsting, die door haar heftigheid
en hardnekkigheid bewees, hoe onafhankelijk en onhandelbaar de
Florentijnen werden. Keizer Hendrik IV, die zooals wij gezien hebben,
met de Pausen over de verkiezing en de investituur van de bisschoppen
streed en die vele van zijn eigen bisschoppen had benoemd, trachtte
den Florentijnen een bisschop, Mezzabarba geheeten, op te dringen;
zijn vijanden beschuldigden er hem zelfs van den bisschopsstaf aan
dien man verkocht te hebben. Ongeveer vijf jaren lang heerschten
er voortdurende onlusten. De Paus zond tevergeefs Pietro Damiano
om den vrede te herstellen. Ten slotte verscheen een kampioen, een
dweepzieke monnik, die aanbood zich aan den vuurproef te onderwerpen
en, gelukkiger dan de arme Savonarola, daar ongedeerd afkwam. Daarop
werd hij tot bisschop gekozen en moest Mezzabarba verdwijnen.

In 1114, een jaar voor den dood van Mathilde, verzochten de Pisanen
(die later zoo gehaat waren in Florence, dat Dante op hen schimpt als
"vossen vol bedrog" en als "de schande van het schoone land waar men si
hoort") de Florentijnen, of zij hun land tegen Lucca wilden beschermen,
terwijl zij op hun expeditie naar de Balearische eilanden waren. Dit
deden de Florentijnen en de Pisanen schonken hun uit dankbaarheid de
twee prachtige porfieren zuilen, die bij den oostelijken ingang van het
Baptisterium en de bronzen deuren van Ghiberti staan. Het lijkt wel
een uiting van lage wraak, dat de Florentijnen juist aan deze zuilen
de kettingen uit de haven van Pisa hebben opgehangen, die de Genueezen
op de Pisanen veroverd hadden. In onze dagen evenwel is dit onrecht
hersteld, en thans hangen de kettingen in den Campo Santo te Pisa.

Ten opzichte van haar bekende nalatenschap schijnt Mathilde zich
als particuliere eigenares een recht te hebben aangematigd, waarop
zelfs de machtigste van de feudale monarchen ternauwernood aanspraak
zou durven maken. Het was haar bedoeling aan de Kerk, en wel aan den
Paus als vertegenwoordiger van de Kerk, niet alleen haar allodiale
bezittingen na te laten, maar ook het geheele Toskaansche gebied,
dat voornamelijk uit leengoederen bestond, die volgens het feudale
stelsel aan het Keizerrijk vervielen. Deze nalatenschap bracht veel
ellende met zich mede, maar voor Florence was het indirect een zegen,
daar de poging om het gebied van de stad bij ontstentenis van een
rechtmatigen opvolger willekeurig weg te schenken voor de stad een
prikkel werd om te streven naar republikeinsche vrijheid.

De republikeinsche regeeringsvorm, die langzamerhand werd ingevoerd,
zal bij latere gelegenheden onze aandacht trekken. Het zal hier
voldoende zijn er op te wijzen, dat het eenige krachtige bolwerk
van de volkspartij bestond in de Kooplieden-gilden (Arti), waardoor
de middenstand, die vooral veel invloed had door den handel en
de ambachten, zich vereenigde tegen den adel. Een feit, dat het
zelfvertrouwen van de burgers verhoogde en hun besef gaf van hun eigen
kracht, was de inneming en verwoesting van Fiesole, dat, ofschoon het
geen sterke vesting meer was, den burgers van de jonge republiek een
doorn in het oog was geworden.

In 1173 werd de stad met een nieuwen, tweeden kring van muren
omgeven. Deze sloten een aanmerkelijk grooter ruimte in dan het oude
Florentia quadrata, ofschoon veel van hetgeen wij gewoon zijn te
beschouwen als typisch Florentijnsch buiten die muren staat. Een paar
jaren later werd de volksregeering voor eenigen tijd omvergeworpen
door een opstand van den adel, die geleid werd door het Duitsche
geslacht der Uberti, voorvaders van Farinata, dien Dante in den
Inferno uit zijn vlammende graftombe zag oprijzen met somberen en
uitdagenden trots, "alsof hij de Hel in groote verachting hield"
[340], maar die zeker een beter lot verdiend had als degenen, die
Florence van volkomen ondergang na de nederlaag bij de Arbia gered had.

De Uberti zetten de republikeinsche Consuls af en hadden gedurende
twee jaren ongeveer (1177-79) het hoogste gezag in handen, maar toch
bleek ten slotte de volkspartij krachtiger te zijn en niettegenstaande
Frederik Barbarossa hen trachtte te overweldigen, dwongen zij eindelijk
den adel zich te onderwerpen aan den door het volk gekozen magistraat
[341] en zich, voor een deel ten minste, te vestigen binnen den
kring van de nieuwe muren in de nieuwe stadswijken (Sestieri). Deze
regeling was blijkbaar noodzakelijk, maar het bracht een nieuw en
verschrikkelijk gevaar mede, want deze edelen begonnen nu onneembare
torens [342] binnen de grenzen van de stad te bouwen en vormden de
zoogenaamde "torenvereenigingen" (Società delle Torre), die gericht
waren tegen de Arti of Kooplieden-Gilden. Bovendien begonnen zij, daar
zij zoo dicht bij elkander woonden, onderling strijd te voeren. Het
kwam tot een uitbarsting in 1215, toen, zooals wij reeds verteld
hebben, de jeugdige Buondelmonte werd vermoord om de beleediging te
wreken, die hij de aanzienlijke, aan de Uberti verwante familie der
Amidei had aangedaan door zijn verloving te verbreken en een meisje
van het geslacht der Donati te trouwen. Dit had het uitbreken van de
familie-veeten ten gevolge, die, in verband met de politieke twisten
der Welfen en Ghibellijnen, gedurende vele jaren Florence zoo veel
ellende zouden brengen.



HOOFDSTUK IV.

ROMAANSCHE BOUWKUNST [343].

800-1200.


Het epitheton "Romaansch" wordt soms toegekend aan alle rondboogstijlen
van de middeleeuwsche bouwkunst, die men afleidt van den Romeinschen
stijl--aan den vroeg-Christelijken (basiliek-stijl), Byzantijnsch-,
Lombardisch-, Toskaansch-, Normandisch-, (Fransch-, Engelsch-,
Siciliaansch)-, Duitsch- en Spaansch-Romaanschen stijl, zelfs aan
den Saraceenschen, daar deze onder invloed van den Romeinschen of
Byzantijnschen stond; en sommige schrijvers gaan zelfs zoo ver, dat
zij den Gotischen stijl een vorm van den Romaanschen noemen, en dien
beschouwen als het eindelijke resultaat van het overgangstijdperk,
de rondbogen-periode. Dit gebruik van het woord kan men misschien wel
verdedigen; maar ik heb er de voorkeur aan gegeven den Italiaanschen
basiliek-stijl, den Byzantijnschen en den Romaanschen stijl als
specifiek verschillend [344] te beschouwen en in een voorafgaand
hoofdstuk is in het kort de oorsprong behandeld van die architectuur,
die naar mijn meening met evenveel recht vroeg-Italiaansch-Romaansch
of Romeinsch-Lombardisch kan worden genoemd, wanneer wij er slechts
om denken, dat het woord "Lombardisch" de Romeinsch-Lombardische
bouwkunst volstrekt niet beperkt tot hetgeen nu Lombardije heet.

Eenige van de vroeg-Romaansche overblijfselen van het Lombardische
tijdperk en van de periode van Karel den Groote zijn reeds
beschreven. Gedurende den daarop volgenden tijd, de regeeringen
der Karolingers en de Donkere Eeuwen, onderging de architectuur,
zooals alle andere kunsten, een totale eclips, die ongeveer twee
eeuwen duurde [345]. Te Rome duurde de duisternis inderdaad nog veel
langer. Wij hooren van restauraties en reconstructies, waarvoor de
antieke gebouwen onbarmhartig werden geplunderd, en eenige mozaïeken en
muurschilderingen van dezen tijd zijn nog over; maar tot de twaalfde
eeuw of later, bleef Rome in diepe duisternis gehuld, terwijl in
andere deelen van Italië, zoowel in het noorden als in het zuiden,
een nieuwe, schitterende architectuur snel opkwam; deze bouwkunst
ontwikkelde zich tot wondere volmaaktheid uit de Romeinsch-Lombardische
architectuur, die reeds in de dagen van Koningin Theodelinda (c. 600)
was ontstaan, doch in haar groei blijkbaar is tegengehouden tot het
einde van de tiende eeuw, niettegenstaande een tijdlang de kunsten
en wetenschappen door Karel den Groote met zooveel geestdrift zijn
begunstigd. Misschien heeft de angst, dat de wereld in het jaar 1000
na Chr. te gronde zou gaan, eenigermate het Christendom verlamd en de
meening verbreid, dat de oprichting van aanzienlijke kerken overbodig
was; maar, wat ook de redenen mogen geweest zijn, kort na het jaar
1000 werd bijna de geheele Christelijke wereld aangegrepen door een
plotseling verlangen om prachtige kerken te bouwen--om de oude plunje
weg te gooien, zooals Rodolf Glaber (omstreeks 1045) schrijft, en een
nieuw, wit gewaad aan te trekken (candidam ecclesiarum vestem induere).

De Romaansche stijl is voortgekomen uit de vereeniging van de oude
Romeinsche architectuur met die van de noordelijke streken, het
vaderland van de Longobarden, en zooals Ruskin heeft aangetoond, moet
men sommige van de eigenaardigheden, die dezen stijl scherp van den
Basiliek- en Byzantijnschen stijl onderscheiden, blijkbaar toeschrijven
aan noordelijke invloeden. Een Romaansche kerk, bijvoorbeeld, biedt
meestal een treffende tegenstelling met de rijkelijk gekleurde en
versierde oppervlakten, de glanzende zuilen, de met marmer bedekte
muren en de groote mozaïeken van de Byzantijnsche bouworde. Wij,
menschen van het noorden, schijnen soms eenig wantrouwen te koesteren
jegens heldere kleuren en rijke decoratie; de meeste van ons geven
de voorkeur aan hetgeen dof en bijna kleurloos is--het schaakbord en
het spel van licht en schaduw in de schemering van bosschen of in de
groote, holle Normandische kathedralen. In Italië had de bouwmeester
van noordelijke afkomst het voordeel in de gelegenheid te zijn zich
prachtige marmeren zuilen te verschaffen of van oude gebouwen te stelen
in plaats van zware pijlers te moeten bouwen, en de tegenstellingen
van marmer, gehouwen en gebakken steen in de Italiaansch-Romaansche
bouworde zijn dikwijls buitengewoon mooi. Men streefde niet in de
eerste plaats naar een decoratief effect, dat bereikt werd door kleur
en weerspiegeling, maar belangrijker vond men het spel van licht en
schaduw tusschen de lijsten, het beeldhouwwerk, de bogenreeksen, en
alle soorten van concaaf en convex bouwwerk. Derhalve hebben wij in het
gebouw convexe vormen, zooals gebeeldhouwde kapiteelen en hoogreliefs,
om het licht op te vangen, en aan de buitenzijde holten, die door
arcades zijn gevormd, en façades met zuilenrijen, laag-reliefs,
overhangende draagsteenen, en prachtige, diep terugwijkende portalen
en ramen, die de schaduw opvangen en die, als achtergrond voor
beeldhouwwerk en marmeren kunstwerken, het gebouw van buiten gezien
een schoonheid verleenen, die onvergelijkelijk veel hooger staat,
dan van eenige oude basiliek, en misschien zelfs den luister van zulk
een kleurendroom als de S. Marco overtreft.

Een zeker mate van kleurversiering werd in den Italiaansch-Romaanschen
stijl toegelaten, in het bijzonder in Toskane, waar marmer en mozaïek
vrijelijk werden gebruikt. De houten zolderingen, die vlak waren
(zooals in de Pisa-Kathedraal), of voorzien van open timmerwerk,
zooals in de S. Zeno en S. Miniato, werden met vroolijke kleuren
beschilderd. Maar deze beschilderde houten zolderingen gaven aanleiding
tot het ontstaan van het leelijke van ribben voorziene tongewelf en
uit de rechthoekige kruising van twee tongewelven kwam het kruisgewelf
voort. Deze vorm van gewelven verdween gelukkig door de invoering
van den Gotischen spitsboog en het echte Gotische gewelf.

Een ander, ietwat latere uitvinding van den Italiaansch-Romaanschen
stijl, die daarna ook door de Gotische bouwkunst wordt aangenomen,
was het roos- of radvenster, waarvan nog prachtige voorbeelden over
zijn (zie plaat 25 en 26).

Het heerschende beginsel van de Romaansche bouworde was nog steeds
strenge, stijve kracht. Bij het antieke systeem van zuilenrijen
en architraven (wat Gotische zeloten de "kruipende, verachtelijke,
horizontale" bouworde noemen, ofschoon het leidende beginsel juist
het volmaakt verticale is) bestond geen buitengewoon zware druk
van boven en bijna volstrekt geen zijdelingsche druk (deze laatste
was inderdaad afwezig, wanneer het dak ontbrak of vlak was). Toen de
door bogen gedragen "clerestory" [346] van de basilieken hooger werd,
brachten de zijbeuken voldoenden steun aan; maar toen de Byzantijnsche
koepels, de Romaansche bogen en apsiden grootere afmetingen begonnen
aan te nemen, werd het noodzakelijk muren van geweldige dikte te
bouwen of deze aan de buitenzijde te versterken. En hier kan er in
het voorbijgaan op gewezen worden, dat het beginsel van evenwicht
(in plaats van strenge kracht), dat later in de Gotische architectuur
werd toegepast, het mogelijk maakte, dat de zwaarste massa's gedragen
werden door een systeem van bogen en pijlers (of "bundelpijlers")
en uitwendige contraforten (steunbeeren), zoodat betrekkelijk dunne
muren, nog verzwakt door geweldige ramen, in staat waren het geheel met
groote zekerheid omhoog te houden, ofschoon men moet toegeven, dat het
inwendige van een groote Gotische Kathedraal, wanneer men een oogenblik
het uitwendige stelsel van contra-forten vergeet, wel geschikt is om
iemand een gevoel van onbehaaglijke onveiligheid te geven.

Doch voordat wij eenige van de voornaamste voorbeelden zullen geven
van Italiaansch-Romaansche bouworde is het noodig te wijzen (ofschoon
het onmogelijk is dit hier uitvoerig te bespreken) op het lastige
vraagstuk van de verwantschap tusschen deze en den zoogenaamden
"Normandischen" en en Duitsch-Romaanschen stijl. De vraag loopt
hierover, of de architectuur van de Noormannen in Normandië, waardoor
de prachtige kerken van Caen ontstonden en die door de Noormannen
in Engeland werd ingevoerd, als ook de Romaansche bouwstijl in
het overige Frankrijk met zijn schitterende kerken van Angoulême,
Toulouse, Vézelay en Arles, en in België met de heerlijke kathedraal
van Doornik, en in Duitschland met de prachtige kathedralen van
Mainz, Worms, Trier en Spiers, en in Spanje met zijn kerken te Toro
en Tarragona en op Sicilië (Palermo en Cefalù), en ten slotte, wat
wij noemen den Italiaansch-Romaanschen stijl--de vraag is of al deze
bouworden, zooals sommigen meenen, moeten worden toegeschreven aan
het vindingrijke vernuft van de bouwmeesters der Vikings of dat deze
bouwstijl door een merkwaardige coïncidentie onafhankelijk van elkander
in al deze verschillende landen ontstond--of dat eindelijk, zooals ik
heb voorondersteld, deze architectuur is opgekomen, toen, omstreeks
de zevende eeuw, de Longobardische vorsten in Noord-Italië, en later
de Longobardische hertogen van Zuid- en Midden-Italië inheemsche
bouwmeesters, misschien de beroemde magistri comacini (zie p. 247)
gebruikten om kerken en paleizen in Italië op te richten. Wanneer dit
zoo is, lijkt het zeer waarschijnlijk, dat de nieuwe bouwstijl zich
van Italië over de Alpen verbreid heeft langs den loop van den Rijn
[347], en in Bourgondië, en daarna (c. 1060) door de hertogen van
Normandië is overgenomen. Maar in Normandië kan die architectuur ook
langs een anderen weg gekomen zijn, want deze Normandische hertogen
stonden in rechtstreeksche verbinding met Italië door hun stamgenooten,
die reeds veertig jaren in Zuid-Italië waren, voordat de grootsche
St. Etienne van Willem den Veroveraar te Caen begon te verrijzen [348].

Dit vraagstuk over den oorsprong van de Normandische bouworde zal ieder
van ons verschillend beantwoorden, naarmate hij zich meer door zijn
vaderlandsliefde of door verstandelijke redeneering laat leiden. Maar
wanneer men aldus handelt is het noodzakelijk er op te wijzen, dat het
bestaan van een gelijken bouwstijl in landen, die ver van elkander
verwijderd liggen, dikwijls verklaard kan worden door het feit, dat
bouwmeesters en werklieden niet zelden uit de beroemde centra van
architectuur werden ontboden naar ver afgelegen plaatsen. Zoo liet
Venetië voortdurend bouwmeesters komen uit Constantinopel, en Karel
de Groote en andere Frankische en Duitsche vorsten gebruikten in hun
noordelijke landen ongetwijfeld vele Italiaansche architecten; men moet
zich er dus niet over verbazen, wanneer men in Engeland en Frankrijk
karaktertrekken van den Italiaansch-Romaanschen stijl vindt of zelfs
Byzantijnsche en Oostersche versieringen (die door de kruisvaarders
zijn gebracht), of wanneer men in Italië de zigzaglijn (die, evenals
de overal voorkomende swastika [349], soms misschien spontaan is
opgekomen), aantreft, of wanneer de kerk van den S. Spirito, omdat
de Engelschman Of a Mill (Offamilio) aartsbisschop en kanselier te
Palermo was, met de zware pijlers en eenigszins gespitste bogen is
gebouwd, die den Engelsch-Normandischen stijl van denzelfden tijd
(c. 1175) kenmerken. Uit zulke feiten moeten wij nog niet afleiden,
dat de Italiaansch- en Siciliaansch-Romaansche architectuur made in
Engeland was, of zelfs ook maar in Normandië.

Een treffende en schoone eigenaardigheid van de Italiaansch-Romaansche
bouwkunst is de klokketoren. Wij hebben reeds gezien (p. 251), dat
de Italiaansche campanili van oude dagteekening zijn en dat eenige
van de oude basilieken zeer mooie, ronde klokketorens hebben; maar
de hooge, vierkante campanili, die zoo kenmerkend voor Italië zijn
(en waarmede de ronde, scheeve toren van Pisa zulk een merkwaardige
tegenstelling vormt), moeten worden toegeschreven aan den Romaanschen
stijl. Te Rome, dat in andere opzichten niet sterk onder Romaanschen
invloed is gekomen, bestaan vele fraaie, vierkante klokketorens van
de twaalfde en dertiende eeuw, zooals die van de S. Maria in Cosmedin
(plaat 21), S. Maria in Trastevere en SS. Giovanni e Paolo [350]. Te
Rome heeft de campanile in dezen tijd gewoonlijk verdiepingen van
donkerbruin baksteen, die gescheiden zijn door kroonlijsten van
marmer of terra-cotta en bovenaan een plat dak (want torenspitsen
zijn bijvoegsels van later datum). Behalve de benedenste heeft
meestal iedere verdieping aan elke zijde twee ramen, open of blind,
met marmeren zuiltjes (colonelli), terwijl bij de campanili van
Noord-Italië het aantal vensters, zooals bij den klokketoren van Siena,
waar elke verdieping een raam meer heeft, naar den top van het gebouw
toeneemt (zie plaat 41, 55, 65).



Lombardije en Emilia.

De Romaansche bouwkunst van Lombardije schiet dikwijls te kort in
fijnheid van ornamenteering, zooals men door haar half-noordelijken
aard wel kan verwachten en neigt soms tot het fantastische en grillige,
maar toch is het karakter manlijker en gezonder dan het Toskaansche,
of misschien moeten wij zeggen, het Pisaansche. De voornaamste
kenmerken van de Lombardisch-Romaansche kerken zijn de buitengewoon
mooie verhoudingen van de uitwendige architectuur, de grootsche façades
met zuilenrijen en soms rijkelijk met beeldhouwwerk versierd, de fijne
arcaden van de apsiden, de prachtige inspringende portalen en ramen,
de vooruitstekende portieken met zuilen, die dikwijls op marmeren
leeuwen rusten, de heerlijke campanili en bij latere gebouwen de
groote roosvensters. De volgende zijn de belangrijkste van deze
kerken. Eenige daarvan zal men beschreven vinden in de lijst der
Illustraties. De jaartallen geven bij benadering aan, wanneer de
Romaansche gedeelten van deze kerken oorspronkelijk zijn gebouwd.


Pavia: S. Michele (hier werden Berengarius, Frederik I en anderen
gekroond met de ijzeren kroon. Herbouwd c. 1050. Gewelf zooals in de
S. Ambrogio. Prachtig Romaansch portaal).
Pavia: S. Pietro in Ciel d'oro (herbouwd c. 1100. Zie plaat 13).
Verona: S. Zeno (c. 1070-1140. plaat 55).
Cremona: Kathedraal (1107-90) en Torrazzo (1260-80).
Parma: Kathedraal (1058-c. 1200).
Modena: Kathedraal (1099-1184).
Ferrara: Kathedraal (1135-c. 1200. plaat 39).
Piacenza: Kathedraal (1122-c. 1200).
Como: S. Fedele (1100? herbouwd c. 1265) en S. Abbondio
(c. 750? herbouwd c. 1050, geheel hernieuwd c. 1870, maar heeft nog
oude overblijfselen). Zie p. 249.


Behalve deze is er nog een zeer belangrijke kerk, de S. Ambrogio te
Milaan, waarvan reeds herhaaldelijk melding is gemaakt. Men zegt,
dat zij omstreeks het jaar 380 door St. Ambrosius is gesticht, maar
het schijnt, dat in de negende eeuw deze kerk door Aartsbisschop
Anspert is herbouwd en ten slotte omstreeks 1140 in Romaanschen stijl
is gereconstrueerd. Het fraaie atrium dateert waarschijnlijk uit den
tijd van Aartsbisschop Anspert en de klokketoren is ongeveer 1130
gebouwd. Uitwendig is de kerk eenvoudig, vroeg Romaansch, maar het
inwendige, dat toch uit dezelfde periode is, toont zeer merkwaardige,
Gotische kenmerken door het van ribben voorziene gewelf van het schip
en de beuken, de bundelpijlers en de pilaren, die zich verheffen boven
de kapiteelen van de benedenste pijlers (zie p. 250). De vraag is, of
deze nieuwe bouworde van den anderen kant van de Alpen werd ingevoerd
in een tijd, toen dit ternauwernood bekend was in de noordelijke
landen, of dat het inderdaad hier reeds zoo vroeg ontworpen werd
[351]. Dit zullen wij behandelen, wanneer wij de Italiaansch-Gotische
architectuur bespreken.



Toskane.

De groep van prachtige gebouwen, die zich plotseling vertoonen,
wanneer iemand van de Via Solferino of de Via Niccola Pisano op de
Piazza del Duomo te Pisa komt, geeft een onuitwischbaren indruk van de
voornaamste trekken van hetgeen men Toskaansch-Romaansche architectuur
noemt, die misschien evenwel juister Pisaansch-Romaansch genoemd zou
kunnen worden. Wanneer men kort geleden de kerken van Lombardije
bezocht heeft, zal men gevoelen, dat men hier een variëteit van
Romaanschen stijl voor zich heeft, dien men wel een anderen naam zou
kunnen geven. Het is onmogelijk om dit punt uitvoeriger te bespreken,
maar een enkele blik op plaat 40 zal ons toonen, dat de kenmerkende
eigenaardigheden in alle drie gebouwen (de Kathedraal, de ronde,
scheeve Toren, en de benedenste helft van het Baptisterium, want de
bovenste helft is jonger en in Gotischen stijl opgetrokken) hierin
bestaan, dat de onderste verdieping versierd is met zuilen en hooge,
blinde arcaden en dat de hoogere gedeelten, vooral van de campanile en
de façade van de Kathedraal eenige rijen van prachtige open colonnades
hebben [352]. Deze mooie voorzijden, die men te Pisa zoo goed kan zien
en te Lucca niet zoo volmaakt zijn, kent men in Lombardije nauwelijks,
en het feit, dat zij in Dalmatië worden gevonden, schijnt er op te
wijzen, dat zij moeten worden toegeschreven aan Byzantijnsche of
Oostersche invloeden, zooals men wel kan verwachten in een tijd,
toen de Pisaansche vloten de Saracenen van de zeeën joegen en de
kusten van de Levant bezochten.

Er zijn in Pisa nog verscheidene andere Romaansche kerken, namelijk
de S. Sisto (c. 1090) en de S. Frediano (c. 1150) en de S. Paolo
(c. 1220?), welke laatste een fraaie Pisaansche façade heeft. Te
Lucca zijn veel kerken [353] in navolging van de Pisaansche gebouwen
opgericht, maar wat de schoonheid der verhoudingen betreft, moeten zij
voor den Dom van Pisa onderdoen, zooals men kan zien op de afbeelding
van de kathedraal, wier voorzijde van 1204 ongeveer dateert (zie
plaat 41). Een nog grooter gebrek aan artistiek gevoel vertoont de
S. Michele, bij welke kerk de gevel aanmerkelijk hooger is opgetrokken
dan het dak, om ruimte te krijgen voor de Pisaansche façade met
colonnades. Een ander overdreven navolging van deze voorzijde wordt
geleverd door de S. Giovanni te Pistoia.

Van de Florentijnsch-Romaansche architectuur is het meeste verdwenen,
maar behalve de overblijfselen, die nog gedeelten vormen van de
SS. Apostoli, S. Spirito en S. Lorenzo, is er nog een zeer beroemd
en volmaakt voorbeeld over, de S. Miniato:


            la chiesa, che soggioga
            La ben guidata sopra Rubaconte [354].


In sommige opzichten lijkt de S. Miniato meer op een Latijnsche
basiliek dan op een Lombardisch-Romaansche kerk. Het is een van de
meest belangwekkende voorbeelden van den overgang van de basilieken
naar den Romaanschen stijl en een bewijs, dat de Florentijnen
de Romaansche bouworde, evenals later de Gotische architectuur,
met bedachtzame terughoudendheid beschouwden. De voornaamste,
kenmerkende trekken kan men gemakkelijk op de plaat waarnemen
(zie pl. 30). Hier kan slechts de aandacht gevestigd worden op het
verschil met den Romaanschen stijl door de opmerking, dat de rijke
marmer-incrustatie van de binnenmuren en de voorzijde [355], die een
opgewekten indruk maakt door het gebruik van wit en zwart marmer,
zonder eenige open arcades of effect van licht en schaduw, meer in
den geest van de Byzantijnsche dan van de Romaansche bouwkunst is en
bijna even ver van de Lombardisch-Romaansche architectuur verwijderd
schijnt te zijn als de Pisaansche daarvan verschilt. Zooals wij
zullen zien, bloeide de Byzantijnsche schilderkunst vóor de dagen van
Cimabue te Florence, hetzij door tusschenkomst van Venetië of door de
Byzantijnsche schilderkunst in Zuid-Italië, en waarschijnlijk moet men
de met marmer ingelegde façade van de S. Miniato, evenals bij sommige
andere Toskaansche kerken, aan dergelijke invloeden toeschrijven.



Midden- en Zuid-Italië.

In het tijdperk, toen (1000-1100) in Italië de architectuur begon
te herleven, werd Florence door de Markgraven, Ugo, Bonifacius en
Guelf bestuurd en was noch met het Keizerrijk noch met Lombardische
steden op goeden voet. Dit is misschien de oorzaak van het feit, dat
de Lombardische vorm van Romaansche architectuur hier niet begunstigd
werd, en uitgezonderd een periode van vriendschap, die slechts kort
duurde (zie p. 387), schijnen Florence en Pisa in een toestand van
onafgebroken vijandschap en naijver verkeerd te hebben, zoodat men
er zich niet over behoeft te verwonderen, dat de zelfgenoegzame
en onafhankelijke Florentijnen zich niet wilden verlagen om de
voortbrengselen van de Pisaansche bouwmeesters na te volgen.

Maar in andere streken van Toskane bestaan nog eenige prachtige
overblijfselen van Lombardisch-Romaansch bouwwerk. Toscanella is
reeds vermeld in verband met den vroeg Romeinsch-Lombardischen stijl
(zie p. 249). De buitengewoon mooie portalen en roos-vensters van
de S. Pietro en S. Maria Maggiore (plaat 25, 26) dagteekenen van
c. 1040. Te Volterra was vroeger een fraai Lombardisch-Romaansch
gebouw, de Duomo, en het oude Baptisterium heeft nog een prachtige
portiek van c. 1200 (plaat 32). Te S. Gimignano zijn verscheidene
kerken van de Tempeliers van de twaalfde eeuw, en de Duomo of
Collegiata, die naar men meent van c. 1148 dateert, bezit een mooi
Romaansch schip en zuilen (plaat 42). De twee groote centra van de
Lombardische heerschappij in Midden- en Zuid-Italië waren Spoleto
en Benevento en hier vinden wij, zooals men wel kan verwachten, zeer
schoone voorbeelden van de Lombardisch-Romaansche bouworde. De Duomo te
Spoleto dagteekent van 1050 ongeveer en werd omstreeks 1150 herbouwd;
de Duomo van Benevento werd, naar men vertelt, in het jaar 1047 door
Adalbert van Bremen bewonderd. Het is Lombardisch werk, dat onder
invloed stond van de Saraceensche architectuur. Een zeer merkwaardig
voorbeeld is ook de S. Maria di Collemaggio te Aquila (plaat 49).

