Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Author: Fzn, Samuel Muller
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Geschiedenis der Noordsche Compagnie" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



book was produced from scanned images of public domain


  +--------------------------------------------------------------------+
  |                  Opmerkingen van de bewerker:                      |
  |                                                                    |
  | Tekst die in het originele werk schuingedrukt, gespatiëerd of in   |
  | klein-kapitalen is afgedrukt wordt hier weergegeven als _tekst_,   |
  | ~tekst~, respectievelijk TEKST. Superscript wordt weergegeven als  |
  | ^{tekst}.                                                          |
  |                                                                    |
  | Voor de duidelijkheid zijn om sommige breuken haakjes geplaatst.   |
  |                                                                    |
  | Voetnoten zijn verplaatst en hernummerd; waar de tekst verwijst    |
  | naar noot x op bladzijde y is de tekst niet gewijzigd, het nummer  |
  | van de voetnoot wordt hier tussen accolades gegeven. Bijvoorbeeld: |
  | p. 17 noot 2 in het originele werk wordt hier weergegeven als p.   |
  | 17 noot 2{[24]}.                                                   |
  +--------------------------------------------------------------------+



  GESCHIEDENIS

  DER

  NOORDSCHE COMPAGNIE.



  GESCHIEDENIS

  DER

  NOORDSCHE COMPAGNIE

  DOOR

  M^{r}. S. MULLER F^{z}.


  UITGEGEVEN DOOR HET

  PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

  VAN

  KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.


  UTRECHT,

  GEBR. VAN DER POST.

  Uitgevers van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap.

  1874.


  GEDRUKT BIJ G. A. VAN HOFTEN, TE UTRECHT.



  BEANTWOORDING

  DER

  PRIJSVRAAG:


    „EEN HISTORISCH OVERZICHT VAN DE ONTDEKKINGEN DER HOLLANDERS IN DE
    NOORDPOOLZEEËN EN VAN HUNNE VESTIGING OP ENKELE PUNTEN, VOORNAMELIJK
    OP SPITSBERGEN, ALSMEDE VAN DE INTERNATIONALE GESCHILLEN DER
    NEDERLANDSCHE REPUBLIEK MET ENGELAND, DENEMARKEN EN ZWEDEN, OVER DE
    VAART EN VISSCHERIJ IN HET NOORDEN.”


  ONDER DE SPREUK:

  Plus ultra;

  AAN WELKE

  DOOR HET PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

  VAN

  KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN,

  OP DEN 24 JUNI 1873,

  DE GOUDEN EEREPRIJS

  IS TOEGEWEZEN.



VOORREDE.


_Een enkel woord vooraf bij het in het licht zenden van dit boek ter
rechtvaardiging van titel en inhoud, die niet geheel beantwoorden aan
het geëischte in de door het Provinciaal Utrechtsch Genootschap
uitgeschreven prijsvraag._

_Mijne aandacht werd het eerst op deze zaak gevestigd door de vermelding
der internationale geschillen over vaart en visscherij in de IJszee, een
onderwerp mij van vroeger bekend. Het bleek mij echter aanstonds,
dat de hoofdinhoud der vraag--de geschiedenis der Nederlandsche
ontdekkingsreizen naar de noordpool--eene afzonderlijke, uitvoerige
studie vorderde, en hoe meer ik mij daarin verdiepte, hoe meer ik de
overtuiging erlangde, dat tusschen de reizen, door de Nederlanders
herhaaldelijk naar Novaya Zemlya ondernomen om den noordelijken
doortocht te zoeken, en de tochten, door hen in latere jaren ter
walvischvangst naar Spitsbergen gedaan, nauwelijks eenig verband
bestond. De vereeniging van beide onderwerpen in éen boek scheen mij
onmogelijk. Eerst nadat ik kennis gekregen had van de tot dusver geheel
onbekende latere Nederlandsche noordpoolreizen, gelukte het mij een
aanknoopingspunt te vinden. Dien band tusschen de twee ongelijksoortige
onderwerpen meende ik gevonden te hebben in de geschiedenis der
Noordsche Compagnie._

_En zoodra ik dezen weg om uit de moeielijkheid te geraken gevonden had,
kreeg het onderwerp voor mij dadelijk groote aantrekkelijkheid. Er is
niet veel studie noodig om zich te overtuigen, dat het ~eenige~, dat tot
nog toe van deze compagnie bekend was, bestaat in eenige weinige
bladzijden, door Aitzema in zijn groot werk aan een of twee punten uit
hare geschiedenis gewijd. Wat men overigens daarover vindt, is niets dan
naschrijverij en omwerking van het weinige, dat Aitzema gaf. En toch
bleek het mij weldra, dat men wel is waar terecht de geschiedenis der
geoctrooieerde Oost- en West-Indische Compagniën met groote voorliefde
behandeld had, maar dat toch de veronachtzaming van de lotgevallen der
derde zuster, de Noordsche Compagnie, zeer te bejammeren was._

_De vroege val van dit lichaam heeft de Nederlandsche geschiedschrijvers
geheel doen vergeten, dat de Noordsche Compagnie gedurende haar bijna
dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handelsvereeniging
was, die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche
streken,--dat zij het was, die de Nederlanders in staat stelde, daar met
de Engelschen gelijken tred te houden en ze soms voorbij te
streven,--dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke
moeielijkheden lange jaren alleen onder alle Europeesche natiën op de
kusten der IJszee gevestigd bleef,--dat de handhaving van de eer der
Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken
langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was,--en eindelijk dat
hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor de
kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders der
zeventiende eeuw._

_Ik zette mij dan ook dadelijk aan het werk, en was zoo gelukkig drie
rijke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie te vinden,
die in dit opzicht nog onbearbeid waren, en ons voor het verlies van het
archief der vereeniging eenigszins schadeloos stellen. In de Resolutiën
der Staten-Generaal ontdekte ik reeds dadelijk een lange lijst van
besluiten, die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewel steeds
zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der vereeniging
leverden. Het bekende werk van Purchas bood verder een schat van nog
onopgemerkte berichten over het begin van de walvischvangst der
Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engelschen. Eindelijk
trof ik op het Rijks-archief eene portefeuille met stukken aan, die door
wijlen den rijks-archivaris Bakhuizen Van den Brink--meest uit de
liassen der inkomende brieven aan de Staten-Generaal--waren
bijeengebracht, en die onder den titel »Noordsche togten” eene wel is
waar ongeordende, maar overigens voor mijn onderwerp geheel
gereedgemaakte verzameling bleken te zijn. Dáarin vond ik de meeste
eenigszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het viel mij
gemakkelijk, het ontbrekende uit de liassen van brieven, uit Denemarken
aan de Staten-Generaal gericht, uit de verhalen van enkele ambassaden en
uit de Sententiën van het Hof van Holland nog eenigermate aan te vullen,
en het resultaat van dit alles bied ik hierbij aan het publiek aan. Wil
men zeggen, dat het weinig is, ik zal de eerste zijn om het te erkennen.
Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is, moeten er natuurlijk
bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedenis vraagteekens
blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek zweemt, steeds
wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het gemis der
archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen. Ik heb in het
daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen, dan de
bronnen te gebruiken, waarop reeds de aandacht gevestigd was door den
heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren verdienste het is, dat
hij bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en zeevaart
nieuwe bronnen geopend heeft. De hoogste lof, dien ik hierbij kan
oogsten, is dan ook, dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat hij
gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna niets
over de resultaten der ontdekkingsreizen, en voor aardrijkskunde en
cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de enkele namen,
dagteekeningen en aanduidingen van bezochte kusten, die ik heb kunnen
opsporen, geven op verrassende wijze een nieuwe getuigenis van de
verbazende volharding en de uitgebreide kundigheden onzer voorvaderen.
Mocht het mij gelukt zijn, die nieuwe aanspraak van het voorgeslacht op
onze bewondering in het licht te stellen!_

_Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden van de
in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden. Ik heb daarvan niet het
minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde tijdvak hebben
ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook al was mij van
latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken, ik zou gemeend
hebben de eenheid van mijn werk niet te mogen verbreken ter wille dier
in ieder geval onbeduidende twisten.--Anders is het gesteld met het
eerste hoofdstuk van dit boek. Het valt in het oog, dat het hier niet
thuis behoort. Ware ik vrij geweest in de behandeling van mijn
onderwerp, ik had dit hoofdstuk met de nu onvermijdelijke inleiding dan
ook laten vervallen en alleen in een kort woord vooraf de Nederlandsche
ontdekkingsreizen in het noorden vóor 1614 besproken, met bizondere
vermelding der plannen van Thorne, Plancius en Barendsz. en der reizen
van Jan Cornelisz. Ryp en Henry Hudson, die samen de eer van
Spitsbergens ontdekking moeten deelen. Ik voelde echter geene vrijheid
datgene weg te laten, wat blijkbaar voor den steller der prijsvraag de
hoofdzaak was geweest._

_Zooveel ter rechtvaardiging van mijn plan en de groote uitbreiding, die
dit boek daardoor erlangde. Er blijft mij over, met een enkel woord mijn
hartelijken dank te betuigen aan allen, die mij bij de bewerking daarvan
behulpzaam zijn geweest. Ik noem hier gaarne in het bizonder den heer
rijks-archivaris Van den Bergh, wiens welwillendheid voor allen, die van
de aan zijne zorg toevertrouwde schatten gebruik willen maken, trouwens
algemeen bekend is,--den heer bibliothecaris Campbell, die mij zelfs met
opoffering van zijn vrijen tijd in de gelegenheid heeft willen stellen
de uitvoerige excerpten uit Purchas’ zeldzaam werk, die ik behoefde, te
vervaardigen,--den heer Leupe, die niet moede werd mij voor mijn werk
nieuwe bouwstoffen aan te wijzen, waarvan hij bij zijne langdurige
studiën over de Nederlandsche reizen der zeventiende eeuw kennis had
gekregen,--en eindelijk den heer Baudet te Utrecht, die met meer dan
gewone hulpvaardigheid mij wel heeft willen behulpzaam zijn bij het
teekenen der hierbij gevoegde kaart._



INLEIDING.


»Men kan zich niets treurigers denken dan het voorkomen van Spitsbergens
kusten, wanneer de heuvelen, bedekt met versch gevallen sneeuw, in nevel
en mist gehuld zijn, maar men zal ook niet licht een schitterender en
vrolijker tafereel aanschouwen, wanneer op een schoonen dag de
wolkenlooze hemel prijkt in zijn onovertroffen donkerblauwen tint,
terwijl de zon hare stralen uitschiet, getemperd door die eigenaardig
zachte en toch heldere atmospheer, die een besneeuwd landschap altijd
omgeeft. Op zulk eenen dag is de wind bij het land nauwelijks merkbaar,
dikwijls is het zelfs volkomen stil, maar de stranden zijn vol beweging
en leven. De geheele natuur schijnt dankbaar te zijn voor den heerlijken
zonneschijn, al wat leeft verheugt zich en is vrolijk.

»Zulk een dag was de 4^{e} Juni (1818). Wij allen waren verrast door de
verandering van de sombere atmospheer der opene zee in den vrolijken
glans, die de heuvelen en de kalme oppervlakte van de Magdalena-baai
bestraalde. Niemand voelde de koude, en toch waren wij omringd door
sneeuw en ijs, toch stond de thermometer slechts even boven het
vriespunt. Verschillende soorten van amphibiën, duizenden vogels, die
hier bijeen waren, schenen zooveel zij konden van de kortstondige warmte
te genieten, die hun de zonneschijn bood. Reeds vroeg in den morgen
weergalmde het strand onophoudelijk van de vrolijke kreten der
watervogels; overal vermengde zich het afgebroken geblaf van den zeehond
met het speelsche gebrul van troepen walrussen, die zich in de
zonnestralen koesterden.

»Zeker, er was geen harmonie in deze vreemde mengeling van geluiden;
maar toch hoorden wij ze met genoegen omdat wij wisten dat dit alles
eene uiting was van geluk. Het was een genoegen van denzelfden aard als
dat van iederen reiziger, die op een helderen avond in een tropisch
klimaat luistert naar het vrolijk gegons van duizenden gevleugelde
insecten, zoodra de zon is ondergegaan. Zoo verschillend heeft de groote
Schepper der natuur zijne giften verdeeld! In de verschroeiende hitte
onder de keerkringen wekt het dalen der zon duizenden kleine wezens tot
vrolijkheid en beweging op, waartoe zij onder de stekende stralen der
middagzon de kracht niet hadden. Hier integendeel is de zonsondergang
het teeken tot algemeene rust.

»Zoodra die tijd van den dag in de Magdalena-baai was aangebroken,
ontstond er dan ook eene stilte, die aan het verhevene grensde, eene
stilte, slechts afgebroken door het barsten van een ijsberg of het
vallen van stukken rots, die van de bergen afrolden. En zelfs deze
geluiden, die over de kalme oppervlakte der baai weergalmden, braken het
algemeene zwijgen niet af: als zij weldra in de verte verstierven, was
de stilte die ze achterlieten nog dieper dan te voren.

»Over dag ging de aanwezigheid onzer schepen niet onopgemerkt voorbij.
De vogelen ontweken ons in hun vlucht. Elk geraas, dat toevallig gemaakt
werd, was daar vreemd: de zeevogels, die tusschen de rotsen vischten,
trokken zich verder terug, geheele troepen van dieren, die anders
grootendeels in diepen slaap zouden verzonken geweest zijn, bleven
wakker en op hunne hoede. Telkens wanneer er iets op het dek viel,
lichtten zij hunne koppen op en wierpen onderzoekende blikken over de
baai, als om te vernemen waardoor zulk een ongewone stoornis werd
veroorzaakt. Deze zwakke geluiden, die op bewoonde plaatsen zeker
onopgemerkt zouden gebleven zijn, bewezen meer dan iets anders hoezeer
de mensch hier een vreemdeling is. Ik moet bekennen, dat deze bewustheid
iets streelends had door de overtuiging, dat wij ons op eene plek
bevonden, slechts zelden vóor ons door menschen bezocht.”[1]

    [1] Beechey, Voyage of Discovery towards the North Pole, gecit. in:
    White, Spitzbergen and Greenland. p. VIII-X.

Zóo moet Spitsbergen zich vertoond hebben aan hen, die op het einde der
zestiende eeuw het vroeger geheel onbekende land bezochten; zóo
beschrijft nog in onze eeuw een Engelschman den indruk, dien de
verlatene stranden van dit barre gewest op hem maakten. En geen wonder,
zoo Spitsbergen eeuwen achtereen eenzaam was! De natuur schijnt dit
land, verscholen in den uitersten hoek der aarde, door een dam van ijs
aan den blik der menschen te hebben willen onttrekken. Reeds de groote
bezwaren, verbonden aan het bezoeken van streken, waar schijnbaar niets
is wat den mensch kan aanlokken, leiden tot de gevolgtrekking, dat
Spitsbergen voor altoos even eenzaam blijven zou als de ontdekkers het
vonden.

Toch is dit niet het geval geweest. In de eeuwen, die tusschen de
ontdekking en het hierboven beschreven bezoek verliepen, is het land
niet alleen herhaaldelijk bezeild, maar zijn de steeds met sneeuw en
ijs bedekte kusten het tooneel geweest van het drukke gewoel eener
handelsnederzetting, de bron waaruit een jeugdig volk een winst van
millioenen te voorschijn bracht, een voorwerp om welks bezit zelfs de
machtigste volken der zeventiende eeuw lang en hardnekkig gestreden
hebben. »Indien men deeze tyden hadde mogen beleeven, of noch beleeven
mogt,” roept een Hollandsch schrijver uit, »wat zou men zich met lust en
yver aan de Visschery konnen overgeeven! Want gelyk meest alles door
schaade of voordeel, welgevallig of ongevallig, licht of zwaar werd
gemaakt, zoo is dan by gevolg, dit voor veelen een behaaglyke Visschery
geweest, geevende niet alleen groot voordeel aan de Reeders, maar
teffens voor de Commandeurs, Harponiers en meer andere Belanghebbers,
die door veel te vangen, zoo veel te meer partgeldt verdienden. Alle de
Kookeryen en Pakhuizen maakten gelykzaam een buurt of klein Dorp uit, ’t
welk dieshalven niet oneigentlyk naar de nering, het Dorp Smeerenburg
wierd genoemt. Nademaal de Schepen dubbelt volk voerden, zoo was ’t daar
dagelyks ’t zy in de Schepen, in de Sloepen of op ’t Landt niet weinig
drok; derhalven quamen ’er ook met deeze Schepen, gelyk in de Leegers,
eenige Zoetelaars over, die in hun eigen behuizing, of in de Pakhuizen
hunne Waaren, als Brandewyn, Tabak, en meer diergelyke dingen
verkochten; insgelyks quamen er ook Bakkers om Broodt te bakken,
wordende des morgens wanneer de warme bollen en ’t wittebroodt uit den
oven quam, op den Hoorn geblaazen; zulks dat aan dit Smeerenburg,
omtrent den zelvigen tydt met Batavia gesticht, in dien tydt lustig wat
te doen viel, schoon echter niet in vergelyking met deeze Javaansche
Hoofdstadt; niet te min was ’er mede al vry veel gewoel, en naar de
gelegentheit van ’tLandt taamelyk wat te bekomen, mogelyk ook de Wyn en
Brandewyn reedelyk goed koop.”[2]

    [2] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 227, 228.

Zulk eene drukte, zulk een gewoel vertoonde zich aan den bezoeker van
Spitsbergen lang voordat een halve eeuw na de ontdekking verloopen was;
nog een halve eeuw later en de kusten waren sedert lang weder tot hare
vorige eenzaamheid teruggekeerd! Slechts een enkele verdwaalde
walvischvaarder, een zeldzame wetenschappelijke reiziger storen nu en
dan met groote tusschenpoozen den ijsbeer en den zeehond in hunne
worstelingen op leven en dood. Zelfs de reusachtige bewoner der zee, de
walvisch, heeft voor goed Spitsbergens stranden verlaten.

Kan men zich wonderlijker geschiedenis van een land denken? Sinds de
vroegste tijden onbewoond, plotseling gedurende een halve eeuw druk
bezocht, zoo druk dat de wedijverende natiën elkander van de kust
trachten te verdringen, en daarna even plotseling en voor goed in de
eenzaamheid teruggevallen! Zeker, de lotbedeeling van alle staten is
rijk aan verrassende wendingen, welk land heeft echter zulk eene korte
en tevens zulk eene belangwekkende geschiedenis?

Het is mijn voornemen deze geschiedenis van Spitsbergen in de volgende
bladen te verhalen; de ontvouwing der redenen, die tot het bevolken en
het verlaten van dit land geleid hebben, zal mij tevens gelegenheid
geven een belangrijk en nog onbeschreven hoofdstuk van onze eigene
handelsgeschiedenis te schetsen. Voordat ik echter daartoe overga, is
het noodig een overzicht te geven van de vroegste tochten in de IJszee,
die middellijk tot de ontdekking van Spitsbergen geleid hebben.

       *       *       *       *       *

Reeds vroeg in de middeleeuwen, kort na den dood van Karel den Groote,
was er eene natie, die bijna de geheele uitgestrektheid der noordelijke
IJszee, voor zooverre zij het tooneel was van de ontdekkingsreizen der
zestiende en zeventiende eeuw, had bevaren. Deze natie, de Noormannen,
had niet slechts hoog in het noorden hare koloniën steeds meer
vooruitgeschoven totdat zelfs Groenlands westkust op een trap van
beschaving stond, die in die streken sedert niet weder bereikt is, maar
zij bezat zelfs vrij nauwkeurige kennis van het groote vasteland aan den
overkant des aardbols, dat eerst vele eeuwen later aan het overige
Europa bekend zou worden. Door de uitvoerige verhalen, die hunne
kroniekschrijvers daarvan hebben nagelaten, kunnen wij ons eene vrij
duidelijke voorstelling van de bedoelde ontdekkingstochten maken.

Had nog vóor 890 de Noorman Octher de Noordkaap omzeild en, verre
voorbij de plek waar later Kola stond gestevend, zijne reis misschien
tot zelfs aan de Witte Zee uitgestrekt, reeds vroeger was IJsland door
zijnen landgenoot Naddodr ontdekt (860) en spoedig daarop door Ingolfr
gekoloniseerd (874). Het kon niet lang duren of de zeevarende bewoners
van IJsland, dat als het ware de brug vormt van Europa naar Amerika,
werden bekend met het bestaan van Groenland. En werkelijk was dit zoo.
Wel had de eerste ontdekking van dit groote vasteland door den IJslander
Gumbiörn (880) naar het schijnt geen gevolg, maar toen een ander, Erikr
Rauthi genaamd, in 982 en 983 de kusten nader onderzocht had, was
spoedig bij hem het besluit gerijpt eene volkplanting van IJsland
daarheen te voeren, een besluit reeds in 985 en 986 ten uitvoer gelegd.
De vestiging leidde weldra tot eene kolonisatie op uitgebreide schaal.
In twee gedeelten, den Ooster- en Westerbygd, gescheiden door de
onbewoonbare wildernis Ubygd, bevolkten de IJslanders de zuidwestkust
van Groenland.[3] De nederzetting, vooral de meest zuidelijk gelegen
Oosterbygd, bloeide aanvankelijk zéer. Vele dorpen, waarbij na de
bekeering der bewoners tot het Christendom (door Leifr Erikson omstreeks
990) verscheidene kerken verrezen, ontstonden langzamerhand. In jacht en
visscherij en door talrijke kudden vond men overvloedige middelen van
bestaan. Het verkeer met Noorwegen was levendig, de handel niet
onbelangrijk; het schijnt zelfs dat de Groenlandsche kolonie schatting
aan het moederland betaalde. En geen wonder! de volkplanting wist zich
zelve te helpen en scheen door hare ondernemingszucht te toonen, dat zij
levenskracht bezat. Immers niet alleen strekten zich de tochten der
jeugdige Groenlandsche nederzetting ter walvischvangst hoog in het
noorden door straat Davis tot in de Baffinsbaai uit, zóo zelfs dat zij
in 1266 het eiland Disco bereikten, maar ook het verkeer met het
Amerikaansche vasteland was levendig. Reeds spoedig na de aankomst in
Groenland had Bjarni Herjulfrson toevallig de streek lands bij het
tegenwoordige Boston ontdekt (986) en sinds het jaar 1000 was de verdere
ontdekking van dit heerlijke gewest, dat men Vinland noemde, gevolgd:
overwinteringen in het zachte klimaat waren niet zeldzaam geweest.
Hoewel kolonisatie en zelfs handel door de vijandige houding der
inboorlingen onmogelijk bleek, ondernamen de stoutmoedige Groenlanders
eeuwenlang gedurig tochten naar het nieuwe land. Voornamelijk om de
rijke ladingen hout, die zij daar vonden, was het te doen: hout was een
artikel in het eigen land niet te vinden en toch bepaald onmisbaar.

    [3] Volgens de vroeger algemeen heerschende meening was het
    Groenlands oostkust, die door IJslanders bevolkt werd. Het is hier
    de plaats niet, deze meening te wederleggen, die voornamelijk
    schijnt te steunen op den verkeerd begrepen naam Oosterbygd. Door de
    resultaten van Graahs expeditie naar Groenlands oostkust en het
    vinden der ruines van de Noorweegsche huizen op Groenlands westkust
    schijnt mij de zaak echter nu uitgemaakt.

En toch, niettegenstaande al de ontwikkelde energie ging de kolonie
eindelijk te niet. Op den duur schijnt het klimaat, de grond van
Groenland te bar geweest te zijn, dan dat de bewoners onafhankelijk van
alle hulp uit Europa konden bestaan. Aanvankelijk was dan ook het
verkeer vrij geregeld geweest: na den dood van den bisschop van
Groenland was altijd dadelijk weder een opvolger derwaarts gezonden; ook
tot het drijven van handel landden niet zelden schepen, die de
Groenlanders van noodzakelijke levensbehoeften voorzagen. Toen echter in
de eerste jaren der vijftiende eeuw de beroemde Margaretha van
Denemarken in een oogenblik van ontevredenheid plotseling alle verkeer
met de verafgelegene kolonie verbood, hielden natuurlijk alle berichten
uit Groenland op. Langzamerhand vergat men in Europa de eens zoo
bloeiende volkplanting, en toen jaren later de koningen van Denemarken
hunne fout inziende expedities uitzonden om het verkeer te hernieuwen,
was het te laat. De Noorsche nederzetting in Groenland was verdwenen en
alle reizigers kwamen onverrichter zake terug.[4] Vele eeuwen duurde het
eer men weder eenige geringe sporen vond, dat Groenlands westkust
eertijds door eene beschaafde bevolking bewoond geweest was. Hoewel ons
dus natuurlijk over den ondergang der kolonie alle berichten ontbreken,
is het niet moeielijk te gissen, hoe eene nederzetting, die eeuwen
bestaan had, zoo plotseling verdwenen is.

    [4] Tot die expedities behooren o. a. die van Jan van Kolno
    (verkeerdelijk ook Szkolno en Anskoeld genoemd) in 1476 (Richardson,
    Polar regions. p. 33.--Asher, Hudson the Navigator, p. XCVIII),--van
    Walkendorp in 1521 en van Paulus Stygotus, Deensch landvoogd op
    IJsland, in 1564 (Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p.
    121.--Nicolai, Relation. Vorredt. p. 7),--van Henningson in 1578
    (Barrow, Abrégé chronol. V p. 18),--van Olivier Brunel in de laatste
    jaren der zestiende eeuw (Megiser, Septentrio Novantiquus. p.
    174),--van Lindenau en Hall in 1605 en 1606, van Richardson en Hall
    in 1607 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 24-29.--Barrow, Voyages into
    the arctic regions. p. 169, 73)--en van Jens Munck in 1619, 20.
    (Richardson, Polar regions. p. 107, 8.--Barrow, Abr. chronol. V p.
    55-69.)

Men weet, dat de pest, die onder den naam van de zwarte dood in de
veertiende eeuw geheel Europa doorgetrokken was, ook de kleine bevolking
van Groenland geweldig geteisterd had; men weet, dat een inval uit het
zuiden, waarschijnlijk van Amerikaansche inboorlingen, de gedunde
bevolking nog had doen verminderen; men weet eindelijk, dat de
kustbewoners langen tijd veel te lijden hadden gehad van binnenlandsche
vijanden. Het waren de reeds door de herhaalde tochten der Noormannen
naar hun land verbitterde Amerikanen, die, toen in de veertiende eeuw
eene volksverhuizing der tegenwoordige bewoners van Amerika, de
roodkleurige Indianen, hen steeds meer naar het oosten drong, besloten
hadden de gelegenheid aan te grijpen om zich op hunne oude vijanden te
wreken. Zij waren straat Davis overgestoken en hadden zich weldra op
Groenlands westkust gevestigd. Deze wilde horden, de tegenwoordige
Eskimo’s, hadden sedert dien tijd jarenlang een bitteren krijg met de
Europeesche bewoners gevoerd. In 1379 waren zij eindelijk aanvallend
tegen de kleinste der beide volkplantingen, den Westerbygd, opgetreden.
De hulp, den bedreigden kolonisten door hunne stamgenooten uit den
Oosterbygd ijlings toegezonden, was te laat gekomen[5]: de troepen
hadden slechts rookende puinhoopen gevonden en geen levend wezen was er
sinds dien tijd in den eens zoo bloeienden Westerbygd gezien. Het kan
bijna niet twijfelachtig zijn, of de bevolking van den Oosterbygd, door
Denemarken aan zich zelve overgelaten, door herhaalde rampen gedund,
onderging een gelijk lot. Eskimosche overleveringen wijzen nog de plaats
aan, waar de laatste Noorman strijdende voor zijn land bezweek.[6]

    [5] Aan het hoofd dezer expeditie stond Ivar Bere of Bardseu, die
    onder den naam van Iver Booty eene zekere vermaardheid heeft
    verkregen in de geschiedenis der ontdekkingsreizen door de
    vertaling, die Barendsz van zijne aanteekeningen over den weg naar
    Groenland maakte.

    [6] Het verhaal dezer Noorsche tochten is voornamelijk ontleend aan:
    Richardson, The polar regions. p. 20-30.--Vgl. daarover en over de
    Noorsche ruines in Groenland ook: Hayes, The land of desolation. p.
    45-72.--Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 118-20.--Asher,
    Hudson the Navigator. p. LIX vlg. CLXIII.--Reeds in de vorige eeuw
    had men daarvan vrij nauwkeurige kennis. Zie het verhaal bij:
    Barrow, Abr. chronol. V p. 1-18. Ook: Mauricius, Naleesingen tot
    Weederlegging van ’t regt gepraetendeert by Noorwegen op de
    Noordelijke Landen. (R.-A.), die echter de geloofwaardigheid dezer
    verhalen zeer betwijfelt.--Alle berichten zijn oorspronkelijk
    ontleend aan IJslandsche kronieken, grootendeels uitgegeven in
    Rafn’s Antiquitates Americanae.

De geschiedenis dezer ontdekkingen--wanneer men ze zoo noemen mag, nu er
nieuwe ontdekkingen op geographisch en historisch gebied noodig zijn
geweest om zoowel het ontdekte land als de geschiedenis der ontdekkers
zelven aan de beschaafde wereld bekend te maken,--ze is voor ons op het
oogenblik van weinig belang. Zoo ik er desniettemin een paar bladzijden
aan wijdde, dan is het omdat in een overzicht der vroegste reizen in de
noordelijke IJszee de vermelding er van niet ontbreken mag, en vooral
omdat het waarschijnlijk mag heeten, dat de beide ontdekkers van
Amerika, Columbus en Cabot, bij hunne bezoeken aan IJsland juist door de
verhalen over de Noorsche tochten het plan hebben opgevat tot hunne
latere reizen. Zóo knoopt een dunne draad de Noorsche ontdekkingen aan
die van het overige Europa vast.

Want niet lang nadat de Groenlandsche koloniën zoo ellendig waren te
niet gegaan, verspreidde zich over geheel Europa de lust tot
ontdekkingen, die eens de Scandinaviërs tot hunne avontuurlijke tochten
had aangespoord. Aangevuurd door de schitterende uitkomsten der
Portugeesche reizen, vooral door de wonderen, die van de door Columbus
betreden landstreken verhaald werden, wenschten alle natiën in het
aangewezen spoor te volgen. De Italianen, de ijverigsten van allen, die
in hun eigen verbrokkeld land de middelen niet vonden om hun dorst naar
avonturen te lesschen, verspreidden zich over de geheele wereld en velen
boden aan vreemde vorsten hunne nuttige diensten aan. Zulk een man was
Columbus zelf, zulk een man was ook Giovanni Cabot.

Elke geschiedenis van de ontdekkingsreizen naar het noorden behoort te
beginnen met eene eervolle vermelding der namen van dezen genialen
reiziger en zijnen uitnemenden zoon Sebastiaan. De Cabots zijn minder
bekend dan Columbus, maar zij hebben bijna evenveel aanspraak op den
dank van het nageslacht. Al volgden zij ook slechts op de baan die
Columbus geopend had, toch zijn zij de eigenlijke ontdekkers van
Amerika[7] en hunne meer veelzijdige werkzaamheid heeft hunnen naam ook
op het gebied der noordpoolreizen met onverwelkbare lauweren
omkransd[8]. Giovanni Cabot, een Venetiaan die zich te Bristol gevestigd
had, verkreeg 5 Maart 1496 van Hendrik VII van Engeland eene akte om met
zijne drie zonen ter ontdekking van onbekende streken te mogen uitvaren.
De reis, die daarop door hem ondernomen werd, leverde de belangrijkste
resultaten: den 24 Juni 1497 zette Cabot bij Newfoundland het eerst den
voet op Amerikaanschen grond en zeilde van daar eenige weken zuidwaarts
langs eene geheel onbekende kust. De koning was door de mededeeling
hiervan zoo verrast, dat hij dadelijk een nieuw patent aan den reiziger
verleende (13 Februari 1498). Weldra rustten de Cabots zich dan ook tot
eene tweede ontdekkingsreis uit. Ditmaal was het Giovanni Cabots tweede
zoon Sebastiaan, die den tocht ondernam. Zijn doel was echter niet het
verder onderzoeken van het nieuwgevonden land: Amerika werd steeds door
hem beschouwd als een hinderpaal voor het vinden van zijn ideaal, een
korten weg naar Oost-Indië. Ook het resultaat van deze reis was
allergewichtigst. Het moet ieder met bewondering voor Cabot vervullen,
dat hij, de eerste die het plan om eene noordwestelijke doorvaart naar
Oost-Indië te zoeken opwierp, de eerste die daarnaar zocht, reeds
dadelijk de twee wegen vond, die ook nu nog als de eenige beschouwd
worden, die kans op welslagen in het noordwesten bieden: de beide
zeeëngten, die haren naam, met voorbijgaan van haren ontdekker, van de
veel latere reizigers Davis en Hudson hebben ontvangen[9].

    [7] Cabot bereikte het vaste land van Amerika in 1497, dus een jaar
    vóor Columbus. Bovendien schijnt Cabot de eerste geweest te zijn,
    die bemerkte, dat de gevondene landstreken niet een deel van Azië
    waren, maar een nieuw, tot dusverre geheel onbekend werelddeel. (cf.
    Asher, Hudson the Navigator. p. LXXI.)

    [8] Zie over de Cabots: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 89,
    90.--Rundall, Voyages tow. the North-west, p. 4-6.--Richardson,
    Polar regions. p. 36 vlg.,--en vooral: Asher, Hudson the Navigator,
    p. LXVI-LXXV, CII, CXX-CXXIII.--Het hoofdwerk over de Cabots is:
    Biddle, Memoir of Sebastian Cabot.

