Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Op het onheilspad
Author: Curwood, James Oliver, 1878-1927
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op het onheilspad" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | De in het origineel als uitgespatieerde tekst is weergegeven   |
  | als _uitgespatieerd_.                                          |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden:             |
  | met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie.  |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van        |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



Op het Onheilspad



                           Op het Onheilspad

                                  door

                          James Oliver Curwood

                 Hollandsche bewerking van A. M. KROON


                     [Illustratie: NIMMER DRALEND]


                               ROTTERDAM
              NIJGH & VAN DITMAR'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
                                 MCMXIX



HOOFDSTUK I.

De Sneeuwjonkvrouw.


Het was misschien voor het eerst van zijn leven, dat Howland in zijn
binnenste sympathie voelde opkomen voor wat romantisch en avontuurlijk,
schilderachtig en ongewoon was. Aan den kouden poolhemel stonden
millioenen en nog eens millioenen van sterren, als even zoovele strakke,
gelige oogen. De stijf bevroren Saskatchewan, wit glinsterend in haar
wendingen door de met sneeuw bedekte wildernis, lag achter hem en alleen
daar, waar een halve mijl terug het stadje Prince Albert, de laatste
voorpost van de beschaafde wereld, zich tot aan de rivier uitstrekte,
flikkerden enkele lichtjes.

Maar Howland richtte den blik naar het Noorden. Staande op den
top van een heuvel, tuurde hij in de witte duisternis, die duizend
mijlen ver tot aan de IJszee reikte. Heel flauw drong in den stillen
winternacht het zachte sissen tot hem door van het noorderlicht, dat
zijn eeuwenoud lied boven de aardkorst zong. Hij zag hoe de stralen zich
als bleeke pijlen in het witte verschiet boorden; hij luisterde naar de
fluistertonen van een onmetelijke eenzaamheid vol mysterie en het was
hem als gaf dat licht hem een wenk, als riep het hem toe, dat daar ginds
aan den uitersten zoom van de wereld datgene lag, waarvan hij gedroomd
en waarop hij gehoopt had sinds den dag toen hij begon met voor zichzelf
een levensdoel uit te bakenen.

Hij voelde de kou tot in zijn binnenste en huiverend stak hij een nieuwe
sigaar op, zich omwendend om gedekt te zijn voor den fellen wind, die
nu uit het Oosten kwam. Juist toen de lucifer in de holte van zijn hand
opvlamde, liet zich plotseling uit den zwarten chaos van sparren en
laag hout aan zijn voeten een klaaglijk en hongerig gehuil hooren, dat
hem een kreet van schrik ontlokte. Het was als het gejammer van den
Indiaanschen hond bij de wigwam van zijn kortelings gestorven meester.
Howland had het nooit eer gehoord, maar hij wist, dat het de roepstem
was van den wolf. Het boezemde hem ongekend ontzag in en hij bleef
roerloos staan, totdat er uit den grijzen nachthemel in het Westen
een antwoord kwam en even later uit het Noorden nog een.

„Ik geloof, dat ik wijzer doe met naar de stad terug te gaan,” zei hij
overluid tot zichzelf. „Groote God, wat een verlatenheid!”

Hij ging den heuvel af, stak snel de harde sneeuwkorst over van de
Saskatchewan en voelde zich eerst weer op zijn gemak, toen hij de
lichten van Prince Albert op korten afstand vóór zich zag glinsteren.

Jack Howland hoorde thuis in Chicago, wat beteekent, dat hij niet al
te veel sentiment bezat en vooruit wou in de wereld. Hij was nu een en
dertig jaar en al vijftien jaar bezig met zich op te werken. Hij wist
niet beter of hij had in al dien tijd maar één ambitie gekend, maar één
hoop gekoesterd. Met een volharding, die hem deed vervreemden van de
meer luchthartige en wereldsche zijden van het leven, had hij gezwoegd
voor de bevrediging van zijn eerzucht en eerst nu—dezen avond—voelde
hij zich voldaan, omdat zijn wensch op het punt stond van vervuld te
worden. Nog nooit was hij zóó gelukkig geweest. Aan zijn geestesoog
gleed opnieuw het beeld voorbij van den kamp, dien hij had aangebonden
voor het bereiken van zijn doel. De strijd was schitterend geweest en
hij mocht daar, zonder bluf, trotsch op zijn. In den beginne was het
hem tegengeloopen, maar hij had volgehouden. Hij zag zichzelf weer—als
was het gisteren gebeurd—den kleinen boerenwees, die zijn dorp in
Illinois had verlaten, om in de groote stad zich een weg te banen;
hij herinnerde zich hoe hij weken lang honger en gebrek had geleden,
hoe hij eerst kranten had verkocht en daarna door een gelukkig toeval
loopjongen was geworden op een groot technisch bureau. Het was daar, dat
hij de eerzucht in zich had voelen ontwaken. Daar toch liepen beroemde
ingenieurs in en uit—mannen in zijn oog grooter dan de president van
een republiek—mannen, die gewoonweg hun roeping volgden tot aan het
einde der aarde. Hij maakte zich tot een slaaf van zijn verlangen om hun
gelijke te worden—een bouwer van spoorwegen en bruggen—een ontwerper
van tunnels door bergketens—een schepper van nieuwe dingen in nieuwe
werelden. En zijn zwoegen werd er niet minder op met de jaren; uit eigen
vrijen wil ging hij voort op den eenmaal ingeslagen weg, kampend met de
hindernissen, die hij ontmoette en zegevierend, zooals weinigen vóór hem
hadden gezegevierd. En intusschen was hij aldoor opgeklommen, langzaam
maar zeker, totdat hij nu—

Hij wierp het hoofd in den nek, zijn hart klopte sneller; het was hem,
als hoorde hij weer de woorden die Van Horn, de directeur van het
grootste ingenieurs-bureau op het vasteland van Amerika, tot hem had
gesproken:

„Howland, wij hebben besloten om je den bouw op te dragen van de
Hudsonbaai-lijn. Het is een van de moeilijkste karweien, die wij
ooit ondernemen en het schijnt dat Gregson en Thorne het niet kunnen
klaarspelen. Zij zijn uitstekend voor bruggenbouw, maar in het oerbosch
deugen zij niet. Het geldt den aanleg van een eenvoudig stalen spoor
door driehonderd mijlen van de meest woeste landstreek in Noord-Amerika
en van dit oogenblik af moet je lijfspreuk zijn: „er op of er onder!” Je
kunt je te Le Pas aanmelden, zoodra je je spullen bijeen hebt.”

Die woorden hadden een einde gemaakt aan het slaven van Howland. Hij had
gevochten om een kans en nu die kans hem geboden werd, wist hij, dat hij
zou slagen.

Met de handen diep in zijn zakken en behaaglijk den geur opsnuivend
van zijn sigaar, liep hij snel door de eenige groote straat van Prince
Albert—elke zenuw trillend van het nieuwe genot, dat er in zijn leven
was gekomen. Den volgenden dag zou hij verder reizen naar Le Pas, de
kleine nederzetting, zestig mijl oostelijk van de Saskatchewan. Van daar
nog honderd mijlen met een sleê en dan was hij in het groote kamp in de
wildernis, waar een driehonderd man al geruimen tijd bezig waren met het
leggen van een spoorbaan naar de groote baai van het Noorden. Dat werk
moest een schitterend monument worden—een monument, ten eeuwigen dage
getuigend van _zijn_ moed, _zijn_ bekwaamheid, _zijn_ volharding.

Het was over negenen, toen Howland het oude kleine Windsor Hotel
binnenging. De groote kamer met het uitzicht op de straat en de rivier
telde maar weinig bezoekers meer. De boekhouder had het sigarenkastje
gesloten en was naar bed getrokken. In den versten hoek en gedeeltelijk
in het duister zat een half-ras trapper, dien middag binnengekomen uit
de streek om Lac La Ronge en aan zijn voeten lag een van zijn op wolven
gelijkende sleêhonden. Beiden waren klaar wakker en keken nieuwsgierig
op, toen Howland de deur opendeed. Bij een van de breede vensters
hokte een groep zwijgende mannen in dikke buizen van kariboeleer en in
mocassins. Eén van hen, de agent van de Hudsonbaai-factory te Lac Bain,
was in drie jaar niet tot deze uiterste grens der beschaving genaderd;
de anderen, waarbij twee Cree's en een paar Chippewayans, waren
pelsjagers en squatters, die hun voorraad huiden vele honderden mijlen
ver uit het Noorden hadden aangebracht.

Howland bleef midden in de kamer staan en keek om zich heen. Op elk
ander tijdstip zou hij zich verheugd hebben in de stilte en naar de
ruwe tafel zijn gegaan om brieven te schrijven of zich aan een van de
vraagstukken te wijden, die hij steeds in grooten getale bij zich droeg.
Die vijftien jaren van ingespannen studie en eindeloos werken hadden
hem van lieverlede even stil en teruggetrokken gemaakt als die grimme
lui uit het Noorden, wien het zwijgen aangeboren scheen. Maar vanavond
was er iets anders in hem gevaren. Hij voelde lust tot praten. Hij
zou willen vragen. Hij verlangde naar menschelijk gezelschap, naar
geestelijke ontspanning, naar wat anders als de eigen gedachten. Hij
zette zich voor een van de ramen, tastte in zijn zak naar een sigaar en
presenteerde die den man van Lac Bain.

„Rooken?” vroeg hij op kameraadschappelijken toon.

„Graag! Ik werd geboren in een wigwam,” antwoordde de agent langzaam,
terwijl hij zijn hand uitstak naar de sigaar. „Ik dank u zeer.”

„Drommels welgemanierd voor een vent, die drie jaar lang buiten de
beschaafde wereld heeft geleefd,” dacht Howland, terwijl hij het
zichzelf gemakkelijk maakte met zijn beenen op de vensterbank. Overluid
zei hij: „De Waiter heeft me verteld, dat ge van Lac Bain komt; dat is
een goed eind noordelijk, niet waar?”

„Vierhonderd mijlen,” luidde het korte en zakelijke antwoord. „We zitten
daar op den zoom van het Woeste Gebied.”

„Whew!” Huiverend trok Howland de schouders op, maar dadelijk vervolgde
hij: „Ik ga morgen ook naar het Noorden.”

„Naar een factory?”

„Neen; ik ben ingenieur en belast met den bouw van den
Hudsonbaai-spoorweg.”

Howland sprak op duidelijken toon en naar gelang de woorden over
zijn lippen kwamen, richtte de half-ras die achter hem in het donker
zat, zich met katachtige snelheid en behendigheid op. Hij boog zich
over, zijn zwarte oogen glinsterden en zacht verliet hij zijn stoel.
Geluidloos op zijn mocassins voortsluipend, kwam hij ongemerkt tot dicht
achter Howland, maar het was de groote hond, die het eerst diens
aandacht trok.

De ingenieur keek op en toen zijn blik dien van den half-ras ontmoette,
zag hij een glimp van een gelaat, dat hij nooit meer zou vergeten—een
gelaat mager, donker en heel gevoelig, met zeldzaam mooie oogen en
omlijst door glanzend pikzwart haar. Vaak is bij mannen één blik
voldoende om te beslissen over warme vriendschap of bitteren haat en
ook hier had dit zonderlinge en onverklaarbare verschijnsel plaats.
Eerst toen de half-ras zich had omgekeerd en zich snel verwijderde,
kwam Howland tot het besef, dat hij graag met dien man had willen
spreken, dat hij hem de hand had willen reiken en hem naar zijn naam had
willen vragen. Zijn oog volgde de lenige gestalte van den man uit het
Noorden—buigzaam en vlug in zijn bewegingen als de schepselen van het
oerwoud—totdat deze door de deur in het nachtelijk duister verdween.

„Wie was dat?” vroeg Howland zich tot den agent wendend.

„Hij heet Croisset en hij komt uit Wholdaia, de landstreek aan den
anderen kant van Lac La Ronge.”

„Fransch?”

„Half Fransch, half Cree.”

De agent ging voort met staren in het witte verschiet van den nacht en
Howland gaf elke poging op om een gesprek aan te knoopen. Het duurde
trouwens ook niet lang of de ander schoof zijn stoel weg en wenschte hem
een goeden nacht. De Cree's en de Chippewayan's volgden zijn voorbeeld
en een minuut of wat later verdwenen ook de twee blanke jagers, den
ingenieur alleen achterlatend.

„Raar soort,” zei Howland bij zichzelf. „Zouden ze ooit praten?”

Hij leunde voorover in zijn stoel, met de ellebogen op de knieën en het
hoofd op de handen, aldoor turend naar de straat als zocht hij daar
een teeken van leven. Slaap had hij niet; vaak had hij zichzelf een
nachtpitje genoemd, maar zóó wakker als nu was hij nog nooit geweest.

De vreugde over zijn triomf, over zijn succes, was nog niet geslonken
tot een normale gewaarwording van voldoening; reikhalzend zag hij uit
naar den dag en naar den daarop volgenden en naar den dan nog weer
volgenden, wanneer hij het werk van Gregson en Thorne zou overnemen.
Elke zenuw in hem ging uit naar actie. Hij zag op zijn horloge. Het was
nog maar tien uur. Hij had sedert het avondeten aldoor gerookt en ook nu
stak hij een nieuwe sigaar op en plaatste hij zich voor een van de
vensters.

Daar klonk buiten een flauw geluid van voetstappen op het houten
plaveisel. Het was een vlugge, lichte tred, die juist buiten zijn
gezichtskring even leek te aarzelen. Maar daarop kwam het weer nader en
op eens stond er een vrouw voor het raam. Hoe zij gekleed was? Zelfs een
seconde later had Howland het niet kunnen zeggen. Hij zag alleen een
gelaat, wit in den witten nacht—een gelaat, waar het schemerlicht van
de sterren op viel, toen het zich tot hem ophief—een gelaat, schoon
en zuiver gesneden als een camee, met oogen die hem half smeekend,
half verleidend aankeken en half geopende lippen als wilden ze gaan
spreken. Roerloos bleef hij staren en in het volgende oogenblik was
zij verdwenen. Met een korten uitroep stormde Howland door de leege
kamer naar de deur om de straat af te kijken, die flauw door de sterren
werd verlicht. Dat kostte niet meer dan een paar seconden, maar toen
hij hoofd en schouders buiten de deur stak, zag hij alleen ver weg
aan het eind van de straat een eenzame figuur en liet een hond zijn
onheilspellend gegrom hooren. Een voetstap vernam hij niet—en evenmin
het openen of sluiten van een deur. Zijn oor werd alleen getroffen door
de zachte muziek van het noorderlicht, vermengd met het droefgeestige
gehuil van de wolven in het woud aan de overzijde van de Saskatchewan.



HOOFDSTUK II.

Lippen, die niet spreken.


Howland was van nature niet gevoelig voor een paar mooie oogen of een
knap gezichtje. Zijn zakelijke kant ging zóózeer op in plannen en
ontwerpen van stoffelijken aard, dat hij letterlijk geen gelegenheid had
voor uitstapjes op het gebied der romantiek. Tot nu toe had hij zichzelf
op dit punt altijd een pluimpje gegeven; maar thans zweefde er, toen hij
naar zijn stoel bij het raam terugkeerde, een zenuwachtig lachje om zijn
mond. Hij voelde hoe de opwinding hem een blos op de wangen had gelegd
en zijn practische zijde schaamde zich over de zege van de meer
dichterlijke.

„Wat een verduiveld knap meisje!” zei hij, als trachtte hij zich te
verontschuldigen; „die oogen—”

Op eens hield hij in. Want het was meer geweest dan een paar mooie
oogen, meer dan een knap gezichtje. Waarom was dat meisje voor het raam
blijven staan? Waarom had zij hem zoo veelbeteekenend aangezien en
gedaan alsof zij ging spreken? Glimlach en blos verdwenen van zijn
gelaat en hij vroeg zich af of zij hem misschien iets had willen
duidelijk maken. Trouwens, kon het—alles wel beschouwd—niet heel
goed een vergissing zijn geweest? Zij had misschien een oogenblik
gemeend in hem iemand te herkennen en was, toen zij het abuis merkte,
gauw de straat afgeloopen. Onder gewone omstandigheden zou Howland
een dergelijke oplossing onmiddellijk hebben aanvaard; maar vanavond
was hij in een niet-gewone stemming. Zelfs al was de laatste
veronderstelling juist, dan nog zou dit niet genoegzaam de doodelijke
bleekheid van het meisje en het zonderling smeekende in haar blik hebben
verklaard.

Intusschen—hoe dan ook—de zaak ging hem persoonlijk niet aan en
oogenschijnlijk onverschillig liep hij weer naar de deur. Een minuut of
wat verderop, aan het einde van de straat, zag hij een rood licht in den
voorgevel van een Chineesch restaurant en als werktuiglijk richtten zijn
schreden zich daarheen.

„Ik zal daar eens een kijkje nemen en een kop thee drinken,” zei hij bij
zichzelf, het eindje van zijn sigaar weggooiend en diep ademhalend om
zijn longen te vullen met de droge, koude lucht. „Heere, wat een mooie
avond—ik wou dat Van Horn dien kon zien!”

Hij bleef staan, den blik weer gewend naar het Noorden. De myriaden van
onbeweeglijke, glinsterende sterren, het geheimzinnige spel van het
wonderlijke poollicht, de zwarte zoom van de woestenij aan de overzijde
van de rivier, dat alles begon meer en meer invloed op hem uit te
oefenen. Sedert hij dien morgen voor het eerst de wildernis had
aanschouwd, leek hij verjongd en hij verheugde zich in het feit, dat het
juist deze ongewone omgeving zou zijn, die hem succes en fortuin moest
brengen. Nooit had hij gedacht, dat het besef alleen van te leven hem
zóó blij zou kunnen maken; dat het aanschouwen van wonderen, aan welker
ontstaan hij part noch deel had, hem zóó'n intens genot zou kunnen
geven. Aldoor starend naar die onmetelijke ruimten aan de overzijde
van de Saskatchewan, vroeg hij zichzelf af, of het romantische element
in hem wel werkelijk dood was. Hij had altijd gelachen om romantiek.
Arbeid,—de grimme werkelijkheid van de actie, waarbij het eene brein
strijdt met het andere, waarbij de bekwaamheid van den een staat
tegenover de bekwaamheid van den ander, dat alles had er hem vrijwel toe
gebracht om de romantiek in het leven te beschouwen als een illusie van
gekken—en vrouwen. Maar toch was hij eerlijk genoeg om te bekennen, dat
hij vanavond had genoten van al wat hij hoorde en zag en bovenal van het
mooie gelaat, dat uit den nacht naar hem had gekeken en dat zijn bloed
in beroering had gebracht.

Achter hem klonk een dof gehamer op een piano. Toen hij door de lage
deur naar binnen ging, slopen een man en een vrouw langs hem heen op
wier wezenloos uiterlijk en in wier gluiperigen blik hij de bevestiging
las van zijn vermoedens omtrent het „restaurant”. Een tweede deur gaf
toegang tot een ruim vertrek met stoelen en tafels en waar een vreemde
lucht hing. In den versten hoek zat een Chinees met een langen staart,
het hoofd rustende op de armen,—terwijl een tweede, roerloos als een
obelisk achter de toonbank stond en in het half-duister van de slecht
verlichte kamer den jongen ingenieur met boosaardigen blik opnam. Het
geluid van de piano kwam van boven en eenigszins uit de hoogte, maar
niet onvriendelijk groetend, ging Howland de trap op.

„Een duffe boel!” mompelde hij, terugvallend in zijn gewoonte om met
zichzelf te praten. „Als de thee tenminste maar goed is!”

Boven gekomen, staarde hij verbaasd in het rond. In scherpe
tegenstelling toch met de walgelijke omgeving van beneden, zag hij hier
een weelderig vertrek met zware Oostersche tapijten en een stuk of zes
kleine tafeltjes van onyx, half verborgen achter Japansche schermen en
fraai geborduurde zijden gordijnen. Hij zette zich aan een daarvan en
drukte op de kleine handbel. Dadelijk verscheen een jonge Chinees in rok
en met geschoren hoofd.

„Een pot thee,” zei Howland en bij zichzelf liet hij er op volgen: „Niet
kwaad voor een nest aan het eindje van de wereld. Ik zou wel eens willen
weten—”

Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Hoewel het nog maar elf uur was,
leek de plaats eenzaam en verlaten. En toch wist hij vrij zeker, dat
dit in werkelijkheid niet het geval was. Hij voelde onbestemd de
tegenwoordigheid van anderen en weer viel hem de zwakke en toch scherpe
geur op, die dien van wierook overheerschte. Toen hij een dollar moest
betalen voor zijn thee, wist hij waaraan zich te houden.

„Opium,—zoo waar ik Jack Howland heet!” zei hij. „Ik denk, dat zij,
behalve mijn portie, hier niet veel thee zullen verkoopen!”

Intusschen genoot hij de zijne naar hartelust, zich geheel overgevend
aan het nieuwe gevoel van vrijheid, dat hem vervulde, toen hij opeens
voetstappen hoorde op de trap en er even later bijna een kreet van
verrassing over zijn lippen kwam. Daar toch stond, een oogenblik
aarzelend, maar hem vast aanstarend, het meisje, dat hij door het raam
van het hotel had gezien.

Hun blikken ontmoetten elkaar voor misschien niet meer dan enkele
seconden. Maar in dat korte tijdsverloop grifte zich in het hart van
Howland een beeld, dat hem nooit meer los zou laten. Steeds onder de
heerschappij van zijn eerzucht, had hij nooit meer dan voorbijgaande
belangstelling getoond voor vrouwelijk schoon. Hij had dikwijls een
mooi gezichtje gezien en het bewonderd,—maar met dezelfde koele,
on-hartstochtelijke bewondering, waarmee hij de scheppingen van meer
stoffelijken aard placht te beschouwen. Dit gelaat daarentegen scheen
tot hem uit te gaan en nieuwe belangstelling in hem wakker te roepen.
Dat het een buitengewoon gelaat was, voelde hij terstond. Het was nu
niet zoo bleek, als toen hij het voor het eerst zag. De wangen droegen
een blos en de lippen waren half geopend. Zij haalde snel adem,
misschien ten gevolge van het trappenklimmen.—Maar het waren de
oogen,—de onvergelijkelijk schoone oogen, die Howland in vervoering
brachten.

Het meisje wendde den blik af en zette zich aan een tafeltje, zóó, dat
hij haar alleen in profiel kon zien. Hij was daar niet rouwig om, want
het gaf hem gelegenheid om haar rustig en ongemerkt van terzijde te
bestudeeren,—al hield hij zich overtuigd, dat zij zeer goed voelde
hoe hij naar haar keek. Hij glimlachte even, toen hij bedacht hoe
gemakkelijk zij zich achter een van de schermen had kunnen neerzetten.
En intusschen gleed zijn blik al door critiseerend van den blos op haar
wangen naar den lichtgloed in het glanzige bruine haar, dat in dichte
golven tot half over de ooren hing, om laag in den nek te worden
saamgebonden tot één enkele, dikke wrong. Eerst nu lette hij ook op
haar kleeding, die hem eenigszins vreemd aandeed. Haar pelsmuts en haar
handmof waren van donkergrijs lynx. Om haar schouders hing een kraag
van hetzelfde bont. Haar handen staken in onberispelijke handschoenen.
Elke lijn van haar lief gelaat, elk onderdeel van haar toilet droeg het
kenmerk van beschaving. De spottende glimlach verdween van Howland's
lippen en hij liet het vermoeden, dat één oogenblik bij hem was
opgekomen, snel varen. Wie was zij en wat deed zij hier?

Een oogenblik later gleed de jonge Chinees, zacht en behendig als een
kat, tusschen de schermen door tot vlak bij haar tafeltje. Zij scheen
haar bestelling te schrijven op een leitje, dat Howland tot hier toe nog
niet had opgemerkt. Ook zag hij, dat zij den man, toen hij haar de thee
bracht, met een biljet van een dollar betaalde en dat zij geld
terugkreeg.

„Zij weet er alles van,” lachte hij bij zichzelf. „Zij is hier niet
vreemd. Zij kent de prijzen.”

Hij schonk zich een laatste kopje in en toen hij de oogen weer ophief,
merkte hij tot zijn verbazing, dat zij naar hem keek. Even was haar blik
vast en helder; maar al gauw werd de blos op haar wangen dieper en toen
het koude grijs van Howland's oogen de hare onverschrokken uitdaagden,
sloeg zij de lange wimpers neer en maakte zij zich weer druk met haar
thee. Hij zag hoe de hand, die het kleine Japansche potje optilde,
lichtelijk beefde. Hij boog zich voorover en als aangetrokken door die
beweging, keerde het meisje hem opnieuw haar gelaat toe, terwijl zij
den trekpot boven het kopje hield. In haar donkere oogen las hij een
uitdrukking, die hem bijkans deed opspringen,—een veelbeteekenende
gloed,—een pathetisch en tegelijkertijd half angstig beroep op zijn
persoon. Hij stond op met vragenden blik; haar lippen plooiden zich tot
een roode, ronde O en zij wees op den stoel tegenover haar.

„Ik hoop, dat u het mij niet ten kwade duidt,” zei Howland, terwijl hij
ging zitten, „maar mag ik u mijn kaartje geven?”

Hij had het gevoel alsof hij iets zeer vrijpostigs had gedaan en die
gewaarwording joeg hem een oogenblik het bloed naar de wangen. Het
meisje las zijn naam en noodigde hem met een glimlach en een vriendelijk
gebaar om verder de thee met haar te gebruiken. Hij ging even terug naar
zijn eigen tafeltje en toen hij met zijn kopje in de hand weer bij haar
kwam, schoof zij hem het leitje toe, waarop zij deze woorden had
geschreven:

„Gij zult me wel willen excuseeren, als ik niet spreek. Ik ben, helaas,
stom.”

Howland kon een zachten uitroep van verbazing en medelijden niet
weerhouden en toen zijn gezellin tegelijkertijd naar hem opkeek, las hij
op haar gelaat weer de uitdrukking, die hem zoozeer had getroffen, toen
hij in het hotel voor het venster stond. Alledaagsche flirtations waren
hem vreemd; hij miste de noodige gevatheid daarvoor en ook nu klonk zijn
stem koel en zakelijk, terwijl hij haar met zijn grijze oogen eerlijk en
oprecht aankeek.

„Ik zag u vanavond door het raam van het Hotel Windsor,” begon hij, „en
iets op uw gelaat gaf mij het vermoeden, dat ge in verlegenheid waart.
Het is daarom, dat ik de stoute schoenen heb aangetrokken. Ik ben de
ingenieur, belast met den bouw van de Hudsonbaai-lijn en op mijn weg
van Chicago naar Le Pas. Ik ben hier geheel vreemd. Ik was nooit eer
in dit—etablissement. Het is een aardige theesalon,—en een kostelijk
masker voor de opium-banken achter die gordijnen.”

Met die enkele woorden maakte hij haar, als gold het een gewoon en
zakelijk geval, de situatie op eens duidelijk. Zij wist nu wie en wat
hij was en tevens de reden van zijn belangstelling voor haar persoon,
terwijl hij haar terzelfder tijd te verstaan had gegeven, welke
vermoedens hij koesterde, ten opzichte van hun oogenblikkelijke
omgeving. Hij lette naijverig op de uitwerking van zijn woorden en een
seconde later speet het hem, dat hij zoo bruusk was geweest. Het meisje
toch keek om zich heen; hij zag hoe haar boezem hijgde, hoe de blos op
haar wangen kwam en ging en hoe er angst uit haar oogen sprak, toen zij
die groot en vragend op hem vestigde.

„Ik wist dat niet,” schreef zij schielijk. Haar gelaat was nu even bleek
als toen Howland het voor het eerst zag. Haar hand trilde zenuwachtig en
één oogenblik beefden haar lippen zóó, dat zijn hart luider begon te
kloppen. „Ook ik ben hier vreemd,” voegde zij er aan toe. „Ik ben hier
nooit eer geweest—ik kwam—”

Zij wachtte even en het was hem alsof hij een zachten snik hoorde, toen
zij hem aankeek. Hij begreep, hoeveel moeite het haar kostte, om verder
te schrijven.

„Ik kwam hier om u.”

„Maar waarom?” vroeg hij op zachten en geruststellenden toon. „Zeg mij
dan toch waarom!”

En in zijn ongeduld leunde hij halfweg over de tafel om de woorden te
lezen, terwijl zij die schreef.

„Ik ben hier vreemd,” herhaalde zij. „Ik heb iemand noodig om mij te
helpen. Ik hoorde bij toeval wie ge waart en ik was van plan u in uw
hotel op te zoeken. Maar daar gekomen, durfde ik niet. Het was toen, dat
ik u aan het raam zag. Even later kwaamt ge buiten en zag ik u hier
binnen gaan. Onbekend met den aard van het huis, volgde ik u. Zoudt ge
met mij mee willen gaan naar de plaats—waar ik verblijf houd?—Ik zal u
dan mededeelen—”

Zij voltooide den volzin niet, maar haar blik was genoeg. Howland stond
zwijgend op en greep naar zijn hoed.

„Ik ga met u mee, Miss—” zei hij eenvoudig, als daagde hij haar uit om
haar naam neer te schrijven. Zij glimlachte en een nieuwe blos kleurde
haar wangen. Maar tegelijkertijd wendde zij zich om en liep zij snel de
trap af.

Buiten gekomen bood Howland haar zijn arm. Omhoog kijkend, zag hij
opnieuw het vurige spel van de _Aurora Borealis_. Hij wierp zijn
schouders naar achteren, dronk gretig de frissche lucht in en voelde
zich kennelijk blij en gelukkig in het nieuwe leven om hem heen.

„Welk een schitterende avond!” riep hij.

Het meisje knikte en keek naar hem op. Haar gelaat reikte tot aan zijn
schouder en het was alsof het in het witte licht van de sterren nog aan
schoonheid won.

Zij zagen niet om. Geen van beiden hoorde den sluipenden tred van de
mocassins, die hen op korten afstand volgden. Zij zagen niet de
glinsterende oogen, niet het magere, donkere gelaat van Jean Croisset,
den half-ras, toen zij voortsnelden in de richting van de Saskatchewan.



HOOFDSTUK III.

De Geheimzinnige Overval.


Howland was blij, dat hij voor het oogenblik niet hoefde te praten. Hij
begon in te zien, dat dit avontuur wel een beetje heel kras was voor den
man op wiens schouders de verantwoordelijkheid rustte voor een der
grootste ondernemingen van zijn tijd. Hij wist, dat hij den volgenden
morgen den trein van acht uur zou moeten halen, wilde hij dien dag
doorreizen naar het terrein der werkzaamheden. Innerlijk was hij niet
rustig en voelde hij vreemde gewaarwordingen, maar toch moest hij lachen
als hij dacht aan wat Van Horn wel zou zeggen, wanneer die van dit alles
hoorde. Hij keek naar zijn gezellin; hij zag den glans van de lokken,
die onder het pelsmutsje uitkwamen, hij bestudeerde den zachten omtrek
van wang en kin en hij merkte als terloops op, dat het bovengedeelte van
haar hoofd zich juist op één lijn bevond met zijn sigaar. Hij vroeg
zichzelf herhaaldelijk af of hij zich niet mal aanstelde. Zoo ja, dan
troostte hij zich met de gedachte, dat hij er ten minste voor beloond
werd. Deze avond in Prince Albert zou niet zoo oninteressant zijn, als
hij eerst had gevreesd.

Op de plek, waar de rivierpont half tegen den oever lag opgetrokken met
de bevroren punt in het ijs, bleven zij staan en keek hij het meisje
kalm verbaasd aan. Zij knikte lachend en wees naar de overzijde.

„Ik ben vanavond al eens daar geweest,” zei Howland. „Ik zag er geen
woningen en ik hoorde alleen wolven. Moeten we daarheen?”

Hij zag haar witte tanden glinsteren en voelde een warm drukje tegen
zijn arm, als wilde zij hem te kennen geven, dat zij de rivier moesten
oversteken. Zijn verlegenheid nam voortdurend toe. Op den anderen oever
toch reikte het woud met zijn breeden zoom van grove sparren en struiken
tot aan de Saskatchewan. Onmogelijk was het niet, dat de een of andere
squatter in die omgeving zijn hut had,—maar gesteld, dat zij daarheen
wilde, waarom was zij dan juist tot hem gekomen, waarom had zij juist
zijn hulp ingeroepen in plaats van bijstand te zoeken bij menschen, die
zij kende?

Hij stelde zichzelf die vragen, zonder ze in woorden te brengen en eerst
toen zij tegen den anderen oever opklauterden, met de steeds diepere
schaduwen van het oerwoud om zich heen, begon hij opnieuw te spreken.

„Gij hebt mij daareven gezegd, dat gij hier vreemd waart,” zei hij, haar
staande houdend, waar het licht van de sterren op haar gelaat viel, dat
zij hem toekeerde. Zij glimlachte en knikte toestemmend.

„Maar gij schijnt hier toch vrij wel thuis te zijn,” ging hij voort.
„Waar gaan wij heen?”

Dezen keer antwoordde zij met een heftig, ontkennend hoofdschudden en
tegelijkertijd wees zij met haar vrije hand naar het duidelijk zichtbare
spoor, dat van de landingsplaats het bosch in leidde. Dien morgen al
had men Howland verteld, dat dit het Groote Pad was naar het Noorden,
voerend naar de onmetelijke wildernis aan die zijde van de Saskatchewan.
Twee dagen te voren waren de agent van Lac Bain, de Cree's en de
Chippewayans langs dat Pad binnengekomen. Op de harde sneeuwkorst was
het spoor nog zichtbaar der sleden van Jean Croisset en de mannen van
Lac La Ronge. Sedert den hevigen sneeuwval van een dag of tien geleden,
die wel vier voet diep lag, was nu en dan misschien een enkele
woud-bewoner langs het Pad naar deze uiterste grens der beschaving
gekomen, maar uit Prince Albert had niemand er in tegenovergestelde
richting gebruik van gemaakt. Dat alles had Howland al in het hotel
vernomen en het was dan ook met ongeveinsde verbazing, dat hij het
meisje aankeek. Het was of zij zijn gedachtengang begreep en weer rondde
haar mond zich tot een bekoorlijke O en kwam er in haar blik een teeder
smeekende uitdrukking, die scheen te getuigen van haar verdriet over het
feit, dat haar lippen niet in staat waren woorden te vormen. Opeens
echter deed zij een stap ter zijde en schreef zij met de punt van haar
voet een woord in de oppervlakte van de sneeuw. Haar hand leunde zacht
op Howland's schouder, toen hij zich boog om bij het geheimzinnige licht
van de sterren te lezen.

„Kamp!” riep hij zich weer oprichtend. „Ge meent toch niet, dat ge hier
buiten kampeert?”

Blij nu zij begrepen werd, knikte zij een herhaald ja. Er lag zoo iets
zachts op haar gelaat, er lag zooveel vreugde in haar blik, dat Howland
haar zijn beide handen toestak en luid begon te lachen.

„Gij?” riep hij—„gij zoudt hier kampeeren?!” Eveneens lachend met
lippen en oogen—kwam zij snel naar hem toe en gedurende enkele seconden
rustten hun handen ineen. Haar schoon gelaat was nu gevaarlijk dicht
bij het zijne. Hij voelde haar adem en hij rook den zachten geur van
haar lokken. Nog nooit had hij oogen gezien als die, welke nu tot hem
opkeken, uitstralend het zachte licht van de sterren; nooit had hij
ook maar gedroomd van zoo iets schoons en haar nabijheid bracht hem in
beroering. Steeds vaster drukte hij haar handen en toen dit haar nog
dichter bij hem bracht, voelde hij voor een ondeelbaar oogenblik haar
hoofd tegen zijn borst. Die gewaarwording deed hem tijd en plaats
vergeten; deed hem zijn vroeger ik—Jack Howland,—den bij uitstek
practischen en on-romantischen meester-bouwer van spoorlijnen, vergeten;
deed hem alles vergeten, behalve de tegenwoordigheid van dat meisje,
haar warmen druk tegen zijn borst en de betoovering dier groote, bruine
oogen, die zoo onverwacht in zijn leven waren gekomen. Maar een
oogenblik later had hij zich hersteld. Hij week een schrede terug en
liet haar handen los.

„Vergeef mij,” zei hij zacht. Hij schaamde zich over zijn optreden en
zich kortweg omdraaiend, liep hij het Pad op. Hij was nog geen twaalf
passen gevorderd, toen hij op eenigen afstand vóór zich uit den rooden
gloed van een vuur zag. Tegelijkertijd werd zijn arm gegrepen door een
hand, die er zich bijna woest aan vastklemde en zich omwendend, zag hij
het gelaat van het meisje ten prooi aan een vreemde ontroering.

„Wat is er?” riep hij. „Zeg mij—”

Beangstigd door haar blik, wilde hij opnieuw haar handen in de zijne
nemen. Maar zij trok die snel terug. Er begon zich op eenigen afstand
achter haar iets te bewegen in de diepe schaduwen van het woud; het nam
een vorm aan en een oogenblik later zag Howland een forsche gestalte uit
de duisternis te voorschijn springen en meteen het flikkeren van een
mes. Hij had geen tijd om uit te wijken of de revolver te trekken, die
hij altijd bij zich droeg. In een crisis zijn iemands daden meestal
onwillekeurig en machinaal; het is alsof het leven, wanneer het aan een
zijden draad hangt, zichzelf moet redden op zijn eigen wijze zonder
overleg en zonder redeneering van den persoon, die door dat leven
bezield wordt.

En één oogenblik dacht en redeneerde ook Howland niet. Had hij dat
gedaan, dan zou hij waarschijnlijk zijn geheimzinnigen belager te lijf
zijn gegaan en zijn bloote vuist in het mes hebben gestooten. De drang
van lijfsbehoud maakte, dat hij wat anders deed. Zonder zich tijd te
gunnen om een kreet van schrik te uiten, wierp hij zich voorover in de
sneeuw. Die manoeuvre redde hem en toen de ander, over zijn lichaam
struikelend, languit op het Pad viel, had hij gelegenheid om zijn
revolver te trekken. Maar nog eer er een schot viel, hoorde hij achter
zich een vreeselijk gebrul, gelijk aan dat van een wild dier en
kreeg hij een zwaren slag op zijn hoofd. Het gewicht van den tweeden
aanvaller drukte hem diep in de sneeuw, het pistool gleed hem uit de
hand en twee zware knuisten verstikten een laatsten wanhoopskreet in
zijn keel. Hij zag boven zich een gelaat, verwrongen van hartstocht, een
breeden nek en oogen fonkelend als granaten. Hij worstelde om zijn armen
te bevrijden, maar zijn pogingen waren als die van een kind tegenover
een reus. Hij nam zijn toevlucht tot een laatste redmiddel, zijn eenige
kans en zijn eenige hoop. Juist toen hij de vingers, die als gloeiend
staal in zijn vleesch drongen, om zijn keel voelde en de adem hem scheen
te begeven, herinnerde hij zich den moorddadigen kniestoot, dien de
kampvechters van de binnenzeeën hem hadden geleerd; duim voor duim trok
hij zijn knieën op onder het gewicht van zijn belager tot hij met de
laatste kracht, die in hem was, een geweldigen stoot tegen diens buik
kon richten. Het duurde even eer hij wist of hij gered was, eer het
waas voor zijn oogen optrok en eer hij zijn vijand in de sneeuw zag
spartelen. Hij stond op, duizelig en nog wankelend door den zwaren slag
op zijn hoofd en den greep naar zijn keel. Op eenigen afstand zag hij
een vaag druk doen van donkere gedaanten en terwijl hij daarnaar keek,
kwam een van die lieden op hem af.

„Schiet niet, M'sieur Howland,” hoorde hij een stem zeggen in gebroken
Engelsch, vermengd met Fransch. „Ik ben het—Jean Croisset—een vriend!
Bij alle Heiligen, dat was—hoe zegt ge ook weer?—lukraak!”

Het magere, donkere gelaat van den half-ras dook glimlachend op uit de
witte duisternis. Howland bemerkte hem nauwelijks; hij zocht al door om
zich heen naar het meisje. Maar zij was weg.

„Ik kwam hier toevallig langs—met mijn knuppel,” ging Croisset voort.
„Kom, we moeten terug naar de stad.”

De glimlach was van zijn gelaat verdwenen, toen hij den arm van den
ingenieur stevig onder den zijnen nam. Het was Howland alsof alles met
hem draaide; hij voelde een vreemde zwakte door al zijn leden. Met
moeite bracht hij de hand aan het hoofd; hij had het kunnen
uitschreeuwen van de pijn.

„Dat meisje—” begon hij.

Croisset legde een arm vast om hem heen.

„Zij is weg,” hoorde Howland hem zeggen en er was iets in de stem
van den half-ras, dat den ander terughield van verdere vragen. Hij
strompelde gedwee mee in de richting van Prince Albert, steeds zwaarder
leunend op zijn geleider.

En toch—hoewel half bedwelmd en versuft, wist hij heel goed, dat
het niet alleen de verdwijning van het meisje was, waarvoor hij een
verklaring zocht. Toen die slag op zijn hoofd neerkwam, had hij den
angstkreet van een vrouw gehoord; toen hij half bewusteloos in de sneeuw
terneer lag en zijn laatste krachten inspande om zijn leven te redden,
was diezelfde vrouwenstem weer tot hem doorgedrongen,—schijnbaar van
heel ver—en nu hij zijn arm hoofd op Croisset's schouder liet vallen,
waren het haar woorden, die nog in zijn gefolterd brein naklonken.

„_Mon Dieu!_ Gij zult hem vermoorden—gij zult hem vermoorden!”

Hij trachtte dat gezegde overluid te herhalen, maar hij vermocht slechts
een onsamenhangend gemompel uit te brengen. Daar waar het woud den oever
bereikte, bleef de half-ras staan.

„Ik moet u dragen, M'sieur Howland,” zei hij en toen hij met zijn
bewusteloozen last het ijs overstrompelde, voegde hij er bij zichzelf
aan toe: „Wat zou de lieve Meleese wel zeggen, als zij wist, dat Jean
Croisset op een haar na M'sieur _l'ingénieur_ het leven had
uitgeblazen?! _Ce monde est plein de fous!_”



HOOFDSTUK IV.

De Waarschuwing.


Howland verkeerde den heelen nacht in een soort van bedwelming. Toen hij
eindelijk ten volle tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn bed in het
hotel. Er stond een lamp op de tafel en met één blik zag hij, dat de
kamer leeg was. Hij lichtte het hoofd en de schouders op van de kussens
en die beweging alleen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij
gewond was. Hij voelde een doffe, folterende pijn in nek en hoofd en
toen hij nieuwsgierig met de hand naar de plek tastte, kwam hij in
aanraking met een stevig verband. Hij vroeg zichzelf af, of hij zwaar
gewond was; hij zonk weer terug in de kussens en hij bleef liggen staren
naar het flauwe schijnsel van de lamp. Even later liet zich bij de deur
eenig geluid hooren; hij wendde het hoofd om, vol ergernis over de pijn,
die de beweging hem gaf. Het was Jean, die naar hem kwam kijken.

„Ah! M'sieur is wakker!” riep de half-ras bij het zien van de wijd
geopende oogen en heel zacht trad hij binnen, de deur achter zich
sluitend. „_Mon Dieu!_ Als die slag een greintje zwaarder was
aangekomen, dan zoudt ge nu al in het zalige hiernamaals zijn,” zei hij
glimlachend en met geluidloozen tred naderbijkomend, bracht hij een glas
water aan Howland's lippen.

„Is het erg, Croisset?”

„Zóó erg, M'sieur, dat ge een dag in bed zult moeten blijven. _Voilà
tout!_”

„Maar dat is onmogelijk!” riep de ingenieur. „Ik moet morgenochtend weg
met den trein van acht uur. Ik moet naar Le Pas—”

„Het is nu vijf,” viel Jean hem zacht in de rede. „Gevoelt ge u wèl
genoeg om te vertrekken?”

Howland hief zich op, maar alleen om zich dadelijk weer te laten vallen
met een luiden schreeuw.