Aldus kunnen wij de uitbreiding van de Lombardisch-Romaansche
architectuur van Noord-Italië in de oude Lombardische hertogdommen
nagaan, totdat deze bouwstijl, terwijl Rome bijna niet onder zijn
invloed kwam, in aanraking kwam met den Byzantijnschen en Saraceenschen
(Arabischen); en weldra zullen wij zien, dat de Noormannen in
Zuid-Italië en op Sicilië deze Noordelijke, Romaansch-Lombardische
bouworde aanvaardden en tegelijkertijd den invloed ondergingen van
de Byzantijnsche en Arabische architectuur in het zuiden.

In vele steden van Campanië, Apulië en Calabrië staan kerken, waarvan
de meeste op barbaarsche wijze bedorven zijn, die oorspronkelijk
Romaansch waren of Byzantijnsch met prachtige koepels, en door de
Noormannen in Romaanschen (soms eenigszins Saraceenschen) stijl zijn
herbouwd of vergroot. Te Canosa (in Apulië) vertoont de Byzantijnsche
kerk van S. Sabino, die vijf koepels heeft, eenige Lombardische
toevoegsels van de Noormannen (in deze kerk staat de graftombe van
den kruisvaarder Bohemund, den zoon van Robert Guiscard). Te Trani
heeft de Byzantijnsche kathedraal een prachtige Romaansche portiek. Te
Bari zijn verscheidene oude Byzantijnsche kerken in Romaanschen stijl
bijgewerkt ten tijde van Koning Roger. De kathedraal van Salerno
werd (c. 1070) door Robert Guiscard gebouwd, en de mooie Romaansche
architectuur is nog wel waarneembaar, ofschoon de kerk door moderne
restauratie afschuwelijk ontsierd is. (Het atrium met zijn heerlijke
antieke zuilen van Paestum ontkwam aan die "herstelling"). Verder
kunnen wij te Amalfi en het naburige Ravello merkwaardige, doch ook
leelijk bedorven, voorbeelden van den Zuid-Italiaanschen stijl in de
kathedralen aldaar zien. Beide kerken werden misschien reeds in de
elfde eeuw gebouwd, zelfs vóor de heerschappij van Robert Guiscard en
de ontwikkeling van de Lombardische architectuur der Noormannen. Maar
het is waarschijnlijker, dat de kathedraal te Amalfi dagteekent
uit den tijd, toen de stad, die eeuwenlang in meerdere of mindere
mate te midden van haar vele vijanden onafhankelijk was gebleven,
zich aan den koning der Noormannen, Roger van Sicilië, in het jaar
(1131), dat op zijn kroning volgde, had onderworpen.



Sicilië.

In een vroeger hoofdstuk hebben wij de opkomst en het kortstondige,
maar schitterende bestaan van de heerschappij der Noormannen
in Zuid-Italië en Sicilië geschetst en wij hebben gewezen op
de schilderachtige mengeling van rassen in de bevolking van
dergelijke steden als Palermo, de residentie van de koningen der
Noormannen. Palermo was, zooals het grootste gedeelte van Sicilië,
langer dan 240 jaren (830-1072) in de macht van de Saracenen
geweest. Het aantal zijner inwoners was 300.000 en men zegt, dat
het niet minder dan 300 moskeeën heeft bezeten, groote en kleine. De
Saracenen hadden veel van de voorafgaande Byzantijnsche beschaving
aanvaard, en de Noormannen op hun beurt gaven, in plaats van de
ongeloovige Muzelmannen uit te roeien, hun tamelijk groote religieuze
en civiele vrijheid, gebruikten hen als soldaten en als ambtenaren
en namen veel van hun wetenschap en kunst over.

Natuurlijk vertoont de Siciliaansche architectuur in de periode
van de heerschappij der Noormannen Byzantijnsche en Saraceensche
kenmerken gepaard met eigenschappen van de Romaansche bouworde
der Noormannen, waarvan de voornaamste bron, zooals wij zagen, de
Lombardisch-Romaansche stijl van Zuid-Italië was [356]. Van de vele
prachtige kerken, die door de Koningen der Noormannen, vooral door
Koning Roger en Willem den Goede, in Palermo en elders op Sicilië
zijn opgericht, waren sommige, wat het ontwerp betrof, duidelijk
Byzantijnsch, zooals de Martorana (met een koepel en drie apsiden),
de S. Cataldo (met drie koepels) en de S. Giovanni degli Eremite
(met vijf koepels) terwijl andere beslist Romaansch van bouw waren,
zooals de kathedralen te Monreale en Cefalù en de kerk S. Spirito,
niet ver van Palermo [357], die reeds vermeld is als een herinnering
aan de Engelsche architectuur der Noormannen.

Vier van de meest belangrijke dezer Siciliaansche kathedralen, die
door de koningen der Noormannen werden gebouwd, zijn gegeven in de
illustraties (plaat 33, 36, 43, 44) en beschreven in de Lijst, en ook
de graftomben van Koning Roger en Keizer Frederik II (plaat 35 en 47)
zijn in de Lijst der Illustraties besproken, zoodat hier slechts de
opmerking behoeft bijgevoegd te worden, dat de aanwezigheid van den
spitsboog door sommigen wordt toegeschreven aan Saraceenschen invloed,
terwijl anderen daarin een voorbode zien van den Gotischen bouwstijl,
zooals wij reeds hebben opgemerkt bij de S. Ambrogio. Doch de spitsboog
werd in de Romaanschen stijl niet zelden gebruikt, reeds lang voor de
komst van de Gotische architectuur, en wordt ook in Engeland gevonden
in gebouwen, die zijn opgericht vóor het zoogenaamde overgangstijdperk
tusschen de bouwkunst der Noormannen en de vroeg-Engelsche b.v. in
de Fountains- en in de Malmesbury-Abdij, welke beide echt bouwwerk
van de Noormannen zijn en in denzelfden tijd zijn gebouwd als de
prachtige Capella Palatina (plaat 33), die opgericht is door Koning
Roger als de Koninklijke Kapel van zijn paleis te Palermo--eenmaal het
kasteel van de Saraceensche Emirs, hetgeen toen, zooals Villari zegt,
"het eerste waarlijk koninklijke paleis in Europa" was, en nu behalve
de buitengewoon mooie Capella, een treurige ruïne is [358].



Aanteekeningen over mozaïek-werk en beeldende kunst in Zuid-Italië
en Sicilië

1050-1200.


In een later hoofdstuk zullen wij den oorsprong beschouwen van de
groote herleving der kunst in Toskane en andere streken van Italië
tegen het einde van den dertiende eeuw en zullen wij de aandacht
vestigen op de vroege kenteekenen van den nieuwen geest en den invloed
van de Byzantijnsche schilders en mozaïekwerkers, die, vooral na
de plundering van Constantinopel door de Latijnen in 1204, geheel
Italië overstroomden. Hier zullen wij slechts wijzen op den stand van
zaken in Zuid-Italië en Sicilië gedurende de periode c. 1050-1200
ten opzichte van de mozaïeken en de beeldende kunst. Het is een
onderwerp, waarover nog veel meer licht moet gespreid worden, voordat
men kan hopen eenige zekerheid te krijgen omtrent de theorie, dat de
schitterende bloei van de kunst in de dagen van Niccolo-Pisano, Giotto
en Dante voornamelijk moet worden toegeschreven aan de beeldhouwers
en dichters, en misschien zelfs aan de schilders van Zuid-Italië.

Byzantijnsch mozaïek-werk, Byzantijnsche schilderkunst en Byzantijnsche
metaalbewerking (geen beeldhouwkunst, want deze werd door de
Byzantijnen weinig beoefend) hadden zonder twijfel de overhand in de
streken van Zuid-Italië, die onderworpen waren aan den Byzantijnschen
Keizer [359]. Indien men de archieven mag gelooven, dan was er een
bijna onbeperkte hoeveelheid van zulke schatten in die streken en
het aantal prachtige bronzen deuren, die nog in de kathedralen van
Campanië en Apulië bestaan en van de buitengewone bekwaamheid der
Byzantijnsche kunstenaars getuigen, is aanzienlijk (b.v. te Amalfi,
Atrani, Salerno enz.). Deze Byzantijnsche deuren dagteekenen uit
den tijd van c. 1050 tot 1100. En wij vinden even prachtig werk
van Italiaansche kunstenaars, doch van iets later dagteekening,
b.v. de groote bronzen deuren van de Kathedraal te Trani, en andere
te Benevento en Ravello.

Hier en daar treffen wij ook mozaïeken aan, die dateeren uit het
tijdperk der Noormannen en die blijkbaar geen Byzantijnsch werk zijn,
zooals het groote S. Mattheus-mozaïek te Salerno. Te Salerno is ook de
beroemde paliotto (manteltje), een altaar-bedekking met ivoren reliefs
die een aantal Bijbelsche tooneelen voorstellen. De bekwaamheid,
waarmede dit werk is gedaan, is zeer merkwaardig. Het is zeker niet
de arbeid van een kunstenaar, die alleen bij de Byzantijnsche school
in de leer is geweest, en wanneer het werkelijk uit de twaalfde eeuw
dagteekent, dan schijnt er mogelijkheid te bestaan, dat deze vroeg
Lombardisch-Romaansche school van Zuid-Italië ten slotte in staat is
geweest werk voort te brengen, dat, met meer recht dan de Pisaansche
kansel (plaat 61) van Niccolò, de "ark" kan genoemd worden, waaruit
de Toskaansche beeldhouwers zijn voortgekomen.

Maar in het Siciliaansche mozaïekwerk vooral vinden wij zeer duidelijk
aanwijzingen, dat er tegen het einde van deze periode (c. 1140-1200)
een belangrijke school van nationale kunst heeft bestaan. Deze
mozaïeken zijn wezenlijk verschillend van die der Byzantijnsche
school, en het feit, dat in dit tijdperk de groote Romeinsche school
van mozaïek-kunst blijkbaar [360] geheel verdwenen was (dit was
sedert 900 ongeveer het geval), maakt het vrij waarschijnlijk, dat
kunstenaars der Noormannen, onder Lombardischen invloed, een nieuwen
en zeer edelen stijl hadden ontwikkeld.

In de Cappella Palatina te Palermo (plaat 33) kan men veel en
schitterend mozaïekwerk zien; het oudste en fraaiste dagteekent
uit de regeering van Koning Roger (c. 1032-40). De waardige en
indrukwekkende voorstelling van den Verlosser, zoowel hier als
te Cefalù is zeer merkwaardig. De kathedraal te Cefalù (plaat 44)
bezit nog mooier voorbeelden van vroeg-Siciliaansch mozaïekwerk. De
behandeling van sommige engelen en heiligen toont misschien eenigen
Byzantijnschen invloed, maar de heerlijke Christus-figuur is in den
Lombardischen stijl, dien de Noormannen hebben overgenomen. Wanneer men
de overlevering mag vertrouwen, heeft Roger in 1129 Cefalù gebouwd,
voordat hij den koningstitel heeft aanvaard en indien dit zoo is,
zijn sommige van deze mozaïekwerken waarschijnlijk de oudste van
hun soort en kunnen wel Byzantijnsch werk zijn; maar men neemt aan,
dat de Christus-figuur van het jaar 1148 dateert.

In de kerk te Palermo, die sinds 1433 la Martorana heet naar de
stichtster van een klooster, doch oorspronkelijk den naam droeg van
S. Maria dell' Ammiraglio (de Admiraal of Emir van Koning Roger, die de
kerk in 1143 gesticht heeft), is het belangrijke mozaïekwerk te zien,
dat op plaat 34 is afgebeeld. Waarschijnlijk versierde het vroeger
de voorzijde. Het stelt Koning Roger voor, die uit de handen van
Christus de koningskroon ontvangt--een scherpzinnig bedacht protest
tegen Paus Innocentius II, die Roger niet erkend had, toen hij den
koningstitel aannam (zie p. 362).

In de kathedraal te Monreale is een soortgelijk mozaïek, waar
Willem de Goede, zooals zijn grootvader, wordt voorgesteld, terwijl
hij zijn kroon van Christus ontvangt; de gedachte was blijkbaar
erfelijk geworden. Deze kerk vertoont een geweldige oppervlakte van
mozaïeken (ongeveer 6400 M2) van verschillende dagteekening. Zij
stellen tooneelen voor uit de geschiedenis van het Oude Testament,
van het Leven van Christus en de Levens der Apostelen en vertoonen
een ontelbaar aantal heiligen en engelen.



AANTEEKENINGEN BIJ DE MUNTEN [361]

Plaat 45

van c. 650 tot c. 1313.


1. Een gouden munt van de "Heracliussoort" (c. 670), die Constans II
en zijn drie zonen vertoont, Constantinus Pogonatus (die zijn bijnaam
kreeg wegens zijn baard, dien hij gedurende een veldtocht in Afrika
liet groeien), Heraclius en Tiberius. Toen Constantinus Pogonatus
den troon besteeg, benoemde hij zijn beide broeders tot Augusti
(keizerlijke collega's) en gaf hen even groote macht als hij zelf
bezat, in navolging van de Heilige Drieëenheid, naar men zeide.

2. Constantinus VI en zijn moeder Irene, die hem blind liet
maken. Gouden Byzantijnsche munt van ongeveer 800.

3. Munt van den laatsten Longobardischen Koning, Desiderius. Tremissis
van electron (ongeveer vier deelen goud en éen deel zilver). Voorzijde:
DN. DESIDER R (de R is een gewone afkorting voor REX op Lombardische
munten). Keerzijde: Een ster of bloem in een cirkel en de woorden
FLAVIA LUCA. Voor "Flavia" zie men aanteekening bij Plaat 9, munt
17. Dit woord vindt men op Lombardische munten als bijvoegelijk
naamwoord bij steden, zooals Lucca, Piacenza enz. en beteekent
misschien, dat deze steden "koninklijke vestingen" waren met zekere
privileges. De namen van vele andere steden komen op deze soort voor
b.v. Milaan, Pavia (Ticino) enz., waar misschien een koninklijke
munt was. Er zijn ook eenige merkwaardige munten, zooals deze
"ster-tremisses" met den naam van een stad, over met een zinloos
opschrift (VIVIVI.... in plaats van den naam van een koning. Ook
werd in 1904 te Ilanz, in Zwitserland een schat gevonden, waarbij
vele dergelijke tremisses  waren, voorzien van den naam van Karel den
Groote. Deze beide typen zijn blijkbaar uitgegeven, nadat Desiderius
(774) naar Frankrijk verbannen was (zie p. 212), daar de oude keerzijde
is behouden.


4. Munt van Liutprand. Voorzijde van een gouden tremissis. Borstbeeld
van Liutprand met diadeem, schepter, borstharnas en krijgsmantel. Lees:
DN. LUTPRAN R. Op de keerzijde van deze soort Lombardische munten neemt
een gevleugelde figuur, de H. Michael, beschermheilige der Lombarden,
de plaats in van de Victoria, die op de klassieke munten zoo dikwijls
voorkomt. De vroeg Lombardische munten (zelfs die van Agilulf en
Theodelinda) zijn barbaarsche navolgingen van de keizerlijke. Omstreeks
den tijd van Liutprand (712-44) krijgen zij een meer eigen karakter,
maar de uitvoering is nog barbaarsch en de opschriften zijn dikwijls
onduidelijk en onjuist.

5. Karel de Groote (uit de Biblioth. Nation., Parijs). Munten van
Karel den Groote komen voor met de namen van verschillende steden,
Parijs, Parma, Florence, Rome enz. Dit is een zeldzamer, keizerlijke
munt met beeldenaar (de keizer heeft hier een knevel). Lees: CAROLUS
IMP. AUG. en op de keerzijde RELIGIO KRISTIANA rondom den zoogenaamden
Karolingischen tempel (zie munt op p. 374). De letter M = 40 nummi
(D = 20).

6. Louis de Débonnaire. Eveneens uit de Biblioth. Nation., Parijs. Voor
bijzonderheden zie men Engel et Serrure, Fig. 402.

7. Dukaat van Koning Roger (II) van Sicilië en zijn zoon. In 1140,
tien jaar nadat hij den koningstitel had aangenomen, schafte Roger de
keizerlijke munten (de zoogenaamde tari) af en liet zilveren dukaten
slaan met zijn eigen beeldenaar.

8. Augustal van Frederik II (voorzijde en keerzijde). Een zeer
fraaie munt. "De ware voorlooper van de groote Italiaansche munten
en medailles der vijftiende eeuw" (Serrure).

9. Carlin d'or (1/4 ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1277 op de
munt in den Castell dell' Uovo, Napels. De keerzijde stelt de Heilige
Boodschap voor.

10. Real d'or (1/4 ons) van Karel van Anjou, geslagen in 1270 in
navolging van de Augustal van Frederik II.

11. Zilveren munt van het type der prachtige gouden dukaten van Pedro
III van Arragon en Costanza, de dochter van Manfred. Niet lang na den
Siciliaanschen Vesper (1282) uitgegeven. De typische munt van Sicilië
gedurende de volgende twee eeuwen. Op de voorzijde de keizerlijke
adelaar en COSTA[NTIA] DEI GRATIA ARAG. SIC. REG. Op de keerzijde
Pedro's naam als koning van Arragon.

12. Munt van Robert d'Anjou, Hertog van Calabrië, zoon van Karel II,
lo Zoppo (de Lamme) en kleinzoon van den grooten Karel van Anjou. Hij
was koning van Sicilië 1309-43. Zie Dante, Paradiso VIII, 76.

13. Een fraaie munt van Pavia van ongeveer 1400. Het type is echter
ouder. Op de keerzijde een bisschop op een troon. Pavia verklaarde
zich na den dood van Frederik II in 1250 onafhankelijk, maar kwam
later in de macht van de Visconti van Milaan.

14. Venetiaansche gouden zecchino [362], het eerst geslagen door Doge
Giovanni Dandolo, c. 1285. Op de voorzijde: Doge Dandolo, die knielend
den schepter van den H. Marcus ontvangt. Keerzijde: de H. Marcus
geeft hem zijn zegen. Zie ook de munt uit veel vroeger tijd, p. 374.

15. Zilveren florijn (fiorino) van Pisa (na 1313) met den naam van
Frederik Barbarossa, dien het Ghibellijnsche Pisa op zijn munten hield
tot 1494 (uitgezonderd de jaren 1312-13, toen de naam van Hendrik
VII daarvoor in de plaats kwam; zie No. 18). Voorzijde: Keizerlijke
adelaar en FREDERICUS IMPERATOR. Keerzijde: Madonna en Kind.

16. Gouden florijn van Florence uit het jaar 1304. Zie de zilveren
grosso van ongeveer 1200 op p. 388, die als type werd aangenomen voor
deze latere gouden munten, met Johannes den Dooper, den beschermheilige
van Florence, en de Florentijnsche lelie, die Dante il maladetto
fiore noemt.

17. Men zegt, dat dit de eenige beeldenaar van Frederik Barbarossa
is. Hij is zeer barbaarsch en grotesk: een leelijke, baardelooze
jongen.

18. Pisaansche munt met den naam van Hendrik VII, dus dagteekent deze
van 1312-1313. Zie No. 15.

19. Beeldenaar van Hendrik VII.



VIJFDE DEEL

HISTORISCH OVERZICHT

1190-1313.


(1) Hendrik VI.

Men zal zich herinneren, dat, een jaar voordat Frederik Barbarossa in
den Salef verdronk, zijn zoon Hendrik door zijn gemalin Constantia
de opvolger werd van Willem den Goede van Sicilië, wiens huwelijk
met Joan van Engeland kinderloos was gebleven. Vele Sicilianen
echter weigerden den Duitschen vorst te erkennen, die hun door den
Engelschen Aartsbisschop Of a Mill (Offamilio) was opgedrongen. De
staatkundige mededinger van Offamilio, Aiello van Salerno, die jaren
lang het ambt van Staatssecretaris (protonotario) van den overleden
koning had bekleed, verwekte een opstand ten gunste van Tancred,
Graaf van Lecce (in Apulië), bastaard-zoon van Hertog Roger, een
zoon van Koning Roger en liet hem tot koning kronen; en Paus Clemens
III zond zijn zegen. Dadelijk verzamelde Hendrik VI, die zich door
zijn wreed en niets ontziend karakter reeds berucht had gemaakt,
een leger en zwoer wraak te zullen nemen; maar de berichten van den
dood van zijn vader in het oosten en de opstand van Hendrik den Leeuw
noodzaakten hem weder om de Alpen over te steken. Hij overweldigde
zijn mededinger naar de Duitsche keizerskroon snel en was weldra in
Rome terug; aldaar kon hij den Paus (Celestinus III) dwingen hem tot
Keizer te kronen (1191), nadat hij door een zeer laffe daad [363]
de gunst van de bevolking van Rome gewonnen had. Daarna marcheerde
hij zuidwaarts om de "Beide Siciliën" te onderwerpen en belegerde met
de hulp van schepen uit Pisa (die "schande van Italië", zooals Dante
de stad noemt) Napels, dat in dezen tijd een bijna onafhankelijke
stad was. Maar de schepen van de Noormannen verdreven de Pisanen
en Hendrik keerde met een leger, dat door ziekte gedecimeerd was,
naar Duitschland terug [364]. Hierop werd de partij van Tancred in
Zuid-Italië aanmerkelijk sterker. De inwoners van Salerno verbraken hun
verbond met den Duitschen Keizer en leverden de Keizerin, Constantia,
die juist in dien tijd in hun stad verblijf hield, aan Tancred uit;
doch deze was ridderlijk genoeg om haar weder in vrijheid te stellen,
een daad, die de ondankbaarheid en wreedheid van Hendrik des te sterker
doet uitkomen; want, toen Tancred in 1193 gestorven was en zijn jonge
zoon Willem tot Koning van de "Beide Siciliën" onder het regentschap
van zijn moeder, Sibilla, was uitgeroepen, rukte Hendrik VI wederom
naar het zuiden, nam Sibilla en haar kind gevangen en zond hen met
andere gevangenen naar Duitschland, waar zij blind werden gemaakt.

Hij was nu heerscher over de "Beide Siciliën" en eveneens over
Noord-Italië, waar hij door een verstandige toegevendheid gepaard
aan strengheid de republieken in toom hield. Toskane gaf hij aan
zijn broeder Philips en andere Duitsche hertogen kregen Umbrië en
Romagna. Hij deed geen moeite zich te mengen in de aangelegenheden van
den Paus en van Rome. Zooals gewoonlijk, bestonden er twisten tusschen
den Paus en den adel. Juist in dezen tijd had een oligarchische
partij met een Podestà aan het hoofd de macht in handen, die echter
weldra plaats zou moeten maken voor een republikeinschen Senaat en
een Prefect. Het was Hendrik volkomen onverschillig, welke partij de
overhand had, want de Paus had beide in zijn macht.

Keizerin Constantia, een vrome en zachte vrouw, nu reeds tamelijk oud,
leed zonder twijfel ten zeerste door de wreedheden die haar Duitsche
gemaal bedreef. Zij had zich teruggetrokken naar het stadje Jesi,
niet ver van Ancona, en daar schonk zij het leven aan een zoon [365],
den toekomstigen Keizer Frederik II. Door de Duitsche edelen, die
te Aken in 1196 bijeen waren gekomen, werd het kind tot "Koning der
Romeinen" gekozen; bij deze gelegenheid dwong Hendrik den keurvorsten
de erkenning van het absolute erfelijke recht van zijn afstammelingen,
hetzij in de manlijke hetzij in de vrouwelijke lijn, op de Duitsche
kroon af. Kort daarna werd hij naar Zuid-Italië teruggeroepen door
het opnieuw uitbreken van den opstand; hij dempte dien op de meest
barbaarsche wijze. Aangemoedigd door den gelukkigen afloop, begon
hij plannen te maken voor de verovering van Dalmatië, waarop hij
aanspraak maakte als een gedeelte van het gebied, dat de koningen der
Noormannen hadden bezet, en hij wilde zelfs Constantinopel innemen en
het Oostelijke Keizerrijk annexeeren, en deze plannen werden inderdaad
niet lang daarna verwezenlijkt, maar niet door hem; want hij stierf
te Messina in 1197, slechts twee en dertig jaar oud.



(2) Paus Innocentius III.

Overeenkomstig de belofte, die de keurvorsten aan Hendrik VI hadden
afgelegd, moest zijn zoontje Frederik hem opvolgen en inderdaad
werd hij onder regentschap van zijn moeder koning van Duitschland
en Italië, waaronder het rijk van de "Beide Siciliën" begrepen
was; bovendien was hij door zijn titel "Koning der Romeinen" reeds
aangewezen als Keizer. Maar in Duitschland maakten zich Hendrik's
broeder en een pretendent van de macht meester en werden beide tot
koning gekroond. En voordat het kind vier jaar oud was geworden,
stierf zijn moeder Constantia, nadat zij den Paus als voogd over hem
had aangewezen, dien zij tevens tot regent over de "Beide Siciliën"
(het koninkrijk Napels en Sicilië) had benoemd. Men kan wel vragen,
welk recht zij had om dit te doen (zooals wij ook gevraagd hebben,
met welk recht Mathilde het hertogdom Toskane aan de kerk naliet),
maar een dergelijke daad behoeft ons niet te verbazen bij een vrouw,
die men gedwongen had een geenzins gelukkig huwelijk te sluiten, toen
zij haar leven reeds aan den godsdienst had gewijd en wellicht reeds
non was (vgl. p. 367). Bovendien, hoe onwettig de daad misschien
ook was, zij werd erkend en was derhalve een feit van historische
beteekenis geworden. En het is niet gemakkelijk te bewijzen, dat de
gevolgen de daad niet rechtvaardigden.

De Paus, die aldus in naam regent over de "Beide Siciliën" werd
(want dit was het eenige rijk, waarop Constantia, als erfgenaam van
de Koningen der Noormannen, aanspraak kon maken) was Innocentius III,
de zoon van een Lombardischen Graaf van Segni en van een Romeinsche
moeder. Op den leeftijd van zeven en dertig jaar besteeg hij den
pauselijken troon, ongeveer drie maanden na den dood van Hendrik
VI. Hij was van alle pausen misschien de bekwaamste, zeer zeker de
eerzuchtigste en door een geweldige begeerte tot heerschen bezield;
en ten slotte slaagde hij erin een tijdlang zijn droom van een
pauselijk rijk verwerkelijkt te zien en alle monarchen [366] van
Europa aan zich te onderwerpen, terwijl hij hun koninkrijken tot
leengoederen van het Pausdom maakte. "Zulk een schouwspel", zegt
een schrijver uit den tegenwoordigen tijd, "had men sinds Karel
den Groote niet meer gezien; en men zou het niet wederzien voor de
komst van Napoleon". En zijn veroveringen bepaalden zich niet tot de
koninkrijken van het Westen; ook over het Oosten was hij leenheer;
want toen (1202-1204) Constantinopel werd veroverd en op schandelijke
wijze [367] door Fransche, zoogenaamde Kruisvaarders en de Venetianen
werd geplunderd, bekende hij eerst wel, dat dit feit ook op hem een
smet wierp, maar weldra troostte hij zich er mede, dat de Paus te
Rome door de nieuwe Latijnsche dynastie der Byzantijnsche Keizers
erkend werd; de eerste Keizer aanvaardde het keizerlijk purper uit
de handen van den gezant van Innocentius en de derde werd gekroond en
ingehuldigd in de St. Pieter te Rome door den opvolger van Innocentius,
Honorius. Inderdaad was geen ijdele bluf gelegen in de woorden, die
aan Innocentius worden toegeschreven, dat een Keizer slechts een maan
was, die haar licht ontleende aan de zon van het Pausdom [368].

Een andere overwinning van Innocentius werd door een nog schandelijker
kruistocht behaald en door middelen, die nog afschuwelijker waren dan
de plundering van Constantinopel. De geschiedenis van de uitroeiing der
Albigenzen en de verwoesting van een groot gedeelte van Zuid-Frankrijk
zou te veel ruimte innemen, indien het uitvoerig verteld werd; het
staat echter niet in rechtstreeksch verband met ons onderwerp en de
korte opmerkingen, die hierover gemaakt kunnen worden, zullen in een
later hoofdstuk volgen, zoodat die hier het verhaal niet behoeven
te onderbreken.