    [9] Waarschijnlijk werd straat Davis door Cabot eerst op zijne reis
    van 1517 ontdekt. De berichten omtrent de beide reizen zijn echter
    zeer verward. (cf. Asher, Hudson the Navigator, p. LXXIII, CXX.)

Het voorbeeld door Cabot gegeven vond weldra navolging. In eenen tijd,
toen de lust tot ontdekkingen nagenoeg geheel Europa bezielde, was het
niet meer dan natuurlijk, dat ook bijna alle handeldrijvende natiën
Cabot op zijnen weg volgden. Het zoeken van eenen doortocht naar
Oost-Indië midden door Amerika werd het doel van verscheidene
ondernemingen. Van de meesten zijn slechts zeer onvolledige berichten
tot ons gekomen, slechts de meer bekende vermeld ik hier. De Portugeezen
waren ook hier wederom de eersten. Reeds in 1501 deed een edelman van
die natie, Gaspar de Cortereal, een reis naar Amerika’s noordkust.
Misschien onder het zoeken naar Hudsons-straat, misschien ook terwijl
hij trachtte een anderen weg dan den door Cabot aangewezene te vinden,
verviel hij in eene zeer natuurlijke en later algemeene vergissing. De
wijde mond van de St. Laurens-rivier, die in de golf van dien naam
eindigt, werd voor eene zeeëngte gehouden. De berichten, die men al
spoedig van de inboorlingen verkreeg over de groote zee, waarnaar die
stroom leidde (de vijf groote Amerikaansche meren) konden niet anders
dan dit vermoeden bevestigen. Cortereal was de eerste die dezen weg
onderzocht. Zijne ontdekkingen bepaalden zich dan ook tot de golf en de
riviermonding van St. Laurens en tot de omliggende kusten. Een tweede
tocht leidde tot geen verder resultaat en de moedige reiziger zelf vond
daarbij den dood.

Ook de Franschen deden spoedig pogingen om hun aandeel in den roem
hunner tijdgenooten te bemachtigen. Maar eerst na twintig jaren
vruchteloos gezocht te hebben, vonden zij krachtige hulp in den
Venetiaan Giovanni di Verazzano, die zijne diensten aan Frans I aanbood.
De koning nam ze gretig aan en gaf hem het bevel over een schip,
waarmede de reiziger in 1524 den oceaan overstak. Verazzano handelde
onder de bepaalde overtuiging, dat er een westelijke doortocht naar
Oost-Indië ~moest~ zijn, naar het schijnt echter zonder bepaald plan
~waar~ die was. Om zeker te zijn, dat de gewenschte zeeëngte hem niet
ontsnappen zou, stuurde hij zuidwestelijk en ontdekte de Amerikaansche
kust op 34° NB. Van daar noordwaarts langs het strand stevenende
onderzocht hij de baaien, die hij ontmoette (voornamelijk den mond der
Hudsons-rivier en de Narraganset-baai) en zette zijne tochten voort tot
de noordpunt van Newfoundland. Omtrent de St. Laurensbaai schijnt hij
beter ingelicht te zijn geweest dan zijne voorgangers; maar daardoor
moest hij nu ook, toen de levensmiddelen begonnen te ontbreken, naar
huis keeren zonder zelfs hoop op een bepaalden doortocht te kunnen
geven. De bekende reizen van den Franschman Jaques Cartier in 1534 en
1535 slaagden nog minder goed: evenals Cortereal bepaalde hij zich tot
onderzoekingen op de St. Laurensrivier, waar hij meende den
noordwestelijken doortocht te zullen vinden. De volkplantingen door
Cartier later (1540) naar de dus bekend geworden streken gevoerd hebben
zijnen naam echter een eervolle plaats in de geschiedenis verzekerd.

De Spanjaarden, bezitters van een gedeelte der Amerikaansche streken,
waardoor men verwachtte dat de doortocht zou loopen, waren niet het
minst ijverig in het zoeken daarnaar. Sinds 1500 deden zij onophoudelijk
tochten langs de kust, voornamelijk in Middel-Amerika. De beroemde
Fernando Cortez maakte zelfs een plan om de geheele Noord-Amerikaansche
kust, zoowel de oost- als de westzijde te doen onderzoeken door eene
daartoe met opzet uitgeruste expeditie, die van het zuiden beginnende
niet rusten zou voordat zij verder noordwaarts den doortocht gevonden
had. De verdienstelijkste tocht der Spanjaarden was echter die onder den
Portugees Estevan Gomez. Deze uitstekende zeeman, die naar het schijnt
in zijnen tijd voor eene autoriteit op het gebied der cosmographie
gehouden werd, verkende slechts weinige maanden na Verazzano (1525) op
last van Karel V dezelfde kusten, die de Venetiaan had bevaren, maar in
omgekeerde richting. Waar hij zijne reis begon is niet zeker, maar het
staat vast, dat hij de Amerikaansche kust ten noorden van 41° NB. tot
aan de West-Indische eilanden nauwkeurig opnam en de meest volledige
berichten over land en volk medebracht. De kaart, die hij van de door
hem geziene kust opmaakte, staat verre boven de gelijktijdige van
Verazzano. De interessante reis van Gomez, die trouwens niet nader tot
het voorgestelde doel leidde, was de laatste tocht van belang, die
voorloopig ondernomen werd. De Engelschen begonnen zich omstreeks dezen
tijd mede in het strijdperk te vertoonen, maar hunne eerste pogingen
waren zwak en zonder eenig belangrijk resultaat.

Twee redenen schijnen omstreeks 1530 samengewerkt te hebben om de
pogingen om westwaarts naar Oost-Indië te zeilen te doen opgeven. De
hoofdreden zal natuurlijk wel geweest zijn de slechte uitslag van
zoovele ondernemingen, die bijna jaar op jaar gedurende meer dan het
vierde eener eeuw waren beproefd. Alle reizen, die in deze eerste
periode volbracht waren, hadden wel is waar geleid tot eene betrekkelijk
nauwkeurige kennis van Amerika’s oostkust, maar tot het voorgestelde
doel, het vinden van eenen korten weg naar Oost-Indië, was men geen stap
genaderd. Voor een lateren tijd bleef het bewaard het spoor door Cabot
aangewezen te volgen en in het verre noordwesten naar een doortocht te
zoeken[10]; voorloopig werd de tot dusverre betreden weg algemeen
verlaten, en terwijl de Spanjaarden op het voetspoor van Cortez in
verschillende expedities Amerika’s westkust onderzochten zonder de
doorvaart te vinden, gaven de andere natiën hunne pogingen geheel op.
Maar een tweede reden bracht daartoe niet weinig bij. De expedities om
het rijke Oost-Indië en het mythische Cathay, het land waarvan men
zoovele wonderen verhaalde, te vinden hadden de Europeanen meer en meer
opmerkzaam gemaakt op de schatten, die het nieuwontdekte westelijke
vasteland zelf in niet minderen overvloed aanbood. Langzamerhand begon
dan ook de lust om die zoo gemakkelijk te bereiken voordeelen te
bemachtigen, de overhand te krijgen op de begeerte om de Indische
rijkdommen, waarvan de oudheid gewaagd had, te winnen. En de reizen naar
Amerika’s kusten met dat doel gemaakt, hadden natuurlijk niet meer den
omvang, waardoor de vroegere zulke uitgebreide resultaten op het gebied
der aardrijkskunde hadden opgeleverd. Want voortaan waren het bepaalde
punten van het nieuwe vasteland zelf, waarheen men zijne tochten
richtte, en alleen het voortdurend toenemende verkeer was oorzaak, dat
ook deze reizen na lange jaren aanmerkelijk bijdroegen tot de
geographische kennis van Amerika’s kusten. De landstreek, waarop ik
hierbij voornamelijk het oog heb, is Newfoundland. Het was reeds den
eersten reizigers niet ontgaan, dat de bijzonder groote overvloed van
kabeljauw, die zich op de kusten van dat land bevond, een bron van
voordeel zou kunnen zijn, die niet verwaarloosd diende te worden, en
toen eenmaal de weg daarheen gewezen was, verschenen hoe langer hoe meer
Portugeesche, Spaansche en vooral Fransche schepen in die rijke wateren.
De Franschen, wier Baskische broeders reeds van ouds als onverschrokkene
visschers bekend stonden, verdrongen eindelijk hunne mededingers geheel
van dat gebied, maar niet voordat de Portugeezen de geheele kust tot
zelfs in Hudsons-baai bezeild en vrij nauwkeurig opgenomen hadden. (vóor
1570.)[11]

    [10] In deze eerste periode had men over het algemeen het voetspoor
    gevolgd van Columbus, die eenvoudig westwaarts naar Oost-Indië had
    willen zeilen. Toen men het bestaan van Amerika ontdekt had, zocht
    men ergens midden door dat werelddeel een doortocht, die zeker de
    eenvoudigste weg naar Oost-Indië zou geweest zijn. Nadat deze
    pogingen vruchteloos gebleken waren, beproefde men natuurlijk den
    kortsten weg, den noordoostelijken doortocht. Eerst toen ook hier
    zich groote moeielijkheden opdeden, wendde men zich naar het
    noordwesten en in deze glansrijke tweede periode van het zoeken naar
    de westelijke doorvaart, nagenoeg uitsluitend door Engelschen
    beproefd, onderscheidden zich vooral mannen als Frobisher, Davis,
    Weymouth, Bileth en Baffin. Over deze reizen vindt men uitvoerige
    berichten in: Purchas his Pilgrimes. III.

    [11] In dit overzicht der ontdekkingsreizen op de Amerikaansche kust
    volg ik bijna uitsluitend de uitnemende inleiding voor: Asher,
    Hudson the Navigator. p. LXV-CI.

Lang voor dien tijd was echter het zoeken van een noordelijken doortocht
naar Oost-Indië, of zooals men toen algemeen zeide naar China en Cathay,
reeds weder hervat en wel volgens een geheel nieuw plan.

De pauselijke bul, waarbij aan de Portugeezen de nieuw ontdekte landen
op de oostelijke helft van den aardbol, aan de Spanjaarden die op de
westelijke helft werden geschonken (1493), had dezen in hun eigen oog
gerechtigd alle andere natiën van de vaart op de hun toebehoorende
landen, bekend of onbekend, uit te sluiten. Er waren maatregelen genomen
om de demarcatielijn juist te trekken (congres van Badajoz 1524)[12], en
men was eindelijk tot eene vreedzame oplossing gekomen. Het laat zich
begrijpen, dat dit alles door de overige Europeesche natiën met leede
oogen werd aangezien. Mocht ook voor niet-katholieke natiën het
pauselijk woord geen gewicht in de schaal leggen, de beide begunstigde
mogendheden hechtten daaraan des te meer, en daar zij in de zeeën, die
den toegang naar het zoo begeerde Oost-Indië openden, oppermachtig
waren, deed hun wil om anderen uit te sluiten hier alles af. Maar deze
toestand was op den duur niet te dulden: voor de uitgeslotenen was het
alles waard het verre land te bereiken en de wrevel tegen de
overweldigers was algemeen. Eene handeldrijvende natie als de Engelsche,
bovendien steeds in oppositie tegen Spanje, moest wel het eerst
ongeduldig worden over den opgelegden dwang. Het was dus waarschijnlijk,
dat Engeland eene nieuwe poging zou doen om Oost-Indië te bereiken,
zoodra zich een kans opdeed om dien stap te doen met eenige hoop op
goeden uitslag.

    [12] Zie daarover: Hakluyt, Divers voyages. p. 47 Noot 2.

En die kans deed zich op. In 1548 was Sebastiaan Cabot, die sinds zijne
vorige tochten met een korte tusschenpoos[13] in Spaanschen dienst was
geweest, in Engeland teruggekomen. Een reis naar het noordwesten in 1517
ondernomen had hem de overtuiging geschonken, dat zoo al een doortocht
naar Oost-Indië in die richting te vinden was, de moeielijkheden daaraan
verbonden toch in ieder geval te groot waren dan dat die weg voor den
geregelden handel met Oost-Indië van eenig nut zou kunnen zijn. Zijn
aandacht viel nu op de eenige zee, die nog kans op eenen nieuwen weg
scheen aan te bieden.

    [13] In die tusschenpoos volbracht Cabot in Engelschen dienst zijne
    noordwestelijke reis van 1516 of 1517.

Het hooge noorden van Europa was sinds de dagen van Octher niet meer
bezocht geworden: de beschaafde wereld was geheel onbekend met de kusten
der IJszee. Slechts onbepaalde voorstellingen vormde men zich van die
streken, voorstellingen voornamelijk aan de schriften van Plinius en
andere oude geographen ontleend. Dezen hadden geleerd, dat de kust van
Azië ten noorden in een kaap uitliep, die kaap Tabin (kaap Taimyr?)
genoemd werd. Van dat punt zou de kust recht naar het zuiden loopen.
Door eene straat, de straat van Anian genaamd (de Behring-straat),
meende men onmiddellijk het rijke Cathay, een mythisch land ten noorden
van China, te kunnen bereiken; de weg van daar naar China en Oost-Indië
zou niet moeielijk te vinden zijn.--Dezen weg wilde Cabot nu inslaan. De
moeielijkheden daaraan verbonden waren hem onbekend; het onmiskenbare
voordeel, dat deze weg boven alle andere bood, de kortheid, moest ieder
in het oog vallen. Vast besloten om ten minste een proef te wagen,
vinden wij Cabot dan ook reeds weinige jaren na zijne laatste mislukte
noordwestelijke reis, in 1522 en 1523 bezig met onderhandelingen, om aan
zijne vaderstad Venetië de voordeelen van deze vaart te verzekeren[14].
Maar te vergeefs! Venetië was door hare ligging aan gene zijde van de
straat van Gibraltar te veel afhankelijk van Spanje’s goedvinden om het
te wagen de bedoelingen dier groote mogendheid te weerstreven op een
punt van zooveel belang. Cabot was dus genoodzaakt van zijn ideaal af te
zien: Venetië zou de vruchten van de plannen door haren zoon gemaakt
niet plukken. Maar nauwelijks was de geniale grijsaard vele jaren later
in Engeland teruggekeerd, of hij maakte gebruik van de gunstige
gelegenheid en het jarenlang geliefkoosde plan werd ter tafel gebracht.

    [14] Cabot heeft dus de prioriteit boven Robert Thorne, die in 1527
    nieuwe plannen over den noordelijken doortocht naar Oost-Indië
    opperde. Zie Thorne’s werkjes afgedrukt in: Hakluyt, Divers Voyages
    to America.

En niet zonder vrucht! Het eerste resultaat van Cabots bemoeiingen was
reeds in 1551 de oprichting eener nieuwe compagnie, die bestemd schijnt
geweest te zijn om het overwicht, dat de Hansesteden door hare
privilegiën in Engelands handel hadden, te vernietigen en de eigen
werkzaamheid der Engelschen door het openen van nieuwe banen voor het
verkeer op te wekken. De belangrijke plaats, die deze compagnie ook in
ons verhaal innemen zal, maakt het noodig over haar iets uitvoeriger te
spreken[15]. Het was eene maatschappij op aandeelen van 25 p. St.;
binnen korten tijd had men de som van 6000 p. St. bijeen en kon de
compagnie onder den naam van »~The Mystery, Company and Fellowship of
Merchants Adventurers for discovery of unknown lands~” hare
werkzaamheden beginnen. Cabot werd tot president voor zijn geheele leven
benoemd. Het doel was, zooals reeds uit den naam blijkt, het ontdekken
van nieuwe landen; het aanknoopen van handelsbetrekkingen zou daarmede
natuurlijk gepaard gaan. Reeds de eerste tocht der compagnie, waarover
later meer, bepaalde voor goed de richting, waarin zich hare
ondernemingen voortaan zouden bewegen. Er werden namelijk reeds in 1553
handelsbetrekkingen met Rusland aangeknoopt, en hoewel de compagnie
haar doel, het ontdekken van vreemde landen, niet uit het oog
verloor,--hoewel door hare pogingen de Engelsche walvischvangst een
tijdlang bloeide, bleven toch de betrekkingen met Rusland zoozeer
hoofdzaak, dat de naam der compagnie geheel in vergetelheid geraakte en
men haar gewoonlijk de Moscovische of Russische Compagnie noemde.

    [15] Zie Hakluyts uitvoerig verhaal der omstandigheden, die tot de
    vestiging dezer compagnie leidden, in de inleiding van: Beke, Three
    voyages by the North-east. p. II-IV.

In Engeland was men trouwens zeer met de handelwijze der nieuwe
vereeniging ingenomen. Dadelijk na de terugkomst der eerste expeditie
verkreeg zij (6 Februari 1555) van Philips en Maria verschillende
privilegiën en octrooi voor den uitsluitenden handel op het noorden. De
compagnie werd in dit stuk aangeduid door de omschrijving: »~The
Merchants adventurers of England for the discovery of lands,
territories, isles, dominions and seignories unknown~.” Toen later, door
de groote winsten die de maatschappij maakte aangelokt, andere
Engelschen inbreuk op haar octrooi maakten en onder allerlei
voorwendsels trachtten de beperkende bepalingen der wet te
ontduiken[16], toonde Elisabeth hoezeer zij het bestaan der compagnie op
prijs stelde, door op nieuw in uitdrukkelijke bewoordingen het
uitsluitend recht der vereeniging, voortaan »~The Fellowship of English
Merchants for the Discovery of New Trades~” genaamd, te handhaven.
(1566)[17] Onder laatstgemelden naam heeft de Moscovische Compagnie de
eeuwen getrotseerd en bestaat zij tot op dit oogenblik[18].

    [16] Zie over deze inbreuken op het octrooi der Moscovische
    Compagnie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204, 212, ook p. 220,
    cf. p. 201 Noot 1, 214 Noot 2, 216 Noot 2.

    [17] Sommigen verhalen, dat deze bevestiging van het octrooi onder
    Elizabeth ~bij parlementsakte~ is geschied.

    [18] Zie over de Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant. p. 88-90,
    162, 212.--Asher, Hudson the Navigator p. CII, CIII, CXXIII,
    CXXV.--Beke, Three voyages by the north-east. p. II-IV,
    VII.--Hakluyt, Divers voyages. p. LXXXV, LXXXVI.--Read, Hist. inq.
    conc. Henry Hudson. p. 21 vlg.

Dadelijk na hunne vereeniging maakten de kooplieden zich op Cabots
aandrijven gereed het voorgestelde doel, de ontdekking van nieuwe
landen, te bereiken. Reeds in 1553 zeilde eene expeditie naar het
noordoosten. In plaats van Cabot, die te oud was om persoonlijk de
ontberingen eener noordelijke ontdekkingsreis te verduren, werd Sir Hugh
Willoughby, een ervaren krijgsman van aanzienlijke familie[19], aan het
hoofd der onderneming gesteld. Als opperstuurman werd hem de bekwame
Richard Chancellor toegevoegd. De drie schepen, waaruit de kleine vloot
bestond, de Bona Esperanza, de Edward Bonaventure en de Bona
Confidentia, verlieten de haven van Ratcliff den 10 Mei 1553. Geheel
Engeland zag met belangstelling den uitslag der onderneming te gemoet.
Het resultaat was dubbel belangrijk. Niettegenstaande een hevige storm
reeds spoedig op de kust van Noorwegen den Edward Bonaventure, met
Richard Chancellor aan boord, van de overige schepen scheidde, zeilden
beide afdeelingen moedig voort. Willoughby ontdekte den 14 Augustus
Novaya Zemlya. Hij bereikte dat gedeelte van het eiland, dat de
Ganzenkust heet en dat op de nieuwste kaarten ter zijner eere
Willoughby-land genoemd wordt[20]. Het ijs belette hem te landen en na
vruchteloos getracht te hebben noordwaarts te zeilen besloot hij de
Russische kust op te zoeken. Hij bereikte den mond van de rivier
Warsina, waar het ijs hem insloot. In deze zeer ongunstig gelegen haven
in eene verlatene streek moesten de daarop niet voorbereide schepen
overwinteren. Het volgend voorjaar vonden de Laplanders ze beiden
ingevroren: de geheele bemanning was van koude en gebrek omgekomen.

    [19] Zie over den persoon en de familie van Willoughby met zeer
    overdrevene uitvoerigheid: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 91-104.

    [20] Dat Willoughby-land en de Ganzenkust identiek zijn, wordt nu
    algemeen erkend. (Beke, Three voyages by the north-east. p.
    V.--Asher, Hudson the Navigator, p. CXXIV, CLVIII.--Hamel,
    Tradescant der Aeltere. p. 110.) De eer van dit overtuigend bewezen
    te hebben komt toe aan Rundall. (Voyages towards the north-west. p.
    III-VI.)--Tot zoover is men het eens; over de quaestie of Willoughby
    ~na~ de ontdekking van Novaya Zemlya ook Spitsbergen heeft gevonden
    ~kan~ nog eenig verschil bestaan. Bij de overtuigende gronden door
    Rundall (l. c. p. VI-XII) ~tegen~ dit gevoelen aangevoerd, zou men
    m. i. nog deze kunnen voegen, dat het onwaarschijnlijk, ja bijna
    onmogelijk is, dat Willoughby in een reis van negen dagen door eene
    altijd met ijs bezette zee (terwijl hij in het gunstigste geval
    slechts ~drie~ dagen noordelijk gezeild is en overigens meest
    zuidoost of zuidwest) den grooten afstand heeft afgelegd tusschen
    Novaya Zemlya’s zuidwestpunt en Spitsbergen.

Van meer dadelijk belang voor de compagnie was het resultaat door
Chancellor bereikt. Met zijn schip, waarvan de bekende Stephen Burrough
kapitein was, oostwaarts gezeild, kwam hij in de Witte Zee en landde 24
Augustus 1553 aan den mond van de Dwina. Welwillend ontvangen
overwinterde de bemanning aldaar. Chancellor zelf vertrok over land naar
Moscou, waar hij den czaar bereid vond tot het aanknoopen van
handelsbetrekkingen. Dit heugelijk bericht, door hem het volgende jaar
aan zijne lastgevers overgebracht, gaf aanleiding tot het aanknoopen van
een geregeld verkeer tusschen Engeland en den mond der Dwina, waar
spoedig op het Rozen-eiland bij Kholmogorui eene kolonie van Engelschen
verrees[21].

    [21] Zie over het handelsverkeer tusschen Engeland en Rusland
    voornamelijk in de eerste twintig jaren: Hamel, Tradescant der
    Aeltere 1618 in Russland. In dit zeer geleerde, zeer onsystematisch
    bewerkte en met vele onbelangrijke kleinigheden opgevulde boek vindt
    men over dezen handel nauwkeurige en uitvoerige berichten van het
    grootste belang, die grootendeels uit de voor ons zoo moeielijk
    toegankelijke Russische archieven geput zijn.

Niettegenstaande deze handel weldra bijna alle aandacht der jeugdige
compagnie tot zich trok, werden toch de pogingen tot het ontdekken van
den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië niet opgegeven. Reeds in
1556 werd Stephen Burrough, die kapitein was geweest van Chancellors
schip, uitgezonden om nadere kennis omtrent de noordoostelijke zee te
verkrijgen en bepaaldelijk om den mond van de rivier den Ob te
verkennen. Met een klein schip de Searchthrift verliet hij 23 April
Gravesend, bevond zich 9 Juni te Kola, stak verder oostwaarts gezeild
den mond der Witte Zee over en volgde van daar nagenoeg de lijn der
Russische kust. Langs het eiland Kolguev bereikte de moedige zeeman den
31 Juli Vaigatsch, waar hij landde; hij zag Novaya Zemlya en ontdekte
den ingang naar de zee van Kara, de breede naar hem genoemde
Burroughs-straat, ook wel Kara-straat geheeten[22]. Maar toen hij de nog
door geen Europeaan bezeilde zee was ingevaren, vond hij het ijs daar in
zulke hoeveelheden ronddrijven, dat hij het ongeraden achtte verder te
gaan. Den 5 Augustus keerde hij terug en kwam 11 September behouden te
Kholmogorui aan.

    [22] Dat deze straat later voor de noordpoolreizen zelden of nooit
    meer gebruikt werd, is waarschijnlijk aan hare ondiepte toe te
    schrijven. Massa teekent toch daarbij op zijne kaart (in Hessel
    Gerritsz’ Beschr. v. Samoyeden-Landt) aan: „Hier machmen by hoogh
    water overvaeren, anders ist droogh.” Witsen (Noord en oost
    Tartarye. p. 921) is van een ander gevoelen en verhaalt, dat „de
    Moskoviten de vaert benoorden ’t Eiland Waigats na de Binnen-zee
    schouwen, maer meest altoos de doortogt naest aen de vaste Kust
    gebruiken, hoewel de Noorder-straet het diepste is. Zy zyn
    vreesachtig,” voegt hij er bij, „dat van die zyde meer gevaer is, om
    dat aldaer de meeste Ys-schollen zoude(n) zyn.”

Hoezeer deze reis de geographische wetenschap eene belangrijke schrede
voor uitbracht, waren hare praktische resultaten eer ontmoedigend dan
verblijdend. De zekerheid was wel is waar verkregen, dat de hinderpaal,
die zich zoo onverwachts in de IJszee tot ver in het noorden uitstrekte,
den toegang naar het oosten niet geheel sloot, maar men had zich tevens
kunnen overtuigen, dat de verdere weg naar Oost-Indië met vele bezwaren
bezet was,--dat niet alleen kaap Tabin, het doel waarnaar ieder zeeman
streefde, maar zelfs de mond van den Ob niet gemakkelijk te bereiken
was. Onder deze omstandigheden besloot de compagnie, meer en meer door
den handel op de Dwina beziggehouden, eenen weg in te slaan, die
waarschijnlijk spoediger tot resultaten van praktisch belang zou leiden
dan de tot dusver beproefde. Verschillende pogingen werden door Anthony
Jenkinson op haren last aangewend om overland het rijke Cathay te
bereiken en onderweg handelsbetrekkingen met Perzië aan te knoopen.
Maar dit plan mislukte volkomen: de onderlinge oorlogen der aldaar
wonende stammen beletten, dat er een vreedzame handelsweg door Azië’s
binnenlanden geopend werd[23].

    [23] Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 199-203.--Read, Henry Hudson.
    p. 55, 59.

Toen het zoodoende gebleken was, dat de weg overland aan meer bezwaren
en meer wisselvalligheden onderworpen was dan die over zee, sloeg de
compagnie den ouden weg op nieuw in. Herhaaldelijk beproefde zij van de
noordelijke kusten ten minste eene eenigszins nauwkeurige kennis te
verkrijgen. Het doel was bij die tochten niet zoozeer het omzeilen van
kaap Tabin,--de onverwachte ontdekking van Novaya Zemlya schijnt de
toenmalige geographen aan de juistheid van Plinius’ mededeelingen te
hebben doen twijfelen,--maar voornamelijk om te onderzoeken of ergens
voorbij den Ob de kust zich al dan niet noordwestwaarts omwendde en door
aansluiting aan Novaya Zemlya’s noordoostpunt een baai vormde, die aan
alle verdere pogingen om den doortocht naar Oost-Indië langs dien weg te
vinden eens en voor goed een onoverkomelijken hinderpaal in den weg
moest leggen. Tevens werd den reizigers op het hart gedrukt om te
onderzoeken, of het door Willoughby ontdekte land al dan niet verbonden
was met het door Burrough geziene Novaya Zemlya, en om te ontdekken
hoedanig de gesteldheid was van de kusten van den Ob en van de bewoners
dier streken.[24]

    [24] De instructiën aan Bassendine c. s. in 1568 en aan Pet en
    Jackman in 1580 door de Moscovische Compagnie gegeven, zijn nagenoeg
    volkomen eensluidend wat het doel der reis betreft. Men moet echter
    uit dit feit geene conclusiën trekken over de algemeene verspreiding
    der daarin vervatte beschouwingen, immers ~beide~ stukken zijn van
    de hand van den bekenden William Burrough. (Hamel, Tradescant der
    Aeltere. p. 223 en vooral p. 185 Noot 1.--Beke, Three voyages. p.
    XXV.) De lijst van geschriften van W. Burrough in de inleiding van
    Hakluyts Divers voyages (p. LXI) moet dus met deze beide vermeerderd
    worden.

Van de tochten met dit oogmerk ondernomen zijn ons slechts zeer
onvolledige berichten bewaard gebleven. Slechts van éene reis, die van
Arthur Pet en Charles Jackman in 1580, kunnen wij een eenigszins
volledig overzicht geven. Evenals in 1553 was de belangstelling in dezen
tocht, waaraan men een meer dan gewoon gewicht schijnt gehecht te
hebben, in Engeland zeer levendig. Met twee schepen, de George en de
William, verlieten Pet en Jackman, twee ervaren zeelieden, 31 Mei 1580
de reede van Harwich. Reeds den 24 Juni, niet ver voorbij Wardöhuus,
moest echter Jackman tot herstel van zijn ontredderd scheepje--de
William--de kust opzoeken. Pet zette zijne reis moedig voort: hij
bereikte, Willoughby’s spoor volgende, Novaya Zemlya nagenoeg op
dezelfde plaats als zijn voorganger en maakte zoodoende de identiteit
van Novaya Zemlya en Willoughby-land voor goed uit, een feit, waarop
door de toenmalige geographen echter geen acht geslagen is. Op eenigen
afstand van de kust--ijs en mist beletten hem haar geheel te
volgen--zeilde Pet langs Novaya Zemlya, miste den ingang van
Burroughs-straat, die vol ijs zat, en kwam 17 Juli in de baai van
Pechora aan. Bij de eerste goede gelegenheid vertrok hij weder van daar;
volgde de Russische kust en ontdekte de tweede opening, die toegang
verleent tot de zee van Kara, Yugorsky-sjar, door de Hollanders later
straat van Nassau, door de nieuwere geographen echter naar haren
ontdekker Pets-straat genoemd. Na vruchtelooze pogingen om door het ijs
te breken, ontmoette onze reiziger volgens afspraak zijnen tochtgenoot
Jackman bij Vaigatsch. Beide bevelhebbers besloten nu noordwaarts te
zeilen om eene ijsvrije zee te zoeken, maar vruchteloos! Na eene nieuwe
beraadslaging besloot men de reis op te geven en den terugtocht aan te
nemen. Pet kwam 26 December behouden te Ratcliff aan, Jackman
overwinterde in eene Noorweegsche haven en men heeft sedert dien tijd
niets meer van hem vernomen.

Van de overige expedities, door de Moscovische Compagnie omstreeks dezen
tijd uitgezonden, weten wij uiterst weinig.[25] Uit verspreide berichten
vernemen wij, dat er in 1568 een plan heeft bestaan tot eene expeditie
met geheel hetzelfde doel als die van Pet en Jackman, onder Bassendine,
Woodcocke en Browne, en dat deze expeditie waarschijnlijk vertrokken is.
Vóor 1584 zijn er nog verschillende andere reizen door Engelschen
gemaakt met het doel om den mond van den Ob te vinden, en wel niet
zonder belangrijke resultaten, die echter ongelukkig alle voor de
wetenschap verloren zijn gegaan. De eerste dier reizen had ten gevolge
het vinden van den weg ter zee naar den mond van den Ob, eene
wetenschap, die aan Europa niet bekend werd, daar alle deelnemers aan de
expeditie door de Samojeden vermoord werden.[26] Zekere Anthony Marsh,
onbekend met het resultaat door zijne landgenooten verkregen, deed in
dienst der compagnie nogmaals den landweg beproeven. Een Rus met name
Bodan, bereikte op zijnen last zoodoende den Ob weder, maar de czaar
keurde dergelijke proefnemingen ten sterkste af: hij zette Bodan
gevangen, ontnam hem zijn rijke voorraad koopmansgoederen en belette
daardoor op nadrukkelijke wijze alle verdere proefnemingen met
gebruikmaking van de verkregen kennis. Marsh beraamde eindelijk in 1584
een nieuw plan om den Ob te bereiken. Eenige Russen zouden voor hem in
twee vaartuigen de rivier de Pechora opzeilen, van daar door eene andere
rivier, door hen Ouson genoemd (de Ussa?), in den Ob komen en dien met
den stroom afzakken. De Russen gaven aan Marsh de keus tusschen dezen
weg en dien door Mathijs-straat over de zee van Kara naar den mond van
den Ob. Of er ooit iets van deze onderneming gekomen is, is niet bekend.
Eene ontdekking van niet minder belang was de kennis, die Marsh door
deze Russen verkreeg van het bestaan en de ligging van Mathijs-straat
zelve (Matyushin-sjar tusschen Novaya Zemlya en Mathijs-land), de derde
en voor zoover bekend is de laatste weg naar de zee van Kara[27].

    [25] Zie intusschen daarover: Hamel, Tradescant. p. 313, 22.

    [26] Zie over deze reis breedvoerig: Hamel, Tradescant der Aeltere.
    p. 322 Noot 2. Hamel plaatst haar op goede gronden in 1581 en maakt
    het waarschijnlijk, dat Jackman en de zijnen de moedige reizigers
    geweest zijn, die hier den dood vonden.

    [27] Van een vierden weg door Novaya Zemlya naar de zee van Kara,
    tusschen Mathijs-land en Lütke’s-land wordt het bestaan wel vermoed;
    het is echter nog niet gelukt hem te ontdekken. Hamel (Tradescant.
    p. 321) gelooft er niet aan.