„Alle duivels!” riep hij en een oogenblik later ging hij voort: „In de
twee eerstvolgende dagen gaat er geen trein.” Hij legde één hand op zijn
pijnlijk hoofd en sloot de andere vast om de dunne, bruine vingers van
Jean. „Ik heb behoefte om je te danken voor wat je deedt, Croisset; wàt
er eigenlijk gebeurd is, snap ik nog niet recht. Ik weet niet wie het
waren en evenmin waarom zij mij dood wilden maken.—Maar—er was daar
ook een meisje—ik was met haar gekomen—”

Hij nam de hand van zijn voorhoofd op het juiste moment om het vreemde
licht te zien, dat bij die woorden in Croisset's oogen oplaaide. Vol
verbazing richtte de gewonde zich halverwegen op, met wit gelaat en
vragenden blik den half-ras aanstarend.

„Weet jij er meer van?” vroeg hij haastig. „Wie was zij? Waarom bracht
zij mij naar die hinderlaag? Waarom trachtten zij mij te vermoorden?”

Howland uitte die vragen in groote opgewondenheid; hij zag op het gelaat
van Croisset, dat deze zeer zeker in staat zou zijn om hem uitsluitsel
te geven. Maar er kwam geen antwoord over de dunne, gesloten lippen daar
boven hem. Met een snelle beweging trok de half-ras zijn hand terug om
vervolgens naar de deur te gaan. Halverwegen bleef hij staan en keerde
hij zich om.

„M'sieur, ik ben hier gekomen om u te waarschuwen. Ga niet naar Le Pas.
Ga niet naar het groote spoorwegkamp aan de Wekusko. Keer naar het
Zuiden terug.” Eén oogenblik boog hij zich voorover, zijn zwarte oogen
schitterden en hij balde de vuisten in zijn zijden. „Misschien zult gij
mij begrijpen,” zei hij met nadruk, „wanneer ik u zeg, dat de
waarschuwing komt—van de kleine Meleese!”

Vóór Howland nog kon bekomen van zijn verbazing, was Croisset al
verdwenen. De ingenieur riep hem nog bij zijn naam, maar hij hoorde
slechts het geluid van voetstappen, die zich snel verwijderden. Met
een uitroep van teleurstelling viel de gewonde in zijn kussens terug.
De herhaalde opwinding had hem weer duizelig gemaakt en er kwam een
koortsachtig rood op zijn wangen. Hij lag lang met gesloten oogen,
trachtend voor zich zelf het mysterie van den vorigen avond op te
lossen. De natuurlijkste verklaring was, dat men hem in een val had
gelokt. Zijn mooi kennisje had hem met haar lieven glimlach en haar
innemend mondje ingepakt en hij knarsetandde, toen hij bedacht hoe
gemakkelijk hij zich had laten overhalen. Zij had hem met opzet in de
hinderlaag gelokt, die hem noodlottig had kunnen worden, wanneer niet
Jean Croisset tusschenbeide was gekomen. En toch was het haar stem
geweest, die hij gehoord had en haar angstkreet: „_Mon Dieu_, ge zult
hem vermoorden!” dien hij vernomen had, toen de vreeselijke knuist zijn
keel bijkans dichtschroefde.

Zijn adem ging sneller nu hij die woorden fluisterend voor zichzelf
herhaalde. Eerst thans realiseerde hij de ware beteekenis. Hij voelde
eerst nu, hoezeer die kreet van werkelijken angst getuigde en terwijl
hij zoo met gesloten oogen terneer lag, was het hem als hoorde hij in
haar stem het geluid van de wanhoop. Hoe meer hij nadacht, des te
onbegrijpelijker leek hem het heele gebeuren. Waarom had het meisje,
nadat zij hem eerst met voorbedachten rade in de hinderlaag had gelokt,
ter elfder ure—juist toen haar dubbelhartigheid met succes zou worden
beloond—opeens als in doodsangst dien wanhoopskreet geuit? Howland zag
in zijn verhit brein haar beeld, zooals zij naast hem had gestaan in de
sneeuw op het Pad; hij voelde weer de aanraking van haar handen, het
leunen gedurende enkele oogenblikken van haar hoofd tegen zijn borst;
hij zag weer den zachten blik, die uit de diepe, reine oogen sprak; het
gevoelige beven van de lippen, die moeite schenen te doen om te spreken.
Was het mogelijk, dat zulk een gelaat, dat zulke oogen hem in een
doodelijke val hadden gelokt? Niettegenstaande de overtuigende bewijzen,
koesterde hij twijfel. En toch—zij had gelogen, want zij was niet
stom.

Kreunend keerde hij zich met het gelaat naar de deur. Als Croisset
terugkwam, wilde hij bij hem aandringen op meer licht in de heele zaak;
hij was er zeker van, dat de half-ras het mysterie ten minste voor
een deel zou kunnen opklaren. En intusschen pijnigde hij, wakend en
wachtend, zijn arme hersens met het bedenken van mogelijke redenen
voor dien aanslag op zijn leven. Wie toch was „de kleine Meleese”,
die—zooals Croisset zei,—hem de waarschuwing had gezonden? Hij had,
voor zoover hij zich herinnerde, nooit iemand van dien naam gekend.
En toch had de half-ras dien geuit op een wijze als had die voor
hem—Howland—een diepere beteekenis. „Misschien zult ge het begrijpen,”
had hij gezegd en Howland deed zijn best om te begrijpen, totdat zijn
brein tobde en hij een zieke walging voelde opkomen.

Het eerste licht van den dag kwam flauw naar binnen, toen er buiten de
deur opnieuw voetstappen klonken. Dezen keer was het niet Croisset, die
verscheen, maar de eigenaar van het hotel; de man bracht een blad met
geroosterd brood en een pot dampende koffie mee. Hij knikte en lachte,
toen hij zag, hoe Howland half opzat.

„Dat was een leelijke val,” begon hij, een tafeltje bij het bed
schuivend. „Ja, de sneeuw is en blijft verraderlijk in de rotsspleten.
Als die op een helling onder je wegzakt, dan kun je een flinken smak
doen. Gelukkig dat ge Croisset bij u hadt.”

Een oogenblik was Howland sprakeloos.

„Zeker—het was—een leelijke val,” bracht hij ten laatste met moeite
uit, den ander scherp opnemend. „Waar is Croisset?”

„Weg. Hij is een uur geleden al vertrokken met zijn honden en zijn slee.
Gekke vent, die Croisset! Daar komt hij gisteren binnen van Lac La
Ronge, wel honderd mijl noordelijk en vandaag gaat hij er al weer van
door! En voor zoover ik kan nagaan, was er even weinig reden voor zijn
verschijnen als voor zijn verdwijnen.”

„Weet ge meer van hem?” vroeg Howland geïnteresseerd.

„Neen, hij komt maar eens of tweemaal per jaar hierheen.”

Gedurende enkele minuten bewaarde de ingenieur het stilzwijgen. Hij
knabbelde aan het geroosterde brood en dronk een paar slokjes koffie.
Daarop zei hij als terloops:

„Hebt ge wel eens gehoord van een vrouw, die Meleese heette?”

„Meleese—Meleese—Meleese—” herhaalde de hotelier, met de hand door
het haar strijkend. „De naam komt me bekend voor en toch kan ik mij niet
herinneren—” Maar opeens riep hij triomfeerend: „Ik heb het! ik heb
het! Een paar jaar geleden had ik een kookvrouw, die Meleese heette?”

Howland haalde de schouders op.

„De Meleese, die ik bedoelde, is een jong meisje,” zei hij.

„En de Meleese, die wij hadden, is dood,” verzekerde de man opgeruimd en
opstaand om heen te gaan. „Over een half uurtje zal ik iemand sturen om
het blad te halen, Mr. Howland.”

Een uur of wat later kroop Howland uit zijn bed. Hij doopte zijn hoofd
in koud water, voelde zich daarna veel beter, kleedde zich aan en ging
naar beneden. Zijn nek deed hem nog wel wat pijn, maar behalve dat en
een licht gevoel van misselijkheid scheen hij geen letsel te hebben
bekomen. Hij verscheen aan tafel en voelde zich op den middag zóó wel,
dat hij een sigaar opstak en uitging voor een korte wandeling. Zijn
eerste ingeving was om bij den houder van het Chineesche restaurant te
informeeren naar de identiteit van het meisje, dat hij daar had ontmoet;
maar dat voornemen liet hij bij nader inzien varen. Hij begaf zich, de
rivier overstekend, regelrecht naar het Pad, dat zij den vorigen avond
hadden ingeslagen. Hij toefde een oogenblik bij de sporen van den strijd
in de sneeuw. Daar waar hij het eerst den half-ras had gezien, vond hij
bloedvlekken op de ijskorst. „Bravo, Croisset!” mompelde hij, „je
schijnt een mes gebruikt te hebben!”

Hij kon nagaan tot hoe ver de gewonde was voortgekropen, eer hij weer op
zijn beenen stond en ging met een omzichtigheid, die hij een uur of wat
geleden zou hebben versmaad, langzaam verder voort tusschen de dichte
wanden van het woud, één hand steeds op de revolver in zijn jaszak.
Daar waar het Pad zich met een scherpe bocht naar het Noorden wendde,
vond hij op een open plek de verkoolde overblijfselen van een kampvuur
en dicht daarbij een aantal dunne berkestammen, die klaarblijkelijk voor
tentstaken hadden gediend. Toen hij met de punt van zijn laars in de
asch en tusschen het half verbrande hout roerde, was er geen spoor van
rook meer; geen vonkje verried, dat enkele uren geleden hier menschen
hadden gekampeerd. Hij kon slechts één gevolgtrekking maken: zijn
onbekende belagers moesten al gauw na den mislukten aanslag hun kamp
opgebroken en de vlucht genomen hebben. Het meisje met de zachte oogen
en het lieve gelaat, dat hem binnen hun bereik had gelokt, was naar alle
waarschijnlijkheid met hen meegegaan.

Maar waarheen waren zij getrokken?

Hij doorzocht het verlaten kamp met de grootste nauwkeurigheid. De harde
ijskorst op den bodem vertoonde hier en daar den indruk van hondeklauwen
en op enkele plaatsen was het breede spoor van een toboggan duidelijk
zichtbaar. Dit alles was genoeg om de snelle verdwijning van zijn
vijanden te verklaren. Zij waren dienzelfden nacht nog met hondensleden
naar het Noorden gevlucht.

In het hotel teruggekeerd, voelde Howland zich erg vermoeid en het
was dan ook met meer teleurstelling dan blijdschap, dat hij vernam,
hoe er dien avond laat nog een werktrein naar Le Pas zou vertrekken.
Intusschen—na een uurtje van rust in zijn kamer, herkreeg hij al gauw
zijn oude energie. Hij begon nu zelfs met koortsachtig ongeduld uit
te zien naar Le Pas en naar het kampement aan de Wekusko. Het was
of Croisset's aanmaning om naar het Zuiden terug te keeren, hem eer
aanzette dan tegenhield. Ondernemend van aard had hij al strijdend sport
voor sport de ladder van het succes beklommen. En nu gaf de gedachte,
dat zijn leven gevaar liep, dat in de diepte van de wildernis hem
misschien het een of ander onheil wachtte, slechts een nieuwe, een
opwindende bekoring aan de reuzentaak, die vóór hem lag. Hij had graag
willen weten of ditzelfde gevaar ook Gregson en Thorne boven het hoofd
had gehangen en of dit de reden was van hun moedeloosheid en van hun
verlangen om naar de beschaafde wereld terug te keeren. Hij twijfelde
geen oogenblik of hij zou dat hooren, zoodra hij hen in Le Pas
ontmoette. En in het kamp aan de Wekusko zou hij nog meer te weten
kunnen komen; altijd wanneer de waarschuwing van den half-ras, die hem
niet heelemaal onverschillig liet, werkelijk iets te beteekenen had. Hoe
dan ook,—hij moest voorbereid zijn op ongewone toestanden. Hij ging
daarom naar een wapenwinkel, kocht een lang pistool met zes loopen en
een holster en voegde daar nog een jachtmes bij van de soort, zooals
Croisset er een had.

Het was middernacht eer hij in den werktrein stapte en de dag begon aan
te breken boven de wildernis, toen men te Etomani stopte. Van hier uit
zou hij de eerste zestig mijlen van den nieuwen weg tot aan Le Pas op
een lorrie afleggen. Die lorrie had al drie dagen op hem gewacht,—maar
Gregson en Thorne waren er niet.

„Mr. Gregson wacht u te Le Pas,” zei een van de mannen. „Mr. Thorne is
nog te Wekusko.”

Het was voor het eerst van zijn leven, dat Howland zich in het hartje
van de wildernis bevond en naar gelang zij mijl op mijl achter zich
lieten en zich steeds dieper voortspoedden in het eenzame gebied van ijs
en sneeuw en oerwoud, voelde hij zijn hart sneller kloppen van blijde
opwinding; hij verheugde zich bij voorbaat in het nieuwe leven, dat hem
hier onder den verren noordelijken hemel wachtte. Vóór op de lorrie
gezeten, met de vier mannen, die den wagen in beweging hielden achter
zich, dronk hij de woeste schoonheid in van de wouden en de moerassen
waar doorheen zij snelden,—al door uitkijkend naar het grove wild
dat—zooals zijn begeleiders hem vertelden,—zich aan alle kanten om hen
heen moest ophouden.

Overal strekte de witte winter zich uit. De rotsen, de boomen
en de groote heuvelkammen,—die hier in het Noorden bergen
worden genoemd,—lagen onder vier voet sneeuw, waar de zon met
duizelingwekkende schittering op scheen. Maar het was niet vóórdat een
lange stijging hen op den top van een dier kammen had gebracht, dat
Howland—den blik naar het Noorden gericht,—de wildernis aanschouwde
in al haar grootschheid. Toen de lorrie stilhield, sprong hij met een
luiden juichkreet op de hard bevroren sneeuw, zijn gelaat stralend van
opgewondenheid over het heerlijke tafereel, dat zich voor zijn oog
ontrolde. Daar toch lag het onmetelijke, witte veld vóór hem, dat zich
honderden mijlen ver tot aan de Hudsonbaai uitstrekte. In sprakelooze
bewondering staarde hij naar de ongerepte wouden,—naar vlakten en
heuvels, die duidelijker zichtbaar werden, naarmate zijn gezichtskring
zich uitbreidde; hij kon de bochten van een bevroren rivier volgen, tot
waar zij zich in het verre verschiet verloor en zijn oog rustte hier
en daar op de glinsterende oppervlakte van meren, met sneeuw bedekt
en ingesloten tusschen wanden van donkere wouden. Dit was niet de
wildernis, die hij had verwacht,—niet de wildernis waarvan hij had
gelezen. En evenmin was het de wildernis, door Gregson en Thorne in
hun brieven beschreven. Neen, dit was mooi,—dit was prachtig! Zijn
hart bonsde van vreugde, toen hij er op neerkeek; de blos op zijn
gelaat werd dieper en het was of hij—geheel opgaand in zijn vurige
belangstelling,—nauwelijks meer ademde.

Een van de vier mannen op de lorrie was een oude Indiaan,—en vreemd
genoeg was het juist deze, die het eerst het stilzwijgen verbrak. Hij
had de uitdrukking op het gelaat van den nieuwen chef gezien en in zijn
gebroken taaltje fluisterde hij zacht aan diens oor: „Twintig duizend
rendieren daar—twintig duizend kariboes!—geen mensch—geen
huis—twintig duizend mijlen!”

En Howland keek, nog bevend van aandoening in de oogen van den ouden
Indiaan, die vol waren van den vreemden gloed der gevoelens, thans ook
in hem zelf ontwaakt. Daarop weer starend in het verre verschiet,
trachtte hij met zijn blik door te dringen tot voorbij dat woeste gebied
en tot aan de Hudsonbaai en terwijl hij dat deed, besefte hij, dat er op
dat oogenblik een nieuwe geest in hem werd wakker geroepen,—een nieuw
wezen; dat hij niet langer de oude Jack Howland was, wiens wereld werd
begrensd door de muren van zijn kantoor en wiens levensopvatting alles
buitensloot wat niet onmiddellijk in verband stond met de bevrediging
van zijn eerzucht.

De korte dag van het Noorden liep ten einde,—toen zij in de vlakte
onder hen opnieuw de breede Saskatchewan aanschouwden met op den
zuidelijken oever de enkele uit houtblokken opgetrokken woonhuizen
van Le Pas, aan drie zijden ingesloten door donkere pijnbosschen.
Er brandden enkele lichtjes in de hutten en in de store van de
Hudsonbaai-nederzetting, toen de lorrie stilhield op een vijftig pas
afstands van een laag houten gebouw, dat wat beter verlicht leek dan de
andere.

„Dat is het hotel,” zei een van de mannen, „en daar is Mr. Gregson.”

Een lange, in pels gehulde gedaante kwam naar buiten om Howland te
begroeten, toen deze snel de open ruimte vóór het gebouw overstak. Het
was Gregson en zij drukten elkaar de hand, maar de jongere ingenieur
keek zijn ouderen collega verbaasd aan. Dat was niet de Gregson met een
rond gelaat en vol leven en beweging, dien Howland op het kantoor in
Chicago had gekend.

„Ik was nog nooit van mijn leven zóó blij om een oud vriend te zien,
Howland!” riep hij den nieuw aangekomene toe, hem telkens weer bij de
hand grijpend. „Als het nog een maand langer had geduurd, zou ik het er
niet levend hebben afgebracht. Het is hier een helsch land!”

„En ik ga juist met elke minuut meer van dat land houden, Gregson; wat
scheelt er aan? Ben je ziek geweest?”

„Ziek?—ja, ziek van dit ellendige karwei! Als de ouwe ons niet
eindelijk had afgelost, dan zouden Thorne en ik binnen een maand zijn
gaan drossen. Ik sta er je borg voor, dat je eer het lente is, meer dan
genoeg zult hebben van blokhuizen, half-rassen en rendiervleesch en ook
van die helsche sneeuw en dat duivelsche ijs. Maar ik wil je den moed
niet benemen!”

„Je kunt me den moed niet benemen,” lachte Howland. „Je weet wel, dat ik
nooit veel om comedies of om meisjes heb gegeven. Hoe staat dat hier?”
voegde hij er aan toe, zijn makker een goedig ribbestootje gevend.

„Niets—minder dan niets!” zei Gregson, maar opeens lichtten zijn oogen
op. „Ja toch,—bij George, Howland! ik heb juist vandaag het mooiste
meisje gezien, dat ik ooit aanschouwde. Ik zou er een kistje met echte
Havanna's voor overhebben—en in maanden hebben wij er geen
geproefd!—als ik te weten kon komen wie zij is!”

Zij waren nu de lage deur van het hotel binnengegaan en Gregson ontdeed
zich van zijn zware jas.

„Een lang meisje met een muts en een mof?” vroeg Howland haastig.

„Neen,—eerder een echt type van het Noorden,—kaarsrecht, met een muts
en een buis van bont, een korten rok van kariboe-huid en mocassins en op
haar rug hing een lange vlecht, zoo dik als mijn arm. Goede God, wat was
zij mooi!”

„Is er ergens in of bij ons kamp een meisje, dat Meleese heet?” vroeg
Howland als terloops.

„Niet, dat ik weet,” zei Gregson.

„Of een man, Croisset genaamd?”

„Nooit van gehoord.”

„Ik moet zeggen, dat je niet veel weet,” lachte Howland, met welbehagen
den geur van het aanstaande souper opsnuivend. „Ik heb een honger als
een wolf.”

Daar klonk opeens buiten het scherpe zweepgeknal van een sledebestuurder
en Gregson ging naar een van de kleine ramen om uit te kijken. Een
oogenblik later holde hij naar de deur en riep hij Howland toe: „Zoo
waar er een God van de Liefde is, daar heb je haar, kerel! Gauw—als je
nog iets van haar wilt zien!”

Snel trok hij de deur open en Howland haastte zich om hem te volgen.
Weer klonk een forsche zweepslag, dezen keer vergezeld van een luiden
kreet en tegelijkertijd schoot een slee, door zes honden getrokken, in
het schemerachtige licht van den vóórnacht langs hem heen.

Ook over Howland's lippen kwam een kreet: want in een van de twee
gezichten, die zich gedurende een oogenblik naar zijn kant wendden,
herkende hij, dat van Croisset en het andere, wit en starend zooals hij
het dien avond in Prince Albert had gezien, was het gelaat van het mooie
meisje, dat hem had gelokt naar de hinderlaag op het Groote Pad van het
Noorden!



HOOFDSTUK V.

Een Middernachtelijk Bezoek.


Toen de slee voorbijschoot, lag één oogenblik Croisset's naam op
Howland's lippen. Gregson op zij duwend, sprong hij den nacht in,
gedreven door de begeerte om de twee wezens, die in de laatste acht en
veertig uren zoo nauw en op zoo geheimzinnige wijze met zijn eigen
bestaan verbonden waren geweest en die dreigden hem weer te ontsnappen,
nog in te halen.

Het was Gregson, die hem tot bezinning bracht.

„Ik dacht, dat comedies en meisjes je niet konden schelen!” riep hij
spottend, Howland's woorden van daareven herhalend. „Hier in het Noorden
doet een aardig snuitje je heel anders aan dan in Chicago, niet waar?
Nu, als je eens een week of wat hier aan den zelfkant van de wereld
gezeten hebt, zul je merken—”

Howland viel hem met eenige scherpte in de rede:

„Ben je die twee menschen ooit eerder tegengekomen, Gregson?”

„Nooit vóór vandaag, kerel. Maar er is hoop. We zullen stellig wel
iemand vinden, die hen kent. Zou het niet kostelijk zijn, als Jack
Howland Esq., de man die nooit eenige belangstelling heeft getoond
voor comedies of voor meisjes, hier naar deze door God en de menschen
verlaten streek moest komen om op slag te verlieven? Bij het Groote
Pad van het Noorden, ik geloof, dat het voor jou hier wel eens
interessanter zou kunnen worden dan het voor Thorne en voor mij is
geweest!—Als ik haar maar eerder gezien had—”

„Hou je mond!” gromde Howland, zich prikkelbaar toonend. „Laten we
liever gaan eten.”

„Goed; dan kunnen we er later onder onze avondsigaar nog eens nader over
spreken. Dat zal ons helpen om den tijd te korten.”

„Ik moet zeggen, dat je een goeden smaak hebt, Gregson,” zei Howland, nu
weer goed gehumeurd, toen zij zich aan een van de ruwe houten tafels in
de eetkamer zetten. Hij hield er zich innerlijk van overtuigd, dat het
beter was om de ondervindingen van de twee laatste dagen maar voor
zichzelf te houden. „Het was een heel mooi gezichtje.”

„En dan die oogen!” voegde Gregson er aan toe, terwijl de zijne van
geestdrift schitterden. „Zij keek mij vanmiddag, toen zij hier met dien
donkeren vent voorbijkwam, open en vrij aan en ik zweer je, dat het de
mooiste oogen zijn, die ik ooit heb gezien. En dan dat haar—”

„Denk je, dat zij weet wie je bent?” vroeg Howland kalm.

Gregson haalde de schouders op.

„Hoe ter wereld zou ze me kennen?”

„Waarom keek ze je dan zoo „open en vrij” aan? Dacht je misschien, dat
zij probeerde te flirten?”

Gregson scheen verbaasd.

„Om den drommel niet,—neen!” riep hij. „Daar wil ik mijn leven onder
verwedden. Geen man ving ooit een reineren, een meer onschuldigen blik
op en toch—voor den duivel, zij _staarde_ me aan! Haar heb ik daarna
niet meer gezien, maar die donkere vent heeft hier den heelen middag
rondgeloopen en nu dat ik er over denk, het was of ook hij bizondere
belangstelling voor me aan den dag legde. Maar waarom vraag je er zoo
naar?”

„Alleen uit nieuwsgierigheid,” antwoordde Howland. „Ik hou niet van
flirts.”

„Ik ook niet,” zei Gregson, kalm en nadenkend. Hun avondeten werd nu
opgediend en zij praatten maar weinig meer vóór het was afgeloopen.
Howland kreeg daardoor gelegenheid om zijn collega van ter zijde gade te
slaan en al spoedig hield hij zich overtuigd, dat deze niets van het
meisje afwist en evenmin van Croisset. Intusschen werd het hem steeds
meer een raadsel hoe Gregson en Thorne, twee van de beste krachten in
hun vak, vrijwillig een werk als den bouw van de Hudsonbaai-lijn konden
opgeven, alleen omdat zij „genoeg hadden van de streek.”

Het was eerst toen zij op het punt waren om van tafel op te staan, dat
Howland's blik toevallig op de linkerhand van Gregson viel. Hij deed een
uitroep van verbazing, toen hij zag, dat de pink daaraan ontbrak.
Gregson trok de hand haastig weg.

„Een accident,” zei hij. „Zoo wat zal jou hier ook wel eens overkomen.”

Maar nog eer hij zich kon omwenden, had Howland zijn arm gegrepen om de
hand meer van nabij te bekijken.

„Een vreemde wond,” merkte hij op zonder zijn vriend aan te zien. „Gek,
dat ik het niet eerder merkte. De vinger is letterlijk in de lengte
afgerukt en het litteeken gaat tot halfweg den pols. Hoe ben je daaraan
gekomen?”

Toen hij de hand liet vallen, zag hij, dat een diepe blos Gregson's
gelaat kleurde.

„Och,—die pink werd me een week of wat geleden afgeschoten, Howland;
natuurlijk bij ongeluk,—” luidde het antwoord en al over zijn schouder
voortpratend, liep Gregson snel naar de deur. „En nu onze after-supper
sigaar en een gemoedelijk praatje!”

Toen zij uit de eetkamer in dat deel van het hotel kwamen, dat
tegelijkertijd bar en zitkamer was,—en al gevuld met den rook van een
dozijn der schilderachtige inwoners van Le Pas, gaf de ruwe hotelier
Howland een teeken en reikte hij dezen een brief.

„Mr. Howland, dit is voor u gekomen, terwijl ge aan tafel waart,” legde
hij uit.

De ingenieur voelde innerlijk een schok, toen hij het handschrift op de
enveloppe herkende en vóór hij die opende, keerde hij zich zóó ver om,
dat Gregson noch zijn gelaat, noch het stukje papier kon zien, dat die
bevatte. Er stond geen naam onder het geschrevene, maar dat was ook niet
noodig; één blik was voor Howland voldoende. Het was het handschrift van
het meisje, dat hij dien avond opnieuw had aanschouwd en al lezende
vergat hij in zóóverre zijn omzichtigheid, dat hij even floot.

„Vergeef mij wat ik deed,” luidden de weinige regels. „Schenk mij nu
geloof. Uw leven is in gevaar en gij moet morgen teruggaan naar Etomani.
Als ge voortreist naar het kamp aan de Wekusko, zult gij nooit van daar
terugkeeren.”

„Duivels!” riep hij.

„Wat is er?” vroeg Gregson, die nieuwsgierig om hem heen draaide.

Howland verkreukelde het briefje met zijn hand en stopte het in een van
zijn zakken.

„Een kleine private aangelegenheid,” lachte hij. „Kom, Gregson, laten we
liever eens probeeren of we wat te weten kunnen komen.”

Hij stak, in de duisternis buiten gekomen, een hand onder zijn jas
en legde die om zijn revolver. Tot tien uur verkeerden zij onder de
bewoners van Le Pas. Tal van menschen hadden Croisset en zijn mooie
gezellin gezien, maar niemand kende hen. Zij waren dien morgen in een
slede gekomen, hadden hun middagmaal en hun avondeten gebruikt in de hut
van een opzichter, MacDonald geheeten, en waren daarna, eveneens weer op
een slee, vertrokken.

„Zij is het liefste persoontje, dat ik ooit heb gezien,” riep Mrs.
MacDonald in verrukking; „maar zij kan niet spreken. Twee- of driemaal
schreef zij iets voor mij op een stukje papier.”

„Niet spreken!” herhaalde Gregson, terwijl zij langzaam naar het hotel
terugliepen. „Voor den duivel, Jack, wat denk jij daarvan?”

„Ik denk niets!” herhaalde Howland onverschillig. „We hebben ons deel
gehad van het aardige gezichtje, Gregson. Ik ga naar bed. Hoe laat
vertrekken we morgenochtend?”

„Dadelijk na het ontbijt, als je er erg naar verlangt.”

„Zeker doe ik dat. Goedennacht.”

Howland begaf zich naar zijn kamer, maar niet om te slapen. Uren lang
zat hij, de eene sigaar na de andere rookend, klaar wakker te denken.
Hij ging één voor één de zonderlinge gebeurtenissen na van de twee
laatste dagen. Die waren tot op zekere hoogte een soort van opwekking
voor hem geweest,—een dosis opwinding, die heelemaal niet onaangenaam
was; maar bij die opwinding kwam nu een soort van beklemming. De aanslag
op zijn leven, gevoegd bij de herhaalde aanmaningen om naar het Zuiden
terug te keeren, begon invloed te krijgen. Intusschen—Howland was er de
man niet naar om toe te geven aan vrees—zoo het al vrees genoemd kon
worden. Hij was er van overtuigd, dat een geheimzinnig gevaar—van
welken aard dan ook,—hem in het kamp aan de Wekusko wachtte, maar hij
gaf het op om langer naar een mogelijke aanleiding te zoeken, aannemend,
dat dit gevaar nu eenmaal bestond en dat het zich vroeg of laat wel
vanzelf zou verklaren. Alleen kon hij zich het meisje niet uit het hoofd
zetten. Haar lief gelaat vervolgde hem. Hij zag het overal. Nu eens
zooals zij tegenover hem zat in het Chineesche restaurant, dan weer in
het witte licht der sterren op het Pad naar het Noorden, of wel zooals
het hem nu weer, een oogenblik geleden, uit de slede had aangestaard.
Tevergeefs trachtte hij voor zich onedele drijfveeren op te zoeken in de
heldere oogen, die een beroep schenen te doen op zijn vriendschap—ook
al hadden de zachte lippen hem voorgelogen door te zwijgen. „Vergeef mij
wat ik deed!”—Hij vouwde het verkreukelde briefje open en las en herlas
die woorden. „Schenk mij nu geloof.”—Zij begreep dus, dat hij wist, hoe
zij hem voorgelogen had, dat hij wist, hoe zij hem had gelokt naar het
gevaar, waarvan zij hem nu wilde redden. Zijn wangen brandden. Al
dreigden hem daar ginds aan de Wekusko duizend gevaren—gaan zou hij!
Hij moest haar weerzien. Hoeveel moeite hij ook deed, hij kon het
visioen van haar liefelijk gelaat niet afschudden. Die zacht smeekende
oogen, die roode mond bevend en met half geopende lippen als ging hij
spreken, dat hoofdje met den stralenkrans van glanzig haar, waarop hij
had neergezien,—dat alles had zich te diep in zijn ziel geprent om
uitgewischt te kunnen worden. Had de wildernis hem van den beginne af
aan interessant geleken, nu was zij dit dubbel, omdat haar gelaat er
deel van uitmaakte, omdat het geheim van haar leven, van de wanhoop hem
ten deele geopenbaard, ergens vèr weg in het duistere mysterie van
gindsche pijnbosschen verborgen lag.

Hij ging naar bed, maar het duurde lang eer hij den slaap vatte. Het
leek hem, dat hij nauwelijks de oogen gesloten had, toen hij werd gewekt
door een kloppen op zijn deur. Hij zag, dat het licht van den dageraad
door het smalle venster van zijn kamer naar binnen viel en kort daarop
voegde hij zich bij Gregson, die al met het ontbijt op hem wachtte.

„De slee en de honden staan klaar,” zei hij. En terwijl zij zich aan
tafel zetten, voegde hij er aan toe: „Ik heb mijn plannen sedert
gisteravond veranderd, Howland. Ik ga niet mee terug naar de Wekusko.
Het is nergens voor noodig; Thorne kan je daar voldoende inlichten
omtrent alles in en om het kamp en ik geef liever een half jaar van mijn
salaris cadeau dan dat ik dien sleerit opnieuw maak. Het kan je zeker
niet schelen, wel?”

Howland haalde de schouders op.

„Eerlijk gezegd, Gregson,—ik geloof niet, dat je opgewekt gezelschap
zou zijn. Wat voor element is de voerman?”

„We noemen hem Jackpine; hij is een Cree-Indiaan—en de vertrouwde
lijfslaaf van Thorne en mij te Wekusko. Hij jaagt voor ons, kookt voor
ons en zorgt voor ons in alle opzichten. Je zult stellig van hem gaan
houden.”

En dat deed Howland dan ook al heel gauw. Toen zij na hun ontbijt naar
de slee gingen, reikte hij Jackpine vriendschappelijk de hand en het
donkere gelaat van den Cree glom van vreugde, zoodra hij de geestdrift
van den nieuwen chef opmerkte. Toen het oogenblik van scheiden kwam,
trok Gregson zijn collega ter zijde. Hij scheen geagiteerd, zijn blik
gleed onrustig rond en Howland zag, dat hij zich moeite gaf om een
onverschilligheid te veinzen, die allerminst in zijn karakter lag.

„Nog een enkel woord, Howland,” zei hij. „Je weet, dit is een ruw en
onontgonnen land vol stoere lui, die er geen bezwaar in zouden zien om
iemand den hals af te snijden of hem een kogel door het hoofd te jagen,
ter wille van een goed span honden of een geweer. Ik zeg je dit alleen
maar om te maken, dat je op je hoede bent. Laat Jackpine waken, als je
's nachts kampeert.”

Hij sprak zacht en brak af, toen de Indiaan naderbij kwam. Howland zette
zich midden op de zes voet breede toboggan en wuifde met de hand naar
Gregson. Met een wild hallo en een luid klappen van zijn lange zweep van
kariboe-darmen, zette Jackpine de honden aan tot een drafje, terwijl hij
zelf ter zijde van de slee bleef loopen. Howland had intusschen een
sigaar opgestoken en begon, tegen een zachten stapel bont geleund, zijn
nieuwe ondervinding naar hartelust te genieten. De dag brak aan boven de
wouden, toen zij dat deel van het Pad insloegen, dat van Le Pas door
meer dan honderd mijlen wildernis naar het kamp aan de Wekusko voerde en
al keihard was geworden onder het vele verkeer van sleden. De honden
begonnen nu harder aan te trekken en Jackpine's zweep krulde en klapte
boven hun ruggen, totdat zij pijlsnel en met volkomen regelmaat
voortholden. De Cree haalde daarop zijn zweep in om verder naast
den eersten hond te blijven voortloopen;—zijn voeten, in mocassins
gestoken, namen den korten, vluggen, lichten tred aan van den woudlooper
van beroep; hij zette de borst uit, terwijl zijn blik zich vestigde op
het kronkelende Pad vóór zich. Het was een glorieuse rit en Howland
genoot dien zóózeer, dat hij de sigaar vergat, die hij tusschen de
vingers hield. Hij had pret in het onvermoeide draven van het prachtige
geel-grijze span; hij lette op de beweging van de spieren in ruggen en
pooten, op het vurige snuiven van de breede neuzen, op de half-geopende
muilen en de wolfachtige koppen en keek dan weer van de dieren naar
Jackpine. Het draven scheen hem geen moeite te kosten. Zijn zwart haar
kwam onder zijn grijze muts uit; evenals bij de honden, was er ook
harmonie in zijn bewegingen; het was de schoonheid van kracht, van
volharding, van een mannelijke natuur geboren in het oerwoud,—en toen
de honden ten laatste, hijgend en uitgeput, een oogenblik stilhielden
aan den voet van een hoogen heuvelkam, sprong Howland snel uit de slee
en knoopte hij een gesprek aan met den Indiaan.

„Dat was heerlijk, Jackpine,” riep hij. „Maar, goeje God, man! Je zult
de honden nog dood maken!”

Jackpine grinnikte.

„Zij—op die manier—kunnen wel zestig mijl in één dag maken,” lachte
hij in zijn kinderlijk gebroken Engelsch.

„Zestig mijlen!”

Vol bewondering voor het span, dat hem zoo snel door de wildernis trok,
strekte Howland de hand uit om een van de honden te streelen. Met een
waarschuwenden kreet trok de Indiaan hem weg, juist toen het woedende
dier al naar de uitgestoken hand hapte.

„Geen huskie aanraken!” riep hij. „Hij half wolf, half hond—werkt hard,
maar wil niet aangeraakt worden!”

„Wou!”, zei Howland. „En als zij klein zijn, zijn zij zoo lief.—Ik doe
in dit land wel rare ondervindingen op!”

Hij was doodmoe, toen de nacht viel. En toch had hij nog nooit
van zijn leven een dag zóó genoten als dezen. Telkens weer had hij
zich bij Jackpine gevoegd, terwijl deze naast de slee liep. In hun
rustpoozen had hij zelfs geleerd om den dertig voet langen slag van de
hondenzweep te laten klappen. Hij had honderd vragen gedaan, had er op
aangedrongen, dat Jackpine af en toe een sigaar rookte en was aldoor
zoo opgewekt geweest en zoo vertrouwelijk, dat de Cree zijn aangeboren
terughoudendheid had laten varen tegenover zooveel geestdrift. Hij hielp
om de hut van takkenbossen te bouwen voor den nacht—hij at een zwaren
maaltijd van rendiervleesch, warme biscuits, boonen en koffie en toen,
juist terwijl hij zich op zijn vachten uitstrekte om te gaan slapen,
herinnerde hij zich de waarschuwing van Gregson. Hij richtte zich op en
riep Jackpine, die bezig was met het stapelen van nieuwe blokken op het
groote vuur vóór de hut.

„Gregson heeft me gezegd, dat er 's nachts in het kamp gewaakt moet
worden, Jackpine. Wat denk jij daarvan?”

De Indiaan wendde zich om met een vreemd lachje, heel zijn leerachtig
gelaat verwrongen tot een grijns.

„Gregson, hij heel bang,” antwoordde hij. „Geen slechte menschen
hier—allemaal daarginder in kamp—wij wacht houden elken nacht.—Hij
bang, denk ik—misschien.”

„Bang voor wat?”

Een oogenblik bleef Jackpine, zich over het vuur buigend, zwijgen.
Daarop stak hij de linkerhand zóó uit, dat de pink niet zichtbaar was en
wees er op met de andere hand.

„Misschien vinger ongeluk—misschien niet,” zei hij.

Een dozijn vragen was niet in staat om Jackpine tot meer uitlatingen te
verlokken. Het speet hem klaarblijkelijk, dat zelfs die enkele woorden
hem ontvallen waren. Maar hoe weinig hij ook gezegd had, het versterkte
de meening, die langzamerhand bij Howland had post gevat. Hij was
verbaasd geweest over het vreemde optreden van Gregson, over diens
duidelijk verlangen om uit die streek weg te komen en laatstelijk over
diens besluit om niet mee terug te gaan naar het kamp aan de Wekusko.
Hier was maar één verklaring mogelijk: Gregson was op eenigerlei wijze
gemengd in het mysterie, dat hem—Howland—omgaf, en 's mans agitatie,
gevoegd bij de beteekenis van Jackpine's woorden, gaven den ingenieur de
overtuiging, dat de weggeschoten vinger mede een factor was in het
raadselachtige probleem. Hoe zou hij Thorne aantreffen? Zou die hem een
nadere verklaring geven of zouden zij hem zonder meer overlaten aan
toestanden, waarvoor zij zelf de vlucht namen?

Hij ging slapen zonder verder over de bewaking van het kamp te tobben.
Toen Jackpine hem den volgenden morgen wakker maakte, stond er een
lekker warm ontbijt klaar en opnieuw drong de blijde opwinding van den
snellen rit door het woud den zwaren geestelijken druk, waaronder hij
begon te lijden, op den achtergrond. Dien heelen dag zette Jackpine zijn
honden tot het uiterste aan en in den namiddag stond het al vast, dat
zij tegen den avond de Wekusko zouden bereiken. Het was al donker, toen
zij uit het woud bij een groote open plek kwamen, waar de boomen waren
gekapt en aan welker zoom hier en daar lichtjes schitterden. Aan de
overzijde van die ruimte bracht de Cree zijn honden tot staan, dicht
bij een groote, uit houtblokken opgetrokken hut, die half onder de
beschutting van de boomen stond. Van hier tot aan de lichten was het nog
wel een honderd meter en de ongerepte sneeuw aan alle zijden er omheen,
verried, dat de woning langen tijd had leeggestaan. Jackpine haalde een
sleutel uit zijn zak, stak dien in het slot en wierp de zware deur wijd
open.

Het was een vochtige, koude atmosfeer, die den twee mannen tegemoet
kwam, toen zij daar zoo een oogenblik in het donker bleven staan.
Howland hoorde den eigenaardigen grijnslach van den Cree, die een
lucifer aanstreek en zich, zoodra de groote hanglamp brandde, tot den
ingenieur wendde.

„Gregson en Thorne—zij gemaakt deze hut, toen zij eerst in kamp
kwamen,” zei hij zacht. „Zij niet graag bij veel leven zijn—een goede
plaats is het woud, waar nachten stil zijn. Hebben hier een tijd
gewoond—daarna Gregson en Thorne weer naar kamp. Zeiden, dat het te ver
van menschen was. Maar dat niet waar—Gregson bang—Thorne bang—”

Hij haalde de schouders weer op en opende nu de deur van de groote,
gesloten kachel, die deel uitmaakte van het meubilair der kamer.

Howland vroeg niets, maar staarde om zich heen. Overal zag hij bewijzen
van den goeden smaak der twee oudere ingenieurs en teekenen van hun
vroeger verblijf. Op den planken vloer lagen zware berenhuiden; de
houtblokken, waaruit de muren bestonden, waren zoo glad geschaafd, dat
zij gepolijst leken en hier en daar hingen platen; in één hoek stond een
goed gevulde boekenkast en in een anderen een rustbank met pelsdekens;
een deur op den achtergrond gaf klaarblijkelijk toegang tot een
slaapvertrek. Vóór hij nog klaar was met zijn inspectie, brandde er al
een lekker vuurtje in de groote kachel en zijn huiverigen rug naar de
warmte keerend, haalde hij zijn pijp uit en keek hij Jackpine vroolijk
aan.

„Bang dus? En intusschen moet ik maar hier blijven!”

„Gregson en Thorne zeggen van ja.”

„Nu, Jackpine, loop jij dan eens gauw naar het kamp en vertel aan
Thorne, dat ik hier ben,—wil je?”

Eén oogenblik scheen de Indiaan te aarzelen, maar ten slotte ging hij,
de deur achter zich sluitend.

„Bang!” riep Howland, toen de ander weg was. „Maar waar duivel waren zij
dan bang voor? Het is op zijn minst allerzotst van je, Gregson en dito
aan jouw adres, Thorne! Maar—tenzij jelui zulke lafaards bent, als ik
half en half begin te vermoeden!—zul je me toch wel niet blindelings
achterlaten bij iets, waarvoor je zelf aan den loop gaat!”

Hij stak een lampje aan en deed de deur open, die naar de andere kamer
leidde. Het was zooals hij al gedacht had, de slaapkamer en het
meubilair bestond uit een bed, een enkelen stoel en een staanden
spiegel.

In het grootere vertrek teruggekeerd, ontdeed hij zich van hoed en jas
en zette hij zich op zijn gemak bij het vuur. Tien minuten later werd de
deur geopend en trad Jackpine weer binnen. Hij hield een tweeden persoon
bij den arm vast en toen Howland het doodsbleeke gelaat van dien man
zag, kon hij een uitroep van verbazing niet weerhouden. Het was drie
maanden geleden sedert hij in Chicago Thorne voor het laatst had
gezien,—een man in de kracht van het leven, flink gebouwd, recht
als een kaars, den knapsten en hoogst gesalieerden ambtenaar van hun
maatschappij. Wat had hij Thorne vaak benijd! Hoe had hij jaren lang in
hem het ideaal gezien van een groot ingenieur!—En nu—

Hij stond verstomd. Langzaam als deed de beweging hem pijn, liet Thorne
de groote pelsjas van zijn schouders glijden. Hij droeg één arm in een
lichter. Zijn breede schouders waren gebogen, zijn oogen stonden vreemd
en verwilderd. De glimlach, die op zijn lippen kwam, toen hij Howland de
hand reikte, gaf aan zijn bleek gelaat een nog droevere uitdrukking.

„Hallo, Jack! Wat heb je, kerel? Zie ik er zoo ber..rd uit?” luidde zijn
groet.

„Wat is hier toch gaande, Thorne?—Ik vond Gregson half dood in Le
Pas—en nu jou—”

„Ja, het is werkelijk een wonder, dat je mijn naam niet op een houten
kruis vindt, in plaats van je dienstwilligen dienaar hier in levenden
lijve vóór je te zien, Jack,” zei Thorne met een zenuwachtig lachje.