In één opzicht echter faalden de plannen van Innocentius. Niet alleen
Rome, waar, zooals gewoonlijk, tusschen het volk en den adel twisten
heerschten, maar ook vele steden van Noord- en Midden-Italië waren,
sommige meer andere minder openlijk, in opstand tegen het Duitsche
gezag. Innocentius wakkerde deze ontevredenheid aan, daar hij hoopte
bij die steden zelf de plaats van den Keizer te zullen innemen. Doch
hierin bedroog hij zich. Al mochten ook keizers en koningen hun kronen
uit de handen van den opvolger van den H. Petrus ontvangen, steden,
die zoo hevig gestreden hadden om hun rechten te verwerven, waren niet
van plan hun dienstbaarheid aan een Duitschen Keizer te verwisselen
met de onderdanigheid aan den Paus te Rome. De bond der Welfen, die in
1197 door de steden van Toskane gesloten werd, weigerde het werktuig
te worden van een eerzuchtigen priester, hoezeer hij hun ook mocht
verzekeren, dat zij denzelfden vijand, den Duitschen Keizer, haatten.

En de republieken hadden redenen genoeg om Innocentius te wantrouwen,
zooals weldra bleek, toen de toestanden in Duitschland zoodanig waren
geworden, dat hij het noodig vond zijn haat tegen de Duitschers te
verbergen. De oude twisten tusschen de Welfen en Waiblingen (zie
p. 323) waren wederom ontbrand en twee mededingers waren gekroond
(de een te Aken, de ander te Mainz), Otto van Brunswijk, een zoon van
den oproerigen Hendrik den Leeuw en neef van Richard Leeuwenhart, en
Philips, zoon van Barbarossa en broeder van den overleden Keizer. Tien
jaren lang werd het land door den burgeroorlog geteisterd. Ten slotte
werd Philips vermoord en Otto alleen als Keizer door de keurvorsten
te Frankfurt uitgeroepen; deze trachtte de gunst van Innocentius te
winnen door hem de souvereiniteit te beloven over het gebied (de
nalatenschap) van Mathilde en andere streken in Noord-Italië. De
poging gelukte en in 1208 werd Otto door den Paus te Rome gekroond
[369]. Maar de bevolking van Rome, die den Paus reeds lang wegens
zijn heerschzuchtige plannen vijandig gezind was, werd door dit
huichelachtig optreden en door het feit, dat hij aan een vreemden
vorst zonder hun toestemming de keizerlijke waardigheid had opgedragen,
nog meer op hem verbitterd. Er ontstonden ernstige onlusten, toen Otto
van het Vatikaan den Tiber trachtte over te trekken en een duizendtal
van zijn Duitschers werden gedood. Woedend marcheerde hij noordwaarts,
bezette wederom het gebied van Mathilde, en stelde in de steden, die
hij beloofd had aan het Pausdom af te staan, zijn Podestà aan. Doch dit
was niet voldoende om zijn toorn tot bedaren te brengen. Hij kwam met
een groote legermacht terug en viel het land van de Kerk en het rijk
van Frederik aan. Daarop (1210) sprak Innocentius den banvloek over
hem uit, en gelijk zoo dikwijls het geval was geweest, had de daad
van den heerzuchtigen priester een merkwaardig gevolg. De banbliksem
scheen de macht van Otto te vernietigen. Hij week naar Duitschland
terug en weldra werd hij, nadat hij bij Bouvines een verpletterende
nederlaag had geleden tegen Philips II August van Frankrijk, door
zijn edelen onttroond [370].



(3) Frederik II.

Reeds twee jaren, voordat deze slag geleverd werd, hadden de Duitsche
edelen Frederik uitgenoodigd de Alpen over te steken. Dit deed hij,
en in 1215 werd hij te Aken als Koning gekroond. Als kind was hij,
eveneens te Aken tot "Koning der Romeinen" uitgeroepen en thans werd
deze titel, waardoor hij tevens als Keizer werd aangewezen, plechtig
bevestigd door een groot Concilie, dat in het Lateraan gehouden werd
en waarbij meer dan 1500 prelaten en vele edelen aanwezig waren. Maar
ofschoon aldus erkend werd, dat hij Otto in diens waardigheden was
opgevolgd, werd hij toch door Innocentius niet uitgenoodigd om als
Keizer gekroond te worden. De sluwe en eerzuchtige Paus achtte het
blijkbaar veiliger om deze plechtigheid nog uit te stellen, misschien
wegens het feit, dat Otto nog in leven was.

Op zijn tocht van Palermo naar Duitschland had Frederik Rome bezocht
en Paus Innocentius, dien hij toen voor het eerst ontmoette. De
edele en impulsieve jongeling, niet ouder dan achttien jaar, schijnt
zeer vriendelijk jegens zijn vroegeren voogd geweest te zijn en
gaf blijk van zijn innige dankbaarheid, daar hij de rechten van den
Paus op het gebied, waar de Kerk aanspraak op maakte, bevestigde,
en hem verzekerde een kruistocht te zullen ondernemen en ook zelfs
beloofde zijn zuidelijke koninkrijken af te staan als een leen van
het Pausdom onder het bestuur van zijn jongen zoon Hendrik, zoodra
hij de keizerskroon zou ontvangen. Doch gelukkig is deze laatste
belofte nooit vervuld. Reeds voor den dood van Innocentius, die in
1216 plaats vond, had Frederik berouw van zijn belofte en herriep die,
en weldra zou hij zich een even heftigen tegenstander van het Pausdom
toonen als Otto was geweest. En Frederik was niet de eenige, die zoo
snel van front veranderde. Een algemeene beweging was begonnen, die
bestemd was ten slotte het geheele gebouw der wereldlijke macht van het
Pausdom omver te werpen en het eerst zou Innocentius' geweldige Toren
van Babel plotseling ineen storten, daar deze slechts gegrondvest
was op den bijgeloovigen eerbied voor een verouderde instelling,
die haar grootheid reeds lang verloren had.

Hoe de Kerk een tijdlang een deel van hare vroegere zedelijke hoogte
en haar zedelijken invloed herwon, niet door toedoen van de Pausen en
kardinalen, maar omdat in nederiger harten het gevoel van Christelijke
liefde en verachting der wereldsche dingen weder opleefde, zooals
St. Franciscus het door zijn daden bewees en St. Dominicus dit preekte,
zullen wij weldra zien.

In 1220 besloot Frederik zijn zuidelijke gewesten weder te bezoeken, en
liet in Duitschland als "onderkoning" zijn zoon Hendrik achter, die nu
een jongen van tien jaren was en dien hij te Frankfurt tot Koning der
Romeinen had laten kiezen. Daarna hield hij zich gedurende dertig jaren
bijna uitsluitend bezig met Sicilië en Italië. In Noord-Italië bestond
zijn gezag voornamelijk slechts in naam, want vele van de steden,
die door den Welfschen bond en den buitengewonen groei van den handel
steeds machtiger waren geworden, genoten volkomen vrijheid, behalve
wanneer zij zoo nu en dan bang werden gemaakt door de aanwezigheid
van keizerlijke troepen. Bovendien had zijn Noord-Italiaansch
gebied weinig bekoring voor hem; het was vooral het zuiden, in het
bijzonder Sicilië en Apulië, dat hij als zijn vaderland en zijn
eigenlijk koninkrijk beschouwde. En hij had ook nog andere redenen
om terug te keeren. Tijdens zijn afwezigheid in het noorden hadden er
onlusten plaats gehad op Sicilië. Zijn Mohammedaansche soldaten waren
aanmatigend opgetreden en de Christenen waren verontwaardigd. Hij vond
het noodzakelijk de orde te herstellen en bracht dit op krachtdadige
wijze tot stand door al zijn Saraceensche troepen van Sicilië te
verwijderen en hun dicht bij Pompei een woonplaats aan te wijzen,
welke plaats sinds dien tijd bekend was als Nocera dei Pagani en voor
hem een onschatbaar steunpunt werd.

Innocentius was in 1208 opgevolgd door Honorius III, die Frederik
in den beginne vijandig gezind was; maar toen deze te Rome kwam,
haalde hij dien zachtaardigen Paus door rijkelijke concessies
en beloften van kruistochten en andere middelen over om hem als
Keizer te kronen, een plechtigheid, waartoe hij des te gemakkelijker
besloot, omdat de onttroonde Otto onlangs was gestorven. De kroning
van Frederik en zijn koningin, Constantia van Arragon vond in 1220
plaats. Twee jaren later--het jaar van de geweldige aardbeving, die
op Kerstdag den dood van vele duizenden in Noord-Italië ten gevolge
had--stierf de gemalin van Frederik en de Paus, die steeds een heftig
voorstander van kruistochten was, overreedde hem toen Jolanthe de
Brienne, de zuster van den Franschen patriarch van Jeruzalem, Jean
de Brienne (den lateren Keizer van het Oosten), te trouwen. Toch
toonde Frederik geen grooten lust om zijn belofte gestand te doen en
zich als kruisvaarder te onderscheiden. Ofschoon hij later als een
vurige en wreede vervolger van ketters optrad, was hij niet alleen
verdraagzaam jegens ongeloovigen, maar bewonderde hen zelfs; inderdaad
was hij waarschijnlijk, om geen sterker uitdrukking te gebruiken,
een even goed Muzelman als Christen. Zoo gingen de jaren voorbij;
Honorius stierf in 1226 en de belofte bleef nog steeds onvervuld. Maar
de volgende Paus, Gregorius IX, ofschoon meer dan tachtig jaar oud,
drong zoo krachtig bij Frederik aan, dat hij genoodzaakt was toe te
geven, een groot leger van Kruisvaarders, voornamelijk Duitschers,
verzamelde, en van Brindisi wegzeilde. Een hevige epidemie brak evenwel
onder zijn volgelingen uit, die verschrikkelijk te lijden hadden van
de Apulische hondsdagen en hij gaf haastig bevel, dat de vloot den
steven zou wenden en liet de bemanning te Otranto aan wal zetten.

Hierop sprak de heftige, oude Paus den banvloek over hem uit en
kondigde een Encycliek af, waarin hij hem als verrader en lafaard
brandmerkte. Maar de jonge Keizer, niet minder heftig van aard,
beantwoordde dezen zendbrief met een moed en oprechtheid, die, zooals
Villari zegt, Luther zelf tot eer zouden gestrekt hebben. Zijn beroemd
Manifest was het eerste, werkelijk belangrijk en plechtig protest
van de hoogste civiele macht tegen de aanmatigende overheersching
van de Kerk en den Paus, waarvoor Innocentius met zulk een gunstig
gevolg had gewerkt. "Het was gericht tot alle Vorsten en Volkeren
van het Keizerrijk en herinnerde hen aan het lot van den ongelukkigen
Raimond, Graaf van Toulouse, en Koning Jan van Engeland (Jan zonder
Land), terwijl het bovendien zonder eenig medelijden een levendige
beschrijving gaf van het zedelijk verval der Kerk en de wereldlijke
eerzucht der Pausen. De Keizer van het Christendom verklaarde
sympathie te gevoelen voor de zienswijze der ketters ten opzichte
van de onchristelijke neigingen van het Pausdom." (Gregorovius). Het
Manifest werd in het openbaar op het Kapitool te Rome voorgelezen
onder groote geestdrift van een menigte toehoorders. Er ontstond een
oploop en Gregorovius vluchtte naar Viterbo en daarna naar Perugia,
vanwaar hij banbliksems tegen zijn tegenstanders slingerde.

Men zou er zich over kunnen verwonderen, wanneer men hoort, dat
Frederik onder dergelijke omstandigheden uit eigen beweging besloot
een kruistocht te ondernemen, ditmaal in vollen ernst, doch na eenig
nadenken zal men inzien, dat dit een meesterlijke zet van hem was. Hij
wenschte de wereld te laten zien, dat Keizers en Kruisvaarders zich
niet bekommerden om krachtelooze banbliksems en hij wilde bewijzen,
dat de Paus zijn eigen kleinzielige wraak hooger stelde dan de
bevrijding van het Heilige Graf. Terwijl de banvloek nog steeds op hem
rustte en de geestelijken hem brandmerkten als een "zeeroover, geen
Kruisvaarder", bereikte hij Jeruzalem. Daar geen priester die plechtige
handeling durfde verrichten, hief hij met eigen hand de kroon van het
altaar van het Heilige Graf op en zette die op zijn hoofd, een daad,
die door de tegenstelling ons herinnert aan dien gran capitano van
den eersten kruistocht, die weigerde gekroond te worden in de stad,
waar de Koning der Koningen een doornenkroon had gedragen [371].

Ondertusschen had in Italië Paus Gregorius, die nog steeds te
Perugia in ballingschap was, een Heiligen Oorlog afgekondigd tegen
den afwezigen en geëxcommuniceerden Keizer en toen Frederik in
Apulië landde (1229), stootten zijn Kruisvaarders, waaronder vele
Muzelmannen waren, op een bonte menigte, die zich geschaard had onder
de banier van het Pausdom. Maar de Saraceensche soldaten van het Kruis
joegen de pauselijke huurlingen op de vlucht en de Paus sloot gaarne
vrede en was zoo genadig den banvloek over den Keizer op te heffen
[372]. Daarna richtte hij zich met zijn troepen tegen een nederiger,
doch niet minder gevaarlijken vijand--de Patarini en andere ketters,
die sinds korten tijd hun verderfelijke leerstellingen in Noord-Italië
en elders met grooten ijver verspreidden; en wij vernemen, hetgeen
bevreemding wekt, dat Frederik zijn hulp verleende bij die ellendige
vervolgingen. Gregorius IX kan aanspraak maken op de eer (die weinigen
hem zullen benijden), dat hij het eerst de gevreesde rechtbank van
de Inquisitie te Rome heeft ingevoerd en vele veroordeelde ketters
heeft laten verbranden, waarschijnlijk op de piazza van de S. Maria
Maggiore, om een Romeinschen feestdag te maken. In het voorbijgaan
kunnen wij wijzen op het vreemde feit, dat het gepeupel te Rome, dat
om staatkundige redenen zoo dikwijls Pausen verjoeg en terugriep,
blijkbaar ten opzichte van zulke onmenschelijke daden, die in naam
van den godsdienst werden bedreven, het steeds met de Pausen eens
was. Maar toen het wispelturige gepeupel zijn oogen aan dergelijke
autos-de-fé verzadigd had, keerde het zich plotseling tegen zijn
weldoener en verjoeg hem weder uit Rome.

De jaren 1230-35 waren van groot gewicht voor Rome. Tweemaal deed het
een wanhopige poging om zich van den Ouden Man van het Pauselijk Hof
te bevrijden; doch bij elk van deze gelegenheden luisterde Frederik,
die zich liet leiden door staatkundige beweegredenen, vooral door de
verraderlijke kuiperijen van zijn zoon, naar de wanhopige smeekbeden
van den verbannen Paus, die nu de Christenen opriep om een Heiligen
Oorlog tegen de Romeinen te ondernemen, zooals hij kort te voren
een kruistocht had afgekondigd tegen Frederik zelf. Wanneer Rome in
deze omstandigheden zich onafhankelijk had gemaakt en zich aan het
hoofd van een Romeinschen Bond had geplaatst, dan zouden de latere
lotgevallen van Italië geheel anders zijn geweest, dan zij zich nu
ontwikkeld hebben; of het ten voordeele van Italië of van de menschheid
zou geweest zijn, is moeilijk te zeggen. Maar ondanks de heldhaftige
inspanning van de Romeinen eindigde de worsteling ten gunste van het
Pausdom. Het leger van Romeinsche burgers volgde onder aanvoering
van hun Senatoren de rood-en-gouden banier, waarop het trotsche
S. P. Q. R. van de oude republiek stond en zij plunderden de steden van
Toskane en Latium, die de voortvluchtige Paus trachtte te versterken en
te vereenigen tot een anti-Romeinsche Confederatie. Daarna stonden zij,
door bemiddeling van Frederik, Gregorius toe terug te keeren. Maar
weldra hadden zij er berouw van, of, om de symbolische uitdrukking
van een ouden paus-gezinden kroniekschrijver te gebruiken, zeven
booze duivels drongen bij hen binnen, en tot razernij gebracht door de
gedachte aan de vrije republieken in het noorden en hun eigen slaverij,
stonden zij wederom op en eischten onafhankelijkheid. Hun senator Lucas
Sorelli liet afkondigen dat Beneden-Toskane en de Campagna gebied
was van de Romeinsche Republiek. Toen vluchtte Gregorius en sprak
over Rome het interdict uit. Om zich hierover te wreken plunderden
de Romeinen het Lateraan. Ten slotte kwamen op zijn luid geroep om
hulp van heinde en verre troepen om den Paus te helpen en Frederik
stond hem ook weder bij. Een hevig gevecht werd dicht bij Viterbo
geleverd. De Romeinen werden verslagen en naar hun stad gedreven;
en weldra waren zij genoodzaakt hun hoop op vrijheid op te geven
en zich aan den Paus te onderwerpen [373], op voorwaarde, dat zij
gemeentelijke autonomie zouden genieten, maar dat aan den anderen
kant de geestelijken vrij zouden zijn van belastingen en niet onder
de burgerlijke wet zouden staan.

De zoon van Frederik, Hendrik, die sinds het jaar 1220 was opgetreden
als onderkoning in Duitschland, verwekte nu een opstand, stelde
zich in verbinding met de Lombardische steden en den Paus, en liet
zich tot Koning uitroepen. Nadat Frederik de pogingen van zijn zoon
had verijdeld door den Paus hulp te zenden, haastte hij zich over de
Alpen; het gelukte hem den opstandeling te overweldigen en gevangen
te nemen; daarna (1235) werd Hendrik naar Apulië gestuurd, waar hij
het overige van zijn leven in de gevangenis doorbracht, een lot, dat,
zooals wij zullen zien, ook een ander van Frederik's zonen trof.

In plaats van Hendrik koos Frederik als onderkoning van Duitschland
zijn tweeden zoon, Koenraad. Daarna richtte hij zijn aandacht op de
Welfsche Lombardische steden, die een groote welvaart hadden bereikt
en daardoor onafhankelijker en oproeriger waren geworden, zoodat zij
zelfs de passen over de Alpen hadden bezet en in voortdurenden strijd
waren met de steden, die de zaak van den Keizer begunstigden. Het
gezag van den Keizer had evenwel onlangs grooten steun gekregen
door toedoen van den zoon van een monnik, den "Zoon van den Duivel"
zooals men hem algemeen noemde, den "zwart-harigen Ezzelino" [374],
dien Ariosto een kind van de hel heeft genoemd en die met Alexander
en Dionysius door Dante in de rivier van kokend bloed, de Phlegethon,
wordt geplaatst. Ezzelino had zich reeds van verscheidene steden
meester gemaakt; toen Frederik kwam en Vincenza innam, werd deze stad
aan dien condottiere overgegeven; kort daarna nam hij Padua en Mantua
en werd aldus tyran of onderkoning van een aanzienlijk gebied. Milaan
stond aan het hoofd van den opstand der Welfsche steden, maar bij
Cortenova leden zij een nederlaag even zwaar als die bij Legnano en
Frederik trok Cremona zegevierend binnen, terwijl hij den Milaneeschen
Carroccio met zich voerde, die door een witten olifant werd getrokken;
aan den mast van den wagen was de Podestà van Milaan, Tiepolo, de zoon
van den Doge van Venetië, gebonden. Gebroken overblijfselen van den
Carroccio zond Frederik naar Rome om daar ten toon te worden gesteld
en op het Kapitool te worden bewaard.

Dit alles was voor Paus Gregorius in hooge mate onaangenaam. Hij riep
een Concilie in het Lateraan bijeen en sprak den banvloek over den
Keizer uit. Het antwoord hierop werd gestuurd door Pier delle Vigne,
den trouwen secretaris van den Keizer, die, zooals Dante zegt, de beide
sleutels van Frederik's hart bewaarde [375]. Frederik stelde voor
zich te onderwerpen aan de uitspraak van een algemeen Concilie. De
Paus schreef een Concilie uit, maar dit zou alleen uit geestelijken
bestaan en te Rome gehouden worden. Dit was volstrekt niet hetgeen
Frederik bedoelde en toen in 1241 een menigte, een bende, turba, zooals
Frederik hen noemde, kardinalen en bisschoppen en andere geestelijken
zich te Genua naar Rome inscheepten, besloot men, dat Pisaansche en
keizerlijke schepen hen zouden aanvallen. Deze vreemde ontmoeting
ter zee vond plaats dicht bij het eiland Monte Cristo. Het convooi
van Genueesche galeien werd verslagen en de gevangen geestelijken
werden in triomf naar Napels gevoerd.

Ondertusschen was Frederik naar het zuiden gemarcheerd en maakte het
plan Rome aan te vallen, toen in zijn legerplaats bij Grottaferrata
(dicht bij het Albaansche meer) het bericht kwam, dat zijn oude
tegenstander, Paus Gregorius, die bijna zijn honderdste jaar had
bereikt [376], gestorven was. Vele geestelijken waren nog in de macht
van Frederik en de Tien Kardinalen, die in Rome waren, werden twee
maanden lang streng gevangen gehouden door den Senator Rubeus, een
despotisch individu, die in dezen tijd in de stad de baas speelde;
eindelijk werden zij uit hun wreede gevangenschap (waarin een van
hen was gestorven) verlost, nadat zij een Paus hadden gekozen, een
zwakken ouden man, Celestinus IV. Deze overleefde zijn benoeming
slechts achttien dagen. Daarop volgde een pauselijk interregnum van
ongeveer twee jaren, gedurende welken tijd alle kardinalen verdwenen
en hun toevlucht zochten in verschillende kasteelen op het land. Ten
slotte, na herhaalde aanmaningen en bedreigingen van Frederik, die nog
steeds de Campagna verwoestte, ofschoon hij Rome niet durfde aanvallen,
kwamen de kardinalen te Anagni bijeen.

Frederik had eenige van de prelaten, die hij had gevangen genomen,
de vrijheid gegeven om zich van hun steun bij de keuze van een Paus
te verzekeren en zoo werd Kardinaal Fieschi van Genua, die langen
tijd zijn vriendschap had genoten, tot Paus gekozen. Maar door dezen
verkiezing verloor Frederik een vriend zonder iets te winnen, want,
zooals hij zelf uitriep, "geen Paus was ooit een Ghibellijn." Inderdaad
toonde Innocentius IV zich een even beslist tegenstander als Gregorius
was geweest. Reeds dadelijk weigerde hij den banvloek, die over den
Keizer was uitgesproken, op te heffen, omdat deze zekere vestingen
niet wilde ontruimen en in 1245 voer hij naar Genua en ging vandaar
naar Lyon, in Frankrijk [377], waar hij een Concilie bijeenriep en
Frederik van den troon vervallen verklaarde.

Er ontbrandde een strijd van twee Titanen, waarbij Encyclieken en
Manifesten werden geslingerd als rotsblokken en bliksemschichten,
terwijl Europa zwijgend, vol ontzag, toekeek. Voorloopig scheen er
nog geen beslissing te zullen vallen. De aanvallen van Frederik tegen
de hebzucht, aanmatiging en ondeugden van het Pausdom werden door de
groote meerderheid der Christenen met geestdrift toegejuicht, maar
Innocentius vond ook levendigen bijval voor zijn bewering, dat "aan
het Hoofd van de Kerk twee zwaarden waren gegeven, de geestelijke en
de wereldlijke macht, en dat hij de vrije beschikking had om er een aan
den Keizer te leenen." Europa was nog niet gekomen tot dat onderscheid
tusschen de koninkrijken van den godsdienst en de wereldlijke macht,
waarvoor Dante in zijn Monarchia en in zijn Divina Commedia [378]
zoo krachtig opkomt. En zonder twijfel had deze geweldige botsing
ver strekkende gevolgen, die niet gemakkelijk te bemerken waren,
en in dien tijd ontstonden naar aanleiding daarvan gevaarlijke
opstanden en werd zelfs een pretendent tot Keizer uitgeroepen;
aan den anderen kant herleefde de anti-pauselijke stemming, waarvan
de Ghibellijnsche partij in Noord-Italië voordeel trok om de jonge
republieken te onderdrukken. De bloeddorstige Ezzelino, die nu de
schoonzoon van Frederik was, onderwierp, geholpen door Frederik's
onwettigen zoon Enzio (of Enzo), vele steden van Lombardije, Emilia
en Venetia en trachtte die in "Signorie" te veranderen, (een lot,
dat weldra de meeste Italiaansche republieken zou treffen) of liever,
één groote Signoria van vele steden te stichten.

Een tijdlang bleef Frederik in het zuidelijk deel van zijn rijk,
waar hij voortdurend in botsing kwam met de bondgenooten van den
Paus, die nog steeds in zijn preeken tot kruistochten tegen den
geëxcommuniceerden opwekte en zich voor geen middel schaamde de
fanatieken tegen den "ongeloovigen vijand van den Godsdienst" en den
"tweeden Nero" op te stoken, in de hoop, dat hij het "addergebroed"
van de Hohenstaufensche vorsten zou kunnen uitroeien. Bedelmonniken,
die door den Paus met goud waren omgekocht, trachtten de Siciliaansche
edelen over te halen den Keizer te vermoorden [379]. Gelukkig evenwel
werd de samenzwering ontdekt en kort daarna (1247) baande Frederik
zich een weg naar Noord-Italië om met zijn zoon Enzio een veldtocht
tegen de republikeinsche steden te ondernemen. Hier leed hij een
verpletterende nederlaag, want gedurende het beleg van Parma, dat
zich heldhaftig verdedigde, namen de belegerden, toen hij op jacht
was, de gelegenheid waar om een uitval te doen, slaagden er in zijn
legerplaats te verwoesten, doodden duizenden van zijn mannen en maakten
vele gevangenen, zoodat hij in een toestand geraakte, die bijna even
beklagenswaardig was als die, waarin Frederik-Barbarossa na den slag
bij Legnano verkeerde, en met groote moeite zijn strijdkrachten in
Cremona verzamelde om den oorlog weder te beginnen. Maar een tweede
slag trof hem. Zijn zoon Enzio werd door de Bologneezen gevangen
genomen en de ongelukkige jongeling bracht het overige van zijn leven,
bijna 23 jaar, in gevangenschap door. [380]

Zooals ook het geval was met grooten Theoderik, werden de laatste
jaren van Frederik niet alleen door rampen, maar ook door sombere
verdenkingen en wreede, onrechtvaardige daden bewolkt. Het lot van
zijn secretaris en raadsman Pier delle Vigne van Capua, die langen
tijd zijn vertrouwen had genoten, is reeds verteld. Het schijnt,
dat Frederik hem te Cremona liet gevangen nemen en misschien ook
blind liet maken, en dat Pier te Pisa zelfmoord heeft gepleegd. In
hetzelfde jaar trok Frederik, door rampen gebroken, zich naar zijn
geliefd Apulië terug en een paar maanden later (1250) stierf hij, na
een korte ziekte, op een van zijn kasteelen (Castel Fiorentino, dicht
bij Lucera), volgens sommigen omringd door zijn trouwe Saracenen,
volgens anderen (zooals ook Gregorovius gelooft) "gekleed in het
gewaad van een Cisterciënser monnik, nadat zijn oprechte vriend,
de aartsbisschop van Palermo, hem absolutie had gegeven".

Laetentur caeli et exsultet terra, schreef Innocentius, de
Hoogepriester van de Christelijke Kerk, aan het Siciliaansche volk,
toen hij den dood van hun koning vernam en tegenover deze ruwe uiting
kunnen wij de woorden van deze koning stellen, toen hij hoorde, dat
zijn groote tegenstander, Paus Gregorius IX gestorven was: de morte
ejus multa compassione conducimur, et licet digno contra eum odio
moveremur [381].

Het eenige levensdoel van Innocentius schijnt geweest te zijn het
addergebroed van de Hohenstaufen-dynastie uit te roeien. Hij haastte
zich dadelijk van Lyon naar Italië, dat hij sinds zes jaren niet
bezocht had en slingerde banbliksems en preekte kruistochten tegen
den jeugdigen Koenraad, den zoon van Frederik, die thans koning van
Duitschland was. Koenraad kwam naar het zuiden om aanspraak te maken
op zijn rechten; maar hij stierf weldra (1254) en liet een nog zeer
jongen zoon na, Conradino (Konradijn), den laatsten wettigen erfgenaam
van het keizerlijk huis der Hohenstaufen [382].



(4) Manfred en Karel van Anjou.

Een onwettige zoon van Frederik, Manfred, Prins van Taranto, was door
zijn vader's laatsten wil aangewezen als onderkoning van Zuid-Italië
onder de souvereiniteit van zijn half-broeder Koenraad. Na den dood
van Koenraad ondersteunde Manfred, die toen twee en twintig jaar oud
was, eerst zeer oprecht den jongen erfgenaam, Conradino, en verzocht
Innocentius hetzelfde te doen. Maar Innocentius eischte volledige
en openlijke onderwerping aan het pauselijk gezag en Manfred gaf de
voorkeur aan openlijke vijandschap; geholpen door zijn trouwe Saracenen
gelukte het hem de pauselijke huurlingen bij Foggia (in Apulië)
te verslaan. Vijf dagen daarna stierf Paus Innocentius te Napels.