Hoe belangrijk de tot 1584 verkregen uitkomsten zijn mochten, men kon
zich niet verhelen, dat men na dertig jaren zoekens nog slechts éene
schrede op den moeielijken weg naar Oost-Indië gevorderd was. Ook nu men
den mond van den Ob bereikt had, bleven de grootste hinderpalen op dien
weg zelfs ondoorzocht. Volgde men Plinius’ uitspraken, dan bleef de
verre noordelijkste punt van Azië kaap Tabin nog steeds in het duister;
het bleef twijfelachtig of op zulk eene noordelijke hoogte de zee
bevaarbaar was. En de vrees, dat de zee van Kara niets dan eene groote
baai zou zijn, die den weg naar Oost-Indië afsloot, was niet weggenomen.
Onder deze omstandigheden schijnt de compagnie, die nu reeds naar haren
uitgebreiden handel op de Witte Zee terecht den naam van Moscovische
droeg, besloten te hebben aan dien handel al hare aandacht te wijden.
Noch Hakluyt, die zooveel belang gesteld had in de noordpoolreis van
1580 en wiens beroemd werk ~Principal Navigations~ eerst in 1589
verscheen, (de tweede editie is van 1598),--noch Purchas, die de
wetenschappelijke nalatenschap van dezen uitnemenden geleerde in
materiëelen en immateriëelen zin aanvaardde, melden iets van Engelsche
ontdekkingsreizen naar het noordoosten na 1584. De reis van Pet en
Jackman schijnt de laatste expeditie van eenig belang geweest te zijn,
door Engelschen uitsluitend tot het doen van ontdekkingen naar het
noordoosten uitgezonden, totdat de opmerking, dat de IJszee in den
walvisch een onmetelijken rijkdom in hare wateren verborg, op nieuw tot
het opsporen van onbekende landen aanzette[28].

    [28] In het verhaal dezer noordoostelijke tochten volgde ik
    voornamelijk de uitnemende inleiding voor: Beke, Three voyages by
    the north-east.

Maar de taak, die de Engelschen na moedig en ijverig pogen dus
onafgewerkt gelaten hadden, werd dadelijk door eene andere natie
opgevat. De rivaliteit, die Engeland en Nederland gedurende de geheele
zeventiende eeuw verdeelde, nam reeds op het einde der zestiende een
aanvang. In de onherbergzame wateren der IJszee begon een strijd, die
zich van daar over alle oorden der wereld zou uitbreiden,--een strijd,
die op de geschiedenis van geheel Europa den beslissendsten invloed zou
oefenen.



HOOFDSTUK I.

DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)


»Men miskent het doel der wetenschap, als men hare waarheden minder hoog
schat, omdat men de nuttige toepassingen niet ontdekt, die men daarvan
zal kunnen maken[29]”. Zoo is het waarlijk! De wetenschap is het slechts
te doen om waarheid op elk gebied: met de eischen der praktijk kan zij
zich niet dan accidenteel bezighouden. Gelukkig echter is het nut der
wetenschap daarom nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden
gelegen, die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen
ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen om die
waarheden te doen is, doet soms op zijnen weg ongezochte en onverwachte
ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbeteren van bestaande of
het scheppen van nieuwe toestanden,--ontdekkingen, die door personen
alleen op praktische resultaten bedacht bezwaarlijk zouden zijn gedaan.
Op deze wijze zijn verreweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de
negentiende eeuw zoo oneindig ver boven de vorige verheffen; op deze
wijze verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeventiende
eeuw een ongedachten prijs voor hunne inspanning.

    [29] Spruyt, De achterhoede van het idealisme. (Gids, Juni 1872. p.
    391.)

De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der zestiende en
in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee gedaan, versierden de
namen der eenvoudige zeelieden die ze ondernamen met onverwelkbare
lauweren, en zelfs nog zeer onlangs verleenden onverwachte ontdekkingen
aan den roem van hun moed en volharding nieuwen glans. Zij brachten over
tot dien tijd nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en
bewezen aan de wetenschap dier dagen belangrijke diensten. Maar te
gelijk verwierven zij ook voor hunne volharding eene belooning van
practischen aard, al werd het doel, dat zij zich voorgesteld hadden, in
weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De gezochte handelsweg
naar Oost-Indië bleek meer en meer een hersenschim, maar onverwachts
werd den moedigen ontdekkers een ruim veld geopend, waarop de energie
hunner landgenooten door het vestigen der walvischvangst eerlang
schatten zou verwerven.

Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het den helden
op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk belang te doen was.
Overdreven zucht tot verheerlijking van het voorgeslacht moge soms de
Staten voorgesteld hebben als edele menschen, die van liefde tot de
wetenschap blakende kostbare expeditiën uitrustten om de menschheid met
de wonderen der IJszee bekend te maken; teleurgestelde nationale trots
moge het zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben,
dat zij niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te
vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen: deze
traditioneele voorstellingen, deze overdreven eischen zijn even onjuist
als onbillijk. Reeds in theorie schijnt het voor eene regeering
onwenschelijk, de plannen van zuiver wetenschappelijke mannen, die zich
met de eischen der practijk niet inlaten, uit hare middelen te steunen.
Partikulieren als Hakluyt en Mercator mogen tijd en geld overhebben voor
het doen van nasporingen, die slechts theoretisch nut opleveren; de
staat, die het algemeen belang moet behartigen, kan zich met die
nasporingen niet inlaten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze
tot een praktisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo
de regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten de
beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de geleerde
onderzoekingen haar bevorderlijk schijnen voor het algemeen belang mag
zij zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag men hoogere eischen
stellen aan de leiders van den gewapenden opstand tegen Spanje, in eenen
tijd toen geld en nogmaals geld het doel der verarmde onderzaten bij al
hunne ondernemingen was en zijn moest, toen de behoefte van den geest
aan iets hoogers dan de belangen der geldkist zich bijna uitsluitend
uitte in een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! Hoe
getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal, voor hun
gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denkbeelden, dat zij niet
meer maar ook niet minder deden dan men zelfs in gewone omstandigheden
van eene regeering eischen mag!

Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waarlijk geene
gewone: het was een donkere tijd van algemeene ellende. De
godsdiensttwisten, die Europa beroerd hadden, lieten bijna alle staten
uitgeput achter en nog was er overal overvloedige brandstof opgehoopt,
die eerlang de vlammen feller dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje
was door den reeds langen oorlog met zijne oproerige onderdanen verzwakt
en verspilde zijne krachten met pogingen om in Frankrijk de leiding der
zaken in handen te krijgen. En wel stuitten die pogingen af op den
nationalen zin van het Fransche volk, maar Hendrik IV won slechts een
land, sinds lange jaren door bijna onafgebroken bloedige twisten
geteisterd en nog steeds door den bittersten partijhaat verdeeld. In
Duitschland heerschte na de overwinning der protestantsche partij een
betrekkelijke rust, maar de aanhoudende verdeeldheden deden reeds
voorzien, dat de godsdienst ook hier in de politiek haar laatste woord
nog niet gesproken had. Ook Engeland, dat onder het bestuur der
protestantsche koningin tijden van ongekende welvaart doorleefde, moest
alle aandacht wijden aan den toestand van het buitenland, wilde het
zijne zelfstandige plaats tusschen de nog steeds vijandig tegen elkaar
overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder de
algemeene verslapping plotseling groote energie. Het godsdienstige
antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had in Nederland
integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met taaie volharding werd
de strijd gestreden; het enthousiasme van een jeugdig volk, dat zich nu
voor het eerst één voelde tegen den algemeenen vijand, wekte tot groote
daden op. Had ook Holland zelf in de middeleeuwen zijne vlag reeds op
eene niet onaanzienlijke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van
talrijke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en nieuwe
talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vlamingen, die in die
jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna alle ondernemingen van
eenig belang gemoeid waren, deelden aan de Noord-Nederlanders hun
heftigen ijver mede voor kerkelijke rechtzinnigheid, maar ook hunne
ondernemingszucht en hunne ervaring in handel en nijverheid, en
bepaalden zoodoende zelfs voor een goed deel het karakter der
Nederlandsche natie gedurende den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door
deze even talentvolle als vermogende schare, doorleefden de Hollanders
bange tijden zonder te bezwijken: het gevaar en het ongeluk scheen hun
slechts een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door
eene regeering, die, hoewel in geenen deele als eens haar vorstelijke
leider den tijd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds in hare
betrekkingen met handel en nijverheid eene even vrijzinnige als
vrijgevige politiek volgde, geraakte het jonge gemeenebest eerlang tot
verbazenden bloei. Niet tevreden met de oude banen, zocht de ontluikende
energie naar nieuwe wegen om de welvaart te vermeerderen en onder het
krijgsrumoer, dat haar soms van nabij dreigde, vond de wetenschap op het
kleine plekje gronds reeds toen eene eervolle plaats.

Dit waren tijden, waarin stoute, geniale plannen konden gevormd worden,
maar de kamergeleerde, de wetenschappelijke onderzoeker vond er geen
plaats. Wie lust tot dergelijke bezigheid voelde, wijdde zich aan de
theologie, die aller harten innam: buiten de kerk dwong de nood der
tijden tot rusteloos werken, tot het zoeken van winst. In dien tijd
moest een Plancius leven, rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als
éen, maar die misschien aan de geographische studiën zijne aandacht niet
zou gewijd hebben, als hij er niet het eenige middel in gezien had om
den noorderlijken doortocht naar het rijke Indië te vinden. Het was dit
veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieuwe vlucht
gaf; daarmede waren schatten te verwerven, daardoor was Spanje gevoelig
te treffen, daarvoor was dus ook de sympathie van regeering en volk.
Stap voor stap naderde men het begeerde doel; allen werkten samen om het
te verwezenlijken. Maar niet de geleerden gaven aan de uitvoering van
het plan den krachtigsten stoot: een man der practijk, een
Zuid-Nederlander bracht daartoe het meeste bij, evenals het weder
eenvoudige kooplieden, weder Zuid-Nederlanders zouden zijn, die door het
vestigen eener nieuwe nering de vruchten plukten van de inspanning
hunner voorgangers.

       *       *       *       *       *

Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bij het klooster
van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hen geene moeite gespaard
om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit van den handel op die
streken te handhaven[30]. Slechts gedurende korten tijd had hun dit
mogen gelukken; reeds twaalf jaren na de aankomst der Engelschen waren
de Nederlanders er in geslaagd het spoor hunner voorgangers ten minste
gedeeltelijk te vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip
Winterkönig, een banneling uit Wardöhuus, betrekkingen met Nederland
aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst naar de
plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou[31]. Reeds het volgende jaar
(1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon Van Salingen en
Cornelis De Meijer, van Kola langs de kust gestevend, de Witte Zee
inzeilen. Zij landden aan den mond van den Onega en reisden verder als
Russen verkleed overland naar Moscou[32]. Schijnt ook deze moedige
tocht, die geen ander doel had dan de regeling van partikuliere zaken,
niet dadelijk tot het vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee
geleid te hebben, de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra
maatregelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. Zij zond
daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar Kholmogorui
(eene stad, dicht bij de Engelsche nederzetting op het Rozen-eiland
gelegen) om de Russische taal te leeren, waarschijnlijk ook om eenige
voor de vestiging van handelsbetrekkingen noodige inlichtingen in te
winnen. Die man was geen ander dan de vroeger zoo bekende[33],
tegenwoordig voor velen raadselachtige Olivier Brunel[34].

    [30] Vgl. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204-20.

    [31] Hamel, Tradescant. p. 150 Noot, 293, 318.

    [32] Hamel, Tradescant. p. 212 Noot, 318.

    [33] Dat Olivier Brunel op het laatst der zestiende eeuw een persoon
    van Europeesche vermaardheid was, blijkt reeds daaruit, dat bijna
    alle berichtgevers (o. a. Gerrit De Veer, Moucheron, Logan en
    Hudson) zijnen naam zonder eenige verdere aanduiding noemen.

    [34] De berichten omtrent Brunel vindt men verzameld bij: Beke,
    Three voyages. p. XXXVII-LI. De voornaamste bron (Wassenaer, Hist.
    verhael. VIII fol. 93) is hem echter ontgaan. Aan den heer De Jonge
    komt de eer toe, het eerst op dit allerbelangrijkste bericht de
    aandacht gevestigd te hebben. Te groote bescheidenheid geeft echter
    den schijn, alsof hij zijne mededeelingen over Brunel alleen aan
    Hamel ontleend heeft, wiens verhaal door Beke zéer ten onrechte „a
    hypothetical biographical memoir” genoemd wordt.

De nu bijna vergeten naam van Olivier Brunel verdient door den
toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer gehouden
te worden; ook in dit overzicht der Nederlandsche ontdekkingsreizen moet
hij de eerste plaats innemen. Brunel was niet alleen de grondlegger van
Nederlands handel op de Witte Zee, hij was ook onze eerste reiziger in
het noorden. Laat ons zien in hoeverre wij uit de hier en daar
verspreide losse berichten de levensgeschiedenis van dezen
belangwekkenden man kunnen reconstrueeren[35].

    [35] Ik neem hierbij de hypothese van Hamel over, die Olivier Brunel
    met Alferius vereenzelvigt. (Zie: Hamel, Tradescant. p. 316-19.) De
    juistheid dezer scherpzinnige gissing (te scherpzinniger omdat Hamel
    Wassenaers bericht slechts kende uit de verkorte mededeelingen van
    Scheltema in zijn: Rusland en de Nederlanden. I p. 39) wordt ook
    door De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 10,
    14) erkend. Daar deze echter de gronden zijner meening niet opgeeft,
    wil ik ze hier mededeelen om aan het ongeloof van mannen als Beke
    een einde te maken. Wij weten dan, dat in 1581 twee personen, beiden
    den niet gewonen naam van Olivier dragende, waarvan de een „natione
    Belga,” de ander „domo Bruxella” was, sinds lange jaren aan de Witte
    Zee gewoond hadden. Neemt men in aanmerking, dat eerst in 1578 zich
    eenige weinige Nederlanders voor het eerst daarheen begeven hadden,
    dan is reeds deze overeenkomst vrij in het oog vallend. Beider
    ontwikkeling was dezelfde: de een, Alferius was volgens Balak geen
    geleerde maar een man van rijpe ervaring; de ander, Brunel, had zijn
    leven als handelsreiziger in het noorden doorgebracht. Ook in beider
    levensomstandigheden is er eene treffende overeenkomst: Alferius
    „captivus aliquot annos vixit in Moscovitarum ditione, apud viros
    illic celeberrimos Iakouius et Vnekius”; Brunel werd in Rusland
    „eenighe jaren in gevanckenisse gehouden” en „daer uyt verlost door
    de Ameckers, dat seer treffelycke koopluyden zyn, ende haer houden
    tot Coolwitsogda”, die Brunel daarna „eenighe jaren gedient” heeft.
    „Iakouius et Vnekius” werden reeds door Lütke, die van Brunel
    waarschijnlijk niets wist, voor Iakov en Grigory Anikiew gehouden;
    Hamel was overtuigd, dat met de „Ameckers” alleen de Anikiews te
    Sol-Wütschegodsk bedoeld konden worden, hoewel zijn berichtgever
    Scheltema „Coolwitsogda” (Sol-Wütschegodsk) willekeurig in „Cool”
    (Kola) veranderd had. Alferius verder werd in 1581 naar Nederland
    gezonden, Brunel ging daar jaarlijks heen, Brunel reisde dikwijls
    over land naar Rusland, Alferius deed de reis langs de kusten der
    Oostzee. Alferius was dikwijls in dienst zijner patroons aan den Ob
    geweest, Brunel was jarenlang handelsbediende geweest bij Russen,
    die jaarlijks op den Ob handelden; Alferius zou van Nederland uit
    den noordelijken doortocht zoeken, Brunel is als de eerste
    Nederlandsche noordpoolreiziger bekend. Eindelijk: Brunel was een
    der bewerkers van de Nederlandsche noordpoolreizen en sprak daarover
    met den Zuid-Nederlander Moucheron; Alferius was op reis naar den
    Zuid-Nederlander Mercator, onder wiens medewerking Moucheron den
    stoot gaf tot het ondernemen dier noordpoolreizen.--Al deze redenen
    doen mij geen oogenblik aarzelen, voor Alferius Olivier Brunel te
    schrijven: de enkele bezwaren wegen niet tegen deze groote
    overeenkomst op.

Olivier Brunel werd in de eerste helft der zestiende eeuw te Brussel
geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt niets bekend. Men
kan gissen, dat hij reeds in 1565 met de eerste Enkhuizer schepen te
Kola gekomen is; men kan het er voor houden, dat hij, evenals vele
Zuid-Nederlandsche koopmansgeslachten, zooals de Moucherons, de Le
Maire’s, de Usselincxs en anderen, Alva’s dwingelandij ontvluchtende,
zich eerst later daarheen begeven heeft. Zeker is het, dat hij reeds
spoedig na de vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis
naar Kholmogorui aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet: spoedig
door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hij door
hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die hem te
Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelijk daagde er voor
hem hulp op: de gebroeders Iakov en Grigory Anikiew[36], die tot het
aanzienlijke handelshuis der Stroganows te Sol-Wütschegodsk behoorden,
verzochten en verkregen van den czaar zijne vrijheid. De edelmoedige
kooplieden hadden alle reden zich over de weldaad aan Brunel bewezen te
verblijden: hun beschermeling nam ijverig en opmerkzaam deel aan de
jaarlijksche tochten, die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel
te land door Samojedenland en Siberië, als ter zee langs de kust voorbij
de rivier de Pechora, bereikte hij met hen den door Engelschen en
Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier reizen, die
waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland gewonen weg door
Matyushin-sjar gingen, werd hij door zijnen Russischen gids in
Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door dit bezoek aan Europa
bekend werd.

    [36] Zie over de Anikiews en hunne plannen zeer uitvoerig: Massa,
    Beschryvinge van Siberia, in: Hessel Gerritsz, Beschr. v.
    Samoyeden-Landt. Zij hadden o. a. „eenighe van hunne Slaven ende
    Knechten, tot 10 ofte 12 toe met de Samoieden in haer Lant gesonden,
    bevelende de selve, dat se alle ’t Landt datse door-reysden, alles
    wel neerstelyck bespieden souden, ende oock alle haer manieren,
    wooningen, leven ende ghebaerden wel ordentelijck souden
    op-teeckenen, om so van alles goedt rapport te doen, als sy weder
    t’huys souden comen, d’welck eens geschiet zijnde, heeft hyse,
    dieder geweest waren, wel ghetracteert, ende oock goede gunste
    toe-ghedragen, dan heeft haer neerstelijck bevolen te swyghen, ende
    oock heeft hy ’t neerstelijck by hem gehouden, sonder yemant daer
    van te vermanen, maer heeft het Jaer daer aen volghende meerder
    partye daer heenen ghesonden, oock eenighe zyner Vrienden, met
    Coopmanschap van kleynder weerden, als Duytsche Cramerye, Bellen
    ende dierghelijcke dinghen: dese zijn oock met gereyst, ende hebbent
    oock gelijck als d’andere alles wel door-snuffelt ende doorsien,
    ende reysden tot de Riviere Oby toe, door vele Woestynen, ende
    verscheyden Rivieren, die daer vele zijn, ende maeckten met sommighe
    Samoyeden aldaer groote Vruntschap ende Alliantie.... In somma,
    door-saghen ’t alles, ende quaemen met rijckdommen van Bont weder
    t’huys, ende hebbende Anica doen van alles verstaen, daer hy nae
    wenschte, soo dreef hy met zyne Vrunsten eenighe Coopmanschappe op
    die Landen, eenighe jaren langh, so dat dese Aniconij heel machtich
    wierden.” Deze Aniconij „woonden inde Stadt Osoil, op de Riviere
    Witsogda ghelegen.” Is het niet, alsof deze beschrijving een
    commentaar is op het ons reeds van Alferius Brunel en zijne patroons
    bekende? en is het wel gewaagd onzen landgenoot onder deze „Slaven
    ende Knechten,” die de Aniconij „wel ghetracteert ende oock goede
    gunste toe-ghedraghen hebben,” eene eervolle plaats aan te wijzen?

Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zijne meesters nog
verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor hunnen handel.
Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met de behoeften van den
Nederlandschen handel goed bekend, opperde Brunel het plan om in het
westen eene gelegenheid te zoeken tot afzet der Russische producten. Om
dit plan uit te voeren vertrok hij zelf, begeleid door twee
bloedverwanten der Anikiews en met passen van den czaar naar Kola,
huurde daar een Nederlandsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan.
Daar vonden de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te
verkoopen. Het overblijvende gedeelte werd te Antwerpen en te Parijs
voordeelig geplaatst, en toen Brunel het volgende jaar bij zijne
patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het resultaat der reis
zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoopen van geregelde
handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit met Nederland. Zoo bezocht
Brunel jaarlijks als agent der Anikiews beide plaatsen.

Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie gebruik om
het plan uit te voeren, waarom hij jaren geleden met zoo ongelukkigen
uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in overleg met zekeren Jan Van
de Walle en in 1577 haalde hij dezen over om overland de reis naar
Rusland mede te maken. Van de Walle maakte zich zijnen tijd uitnemend te
nutte: reeds het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door
stuurman Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemscomond
der Dwina voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit Vlissingen
uitgezeild, behoorde aan Gillis Van Eychelenberg, gezegd Hoofman, een
Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd; als zijn agent was Jan Van
de Walle daarop aanwezig. Onder de schepen, die tegelijk met dat van
Hoofman in Rusland aankwamen, bevond zich reeds dadelijk dat van Adriaan
Crijt, een zeekapitein in dienst van den bekenden Balthazar De
Moucheron.

De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende gevestigd.
Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent van zijnen
bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. De
handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bij het klooster van St.
Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad Novo-Kholmogorui,
meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige aarzeling waren de Engelschen
genoodzaakt hunne nederzetting op het Rozen-eiland te verlaten en zich
in de nieuwe reeds bloeiende koopstad te vestigen: de Nederlandsche
energie was hun te machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan
die van Engeland, dat toch den weg gebaand had[37]. Dit alles uitvoerig
te verhalen ligt buiten ons bestek: wij keeren tot Olivier Brunel terug.

    [37] Zie over de vestiging van den Nederlandschen handel op de Witte
    Zee: Wassenaer, Hist. verhael. p. 89-93.--De Jonge, Opkomst. I p.
    9-14.--Purchas, Pilgrimes. III p. 464.--Uitvoerig bij: Scheltema,
    Rusland en de Nederlanden. I, en bij: Hamel, Tradescant, passim.

Reeds twee jaren nadat Brunel den Nederlandschen handel op Rusland had
bevestigd, vinden wij hem bezig met nog grootscher en avontuurlijker
plannen. Het was het jaar 1580, toen Pet en Jackman onder den toeloop
van duizenden op eene nieuwe noordoostelijke reis uitgevaren waren, toen
de geleerde wereld in gespannen verwachting den uitslag van deze poging
verbeidde. Ook aan den Dwina-mond zullen de Russen, die dagelijks met de
dienaars der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen, zonder twijfel
kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent den
noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was het zeker, dat
Russen, met de kusten der IJszee oneindig beter bekend dan de
Engelschen, van die meerdere kennis gebruik trachtten te maken, om aan
de plannen op het vinden van den noordoostelijken doortocht gebouwd deel
te nemen[38]. De Anikiews hadden reeds dadelijk een Zweedsch
scheepsbouwmeester in hun dienst, die zich bezighield met het bouwen van
twee tot die reis geschikte schepen. Brunel, de Nederlandsche
handelsreiziger, kreeg van hen den last om in Antwerpen bekwame
stuurlieden en matrozen te huren, al was het tegen hooge prijzen.

    [38] Dat Engelsche en Russische kaarten Brunel tot zijne reis
    aangespoord hebben, blijkt uit de mededeeling van Hessel Gerritsz
    (Beschryvinghe van Samoyeden-Landt. p. 2), die trouwens met Brunel
    en zijne daden reeds veel minder bekend schijnt dan Barendsz en
    zijne tijdgenooten.--Overigens komt het mij waarschijnlijk voor, dat
    de twee schepen, door de Anikiews uitgerust, eerder met de plannen
    tot de verovering van Siberië omstreeks dien tijd in verband gestaan
    zullen hebben, dan met het zoeken van den noordoostelijken
    doortocht. Massa (Beschr. v. Siberia. p. 4) is zeer uitvoerig in het
    verhalen van het aandeel door de Anikiews aan dien tocht genomen.

Op zijnen weg daarheen kwam Brunel in Februari 1581 op het eiland Oesel
in de golf van Riga, waar hij in de stad Arensburg eene samenkomst had
met zekeren Johan Balak, een cosmograaph met den beroemden Gerard
Mercator bevriend. Balak, die zeer veel belang schijnt gesteld te hebben
in ontdekkingstochten, gaf hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te
Duisburg mede. Uit dezen brief, door Hakluyt bewaard, kennen wij de
plannen en inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet
uitdrukkelijk verzekerde, uit de mededeelingen van Brunel zelven zouden
wij het reeds kunnen opmaken, dat hij, de koopman, geen geleerde was,
maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen niet van de
studie van Plinius, maar daarentegen van eene betrekkelijk nauwkeurige
kennis van de Siberische kusten.

Brunel was dan voornemens een schip van weinig diepgang in Nederland met
koopmansgoederen te beladen, in de Witte Zee eenige ervaren Russen te
huren, zich van den noodigen proviand te voorzien en in de maand Mei ter
ontdekking uit te zeilen. Oostwaarts voorbij het eiland Dolgoi
gestevend, wilde hij den mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten
en zeeën nauwkeurig opnemen en zooveel mogelijk de afstanden bepalen.
Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station voor de
heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de kust door de
Yugorsky-sjar stevenende, de Karabaai overstekende, meende hij spoedig
aan den Ob te zullen komen. Eenige van de vele monden dezer rivier wilde
Brunel opnemen en dan twaalf dagen de rivier stroomopwaarts opzeilen
totdat hij aan de plaats kwam, waar een andere groote rivier, de Yaks
Olgush genaamd (de Taz-rivier?), zich in den Ob uitstortte. Op zijne
reizen overland was hij vroeger reeds op die plaats geweest, waar de
inboorlingen hem verzekerd hadden, dat zij, wanneer zij daarheen varende
den Ob in drie dagen waren overgestoken, rijke scheepsladingen door
zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien
afvoeren. Eene nabijgelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de Taimyr?),
die zich in het meer van Kittai[39] (Keta of Taimyr?) uitstortte,
begrensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah Colmak, dat niets
anders was dan het rijke en beroemde Cathay. (Khatangsk?) Brunel hoopte
daar te overwinteren en het volgende jaar naar de Witte Zee terug te
keeren.

    [39] China heet volgens Hamel in het Russisch nog steeds Kittai.

Dit was het plan, dat de oudste Nederlandsche noordpoolreiziger zich had
voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hij zijne eigene ondervinding
om hem te leiden. Verder moest hij alleen op de onvolkomene berichten
der Samojeden afgaan. En dat dezen geene veilige gidsen waren, blijkt
reeds bij eene oppervlakkige studie der kaarten. De verwarring, door
Plinius’ berichten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de
verhalen der wilde stammen Brunel brachten. Tot den Ob kunnen wij hem
volgen. Maar zoo al de gissingen, hier en daar over zijn verderen tocht
uit de overeenkomst van naam en ligging door mij gewaagd, juist zijn, in
ieder geval blijkt het, dat de opgaven der afstanden voorbij den Ob
geheel verkeerd zijn. En Brunel zou zeker spoedig hebben bemerkt, dat
bij den Ob zijne reis eerst begon.

De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen overtuigd.
Niet echter zijne Russische weldoeners, het vaderland moest het voordeel
genieten, dat de jarenlange nasporingen van den handelsreiziger zou
beloonen. Nu hij zelf eindelijk de noodige kennis voor het aanvaarden
der reis verkregen had, besloot Brunel dadelijk, de liefde tot het
vaderland hooger stellende dan de dankbaarheid, om eenige kooplieden in
Nederland voor zijn plan te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde
hij alles in het werk om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde
denkbeelden te komen. Ik geloof dan ook niet, dat het gewaagd is aan te
nemen, dat het op zijnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins
Willem I het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar
Oost-Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende
Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron[40], de beroemde geleerde
Gerard Mercator[41], beiden evenals Brunel Zuid-Nederlandsche ballingen,
beiden met hem goed bekend, schijnen aan dit plan niet vreemd geweest te
zijn. De toestand des lands was echter te benard, dan dat de regeering
het op zich had kunnen nemen veel geld te wagen in ondernemingen,
waarvan de uitslag zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de
prins persoonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van
staatswege viel dus niet te denken.[42]

    [40] Zie over Moucheron: De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag. I p.
    109-12.

    [41] Moll, Zeetogten der Nederl. p. 46.--Reeds lang vóor 1581 had
    Mercator, volgens den brief van Balak, van de reizen naar den
    noordpool bizondere studie gemaakt.

    [42] De Jonge, Opkomst. I p. 15.--Linschoten, Voyasie ofte
    schipvaert by Noorden om. (Voor-reden.)

De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunel en Moucheron, lieten
zich echter niet afschrikken. Het komt mij hoogstwaarschijnlijk voor,
dat in 1584 op kosten van Moucheron de eerste Nederlandsche
noordpoolreis ondernomen werd[43]. Hoe dit zij, zeker is het, dat aan
Brunel de eer dier eerste reis toekomt. Met een schip van Enkhuizen--de
stad, die reeds sinds 1565 handel dreef op Kola,--vertrok de onvermoeide
reiziger »lange voor Willem Barentszoons reis” naar het noorden om het
verre Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers, die, kooplieden in
merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke gevaarlijke
reizen niet van den handel wilden onthouden[44], hield ook Brunel zich
onderweg bezig met het aanknoopen van handelsbetrekkingen met de
Samojeedsche stammen. Zijne pogingen waren hem echter noodlottig: nog
voordat hij Novaya Zemlya bereikt had, nam zijne reis een einde. De
rivier de Pechora, die hij blijkens den brief van Balak reeds vroeger
als zeer ondiep had leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met
eene rijke lading kostbare handelsartikelen (pelterijen, bergkristal en
Russisch glas) bevracht was[45].

    [43] Ik maak dit op uit het bericht van den hier zéér welingelichten
    Middelburgschen notaris Le Petit (Gr. chron. anc. et mod. II p.
    651), die op het jaar 1594 verhaalt, dat Balthazar De Moucheron
    „s’asseurant sur cela (d. i. de berichten uit Rusland over de
    mogelijkheid van den noordelijken doortocht) ~oultre la petite
    espreuve que dix années auparavant il en avoit desia faite~,
    advertit le prince Maurice de la délibération qu’il avoit de
    chercher ledit passage.” Moucheron deed juist in 1584 met kracht
    eene uitrusting op de Witte Zee en wij weten, dat hij dien handel
    sedert, „mits dat zijnen naem in desen eenichsins kennelic ende
    ruchtbaer gemaect was, nyet en heeft moghen ofte derven vervolgen
    ende continueren.” (De Jonge, Opkomst. I p. 15, 17.)--Wel verhaalt
    Linschoten (Voyasie, Voor-reden) dat „etlijcke Kooplieden ende
    andere dese Noordtsche Vaert ofte ondersoeckinghe langhe ghesocht
    hebben op de baen te brenghen; maer dat dat altijdt achterghebleven
    is tot op het Iaer 1593,” maar het bericht van den anders natuurlijk
    zeer betrouwbaren getuige is toch bepaald onjuist, daar wij weten
    dat Brunel omstreeks 1584 eene mislukte reis deed. Het eenige, dat
    tegen het noemen van Moucheron als reeder van Brunels schip pleit,
    is het feit, dat deze laatste uit Enkhuizen vertrok, terwijl de
    Moucherons zooals men weet te Middelburg, later te Veere gevestigd
    waren.

    [44] Zoo moest b. v. ook de tweede noordpoolreis (van 1595) volgens
    de Instructie alleen dienen om handelsbetrekkingen met Cathay en
    andere Aziatische landen aan te knoopen: verder dan Japan mochten de
    schepen nog niet gaan.

    [45] Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV. („Sints,” d. i. na
    Pet en Jackman in 1580, „heeft Olivier Brunel uyt Hollant de
    Noordooste passagie ghesocht, ende ontdeckte”, d. i. onderzocht (?),
    „de Reviere van Pechora.”)--Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p.
    2.--Ook Van Dam (Gesch. der O.-I. C. MS. R.-A.) spreekt van
    vruchtelooze noordpoolreizen, door Nederlanders op het voetspoor der
    Engelschen ~reeds vóor~ 1594 ondernomen.

Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven: zij besloten tot eene
nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak van gering belang:
„by de Kooplieden alleen konde ’t selfde seer qualijck te weghe
ghebracht worden sonder eenighe hulpe ofte assistentie midtsgaders d’
authoriteyt van ’t Landt daer toe te hebben[46].” Het vaderland had zich
tot bijstand onmachtig verklaard: men moest zich dus elders heenwenden.
Aan een terugkeer in Russische dienst viel voor Brunel niet te denken:
vernamen wij reeds, dat hij tijdens zijn bezoek aan Balak niet van plan
was zich bij de Russische onderneming naar het oosten aan te sluiten,
hoe zou men hem ontvangen, nu hij van het geheim den geheimzinnigen
Russen afgezien gebruik gemaakt had om den streng verboden handel op
Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou men den ontwerper van het plan
beschouwen, terwijl de geldschieter Moucheron zelf, die nog in 1584
talrijke schepen naar de Witte Zee zond, daar met zulke wantrouwende
blikken werd aangezien, dat hij het raadzaam oordeelde den winstgevenden
handel eerlang te staken?[47] Maar eene andere mogendheid bleef hun
over. Denemarken, reeds lang misnoegd over de tochten naar de Witte Zee,
die zijnen Sondtol afbreuk deden, zou gaarne de gelegenheid aangrijpen
om zelf in het noorden machtig te worden. Daarheen wendde zich dan ook
eerlang Brunel en sloot uit naam van Moucheron met den koning eene
overeenkomst, waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene
privilegiën schonk en hem zelfs ƒ 100,000 voor zijne moeite beloofde,
zoo hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den koning
beschikbaar stellen. Maar ook ditmaal kwam er van de reis niets: mag men
Moucheron gelooven, dan »prefereerde hy den dienst ende welvaert van
deze landen” ten slotte boven het bevoordeelen van den vreemdeling, en
was dus zuivere vaderlandsliefde de oorzaak, dat hij zich ongeneigd
toonde den Deen te helpen[48].

    [46] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert. (Voor-reden.)

    [47] Contract van Moucheron met de Staten van Zeeland, bij: De
    Jonge, Opkomst. I p. 17.

    [48] Dit bericht heeft De Jonge bekend gemaakt uit het contract van
    Moucheron met de Staten van Zeeland. (De Jonge, Opkomst. I p. 17.)

Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bij iemand, die zoo
goed wist wat hij wilde als de latere handlanger van Hendrik IV, een
eenigszins verdacht figuur, zeker is het dat Brunel minder nauwgezet
was. De wegen der beide krachtvolle mannen scheiden zich hier. Terwijl
Moucheron zich langzamerhand en in het geheim voor verdere
noordpoolreizen voorbereidde, zocht Brunel elders bevrediging voor zijn
onleschbaren dorst naar avonturen. Eenmaal in betrekking met Denemarken
bood hij den koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor
hem te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger kon
niet anders dan welkom zijn aan eene natie, die reeds vroeger een paar
maal tochten met dit doel had ondernomen, en gretig werd dan ook de
voorslag aangenomen. Brunel trad dadelijk in Deenschen dienst en gaf
niet eerder zijne pogingen op, voordat drie vruchtelooze reizen, door
hem in achtereenvolgende jaren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn
streven hadden overtuigd[49].

    [49] Dit interessante bericht omtrent Brunel heb ik gevonden bij:
    Megiser, Septentrio Novantiquus (1613), die op p. 174 verhaalt:
    „Innerhalb 100 Iahren haben die Dennenmercker den Strich oder Weg
    dahin (d. i. naar Groenland) verlohren. Darumb dann beij vnsern
    Zeiten, Olivier Brunel, ein wolerfahrner Stewrman dreij Iahr nach
    einander vom König von Dennenmarck gegen Mitternacht gesandt worden,
    diese Insul Gronland zu suchen.” Ik heb er een oogenblik aan
    gedacht, of met die drie reizen in drie opeenvolgende jaren ook die
    van Hall c. s. (1605-7) bedoeld zouden kunnen zijn.

Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunel zich daarna in zijn
vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot
verwezenlijking zijner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner
landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden te
prikkelen. Wij weten toch, dat de latere noordpoolreizen der
Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten
toegeschreven worden[50]; wij kunnen nagaan, dat hij met Barendsz.
zelven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben[51].
Waarschijnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan zijnen
dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorgevallen is: althans
in 1577 was hij »al een bedaeght man”[52]. Zijn naam bleef wijd en zijd
bekend: Engelschen en Nederlanders vermelden hem als iemand van gezag en
ondervinding[53]. Slechts de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is
oorzaak, dat wij zoolang onbekend gebleven zijn met de lotgevallen van
eenen landgenoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tijden
tot nog toe nagenoeg het eenige was, dat van hem ter onzer kennis was
gekomen[54].

    [50] Hessel Gerritsz verhaalt (Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2),
    dat „de tochten der Engelschen ~ende van Olivier Brunel~” aanleiding
    tot de Nederlandsche noordpoolreizen gegeven hebben.--Ik vermoed,
    dat Brunel om tot die reizen aan te sporen zelfs eene brochure heeft
    uitgegeven, waarin hij zijne lotgevallen in het noorden beschreef.
    Het boekje is waarschijnlijk de aan prof. Fruin (Tien jaren p. 241
    Noot 2) onbekend gebleven bron van Wassenaer.

    [51] Dit maak ik op uit het feit, dat Barendsz. Kostin-sjar
    ~herkende~ volgens de beschrijving door Brunel daarvan gegeven. (De
    Veer, Drie seylagien. Eerste reis. fol. 7.)

    [52] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.--Het tijdstip van zijnen
    dood maak ik op uit het feit, dat hij, bekend als hij was en na al
    zijne bemoeiingen, niet voorkomt onder de bevelhebbers der drie
    noordpoolreizen van 1594-97. Ook sprak Hessel Gerritsz. reeds in
    1613 van zijne reis als die van „Oliverii ~cuiusdam~ Bunelli.”
    (Descr. detect. freti, bij: Asher, Hudson. p. 237)--Ik geloof dan
    ook niet, dat hij in 1606 bij de ongelukkige noordpoolreis van John
    Knight tegenwoordig geweest kan zijn, wat men anders zou kunnen
    opmaken uit de volgende mededeeling. Aan het einde van het journaal
    der reis (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 831) staat vermeld: „The
    rest of this Iournall, from the death of Master John Knight, was
    written by Oliuer Browne (of „Brownel”) one of the Company.” (De
    laatste letter van den naam Brownel is niet duidelijk afgedrukt.)
    Maar al is de lezing „Brownel” (de gewone Engelsche verbastering van
    „Brunel”) juist, dan schijnt het toch vreemd, dat een oud en
    ervaren, algemeen bekend zeeman als hij nog in eene ondergeschikte
    betrekking zou gevaren hebben. Onmogelijk is het echter volstrekt
    niet, dat wij hier een belangrijk bericht over den verderen
    levensloop van onzen landgenoot bezitten. Dat Brunel te gelijk met
    Knight uit Deenschen in Engelschen dienst overgegaan is en zoodoende
    het noordwesten op nieuw bezocht, is op zich zelf niet
    onwaarschijnlijk, te minder daar de Engelschman Josiah Logan nog in
    1611 nauwkeurig wist te zeggen, hoe Brunel Kostin-sjar gevonden had.
    (Beke, Three voyages. p. XLIII.) Ik maak hieruit op, dat deze
    Engelsche noordpoolreiziger, die uit de ons bekende veel kortere
    Nederlandsche berichten niet geput kan hebben, Brunel persoonlijk
    moet gekend hebben. En bovendien zou het feit, dat Brunel zich na
    zijne mislukte noordpoolreis in 1584 voortdurend in Deenschen en
    Engelschen dienst bevond, zijne afwezigheid op de latere
    Nederlandsche noordpoolreizen en Hessel Gerritsz.’ onbekendheid met
    zijne lotgevallen voldoende verklaren.

    [53] Vgl. de bij Beke (Three voyages. p. XLIII, XLIII) aangehaalde
    gezegden van Barendsz., Hudson en Logan. Zie ook het contract van
    Moucheron met Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.

    [54] Ik ben in de beschrijving van het leven van Brunel uitvoeriger
    geweest dan ik over de verdere Nederlandsche noordpoolreizen zijn
    zal, omdat hetgeen over dezen persoon, die reeds vroeger de aandacht
    der geschiedkundigen getrokken heeft, bekend is, gevonden wordt in
    allerlei oude werken. De eenige, die er een overzicht van geeft
    is--behalve De Jonge, die natuurlijk zeer kort is,--Hamel, wiens
    boek door het geheele gemis van opgaven der bronnen minder
    vertrouwen geniet dan het verdient. De drie nu volgende, beroemde
    ontdekkingsreizen der Nederlanders zijn echter meer dan voldoende
    bekend: ik zal dus bij het verhalen daarvan den tegenovergestelden
    weg inslaan en mij zooveel mogelijk bekorten.

Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan zijn sinds
eeuwen wereldberoemd. Brunel zelf schijnt de uitvoering zijner plannen
niet meer beleefd te hebben, maar zijn deelgenoot Moucheron vatte met de
hem eigene energie het oude, niet vergeten plan weder met kracht aan,
zoodra hij een geringe kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren,
dat de onderneming schijnbaar was opgegeven, had hij door zijne
bloedverwanten te Archangel en te Londen, door personen, die hij alleen
met dat doel naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige
inlichtingen verzameld over de kansen op eene noordoostelijke doorvaart
en de resultaten door Russen en Engelschen reeds verkregen[55]. In 1593
kon hij zich dan ook tot Maurits Van Nassau wenden[56] en, door dezen
aan de Staten aanbevolen, in December aan den thesaurier van Zeeland
Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde Raden dier provincie zijne plannen
ontvouwen. De Staten van Zeeland toonden zich dadelijk geneigd tot
medewerking: zij boden Moucheron het bestuur over de onderneming aan en
1/3 van de in- en uitgaande rechten der langs den nieuwen weg te
vervoeren goederen, mits hij 1/4 van de kosten droeg. Toen echter de
zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldenbarnevelt,
Cant, Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd, mengde zich ook
Holland daarin en beide provinciën besloten geheel op eigene kosten
zonder tusschenkomst van Moucheron den tocht te doen ondernemen. Den
ontwerper beloofden zij met eene som gelds of eene jaarwedde voor hem en
zijne nakomelingen te zullen beloonen. Moucheron moest, hoewel hij
liever zelf als aandeelhouder in de verwachte voordeelen der onderneming
had willen deelen, toegeven en hij sloot met de Staten van Holland en
Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ontworpen
reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange beraadslagingen
en vele conferentiën met Moucheron werd eindelijk 11 Mei 1594 de
Instructie voor de expeditie vastgesteld en den 16 door de
Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige stuk bevatte den last om de
Yugorsky-sjar, de straat tusschen het vaste land en het eiland
Vaigatsch, door te zeilen, te trachten over de Kara-zee het voorgebergte
Tabin te bereiken en van daar na alle kusten, eilanden, havens en
reeden, alle zeeën en andere wateren goed opgenomen te hebben, na de
nauwkeurigste waarnemingen omtrent vloed en eb en andere belangrijke
verschijnselen in het scheepsjournaal te hebben aangeteekend, onverwijld
huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd voor eene
volgende reis bewaard[57].

    [55] Zie hierover en over de verdere voorbereidingen tot de
    expeditie: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om.
    (Voor-reden.)--Contr. der Stn. v. Zeeland met Moucheron, als bijlage
    achter de Notulen Zeeland 1594.--Le Petit, Gr. chron. anc. et mod.
    II p. 651.--De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I
    p. 14-18.--Een uitnemend en tot in bizonderheden volkomen juist
    overzicht van de aanleiding en voorbereiding der Nederlandsche
    noordpoolreizen vindt men bij: Fruin, Tien jaren. p. 238-54.--In:
    Begin ende Voortgangh van de Oost-Indische Compagnie (Inleid. p. 1,
    2) worden Jacob Valcke en Christoffel Roeltius, Thesaurier en
    Pensionaris van Zeeland, en de bekende kooplieden Balthazar De
    Moucheron, Jan Jansz. Carel en Dirk van Os als de voornaamste
    aanleggers der noordoostelijke tochten genoemd. Eveneens bij: Van
    Meteren, Comment. ofte Memor. fol. CXXV.

    [56] Le Petit. Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.--Linschoten,
    Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)

    [57] „Instructie voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben
    te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua Sembla) om t’
    ondersoucken ende te vinden naer ’t Coninckryck van China enz.” dd.
    16 Mei 1594, in het Register der „Instructien zedert 1588 tot 1610.”
    R.-A.

Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering, wier opmerkzaamheid zich
weldra op de onderneming vestigde, het plan opgevat om voor zich een
aandeel in den roem en het voordeel daarvan te verkrijgen. Aangevuurd
door haren burger, den beroemden cosmograaph Petrus Plancius, besloot
zij tegelijk met de Staten-Generaal een schip voor eigene rekening naar
het noorden uit te zenden. De plannen, door de hooge regeering in
overleg met Moucheron gemaakt, droegen echter de goedkeuring der
Amsterdammers niet weg. Zij besloten de inzichten van Plancius te
volgen. Misschien onder den invloed der berichten van Brunel, die
ongetwijfeld van den Russischen handelsweg naar het oosten door
Matyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (~propria~) gesproken had,
verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Yugorsky-sjar met vele
moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet en Jackman had dit
voldoende bewezen) en dat men dus de voorkeur moest geven aan het zoeken
van eenen doortocht ten noorden van Novaya Zemlya[58]. De instructie,
aan de Amsterdammers door de Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat
zij overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere
schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar dat zij
vóor het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten afwijken en trachten
dit land te omzeilen. Na het bereiken van kaap Tabin moest ook deze
expeditie na soortgelijke waarnemingen als de andere langs denzelfden
weg huiswaarts keeren[59].

    [58] Tot het aannemen van Plancius’ meening werkte ongetwijfeld mede
    de onzekerheid of Novaya Zemlya een eiland dan wel ten noordoosten
    met het vaste land verbonden was. Was het laatste waar, dan voerde
    de Yugorsky-sjar niet naar eene opene zee maar naar eene baai, die
    geen uitgang ten oosten had. (Vgl. o. a. Hessel Gerritsz’
    aanteekeningen op de kaart van Massa in: Beschr. v. d.
    Samoyeden-Landt.--Ook de Instr. der Mosc. Comp. aan Bassendine c. s.
    en aan Pet en Jackman, aangehaald hiervóor p. 17 Noot
    2{[24]}.--Eindelijk nog: Philosophical Transactions. Vol. X (1675)
    p. 418.)

    [59] Instr. der Stn.-Gen. voor Wilhem Barentsz., dd. 16 Mei 1594,
    in: Instructieboek der Stn.-Gen. 1588-1610. R.-A.

Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) verlieten
de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen dag had men besloten
gezamenlijk den tocht tot Kildin te maken en Cornelis Cornelisz. Nay,
den kapitein van een der beide schepen van de Staten-Generaal, tot
opperbevelhebber van de geheele vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te
zamen voor Kildin: spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene
richting. Wij zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren
weg volgen.

De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercurius van Enkhuizen,
uitgerust onder toezicht van Moucheron en Maelson, vertrokken 2 Juli
naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein Cornelis Cornelisz. Nay van
Enkhuizen, die meermalen voor Moucheron op de Witte Zee gevaren had,
stuurman Pieter Dircksz. Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die
zijne ervaring mede in dienst der Moucherons had verkregen; als commies
was daar de bekende Francoys De la Dale, een bloedverwant van Moucheron,
die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had; Christoffel
Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had, ging als tolk
mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ysbrandtsz. Tetgales van
Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. uit dezelfde stad; de commies was
de beroemde Jan Huygen Van Linschoten. Wat kon men niet van de
vereenigde pogingen van zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten!

Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdgenooten
geroemd, slechts gering: de Nederlanders kwamen langs denzelfden weg als
Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt als hunne voorgangers. Reeds
dadelijk door drijfijs bemoeielijkt zeilden zij langs de Russische kust,
staken de Witte Zee en de Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den
mond der Pechora. Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na
vele onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus de zee
van Kara. Ook daar werden zij zeer door drijfijs gehinderd, maar na
moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op omstreeks 71° NB. in eene
opene zee. Zij meenden daarom wel wat voorbarig de doorvaart naar Indië
gevonden te hebben en »stemden met een ghemeen accoort de Cours weder
naer ’t Vaderslandt te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese
wel-gheluckte begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren.” Aan
verschillende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zij
namen gegeven. Zoo noemden zij Yugorsky-sjar de straat van Nassau,
Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe Noordzee, twee
eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland[60]. Fier op het resultaat
hunner reis, die hen naar zij meenden voorbij den Ob en in het gezicht
van kaap Tabin gebracht had, ontmoetten Nay en de zijnen den 16 Augustus
ten westen van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van zich
zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel veel nader
gekomen waren.

    [60] Vgl. over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by
    Noorden om. (Eerste reis.)

Deze expeditie bestond uit slechts éen schip, de Mercurius, dat een
jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der
onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegenwoordigheid
van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende zijnen naam te
noemen om voor den lezer dadelijk het beeld op te roepen van dezen
beroemden Terschellinger, den ervaren stuurman, die »~van syne kintsche
daghen aen~ altijt gheneghen gheweest was, omme nae alle syn vermoghen,
de Landen die hy bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den
omloopenden Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden”[61],--den
vromen held, die volgens zijne zinspreuk »Niet sonder God”[62]
deed,--den man eindelijk, wiens karakter zijnen onderhoorigen tegelijk
diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het is dan ook overbodig
meer over zijnen persoon te zeggen; van zijne vroegste lotgevallen is
het onmogelijk iets van belang mede te deelen.

    [61] Barentzoen, Nieuwe beschr. ende Caertboeck vande Midlandtsche
    Zee. (Voorrede.)

    [62] Barentzoen, Caertb. vande Midlandtsche Zee. (Lofdicht.)--De
    opvoeding van Barendsz. schijnt door Beke (Three voyages. p. LV) met
    recht „good if not learned” genoemd te zijn: uit de opdracht van het
    Caertboeck blijkt, dat hij Latijn verstond.

Den 29 Juni verliet de Amsterdamsche expeditie Kildin, den 4 Juli kreeg
zij Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van Matyushin-sjar. De lijn
der kust volgende bereikte Barendsz. reeds 10 Juli zonder vele
moeielijkheden kaap Nassau, het punt van waar de kust zich oostwaarts
wendt, maar reeds drie dagen later ontmoette hem veel ijs en het overige
gedeelte der reis ging daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds
heen en weer zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77° NB. bij het
noordelijkste punt van Novaya Zemlya, dat IJskaap genoemd werd, en twee
dagen later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de herinnering aan
Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit punt, waar de lang gezochte zee
van Kara zich opende, moest Barendsz. zijne pogingen opgeven: de zee was
vol drijfijs en de bemanning weigerde verder te gaan. Men zeilde terug
geheel langs Novaya Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter
Matyushin-sjar, waar men juist de kust eenige dagen verlaten had, en
bereikte na lang omzwerven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette
Barendsz. daar Nay en de zijnen[63].

    [63] Vgl. over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de
    Coninckrycken van Catthay ende China. (Eerste reis.)

Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden in het vaderland
aan. De bevelhebbers deden dadelijk verslag van hunne verrichtingen aan
Maurits, aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Holland, in
tegenwoordigheid van eenen afgevaardigde van Zeeland. Het resultaat van
Nay’s reis, hoe gering het ons moge schijnen, en ook het verslag door de
Amsterdammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed te
geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten oosten van
Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide konden meenen, dat de
bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet onoverkomelijk waren.
Dadelijk werden dan ook de voorbereidende maatregelen getroffen om op
nieuw uit te zeilen. Door middel van den bekenden Emanuel Van Meteren,
Nederlandsch consul te Londen, werden inlichtingen ingewonnen van den
Engelschen geograaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven
luidde alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van de
door de Nederlanders verkregen kennis, vast aan het vinden van den
noordoostelijken doortocht. Door al deze berichten was men in Nederland
vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mededinging van Frankrijk langs den
te vinden weg: men stelde voor de straat van Nassau te versterken en zoo
aan alle vreemde natiën den pas af te snijden; tot het verder
voortzetten der ontdekkingsreizen werd zonder aarzeling besloten.
Holland was de eerste provincie, die van de zaak sprak. Reeds in October
1594 werd de zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland
toonde zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad
behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland onderling
en van deze provinciën met de Staten-Generaal, werd 9 Mei 1595 tot het
ondernemen eener tweede reis op staatskosten besloten: de instructie
werd 16 Juni vastgesteld[64].

    [64] De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 20,
    21.--De Instructie is afgedrukt in de „Voyasie” van Linschoten op
    fol. 24.

Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren wij nauwkeurig
kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden
Coninckrycken van China ende Japan.”[65] Het voornemen was zich 11 Juni
in het Marsdiep te verzamelen en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch
naar kaap Tabin te zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van
het bereiken van dit moeielijk te naderen punt dadelijk in het vaderland
aan te brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin
voortstevenen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay”, aldaar landen en
moeite doen om den vrijen handel te bekomen, vooral er op lettende »wat
Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour herwaert
szouden wezen te becommen.” Dezelfde pogingen moesten de schippers,
wanneer het hun hier mislukte, herhalen in alle havens van Azië’s
oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar niet, dan
moesten de schepen terugkeeren om in Juli, Augustus of uiterlijk
September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. Evenals het
vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede notitie te houden”
en twee jachten af te zenden om den terugweg benoorden Novaya Zemlya te
beproeven onder belofte van »eerlycke recompense extraordinarie by
succes.” Zooveel wat de reis zelve betrof; de Staten wenschten echter
reeds dadelijk de handelsbelangen te bevorderen en besloten »omme te
aengenamer te wezen in de voorszeide landen” »eenige Coopmanschap” aan
de schepen te doen medegeven. Ten einde de ondernemingszucht der
kooplieden, »die op zoe onzekere reyse niet gaerne en zouden
hazarderen,” te prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren” door de
belofte van vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook
kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, dat »oick
geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op het Landt soude
stellen.”[66]

    [65] Zie dit merkwaardige stuk in de verzameling: Noordsche togten,
    1. R.-A.--Deze „pointen” werden den 9 Mei 1595 in tegenwoordigheid
    van Moucheron en andere gecommitteerden der Staten van Zeeland in de
    vergadering der Staten-Generaal geresumeerd. Men besloot de reis ~op
    die punten~ vermeerderd met de adviezen der comparanten en op eene
    nadere instructie te ondernemen, en de kosten uit den opbrengst der
    konvooien en licenten te vinden. (R. S.-G. 9 Mei 1595.)

    [66] Daertoe werd besloten; Van Meteren (Comment. ofte memor. fol.
    CXXV) verhaalt: „eenighe souden daer ontrent verwinteren, om te
    weten hoe langhe den Winter ende ghevries daer duert, daer toe
    ghereetschappe mede nemende om stoven op te stellen.”

Nog veel tijd ging met het gereedmaken der vloot heen: eerst 2 Juli
konden de schepen voor de onderneming bestemd van Texel in zee steken.
Opperbevelhebber der vloot was wederom Cornelis Cornelisz. Nay[67],
opperstuurman Willem Barendsz. Als commiezen van Holland waren op de
vloot aanwezig de bekende Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland
De la Dale en Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal
op het bereiken van Azië’s oostkust, dat men het anders geheel onnoodige
getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust; men hoopte ze
beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, en werkelijk
hadden eenige kooplieden de schepen met koopmanschappen bevracht. De
Instructie, die voor Linschoten en De la Dale als oppercommiezen werd
gereed gemaakt, schreef hun zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de
vorsten der stammen ten noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten
aanknoopen.

    [67] Merkwaardig is het zeker en het getuigt niet voor Nay’s bestuur
    op den eersten tocht, dat de Staten-Generaal besloten, wanneer de
    bevelhebber „thert ende Resolutie nyet en hadde om voort te varen”,
    de overige bevelhebbers dit op hunne eigene verantwoordelijkheid
    mochten doen; een nader aan te wijzen persoon, misschien wel de
    onversaagde Willem Barendsz., zou dan het bestuur voeren. (Pointen
    opte Nauigatie benoorden om, in: Noordsche togten, 1 R.-A.)

Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste wijze
teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de vloot den
Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch kwamen de reizigers
weldra aan de straat van Nassau, waar zij echter in eene baai, door hen
Traenbaei genoemd, moesten blijven liggen: de geheele straat van Nassau
was eene onafgebroken ijsvlakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat
door te zeilen, maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar
Vaigatsch terug en toen zij eindelijk 3 September het Staten-eiland
bereikten, bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan
dat men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogingen
door Barendsz., die van geen terugkeeren hooren wilde, gedaan om ergens
open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 September in het
mede-onderteekenen van een protest, waarbij alle bevelhebbers der vloot
voor God verklaarden, dat het hun onmogelijk was dit jaar verder te
zeilen. Eerst in November kwamen de schepen zeer verspreid in het
vaderland terug[68].

    [68] Zie over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by
    Noorden om. (Tweede reis.)--De Veer, Drie seylagien na de
    Coninckrycken van Catthay ende China. (Tweede reis.)

Maar al was het resultaat ontmoedigend, de kooplieden wilden hun streven
niet opgeven. Nog vóor het einde van het jaar leverde Linschoten aan de
Staten-Generaal zijn journaal van de reis over; tegelijk gaf hij HHM.
een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld der Portugeezen
wijzende, die eerst na herhaalde proefnemingen den weg naar Oost-Indië
hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een nieuwe poging op. Door het
reeds omtrent de gelegenheid der Yszee bekende achtte hij het
ontwijfelbaar, dat de noordoostelijke doortocht naar Oost-Indië bestond;
uit de jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob besloot hij, dat de
straat van Nassau niet altijd zoo onbevaarbaar zijn kon als de
Nederlanders haar dien zomer gevonden hadden. Alleen »de kennisse ende
rechte ervarentheydt van den tijt” was nog onbekend. Om die kennis te
verkrijgen stelde Linschoten voor, dat de Staten vroeg in het voorjaar
van 1596 twee »Iachten ofte Boots” naar de straat van Nassau zouden
zenden om daar het oogenblik af te wachten, dat de Russische schepen de
reis naar den Ob deden. Eenmaal daar aangekomen twijfelde hij niet of de
verdere weg was gemakkelijk: zijne ondervinding van 1594, toen hij
meenende reeds voorbij den Ob te zijn eene opene zee had gevonden,
boezemde hem daaromtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de
schepen de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken, waar zij des
gevorderd gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de
noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de reis
voort te zetten[69].

    [69] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Conclusie
    ofte Na-reden.)--Hetzelfde plan werd later nog aanbevolen door Massa
    (Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt),--en door
    Pontanus. (Beschr. v. Amst. p. 179.)

Maar hoe schoon het plan mocht schijnen, er kwam niets van. De
onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de regeering van
verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten-Generaal en de Staten
van Holland nogmaals ernstig over een nieuwen tocht, maar »hoe wel meest
alle de Steden van Hollant daer toe eerst waren jnclinerende”[70],
besloot men toch geen geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en
liever eene premie van ƒ 25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande
rechten uit te loven voor dengene, die den doortocht werkelijk ontdekt
had[71]. Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deze zaak,
liet het er niet lang bij blijven. Reeds vóordat de premie uitgeloofd
was had de vroedschap besloten,--overwegende »dat bysonder dese Stad
(als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick
’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge
ende ryckdomme grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de
voorszeide vaert (daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden
gevonden,”--dat de stad ƒ 12.000 zou beschikbaar stellen om twee
schepen, éen van 50 à 60 en éen van 30 last, naar het noorden uit te
zenden[72]. Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der
voornaamste bevorderaars der reis, maar ook de eerste raadsman der
regeering. Had hij het vorige jaar bij het opmaken der plannen voor de
reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen alsof de straat
van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost-Indië zou openen; nu het
gebleken was, dat deze straat somtijds nog grootere moeielijkheden
opleverde dan het omzeilen van Novaya Zemlya, kwam hij op zijn oude plan
terug. Men besloot dan ook, dat deze expeditie den door Barendsz.
onderzochten weg nogmaals zou inslaan.

    [70] Resol. der Amst. vroedschap, dd. 25 Maart 1596. (Amst. arch.)

    [71] R. S.-G. 13 Apr. 1596.--De Veer, Derde seylagie. fol. 16.

    [72] Resol. Amst. vroedsch. 25 Mrt. 1596.--Pieter Hasselaer en
    eenige anderen werden door de burgemeesters volgens deze resolutie
    aangewezen, „omme te verzorgen alle ’t gundt tot wtrustinge vande
    voornoemde schepen van noode wezen zou.” De Veer, Drie seylagien.
    fol. 61.

Wederom waren het ervarene zeelieden, aan wie het bestuur der schepen
werd toevertrouwd. Was Jan Cornelisz. Rijp van Enkhuizen, die reeds den
vorigen tocht als commies had medegemaakt, schipper en commies op het
eerste schip met Arend Martensz. van Amsterdam als stuurman[73]; in het
andere bekleedde Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als
Rijp, terwijl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De
bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbij men
verdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders der
negentiende eeuw, zijn algemeen bekend: deze reis is een der populairste
gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen tot het geven van
een overzicht van den gevolgden weg. Den 18 Mei van Vlieland uitgezeild
zette men noordelijk koers. Reeds spoedig ontstonden er onaangenaamheden
tusschen de aanvoerders van beide schepen. Rijp meende, in
overeenstemming met Plancius’ inzichten[74], dat het volgen van den
ouden koers tot bij Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het
ijs zou voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwijls onoverkomelijk
bevonden bezwaren, die de zee bij Vaigatsch aanbiedt, te zullen stuiten.
Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vaigatsch te begeven, maar
hij meende toch dat de richting, die Rijp aangaf, te veel westelijk was.
Voor eenen tijd gaf hij echter toe dien koers te blijven vervolgen. Het
resultaat daarvan was reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en
weinige dagen later (17 Juni[75]) ook van Spitsbergen, dat zij niet
verre van den noordwestelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar
in noordwestelijke richting eenen doorgang door het ijs naar de pool te
vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een der noordwestelijke
eilanden terug en poogde, langs de kust zuidelijk gestevend, de
zeeëngte, die Prince Charles’ foreland van Spitsbergen scheidt, door te
zeilen. Maar deze nauwe straat bleek onbevaarbaar en de expeditie voer
dus het eiland westelijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij
de geheele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het
Beeren-eiland weder[76]. Hier deed zich het verschil van gevoelen
tusschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men besloot tot eene
scheiding. Rijp zeilde nogmaals noordelijk om te trachten de pool te
bereiken. Daar hij aan de westzijde van het nieuw ontdekte Spitsbergen
de ijsvlakte dicht aaneengesloten bevonden had, beproefde hij ditmaal
of ten oosten van dat land de kans hem gunstiger zou zijn. Maar
vergeefs! Ook daar vond hij de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hij
den rand daarvan westelijk, geen doorgang vertoonde zich. Bij zijne
pogingen om dien te vinden geraakte hij ondertusschen hoe langer hoe
meer westelijk, ten noorden van het land, en kwam eindelijk op de plaats
terug, waar hij eenige weken te voren met Heemskerck en de zijnen
vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. Van daar zuidelijk gezeild,
richtte hij in eene baai op 79° en eenige minuten NB., waarschijnlijk de
Cross-bay, een paal op, zooals hij dat met de anderen had afgesproken en
zeilde ook de vroeger bezochte Vogelhoek voorbij. Het vinden van een
doortocht noordelijk naar den pool werd nu opgegeven en Rijp besloot
Heemskerck en de zijnen naar Novaya Zemlya te volgen. Het jaargetijde
was ondertusschen verre verloopen en weldra stuitten de reizigers op
zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders uyt te
rechten” te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts te keeren[77].
Niet het schip van Heemskerck heeft dus, zooals onlangs beweerd is,
Spitsbergen omzeild; aan Rijp alleen komt de eer van die moeielijke reis
toe. De weinige publiciteit, die echter aan den tocht van Rijp na zijne
scheiding van Heemskerck gegeven is, schijnt de oorzaak geweest te zijn,
dat de aardrijkskundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne
ontdekking, dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft.

    [73] Zie zijne getuigenis over den tocht van Rijp in de verzameling:
    Noordsche togten. 4. Loopende Noordsche Compagnie. R.-A.

    [74] Plancius meende volgens Linschoten (Voyasie ofte schip-vaert by
    Noorden om. Voor-reden): „dat boven Nova-Zembla, ~te weten, onder
    den Polus Arcticus door~, den rechten ende doenlijcksten wegh moeste
    zijn; om welkes te bevestighen, hy . . . . ghenoegh met sekerheyt
    bevestighde, . . . . dat ~den wegh onder den Pole~, te weten, boven
    Nova Zembla om, seker, gantsch ghewis, ende sonder twijffel goet
    was.”

    [75] Dien datum geeft het journaal van Barendsz., door Hessel
    Gerritsz. medegedeeld; dat van De Veer vermeldt eerst 19 Juni het
    zien van land.