„Ik heb een ton rotssteen op me gehad, kerel, een ton rotssteen!”

Howland zag over Thorne's schouder een stukje van het gelaat van den
Cree. Er was een donker licht in Jackpine's oogen gekomen. Zijn tanden
glinsterden tusschen de strakke lippen, die zich tot een grijns vormden.

Thorne ging voor het vuur zitten en wreef zijn handen.

„We zijn ongelukkig geweest, Jack,” zei hij langzaam. „Gregson en ik, we
hebben al door tegenspoed gehad van den dag af, dat we in dit kamp
kwamen en we zijn niet langer bestand tegen onze taak. Het zal een half
jaar duren, eer we weer goed en wel op dreef zijn. Maar—intusschen zul
je hier alles in goede conditie vinden. De lijn is afgebakend tot aan de
baai; we hebben driehonderd flinke werklui en ruime voorraden van alles.
Ik geloof niet, dat je aan de Wekusko één ontevreden element zult
tegenkomen. Misschien, dat Gregson en ik tegen het voorjaar het Le
Pas-einde van de lijn weer opvatten. Jij hebt genoeg aan den bouw van
den weg van hier tot aan de baai.”

„Het spijt me, dat je zooveel tegenslag hebt gehad,” zei Howland. Hij
leunde voorover met het gelaat dicht bij dat van zijn vriend. „Thorne,
is er hier ergens een man, die Croisset of een meisje, dat Meleese
heet?”

Hij keek den ander oplettend aan, maar op Thorne's gelaat viel niets te
lezen, dat zijn vermoedens kon bevestigen; hij leek alleen verbaasd over
den toon van Howland's stem.

„Voor zoover ik weet niet, Jack. Maar allicht kan er onder onze
driehonderd werklui een man van dien naam zijn. Je kunt dat dadelijk op
de lijst nagaan. Er zijn een vijftien of twintig getrouwde mannen bij en
die hebben huisgezinnen. Gregson is beter op de hoogte van de vrouwen
dan ik. Is er iets bizonders met die twee lui?”

„Neen, ik heb alleen maar een boodschap voor hen, als zij hier zijn,”
antwoordde Howland luchtig. „Is dit mijn aangewezen kwartier?”

„Ja,—tenminste als het je bevalt. Na mijn accident zouden wij wat
dichter bij de anderen komen. Het bracht ons in nauwer aanraking met de
werklui,—dat vat je.”

„Gregson en jij, je moet—dunkt me,—zoo wat op denzelfden tijd invalide
zijn geworden,” zei de jongere ingenieur. „Het is zeker een heel
pijnlijke wonde geweest, die van Gregson. Maar wie ter wereld kan op hem
hebben geschoten? Hoe kan een man als hij er een vijand op na houden?”

Bij het vernemen van die woorden richtte Thorne zich snel op, terwijl
zich bij de kachel een geratel van metalen pannen liet hooren. Howland
wendde het hoofd om en zag, dat Jackpine hem aankeek met een gezicht,
als was er een mijn onder hun voeten ontploft.

„Wie op hem schoot?!” hijgde de oudere ingenieur. „Maar—er—heeft
Gregson je dan niet gezegd, dat het een ongeluk is geweest?”

„Waarom zou hij liegen, Thorne?”

Er vloog een zwakke blos over het gelaat van den ander. Eén oogenblik
zag hij Howland doordringend aan. Jackpine stond zwijgend en
onbeweeglijk naast de kachel.

„Hij vertelde mij, dat het een ongeluk was geweest,” zei Thorne
eindelijk.

„Gek,” was het eenige wat Howland antwoordde, terwijl hij zich naar den
Indiaan wendde, als gold het een zaak van geen belang.

„Ziezoo, Jackpine, ik ben blij, dat de koffiepot op het vuur staat. Ik
heb een kistje van de donkerste en zachtste Porto Ricans bij me, waar ik
je ooit op getracteerd heb, Thorne en we zullen het open maken voor een
lekker haaltje na het avondeten. Hallo, waarom heb je planken over dat
raam gespijkerd?”

Eerst nu had Howland opgemerkt, dat het dunne mousselinen gordijn niet
een raam verborg, maar wel een solide barricade van planken. Hij voelde
inwendig een schok en stond op om er naar te kijken. Met den rug naar
Thorne gekeerd, zei hij half lachend:

„Misschien was Gregson bang, dat de vent, die zijn pink meenam, hem door
het venster heelemaal te pakken zou krijgen!”

Hij deed als zag hij de uitwerking van die woorden niet op Thorne. Zij
zetten zich nu aan hun avondeten, om nog wel een uur na afloop daarvan
al rookende te blijven praten over de aangelegenheden van het kampement.
Het was over tienen, toen Thorne en Jackpine de hut verlieten.

Niet zoodra waren zij weg of Howland sloot de deur met den grendel, stak
een nieuwe sigaar op en begon snel in de kamer heen en weer te loopen.
Er waren dus al complicaties. Gregson had hem voorgelogen à propos van
dien pink; Thorne had hem voorgelogen à propos van zijn eigen letsel,
wàt dat dan ook mocht zijn. Van die twee feiten was hij zeker—en van
nog veel meer. Zijn twee collega's verlieten de Wekusko niet alleen
omdat zij onvoldaan waren over het werk en over de omgeving. Zij
vluchtten. En om de een of andere reden verborgen zij voor hem de
werkelijke aanleiding tot hun vlucht. Was het mogelijk, dat zij hem
koelbloedig opofferden om zichzelf met eere te redden? Zelfs tegenover
de stelligste bewijzen kon hij dat niet aannemen. Beiden waren mannen
van onbesproken naam en karakter. Vooral Thorne bezat in hooge mate
persoonlijken moed; hij zou de laatste zijn om vriend of collega
verraderlijk in den steek te laten. Neen, noch hij, noch Gregson wist
iets af van Croisset of van het mooie meisje. Maar even onomstootelijk
stond het bij Howland vast, dat er nog anderen betrokken waren in het
complot, waarvan hij op het Groote Pad naar het Noorden het slachtoffer
was geworden. Hij onderzocht opnieuw het gebarricadeerde raam en hield
zich overtuigd, dat zijn schot in de lucht doel had getroffen.

Hoewel vermoeid na de lange reis, voelde hij geen lust om te gaan
slapen; hij legde zich op de rustbank met het hoofd en de schouders diep
in de huiden en ging voort met rooken en denken. Hij schrikte, toen het
elf uur sloeg. Hij had dat klokje niet eerder opgemerkt. Al luisterend
naar dat zwakke, eentonige getik boven zijn hoofd, voelde hij ten
laatste een onweerstaanbare dommeligheid in zich opkomen; zijn oogen
sloten zich. Hij was bijna in slaap, toen de klok opnieuw sloeg, zacht,
maar toch luid genoeg, om hem te wekken. Dezen keer was het twaalf uur.

Hij deed moeite om zijn doezeligheid af te schudden en ging overeind
zitten; hij wilde zich uitkleeden en naar bed gaan. De lamp brandde nog
helder en hij maakte zich gereed om de pit in te draaien. Maar
plotseling bleef hij staan; hoe slaperig ook, hij hoorde een duidelijk
tikken op de deur. Zwijgend en roerloos bleef hij een oogenblik wachten.
Na een kort tijdsverloop herhaalde het kloppen zich, luider dan te
voren, maar toch heel behoedzaam. Dat kon niet het kloppen zijn van
iemand, die hem voor zaken trachtte wakker te maken.

Wie kon die middernachtelijke bezoeker zijn? Zacht liep Howland naar
zijn zware jas en stak hij de kleine revolver in een zijzak. Weer werd
er geklopt. Hij liep nu naar de deur, schoof den grendel weg en wierp
haar wijd open, met de rechterhand het pistool ontklemmend.

Eén oogenblik bleef hij als versteend staan, sprakeloos starend in een
bleek en angstig gelaat, waar het schijnsel van de olielamp op viel.
Stom van verbazing, week hij langzaam terug, steeds de deur open
houdend en nu trad zij binnen, die hij van heel de wereld het liefst
wilde zien, zij die sedert dien avond in Prince Albert op zoo wondere
wijze een deel van zijn leven was geworden en wier lief gelaat van uur
tot uur een diepere beteekenis voor hem kreeg. Hij sloot de deur en
wendde zich om, steeds nog zwijgend. Een plotselinge opwelling dreef hem
het bloed onstuimig door de aderen en hij stak beide handen uit naar de
vrouw, voor wie hij alle gevaren, die hem tusschen de beschaafde wereld
en de baai wachtten, zou willen trotseeren.



HOOFDSTUK VI.

De Liefde van een Man.


Een oogenblik aarzelde het meisje, haar handen tegen de borst gedrukt
en het doodsbleeke gelaat verwrongen in vreemde smart, toen zij de
uitgestoken armen zag van den man, wien haar verraad bijkans in den dood
had gevoerd. Daarop naderde zij langzaam; Howland greep haar handen en
keek haar vragend in de verwilderde oogen, die naar de zijne staarden.

„Waarom zijt gij van mij weggeloopen?” waren zijn eerste woorden.
Zijn stem was zacht, als had hij haar al lang gekend. Er klonk geen
bitterheid uit en in zijn warmen, grijzen blik lag niet het verwijt, dat
zij had kunnen verwachten. Hij herhaalde zijn vraag, daarbij het hoofd
buigend, totdat hij de zachte aanraking van haar haar tegen zijn lippen
voelde. „Waarom zijt ge weggeloopen?”

Zij trok zich een weinig terug en haar blik zocht zijn gelaat. „Ik heb u
voorgelogen,” fluisterde zij,—„ik heb gelogen—”

De woorden bleven steken in haar keel. Hij zag hoe zij trachtte zichzelf
te beheerschen, hoe zij moeite deed om het trillen van haar lippen en
het beven van haar stem te onderdrukken. Maar een oogenblik later moest
zij het opgeven en zonk zij, luid snikkend, op een stoel bij de tafel
neer, het hoofd op haar armen leggend. Toen Howland dat stuipachtige
trekken van haar schouders zag, voelde hij in zich een groote vreugde,
niet uit leedvermaak, maar omdat hij begreep hoe diep haar verdriet
was over wat zij had gedaan. Zacht naderde hij haar. De pelsmuts was
afgegleden en de lange glanzige vlecht half los geraakt; de zijden
lokken vielen over haar schouders en glinsterden in het lamplicht.
Howland's hand aarzelde en viel ten laatste zacht op haar gebogen hoofd.

„Er zijn gevallen waarin de vriend, die liegt, de eenige ware vriend
is,” zei hij. „Ik geloof, dat gij verplicht waart, om—te liegen.”

Eenmaal slechts streek zijn hand over haar lokken; daarop, zichzelf
beheerschend, liep hij naar de overzijde van de smalle tafel en zette
hij zich. Toen het meisje opkeek, lag er een diepe blos op haar wangen,
die nog vochtig waren van de tranen; in haar oogen was daar geen spoor
meer van te bekennen, het was als zochten die in zijn blik de waarheid
van de woorden, een oogenblik te voren door hem geuit.

„Meent gij dat?” vroeg zij gretig. „Meent ge, dat ik verplicht was
om—te liegen?” Zij leunde een weinig naar hem over en wachtte,
zenuwachtig met haar vingers draaiend, op zijn antwoord.

„Ja,” zei Howland. Hij uitte dat enkele woord op een toon van
beslistheid, die blijdschap bracht in de zachte, bruine oogen tegenover
hem. „Ik geloof, dat gij verplicht waart om te liegen.”

Zijn diepe stem getuigde van een onbegrensd vertrouwen. Er lagen hem nog
meer woorden op de lippen, maar hij dreef die met geweld terug. Een deel
echter van wat hij had willen zeggen,—van het vreemde, blijde tumult in
zijn hart, verried zich op zijn gelaat en langzaam deinsde het meisje
daarvoor terug, terwijl de kleur van haar wangen verdween.

„En ik geloof ook, dat ge me niet opnieuw zult voorliegen,” vervolgde
hij.

Zij stond op en wierp haar lokken terug, hem beschouwend als had zij
nooit te voren een man als hij ontmoet en als wist zij niet wat van hem
te denken.

„Neen, ik zal u niet meer voorliegen,” hernam zij op vasteren toon.
„Gelooft gij mij nu?”

„Ja.”

„Keer dan ook terug naar het Zuiden. Ik ben vannacht hierheen gekomen,
alleen om het u opnieuw te zeggen,—om te maken, dat gij mij gelooven
_moet_. Waarom keert ge niet naar Le Pas terug? Als ge dat morgen niet
doet—”

Het was alsof haar stem stokte en alsof zij aan hem overliet om al of
niet te begrijpen, wat zij had willen zeggen. In minder dan geen tijd
was Howland aan haar zijde. In hem bruiste opnieuw de oude taaie
strijdlust. Hij greep haar handen en dwong haar met zijn blik om hem aan
te zien.

„Als ik morgen niet ga, dan zullen zij mij vermoorden,” zei hij, de
woorden van haar briefje herhalend. „Maar als ge nu werkelijk eerlijk en
oprecht tegenover mij wilt zijn, vertel mij dan _wie_ mij wil
vermoorden—en _waarom_?”

Hij voelde, dat er een siddering door haar leden voer, toen zij
antwoordde:

„Ik zei alleen, dat ik u niet opnieuw zal voorliegen. Kan ik u niet de
waarheid zeggen, dan zeg ik niets. Het is mij niet mogelijk u te zeggen,
waarom uw leven in gevaar verkeert.”

„En weet ge dat wel?”

„Ja.”

Hij bracht haar weer naar den stoel bij de tafel en zette zich opnieuw
tegenover haar.

„Wilt ge me dan zeggen wie gij zijt?”

Zij aarzelde en draaide een langen haarlok om haar vinger.

„Wilt ge?”

„Als ik u zeg, wie ik ben,” zei zij ten laatste, „dan weet ge ook wie uw
vijanden zijn.”

Hij staarde haar verbaasd aan.

„Duivels!” Het woord ontviel hem, eer hij het kon tegenhouden. Voor de
tweede maal stond het meisje op van haar stoel.

„Zult gij gaan?” smeekte zij. „Zult gij morgen terugkeeren naar Le Pas?”

Haar hand lag op de klink van de deur. „Zult gij gaan?”

Hij was opgestaan om een sigaar aan te steken boven het glas van de
lamp. Lachend kwam hij daarop naar haar toe.

„Of ik zal gaan?—Zeker—ik ga u veilig naar huis geleiden.” En zich
snel naar de rustbank begevend, gespte hij den holster met het pistool
om. Maar toen hij weer bij haar kwam, versperde zij hem den weg door met
haar rug tegen de deur te gaan staan.

„Dat moogt ge niet.”

„En waarom niet?”

„Omdat—” Weer klonk er angst uit haar stem. „Omdat zij u zullen
doodmaken.”

Het gesmoorde lachje, dat hij over haar lokken ademde, getuigde eer van
vreugde dan van vrees.

„Ik ben blij, dat gij zorg voor mij koestert,” fluisterde hij zacht.

„Gij moet gaan!” bleef zij aandringen.

„Met u—graag!” antwoordde hij.

„Neen, neen—ik bedoel morgen. Ge moet teruggaan naar Le Pas, naar het
Zuiden. Wilt gij mij dat beloven?”

„Misschien,” zei hij. „Ik zal het u spoedig zeggen.”

Zij eindigde met zich te onderwerpen aan zijn vasten wil; hij ging mee
naar buiten. Haastig leidde zij hem langs een smal paadje door de dichte
schaduwen van het pijnbosch. Maar opeens bleef zij staan; het was hem
als hoorde hij het kloppen van haar hart in de versnelde ademhaling; met
een angstig gebaar greep zij hem bij den arm.

„Het is hier dicht bij,” fluisterde zij. „Gij moogt niet verder meegaan.
Als zij u met mij zagen op dit uur—” Hij voelde hoe zij sidderde.

„Nog een eindje,” smeekte hij.

Weer gaf zij toe, zij het dan ook aarzelend en zij liepen nu voort,
langzamer dan in den beginne, totdat zij aan een punt kwamen, waar recht
voor hen uit de flauwe lichtjes van het kamp zichtbaar werden.

„Nu—nu moet ge heengaan!”

Howland deed als ging hij gehoorzamen en dadelijk was het meisje aan
zijn zijde.

„Ge hebt nog niet beloofd,” smeekte zij. „Zult ge
vertrekken—morgen?”—In den glans van de oogen, die tot hem werden
opgeheven, las hij weer dezelfde, wondere kracht, die sinds kort zijn
ziel had vermeesterd. Het kwam niet bij hem op, dat hij dit meisje eerst
sedert een paar dagen had ontmoet, dat hij vóór dezen avond haar stem
zelfs niet had gehoord. Hij was er zich alleen van bewust, dat er in
die luttele uren iets in zijn leven was gekomen, dat hij vroeger nooit
had gekend; dat hij diep in zich een verlangen gevoelde om haar dit te
zeggen,—om haar lief gelaat tusschen zijn handen te nemen en haar te
vertellen, dat zij hem meer was dan een voorbijgaand visioen in een
vreemde wildernis. Hij vergat de lessen, die hij zichzelf jaren lang
had voorgehouden: succes, eerzucht, voldoening over het bereiken
van een doel,—dat alles zonk in het niet tegenover haar bezielende
tegenwoordigheid; en ook vergat hij, toen hij haar in het angstig
smeekende gelaat keek, wat die vrouw had gedaan en wat zij had kunnen
worden. Voor hem bestond alleen het feit, dat zij een nieuwe wereld
voor hem had ontsloten,—een wereld vol beloften, die als vurige wijn
zijn bloed in beroering brachten. Weer drukte hij haar handen tegen
zijn borst, zooals hij dit op het Groote Pad naar het Noorden had
gedaan;—weer trok hij haar zóó dicht tegen zich aan, dat hij haar hart
voelde kloppen. Hij sprak geen woord en steeds smeekte haar blik hem om
heen te gaan. Plotseling bevrijdde hij een van zijn handen en streek
daarmee het zware haar van haar voorhoofd, tegelijkertijd haar gelaat
zacht omwendend, totdat het licht van de sterren zich in haar oogen
weerspiegelde. En in dat oogenblik las zij in de zijne, wat zijn lippen
niet hadden durven zeggen—en hoorde hij een zachten snik.

„Neen, ik heb niet beloofd en ik wil niet beloven,” zei hij, haar
gelaat zóó houdend, dat zij dit niet meer kon afwenden. „Vergeef mij,
wat ik gedaan heb—” En eer zij zich kon verroeren, sloot hij haar
een oogenblik vast in zijn armen. „_Nu_ weet je, waarom ik niet wil
weggaan,” fluisterde hij zacht. „Het is omdat ik je liefheb,—o zoo
lief!”

Hij herstelde zich, de verdere woorden terugdringend, die hem op de
lippen lagen. Maar toen zij haar blik afwendde, lichtte er in haar
oogen een glorie, die hem opnieuw de armen naar haar deed uitstrekken.

„Vergeef mij,” smeekte hij. „Mijn bedoelingen zijn goed. Maar ik wil,
dat je weet, waarom ik niet naar het Zuiden terugga.”

Zij stond nu op korten afstand van hem en toen zij sprak, klonk haar
stem zacht, zóó zacht, dat hij nauwelijks de woorden kon verstaan, al
doortrilde het lieve geluid zijn ontvankelijke ziel.

„Als je me werkelijk liefhebt, dan doe je het om mijnentwil. Je moet
morgen vertrekken.”

„En jij?”

„Ik?” Hij hoorde het beven van haar stem. „Je zult heel gauw vergeten,
dat je me ooit gezien hebt.”

Daar liet zich opeens langs het pad het geluid van gesmoorde stemmen
hooren. Ontsteld kwam het meisje naar Howland toe en trachtte zij hem
met haar handen terug te dringen.

„Ga—ga toch!” riep zij. „Ga gauw terug naar je hut! Sluit je deur en
kom er vannacht niet meer uit. O—als je me werkelijk liefhebt, ga—ga!”

De stemmen kwamen nader; Howland meende donkere schaduwen te
onderscheiden tusschen de boomen. Hij lachte zacht.

„Neen, meisjelief, ik ga niet aan den loop!” fluisterde hij. „Kijk!”—en
hij haalde zijn revolver uit, die in het sterrenlicht glinsterde.

Met een beweging van schrik trok zij hem mee tot diep in de struiken, op
een pas of twaalf afstands van het pad, waarlangs de anderen naderden.
Alles was stil, toen Howland zijn wapen weer in den holster liet
glijden. Maar al heel spoedig lieten de stemmen zich opnieuw hooren en
nu van dichtbij;—ook zijn gezellin week terug, haar handen grepen zijn
arm en smeekend hief zij het bleeke, verschrikte gelaat tot hem op. Het
bloed kookte hem in de aderen; hij begreep, dat het meisje de stemmen
herkend had,—dat zij, die op het punt stonden van daar voorbij te gaan,
de geheimzinnige vijanden waren, tegen wie zij hem gewaarschuwd had.
Wie weet, misschien waren het dezelfde twee individuen, die hem op het
Groote Pad naar het Noorden hadden aangevallen. Het meisje voelde hoe
de spieren van zijn arm zich strekten onder haar greep. Weer tastte
zijn hand naar de revolver; hij deed een schrede voorwaarts, zijn oogen
schitterden, zijn gelaat werd als staal. Bijkans snikkend drukte zij
zich tegen hem aan en trachtte zij hem terug te dringen.

„Doe het niet!” fluisterde zij—„doe het niet!”

Reeds hoorden zij de takken kraken onder de naderende voetstappen, toen
het geluid op minder dan twintig pas afstands plotseling ophield. De
hand van het meisje ging langzaam en liefkoozend van zijn arm naar zijn
schouder en naar zijn gelaat; haar mooie oogen gloeiden, half angstig,
half smeekend.

„Doe het niet!” fluisterde zij opnieuw en nu zóó dicht aan zijn oor, dat
haar warme adem hem langs de wangen streek; „doe het niet, als je me
liefhebt!”

Zacht trok hij haar naar zich toe en nam hij haar in zijn armen, haar
gelaat tegen zijn borst drukkend en daarop mond, oogen en haar kussend.
„Ik heb je lief!—Ik heb je lief!” fluisterde hij telkens opnieuw.

Weer lieten de voetstappen zich hooren, maar de stemmen stierven weg.
Hij voelde een drukken tegen zijn borst, een lichten tegenstand en hij
opende de armen om haar vrij te laten. Zij schonk hem een glimlach en
in dien glimlach lag tegelijkertijd een zachte aanklacht en een zoete
vrijspraak; hij zag, hoe de blos weer op haar wangen en de gloed weer in
haar oogen verscheen.

„Zij zijn weg,” zei zij, nog bevend.

„Ja, zij zijn weg.” Een oogenblik staarde hij naar het stralende gelaat
van het jonge meisje en ging toen voort: „Zij zijn weg,—maar het waren
dezelfde mannen, die te Prince Albert een poging deden om mij te dooden.
Ik liet hen gaan, terwille van jou. Wil je me nu je naam zeggen?”

„Ja, maar ook niet meer dan dat. Ik heet Meleese.”

„Meleese!”

Hij sprak den naam op scherpen toon uit; op eens toch kwam alles hem
weer in den zin, wat Croisset had gezegd en zweefden de woorden van
den half-ras, die zich diep in zijn memorie hadden gegrift, hem op de
lippen. „Misschien zult ge het begrijpen, wanneer ik u zeg, dat het de
kleine Meleese is, die u deze waarschuwing doet toekomen.” Wat had
Croisset daarmee bedoeld?

„Meleese!” herhaalde hij, het jonge meisje vreemd aanziend.

„Ja,—Meleese—”

Langzaam week zij terug; de blos verliet haar gelaat en toen zij den
blik van zijn oogen opving, uitte zij een korten, gesmoorden kreet.

„Begrijp je me nu—nu? Weet je nu waarom je naar het Zuiden moet
terugkeeren?” snikte zij zacht. „O ik deed verkeerd met je mijn naam te
zeggen! Maar je gaat weg, niet waar? Je gaat om mijnentwil—”

„Voor jou ga ik naar het einde van de wereld!” viel Howland haar in de
rede, zijn doodsbleek gelaat dicht bij het hare. „Maar vertel mij dan
ook waarom dit alles. Ik begrijp je niet. Ik weet niet waarom die mannen
mij wilden doodmaken te Prince Albert. Ik weet niet waarom mijn leven
hier in gevaar verkeert. Croisset vertelde me, dat de waarschuwing, die
ik daar ginds kreeg, van een meisje kwam, dat Meleese heette. Ik begreep
hem niet. En ik begrijp jou niet. Het is alles een mysterie voor me.
Voor zoover ik weet, heb ik nooit vijanden gehad. Ik heb je naam nooit
gehoord eer Croisset dien uitsprak. Wat bedoelde hij? Wat bedoel jij?
Waarom tracht je me weg te houden van de Wekusko? Waarom is mijn leven
in gevaar? Het staat aan jou om mij dat alles te zeggen. Ik ben eerlijk
met je geweest. Ik heb je lief. Ik wil zoo noodig voor je vechten; maar
dan moet je me ook vertellen—vertellen—”

Zij voelde zijn heeten adem op haar gelaat en zij zag hem aan met een
blik, alsof dat wat zij hoorde, haar de spraak benam.

„Wil je het me niet vertellen?” fluisterde hij nog zachter. „Meleese—”
Zij deed geen poging om hem tegen te gaan, toen hij haar opnieuw naar
zich toe trok en zijn lippen op de hare drukte. „Meleese, waarom wil je
het me niet vertellen?”

Plotseling legde zij haar handen tegen zijn gelaat en stiet zij zijn
hoofd terug, hem vrij en open aanziend.

„Als ik het je vertel en op die wijze verraad pleeg tegen hen, die ik
liefheb,” zei ze zacht, „wil je me dan beloven, dat je geen van hen
kwaad zult doen en dat je naar het Zuiden zult terugkeeren?”

„En jou achterlaten?”

„Ja—en mij achterlaten.”

Er klonk een flauw, een heel flauw zuchtje uit de stem, die zij trachtte
te beheerschen. Zijn armen sloten zich nauwer om haar heen.

„Ik ben bereid om een eed af te leggen, dat ik zal doen wat het beste is
voor jou—en voor mij,” antwoordde hij. „Ik wil een eed afleggen, dat ik
niemand zal benadeelen, dien jij wenscht te beschermen. Maar ik wil niet
beloven om je te verlaten.”

Er kwam een zachte glans in de oogen van het jonge meisje, toen zij zich
uit zijn armen losmaakte en een weinig terugweek.

„Ik moet eerst denken—denken—” fluisterde zij snel. „Misschien kan ik
je morgenavond uitsluitsel geven,—hier op deze plek—wanneer je je
woord wilt houden en doen wat goed is voor jou—en voor mij!”

„Ik zweer het je!”

„Ik kom hier dan weer op denzelfden tijd,—als de anderen slapen. Maar
dan moet je morgen oppassen—erg oppassen! Beloof me dat je morgen
voorzichtig zult zijn.”

„Dat beloof ik je.”

Als onwillekeurig strekte zij nog eenmaal de armen naar hem uit en gleed
daarop weg als een schim. Hij hoorde haar vlugge schreden op het pad,
hij zag haar gestalte, zooals die in het duistere woud verdween.
Nauwelijks ademhalend, bleef hij staan luisteren tot hij niets meer
hoorde om zich daarna langs het voetpad snel terug te begeven naar zijn
hut.



HOOFDSTUK VII.

Het opblazen van de coyote.


In de nieuwe opwinding, die al zijn zenuwen doortrilde, vergat
Howland het gevaar, waarin hij verkeerde, vergat hij zijn vroegere
voorzichtigheid en den angst, waaruit die ontstond, vergat hij
alles—behalve Meleese en zijn eigen groot geluk. Want gelukkig was hij;
gelukkiger dan hij nog ooit van zijn leven was geweest, gelukkiger dan
hij ooit had gedacht te zullen worden. Hij bleef zichzelf gelijk, ook in
de nieuwe, vreemde vreugde, die hem doortintelde; hij gunde zich geen
tijd om al de dwaze gedachten te ontleden, die in hem opkwamen. Hij
had Meleese in zijn armen gesloten, hij had haar zijn liefde bekend en
hoewel zij slechts met zachte berusting naar hem had geluisterd, was
hij toch verrukt zoo vaak hij terugdacht aan haar laatsten blik, die
van zooveel geloof en vertrouwen in hem en wie weet van wat nog meer
getuigde. Zijn geloof in haar was onbegrensd als het blauwe uitspansel
boven hem. Hij kende haar nog maar heel kort, maar het leek hem alsof
hij in dat tijdsverloop langer had geleefd dan in alle voorafgaande
jaren te zamen genomen. Zij had hem voorgelogen, zij had hem maar ten
deele haar naam toevertrouwd,—maar hij voelde als bij ingeving, dat
daarvoor geldige redenen bestonden.

Morgenavond zou hij haar weerzien en dan—wat zou zij hem dan vertellen?
Het moest en zou een belooning zijn voor zijn liefde. Dat verried het
angstige beven in haar stem, de snikkende ademhaling, de zachte gloed
in haar oogen. Zou zij—door liefde gedrongen—vertrouwen in hem
stellen—en zou hij dan naar het Zuiden terugkeeren?

Hij lachte zacht en vroolijk.

Ja zeker,—hij zou naar het Zuiden teruggaan,—hij zou naar het einde
van de wereld willen trekken,—als zij maar meeging. Wat beteekende de
bouw van een spoorlijn tegenover dat andere groote, dat er in zijn leven
gekomen was? Hij zag het begrip van plicht nu onder een licht, dat veel
van het vroegere verschilde. Er waren lui genoeg, die een weg konden
aanleggen; succes, fortuin, eerzucht—van de soort zooals hij tot nu toe
had gekend,—zij werden geheel overschaduwd door zijn liefde voor dit
jonge meisje.

Hij bleef staan om een pijpje te stoppen. De lekkere lucht van de tabak,
de geurige rook in zijn mond, dat alles hielp om hem weer in zijn
fatsoen te zetten en zijn verhit brein te bekoelen. Maar daarmee kwam
ook de oude strijdlust weer boven. Naar het Zuiden gaan? Nog eenmaal
stelde hij zichzelf die vraag en weer klonk er een lachje door het
stille woud, toen hij, de vuisten ballend, dacht aan wat hem wachtte.
Neen,—hij _wilde_ dien spoorweg bouwen. En al bouwend, zou hij het
meisje veroveren, wanneer zij werkelijk voor hem was weggelegd.

Met die kalmere gedachten keerde ook zijn voorzichtigheid terug; hij
liep nu langzamer, zich in de schaduw houdend en af en toe stilstaand
om te luisteren. Aan den rand van de open ruimte gekomen, hield hij in.
Alles was doodstil rondom de hut; waarschijnlijk waren de twee mannen,
die hij daar even in het bosch had gehoord, langs een anderen weg naar
het kamp teruggekeerd. Zich steeds zooveel mogelijk in de schaduw
houdend, liep hij naar de deur en trad hij binnen.

Met zijn voeten tegen de groote kachel zat daar Jackpine. Hij stond op,
toen hij Howland zag en er was iets in de sombere uitdrukking van zijn
gelaat, dat den jongen ingenieur aanleiding gaf om hem onderzoekend op
te nemen.

„Iemand hier geweest, Jackpine?”

De oude Indiaan maakte een ontkennend gebaar en haalde de schouders op,
tegelijkertijd wijzend naar een zorgvuldig opgevouwen papier, dat op de
tafel lag.

„Thorne,” gromde hij.

Howland spreidde den brief uit en las bij het licht van de lamp:

        „Waarde Howland,

  „Ik vergat om je te zeggen, dat de mail-slede naar Le Pas
  morgenmiddag om twaalf uur vertrekt en aangezien het mijn voornemen
  is om de reis daarmee te maken, verzoek ik je dringend om zoo
  vroeg mogelijk bij mij te komen. Tusschen acht en twaalf kan ik
  je gemakkelijk de noodige inlichtingen geven omtrent het kamp.

                                                              THORNE.”

Howland gaf uiting aan zijn verbazing in een zacht fluiten.

„Waar slaap jij, Jackpine?” vroeg hij op eens.

„In een hut aan den zoom van het woud,” antwoordde de Cree.

„En hoe doen we dan met het ontbijt? Thorne heeft me nog niets verteld à
propos van de maaltijden.”

„Thorne hij zegt, gij morgenochtend eten bij hem. Ik kom vroeg—u wakker
maken. Als hij morgen weg, wij hier eten.”

„Je hoeft me niet wakker te maken,” zei Howland, zijn jas uittrekkend.
„Ik zal Thorne wel vinden—waarschijnlijk nog vóór hij op is.
Goedennacht!”

Jackpine had de deur al half geopend en één oogenblik kreeg de ingenieur
een glimp te zien van het donkere, grijnzende gelaat, dat hem over den
schouder nog aankeek. De Indiaan aarzelde even, als was hij op het punt
van te spreken, maar in het volgende oogenblik ging hij, stil bij
zichzelf lachend, naar buiten.

Howland schoof nu den grendel op de deur, stak een klein tafellampje aan
en begaf zich daarmee naar zijn slaapkamer.

„Een beetje rust komt mij toch toe, al zou er nog zoo'n knaleffect op
volgen,” mompelde hij bij zichzelf, zich in de dekens rollend.

Hoewel gewend om uit zichzelf en met den dageraad op te staan, moest
hij dezen keer toch door Jackpine gewekt worden. Het kamp was nog maar
nauwelijks ontwaakt, toen hij den Indiaan tusschen de houten huizen door
naar Thorne's kwartier volgde. Deze was al op en in de kleeren.

„Het spijt me, dat ik je moest haasten, Howland,” begon hij, „maar ik
moet weg met de mail. Onder ons gezegd—ik stel niet veel vertrouwen in
onzen dokter. Mijn schouder is er miserabel aan toe—en mijn arm is nog
ellendiger—en ik maak, dat ik zoo gauw mogelijk bij een goed chirurgijn
kom.”

„Hebben ze je dan Weston niet meegegeven?” vroeg Howland. Hij wist, dat
juist dr. Weston bij hun maatschappij de groote man was voor
chirurgicale hulp.

„Ja, juist Weston,” antwoordde zijn collega, hem scherp aanziend.
„Ik wil daarmee allerminst zeggen, dat hij niet goed is, Howland,”
verbeterde hij zich snel. „Maar hij schijnt nu eenmaal geen oog te
hebben voor mijn mankement.—Vóór ik het vergeet—ik heb de lijst van
onze menschen nagegaan en er is geen enkele Croisset bij.”

Na het ontbijt verdiepten beide mannen zich een uur lang in kaarten,
bescheiden en teekeningen, betrekking hebbend op de aangelegenheden van
het kamp. Van Chicago uit had Howland steeds voeling gehouden met het
werk en toen zij eenmaal zoo ver waren, dat zij konden overgaan tot de
buiteninspectie, leek hij al genoegzaam meester van den toestand om den
persoonlijken steun van zijn collega's te kunnen ontberen. Nog meer
dan tevoren was hij er van overtuigd, dat het allerminst opzien tegen
technische moeilijkheden was, wat hen naar Chicago terugdreef. Had
hij misschien een oogenblik gemeend, dat hij het werk in ontredderden
toestand zou vinden, al heel gauw merkte hij uit de voor hem opengelegde
bescheiden, dat dit in geenen deele het geval was.

„Dit alles is het resultaat van een goed half jaar,” zei Thorne, toen
zij klaar waren met hun inspectie. „Goeje God, man, toen we hier pas
kwamen, had een konijn nog niet kunnen doordringen tot de plek, waarop
je nu zit,—en kijk thans eens rond! Vijftig hutten, vier loodsen voor
de maaltijden, twee van de grootste opslagplaatsen noordelijk van
Winnipeg, een postkantoor, een ziekenhuis, drie smederijen en—een
scheepswerf!”

„Een scheepswerf?” riep Howland ten zeerste verbaasd.

„Ja, zeker—en met een half afgewerkt schip van vijftig ton, dat nu in
het ijs zit vastgevroren. Als je het in het volgende voorjaar afmaakt,
zal het je van veel dienst kunnen zijn voor het aanbrengen van voorraden
over de Wekusko. Nu gaat het nog langs het ijs en gebruiken we daarvoor
paarden. Het kostte duivelsche moeite om er een vijftig van Le Pas
hierheen te krijgen.—En buiten en behalve dit alles hebben we zuidelijk
al zes mijlen van den onderbouw voor de nieuwe lijn gereed en noordelijk
drie. Aan het uiteinde van elk stuk, waaraan gewerkt wordt, is een
sub-kamp, maar de meeste lui geven er de voorkeur aan, om 's avonds naar
hier terug te keeren.” Er werd nu geklopt en Thorne stond langzaam en
moeilijk op. „Dat zal MacDonald zijn, de superintendent van het kamp,”
legde hij uit. „Ik had hem om acht uur hier besteld—een handige kerel!”

Toen Thorne de deur opende, stapte een klein mannetje met rood haar naar
binnen. Zijn oog viel niet zoodra op Howland of hij kwam met uitgestoken
hand op den nieuwen chef af, glimlachend en vriendelijk met het hoofd
knikkend.

„Howland natuurlijk!” riep hij. „Het doet me plezier u te zien! Ik ben
tot mijn spijt wat laat, maar ze hebben zoo duivels veel moeite met een
rotspartij, die ze vanmorgen willen laten springen en dat heeft me
opgehouden.”

Van Howland keerde hij zich met de schichtige beweeglijkheid van een
veldmuis naar diens ouderen collega.

„Hoe staat het met je arm, Thorne? En als je nog een greintje medegevoel
in je corpus hebt, vertel me dan gauw of Jackpine sigaretten voor me
heeft meegebracht uit Le Pas. Als hij, net als de laatste mail, ze
vergeten heeft, dan sta ik niet voor zijn leven in.”

„Hij heeft ze meegebracht,” zei Thorne. „Maar à propos van die
rotsen—ik dacht, dat alles klaar was om ze te laten springen.”

„Dat is het ook—nu! De zuidkant staat ten doode opgeschreven; die wordt
om tien uur opgeblazen. De groote noordelijke rotsen moeten er vanavond
aan gelooven. Het zal een schitterend vuurwerk worden—honderd vijf en
twintig vaatjes buskruit en vier kisten, elk van vijftig ton dynamiet.
Als je niet zoo ver kunt loopen, Thorne, dan nemen ze je wel op een slee
mee er heen. Het zou jammer zijn, als je het niet zag!”

„Het spijt me, Mac, maar ik zal er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Ik
vertrek met de mail naar het Zuiden. Het is juist daarom, dat ik je
vroeg om vanmorgen hier te komen. Het is nu verder jouw taak om Howland
bekend te maken met alle onderdeelen van het kamp.”

„Kostelijk!” riep de kleine Schot, met spontane geestdrift de handen
wrijvend. „Greggy en Thorne hebben hier merkwaardige dingen gedaan,
Mr. Howland. Je zult oogen opzetten, als je het ziet! Praat me van
spoorwegbouw! We hebben elk record geslagen, we hebben ons door wouden,
door moerassen en door die vervloekte bergketens heengewerkt—en hier
zijn we nu vrij wel bij het uiteinde van de aarde. De nieuwe
Trans-continental is er kinderwerk bij! De—”

„Afbellen, Mac!” riep Thorne en Howland zag hoe zijn collega nu lachend
neerkeek op het roode gelaat vol zomersproeten van den superintendent.
De man had van het eerste oogenblik af ook op hem een gunstigen indruk
gemaakt.

„Hij is één bundel van dubbel geladen draden,” zei Thorne zacht, toen
MacDonald voor hen uit liep. „En zoo is hij altijd—meestal kinderlijk
gelukkig en de lieveling van het werkvolk—maar een lastige duivel, als
hij het land aan je heeft. Ik weet niet wat we in het kamp zonder hem
zouden moeten beginnen.”

Diezelfde gedachte kwam gedurende de eerstvolgende twee uren telkens en
telkens weer bij Howland op. MacDonald scheen in werkelijkheid de ziel
en de baas van het kamp te zijn, terwijl Thorne's houding den jongen
ingenieur meer en meer een raadsel werd. De hoofdlieden van het kamp
en de opzichters, die zij tegenkwamen, schenen bang te zijn voor den
ouderen ingenieur, maar als zij de vroolijke stem van den kleinen,
rooden Schot hoorden, glinsterden hun oogen van geestdrift. Neen, dat
was niet langer de Thorne, die tien jaar lang oog, oor en stem was
geweest van de grootste ondernemingen der vennootschap en wiens
onbegrensd enthusiasme en werklust hem gestempeld hadden tot een man van
meer dan nationale reputatie. Thorne leek niet op zijn gemak onder het
werkvolk; er lag achterdocht in zijn blik, als zocht hij onder al die
aangezichten naar één bepaald gelaat. De slimme oogen van MacDonald
merkten Howland's verwondering op en eenmaal profiteerde hij zelfs van
een gelegenheid om hem toe te fluisteren:

„Het wordt meer dan tijd, dat Thorne naar de beschaafde wereld
terugkeert. Er is iets niet in den haak met hem. Weston vertelde me
gisteren nog, dat het met zijn kneuzingen heel goed staat. Ik begrijp er
niets van.”

Even later gingen zij met Thorne terug naar diens woning.

„Ik zou zoo graag willen, dat Howland het opblazen van dien zuidelijken
rotswand zag,” zei MacDonald. „Kun je hem missen, Thorne? Vóór twaalf
zijn we terug.”

„Zeker. Kom dan bij mij eten. Ik zal in dien tusschentijd een lijst
maken van de dingen, die ik misschien vergeten heb.”

Howland meende, dat er opluchting klonk uit de stem van zijn ouderen
collega, maar hij zei dat niet tegen den superintendent, toen zij samen
zich naar het tooneel van de „opblazing” haastten. Alles was gereed om
de mijn te laten springen. Die „coyote” zelf,—een tunnel van vijftig
voet lengte, uitgehouwen in het zware rotsgesteente van den berg en
eindigend in een kamer gevuld met springstoffen—was afgesloten door
dicht opeengepakte massa's rotsgruis, MacDonald wees zijn metgezel den
electrischen draad, die naar de lont in de kamer liep.

„Het is me voor den duivel een raadsel, waarom Thorne niet wil komen
kijken!” riep hij na afloop van een laatste inspectie. „We zijn drie
maanden lang bezig geweest met het boren van deze coyote en van de
grootere naar het Noorden. Hier moeten we vier duizend vierkante meter
rots laten springen en daar zes duizend. Het kan je misschien je leven
lang niet meer overkomen, dat je zoo'n schot ziet en we krijgen geen
tweede zóó tusschen hier en de baai. Wat heeft Thorne toch?”

En zonder op een antwoord te wachten liep MacDonald snel naar een heuvel
rechts van hen. Er waren in den omtrek al overal wachten geplaatst en de
schrille kreet van: „vuur!—vuur!—vuur!”, ter waarschuwing voortgeplant
door spreekbuizen van berkebast vervaardigd, klonk dubbel dreigend door
de stille wildernis, waar voor het oogenblik alle werk had opgehouden.
Op den top van den heuvel stonden een vijftig arbeiders, die toen
Howland en de superintendent zich bij hen voegden, terugweken van een
grooten, platten steen, waarop een electrische batterij was geplaatst.
MacDonald's gelaat zag rood en zijn oogen knipten, toen hij op het
kleine knopje wees.

„God nog toe, hoe is het mogelijk, dat Thorne geen lust gevoelt om het
te zien,” zei hij weer. „Denk toch eens, man!—zeven duizend vijfhonderd
pond buskruit en tweehonderd pond dynamiet! Eén druk op dit knopje, één
schicht door dien draad en de lont brandt. Dan nog een minuut of vijf en
een berg, die van den scheppingsdag af op zijn plaats heeft gestaan,
gaat de lucht in! Is het niet prachtig!?” Hij ging kaarsrecht staan en
nam zijn hoed af.

„Mr. Howland, zoudt ge op dezen knop willen drukken?”