De nieuwe Paus, Alexander IV (1254-61), werd in den beginne zeer
belemmerd in zijn bewegingen door den stand van zaken te Rome,
waar onder leiding van een Bologneezer Podestà, Brancaleone
geheeten, een republikeinsche regeeringsvorm tot stand was gekomen
met volksvergadering en gilden (Arti), zooals in de steden van
Noord-Italië; derhalve werd te Rome een tijdlang de zaak van Manfred,
als tegenstander van het Pausdom, begunstigd. Ondanks herhaalde
pauselijke excommunicaties, waarvoor het Christendom langzamerhand
onrustbarend onverschillig werd, begon de partij van Manfred door
deze omstandigheden zoo machtig te worden, dat hij het beter vond
de teugels der regeering uit de handen van een zwak kind te nemen,
vooral toen hij het (valsche) gerucht van Konradijn's dood vernam;
bovendien waren er in Duitschland pretendenten opgetreden, zooals
Richard van Cornwall en Alfonso van Kastilië; Manfred volgde dus het
voorbeeld van Koning Roger en nam de koningskroon aan in de kathedraal
van Palermo (1258).

Manfred had nu niet slechts den Paus tegen zich en de Welfen, maar
ook de legitimisten onder de Ghibellijnen, d.w.z. zij die de rechten
van Konradijn wilden handhaven. In het zuiden hield hij zich staande
door de hulp van zijn Duitsche troepen en zijn trouwe Saracenen;
doch dit vermeerderde zijn populariteit niet en hij verergerde den
wrok door nieuwe contingenten van Mohammedaansche huurlingen uit
Afrika in te voeren.

Ondertusschen had in het noorden de partij der Ghibellijnen,
die toch altijd--ofschoon de groote veete weleens aanleiding gaf
tot onderlinge oneenigheid--als de partij van het leenstelsel en de
vreemde overheersching tegenover de voorstanders van de republikeinsche
vrijheid stond, een ernstige nederlaag geleden door den ondergang van
Ezzelino. Twintig jaren lang had zijn naam in Noord-Italië schrik en
angst verspreid. Hij heerschte als een despoot, ofschoon hij in naam
leenman van den Keizer was, over alle steden tusschen den Lago di
Garda en de Venetiaansche lagunen. Maar de republikeinsche geest kon
niet gedoofd worden. Met de hulp van de Welfsche gemeenten maakten
de onderdrukte steden zich vrij en Ezzelino werd in de gevangenis
geworpen, waar hij, naar men zeide, zich van kant maakte door de
verbanden van zijn wonden af te trekken (1259) [383]. Aldus kreeg een
tijdlang de volkspartij in het noorden de macht in handen, terwijl
in Toskane de Florentijnsche Welfen er in slaagden de Uberti en hun
Ghibellijnsche aanhangers te verdrijven. Maar deze overwinning was
van korten duur, want, zooals wij later zullen zien, de ballingen
verzamelden een leger en brachten hun tegenstanders bij Montaperti
(dicht bij Siena) een verpletterende nederlaag toe, en Florence
zou geplunderd zijn en met den grond gelijk gemaakt, indien niet de
machtige aanvoerder van de Ghibellijnen, Farinata degli Uberti tusschen
beiden was gekomen. In dezen slag, die, zooals Dante zegt, "de Arbia
rood verfde" [384] door het bloed van de Welfen, onderscheidde zich
in het bijzonder de Duitsche ruiterij van Manfred. Dit bevestigde nu
ook zijn gezag in Midden-Italië en zijn stadhouder, Guido Novello,
bestuurde een tijdlang Florence.

Maar zijn gelukster ging nu tanen. Paus Alexander stierf in 1261 en
de kardinalen kozen, na maanden lang geaarzeld te hebben, den zoon
van een schoenmaker van Troyes, die geklommen was tot de waardigheid
van patriarch van Jeruzalem. De verkiezing van dezen Franschen
Paus, Urbanus IV, had weldra belangrijke gevolgen. Toen hij zag,
dat Hendrik III van Engeland door zijn edelen werd bezig gehouden,
bood hij de kroon van Sicilië, die door Innocentius reeds aan den
jongen Engelschen prins was gegeven, Karel van Anjou, den broeder
van Lodewijk IX (den Heilige) van Frankrijk, aan. En dit aanbod werd,
ongelukkig genoeg, aanvaard.

Karel, Graaf van Anjou en door zijn gemalin ook Graaf van Provence,
had zich met zijn koninklijken broeder bij den zevenden kruistocht
onderscheiden en was onlangs door de Romeinen tot Senator gekozen. Door
zijn eerzuchtigen, vermetelen, gewetenloozen en wreeden aard en zijn
buitengewoon geluk vond hij weldra gelegenheid, zooals wij zullen
zien, om rampen over Italië en Sicilië te brengen. Dit bracht hij
voornamelijk tot stand door de hulp van het Pausdom. Toen de Fransche
Paus was gestorven (1265), werd een Provençaal, een onderdaan en
bewonderaar van Karel, gekozen. Deze Paus, Clemens IV, kon den broeder
van Karel, den Franschen Koning, gemakkelijk overreden, toe te staan,
dat er in Frankrijk een kruistocht gepreekt werd tegen Manfred en
zoo werd er een groot leger geworven door middel van de bijdragen der
vromen en door pauselijke aflaten. Manfred, van zijn kant, verzamelde
te Capua zijn Duitsche en Saraceensche strijdkrachten, die hoonend de
aankomst van den Franschen avonturier afwachten, terwijl een vloot
van Siciliaansche en Pisaansche schepen langs de kusten kruiste om
te verhinderen, dat de indringer een landing zou doen.

Maar de vermetele Karel vertrouwde op zijn geluk. Hij voer met slechts
duizend ruiters van Marseille weg. Zijn armada van zeventig kleine
schepen werd door de winden verstrooid, maar hij verbrak de blokkade
met drie schepen en bereikte in een boot veilig het strand, dicht
bij Ostia. Door zijn Romeinsche vrienden werd hij met geestdrift
ontvangen en hij mocht zijn manschappen legeren in het klooster
van S. Paolo fuori le mura. Twee dagen later kwam de rest van zijn
schepen, daar de storm den vijand had verdreven. Toen hield hij
een plechtigen intocht in Rome (21 Mei, 1265, de maand en het jaar,
waarin Dante werd geboren). Hier moest hij acht maanden wachten op
zijn landleger. Ondertusschen, ofschoon hij door geldgebrek dikwijls
in groote verlegenheid zat, vermaakte hij zich door de rol van Senator
te spelen, de Universiteit van Rome te stichten en liet zich ook tot
Koning van de Beide Siciliën kronen, welke plechtige handeling door
de kardinalen werd verricht [385], daar Paus Clemens het niet gewaagd
had naar Rome te komen, maar nog steeds te Perugia vertoefde.

Indien Manfred in deze omstandigheden het gewaagd had Rome te
overvallen en den Franschen avonturier gevangen te nemen, zou de
geschiedenis van Italië geheel anders zijn dan zij nu is. Maar hij
kon zijn edelen niet vertrouwen, en terwijl hij aarzelde, baande het
landleger van Karel, waarbij zich vierhonderd Florentijnsche ballingen
hadden aangesloten, zich een weg naar Rome. Manfred stelde zich bij
Benevento op en daar viel Karel hem aan. De slag, waarvan de afloop
lang twijfelachtig scheen, werd beslist, toen Manfred's edelen hem in
den steek lieten; daarop wierp hij zich midden in de vijanden en werd
gedood. Onder de duizenden van de gevallenen werd eindelijk zijn lijk
gevonden en de soldaten richtten daar een steenhoop als gedenkteeken
op om hun dapperen vijand te eeren; maar de Aartsbisschop van Cosenza
liet het op bevel van Paus Clemens weghalen en "met uitgedoofde
kaarsen" [386] buiten de grenzen van het koninkrijk brengen, naar de
"oevers van de Verde" (waarmede misschien de Liris wordt bedoeld),
waar het lijk werd neergeworpen ten prooi van den winden, den regen,
de roofvogels en andere dieren [387]. Karel koelde zijn woede ook
aan de jonge vrouw en vier van de kinderen van Manfred, die allen de
rest van hun leven, sommige langer dan dertig jaar, in gevangenschap
moesten doorbrengen. Een ontsnapte en werd later Koningin van Sicilië;
aan haar, zijn bella figlia, la buona Costanza, zendt Manfred van
den Louteringsberg zijn groeten door tusschenkomst van Dante.

De val van Manfred had natuurlijk een krachtige herleving van de
Welfsche heerschappij in de noordelijke steden ten gevolge. Florence
verjoeg de ambtenaren van Manfred en de Welfsche regeeringsvorm werd
op een hechten grondslag gevestigd.



(5) Konradijn en Karel van Anjou.

Het heerschzuchtige en wreede optreden van Karel verwekte al spoedig
wrok en opstand, zoowel in Sicilië, waar hij zich bijzonder gehaat
maakte door ondragelijke afpersingen en zijn plan om Napels in plaats
van Palermo tot hoofdstad van zijn koninkrijk te maken, als ook in het
noorden, waar de Ghibellijnen, aangevoerd door Pisa en Siena, weder
krachtig begonnen te worden en hun blikken richtten naar Duitschland,
want de jonge Duitsche koning, Konradijn, die nu veertien jaar oud
was, scheen neiging te gevoelen zijn krijgskans tegen den Franschen
overweldiger te beproeven.

Het was een vreemde stand van zaken, een goed voorbeeld van de
ingewikkeldheid der Italiaansche geschiedenis. Hier zien wij, hoe de
helft van de bewoners van Italië zich tot een Duitschen jongeling richt
om hen te helpen, daar zij zuchten onder de zweep van den Franschen
tyran, die hun is opgedrongen door den Paus, den hoogsten beschermer
van hun zedelijke en geestelijke welvaart; wij zien, hoe de Paus dezen
vreemden overweldiger aanhitst en tegelijkertijd krachtig de zaak
van de republikeinsche vrijheid begunstigt, om zich bondgenooten te
verschaffen tegen het "addergebroed" van Duitsche vorsten; wij zien,
dat sommige van de zoogenaamde republieken de zaak van de vrijheid
ontrouw worden alleen om zich te wreken op politieke mededingers,
een verbond sluiten met het Pausdom en op verzoek van den Paus zich
verlagen om Karel van Anjou als heer en meester te erkennen, ja zelfs
hem tot Podestà kiezen, zooals Florence deed, tot haar eeuwige schande.

In het jaar 1267 trok de jonge, dappere Konradijn de Alpen over. Hij
werd te Pavia en Pisa en in de andere Ghibellijnsche steden met
geestdrift ontvangen. De zwakke banbliksem, die door den Paus uit
Viterbo geslingerd werd, had geen uitwerking en in het midden van den
zomer 1268 was de jonge koning te Rome, waar hij, op het Capitool door
de wispelturige menigte tot Keizer werd uitgeroepen. Daar hij er zeer
naar verlangde zijn vijand te ontmoeten, trok hij, misschien wat al te
vroeg, met zijn troepen uit. Hij vond Karel niet ver van Tagliacozza,
in de nabijheid van den Lago di Fucino. In den beginne was het geluk
hem gunstig; maar zijn troepen sloegen aan het plunderen en werden
toen plotseling aangevallen en verslagen door een sterke reserve van
ruiterij onder aanvoering van Karel zelf en Valéry, connétable van
Champagne. Konradijn ontsnapte met vijfhonderd ruiters en bereikte
Rome; doch daar ontving men hem aarzelend en hij besloot met een
klein aantal getrouwen te vluchten. Zij trokken naar het zuiden,
naar de Pontijnsche moerassen, zooals eenmaal Caius Marius en Cicero
hadden gedaan. Te Astura, dat toen een klein visschersdorp was,
vond hij een schip en ging aan boord, in de hoop Pisa te zullen
bereiken, maar de eigenaar van het nabijzijnde kasteel [388], een
van de Frangipani, maakte jacht op hem, nam hem gevangen en gaf hem
aan zijn vervolgers over.

Karel had de meeste van zijn aanzienlijke gevangenen laten
afmaken; velen liet hij de handen en voeten afhakken, maar toen
dit te omslachtig en onaangenaam was, liet hij de overigen in
een houten gebouw opsluiten en dit in brand steken. Hij vond het
evenwel verstandig Konradijn voor een schijn-rechtbank te laten
veroordeelen. Van de rechters, die door Karel waren benoemd om het
vonnis, dat hij wenschte, uit te spreken, gaf slechts éen zijn stem
daarvoor; éen waagde, evenals Socrates, zijn leven door er tegen te
stemmen; de overigen zwegen. Toen sprak Karel, die dit zwijgen als
instemming opvatte, het doodvonnis over den jongen koning en twaalf
van zijn strijdmakkers uit. Konradijn ontving dit bericht, terwijl
hij met zijn bloedverwant en medeslachtoffer, Hertog Frederik van
Baden, een partij schaak speelde. Op den 29en October 1268 vond de
droevige terechtstelling plaats te Napels, op de Piazza del Mercato,
die toen uitzicht had op de zee [389]. Konradijn, die slechts zestien
jaar oud was, toonde, naar men vertelt, geen vrees, maar omarmde
zijn makkers en den beul, legde zijn hoofd op het blok en riep uit:
"O, mijn moeder, welk een verdriet heb ik u berokkend!"



(6) Karel van Anjou en de Siciliaansche Vesper.

Een maand later stierf Paus Clemens, die het niet meer gewaagd had
naar Rome terug te keeren, te Viterbo. Hij had, naar aanleiding van de
bloedige en ruwe daad van Karel, op geenerlei wijze zijn afgrijzen te
kennen gegeven. Integendeel, hij juichte over de verdelging van het
gehate "addergebroed" van de Hohenstaufen. Maar het begon hem zonder
twijfel wel duidelijk te worden, dat Karel zijn meester was, dat hij
een boozen geest had opgeroepen, dien hij niet kon bezweren. En dat
Karel de macht volkomen in handen had, blijkt wel uit het feit, dat
ongeveer drie jaren lang geen Paus werd gekozen, daar de Kardinalen
verlamd waren door de onbeschaamdheid van de Fransche prelaten en
beambten. En hij was ook niet tevreden met de heerschappij over de
Beide Siciliën, Rome en het grootste deel van Italië. Hij droomde van
een veel grooter rijk. Nadat hij zijn broeder, Lodewijk den Heilige,
had overreed een kruistocht te ondernemen tegen Tunis (waar Lodewijk
aan de pest stierf) trachtte hij zijn heerschappij in diens gebied te
vestigen en uit te te breiden. Daarna richtte hij zijn blikken naar
het oosten en verloofde zijn dochter met den zoon en erfgenaam van den
verbannen Latijnschen Keizer van Byzantium, Boudewijn van Courtenay,
die hem de provincie Thessalonica aanbood, wanneer hij den troon
weder zou hebben bestegen; op die wijze hoopte Karel een dynastie te
grondvesten, die over het vereenigde Keizerrijk van het Oosten en het
Westen zou heerschen. Maar Boudewijn, die door Michael Palaeologus werd
verdreven, bracht de rest van zijn leven door met hulp te vragen aan de
vorsten van Europa en aldus werd de hoop van Karel de bodem ingeslagen.

In 1271 eindelijk waagden de kardinalen het te Viterbo bijeen te
komen om een Paus te kiezen; maar de Fransche prelaten trachtten dit
voortdurend te verhinderen, totdat ten slotte het volk van Viterbo het
dak van het gebouw, waarin de kardinalen waren opgesloten afbrak, om
hun beslissing te bespoedigen. Terwijl dit alles gebeurde, verscheen
Karel, die juist van Tunis was teruggekeerd, op het tooneel. Ook Guy
de Montfort die nu zijn stadhouder in Toskane was, kwam met hem. Hij
was de kleinzoon van den verschrikkelijken Simon de Montfort, die
de Albigenzen heeft uitgeroeid. Zijn vader, Earl Simon of Leicester
was gedood (1265) in den slag van Evesham en zijn lijk was smadelijk
behandeld.

Met Karel was uit Tunis gekomen een Engelschen prins, een verwant van
Guy, Hendrik van Cornwall, die een neef van Hendrik III van Engeland,
den verbitterden vijand van de Montforts was. De aanblik van dien
jeugdigen Hendrik maakte Guy de Montfort zoo razend van woede,
dat hij hem gedurende de mis, in tegenwoordigheid van Karel en de
kardinalen, bij het hoogaltaar doodde en hem bij zijn haren uit
de kerk sleurde. Guy vluchtte; doch Karel nam geen maatregelen om
zijn stadhouder voor deze afschuwelijke daad te straffen, een feit,
dat een somber licht werpt op zijn schrikbewind. Maar Dante heeft
den moordenaar gestraft en in het diepste gedeelte van de Rivier
van Bloed geplaatst [390]. Waarom hij Karel van Anjou niet tot een
soortgelijke straf heeft veroordeeld, maar hem een aangename plaats in
het Antipurgatorium heeft aangewezen [391], is moeilijk te begrijpen,
maar moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit, dat de
dichter een warme vriendschap gevoelde voor zijn kleinzoon, Karel
Martel [392].

De kardinalen kozen eindelijk, blijkbaar als protest tegen dezen moord
en tegen Karel en zijn Fransche ambtenaren, een Italiaanschen diaken,
die in Palestina in dienst was van Prins Eduard van Engeland. Deze
Gregorius X toonde zich, dadelijk nadat hij te Brindisi geland was,
een verstandigen, maar beslisten tegenstander van Karel, en toen in
October 1273 Rudolf van Habsburg tot Duitsch Koning of liever Duitsch
Keizer [393] was gekozen, hechtte hij aan die verkiezing zijn volkomen
goedkeuring, een daad, die natuurlijk den toorn van Karel opwekte,
want de nieuwe Duitsche Keizer begon weldra den Duitschen invloed in
Noord-Italië en in Toskane te herstellen. Bovendien deed Gregorius,
in tegenstelling met de politiek van bloedige onderdrukking, die Karel
uitoefende, moeite de partijen met elkander te verzoenen. Hij slaagde
hierin tot op zekere hoogte te Bologna en Milaan, maar zijn pogingen
leden schipbreuk te Florence, waar de Welfsche partij de overhand
had gekregen, doch waar de belangen van de Welfen of republikeinen
geenszins dezelfde waren als die van den Paus [394]. Gregorius
stelde zich ook tegenover Karel van Anjou door Michael Palaeologus te
begunstigen en bovendien weigerde hij den verbannen Keizer Boudewijn
te ontvangen; toen hij nu in 1275 er werkelijk toe overging met Rudolf
een samenkomst te houden te Lausanne, waarbij hij beloofde hem tot
Keizer te kronen, moest er wel een openlijke vijandschap uitbreken.

Maar in het begin van 1276 stierf Gregorius X te Arezzo, waar in
den Duomo zijn graftombe is. Gedurende de volgende achttien maanden
verschenen er drie Pausen op het tooneel en verdwenen wederom. Daarna
werd, na verloop van zes maanden, Nicolaas III, uit het geslacht der
Orsini, tot Paus gekozen [395]. Men vertelde, dat hij zijn nicht met
Karel wilde laten trouwen, en dat hij, toen dit voorstel smadelijk
werd afgewezen, niet alleen Gregorius' anti-Fransche politiek heeft
voortgezet, maar ook den opstand heeft aangestookt, die eindigde met
den Siciliaanschen Vesper.

In het noorden van Italië nam de invloed van Rudolf en de
Ghibellijnsche edelen snel toe. In Milaan kregen de Visconti de
overhand; in Verona de Scaligeri; bijna overal werd de haat tegen Karel
en de Franschen heviger, behalve in Florence, waar de handel van de
Arti (gilden) door zijn politiek begunstigd werd. De storm kwam met
vaart opzetten; maar het was uit het zuiden, dat de noodlottige vlaag
zou komen.

Voordat Konradijn zijn hoofd op het blok legde, wierp hij, naar
men vertelt, zijn handschoen onder de menigte. Deze handschoen
werd gebracht aan Pedro van Arragon, een Spaanschen prins, die
met de dochter van Manfred, Constantia, gehuwd was en later (1276)
Koning van Arragon en Catalonië werd; hij had Valencia en Majorca
reeds op de Mooren veroverd en zich aldus een vrijen toegang tot
Sicilië verschaft. Aangespoord door zijn gemalin, gaf hij gehoor
aan de smeekbeden der Sicilianen, die tot wanhoop waren gedreven
door de tyrannie van Karel en zijn Fransche ambtenaren en aan de
raadgevingen van Giovanni da Procida, een geleerden geneeskundige,
die na den slag bij Tagliacozzo naar Spanje was gevlucht en reeds
tien jaar lang Pedro had aangezet om zijn rechten op de kroon van
de Beide Siciliën, als erfgenaam van Manfred, te laten gelden. En nu
wachtte Pedro op het gunstige oogenblik, dat weldra kwam.

Toen Paus Nicolaas in 1280 gestorven was, kwamen de kardinalen
wederom te Viterbo bijeen en ook Karel begaf zich daarheen, omdat
hij vast besloten was ditmaal een geschikten Paus te laten kiezen;
de Franschman, die gekozen werd, Martinus IV, keurde alles, wat
Karel wenschte, goed en steunde zijn despotisch bestuur krachtig,
totdat hij, een paar jaren later, overleed aan het overmatig gebruik
van Bolsena-paling en Vernaccia-wijn, zooals Dante verhaalt [396],
die hem op den Louteringsberg ontmoet, waar hij boete doet voor
zijn gulzigheid.

Het gebeurde op den Dinsdag na Paschen in 1282, toen Karel juist,
vertrouwend op zijn pauselijken bondgenoot, weder plannen maakte
om het Keizerrijk in het Oosten te veroveren, dat een beleediging,
die een Fransche soldaat een Siciliaansche bruid had aangedaan, een
verschrikkelijke uitbarsting ten gevolge had. Geheel Palermo stond op,
schreeuwde "sterf, sterf", zooals Dante zegt, en bijna alle Franschen
op Sicilië werden vermoord [397].



(7) Van den Siciliaanschen Vesper tot den vrede van Caltabellotta.

De geschiedenis van Italië gedurende dit tijdperk (1282-1302)
wordt beheerscht en verduisterd door de verwarring van den langen
en hardnekkigen strijd tusschen de Fransche vorsten van Anjou en de
Spaansche vorsten van Arragon over het bezit van Sicilië. Ofschoon zij
natuurlijk voor de toekomst van Italië van groot belang was, staat
deze worsteling tusschen de vreemde overweldigers niet rechtstreeks
in verband met de geschiedenis van dit land. Derhalve zal hier slechts
een kort verslag van dezen strijd gegeven worden en zullen wij daarna
overgaan tot de bespreking der toestanden in Rome en andere steden
gedurende het Pontificaat van den vorst der nieuwe Farizeeërs, zooals
Dante Paus Bonifacius VIII noemt [398].

Toen het bloedblad van den Siciliaansche Vesper plaats vond, was
Koning Pedro van Arragon bezig een veldtocht voor te bereiden,
in naam tegen Tunis, maar zonder twijfel was Sicilië zijn verder
doel. Nadat het hem niet gelukt was Tunis in te nemen, zeilde hij
met zijn vloot naar het noorden. In vijf dagen was hij bij Trapani
en vijf dagen later, den vierden September 1282 te Palermo, waar
hij tot Koning van Sicilië werd uitgeroepen. Karel, verontwaardigd
en woedend, zond een sterk leger naar Sicilië onder aanvoering van
zijn zoon, Karel den Lamme (Carlo lo Zoppo). Maar de "Kreupele van
Jeruzalem", zooals Dante [399] hem noemt, was weldra gedwongen zijn
strijdkracht van het eiland weg te trekken en de admiraal van Pedro,
Loria, bracht de vloot van Karel twee verpletterende nederlagen toe,
eerst bij Malta en daarna in de golf van Napels; bovendien gelukte het
hem lo Zoppo zelf gevangen te nemen. Ook in Calabrië stond het volk
tegen de Franschen op. Karel zag zich genoodzaakt naar het noorden
te trekken en terwijl hij op versterkingen uit Frankrijk wachtte,
stierf hij te Foggia (Januari, 1285).

Zijn jeugdige kleinzoon, Karel Martel [400], werd in plaats van zijn
vader, die in gevangenschap verkeerde, tot koning uitgeroepen; maar
ongeveer vier jaar later werd door den invloed van Koning Eduard I
van Engeland Carlo lo Zoppo in vrijheid gesteld en was gedurende de
volgende twintig jaren Koning van Napels en Zuid-Italië; bovendien
maakte hij aanspraak op den troon van Sicilië, die door een Spaanschen
vorst bezet werd. Deze Spaansche monarch was evenwel niet Pedro
van Arragon en Sicilië, want die was in hetzelfde jaar gestorven
als zijn groote tegenstander, Karel van Anjou, en was in Sicilië
opgevolgd door zijn zoon Jacob (den Rechtvaardige). Jacob en Karel
II (de Lamme) voerden met eenige onderbreking oorlog, doch richtten
weinig uit. In 1290 werd Johan Koning van Arragon, na den dood van
zijn oudsten broeder Alfonso, en zijn jongste broeder, Frederik,
werd de Spaansche onderkoning van Sicilië.

Frederik was met dezen titel evenwel niet tevreden en liet zich in
1296 tot Koning van Sicilië uitroepen. Tusschen de beide broeders
ontstond nu een hevige twist, die nog werd aangewakkerd door de
duivelsche boosaardigheid en eerzucht van Paus Bonifacius, die ten
slotte Constantia, de vrome weduwe van Koning Pedro overreedde naar
Rome te gaan met haar oudsten zoon, Koning Jacob en een schandelijke
overeenkomst te sluiten met den doodvijand van haar jongsten zoon,
Carlo lo Zoppo, waarbij zij hem haar dochter Violante tot gemalin
gaf. De broeder-oorlog werd ondertusschen met groote bitterheid
hernieuwd en de oude Spaansche admiraal, Loria, die Frederik
ontrouw was geworden en de partij der Anjou's had gekozen, bracht de
Siciliaansche vloot een gevoelige nederlaag toe. Eindelijk, in 1302,
ging Bonifacius zelfs zoo ver, dat hij Karel van Valois naar Italië
riep (wij zullen later zien, hoe deze onderneming mislukte); maar de
partijen, die den strijd moede waren, sloten, zeer tot ongenoegen van
Paus Bonifacius, den vrede van Caltabellotta, waarbij het koningschap
over Sicilië aan Frederik voor zijn leven werd toegestaan; doch hij
beloofde Leonore, de dochter van Karel II (lo Zoppo) te trouwen,
onder voorwaarde, dat een eventueele erfgenaam Sardinië of Cyprus
zou krijgen, maar Sicilië aan het geslacht van Anjou zou overgeven,
een voorwaarde, die bij zijn dood in 1337 niet is vervuld, omdat de
Sicilianen weigerden onderdanen te worden van de Fransche vorsten
[401].



(8) Rome van 1285 tot 1303. Bonifacius VIII.

In hetzelfde jaar (1285), waarin Karel van Anjou en Pedro van
Arragon overleden, stierf de Fransche Paus Martinus IV aan het
overmatig gebruik van paling en vernaccia-wijn. De vredelievende,
maar jichtige oude kardinaal, die hem opvolgde, Honorius IV, was
een broeder van den Senator van Rome, Pandulf, uit het doorluchtige
geslacht van de Savelli. De beide broeders, de een in het Lateraan
en de ander op het Capitool, oefenden een weldadigen invloed uit, en
beteugelden gedurende twee jaren de woede van de partijen der Orsini
en Colonna, ofschoon beide zoo hevig door de jicht waren aangetast,
dat de Senator niet meer kon loopen en de Paus van een mechanische
uitvinding moest gebruik maken om de Hostie op te heffen. Na den dood
van Honorius was er tien maanden lang geen Paus, hetgeen niet slechts
het gevolg was van de verbittering der partijen maar ook van de pest,
die zes kardinalen ten grave sleepte. Eindelijk werd Nicolaas IV,
de bisschop van Palestrina (den burcht der Orsini) gekozen; deze
was vroeger een vriend geweest van den Paus der Orsini, Nicolaas III
("den zoon van de berin"). Naar aanleiding van deze benoeming brak
de veete tusschen de twee families der Orsini en der Colonna's met
vernieuwde heftigheid uit; zij noemden zich Welfen en Ghibellijnen,
maar deze namen beteekenden slechts, dat degenen, die zoo heetten,
doodvijanden waren en dat beide partijen er naar streefden den
kardinaalshoed en de pauselijke tiara te bemachtigen.

Toen deze Paus stierf (1292), ontstond er zulk een hardnekkige strijd
tusschen de kardinalen, dat er twee jaren lang geen verkiezing
plaats vond, een toestand, waardoor Karel de Lamme in staat werd
gesteld, evenals vroeger zijn vader, zich zulk een machtige positie te
verwerven, alsof hij inderdaad het hoofd van de Kerk was. Eindelijk,
toen de kardinalen te Perugia verzameld waren en er volstrekt geen
voortgang in de zaken kwam, noemde iemand een zekeren kluizenaar,
Pietro geheeten, die in een hol van den berg Morrone leefde, in
de Abruzzi, ongeveer 75 K.M. ten noord-oosten van Rome, waar hij
een godsdienstige Orde had gesticht en beroemd was geworden wegens
zijn visioenen en mirakels [402]. Een kardinaal stelde, misschien
in scherts, voor dezen kluizenaar te kiezen om de moeilijkheden op
te lossen, en met een plotselinge, algemeene geestdrift werd die
oplossing aangenomen. Drie bisschoppen werden afgevaardigd om Pietro
van zijn benoeming in kennis te stellen.