    [76] In de beschrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van
    Beke (Three voyages. p. LXXXV-LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen
    door Heemskerck en Rijp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met
    Beke eens (Opkomst. I p. 23-26); het komt mij echter voor, dat zijne
    gronden niet alle even afdoende zijn. Doch sinds de uitgave van dat
    werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan, die Beke’s gevoelen
    geheel wederleggen. Tiele heeft aangetoond (Mém. s. l. journ. des
    navigat. Holl. p. 93, 112, 195): 1^{o}. dat de opgave van den weg
    der reizigers van 1596/7 op de „tabula geographica” (opgenomen o. a.
    in Ashers Hudson the Navigator) door Barendsz. zelven daarop is
    aangeteekend en dus een onwederlegbaar bewijs levert, dat
    Spitsbergen door hem ~niet~ omzeild is. 2^{o}. dat de voornaamste
    grond, waarop Beke de authenticiteit van het door Hessel Gerritsz.
    in zijne ~Histoire de Spitsberghe~ medegedeelde journaal van
    Barendsz. zelven betwist, (namelijk de vermelding daarin van den
    naam Spitsbergen,) vervallen is door De Jonge’s ontdekking van Rijps
    getuigenis, waarin men leest, dat reeds de eerste ontdekkers aan het
    eiland den naam gaven, waaronder het later bekend bleef. (Opkomst, I
    p. 24.) De andere reden, waarop Beke de echtheid daarvan betwist,
    beteekent m. i. niets. Hij meent, dat Barendsz’. journaal
    noodzakelijk na den dood van den schrijver in handen van De Veer had
    moeten komen en dus met het journaal van den laatste in alle
    opzichten overeenstemmen. De ~noodzakelijkheid~, dat het journaal
    van den opperstuurman na diens dood aan een ondergeschikt, zij het
    ook bevriend, persoon uit de bemanning ter hand gesteld werd, zie ik
    volstrekt niet in. Maar ook al neemt men die aan, dan toch is het
    ~ondenkbaar~, dat de eerlijke Gerritsz., om de ontdekking van
    Spitsbergen door de Nederlanders te bewijzen, terwijl hij uit het
    journaal van De Veer eenige feiten overnam, de oppervlakkig
    beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendeels
    onbekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou
    ~verzonnen~ hebben, ~zonder daardoor zijne argumentatie vóor de
    ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook maar iets sterker
    te maken dan ze door de eenvoudige mededeeling van De Veer’s
    journaal zou geweest zijn~. Het verschil in de opgaven der koersen
    en hier en daar in het verhaal der omstandigheden, bewijst
    voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor ons
    hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz., dat minder
    anecdoten, maar meer opgaven van koersen geeft, m. i. zelfs veel
    meer vertrouwen dan de onduidelijke opgaven van De Veer, die
    blijkbaar minder goed op de hoogte was. Nog meer: uit den tekst van
    het door Gerritsz. medegedeelde uittreksel zelf blijkt m. i., dat
    het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst
    nauwkeurige mededeeling van de gevolgde koersen, van de gemaakte
    waarnemingen, het geheel verwaarloozen van alles, wat aan het
    verhaal voor den lezer iets aangenaams geven kan, stempelt het
    fragment als een scheepsjournaal, een „logbook”, dat niet tot
    lectuur bestemd is. Ik meen dus, dat het journaal van Barendsz. echt
    is. Maar ook al neemt men dit niet aan, dan nog verdient het
    fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht
    persoon dan De Veer, wiens mededeelingen soms zeer onbestemd zijn,
    alle vertrouwen. En Beke zelf geeft toe (Three voyages. p. LXXXIX
    Noot), dat de daar beschrevene reis langs Spitsbergens westkust niet
    ten noorden van het eiland plaats had. (Vgl. ook het verhaal der
    reis van den goed ingelichten Van Meteren, Comment. ofte memor. fol.
    CLIII,--en het verhaal door Hessel Gerritz. in de Detectio freti.
    ed. 1613, F. 2 ~uit het journaal van De Veer~ opgemaakt.)--Zoo het
    noodig was, bij deze afdoende argumenten tegen de omzeiling van
    Spitsbergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het
    door Beke zelf vermelde feit, dat Spitsbergen door Barendsz (en door
    velen lang na hem) voor een gedeelte van Groenlands oostkust
    gehouden werd (een feit, dat volstrekt niet strijdt met het geven
    van den naam van Spitsbergen aan een gedeelte dier kust)
    onverklaarbaar zijn, wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende
    reis van 1596/7 door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Meteren,
    Comment. fol. CLIII.--Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 13, waar
    gezegd wordt: „Du Fayre Forland au long de la coste il faut prendre
    la route Nord nordest et Nordest, jusqu’es par dessus la hauteur de
    80 degrés ~la ou Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. Rijp,
    decouvrirent premièrement le Pays~”,--en van het noordelijke
    gedeelte van den Foreland fjord: „c’est la mesme Baye la ou ont esté
    Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent passer
    par derrière ou par dedans, mais ils n’y trouvoyent pas prou (?)
    profond et y avoit de la glace, qui estoit ferme attaché au fond,
    comme aussi a trouvé la Navire de Duynkerkes, selon qu’a raconté un
    de leur Pilotes.” Het Duinkerksche schip was in 1613 op Spitsbergen
    ter walvischvangst. (Hist. de Spitsb. p. 21.) Deze ijsdam, waarop
    men stuitte, wordt nog op eene in 1631 vervaardigde kaart van
    Spitsbergen (in: White, Greenland and Spitsbergen p. 253) als „The
    Barr” aangeteekend.--Zie over de op deze reis aangedane plaatsen ook
    de getuigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., waar duidelijk het
    Amsterdamsche eiland, de Foreland fjord en Bellsound opgegeven
    worden.)

    Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van
    Spitsbergen: de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een
    zeer goede maatstaf voor de kritiek van De Veer’s reisverhaal. Ik
    zeide reeds, dat de mededeelingen van Barendsz. in alle opzichten
    den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft Barendsz. als zegsman meer
    gezag dan zijn onderhoorige, maar zijne opgaven zijn beter.
    Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms
    verscheidene malen op één dag veranderd werd; De Veer zegt dikwijls,
    dat de koers b.v. ~eenigszins~ noordelijk was zonder nadere
    aanduiding. Barendsz. geeft elken dag het voorgevallene op; De Veer
    slaat somtijds een paar dagen over. De Veer houdt zich niet alleen
    dikwijls bezig met uitvoerige verhalen, die van geen belang zijn
    (b.v. de tallooze gevechten met beeren), maar hij verwaarloost
    daarom dikwijls zaken van meer belang, waarbij hij trouwens
    misschien niet altijd tegenwoordig was, of die om andere redenen hem
    als ondergeschikte dikwijls onbekend bleven. Maar vooral daalt het
    journaal van De Veer in waarde, wanneer wij door de vergelijking met
    dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal niet dagelijks
    bijschreef, maar later opgesteld heeft: hoewel in de hoofdzaak beide
    verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer
    geheel verkeerd.--Van de andere zijde is het verwijt aan De Veer
    gedaan, dat zijn verhaal niet te begrijpen zou zijn en de richting
    van het schip niet te volgen (Beke, Three Voyages. p. LXXXV.--De
    Jonge, Opkomst. I p. 23,--vooral: Asher, Hudson. p. CXXXIX)
    onverdiend. Het schijnt mij duidelijk, dat de schepen, van
    Beeren-eiland NW. gezeild (De Veer’s mededeeling van een NO. koers
    wordt door de feiten weêrsproken; niettemin was men reeds op de reis
    zelf het over de gevolgde richting niet eens: Rijp hield met De Veer
    vol, dat zij NO. gezeild waren. cf. Hist. de Spitsb. p. 10), den 17
    Juni ten NW. van Spitsbergen op het ijsveld stuitten, dat zich ten
    noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed zich geene opening
    daarin op, zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. De
    wind belette den reizigers die punt te omzeilen, maar hunne ZO.
    richting had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht, dat zij
    den 19 ontdekten op ongeveer 79°50´ NB. en 13° OL. van Greenwich.
    Den 20 volgden zij de kust in westelijke richting en zeilden den 21
    den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni onderzochten zij dien NW.
    hoek (de twee eilanden en het schiereiland, waar zij de rotganzen
    vingen, zijn zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het
    Deensche eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai,
    waarop nog de „Rotges- of Rotganzen-berg” ligt.) 23 Juni:
    vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam naar de pool door te
    breken, en daarop ~terugkeer~. Zij zeilen daarop „langs de westzijde
    van het land.” 24 Juni: Cross-bay. 25-27 Juni: tusschen Spitsbergen
    en Prince Charles’ foreland. 28 Juni: om Vogelhoek Z. langs de kust.
    29 Juni: langs de kust tot de zuidpunt van het eiland. 30 Juni: ZO.
    door de zee. 1 Juli: Beereneiland.--Barendsz.’ journaal komt ~in
    hoofdzaak~ met deze beschrijving van den tocht overeen; vooral in de
    chronologische volgorde der feiten verschilt hij echter nu en dan en
    over het geheel geeft hij ook de gevolgde koersen veel nauwkeuriger
    op.

    [77] De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier
    voor het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelijk aan de door
    De Jonge gevonden getuigenis van Rijp zelven. (Opkomst. I p. 24.) De
    woorden zijn niet overal duidelijk, maar in verband met de
    mededeeling van De Veer op 1 Juli 1596 (en van Van Meteren, Comment.
    ofte memor. fol. CLIII), dat Rijp op nieuw naar 80° NB. wilde zeilen
    en wel ~oostelijk~ van Spitsbergen, en met de berichten van zijne
    aankomst bij Vogelhoek, kan ik de woorden van Rijp: „et prist son
    cours en amont (naar het noorden?) ~a tour d’iceluy pays~,” niet
    anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen.
    Daarmede stemt volkomen overeen het verhaal van Rijps plannen en
    reis door Hessel Gerritsz. (Hist. de Spitsb. p. 10), die Barendsz.’
    journaal voor zich had liggen.--Vgl. over de reis van Rijp ook:
    Pontanus, Beschr. v. Amst. p. 168.

Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere richting
gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht van Novaya Zemlya. Op
nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestkust van het eiland, die hem
reeds in 1594 bekend geworden was. Weken lang worstelde het schip met
het ijs en den 15 Augustus bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden,
het verste punt der eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan.
Zuidoostwaarts de kust volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en
kwam 21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het ijs
beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augustus 1596 tot
den 14 Juni 1597 onder 76° NB. op eene onbewoonde barre plaats in een
hut van planken moesten overwinteren, hoe zij daarna in twee opene
schuiten de terugreis aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe
zijne lotgenooten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2
September te Kola een Nederlandsch koopvaardij schip vonden, waarop hun
vroegere tochtgenoot Jan Cornelisz. Rijp kapitein was, en hoe zij van
daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam in hunne pelzen van
vossenvel rapport van hun wedervaren deden,--zijn zaken, die te bekend
zijn om ze hier uitvoerig te verhalen[78].

    [78] Zie over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken
    van Catthay ende China. (Derde reis.)--Ook: Hamel, Tradescant der
    Aeltere. p. 148 Noot 1.

Het verslag, dat Heemskerck en de zijnen van hunne avontuurlijke reis
deden, was niet geschikt om tot verdere proefnemingen aan te moedigen.
Men mocht hen prijzen om den betoonden moed en volharding; men mocht hun
den lof geven, dat zij verder dan een hunner voorgangers in het noorden
waren doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet
gevonden was en dat, ook al had geen land de reizigers gestuit, de zee
zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkomelijken
hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde
noodzakelijkheid gedrongen worden, wanneer men die bijna onbevaarbare
zee als handelsweg gebruiken wilde. En die noodzakelijkheid bestond
reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 1596 de uitkomsten van
Linschotens reizen in Portugeeschen dienst bekend geworden, in hetzelfde
jaar als Heemskerck keerde Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit
Oost-Indië terug. De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds
zoozeer benijd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen
doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielijkheden aanbood?

Werkelijk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan den
noordelijken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië bloeide langs
den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam het tot de oprichting der
Oost-Indische Compagnie, die den handel bevestigen en voor goed in den
ouden weg leiden zou. Maar juist door die oprichting ontstond er weder
eene aanleiding tot het zoeken van den noordelijken doortocht. In het
octrooi had de regeering zijdelings eene premie uitgeloofd op het
bereiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indische
Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend om met
uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië te mogen varen
~langs de kaap de Goede Hoop en door de straat van Magellaan~. Andere
onontdekte wegen naar Oost-Indië bleven dus voor de vrije mededinging
open. Wat wonder; dat zij, die om politieke of religieuse redenen geen
deel aan de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wilden
hebben, zich dadelijk beijverden het oude Nederlandsche plan weder op te
vatten, dat te lang vergeten was? De Oost-Indische Compagnie werd door
deze mededingers dan ook reeds dadelijk na hare oprichting verontrust.
Was er reeds in December 1601--misschien onder den indruk van de
verschijning van het journaal van Linschoten in dat jaar,--weder sprake
geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht[79], den 8
November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten-Generaal een
verzoek om hulp tot een tocht »om te soecken den pas om noorden nade
eylanden ende vaste landen van Asia ende America.”[80] Dadelijk
beraadslaagden de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie om zelven
den doortocht te zoeken en zoodoende, steunende op hun recht als eerste
ontdekkers, ook dezen weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar
dreigde echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering tot
zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 1603 namen de
zeventien het besluit den doortocht niet te zoeken. Men schijnt
overwogen te hebben, dat ook na de ontdekking het verkrijgen van octrooi
bij de bekende ongunstige gezindheid der Staten-Generaal voor monopoliën
twijfelachtig was, en men nam dus voor, liever te trachten de pogingen
door de vijanden der compagnie aangewend te verijdelen, dan zelf met hen
te wedijveren in zoo onzekere ondernemingen[81].

    [79] R. S.-G. 21 Dec. 1601.--Het journaal van Linschoten bevatte in
    de opdracht aan de Staten-Generaal eene nieuwe aansporing tot het
    zoeken van den noordoostelijken doortocht. Het doel dezer poging,
    door de vijanden der O.-I. C. gewaagd, schijnt geweest te zijn, te
    beletten, dat de compagnie octrooi kreeg ook voor de nog onontdekte
    wegen naar Oost-Indië.

    [80] R. S.-G. 8 Nov. 1602.

    [81] Resol. XVII dd. 27 Febr., 7 Aug. 1603.--Murphy, Hudson in
    Holland. p. 22, 23.--De Jonge, Opkomst. I p. 26.--Van Dam, Gesch.
    der O.-I. C. I Cap. I. 5. (M.S.) R.-A.

Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie
voorloopig ter zijde gesteld schijnt te zijn, hield de concurrentie
volstrekt niet op. De bekende Isaac Le Maire, de hardnekkige
tegenstander der compagnie, zocht voortdurend naar middelen om de gehate
vereeniging te doen bukken. Wel had in 1606 een besluit der
Staten-Generaal het door hen verleende monopolie krachtig gehandhaafd,
maar de publieke opinie verklaarde zich meer en meer ten nadeele der
compagnie en de oppositie schepte moed. Vele Zuid-Nederlandsche
kooplieden, nog onlangs versterkt door de rijke aandeelhouders der
compagnie zelve, die geen deel aan den door haar met de wapenen in de
vuist verkregen buit wilden hebben, waren reeds lang in het geheim aan
het onderhandelen met Hendrik IV, om onder zijne bescherming den
Franschen handel op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij
hen. De nieuwe compagnie, die zich alleen op vreedzaam handeldrijven
wilde toeleggen, zou ongestoord de vruchten plukken van de door de
Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voordeelen en haar
dadelijk op elk met moeite ontgonnen veld als mededingster kunnen
volgen. Door de bescherming van Nederlands machtigen vriend zou zij
onschendbaar zijn[82]. En dit meer slimme dan edele plan was niet het
eenige gevaar, dat de Oost-Indische Compagnie dreigde. Een ander
lievelingsdenkbeeld der Zuid-Nederlanders, het ontwerp van eene
West-Indische Compagnie, werd door Willem Usselincx gedurig met kracht
aangedrongen, en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie
met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelijk alles afdeed: de alvermogende
Oldenbarnevelt, die slechts onder den drang der omstandigheden
medegewerkt had tot het vestigen van het Oost-Indische monopolie, scheen
niet ongeneigd den mededingers nu de hand boven het hoofd te houden.
Waarlijk, zelden stonden de kansen der Oost-Indische Compagnie zoo
hachelijk! In deze omstandigheden was het van het uiterste belang, dat
de publieke opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in
het noorden.

    [82] Zie over deze plannen: Fruin, Een onuitgeg. werk van de Groot,
    in: Gids. 1868. IV p. 33-35.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le
    Maire, in: Gids. 1865. IV p. 18-34.--Asher, Hudson the Navigator, p.
    CXCVIII-CCI.

In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de
geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hij had Spitsbergen
bezocht en bij zijne terugkomst vele belangrijke mededeelingen gedaan.
Het gerucht van zijne reis had ook Nederland bereikt en de algemeene
aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Compagnie was dit een
feit, waarmede gerekend moest worden: in den ernstigen toestand, waarin
zij verkeerde, zou de ontdekking van de noordelijke doorvaart, die aan
hare mededingers ook binnenslands de handen beloofde vrij te geven, haar
onmiddellijk ten val gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen
genomen worden om die mededingers vóór te zijn, nu de publieke opinie
nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen.

De compagnie zag dit zelve in en hare maatregelen beantwoordden aan haar
karakter als bevoorrechte vereeniging. Op het einde van 1608 besloot zij
bij de Staten-Generaal een verzoek in te dienen om haar octrooi uit te
breiden. Door ook den noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen
meende zij, dat voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou
zijn. Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der
compagnie, Isaac Le Maire, gereed om het te bestrijden. Hij diende bij
Oldenbarnevelt eene uitvoerige memorie in, waarin hij er op wees, dat
alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelijk was, omdat »daermede
eenige particuliere alleen het benefitie genietten ende het generael
daervan gefrustreert is.” Waren daarom alle de verzochte uitbreidingen
van het octrooi niet wenschelijk, de vaart naar het noorden in het
bizonder behoorde open te blijven; aangezien »die noch te vinden was
ende misschien by de Compagnie niet gevonden soude werden, ende met
sulcken ernst apparentelycken niet en soude gesocht worden, als by
andere.” Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van
alle partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds
verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den doortocht
gestelde premie[83].

    [83] Zie deze memorie afgedrukt bij: De Jonge, Opkomst v. h. Nederl.
    gezag in O.-I. III p. 364 vlg.--Vgl. daarover: De Jonge, I. c. III.
    p. 125.--Van Rees, Gesch. der staathuishoudk. II. p. 42
    vlg.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids, 1865. IV p.
    34-39.

Dit laatste was wel het hart der quaestie. Le Maire verheelde het aan
Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Compagnie, desseing
hadden gemaeckt, inde vaert van Noorden te aventueren, ende niet en
behoorden gefrustreert te worden.” Werkelijk werden van beide zijden
toebereidselen gemaakt om den doortocht te zoeken. Oldenbarnevelt, de
oude vijand van alle monopolie, was de man niet om tot het plan der
compagnie mede te werken, en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan
ook niets. De bewindhebbers hadden dit zelven reeds gevreesd. Reeds
vooraf hadden zij hunne maatregelen genomen, en zoodra het bleek, dat
hun plan geen kans van slagen had, poogden zij in het worstelperk der
vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelijk toen Hudson in
1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop hij den weg ten noorden van
Novaya Zemlya te vergeefs had beproefd, Kostin-sjar onderzocht en
bevonden had, dat die zeeëngte niet naar de zee van Kara leidde, ontbood
de Oost-Indische Compagnie hem zelven naar Nederland om met hem in
onderhandeling te treden.

Omstreeks het einde van 1608 kwam Hudson werkelijk te Amsterdam[84]. Hij
had langdurige conferentiën met de bewindhebbers der Oost-Indische
Compagnie, met Plancius en Hondius, maar ten slotte oordeelde men het
onmogelijk, van een zoo omslachtig ingericht lichaam als de
Oost-Indische Compagnie, tijdig een besluit te verkrijgen om Hudson nog
dit jaar in dienst te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de
belofte hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman
dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Maire van deze gelegenheid
gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over te halen, de reis
naar het noorden nog dit jaar voor zijne rekening te doen. Voor de
nieuwe in Frankrijk op te richten Oost-Indische Compagnie stelde hij
zich gouden bergen voor van de diensten des beroemden zeemans. Maar het
plan lekte uit en de Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare
maatregelen. Toen de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar
zij de uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht
besteed, als nuttelooze geldverspilling beschouwde, besloot de
Amsterdamsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene
algemeene vergadering bijeen te roepen, de verantwoordelijkheid voor de
zending alléen op zich te nemen. Zij trad dadelijk op nieuw met Hudson
in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide partijen een contract,
waarbij de Engelschman zich verbond den noordoostelijken doortocht te
zoeken en bij goeden uitslag dadelijk naar Nederland terug te keeren.
Daar zou hij zich dan met der woon vestigen en uitsluitend in dienst der
Oost-Indische Compagnie blijven. Deze verbond zich daarentegen aan
Hudson na het einde der reis ƒ 800 of bij overlijden aan zijne vrouw
en kinderen ƒ 200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was, zou
men hem rijkelijk beloonen; de aard en grootte dezer belooning werden
geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie overgelaten. Den
6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een vlieboot, de Halve Maan
genaamd, van de reede van Texel[85].

    [84] Zie hetgene over Hudsons vroegere betrekkingen te zeggen valt
    zeer uitvoerig bij: Read, Hist. inquiry conc. Henry Hudson.

    [85] Zie over het voorgaande zeer uitvoerig: Murphy, Hudson in
    Holland. p. 22-39.--Ook: Asher, Hudson the Navigator, p. CCII,
    CCIII.--Dat Hudsons schip de Halve Maan, niet de Goede Hoop heette,
    heeft Murphy l. c. p. 55-58 overtuigend aangetoond.

Zoo belangrijk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson is, zoo
onbeduidend zijn de resultaten, door hem verkregen in de hem bij zijne
Instructie opgedragen taak. Men had hem voorgeschreven het oude
Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, en dus evenals Barendsz. ten
noorden van Novaya Zemlya te trachten de straat Anian te bereiken[86].
Van daar moest hij terugkeeren, zonder bij mislukking van die poging
eenen anderen weg te mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte
de Oost-Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid uit te stellen;
voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden van den
noordoostelijken doortocht te doen[87].

    [86] Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 906.

    [87] Hudsons Instructie is verloren; zie echter een overzicht van
    den inhoud uit Van Dam’s Geschiedenis der O.-I. C. bij: Murphy,
    Hudson in Holland. p. 38, 39.--Zoo men al de ontdekkingen, door den
    ~Engelschman~ Hudson op deze reis gedaan, aan de Nederlanders wil
    toeschrijven, is het toch duidelijk, dat Nederland alle aanspraak op
    de ontdekking der Hudsonsrivier, ~die tegen den wil der
    bewindhebbers geschiedde~, verliest.

In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongelukkig. Evenmin
als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlya nu te omzeilen. Den
5 Mei bij de Noordkaap aangekomen, zette hij koers naar Novaya Zemlya,
maar geraakte spoedig in het ijs beklemd. Nog voordat hij dit eiland
bereikt had, werd zijn volk oproerig en was hij genoodzaakt den tocht op
te geven. Den 14 Mei keerde hij om, den 19 was hij weder bij de
Noordkaap en op zijne verdere reis hield hij zich geheel bezig met het
uitvoeren zijner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den
noordwestelijken doortocht[88]. Dat hij op die reis o. a. de
Hudsonsrivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de
heerlijke streek, waar nu New-York verrezen is, vestigde, is eene zaak,
die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook door de
geschiedkundigen besproken, voor ons van geen belang is. Het zij ons
genoeg op te merken, dat Hudson den 7 November in Engeland aan wal
gestapt, aan de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie voorstelde om van
daar uit op hare kosten het noordwesten verder te onderzoeken,--dat de
bewindhebbers hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen,
maar dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien last
te voldoen; eindelijk dat hij, dus belet om zijne gelofte aan de
Oost-Indische Compagnie gestand te doen, zijn journaal overzond, het
schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op nieuw in dienst
der Engelsche Moscovische Compagnie begaf[89].

    [88] Zie over deze plannen zeer uitvoerig het scherpzinnige betoog
    van Murphy: Hudson in Holland, p. 41-52.

    [89] Alle berichten over Hudsons reizen vindt men verzameld by:
    Asher, Hudson the Navigator. De berichten over dezen tocht, voor
    zoover die voor mijn onderwerp van belang is, vindt men bij: Van
    Meteren, Historie. fol. 629 en in het journaal van Juet bij Purchas.

Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire afgeloopen? Het
was niet te verwachten, dat een man van zijne energie eene zoo
belangrijke zaak zou opgeven zonder ze eerst te beproeven. Werkelijk was
dit ook het geval niet: niettegenstaande de vele teleurstellingen zette
hij zijn plan door. Wij hebben gezien, dat Hendrik IV de plannen van de
vijanden der Oost-Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde;
het kwam er slechts op aan den weg door het noorden te vinden, ten einde
botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrijk was echter
niet licht iemand te vinden, die met kans op goeden uitslag den
gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wij zagen, dat ook de
onderhandelingen met Hudson aangeknoopt mislukten. Het was dus zaak, in
Nederland een persoon in dienst te nemen, die tegen den Engelschman ten
minste eenigszins opgewassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk
zou zijn. Reeds dadelijk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie in
dienst was genomen, had hij het oog op een ander, die zijne oogmerken
kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten wij niet; alleen
verhaalt ons Jeannin, dat het iemand was, die de reis (ten noorden van
Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan had en door Le Maire voor een meer
ervaren zeeman dan Hudson zelf gehouden werd. Wij mogen het er voor
houden, dat dit verhaal meer van de zucht om het plan aan Hendrik IV
smakelijk te maken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een
bekwamer persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlijk te vinden.
Verschillende omstandigheden schijnen dan ook den bedoelden zeeman
eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rijp op hunne beroemde
reis van 1596 en 97 te kenmerken[90].

    [90] Jeannin, Négotiation. II p. 280.--De gissing maak ik op uit
    eene plaats van denzelfden (l. c. II p. 276) waar hij ons meldt, dat
    Le Maire bij deze gelegenheid confereerde met Plancius en eenige
    „pilotes, qui ont fait la même navigation,” o. a. een, „qui fut
    aussi, il y a trois ans, employé en cette même recherche, et passa
    jusqu’à Nova Zembla, . . . tirant au nord.” Dat hier sprake is van
    eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten
    twijfel. Eene Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en
    1609 heeft niet plaats gehad: de reis van Hudson was „de vierde
    Schip-vaerd.” (Tiele, Mémoire. p. 115.) Ook eene reis door
    Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is mij niet bekend, behalve
    die van Hudson zelven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder
    aarzeling „treize” voor „trois ans.” (Hudson the Navigator, p.
    246.)--Hoe dit zij, op Melchior Van Kerckhoven schijnt de
    beschrijving van dezen stuurman gegeven volstrekt niet te passen
    (zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en ik moet dus
    aannemen, dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft.--Asher
    daarentegen (Hudson the Navigator, p. 253 Noot 1) gist, dat Le Maire
    het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van
    1594 en 1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te
    geven. Daar Asher echter Cornelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan
    Cornelisz. May, den noordpoolreiziger van 1611 en 12, verwart (zie
    l. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide malen May bedoelt) is het
    ook mogelijk, dat hij den laatste voor den aangeduiden persoon
    houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemelijk zijn: van
    Nay noch van May is het bekend, dat hij „ce même voyage” (namelijk
    ten noorden van Novaya Zemlya) vóor 1609 gedaan heeft.

Wij weten niet, of Hendrik IV Le Maire’s keus goedkeurde; zeker is het,
dat de onderhandelingen met den stuurman van 1596 weldra werden
afgebroken. De redenen daarvan zijn ons onbekend; wij kunnen ze echter
gissen. De Oost-Indische Compagnie had in overleg met Hudson de plannen
voor de onderneming vastgesteld en het was voor Le Maire, die
breedvoerige conferenties met den Engelschman gehad had, niet
twijfelachtig langs welken weg deze zijn doel zou trachten te bereiken.
Het kon niet wenschelijk schijnen, met de compagnie, die in ieder geval
vroeger gereed zou zijn dan Le Maire, langs denzelfden weg mede te
dingen, en de koers ten noorden van Novaya Zemlya werd dus door den
ondernemenden koopman opgegeven[91]. De voornaamste aanbeveling van den
stuurman van 1596, namelijk het vermoeden dat hij den te volgen weg
kende, verviel hiermede en het was dus verkieslijker iemand van meer
ervaring in dienst te nemen.

    [91] Dat Le Maire aanvankelijk op den weg ten N. van Novaya Zemlya
    het oog had, blijkt uit het verslag zijner conferentiën met Hudson
    e. a. bij: Jeannin, Négotiation. II p. 276. Massa’s beschrijving van
    de reis bewijst echter, dat dit plan veranderd werd. De poging om
    Massa voor de reis te winnen wijst aan, dat het de bedoeling van Le
    Maire was, zich de ondervinding der Russen volgens het plan van
    Linschoten (zie hiervóor p. 41) ten nutte te maken en zoodoende eene
    laatste poging langs den algemeen opgegeven weg door de straat van
    Nassau te wagen. Nog in 1614 beval Pontanus deze richting aan boven
    de toen algemeen geroemde over de pool. (Beschr. v. Amst. p. 179.)

Het voornemen was nu, om overeenkomstig met de plannen van Linschoten
den ouden korteren weg door de straat van Nassau weder te beproeven. De
jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob bewezen, dat het mogelijk
was langs dien weg ten minste ver naar het oosten te komen, en het viel
Le Maire niet moeielijk eenen anderen schipper »fort entendu aux
nauigations et de grande expérience” voor die plannen te winnen. De dus
door Jeannin geprezen zeeman was geen ander dan de befaamde Melchior Van
Kerckhoven, op wiens bekwaamheid en moed met meer reden geroemd werd dan
op zijn karakter en beginselen[92]. Moeielijker bleek het een commies
voor de reis te vinden. Le Maire had dadelijk het oog laten vallen op
den bekenden Isaac Massa van Haarlem[93] en zeker had hij moeielijk een
beter keus kunnen doen, nu het gold de kennis, die de Russen van de
kusten der IJszee verkregen hadden, ten nutte der reis aan te wenden.
Gedurende zijn langjarig verblijf in Rusland had Massa, ijverig
beoefenaar der aardrijkskunde en schrander opmerker als hij was,
langzamerhand een schat van berichten opgezameld, die in Europa geheel
onbekend gebleven waren. Ongelukkig bleek hij echter de man niet te
zijn, die Le Maire dienen kon. Ofschoon een tegenstander der bekende
plannen van Plancius en overtuigd dat alleen de weg door de straat van
Nassau kans van slagen aanbood, was Massa te nauwkeurig bekend met de
bezwaren, die eene reis in de IJszee opleverde, misschien ook te weinig
doortastend om de altijd onzekere plannen zelf te steunen.

    [92] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.--Jeannin, Négotiation. II
    p. 489. Vgl. over Van Kerckhoven: De Jonge, Opkomst. I p. 52, 128,
    29.--De Jonge, Nederland en Venetië. p. 86.

    [93] Zie over hem: Van der Linden, Isaac Massa.--Nicolai (Relation.
    Vorredt, p. 11) verhaalt, dat de Staten „ein aignen Mann in der
    Moszkau underhalten Isaac Massa genannt” ~om berichten over de
    mogelijkheid van een~ NO. ~doortocht naar~ O.-I. ~in te winnen~; het
    schijnt echter, dat dit bericht alleen steunt op Massa’s verhaal der
    wegen naar en door Siberië, dat Nicolai in Hessel Gerritsz.’
    Detectio freti vond. Nicolai was toch over Nederlandsche zaken zeer
    slecht ingelicht.

Hij stelde reeds dadelijk vele eischen. De geheele inrichting der
expeditie was volgens hem verkeerd. De reizigers moesten vóor hun
vertrek nog talrijke voorzorgen nemen en zich beter toerusten tot den
tocht; zij moesten bepaaldelijk naar het voorbeeld der Russen kleine
booten medenemen, die altijd veel meer kans hadden zich door het ijs
heen te werken dan de betrekkelijk groote Nederlandsche schepen; zij
moesten eindelijk zich voorbereiden op de mogelijkheid eener
overwintering in het barre noorden, die waarschijnlijk noodig was wilde
men zijn doel bereiken. Het was echter Le Maire onmogelijk zich al deze
wenken, hoe heilzaam ook, ten nutte te maken: hij had de voorschriften,
die van ouds voor noordpoolreizen bestonden, gevolgd en Massa’s plannen
zouden eene geheel nieuwe uitrusting hebben noodig gemaakt. Daartoe zou
echter vóor alles veel tijd en veel geld noodig zijn geweest, en hoewel
Hendrik IV zijnen handlanger een paar maal eene som gelds door zijnen
gezant deed toekomen, had hij gemeend aan diens hooge eischen niet
geheel te moeten voldoen. Tijd vooral was het, die Le Maire ontbrak: het
door de Oost-Indische Compagnie uitgeruste schip was reeds gereed en
Hudson kon op zijnen tijd vertrekken. Zoo deze ervaren zeeman, van wien
men zooveel verwachtte, den doortocht vond voordat Le Maire gereed was,
dan was alles verloren, het doel der reis gemist.

Het was dus duidelijk, dat de onderhandelingen moesten afspringen. Maar
ook al waren de beide geniale kooplieden het hierin eens geworden, dan
nog zou Le Maire zich waarschijnlijk van Massa’s medewerking niet veel
goeds hebben mogen beloven. Het mocht een verstandige eisch heeten, dat
Massa in de plannen en voorbereidingen van Le Maire de fouten wilde
verbeterd zien, die zijne rijke ervaring hem aanwees; het is hem geheel
niet kwalijk te nemen, dat hij, toen Le Maire weigerde zijnen raad te
volgen, van zijnen kant ongeneigd was om deel te nemen aan eene
expeditie, die naar zijne inzichten niet slagen ~kon~, maar het was
kleingeestig, dat hij ook, waar zijne ervaring hem in den steek liet,
aan zijne bekrompene wereldbeschouwing argumenten tegen de mogelijkheid
van te slagen ontleende. Het toonde, dat het Massa met de zaak geen
ernst was;--het bewees, dat hij niet bezield was met den geest, die de
Moucherons, de Barendszen, de Linschotens gedrongen had hunne tochten
over den geheelen aardbol uit te strekken, dat hij zijne landgenooten
door dwaze bezwaren, waaraan hij zelf niet geloofde, van verdere
pogingen afschrikte[94]. Maar wij laten Massa en zijne kritiek rusten:
»ick sloech het af,” dus verhaalt hij, »want ick bewysen wil dat mender
niet door en can en altyts vergeefs sal wesen wat sy doen, ~oft moesten
’t anders aenlegghen~.”[95]

    [94] Dit was te meer verkeerd, omdat men toen ter tijd vrij algemeen
    aan de mogelijkheid van den noordoostelijken doortocht gewanhoopt
    schijnt te hebben. Zelfs Hessel Gerritsz. twijfelde. (Zie zijne
    Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 3, 4. Vgl. echter aldaar zijne
    aanteekeningen op Massa’s kaart.) Het blijkt uit Massa’s in den
    tekst aangehaalde woorden, dat hij integendeel aan de mogelijkheid
    geloofde.