Met een vreemde gewaarwording boog Howland zich over de batterij, zijn
blik gericht op de doffe, zwarte rotsmassa, die op een halve mijl
afstands het noodlot scheen uit te dagen. Zijn vinger trilde, toen hij
op het kleine, witte knopje drukte en er kwam een diepe stilte over de
menigte. Een—twee—drie—vier—vijf minuten gingen voorbij, terwijl in
het binnenste van de aarde de lont tot aan het einde toe voortbrandde.
Toen steeg er een lichte stofwolk op, zonder geluid en gevolgd door een
vlam,—en daarna—misschien twee seconden later—kwam de eigenlijke
uitbarsting. Het was een gedruisch en een gestamp, alsof de aarde onder
den voet werd geloopen; er stegen dikke zwarte rookmassa's op, die den
berg in een ondoordringbaar lijkkleed schenen te hullen, om na enkele
oogenblikken roodgloeiend te worden; en tegelijkertijd scheurde de lucht
vaneen met een knal alsof duizend kanonnen tegelijk werden afgevuurd.
Zoo ver het oog reikte, schoot er een vlammenzee uit den rook; die klom
al hooger en hooger met bliksemende schichten, totdat de gloeiende
tongen de luchtlagen tot op een kwart mijl boven de wildernis lekten.
De eene uitbarsting volgde op de andere, enkele met een onderaardsch,
weerkaatsend geluid, maar de meeste met een zwaren knal. De hemelen
waren vol van tegen elkaar botsende rotssteenen; vaste massa's graniet
van tien voet in het vierkant vlogen door de lucht; rotsen van meer dan
een ton inhoud werden weggeslingerd als ballen, door een reuzenhand
geworpen; brokken, zwaar genoeg om de hoogste gebouwen in puin te doen
verkeeren, kwamen een derde of een halve mijl verder neer. Drie minuten
lang hield de vreeselijke stuiptrekking aan. Toen stierf het licht weg
uit de lijkwade van rook en begon die wade zelf zich te leggen. Howland
voelde een greep om zijn arm. Hij keek om en zag in het nu bleeke en
starende gelaat van den superintendent. Zijn eigen ooren suisden en elke
zenuw in hem hing slap. MacDonald's stem klonk vreemd en spookachtig
toen hij sprak.

„Wat zeg je dáárvan, Howland?”

De twee mannen namen elkaar bij de hand en toen zij weer opkeken, zagen
zij—door stof en rook nog moeilijk te onderscheiden—vaneengescheurde
en verspreide rotsblokken liggen op de plek, waar de hooge heuvelkam
had gestaan, die den nieuwen weg naar de baai versperde.

Howland sprak maar weinig bij den terugkeer naar het kamp. Het tooneel,
waarvan hij getuige was geweest, had hem aangegrepen; het had in hem
de oude eerzucht, de oude geestdrift wakker geschud, maar geen van die
twee zocht uiting in woorden. Hij was blij toen de maaltijd bij Thorne
een einde nam en toen de mail-slede met zijn ouderen collega verdween,
groeide die gewaarwording aan tot een gevoel van vreugde en verlichting.
Nu was _hij_ toch de verantwoordelijke persoon; van dit oogenblik af was
het _zijn_ lijn, _zijn_ werk. En bij het afscheidnemen gaf hij MacDonald
een handdruk, die meer zei dan woorden.

In zijn eigen hut teruggekeerd, wierp hij jas en hoed weg, stak hij
een pijp op en trachtte hij de beteekenis te beredeneeren, die dit
alles voor hem had. Hij was de verantwoordelijke chef bij den bouw van
een der meest grootsche spoorwegen op het heele wereldrond—hij—Jack
Howland—de jongen, die nog geen twintig jaar geleden uitgehongerd en
blootsvoets kranten had verkocht in dezelfde straten, waar nu zijn roem
luid werd verkondigd. Wat beteekende toch die zwarte vlek, die scheen
opgekomen om zijn kansen te bedreigen, juist nu hij zeker meende te
zijn van de overwinning? Hij balde de vuisten bij de gedachte aan wat
er al gebeurd was,—aan den laaghartigen aanslag op zijn leven en aan de
waarschuwingen—en zijn bloed steeg tot koortshitte. Dien avond, als
hij Meleese weer had gezien, zou hij weten waar hij aan toe was. Maar
intusschen stond één ding vast: hij zou zich niet laten verdrijven,
zooals Gregson en Thorne.

Het duister van den nacht valt vroeg in den noordelijken winter en het
werd al schemer, toen hij buiten een stem hoorde, weldra gevolgd door
een luid kloppen op de deur. Howland deed open en zag het hoofd en de
schouders van een man.

„Er is iets niet goed met de noordelijke coyote, Sir, en Mr. MacDonald
vraagt of ge zoo gauw mogelijk wilt komen,” sprak de nieuw aangekomene.
„Hij heeft mij daarom met een sleê hierheen gezonden.”

„En MacDonald meende daar straks, dat alles gereed was voor het
opblazen,” zei Howland, naar jas en hoed grijpend. „Wat mankeert er
aan?”

„Niet goed gestuwd, denk ik. Ik hoorde hem vloeken en tieren. Hij heeft
geen rust vóór ge daar zijt.”

Een half uur later hield de sleê stil dicht bij de plek, waar Howland
vroeger op den dag een twintigtal werklui bezig had gezien met het
afladen en rangeeren van zakken buskruit en dynamiet. Er stonden
tusschen de rotsen een stuk of zes lantaarns te branden, maar nergens
was er eenig spoor van leven of beweging, totdat de voerman plotseling
de lange zweep liet klappen en zich als antwoord een dof hallo uit de
verte liet hooren.

„Dat is MacDonald, Sir. Ge zult hem daar ginds bij de tweede lantaarn
vinden—daar is de opening van de coyote. Hij staat te razen tegen een
half dozijn mannen, die het dynamiet op in plaats van onder het kruit
hadden gestuwd.”

„All right,” riep Howland, zich tegen de rotssteenen opwerkend.
Nauwelijks echter had hij een stap of wat gedaan, of achter hem schoot
iets tusschen de rotssteenen uit, dat met een verpletterenden slag
op zijn hoofd neerkwam. Hij viel kreunend voorover op zijn gelaat.
Gedurende enkele oogenblikken hoorde hij nog stemmen om zich heen; hij
voelde ook, dat mannenarmen hem optilden en wegdroegen, zóó, dat zijn
beenen langs den grond sleepten. Daarna werd het hem als zonk hij
weg—diep—diep—steeds dieper, totdat ten laatste elk gevoel van
bestaan zich oploste in een chaos van pikzwarte duisternis.



HOOFDSTUK VIII.

De Ure des Doods.


Het eerste wat Howland zag, toen hij weer tot bewustzijn kwam, was een
onbeweeglijk rood oog, dat hem uit de ondoordringbare duisternis strak
aanstaarde,—een venijnig glinsterend ding, dat hem met angst vervulde
en hem tegelijkertijd tot het leven terugriep. Het stond tegenover hem,
op één lijn met zijn gelaat,—een bol van geel-rood vuur, die hem tot in
de ziel scheen te branden. Hij trachtte te schreeuwen, maar er kwam geen
geluid over zijn lippen; hij beproefde zich om te wenden, zich terug te
trekken, maar het was of zijn leden alle beweegkracht misten. Het oog
groeide aan; hij zag nu, dat het een stralenkrans afwierp en die krans
werd grooter, tot het leek alsof de dikke duisternis er omheen wegsmolt.
Eerst toen begreep hij. Het was een lantaarn, die daar vóór hem stond op
niet meer dan tien voet afstands. Hij was nu ten volle tot bewustzijn
gekomen en deed opnieuw een poging om te roepen, om zijn armen
uit een onzichtbaren greep te bevrijden. Hij meende eerst, dat het
menschenhanden waren, die hem vasthielden, maar toen het schijnsel
van de lantaarn de dingen om hem heen en ook zijn eigen persoon beter
verlichtte, merkte hij al gauw, dat het een riem was, en dat hij niet
kon roepen, omdat er iets hards en stijfs om zijn mond zat.

En op eens werd alles hem duidelijk. Hij was op die slede naar de coyote
gekomen. Daar had men hem een slag op het hoofd gegeven. Hij herinnerde
zich, hoe mannen hem over de rotsen hadden gesleept en diezelfde mannen
hadden hem gebonden en hem een prop in den mond geduwd om hem vervolgens
te laten liggen bij die lantaarn, die hem aldoor aanstaarde. Maar waar
was hij? Hij trachtte naar de andere zijde te kijken en de duisternis te
doorboren. Vóór zich, achter het licht, zag hij een zwarten wand; hij
kon het hoofd niet geheel omdraaien, maar toch eenigszins nagaan, waar
diezelfde zwarte wand aan den linkerkant ophield. Hij keek omhoog en
zijn blik stuitte andermaal op hetzelfde onverbiddelijke rotsgesteente.
Hij keek omlaag en de kreet van afgrijzen, die in zijn keel opkwam,
verstierf in een gesmoord kreunen. Het schemerachtige licht toch viel
op een zak—op twee zakken,—op drie,—op vier,—op een stevig
opeengestapelden muur van zakken.

Nu wist hij ten volle wat er gebeurd was. Hij zat opgesloten in de
coyote en die zakken om hem heen waren gevuld met buskruit! Hij zat op
iets hards—op een kist—en die kist was gevuld met dynamiet! Het koude
zweet parelde op zijn gelaat, dat glinsterde in het schijnsel van de
lantaarn. Aan zijn voeten lag een dunne, witte, spookachtige draad, die
zich verderop verloor in de duisternis. Dat was de lont, die naar de
kist met dynamiet leidde, waarop hij zat!

Half waanzinnig van angst vocht hij met de touwen, die hem vasthielden,
totdat hij eindelijk uitgeput achterover tegen den wand van zakken
aanviel. Als vurige woorden klonk de laatste waarschuwing van Meleese
hem in het oor: „Je moet weggaan—morgen—morgen—of zij zullen je
doodmaken!” Het was dus op deze wijze, dat zij hem wilden laten sterven.
Hij zag opnieuw het vreeselijke schouwspel, waarvan hij een paar uur
vroeger getuige was geweest—een brandoffer van vuur en rook en
donder, dat een berg vaneen had gescheurd,—een chaos van strijdende,
kronkelende furiën,—en het was of zijn hart een oogenblik stokte. Was
het mogelijk, dat er menschen bestonden, duivelsch genoeg, om hem tot
zulk een uiteinde te veroordeelen? Waarom hadden zijn vijanden hem niet
op slag daar tusschen de rotsen gedood? Dat zou gemakkelijker zijn
geweest—en sneller—en eenvoudiger. Waarom wilden ze hem martelen? Wat
voor vreeselijks had hij bedreven? Was hij gek—stapelgek—en dit alles
slechts een ontzettende nachtmerrie,—een waanzinnige, onwezenlijke
verdraaiing van feiten in zijn brein? Al die vragen raasden hem
door het hoofd, zonder dat hij ook maar een enkele er van trachtte te
beantwoorden. Een korte poos zat hij stil, nauwelijks ademhalend. Hij
hoorde niets dan het kloppen van zijn eigen hart. Maar toen kwam er
een ander geluid, eerst bijna onmerkbaar en zacht, daarop scherp en
haastig—een geluid, genoeg om hem dol te maken.

Tik—tik—tik!

Het was het tikken van zijn horloge. En een nieuwe angst greep hem aan.

Hoe laat was het?

De coyote zou om negen uur worden opgeblazen. Het was vier uur geweest,
toen hij van huis ging. Hoe lang had hij bewusteloos gelegen? Was het
oogenblik al gekomen—was het nu? Stak MacDonald den vinger al uit naar
dien kleinen witten knop, die hem—Howland—de eeuwigheid in zou
slingeren?

Weer worstelde hij en beet hij in zijn woede op het ding, dat zijn mond
bedekt hield, zich het vleesch van de polsen scheurend in zijn pogingen
om de touwen af te schuiven, die hem gebonden hielden; en zichzelf bijna
worgend in zijn strijd om den riem los te maken, waarmee zijn nek aan
den wand was bevestigd. Uitgeput en al half dood, viel hij terug. Maar
terwijl hij zoo met gesloten oogen terneerlag, deed zijn gezond verstand
zich nog eenmaal gelden. Zou hij laf genoeg zijn om gek te worden?

Tik—tik—tik!

Het horloge liep nu met een razende haast. Mankeerde er iets aan?
Ging het te gauw? Hij trachtte de seconden te tellen, maar die holden
voorbij. Toen hij weer opkeek, viel zijn blik op het kleine, gele
vlammetje in de lantaarn. Het was nu niet langer het starre oog van een
minuut of wat geleden. Het sputterde flauwtjes en terwijl hij er naar
staarde, werd het zwakker en zwakker. Nog een paar minuten en het zou om
hem heen donker zijn. In den beginne besefte hij nog niet ten volle de
beteekenis van dat feit; maar op eens richtte hij zich op en wel met een
vaart, die den riem om zijn nek nog nauwer aanhaalde en hem bijkans deed
stikken. Er moesten uren voorbij zijn gegaan sedert die lantaarn op die
steenen werd geplaatst, anders zou de olie nog niet opgebrand zijn!

Hij merkte nu ook, dat zijn ademhaling al door moeilijker werd. Dat
stijve ding om zijn nek kneep meer en meer,—het was als een band van
gloeiend ijzer. Opnieuw worstelde hij en nu zakte de lap, die zijn mond
bedekt hield, op eens een duim of wat af en kon hij weer geluid geven!

„Die duivelsche riem van ongelooide huid schroeft mijn keel
dicht,”—waren zijn eerste woorden.

Zijn stem klonk hol en dof door de ruimte en hij trachtte te schreeuwen,
hoezeer ook overtuigd van het nuttelooze van zulk een poging, die zijn
lijden slechts kon verzwaren. Zijn rug deed hem folterende pijn; het was
hem als voeren er gloeiende naalden door zijn leden en als werd zijn
schedel gekloofd. Alle kracht scheen van hem geweken. Hij had geen
gevoel meer in de eerst door kramp geteisterde voeten. Hij berekende
de vorderingen van de verlamming die duim voor duim opklom in zijn
beenen,—folterende pijnen vooruitzendend,—en op eens kwam er een
ontzettende kreet over zijn lippen.

Het licht was uitgegaan!

En alsof het wegsterven van dat gele vlammetje de voorbode was geweest
van zijn eigen dood,—hij hoorde terzelfdertijd een scherp gesis, er
sprong een vonk over door de duisternis en een seconde later begon een
gloeiend puntje, op hem afkomend, langzaam voort te kruipen over de
rotssteenen aan zijn voeten.

Het uur, de minuut, de seconde was daar. MacDonald had op het witte
knopje gedrukt, dat hem de eeuwigheid in ging zenden! Hij gaf geen
geluid meer. Hij wist, dat het einde nu heel nabij was en juist dat gaf
hem kracht. Hij had eenmaal een executie bijgewoond en zich verbaasd
toen de veroordeelde, met den strop om den hals, nog met heldere stem en
onbevreesd een woord van afscheid had gesproken.

Nu begreep hij dien toestand. De lont brandde langzaam voort in zijn
richting,—een vijfde—een vierde—een derde van de lengte was al
verteerd. Toen werd het de helft en naderde zij tot bijna onder zijn
voeten. Nog twee minuten levens. Hij verzamelde al zijn krachten voor
een laatste poging om zijn handen te bevrijden—en dezen keer, met
den dood op enkele seconden afstands, was die poging kalm, vast,
meesterlijk. Het was of het hart hem in de keel klopte, toen hij merkte,
dat er speling in de banden kwam. Nog één ruk en door het aan alle
kanten ingesloten gewelf klonk een luide, doordringende triomfkreet!
Zijn handen waren vrij! Hij reikte naar de lont, maar tegelijkertijd
kwam er over zijn lippen een angstig gekreun en een zachte snik, die het
vreeselijkste bevatte, wat de menschelijke ziel in één zwakken toon
vermag te leggen. De riem van ongelooide koehuid, waarmee hij aan den
achterwand was vastgeklonken, belette hem om de lont te bereiken.

Hij tastte naar zijn mes. Hij had het thuis gelaten.—Nog zestig
seconden, nog veertig, nog dertig! Hij zag het gloeiende uiteinde van de
lont bijkans aan zijn voeten. Daar opeens kwamen zijn tastende vingers
in aanraking met het staal van zijn revolver; met een laatste opwelling
van hoop haalde hij het wapen te voorschijn en richtte hij het op de
verraderlijke vonk. Het eerste schot deed die verspringen zonder haar te
dooven, maar na het tweede schot was het glinsterende puntje verdwenen
en zat Howland, het hoofd tegen de kruitzakken gedrukt, minuten lang,
als was de dood over hem gekomen in het uur van zijn redding. Na
eenigen tijd gelukte het hem om, zij het ook langzaam en met moeite, een
hand in zijn broekzak te werken en daar een pennemes uit te halen. Maar
het duurde geruimen tijd eer hij daarmee den riem had doorgezaagd, die
zijn nek omklemd hield. Ten slotte sneed hij ook nog het touw door,
waarmee zijn enkels gebonden waren.

Hij deed nu een eerste poging om zich op te heffen, maar niet zoodra
stond hij op zijn voeten of zijn half verlamde ledematen weigerden hem
te dragen en hij zakte ineen. Eerst heel langzaam zocht het bloed
opnieuw zijn weg door de verstopte aderen en met dien omkeer in zijn
physieken toestand kwam er een gevoel van zalige rust over hem. Hij ging
op den grond liggen, het gelaat gekeerd naar den zwarten wand en dacht
alleen aan het feit, dat hij gered was, dat hij zijn geheimzinnige
vijanden opnieuw te slim af was geweest en dat hij het nu goed had.
Hij deed geen poging om te redeneeren, om plannen voor een algeheele
bevrijding te beramen. Hij lag naast kruit en dynamiet, maar dat kruit
en dat dynamiet kon niet ontbranden, vóórdat menschenhanden een nieuwe
lont hadden aangebracht. Daar zou MacDonald zeker wel gauw voor zorgen
en—Howland viel in een sluimering, die bijkans een geruste slaap was.
Toen hij uit zijn halve bedwelming ontwaakte, hoorde hij opnieuw het
tikken van zijn horloge. Het leek hem of hij daar al uren naar had
geluisterd, toen een ander en een even regelmatig geluid zich begon
hoorbaar te maken. Verbaasd richtte hij zich op om een oogenblik later
vroolijk te lachen; dat toch was het geklop van houweelen op den
buitenkant van de rotsen. MacDonald's mannen waren dus al bezig om den
ingang van de coyote open te hakken. Over een half uur zou hij—Jack
Howland—weer in de groote wereld zijn.

Die gedachte deed hem opspringen. De verdooving was uit zijn ledematen
verdwenen en hij kon zich bewegen en rondloopen. Zijn eerste daad was
om een lucifer af te strijken en op zijn horloge te kijken.

„Halfelf!”

Hij sprak die woorden overluid, denkend aan zijn afspraak met Meleese.
Over anderhalf uur dus zou hij haar ontmoeten op dezelfde plek als
gisteravond, tenminste wanneer hij vroeg genoeg bevrijd werd om zijn
afspraak na te komen. Maar hoe zou hij zijn tegenwoordigheid in de
coyote verklaren, zonder zich al te lang met MacDonald op te houden? Het
was of zijn brein sneller begon te werken, naarmate het kloppen van de
houweelen duidelijker werd. Als hij maar kans zag om de explicatie uit
te stellen tot den volgenden morgen, dan zou hij heel den verraderlijken
aanslag voor MacDonald blootleggen. Dan zou het nog vroeg genoeg zijn om
de lage boosdoeners uit te vinden en intusschen zou hij zijn samenkomst
met Meleese gehad hebben.

Al gauw had hij zijn plannen gemaakt. Hij zocht alle touwen en riemen
bijeen en verborg die tusschen de kruitzakken, zoodat zij, die de
coyote binnengingen, geen spoor zouden vinden van zijn vreeselijke
ervaring. Dicht bij den mond bevond zich een rotsblok met een diepe
spleet—waarschijnlijk een gevolg van een vroegere ontlading; daarin
zou hij zich verbergen. Als de mannen bezig waren met het onderzoek van
de lont, zou hij uit de spleet komen en zich ongemerkt bij hen voegen.
Het zou dan den schijn hebben, alsof hij achter hen aan de coyote was
binnengekropen.

Een half uur later vielen er steenen voor zijn voeten en zag hij na
enkele minuten een menschelijke gedaante als een schim door de ontstane
opening naar binnen zakken. Er volgde een tweede en toen een derde, maar
het eerste geluid, dat hij hoorde, was de stem van MacDonald.

„Geef mij de lantaarn, Bucky,” riep deze den man toe, die achter hem
liep. Er gleed een lichtstraal door de donkere ruimte. De werklieden
begaven zich voorzichtig naar de lont en Howland zag hoe de kleine
superintendent er, op zijn knieën liggend, naar keek.

„Wel vervl..kt!” hoorde hij hem zeggen en daarop volgde een diepe
stilte. Geruischloos als een kat werkte Howland zich uit de spleet en
klauterde hij een eindweegs omhoog tusschen de rotsen. Hij was het, die
den uitroep beantwoordde.

„Wat is er, MacDonald?”

Kalm voegde hij zich nu bij de kleine groep. MacDonald keek op en toen
hij zag, dat het de nieuwe chef in eigen persoon was, die zich over hem
heenboog, staarde hij dezen in grenzenlooze en angstige verbazing aan.

„Howland!” bracht hij met moeite uit en dat eene woord, gevoegd bij zijn
klaarblijkelijke agitatie, was den ingenieur genoeg. Hij keerde zich
snel naar de mannen en gaf hun zijn eerste bevel als chef van den
Hudsonbaai-spoorweg.

„Verlaat de coyote, jongens!” riep hij. „We zullen alles tot morgen
laten rusten.”

Maar tegen den superintendent zei hij zacht, terwijl de mannen voor hem
uitliepen:

„MacDonald, je moet den ingang van de mijn vannacht laten bewaken door
een half dozijn van de beste mannen. Ik weet van dingen, die maken, dat
ik deze heele kwestie morgen nader moet onderzoeken. Ik verlaat je,
zoodra we buiten zijn. Zeg aan iedereen, dat het alleen een gebrek aan
de lont is geweest. Begrepen?”

Hij kroop vóór MacDonald uit de opening en was nog eer deze de coyote
had verlaten, al verdwenen in den helder door sterren verlichten nacht,
op weg naar het mooie meisje, dat—zooals hij hoopte—in staat zou zijn
om geheel of gedeeltelijk een van de vreemdste en meest diabolische
complotten op te helderen, ooit in een menschelijk brein uitgedacht.



HOOFDSTUK IX.

De Samenkomst.


Het was nog bijna een uur vóór den bepaalden tijd, toen Howland bij de
eenzame plek kwam, waar hij Meleese zou ontmoeten. Hij ging, verborgen
in de schaduw van het lage hout, op den stam van een gevelden den zitten
en stak een pijp op, zorg dragend om den brandenden lucifer in de holte
van zijn handen te houden. Voor het eerst sedert zijn vreeselijke
ondervinding in de coyote, voelde hij zich vrij om te denken en meer
dan ooit begreep hij, dat kalmte en een bezadigd optreden eerste
vereischten waren bij wat hij verder dacht te doen. Hij herwon zijn
vroeger vertrouwen in Meleese, maar zijn bloed kookte van verlangen om
zich te wreken, om de menschelijke duivels te straffen, die getracht
hadden hem tot gruizelementen op te blazen. Hij hield er zich van
overtuigd, dat het jonge meisje slechts een onvrijwillige factor was in
het verraderlijke complot en dat zij zelfs alles deed wat in haar macht
stond om hem te redden. Maar tegelijkertijd besloot hij om zich niet
langer te laten beïnvloeden door haar pleiten. Hij had, als belooning
voor het in hem gestelde vertrouwen, beloofd, dat hij niemand zou
straffen, dien zij wenschte te beschermen. Die belofte zou hij
terugnemen. Vóór zij hem nog iets kon mededeelen, zou hij haar
waarschuwen, dat hij vast besloten was om de misdadigers op te
sporen, die tot tweemaal toe naar zijn leven hadden gestaan.

Het was bijna middernacht, toen hij weer op zijn horloge keek. Zou
Meleese niet verschijnen? Hij kon niet gelooven, dat zij van zijn
opsluiting in de coyote wist—van dien tweeden, ellendigen aanslag op
zijn leven. En toch—als dit wèl het geval was—

Hij stond op van zijn boomstronk en begon heen en weer te loopen in de
duisternis, zijn brein opnieuw vervuld van sombere gedachten en steeds
toenemenden angst. Zij, die hem hadden opgesloten, wisten sedert een uur
van zijn ontkoming. In dat tijdsverloop had er veel kunnen gebeuren.
Misschien waren zij het kamp al ontvlucht. Verschrikt door het mislukken
van hun plan en vreezend voor de straf, die hun deel zou zijn, wanneer
zij ontdekt werden, hadden zij zich misschien naar de noordelijke
wildernissen begeven en waren zij nu al mijlen ver weg van de Wekusko.
En dan zou Meleese zeker bij hen zijn!

Maar plotseling hoorde hij een stap—een lichten, snellen tred—en met
een blijden, herkennenden groet, sprong hij in het licht der sterren om
de slanke, witte gedaante te zien, die uit de schaduw van de zware
woudboomen op hem afkwam.

„Meleese!” riep hij zacht.

Hij strekte de armen uit en het meisje wierp er zich in, haar handen
tegen zijn borst leggend en het hoofd achterover buigend, zoodat zij met
haar groote, starende, verschrikte oogen opkeek naar zijn gelaat.

„Wil je nu—nu—weggaan?”

Zij nam haar handen weg en legde die op zijn schouders en toen Howland
haar zwijgend, steeds vaster tegen zich aan drukte, uitte zij een kreet
van wanhoop en liet zij haar hoofd tegen zijn borst vallen, heel haar
gestalte schokkend in een uiting van angst en smart, die hem
verschrikte.

„Je gaat toch?” snikte zij. „Je gaat, nietwaar?”

Hij liet zijn vingers door haar zachte lokken glijden en drukte zijn
gelaat nog dichter tegen het hare.

„Neen, liefste, ik ga niet,” antwoordde hij met diepe, vaste stem. „Na
wat er vanavond gebeurd is, ga ik stellig niet.”

Zij week terug, als deed hij haar pijn en nam haar handen uit de zijne.

„Ik hoorde—wat er een uur geleden—gebeurd is,” zei zij met half
verstikte stem. „Ik stond te luisteren en ik hoorde hoe er over
gesproken werd.”—Zij trachtte klaarblijkelijk zichzelf te beheerschen.
„Je moet vannacht nog het kamp verlaten.”

Howland toonde niet den minsten angst; integendeel, hij glimlachte, toen
hij haar gelaat weer tusschen zijn handen nam.

„Meleese, ik moet de belofte terugnemen, die ik je gisteravond deed. Ik
wil je gelegenheid geven om allen te waarschuwen, die je waarschuwen
wilt—maar ik keer niet naar het Zuiden terug. Van dit oogenblik af
begin ik een drijfjacht op de laffe duivels, die naar mijn leven staan.
Vóór het dag is, zal elke man aan de Wekusko met mij zoeken en als wij
hen vinden, zal er geen genade zijn. Wilt gij mij helpen—of—”

Zij duwde zijn handen weg van haar gelaat en sprong terug, nog vóór hij
had uitgesproken. Hij zag een plotselinge verandering in haar trekken;
haar lippen werden strak en vastberaden; de smeekende blik en de
uitdrukking van angst stierven weg op het bleeke gelaat. Er klonk
iets vreemds uit haar stem, toen zij weer sprak—iets van dezelfde
vastberadenheid, die Howland in de zijne had gelegd—maar haar toon
miste zijn zachtheid en zijn liefde.

„Wil je me alsjeblieft zeggen, hoe laat het is?”

Die vraag was wel heel zonderling. Howland haalde zijn horloge te
voorschijn en keek er op bij het licht van de sterren.

„Het is kwart over twaalf.”

Er gleed een licht glimlachje over de lippen van het jonge meisje.

„Weet je zeker, dat je horloge niet vóór is,” vroeg zij.

In sprakelooze verwondering staarde Howland haar aan.

„Want het zou voor jou en voor mij van veel gewicht zijn, wanneer het
nog niet kwart over twaalf was,” ging Meleese voort met steeds meer
ijver. Op eens kwam zij naar hem toe en legde zij haar warme handen op
zijn gelaat, daarbij zijn armen in bedwang houdend.

„Luister,” fluisterde zij, „is er dan niets, niets dat je van je
voornemen kan afbrengen—niets, dat je naar het Zuiden kan
terugdrijven—vannacht nog?”

De nabijheid van haar lief gelaat, de teere aanraking van haar handen,
de zachte adem, die van haar lippen kwam, dat alles deed bij Howland den
lust ontstaan om toe te geven. Eén oogenblik wankelde hij.

„Er is misschien maar één—en ook maar één enkele kans om mij vannacht
nog te doen vertrekken,” antwoordde hij, zijn stem trillend van de
groote liefde, die hem vervulde. „Voor jou, Meleese, geef ik alles
op—eerzucht, fortuin, roem en den bouw van dezen spoorweg. Als ik zeg,
dat ik vannacht vertrek, ga je dan met me mee? Wil je mij beloven om
mijn vrouw te worden, zoodra wij te Le Pas zijn?”

Er lichtte onuitwischbare teederheid uit de mooie oogen, zoo dicht bij
de zijne.

„Dat is onmogelijk. Je zou me niet langer liefhebben als je wist, wie ik
ben—en wat ik deed—”

Hij greep haar hand.

„Heb je dan kwaad gedaan—groot kwaad?”

Een oogenblik scheen zij te aarzelen en daarop kwam hortend en stootend
over haar lippen: „Ik—weet niet. Ik geloof van wel—Maar—het is niet
dàt!—neen, niet _dat_!”

„Meen je, dat ik je niet mag zeggen hoe lief ik je heb?” vroeg hij.
„Bedoel je, dat je niet naar me _moogt_ luisteren? Ik—ik—nam aan, dat
je ongetrouwd waart—dat—”

„Neen, neen, dat is het niet,” riep zij haastig. „Je begaat geen zonde
door mij lief te hebben.” En weer vroeg zij plotseling: „Wil je me
alsjeblieft zeggen hoe laat het is—nu—op dit moment?”

Hij keek opnieuw op zijn horloge. „Twintig minuten over twaalf.”

„Laten we wat meer naar het pad gaan,” fluisterde zij. „Ik ben hier zoo
bang.” Zij liep vooruit, snel het wegje overstekend, dat naar zijn hut
voerde. Een paar honderd meter verder lag een boomstam ter zijde van het
pad; Meleese ging er op zitten en gaf hem een teeken om haar voorbeeld
te volgen. Howland zat met den rug naar het lage hout achter hen. Hij
keek naar het jonge meisje, maar zij hield het gelaat afgewend. Op eens
sprong zij op en plaatste zij zich recht vóór hem.

„Nu!” riep zij. „Nu!” Howland voelde hoe hij van achteren werd
aangegrepen; een oogenblik worstelde hij met een paar sterke armen, die
zich als ijzeren kabels om hem heen hadden geslagen, terwijl een hand op
zijn mond den kreet verstikte, hem door den schrik ontlokt. Even nog
kreeg hij een glimp te zien van het witte gelaat van het meisje, zooals
zij daar vóór hem op het pad stond; toen trokken sterke handen hem
achterover, terwijl anderen zijn vuisten bonden en nog anderen zijn
beenen vastmaakten. Er was voor dit alles maar een paar seconden noodig
geweest. Hulpeloos en met een prop in den mond lag hij in de sneeuw,
luisterend naar het zachte gemompel, dat uit de struiken tot hem
doordrong. Hij kon niets verstaan, maar hij meende de stem van Meleese
te onderscheiden.

De geluiden werden zwakker; hij hoorde nu voetstappen, die zich
verwijderden en eindelijk wegstierven. Door een opening in de boomen
recht boven hem blikten de koude, witte sterren van den winternacht op
hem neer en hij staarde die aan tot het hem leek, alsof zij langs den
hemel dansten en sprongen. Hij wou vloeken—schreeuwen—worstelen. In
die oogenblikken, terwijl hij daar in de bevroren sneeuw terneerlag,
werden er millioenen duivels in hem geboren. Het meisje had hem weer
bedrogen! Dezen keer kon hij geen verontschuldiging voor haar vinden.
Zij had zijn liefde aangenomen—hij had haar mogen kussen, haar in zijn
armen mogen houden—en al dien tijd was zij bezig om voor de tweede maal
tegen hem te complotteeren. Zij zelve was het geweest, die na rijp
beraad het sein tot den overval had gegeven en nu—

Weer hoorde hij den vluggen, snellen tred, dien hij onmiddellijk
herkende. De struiken achter hem openden zich en bij het witte licht der
sterren viel Meleese naast hem op de knieën, het lieve gelaat over hem
buigend in een smart, zóó diep als hij nog nooit had aanschouwd en haar
oogen hem aanziend met ongekende liefde. Zonder te spreken legde zij
zijn hoofd in de holte van haar arm en drukte zij het hare er tegen
aan, hem aldoor kussend en aldoor zijn naam fluisterend.

„Vaarwel!” hoorde hij haar zeggen—„Vaarwel! Vaarwel!”

Hij trachtte te roepen, toen zij zijn hoofd weer op de sneeuw legde; hij
trachtte zijn handen te bevrijden om haar vast te houden—maar hij zag
nog slechts even het gelaat, dat zich over hem boog. Hij voelde den
warmen druk van haar lippen op zijn voorhoofd en vernam daarna alleen
nog maar de lichte voetstappen, die zich snel door het woud
verwijderden.



HOOFDSTUK X.

Een sledevaart het Noorden in.


Meleese had hem lief—Meleese had zijn hoofd in haar armen genomen en
hem gekust—dat was de eenige, de verterende gedachte, die Howland's
brein vervulde, toen zij hem gebonden en met een prop in den mond in
de sneeuw achterliet. In den beginne bevreemdde het hem, dat zij geen
poging had gedaan om hem te bevrijden. Hij voelde nog de teedere
aanraking van haar lippen, den druk van haar armen, de zachte warmte van
haar lokken. Het was eerst toen er opnieuw geluiden naderden, dat hij
tot het volle besef kwam van het geheimzinnige in heel dit gebeuren. Hij
vernam allereerst het knarsen van een toboggan op de harde ijskorst,
vervolgens een druk getrappel van hondepooten en ten slotte ook
menschenstemmen. Een pas of twaalf van hem af, hielden die geluiden op.
Het was met een vreemde gewaarwording, dat hij de stem van Croisset
herkende.

„Pas op, dat je je niet vergist,” hoorde hij den half-ras zeggen. „Je
gaat naar den waterval aan de bovenzijde van het meer en gooit daar
een rotsblok naar omlaag op een punt, waar het water open is en woest
opspuit. Je maakt een spoor in de sneeuw met de hooge laarzen van
M'sieur Howland en je hangt zijn hoed aan de takken van de struiken
boven den afgrond. Dan vertel je den superintendent, dat M'sieur
waarschijnlijk op dat rotsblok is gestapt, dat het onder hem uit zal
zijn gegleden en hem waarschijnlijk zal hebben meegesleurd in de
diepte. Zijn lichaam wordt nooit gevonden en het kamp vraagt om een
nieuwen ingenieur in plaats van M'sieur, die verdwenen is.”

Buiten zichzelf van afgrijzen, spande Howland zijn ooren in om nog meer
op te vangen van het wreede plan, maar de stemmen werden zachter en hij
kon niet langer verstaan wat er gezegd werd, totdat Croisset naderbij
komend, weer zei:

„Vóór je weggaat, moet je me helpen met den M'sieur, Jackpine. Hij is
erg zwaar met al die riemen en touwen.”

Croisset en de Indiaan kwamen nu uit de struiken en namen—onverschillig
als gold het een boomstronk—Howland bij het hoofd en de voeten om hem
naar het pad te dragen, waar zij hem languit op een slee legden.

„Ik hoop, dat ge geen koû hebt gevat, M'sieur, terwijl ge daar in de
sneeuw laagt,” zei Croisset, hoofd en schouders van den ingenieur goed
instoppend en een massa pelswerk over hem heen schikkend. „We hadden al
eerder terug moeten zijn, maar dat lukte niet. Hup-la, Woonga!” riep hij
zacht tegen den voorsten hond. „Sta toch op, halve wolf, die je bent!”

Toen de slee afreed met Croisset dravend naast den eersten hond van
zijn span, hoorde Howland achter zich een zwak zweepgeklap en ook een
andere stem, die andere honden aanzette. Met een poging waarbij hij zich
bijkans den hals verdraaide, wist hij zich zóó ver om te werken, dat hij
achter zich kon zien. Op een honderd yards afstand bemerkte hij een
tweede slede, die hun spoor volgde; hij zag heel flauw een gedaante aan
het hoofd van de honden loopen, maar wat of wie er in de slede zat en
wat die beteekende—daarvan had hij zelfs geen vermoeden. Gedurende vele
mijlen ging het nu zonder ophouden voort. Croisset keek niet om; er kwam
geen syllabe over zijn lippen, behalve af en toe een aansporing aan het
adres van de honden. Het Pad ging lijnrecht het Noorden in; aldra kon
Howland het niet meer volgen, maar hij merkte op, dat zij door de minst
dichte gedeelten van het oerwoud kwamen en dat de poolster nooit rechts
of links van hem, maar altijd vóór hem stond.

Zij hadden op die wijze al uren lang voortgereisd, toen Croisset op
eens een luiden schreeuw uitte tegen de slee, die achter hen aankwam en
tegelijkertijd de zijne inhield. Als één hijgende massa vielen de honden
in de sneeuw en terwijl de vermoeide dieren uitrustten, nam de half-ras
zijn gevangene het stuk geitenhuid uit den mond, dat als prop had
gediend.

„Ge moogt nu vrij spreken, M'sieur en schreeuwen zooveel ge maar wilt,”
zei hij. „Als ik uw zakken heb geïnspecteerd, zal ik uw handen vrij
maken en dan kunt ge rooken. Ligt ge gemakkelijk?”

„Naar de hel—met je gemakkelijk!” waren de eerste woorden, die Howland
over de lippen kwamen en zijn bloed kookte om de vriendschappelijke
manier, waarop Croisset tegen hem grinnikte. „Zoo—dus je hoort er ook
bij—hè? net als dat meisje met al haar leugens!”

De glimlach verdween van Croisset's gelaat.

„Meent ge, Meleese, M'sieur Howland?”

„Ja.”

Croisset boog zich en zijn zwarte oogen glinsterden als vurige kolen.

„Weet ge wat ik zou doen, als ik in haar plaats was, M'sieur?” zei hij
met een stem, die zacht klonk, maar die tegelijkertijd zóó dreigend
was, dat de ingenieur de hartstochtelijke woorden, die hem op de lippen
lagen, liever maar vóór zich hield. „Weet ge wat ik zou doen? Ik zou u
dood maken—u duim voor duim dood maken—ik zou u dood martelen. Dat zou
ik!”

„Maar om Gods wil, Croisset, zeg mij dan toch waarom—waarom—”

Intusschen had Croisset het pistool van Howland gevonden en weggenomen
en diens handen bevrijd; de ingenieur hief die smeekend op.

„Ik zou mijn leven willen geven voor dat meisje, Croisset. Ik heb het
haar daar ginds al gezegd en zij is bij mij gekomen, toen ik in de
sneeuw lag en toen—” Hij hield zich in en voegde er alleen nog aan
toe: „Er moet hier een misverstand in het spel zijn, Croisset. Ik ben
niet de man, dien zij willen dooden.”

Croisset keek hem weer aan met een glimlach.

„Rook maar, M'sieur—en denk eens goed na. Het is me onmogelijk te
zeggen, waarom ge dood moet—maar zelf zult ge dat allicht weten, tenzij
uw geheugen nog minder is dan dat van een pasgeboren kind.”

Hij ging nu naar de honden en bracht die door zweepgeklap weer op de
been. Toen Howland van die gelegenheid gebruik maakte om nog eens achter
zich te kijken, zag hij op de plek waar de tweede slee had halt
gehouden, het schijnsel van een helder vuur en kwam er van ver weg uit
de duisternis een mannestem, die Croisset in het Fransch iets toeriep.

„Hij zegt, dat ik maar alleen verder met u moet doorgaan,” zei Croisset,
nadat hij op de enkele woorden, die gesproken werden, had geantwoord in
een patois, waarvan Howland niet het minste begreep. „Zij komen later
weer bij ons.”

„Zij!” riep Howland. „Hoeveel mannen zijn er dan noodig om mij dood te
maken, mijn beste Croisset?”

De half-ras boog zich glimlachend over hem heen.

„Ik zou liever de Heilige Maagd danken voor hun bijzijn,” zei hij zacht.
„Zoo ge behalve op den hemel nog op iets anders hoopt, laat het dan zijn
op wat in de slee daar achter ons zit!”

Daarop weer naar zijn honden gaand, verschikte hij iets aan het tuig van
den voorsten en intusschen keek Howland nog eens om naar de plek in het
donkere woud, die door het vuur werd verlicht. Hij zag duidelijk een
man, die hout in den gloed wierp en iets verder op, verscholen in de
diepe schaduw van de boomen, een vage opeenhooping van honden om een
slee. Hij spande zich in om nog meer te ontdekken en nu zag hij eenige
beweging achter den man bij het vuur. Zijn hart sprong op met een
plotselinge opwelling van vreugde. Maar tegelijkertijd hoorde hij achter
zich een luiden uitroep in het Fransch van Croisset—klaarblijkelijk een
waarschuwingskreet, want dadelijk trok die tweede gedaante zich nog
verder terug. Intusschen—Howland had haar herkend en het bijna bevrozen
bloed in zijn aderen herkreeg nieuwe levenskracht, nu hij de zekerheid
had, dat het Meleese was, die op de tweede slee achter hen aankwam.

„Als je weer van plan bent om zoo te gillen, verzoek ik je om me vooruit
te waarschuwen, Jean,” zei hij koeltjes, als had hij de gestalte niet
herkend, die een oogenblik in het licht van het vuur was verschenen.
„Het is genoeg om iemand een schrik op het lijf te jagen!”

„Dat is onze manier van afscheid nemen, M'sieur,” antwoordde Croisset
met een geweldigen klap van zijn zweep. „Hup-la, vooruit jelui!” riep
hij tegen de honden en een oogenblik later was heel het vuur uit hun
gezicht verdwenen.

In den noordelijken winter breekt de dageraad omstreeks acht uur aan
en hier boven den vijftigsten breedtegraad begint het eerste rosse
schijnsel van de zon tegen negen uur den zuid-oostelijken hemel te
verwarmen. Die gloed scheen al geruimen tijd op de wouden vóór Croisset
zijn span opnieuw tot stilstaan bracht. Twee uur lang had hij geen woord
tegen den gevangene gesproken en na verscheidene vergeefsche pogingen
om het zwijgen van zijn metgezel te verbreken, had ook Howland zich in
stilte gehuld. Eerst toen hij zijn vermoeide honden verzorgd had, begon
Croisset te spreken.

„We zullen hier een paar uur halt houden,” legde hij uit. „Als ge me op
uw woord van eer belooft, dat ge geen moeite zult doen om te ontsnappen,
dan zal ik u het gebruik van uw beenen toestaan tot na ons ontbijt,
M'sieur. Wat zegt ge daarvan?”

„Hou je er een bijbel op na, Croisset?”

„Neen, M'sieur, maar ik heb een kruis van de Heilige Moeder Gods, dat de
zendeling te York Factory me gegeven heeft.”

„Dan zal ik daarop zweren, wat ik op alle kruisen en alle bijbels van de
wereld wil zweren—namelijk, dat ik geen enkele poging zal doen om te
ontsnappen. Ik ben letterlijk lam, Croisset. Ik zou nog in geen week
kunnen loopen!”

Croisset zocht in zijn zakken.

„_Mon Dieu!_” riep hij, „zou ik het verloren hebben?—O neen, daar
bedenk ik me, M'sieur, dat ik het kruisje aan mijn Mariane heb gegeven,
vóórdat ik naar het Zuiden trok. Uw woord is mij genoeg.”

„En wie is die Mariane, Jean? En zal zij ook tegenwoordig zijn bij het
„halali!””