De eenvoudige, oude monnik (hij was twee en zeventig jaar oud)
stond verstomd en weigerde op het voorstel in te gaan. Toen begaf
zich een groote menigte van edelen en prelaten en andere personen,
onder aanvoering van Koning Karel en zijn zoon Karel Martel, naar de
grot en ten slotte liet Pietro da Morronne zich mede voeren, terwijl
de koning en zijn zoon den ezel, waarop hij gekleed in zijn eenvoudig
kluizenaarsgewaad was gezeten, bij de teugels leidden. In een kerk
dicht bij Aquila, blijkbaar de S. Maria di Collemaggio (plaat 49),
die zijn graftombe bevat, werd hij gewijd; de kerk was geheel vol en
omringd, naar men vertelt, door 200.000 menschen.

Karel liet den nieuwen Paus, Celestinus V, niet naar Rome gaan, maar
nam hem mede naar zijn hof te Napels, om hem voor zijn eigen plannen
te gebruiken. Maar weldra bemerkte hij, dat Celestinus onbruikbaar was
voor zijn doeleinden, en voordat er vier maanden verstreken waren,
trad de arme, oude kluizenaar, voor wien de toestand ondragelijk
was geworden, af; en men zegt, dat hij hiertoe werd aangespoord
door de stemmen van engelen, die zich in zijn slaapkamer lieten
hooren door de vernuftige listen of ventriloquistische bekwaamheden
[403] van een kardinaal, Benedetto geheeten, een afstammeling van
de adelijke familie der Gaetani van Anagni (of, zooals Dante [404]
de stad noemt, Alagna). Deze sluwe, aanmatigende en vermetele man
had, naar men vertelt, reeds geheime bijeenkomsten met Koning Karel
gehouden en hem beloofd zijn politiek te steunen met alle middelen,
die een Paus ten dienste stonden; en tien dagen, nadat Celestinus
was afgetreden (Kerstavond, 1294) werd hij door de vreesachtige
kardinalen gekozen, ofschoon vele van hen blijkbaar overtuigd waren
van de waarheid der mededeelingen, volgens welke hij beschuldigd werd
van de schandelijkste misdaden en de onsterfelijkheid van de ziel, de
goddelijkheid van Christus en zelfs het bestaan van God ontkende. Tien
dagen later hield hij zijn intocht in Rome met een pracht, "die nooit
te voren in Rome was gezien." Koning Karel en zijn zoon, Karel Martel
van Hongarije leidden thans geen nederigen ezel maar het prachtige,
witte, rijk getuigde ros, waarop Benedetto was gezeten met een gouden
kroon op het hoofd; en daarna, toen de schitterende plechtigheid van de
wijding in de St. Pieter was afgeloopen, vergezelden de beide koningen
hem naar het Lateraan en stonden bij het feestmaal achter zijn troon.

De eerste daad van den nieuwen Paus, Bonifacius VIII, was zich meester
te maken van den persoon van zijn voorganger; want er waren velen
die de geldigheid van de nieuwe verkiezing verwierpen; zij beweerden,
dat, ofschoon er wel Pausen waren afgezet (Hendrik III, bijvoorbeeld,
had er drie tegelijk afgezet), geen Paus vrijwillig kon aftreden, en
dat een dergelijke poging niet alleen een zware zonde was tegen den
Heiligen Geest, maar ook alle uitwerking miste [405]. Celestinus was
teruggekeerd naar zijn grot in den Monte Morrone. Toen hij bericht
kreeg van het plan van Bonifacius, besloot hij te vluchten. Na
lang rondzwerven bereikte hij de Adriatische zee en scheepte zich
in om naar Dalmatië te varen; maar een storm sloeg hem terug op de
Italiaansche kust en eenige goede, maar domme menschen begroetten
hem openlijk als Paus en bewerkten aldus dat hij werd ontdekt en
gevangen genomen. Bonifacius zette hem gevangen in het kasteel van
Fumone, welks geweldige Cyclopische muren de stad Alatri, in Latium,
nog beheerschen. Een paar maanden daarna werd hij dood gevonden,
waarschijnlijk vergiftigd, ofschoon eenige monniken van zijn Orde,
de Celestini, beweerden een spijker te bezitten, waarmede Bonifacius
volgens hun verklaring zijn slachtoffer had gedood, zooals Jael
Sisera vermoordde.

Nadat Bonifacius aldus den armen, ouden Celestinus uit den weg
had geruimd en zich in het veilig bezit bevond van de geestelijke
souvereiniteit over het koninkrijk van Karel, dien hij als zijn leenman
beschouwde, wenschte hij vurig ook het Siciliaansche koninkrijk als
pauselijk leen te bemachtigen en zijn mijter met de dubbele kroon
van de Beide Siciliën te versieren. Wij hebben reeds gezien, hoe hij
Koning Jacob van Arragon en zijn vrome moeder Constantia overreedde
een schandelijk verdrag met Karel te sluiten en hoe hij de langdurigen
en wreeden oorlog aanstichtte en aanwakkerde tusschen Jacob en zijn
broeder Frederik, dien de Sicilianen als hun koning hadden aangenomen.

Tot de voornaamste vijanden van Bonifacius behoorden de Colonna. Hoe
machtiger en aanmatigender hij zelf werd en hoe meer hij de Kerk
plunderde om de invloedrijke partij van de Gaetani te steunen, des te
heviger werd de vijandschap van deze edelen, vooral van den kant der
twee kardinalen van het geslacht Colonna. In 1297 ging Bonifacius
over tot een daad, die nog nooit had plaats gevonden en liet deze
beide prelaten afzetten. Maar de familie der Colonna's aanvaardde
den strijd. Zij verklaarden de verkiezing van Bonifacius nietig en
eischten, dat er een Concilie zou worden bijeengeroepen. Zij hechtten
hun Manifest aan het hoogaltaar in de St. Pieter. Bonifacius sprak
terstond over de ontslagen kardinalen den banvloek uit en kondigde
een Heiligen Oorlog tegen hen af. De Colonna's trokken naar hun
burchten op het land; de sterkste van deze was Palestrina. De
hardnekkige worsteling eindigde met de overweldiging en vernedering
der Colonna's. De geëxcommuniceerde kardinalen en edelen verschenen
voor den zegevierenden paus als smeekelingen, met een touw om
den hals. Men vertelt (het wordt echter ook tegengesproken), dat
Bonifacius den schijn aannam hun vergiffenis te schenken, en aldus
Palestrina in zijn bezit kreeg. Hoe dit ook zij, het staat vast, dat
hij het bemachtigd heeft en dat hij, zooals Sulla vroeger had gedaan,
het geheel en al heeft verwoest; slechts de kathedraal bleef gespaard;
want zijn Bul, die nog over is, beveelt, dat de ploeg over de plaats
[406] moet worden getrokken en in de voren zout moet worden gezaaid,
"zooals met het Afrikaansche Carthago was gedaan". Nadat hij alle
bezittingen van de inwoners had verbeurd verklaard, beval hij hen
een nieuwe stad te bouwen, die hij Civitas Papalis noemde; maar kort
daarna liet hij die in een vlaag van woede afbreken en de menschen
werden verbannen. De Colonna's vluchtten naar vreemde hoven, sommige
zelfs naar Engeland. Dat waren de daden van den Hoogsten Herder van
de Christelijke Kerk, "die een oorlog voerde dicht bij het Lateraan
en niet tegen Saracenen en evenmin tegen Joden" (Inferno XXVII. 86).

De Paus had het jaar 1300 als een jubeljaar van de Kerk
aangekondigd. Hij gebruikte die gelegenheid om pelgrims naar Rome
te lokken en rijkelijke aflaten te beloven aan allen, die de groote
Romeinsche basilieken bezochten. Het was een groote triumf voor
Bonifacius. Op den hoogsten troon van het Christendom gezeten,
werd hij vereerd als de Vicarius van God door twee of drie millioen
vrome geloovigen die uit alle landen van Europa naar Rome stroomden,
ieder om zijn offer te brengen [407]. Onder hen was waarschijnlijk
ook Giotto (zie plaat 50) en Dante; want ofschoon sommige beweren,
dat Dante het volgend jaar Rome het eerst zag bij gelegenheid van
het gewichtig gezantschap [408], waarmede hij belast werd, is de
beroemde beschrijving, waar de dichter twee groepen van verdoemden
in de hel vergelijkt met de twee stroomen, die zich in tegengestelde
richtingen over de brug van het Vaticaan bewegen [409], zoo levendig,
dat deze wel op eigen aanschouwing zal berusten. Er was nog een ander
beroemd schrijver aanwezig, Giovanni Villani, die in dien tijd koopman
was. Hij vertelt ons, dat, hetgeen hij bij die gelegenheid te Rome
zag, hem opwekte tot het schrijven van zijn Kroniek, waaraan hij
in datzelfde jaar begon (het jaar, waarin de handeling der Divina
Commedia valt) bij zijn terugkeer te Florence; dit werk, voortgezet
en voltooid door zijn broeder en zijn neef, werd het grootste der
Italiaansche geschiedwerken [410].

Een ontzaglijke massa geld stroomde bijeen door de offers
van de geloovigen, die zoo rijkelijk schonken, dat, zooals een
ooggetuige zegt, "dag en nacht twee priesters bij het altaar van den
H. Paulus stonden met harken in hun handen, waarmede zij het geld
opharkten." Een deel van dit geld werd door Bonifacius gebruikt om
den onrechtvaardigen oorlog weer aan te wakkeren en door te zetten
tusschen Jacob van Arragon en zijn broeder, Frederik van Sicilië, en
ook om de plannen van Karel II (lo Zoppo) te bevorderen, zooals hij
beloofd had te zullen doen. Maar het geld, dat met zulke schandelijke
bedoelingen was verworven en werd uitgegeven, bracht weinig voordeel
aan. Hierover verontwaardigd wendde Bonifacius zich, evenals Urbanus IV
had gedaan, tot het Fransche hof en noodigde den jongsten broeder van
den Franschen koning, Karel van Valois, den achterneef van Karel van
Anjou, uit naar Italië te komen. Toen de Fransche prins te Anagni,
de geboortestad en de geliefde verblijfplaats van Bonifacius was
gekomen, werd hij benoemd tot Kapitein-Generaal van de Kerk en
Vrede-stichter van Toskane. Hij werd door den Paus naar Florence
gezonden om daar den vrede te herstellen, maar hij bewerkte slechts,
dat de twisten nog in hevigheid toenamen en dat alle Ghibellijnen
en afvallige Welfen, waaronder zich ook Dante [411] bevond, werden
verbannen. Karel van Valois bereikte in het zuiden niet veel meer,
en nadat door den vrede van Caltabellotta een einde was gemaakt aan
den broeder-oorlog tusschen Jacob en Frederik, moesten de vorsten
van Anjou en de Paus alle hoop opgeven om Sicilië te heroveren.

Deze tegenspoed had natuurlijk oneenigheid tusschen Bonifacius en
Karel van Valois ten gevolge en maakte den Paus aan het Fransche
hof gehaat. En Frankrijk was in de laatste jaren tot hooge macht
gestegen. Het had een onafhankelijkheid en nationale zelfbewustheid
ontwikkeld, zooals in dien tijd nergens in Europa bestond [412]. Koning
Philips IV, de Schoone, wist, dat hij het geheele volk achter zich
had en toen hij geld noodig had voor zijn oorlogen tegen Engeland
en later tegen de Vlamingen, vooral na den slag bij Kortrijk (1302),
legde hij de geestelijken en de kloosters belastingen op; Bonifacius,
ofschoon woedend, stond hier machteloos tegenover, want Philips werd
gesteund door de publieke meening in Frankrijk, en zoowel de leeken
als ook de geestelijken kozen de zijde van hun vorst en toonden zich
ook op godsdienstig gebied onafhankelijk. De gezant, die in 1302
een aanmatigende Bul van den verbitterden Paus bracht, werd gevangen
gezet en daarna weggejaagd en de Bul werd in het openbaar verbrand in
de Notre Dame, een daad, die zeker, ofschoon de uitwerking daarvan
niet zulke een verre strekking heeft gehad als het verbranden van
de Bul te Wittenberg, toch een diepen indruk moet gemaakt hebben,
vooral, toen kort daarna de Staten-Generaal van Frankrijk voor de
eerste maal bijeenkwamen en de handeling van den Koning door alle
drie staten van zijn rijk bekrachtigd werd.

Ondertusschen wekte Bonifacius te Rome hevige verontwaardiging op
door groote massa's geld bijeen te schrapen en zich veel land toe te
eigenen. Een groot gedeelte van deze schandelijk verworven rijkdommen
werd gebruikt om zijn bloedverwanten, de Gaetani, te verrijken, die
aldus in het bezit kwamen van een groot aantal kasteelen en prachtige
landgoederen in Latium [413], waarvan sommige nu nog het eigendom zijn
van den Hertog van Sermoneta en de familie der Gaetani; zoo kreeg de
Paus een machtigen aanhang, die zeer veel aan hem verplicht was. Dit
alles werd door de verdreven Colonna's aan het Fransche hof verteld en
tevens kwam het bericht, dat de Paus van plan was den banvloek over
Philips uit te spreken; de algemeene verontwaardiging in Frankrijk
bereikte naar aanleiding hiervan zulk een hoogte, dat er een bond
van kruisvaarders werd gevormd om het Christendom te bevrijden
van den ellendeling, dien zij beschouwden als een pseudo-Paus en
een openlijken atheïst, verslaafd aan de schandelijkste ondeugden
en een handlanger van den Duivel; Koning Philips stelde zich zelf
aan het hoofd van de samenzwering; de uitvoering van het plan werd
opgedragen aan Sciarra Colonna en Guillaume de Nogaret, een bekwaam
rechtsgeleerde en een krachtig verdediger van de rechten van de kroon
en het burgerlijke gezag.

In den nacht van den zevenden September 1303 drongen de samenzweerders,
begeleid door een sterke troep gewapenden, Anagni binnen en na
een hevig gevecht, baanden zij zich, nadat het pauselijk paleis en
de aangrenzende kathedraal in brand waren gestoken, een weg naar
Bonifacius zelf, dien zij op zijn troon gezeten aantroffen, de tiara
met dubbele kroon op het hoofd en in zijn handen de sleutels en een
gouden kruis. Sciarra greep, naar men vertelt, den Paus bij een
arm, sleurde hem van zijn troon en trachtte hem met zijn dolk te
dooden (Nogaret ontkende dit en Villani bevestigt het niet). Nadat
Bonifacius drie dagen lang gevangen had gezeten en uit vrees voor
vergiftiging alle voedsel had geweigerd, werd hij door het volk van
Anagni bevrijd en namen de samenzweerders de vlucht. Daarna werd hij
door twee kardinalen uit het geslacht Orsini en een troep van 400
gewapenden naar Rome geleid. Toen hij een bezoek aan de St. Pieter
had gebracht en het volk hem vriendelijk had begroet, verbeeldde hij
zich waarschijnlijk in veiligheid te zijn, daar hij wist, dat de
Orsini doodvijanden waren van de Colonna's en hij ook hulp hoopte
te ontvangen van Karel II (lo Zoppo). Maar hij begreep weldra, dat
zijn brieven onderschept werden en dat hij nauwkeurig werd bewaakt;
want de Orsini hadden den Engelenburg en den Borgo met hun gewapende
mannen bezet. Ongeveer vier weken later, October 1303 vond men hem
dood. Men vertelde, dat hij in een vlaag van woede met zijn hoofd
tegen den muur van zijn kamer was geloopen en zich aldus van het
leven had beroofd [414].



(9) Hendrik VII van Luxemburg.

De volgende Paus, Benedictus XI, schijnt een achtenswaardig en
dapper man geweest te zijn. Twee dagen voordat hij werd aangevallen,
had Bonifacius het besluit genomen den banvloek over Koning Philips
af te kondigen van denzelfden kansel in de kathedraal te Anagni,
vanwaar de banbliksem was geslingerd tegen Frederik I Barbarossa
en Frederik II. De nieuwe paus voerde het besluit van Bonifacius
niet uit, maar bevrijdde de Colonna's van den ban, met uitzondering
van Sciarra; hij beval, dat alles, wat aan de Kerk ontstolen was,
moest worden teruggegeven; hij veroordeelde en vernietigde openlijk
verschillende onrechtvaardige daden van Bonifacius; hij veroordeelde
ook in het openbaar de beleediging, die den vorigen Paus te Anagni
was aangedaan en sprak over de voornaamste schuldigen den banvloek
uit. Het was zonder twijfel een ramp voor de Kerk, dat hij na acht
maanden stierf; en het was een nog grooter ramp, dat tot zijn opvolger
de Aartsbisschop van Bordeaux werd gekozen, die den naam Clemens V
aannam. Hij was een handlanger geweest van Bonifacius, maar nu was hij,
om gekozen te worden, een slaafsche dienaar van Koning Philips geworden
[415]. Hij werd te Lyon gewijd, in tegenwoordigheid van het Fransche
hof, en nadat hij ongeveer drie jaren (1305-1308) in Frankrijk had
geresideerd, verplaatste hij den zetel van het Pausdom naar Avignon,
aan de Beneden-Rhône, waar de Pausen juist zeventig jaar gevestigd
bleven (de jaren van de zoogenaamde Babylonische ballingschap) en waar
zij het geweldige gebouw, le Palais des Papes oprichtten, dat nu nog
de stad en de groote rivier als een machtige donderwolk beheerscht.

Het is eenigzins bevreemdend, dat Clemens, ofschoon hij in andere
opzichten blijkbaar het willige werktuig van Koning Philips was,
hardnekkig zou hebben weerstand geboden aan het verlangen van dien
monarch om voor zichzelf of voor zijn broeder Karel van Valois de
keizerskroon te verwerven. Misschien gevoelde de koning inderdaad
weinig lust om te vechten voor een ijdelen titel, omdat hij den
onafhankelijken en vijandigen geest van de Italianen kende en zich
herinnerde, hoe slecht het in Italië met Karel was afgeloopen; wellicht
bedacht Clemens, dat met een Franschen Keizer het Pausdom zijn volkomen
ondergang zou te gemoet gaan. Hoe dit ook zij, hij begunstigde eerst in
het geheim en steunde daarna openlijk de aanspraken van Hendrik VII,
die tot Duitsch koning was gekozen en ook tot Koning der Romeinen,
waardoor hij niet alleen als Keizer van Duitschland werd beschouwd,
maar ook als aangewezen Keizer, die recht had op de wettige
bekrachtiging van zijn titel door het Romeinsche volk en den Paus.

Hendrik VII, die als graaf van Luxemburg zelf geen regierender
Fürst was geweest en geen gewapende leenmannen tot zijn beschikking
had gehad, was op den troon gekomen te midden van de woelingen,
die volgden op de vermoording van Keizer Albrecht door zijn neef,
Johan van Zwaben. Sinds de dagen van Frederik II was geen Duitsche
monarch de Alpen overgetrokken om in Italië de gouden kroon te
ontvangen [416]. Maar Hendrik koesterde hooger idealen. Zijn grootste
eerzucht was het Duitsch-Italiaansche Keizerrijk te herstellen en in
Rome gekroond te worden. De meeste van de Duitsche edelen weigerden
hem te volgen, maar in 1310 verzamelde hij een paar duizend man te
Lausanne, trok den Mont Cenis over en werd met groot gejuich door de
Ghibellijnsche, en zelfs door eenige afvallige Welfsche steden van
Noord-Italië ontvangen; en zijn leger werd aanmerkelijk vermeerderd
door sterke contingenten, die verscheidene machtige edelen hem
zonden. Doch er moesten ernstige moeilijkheden overwonnen worden:
ten eerste de vijandschap van den Koning van Napels, thans Robert van
Calabrië [417]; ten tweede de haat van de oude Welfen, zooals de partij
der Neri (Zwarten) en Donati te Florence, die zoowel de Ghibellijnen
als de afvallige Welfen, en met hen ook Dante [418], had verbannen;
ten derde, hetgeen het voornaamste was, de verontwaardiging van hen,
die hem met zoo groote geestdrift hadden ingehaald, doch bitter
teleurgesteld waren, omdat deze rex pacificus, zooals hij zichzelf
noemde, alle plaatselijke partijen trachtte te vereenigen voor zijn
imperialistisch doel, en de persoonlijke veeten, die de namen Welfsch
en Ghibellijnsch hadden gekregen, niet in aanmerking nam, alsof deze
te onbeteekenend waren en zijn aandacht niet verdienden.

Toch was in den beginne de geestdrift groot. Venetië, Genua en
Florence, waar het republikeinsche gevoel zeer sterk ontwikkeld was,
gromden en lieten hun tanden zien, maar Cremona, Padua, Brescia, Pisa,
Verona, Mantua en andere Ghibellijnsche steden en Signorie zonden
gezanten om hem leenmanschap te beloven en onder groot gejuich en
gejubel werd Hendrik (Januari 1311) in de S. Ambrogio te Milaan met
de IJzeren Kroon gekroond.

Evenwel was deze vreugde van korten duur. Als Pacificator had hij de
Milaneesche Visconti uit de ballingschap teruggeroepen, in de hoop
hen te verzoenen met hun gelukkige Welfsche mededingers, de partij
Della Torre; maar de goed-gemeende tusschenkomst had een uitbarsting
ten gevolge, die hem wel zal ontsteld hebben. Een oproer brak uit en
na veel bloedvergieten werden de Torriani verdreven. Daarop stonden
Cremona, Brescia, en andere steden op en trotseerden Hendrik; deze
was nu genoodzaakt zijn taak als rex pacificus op te geven; hij
plunderde Cremona en liet de muren slechten; Brescia dwong hij te
capituleeren na een beleg van vier maanden, waarbij aan beide kanten
de afschuwelijkste wreedheden werden bedreven.

Een heel jaar was nu voorbijgegaan en nog steeds bevond zich Hendrik
op een grooten afstand van Rome. In October 1311 trok hij met zijn
troepen de vijandig gezinde stad Genua binnen, waar hij eenigen tijd
bleef wegens de ziekte en den dood van zijn gemalin. In Maart 1312
werd hij te Pisa verwelkomd, dat, zooals gewoonlijk, aan de zijde van
keizersgezinden stond uit haat tegen Florence. Te Pisa vernam hij,
dat te Rome de Colonna's en andere imperialisten, die reeds gezanten
gezonden hadden om hem (en ook Paus Clemens) uit te noodigen, ijverig
bezig waren voor zijn kroning, maar dat de Orsini daarentegen Koning
Robert van Napels naar Rome geroepen hadden en dat de Florentijnen
alles deden, wat in hun macht was, om hem tegen te werken; zij kochten
het Fransche hof en den Paus om en brachten een verbond van de Welfsche
steden tot stand om Koning Robert te helpen in alle pogingen, die
hij in het werk zou stellen om den barbaarschen Duitschen vijand
van Italië, lo straniero, il Tedesco, il barbaro nemico d' Italia e
della sua libertà, te verdrijven. Hendrik hoorde ook, dat Robert in
antwoord op dit verzoek en deze uitnoodigingen zijn broeder Jan had
gestuurd met troepen om zich te Rome met de Orsini te verbinden en
dat zij het Vaticaan, den Engelenburg en het Trastevere hadden bezet.

Maar ondanks dit alles, ondanks het hartstochtelijk verzoek van Dante,
om eerst "den adder, die zich tegen zijn eigen moeder richtte, het
schurftige schaap, dat gansch de kudde aanstak, Florence, doodelijk
te treffen [419], marcheerde Hendrik naar het zuiden, trok in Mei
1312 door de Porta del Popolo Rome binnen en vestigde zich in het
Lateraan. Weldra begon den strijd tusschen zijn troepen en die van
Koning Robert. Hendrik bezette het Capitool en trachtte de rivier over
te steken, maar werd met ernstige verliezen teruggeslagen. Eindelijk
moest hij zijn plan, om in de St. Pieter gekroond te worden, opgeven
en zich tevreden stellen met een plechtige kroning in de basiliek
van het Lateraan [420], waar hij de kroon ontving uit de handen van
een pauselijken gezant, daar Paus Clemens het niet gewaagd had naar
Rome te komen [421].

In de buitengewoon heete maand Augustus verliet Hendrik Rome en
marcheerde naar het noorden met zijn leger, dat door koortsen
veel geleden had; hij was van plan den raad van Dante op te
volgen en Florence te verpletteren. Maar de Florentijnen hadden,
zooals Villani zegt, "een ontelbaar aantal voetknechten" verzameld,
benevens ongeveer 4000 ruiters, en waren besloten hem te trotseeren;
zij sloten de poorten van de stad aan den kant van S. Salvi, waar hij
zijn legerplaats had opgeslagen. Ten slotte, toen hij zag, dat hij
niets kon uitrichten, brak hij gedurende den nacht op en marcheerde
weder naar het zuiden, alsof hij naar Rome wilde terugkeeren, maar
hield halt te Poggibonsi, niet ver van Siena [422]. Hier bleef hij
tot Maart 1313. Toen trok hij terug naar Pisa, waar hij naar lichaam
en geest uitgeput aankwam.

Nadat Hendrik uit Rome was vertrokken, had het volk de overhand
gekregen in een worsteling met den adel en wederom een republikeinschen
regeeringsvorm ingesteld. Zij noodigden hem nu uit terug te komen en
de keizerlijke waardigheid uit hun handen te aanvaarden, terwijl zij
hiermede te kennen wilden geven, dat zij alleen het recht hadden die
te verleenen. Hendrik was geneigd de uitnoodiging aan te nemen. Hij
verlangde er ook zeer naar Koning Robert voor zijn onbeschaamdheid
te straffen en met die bedoeling had hij reeds een verbond gesloten
met Frederik van Sicilië, een daad, die den Paus zoo woedend maakte,
dat hij, hoewel te laat, den banvloek over den Keizer uitsprak.

Hendrik verzamelde een sterk landleger, dat gesteund zou worden
door ongeveer 150 oorlogs-galeien, die door Genua, Pisa en Sicilië
waren geleverd; toen brak hij nog eens naar het zuiden op. Het was
wederom midden in den zomer en zijn manschappen hadden vreeselijk
te lijden van de hitte en de moeraskoorts. Hij had Buonconvento,
ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Siena bijna bereikt, toen
hij plotseling stierf, waarschijnlijk aan een aanval van malaria of
aan een bloedvergiftiging, ofschoon men vertelde en algemeen geloofde,
dat het noodlottige vergift hem in de heilige hostie of op een andere
wijze door een Dominicaner priester was toegediend. Zijn lichaam
werd naar Pisa gebracht en in de kathedraal bijgezet. Later werd het
verplaatst naar den Campo Santo (zie plaat 51 en verklaring).

Met den dood van Hendrik van Luxemburg eindigde voor altijd het
middeleeuwsche Duitsch-Italiaansche Romeinsche Keizerrijk, om een
juisten naam voor deze eenigszins fictieve zaak te gebruiken. Wel
trokken er nog andere Keizers met verschillende staatkundige
bedoelingen de Alpen over, maar geen ander kwam, zooals hij, om als
een opvolger van Augustus het Romeinsche Keizerrijk te herstellen op
zijn ouden grondslag, den wil van het Romeinsche volk. Met den dood van
Bonifacius VIII en de verplaatsing van den pauselijken stoel van Rome
naar Avignon eindigde ook het Italiaansche Pausdom van de Middeleeuwen.

Maar die zoogenaamde Middeleeuwen kwamen niet zoo plotseling tot een
einde. Het was een overgangstijd, zooals de tooverachtige schemering
tusschen het eerste ochtendgrauw en het eerste goud van de zon,
of misschien kunnen wij, met terzijdestelling van bedriegelijke
zonne-vergelijkingen, op de litteratuur en de kunst wijzen, die in
dit geval ten minste een juist beeld van dien tijd geven en waardoor
de verschillende trappen van de ontwikkeling van hetgeen gewoonlijk
de Renaissance of de Rinascimento wordt genoemd, het best worden
aangeduid.