    [95] Zie de kritiek van Massa in zijn: „Cort verhael van de Wegen
    ende Rivieren uyt Moscovia.” p. 8, 13, 14, in: Beschr. v. d.
    Samoyeden Landt.

Zoo was dus Le Maire weder teleurgesteld, maar de zaak opgeven dat wilde
hij niet. Spoedig was een andere commies gevonden en de overeenkomst met
Hendrik IV werd nu gesloten. De onderneming zou op naam van Le Maire, in
het geheim echter voor Fransche rekening, plaats hebben. Gelukte de
poging, dan zou het schip niet in Nederland maar in Frankrijk
binnenvallen; Le Maire zou dan dadelijk naar Parijs vertrekken en zich
aan het hoofd der nieuwe Fransche Oost-Indische Compagnie plaatsen.
Voorloopig ontving de ondernemer reeds 15,000 livres van Hendrik IV[96]
en den 5 Mei 1609 vertrok Kerckhoven met een »kleyn schipken” en
voorzien van eenen geloofsbrief van Maurits naar het noorden.[97]

    [96] Zie over de plannen en voorbereidingen voor deze reis: Jeannin,
    Négotiation. II p. 345, 70, 75.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le
    Maire, in: Gids. 1865. IV p. 28-33.--Murphy, Hudson in Holland, p.
    31, 32.

    [97] Jeannin, Négotiation. II p. 489.--Bij het verhaal dezer reis
    verwerp ik het door De Jonge (Opkomst. I p. 28) op het voetspoor van
    Murphy (Hudson in Holland, p. 32 Noot 1) voorgestane gevoelen, dat
    Le Maire ~twee~ tochten naar het noorden zou hebben doen ondernemen:
    in 1609 en omstreeks 1611. Reeds Megiser (Septentrio Novantiquus. p.
    431) sprak in 1613 van eene reis van Le Maire naar het noorden in
    1611. Al deze schrijvers hebben echter hun bericht ontleend aan
    Massa, die zegt, dat een Nederlandsch schip „dit Jaer” voor Le Maire
    aan Vaigatsch geweest is. (Cort verhael. p. 8 in: Beschr. v. d.
    Samoyeden Landt.) Nu is de „Beschryvinge vander Samoyeden Landt”
    verschenen in het voorjaar van 1612 en het lag dus voor de hand te
    meenen, dat Massa’s „Cort verhael” geschreven was in 1611, toen de
    schrijver in Nederland aanwezig was. De drie geleerden schijnen
    echter voorbijgezien te hebben, dat Hessel Gerritsz. op den titel
    zijner Beschryvinge vander Samoyeden Landt mededeelt, dat de beide
    daarin voorkomende stukken van Massa „wt de Russche tale overgheset
    (en blijkens de aanteekeningen op den rug van Massa’s kaart
    vermeerderd) syn ~Anno 1609~.”--Het door De Jonge l. c.
    gecursiveerde woordje „wederom” behoeft dunkt mij niet op een
    Nederlandsch schip ~door Le Maire uitgerust~ te slaan.

Hoe dwaas ook de argumenten van Massa tegen de uitvoerbaarheid van het
laatste gedeelte der reis waren, het bleek den reizigers weldra, dat hij
over het eerste gedeelte met volkomen kennis van zaken gesproken had. De
onderneming was tegen de bedoeling van Le Maire, die haar gaarne zeer
vroeg in het voorjaar had zien vertrekken[98], door den herhaalden
tegenspoed een paar maanden vertraagd en geen wonder dan ook, dat
Kerckhoven in dit toch reeds zeer ongunstige jaar de straat van Nassau
onbevaarbaar vond. De zeeëngte was opgevuld met ijsmassa’s van niet
minder dan 50 à 60 vademen dikte.[99] Aan het volvoeren van den tocht
viel niet te denken; de reizigers moesten terugkeeren en maakten eene
»slechte reyse.”[100] Het is niet onwaarschijnlijk, dat Le Maire in het
volgende voorjaar op nieuwe pogingen bedacht was[101], maar de
plotselinge dood van zijnen beschermer Hendrik IV maakte natuurlijk aan
alle plannen een einde.

    [98] Jeannin, Négotiation. II p. 279.

    [99] Massa, Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt.

    [100] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.

    [101] Dit maakt De Jonge (Opkomst. I p. 28) op uit het aankoopen van
    een voor Noordsche tochten veelal gebruikte vlieboot door Le Maire
    in Februari 1610 voor een doel, dat volgens zijn zeggen, wanneer het
    bereikt werd, den lande zeer voordeelig zou zijn.

Terwijl de beide bovenvermelde reizen grootendeels hare verklaring
vinden in den strijd tusschen monopolie en vrije concurrentie, schijnt
het tot nog toe niet duidelijk geweest te zijn, wat de reden was, dat
van 1607 tot 1612 plotseling na tienjarige rust het zoeken van den
noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië weder met zooveel ijver, een
enkele maal zelfs van staatswege, in Engeland en Nederland werd opgevat.
Het komt mij voor, dat deze hernieuwde pogingen moeten toegeschreven
worden aan het genie van twee Engelschen, die eene andere richting
aanwezen dan den tot nog toe in de noordsche ondernemingen gewoonlijk
gevolgden koers.

Toen Henry Hudson in 1607 zijne eerste reis naar het noorden ondernam,
handelde hij volgens een bepaald plan. Reeds in 1527 had Robert Thorne,
een Engelschman, die te Seville woonde, verkondigd, dat men noordelijk
recht over de pool naar Oost-Indië moest zeilen. Hij meende, dat die weg
veel korter was dan eenige andere tot dusver ingeslagen; aan de bezwaren
met dit plan verbonden, de onbevaarbaarheid der zee en de
onbewoonbaarheid van het land, geloofde hij niet[102]. Dit voorstel, in
1582 door Hakluyt in zijne Divers Voyages wereldkundig gemaakt, bleef
aanvankelijk onopgemerkt. Plancius alleen schijnt het met Thorne eens
geweest te zijn[103], maar Barendsz. nam op de twee tot bereiking van
Plancius’ doel uitgeruste tochten steeds zijn koers te veel oostelijk om
de pool te bereiken en zoo naar Oost-Indië te geraken. Slechts Jan
Cornelisz. Rijp, getrouwer dan Barendsz. aan Plancius’ instructiën,
sloeg in 1596 de richting door Thorne aangewezen in[104]. Hij wilde ten
noorden van Spitsbergen door het ijs breken en de pool bereiken, maar de
ijsdam, die zich steeds oostelijk van Groenland en ten noorden van
Spitsbergen uitstrekt, belette hem zijn plan uit te voeren. En Barendsz.
zelf, al kon hij zich ook niet vereenigen met de plannen van Rijp,
stierf in de overtuiging, dat men niet door de noordelijke kusten van
Europa of van Novaya Zemlya te volgen, maar door hooger in het noorden
zijnen weg te zoeken de meeste kans hebben zou om eene opene zee te
vinden[105]. Het onbeduidende resultaat, dat de reis van Rijp volgens de
toenmalige inzichten had, belette, dat men zijn plan op nieuw trachtte
uit te voeren, maar de op zijn aandrijven gevolgde noordelijke koers had
tot de ontdekking geleid, dat niet altijd de koude, hoe meer men de
pool naderde, heviger werd[106]. De opmerking, dat het op Spitsbergen
op 80° minder koud was dan op Novaya Zemlya op 76°,--een verschijnsel,
dat waarschijnlijk aan den warmen golfstroom moet worden
toegeschreven,--leidde reeds de Nederlanders tot de conclusie, dat de
massa’s ijs, die de Russische rivieren in de IJszee uitstortten, de
atmospheer kouder, de zeeën onbevaarbaarder maakten dan hoog in het
noorden, waar volgens Mercator de snelle stroomingen de vorming van ijs
verhinderden en waar dus eene opene zee zich uitstrekte[107]. Door deze
opmerkingen moesten de plannen van Thorne meer en meer uitvoerbaar
schijnen.

    [102] Het plan van Thorne wordt uiteengezet in: „The booke made by
    Master Robert Thorne,” in: Hakluyt, Divers voyages. p. 48 vlg.--De
    hier beschreven koers is als „de vijfde wegh naar Cathay” opgenomen
    in de „Diversche Discourssen de O.-I. vaert betreffende” achter de
    uitgave der Nederlandsche reizen naar het NO. van Jan Jansz. (1648.)

    [103] „Nowe then,” zegt Thorne, „there is no doubte, but sayling
    Northwarde and passing the pole, descending to the equinoctiall
    lyne, wee shall hitte those Ilandes.” (nam. de Oost-Indische.)--Over
    het gevoelen van Plancius zie hiervóor p. 43 Noot 1{[74]} en vooral:
    Jeannin, Négotiation. II p. 276, 77.

    [104] Dat de koers door de noordpoolreizigers gevolgd niet met hunne
    instructiën overeenkwam, blijkt duidelijk uit De Veer’s inleiding
    voor de eerste reis. (Drie seylagien. fol. 1, 2.) Barendsz. schijnt
    na het mislukken zijner reis in 1597 van plan geweest te zijn, van
    de Noordkaap recht naar het NO. te zeilen. Zie ook de opdracht der
    Drie seylagien aan de Staten-Generaal.

    [105] Zie vooral de merkwaardige plaatsen in: De Veer, Drie
    seylagien. fol. 18.--Vgl. ook ald. Opdr. en fol. 1, 2.

    [106] De Veer, Drie seylagien na de Coninckrijcken van Catthay ende
    China. Opdr. en fol. 2.

    [107] De Veer, Drie seylagien. Opdr. en fol. 1, 2, 9, 18.--De Jonge,
    Opkomst. I p. 18.--Zie eene uiteenzetting en kritiek van dit plan in
    het „Discours van Joh. Is. Pontanus” achter: Begin ende Voortgangh
    van de Oost-Indische Compagnie. p. 70.

Toch was een Engelschman de eerste, die weder volgens Thorne’s
voorschriften handelde. Eerst in 1607 trachtte Henry Hudson de noordpool
te bereiken en zeilde daarom aan beide zijden van Spitsbergen naar het
noorden. Evenmin als Rijp, die in 1596 geheel hetzelfde gedaan had,
slaagde Hudson. Toch gaf hij het niet op en volgde op zijne tweede reis
hetzelfde plan. Ditmaal was het echter meer oostwaarts dat hij den
doortocht zocht en zoodoende kwam hij eenigszins op den weg, dien
Barendsz. gevolgd had. Maar minder gelukkig dan zijn voorganger moest
hij het reeds spoedig opgeven en terugkeeren[108]. Toch was het
resultaat zijner reizen gewichtig. Evenals de Nederlanders had hij de
opmerking gemaakt, dat op Spitsbergen de atmospheer betrekkelijk warm
was, de plantengroei minder dor dan op Novaya Zemlya[109]. Zijn bezoek
in Nederland, waar hij in den geleerden Plancius een warmen voorstander
zijner denkbeelden vond, versterkte hem in zijne plannen, en evenals
vroeger was hij dan ook in 1609 weder voornemens het plan van Thorne uit
te voeren. Hij sprak daarover nog uitvoerig met Plancius en Le Maire, en
schijnt het met beiden volkomen eens geworden te zijn[110]. Ook de
bekende cartograaph Hessel Gerritsz., hoewel aanhanger der plannen van
Linschoten, achtte de meeningen van Plancius en de zijnen eene ernstige
overweging waard.

    [108] Zie over de plannen van Hudson bij zijne twee eerste reizen:
    Asher, Hudson the Navigator, p. CLXXXIV-CXCVI.

    [109] Zie o. a. Asher, Hudson the Navigator, p. 14.--Jeannin,
    Négotiation. II p. 277.

    [110] Jeannin, Négotiation. II p. 277.

Het laat zich begrijpen, dat, toen Hudsons plannen zoodoende in
Nederland bekend werden, waar de publieke opinie reeds eenigszins op het
ontvangen van zulke mededeelingen was voorbereid[111], ze dadelijk
algemeen ingang vonden. Plancius werd meer en meer in zijne denkbeelden
bevestigd. Met nadruk verkondigde hij, dat de zon, die gedurende de zes
zomermaanden onafgebroken de noordelijke streken beschijnt, de zee
warmer maakt, het ijs doet smelten en daardoor de overmatige koude aan
de atmospheer ontneemt[112]. Hij meende dus, dat de koude tot op 66° NB.
voortdurend toenam om van daar weder af te nemen tot de pool toe; hij
vond eene bevestiging dier meening in het feit, dat het onder de
evennachtslijn minder warm is dan onder de keerkringen. De meening der
ouden, die de poollanden voor onbewoonbaar hielden, was volgens Plancius
even ongegrond als hunne verhalen omtrent de onverdragelijke hitte onder
de evennachtslijn, waar men eene talrijke bevolking gevonden had. Hij
geloofde dus, dat de Nederlanders niet meer als vroeger langs de kust
slechts tot ongeveer 73° NB. moesten gaan, maar in de opene zee recht
noordelijk tot 83° NB. zeilen, waar de ijsvrije oceaan zonder twijfel
den weg naar straat Anian zou openstellen. Van daar zou de weg langs
Azië’s oostkust naar Oost-Indië gemakkelijk zijn en veel korter dan alle
andere bekende wegen[113]. De invloedrijke Plancius won weldra weder
aanhangers voor zijne leer en meer en meer maakte het denkbeeld om naar
de pool te zeilen opgang.

    [111] Zoo zeide een van Heemskercks tochtgenooten in 1609 tot
    Plancius: „que, pour n’estre lors assez experimenté en cette
    nauigation, au lieu d’entrer auant en pleine mer, où elle n’est
    iamais gelée, à cause de la profondeur et de la grande impetuosité
    de ses flots et vagues, il se contenta de costoyer les bords: où,
    ayant trouué la mer gelée, luy et ses compagnons furent arrestez et
    contrains de s’en retourner sans passer outre.” (Jeannin,
    Négotiation. II p. 276.)--Zie ook De Veer’s oordeel over de drie
    eerste Nederlandsche noordpoolreizen: Drie seylagien. Opdr. en fol.
    1, 2.

    [112] Deze voorstelling maakte men zich nog in 1624. Vgl.:
    Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95 vso. (Juni 1624.)

    [113] Jeannin, Négotiation. II p. 277.

Zoo waren de zaken gesteld, toen in 1610 zekere Helisaeus Röslin, med.
doct. te Buchsweiler in den Elzas en lijfmedicus van den graaf van
Hanau, den Staten een boekje aanbood, waarin hij het nieuwe plan
uitvoerig aanbeval[114]. Door astrologische berekeningen tot het inzicht
gekomen, dat God de ontdekking van de Noordpool wilde, stelde hij voor
om ten minste tot 80° of 82° noordwaarts te zeilen, waar hij meende, dat
men eene opene zee zou vinden. Het mislukken der vroegere Nederlandsche
tochten was volgens hem alleen toe te schrijven aan de richting dier
reizen, die de schepen steeds door eene zeeëngte voerde, waar het ijs
zich ophoopte[115]. Evenals Thorne wees hij op de vergissing der ouden,
die ook de tropische gewesten voor onbewoonbaar gehouden hadden; evenals
Plancius meende hij, dat de lange pooldag de temperatuur hoe langer hoe
meer verhitte, naarmate men de pool naderde. Met veel ernst trok hij te
velde tegen een paar argumenten van eenige tegenstanders van zijn plan:
het religieuse bezwaar van sommigen, dat het Paradijs aan de pool zou
liggen en dat dus God zelf door zijnen engel met het vlammende zwaard
den toegang daarheen zou beletten, achtte hij onbewezen; de verhalen van
den magneetberg, die alle schepen, als zij de noordpool bereikten, bij
het daaraan bevestigde ijzer vasthouden zou, hield hij voor volkomen
ongegrond[116].

    [114] Mitternächtige Schiffarth, von den Herrn Staden inn
    Niderlanden vor XV Jahren vergebenlich fürgenommen, wie dieselbige
    anzustellen, dass man daselbst herumb in Oriënt vnd Chinam kommen
    möge, zu sonderem der Christenheit, sonderlich Teutschlands Nutzen
    vnd Wohlfart, Ein künstlicher Philosophischer Tractat, . . .
    Gestellt durch Helisaeum Röslin.” 1610.--Vgl. over andere werken van
    Röslin: Jöcher, Allg. Gelehrten-Lexicon. III p. 2175.

    [115] Volgens de kaart, in het boekje voorkomende (waarop het eerst
    kaap Tabin verre voorbij het zeer noordelijk gelegen Promontorium
    Scythicum is aangegeven), is de zee van Kara niets dan eene zeeëngte
    tusschen Novaya Zemlya en het promontorium Scythicum.

    [116] Een duidelijk overzicht van de voorstellingen, die men zich
    destijds van de poollanden vormde, geeft Megiser. (Septentrio
    Novantiquus. p. 369.) „Es sind lauter Fantaseyen,” zegt hij, „was
    etliche bisshero fürgegeben vnd den Nort-Polum also gemalet haben,
    dass nemlich gestracks vnder dem Polo ein hoher schwartzlichtiger
    Steinfels von lauter Magnet seye, der begreiff in seinem Vmbkreiss
    33 Frantzösische Meilen. Es sollen auch vmb denselben hervmb vier
    Insuln ligen, zwischen denen der Oceanus durch 19 Ostia oder Eingäng
    einbreche, vnd vier Euripos oder Arm vnd Strom mache, welche vom 78
    gradu an mit solcher Gewalt vnd Vngestümmigkeit nach dem Polo zu
    gezogen vnd getrieben, vnd allda in mechtig grosse Abgrund
    verschlucket werden: also dass kein Schiff, so einmahl darein komme,
    auch durch den stärcksten Wind, mög zurück gebracht werden.”

Het boekje maakte opgang en werkte er krachtig toe mede, dat twee
Nederlanders, Ernst Van de Wal en Pieter Aertsz. de jonge van
Amersfoort, de Staten-Generaal en de Amsterdamsche admiraliteit om
bijstand tot het ondernemen van eenen nieuwen tocht verzochten[117]. Zij
beweerden stoutweg, dat het Barendsz. en Linschoten aan den noodigen
moed en volharding ontbroken had. Overtuigd als zij waren van de
deugdelijkheid van Röslins beschouwingen, meenden zij zelven gelukkiger
te zullen zijn, want, zoo redeneerden zij schertsend, »de Son soude
eerder daer by Noorden zout maken dan ijs.” Niettegenstaande de
afkeuring van sommigen[118], die het boekje vol »sotternien” achtten en
de voorstellers van den tocht »eenige onervaren, vermetele menschen”
noemden, vond het plan bijval en in 1611 besloot de admiraliteit te
Amsterdam tot den nieuwen tocht. Twee schepen, de Vos en de Craen,
werden na langdurige beraadslagingen met Plancius ~en~ Linschoten voor
de reis uitgerust. De bevelhebber der onderneming was Jan Cornelisz.
May, bijgenaamd Mensch-eter, van Hoorn[119], die reeds in 1598 de reis
van Van Neck naar Oost-Indië had medegemaakt en later op de reis om de
wereld van Spilbergen van 1614 tot 1617 als kapitein op des bevelhebbers
schip zou aanwezig zijn[120]. Commies en stuurman op zijn schip de Vos
waren Ernst Van de Wal en Pieter Fransz.; het andere schip voerden Symon
Willemsz. Cat als kapitein, Pieter Aertsz. de jonge als commies, en
Cornelis Jansz. Mes als stuurman. Hun werd bij hunne Instructie gelast,
ten noordoosten den doortocht door straat Anian te zoeken. Zoo dit doel
in één jaar niet bereikt kon worden, moesten zij ergens eene plaats
opzoeken, geschikt tot overwinteren. Mocht de reis naar het noordoosten
ook het tweede jaar niet gelukken, dan moest May het in het noordwesten
beproeven en trachten door straat Davis Oost-Indië te bereiken. In
overeenstemming met de pogingen in de laatste jaren door Engeland en
Frankrijk aangewend om koloniën in Amerika te verkrijgen, werd nu ook
May belast, overal te letten op de plaatsen, die geschikt waren ter
colonisatie en tot het aanleggen van forten[121].

    [117] Hessel Gerritsz., Beschr. vander Samoyeden Landt. Voorrede, p.
    4.

    [118] Hevige bestrijders vond het misschien wel wat onberaden plan
    der overmoedige voorstellers in Hessel Gerritsz. (Beschr. v. d.
    Samoyeden Landt. p. 3, 4.--Detectio freti ed. 1613 F. 2) en in Joh.
    Is. Pontanus (Beschr. v. Amst. p. 179, 80), beiden voorstanders der
    plannen van Linschoten. Ook Isaac Massa oordeelde het door dezen
    ontworpen plan het eenige, dat kans van slagen had. (Massa, Cort
    verhael, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 13.) Nicolai
    (Relation. Vorredt, p. 10) zegt, dat Röslin „allein etliche seine
    Träum und Mucken erzehlt, die er ihm hinder dem Ofen im Sawrbrunnen
    zu Schwalbach traumen lassen.”--Onder leiding van May werd het plan
    echter beter uitgevoerd dan het zich aanvankelijk liet aanzien en
    althans Gerritsz. kwam nog in zijne Detectio freti zelven op zijne
    afkeuring terug.

    [119] De reis van Jan Corneliszoon van Hoorn, waarover Witsen
    (Noord- en oost-Tartarye. p. 906) spreekt, is geen andere dan deze
    tot voor korten tijd bijna onbekende tocht.--Volgens Wassenaer
    (Hist. verhael. VIII fol. 84 vso) deed „Ian May van Hoorn” in 1624
    nog eene reis naar Nieuw-Nederland. Op deze reis noemde hij
    waarschijnlijk den mond der Delaware „May-bay”, de oostelijke punt
    van den oever daarbij „Caep May.” (Zie de kaart v. Nieuw-Nederland
    in den Atlas v. Just. Danckers.) Ook een veel zuidelijker gelegen
    rivier op die kust heette „R. de May.” (Zie de kaart van Amerika in
    dien Atlas.) Mogelijk zijn echter al deze namen van den bekenden
    Cornelis Jacobsz. May afkomstig.

    [120] Tiele, Mémoire. p. 70.

    [121] De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag. I. p. 28-30) heeft het
    eerst de aandacht op deze belangrijke reis gevestigd.

De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen, beantwoordde geheel niet aan de
verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. reeds tweemaal
beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan deze. Nu het goede spoor,
door Rijp ingeslagen en in Nederland in de laatste jaren met zooveel
warmte aanbevolen, verlaten was, beloofde de reis reeds dadelijk niet
veel nieuws. En waarlijk was dit gedeelte van May’s reis arm aan
resultaten. Hij bezeilde de kust van Novaya Zemlya, onderzocht de langen
tijd zoo raadselachtige Kostin-sjar[122], en bereikte het Cruys-eylant
op 76°, maar nergens kon hij door het ijs breken. Tegen het najaar moest
hij tot herstel der geledene schade naar Kildin vertrekken, van waar hij
naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het langdurige gedwongen
oponthoud werd door hem besteed tot onderzoekingen op de Amerikaansche
kust van 47°-(42-1/2)° NB.[123]; bij eene dier landingen werd Aertsz.
met eenige anderen door de wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot
men eindelijk, dat het schip de Craen, na nog eenig vertoef op de
Amerikaansche kust, huiswaarts zou keeren[124], en dat May met het schip
de Vos op nieuw den noordoostelijken doortocht zou opzoeken.

    [122] Hudson had trouwens op zijne tweede reis reeds bewezen, dat
    Kostin-sjar niet naar de Kara-zee leidde.

    [123] Herinneringen van de reis vindt men echter ook op Amerika’s
    oostkust op 42° NB. in de „Vos-haven” en „Crane-bay”. (Kaart v. N.
    Nederl. in den atlas v. Goos van 1666.)

    [124] Het schip kwam behouden aan. (Hessel Gerritsz., Beschr. v. d.
    Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4.) Zie over de onderzoekingen op de
    Amerikaansche kust na het vertrek van de „Vos” vrij uitvoerig:
    Descr. detect. freti. ed. 1613 F.

Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar met even
ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In het begin van Juni
1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar den 10 en stevende naar
Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk
langs de kusten van dit eiland, maar toen stuitte hij op een vast
ijsveld, dat zich noordwestelijk van het land uitstrekte. Hij volgde den
rand daarvan tot 14 Juli, wanneer hij op 77° NB. was, en keerde naar de
kust van Novaya Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelijken
tocht langs het ijs ondernam hij tusschen 29 Juli en 9 Augustus, toen
hij niet verder dan tot 77° 45´ NB. kon komen. Zijn plan om recht naar
het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon strenge
winter van 1611/12 had de zee van Spitsbergen in eene ijsvlakte
veranderd[125]. Den 26 Augustus keerde hij naar huis terug, waar hij
omstreeks half September behouden aankwam. Het eenige resultaat der reis
was de zekerheid, dat de uitgestrekte zee tusschen Novaya Zemlya en
Beeren-eiland geene eilanden bevatte en dat dus de eilanden Matsyn en
Willoughby-land niet bestonden[126].

    [125] Een dergelijk ijsveld tusschen Spitsbergen en Novaya Zemlya
    vond kapitein Wood in 1676. Zie de afbeelding daarvan bij: Witsen,
    Noord- en oost-Tartarye. p. 907.

    [126] Berichten omtrent dezen tocht vindt men, behalve by De Jonge
    en Witsen, in: Beschryvinghe vander Samoyeden Landt. (Voorrede p. 4,
    en op den rug der kaart van Massa) en uitvoeriger in: Descriptio
    detectionis freti. (ed. 1613 F en F 2.)--Als eene merkwaardigheid
    brachten de reizigers behalve walrustanden en beerenhuiden een stuk
    ijs mede van zulk eene dikte, dat de Amsterdamsche admiraliteit het
    in Nederland nog aan het publiek kon vertoonen.

De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: reeds het
volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel ondernomen. Jonas
Witsen, raad en oud-schepen der stad Amsterdam, en Symon Willemsz.
Nooms[127], een Amsterdamsch handelaar op de kust van Guinea, wendden
zich in Maart 1613 uit naam eener Amsterdamsche compagnie weder tot de
admiraliteit en verzochten het schip de Vos, waarmede May de reis gedaan
had, ter leen. Zij boden daartegen aan een deel in de winst, door handel
of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten uitgeloofde premie te
maken. De admiraliteit toonde zich genegen aan het verzoek te voldoen en
om voor de waarde van het schip, gewaardeerd op ƒ 3000, in de
onderneming te participeeren[128]. Zoodra men het eens was geworden,
vertrok het schip. Als schipper diende daarop Pieter Fransz.[129], die
May’s stuurman geweest was[130]; de lading bestond in koopmansgoederen
van allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden, stukken laken,
ketels en vooral »zeeven cleynne kasgens met norembergerije.”[131]
Evenals May wilde men eerst den noordelijken doortocht zoeken; ditmaal
echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen hadden Nederlandsche
zeelieden het noordoostelijk gedeelte der IJszee vruchteloos doorkruist,
dat men er aan begon te wanhopen, daar te slagen. Het noordwesten, waar
Hudson in de laatste jaren onverwelkbare lauweren had geplukt, waarheen
nog onlangs Button vertrokken was, om het verloren spoor van zijnen
voorganger te zoeken, was den Nederlanders echter nog geheel onbekend en
beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen, dat reeds May den last had,
wanneer zijne pogingen in het noordoosten mislukten, naar straat Davis
den steven te wenden; nu besloot men, de straat, die reeds den naam van
Hudson droeg, te doen onderzoeken en te trachten handelsbetrekkingen met
de inwoners dier streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de
reizigers verder Oost-Indië zien te bereiken. Daar echter het drijven
van handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak was,
werd aan Fransz. reeds dadelijk evenals aan May de last gegeven, om,
wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd, zuidelijker
streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlanders den ruilhandel te
beproeven[132].

    [127] Het octrooi der compagnie van Nieuw-Nederland (bij:
    O’Callaghan, New Netherland. I p. 74) noemt ook den Amsterdamschen
    oud-burgemeester Gerrit Jacobsz. Witsen onder de reeders van de
    „Vos.” De Resolutiën der Amsterdamsche admiraliteit spreken van hem
    geen enkele maal.

    [128] Resol. Adm. Amst. 27, 28, 29 Mrt. 1613.--Vgl. De Jonge,
    Opkomst. I. p. 30.

    [129] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.

    [130] Waarschijnlijk was op deze reis ook tegenwoordig de bekende
    Willem Meerman, zoon van den oud-burgemeester en schout van Delft
    Gerrit Meerman en schrijver van de geestige satire op de kerkelijke
    geschillen „Comoedia vetus.” Althans Brandt (Hist. der reform. II p.
    197) verhaalt van hem, dat hij na lange jaren op zee gevaren te
    hebben, in 1612 „op een tocht naar ’t Noordtwesten van America ging,
    om van daer een nieuwe doortoght naar Oostindie te soecken; doch
    nooit terugkeerde.” Waarschijnlijk heeft dit „overedel vernuft” zich
    in Nieuw-Nederland gevestigd. Het is waar, dat de reis van de
    Amsterdamsche reeders in 1613 voorviel, maar ik acht het toch
    waarschijnlijker, dat Meerman hierbij tegenwoordig was, dan op de
    reizen in 1612 door de Engelschen Button en Hall gedaan.

    [131] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.

    [132] Descr. detect. freti. p. 5.--„Nec fervor iste (om den N.
    doortocht te zoeken)”, dus verhaalt ons daar Hessel Gerritsz. in den
    zomer van 1613 „in nostris Amsterodamensibus deferbuit plane,
    superioribus enim mensibus ab ijs emissa est navis, eo tantum fine,
    ut de transitu, vel Freto Hudsoni inquireret, et num commercij locus
    sit in istis oris; si vero eventus votis non respondeat, in Oris
    Novae Franciae negotiabuntur.”

Weldra bleek het, hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waarschijnlijk
sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van het noordwesten
opgehoopte ijs den reizigers weldra den pas af; zeker is het, dat het
zoeken van den doortocht opgegeven en de steven naar »de Riviere Hudson”
gewend werd.[133] Ondertusschen was de zomer verstreken en men moest
besluiten in het latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De
»quaetwillige inwoonders”, door herhaalde bezoeken in de laatste jaren
niet gunstig jegens hunne blanke broeders gestemd, toonden zich echter
nu evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. Van het
drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de reis van May vielen
ook nu eenige Nederlanders, waaronder de kapitein Pieter Fransz. zelf,
als offers der ontembare Indianen[134].

    [133] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614. Over de reis in het
    noordwesten wordt daar het stilzwijgen bewaard, omdat men vrijdom
    van uitgaande rechten hoopte te verkrijgen, zoo de teruggebrachte
    goederen in 1615 weder ~naar dezelfde bestemming~ als in 1613 werden
    uitgevoerd.

    [134] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.

Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze reizigers zich
te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet minder dan vier
Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van Tweenhuysen, de oprichter
der Noordsche Compagnie, had twee vaartuigen gezonden: de Tyger,
schipper Adriaen Block en de Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz.
Van Cleef; voor eene andere Amsterdamsche reederij was het schip de
Nachtegael schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le
Maire’s Austraalsche Compagnie--of ten minste de hoofdreeders
daarvan--Cornelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van Hoorn
uitgezonden hadden[135]. Schipper Jan De Wit, die in plaats van den
vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opgetreden[136], kwam met de
nieuw aangekomenen overeen »in Compaignie te handelen”[137], en ieder
vertrok om zijn voordeel te zoeken. Block en May maakten zich door hunne
ontdekkingen een beroemden naam[138]; Van Cleef was reeds in Juli met
zijn schip geladen met bevervellen te huis[139], maar het schip de Vos
had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin van Augustus 1614
weder te Amsterdam aankwam, had hij zoo weinig voordeel behaald, dat de
beide reeders van het schip de admiraliteit moesten verzoeken om
vrijstelling van de inkomende rechten over bijna alle goederen, waarvoor
zij reeds bij het uitvaren betaald hadden. Hunne ondernemingszucht was
echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zij dadelijk verlof
verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrij te mogen
uitvoeren[140].

    [135] O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.

    [136] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.--O’Callaghan, N.-Netherland. I
    p. 74.

    [137] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.

    [138] O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.

    [139] Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.