„Mariane is mijn vrouw, M'sieur. _Ah, ma belle Mariane, ma chérie!_—Zij
is de dochter van een Indiaansche prinses en de kleindochter van een
_chef de bataillon_, M'sieur! Wat zou ik meer kunnen wenschen?—en mooi,
M'sieur?!—Zij heeft haar als de bovenzijde van een ravenvleugel, die
door de zon wordt beschenen en—”

„Je houdt veel van haar, Jean?”

„Ja, ik houd veel van haar en ook veel van de Heilige Moeder Gods—maar
toch altijd nog een beetje meer van haar.”

Croisset had intusschen het touw om de beenen van den ingenieur
losgewikkeld en toen hij de oogen ophief, zag hij hoe deze de handen
naar hem uitstak en die op zijn schouders legde.

„En op juist diezelfde wijze houd ik van Meleese,” zei Howland zacht.
„Jean, wil je mijn vriend zijn? Ik zal geen moeite doen om te vluchten.
Ik ben geen lafaard. Denk eens wat Mariane zou doen. Wil je mijn vriend
zijn? Jij zou, zoo noodig, voor Mariane willen sterven. En ik zou in den
dood willen gaan voor het meisje daar achter ons op die slede.”

Hij was met moeite op zijn voeten gestrompeld en wees naar de wouden,
waar doorheen zij gekomen waren.

„Ik zag haar bij het schijnsel van het vuur, Jean. Waarom volgt zij ons?
Waarom toch willen zij mij doodmaken? Als je me maar in de gelegenheid
stelde om te bewijzen, dat het een vergissing is—dat ik—”

Croisset greep zijn hand.

„M'sieur, ik zou u graag willen helpen,” viel hij den ingenieur in de
rede. „Ik ben dadelijk van u gaan houden op den avond, toen wij samen
terugkwamen van dat gevecht op het Pad. En sedert ben ik van u blijven
houden. En toch—als ik in hun plaats was, zou ik u dooden, hoeveel ik
ook van u houd. Het is hun dure plicht om u te dooden. Zij begingen geen
onrecht, toen zij u in de coyote opsloten. Zij begingen geen onrecht,
toen zij beproefden u op het Pad te dooden. Maar ik heb plechtig
gezworen, dat ik u niets zal vertellen; niets—behalve dit: zoo lang ik
bij u ben en zoo lang die slee achter ons is, loopt uw leven geen
gevaar. Meer zeg ik niet.—Hebt ge honger, M'sieur?”

„Wolvenhonger!” luidde het antwoord van Howland.

Hij trachtte een pas of wat voorwaarts te doen in de sneeuw, maar
de verdooving in zijn beenen noodzaakte hem om zich vast te houden
aan boomen en struiken, wilde hij niet vallen. Hij was verbaasd over
Croisset's woorden en nog meer over diens verzekering, dat zijn leven
zich niet langer in onmiddellijk gevaar bevond. Meleese had hem dus niet
alleen gewaarschuwd, zij werkte zelfs mee om hem te beschermen. Die
gevolgtrekking vermeerderde nog zijn verwarring. Wie toch was het jonge
meisje, dat hem enkele uren te voren in de macht van zijn vijanden had
gelokt en dat nu voor hem streed? Die vraag had thans voor hem een nog
zooveel diepere beteekenis dan een paar dagen geleden te Prince Albert
en toen Croisset hem riep om bij het kampvuur te komen ontbijten, kon
hij zich niet weerhouden om het verboden onderwerp nog eenmaal aan te
roeren.

„Jean, ik wil het je niet moeilijk maken,” zei hij, zich op de slee
neerzettend, „maar er zijn een paar dingen, waar ik het mijne van moet
hebben. Ik geloof, dat die Meleese van jou een slechte vrouw is!”

Croisset liep onmiddellijk in de val, die Howland hem stelde. Hij boog
zich iets voorover, zijn hand trilde op het mes, zijn oogen schoten
vuur. Onwillekeurig week de ingenieur terug voor die half-dierlijke
houding en voor den zwaren toorn, die met elk oogenblik duidelijker te
lezen viel op het gelaat van den half-ras. Intusschen bleven Croisset's
woorden zacht en kalm—ook terwijl schouders en armen zich strekten als
de woudkat, wanneer zij op het punt staat om haar sprong te nemen.

„M'sieur, dat mag niemand ter wereld van mijn Mariane zeggen en evenmin
van Meleese. Daar ginds”—en hij wees naar het Noorden—„ken ik wel
honderd mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen
dooden, alleen om wat gij daareven gezegd hebt. En hier is het Jean
Croisset, die het niet verdraagt. Ik maak u dood, als ge het niet
terugneemt.”

„Groote God!” riep Howland, Croisset recht in de oogen ziend—„ik ben
blij, dat het zoo is, Jean.—Begrijp je me dan niet, kerel? Ik heb haar
lief en natuurlijk meende ik allerminst wat ik daareven zei: Ook ik zou
voor haar willen dood maken, Jean. Ik zei het alleen maar om te weten te
komen, wat jij zou doen—”

Langzaam kwam Croisset weer tot zichzelf en een zwakke glimlach teekende
zich om zijn dunne lippen.

„Als het een grap is geweest, dan was het een leelijke, M'sieur.”

„Het was geen grap!” riep Howland. „Het was een ernstige poging van
mijn kant om je zóó ver te krijgen, dat je me wat van Meleese vertelde.
Luister eens, Jean,—zij zei mij daar ginds, dat er niets was, wat mijn
liefde voor haar in den weg stond en toen ik gebonden en met een prop in
den mond in de sneeuw lag, is zij bij mij gekomen en heeft zij mij
gekust. Ik begrijp niet—”

Haastig viel Croisset hem in de rede.

„Deed zij dat werkelijk, M'sieur?”

„Ik zweer het.”

„Dan zijt ge wel heel gelukkig!” zei Jean zacht, „want ik verzeker u bij
mijn hoop op een zalig hiernamaals, dat zij dat nooit eer voor een man
heeft gedaan, M'sieur. Maar het zal ook nooit weer gebeuren.”

„Ik geloof integendeel, dat dit wèl het geval zal zijn, Jean, tenzij
jelui me dood maakt.”

„En ik zal niet aarzelen om u dood te maken, wanneer gij meent, dat het
opnieuw zou kunnen gebeuren. En ook zijn er anderen, die u zouden willen
dooden, alleen al omdat het één keer gebeurd is. Maar ge moet er niet
meer over praten, M'sieur. Als ge er mee voortgaat, zal ik u het leer
weer op den mond moeten leggen.”

„En als ik me daartegen verzet—en vecht?”

„Ge hebt me uw eerewoord gegeven. Hier in de diepe sneeuw van het
Noorden geldt woord houden voor de eerste wet. Komt ge die niet na, dan
maak ik u dood.”

„Groote God! ik moet zeggen, je bent een jolige reismakker!” riep
Howland, onwillekeurig lachend. „Weet je wel, Croisset, dat deze heele
toestand evenveel van een comedie als van een tragedie heeft? Ik moet
een uiterst gewichtig personage zijn, wie dan ook. Vraag me eens wie ik
eigenlijk ben, Croisset.”

„Wie zijt ge, M'sieur?”

„Dat weet ik niet, Jean. Neen, ik weet het waarachtig niet. Ik dacht,
dat ik een heel eerzuchtig broekje was, lid van een groote technische
vennootschap te Chicago. Maar dat heb ik waarschijnlijk gedroomd.
Een gekke droom, nietwaar? Ik dacht, dat ik hier was gekomen om
een spoorweg te bouwen door deze vervl..kte—neen, ik meen prachtige
sneeuwvelden—maar mijn geest was zeker beneveld. Heb je wel eens van
krankzinnigengestichten gehoord, Croisset? Bevind ik me misschien in
een groot steenen gebouw met ijzeren tralies voor de ramen en ben jij
mijn oppasser, die gekomen is om me wat bezig te houden? Het is heel
vriendelijk van je, Croisset en ik hoop, dat ik te eeniger tijd mijn
geestvermogens tenminste in zóóverre terug zal krijgen, dat ik je
fatsoenlijk zal kunnen bedanken. Misschien word jij op een goeden dag
ook nog gek, Jean en ga jij ook droomen van jonge meisjes en spoorwegen
en wouden en sneeuwvelden—en dan zal ik jouw oppasser zijn.—Wil je een
sigaar? Ik heb er net nog twee.”

„_Mon Dieu!_” hijgde Jean. „Ja, M'sieur, ik wil wel graag rooken. Is het
rendiergebraad zoo naar uw zin?”

„En òf! Ik heb geen hap gegeten, sedert ik jaren geleden droomde, dat ik
op een kist met dynamiet zat, die op het punt was van in de lucht te
vliegen. Heb jij ooit op een kist met dynamiet gezeten, Jean, die op het
punt was in de lucht te vliegen?”

„Neen, M'sieur, maar dat moet wel heel naar zijn!”

„Dat was de droom, die mijn haar wit maakte, Jean. Zie eens hoe wit het
is! Witter dan de sneeuw—”

Onder het eten bleef Croisset zijn gevangene met angstigen blik opnemen,
totdat Howland, het bemerkend, in een luid gelach uitbarstte.

„Wees maar niet bang, Jean,” zei hij kalmeerend. „Ik ben onschadelijk.
Maar ik verzeker je, dat ik wild zal worden, tenzij er gauw iets heel
rationeels gebeurt.—Hallo! denk je al zóó gauw weer verder te gaan?”

„Onmiddellijk, M'sieur!” antwoordde Croisset, de honden al aanzettend.
„Wilt ge loopen en draven of rijden?”

„Liever loopen en draven, als je er niet op tegen hebt.”

„Best, M'sieur, maar bij de geringste poging om te ontsnappen, schiet ik
u dood. Stel u rechts van de honden, op één lijn met mij. Ik neem dezen
kant.”

Van dat oogenblik af, totdat Croisset op den middag weer halt hield,
bleef Howland telkens uitkijken of hij de tweede slee niet ontdekte;
maar steeds tevergeefs. Ook waagde hij nog één keer om het verboden
onderwerp aan te roeren; als eenig antwoord haalde Croisset de schouders
op en gaf hij den ingenieur een blik, die genoeg was om dezen verder te
doen zwijgen. Toen de reis na den tweeden maaltijd werd voortgezet,
bemerkte Howland, die af en toe op zijn kompas keek, dat het Pad zich
langzamerhand een weinig naar het Oosten wendde. Lang vóór de schemering
viel, zag hij zich door volslagen uitputting gedwongen om weer op de
slee te gaan liggen. Croisset daarentegen leek onvermoeid; hij leidde
bij het schijnsel van de eerste sterren en van een nog rood getinte maan
zijn vermoeid span steeds verder, totdat zij ten laatste stilhielden op
den top van een heuvel. Van hier af strekte een onmetelijke vlakte zich,
zoo ver het oog in de witte duisternis reikte, in noordoostelijke
richting uit.

„We gaan maar een klein eindje verder, M'sieur,” zei de half-ras. „Ik
moet het leer weer op uw mond leggen en den riem weer om uw handen
doen. Het spijt me—maar ik zal uw beenen vrij laten.”

„Dank je,” zei Howland. „Maar het is wezenlijk overbodig, Croisset. Ik
zal me maar neerleggen bij het feit, dat het noodlot besloten is om dit
interessante balspel met mijn persoon tot het einde toe uit te spelen en
daar ik niet langer weet, waar ik me bevind, wil ik je graag beloven,
dat ik niets ergers zal doen dan mijn pijp te rooken, wanneer je me wilt
toestaan om vreedzaam naast je te loopen.”

Croisset aarzelde.

„Zult ge geen poging doen om te ontvluchten—en zult ge uw mond houden?”
vroeg hij.

„Ja.”

Jean trok zijn revolver en haalde kalm den haan over.

„Denk er aan, M'sieur, dat ik u doodschiet, wanneer ge uw woord breekt.
Ge moogt voor mij uit loopen.”

En hij wees langs de helling van den berg naar omlaag.



HOOFDSTUK XI.

Het Huis van den Rooden Dood.


Halfweg den heuvel deed een zachte uitroep van Croisset den ingenieur
stilstaan. Jean had zijn honden met lange, sterke strengen op den top
vastgebonden en hij keek juist naar hen om, toen Howland zich tot hem
wendde. De scherpe bovenrand van dat deel van den bergrug teekende zich
helder en duidelijk af tegen de lucht en op dien rand zaten de zes
honden van het span stil en roerloos op hun hurken, als wonderlijke
gargouilles, daar geplaatst om de onmetelijke vlakte in de laagte
te bewaken. Howland nam zijn pijp uit den mond, toen hij de steeds
aangroeiende belangstelling van Croisset bemerkte. Hij keek van den man
weer omhoog naar de honden. Er was iets in hun sphinxachtige houding, in
het strakke uitstrekken van hun snuiten, in het wonderschoone mysterie
van den stillen nacht, dat hem vervulde met een onbestemd gevoel van
eerbied en angst. En toen bereikte het geluid, dat Croisset had doen
stilstaan, ook zijn oor—een diep, smartelijk gejammer, zonder begin of
einde, dat tot hem kwam als maakte het deel uit van de zachte beweging
der lucht, die hij inademde—een toon van ongekende droefheid, die hem,
evenals Croisset, schrik aanjoeg en roerloos maakte. En juist toen hij
meende, dat het was weggestorven, begon dat gejammer opnieuw, al hooger
en hooger stijgend, totdat het ten slotte één langgerekte huilkreet
werd, die het merg in zijn beenderen deed verstijven. Het was een geluid
als dat van den wolf dien eersten avond in de wildernis en toch weer
anders. Toen was het de kreet van het roofdier, van den honger, van de
eindelooze verlatenheid geweest, die hem doortrilde. Dit was de dood.
Hij huiverde, toen Croisset weer bij hem kwam, het magere gelaat
doodsbleek in het licht van de sterren. Er was geen ander geluid
hoorbaar dan het opgewonden kloppen van hun eigen hart, toen Jean begon
te spreken.

„M'sieur, zoo huilen onze honden alleen maar, wanneer er iemand
gestorven is of gauw zal sterven,” fluisterde hij. „Het was Woonga, die
zoo jankte. Hij is al elf jaar en hij heeft zich nog nooit vergist.”

Uit zijn blik sprak hevige angst.

„Ik moet uw handen binden, M'sieur.”

„En ik heb je mijn woord gegeven, Jean—”

„Uw handen, M'sieur. De dood is al daar ginds op de vlakte—of hij zal
er gauw komen. Ik moet u binden.”

Howland legde zijn handen op den rug en Jean bond die met een sterk
touw.

„Ik geloof, dat ik je begrijp,” zei de ingenieur zacht, opnieuw
luisterend naar het angstige gehuil, dat van den bergtop kwam. „Je bent
bang, dat ik je zal doodmaken.”

„Het is in elk geval een waarschuwing, M'sieur. Ge zoudt het kunnen
probeeren. Maar waarschijnlijk zou ik meer kans hebben om u te dooden.
Zooals de zaken op het oogenblik staan, zou het, denk ik, niet Jean
Croisset zijn, die aan gindsche roepstem gehoor gaf,” en hij haalde de
schouders op, terwijl hij langs de helling afdaalde.

„Mogen al je Heiligen me behoeden, Jean—ik moet zeggen, het is hier een
vroolijke boel!” gromde Howland, half lachend zichzelf ten spijt. „Wie
anders dan ik kan tot sterven gedoemd zijn, nu je me weer gebonden
hebt?”

„Die vraag is moeilijk te beantwoorden, M'sieur,” antwoordde de half-ras
met grimmigen ernst. „Misschien is het werkelijk uw beurt. Half en half
geloof ik het ook.”

Nauwelijks waren die woorden hem over de lippen gekomen, of het klagende
gehuil liet zich opnieuw hooren.

„Je maakt me zenuwachtig, Jean—jij en die vervl..kte hond!”

„Hou uw mond, M'sieur.”

Uit de witte woestenij aan den voet van den heuvel doemde een schaduw
op, die Howland eerst voor een groote rotsmassa hield. Een paar stappen
verder en hij ontdekte, dat het een vrij groot gebouw was. Croisset
pakte hem stevig bij den arm.

„Blijf hier staan,” ordonneerde hij. „Ik kom gauw terug.”

Een kwartier lang wachtte Howland. Tweemaal in dat tijdsverloop huilde
de hond boven hem. Hij was blij, toen Croisset weer uit de duisternis te
voorschijn kwam.

„Het is zooals ik dacht, M'sieur—de dood is er al. Kom maar mee.”

De schaduw van het groote gebouw nam hen op, toen zij dichterbij kwamen.
Howland merkte al gauw, dat het was opgetrokken uit groote houtblokken
en dat er aan hun kant ramen noch deuren waren te bespeuren. En toch
voelde hij, dat zij zich bij den ingang bevonden, toen Jean een
oogenblik aarzelde bij een plek, nog donkerder dan de rest. Voorzichtig
ging de half-ras voorwaarts, met zijn dunne neusvleugels als het ware
achterdochtig de lucht opsnuivend en aldoor luisterend—met Howland zóó
dicht bij zich, dat hun schouders elkaar aanraakten. Van den heuveltop
klonk weer de sombere doodenzang van den ouden Woonga—en Jean huiverde.
Howland staarde voortdurend in de zwarte massa en al starend, volgde hij
Croisset; zij traden binnen en verloren zich in een diepe duisternis. Om
hen heen heerschte een doodsche stilte in een atmosfeer van vochtigheid
en verlatenheid. Geen enkel teeken van leven, geen ademtocht, geen
andere beweging dan die, welke van hen zelf uitging. Howland bemerkte
hoe geagiteerd Croisset was, toen deze hem bij den arm greep en zij
samen voet voor voet het zwijgende mysterie betraden. Hij hoorde al gauw
hoe de hand van den half-ras op den tast naar een klink zocht. Zij
gingen door een tweede deur en eerst nu streek Jean een lucifer af.

Een pas of zes van hen af stond een tafel en op de tafel een lamp.
Croisset stak die aan en keek met een glimlach naar den ingenieur. Zij
bevonden zich in een lange, lage, kerkerachtige kamer, zonder venster
en met slechts één deur—die waardoor zij waren binnengekomen. De tafel,
twee stoelen, een kachel en een slaapbank tegen een van de houten wanden
aangebracht, waren de eenige meubels, die Howland zag. Maar het was
niet het troosteloos ledige van wat hij meende, dat zijn gevangenis zou
zijn, wat hem een vragenden blik op Croisset deed vestigen. Dat was de
uitdrukking op het gelaat van zijn metgezel, de vaal-gele tint van den
angst, van den doodsschrik, die zich daarop afteekende. De half-ras
sloot en grendelde de deur en ging toen bij de tafel zitten met zijn
mager gelaat in het zwakke schijnsel van de lamp naar den ingenieur
gekeerd.

„M'sieur, het valt u zeker moeilijk om te raden waar gij zijt.”

Howland wachtte.

„Als ge lang in dit land hadt gewoond, M'sieur, dan zoudt ge te eeniger
tijd gehoord hebben van _la Maison de la Mort Rouge_—Het is daar, dat
we ons bevinden en wel in de kerkerkamer. Het is hier een nederzetting
van de Hudsonbaai-compagnie, die al jaren en jaren verlaten is. Toen ik
nog een kind was, kwamen de pestpokken dezen kant uit en bijna alle lui,
die hier woonden, stierven er aan. Negentien jaar geleden verscheen die
roode pest opnieuw en hier in den _Poste de la Mort Rouge_ ontkwam
niemand. Sedert is het gebouw overgelaten aan wezels en uilen. Elke
levende ziel tusschen de Athabasca en de baai schuwt het.—En juist
daarom zijt ge hier volkomen veilig.”

„Groote God!” riep Howland. „Is er nog meer, Croisset? Veilig voor wat,
man? Veilig voor wat?”

„Voor hen, die u willen dooden, M'sieur. Ge wilt niet naar het Zuiden en
daarom heeft _la belle_ Meleese u gedwongen het Noorden in te gaan.
_Vous comprenez?_”

Een oogenblik zat Howland als versteend.

„Begrijpt ge het, M'sieur?” hield Croisset aan, glimlachend.

„Ik—ik geloof van ja,” antwoordde Howland ernstig. „Je wilt zeggen, dat
Meleese—”

Maar Jean viel hem in de rede. „Ik wil zeggen, dat ge gisteravond al
zoudt zijn gestorven, als Meleese er niet was geweest. Ge zijt ontkomen
uit de coyote, maar ge zoudt niet ontkomen zijn aan het andere. Meer kan
ik u niet vertellen. Maar hier zijt gij veilig. Zij, die u naar het
leven staan, zullen gauw gelooven, dat ge dood zijt—en als het eenmaal
zoo ver is, laten we u terugkeeren naar het Zuiden. Is dat niet een
heerlijk lot voor iemand, die verdient om in stukjes gehakt en door de
raven opgegeten te worden?”

„En meer wil je me niet vertellen, Jean?” vroeg de ingenieur.

„Neen, M'sieur—behalve nog dit, dat ik sympathie voor u voel, al zou ik
u graag willen dooden. Dat komt misschien omdat ik zelf vroeger ook in
het Zuiden ben geweest. Ik was zes jaar lang bij de Compagnie te
Montreal en daar heb ik school gegaan.”

Hij stond op om den overslag van zijn buis van kariboeleer dicht te
knoopen. Daarop schoof hij den grendel van de deur en opende hij die.
Zwak en als van heel ver weg kwam het gejammer van Woonga tot hen.

„Je zei, dat de dood al hier was,” fluisterde Howland, dicht tegen
Jean's schouder geleund.

„Er was hier na de laatste pest nog één mensch overgebleven,” antwoordde
Croisset, nauw hoorbaar. „Dat was een man, die vrouw en kinderen had
verloren en wien het ongeluk krankzinnig had gemaakt. Het was daarom,
dat ik zoo heel stil met u naar beneden sloop. Hij woonde daar ginds aan
den zoom van de open ruimte en toen ik er daar straks heenging, stond er
een dennetak met een rood vlagje op de kleine hut. Waar een pestgeval
is, hangen we zoo'n vlag uit om anderen te waarschuwen. Dat is bij ons
een wet. De vlag is al door den wind aan flarden gescheurd. De man is
dood.”

Howland huiverde.

„Aan pokken?”

„Ja.”

Enkele oogenblikken bleven zij zwijgend staan. Toen voegde Croisset er
aan toe: „Ge moet hier blijven, tot ik terugkom, M'sieur.”

Hij ging weg, de deur aan de buitenzijde sluitend en grendelend en
Howland liet zich neervallen op een stoel bij de tafel. Vijftien minuten
later kwam de half-ras terug met een groot pak en een flinke kruik.

„Er ligt hout achter de kachel, M'sieur. Hier is eten en drinken voor
een en ik heb ook warme huiden voor uw bed. Nu zal ik uw handen vrij
maken.”

„Je wilt dus zeggen, dat je me hier alleen achterlaat—in deze ellendige
omgeving?” riep Howland.

„_Mon Dieu_, M'sieur, is die niet te prefereeren boven het graf? Tegen
het einde van de week ziet ge me weer verschijnen.”

De deur was nog niet heelemaal gesloten en voor het laatst drong het
droevige gejank van den ouden hond tot Howland door. Bijna dreigend
greep hij den arm van Croisset.

„Jean, wat zal er gebeuren, als je niet terugkomt?”

Hij hoorde den half-ras grinniken.

„Dan zult ge sterven, M'sieur—maar kalm en gelaten en op uw eigen
tijd—en dat is toch heel wat beter dan op een kist met dynamiet de
lucht in te vliegen. Maar ik kom zeker terug, M'sieur. _Adieu!_”

Nu werd de deur gesloten en gegrendeld en stierf het geluid van
Croisset's voetstappen snel weg buiten de houten wanden. Er gingen vele
minuten voorbij eer Howland aan zijn pijp of aan een vuur dacht. Maar
ten laatste ging hij, hoewel huiverend, toch zoeken naar het hout,
dat—zooals Jean gezegd had—achter den haard moest liggen. Al gauw
brandde er een flink vuur in de groote kachel en toen de kalmeerende
rookwolken van zijn pijp de vochtige atmosfeer met hun aroma vervulden,
kreeg Howland een gevoel van comfort, dat een wonderlijk contrast vormde
met de opwindende ondervindingen van de laatste dagen.

Eindelijk dan was hij alleen en had hij een week lang niets te doen dan
te eten, te slapen en te rooken. Hij had ruim tabak en het pak, dat
Croisset hem liet, bleek bij onderzoek overvloed van voedsel te
bevatten. Met zijn stoel achterovergewipt en zijn voeten op de tafel,
genoot hij van de opwekkende kachelwarmte, daarbij wolken van rook
opzendend en zichzelf afvragend of de half-ras alweer zuidwaarts zou
zijn getrokken. Wat zou MacDonald wel gezegd hebben, toen Jackpine
terugkwam met het bericht, dat hij—Howland—was uitgegleden en zijn
dood had gevonden in den waterval? Mac's eerste beweging zou zeker zijn
om van de Wekusko uit een flink span honden achter Gregson en Thorne aan
te zenden en hen tot terugkeer te dwingen.

Hij lachte luid en begon nu heen en weer te loopen over den rotten vloer
van zijn gevangenis, zich aldoor de consternatie voorstellend van zijn
twee oudere collega's. En daarop kwam er een blos op zijn gelaat en
begonnen zijn oogen te schitteren—want hij dacht aan Meleese. Hem zelf
ten spijt had zij hem gered van zijn vijanden en hij zegende Croisset,
omdat deze hem het doel van hun reis naar het Noorden had medegedeeld.
Opnieuw had zij hem bedrogen, maar dezen keer was het om zijn leven te
redden en zijn hart sprong op van vreugde in blij vertrouwen op dit
bewijs van haar liefde. Hij meende, dat hij heel den opzet nu doorzag.
Zijn vijanden waanden hem dood. Zij zouden de Wekusko verlaten en na een
poos, wanneer hij veilig kon terugkeeren, zou hij zijn vrijheid
herkrijgen.

Naarmate de uren voortschreden, begonnen meer sombere gedachten een
schaduw te werpen op zijn blijmoedige opvatting. Meleese toch was op
geheimzinnige wijze verbonden met de lieden, die hem naar het leven
stonden en als die verdwenen, zou zij allicht met hen verdwijnen. En hoe
zou hij haar dan ooit terugvinden? Zou zij naar het Zuiden trekken—naar
de beschaafde wereld—of zou zij nog dieper de onbekende wildernissen
van het Noorden ingaan?—Als antwoord op die vragen, schoten hem de
woorden van Jean Croisset te binnen: „M'sieur, ik weet van wel honderd
mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen dooden om
wat gij gezegd hebt.”—Ja, hij moest naar het Noorden, wilde hij haar
vinden. Ergens in die onherbergzame eenzaamheid, waarvan Jean hem
zooveel had verteld, zou hij haar tegenkomen—al moest hij de helft van
zijn leven geven aan dat zoeken!

Het was over twaalf, toen hij de huiden op zijn legerstede uitspreidde
en zich gereed maakte om te gaan slapen. Hij liet de kacheldeur open en
lag nog lang te kijken naar het schijnsel van het wegstervende vuur op
de houten wanden. Even vóór de slaap zijn oogen sloot, was hij zich nog
bewust van een zwak geluid—hetzelfde hongerige, jammerende gehuil, dat
hij dien eersten avond buiten Prince Albert had gehoord. Dat moest een
wolf zijn en slaperig vroeg hij zichzelf af, hoe de dikke wanden van
zijn gevangenis dien kreet konden doorlaten. Maar, toen hij een uur of
wat later de oogen opende, was het raadsel opgelost. Er viel een bleek
zonlicht in het vertrek en hij zag, dat dit door een nauwe opening dicht
bij de zoldering kwam. Niet zoodra had hij zijn ontbijt genuttigd, of
hij schoof de tafel tot onder de spleet en ging er op staan; hij kon nu
naar buiten kijken en zag allereerst, dat de zwarte zoom van een groot
dennenwoud zich op een honderd yards van het huis bevond. Tusschen dat
en het woud, half begraven onder de diepe sneeuw, stond een hut en hij
huiverde, toen hij daarboven het roode signaal van den dood zag
wapperen, waaromtrent Croisset hem den vorigen avond had verteld.

De morgenuren leken hem eindeloos; een tijdlang amuseerde hij zich met
de inspectie van alle hoeken en gaten in zijn kerker, maar hij vond
niets belangrijks, behalve wat hij reeds wist. Hij onderzocht de
buitendeur, die Croisset had gesloten en liet alle hoop op een
ontsnappen in die richting varen. Door de opening bij de zoldering
vermocht hij nauwelijks een arm te wringen. Voor het eerst sedert het
opwindende begin van zijn avonturen te Prince Albert, werd hij
overweldigd door een gevoel van eigen onmacht. Hij was een gevangen man,
opgesloten in een ellendig verblijf te midden van de wildernis. En hij,
Jack Howland, die altijd trotsch was geweest op zijn physieke kracht,
had zich door een half-ras hierheen laten brengen.

Zijn bloed begon te koken, zoo vaak hij er aan dacht. Nu, dat hij tijd
en gelegenheid had om stil te staan bij wat er gebeurd was, maakte
hij zich woedend over de tooneelen, die achtereenvolgens aan zijn
geest voorbijgingen. Hij had goed gevonden om in een vreemd en zeer
geheimzinnig spel als niet meer dan een pion gebruikt te worden. Het was
niet persoonlijke moed geweest, die hem had gered in het gevecht op het
Pad bij de Saskatchewan. Bij de coyote was hij blindelings in de val
geloopen. Nog dommer was hij geweest, toen hij zich liet leiden naar de
hinderlaag bij het kamp van de Wekusko.

Hij stapte nijdig heen en weer door het vertrek, heftig rookend en
het gelaat rood van opwinding bij de ergerlijke gedachten, die in
zijn brein opkwamen. Hij trachtte zich niet te verschuilen achter de
omstandigheden; hij had geen enkel excuus voor zichzelf. Nooit was hij
een lafaard geweest en nooit had hij vrees gekend. Zijn moed en zijn
durf hadden zelfs Meleese beangstigd en Croisset verbaasd. En toch—wat
had hij gedaan? Van het oogenblik af, dat hij een voet had gezet in het
Chineesche restaurant, waren zijn vijanden hem de baas geweest. Men had
hem gedwongen om een lijdende rol te spelen. Tot aan de hinderlaag op
het Pad bij de Wekusko had hij altijd nog verzachtende omstandigheden
voor zichzelf kunnen aanvoeren. Maar deze geschiedenis met Jean
Croisset!—Nu, dat hij zich alleen bevond en er kalm over kon nadenken,
was het bijkans genoeg om hem dol te maken! Waarom had hij Jean niet
ingerekend, zooals deze en Jackpine het hem hadden gedaan?

Hij zag nu wat hij had kunnen doen. Ergens, niet zoo heel ver terug, was
de slee met Meleese en Jackpine het onbekende ingegaan. Zij tweeën waren
dus alleen geweest. Waarom had hij Croisset niet tot zijn gevangene
gemaakt, in plaats van zichzelf als een zwakkeling te laten inpikken?
Hij vloekte luid, toen het hem meer en meer duidelijk werd, dat hij een
kostelijke gelegenheid had laten voorbijgaan. Met het pistool op de
borst had hij Croisset kunnen dwingen om de andere slee te volgen
en die in te halen. Hij had Jackpine kunnen overvallen, zooals zij
hem—Howland—op het Pad hadden overvallen. En dan? Hij glimlachte,
maar er school geen humor in dien lach. Dan zou hij tenminste de baas
zijn geweest. En wat zou Meleese in dat geval wel hebben gedaan?

Hij stelde zichzelf vraag op vraag om die snel en beslist nog in
denzelfden adem te beantwoorden. Meleese had hem lief. Daar durfde
hij zijn leven onder verwedden. Hij raakte in vervoering als hij dacht
aan de kussen, die zij hem had gegeven, toen zij bij hem was gekomen,
terwijl hij gebonden en met een prop in den mond naast het Pad lag. Zij
had zijn hoofd in haar armen genomen en door de droefheid op haar gelaat
heen had hij het licht zien schijnen van de groote liefde, die haar
trekken in alle komende tijden voor hem zou verheerlijken. Zij had hem
lief! En hij had haar laten gaan, hij had als een zwakkeling zichzelf
overgeleverd op het oogenblik, waarin hij alles, waarvan hij gedroomd
had, in zijn bezit had kunnen krijgen! Met Jackpine en Croisset in zijn
macht—

Verder ging hij niet. Was het te laat om dat alles nog te doen? Croisset
zou terugkomen. Met een zekere voldoening bedacht hij, dat zijn houding
de achterdocht van den half-ras had ontwapend. Hij meende, dat Croisset
gemakkelijk te overmeesteren zou zijn, dat hij hem zou kunnen dwingen
om het spoor van Meleese en Jackpine te volgen. En dat spoor? Het zou
waarschijnlijk leiden naar het hoofdkwartier van zijn vijanden. Maar
wat maakte dat uit? Hij stopte een nieuwe pijp en blies rookwolken uit
tot de heele kamer er mee gevuld was. Dat spoor zou hem naar Meleese
brengen, wààr zij zich ook bevond. Tot nu toe waren zijn vijanden bij
hem gekomen; nu zou hij hen opzoeken. Had hij Croisset eenmaal in zijn
macht en waren zijn vijanden onkundig van zijn tegenwoordigheid, dan zou
alles verder in zijn voordeel zijn. Hij lachte luid, want plotseling
kreeg hij een inval: in laatste instantie kon hij Croisset nog als
lokvogel gebruiken!

Hij begreep, dat het gemakkelijk zou zijn om Meleese in een val te
lokken, wanneer zij in den waan verkeerde, dat zij alleen Croisset zou
vinden. Zijn eigen tegenwoordigheid zou zijn als het inslaan van een bom
aan haar voeten. En zou zij op zulk een moment, wanneer zij zag hoeveel
hij voor haar waagde, hoezeer hij besloten was haar te bezitten, niet
toegeven aan het smeekgebed van zijn liefde? Zoo niet, dan moest hij
zijn toevlucht nemen tot iets anders—tot iets, dat hem al weer een
vroolijken lach op de lippen bracht. In den oorlog en in de liefde is
alles gepermitteerd—en hun spel was een spel van liefde. Door liefde
gedreven, had Meleese hem weggesleurd van zijn post en hem opgesloten in
de wildernis. De liefde sprak haar vrij. En diezelfde liefde zou ook hem
vrijspreken. Hij wilde haar tot zijn gevangene maken en dan zou Jean hem
terugbrengen naar de Wekusko. Meleese had het voorbeeld gegeven en hij
zou haar navolgen. Welke vrouw zou, als zij den man liefhad, zich daarna
niet naar zijn wensch schikken? Op hun sleereis zou hij haar heelemaal
voor zich hebben, niet voor een uur of wat, maar dagen achtereen. Hij
wist zeker, dat hij in dien tijd zijn pleidooi zou winnen. Misschien
zouden zijn vijanden hen vervolgen; misschien zou hij moeten vechten;
maar daartoe was hij niet ongenegen; hij begon zelfs een beetje naar
vechten te verlangen.

Hij ging dien avond naar bed met het plan om te droomen van de dingen,
die komen zouden. Een tweede dag, een derde nacht, een derde dag kwam en
ging. Met elk uur steeg zijn verlangen naar Jean's terugkomst; soms
voelde hij een koortsachtig ongeduld opkomen en wenschte hij, dat alles
al gebeurd was. Hij was vol vertrouwen op een goeden uitslag en toch
dacht hij niet te licht over de krachten van Croisset. Hij wist, dat de
half-ras was als levend staal en ijzer, vlug als een kat en meer dan
zijn evenknie in een open gevecht, niettegenstaande zijn eigen meerdere
lichaamskracht en forschheid.

Hij bedacht een dozijn plannen om Jean er onder te krijgen. Een daarvan
was om op den man af te springen, terwijl hij zat te eten; een tweede om
hem te overrompelen, terwijl hij naast zijn span knielde of het vuur
verzorgde en hem dan de keel toe te knijpen, totdat hij half bewusteloos
zou zijn; een derde om hem ongemerkt van achteren te overvallen en hem
een slag toe te brengen, die hem dadelijk machteloos maakte. Maar in
dit laatste plan was iets, dat hem tegenstond. Hij bedacht zich, dat
Jean zijn leven had gered, dat Jean hem nog nooit eenig physiek letsel
had toegebracht. Hij wilde liever op een gelegenheid wachten; hij wilde
den half-ras gebruiken, zooals deze hem gebruikt had. Het moest dezelfde
eerlijke strijd blijven, dien Jean hem geboden had en met een voorsprong
zou de flinkste man winnen.

Op den morgen van den vierden dag werd Howland gewekt door een geluid
van buiten af. Het was het bitse, doordringende geblaf van een hond—een
oogenblik later gevolgd door een nog scherper zweepgeklap en een
welbekende stem.

Jean Croisset was terug!

Met één sprong was Howland uit zijn slaapstede. Half gekleed, vloog hij
naar de deur en bukte zich daar—de spieren van zijn armen gespannen en
zijn lichaam gestrekt door de zich concentreerende krachten.

De prikkel van het oogenblik had hem een snel besluit doen nemen. Zijn
kans was gekomen, zoodra Jean Croisset den drempel overschreed!



HOOFDSTUK XII.

Het Gevecht.


Howland hoorde hoe Jean bij de deur bleef staan. Er volgden enkele
oogenblikken van stilte, als luisterde de nieuw aangekomene naar
mogelijke geluiden in de kamer. Maar al spoedig tastte er een hand naar
grendel en slot en vloog de deur naar binnen open.

„_Bonjour_, M'sieur,” riep Jean, nader komend, op vroolijken toon. „Hoe
is het mogelijk, dat het geblaf van de honden u niet—”

Zijn oogen waren dadelijk naar de slaapstede gegaan. Howland zag,
dat het gelaat van den half-ras mager en bleek was, niettegenstaande
diens opgewekten groet. Maar verder zag hij niets, eer hij zich met
heel zijn gewicht op den totaal onvoorbereiden Croisset wierp en zij
samen op den grond rolden. Er was bijna geen strijd; al heel gauw
lag Jean bewegingloos, plat op zijn rug, met de armen langs zijn
zijden, terwijl Howland, zich schrijlings op het lichaam van zijn
tegenstander zettend—en wel zóó, dat zijn knieën diens handen in
bedwang hielden—kalm lussen begon te slaan in de touwen, die hij
inderhaast van de tafel had meegesleurd. Maar op eens vlogen achter zijn
rug Jean's beenen omhoog en sloten de stalen spieren van den half-ras
zich als een tang om den nek van zijn belager, dezen achterover trekkend
en hem met zooveel kracht tegen den tegenovergestelden muur werpend, dat
het weinig scheelde of hij was voor altijd buiten gevecht gesteld.

Nog half doezelig van zijn val, strompelde Howland weer op zijn beenen
en daar stond Jean Croisset al midden op den vloer. Hij had het buis van
kariboehuid al uitgetrokken, hij balde de vuisten en in zijn oogen lag
een gevaarlijke gloed. Die gloed verdween echter even snel als hij was
opgekomen en toen de half-ras langzaam en met gebogen schouders naderde,
glinsterden zijn witte tanden in een glimlach. Ook Howland glimlachte
en schoot naar voren om hem op te wachten. Maar er school geen
vriendelijkheid, geen humor in die lachjes. Beiden hadden die
glinsterende tanden en dat doodelijke geflikker in de oogen meer gezien
en beiden wisten wat dat beteekende.

„Ik geloof, dat ik u ga doodmaken, M'sieur,” zei Jean zacht. Er sprak
geen opwinding, geen hartstocht uit zijn stem. „Ik heb al lang gedacht,
dat ik u te eeniger tijd wel zou moeten dooden. Toen ik hier terugkwam,
had ik eigenlijk mijn ziel al opgemaakt om u te dooden. Het zal niet
meer dan een Godsgericht zijn, als ik u doodmaak.”

De twee mannen begonnen door het vertrek rond te draaien, als wilde
beesten in een kooi—Howland met de houding van een bokser, Jean met
gebogen schouders en met armen, die in een zwakke bocht langs het
lichaam neerhingen, terwijl heel het gewicht van zijn lichaam scheen te
rusten op de teenen van zijn in mocassins gestoken voeten. Plotseling
wierp hij zich op zijn tegenstander en greep hij dien bij de keel.

Howland week bliksemsnel op zij en deelde een stomp uit, die Jean aan
het hoofd trof en hem languit op den rug deed vallen. Even later echter
kwam hij, hoewel nog half bedwelmd, weer op zijn voeten terecht. Het was
voor het eerst, dat de half-ras kennis maakte met methodisch vechten.
Hij was geheel van streek; zijn ooren suisden en hij voelde duizelingen.
Intusschen deed hij toch weer een uitval op de snelle, katachtige
manier, die hem eigen was en kreeg hij weer een stomp. Maar dezen keer
bleef hij staan.

„Nu weet ik zeker, dat ik u dood zal maken, M'sieur,” zei hij, even koel
als te voren.

Er was iets angstig kalms, iets heel gedecideerds in zijn stem. Hij was
niet bang. Zijn handen gingen niet naar de wapens in zijn gordel en de
glimlach verdween van Howland's lippen, toen hij al door om hem heen
begon te draaien. De ingenieur had nog nooit met een man van deze soort
gevochten; nooit eer had hij een zoo angstwekkend zelfvertrouwen
aanschouwd; langzaam week hij terug, meer voor de oogen dan voor den
persoon van zijn tegenstander. Die oogen volgden hem; zij lieten hem
niet los. Altijd laaide het vuur daarin weer op en steeds werd het
dieper. Er begonnen zich op de wangen van Croisset twee dof-roode
vlekken te vertoonen en hij lachte zacht, terwijl hij plotseling een
uitval deed, die Howland noodzaakte om hem een slag toe te
brengen—welke slag miste. Beiden wisten nu wat hen wachtte.

Het was de wetenschap van de eene wereld, gericht tegen de wetenschap
van de andere—de wetenschap van de beschaving tegen de wetenschap van
de wildernis. Howland had van de zijne een studie gemaakt. Jean had
bij wijze van sport gespeeld met gewonde lynxen, hij had de gave van
opmerken, van instinct en ook de vlugheid van de wilde dieren, die
vaak datzelfde spelletje met zijn geweervuur hadden gespeeld—van de
sledehonden wier gevaarlijke slagtanden een onmiddellijken dood konden
aanbrengen. Tot drie- en viermaal toe kwam hij binnen het bereik van
Howland en telkens sloeg deze uit—en miste.

„Ik ga u doodmaken,” zei Jean opnieuw.

Tot nu toe was Howland kalm gebleven. Hij wist, dat bij zijn
vechtmethode zelfbeheersching de halve zege was. Nu echter voelde hij
een langzaam aangroeiende woede in zich opkomen. Dat glimlachje in
Jean's oogen begon hem te prikkelen; het onbevreesde, uitdagende
glinsteren van zijn tanden, zijn stoutmoedig zelfvertrouwen maakten hem
ongeduldig. Tweemaal nog sloeg hij snel uit, maar Jean naderde en week
als een pijl uit den boog. Zijn buigzaam lichaam, wel vijftig pond
minder zwaar dan dat van Howland, deed denken aan een jongen, die in een
interessante sport tracht te overwinnen. De half-ras spande zich niet
in bij den aanval; hij volgde de tactiek van den wolf, die den eland op
de hielen zit—van den lynx, die het gewei van de antilope voor zich
ziet—hij trachtte zijn tegenstander af te matten en hem geen rust te
laten.

Howland's spieren begonnen pijn te doen en zijn adem werd korter
naarmate zijn pogingen geen uitwerking schenen te hebben op Croisset.
Gedurende enkele oogenblikken volgde hij een offensieve tactiek en joeg
hij Jean tusschen kachel en tafel door tot tweemaal toe het vertrek
rond—tevergeefs trachtend om hem in een hoek te drijven en hem daar
te treffen met een van die zwaaiende armbewegingen, die Croisset met
bliksemsnelle vlugheid wist te vermijden. Toen hij eindelijk stilhield,
was het om moeilijk en hijgend op adem te komen. Jean kwam wat
dichterbij, koel en glimlachend.

„Ik ga u doodmaken, M'sieur,” zei hij opnieuw.