De tijd van Bonifacius VIII en van Hendrik VII was ook de tijd van
Dante en in de Italiaansche letterkunde schijnt de geweldige figuur
van Dante de geheele ruimte tusschen het einde van de Middeleeuwen
en het begin van de nieuwe wetenschap te vullen. Van verschillend
standpunt beschouwd is hij voor ons de eenige groote dichter van de
middeleeuwsche litteratuur en de eerste groote moderne dichter. Hij
staat alleen. Voor hem waren er wel een paar zwakke zangers, die in
de nieuwe Italiaansche taal de zoete en bevallige rijmen der liefde
zongen, maar, om weder tot een zonne-vergelijking terug te keeren,
zij waren als morgensterren, die verbleeken voor het licht van de
zon. En na zijn dood staan wij, als het ware, voor een plotselingen
afgrond; want, ofschoon de levens van Dante en Petrarca gedurende
zeventien jaren samenvallen, bestaat er tusschen hen beiden zulk een
onoverkomelijke kloof, dat zij tot twee geheel verschillende eeuwen
schijnen te behooren. Zoo wordt hier een merkwaardig rustpunt in
de geschiedenis van het Italiaansche volk aangegeven. Het is waar,
dat velen "de Middeleeuwen" tot een aanmerkelijk lateren datum
uitbreiden. Sommigen strekken dit tijdperk uit tot de inneming van
Constantinopel door de Turken in 1453 of zelfs tot de ontdekking
van Amerika in 1492. Maar wij kunnen met recht het groote gedicht
van Dante, dat tusschen 1301 en 1320 geschreven is, als den waren
grenssteen beschouwen tusschen middeleeuwsch en modern Italië,
of misschien juister het Italië van de Renaissance. Wat de kunst
betreft (beeldhouwkunst en schilderkunst) geldt hetzelfde, ofschoon
de verschillende trappen van den overgangstijd niet altijd samenvallen
met de ontwikkelingstrappen der Italiaansche litteratuur. De herleving
der beeldhouwkunst ging, om redenen, die wij later zullen vermelden,
aan die van de schilderkunst vooraf, maar, in het algemeen gesproken,
kunnen wij de Pisani en Giotto toch wel tijdgenooten van Dante noemen,
en, zooals hij zelf, staan ook deze kunstenaars daar bijna zonder
voorgangers en volgt daarop een tijdperk, zooals er komt tusschen
de wilde bloemen van het voorjaar en die van den zomer, een tamelijk
lange en dorre tijd, die niet veel merkwaardigs voortbracht behalve
Orcagna en de Gaddi; doch daarna komt de groote opbloei van kunst
in de dagen van della Quercia, Brunelleschi, Ghiberti, Donatello
en Fra Angelico. Bij het begin van dezen overgangstijd en ongeveer
bij het einde van Dante's leven heb ik besloten dit overzicht van de
geschiedenis van Italië in de Middeleeuwen, een overzicht, dat ruim
duizend jaar heeft omvat, te eindigen.



Aanteekening over Dante en Hendrik VII.

Toen Hendrik in Italië kwam, was Dante reeds ongeveer tien jaren in
ballingschap en misschien onlangs teruggekeerd van zijn zwerftochten,
die hem naar Parijs en Nederland of zelfs naar Engeland [423]
kunnen gebracht hebben. Wellicht was hij er bij tegenwoordig,
toen Hendrik de IJzeren Kroon te Milaan ontving en men zegt, dat
hij bij deze gelegenheid "zijn raad, zoo niet zijn zwaard aan den
Bevrijder van Italië gewijd heeft", terwijl hij hem misschien een
afschrift van de Monarchia aanbood, dat Hendrik zonder twijfel niet
gelezen heeft. Kort daarna zendt de dichter uit het Casentijnsche
(de bovenvallei van den Arno), waarheen hij zich teruggetrokken had,
aan zijn vaderstad een heftigen open brief, die begint met de woorden:
Dantes Allagherius florentinus et exsul immeritus sceleratissimis
Florentinis intrinsecus. Hij is vol sarcasme en schimpscheuten. "Wat
zullen", zoo vraagt hij, "uw gracht, uw muren, uw torens u baten,
wanneer de adelaar, schrikwekkend met zijn gouden vleugels, op u
neerschiet?" En terwijl Hendrik nog te Pisa toefde, stuurde Dante hem
in de lente van 1312 den brief, waarover wij reeds gesproken hebben,
en richt zich tot den zoogenaamden Romeinschen Keizer met merkwaardige
woorden, noemt hem niet alleen een Zonnegod en een Heilig Graf, maar
zelfs het Lam Gods, terwijl hij Florence uitscheldt voor een vos,
een adder, een hydra, een schurftig schaap, dat de geheele kudde
aansteekt enz. Maar, zooals wij reeds zagen, Hendrik nam zijn raad
niet ter harte.

Van veel grooter belang dan deze buitensporige en woedende brieven
is de Monarchia, een verhandeling in drie Boeken, die waarschijnlijk
geschreven is omstreeks den tijd, toen Hendrik naar Italië kwam. Dit
werk geeft duidelijk de hoop weder, die de gedachten van velen vervulde
en is een hartstochtelijk beroep op de goddelijke Rechtvaardigheid
om een "Bode van den hemel" te zenden, zooals de Engel, die in de
Divina Commedia de beide dichters te hulp kwam en met zijn staf de
poort van de vlammende stad van Dis opende [424].

In de Monarchia bewijst Dante zeer uitvoerig, met groote
scherpzinnigheid en geleerdheid, dat de tweevoudige natuur van den
mensch twee verschillende leiders noodig heeft (twee Zonnen, zooals
hij in zijn gedicht [425] zegt), een geestelijken en een wereldlijken,
en hij verklaart, dat de Keizer in wereldlijke aangelegenheden de
hoogste macht heeft. Door een alles omvattend Keizerrijk alleen is
het mogelijk een algemeenen vrede te bereiken, zulk een vrede als voor
de menschheid noodig is om zich te kunnen wijden aan het hoogste doel
van het bestaan. Hij behandelt de vraag, of het Romeinsche volk alleen
het recht heeft iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden en
haalt bewijzen aan om te toonen, dat het zoo is, dat Rome het eenige,
ware middelpunt van het Christendom en het Keizerrijk is. Daarna
stelt hij de vraag, of het keizerlijke gezag rechtstreeks van God
moet worden afgeleid of door bemiddeling van den Paus wordt verleend
en hij vindt het antwoord in het feit, dat Christus de wereldlijke
macht als verschillend van de geestelijke heeft erkend.

Maar Dante was veel meer dan een middeleeuwsche casuïst en
dialecticus. Hij had inzicht in veel dingen, waarvan de geleerden met
hun philosophie geen vermoeden hadden. Met dit algemeene Keizerrijk
heeft Dante getracht in niet zeer scherpe, maar toch onmiskenbare
omtrekken den denkbeeldigen vorm te schetsen van een volkomen vrede
en broederschap en alles omvattende Federatie, welke sommige van
de grootste en edelste menschen van alle tijden hebben gepoogd op
te roepen van den Limbo van onvervulde verwachtingen naar het licht
van de rede en werkelijkheid, maar die nu weder, evenals Eurydice,
verdwenen is in de sombere duisternis van een oorlog, zooals de wereld
er nog nooit een gekend heeft. [426]. Dante's ontwerp was een evenwicht
van krachten, een bond van steden en volkeren, die vrijheid en eigen
bestuur bezaten, maar onder een hoogst, centraal gezag stonden. Een
dergelijk Imperium, zoo zullen sommige zeggen, is verwezenlijkt in
den tijd van de Antonini, den eenigen tijd, volgens Gibbon, waarin
het leven werkelijk waarde genoeg bezat om geleefd te worden.



HOOFDSTUK I.

GODSDIENSTIGE STROOMINGEN.

c. 1200-1300.


Veel is reeds gezegd over hetgeen men bij gebrek aan een juistere
benaming gewoonlijk godsdienst of religie noemt; vele toestanden
en invloeden van den godsdienst zijn, zooals wij zagen, in het
ingewikkelde web van de middeleeuwsche Italiaansche geschiedenis
geweven. Wij zullen niet trachten die draden verder te ontwarren,
dan in het verhaal is gedaan, maar hier toch wijzen op de merkwaardige
ontwikkeling van het godsdienstig leven in den loop van de dertiende
eeuw.

In den tijd van de groote ketterij, toen de menschen hun medemenschen
veroordeelden en vermoordden wegens de een of andere ijdele formule,
die het onbegrijpelijke moest bepalen, waren er natuurlijk vele
sekten van de Christelijke Kerk, die met verontwaardiging de meening
verwierpen, dat Rome de eenige bewaarplaats van de orthodoxie was;
en aan den anderen kant vinden wij onder hen, die zich den naam
"Katholiek" aanmatigden, vele, zelfs Keizers en Patriarchen, die de
geestelijke Suprematie van den Paus krachtig verdedigden.

Na de overwinning van het Roomsche Katholicisme in het Westen moesten
de ketters, d. w. z. zij, die een andere dogmatische opvatting
huldigden dan Rome, zich eenige eeuwen lang verborgen houden; maar
weldra hooren wij toch van een steeds toenemende verontwaardiging en
vijandigheid, die veroorzaakt wordt door den groei van de wereldlijke
macht en de onverzadelijke eerzucht van de Pausen. Deze vijandige
stemming was niet het gevolg van ketterij of verschil in godsdienstige
opvattingen, maar van staatkundige beweegredenen; dikwijls ging een
groote eerbied voor den Paus gepaard met een hevigen haat jegens hem
als politieken tegenstander. Zoo klaagt, zelfs in de veertiende eeuw,
Dante bitter over de mishandeling en den dood van zijn grooten vijand,
Bonifacius VIII; bij wijze van profetie zegt hij, daar de handeling
van zijn gedicht drie jaren voor het gebeurde te Anagni plaats grijpt:
"Ik zie, in zijn stedehouder, Christus worden gevangen genomen; ik
zie hem andermaal bespot worden; ik zie, dat edik en gal vernieuwd
worden en dat hij tusschen nieuwe boosdoeners wordt gedood [427]". En
nog vreemder dan deze vereeniging van eerbied en haat was in vele
gevallen de algeheele afwezigheid van de zedelijke waardeering, een
volslagen onvermogen om, zelfs bij een verafschuwden staatkundigen
vijand, in te zien, dat de begeerte naar wereldlijke macht, om niet
te spreken van afzichtelijke ondeugden en misdaden, onvereenigbaar
was met het bezit van en de macht over apostolische gaven en met
de aanspraken van den Paus om op aarde de Vicarius te zijn van den
heiligen en vriendelijken Stichter van het Christendom.

Maar ofschoon dit zonderlinge, bijgeloovige gevoel ten opzichte van
het Pausdom gedurende langen tijd onuitroeibaar scheen te zijn,
had er toch een groote, zij het ook langzame, verandering in den
stand van zaken plaats door de opkomst van de republieken en de
verlichting, die dergelijke middelpunten van wetenschap verspreidden
als de Universiteiten van Bologna, Salerno en Parijs [428]. De Donkere
Eeuwen van bijgeloof, waarin men, zonder acht te slaan op het vraagstuk
der zedelijkheid, zooals sommigen nu nog doen, eerbied betoonde aan
het traditioneele religieuze gezag, begonnen langzamerhand plaats
te maken voor het licht van de rede en een juister begrip van de
leer van Christus; het Christendom begon zich in zedelijken zin te
ontwikkelen; en toen de Roomsche Kerk haar handen begon te bezoedelen
met het bloed van hen, die zich aan haar doctrinaire leiding wilden
onttrekken, bleef de vijandschap tegen het Pausdom niet langer op
politieke gronden rusten, maar werd nu ook gesteund door de moreele
verontwaardiging. "Het edelste gevoel van de menschheid", zegt
Gregorovius, "kwam in opstand tegen de afschuwelijke schanddaden,
die in naam van den Christelijken godsdienst werden gepleegd, en
diep was de ontroering en het medelijden met hen, die leden door de
heldhaftige verdediging van hun gewetensvrijheid." Ook Green, die een
vernietigend verslag geeft van den toestand van de Anglikaansche Kerk
en het gebruik, dat Rome daarvan in dit tijdperk maakt, vertelt ons,
dat "de oude eerbied voor den Heiligen Stoel langzamerhand verdween
voor een algemeen gevoel van wrok". Maar zulke uitdrukkingen zijn veel
te zwak om de algemeene stemming weer te geven, die er in Italië in
dit opzicht heerschte na den kruistocht van Paus Innocentius tegen
de Albigenzen.

De ontaarding van het geestelijke, wanneer het in aanraking komt met
het stoffelijke, wordt ons door alle groote dichters en wijsgeeren in
levendige beeldspraak duidelijk gemaakt. De meest treffende illustratie
van een dergelijke ontaarding in de geschiedenis der menschheid
wordt gegeven door de tegenstelling tusschen het leven en de leer
van Christus en het zoogenaamde Christendom van later dagen. Maar
in de menschelijke natuur gloeit een onuitbluschbaar deeltje van
het goddelijke vuur, of iets, dat als een spiegel de stralen van het
hemelsche licht opvangt, en te midden van de grillige maskerade en de
afschuwelijke vertooning van een wereld van vleesch en duivel, die ons
voorbijtrekt, wanneer wij de kronieken van de middeleeuwsche kerk van
Rome lezen, ontdekken wij hier en daar in den eindeloozen en woeligen
optocht eenige menschelijke gezichten, waarop het geloof schittert
aan Christus' eigen Evangelie van reinheid en zelfverloochenende
liefde. Zonder twijfel werden vele van hen, die den moed bezaten om
zoo te handelen als zij voelden, door hun geestdrift en overdrijving
op gevaarlijke wegen geleid en dan volgde er dikwijls een grove
ontaarding van hun verheven leeringen. Maar dat was onvermijdelijk.

Dat de schaamtelooze losbandigheid en hebzucht van de geestelijken
en het pauselijke hof, en ook andere schandelijke ondeugden, reeds in
vroege tijden bij een zekere sekte van de Kerk verontwaardiging wekten,
blijkt uit vele gegevens. Een van de eerste algemeene protesten tegen
deze misbruiken werd geuit door de monniken van de Fransche Abdij van
Cluny, die in 910 door Fra Berno gesticht is. Deze poging tot inwendige
hervorming was eerst alleen gericht tegen de slechte levenswijze van
den clerus, vooral van de ontaarde Benedictijner monniken, en ofschoon
het misschien onverstandig was het coelibaat der geestelijkheid als
een der voornaamste beginselen aan te nemen, heeft de hervorming van
Cluny toch zeer zeker een buitengewoon goeden invloed uitgeoefend,
niet alleen in de provincies, maar ook te Rome, waar Odo, de leerling
van Berno, begunstigd werd door den republikeinschen leider Alberik
en in staat werd gesteld verschillende kloosters te hervormen. Maar
de Pausen, die (evenals later het geval was met de Franciskaner Orde)
de populairiteit van deze neiging tot hervormen weldra bemerkten,
veroverden, om zoo te zeggen, Cluny en gebruikten de hervormers van
Cluny als hun zendelingen om de leer van de geestelijke suprematie en
de wereldlijke macht van het Pausdom te verbreiden. Zoo was Hildebrand,
de latere Paus Gregorius VII (1073-1080), de groote tegenstander van
Hendrik IV, een Cluniacenser monnik; en de moreele geestdrift, waarmee
de eerste stichters van Cluny waren bezield, ontaardde in sekte-geest
en partijhaat, zooals men kan waarnemen bij den beroemden St. Bernard
van Clairvaux, die het ascetische kloosterleven weder opwekte, maar
die, ofschoon hij zelf een oprecht hervormer van zedelijke misbruiken
was, zich fanatiek verzette tegen alle onderwijs in de Heilige Schrift;
en hij gaf niet alleen zijn stem ten gunste van den zwakken Innocentius
II tegen den Cluniacenser Paus, Anacletus, maar vervolgde ook heftig
Abelard, den philosophischen reformator van Parijs en zijn leerling,
den ongelukkigen Arnold van Brescia, die te Rome op bevel van den
Engelschen Paus Hadrianus werd opgehangen en verbrand.

Een treffend bewijs van het verlangen, dat ook bij de geestelijken zelf
en in het algemeen bij het volk bestond, om terug te keeren tot den
eenvoud en de bezieling van het vroege Christendom is de buitengewone
populariteit, die verschillende boeken hebben verworven, die een
werkelijk Christelijke levenswijze voorschreven en het aanbreken
van een tijdperk van vrede en broederschap voorspelden. Het boek de
Imitatione Christi, of misschien het oorspronkelijke, volgens hetwelk
Thomas à Kempis in de vijftiende eeuw zijn boek geschreven heeft,
moet volgens E. Renan en eenige anderen in dezen tijd (c. 1200)
ontstaan zijn. Een dergelijk werk, zeer zeker van deze periode,
was het Evangelium aeternum van den abt Joachim [429] van Floris in
Calabrië († 1202). Het boek bevatte commentaren op de Apocalypsis en
andere gedeelten van den Bijbel; de schrijver trachtte het Oude en
het Nieuwe Testament met elkander in overeenstemming te brengen en
haalt de Heilige Schrift aan om de aanstaande komst (in het jaar 1260)
van het rijk des Geestes te bewijzen.

Gelijktijdig met deze pogingen tot inwendige hervorming waren
verschillende bewegingen van minder rechtzinnigen aard. Er was een
sekte van Bulgaarsche Christenen, die zich de Katharoi, d. w. z. de
reinen of Puriteinen noemden. Zij schijnen de gewoonten van de Essaeërs
[430] verbonden te hebben met een Oostersch of Manichaeësch [431]
geloof in twee elkander beoorlogende beginselen, den geest van het
Kwade en den geest van het Goede, de macht van het Licht en de macht
van de Duisternis, Ormuzd en Ahriman van Zoroaster of Zarathustra
[432]. Dergelijke stelsels, gepaard met een krachtige opwekking
tot reinheid en armoede, drongen in Provence en Midden-Frankrijk
door en werden door velen met geestdrift ontvangen, in het bijzonder
door de Albigenzen, de bewoners en naburen van Albi, een stad aan de
Tarn. Deze Albigenzen of Albigeois had men waarschijnlijk ongemoeid
gelaten, indien zij alleen het geestelijke leven hadden gepreekt en
uitgeoefend, zelfs al grensden hun theoriën in verband met de leer
over de macht der Duisternis aan hetorodoxie; maar zij verklaarden,
hetgeen zeer begrijpelijk doch misschien onverstandig was, den oorlog
aan de verdorvenheid en de weelde van de Roomsche geestelijken en het
pauselijke hof, en richtten aldus zooals wij zullen zien, zichzelf
te gronde.

Een andere sekte werd te Lyon gesticht door Pierre Valdez (Petrus
Waldus). Deze Waldenzen, of les pauvres de Lyon, waren van orthodox
standpunt beschouwd, kwaadaardiger ketters dan de Albigenzen,
want zij ontkenden, dat de Kerk van Rome in den waren zin de Kerk
van Christus was, en gingen, evenals de latere hervormers deden,
van het gezag van den Paus en de overlevering in hooger beroep bij
den Bijbel. Bovendien verwierpen zij, zooals later de dissenters,
de apostolische opvolging en sommige van hen gaven de verkiezing der
geestelijke herders in handen van de leeken.

In Italië zelf maakte de dogmatische ketterij, d. w. z. het verwerpen
van de onfeilbaarheid van Rome in dogmatische aangelegenheden,
een tijdlang slechts weinig vorderingen, maar er was een sterke en
uitgebreide beweging tegen de wereldlijke macht van de Kerk (niet
alleen onder haar staatkundige tegenstanders) en ten gunste van een
krachtige hervorming, met het oog op de weelde en onzedelijkheid van
de geestelijken, terwijl reinheid en zelfs armoede werden toegejuicht
als de eenige middelen, waardoor de Kerk haar geestelijken invloed
kon herwinnen.

Een belangwekkend voorbeeld van deze beweging wordt gegeven door de
Pataria (de wijk der voddenrapers) te Milaan. De Patarini of Paterini
aanvaardden met trots, evenals de Geuzen in den tachtigjarigen oorlog,
de hoonende benaming. In den beginne, gedurende de stormachtige
periode, die volgde op den dood van Aribert, den Aartsbisschop van
Milaan, in 1045, was de Pataria, de anti-keizersgezinde volkspartij
aldaar, in vijandschap met den adel en de hoogere geestelijkheid en om
die reden (maar om geen andere) ook een vijand van de onafhankelijkheid
der Ambrosiaansche kerk, die gesteund werd door de Milaneesche prelaten
en aristocraten. Aldus hebben wij weder een van die merkwaardige
verwikkelingen die in de geschiedenis van Italië zoo herhaaldelijk
voorkomen, een "onrechtzinnige" volkspartij, die op de hand is van
het Pausdom en bedrogen wordt met ijdele beloften van hervorming. Maar
dit duurde niet heel lang. De Patarini, die weldra inzagen, dat Rome
de ware vijand van hun godsdienstige reformatie was, verbraken het
verbond met den Paus en openbaarden zich als een kettersche [433]
sekte, die het voorwerp van hevige aanvallen werd van den kant van
de Pausen en die "honden des Heeren" [434], de Dominicanen.

De opkomst van de Albigenzen is reeds beschreven. Hun vernietiging
vond plaats in het jaar 1205. Paus Benedictus III, die, zooals wij
gezien hebben, er in slaagde bijna alle vorsten van Europa onder
zijn heerschappij te brengen, had besloten geen ketters in het
Westersche Christendom te dulden. Eerst, zegt men, hoopte hij zijn
doel te bereiken door redeneering en zond daarom predikers naar
Languedoc. Bij hen sloot zich de beroemde Dominicus (Domingo van
Calahorra in Oud-Castilië) aan, die na zijn terugkeer van een zending
in Denemarken, in het Zuiden van Frankrijk was gekomen en zich dadelijk
met heilige geestdrift gewijd had aan het werk der bekeering; en toen
Paus Innocentius, die inzag dat zijn verklaring van het Christelijke
evangelie geenerlei uitwerking had, zijn toevlucht besloot te nemen
tot het vuur en het zwaard en zijn Inquisiteurs en gezanten zond,
gewapend met de volmacht om het afschuwelijk gespuis uit te roeien,
werd uit de edelen van Zuid-Frankrijk, zooals Villari zegt, door
deze pauselijke boden een leger van kruisvaarders samengesteld, die,
opgehitst door het opruiende prediken van Dominicus en zijn fanatieke
metgezellen (waaronder zich de ellendige en meedoogenlooze Bisschop
Folquet van Toulouse bevond) en aangevoerd door den bloeddorstigen
Simon de Montfort, zich op de weerlooze bevolking wierpen en vele
van de bloeiendste streken van Provence en Midden-Frankrijk in een
woestijn veranderden.

In hoeverre Dominicus zelf deze gruwelen goedkeurde of er toe aanzette,
of er zelfs een werkzaam aandeel in had, is onzeker; het staat echter
vast, dat de Inquisiteurs van Toulouse hem vereerden met den titel van
"Kettervervolger" [435] en dat de geheele inrichting van de Inquisitie
kort na zijn dood werd toevertrouwd aan de Dominicaner broeders. Maar
of wij het recht hebben om, zooals sommige schrijvers doen, te
verzekeren, dat hij buitengewoon en duivelachtig onmeedoogend was,
dat hij zonder eenige ontroering keek naar de rookende puinhoopen van
Beziers, waar op bevel van den abt Arnold twintig duizend menschelijke
wezens werden vermoord, is in hooge mate twijfelachtig. Hij was
zeker volstrekt niet onbewogen. Zijn gemoed werd waarschijnlijk diep
ontroerd door hetgeen hij de liefde tot God en de menschen noemde, door
een innig verlangen om de zielen van zijn medemenschen te redden van
datgene, wat hij met volkomen oprechtheid even verschrikkelijk achtte
als de hel zelf, vrijheid van gedachte. Laten wij geen inquisitie over
zijn karakter houden, ofschoon wij nauwelijks in staat zijn zonder
te huiveren de Spaansche Kapel of de S. Maria Novella zelf binnen te
treden en een vreemde droefheid ons hart binnendringt, wanneer wij
staan voor Angelico's wondere "Kruisiging" in het klooster S. Marco.

"In de latere jaren van zijn leven", zegt Villari, "had Innocentius
de krachten wel willen beteugelen, die de bijna volkomen verwoesting
van een geheele landstreek hadden bewerkt. Maar het was te laat. Het
bloed had gevloeid en het volk was te gronde gericht. De vluchtelingen
uit Provence overstroomden Italië. Zij wekten medelijden op door de
verhalen van hun ellende, en haat tegen hem, die de eerste oorzaak was
geweest van hun wreed lijden. Aldus droegen ze bij tot de scheiding
tusschen het Pausdom en die klassen, waarmede de Pausen zich vroeger
steeds hadden verbonden in hun strijd tegen de Keizers. Sinds dien
tijd begon de verhouding van het Italiaansche volk jegens het Pausdom
een zeer belangrijke wijziging te ondergaan".

In 1215 werd Dominicus te Rome door den Paus gehuldigd wegens zijn
ijverige werkzaamheid en de instelling van de predikheeren, en
toen kort daarna Innocentius stierf, werd de Dominicaner Orde door
Honorius III plechtig bekrachtigd. Drie jaren later (1219) werd het
centrum van de Orde gevestigd te Bologna en voordat Dominicus daar in
1221 was gestorven, hadden de predikheeren reeds hard gewerkt om de
ketterij in Noord-Italië uit te roeien; maar Italië was bijna even
erg met ketterij besmet als met Languedoc het geval was geweest. De
Patarini waren in Milaan buitengewoon talrijk. In Ferrara, Verona,
Rimini, Florence en andere steden was de vijandige stemming tegen de
geestelijkheid zeer sterk. In Viterbo waren de ketters talrijk genoeg
om hun Graaf te kiezen. In Assisi werd een ketter tot Podestà benoemd.

Een paar maanden waarschijnlijk, voordat Dominicus te Rome
was aangekomen, had een andere beroemde Orde de goedkeuring van
Innocentius verworven [436]. Francesco Bernadone van Assisi en zijn
klein aantal vrome volgelingen werden eerst met eenigen argwaan
aan het pauselijk hof ontvangen en ongetwijfeld ook met een zekere
hoonende vroolijkheid. Franciscus kwam geen toestemming vragen om
ketters te mogen uitroeien, maar hij verzocht slechts, dat het hem
zou worden toegestaan een vereeniging te stichten van menschen, die
zouden trachten te leven naar de voorschriften en het voorbeeld van
Christus. Zulk een fantastisch doel wekte geen belangstelling bij
den Paus en de kardinalen, maar, zooals verhaald wordt, een droom
[437], die te juister tijd kwam, bracht Innocentius tot nadenken en
het nadenken gaf hem de overtuiging, dat hij wellicht dezen vorm van
religieuze geestdrift voor zijn eigen plannen zou kunnen gebruiken. De
geschiedenis van St. Franciscus van Assisi, hoe hij afstand deed van
alle wereldlijke idealen, hoe hij zich wijdde aan de armoede en aan een
nederig en Christelijk leven om de menschheid en alle wezens, groot
en klein te dienen,--de bouw van de kleine kapel, de Portiuncula,
de stichting van de bedelorde, de orde der Clarissen en die der
Minderbroeders, het bezoek aan den Sultan van Egypte, het heerlijke
en rustige heengaan van de heilige ziel--dit alles is uitvoerig en
met gevoel door vele schrijvers verhaald, zoodat het niet noodig is
het hier te herhalen. Evenmin zal het noodig zijn te trachten het
feit te verklaren, dat het doel en de idealen van deze twee menschen,
Franciscus en Dominicus, een zekere uitwendige gelijkenis vertoonen,
daar hun beider stelsels oorspronkelijk het beginsel van armoede
erkennen en zij beiden grooter voorstanders zijn van den omgang met
menschen dan van de afzondering in kloosters. Dat een dergelijke
uitwendige gelijkenis kan bestaan ondanks een diepgaand verschil in
het werkelijke wezen der dingen is een onwankelbare waarheid. In
dit geval wordt het verschil misschien het best aangeduid door de
zeer eenvoudige woorden van Villari: "Domenico andò a predicare la
crociata contro gli Albigesi, infiammando gli animi ad una sanguinosa
persecuzione degli eretice. Francesco invece si sarebbe sottoposto
ad ogni tormento piuttosto che far soffrire una qualunque creatura"
[438]. Terwijl Dominicus den bloedigen en meedoogenloozen kruistocht
tegen de Albigenzen aanmoedigde en leidde, bezocht Franciscus de
ziekenhuizen, verzorgde de melaatschen, hielp steenen aandragen voor
den bouw van kerken, terwijl hij verzen bedacht, die overvloeiden van
liefde voor alle levende wezens en van dankbaarheid voor de pracht
en de schoonheid der natuur [439].

Een aanwijzing van dit grondige verschil wordt verstrekt door het
feit, dat Franciscus, naar men vertelt, toen hij Dominicus te Rome had
ontmoet, geweigerd heeft zijn Orde met die van de Dominicanen samen te
smelten. Ongetwijfeld zag hij maar al te goed in, met welken geest de
stichter van die Orde bezield was. Beide Orden, zooals ook het geval
was met de veel oudere Benedictijner Orde, weken weldra ver van de
Regels van hun stichters [440] af, zoodat vergelijkingen aan later
tijden ontleend geschikt zijn om ons op een dwaalspoor te leiden; maar
het feit, dat de Dominicanen steeds aan de zijde van de wereldlijke
macht hebben gestaan als handlangers van de tyrannie en de vervolging,
schijnt een bewijs te zijn van het essentieele verschil tusschen
den geest van Franciscus en dien van Dominicus. Inderdaad hebben de
volgelingen van St. Franciscus ook zelf vervolgingen ondergaan. Naar
aanleiding van de Christelijke liefde en het menschelijk medegevoel,
dat zij ook jegens de "onrechtzinnigen" aan den dag legden, werden
zij door Paus Gregorius IX van verraad beschuldigd, die, met de hulp
van Frederik II, den vrijdenker en halven Mohammedaan, een krachtigen
kruistocht tegen ketters organiseerde; en eenige van deze "ketters",
die omstreeks het jaar 1225 door de Inquisitie veroordeeld en te Rome
verbrand zijn, waren waarschijnlijk Franciscaner Minderbroeders.