    [140] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.--Berghaus (Wat men van de
    aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere
    Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt.
    De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende,
    Novaya Zemlya’s noordoostpunt verre voorbij gezeild, ja zelfs tot
    112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verbazend, maar voor
    ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf blijkt toch,
    dat het jaartal 1613 hoogstwaarschijnlijk onjuist is. De daarbij
    vermelde omstandigheden vertoonen zelfs eene groote gelijkheid met
    het verhaal der plannen van Willem Vlaming en eenige andere
    requestranten, die in 1664 van de Stn.-Gen. een monopolie voor de N.
    vaart verzochten. Het jaartal strookt bovendien zeer goed met de
    mededeelingen in Berghaus’ bron, de: Philosophical Transactions. Dl.
    X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, maar
    toch gesproken wordt van „some years since.” Misschien is dus de
    geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook
    zeer overdreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die
    door De Jonge (Nova Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en
    dus juist een halve eeuw na 1613 plaats had.--Nicolai (Relation.
    Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van verschillende Nederlandsche
    reizen ter zee en te land ondernomen om den doortocht te zoeken in
    1611-13, met name van 3 Nederlandsche schepen, in 1613 uitgevaren om
    Hudson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de
    ontdekking, dat Hudsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met
    de gebeurtenissen in Nederland zoo slecht bekend, dat hij zelfs
    niets van de reis van J. Csz. May vernomen heeft, schijnt echter
    zijne berichten alleen uit Megisers vertaling van Hessel Gerritsz’s
    Detectio freti geput te hebben; de eerste zéer onbepaalde
    mededeeling schijnt op de beweerde reis van Le Maire en Massa in
    1611 te slaan; de tocht van 1613 is dunkt mij zonder twijfel Buttons
    reis in dat jaar, waarvan Nicolai Hessel Gerritsz.’ verhaal verkeerd
    begrepen heeft.

Hier eindigt het eerste tijdperk der Nederlandsche tochten naar het
noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondernemingszucht der
ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te stellen. Twee
compagniën verrezen nagenoeg tegelijkertijd, die, door het octrooi der
Staten-Generaal beschermd, alle Nederlanders uitsloten van den handel op
het terrein, door de Nederlandsche noordpoolreizigers in de laatste
jaren bevaren. Het verzoek door Witsen en Nooms gedaan om hunne
goederen weder vrij te mogen uitvoeren--een verzoek dadelijk
toegestaan[141]--toonde reeds dat de vaart op Amerika’s oostkust door
hen niet opgegeven zou worden. Weinige maanden later (11 October 1614)
werden de beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi, dat de
Compagnie van Nieuw-Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds in
Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook voor de vaart
op de noordsche landen uitsluitende rechten verkregen: de »Noordsche
Compagnie” trad als bevoorrechte vereeniging op. De vaart op het noorden
en het westen, sinds Hudsons derde reis voortdurend vereenigd, werd dus
voortaan de bron waaruit ~twee~ vereenigingen schatten hoopten te
verzamelen. Maar toch bleef de band, die de beide compagniën verbond,
zeer nauw. Lambert Van Tweenhuysen, die als hoofdreeder in de compagnie
van Nieuw-Nederland optrad, was ook de eerste, die in het octrooi der
Noordsche genoemd werd, en terwijl de eerste bewindhebbers van beide
compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren, zetten de familiën deze
traditie nog jarenlang voort[142]. De Compagnie van Nieuw-Nederland, die
eerlang in de West-Indische Compagnie opging, bleef ook toen nog nauw
met hare Noordsche zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen,
door oorsprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De
West-Indische Compagnie, eerlang van het terrein, waarop zij zich eerst
gevestigd had, verdreven, sleepte in andere gewesten gedurende langer
dan eene eeuw haar kwijnend bestaan voort; terwijl de Noordsche, zich
juist te nauw beperkend tot het gebied, dat zij reeds dadelijk bezette,
wel is waar zonder vreemde hulp en aanvankelijk met voordeel zich kon
staande houden, maar toch reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer
mededingers bezweek. De geschiedenis der eerste vereeniging is,
voorzoover zij Nieuw-Nederland betreft, door Amerikanen reeds op eene
wijze bewerkt, die den Nederlander moet doen blozen; het zal mijn
streven zijn, nu ten minste door de beschrijving van de lotgevallen der
Noordsche Compagnie gedeeltelijk eene leemte aan te vullen, die te lang
in onze geschiedboeken bestaan heeft.

    [141] Resol. Adm. Amst. 18 Aug. 1614.

    [142] Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden als
    bewindhebbers, reeders of patroons in Nieuw-Nederland genoemd:
    Lambert Van Tweenhuysen, Simon Van der Does, Samuel Godin, Claes
    Jacobsz. Harencarspel, Hans Claessen en Barend Sweerts voor
    Amsterdam; bij de Zeeuwen: Pieter Boudaen Courten, Adriaan Ketelaer,
    Jan Gyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere
    reeders vinden wij bij beide compagniën leden der familiën Ranst,
    Van der Graeff Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van
    der Dussen. Adriaan Block reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in
    1615 naar Spitsbergen; het schip de Fortuyne voer in 1613 naar
    Spitsbergen, in 1614 naar Nieuw-Nederland; Hinlopen, een der
    bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederland vernoemd; de beide
    zonen van Jacob May deden in dienst van beide compagniën in 1614
    twee reizen.



HOOFDSTUK II.

DE NOORDSCHE COMPAGNIE.


Terwijl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelijk maakten
door hunne pogingen om de noordelijke zeeën aan Europa te doen kennen,
hadden ook de Engelschen niet stilgezeten. De Moscovische Compagnie, in
1553 opgericht met het doel om ontdekkingen te doen en nieuwe
handelswegen te openen, was daartoe dan ook te goed in de gelegenheid
dan dat zij niet meer systematisch dan de Nederlanders zich op het
verkennen der noordelijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare
aandacht voornamelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zij
nog dikwijls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën te
doorzoeken.

Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten van Sir
Francis Cherie, lid der Moscovische Compagnie[143], met het schip The
Grace ondernomen, stuitte men echter toevallig, op weg van Kola naar het
noorden, op het den Engelschen nog onbekende Beeren-eiland. De tocht
werd gestaakt en met het bericht, dat men op het nieuw gevonden land
eenig looderts en vele sporen van walrussen gevonden had, keerde men
huiswaarts. De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking.
Dadelijk zond zij in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland en toen hij
daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevonden had, besloot
men het land geregeld te bezoeken. Naar den eersten reeder werd het
Cherie-island genoemd en jaarlijks vertrok nu voortaan een schip, op
kosten van een der leden van de Moscovische Compagnie, daarheen[144]. De
walrusjacht bleef hoofdzaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen
viel men de logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor
de jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland
ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren het doel
der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste traan te kooken;
sinds 1611 beproefde men ook de huiden als handelsartikel te
gebruiken[145]. Naast de walrusjacht hield men zich met het dooden van
zeehonden, beeren, vossen en vogels bezig; de reeds in 1603 opgemerkte
loodmijn leverde nu en dan eenig erts en een enkele maal vond men
steenkool. Zoo was Beeren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron
van voordeel voor de Moscovische Compagnie.

    [143] Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p.
    295, 96.--De Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche
    Oost-Indische eene zoogenaamde „regulated company”, „een soort van
    gilde, welks leden vrij waren om binnen zekere grenzen en met
    inachtneming van zekere bepalingen zelfstandig te handelen, en dat
    onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. Elke
    uitrusting eener vloot werd ondernomen door eenige personen, die
    vrijwillig zamenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en
    slechts door de algemeene voorschriften der compagnie gebonden
    waren.” (Van Rees, Staathuishoudkunde in Nederl. II p. 19.)

    [144] Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the
    Northwards. Anno 1603. (Purchas, Pilgrimes. III p. 566; cf. ald. III
    p. 464.)--Poole, Divers Voyages to Cherie Iland. (1604) (Purchas, l.
    c. III p. 556.)--Poole, Third Voyage to Cherie Iland. (1605)
    (Purchas, l. c. III p. 558.)--Poole, Fourth Voyage to Chery Iland.
    1606. (Purchas, l. c. III p. 559.)--Poole, Sixth Voyage to Cherie
    Iland. (1608) (Purchas, l. c. III p. 560.)--Poole, Seventh Voyage to
    Cherie Iland. (1609) (Purchas, l. c. III p. 561.)--Poole, Voyage to
    Cherry Iland etc. (1610) (Purchas, l. c. III p. 700.)--Comm. der
    Mosc. Comp. voor Edge. (Purchas, l. c. III p. 709.)--Edge, Dutch
    disturbance. (Purchas, l. c. III p. 464.)--Poole deelt ons in het
    verhaal van een dezer reizen (1608) een merkwaardig bericht mede
    over de temperatuur in de IJszee. „The twentieth and one and
    twentieth dayes (of June),” dus verhaalt hij, „it was calme, and the
    weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly felt in
    England at that time of the yeere. For the Pitch did runne downe the
    ships sides; and that side of the Masts that was to the Sunne ward,
    was so hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had
    boyled.” Heley verhaalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen
    somtijds zoo koud was, dat de bevroren zeilen niet te behandelen
    waren, terwijl den volgenden dag de temperatuur zoo heet was, dat al
    het pik op het schip smolt, zoodat alles vuil werd; ja, nu en dan
    kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas
    aansteken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 788.)

    [145] Commissie der Mosc. Comp. voor Poole, bij: Purchas, Pilgrimes.
    III p. 709.

Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen schuw, de vangst
werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. En daarbij kwamen
concurrenten, die eerlang op de voordeelen der vaart opmerkzaam werden.
Reeds in 1607 verscheen een schip voor rekening van een Londensch
bierbrouwer op het eiland; de visschers van Hull, reeds van ouds
geoefende walvischvangers aan de Noordkaap, volgden dadelijk in dit
spoor[146]. De compagnie, die het door haar aan de Engelschen bekend
geworden eiland als haar uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook
reeds in 1608 een sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige
inbezitneming over, maar het baatte niet, de concurrentie nam toe en het
voordeel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Moscovische
Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons bezoek in 1607 nader
bekend geworden was. Jonas Poole werd in 1610 door de vereeniging naar
de tot nog toe slechts tweemaal bezochte kusten van dit eiland gezonden;
hij verkende de baaien[147] en ving eenige walrussen. En daar Thomas
Edge, die met een ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland
vertrokken was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men
dadelijk het besluit de oude nederzetting te verlaten[148] en de
uitrustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar
Greenland[149], te richten.

    [146] Purchas, Pilgrimes. III p. 709.

    [147] Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen
    namen, die ze langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben.
    Zoo vinden wij genoemd: Hornesound, Muscovy Companies Mount,
    Ice-point, Bell-point, Lownesse-island, Lowe-sound, Blackpoint-isle,
    Cape Cold, Ice-sound, Fair foreland, Knotty-point, Fowl-sound,
    Deer-sound, Closs-cove, Gurnerds-nose, Cross-road, Fairhaven en
    Greenhaven of Greenharbour.

    [148] Wel werd „Cherie-island” nog verscheidene malen bezocht, o. a.
    reeds in 1611 door Poole, die daar 200 walrussen doodde en de
    bemanning der bij Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf.
    Poole, Briefe Declaration of my Voyage to Greeneland. 1611, in:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 711) en door Gordon met „The Amitie” (cf.
    Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 306), maar de geregelde
    jaarlijksche tochten van de schepen der Moscovische Compagnie tot de
    walrusjacht hielden sinds 1610 op.

    [149] De Engelsche schrijvers van dien tijd noemen ~nagenoeg zonder
    uitzondering~ Spitsbergen „Greenland”, een naam, gegeven in den
    tijd, dat men het eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust
    hield. Groenland zelf noemden zij daarom nu ter onderscheiding
    Groneland, Groynland, Groenland of met eene andere dergelijke
    verbastering.

Met dit besluit ging echter dadelijk eene geheele verandering van het
doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht gevestigd op den
aan traan en andere kostbare handelsartikelen zoo rijken walvisch; Poole
had het bevestigd, dat de zee om Spitsbergen van die dieren
wemelde[150]. Dadelijk in 1611 vinden wij dan ook op de twee schepen,
die onder Bennet en Poole naar Spitsbergen vertrokken, zes harpoeniers
uit St. Jean de Luz; de sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende
Basken moesten de Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk
zelven te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide
schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen, dat
schipper Thomas Marmaduke van Hull, die de Engelschen ook daarheen
gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het vaderland terug te
voeren[151]. De compagnie hield echter vol: in 1612 verschenen weder
twee schepen, het eene onder Poole en Bennet, het tweede onder Russell
en Edge op Spitsbergen. Ditmaal was men gelukkiger: niettegenstaande
hunne onbedrevenheid doodden de Engelschen zeventien walvisschen en
eenige walrussen, die te zamen 180 tonnen traan leverden[152]. Maar
tegelijk vertoonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten, die
de hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen.

    [150] In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op
    walrussen en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte
    walvisschen) jacht te maken. Men ving ze met groote netten van
    kabeltouw als zegens. Zij namen weldra de wijk naar diepere wateren.
    (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 206.) De Nederlanders hadden
    reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en hielden
    zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.)

    [151] De verhalen over de handelwijze der bemanning van het schip
    van Hull bij deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas
    Poole met groote heftigheid zijne oude concurrenten van eene
    schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt de onpartijdige Purchas
    mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op, waarin die van Hull
    zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712, 13.) Het is
    onmogelijk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene
    merkwaardige bijdrage ter beoordeeling van de groote animositeit
    tusschen monopolisten en „interlopers” in dien tijd.

    [152] Zie het verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar
    Spitsbergen door Poole zelven bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    699-707, 711-13, 713-15.

Reeds in 1611 was de verschijning van het Hullsche schip eene ernstige
zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie hare schepen
voorzien had van een bevelschrift van den Geheimen Raad, dat de
vereeniging machtigde om haar octrooi te handhaven tegen alle
Engelschen, die zich in het noorden vertoonen zouden, en om zich met
alle kracht tegen aanvallen van vreemden te verdedigen, had schipper
Marmaduke zich niet ontzien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas
Woodcocke, een van Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste
baaien gewezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare
concurrenten, zulk eene trouweloosheid van de zijde harer onderhoorigen
beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 1612 verschenen
nog geduchter mededingers. De Nederlanders, het jeugdige volk, dat
overal naar middelen zocht om te voldoen aan den lust tot daden, die het
bezielde, waren ook nu weder onder de eersten, die met de Engelschen
kwamen concurreeren. »They kept their wont in following of the English
steps,” zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 naar de
Witte Zee volgde zij nu weder in de baan door de Engelschen geopend.
Hadden zij echter toen in hunnen landgenoot Brunel eenen gids gehad, die
hun niet alleen den weg, maar ook de beste plaatsen voor hunnen handel
aanwees, nu ontbrak hun zulk een leidsman geheel. De weg naar
Spitsbergen was den Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam
bekend; de plaatsen voor de walvischvangst geschikt, de wijze waarop die
nieuwe winstgevende nering werd geoefend, moesten zij door eigene
krachtsinspanning leeren kennen. Het moet tot hunne schande gezegd
worden, dat zij een gemakkelijker maar ook minder eervol middel
aangrepen om dit doel te bereiken: door omkooping haalden zij eenen
Engelschman over tot verraad aan zijn land en zijne heeren[153].

    [153] Edge (Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 466) verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders
    „were brought thither (d. i. naar Spitsbergen) by an English man,
    and not out of any knowledge of their owne Discoueries, but by the
    direction of one Allan Sallowes.” Zoo ik desniettegenstaande eene
    andere voorstelling geef, dan is het omdat: 1^{o}. het uit de Hist.
    du pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog
    in bizonderheden met de reis hunner landgenooten naar Spitsbergen in
    1596 bekend waren en dus eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden.
    2^{o}. omdat Sallowes door het hardnekkig en gevaarlijk volgen der
    Engelsche schepen van Beereneiland af toonde, dat hij de bekwaamheid
    miste om dien weg te wijzen. Ik ben daarom van het trouwens zeer
    partijdige geschrift van Edge afgeweken en meen, dat Sallowes door
    de Amsterdammers aangenomen was om hun de wijze der walvischvangst
    en de plaatsen daartoe geschikt te toonen.

Reeds in 1611 waren--mag men het eenigszins verwarde verhaal van
Zorgdrager[154] gelooven--op verschillende plaatsen des lands, met name
te Amsterdam, Schiedam, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg, inschrijvingen
gedaan om de zoo winstgevende nieuwe nering der walvischvangst ook in
Nederland te vestigen. De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide
schaal nog geen voortgang; voorloopig vereenigden zich alleen Lambert
Van Tweenhuysen, Jacques Nicquet, Jacques Mercys en eenige andere
Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederlandsche afkomst
verrieden, tot eene compagnie, die ten doel had de walvischvangst in de
IJszee te beginnen. De vereeniging rustte dadelijk in 1612 een schip van
140 last uit[155], bemande het met 36 koppen en zond het onder bevel van
Willem Van Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits »om
aldaer Walrussen te bekomen, ofte anders haer profijt te soecken”. Allan
Sallowes, een Engelschman, die lange jaren voor de Moscovische Compagnie
op de IJszee gevaren had, maar volgens de Engelschen een ter kwader naam
bekend staande persoon, die zijn vaderland om schulden verlaten had,
ging als stuurman mede[156]. Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van
Muyden en de zijnen de twee Engelsche schepen. De bevelhebbers daarvan
beraadslaagden er dadelijk ernstig over Sallowes als een
»interloper”--of zooals men toen zeide »lorrendrayer”--gevangen te
nemen, maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Engelsche
schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegenstaande het
herhaalde verbod der Engelschen, 26 Mei met een Engelschen »interloper,”
(het schip Diana, kapitein Thomas Bustion van Wapping-wall[157]) op
Spitsbergen aan. De beide schepen zwierven langs de kust heen en weer en
deden pogingen om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen
der compagnie te vinden, maar hunne onbekendheid met de walvischvangst
was oorzaak, dat de buit schraal was en zij bijna onverrichter zake
huiswaarts moesten keeren[158]. Een ander Nederlandsch schip, door eene
Zaandamsche reederij uitgerust, schijnt zich dit jaar alleen met de
walrusjacht op Beeren-eiland te hebben beziggehouden[159].

    [154] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.

    [155] Purchas (Pilgrimage. p. 815) spreekt ten onrechte van drie
    Nederlandsche schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de
    Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er twee, waarvan een slechts tot
    Beeren-eiland kwam.

    [156] Sallowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1613
    als stuurman van een schip van Bordeaux op Spitsbergen. (Baffin,
    Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas,
    Pilgrimes. p. 716, 17.--Vgl. Hist. du pays de Spitsb. p. 20-25, waar
    Sallowes „Maistre Selly” genoemd wordt.)

    [157] Dit waren niet de eenige concurrenten der Moscovische
    Compagnie. Nicholas Woodcocke had dit jaar een Spaansch schip uit
    St. Sebastiaan naar Spitsbergen geleid. Marmaduke van Hull kwam met
    zijn schip „The Hope-well” ook weder aan het eiland, dat hij echter
    weldra verliet om eene ontdekkingsreis in het noorden te maken.

    [158] De commies van Van Muyden, de koopman Kyen, verloor op Prince
    Charles’ foreland het leven. (Poole, Relation of a Voyage to
    Greenland in 1612, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 714--Hist. du pays
    de Spitsberghe. p. 12.) Naar deze gebeurtenis werd het eiland, waar
    ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen „l’Isle de Kyn”
    genoemd.

    [159] Zie over deze eerste reis der Nederlanders: Request der Amst.
    reeders aan de Stn.-Gen., bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII. fol.
    88.--Hist. de Spitsberghe p. 10, 11.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p.
    207.--Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 713-15.--Edge, Dutch, Spanish, Danish
    disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.--Detectio freti,
    ed. 1613 F 3.

Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem Van Muyden
kwam weder met zijn schip op Spitsbergen; de reeders hadden er nog het
kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. Boots van
Medemblik[160], bijgevoegd. De Zaandamsche reederij zond mede twee
schepen op de walrusjacht uit, die ditmaal ook op Spitsbergen
kwamen[161]; een Enkhuizer schip, dat door eene tweede Amsterdamsche
reederij was uitgerust, was weder door eenige Engelschen, waartoe de
kapitein Thomas Bonner zelf behoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er
nog een schip van Hoorn, dat voor eene Fransche reederij voer. Ditmaal
was men ook beter ter walvischvangst toegerust: behielpen de Enkhuizers
zich nog met Engelschen, de Amsterdammers hadden zich reeds evenals
hunne voorgangers gedaan hadden, van twaalf Baskische harpoeniers
voorzien, die, meer ervaren dan de Engelschen, tevens minder de woede
van den admiraal der Moscovische Compagnie zouden opwekken. De
concurrentie werd dus voor deze vereeniging gevaarlijk; bovendien had de
rijke vangst, in 1612 door een Biskaaisch schip op Spitsbergen
verkregen, nu ook talrijke schepen van die bekwame walvischvaarders
daarheen gelokt.

    [160] De Histoire de Spitsberghe noemt den bevelhebber voortdurend
    „Mossel.” Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld,
    die in het volgende jaar als schipper op de Nachtegael naar
    Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk was hij hier stuurman.

    [161] Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij: hierna p. 74
    Noot 2{[163]}.

De Engelsche compagnie was van al deze toebereidselen in tijds
verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan het
vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk genoeg om
tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar werden zeven schepen
door de Moscovische Compagnie uitgerust en steunende op een koninklijk
patent onder het groote zegel van Engeland, werden de vreemde schepen
alle aangevallen. Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in
dienst der Engelschen gehouden. De Nederlanders ontvingen van dien
aanval ruimschoots hun deel: slechts een der Zaandamsche schepen ontkwam
zonder schade[162]. Zoo was de oorlog door de Moscovische Compagnie aan
hare mededingers verklaard. Men had nu in Nederland slechts de keus
tusschen het opgeven van den handel en het nemen van krachtige
maatregelen. Tot het laatste werd dadelijk besloten.

    [162] Verg. over de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1613 (waarover
    later meer): Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613,
    bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716-20.--Edge, Dutch, Spanish,
    Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes III p. 466.--Hist. du
    pays de Spitsberghe. p. 11, 12, 20-26--Request der Amst. reeders aan
    de Stn.-Gen. bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

De reeders zelven zagen in, dat men eenig moest zijn om krachtig te
kunnen optreden; de beide Amsterdamsche compagniën voor de
walvischvangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie[163] en den
27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal gelezen een
request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys en zes andere kooplieden
»met haere Compaignons, als nu te samen vereenicht in eene
Compagnie.”[164] De requestranten verzochten daarbij van de
Staten-Generaal »Consent ende Octroy omme voor den tydt van thien
eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen van Nova Sembla tot Fretum
Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beeren-eylant, Groenlandt
ende de andere Eylanden die onder de voorszeide limiten souden mogen
gevonden worden.” Zij steunden hun verzoek op het feit, »dat sy
Supplianten de aldereerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de
Noort aengevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van
eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden
gheweest.” Zij meenden dus volgens de begrippen dier tijden recht te
hebben om als de eersten, die den handel hadden gedreven, alle andere
Nederlanders daarvan uit te sluiten. Toch waren zij er niet eer toe
gekomen om de bekrachtiging van dit recht door de Staten-Generaal te
vragen, voordat zij door eene harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen
waren: »Ende alsoo zij supplianten bij experientie beuonden hebben,” dus
gaat het request voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de
voorszeide vaerte, poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te
maecken vande voorszeide Landen, twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed:
int lange hebben verthoont[165], waervan de questie alsnoch is
ongedecideert, sien zij geene apparentie omme alleene ofte int
particulier opte voorszeide landen te connen vaeren, door het gewelt
vande voorszeide Engelschen, waerdoor de couragie lichtelick benomen
soude werden vanden Coopluyden in ’t particulier te ondersoecken eenige
nieuwe Landen.” Alleen de zucht der Engelschen om monopolie te
verkrijgen had hen genoodzaakt, zelven tot een dergelijk middel om den
handel te vestigen de toevlucht te nemen[166]; immers »het soude buyten
reden wesen, dat ’t geene sy Supplianten op hare groote excessive kosten
gevonden hadden, ende ’t geene sy als noch verhoopten te vinden, by
andere de profijten ende vruchten daer van getrocken souden werden, ’t
welck sy Supplianten vastelick vertrouwden haere Ho: Mo: meyninge oock
niet te zijn.” Toch verklaarden de requestranten zich »tevreden, dat
alle Persoonen onder haer Ho: Mo: gebiedt inde voorszeide Compagnie
vande eerste aenstaende Equipagie binnen een Maent souden aengenomen
werden, ende voor de naevolgende Jaren binnen drie eerst-komende
Maenden, door dien sy Supplianten binnen den tijdt van ses Weecken in
Zee souden moeten wesen met haere Schepen.” Geen monopolie, alleen
samenwerking was het dus, wat de oprichters der compagnie beoogden[167].

    [163] De Zaandamsche reederij ging later ook in de Noordsche
    Compagnie op. De Staten-Generaal maakten bij het verleenen van het
    octrooi aan die vereeniging het uitdrukkelijke beding, „dat die twee
    Scepen van Serdam, die twee Jaren aldaer (d. i. op de IJszee) hebben
    gevaren, jnde Compaignie souden werden aengenomen, Oft dat de
    Compaignie dese Scepen souden coopen, ende die eygenaers
    recompenseren voor hare gedane costen tot redelycke pryse, ten
    seggen van luyden hen des verstaende, Ofte anders ten seggen van
    hare Ho. Mo.” (R. S.-G. 27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige
    deelneming der Zaandammers aan de inschrijvingen ten gevolge, dat de
    laatste weg ingeslagen werd.

    [164] De mededeeling van Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 207) over
    pogingen om reeds vóor en in 1611 octrooi voor de walvischvangst van
    de Staten-Generaal te krijgen schijnt ontleend aan: Le Long, Kooph.
    van Amst. II p. 159-61, die echter niet dit zegt, maar alleen dat in
    1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter walvischvangst plaats
    had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche bron, die 1611 voor
    1612 schrijft.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal
    gemaakt, wordt door de R. S.-G. weêrsproken, die vóor 1614 van
    verzoeken om octrooi zwijgen.

    [165] Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter
    walvischvangst, afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

    [166] De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt
    alleszins het gevoelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in
    Ned. p. 175, 76), dat alleen de vrees, dat de Nederlandsche
    walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de Engelschen zou
    kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor
    monopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de
    Staten van Zeeland, dat het octrooi verleend werd „~ter oorsaecke
    van~” de gewelddadigheden der Engelschen en de aanmatiging van
    uitsluitende rechten door hunnen koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt.
    1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court bij: Van Rees l. c. p.
    179 Noot 1.--De N. C. zelve verhaalde in 1624 de geschiedenis van
    het verleenen van het octrooi aldus: „In het jaer 1614 den ijver
    ende genegentheijt totte neringe van Walvischvanght, bij velen
    ingesetenen deser landen noch meer als oijt te vooren ontsteken
    sijnde, uijt de Rapporten ende advertentien dijemen vercreeg, vande
    gene dije het jaer te vooren ter selver neringe wtgeweest waeren,
    ende datmen verstondt wat effecten de Engelschen daervan waren
    genietende, soo hebben verscheijden persoonen geraden geuonden de
    neringe te hervatten ~ende omme haer te meer te verseeckeren jegens
    alle hostiliteijten soo van de Engelschen~ als anderen natien,”
    (zinspeling op de Denen, die echter onjuist is, daar dezen zich
    eerst in 1615 op Spitsbergen vertoonden) „dije haer daerjnne souden
    willen troubleren, van Uwe Ho: Mo: te versoucken een generael
    Octroij, onder beneficie van twelcke, sekere Compagnien in dese
    landen mochten werden gedresseert, dije met meerder orde ende
    eenicheijt als wel te vooren de voorszeide neringe aenvangen
    mochten; ende nae dat tselve Octroij by Uwe Ho: Mo: was vergunt ende
    daeronder alles in redelijcke goede ordre gebracht, . . . soo js
    daermede met meerder verseeckerheijt de Neringe . . . aen
    Spitsbergen gecontinueert.” (Corte Deductie ende Remonstrantie der
    N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [167] Een afschrift van dit request is door mij gevonden op het
    R.-A. in de verzameling getiteld: Noordsche togten. 1596-1634. (4.
    Loop. N. C. 1616-1634.) Het is mij daaruit gebleken, dat de griffier
    Aerssen, die in dit afschrift eigenhandig hier en daar veranderingen
    en aanvullingen maakte en het verleende octrooi achteraan stelde,
    het geheele request nagenoeg onveranderd als considerans in het
    octrooi opgenomen heeft. Alleen de door mij hierboven afgedrukte
    zinsneden over de Engelschen zijn om redenen van staat eenvoudig
    geschrapt, waardoor de gedachtengang in het octrooi trouwens
    onverstaanbaar wordt.

De beslissing der Staten-Generaal kon niet twijfelachtig zijn. Daar
reeds eenmaal na lange beraadslaging door het verleenen van octrooi aan
de Oost-Indische Compagnie[168] van het oud-Nederlandsche systeem van
vrijen handel was afgeweken, kon nu ook aan de in geheel dezelfde
omstandigheden verkeerende Nederlandsche reeders op de IJszee een
gelijke gunst niet geweigerd worden: ook daar dreigde te groote
concurrentie bij aanvallen van buitenlandsche vijanden den ontluikenden
handel eerlang den doodsteek te zullen geven. Dadelijk besloten dan ook
de Staten-Generaal het verzoek der Amsterdammers toe te staan en den
supplianten voor het loopende en de twee volgende jaren het octrooi te
verleenen. Als waarborg tegen een monopolie stelde de Staten echter
uitdrukkelijk de voorwaarde, »dat die geene die dit Jaer inde Compagnie
sullen begeren te komen ’t selve sullen moeten doen, ende haer daer op
verklaren binnen ses Weecken naer affixie van Billieten, ende binnen
vier Maenden die geene die daer inne sullen begeeren ontfangen te werden
voor de voorszeide twee naevolgende Jaren. Welverstaende dat die geene
die respective inde Compagnie sullen komen niet alleen en sullen
profijteren van haer Gelt naer advenant dat sy gheadventueert sullen
hebben, maer oock van alsulcke voordere voordeelen alsser sullen mogen
geraecken te vallen binnen den voorszeiden tijt, soo wel het bewint
vande voorszeide Compagnie ende Equipagie aengaende, als anders.” Op
deze voorwaarde »interdiceerden ende verboden de Staten alle ende een
yegelijck vande Inghesetenen van dese Landen, van wat conditie ofte
qualiteyt die zijn, anders als die vande voorszeide Compagnie
Supplianten, binnen dit loopende ende twee daer na volgende Jaeren, uyt
dese Vereenichde Nederlanden te handelen ende visschen op de Kusten ende
Landen van Nova Sembla, tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen
Spitsbergen, Beren-Eylant, Groenlant, ende die andere Landen die onder
de voorszeide Landen gevonden souden mogen werden, op de verbeurte van
hare Schepen ende Goederen.” Zij »ontboden daer omme ende bevalen wel
expresselick allen Gouverneurs, Justicieren, Officieren, Magistraten
ende Inwoonders der voorszeide Vereenichde Landen, dat sy de voorszeide
Compagnie Supplianten rustelijck ende vredelijck souden laten genieten
ende gebruycken ’t volkomen effect van desen Octroye ende consent,
cesserende alle contradictien ende empeschementen ter contrarien, want
Haere Ho: Mo: ’t selve ten dienste vanden Lande bevonden hadden alsoo te
behooren”[169].

    [168] Zie over de motieven, die tot de oprichting der Oost-Indische
    Compagnie leidden: Van Rees, Staathuishoudk. in Nederland. II p.
    9-22.

    [169] R. S.-G. 26, 27 Jan. 1614.--Gr. Placaet-boeck. I p.
    669-72.--Het octrooi is ook afgedrukt bij: Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 208, 9, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95, 6.

Zoo was de vereeniging gegrondvest, die onder den naam van de »Noordsche
compagnie”[170] bijna dertig jaren lang zoo goed als alleen de vlag der
Nederlanders in de barre poolstreken zou voeren. Het waren natuurlijk
meestal personen van meer dan gewone energie en bekwaamheid, die den
eersten stoot aan den nieuwen handel gaven. Onder de eerste
bewindhebbers vinden wij vooraan gedurende lange jaren het hoofd der
Amsterdamsche compagnie, die het eerst de walvischvangst ter hand
genomen had, Lambert Van Tweenhuysen, een naam ook onder de eerste
reeders op Nieuw-Nederland met eere bekend.[171] Naast hem traden op
zijne medebewindhebbers van de Amsterdamsche compagnie, Jacques Niquet
en Jacques Mercys en een vierde lid Gilles Dodeur[172].
Hoogstwaarschijnlijk was het de tweede Amsterdamsche compagnie, die als
bewindhebber Ysbrandt Dobbesz. zond, een der reeders, die in 1613 door
de Engelschen benadeeld waren[173], en naast hem Leonard Rans[174], die
spoedig uit de rij der bewindhebbers verdween. Delft, de stad, die na
Amsterdam steeds de meeste aandeelen in de Noordsche Compagnie had,
benoemde tot bewindhebber Antonie Monier, »Contrerolleur van de
Artillerije”, die aanstonds den goeden weg insloeg door zelf in den
zomer van 1614 als commissaris-generaal het commando over de
Nederlandsche walvischvaarders op zich te nemen[175]; naast hem werden
door Delft afgevaardigd Nicasius Kyen, »Commijs van de Vivres”, en Dirck
Adriaensz. Leversteyn, twee mannen, die later door de oprichting der
kleine Noordsche Compagnie toonden, dat geld en goed hun liever was dan
een onbesproken naam, maar die tevens bewezen, dat zij geene inspanning
van hunne groote talenten wilden ontzien om dat geld en goed te
verkrijgen[176]. Dit waren de eerste bewindhebbers der Noordsche
Compagnie[177], maar ook andere personen van naam vinden wij onder de
vroegste Nederlandsche walvischvaarders. Daar was vooreerst Samuel
Godin, evenals Tweenhuysen een der eerste reeders op Nieuw-Nederland en
later patroon van een der koloniën aldaar[178]; ook Symon, de zoon van
den Amsterdamschen schout Van der Does, die zich reeds in 1613 op het
schip van Bonner naar Spitsbergen waagde[179], en in 1625 bewindhebber
der Noordsche Compagnie was[180]; eindelijk Claes Jacobsz. Harencarspel,
evenals Godin reeds in 1617 als bewindhebber genoemd[181].