Howland liet de armen vallen, zijn vingers ontspanden zich en hij stiet
den adem tusschen zijn lippen door, als was hij een uitputting nabij.
Zijn methode had nog een paar kunstgrepen, maar hij wist, dat dit zijn
laatste troeven zouden zijn. Hij week terug naar een hoek en Jean volgde
hem, zijn oogen lichtend met stalen gloed en zijn lichaam steeds meer
gestrekt.

„Nu ga ik u doodmaken, M'sieur,” zei hij op denzelfden zachten toon. „Ik
ga u den nek omdraaien.”

Howland plaatste zich tegen den muur, eenigszins zijdelings als vreesde
hij een aanval, dien hij niet af kon weren. Op Croisset's lippen lag een
minachtende glimlach, toen hij zich in positie stelde. Daarop deed hij
een sprong, maar terwijl zijn vingers naar de keel van Howland tastten,
schoot diens rechterarm opwaarts met een korten, doodelijken stoot, die
zijn tegenstander onder de kin trof. Zonder een woord te spreken week
Jean terug, één oogenblik wankelde hij en daarop zakte hij ineen. Toen
hij een minuut later de oogen opende, merkte hij, dat zijn handen op
zijn rug waren vastgebonden en dat Howland aan zijn voeten stond.

„_Mon Dieu_, die kwam goed aan!” hijgde hij na een paar maal diep
geademd te hebben. „Wilt ge me dien stoot leeren, M'sieur?”

„Sta op!” beval Howland. „Ik heb geen tijd te verliezen, Croisset.” Hij
pakte den half-ras bij de schouders en hielp hem naar een stoel bij de
tafel. Daarop nam hij bezit van diens wapens, waarbij de revolver, die
Jean hem twee dagen te voren had afgenomen—en begon hij zich, steeds
zwijgend, verder aan te kleeden.

„Snap je wat er nu gaat gebeuren, Croisset?” riep hij, toen hij klaar
was—en zijn oogen flikkerden woest. „Snap je, dat wat je gedaan hebt,
je voor tien jaar of langer achter de tralies zal brengen? Snap je, dat
ik je mee terug ga nemen om je aan het gerecht over te leveren?—en dat
ik, zoodra we de Wekusko bereiken, een twintig man zal uitsturen om het
spoor van je vrienden te volgen?”

Het magere gelaat van Croisset werd vaalbleek.

„Groote God, M'sieur, dat zult ge niet doen!”

„_Niet?!_” Howland drukte zijn nagels in den rand van de tafel. „Bij je
grooten God, Croisset, ik zal het wèl doen! En waarom ook niet? Omdat
Meleese zich bij die bende struikroovers en moordenaars bevindt? Och,
mijn beste Jean, je lijkt wel mal! Zij trachtten mij te vermoorden op
het Pad, zij probeerden het opnieuw in de coyote en nu ben je zelf hier
teruggekomen met het plan om mij dood te maken. Van het begin af ben je
me vóór geweest. Nu is het mijn beurt. Ik durf er een eed op doen, dat
we jelui allemaal te pakken krijgen, als ik je maar eerst naar de
Wekusko terugbreng.”

„_Als_, M'sieur?”

„Ja, _als_.”

„En dat _als_—” Jean drukte zich tegen de tafel aan in zijn ijver.

„Staat aan jou, Croisset. Ik wil met je onderhandelen. Of ik breng jou
terug naar de Wekusko, waar ik je aan de autoriteiten overlever om
vervolgens een afdeeling achter de anderen aan te zenden—òf je moet mij
naar Meleese brengen. Wat zal het zijn?”

„En als ik u bij Meleese breng, M'sieur?”

Howland richtte zich op en zijn stem trilde van agitatie.

„Als je me bij Meleese brengt en zweert, dat je zult doen, wat ik je
beveel, dan zal ik noch jou noch je vrienden kwaad doen.”

„En Meleese—?” Jean's oogen werden weer donkerder. „Haar zult ge toch
geen kwaad doen, M'sieur?”

„Haar kwaad doen?” Er klonk een trilling in den lach van Howland. „Goede
God, man! ben je dan zóó blind, dat je niet eens ziet, hoe ik dit alles
doe alleen om haar? Ik zeg je immers, dat ik haar liefheb en dat ik, al
vechtende voor haar, zou willen sterven. Maar tot nu toe had ik geen
kans. Jij en je vrienden, je hebt een lafhartig, onderhandsch spel
gespeeld, Croisset. Je hebt me telkens in den rug aangevallen, maar nu,
voor den duivel, zul je je aanpassen, of het zal spannen! Snap je? Als
je me niet bij Meleese brengt, dan wordt er een schoonmaak gehouden,
waarbij jij en je heele pan over boord gaat! _Haar_ kwaad doen!” En weer
lachte Howland, terwijl hij zijn wit gelaat tot Jean overboog. „Kom,
Croisset, wat zal het zijn?”

In de oogen van den half-ras kwam een koud licht, gelijk aan de vonken,
die ontsnappen, wanneer twee stukken staal op elkaar stooten. De vale
bleekheid verdween van zijn gelaat en de raadselachtige glimlach, die
Howland in hun gevecht zoo had geprikkeld, kwam weer te voorschijn.

„Ge vergist u in enkele opzichten, M'sieur,” zei Jean rustig. „Tot
vandaag toe heb ik vóór en niet tegen u gestreden. Maar nu laat gij mij
maar één kans. Ik zal u bij Meleese brengen en dat wil zeggen—”

„Goed! goed!” riep Howland.

„La, la, M'sieur—niet zoo goed als ge wel denkt. Dat wil zeggen, dat
gij—even zeker als de honden ons er heen zullen brengen—nooit van daar
zult terugkeeren. _Mon Dieu_, uw dood is een uitgemaakte zaak.”

Howland keerde zich snel naar de kachel.

„Hongerig, Jean?” vroeg hij wat vriendelijker. „Kom, laat ons niet
kibbelen, man. Jij hebt eerst jouw zin gehad en nu krijg ik mijn zin. Al
ontbeten?”

„Ik hoopte het genoegen te zullen smaken van dat met u te doen,”
antwoordde Jean met grimmigen humor.

„En dan zou je, nadat ik je eerst gevoederd had, mij doodgemaakt
hebben, beste Jean?” lachte Howland, een groot stuk kariboe-vleesch
gewoonweg op de plaatijzeren kachel leggend. „Je bent een lieve jongen!”

„Maar ge moet immers dood, M'sieur.”

„Dat heb je al eerder gezegd. Als ik Meleese zie, wil ik weten
waarom—of—”

„Of wat, M'sieur?”

„Of ik maak jou dood, Jean. Ik ben juist tot de conclusie gekomen, dat
jij de persoon bent, die gedood moet worden. Als er iemand moet sterven
daar, waar we nu heengaan, Croisset, dan zul jij het zijn.”

Jean hield zijn mond. Een minuut of wat later zette Howland het
kariboe-gebraad, een bord met pannekoeken en een groote kan met heete
koffie op de tafel. Daarop ging hij achter Jean om en maakte hij diens
handen los. Zelf zette hij zich tegenover zijn gevangene, legde zijn
revolver naast zijn tinnen bord en haalde den trekker over. Jean
meesmuilde en haalde de schouders op.

„Het is ernst,” zei Howland op waarschuwenden toon. „Als ik te eeniger
tijd tot de conclusie kom, dat je het verdient, dan schiet ik je dood
wáár je bent, Croisset—pas dus op, dat je me geen argwaan geeft.”

„Ge hebt me uw woord gegeven,” zei Jean sarcastisch.

„En tot op zekere hoogte vertrouw ik op het jouwe,” antwoordde Howland,
de koffie inschenkend. Plotseling nam hij de revolver op. „Je hebt me
nog nooit zien schieten, wel? Zie je dat kopje?” Hij wees naar een
kleinen, tinnen kroes, die op een pas of twaalf afstands aan den wand
hing en zond er driemaal, zonder mankeeren, een kogel doorheen.

„Ik zal je het gebruik van handen en voeten teruggeven, behalve voor den
nacht,” zei hij daarop, zich opnieuw—en nu lachend—tot Croisset
wendend.

„_Mon Dieu!_ ge kunt het veilig doen,” gromde Jean. „Ik geef u mijn
woord, dat ik zal oppassen, M'sieur.”

De zon was al op, toen Croisset naar buiten afsloeg. Zijn span stond
met de slee op een honderd yards afstands van het gebouw en Howland's
eerste werk was om het geweer van den half-ras in bezit te nemen en er
de patronen uit te verwijderen, terwijl Jean zelf den honden een paar
brokken kariboe-vleesch toewierp. Toen zij gereed waren om te
vertrekken, keerde de half-ras zich langzaam om en reikte hij den
ingenieur de geschoeide hand.

„M'sieur,” zei hij zacht, „ik hou van u, al had ik u eigenlijk al lang
geleden moeten doodmaken. Ik zeg u nog eens—er is maar één kans op de
honderd, dat ge levend terugkomt, wanneer ge naar het Noorden trekt.
Groote God, M'sieur, daar waar gij heen wilt, zullen tot de boomen toe
op u neervallen en de kraaien u de oogen uitpikken! En die eene kans op
de honderd, M'sieur—”

„Neem ik aan,” viel Howland hem beslist in de rede.

„Ik wilde zeggen,” vervolgde Jean koeltjes, „dat die eene kans verkeken
is, tenzij dat hun, die gisteren de Wekusko verlieten, een ongeluk
overkomen is. Gaat gij naar het Zuiden, dan zijt gij veilig—gaat gij
naar het Noorden, dan ware het beter voor u om dood te zijn.”

„Het einde van de jacht belooft tenminste een beetje levendigheid,”
lachte de ingenieur. „Kom, Jean—zet de honden maar aan.”

„_Mon Dieu_, gij zijt gek—maar toch een flinke kerel,” riep Croisset en
hij liet zijn zweep krullen en klappen boven de gele ruggen van zijn
huskies.



HOOFDSTUK XIII.

De Vervolging.


Howland liep achter de slee en Croisset rechts van het span. Een paar
maal als hij omkeek, ontmoette zijn blik dien van den ingenieur. Hij
klapte dan met de zweep en lachte en Howland's tanden glinsterden koud
terug. Die blikken verrieden genoegzaam, dat zij elkaar begrepen. Door
een plotselinge spurt zou de half-ras gemakkelijk een grooten afstand
tusschen hen kunnen brengen, maar de kogels van zijn tegenpartij zouden
dien kunnen dekken. Howland had zijn ziel opgemaakt om vastberaden
en met algeheele toewijding te vuren, zoodra Croisset maar de minste
poging waagde om te ontsnappen. Werd hij gedwongen om hem te dooden
of ernstig te wonden, dan wilde hij toch alleen de reis voortzetten
met de honden; het spoor van Meleese en Jackpine moest toch even
duidelijk zijn als dat, waarlangs zij nu—voorloopig weer in zuidelijke
richting—terugtrokken.

Voor de tweede maal sinds hij naar het Noorden was gekomen, voelde
Howland zijn bloed door de aderen bruisen, als op den eersten avond in
Prince Albert, toen hij op den berg het gehuil van den eenzamen wolf
had gehoord en later door het raam van het hotel het mooie gelaat had
gezien. Hij was een van die weinige menschen, die een onbeperkt geloof
in zichzelf bezitten, die tot op zekere hoogte trotsch zijn op hun
physieke, zoowel als op hun verstandelijke vermogens—en ook nu was hij
vol zelfvertrouwen. Zijn succes in de worsteling met de hinderpalen
van een groote stad had dit vertrouwen tot een onafscheidelijk deel
van zijn persoon gemaakt. Het was dit vertrouwen, dat zijn wangen deed
kleuren van opgewekte geestdrift, terwijl hij achter de honden aanliep.
Jean Croisset leek het een raadsel.

„_Mon Dieu_, ik moet bekennen, dat ge een flinke vent zijt,” riep
de half-ras, toen hij de honden stapvoets liet gaan na eenigen tijd
gedraafd te hebben. „Bij alle Heiligen, ge lacht en ik verzeker u, dat
het allerminst lachwekkend is.”

„Spreekt het dan niet van zelf, dat een man schik heeft, wanneer hij op
weg is naar zijn eigen bruiloft, Jean?” hijgde Howland, terwijl hij een
oogenblik stond uit te blazen.

„Maar hij heeft geen schik, wanneer hij op weg is naar zijn eigen
begrafenis, M'sieur.”

„Als ik een van je gelukzalige Heiligen was, Croisset, dan zou ik een
bliksemstraal op je afsturen. Goede God, draag je dan geen hart onder je
kleeren, man? We gaan naar een oord, waar zich het mooiste meisje van de
wereld bevindt. Ik heb haar lief. Zij heeft mij lief. Waarom zou ik niet
gelukkig zijn, nu ik weet, dat ik haar gauw zal weerzien—en haar zal
meenemen naar het Zuiden?”

„Duivels!” mompelde Jean.

„Misschien ben je jaloersch, Croisset—” opperde Howland, „_great
Scott_, dààr heb ik nog nooit aan gedacht!”

„Ik heb mijn eigen vrouw, M'sieur en ik heb haar lief; ik zou haar voor
niemand ter wereld willen ruilen.”

„Verd.... als ik je begrijp!” vloekte de ingenieur. „Je lijkt maar half
menschelijk; je zegt, dat je zelf liefhebt en toch wil je liever je
eigen leven wagen dan Meleese en mij voort te helpen. Hoe zit dat toch?”

„Maar, M'sieur—ik help Meleese juist voort! Ik zou haar alleen nog
meer dienst hebben gedaan, als ik u daar ginds op het Pad had gedood
en uw lichaam, van kleeren beroofd, had laten liggen ten prooi aan de
dieren—die het zouden willen verslinden. Ik heb u al dikwijls gezegd,
dat uw dood een Godsgericht zal zijn. En sterven zult ge—en gauw ook,
M'sieur.”

„Neen, Jean, ik ga niet sterven. Ik ga naar Meleese en zij trekt
met mij naar het Zuiden. En als je heel lief bent, dan mag jij ons
terugbrengen naar de Wekusko, Croisset en dan word je bruidsjonker bij
mijn huwelijk. Wat zeg je er van?”

„Ik zeg, dat ge gek zijt—of onnoozel!” gaf Jean terug, nijdig met de
zweep klappend.

Kort daarna verlieten de honden op eens het spoor naar het Zuiden om
zich noordwestelijk te richten.

„Op die wijze sparen we een dagreis uit,” zei Croisset in antwoord op
een achterdochtige vraag van zijn metgezel. „We zullen het andere spoor
op een twintig mijl westelijk van hier ontmoeten—en als wij teruggingen
tot aan het punt waar zij afsloegen, dan zouden wij zestig mijl moeten
afleggen om diezelfde plek te bereiken. De eene kans ten honderd, die
gij hebt, M'sieur, hangt daarvan af. Als de andere slee al voorbij is—”

Hij haalde de schouders op en zette de honden aan.

„Zeg eens,” riep Howland, die nu naast hem liep,—„wie zijn er in die
andere slee?”

„De mannen, die op het Pad en in de coyote beproefden om u te dooden,
M'sieur,” antwoordde Jean snel.

Howland viel een pas of wat terug. Na een uur zag hij zich verplicht
om telkens even uit te rusten door op de slee te gaan zitten—wat hun
voortgang vertraagde. Jean luisterde niet langer naar zijn vragen. De
half-ras liep knorrig rechts van den voorsten hond en Howland zag, dat
hij, om welke reden dan ook, evenzeer verlangend was om vooruit te komen
als de ingenieur zelf. Diens ongeduld groeide aan naarmate de uren
voorbijsnelden. Jean's verzekering, dat de geheimzinnige vijanden, die
hem tot tweemaal toe naar het leven hadden gestaan, zich op betrekkelijk
korten afstand achter hen bevonden, vervulde hem opnieuw met allerlei
wanhopige plannen. Hij voelde, dat die mannen van de Wekusko zijn
voornaamste vijanden waren; had hij hen afgeschud en behield hij
Croisset in zijn macht, dan zou de strijd dien hij daar ginds ging
voeren, al half gewonnen zijn. Daar toch zou Meleese de eenige zijn,
die hem kende.

Zijn hart was vol hoop en vol blijdschap en hij boog zich voorover in de
slee om het geweer van Croisset na te kijken, dat niet geladen was. Het
was een repetitie-geweer en de half-ras, die over de hoofden van zijn
dravende huskies heen, af en toe naar den ingenieur gluurde, zag dat
deze glimlachte. Howland begon nu weer meer te loopen en zelfs over
langere afstanden. Met elke mijl, die werd afgelegd, stond zijn besluit
om een beslissenden strijd uit te lokken, nog vaster. Bereikten zij
het spoor van Meleese en Jackpine nog eer de tweede slede daar was
gepasseerd, dan wilde hij zich verdekt opstellen en zijn vijanden
afwachten; waren die hem vóór geweest, dan zou hij trachten hen in te
halen en hen 's nachts in hun kamp overvallen; hoe ook, het voordeel zou
altijd aan zijn kant zijn.

Met dezelfde attentie voor onderdeelen, die hij bij het ontwerpen van
een brug of van een tunnel aan den dag legde, maakte hij nu in zijn
geest het schema op voor een volledig plan van aanval met al de daaraan
verbonden eventualiteiten. Er zouden waarschijnlijk twee mannen op
die slee zijn en misschien wel drie. Gaven zij—uit angst voor zijn
geweer—zich zonder vechten over, dan zou hij Jean dwingen om hen met
hondenstrengen te knevelen, terwijl hij zelf het heele troepje onder
schot hield. Spartelden de vijanden tegen, dan zou hij vuren. Met het
repetitie-geweer kon hij er minstens drie à vier dooden of verwonden,
nog vóór zij de wapens van de slee hadden gegrepen. De toestand was nu
zóó gespannen, dat hij ten eenenmale vergat in hoeverre de belangen van
Meleese met dit alles gemoeid konden zijn.

Al voortgaande in noord-westelijke richting, merkte Howland op, dat het
dichte woud langzamerhand overging in breede uitgestrektheden van lage
naaldboomen en dat de talrijke rotspartijen en dichtbegroeide moerassen,
die eerst hun voortgang hadden bemoeilijkt, nu minder vaak voorkwamen.
Een uur vóór den middag nog wees Croisset, nadat zij met veel moeite een
bevrozen bergtop hadden beklommen, hem op een groote, effen vlakte, die
zich tusschen hen en den eerstvolgenden heuvelrug, vèr in het Noorden,
uitstrekte.

„Dit is een stukje van het woeste land, dat langs gindsche bergen naar
beneden is gekropen, M'sieur,” zei hij. „Ziet ge, dat donkere woud, dat
tegen de sneeuw op een verkoold stuk hout gelijkt? Dat is de pas, die
naar het land van de Athabasca leidt. Ergens tusschen hier en daar
moeten we het spoor tegenkomen. Ik had half en half verwacht, dat wij
hen hier op de vlakte zouden zien.”

„Wie? Meleese en Jackpine, of—”

„Neen, de anderen, M'sieur.—Zullen we hier den maaltijd gebruiken?”

„We rusten niet vóór en aleer we het spoor hebben,” antwoordde Howland.
„Ik ben zoo benieuwd om te weten te komen, welke die eene kans ten
honderd is, Croisset, waar je mij hoop op hebt gegeven. Als zij voorbij
zijn—”

„Als zij voorbij zijn, zoudt ge evengoed daarginds kunnen gaan staan en
mij vragen om u een kogel door het hoofd te jagen, M'sieur.”

Jean ging naar de honden en leidde die langs de ruwe helling naar
omlaag, terwijl Howland de toboggan tegenhield. Drie kwartier slingerden
zij zwijgend tusschen de struiken door over de vlakte. Van elken
sneeuwheuvel af verkende Jean de witte wildernis om hen heen en telkens
keerde hij—als er geen menschelijk wezen te bespeuren viel—bij den
ingenieur terug niet een weinig goeds voorspellend schouderophalen. Eens
ontlokten een stuk of drie kariboe's, op misschien een mijl afstands,
hem een snellen uitroep; Howland zag hoe een plotselinge blos zich op
het donkere gelaat afteekende, onmiddellijk gevolgd door een blik van
teleurstelling. Van dit oogenblik af hield hij zijn metgezel nog meer
in het vizier. Zij hadden nog niet de helft van den afstand afgelegd,
die hen van de kariboe's scheidde, toen Croisset—op een open ruimte
gekomen, waar geen enkel sprietje groeide—plotseling luid zijn stem
verhief en het span stilstond.

„Wat denkt ge van dàt, M'sieur—wat denkt ge van dàt?” riep hij, op de
sneeuw wijzend.

Op den zoom van de open plek was de dikke ijskorst hier en daar
gebroken; het leek alsof de boomen van een slee er over heen waren
gegaan. Gedurende één seconde vergat Howland om voorzichtig te zijn;
volijverig boog hij zich, met den rug naar zijn metgezel gekeerd,
voorover om de sporen te onderzoeken. Toen hij weer opkeek, zag hij een
wonderlijke, lachende uitdrukking in Jean's blik.

„_Dieu!_ wat zijt ge onvoorzichtig, M'sieur!” riep de half-ras. „Pas
toch op! Breng me niet in verzoeking!”

„Voor den duivel! je hebt gelijk!” zei Howland, snel terugwijkend. „Dank
je, Jean. Als het niet was om het moreele effect, dan zou ik je de hand
willen drukken. Hoe ver denk je, dat ze ons vóór zijn?”

Croisset lag nog op zijn knieën bij het spoor.

„De ijskorst is hier versch gebroken,” zei hij na een oogenblik. „Zij
kunnen ons niet meer dan twee of drie uur vóór zijn—misschien sedert
vanmorgen.—En zie nu eens naar dit witte, glinsterende laagje op
het eerste spoor, M'sieur, met wel een millioen scherp opstaande
naaldpunten. Dat moet het werk zijn van drie of vier dagen vorst. Zóó
lang is het dus al geleden sedert de eerste slee—die van Meleese en
Jackpine—hier voorbij trok.”

Howland keerde zich om en greep naar zijn geweer. De half-ras keek
aandachtig toe, toen hij het met een aantal patronen laadde.

„Als er nog koude spijs in het pak zit, haal die er dan uit,” beval de
ingenieur. „We zullen onder het loopen ons maal gebruiken—tenminste,
als je wat hebt, dat zich daartoe leent. Heb je dat niet, dan zullen we
honger lijden. We moeten die laatste slee vanmiddag of vanavond inhalen
of—we zijn geschochten!”

„Bij alle Heiligen, M'sieur—dan zijn we geschochten!” hijgde Jean. „En
als wij het niet zijn, dan toch in elk geval de honden. Neen—het is
niet mogelijk!”

„Is er wat te eten?”

„Een stuk koud vleesch, dat is alles. Maar ik herhaal, dat het
onmogelijk is. Die slee—”

Met een gebaar van ongeduld viel Howland hem in de rede.

„En ik zeg, dat je dat eten te voorschijn moet halen—en gauw ook,
Croisset! We zullen die kostelijke vrienden van je inhalen en ik
waarschuw je, dat het zal spannen, als je een poging doet om tijd te
verliezen. Snap je?”

Jean had zich al gebogen om het pak, dat op de slee lag, open te maken;
er kwam een nijdig licht in zijn oogen bij het dreigement van den
ingenieur. Een oogenblik was het alsof hij ging spreken, maar hij hield
zich in en reikte Howland de grootste helft van het vleesch. Daarop nam
hij zijn oude plaats weer in naast de honden. In het eerstvolgende uur
keek hij maar een- of tweemaal om en na elk van die keeren verdubbelde
hij zijn pogingen om de huskies tot meerderen spoed aan te zetten.
Intusschen—nog hadden zij den rand niet bereikt van het lage, zwarte
pijnwoud, dat Jean hem van de overzijde van de vlakte had gewezen, of
Howland zag al, dat hun span het niet langer volhield. De voorste hond
hinkte en af en toe legden al de dieren zich om eerst weer voort te
gaan, wanneer Croisset de lange zweep liet klappen. Daarbij merkte de
ingenieur, dat ook hij zelf niet langer bij machte was om Jean en de
honden bij te houden en verzwaarde hij de slee door zijn gewicht, dan
sleepten de huskies nog meer.

Zoo trokken zij tot diep in het lage woud en nu liep
Jean—klaarblijkelijk de uitputting van mensch en dier vergetend—vóór
het span uit, aldoor den blik gevestigd op het ijle spoor vóór hen.
Het kon wel niet anders of Howland moest merken, dat de noodelooze
bedreiging een uur of wat geleden tegen den half-ras geuit, dezen nog
hinderde en herhaaldelijk deed hij van zijn kant een poging om de stilte
te verbreken. Maar Jean bleef, in nijdig zwijgen gehuld, voortloopen,
alleen antwoordend op rechtstreeksche vragen. Ten laatste sprong de
ingenieur van de slee en voegde hij zich weer bij zijn metgezel.

„Hou in, Jean!” riep hij. „Ik heb er genoeg van. Jij hadt gelijk en ik
vraag je nederig om excuus. Wij zijn geschochten—dat wil zeggen—de
honden en ik, we zijn geschochten en we kunnen het eigenlijk wel
opgeven, totdat we wat te eten hebben gehad. Wat zeg jij?”

„Ik zeg, dat ge juist bijtijds hebt stilgehouden, M'sieur,” antwoordde
Croisset gedwee. „Nog een half uur en we zouden uit het bosch zijn en
juist daarvóór, op den rand van de vlakte, bevinden zich de menschen,
die gij zoekt—Meleese en haar vrienden. Ik had u dat daarginds al
willen vertellen, maar ge liet me niet uitspreken. _Mon Dieu_, als het
niet was om Meleese, dan zou ik u laten voorttrekken. En dan—wat zou er
dan wel geschieden, M'sieur, wanneer ge zoo op klaarlichten dag bij hen
aankwaamt?—Luister!”

Waarschuwend hief Jean de hand op. Heel flauw drong het vèr verwijderde
geblaf van een hond tot hen door.

„Dat is een van onze Mackenzie's,” ging hij zacht voort met geheimen
triomf in zijn stem. „En nu, M'sieur, welke zijn uw verdere plannen, nu
ik u eenmaal tot hier gebracht heb? Zullen we doorgaan en zien om het
middagmaal te gebruiken bij de lui, die u willen dooden, of wenscht ge
hier een uur of wat te wachten? Wat zal het zijn?”

Eén seconde bleef Howland roerloos staan, als was hij onder den indruk
van Jean's woorden. Maar hij herstelde zich snel. Zijn oogen schitterden
met metaalachtigen gloed, toen zij de bedekte uitdaging van Croisset's
koelen glimlach opvingen.

„Als ik je niet had tegengehouden, zouden we dan voortgegaan zijn?”
vroeg hij kortaf.

„Zeker, M'sieur,” gaf Croisset, altijd nog glimlachend, ten antwoord.
„Ge hadt immers gezegd, dat ik geen tijd mocht verliezen en dat het zou
spannen als ik dat wèl deed!”

Met een snelle beweging trok Howland zijn revolver en richtte die op het
hart van den half-ras.

„Als je ooit tot je Heiligen hebt gebeden, Jean Croisset, doe het dan
nu. Ik maak een eind aan je leven!” riep hij woest.



HOOFDSTUK XIV.

Een Lichtstraal.


In minder dan geen tijd werd het gelaat van Jean Croisset tot een masker
van wat het was geweest. De uitdagende glimlach verdween van zijn lippen
en een vale bleekheid spreidde zich over zijn gelaat, toen hij merkte,
dat Howland's vinger zich kromde om den trekker van zijn revolver. Een
seconde later liet die een doffen klik hooren.

„Vervloekt! Een leege patroon!” riep Howland. „Ik verzuimde om opnieuw
te laden na de drie schoten op den kroes. Maar nu komt het, Jean!”

En met opzet liet hij de tweede leege patroon klikken.

„Groote God!” hijgde Jean—„M'sieur!”

Daar klonk opnieuw, diep uit het woud, het geblaf van den Mackenzie.
Dezen keer leek het veel dichter bij en een oogenblik liet Howland's
blik af van het verschrikte gelaat van den half-ras. Hij wendde het
hoofd om en luisterde.

„Zij komen!” riep Croisset. „M'sieur, ik bezweer u—”

Weer mikte Howland op zijn hart.

„Des te noodzakelijker is het voor mij om je te dooden,” zei hij met
ijzige kalmte. „Ik waarschuwde je, dat ik je zou doodschieten, als
je me in een val liet loopen, Croisset. Onze honden zijn op. Als er
menschen langs dit pad komen, is de eenige uitweg: vechten!—Luister!”

Dezen keer klonk van veel dichter bij, eerst het geroep van één man en
daarna dat van meerdere personen; de huskies hieven zich op en hieven
mede een schel geblaf aan. Howland, eerst rood van agitatie, was
doodsbleek geworden, nog bleeker dan Croisset. Maar het was allerminst
de bleekheid van den angst. Zijn oogen flikkerden als blauw staal, waar
de zon op schijnt.

„Onze eenige kans bestaat in vechten,” herhaalde hij nog kalmer dan te
voren. „Een paar mijlen eerder had alles nog kunnen gebeuren, zooals ik
het uitdacht. Maar hier—”

„Zij zullen het schieten hooren!” riep Jean. „De nederzetting is op
een geweerschot afstands van het woud en er zijn er daar genoeg, die
wenschen te zien, wat er gaande is. Gauw, M'sieur, volg mij. Misschien
zijn het maar pelsjagers, die naar hun vallen gaan. En—alles in
aanmerking genomen—”

„Welnu?” vroeg Howland.

„Kunt ge mij een beetje later ook nog wel doodschieten,” meende Croisset
met een flauwe herinnering aan zijn oude driestheid. „Maar, _Mon Dieu_,
ik ben bang voor het geluid van een schot, M'sieur; en ik zal mijn best
doen om u nog te redden. Wilt ge me een kans geven—of blijft ge bij uw
plan om mij dood te schieten?”

„Ik zal je doodschieten, als het je niet gelukt om mij te redden,”
antwoordde de ingenieur.

Nauwelijks waren die woorden over zijn lippen of Croisset sprong op de
honden af, pakte den voorsten bij zijn halsband en sleurde span en slee
door de struiken, ter zijde van het Pad. Een pas of twaalf verder ging
het dichte kreupelhout over in enkele lage, schrale heesters; hier zette
Jean het op een kalm drafje, met Howland op korten afstand achter zich,
terwijl de huskies met menschelijke slimheid de moeilijke draaien
volgden van het spoor, dat de half-ras hun aanwees. Zij waren een
driehonderd yards gevorderd, toen er voor den derden keer een luid
geroep tot hen doordrong. Met een scherp hup! hup! en een zweepslag
hield Jean de honden in.

„De Heilige Moeder Gods zij geprezen!—wat een bof!” riep hij. „Zij zijn
een ander pad, meer naar het Oosten, ingeslagen, M'sieur. Als zij waren
gekomen tot aan de opening in de struiken, waar doorheen wij de slee
trokken—” Met een zucht van verlichting haalde hij de schouders op.
„_Sacrebleu!_ Zij zouden niet zoo onnoozel zijn geweest van die zonder
meer voorbij te gaan!”

Intusschen had Howland zijn revolver geopend en de drie leege patronen
vervangen door nieuwe.

„Een volgenden keer zal er geen abuis zijn,” zei hij, het wapen in de
gestrekte hand houdend. „Je bent nooit zóó dicht bij je dood geweest,
als een minuut of wat geleden, Croisset—en nu moeten we eens een
verstandig woord met elkaar praten. Tot op het oogenblik, dat we daar
ginds halt maakten, stelde ik een zekere mate van vertrouwen in je. Nu
doe ik dat niet meer. Ik beschouw je als mijn ergsten vijand en hoewel
je verduiveld dicht bij je vrienden zit, zeg ik je, dat je nooit van je
leven in een ber....rder conditie hebt verkeerd dan nu. Schiet ik te
kort in mijn onderneming, dan sterf je. Komen er vóór het donker is,
anderen langs dit pad, die ons aanvallen, dan schiet ik je dood. Als je
het me niet mogelijk maakt om Meleese te zien en te spreken, dan jaag ik
een kogel door je heen. Je leven hangt af van mijn slagen; heb ik geen
succes, dan is je eindje even zeker als nu het vallen van den avond. Als
ik maar het minste vermoeden heb van verraad, zijn je minuten geteld.
Wat denk je onder die omstandigheden te doen?”

„Ik ben blij, dat ge van idee zijt veranderd, M'sieur, en ik beloof u,
dat ik u niet meer in verzoeking zal brengen. Ik zal op mijn tellen
passen en mijn best doen,” zei Jean.

Er begonnen een paar lichte sneeuwvlokken door de toppen van de
pijnboomen te vallen en de half-ras hief zijn oogen op naar het smalle
streepje van den hemel boven hen. „Binnen een uur sneeuwt het hard,”
verzekerde hij. „Als zij vóór dien tijd ons spoor niet ontdekken,
M'sieur, dan zijn wij veilig.”

Opnieuw leidde hij den weg door het woud, maar nu langzamer en met meer
voorzorg dan te voren; zoo vaak hij over zijn schouder keek, zag hij de
doffe schittering van Howland's revolver, die op de holte van zijn rug
bleef gericht.

„Duivels!—ge bezorgt me een benauwende gewaarwording, M'sieur,”
protesteerde hij. „En de trekker is ook overgehaald—”

„Ja, die is overgehaald,” zei Howland streng. „En die blijft op je rug
gericht, Croisset. Als het pistool toevallig afgaat, boort de kogel een
gat dwars door je heen!”

Een half uur later hield de half-ras zijn honden in op een plek, waar de
dennen tegen een helling opklommen.

„Als ge vertrouwen in me hadt, dan zou ik voor u uit kunnen loopen,”
fluisterde Jean. „Deze heuvelkam omgeeft de vlakte, M'sieur en op den
top staat een oude hut, die al jaren verlaten is. Het zou een duizendste
kans zijn, dat zich daar iemand bevond, hoewel de streek om dezen tijd
van het jaar een goed jachtgebied is voor vossen. Van die hut uit zult
ge 's avonds het licht in het raam van Meleese kunnen zien.”

Hij wachtte niet op de uitwerking van die laatste woorden, maar begon
zijn weg te zoeken tegen de helling op en met de honden op zijn hielen.
Op den top gekomen draaide hij tusschen twee hooge met sneeuw bedekte
rotsmassa's door en aan de andere zijde daarvan, bijna geheel beschut
tegen den Oostenwind, die de sneeuw opdreef, stonden zij op eens
voor een kleine hut van houtblokken. Er viel in heel den omtrek geen
teeken van leven te bespeuren. Met ongewonen ijver onderzocht Jean de
sneeuwlaag en toen hij zag, dat er geen spoor van mensch of dier in
de ongerepte ijskorst te bekennen viel, kwam er een blijde glans van
verlichting over zijn gelaat.

„Goddank, M'sieur, tot zóó ver heb ik mijn hachje er niet bij
ingeschoten,” grinnikte hij. „Ga nu zelf maar eens kijken en zie of Jean
geen woord heeft gehouden.”

Een pas of twaalf bracht hen door een dichte haag van struiken naar de
andere helling van den heuvel. Jean strekte den arm uit naar de vlakte
en toen Howland in die richting keek, maakte een hevige opwinding zich
van hem meester. Daar ginds toch, op minder dan een kwart mijl afstands,
rees uit een inzinking in de vlakte en daardoor gedeeltelijk beschut,
een complex van blokhuizen op, zwart en verlaten te midden van de witte
woestenij. Eén daarvan was een groot gebouw in den trant van het huis
van den Rooden Dood en juist terwijl Howland er naar stond te kijken,
kwam van achter een der kleinere huizen een span honden met een sleê
te voorschijn, die stilhield vóór het groote blokhuis. De bestuurder,
die duidelijk te onderscheiden viel, begon tot Howland's verbazing
tegen den muur naar boven te klauteren. De ingenieur had namelijk nog
niet opgemerkt, dat langs de buitenzijde van het gebouw een trap was
aangebracht. Maar tegelijkertijd trok de houding van den half-ras zijn
attentie. Croisset boog zich halverwegen uit de struiken en keek, van
zijn hand een telescoop makend, mede aandachtig naar de huizen van de
nederzetting. Plotseling richtte hij zich tot Howland.

„Kijk, M'sieur,—ziet ge dien man, die daar de trap opgaat?—Ik wil u
wel zeggen, dat hij het geweest is, die u op het Pad dien slag op uw
hoofd heeft gegeven en dat hij ook behoorde tot hen, die u in de coyote
opsloten. Dat is zijn woning hier in de nederzetting en waarschijnlijk
gaat hij naar boven om met Meleese te spreken. Als ge een knap schutter
waart, zoudt ge van hier uit uw voordeel kunnen doen, M'sieur!”

De gestalte was blijven staan op wat waarschijnlijk een soort van plat
was, halverwegen den muur van het gebouw. Het was, of hij een oogenblik
de vlakte tot aan den heuvel toe verkende—daarop verdween hij. Howland
had geen woord gesproken, maar elke zenuw in hem trilde op vreemde
wijze.

„Je zegt, dat Meleese—daar is?” vroeg hij aarzelend. „En hij—wie is
hij, Croisset?”

Jean haalde de schouders op, trok zich weer terug in de struiken en liep
langzaam naar de oude hut.

„Non, M'sieur, dàt vertel ik u niet!” zei hij. „Ik heb u hier gebracht.
Ik heb u de trap gewezen, die naar de kamer voert, waar gij Meleese zult
vinden. Ge moogt me tot frikkadellen hakken voor de raven, maar meer zeg
ik u niet!”

Weer verscheen het dreigende vuur in Howland's oogen.

„Wees zoo goed om de handen weer op den rug te leggen, Croisset,” beval
hij. „Ik zal je compliment beantwoorden door ze te binden met hetzelfde
koord, dat je voor mij hebt gebruikt. Daarna—”

„Daarna, M'sieur?—” herhaalde Jean met een greintje van zijn oude
vermetelheid, terwijl hij met zijn rug naar den ingenieur gekeerd en met
de handen achter zich bleef staan. „Daarna?”

„Zult ge me alles vertellen, wat ik wil weten,” eindigde Howland, het
touw om Jean's handen strakker aantrekkend.

Vervolgens leidde hij den weg naar de hut. De deur was gesloten, maar
ging gemakkelijk open, toen hij zijn gewicht er tegen legde. Het
eenige vertrek werd verlicht door een venster, dat een hoop sneeuw
had doorgelaten—en bevatte niets dan een ruwe tafel, tegen een van
de houten wanden aangebracht, drie leege kisten, die klaarblijkelijk
voor stoelen hadden gediend en een gebarsten en verroeste plaatijzeren
kachel, naar allen schijn al lang buiten gebruik. Hij wees Croisset een
plaats aan bij de tafel. Daarop ging hij, altijd zonder een woord te
spreken, naar buiten, legde den voorsten hond goed vast, sloot bij zijn
terugkomst de deur en zette zich ten laatste tegenover den half-ras.

Het licht van het raam viel op Croisset's donker gelaat en scheen
met zilveren glans op het handvat van Howland's revolver, waarvan de
loop—als toevallig—op één lijn was met de borstkas van zijn overbuur.
Er liet zich een dreigende klik hooren, toen de ingenieur den trekker
overhaalde.

„En nu, mijn waarde Jean, zijn we gereed om het werkelijke spel aan
te vangen,” legde hij uit. „Hier zitten wij hoog en droog—en daar
omlaag—juist ver genoeg om buiten het gehoor van deze revolver te zijn,
wanneer ik die afschiet—zitten zij tegen wie wij gaan spelen. Tot nu
toe heb ik steeds in het duister getast. Ik weet geen enkele reden,
waarom ik niet openlijk daarheen zou gaan—waarom ik daar niet welkom
zou zijn en waarom ik er niet op een goeden maaltijd onthaald zou
worden. En toch ben ik overtuigd, dat mijn leven geen duit waard zou
zijn, _als_ ik naar beneden ging. Maar jij kunt me dat alles duidelijk
maken en dat is het, wat ik nu van je eisch. Als je me vertelt, waarom
ik aangewezen ben om op slag vermoord te worden, dan ben ik in elk
geval beter af en dan weet ik, waar mij aan te houden. Vooruit dus—en
opgebiecht! Doe je het niet, dan schiet ik je den kop af.”

Jean zat onbeweeglijk met saamgeknepen lippen en opgeheven hoofd—rustig
en uitdagend.

„Ge moogt schieten, M'sieur,” zei hij kalm. „Ik heb op het kruis van de
Heilige Maagd gezworen, dat ik u niet meer zal vertellen dan ik al deed.
Geen foltering zou er mij toe kunnen brengen om u datgene te zeggen,
waarnaar gij vraagt.”

Langzaam hief Howland de revolver op.

„Nog eens, Croisset,—wil je het me vertellen?”

„Neen, M'sieur—”

Een oorverdoovende knal deed de hut trillen. Er druppelde een straaltje
bloed uit Jean's oorlel. Zijn gelaat was vaal-wit geworden. Maar zelfs
nu de kogel hem op een duimbreed afstands van de hersens had geraakt,
bleef hij zichzelf gelijk.

„Wil je het me zeggen, Croisset?”

Dezen keer mikte de zwarte loop van de revolver juist tusschen de oogen
van den half-ras.

„_Non_, M'sieur.”

De blikken van beide mannen ontmoetten elkaar boven het blauwe staal.
Met een kreet liet Howland het wapen zakken.

„God nog toe—je bent een flinke kerel, Jean Croisset!” riep hij. „Ik
ken wel een dozijn lui, die ik liever zou willen doodschieten dan jou!”

Hij stond op en liep naar de deur. Er viel nog niet veel sneeuw, maar
naar het Noorden toe werd de horizon zwart door den vroeg vallenden
nacht. Met iets zenuwachtigs in stem en houding keerde hij zich opnieuw
tot Jean.

„De duivel hale me, als ik geen lust gevoel om je excuus te vragen,”
riep hij. „Heb je pijn aan je oor?”

„Niet meer dan wanneer ik me aan een doorn had gekrabd,” antwoordde Jean
beleefd. „Gij zijt een goed schutter, M'sieur.”

„Het zou me op het oogenblik niet veel geven of ik je al doodmaakte,”
zei Howland, zich weer op de kist zettend met de kin op de palm van zijn
hand en zijn overbuur aankijkend. „Maar je ziet uit een en ander, dat ik
vrijwel desperaat ben, Croisset en dat het meenens is. We zullen niet
langer kibbelen over de vragen, die ik deed. Ik kwam hierheen om Meleese
te zien en hoe kan dat gebeuren?”

„Op mijn woord—ik weet het niet!” zei Jean, kalm als was er niet een
oogenblik te voren een kogel langs zijn oog gestreken; „voor zoover ik
kan nagaan, is er maar één kans, M'sieur; ge moet in deze hut de wacht
houden en zien of zij er met haar honden op uitgaat. Zij heeft een eigen
span en in gewone tijden rijdt zij daar vaak mee, soms alleen en soms in
gezelschap van een van de andere vrouwen van de nederzetting. Maar in de
laatste weken heeft zij zooveel gesleed, dat ik betwijfel of zij er
vooreerst veel plezier in zal hebben.”

„Ik had eigenlijk plan gemaakt om jou te gebruiken,” zei Howland, „maar
mijn vertrouwen in je is weg. Wezenlijk Croisset, ik geloof, dat het jou
evenmin ter harte zou gaan om me een mes in den rug te duwen als die
moordenaars daar omlaag.”

„Niet in den rug, M'sieur,” glimlachte de half-ras, onbewogen. „Daartoe
heb ik vaak genoeg gelegenheid gehad. _Non_,—sedert ons gevecht van
daar ginds, geloof ik niet, dat ik meer behoefte gevoel om u te dooden.”

„Maar ik zou toch gek zijn, als ik je vertrouwde, niet waar?”

„Niet, wanneer ik u mijn woord had gegeven. Dat breken wij menschen van
het Noorden nooit; zoo wat gebeurt uitsluitend onder de beschaafde lui
aan de Wekusko en verder naar het Zuiden toe.”

„En jelui vermoordt alleen maar bij wijze van tijdverdrijf, niet waar,
mijn goede Jean?”

Croisset haalde de schouders op zonder te spreken.