In de zangen XI en XII van den Paradiso laat Dante den grooten
Dominicaner geleerde, Thomas van Aquino, een schitterende lofrede
uitspreken op St. Franciscus, en de Franciscaner Bonaventura beschrijft
het strijdvaardige karakter van St. Dominicus,


                          de heilige athleet,
        zacht voor de zijnen en grimmig voor zijn vijanden,
                  wiens aanval het krachtigst werd
                  waar de weerstand het grootst was [441].


De lofrede van den Franciscaner op St. Dominicus schijnt hier en
daar, hoewel deze twaalfde zang overstroomt van heerlijke gedachten,
toch eenigzins gedwongen en aarzelend, terwijl daarentegen de
woorden van Thomas Aquinas, ofschoon hij een Dominicaan en een droge
geleerde was, schijnen te trillen van ontroering, als hij het leven
van St. Franciscus beschrijft, het opkomen, als het ware, van een
roemrijke zon, de bruiloft van Franciscus met zijn bruid, de Armoede
[442], de stichting van de Orde, "het eindelijke zegel", de Stigmata,
het heengaan van de heilige ziel naar haar geboorteland, den Hemel
[443]. In verzen van wondere welluidendheid geeft Dante ons het
eigenaardige verschil tusschen beiden weer:


                L'un fu tutto serafico in ardore,
                L'altro per sapienza in terra fue
                Di cherubica luce uno splendore [444].


Gedurende de laatste helft van de dertiende eeuw verspreidde,
zooals wij in een ander hoofdstuk zullen zien, een nieuw licht van
wetenschap en kunst zonder ophouden zijn glans, totdat de vrijheid
van gedachte en Christelijk gevoel zich zoo ver een weg gebaand had,
dat, na den dood van den "driedubbelen tyran", Paus Bonifacius VIII,
het middeleeuwsche Pausdom een tijdlang bijna geheel als staatkundige
en religieuze macht verdween en als een gewond wild dier gromde in
de sombere holte van het groote pauselijke paleis te Avignon.

Terwijl de oude toestanden veranderen, zien wij vele vreemde
verschijnselen; want ofschoon het nest was opgeruimd, bleek het nog
niet zoo gemakkelijk te zijn het oude bijgeloof uit te roeien. Een
van de zonderlingste verschijnselen van de dertiende eeuw was Keizer
Frederik II, de half-Oostersche vrijdenker, dikwijls door den
banvloek getroffen, die, ofschoon hij een ongeloovige was en aan
zijn Siciliaansch hof niet alleen de wetenschap en de losbandige
zeden, maar ook den godsdienst van de Saracenen aanmoedigde, een
Christelijken kruistocht ondernam tegen de Saracenen van Palestina,
zelfs de kroon van Jeruzalem aanvaardde, en daarna, na zijn terugkeer,
ijverig de ketters in zijn rijk vervolgde en vele van hen aan Gregorius
uitleverde om verbrand te worden.

De merkwaardige toestand van geestelijke opwinding, waarin Italië
gedurende dezen overgangstijd verkeerde, blijkt uit het ontstaan
van talrijke sekten, van welke sommige een tijdlang een zeer
belangrijken invloed uitoefenden, vooral in de vrijsteden van
Noord- en Midden-Italië. Zooals natuurlijk was, kwamen er vele
vreemde buitensporigheden voor. Hieronder moeten wij in de eerste
plaats het optreden der Flagellanten of geeselbroeders rekenen. Een
plotselinge springvloed, als het ware, van religieuze hysterie,
verhief zich te Perugia en verspreidde zich snel over en buiten
geheel Italië. Duizenden en duizenden van waanzinnige, half-naakte
boetelingen, mannen, vrouwen en kinderen, trokken in groote benden
door het geheele land, huilend en klagend, biddend en psalmen zingend
en elkander meedoogenloos geeselend. In elke stad, waar zij kwamen,
spraken zij verwenschingen en smeekbeden uit om te trachten een einde
te maken aan de staatkundige en godsdienstige veeten; zij bezochten
de gevangenissen en poogden de boosdoeners tot berouw te brengen;
zij bevrijdden vele gevangenen. Eindelijk werd het civiele gezag
ongerust en kondigde strenge straffen tegen deze buitensporigheden
af. "De listige regeerders van Milaan", zegt een kroniekschrijver,
"richtten zes honderd galgen op aan hun grenzen en dreigden iederen
Flagellant, die in hun gebied kwam, op te hangen." Na 1260 ongeveer
hooren wij niets meer van hen.

Indien wij zoeken naar de oorzaken, die zulke vreemde gevolgen hadden,
vinden wij, dat deze zonder twijfel gelegen zijn in het feit, dat
de eindelooze ellende van den oorlog en de binnenlandsche veeten de
bevolking tot wanhoop hadden gebracht en zij er bovendien langzamerhand
van overtuigd werden, dat de Kerk als draagster van het Evangelie
van liefde en vrede volkomen schipbreuk had geleden. De eenige
groote prikkel, waardoor de Flagellanten tot dergelijke hysterische
buitensporigheden werden aangezet en die ook de oorzaak was van de
heilige bezieling van St. Franciscus, was het verlangen naar het rijk
van Christelijke liefde op aarde. En hoe algemeen dit verlangen in
Italië was, kan men afleiden uit vele andere pogingen om vrede te
stichten, welke soms van zeer dramatischen en aandoenlijken aard
waren. Eens werden (in 1275) de leiders van de verbitterde partijen
in Florence overgehaald om bij elkander te komen op de zandige oevers
van den Arno en elkander te omhelzen en een eeuwigen vrede te sluiten,
welke maar al te spoedig verbroken is. Bij een andere gelegenheid kwam
in de vlakte bij Verona een geweldige menigte (sommige schrijvers
zeggen 400.000 menschen) bijeen, uit verschillende steden verzameld
door een monnik van Vicenza, en tot tranen toe bewogen door de
welsprekende woorden van de predikheeren, sloegen zij zich op de
borst, jammerden over hun zonden, smeekten om God's genade en legden
plechtige eeden af (welke helaas spoedig volkomen vergeten werden),
dat oorlog en partijtwisten voor altijd zouden worden afgeschaft.



HOOFDSTUK II.

DE REPUBLIEKEN EN "SIGNORIE" [445]

tot c. 1320.


Wij hebben de opkomst en de ontwikkeling van de vrije steden in
Noord-Italië sedert den tijd van Hildebrand en Hendrik IV gevolgd en
wij hebben gezien, hoe de Lombardische stedenbond na zijn overwinning
op Frederik Barbarossa den grondslag legde van hetgeen een groote
republikeinsche confederatie had kunnen worden. Na de verpletterende
nederlaag van den Keizer bij Legnano (1176) en den vrede van Constanz
(1183), toen Frederik zich eindelijk in den toestand schikte, erkende
hij openlijk de rechten en zelfstandigheid van de Noordelijke steden,
en zijn zoon, Hendrik VI, werd zoo volkomen in beslag genomen door zijn
pogingen om zijn aanspraken op den troon van de Beide Siciliën te doen
gelden, dat hij zich weinig inspande om zijn gezag in Lombardije te
handhaven, ofschoon hij het bestuur over Toskane en Umbrië aan zijn
eigen hertogen gaf. Ook zijn zoon, Keizer Frederik II bemoeide zich
voortdurend met zijn zuidelijk gebied en oefende over Noord-Italië
nauwelijks eenig gezag uit, behalve hetgeen hem door de Ghibellijnsche
steden vrijwillig werd toegestaan, omdat zij zich gaarne van de hulp
van den Keizer tegen hun mededingers wilden verzekeren. Aldus maakten
de steden in het noorden zich langzamerhand vrij van het keizerlijke
gezag en werden republikeinsch, terwijl Zuid-Italië en Sicilië in
den macht van den Keizer bleven; en toen de droevige terechtstelling
van Konradijn te Napels in 1268 een einde maakte aan de dynastie der
Hohenstaufen, gingen deze zuidelijke gewesten over in de handen van
de vorsten van Anjou en Arragon, onder wier regeering zij bestemd
waren vele jaren lang te blijven.

Maar behalve de republieken in het noorden en de zuidelijke
koninkrijken was er een Kerkelijke Staat, die bestond uit streken van
Midden-Italië, zooals gedeelten van Latium, Tuscia Romana en Sabina,
waar de Pausen een tamelijk krachtig gezag uitoefenden, een gezag,
dat natuurlijk zeer verschilde van de aanspraken, die zij maakten
op de souvereiniteit over de Beide Siciliën, Toskane, de Pentapolis
(Emilia), de Mark van Ancona, het hertogdom van Spoleto en over
andere streken. Deze Kerkelijke Staat (Stato della Chiesa) droeg
een vaag, niet georganiseerd en onstandvastig karakter. De Keizers
hadden steeds zoowel de bestaande als de denkbeeldige Kerkelijke
Staten als onafscheidelijke deelen van het Keizerrijk beschouwd. Zoo
stelde Hendrik VI zijn broeder, Hertog Philips, als zijn stadhouder in
Toskane aan, en andere van zijn bevelhebbers als gouverneurs in Romagna
en de Marken; ook Frederik II bezette, ondanks zijn vrome beloften,
Romagna en andere streken, waarop de Paus aanspraak maakte; en Manfred,
wiens soldaten de Florentijnsche Ghibellijnen bij Montaperti in 1260
hielpen overwinnen, maakte een van zijn bevelhebbers tot keizerlijk
stadhouder van Florence en had een tijdlang, totdat Karel van Anjou
verscheen, in het pauselijk gebied van Midden-Italië de macht in
handen. In naam begunstigde Karel van Anjou natuurlijk de zaak van de
Pausen, maar inderdaad was ook hij hun meester en deed geen moeite hun
souvereine rechten uit te breiden, zoodat het zeer begrijpelijk was,
dat ten slotte, in 1278, Paus Nicolaas III het verstandig oordeelde
van de pauselijke aanspraken op Romagna, Pentapolis, Ancona en Spoleto
afstand te doen ten behoeve van den Keizer, Rudolf van Habsburg.

Derhalve was het maar een betrekkelijk klein gebied, waar de Paus
zijn souvereine rechten uitoefende, rechten, die hij bovendien nog
dikwijls moest deelen met de republikeinsche regeering te Rome; en hij
was afhankelijk van de eenigszins onzekere trouw van zijn legaten en
zijn onderdanen, en door opstanden, zoowel van de democraten als van
de aristocraten, verloor hij dikwijls zijn macht over verschillende
steden, zooals Perugia en Viterbo. En eindelijk, toen Clemens V den
pauselijken Stoel naar Avignon (1309) overbracht, werd het gezag van
de Pausen in Midden-Italië niet meer dan een schaduw van macht.

Aldus hebben wij met een paar trekken een ruwe schets gegeven van
den toestand van Italië gedurende het tijdperk, toen de voornaamste
noordelijke steden hun hoogste ontwikkeling in commercieele welvaart
en republikeinsche onafhankelijkheid bereikten en daarna, sommige
ten minste, hetzelfde lot ondergingen, dat in vroeger tijden niet
weinige van de oude Grieksche republieken trof; in de Grieksche staten
toch gebeurde het zoo dikwijls, dat de een of ander voortreffelijke
staatkundige leider, of het hoofd van een partij, de gunst en het
vertrouwen van het volk won en misbruikte om zichzelf als "tyran" op
te werpen. Deze loop der gebeurtenissen heeft zich in de geschiedenis
menigmaal herhaald. Eerst komen het volk en de feudale edelen in
botsing. Daarna, wanneer de handel en de algemeene welvaart toeneemt,
ontstaat er een nog veel heviger botsing tusschen het kapitaal en
den arbeid, tusschen de nouveaux riches en den arbeidenden stand. Dan
sluiten de oude en armere edelen een verbond met het volk. Ten slotte
verwerft een stoutmoedige en begaafde aanvoerder van den adel den
onvoorwaardelijken steun van de volkspartij en maakt zich door een
coup d'état meester van de regeering. Zoo ontstonden de Grieksche
Tyrannides en evenzoo de Italiaansche Signorie.

De belangwekkende en leerzame geschiedenis van de opkomst en de
lotgevallen van de Italiaansche Republieken is, met volledige verslagen
over de voornaamste van deze steden, verhaald door vele schrijvers
van den tijd van Dino Compagni en Giovanni Villani (c. 1300) tot de
Istorie fiorentine van Machiavelli (c. 1500) en verder door Sismondi
en ontelbare politici, letterkundigen en begaafde schrijvers van onze
dagen. Hier moeten wij er ons toe bepalen, eenige feiten te vermelden
in verband met sommige van deze steden, en voor dat doel zullen wij
wederom Florence, Milaan en Venetië kiezen, wier geschiedenis wij
reeds hebben gevolgd tot omstreeks 1200; en er zal iets bijgevoegd
worden over Verona, Bologna en andere steden.



Florence (c. 1200-1320).

Van de vroegste geschiedenis van Florence hebben wij reeds een
schets gegeven. Het had zich altijd verzet tegen de aanmatigende
overheersching van de Duitsche keizers en edelen en men kan aannemen,
dat de onafhankelijkheid van deze stad is ingetreden bij den dood
van Gravin Mathilde in 1115, toen zij voor het eerst haar eigen
Consuls koos. Maar ofschoon zij bestemd was de belangrijkste van de
Italiaansche Republieken te worden, ontwikkelde zij zich langzaam. Het
grootste gedeelte van Toskane bleef nog lang onder den invloed van
den keizer, nadat de Lombardische steden zich vrij hadden gemaakt,
en er waren Toskaansche steden, zooals Pisa en Arezzo, die, zelfs
nog na den tijd van Dante en Hendrik van Luxemburg, steunpunten van
de Ghibellijnsche partij bleven, terwijl Florence langzamerhand,
met horten en stooten, de republikeinsche vrijheid verwierf, die zij
heeft gehandhaafd tot de opkomst der Medici in de vijftiende eeuw.

De ontwikkeling van de Florentijnsche Republiek werd in den beginne
belemmerd door het ontstaan van verderfelijke veeten. Wij hebben reeds
verhaald, hoe de moord op Buondelmonte, die bij het voetstuk van het
oude standbeeld van Mars werd gedood, de stad in twee verbitterde
partijen verdeelde, die aangevoerd werden door de Donati en de Uberti,
en hoe de keizerlijken gebruik maakten van dezen twist om hun eigen
belangen te bevorderen. Gesteund door den sterken invloed van Keizer
Frederik II slaagde de Ghibellijnsche adel erin de democratische
en pauselijke Welfen-aanvoerders te verjagen. Maar na den dood van
Frederik II werd de Welfsche partij teruggeroepen en in eere hersteld
als een belangrijk deel van de Florentijnsche Republiek onder leiding
van een Capitano del Popolo, en eindelijk, toen in 1259 Ezzelino,
de groote Ghibellijnsche tyran van Noord-Italië, was overweldigd en
gedood, werd de volkspartij in Florence zoo machtig, dat zij op haar
beurt haar tegenstanders verdreef. Derhalve hadden in Florence een
tijdlang de Welfen de overhand en werd de witte lelie rood geverfd
[446]. Maar de verbannen Ghibellijnen verzamelden een groot leger te
Siena, en aangevoerd door Farinata degli Uberti versloegen zij, met
de hulp van de Sieneezen, Pisanen en Manfred's Duitsche ruiterij,
de krijgsmacht, die de Florentijnen tegen hen in het veld hadden
gebracht. De slag vond plaats bij Montaperti, niet ver van Siena,
in 1260 (vijf jaar voor de geboorte van Dante). De slachting,
vooral om de Florentijnschen Carroccio, was zoo verschrikkelijk,
dat de Arbia door het bloed rood werd geverfd, zooals Dante [447]
zegt; en zoo verpletterend was de nederlaag, dat de Welfen naar hun
eigen stad niet durfden terugkeeren, maar naar Lucca vluchtten. Hoe
Florence door de overwinnaars toen werd veroordeeld met den grond
te worden gelijk gemaakt en hoe de stad door Farinata werd gered,
is aan alle lezers van Dante bekend [448].

Zes jaren lang na dezen slag bij Montaperti hadden de Ghibellijnen in
Florence de macht in handen en werd de stad bestuurd door Manfred's
keizerlijken stadhouder, Guido Novello; maar toen Manfred bij Benevento
in 1266 gedood was, kregen de Welfen wederom de overhand. Eerst
onderwierpen zij zich op tamelijk oneervolle wijze aan Paus Clemens
IV en kozen tot hun Podestà Karel van Anjou, die een tijdlang in
Florence door zijn gezanten heerschte. Maar de republikeinsche geest,
die door den ontzaglijken groei van den handel en de welvaart in kracht
toenam, had nu diep wortel geschoten en begon zijn levensvatbaarheid
te bewijzen.

De gilden waren de grondslag van den regeeringsvorm, die thans door de
volkspartij werd aanvaard. Er waren van deze gilden (Arti) zeven groote
en vijf (later veertien) kleinere [449]. Aan het hoofd van elk gild
stond een raad, een voorzitter of Consul en een militaire ambtenaar,
de Gonfaloniere (banierdrager). Deze vormden de voornaamste overheden
van de volksregeering. De consuls maakten evenwel een tijdlang plaats
voor "Anziani" [450] en in het jaar van den Siciliaanschen Vesper
(1282) veranderde die titel in dien van Priori. Drie, later zes
Priori van de groote gilden werden bekleed met het hoogste gezag in
de Republiek en vormden de uitvoerende Signoria. Omstreeks den tijd
van Dante's Prioraat (1300) was een Gonfaloniere della Giustizia met
de Priori verbonden. Deze ambtenaar bezat in tijden van oproer en
onlusten bijna dictatoriale macht en was dus somtijds de gewichtigste
persoon in den staat.

Het was in de vroegste periode van het Prioraat (in 1284), dat
Florence plotseling tot hooge macht en welvaart steeg door een
verpletterende nederlaag, die haar bondgenoot, Genua, toebracht aan
haar groote mededingster, Pisa, welke stad Florence langen tijd den
toegang tot de zee had belemmerd. De zeeslag werd geleverd bij het
rotsachtige eilandje Meloria, op de hoogte van Livorno. Zoo groot was
de buit en het aantal gevangenen, dat het gezegde ontstond, "hij,
die Pisa wil zien, moet naar Genua gaan." Een van de bevelhebbers
der Pisanen bij Meloria was de Graaf Ugolino della Gheradesca,
aan wiens tragische geschiedenis Dante in zijn "goddelijk" gedicht
aangrijpende en hartstochtelijke verzen heeft gewijd. Na den zeeslag
had hij zich als tyran in Pisa opgeworpen, maar men beschuldigde
hem ervan, dat hij de oorzaak van de nederlaag der Pisaansche vloot
was door verradelijke samenwerking met de Florentijnsche Welfen en
het gelukte zijn tegenstander, den Aartsbisschop Ruggieri, hem te
overvallen en te laten dooden (misschien dood te hongeren met zijn
zonen en kleinzonen in de Torre della Fame), om welke feiten Dante
hen beiden heeft veroordeeld tot het bevroren meer in den diepsten
put van den Inferno [451].

Na den val van Ugolino, kregen in Pisa de Ghibellijnen wederom
de macht in handen. De ramp van Meloria maakte een einde aan de
gelukkige mededinging ter zee met Florence, maar toch bleef Pisa een
hardnekkige staatkundige tegenstander, trouw aan zijn keizersgezinde
beginselen en dikwijls begon het weder den strijd tegen zijn
zegevierende mededingers; een bewijs hiervan wordt geleverd door
den beroemden Campo Santo, waar men niet alleen de graftombe van
den laatsten Romanorum Imperator, Hendrik van Luxemburg, kan zien,
maar ook de kettingen, die eenmaal de haven van Pisa afsloten en in
1362 door Genua en Florence zijn buitgemaakt, maar in onze dagen, als
een bewijs van de eenheid van Italië, zijn teruggegeven (zie plaat 51).

Andere Toskaansche steden, die een tijdlang de anti-republikeinsche
zaak begunstigden, waren Arezzo, Siena en S. Gimignano. De hulp,
die Arezzo aan de verbannen Ghibellijnen verleend had, was voor de
Florentijnen een reden om in 1289 de Aretijnen aan te vallen, en zij
versloegen hen bij Campaldino. Aan dezen slag nam Dante, die toen vier
en twintig jaar oud was, deel, zooals hij ons vertelt [452] in een
fragment van een zijner brieven, dat nog over is. "Ik was daar", zegt
hij, "een nieuweling in de wapenen en eerst beving mij groote vrees,
doch later groote blijdschap". Een stad van nog sterker Ghibellijnsche
gezindheid was in den beginne Siena, dat, zooals wij zagen, zulk
een krachtdadige hulp bracht aan de Florentijnsche bannelingen in
den slag bij Montaperti. Maar tien jaar later verwisselde Siena van
politiek. Door den invloed van Karel van Anjou, die na den dood van
Manfred zich meester maakte van de meeste der Toskaansche steden,
sloot Siena zich aan bij het Welfsche verbond, en het bleef geheel
onafhankelijk en republikeinsch tot veel later tijd, c. 1490, toen
Pandulf zijn Signoria over die stad vestigde. Het lot van S. Gimignano
was geheel anders. Reeds vroeg werd het een volkomen onafhankelijke
Republiek, die neiging vertoonde het republikeinsche Florence te
steunen. Dante bracht het, omstreeks 1300, een bezoek als gezant van
Florence, en heeft, naar men zegt, een redevoering gehouden in de
zaal, die nu Sala di Dante heet; maar ondanks zijn welsprekendheid
werd de democratische vrijheid gefnuikt door de partijtwisten van den
plaatselijken adel, vooral door de veete tusschen de Ghibellijnsche
Salvucci en de Ardinghelle [453]. Ten slotte was Florence omstreeks
1353 in staat, door de medewerking van de Welfsche Ardinghelli,
het protectoraat over S. Gimignano af te kondigen.

Toen Dante acht en twintig jaar oud was, ongeveer drie jaren na
den dood van Beatrice, verwierf de Florentijnsche staat een zeer
belangrijk voordeel door de openbare bekrachtiging van de Ordinamenti
della Giustizia, die aan alle burgers gelijke rechten tegenover de wet
verleende. Maar ongelukkig werd de kans, die Florence nu had om zich
te ontwikkelen tot een model-republiek, vernietigd door het feit, dat
uit Pistoria, "dat hol van schadelijke beesten", zooals Dante zegt,
een nieuwe veete werd ingevoerd, van de Neri en de Bianchi; aan het
hoofd van de Neri stelde zich in Florence de voorname familie der
Donati, de leiding der Bianchi nam de aanzienlijke familie der Cerchi
op zich. De aanvoerder der Neri, Corso Donati, verbond zich met Paus
Bonifacius VIII en slaagde erin, geholpen door Karel van Anjou, die
in 1301 Florence een bezoek bracht, de Bianchi-Cerchi te verdrijven,
die er van beschuldigd werden, dat zij niet alleen ontrouwe Welfen
maar ook verkapte Ghibellijnen waren. Onder hen, die verjaagd werden,
was ook Dante [454].

Terwijl Dante als balling rondzwierf--waarschijnlijk in dien tijd in
het land van Massa en Carrara, dat naar de oude Etruscische stad Luni,
Lunigiane heet--stond het volk van Florence op tegen de tyrannie
van Corso Donati [455]; en kort daarna stierf Donati, misschien
op gewelddadige wijze, misschien door een ongeluk [456]. Maar deze
gebeurtenis vergunde Dante toch niet naar zijn geboortestad terug
te keeren. Toen hij verbannen was, had hij openlijk de zijde van
de Ghibellijnen gekozen; maar nu had hij, teleurgesteld, hen reeds
verlaten, en besloten, voor zichzelf een partij te vormen [457].

De verdere geschiedenis van Florence was gedurende vele jaren die
van een vrije republiek. Zoo nu en dan werd de stad in opschudding
gebracht door oorlog en volksoproeren, zooals in 1378 door de Ciompi,
maar over het algemeen genoot zij van haar vrijheid en welvaart tot
de opkomst der Signoria van de Medici.



Milaan en andere steden (c. 1200-1320).

Terwijl Florence zich aldus haar weg baande naar de republikeinsche
vrijheid, ondergingen vele Noord-Italiaansche steden het lot, dat wij
beschreven hebben; Venetië en Genua maakten hierop een schitterende
uitzondering. In Verona, de geboortestad van de Montecchi en Capuletti,
vestigde de bloeddorstige Ezzelino, zooals wij hebben gezien, zijn
tyrannie en ook in Padua, Vicenza, Treviso en andere steden. Na zijn
dood (1259) werd Mastino della Scala tot Podestà en tot Capitano
del Popolo voor zijn leven gekozen, en aldus begon de dynastie der
Scaligeri. De bekendste van deze familie is Can Grande, aan wiens
hof Dante een tijdlang een tehuis vond en ondervond,


                                come sa di sale
            Lo pane altrui, e come è duro calle
            Lo scendere e il salir per l'altrui scale [458].


Evenzoo vestigden zich de Gonzage in Mantua, de Markiezen van Este
in Ferrara, Modena en Reggio, de Correggi en Visconti in Parma,
de Montefeltri in Urbino, de Malatesta-familie in Rimini en de da
Polenta in Ravenna [459].

Van bijzonder gewicht zijn de annalen van Milaan. De geschiedenis van
deze stad tot 1200 ongeveer is reeds verhaald. Nadat zij weder verrezen
was op de puinhoopen, waarin Frederik Barbarossa haar veranderd had,
en door den slag bij Legnano en den vrede van Constanz zich bevrijd
had van de Duitsche overheersching, had de stad een tijdlang een
merkwaardigen drieledigen regeeringsvorm. Het machtigste van de
drie politieke lichamen was de Credenza van den H. Ambrosius, die de
volkspartij vertegenwoordigde. De Molta vertegenwoordigde de lageren
adel en de Credenza van de Consuls den hoogeren adel. Elk van deze
lichamen had zijn eigen overheden en vormde een soort republiek op zich
zelf. Deze stand van zaken gaf natuurlijk aanleiding tot oneenigheid
en, zooals gewoonlijk, de oneenigheid leidde tot het optreden van een
dictator. Zoo sloten omstreeks 1250 de Torriani (het geslacht della
Torre) zich bij de volkspartij aan en kregen de macht in handen. Maar
zij gedroegen zich zoo despotisch, dat de Aartsbisschop Otto, die
behoorde tot de familie van hun mededingers, de Visconti, zich aan
het hoofd van de aristocratische (Ghibellijnsche) partij plaatste en
in staat was hen in 1277 te verdrijven; hij regeerde gedurende langen
tijd in Milaan. Otto werd opgevolgd door Matteo, die, ofschoon hij voor
eenige jaren uit de stad verbannen werd door de Torriani, door Hendrik
VII hersteld werd, toen "die vredestichter" in 1311 te Milaan kwam om
de ijzeren Kroon te aanvaarden [460]; en met Duitsche hulp richtte hij
een bloedbad onder zijn mededingers aan en roeide hen bijna geheel uit;
hij was de stichter van de beroemde dynastie der Milaneesche Visconti.

Een merkwaardige, hoewel kortstondige Signoria, was die van Guglielmo
Spadalunga (Langzwaard), Markies van Monteferrato. Ongeveer 1270 maakte
hij zich meester van een groot aantal Lombardische steden, waartoe
Novara, Vercelli, Asti en Pavia behoorden. Maar zijn denkbeeldig rijk
viel terstond uiteen, toen hij omstreeks 1290 overweldigd werd door
een coalitie van eenige der steden, die hij had onderworpen.

Het is van belang op te merken, dat het leger dezer steden aangevoerd
werd door een van de voorvaderen van den tegenwoordigen Koning van
Italië, nl. door Amedeo van Savoye. De oudste, bekende voorvader van
het Huis van Savoye was een zekere Graaf Umberto, met den bijnaam
Biancamano, die uit de bergen van Savoye in de Po-vlakte afdaalde,
in Piemonte door gevechten en listige verbonden vasten voet kreeg en
in 1033 Koenraad II hielp om Bourgondië te veroveren. In 1310 hooren
wij, dat een anderen Graaf van Savoye, Luigi, tot Senator van Rome
verkozen wordt. Gedurende vele eeuwen heeft dit geslacht zich door zijn
dapperheid en energie voor de hooge stelling, die het zou bekleeden,
waardig getoond.



Genua en Venetië (c. 1200-1320).