„Luister eens, Jean,” zei Howland op eens heel ernstig; „ik kan de
verzoeking bijna niet weerstaan om je een kans te geven. Wil je vanavond
nog afdalen naar de nederzetting en zien of je op de een of andere
manier toegang kunt krijgen tot Meleese? Wil je haar een boodschap van
mij overbrengen?”

„En wat zou die boodschap bevatten?”

„Iets, wat haar vanavond nog hierheen zou brengen.”

„Zijt ge daar zóó zeker van, M'sieur?”

„Ja. Wil je het doen, Jean?”

„_Non_, M'sieur.”

„De duivel hale je!” riep Howland geërgerd. „Als ik niet zeker wist, dat
ik je later noodig zal hebben, dan draaide ik je met plezier den nek om,
zooals je daar zit!”

Hij stond op en begaf zich naar de kachel, die, hoe oud ook, nog wel een
vuurtje kon verdragen. Het was buiten inmiddels donker geworden en uit
de nederzetting zou men den rook niet meer kunnen zien. Zwijgend begon
Howland een maaltijd van vleesch en koffie gereed te maken en eerst toen
het eten op tafel stond, verbrak hij de stilte.

„Natuurlijk ben ik niet van plan om je te voeren,” zei hij kortaf. „Ik
zal je handen bevrijden. Maar pas op je tellen!”

En hij legde zijn revolver naast zich op de tafel.

„Ik zou altijd nog kunnen probeeren om u met mijn vork te dooden,”
grinnikte Croisset zacht, terwijl zijn zwarte oogen over een vollen kop
met koffie lachten. „Ik drink op uw gezondheid, M'sieur en ik wensch u
geluk!”

„Dat lieg je!” beet Howland hem toe.

Jean zette den kop neer zonder te drinken.

„Ik spreek de waarheid, M'sieur,” hield hij vol. „Sedert wij daar ginds
samen zoo mooi hebben geworsteld, kan ik niet anders dan u alle goeds
toewenschen. Maar ik drink ook op het geluk van Meleese en ook op dat
van de mannen, die trachtten u op het Pad en in de coyote te dooden.
_Mon Dieu_, hoe moet dat alles nog terechtkomen? De mannen van de
nederzetting zijn gelukkig bij de gedachte, dat gij dood zijt. Gij zelf
zijt niet gelukkig vóór en aleer ge hen dood weet. Hoe kan uit dit alles
het geluk van Meleese voortkomen?—Ik verzeker u, M'sieur, dat ik er
geen greintje minder over tob dan gij. De Heilige Maagd zij mij genadig,
als ik lieg!”

Hij dronk en zijn blik werd somber. Maar terzelfder tijd herinnerde
Howland zich, dat het Jean was geweest, die op het groote Pad van het
Noorden voor hem gevochten had.

„Je hebt dien avond te Prince Albert bijna een van die lui doodgemaakt,”
zei hij langzaam. „Ik begrijp niet, waarom je toen vóór mij streedt en
waarom je me nu niet wilt helpen. Ben je misschien juist dààrom bang om
er heen te gaan?”

„Ik kan er niet heengaan, vóór ik weer in het bezit van een baard ben,”
viel Jean hem met een zacht en diep lachje in de rede. „Gij zoudt niet
de eenige zijn, die den dood vond, als zij mij zagen zooals ik nu ben.
Maar genoeg, M'sieur; meer zeg ik niet.”

„Ik ben wezenlijk niet van zins om het je lastig te maken, Jean,” zei
Howland ter zijner verontschuldiging, toen hij de handen van den
half-ras weer vastbond, nadat zij hun honger hadden gestild. „Maar als
je niet bij je Heiligen of bij wat anders zweert, dat je geen poging
zult ondernemen om om hulp te roepen, dan duw ik je dadelijk een prop in
den mond. Hoe denk je er over?”

„Ik zal niet schreeuwen, M'sieur. Ik geef u mijn woord.”

Howland bond hem nu ook de beenen met een stuk van hetzelfde touw.

„Ik ga op verkenning uit,” zei hij. „Voor je stem ben ik eigenlijk
niet bang—want zet je een keel op, dan zal ik de eerste zijn om je te
hooren. Maar had je je beenen vrij, dan zou je kunnen probeeren om er
van door te gaan.”

„Zoudt ge niet een deken voor me op den grond willen leggen, M'sieur?
Als ge wat lang wegblijft, zal die kist op den duur drommels hard en
scherp worden.”

Enkele minuten later en nadat hij het zijn gevangene zoo gemakkelijk
mogelijk had gemaakt, kroop Howland weer tusschen de struiken door tot
aan den rand van de helling. De vlakte onder hem ging verloren in het
nachtelijk duister. Hij zag niets van de nederzetting behalve twee of
drie lichtjes, die zwak in het donker glinsterden. Sterren waren er niet
en de zich opéénstapelende sneeuwwolken sloten het noorderlicht uit.
Juist toen zijn blik zich naar het Woeste Gebied ten Westen keerde,
begonnen de vlokken dichter te vallen en werden de lichtjes zwakker, tot
alles ten slotte één ondoordringbare chaos leek.

Het was alsof het Howland in deze oogenblikken eerst recht duidelijk
werd, hoezeer een bijna waanzinnig verlangen zich van hem had
meester gemaakt. De snel opeenvolgende feiten hadden hem gedwongen
om zijn gedachtengang te beperken en dien op één enkel punt te
concentreeren—namelijk het opsporen van Meleese en van haar vrienden.
Hij had zichzelf herhaaldelijk voorgehouden, dat zijn handelingen vóór
alles koel en berekenend moesten zijn—dat niets, zelfs niet zijn groote
liefde, hem de zelfbeheersching mocht doen verliezen, die hem tot een
uitverkorene onder de menschen had gemaakt. Terwijl hij daar zoo in de
sneeuw toefde, die dicht op en om hem neerviel, wist hij, dat zijn spoor
binnen enkele uren uitgewischt zou zijn—wist hij, dat hij van hier uit
dus voor onbepaalden tijd Meleese zou kunnen bespieden—zij het dan ook
van verre. En toch begon hij langzaam de helling af te loopen. Een
eindje verder op, daar ginds in het duister, bevond zich het meisje,
voor wie hij alles zou willen opofferen, wat hij in zijn leven had
veroverd. Met elke schrede werd zijn verlangen grooter en vermeerderde
de drang om nog dichter bij haar te zijn, om over de vlakte te sluipen,
om in den sneeuwstorm, die elk geluid dempte, naderbij te komen en het
licht opnieuw te zien, dat—zooals Jean hem had verteld—uit haar
venster straalde.

Hij zakte den heuvel af en ging de vlakte in, zorg dragend om zijn
voeten zóó vast en zóó diep in de sneeuw te planten, dat hij bij zijn
terugkeer naar de hut gebruik zou kunnen maken van dit spoor. In den
beginne had hij nog te kampen met laag hout. Maar al spoedig werd de
ruimte meer open en nu wist hij, dat alleen de nacht en de sneeuw
zijn visioen nog verborgen hielden. Nog steeds had hij geen enkele
beweegreden, geen bepaald doel voor zijn handelingen. De sneeuw zou vóór
den morgen zijn voetstappen uitwisschen. Wat hij deed, kon in elk geval
geen kwaad en misschien zou het hem een glimp geven van het licht—van
_haar_ licht!

Maar op eens begon zijn hart sneller te kloppen en bleef hij
bewegingloos staan. Hij had het blaffen van een hond vernomen en wel van
heel dichtbij, terwijl onmiddellijk daarop het heldere licht van een
lamp zich door den nevel boorde. In minder dan geen tijd begreep hij
wat er was gebeurd. In den chaos vóór hem was als het ware een gordijn
opgetrokken. Hij stond nagenoeg onder de muren van de nederzetting en
het licht, dat hij waarnam, kwam van omhoog, uit een venster boven aan
de trap!

Een oogenblik bleef hij zoo staan, luisterend en uitkijkend. Er
vertoonde zich geen ander licht. De hond liet zich niet meer hooren. Om
hem heen viel de sneeuw, dicht en stil—en dat gaf een zeker gevoel van
veiligheid. De scherpste oogen konden hem niet zien, de scherpste ooren
konden hem niet hooren. Hij worstelde weer voort tot er vlak vóór hem
uit de duisternis een dichte, zwarte massa oprees, nog donkerder dan
de nacht zelf. Het eenige verlichte raam was nu duidelijk zichtbaar,
de gordijnen waren voor twee derden weggetrokken en toen hij opkeek,
zag hij er een schaduw langs heenglijden. Was het de schaduw van een
vrouwengestalte? Het raam werd donkerder, toen zij die daar binnen
toefde, er dicht bij kwam en Howland stond met saamgeknepen vuisten en
wild bonzend hart bijna gereed om zacht een naam te roepen. Nog een
beetje dichter bij—één schrede maar—en hij zou weten! Hij zou een
patroon uit zijn gordel kunnen nemen en die, in een sneeuwbal gewikkeld,
tegen het raam kunnen werpen om attentie te trekken en dan—?

De schaduw verdween. Flauw teekende de met sneeuw bedekte trap zich af.
Howland sloop er heen. Het licht kwam uit een raam een voet of tien
boven hem. Hij zag om zich heen in de duisternis, waaruit hij gekomen
was. Niets—niets dan de sneeuwstorm. Snel kroop hij de trap op.



HOOFDSTUK XV.

In het Slaapvertrek.


Toen Howland het plat had bereikt, waar de trap op uitliep, bleef hij
even, tegen den zwarten muur gedrukt, staan. Zijn tastende hand vond een
deurstijl en van schrik hield hij den adem in, toen een ijzeren klink
onder zijn aanraking rammelde. Hij waagde zich een schrede of wat verder
en kwam nu tot bij het raam; hij liet zich op zijn knieën in de sneeuw
zakken en kreeg op die wijze een overzicht van bijna de heele kamer.
Tegenover zich had hij een matig verlichten wand, bij het raam stond een
kleine tafel vol boeken en tijdschriften en daarnaast een chaise longue
bedekt met een groote witte berenhuid. Boven de tafel, buiten zijn
gezichtskring hing de lamp. Hij schoof zich nog een duim of wat verder
door de sneeuw en rekte zich uit, totdat hij het voeteneinde zag van een
wit bed. Nog een handbreed en hij lag doodstil, het witte gelaat
letterlijk tegen de ruiten gedrukt.

Op het bed met het gelaat naar zijn zijde gekeerd, zat Meleese. Haar kin
rustte op de palm van haar hand; een peignoir hing haar los om de leden
en hij merkte op, dat het mooie haar in glinsterende golven om haar heen
hing, als had zij het juist voor den nacht geborsteld. Elke lichte
beweging, elke kleine verandering in de richting van haar blik zou
maken, dat zij hem zag. Hij voelde zich ten prooi aan een alles
overheerschenden drang om zijn gelaat nog dichter tegen het raam te
drukken, om daar tegen te kloppen, om haar blik tot zich te trekken,
maar toen hij de hand ophief om aan die begeerte te voldoen, was er
iets, dat hem weerhield. Langzaam toch beurde het meisje het hoofd op
en een volgende impulsie deed hem terugwijken tot zijn gestalte zich
opnieuw oploste in het geheimzinnige sneeuwwaas. Hij zag nog hoe
zij—zich van hem afwendend—haar lokkenpracht naar achteren wierp
om zich in die wolk van goud en koper te verliezen; hij bleef haar
van verre aanstaren, half angstig en half weifelend, terwijl zij de
haarmassa in drieën deelde om er één zware, glanzige vlecht van te
maken.

Opnieuw gleed zijn blik rond. Zij was alleen in de kamer. Hij zag een
deur en hij begreep, dat die naar een ander vertrek moest leiden, dat
mede bereikt kon worden door de deur op het plat achter hem. Met de
zakelijkheid hem eigen trok hij dadelijk een conclusie. Dit was de
woning van Meleese; die woning stond geheel op zichzelf in de
nederzetting—en het jonge meisje was bezig met haar toebereidselen voor
den nacht. Was die buitendeur niet gesloten, dan kon hij binnengaan en
wie zou hen storen? Het was al laat. Alle menschen sliepen. Er was geen
ander licht dan dat van het raam, waardoor hij staarde.

Nauwelijks kwam het idee bij hem op, of hij stond al bij de deur. De
klink klikte zacht onder zijn vingers. Voorzichtig deed hij open en
schoof hij hoofd en schouders naar binnen. Er kwam hem een kille,
vochtige atmosfeer tegemoet. Hij stak een arm uit naar rechts en zijn
hand stuitte op een ruwen muur; hij deed nog een stap voorwaarts
en reikte naar links—en ook daar een muur. Hij bevond zich dus
klaarblijkelijk in een nauwe gang. Vóór zich uit zag hij onder de deur,
die naar de kamer van Meleese leidde, een dunnen lichtstraal. Zichzelf
moed insprekend voor den laatsten worp, ging hij daar resoluut op af,
klopte even aan als om te waarschuwen en trad vervolgens binnen. Meleese
was weg! Nauwelijks zijn oogen geloovend, sloot hij de deur achter zich
dicht en tegelijkertijd ontdekte hij, heel aan het eind van de kamer,
een gordijn, dat zacht heen en weer ging, als bewoog zich iemand aan de
andere zijde daarvan.

„Meleese!” riep hij zacht.

Doodsbleek en druipnat van sneeuw, met een gelaat waaruit al het bloed
scheen weggevloeid, ten gevolge van de hevige aandoening, stond hij met
half uitgestrekte armen midden in het vertrek, toen het gordijn op zij
werd geschoven en het jonge meisje te voorschijn trad. Eerst herkende
zij hem niet in zijn spookachtig besneeuwde kleedij. Maar vóór er
nog een angstkreet over haar lippen kon komen, verving een blos de
doodelijke bleekheid van haar gelaat. Gedurende enkele oogenblikken
zwegen beiden, gescheiden als zij daar stonden door de breedte van het
vertrek—Howland met smeekend gebaar de armen opheffend naar het jonge
meisje—Meleese met de handen tegen den boezem gedrukt, zacht snikkend
met niet meer geluid dan het zachte geklapwiek van een jongen vogel.

En toen Howland door de kamer op haar toeschreed, had ook hij geen
woorden; hij vergat alles wat hij had willen zeggen om haar alleen naar
zich toe te trekken en haar hoofdje tegen zijn borst te leggen; zeker
als hij was, dat niets haar op meer welsprekende wijze zou kunnen
overtuigen van zijn liefde, dan het hevige kloppen van zijn hart en
zijn hartstochtelijk drukken van zijn eigen gelaat tegen het hare.

Ten laatste werd de stilte verbroken door een korten, half gesmoorden
kreet, terwijl het gelaat, dat zich plotseling tot hem keerde en dat nu
door angst beroofd was van zijn blos, slechts getuigde van een vrees,
die vooralsnog geen uiting vond in woorden. Hij voelde hoe de armen
zich trachtten te bevrijden en hij las in den starenden, vragenden blik,
dat zijn tegenwoordigheid haar angst aanjoeg. Die omkeer was hem niet
onwelkom. Hij had dien schrik en dien tweestrijd verwacht en hij riep
al zijn krachten bijeen voor wat komen zou. Hij opende zijn armen en
Meleese gleed er uit, haar handen nog steeds geklemd tegen de los
neerhangende draperie van haar kleed.

„Ik ben gekomen om je te halen, Meleese,” zei hij, als was zijn komst
niet onverwacht. „Jean is mijn gevangene; ik dwong hem om mij naar de
hut op den heuvel te brengen en daar wacht hij mij met de honden. We
vertrekken nog dezen nacht—nu dadelijk!” Plotseling sprong hij naar
haar toe en werd zijn stem één luide, smeekende bede. „Groote God,
zie je dan niet hoe lief ik je heb?” ging hij voort, haar wit gelaat
tusschen zijn beide handen nemend. „Begrijp je het niet, Meleese?—Jean
en ik, we hebben gevochten—hij ligt aan handen en voeten gebonden in
gindsche hut—en ik wacht alleen maar op jou—op jou—” En hij drukte
haar lief gelaat zoo vast tegen het zijne, dat hij den bevenden adem op
haar lippen voelde. „Ik ben gekomen om je te halen—en ik zal om je
vechten, als je niet meegaat,” fluisterde hij, vastbesloten.

„Ik weet niet, waarom je vrienden mij voortdurend naar het leven
staan—ik weet niet waarom zij mij willen dooden en het kan mij nu
ook niet meer schelen waarom. Maar jou wil ik hebben. Ik heb van het
oogenblik af, dat ik je voor het eerst door het raam van het hotel zag,
elke minuut, elk uur naar je verlangd en ik zal je niet opgeven, zoolang
ik leef. Als je niet mee wilt gaan, als je niet nu—vannacht nog—met me
wilt wegtrekken—” hij hield haar vast tegen zich aangeklemd en zijn
stem beefde in haar lokken—„dan blijf ik hier—bij je!”

Die laatste woorden, door hem op beslisten toon geuit, sloten meer in
zich, dan al wat hij te voren had gezegd en ontlokten Meleese, die zich
nu weer meer van hem verwijderde, een luiden kreet van protest.

„Neen, neen, neen!” hijgde zij, terwijl haar handen zijn arm vastgrepen.
„Je moet weggaan—dadelijk—nu—” Zij drong hem naar de deur en toen
hij, een schrede terugwijkend, haar in het gelaat keek, zag hij hoe zij
sidderde en hoorde hij opnieuw haar onrustige ademhaling. „Ze zullen je
vermoorden, wanneer ze je hier vinden!” riep zij. „Zij denken, dat je
dood bent, dat je door het ijs gezakt en verongelukt bent. Als je me
niet gelooft, als je niet aannemen kunt, dat ik nooit met je _kan_
meegaan, zeg dan aan Jean—”

Het was of de woorden haar verstikten en zij deed een vergeefsche poging
om voort te gaan.

„Zeg dan aan Jean—wat?” vroeg hij zacht.

„Wil je dan weggaan?” riep zij snikkend, maar dringend alsof hij haar
al begreep. „Wil je weggaan als Jean je alles vertelt van mij—van—”

„Neen!” viel hij haar kortaf in de rede.

„Als je alles maar wist, dan zou je heengaan—dan zou je me nooit meer
wenschen te zien. Je zou dan begrijpen—”

„Ik zal nooit begrijpen,” viel hij haar weer in de rede. „Ik verzeker
je, dat jij het bent, Meleese, die niet begrijpt. Het kan mij niets
schelen, wat Jean te vertellen heeft. Wat er ook gebeurd mag zijn, naar
jou zal mijn verlangen altijd uitgaan. Begrijp je dat dan niet? Wat er
ook gebeurd is—of nog gebeuren kan, tenzij—”

Hij hield een oogenblik in en keek haar recht in de oogen.

„Tenzij, Meleese,” herhaalde hij daarop bijna fluisterend, „tenzij je
daar ginds op het Pad bij de Wekusko gelogen hebt, toen je zei, dat ik
geen zonde beging als ik je liefhad.”

„En als ik je nu zeg—als ik nu beken, dat dit wèl het geval is—dat ik
daar ginds onwaarheid heb gesproken—wil je dan heengaan?” vroeg zij
snel.

Haar oogen vlamden hem tegen met een vreemd licht.

„Neen,” zei hij kalm—„dan zou ik je eenvoudig niet gelooven.”

„Maar het is waar. Ik heb gelogen—ik heb je daar ginds op vreeselijke
wijze voorgelogen. Ik heb zelfs nog erger kwaad bedreven—neen, je
_moet_ gaan! Als er iemand kwam en je hier vond—”

„Dan zou er alleen een worsteling plaats vinden,” zei hij streng. „Ik
was al op vechten voorbereid, toen ik hierheen kwam.” Hij zweeg en in de
stilte, die nu volgde, boog het bruine hoofdje vóór hem zich langzaam en
liep er een siddering door haar slanke gestalte. Van Howland's gelaat
daarentegen was de bleekheid verdwenen. De stomme overgave, het zachte
snikken in haar ademhaling, de bekentenis, die hij las in haar zwijgende
smart, dat alles deed zijn hart sneller kloppen; weer sloot hij haar in
zijn armen en keerde hij haar gelaat naar het zijne. Nu bood zij geen
tegenstand meer—nu smeekte zij hem niet langer om heen te gaan; maar
opnieuw las hij in haar oogen de bede, waarmee zij tot hem was gekomen
op het Pad aan de Wekusko en opnieuw verried de bevende roode mond
dezelfde liefde, denzelfden tweestrijd en dezelfde halve overgave, die
zich toen reeds in zijn ziel had gegrift. En uit zijn blik spraken
liefde, triomf en een eindeloos vertrouwen; hij drukte haar gelaat nog
nauwer tegen het zijne, totdat de lieve mond als een roos gereed lag om
zijn kus te ontvangen.

„Ja—eenmaal heb je me iets verteld, dat niet waar was—dat was daar
ginds—” fluisterde hij, „en je hebt me toen beloofd, dat je het nooit
weer zou doen. Ik weet, dat je geen kwaad hebt bedreven in den zin dien
ik bedoel—al tracht je om mij dat te doen gelooven.” Zijn armen sloten
zich nu nog vaster om haar heen en in zijn stem klonk wilskracht en
vastberadenheid. „Waarom toch wil je me niet alles vertellen?” vroeg
hij. „Je denkt, dat ik, als ik geheel op de hoogte van je doen en
laten was, nooit zou wenschen om je weer te zien—dat ik dadelijk zou
terugkeeren naar het Zuiden. Je hebt dat zelf gezegd. Maar waarom vertel
je me dan dat alles niet nu, wanneer je werkelijk wenscht, dat ik wegga?
Zijn daar onoverkomelijke bezwaren aan verbonden—welnu, laat het dan
rusten en trek nog vannacht met mij mee. We zullen gaan, waarheen je
wilt—naar het einde van de wereld—”

Hij zweeg, toen hij de uitdrukking zag, die over haar gelaat was
gekomen; als verlamd door een plotselingen schrik hield zij den blik
gevestigd op het raam, waartegen de sneeuw tikte. Onwillekeurig volgde
zijn oog het hare en nu zag hij het hoofd van een man, die—zich dicht
tegen de ruiten drukkend—naar binnen keek. Howland kreeg een vluchtigen
indruk van een paar woeste oogen, die hen aanstaarden en van een wilden,
zwaren baard, die geheel wit was van sneeuw. Hij herkende dat gelaat.
Het was hetzelfde, waarnaar hij had opgekeken, toen, tijdens den overval
op het groote Pad naar het Noorden bij Prince Albert, het leven uit
hem scheen te wijken en hij las op dat gelaat nog denzelfden haat en
dezelfde duivelsche woestheid, die het toenmaals hadden gekenmerkt.

Snel sprong hij ter zijde en richtte hij zijn revolver op de plek, waar
hij het had aanschouwd. Maar reeds was het verdwenen; hij zag nu boven
den glinsterenden loop van zijn wapen alleen de zacht neervallende
sneeuwvlokken, die hem schenen te bespotten, terwijl tegelijkertijd een
luid geschreeuw zich liet hooren, gevolgd door een niet minder luid
geroep van namen en een woest openstooten van de buitendeur op het plat.

Howland maakte een halve wending en richtte het pistool op de kamerdeur.
Maar het jonge meisje was hem vóór en hij had nog maar juist den tijd
om zijn wapen met een waarschuwenden kreet hooger te richten. In
een oogwenk had zij den grendel voorgeschoven, die de deur aan de
binnenzijde afsloot en was zij tot hem teruggekeerd met doodsbleek
gelaat en stokkenden adem. Zij sprak geen woord; angstig kreunend greep
zij hem bij den arm en trok zij hem mee voorbij het licht en tot achter
het gordijn, dat haar had verborgen, toen hij enkele minuten te voren de
kamer was binnengekomen. Zij bevonden zich nu in een tweede vertrek,
zwak verlicht door het schijnsel van een kolenvuur, dat uit de open deur
van een potkachel straalde. Ook hier was een venster, dat uitzag in den
donkeren nacht en onstuimig trok zij hem daarheen, haar vingers als in
doodsangst, diep in het vleesch van zijn arm drukkend.

„Zie door dit raam weg te komen!” riep zij met gesmoorde stem. „Gauw!—O
God, waarom haast je je niet? Wil je dan niet gaan?”

Howland was blijven staan. Uit de duistere gang klonk een hevig gebeuk
van zware vuisten op de deur; een toornige stem vroeg om toegang en
tegelijkertijd liet zich buiten een luid geroep en een vinnig geblaf
hooren.

„Waarom zou ik vluchten?” vroeg hij. „Een minuut geleden zei ik je
immers, dat ik was gekomen, bereid om zoo noodig te vechten. Ik blijf,
Meleese—en ik zal vechten!”

„Och, ik smeek je, ga—ga toch!” snikte zij, hem dichter naar het raam
trekkend. „Je kunt wegkomen onder bedekking van den sneeuwstorm. Die
wischt je spoor uit en als je blijft, zullen ze je dooden—dooden—”

„Ik wil liever al vechtende sterven, dan zonder je te vluchten,” viel
hij haar in de rede. „Als je wilt—”

Zij drukte zich opnieuw tegen zijn borst.

„Nu niet—ik kan niet—langs dien weg,” snikte zij. „Maar ik zal bij je
komen. Ik beloof het je—ik zal je volgen.” Eén oogenblik nam zij zijn
gelaat tusschen haar handen. „Wil je gaan, als ik het je beloof?”

„Je zweert, dat je me zult volgen?—dat je naar de Wekusko zult
komen?—Bij God, Meleese, spreek je de waarheid?”

„Ja, ja—ik zal komen, als je nu maar weggaat.” Zij maakte zich los en
hij hoorde haar bezig bij het raam. „Ik zal komen—ik zal komen—maar
niet aan de Wekusko. Dien weg zullen je vijanden inslaan. Trek dadelijk
door naar Prince Albert—naar het hotel, waar ik door het raam naar je
keek.—Ik kom daar te eeniger tijd—zoo gauw mogelijk—”

Een koude windvlaag streek hem over het gelaat. Hij had het pistool in
den holster gestoken en nu opnieuw sloot hij Meleese vast in zijn armen.

„Zul je mijn vrouw worden?” fluisterde hij.

„Ja—als je me nog hebben wilt, wanneer je weet, wie ik ben. Ga nu—om
Gods wil, ga—”

Hij wrong zich door het raam; één oogenblik bleef hij nog hangen.

„Als je niet komt—binnen een maand—dan zie je me hier terug!” riep
hij.

Nog eenmaal legde zij haar handen op zijn gelaat. Opnieuw—zooals op het
Pad bij de Wekusko—voelde hij den zachten druk van haar lippen.

„Ik kom,” fluisterde zij.

Haar handen stieten hem weg en hij moest zich laten vallen in de dikke
sneeuw daar omlaag.

Nauwelijks hadden zijn voeten die bereikt, of hij hoorde in zijn
onmiddellijke nabijheid het woedende geblaf van een hond, die hem—toen
hij onder bedekking van den storm voortsnelde—van heel nabij op de
hielen zat. Het was een Mackenzie—een bastaardras, dat zich uit het
Zuiden een weg heeft gebaand naar het Noorden en dat de eigenaardigheid
heeft van onder het loopen aldoor te blaffen. Tusschen het alarm
van den hond en het zich daarbij aansluitende geroep van de mannen
verliep nauwelijks een seconde. Aldra werd er van het plat een serie
geweerschoten gelost. De kogels floten den vluchteling om het hoofd,
terwijl een schorre stem, zich in het geweld mengend, den hond nog
aandreef, die nu tot op een sprong genaderd was.

Howland begon te begrijpen, dat de sneeuw en de duisternis hem onder
dergelijke omstandigheden van niet veel dienst konden zijn bij zijn
strijd om het leven. Die hond vervulde hem met ongekenden angst en het
beest zweeg geen oogenblik. Er bleef den vluchteling maar één kans over
en die greep hij aan. Langzaam zijn vaart verminderend, trok hij zijn
revolver en spande hij den haan om zich vervolgens plotseling om te
wenden en te trachten de Nemesis te dooden, die hem op de hielen zat.
Tot driemaal toe vuurde hij, snel achtereen, op een beweeglijk punt in
den sneeuwnevel en ten laatste verried een jammerlijk gehuil, dat het
moordende lood doel had getroffen.

Opnieuw worstelde hij voort met een gesmoorden kreet van woede op de
lippen. Nooit nog had het strijdvuur zóó in hem gewoed als in deze
oogenblikken. Daar ginds, achter dat raam, zat Meleese, in doodsangst
luisterend en voor hem biddend. En het was juist de overtuiging, dat
zij zich daar bevond, dat hij haar ten laatste had gewonnen en dat
hij om haar bezit streed, die hem vervulde met een aan krankzinnigheid
grenzende blijdschap. Niets kon hem nu langer tegenhouden; al dravend
laadde hij opnieuw zijn revolver. Maar naarmate hij verder kwam, hield
hij een weinig in; in den sneeuwstorm zou men zijn spoor toch maar met
den gewonen looppas kunnen volgen.

Aan Jean Croisset, die daarginds op den heuvel, aan handen en voeten
gebonden, in een kleine hut lag te wachten, dacht hij niet meer. Toen
hij in het laatste moment van zijn samenzijn met Meleese, nog aan het
raam hing, vóór hij den sprong waagde, was het in hem omgegaan, dat het
eigenlijk dwaas zou zijn om naar den half-ras terug te keeren.

Meleese toch had beloofd om bij hem—Howland—te zullen komen. Hij
vertrouwde op die belofte—en dus had hij Jean niet langer noodig. Hij
wilde zich alleen verbergen in de wildernis, hij wilde alleen zijn weg
zoeken naar het Zuiden; zijn revolver zou hem van voedsel voorzien, zijn
kompas en de lucifers in zijn zak moesten de rest doen. Maakte hij geen
gebruik van een slee, dan konden zijn vijanden het spoor ook niet volgen
en dan zou niemand hem verraden. Nog geen duizend man zouden in staat
zijn om hem te vinden, als de sneeuw van dezen nacht eenmaal zijn
voetstappen had uitgewischt en mocht de een of ander daar toch in
slagen, welnu dan zouden zij maar met hun beiden zijn en dan konden zij
het uitvechten.

Een oogenblik bleef hij staan luisteren en keek hij terloops achter zich
in de duisternis. Toen hij zich omkeerde om verder te gaan, stond zijn
hart stil. Er was—een pas of zes voor hem uit—een schaduw opgerezen
uit den nacht en eer hij nog zijn revolver kon opheffen, werd die
schaduw verlicht door een vuurstraal. Howland wankelde, zijn vingers
lieten het pistool los en toen hij in de sneeuw ineenzakte, hoorde hij
boven zich de schorre stem, die den hond had aangezet. Daarop volgden
oogenblikken van stilte—een zwarte chaos zonder leven en zonder
gedachten—en eindelijk het geluid van naderende menschen, dat zich op
zijn beurt oploste in één enkele, kreunende en snikkende stem, die
aldoor zijn naam riep—een stem, die tot hem scheen te komen van heel
ver weg en waarin hij die van Meleese herkende. Hij trachtte te spreken
en zijn armen op te heffen, maar zijn tong was als lood en handen en
voeten leken geketend door ijzeren banden.

De stem stierf weg. Het was hem als maakte hij een nacht door zonder
spreken en zonder pijn, waarin ten laatste een glimp van den dageraad
doorbrak; als gingen er jaren voorbij sedert zijn pogingen om zich te
bewegen en zich uit den chaos op te heffen. Maar ten laatste overwon
hij; zijn oogen openden zich en hij richtte zich op. Zijn eerste
gewaarwording was, dat hij niet langer in de sneeuw lag en dat de storm
hem niet meer in het gelaat sloeg. In plaats daarvan voelde hij een
vochtige gevangenisatmosfeer. Overal was het zwart—overal behalve op
één plek, waar een vurig geel-rood oogje hem aankeek en hem toewenkte.
Eerst leek dat oog hem mijlen ver weg. Maar het kwam al nader en nader,
totdat hij ten laatste zag, dat het een kaars was, die plechtig als een
lijktoorts op een paar meter afstands van hem stond te branden.



HOOFDSTUK XVI.

Jean's Verhaal.


Het was dit kaarslicht wat Howland tot bewustzijn terugbracht—en tevens
tot een gewaarwording van pijn. Hij wist, dat hij niet langer in de
sneeuw lag, want toen hij een poging deed om zich op te richten, kwamen
zijn vingers in aanraking met vochtige aarde en kreeg hij tegelijkertijd
een gewaarwording alsof men hem met een roodgloeiend mes van schedel tot
borstkas doorkliefde. Die oogenblikkelijke pijn ontlokte hem een
scherpen kreet en vol angst en vrees greep hij met beide handen naar
zijn hoofd. Maar het verschijnsel herhaalde zich niet en hij bewaarde
een zittende houding. Het was hem als stonden honderden kaarsen daar als
even zoovele uitdagende oogen vóór hem te dansen en te schitteren. Het
maakte hem duizelig—het bezorgde hem een gevoel van walging, totdat die
lichten één voor één verdwenen en alleen het rustige schijnsel van de
enkele werkelijke kaars achterbleef.

De vingers van Howland's rechterhand voelden kleverig aan, toen hij die
van zijn hoofd wegnam; hij huiverde. De vlam, die in den nacht was
uitgesprongen, de luide knal, de stroom van vuur, die zijn hersens
scheen te doorboren, dat alles begon beteekenis voor hem te krijgen. Het
was dus op het kantje af geweest en er liep hem een rilling over den
rug, toen hij probeerde om te gaan staan. Het schot van zijn vijand had
hem op zij van het hoofd geraakt. Een duim, een halven duim verder en
hij zou niet meer wakker zijn geworden. Even sloot hij de oogen en toen
hij die weer opende, was het visioen weg. Hij kon nu om zich heen—zij
het dan ook onduidelijk—de zwarte muren van zijn kerker onderscheiden.
Het leek hem een eeuw vóór hij op zijn beenen stond en aleer hij de
kaars bereikte. Behoedzaam voelde hij zijn weg langs den muur, totdat
hij aan een zware, lage en aan den buitenkant gegrendelde deur kwam.
Even voorbij die deur vond hij een opening, klaarblijkelijk gehouwen uit
de hier en daar verteerde houtblokken. Het was een spleet van een yard
lang en nauwelijks wijd genoeg om er een arm doorheen te kunnen steken.
Bij het voortzetten van zijn onderzoekingstocht ontmoette hij nog drie
soortgelijke openingen; zij deden hem denken aan de spleet onder de
zoldering van _La Maison de la Mort Rouge_, waardoor hij naar de
besmette hut had gegluurd en maakten de eenige ventilatie uit van zijn
gevangenis.

Hij zette de kaars weer op de tafel, ging op den stoel zitten, die
daarbij stond en begon zijn zakken één voor één te inspecteeren. Zijn
gordel en zijn revolver waren verdwenen. Zijn brieven en zijn papieren
eveneens. Zelfs geen lucifer was hem gelaten.

Plotseling hield hij op met zijn onderzoek om te luisteren. Het was
alsof hij, heel flauw, het tikken hoorde van zijn horloge. Hij tastte
in zijn borstzak. Maar die was leeg. Weer luisterde hij met gespannen
aandacht. En dezen keer was hij er zeker van, dat het geluid van omlaag
kwam en hij hield de kaars bij den grond, totdat het licht op iets geels
viel, dat dicht bij zijn voeten lag. Het was zijn horloge en er naast
lag zijn leeren zakportefeuille. Het geld daarin was onaangetast, maar
zijn naamkaartjes en een half dozijn brieven waren er uit verdwenen.

Hij keek nu hoe laat het was. De uurwijzer stond op vier. Was het
mogelijk, dat hij meer dan zes uur lang bewusteloos had gelegen?
Hij had Jean al gauw na het vallen van den avond op den heuveltop
achtergelaten—het was niet later dan negen uur geweest, toen hij zich
bij Meleese bevond. Zeven uren! Weer bracht hij de hand aan het hoofd.
Zijn haar was stijf van geronnen bloed. Ook op zijn wang en op zijn nek
zat het en het bovendeel van zijn jas was er mee gedrenkt. Hij moest
veel bloed verloren hebben en het bevreemdde hem, dat hij nog leefde;
zijn belagers hadden hem in al die uren niet de minste hulp geboden; zij
hadden zijn hoofd zelfs niet verbonden.

Meenden zij misschien, dat het schot doel had getroffen—dat hij al dood
was, toen zij hem in den kerker wierpen? Of was dit slechts een bewijs
te meer van de brute barbaarschheid dergenen, die hem voortdurend naar
het leven stonden? Met de krachten keerde ook de strijdlust in hem
terug. Als ze hem maar één wapen hadden gelaten—desnoods het kleine
zakmes—dan had hij nog een poging kunnen doen om een paar rekeningen te
vereffenen. Nu was hij hulpeloos.

Toch school er nog een straal van hoop in de mogelijkheid, dat zij hem
dood waanden. Als zij, die hem in de gevangenis hadden geworpen, zich
daarvan overtuigd hielden, dan was hij veilig gedurende verscheidene
uren. Vóór het helder dag was, zou er niemand komen om zijn lichaam weg
te halen—en misschien kwamen zij wel niet voor den volgenden avond, als
ze een graf hadden gedolven en hem in het geheim konden wegdragen. Zag
hij kans om uit den kerker te ontsnappen, dan zou hij tegen dien tijd
goed en wel op weg zijn naar de Wekusko. Hij twijfelde geen oogenblik of
Jean zat nog in de hut op den bergtop. Daar waren ook de honden en de
slee en de twee geweren, op de plek, waar hij die verstopt had. Het zou
een harde dobbel zijn—misschien wel een loopende strijd—maar hij zou
overwinnen en na eenigen tijd zou Meleese bij hem komen, daar ginds, ver
weg, in het kleine hotel aan de Saskatchewan.

Hij stond op, zijn bloed werd warmer en zijn oogen glinsterden bij het
licht van de kaars. De gedachte aan het meisje, zooals zij in den nacht
naar buiten en tot hem gekomen was, gaf hem heel zijn oude strijdkracht,
heel zijn onoverwinnelijke hoop en heel zijn zelfvertrouwen terug. Zij
was hem gevolgd, toen de hond, nadat de eerste schoten waren gevallen,
hem blaffend op de hielen zat; zij had naast hem geknield, toen hij
bloedend in de sneeuw terneerlag aan de voeten van zijn vijanden. Hij
had haar stem gehoord, die hem bij zijn naam riep, hij had de aanraking
van haar armen, den angst en de liefde op haar lippen gevoeld, toen zij
meende, dat hij stierf. Zij had zich aan hem gegeven en zij zou tot hem
komen—zijn sneeuwjonkvrouw—als hij maar kon ontsnappen!

Hij liep naar de deur en drukte er tegen met zijn schouders. Zij was
onwrikbaar. Weer stak hij een hand en een arm door de eerste spleet.
Het hout, waarmee zijn vingers in aanraking kwamen, was rot van vocht
en van ouderdom en hij merkte, dat hij er handen vol van kon wegnemen.
Met bijkans dierlijken ijver zette hij zich aan het werk. De zachte
vermolmde vezels lieten zich zoo gemakkelijk verwijderen, dat hij
stellig zijn vrijheid zou herwinnen lang vóór een van de mannen in de
nederzetting wakker werd.

Een geluid deed hem aflaten—een hol kuchje, dat uit de duisternis
buiten den kerkermuur kwam. Het werd even later gevolgd door een
lichtstraal en snel week Howland terug tot bij de tafel. Hij hoorde hoe
de grendel werd weggeschoven en terzelfder tijd bedacht hij of hij niet
beter zou hebben gedaan door zijn oude positie op den vloer weer in te
nemen. Nu echter was het daarvoor te laat. De deur draaide op haar
hengsels en er viel een lichtstraal door de kamer. Eén oogenblik werd
Howland er door verblind en het was eerst, toen de drager van de lamp
halfweg de tafel was gekomen, dat hij in den bezoeker Jean Croisset
herkende. Het gelaat van den half-ras was woest en verwilderd. Zijn
oogen glinsterden met een rooden gloed en leken met bloed doorloopen,
toen hij den ingenieur aanstaarde.

„_Mon Dieu_, ik hoopte, dat ik u dood zou vinden!” fluisterde hij met
schorre stem.

Hij reikte omhoog om de groote olielamp, die hij droeg aan een haak in
de zoldering te hangen en Howland keek met verbazing naar de uitdrukking
van zijn gelaat. Jean's groote oogen glinsterden als gloeiende kolen
in een doodenmasker. Angst en pijn hadden diepe lijnen in zijn gelaat
gegroefd. Zijn handen beefden, toen hij de lamp tot rust bracht. In de
enkele uren sinds Howland hem als zijn gevangene op den heuveltop had
achtergelaten, was hij een oud man geworden. Zelfs zijn schouders
zakten, toen hij zich van de lamp naar den ingenieur wendde, naar voren
op een wijze, die van zwakte en van wanhoop getuigde.

„Ik had gehoopt, dat ik u dood zou vinden, M'sieur,” herhaalde hij met
een stem zóó zacht, dat zij buiten de deur niet gehoord kon worden. „Het
was daarom, dat ik geen verband om uw wond legde en u geen water gaf,
toen zij u aan mijn zorg overlieten. Ik hoopte, dat gij zoudt
doodbloeden. Dat zou voor ons beiden gemakkelijker zijn geweest.”

Hij haalde een tweede tabouret onder de tafel uit en zette zich
tegenover Howland. De twee mannen staarden elkaar aan over het
sputterende restant van de kaars. Vóór de ingenieur nog was bekomen van
zijn verbazing over het plotselinge verschijnen van den man, dien hij
veilig en wel meende opgesloten te hebben in de oude hut, vielen
Croisset's speurende oogen op de massa versplinterd hout bij de
ventilatie-opening.

„Te laat, M'sieur,” zei hij veelbeteekenend. „Zij houden daar de wacht.
Het is onmogelijk voor u om te ontsnappen.”

„Datzelfde dacht ik van jou,” hernam Howland, zich dwingend om kalm te
blijven. „Hoe heb je het geleverd?”

„Al gauw nadat zij u hadden gepakt, M'sieur, kwamen zij naar boven om
mij te bevrijden. Ik ben dankbaar, dat ge aan mij dacht, want als ge het
hun niet hadt verteld, dan zou ik daar van honger gestorven zijn, als
een beest in een val.”

„Dat is het werk geweest van Meleese,” zei Howland. „Ik vertelde het
haar.”

Jean liet het hoofd op de handen vallen.

„Ik ben juist bij Meleese geweest,” fluisterde hij zacht. „Zij laat u
hartelijk groeten, M'sieur en zij zegt, dat ge alle hoop nog niet moet
opgeven. Groote God—als zij maar wist—als zij maar wist, wat er gaat
gebeuren! Niemand heeft het haar verteld. Zij wordt gevangen gehouden
in haar kamer en na dàt—na wat er daarginds op de vlakte gebeurde,
toen zij naar buiten kwam en als een krankzinnige vocht om u te
redden—zullen zij haar de vrijheid niet teruggeven eer alles voorbij
is. Hoe laat is het, M'sieur?”

Howland voelde een klamme siddering over zijn rug gaan, toen hij op zijn
horloge keek.

„Halfvijf.”

De half-ras huiverde; zijn vingers sloten en openden zich op
zenuwachtige wijze, terwijl hij dichter tot zijn metgezel overboog.

„De Heilige Moeder Gods zij mijn getuige, dat ik tien jaar van mijn
leven zou willen missen, als ik u daarmee de vrijheid terug kon geven,”
fluisterde hij snel. „Ik zou het dadelijk doen, M'sieur. Ik zou u o zoo
graag willen helpen, als ik er maar kans toe zag. Zij houden de wacht in
de kamer boven aan de trap en om zes uur—”

Het was of zijn stem stokte en hij kon niet verder gaan.

„Om zes uur—wat dan?” drong Howland aan. „Mijn God, man—waarom kijk je
zoo benauwd? Wat zal er om zes uur gebeuren?”

Jean richtte zich op. Er glom een vonk van het oude vuur in zijn blik en
zijn stem klonk vast en helder, toen hij weer begon te spreken.

„Ik kan geen tijd vermorsen met meer gepraat, M'sieur,” zei hij bijna
barsch. „Zij weten nu, dat ik het was, die voor u vocht—en voor
Meleese—op het Groote Pad naar het Noorden. Zij weten nu, dat ik het
was, die u aan de Wekusko gered heb. En Meleese kan mij evenmin redden
als u en om mijn lot nog te verzwaren, hebben zij mij tot hun
boodschapper gemaakt en tot—”

Weer hield hij in, half verstikt door zijn woorden.

„Tot wat?” drong Howland aan, tot hem overbuigend met een gelaat zoo wit
als de talk in het kleine schoteltje op de tafel.

„Tot hun beul, M'sieur.”

Met zijn handen vast op de tafel gedrukt, zat Jack Howland stram en
stijf als was er een electrische schok door hem heen gegaan.

„Groote God!” hijgde hij.

„Maar eerst zal ik u nog een verhaal doen,” ging Croisset voort, zijn
oogen op die van den ingenieur richtend. „Het is niet lang en ik bid
God, dat ge het moogt opnemen, zooals wij menschen van het Noorden het
opnemen. Het begint een zestien jaar geleden.”

„Ik zal mijn best doen om je te begrijpen, Jean,” fluisterde Howland.
„Ga maar door.”

„Het is gebeurd in een nederzetting van de Compagnie,” zei Jean, „en
het heeft te doen met M'sieur den agent en met zijn vrouw—de witte
engel—zooals wij haar noemden. _Mon Dieu_, wat hadden wij haar lief!
Niet met zondige liefde, M'sieur, maar met iets, dat heel nabij komt aan
de vereering, die wij de Heilige Maagd toedragen. En onze liefde was
maar kinderspel vergeleken bij de liefde van die twee menschen voor
elkaar. Zij was mooi, heerlijk mooi—zooals alleen wij vrouwen kennen,
daar boven in de sneeuw; zij was even mooi als Meleese, die de jongste
is van haar vier kinderen. Onze nederzetting was de gelukkigste van
heel het Noorden, M'sieur,” ging Croisset voort na een oogenblik van
stilzwijgen—„en dat kwam alleen door die twee menschen, maar vooral
door de vrouw. En toen de kleine Meleese geboren werd—zij was het
eerste blanke kleintje, dat we ooit hadden gezien—toen werd onze
genegenheid voor die twee tot iets wat bijna heiligschennis was
tegenover de lieve Moeder Gods. Misschien is het u niet mogelijk om zulk
een liefde te begrijpen, M'sieur; ik weet, dat niemand die begrijpen
kan. Zij is iets ongekends in de wereld, die gij de beschaafde
noemt—want ik ben daar geweest en ik heb daar rondgekeken. Wij zouden
in den dood zijn gegaan voor de kleine Meleese en voor die andere
Meleese—haar moeder. Wij zouden onze eigen broers gedood hebben,
M'sieur, als zij maar een woord ten nadeele van haar hadden gesproken
of de moeder een onreinen blik hadden toegeworpen. Zóó lief hadden wij
haar, dezen winter zestien jaar geleden—en zóó lief hebben wij nog
altijd haar nagedachtenis.”

„Zij is dus dood?” vroeg Howland, in die angstige oogenblikken vergetend
van hoeveel beteekenis het verhaal van Jean voor hem kon zijn.

„Ja, zij is dood, M'sieur; zal ik u vertellen hoe zij stierf?”

Croisset sprong op, zijn oogen schoten vuur, zijn lenige gestalte
trilde als die van den wolf, terwijl hij zich voor een oogenblik half
over den ingenieur heenboog.

„Zal ik u vertellen, hoe zij stierf, M'sieur?” herhaalde hij, op zijn
tabouret terugvallend en de lange armen over de tafel uitstrekkend.

„Het geschiedde zóó—nu zestien jaar geleden, toen de kleine Meleese nog
maar vier jaar oud was en de oudste van haar broers nog maar veertien.
Dien winter kwam een man uit Chicago met zijn zoon naar het Noorden. Hij
had introductiebrieven van den hoofdagent aan de baai en onze agent en
zijn vrouw zetten hun huis voor hen open en gaven hun alles wat zij
vermochten te geven.

_Mon Dieu_, die man kwam uit uw heerlijke beschaafde wereld, M'sieur,
uit dat land in het Zuiden, waar—zooals zij zeggen—de tempels van
Christus op alle vier hoeken staan, maar onzen God en de wetten van ons
volk kon hij niet begrijpen! Maanden lang had hij het gezelschap van
vrouwen ontbeerd en in deze wildernis was de vrouw van den agent voor
hem als een bloesem in een woestijn. Ah, M'sieur, ik doorzie nu hoe zijn
bedorven hart alles naar eigen begeerte trachtte te regelen—en hoe hij
te kort schoot omdat de glorie van onze vrouwen hier in het hooge
Noorden direct van den hemel komt! En doordat hij zich teleurgesteld
gevoelde, werd hij razend—razend van den hartstocht, die het ras
beheerscht, dat ik te Montreal heb leeren kennen en toen—o groote God,
M'sieur, begrijpt gij nog niet, wat er toen gebeurde?”

Croisset hief het hoofd op; zijn gelaat was vertrokken. Met trillende
neusvleugels en zwoegende borst staarde hij Howland aan. Maar op diens
gezicht las hij alleen belangstelling en de gespannen verwachting van
wie slechts half begrijpt. Opnieuw leunde de half-ras over de tafel en
deed hij een krachtige poging om zichzelf te beheerschen.

„Het was juist op een tijd, dat de meesten onzer bij de trappers
vertoefden—onmiddellijk vóór de groote voorjaarsmarkt, wanneer de
bewoners van het woud binnenkomen met hun voorraad huiden, M'sieur. De
nederzetting was bijna verlaten. Begrijpt ge het? De vrouw was alleen in
huis met de kleine Meleese—en toen wij 's avonds terugkeerden, was zij
dood. Ja, M'sieur, zij maakte zelf een eind aan haar leven en in een
paar regels schrift, die zij voor haar man achterliet, vertelde zij wat
er gebeurd was.

„Het gelukte den misdadiger en diens zoon om te ontsnappen. En o hoe
haastten zich de mannen van het woud om die slee te vervolgen! Loopers
brachten de tijding tot over de bergen en door de moerassen en honderden
van sleden doorzochten de woudpaden om dien duivel en zijn zoon op te
sporen. Het was de agent zelf met zijn jongsten zoon, die hen ver weg
op het Pad naar Churchill inhaalde. En weet ge wat er toen gebeurde,
M'sieur? Dit: terwijl de onverlaat zijn honden aanzette, keerde de zoon
zich om; hij vuurde en een van zijn kogels trof den ongelukkigen agent
in het hart. Op die wijze verloor de kleine Meleese binnen vier en
twintig uur tijds vader en moeder en dat alles door de twee ellendigen,
die Satan scheen te hebben uitgezonden om het mooiste en het liefste
te vernietigen, wat wij ooit hier in het Noorden hebben gekend. O
M'sieur—gij wordt bleek—roept het niet een visioen op voor uw oogen?
Hoort ge niet, dat geweerschot? Ziet gij niet—”

„Groote God!” hijgde Howland. Zelfs nu begreep hij niets van wat deze
tragedie voor hem beteekende; hij wist alleen, dat hij luisterde naar
het vreeselijke, dat de moeder van Meleese was overkomen. Toen Croisset
stilhield, verhief de ingenieur zich half van zijn zitplaats; zijn
oogen schitterden, zijn bleek gelaat was strak vertrokken, zijn nagels
groefden zich in de planken van de tafel, toen hij vroeg: „En wat
gebeurde er daarop, Croisset?”

Met den loerenden blik van een wild dier keek de half-ras hem aan.

„Zij ontkwamen, M'sieur,” zei hij zacht.

Met een diepen zucht zonk Howland terug. Maar al spoedig wendde hij
zich opnieuw tot Jean, in wiens oogen een sluimerend vuur smeulde,
dat overging in hevigen toorn, toen hij enkele seconden later uit
een binnenzak van zijn buis een pakje haalde, in zacht gelooid leer
gewikkeld en stevig vastgebonden.

„Dit is wat zij u zenden, M'sieur,” zei hij. „„Geef het hem op het
allerlaatst te lezen,” hebben zij mij gezegd.”

Met zijn oogen op het pakje gevestigd en nauwelijks ademhalend, wachtte
Howland, terwijl de bruine vingers van Croisset het touwtje losmaakten,
dat alles bijeenhield.

„Gij moet eerst voelen, wat dit alles is voor ons menschen van het
Noorden, M'sieur,” zei Jean, zijn handen op het pakje leggend, nadat
hij het touwtje had weggenomen. „Wij menschen van het hooge Noorden,
wij zijn heel anders dan de bewoners van Montreal en van de andere
steden. Bij ons is de heele duur van een leven niet te lang om gewijd
te worden aan wraak voor een geleden onrecht. Dat is het eergevoel van
het Noorden. Sedert ik mijzelf, als kind en half uitgehongerd, naar de
nederzetting sleepte, omdat mijn moeder aan de pokken was gestorven,
hebben die agent en zijn vrouw mij liefderijk verzorgd en opgevoed. Zoo
werd ik als een broer voor Meleese en voor de andere drie. Ik was nog
maar vijftien jaar, toen het ontzettende gebeurde.—De jaren gingen
voorbij en de drang naar wraak wies in ons, naarmate wij zelf ouder
werden, totdat die het hoofddoel vormde van heel ons bestaan; zelfs het
onschuldige hart van de kleine Meleese, die wij, toen ze elf jaar was,
in Montreal naar school zonden, was er van vervuld. Het was drie jaar
later—en zij bevond zich nog daar, toen ik op een van mijn speurtochten
bij een nederzetting aan het boveneinde van het Groote Slavenmeer kwam
en daar—M'sieur—daar—”

Croisset was opgestaan. Hij stak de lange armen uit, wierp het hoofd
terug en hief het gelaat op, vervuld van een hartstocht, die bijna een
gebed leek.

„M'sieur, ik dank den grooten God in den hemel boven ons, dat het aan
Jean Croisset werd gegeven om een van de ellendigen te ontmoeten, voor
wier ontdekking wij ons leven hadden verpand—ik doodde hem!”

Hij stond met half gesloten oogen en het was alsof hij bad. Toen hij
weer in zijn stoel terugzonk, was de blik van haat van zijn gelaat
verdwenen.

„Het was de vader en ik doodde hem, M'sieur—ik doodde hem, heel
langzaam. Ik kneep zijn keel dicht, terwijl ik hem vertelde wat hij
gedaan had—om vervolgens het leven bij vleugjes in hem te laten
terugkeeren, totdat hij mij had medegedeeld, waar ik zijn zoon—den
moordenaar van den vader van Meleese—kon vinden. Eerst daarna schroefde
ik hem de keel toe, tot hij dood was. Mijn honden sleurden zijn lijk
langs driehonderd mijlen van sneeuw naar onze nederzetting, want ik
wilde, dat ook de anderen hem zouden zien en zouden weten, dat hij
werkelijk dood was. Dat is nu zes jaar geleden gebeurd, M'sieur.”

Howland was nauwelijks bij machte om adem te halen.

„En de andere—de zoon—” fluisterde hij snel. „Heb je hem gevonden,
Croisset? Heb je hem ook gedood?”

„Wat zoudt gij gedaan hebben, M'sieur?”

Howland greep de handen, die nog op het pakje rustten.

„Ik zou hem gedood hebben, Jean,” zei hij langzaam en op vasten toon.
„Ik zou hem gedood hebben,” herhaalde hij nog eens.

„Daar ben ik blij om, M'sieur.”

Jean vouwde het leeren zakje open, plooi voor plooi, tot er eindelijk
een rolletje papier uit te voorschijn kwam—vuil en geel langs de
kanten.

„Deze bladzijden werden genomen uit het dagboek van de nederzetting,
waar die vrouw woonde,” zei hij zacht, het papier met de hand glad
strijkend. „De agent van een post moet elken dag noteeren wat er
gebeurt, net als de zeekapiteins aan boord van hun schepen, zooals ze me
wel eens verteld hebben. Dat is al meer dan honderd jaar een wet bij de
Compagnie. Wij hebben die bladzijden voor ons behouden, M'sieur. Zij
vertellen van wat zestien jaar geleden in onze nederzetting plaats had.”

Al sprekend was de half-ras tot dicht bij Howland genaderd en hij
streek nu vóór hem op de tafel nog eens de eerste bladzijde glad,
daarbij met zijn bruinen vinger op de beginregels wijzend.

„Zij kwamen op dezen dag,” zei hij met zijn mond bijna tegen het oor van
den ingenieur. „En hier zijn hun namen, M'sieur—de namen van die twee
duivels, die het paradijs verwoestten, dat onze Lieve Vrouwe ons jaren
geleden geschonken had.”

In een oogwenk las Howland de weinige regels. Het was of het bloed
hem in de aderen stolde en of zijn hart stilstond. Want dit waren de
woorden: „Op den dag van heden zijn van den kant van Churchill in onze
nederzetting binnengekomen John Howland en diens zoon.”

Met een scherpen kreet sprong de ingenieur op en plaatste hij zich, zijn
tabouret omverwerpend, met gebalde vuisten voor Croisset, als gereed om
op dezen los te springen. Maar Jean bleef kalm; zijn witte tanden
glinsterden en langzaam stak hij de hand uit.

„M'sieur Howland, wilt ge lezen wat er zestien jaar geleden gebeurd
is met de ouders van de kleine Meleese? Wilt ge het lezen en inzien
waarom men u op het groote Pad naar het Noorden naar het leven stond,
waarom ge in die coyote aan de Wekusko op een kist met dynamiet werd
geplaatst—waarom gij vanmorgen om zes uur, bij het begin van den
dageraad—”

Hij hield in en huiverde. Het was als merkte Howland niets van de
ontzettende pogingen, die Croisset aanwendde om zichzelf te beheerschen.
Met het nog half suffe zwijgen van iemand, die na een hevigen schok weer
tot zichzelf komt, keerde hij zich naar de tafel en boog hij zich over
de papieren, die Jean voor hem had uitgespreid. Vijf minuten later
beurde hij het hoofd op. Zijn gelaat was krijtwit en er hadden zich
diepe lijnen om den mond gegroefd. Hij streek, zooals een zieke zou
doen, met de hand over zijn oogen en door zijn haar. Maar die oogen
schoten vuur. Onwillekeurig nam Jean de houding aan van iemand, die een
aanval wil afslaan.

„Ik heb het gelezen,” zei Howland met heesche stem en als kostte het hem
moeite om de woorden te uiten. „Ik begrijp het nu. Mijn naam is John
Howland en zoo heette mijn vader vóór mij. Ik begrijp het nu.”

In de daaropvolgende stilte ontmoetten de oogen van de twee mannen
elkaar.

„Ik begrijp het nu,” herhaalde de ingenieur, en hij kwam een schrede
vooruit. „Maar jij, Jean Croisset, geloof jij werkelijk, dat ik _die_
John Howland ben—John Howland, de zoon, die—”

„Het doet er niet toe wat ik geloof of niet geloof, M'sieur. Ik heb hier
maar één ding te vertellen en maar één ding te overhandigen,” antwoordde
de half-ras. „Zij, die u trachtten te dooden, zijn de drie broeders van
Meleese. Ons land is een wonderlijk land, M'sieur; het wordt van den
beginne af beheerscht door wetten, die wij zelf in het leven hebben
geroepen. In de oogen van de mannen, die in de kamer hier boven de wacht
houden, bestaat er geen foltering, pijnlijk genoeg voor u. Zij hebben uw
doodvonnis uitgesproken. Vanmorgen, zoodra de wijzers van uw horloge zes
uur aangeven, zult ge worden doodgeschoten door een van die gaten in den
kerkerwand. En dit—een briefje van Meleese—is al wat ik u nog te geven
heb.”

Jean legde een dichtgevouwen papier op de tafel en als werktuiglijk stak
Howland er de hand naar uit. Zichzelf maar ten deele bewust van zijn
handelingen—sprakeloos en als versteend na het aanhooren van zijn
doodvonnis, spreidde hij het briefje voor zich uit. Het bevatte maar
enkele woorden, die klaarblijkelijk in groote haast en ontsteltenis
waren neergeschreven.

  „Ik heb den heelen nacht voor u gebeden. Verhoort God mijn
  smeeken niet, dan zal ik toch mijn belofte gestand doen en
  u volgen.

                                                             MELEESE.”

Howland hoorde een zachte beweging en hij sloeg de oogen op. Jean was
weg. De deur sloot zich langzaam en de grendel werd weer voorgeschoven.
Het geluid van de zich verwijderende mocassins ging aldra geheel
verloren.



HOOFDSTUK XVII.

Meleese.


Minuten lang bleef Howland roerloos staan; het was alsof elk spoor van
leven uit hem was geweken. Zijn oogen waren op de deur gericht—maar zij
zagen niet. Hij maakte geen geluid en hij ging ook niet weer naar de
spleet in den wand. Het noodlot had hem den laatsten schok gegeven en
toen hij zich ten laatste herstelde, bleef er geen vonk van hoop over in
zijn hart en dacht hij geen oogenblik meer aan pogingen om zijn vrijheid
te herwinnen. Het was nu kwart over vijf. Hem restten nog maar vijf en
veertig minuten.

Nog drie kwartier en dan—de dood! Dezen keer was er geen twijfel meer
mogelijk. Zelfs in de coyote had hij, met de eeuwigheid voor oogen, nog
gehoopt en om het leven gestreden. Maar hier was geen hoop en hier zou
geen strijd zijn. Zij wilden hem neerschieten door een van die zwarte
openingen in den muur; hem werd geen kans gelaten om zich te verdedigen
of zijn onschuld te bewijzen. En Meleese—dacht ook zij, dat hij
schuldig was aan de misdaad?

Hij kreunde luid, toen hij het briefje weer opnam. Zacht herhaalde hij
de laatste woorden: „Verhoort God mijn smeeken niet, dan zal ik toch
mijn belofte gestand doen en u volgen.” Die woorden schenen zijn vonnis
te bevatten. Zelfs Meleese had alle hoop opgegeven. Of—lag er misschien
een diepere beteekenis in haar woorden? Hij ontwaakte; het was of iemand
hem een stoot had toegebracht en zijn oogen schitterden.

„_En u volgen!_”

Dezen keer bracht hij die woorden bijkans snikkend uit. Zijn handen
trilden; hij liet het papier weer op de tafel vallen en keerde den
angstig starenden blik naar de deur. Wat wilde zij daarmee zeggen? Wilde
zij zelf een eind aan haar leven maken, wanneer hij door haar broeders
gedood werd? Een andere beteekenis kon hij niet vinden in haar laatste
boodschap aan hem en gedurende eenige oogenblikken, nadat de vreeselijke
beteekenis van haar woorden hem duidelijk was geworden, dacht hij alleen
aan de mogelijkheid om Jean terug te roepen. Als hij maar kans zag om
haar te schrijven—als hij haar nog maar eenmaal de verzekering vermocht
te geven van zijn groote liefde—als hij haar nog maar eenmaal kon
zeggen, hoe haar genegenheid hem ruimschoots vergoedde wat hij verloren
had en nog verliezen zou—hoe zij hem in deze laatste ure van zijn
martelaarschap een geluk had geschonken, dat nooit eerder zijn deel was
geweest.

Tot tweemaal toe riep hij Croisset, maar er kwam geen ander antwoord dan
de holle echo van zijn eigen stem door de onderaardsche ruimten. En
intusschen kwam zijn gedachtengang tot meer normalen toestand terug. Als
Meleese een gevangene was in haar eigen kamer, dan zou Croisset, die nu
door de nederzetting vrij wel als een verrader werd beschouwd, niet
langer toegang tot haar hebben. Meleese had zeker kans gezien om den
half-ras langs omwegen haar briefje te doen toekomen en hij had zijn
laatste zending volbracht.

Langzamerhand ontwaakte er in Howland een gevoel van sympathie voor
Croisset. Veel, dat hij eerst niet had begrepen, werd hem nu duidelijk.
Hij begreep waarom Meleese den naam van zijn belagers te Prince Albert
en aan de Wekusko niet had willen noemen; hij begreep waarom zij hem was
ontweken na zijn ontvoering en hoe Jean om harentwil het geheim zoo
trouw had bewaard. Zij had gestreden om hem te beschermen tegenover haar
eigen bloedverwanten en ook Jean had gestreden om hem te behoeden. O,
hoe graag had hij in deze laatste levensure Croisset nog eenmaal de
hand gedrukt en hem gedankt voor alles wat hij deed! En juist omdat de
half-ras voor Meleese en voor hem had gevochten, zou diens lot bijna
even vreeselijk zijn als het zijne. Hij—Jean Croisset—moest om zes uur
het noodlottige schot lossen. Niet de broeders van Meleese, maar Jean
Croisset zou zijn beul en zijn moordenaar zijn.

De minuten gingen snel voorbij en naarmate die voorbijgingen, verbaasde
Howland er zich over, dat hij zoo kalm het einde afwachtte. Hij begon
zelfs te beredeneeren door welke spleet de kogel waarschijnlijk wel zou
komen. Waar hij ook ging staan, overal zou het licht van de groote
hanglamp op hem vallen. Er was geen enkele volslagen duistere hoek,
waarin hij voor luttele minuten misschien zijn beul zou kunnen ontgaan.
Hij moest zelfs glimlachen, toen hij bedacht hoe hij in de laatste
instantie het licht zou kunnen dooven en onder de tafel zou kunnen
kruipen om op die wijze een kort uitstel te verkrijgen. Maar wat zou een
kort uitstel hem geven? Hij verlangde nu zelfs naar het einde, naar het
oogenblik, dat alles voorbij zou zijn.

En toch had hij ook nog gelukkige momenten; dat was wanneer in het
kille doodsvertrek visioenen van Meleese voor hem oprezen—van Meleese,
nog liefelijker en nog beminnelijker in zijn oog, nu hij wist hoe zij
zichzelf had opgeofferd tusschen die twee groote gevoelens, genegenheid
voor haar familie en liefde voor hem. En ten slotte had zij hem gekozen!
Had zij dat kunnen doen, wanneer zij evenals haar broeders meende, dat
hij de moordenaar was van haar vader—dat hij de zoon was van den
duivel, die haar van een moeder had beroofd? Dat was onmogelijk, zei hij
bij zichzelf. Zij dacht hem onschuldig. Maar—waarom had zij in haar
schrijven er met geen enkel woord van gerept?

Zijn oogen gingen naar het briefje op de tafel en hij begon in de zakken
van zijn buis te zoeken. In een daarvan vond hij een stompje potlood en
hij begon nu een woord van afscheid aan Meleese te schrijven zonder
langer aan de voorbijsnellende minuten te denken. Toen hij er mee klaar
was, vouwde hij het papier dicht en legde hij het onder zijn horloge.
Hij wilde op het laatste oogenblik nog aan Jean vragen om het mee te
nemen. Zijn oogen vielen op de wijzerplaat van het uurwerk en er kwam
een kreet over zijn lippen.

Er bleven hem nog maar tien minuten over!

Boven zich hoorde hij onduidelijk het geblaf van honden—en den hollen
klank van mannenstemmen. Een oogenblik later werd er snel heen en weer
geloopen en daarop trad er een diepe stilte in.

„Jean!” riep hij met vaste stem—„Hallo, Jean—Jean Croisset!”

Hij nam het papier op en liep van de eene spleet naar de andere,
voortdurend den naam van den half-ras roepend.

„Zoowaar ge uw God liefhebt, Jean—zoowaar ge op den hemel hoopt—breng
dit briefje aan Meleese!” smeekte hij. „Jean—Jean Croisset!”

Er kwam geen antwoord; er was daar buiten niet de minste beweging te
bespeuren. Hij had het kloppen van zijn hart willen tegengaan, om beter
te kunnen luisteren. Croisset moest daar zijn! Hij keek weer op zijn
horloge, dat hij nu in de hand hield. Binnen vier minuten zou het schot
vallen. Een koud zweet bedekte zijn gelaat. Opnieuw wilde hij roepen,
maar het was of zijn keel werd dichtgeknepen en een snik was al wat hij
vermocht te uiten. Hij liep terug naar de tafel en legde het briefje
onder het horloge. Nog twee minuten—nog anderhalve minuut—nog één!

Plotseling sprong hij met een uitdagenden kreet tot midden in den
kerker; hij keerde zijn gelaat naar de opening het dichtst bij de deur
en breidde de armen uit.

Nog een keer riep hij met luide stem:

„Jean Croisset, er ligt een briefje onder mijn horloge op de tafel. Geef
het aan Meleese, wanneer gij mij hebt gedood. Als je het niet doet, zal
ik je tot aan je dood toe vervolgen!”

Nog steeds geen geluid—nog steeds geen blinkend staal op hem gericht
door de zwarte opening. Zou het schot hem misschien in den rug treffen?

Tik-tik-tik-tik—zei zijn horloge—en hij telde tot twintig. Toen kwam
er een ander geluid; hij sloot de oogen en er ging een huivering door
zijn lichaam.

Het was het slagwerk van zijn horloge, dat fijn en schril zes uur
sloeg!

Nauwelijks waren die klanken in zijn brein verstorven of er liet zich
van ver weg in het donker buiten de gevangenismuren een krakend geluid
hooren; daarop was het alsof een zware deur langzaam op haar hengsels
draaide en alsof er een luik geopend werd en toen kwamen er stemmen,
eerst gedempte, maar daarop luidsprekende, opgewonden stemmen—en
eindelijk een haastig geloop, terwijl er een lichtstraal door de
duisternis schoot. Zij kwamen! Het zou dus ten slotte toch geen besloten
gezelschap zijn—en Jean zou, evenals de beul in de beschaafde wereld,
moeten dooden ten aanschouwe van een publiek. Howland's armen vielen
langs hem neer. Dit was nog vreeselijker dan al het andere—dit zien en
hooren van de toebereidselen, waarin hij den klik van Croisset's geweer
bij het overhalen van den trekker meende te onderscheiden.

En in plaats daarvan bleek het een tasten naar de deurklink te zijn.

Er lieten zich nu geen stemmen meer hooren; hij vernam alleen een vreemd
gesteun, dat hij niet kon thuis brengen. Nog een oogenblik en alles werd
hem duidelijk. De deur ging open en Meleese snelde op hem af in een wit
gewaad en met een kreet, die door de kerkerruimte weerklonk. Wat er
daarop gebeurde—een trekken van bleeke gezichten voorbij zijn deur, een
onderdrukt gemurmel van stemmen—het ging alles voor hem verloren in het
enkele feit, dat zij haar op het laatst hadden toegestaan om tot hem te
gaan, dat hij haar vast in zijn armen hield en dat zij haar gelaat tegen
zijn borst drukte, woorden uitsnikkend, die hij niet begreep. Eens of
tweemaal eerder in zijn leven was het hem overkomen, dat hij zichzelf
moest afvragen of de werkelijkheid niet een droom was—en zoo ging het
hem ook nu, terwijl hij de warmte voelde van haar handen en haar gelaat
en den hartstochtelijken druk van haar lippen op de zijne. Hij hief de
oogen op en in de deur stond Croisset en achter dezen een woest, gebaard
gelaat—het gelaat, dat hij boven zich had gezien, toen zijn leven op
het groote Pad naar het Noorden in gevaar verkeerde. En achter die twee
gestalten zag hij nog andere, die onduidelijk en schimachtig leken in de
diepe duisternis van de gang buiten den kerker. Hij klemde Meleese vast
tegen zich aan en toen hij haar in het gelaat keek, zag hij, dat haar
mooie oogen vol tranen stonden en dat er toch groote blijdschap uit
sprak. Maar op eens maakte zij zich los uit zijn omarming en liep zij
naar de deur—en nu kwam Jean Croisset naar hem toe, terwijl de man met
den woesten baard nog steeds over diens schouder naar hem bleef kijken.

„M'sieur, wilt ge ons volgen?” vroeg Jean.

De man met den baard week terug in de zwarte duisternis en zonder een
woord te spreken volgde Howland Croisset, zijn oogen gevestigd op de
liefelijke gestalte van Meleese. De bleeke gezichten keerden zich af van
het licht en het geluid van de zich verwijderende voetstappen klonk door
de duistere gang. Jean liep naast Howland, terwijl de forsche man met
den baard een pas of drie voor hem uit ging. Een dozijn schreden bracht
hen bij een trap, waarop een licht stond te branden. De half-ras legde
een hand op Howland's arm, als om hem tegen te houden en toen zij een
oogenblik later boven kwamen, waren allen weg, behalve Jean en de man
met den baard. De dageraad brak aan en dat bleeke licht viel door de
vensters van de kamer, waarin zij zich nu bevonden. Op een tafel brandde
een lamp en daaromheen stonden verscheidene stoelen geschaard. Croisset
wees den ingenieur op een daarvan en toen Howland ging zitten, keerde de
man met den baard zich langzaam om en verdween hij door een deur. Jean
haalde even de schouders op.

„_Mon Dieu!_ dat wil zeggen, dat hij het verdere aan mij overlaat!” riep
hij uit. „Nu—ik begrijp heel goed, dat het hem moeite zou kosten om te
spreken, M'sieur. Begint gij te begrijpen?”

„Ja—gedeeltelijk,” antwoordde Howland. Zijn hart bonsde, als had hij
een hoogen berg beklommen. „Dat was de man, die mij trachtte te dooden.
Maar Meleese—de—” Verder vermocht hij het niet te brengen. Nauwelijks
ademend, wachtte hij op wat Jean zou zeggen.

„Die man is Pierre Thoreau,” zei de half-ras, „de oudste broer van
Meleese. Eigenlijk behoorde hij u te vertellen, wat er gebeurd is. Maar
hij is te zeer onder den indruk om te kunnen spreken. Dat verbaast u?
En toch verzeker ik u, dat niemand een warmer hart bezit dan Pierre
Thoreau—zij het ook, dat hij tot driemaal toe beproefde om u te dooden.
Herinnert ge u, M'sieur, wat ge me daar straks hebt gevraagd—of ik
dacht, dat _gij_ de John Howland waart, die zestien jaar geleden den
vader van Meleese doodschoot? Bij alle Heiligen, ik dacht het, tot nu
nauwelijks een half uur geleden, toen er een man uit het Zuiden inkwam
en met zijn woorden een mijn voor onze voeten deed springen. Dat was
François Thoreau, M'sieur, de jongste van de drie broers—wij hebben
een vreeselijken misslag begaan—en wij smeeken u om ons te vergeven.”

In diepe stilte ontmoetten de blikken van de twee mannen elkaar over
de tafel. Het was niet de gedachte aan zijn redding, die bij Howland op
den voorgrond trad, maar wel de gedachte aan Meleese—aan het heerlijke
feit, dat zij, op het oogenblik, toen alles verloren leek, nader tot hem
was gekomen dan ooit te voren. Met dichtgeknepen handen en schitterende
oogen boog hij zich over de tafel. Jean voelde dat niet en hij ging snel
voort:

„Ik weet, dat het hard voor u is, M'sieur. Misschien zal het u niet
mogelijk zijn om ons volkomen vergiffenis te schenken. Wij hebben
getracht u te dooden, u door langzame marteling te dooden, omdat wij
meenden, dat ge dit hadt verdiend. Maar stel u een oogenblik in onze
plaats, M'sieur en denk een oogenblik aan wat nu zestien jaar geleden
hier bij ons gebeurde. Ik heb u verteld hoe ik dien duivel worgde. En
zoo zou ik ook u geworgd hebben, als Meleese er niet was geweest. Ook ik
heb schuld aan het misverstand. Nu zes jaar geleden hoorden we, dat John
Howland, de zoon van den man dien ik doodde, zich in Montreal bevond
en wij zonden François, den jongsten van de broers, uit om hem op te
sporen. Evenals Meleese had François daar jaren lang school gegaan en
hij was beter bekend met het Zuiden dan een van ons anderen. Maar het
gelukte hem toen niet, M'sieur, om den man te vinden en het was eerst
kort geleden, dat hij meende dien te hebben ontdekt.

„De Heilige Maagd zij mijn getuige, M'sieur—het was allerminst vreemd,
dat hij u voor dien man aanzag, in aanmerking genomen hoe ge lijkt op
wat ik mij van den jongen herinner. Maar het feit blijft, dat François
zich deerlijk vergiste, toen hij aan zijn broeders liet weten, dat gij
de persoon waart, dien zij zochten en tegelijkertijd de aangewezen man
om Gregson en Thorne te vervangen, wanneer die eenmaal uit den weg waren
geruimd. Ik zweer bij de Heilige Moeder Gods, M'sieur, dat Meleese
buiten dit alles stond. Zij wist niets van de plannen van haar broeders
om Gregson en Thorne door plagerijen naar het Zuiden terug te drijven.
Het was hun niet te doen om die ingenieurs te dooden—zij wilden hen
alleen verjagen om u in hun plaats naar het Noorden te krijgen. Nooit
konden die twee een voet verzetten of er gebeurde iets. Gregson verloor
een vinger, Thorne kreeg zwaar letsel aan zijn arm. 's Nachts vlogen er
kogels door hun ramen. Met Jackpine—onzen vriend—in hun lijfdienst,
was het niet moeilijk om hen te benaderen en het duurde dan ook niet
lang of zij verzochten de directie om een ander in hun plaats te
zenden.”

Nu voor het eerst voelde Howland toorn in zich opkomen.

„De lafaards!” riep hij. „Een mooi span, Croisset—zelf kropen zij onder
uit de val, terwijl zij van boven een ander binnenlieten!”

„Misschien was het niet zoo erg gemeend,” vergoelijkte Jean. „Men had
hun aan het verstand gebracht, dat zij—en zij alleen—niet gewild waren
in die omgeving. Misschien kwam het niet in hen op, dat het ook leelijk
kon zijn voor u en daarom verzwegen zij wat er gebeurd was. Misschien
ook vonden zij het niet prettig als het bekend werd, dat zij wegliepen
voor het gevaar. En dat is menschelijk, niet waar, M'sieur?—Hoe dan
ook, gij werdt aangewezen om als hun opvolger naar het Noorden te komen
en eerst toen hoorde Meleese van alles wat voorgevallen was.”

De half-ras hield een oogenblik in. De gloed was verdwenen uit
Howland's oogen. De strakke lijnen van zijn gelaat ontspanden zich.

„Ik—ik geloof, dat ik nu alles begrijp, Jean,” zei hij. „Gij hebt den
verkeerden John Howland opgespoord—daar komt het op neer. Maar ik heb
Meleese lief, Jean. Ik zou dien John Howland willen dooden om haar. Ik
verlang er naar om haar broers te ontmoeten en hun de hand te drukken.
Ik veroordeel hen niet. Zij handelden als menschen. Maar treurig doet
het mij aan om te moeten bedenken, dat Meleese van dit alles af wist en
bijna mede een moord beging.”

„_Mon Dieu_, M'sieur en is zij het niet juist, die uw leven gered heeft?
Luister!—Toen Meleese wist wat er gebeurd was, richtte zij zich tot
mij, dien zij indertijd tot den gelukkigste van alle stervelingen had
gemaakt, door mijn Mariane uit Churchill mee hierheen te brengen, wel
wetend, dat ik dadelijk op haar zou verlieven—en dat deed ik,
M'sieur—Meleese kwam dus bij mij, bij Jean Croisset en in plaats van uw
dood te beramen, maakte zij plannen om uw leven te redden—met mij!—met
den man, die u in stukken had willen snijden van een vinger lang en u
tot voedsel had willen geven aan de raven—met mij, die u zou hebben
willen worgen tot de oogen u uit het hoofd puilden—zooals ik deed met
dien anderen, daarginds bij het Groote Slavenmeer!—Begrijpt ge het nu,
M'sieur? Het was Meleese, die bij mij kwam en die mij smeekte om uw
leven te sparen—nog vóór ge Chicago verlaten hadt, nog vóór zij iets
meer dan uw naam had gehoord, nog vóór—”

Croisset aarzelde en zweeg even.

„Nog vóór wat, Jean?”

„Nog vóór zij u had leeren liefhebben, M'sieur.”

„God zegene haar!” riep Howland.

„Ge gelooft mij dus, M'sieur?”

„Zoo waar ik in God geloof!”

„Dan zal ik u zeggen, wat zij deed, M'sieur,” ging hij voort op zachten
toon. „Haar broers hadden het plan gesmeed om u bij Prince Albert te
overvallen en u mede te nemen naar het Noorden. Ik alleen wist wat zij
daar verder dachten te doen. Het zou een mooie wraak zijn geweest,
M'sieur—een langzame marteldood op dezelfde plek, waar zestien jaar
geleden de misdaad werd begaan. Maar van dat alles wist Meleese niets.
Haar maakten zij wijs, dat zij u hier, waar haar vader en haar moeder
stierven, wilden overleveren aan de Wet—aan de afdeeling bereden
politie, die op gezette tijden dezen kant uitkomt. Zij is maar een jong
meisje, M'sieur, en het is niet moeilijk om haar op dergelijke punten om
den tuin te leiden—anders zou zij het zeker wel vreemd hebben gevonden,
dat men u niet liever te Prince Albert aan de justitie overleverde.
Het was de oudste broer, die de list bedacht om haar als lokvink te
gebruiken en u op die wijze buiten de stad in handen te krijgen. Eerst
op het allerlaatste oogenblik, toen wij gereed stonden om met dit
doel naar het Zuiden te trekken, vernam Meleese bij toeval uit enkele
woorden, die zij opving, dat haar broers van plan waren om u te dooden.
En het was daarom, M'sieur, dat zij tot mij kwam.”

„En jij, Jean?”

„Op den dag, dat Mariane mijn vrouw werd, M'sieur, had ik de Heilige
Moeder Gods beloofd, dat ik te eeniger tijd mijn schuld aan Meleese zou
afdoen en nu had ik daartoe gelegenheid. Ook Jackpine was haar slaaf en
wij beiden sloegen de handen ineen. Twee uren nadat Meleese en haar
broeders de reis naar het Zuiden hadden ondernomen, volgde ik hen met
afgeschoren baard en uiterlijk zóó veranderd, dat niemand mij herkende
bij het gevecht op het Groote Pad naar het Noorden. Meleese dacht, dat
haar broers u dien nacht gevangen wilden nemen, zonder u verder letsel
te doen toekomen. Men had haar gezegd, op welke wijze zij u gemakkelijk
naar het kamp kon brengen. Zij wist niets van de hinderlaag totdat de
mannen uit hun schuilhoek op u lossprongen. Eerst na het gevecht, toen
de Thoreau's—in hun woede over uw ontsnapping—haar vertelden, dat het
hun plan was geweest om u te dooden, besefte zij ten volle wat zij had
gedaan. Dat is alles, M'sieur. Ge weet wat er verder gebeurde. Zij
durfde u aan de Wekusko niet zeggen, wie uw vijanden waren, want die
vijanden waren haar eigen vleesch en bloed en haar dierbaarder dan het
leven. Zij hing tusschen twee groote liefdes, M'sieur—de liefde voor
haar broeders en—”

Weer aarzelde Jean.

„Haar liefde voor mij,” voleindigde Howland.

„Ja, haar liefde voor u, M'sieur.”

De twee mannen verhieven zich gelijktijdig van hun zitplaatsen en een
oogenblik bleven zij hand in hand staan in het rookerige licht van de
lamp en van den dageraad. Geen van beiden hoorde hoe er op de deur
geklopt werd, die naar de naaste kamer leidde; zij zagen niet hoe die
deur zich zacht naar binnen opende en dat Meleese, als weifelend, op den
drempel bleef staan.

Het was Howland, die het eerst sprak.

„Ik dank God, dat dit alles gebeurd is, Jean,” zei hij plechtig. „Ik ben
blij, dat gij mij tijdelijk voor dien anderen John Howland hebt gehouden
en dat Pierre Thoreau en zijn broers het plan smeedden om mij te Prince
Albert of aan de Wekusko te dooden, want als dit alles niet was gebeurd,
dan zou ik Meleese nooit ontmoet hebben. En nu, Jean—”

Zijn ooren vernamen een zacht geritsel en zich omwendend, zag hij nog
juist hoe Meleese behoedzaam trachtte weg te sluipen.

In een ommezien volgde hij haar, terwijl Jean bij de tafel bleef staan.
Door de deur viel alleen de schemering van den grijzen morgen, maar dat
was hem voldoende om de gestalte te onderscheiden van haar, die hij
liefhad en die—zich half omwendend—op hem scheen te wachten. Met een
kreet van vreugde sprong hij vooruit en sloot hij haar vast in zijn
armen.

„Meleese—mijn Meleese!—” fluisterde hij.

En daarna kwam er geen geluid meer uit die tweede kamer, die door den
dageraad werd verlicht, maar Jean Croisset, die nog steeds bij de tafel
stond, mompelde zacht: „Onze Lieve Vrouwe zij geprezen, want het komt
uit, zooals Jean Croisset het gewenscht had—en nu kan ik weer teruggaan
naar mijn Mariane!”



INHOUD.


                                              Bladz.

HOOFDSTUK I. De Sneeuwjonkvrouw                    5

    „    II. Lippen, die niet spreken             12

    „   III. De Geheimzinnige Overval             20

    „    IV. De Waarschuwing                      26

    „     V. Een Middernachtelijk Bezoek          37

    „    VI. De Liefde van een Man                53

    „   VII. Het opblazen van de coyote           62

    „  VIII. De Ure des Doods                     73

    „    IX. De Samenkomst                        81

    „     X. Een sledevaart het Noorden in        87

    „    XI. Het Huis van den Rooden Dood         98

    „   XII. Het Gevecht                         110

    „  XIII. De Vervolging                       118

    „   XIV. Een Lichtstraal                     126

    „    XV. In het Slaapvertrek                 139

    „   XVI. Jean's Verhaal                      150

    „  XVII. Meleese                             163



  +--------------------------------------------------------+
  |                                                        |
  |              OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:              |
  |                                                        |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:  |
  |                                                        |
  |  Bron (B:) - Correctie (C:)                            |
  |                                                        |
  |  B: het schijnt dat Gregton en Thorne                  |
  |  C: het schijnt dat Gregson en Thorne                  |
  |  B: Die manoeuvre redden hem en toen                   |
  |  C: Die manoeuvre redde hem en toen                    |
  |  B: de hinderlaag op, het Groote                       |
  |  C: de hinderlaag op het Groote                        |
  |  B: zij de hakken kraken onder de                      |
  |  C: zij de takken kraken onder de                      |
  |  B: terug te keeren. Er werd nu geklopt                |
  |  C: terug te keeren.” Er werd nu geklopt               |
  |  B: hadden gestuwd.                                    |
  |  C: hadden gestuwd.”                                   |
  |  B: hij zijn vermoeide honden bezorgd had,             |
  |  C: hij zijn vermoeide honden verzorgd had,            |
  |  B: legde hij uit. „Als ge ge me op                    |
  |  C: legde hij uit. „Als ge me op                       |
  |  B: onwillekeurig lachend. Weet je wel,                |
  |  C: onwillekeurig lachend. „Weet je wel,               |
  |  B: geplaatst om de ommetelijke vlakte in              |
  |  C: geplaatst om de onmetelijke vlakte in              |
  |  B: Des te noodzakelijker is het                       |
  |  C: „Des te noodzakelijker is het                      |
  |  B: „Daarna, M'sieur?”—” herhaalde Jean                |
  |  C: „Daarna, M'sieur?—” herhaalde Jean                 |
  |  B: voor zijn handelingen De sneeuw                    |
  |  C: voor zijn handelingen. De sneeuw                   |
  |  B: sneeuw. Hij herkende, dat gelaat.                  |
  |  C: sneeuw. Hij herkende dat gelaat.                   |
  |  B: Haar handen stietten hem weg                       |
  |  C: Haar handen stieten hem weg                        |
  |  B: een krankzinnige vecht om u te                     |
  |  C: een krankzinnige vocht om u te                     |
  |  B: ik weet, dat niemand, die                          |
  |  C: ik weet, dat niemand die                           |
  |  B: M'sieur,” zei hij. „Geef het hem                   |
  |  C: M'sieur,” zei hij. „„Geef het hem                  |
  |  B: voren. Met dicht geknepen handen en                |
  |  C: voren. Met dichtgeknepen handen en                 |
  |  B: zenden.                                            |
  |  C: zenden.”                                           |
  |  B: meisje, M'sieur en het is niet                     |
  |  C: meisje, M'sieur, en het is niet                    |
  |                                                        |
  +--------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op het onheilspad" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home