Wij hebben reeds gehoord van het belangrijk aandeel, dat Genua in
vroeger tijden heeft genomen in de worsteling tegen de Saracenen
en hoe, nadat in 936 de stad genomen en geplunderd was door de
Saraceensche zeeroovers, zij haar maritieme macht herwon en als
kampioen van de Ligurische steden en bondgenoot van Pisa de zeeën met
haar galeien schoon veegde. Wij hebben ook gezien, hoe de Genueezen
zich bij den eersten kruistocht aansloten en hun steun verleenden
om Boudewijn op den troon van Jeruzalem te plaatsen en hoe zij een
belangrijke commercieele en koloniale macht werden in het oostelijk
gedeelte van de Middellandsche zee. De aanwezigheid van buitenlandsche
vijanden, eerst van de Saracenen en later van de machtige heeren van
Ligurië, had een verbond van de volkspartij met den lageren adel
ten gevolge. Dit verbond heette de Compagna, en de verkiezing van
Guglielmo Boccanegra als Capitano del Popolo in 1257, of misschien
de eindelijke overwinning van de volkspartij in 1270, kan beschouwd
worden als het begin van de Genueesche Republiek en van haar groote
maritieme macht en commercieele welvaart. In 1284 verpletterde Genua,
zooals wij gezien hebben, haar mededingster, Pisa, in den zeeslag bij
Meloria. Ongeveer veertien jaar later (1298) vernielde het de vloot
van Venetië volkomen bij Curzola. Omstreeks acht duizend Venetianen
werden gevangen genomen, onder wie de reiziger Marco Polo, die in de
gevangenis zijn beroemd werk, Milione, schreef. Wij nemen dus afscheid
van Genua, wanneer zij op het toppunt van haar grootheid staat, want
niet lang daarna werd haar zeemacht lam geslagen door een ernstige
nederlaag op de hoogte van Chioggia. Daarna, door de overwinningen
van Doge Andrea Dandolo, omstreeks 1350, en door de verovering van de
Genueesche vloot in de Lagunen in 1380, werd de maritieme heerschappij
van Venetië over haar groote mededingster blijvend gevestigd.

De geschiedenis van Venetië van haar eerste begin tot ongeveer 1200
is reeds in het kort verteld. Haar politieke en kunst-geschiedenis
in de dertiende eeuw geeft bij voortduring vele belangwekkende
eigenaardigheden te zien, die afwijken van die der overige Italiaansche
republieken.

Ten eerste had, wat haar inwendige, staatkundige geschiedenis betreft,
de ontwikkeling van die stad in oligarchische richting plaats, en wel
in de richting, die wij misschien eerder mogen noemen een patricische
dan een democratische. De oude Venetiaansche families bestonden voor
het grootste gedeelte niet, zooals in andere Noord-Italiaansche steden,
uit een feudalen Duitschen adel, maar stamden van de oude Romeinen af,
daar Venetië met haar eilanden in vroegere tijden een geliefkoosde
verblijfplaats was van de vermogende Romeinen. De nauwe betrekkingen
bovendien, die er tusschen Venetië en Byzantium bestonden, hadden
ten gevolge, dat in deze stad rijkdom en weelde en Oostersche ideeën,
die de democratie niet in de hand werkten, hun intrede deden.

In de oudste tijden werd de Doge gekozen met de algemeene stemmen
van het volk, dat zijn wil te kennen gaf door middel van de
volksvergadering (de Arengo). De doges evenwel verschilden wezenlijk
van de Gonfalonieri en Capitani en Priori der andere steden, omdat
zij geen tijdelijke presidenten waren, maar voor hun leven werden
gekozen. En ofschoon het volk gebruik maakte van zijn rechten en de
macht van den Doge beperkte door middel van een Raad en een Senaat
(Maggior Consiglio en Pregadi), werd de democratische winst toch
vernietigd door het feit, dat deze Raad werd gekozen uit de vermogende
klassen en dat elke nieuwe hervorming meer en meer het aantal van hen
verminderde, die tot raadsleden konden worden verkozen, zoodat in den
loop der tijden het streven naar een oligarchischen regeeringsvorm
niet meer kon worden geremd. Bijna in denzelfden tijd, dat Florence de
Ordinamenti della Giustizia vaststelde, die den adel van de regeering
uitsloten en gelijkheid voor de wet aan alle Florentijnen gaven, namen
de Venetianen de gewichtige Serratura (sluiting) van hun Grooten Raad
aan, waardoor alle gewone burgers van de verkiezing voor dat lichaam
werden uitgesloten en de candidatuur tot een betrekkelijk klein aantal
adelijke families werd beperkt [461].

Maar vele van de Venetiaansche edelen van dit tijdperk hadden hun
vermogen en rang door den handel verworven, en de oude adelijke
families, uit hun bezittingen gedrongen door deze plutocraten,
werden ten slotte zoo ontevreden, dat zij, aangevoerd door Baiamonte
Tiepolo, een krachtige, maar ijdele poging ondernamen om de gevestigde
regeering omver te werpen (1310). De commissie, die ingesteld werd om
de aanleggers van deze samenzwering op te sporen, behield haar ambt
gedurende een reeks van jaren en eindelijk werd zij door een besluit,
dat in 1335 werd aangenomen, permanent verklaard. Dit was de beruchte
en gevreesde Raad van Tien, waarvan men in later tijd zooveel hoort.

Ten opzichte van de ontwikkeling naar buiten gedurende de veertiende
eeuw ondergingen de macht ter zee en de handel van Venetië een zeer
gunstigen invloed door haar gelukkige ligging, die haar in staat
stelde dienst te doen als stapelplaats voor den handel tusschen het
Oosten en de noord-westelijke streken van Europa. Aan de inneming
en schandelijke plundering van Constantinopel door de zgn. Latijnen
(Franschen, Vlamingen en anderen) tijdens den zoogenaamden vierden
kruistocht namen de Venetianen een werkzaam aandeel en zij werden
beloond door een geweldige uitbreiding van hun handelsbetrekkingen
in het oosten, waar hun kooplieden vele privileges genoten. Het
gevolg hiervan in Venetië zelf was een duidelijke herleving van den
Byzantijnschen invloed, vooral merkbaar in de bouwkunst en mozaïeken
[462]. Deze Byzantijnsche invloed duurde in Venetië langen tijd en
overleefde en werkte sterk op den Venetiaansch-Romaanschen stijl,
waarop wij reeds gewezen hebben en wederom zullen moeten wijzen
(zie p. 390 en plaat 56).

Zooals wij hebben gezien, leden de Venetianen een verpletterende
nederlaag in 1298 door de Genueesche vloot. Gedurende de volgende
halve eeuw en nog langer ontwikkelde Genua een werkzaamheid, die
zeer nadeelig was voor den Venetiaanschen handel en maakte zich
ook meester van eenige Venetiaansche bezittingen in het Oosten,
en het was niet voor het einde der veertiende eeuw, dat Venetië
onbetwistbaar de Koningin van de Adriatische Zee werd en haar
heerschappij over haar mededingsters in de Levant vestigde. Wanneer
wij de opkomst van de Italiaansche Gotiek bespreken, zullen wij zien,
dat eerst in een tamelijk laat tijdperk die stijl van architectuur
in Venetië ingang vond. Hier behoeven wij er slechts op te wijzen,
dat deze Venetiaansche Gotiek bijzondere en fraaie kenmerken bezit,
daar zij niet slechts onder plaatselijke maar ook onder Oostersche
invloeden stond, waarbij, zooals Ruskin heeft aangetoond, ook de
Saraceensche invloed soms herkenbaar is.



HOOFDSTUK III.

KUNST.

(c. 1200-c. 1320).


Het was in dit werk onmogelijk om de kunstgeschiedenis volledig of
samenhangend te behandelen, en ofschoon wij nu gekomen zijn aan een
tijdperk, waarin een zeer gewichtige en belangrijke ontwikkeling
haar oorsprong nam, zal ik mij er toe moeten bepalen een paar
feiten uit te kiezen, die het best dat nieuwe streven schijnen te
verduidelijken; en ik zal eenvoudig melding maken van mijn eigen
indrukken en gevolgtrekkingen, in plaats van den lezer lastig te
vallen met theoriën en critiek en met een ontelbaar aantal namen van
kunstenaars en hun werken, waarvan toch vele bij hem geen herinnering
zullen wakker roepen aan hetgeen groot en mooi is.



(1) Mozaïeken.

Wat dit onderwerp betreft, zal het noodig zijn eenige feiten in het
kort te herhalen. In een vorig hoofdstuk hebben wij de ontwikkeling
gevolgd van de Christelijke mozaïeken en het verschil opgemerkt
tusschen den edelen Romeinschen en den schitterenden en meer
decoratieven stijl van de Byzantijnsche school, die ongetwijfeld
toch niet zulk een artistieke waarde bezit. Dit verschil wordt goed
aangegeven door de prachtige Romeinsche en Byzantijnsche mozaïeken te
Ravenna, terwijl wij in Rome zelf een mooie reeks van werken vinden,
die den Romeinschen stijl toelichten.

Het oudste, nog bestaande voorbeeld van Christelijk Romeinsch
glasmozaïek (c. 320) is het mozaïekwerk, dat het mausoleum van
de dochter van Constantijn den Groote te Rome (thans de kerk van
S. Costanza fuori le mura) versiert. Het is misschien juister
dit een overgang te noemen van de oude kunst naar de Christelijke
want de oudere gedeelten zijn, wat het onderwerp en de behandeling
(beschermgeesten, wijnranken enz.) betreft, zuiver heidensch en de
Christelijke onderwerpen zijn op de oude decoratieve wijze behandeld
[463].

Van de vroeg-Romeinsche mozaïeken, die zuiver Christelijk zijn, is het
schoonste (c. 350) het mozaïekwerk in de apsis van de S. Pudenziana
(plaat 24). Een ander grootsch en prachtig werk van eenigszins
latere dagteekening (c. 530) kan men zien in de kerk van S.S. Cosma
en Damiano, in oude tijden een tempel, die op het Forum uitzag. Een
voorbeeld van nog lateren datum (c. 825) is het mooie mozaïek in de
S. Prassede (plaat 24), dat echter door zijn onartistieke figuren en
al te druk decoratief reeds een neiging vertoont tot "Byzantijnsche
leelijkheid". Wanneer men evenwel een blik werpt op de photographiën
van deze vijf werken van vroeg-Italiaansche (Romeinsche) kunstenaars,
zal men zien, dat de kunst van het mozaïek-decoratief te Rome gedurende
vijfhonderd jaar ongeveer op dezelfde hoogte is gebleven en over het
algemeen zich kenmerkte door een waardigheid van stijl, die zoo nu
en dan tot verhevenheid steeg.

Daarna, omstreeks het jaar 900, schijnt deze Romeinsche kunst geheel en
al uitgestorven te zijn. Ongeveer twee eeuwen lang (900-1100) vernemen
wij niets; wij ontdekken in dezen tijd slechts ruwe pogingen in een
stijl, die blijkbaar onder ontaarden Byzantijnschen invloed staat. Aan
het einde van de twaalfde eeuw, omstreeks den tijd van Innocentius
III, heeft de Byzantijnsche invloed opgehouden te bestaan en komt er,
om zoo te zeggen, een nieuwe loot uit den ouden stam te voorschijn. In
Rome vinden wij voorbeelden van hetgeen wij kunnen beschouwen als oud
Romeinsch mozaïekwerk in een nieuwen geest opgevat. Een van de vroegste
en fraaiste voorbeelden van dezen nieuwen stijl, dien wij misschien
"Romaansch" kunnen noemen, is het groote mozaïek (van 1180 ongeveer) in
de kerk van S. Maria in Trastevere (plaat 57, I). Meerdere voorbeelden
van deze herleefde kunst kan men aantreffen in de S. Clemente (twaalfde
eeuw) en S. Paolo fuori; een gedeelte van de groote mozaïeken in de
apsis van deze laatste kerk, die van omstreeks 1220 dagteekenen, is
ontkomen aan den brand van 1823. Een nog later en zeer mooi voorbeeld
is het mozaïek van Torriti, de kroning van de Heilige Maagd, in de
apsis van de S. Maria Maggiore. Vervolgens hebben wij omstreeks het
eind van de dertiende eeuw het bewonderenswaardige lagere gedeelte van
het groote apsis-mozaïek in de S. Maria in Trastevere, misschien het
werk van Cavallini (over wien wij later uitvoeriger zullen spreken),
en ten slotte, de beroemde Navicella (plaat 57, II), waarschijnlijk
van Giotto, die omstreeks 1298-1300 te Rome was.

Aldus zijn wij in staat de opkomst, het verdwijnen en de herleving
van de Romeinsch-Christelijke mozaïek-kunst in Rome doorloopend te
volgen tot de dagen van Giotto.

De herleving van de schilderkunst in 1300 ongeveer oefende een
invloed op de kunst van het mozaïekwerk uit, die haar niet geheel
en al tot voordeel strekte [464]. Hoezeer men ook Giotto's Navicella
moet bewonderen, het is duidelijk, dat wij hier bijna alle trekken van
die plechtige rust hebben verloren, die zoo dikwijls aan het oudere
Romeinsche werk zulk een indrukwekkende waardigheid verleenen. Zonder
twijfel hebben wij in ruil daarvoor iets gekregen, dat ten zeerste
onze bewondering verdient; maar de ruil voldoet toch niet in alle
opzichten [465]. De schilderkunst begon haar rechten te doen gelden
en bekommerde zich niet meer om de rechten van de oude mozaïek-kunst.

Een paar woorden moeten hier gezegd worden over het zeer
belangwekkende, maar tamelijk duistere vraagstuk der Cosmati, in
verband met de Romeinsche kunst van de dertiende eeuw, die eerst
de leiding scheen te zullen nemen in de herleving van de kunst,
wier ontwikkeling evenwel in de kiem werd vernietigd door het
overbrengen van den pauselijken zetel naar Avignon. Aan Vasari, den
zestiende-eeuwschen biograaf van Italiaansche kunstenaars, schijnen
deze Cosmati onbekend geweest te zijn, maar hun namen zijn ontdekt op
talrijke monumenten van een zeer oorspronkelijke en fraaie soort en het
blijkt, dat verschillende kunstenaars (bijv. Lorenzo, Luca, Jacopo en
Giovanni), die tot drie geslachten der Cosmati-familie behoorden, zich
onderscheiden hebben als architecten, mozaïekwerkers en beeldhouwers.

Een bijzonderheid van het zoogenaamde Romeinsche Cosmati-werk (ofschoon
men het ook in Sicilië en elders heeft gevonden) is een kunstig,
decoratief mozaïek, dat bestaat uit kleine, platte en ook kubus-vormige
blokjes [466] van gekleurden steen (porfier, verde antico, pavonazzetto
en ander kostbaar marmer, dat men tusschen de ruïnen van het oude
Rome in overvloed vindt) en versierd is met stukjes verguld en helder
gekleurd glas. Dit inlegwerk gebruikten zij voor de versiering van
altaren, baldakijnen, kansels en zuilen, en in het bijzonder voor
de spiraal-zuilen, die gebruikt werden als standaards voor de groote
Paasch-kaarsen (zie plaat 58). Maar van alle zoogenaamde Cosmati-werken
zijn het meest treffend en belangrijkst de talrijke monumenten van de
jongere Cosmati, waarbij deze versiering is aangewend in vereeniging
met hetgeen overigens in Rome toen blijkbaar bijna onbekend was,
namelijk de Gotische architectuur. De bovenbouw van deze graftomben
zijn zoo zuiver Gotisch van stijl, dat sommige schrijvers zelfs de
meening hebben geuit, dat misschien de jongere Cosmati Frankrijk of
Engeland hebben bezocht en daar Gotische monumenten gecopieerd en
het Gotische lijst-werk hebben gecombineerd met Romeinsch mozaïek en
het eigenaardige inlegwerk. Deze vereeniging voldoet buitengewoon
goed. Er is te Rome niets schooners dan deze Cosmati-monumenten,
zooals de graftombe van Kardinaal Gonsalvo (1299) in de S. Maria
Maggiore, en die van Durand (plaat 59) in de S. Maria sopra Minerva
[467], en die van Kardinaal Matteo d'Aquasparta [468] in de Aracoeli,
welke alle drie waarschijnlijk werken zijn van Giovanni de' Cosmati
(Johannes Cosmas), den kleinzoon van den eersten dezer kunstenaars.

Merkwaardig is het, dat deze Cosmati door Vasari niet worden vermeld;
maar hij spreekt wel over een Romeinsch kunstenaar, Cavallini geheeten,
wiens werken en leven zoo moeilijk te ontdekken zijn, dat sommige hem
voor een hersenschim houden. Vasari verzekert, dat deze Cavallini
den voorgevel en eenige van de mozaïeken van de S. Paolo fuori
(die later door een brand vernield is) heeft uitgevoerd en ook het
fraaie lagere gedeelte van het groote apsis-mozaïek in de S. Maria in
Trastevere, waarvan reeds melding is gemaakt. Sommige gelooven ook,
dat hij heeft meegewerkt aan de Navicella, die men gewoonlijk aan
Giotto toeschrijft. Maar omtrent hem is niets zekers bekend.

Het was echter niet alleen in Rome, dat een nieuwe geest zich begon
kenbaar te maken tegen het einde van de twaalfde eeuw. Op Sicilië,
zooals men zich wel zal herinneren, werden tijdens de regeering
van Koning Roger en Willem den Goede (c. 1130-1190) prachtige
mozaïeken aangebracht in de kerken van Palermo, Monreale, Cefalù en
andere plaatsen; en deze mozaïekwerken toonen, ofschoon zij zonder
twijfel sterk onder Byzantijnschen invloed staan, toch ook eigen
oorspronkelijke trekken. En ofschoon te Venetië de Byzantijnsche
invloeden zeer krachtig waren en lang hebben geduurd en natuurlijk
nog versterkt werden na de verovering van Constantinopel door de
Latijnen in 1204 en de daaropvolgende komst van vele Byzantijnsche
kunstenaars en werklieden, vinden wij daar toch in sommige mozaïeken
van dit tijdperk, in de St. Marcus en te Torcello, een zeer besliste
breuk met de Byzantijnsche traditie en zien wij een verrassende
levendigheid en natuurlijke uitdrukking optreden.

Ook in andere gedeelten van Noord-Italië kon men weldra onmiskenbare
teekenen zien van een ontwaakt leven, dat zich onder het stof van
de eeuwen begon te roeren. Zoo heeft de S. Frediano te Lucca op den
voorgevel een (zeer hersteld) mozaïek van ongeveer 1200, dat een nieuw
karakter vertoont, en in de S. Miniato te Florence hebben wij een
prachtig mozaïek van omstreeks 1280, dat zeker niet Byzantijnsch is;
en als een voorbeeld van nog vroeger datum (c. 1260) kunnen wij de
fresco's beschouwen van het gewelf in het Baptisterium te Parma, die
een wondere kracht en levendigheid vertoonen, engelen, die haastig
wegvluchten, Apostelen en profeten, die hard loopen alsof zij een
wedstrijd houden.

Waar een dergelijk nieuw streven zijn oorsprong neemt, is nooit
gemakkelijk te ontdekken, en misschien is het wel onmogelijk dit
te vinden. Kwam het in dit geval van de andere zijde van de Alpen,
zooals sommige gelooven? Het weinige, dat wij van de kunst der
Noordelijke landen in dit tijdperk weten, geeft ons aanleiding een
dergelijke theorie met eenigen spot te verwerpen. En wat zullen
wij dan antwoorden op de bewering, dat niet alleen ten opzichte
van de beeldhouwkunst en de dichtkunst, maar ook wat betreft het
mozaïekwerk, het nieuwe leven uit het zuiden, uit Apulië en Sicilië
is gekomen? Misschien doen wij het verstandigst zonder ons te laten
overtuigen naar dergelijke theoriën te luisteren en met des te meer
ijver en liefde ons onderzoek door te zetten naar hetgeen groot en
schoon is, in de meening dat het zoeken naar de waarheid dikwijls
van grooter belang is dan een vermeende ontdekking.



(2) Bouwkunst.

In voorafgaande hoofdstukken hebben wij gewezen op eenige
eigenaardigheden van de basilieken, en van de Byzantijnsche en
Romaansche architectuur. Hier zullen eenige opmerkingen volgen over
den oorsprong en den aard van de Italiaansche Gotiek; de vroegste
voorbeelden van dezen stijl dagteekenen uit de eerste jaren van de
dertiende eeuw.

Reeds lang voor de dertiende eeuw werden er in Italië pogingen
aangewend om zekere constructieve moeilijkheden op te lossen door de
uitvinding toe te passen van den spitsboog en de gewelfribben. De
spitsboog wordt aangetroffen in de Sicilisch-Normandische en in
de Saraceensche bouworde, en het oorspronkelijke geribde gewelf,
dat door vele wordt beschouwd als het grondbeginsel [469] van den
Gotischen stijl, en de Gotiek-achtige schachten en pilasters, die
op de pijlers zich verheffen als een steun voor het dak, kan men
zien in de zijbeuken en het schip van de S. Ambrogio te Milaan, die,
naar men zegt, uit 1050 ongeveer dagteekent.

Of deze nieuwe beginselen ontstaan zijn in de landstreken ten
noorden van de Alpen (en misschien zoo Ruskin meende, aanvaard om in
de behoefte aan houten gebouwen te voorzien) en vandaar in Italië
zijn ingevoerd, reeds in deze vroege tijden, of dat die beginselen
in Italië zelf zijn geboren en zijn aangepast aan de eischen van
de Italiaansche bouwkunst, is een vraag, die wellicht niet te
beantwoorden is. Het schijnt mij toe, dat het zeer duidelijk is,
ofschoon die onderscheiding niet altijd even duidelijk wordt gemaakt,
dat er ten minste twee zeer verschillende soorten van Italiaansche
Gotiek zijn, waarvan de eene rechtstreeks is ingevoerd en de andere een
oorspronkelijke, Italiaansche ontwikkeling is van het beginsel van den
gebroken boog, zooals die is toegepast bij de gewelven, zuilenrijen en
vensters. Als een treffend voorbeeld van de rechtstreeks ingevoerde
soort zou ik willen noemen de S. Andrea te Vercelli, die (c. 1220)
misschien gebouwd is door een Engelschen architect en voorzien van
een koepel, westelijke torens en steunbeeren, zooals een Gotische
kerk in het noorden. Een zeer belangwekkend voorbeeld van den
ingevoerden Fransch-Gotischen stijl is de kleine (dikwijls herbouwde)
kerk van S. Maria della Spina te Pisa, die in 1230 gesticht is. Van
de zuivere Italiaansche Gotiek zijn waarschijnlijk de mooiste, oude
voorbeelden de S. Croce en S. Maria Novella en de Duomo te Florence;
want de kathedraal van Siena, wier voorgevel den overgang laat zien
van de Romaansche naar de Gotische bouworde, vertoont uitwendig een
bloemrijken en decoratieven stijl, die zonder twijfel aan noordelijken
invloed moet worden toegeschreven; en de Duomo te Orvieto, die ongeveer
uit denzelfden tijd is (c. 1290-1310) en soms beschreven wordt als het
mooiste voorbeeld van Italiaansche Gotiek, is inderdaad een prachtig
gebouw, maar is, wanneer ik mij niet vergis, evenmin een voorbeeld
van echt Italiaansch-Gotischen bouwstijl als de kathedraal te Milaan.

Het wezenlijke verschil tusschen de Noordelijke en de Italiaansche
Gotiek kan met weinige woorden worden aangeduid.

Laten wij in de eerste plaats vaststellen, dat het grondbeginsel van
de Grieksche en Romeinsche bouwkunst, zooals dat tot uiting komt
in de colonnade en de architraaf (en ook in den stevigen koepel
van het Pantheon), berust op verticalen druk--een dood gewicht op
een verticalen steun--terwijl het beginsel, dat aan de Gotische
bouworden ten grondslag ligt, het evenwicht is [470]. Door middel
van dit beginsel van evenwicht konden geweldige massa's opgeheven
en in de hoogte worden gehouden en, zooals wij dat kunnen zien in
onze kathedralen in het noorden, werden, om den druk van dergelijke
massa's te weerstaan, de muren, die gewoonlijk niet zeer dik waren en
bovendien verzwakt werden door buitengewoon groote ramen, door zware
uitwendige beeren en luchtbogen gesteund. In het noorden werden van
al deze constructieve hulpmiddelen, zoowel uitwendig als inwendig,
versieringen gemaakt, door middel van pinakels, traceerwerk, menschen-
en dierenkoppen, die als waterspuwers dienst deden, waardoor de
schoonheid van den zuiveren vorm werd verminderd en tegelijkertijd
de echt artistieke decoratie, zooals de mozaïeken en de fresco's,
bijna onmogelijk werd gemaakt, terwijl de Italianen, ofschoon zij den
spitsboog (of gebroken boog) aanvaardden en daaruit de prachtigste
verhoudingen en vormen afleidden (zooals het inwendige van de S. Croce
en de door Giotto ontworpen Campanile, welke beide voorbeelden
zijn van ongeëvenaarde schoonheid van vorm), niet toelieten,
dat de constructieve uitvindingen het gebied van de decoratieve
kunst overweldigden. Zij hielden de schoonheid in de bouworde en de
schoonheid in de versieringen gescheiden. Zoo bestaat de roem van
Giotto's campanile aan den eenen kant in zijn prachtigen bouwstijl
(zoo slank als een lelie) en aan den anderen kant in zijn rijke
marmerversiering, beeldhouwwerk en fijn gietwerk. En eveneens zijn
de volmaakte verhoudingen van het kale en "op een schuur gelijkende"
inwendige van de S. Croce, verlicht door het vroege morgenlicht,
ondanks alle ontsierende monumenten, zoo heerlijk, dat zij (zooals
Dante zegt van Casella's muziek) al de verlangens van een ziel
tot rust brengen; maar dat is nog niet alles, wat de S. Croce ons
aanbiedt: wanneer men de Bardi- of de Peruzzikapel binnentreedt,
bevindt men zich tegenover breede muren, bedekt met de fresco's van
Giotto, waarvoor geen Gotische kathedraal in het noorden gemakkelijk
de geschikte oppervlakte zou kunnen geven [471]. Denk aan de fresco's
van Giotto, te Florence of te Assisi, en tracht u die voor te stellen
in de St. Bavo te Haarlem! [472].

Het lijkt ons wel nuttig hier een lijst te laten volgen van de
voornaamste Italiaansch-Gotische kerken en paleizen. Gotische paleizen
zijn een zeer eigenaardige en indrukwekkende bijzonderheid van vele
Noord-Italiaansche steden. Zij zijn meestal van later dagteekening
dan de vroeg-Gotische kerken en dikwijls betere getuigen van den
Italiaanschen geest dan sommige van de hieronder vermelde kerken. De
Venetiaansche Gotiek was, zooals men zich zal herinneren, ook een
voortbrengsel van later datum en bezit een zeer bijzonder karakter,
daar zij aan vele invloeden, waaronder ongetwijfeld ook oostersche,
onderhevig is geweest.


Kerken. Te Vercelli, S. Andrea (begonnen c. 1220, misschien door
Brighintz, een Engelschman?)

Te Assisi, S. Francesco (c. 1228, door Tedesco van Meran? Ook nog
een hooger kerk, c. 1253, met Gotisch portaal, enz.)

Te Pisa, S. M. della Spina (c. 1230, Fransch-Gotisch), Campo Santo
(c. 1270, door Giovanni Pisano). Ook nog S. Caterina en S. Michele,
voorbeelden van "Pisaansche Gotiek".

Te Siena, Duomo (begonnen c. 1210, koepel 1264, voorgevel 1284-1320).

Te Orvieto, Duomo (c. 1290-1310).

Te Bologna, S. Francesco (c. 1250, met steunbeeren; afschuwelijk
herbouwd), S. Giovanni in Monte en S. Petronio (volgens het ontwerp
van den Duomo te Florence).

Te Verona, S. Anastasia (c. 1261).

Te Florence, S. Maria Novella (begonnen 1278), S. Croce (begonnen
1294), Duomo (Arnolfo Cambio 1296-1301, Giotto 1334-'6, Andrea Pisano
1336-'49), Campanile (begonnen 1334).

Te Rome is de eenige Gotische kerk de S. Maria sopra Minerva (gebouwd
c. 1285, waarschijnlijk door de bouwmeesters van de S. Maria Novella).

Te Venetië, de kerk van de Frari (begonnen c. 1230, geheel herbouwd
c. 1330-1400; een eenvoudige en tamelijk onbeholpen navolging van den
noordelijken stijl), S. Giovanni e Paolo en S. Stefano (1333-'80?) Erg
hersteld; ook een zware en plompe stijl).


Paleizen. Te Siena, waar ongeveer twee en twintig paleizen zijn,
Palazzo pubblico (1289-1305) en Palazzo Buonsignori (c. 1350).

Te Bologna, Palazzo Communale (1290).

Te Florence, Palazzo Vecchio (1298-1314).

Te Pistoia, Palazzo Pretorio (c. 1350).

Te Venetië, waar ongeveer honderd paleizen zijn, Palazzo ducale
(begonnen 1310) en vele andere (Sangredo, Morosini, Cà d'oro,
enz.) van later dagteekening en zuiver Venetiaansch-Gotischen stijl;
de buitengewone schoonheid van deze paleizen is ons allen bekend.



(3) Beeldhouwkunst.

Het belangrijkste feit in verband met de Italiaansche kunst van de
dertiende eeuw is misschien het plotselinge optreden van een nieuwe
sculptuur, en de vraag, vanwaar die zoo onverwachts verscheen,
is een onderwerp, waarover zeer veel geschreven, maar ten opzichte
waarvan nog zeer weinig bewezen is. Wij zullen ons dus ook tot eenige
algemeene indrukken moeten beperken.

Het ruwe en dikwijls stuitend grillig karakter van de middeleeuwsche
Italiaansche beeldhouwkunst, vooral waar zij onder Duitschen
invloed geraakte, is dikwijls aangeduid en in de vorige hoofdstukken
toegelicht.

Sommige zijn overtuigd, dat zij zelf