    [170] Zie over de verschillende namen der compagnie: Muller, Mare
    Clausum. p. 128 Noot 1.--De gewone naam was: Noordsche Compagnie.
    Het is zonderling, dat tegen het einde van het octrooi (1642) deze
    naam meer en meer plaats maakt voor dien van Groenlandsche
    Compagnie, terwijl het toch juist toen meer en meer zeker begon te
    worden, zoo het niet reeds uitgemaakt was, dat Spitsbergen evenmin
    als Jan Mayen-eiland iets met Groenland te maken had. In de eerste
    jaren van haar bestaan werd de N. C. veelal als „Compaignie van
    Spitsbergen” onderscheiden van de kleine N. C., die alleen bij Jan
    Mayen-eiland de visscherij oefenen mocht.

    [171] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.--O’Callaghan, Hist. of
    New-Netherland. I p. 74.

    [172] Verklaring van Rijp dd. 3 Dec. 1613, in: Noordsche togten, 1.
    R.-A.--Resol. Admir. Amst. 20 Apr. 1613.

    [173] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.

    [174] Aitzema (Saken van Staet. II p. 356) noemt dezen L. Jansz. Dat
    dit onjuist is, blijkt uit het gelijktijdige afschrift van het
    request der reeders in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--Waarschijnlijk was hij lid der familie Ranst, een naam ook
    later in de geschiedenis der walvischvangst herhaaldelijk genoemd.

    [175] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Instr. der Stn.-Gen.
    voor Quast dd. 29 Apr. 1614, in het Register der „Instructien der
    Hooch Mogende Heeren Staten-Generael der Vereenichde Nederlanden,
    beginnende metten Iaere 1611 ende eijndigende met 1623.” R.-A.

    [176] Zie hierna Hfdst. IX.

    [177] Gr. Placaetboeck. I p. 669.

    [178] O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 121, 125, 411, 479.

    [179] Detectio freti. ed. 1613. F. 2 en p. 3.--Later was hij ook
    directeur der Compagnie van Nieuw-Nederland. (O’Callaghan,
    New-Netherland. I p. 411.)

    [180] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

    [181] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19
    Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Ook
    Harencarspel was een der voornaamste reeders op Nieuw-Nederland.
    (O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. I p. 94.)

Reeds uit de lijst der bewindhebbers blijkt, dat de »affixie van
billieten,” door de Staten-Generaal bedongen, dadelijk groote gevolgen
had gehad: vele nieuwe leden hadden zich op verscheidene plaatsen
aangemeld en daar de regeering uitdrukkelijk bepaald had, dat hun eene
plaats in het bestuur der compagnie zou ingeruimd worden, werd nu de
oprichting van verschillende kamers noodzakelijk. Aanvankelijk werden
deze, met uitsluiting der Zaanlanders, die toch onder de eerste
walvischvangers behoord hadden, gevestigd te Amsterdam, te Delft, te
Rotterdam, te Hoorn en te Enkhuizen. Reeds in 1617 werd echter de
oprichting van nieuwe kamers noodig door de opneming van twee
Vlissingsche compagniën, aan wier hoofd leden van de bekende Zeeuwsche
handelshuizen Lampsius en De Moor stonden[182]. Ook nu weder werd aan
alle Zeeuwen de gelegenheid geopend hun geld in de walvischvangst te
beleggen, en het resultaat dier oproeping was de samenstelling van drie
nieuwe kamers der Noordsche Compagnie te Middelburg, Vlissingen en
Veere. Pieter Courten, een aanzienlijk Middelburgsch koopman, was de
meest in het oog vallende persoon der nieuwe bewindhebbers. De
vereeniging der Noordsche Compagnie met de zoogenaamde kleine Noordsche
Compagnie in 1622 leidde tot de oprichting van eene tweede kamer te
Delft. Deze kamer splitste zich weldra in twee deelen[183], en terwijl
de aandeelen van het grootste, 3/4 deel weldra verdeeld werden tusschen
de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen[184], verlieten de
reeders van het overblijvende 1/4 deel, de woelige Pieter Van de Graeff,
de ondernemende Adriaen Dircksz. Leversteyn en Reyer Van der Burch
weldra de Noordsche Compagnie. Hun rustelooze aard dreef hen naar nieuwe
bedrijven en hunne aandeelen werden opgekocht door Willem Pedij,
bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Delft[185] en door
den Enkhuizenschen bewindhebber Jacob Meyn[186]. Eene laatste
verandering onderging de inrichting der Noordsche Compagnie in 1636,
toen zij zich vereenigde met eene Friesche compagnie, door den ervaren
walvischvaarder Wybe Jansz. van Stavoren, naar het schijnt grootendeels
met Harlingsche kapitalen, opgericht. Het getal kamers werd nu op nieuw
met twee vermeerderd, die zich te Harlingen en te Stavoren vestigden. De
Zaanlanders deden in 1640 eene poging om op nieuw deel aan de
walvischvangst te krijgen[187], maar eerst na den val der Noordsche
Compagnie gelukte hun dit voor goed. Van dien tijd dagteekent eerst de
verbazende bloei der Nederlandsche walvischvangst, die zich sedert
voornamelijk aan de boorden der Zaan vestigde[188].

    [182] De namen der eerste Zeeuwsche reeders zijn: Jan Lampsius, Jan
    Gyseling, Adriaen Adriaensz. Ketelaer, Cornelis Claesz. Cees, Adam
    Cornelisz. en Jan De Moor; Arnoud Loncke, Johan Van Dort, Gelein
    Pietersz., Adriaen Stevensz., Jan Willemsz., Jan Thysz., Jacob Been,
    allen van Vlissingen. (Sent. v. de H.R. in zake de N. C. c. Lampsius
    c. s. dd. 13 Apr. 1617,--in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli
    1620.--Getuigenis v. Jan Verelle, Cornelis De Cock en Pierre
    Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [183] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.

    [184] Juist deze vier kamers werden in 1624 tot vereffening der
    geschillen met de Engelschen van 1618 opgeroepen. (R. S.-G. 21 Mrt.
    1625.) Daar ook de kleine N. C. daarbij geïnteresseerd schijnt
    geweest te zijn (R. S.-G. 5 Jan. 1621), is het niet onmogelijk, dat
    de liquidatie dezer vereeniging met de Engelsche quaestie in verband
    gestaan heeft. Het verband is mij echter volkomen duister.

    [185] Ik geef dit laatste voor eene gissing. Uit het opschrift van
    het proces-verbaal van 1 Dec. 1631 (Bijl. D v. h. request der N. C.
    aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
    C. R.-A.) zou men kunnen opmaken, dat de zelfstandige positie van
    Pedij en Meyn ontstaan was door de overname van een deel der
    aandeelen van de kamer van Delft.

    [186] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 361) noemt dezen „Meim.” Het
    verslag der conferentiën met de N. C. van den Hrl. gedeput. (R.-A.)
    geeft beide lezingen. Ik kies de lezing „Meyn” omdat Zorgdrager
    (Groenl. vissch. p. 315, 318) drie personen van den naam „Meyn”
    onder de directeurs en commandeurs der walvischvangst noemt.

    [187] R. S.-G. 3 Apr. 1640.

    [188] Tegenw. Staat. I p. 610.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p.
    231.--Die van Jisp waren volgens de overlevering de eerste
    zeevisschers. De Zaandammers zonden in 1644 drie schepen; de eerste
    Rijper walvischvaarder zeilde in 1645 uit. (Dooregeest, Ryper
    zee-postil. p. 352, 53.) Het belang der Zaansche walvischvangst
    blijkt wel uit het feit, dat in 1695 van de directeurs der
    walvischvangst 3 waren uit Amsterdam, 1 uit Rotterdam en 1 uit
    Hoorn, terwijl Zaandam, Jisp, Zaandijk en De Rijp elk 1 directeur
    zonden. (Dooregeest, l. c. p. 360.) In 1728 was die verhouding nog
    onveranderd, alleen zond Amsterdam toen 2 in plaats van 3
    directeurs. (Zorgdrager, Groenl. vissch. Opdragt.)

De bepaling van het aandeel, dat elke kamer aan de jaarlijksche vangst
der Noordsche Compagnie hebben zou, was aanvankelijk zeer eenvoudig:
Amsterdam kreeg de helft, terwijl de wederhelft in vier gelijke parten
tusschen de overblijvende kamers van Delft, Rotterdam, Hoorn en
Enkhuizen verdeeld werd[189]. Maar de herhaalde veranderingen maakten de
verhouding weldra zeer ingewikkeld. Toen aan Zeeland 1/4 aandeel in de
Noordsche Compagnie werd ingeruimd (waarvan Middelburg en Vlissingen elk
(15-1/2)/40, Veere 9/40 kreeg[190]) bleef de verdeeling der
overschietende 3/4 deelen onder de Hollandsche kamers nog evenals
vroeger[191], maar de vereeniging met de kleine Noordsche Compagnie
baarde meer moeielijkheden. Voor het jaar 1622 werd door de
Staten-Generaal eene voorloopige regeling vastgesteld, waarbij aan de
Hollandsche kamers 10.000 quarteelen traan in de vangst, die voor dit
jaar tot 21.000 quarteelen beperkt moest blijven, werden toegestaan; de
Zeeuwsche kamers moesten zich dit jaar met 5000, de kleine Noordsche
Compagnie met 6000 quarteelen tevreden houden[192]. Op het einde van het
jaar 1622 sloten de partijen echter eene overeenkomst, waarbij ieders
aandeel definitief werd vastgesteld[193]. Dat van Zeeland bleef op 1/4
bepaald; de Hollandsche kamers stonden aan de kleine Noordsche Compagnie
waarschijnlijk slechts 1/3 van de geheele vangst af[194]. Daar dit 1/3
deel in vier gelijke parten verdeeld werd, waarvan 1/4 weder in drie
onderdeelen was versnipperd, is het niet te verwonderen, dat de reeders,
die elk eene afzonderlijke uitrusting deden en dan ook reeds met de
schikking van 4 Februari 1622 niet tevreden geweest waren[195], den moed
weldra opgaven. Twee der drie onverdeelde 1/4 parten werden door de
Vlissingsche kamer overgenomen; het derde werd tusschen Delft, Hoorn en
Enkhuizen verdeeld[196]. Pedij, die 7/8 van het in drie deelen
gesplitste 1/4 bekwam, vereenigde zich later met de kamer te Veere[197],
Meyn, die het overschietende 1/8 kocht, met die te Enkhuizen[198]. De
onderlinge verhouding der kamers werd later, o. a. door de overeenkomst
van 3 November 1630 nog gewijzigd[199], zoodat in Februari 1636 de
verhouding der kamers was als volgt:

                                                             quarteelen
                                                               traan.
  Amsterdam 9/32                                               4500
  Delft 5/32 met 7/15 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft)  2733-1/3
  Pedij 7/8 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft)             437-1/2
  Meyn 1/8 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft)               62-1/2
  Rotterdam 2/32                                               1000
  Hoorn, 2/32 met 1/3 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft)  1166-2/3
  Enkhuizen, 2/32 met 1/5 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van
  Delft)                                                       1100
  Middelburg (15-1/2)/40 van 8/32                              1550
  Vlissingen (15-1/2)/40 van 8/32 met 2/32 (van de 2^{e} kamer
  van Delft)                                                   2550
  Veere 9/40 van 8/32                                           900
                                                             ----------
                                                              16000[200]

    [189] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [190] Verslag der conferentie v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
    Hrl. gedeput. R.-A.

    [191] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [192] R. S.-G. 4 Febr. 1622.

    [193] Gr. Placaetb. I p 675.--R. S.-G. 20 Dec. 1622.--Sent. v. de H.
    R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

    [194] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.

    [195] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.

    [196] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.

    [197] Sent. v. d. H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [198] Aenwysinghe der kamers N. C. v. Rott. Hoorn en Enkh., jcto.
    Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.

    [199] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Bij die overeenkomst, waarin de geheele vangst op 17500
    quarteelen begroot was, werden aan Delft toegedeeld 3009-1/2
    quarteelen, aan Hoorn 1317, Enkhuizen 1314, Veere en Pedij te zamen
    2/3 van 2967 d. i. 1978 quarteelen.

    [200] Naar het verslag der confer. van 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A. (gecorrigeerd naar een in denzelfden
    bundel aanwezig duplikaat.)--Pedij en Meyn worden daar gezegd hunne
    aandeelen te houden van de „1^{e} kamer Delft” (evenals in het
    opschrift van het proces-verbaal van 1 Dec. 1631, Bijl. D v. h.
    request der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop.
    N. C. R.-A.); ik veranderde het overeenkomstig p. 80 Noot 2{[185]}.

De opneming der Friezen, die 1/9 aandeel in de Noordsche Compagnie
kregen, wijzigde deze verhouding niet: alle kamers droegen naar mate van
hare krachten tot het den Friezen uit te keeren gedeelte der vangst
bij[201]. De verdeeling tusschen de beide Friesche kamers onderling is
onbekend, maar het is zeker dat de Harlingsche kamer die te Stavoren in
belang verre overtrof.

    [201] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.
    II p. 360.

De kennis van de krachten der verschillende kamers is daarom van belang,
omdat men hier onder den schijn alsof het deelen van een geheel waren,
werkelijk met bijna geheel zelfstandige lichamen te doen heeft, die dan
ook meermalen terecht compagnieën genoemd worden[202]. De verschillende
kamers der Noordsche Compagnie hadden hare eigene bewindhebbers, die
voor hun leven benoemd werden en wier getal bij ontstentenis van een
hunner uit een dubbeltal, door de overige bewindhebbers uit de
hoofdparticipanten (aandeelhouders voor minstens ƒ 2000) genomineerd,
werd aangevuld door de electie van den magistraat der stad, waar de
kamer gevestigd was[203]. Iedere kamer had een afzonderlijk
kapitaal[204] en bezorgde dus natuurlijk hare eigene uitrustingen[205].
Het gevolg was, dat ieder hare eigene schepen bezat[206], hare eigene
scheepsbevelhebbers aanstelde[207], hare afzonderlijke loge had op het
strand der plaatsen, waar de walvischvangst gedreven werd[208],
afzonderlijke sloepen voor de walvischvangst[209], afzonderlijke vaten
om de vangst te bergen[210]. De schade, door zeeroof of rampen aan een
van deze zaken geleden, bleef dan ook voor rekening der kamer, aan wie
zij behoorden[211]. In het doen van ontdekkingsreizen was elke kamer
geheel vrij[212].

    [202] R. S.-G. 9 Apr. 1625.--Req. der Zeeuwsche kamers N. C. aan de
    Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit.
    R.-A.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [203] De Zeeuwsche kamers schijnen iets meer democratisch ingericht
    te zijn geweest dan de overige; ten minste herhaaldelijk worden de
    participanten zelven als handelende personen genoemd, waar bij de
    Hollandsche kamers steeds de bewindhebbers als vertegenwoordigers
    optreden. (R. S.-G. 3 Mrt., 28 Mei 1622.--Req. der Zeeuwsche kamers
    N. C. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit.
    R.-A.--Req. der N. C. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3
    Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--N. Z. 17 Mrt. 1622.)

    [204] R. S.-G; 4 Nov. 1622, 14 Apr. 1623, 21 Mrt. 1625.

    [205] Miss. der gedeput. v. Zeel. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct.
    1616, in: Arch. Zeel.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c.
    Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

    [206] Req. der N. C. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche
    togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

    [207] Raven, Journael vande Voyagie naer Groenlandt. p. 5.--Aitzema,
    Saken v. Staet. I p. 1175.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn
    c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

    [208] Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 12.

    [209] Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 16, 42.

    [210] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [211] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [212] R. S.-G. 28 Oct. 1617, 25 Mrt., 16 Dec. 1625.

De vrijheid, zoodoende aan ieder op zijn eigen gebied gelaten, kon niet
anders dan weldadig werken, maar zij streed ook uit haren aard met het
wezen der Noordsche Compagnie als geoctrooieerde vereeniging. De
uitsluiting van alle concurrentie, het streven naar centralisatie, dat
de compagnie met alle dergelijke lichamen gemeen had, moest reeds eene
regeling doen afkeuren, die zooveel zelfstandigheid aan de leden der
compagnie verzekerde. En dan had toch ook het versnipperen van de
finantiëele krachten der vereeniging bij de groote risico, die de
walvischvangst steeds opleverde, hare bedenkelijke zijde. Er werden dan
ook herhaaldelijk pogingen gedaan om eene andere regeling te verkrijgen.
Reeds in 1616 toonden eenige kamers zich geneigd, de walvischvangst »in
eene gemeene rekeninge” te brengen[213], maar het plan stuitte
waarschijnlijk af op den onwil van Amsterdam, dat begreep, zoodoende het
overwicht, dat het in de compagnie bezat, te zullen verliezen. In 1623
was er op nieuw sprake van, dat eene generale compagnie »onder een
gemeene borsse” zou opgericht worden[214], maar ook ditmaal schijnt er
niets van gekomen te zijn. Enkele kamers onderling poogden toen de
nadeelen, aan de regeling verbonden, door afzonderlijke overeenkomsten
uit den weg te ruimen. Zoo sloten Hoorn en Enkhuizen, de »camers van het
Noorderquartier”, 11 Maart 1632 een contract, waarbij zij o. a. besloten
de uitrustingen voortaan gezamenlijk te bekostigen[215], en ook tusschen
Delft en Rotterdam, de »camers van de Maze”, schijnt eene nauwe
vereeniging bestaan te hebben[216]. Aan het bezwaar, dat de groote
risico aanbood, kwam men mede zooveel mogelijk te gemoet. Reeds in 1617
bij de vereeniging met de Zeeuwen kwam men overeen de schade, door
vreemde natiën aan de schepen der Noordsche Compagnie toegebracht,
gezamenlijk naar evenredigheid van ieders uitrusting te dragen[217], en
bij het bovenvermelde contract van die van het Noorderkwartier werd
bepaald, dat ook de schade door zeerampen aan de schepen van een der
partijen veroorzaakt, door elk der kamers voor de helft zou bekostigd
worden[218].

    [213] Miss. v. de Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19
    Oct. 1616, in: Archief Zeeland.

    [214] R. S.-G. 14 Apr. 1623.

    [215] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [216] Voornamelijk tusschen de Rotterdamsche kamer en de kleine N.
    C. Van de vele kleine aanwijzingen noem ik alleen deze: Pieter
    Ewoutsz. Van der Horst was tegelijkertijd bewindhebber der kleine N.
    C. te Delft (R. S.-G. 3 Dec. 1620) en van de kamer der N. C. te
    Rotterdam. (Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten.
    4. Loop. N. C. R.-A.--Req. der N. C. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche
    togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--cf. ook: R. S.-G. 21
    Apr. 1618, 19 Nov. 1620.)

    [217] R. S.-G. 9 Nov. 1617.--Req. der Vliss. reeders dd. 26 Sept.
    1617, en: Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de
    N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.

    [218] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

Maar dergelijke maatregelen alleen zouden niet voldoende geweest zijn.
Het was te voorzien, dat tusschen zulke zelfstandige lichamen, die toch
door een gemeenschappelijken band vereenigd waren, gedurig twist zou
ontstaan en de uitkomst bewees het gegronde dier vrees. De Noordsche
Compagnie was dan ook volstrekt niet, wat de Engelschen eene »regulated
company” noemen, eene instelling hier te lande trouwens vreemd.
Integendeel, reeds de oprichters hadden gezorgd voor een krachtig
centraal gezag, dat berusten zou bij de algemeene vergadering. De
inrichting dier vergadering was hoogst eenvoudig en op de leest der
toenmalige regeeringscolleges geschoeid. Op de beschrijving der
presideerende kamer[219] kwamen de bewindhebbers der verschillende
kamers of eenigen van hen daartoe afgevaardigd[220], gewoonlijk driemaal
’s jaars te zamen: in het begin van Maart en van Juli en op het einde
van October[221]. Het praesidium ging bij beurten rond[222], zoo dat
gedurende drie jaren eene der Hollandsche kamers, het vierde jaar eene
Zeeuwsche als voorzittende optrad[223]. De plaats der vergadering
wisselde op dezelfde wijze af[224]. Men stemde natuurlijk kamersgewijze.
Waarschijnlijk had aanvankelijk Amsterdam vier stemmen, terwijl elk der
overige kamers zich met éene stem moest tevreden stellen; maar later
veranderde de verhouding geheel. Toen Zeeland tot de compagnie toetrad,
werd er bepaald, dat van de vijf stemmen gedurende drie jaren de
Hollanders vier, de Zeeuwen éene zouden hebben; terwijl het vierde jaar
Holland drie, Zeeland twee stemmen mocht uitbrengen[225]. De verdeeling
dier stemmen onder de verschillende kamers kan men alleen gissen:
waarschijnlijk stemden Delft en Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen,
Middelburg en Veere met elkander. De opneming der Friezen bracht eene
wijziging in de verhouding: van de negen uit te brengen stemmen werden
aan Holland zes, aan Zeeland twee, aan de Friezen slechts éene
toegekend[226].

    [219] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten 4. Loop.
    N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 360.--Ook buitengewone vergaderingen kwamen op
    beschrijving der presideerende kamer bijeen. (R. S.-G. 30 Sept.
    1636.)

    [220] Aitzema, Saken v. Staet. II. p. 360.

    [221] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.--Reeds in 1614 worden
    echter vergaderingen vermeld op 17 April, 21 Juni en 21 October
    („Debath” van Kyen en Leversteyn, in: Noordsche togten. I. R.-A.),
    later van 15, 17 en 25 Maart, 29 Juli, 25 November en 4 December.

    [222] R. S.-G. 23 Apr. 1633.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [223] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop
    N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 360.

    [224] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

    [225] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

    [226] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.
    II p. 360.

Aan deze vergadering waren de belangen der Noordsche Compagnie
toevertrouwd: over de belangrijkste punten werd daar beraadslaagd. In
het algemeen bestond de hoofdwerkzaamheid, aan de vergadering
opgedragen, in het regelen der jaarlijksche uitrustingen: men besliste
hoevele schepen de financiën der compagnie toelieten uit te zenden[227],
en bepaalde het getal, dat iedere kamer volgens hare quote daarvan zou
mogen uitrusten. Om de nering op te houden en ze niet door te groote
concurrentie te benadeelen, oordeelde men het noodig, dat geene kamer
schepen uitrusten mocht zonder of tegen het besluit der
vergadering[228]. De gezamenlijke kamers bepaalden verder het getal der
sloepen, die den walvisch zouden vervolgen; zij beraadslaagden over het
huren der harpoeniers[229], stelden de instructie voor de commandeurs
der schepen op[230], besloten waar iedere kamer de vangst zou
oefenen[231] en beraamden middelen tot afwering van de vijanden der
compagnie door het sluiten van admiraalschap of de wapening der
schepen[232]. Zulke contracten of reglementen over de uitrusting, die
strekken moesten »omme alle Confuijsie te weren ende tot defensie jegens
’t gewelt vande Vreemde Natien”[233], werden aanvankelijk jaarlijks
gesloten[234], maar later voor verscheidene jaren tegelijk
opgemaakt[235]. In haren walvischvangst zelven waren de kamers
vrij[236], maar evenals iedere kamer naar evenredigheid van hare quote
moest bijdragen tot alle uitgaven van de generale compagnie[237], zoo
werd ook aan ieder van haar, hoeveel ze ook zelve gevangen mocht hebben,
slechts een met hare quote evenredig deel van de geheele jaarlijksche
vangst toegeleid. In den verkoop van dit deel waren de kamers ook weder
gebonden aan de besluiten der algemeene vergadering. Jaarlijks werd er
namelijk door haar bepaald, hoeveel de traan dit jaar gelden zou, en den
kamers was het streng verboden, beneden de som, alzoo tot het op prijs
houden der goederen bepaald, te verkoopen[238].

    [227] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema,
    Saken v. Staet. II. p. 360.

    [228] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.
    II p. 360.

    [229] Reeds in 1617 was er sprake van, een definitief reglement te
    maken op het huren der „Basques.” (Contr. der N. C. met de Zeeuwen,
    in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.)

    [230] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [231] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [232] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema,
    Saken v. Staet. II p. 360.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C.
    dd. 18 Sept. 1624, in Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent.
    v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--N. Z.
    26 Jan. 1617.

    [233] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [234] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst., dd.
    31 Mrt. 1635. (ov. het contr. v. 2 Mrt. 1618.)--R. S.-G. 1, 7 Dec.
    1617, 20 Febr. 1622.--N. Z. 13 Apr. 1617.

    [235] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637. (contr. v. 3 Nov. 1630 over de jaren 1631-34.)

    [236] Miss. v. de regeering v. Delft aan de Gecommitt. Raden v.
    Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [237] Req. der Zeeuwsche kamers N. C. dd. 22 Aug. 1624, in:
    Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--Contr. der N. C. met de
    Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Contr. der N.
    C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet II p. 360.

    [238] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh.
    dd. 4 Apr. 1637.

De algemeene vergadering had de zekerheid, dat hare besluiten zouden
worden uitgevoerd: niet alleen verbond de beslissing van de meerderheid
der tegenwoordige leden ook de afwezige[239], maar er waren boeten op de
overtreding der besluiten gesteld. Het bedrag dier boeten was in het
algemeen bepaald op het dubbele der schade, door de overtreding aan de
compagnie toegebracht; de goederen der kamers waren voor de voldoening
verbonden[240]. Werd het nemen van een besluit door de veelvuldige
oneenigheden der kamers en leden onderling[241] verhinderd, dan werd de
beslissing, aanvankelijk aan de Staten-Generaal voorbehouden[242],
gewoonlijk overgelaten aan de neutrale kamers of leden; zoo allen in het
geschil betrokken waren, beslisten drie onpartijdige kooplieden als
arbiters[243].

    [239] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop
    N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 360.

    [240] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.
    II p. 361.

    [241] De Amsterdamsche kamer klaagde in 1636, dat 8 kamers waren „te
    veell om te verhandelen soo cleijnen werck als daer is den
    Walvisvangst. In welcker vergaderinge dickwils maer te veel
    swaricheijden voorvallen om alle de verstanden ende sinnen in een te
    brenghen.” (Repartitie v. de Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in:
    Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

    [242] R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I p. 673, 74.

    [243] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 361.

       *       *       *       *       *

Wij hebben nu de inrichting der Noordsche Compagnie in al hare
bizonderheden leeren kennen; wij zullen haar later handelend zien
optreden. Hier is het de plaats om den indruk weder te geven, die het
optreden der vereeniging op ons gemaakt heeft. Wij willen nagaan, in
hoeverre uit de handelingen der vereeniging, uit de stukken van haar
uitgegaan, de beginselen blijken, waardoor de bewindhebbers zich lieten
leiden. Genoeg reeds bleek uit het eenvoudig verhaal van de inrichting
der compagnie om te zeggen, dat haar hoofdbeginsel was de uitsluiting
der vrijheid. Zij paste dit beginsel zoowel naar buiten als naar binnen
toe, tegenover hare mededingers en tegenover zich zelve.

De bedoeling der Staten-Generaal met het verleenen van een uitsluitend
octrooi aan de Noordsche Compagnie was aanvankelijk alleen geweest, de
Nederlandsche walvischvangst door vereeniging van alle krachten in staat
te stellen om zich tegenover hare mededingers staande te houden[244]. De
hoofdreden van haar bestaan was dus het streven tot handhaving van het
recht der Nederlanders om zich naast de Engelschen op Spitsbergen te
vestigen, en de compagnie begon dan ook natuurlijk met in haar vaan de
vrijzinnige leuze »mare liberum” te schrijven[245]. Daar echter, zoolang
de walvischvangst onder het land, niet in de volle zee gedreven werd,
volgens de bedoeling van den beroemden verdediger dier leuze zelven een
beroep daarop hier niets afdeed, werd reeds dadelijk daarnaast op de
ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders gewezen. Misschien werd dit
feit aanvankelijk alleen vermeld om indruk te maken op de Engelschen,
die hunne uitsluitende rechten op de voorgewende ontdekking van het
eiland door hunnen landgenoot Willoughby grondden. Zoodra het echter
gebleken was, dat de Engelschen wel niet overtuigd waren, maar toch door
de overmacht der Nederlanders voortaan wel gedwongen zouden worden hen
op Spitsbergen toe te laten, begon de Noordsche Compagnie een anderen
toon aan te slaan. Had zij reeds kort na hare oprichting op grond harer
ontdekking van Jan Mayen-eiland de Duinkerkers van dat eiland trachten
te weren, op het voorbeeld der Engelschen begon zij zich nu ook op de
ontdekking van Spitsbergen te beroepen en zich op hare beurt
uitsluitende rechten aan te matigen[246]. De vrijheid der zee geraakte
meer en meer op den achtergrond. Weldra heette niet alleen de
Mauritius-baai[247], maar zelfs geheel Spitsbergen[248] eene
Nederlandsche bezitting. Men achtte eerlang den ondergang der compagnie
nabij, zoo vreemden op gelijken voet naast haar in de door Nederlanders
bezochte baaien werden toegelaten[249]; zelfs het uitsluitend octrooi
werd als argument gebruikt om ~vreemden~ uit de walvischvangst te
weren[250].

    [244] Groot Placaetb. I p. 675.

    [245] R. S.-G. 26 Aug. 1613.--Antw. der Stn.-Gen. aan de Eng.
    ambass. dd. 16 Apr. 1615, bij: Muller, Mare Clausum. p. 364, 65.

    [246] Zie o. a. „Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p.
    370.

    [247] Zie o. a. de gewisselde stukken tusschen Duynkercker, Ys en
    Vrolicq in 1632 en 1633, in: L. F. 1633, en in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.

    [248] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. en v. de N. C. c. Vrolicq,
    dd. 11 Mrt., 8 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [249] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [250] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618),
    in: Noordsche togten. 2. Admiralit. R.-A.--Protest der N. C. dd. 1
    Dec. 1631, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Stn.
    gewisseld tuss. Ys en Vrolicq in 1633, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--R. H. 3 Mei 1633.

Dat het der compagnie niet gelukte, om alleen tegenover vele vreemde
natiën een systeem van uitsluiting vol te houden, dat de Engelschen ook
tegenover Nederland alleen hadden moeten opgeven, spreekt wel van zelf.
Maar daarom liet zij haar streven niet varen: voortdurend poogde zij ten
minste de gevolgen van de vreemde concurrentie zooveel mogelijk af te
wenden. Jaren achtereen poogde zij de Staten te bewegen, den invoer van
traan en balein uit het buitenland te verbieden of ten minste zoo hoog
te belasten »datse hier nijet souden connen marcten.” Op deze wijze
hoopte de compagnie de handen ten minste in Nederland zelf vrij te
houden; werd de maatregel genomen, dan kon zij zonder vrees voor
concurrentie de prijzen van hare goederen voortdurend opdrijven en ze
toch spoedig verkoopen. Reeds in 1617 drong de Noordsche Compagnie bij
de Staten-Generaal op zulk een verbod aan; het werd toen aanbevolen als
retorsiemaatregel tegen de handelingen van vreemde vorsten, die getoond
hadden dergelijke uitsluitende beginselen te zijn toegedaan. De uit
Rusland ingevoerde traan wilde de Noordsche Compagnie vrijlaten om den
handel op dat land niet te benadeelen, maar alle overige traan wenschte
zij belast te zien met ƒ 8 per okshoofd[251], de baarden met ƒ 6 de
100 pond. De admiraliteiten van het Noorderkwartier, van de Maas en van
Zeeland, wier oordeel gevraagd werd, adviseerden gunstig, maar de zaak
stuitte af op den lijdelijken tegenstand van die van Amsterdam[252].
Nieuwe pogingen, door de Noordsche Compagnie in 1636 aangewend om het
monopolie van invoer van alle »walvistraenen” (de »moscovitse, robben-
en berger leuer-traen” werden ditmaal uitgezonderd) te verkrijgen,
stuitten weder af op den onwil van Holland[253]. Toen het dus op deze
wijze niet gelukte de concurrentie te vermijden, trachtte men in overleg
met de mededingers zelve een dergelijk resultaat te verkrijgen. Van
Cracauw, de Nederlandsche resident in Denemarken, deed in November 1638
»op het Belieuen ende approbatie” der Noordsche Compagnie aan Christiaan
IV voorstellen, die ten doel hadden, dat de wederzijdsche
walvischvaarders elkaar in vangst noch verkoop zouden hinderen. Om het
eerste doel te bereiken, zonden beide natiën op afzonderlijke plaatsen
met een vooruit bepaald getal schepen visschen; in den verkoop zou men
vrij zijn door de aanwijzing van bepaalde rijken, die aan ieder als
débouchés voor hare goederen geheel overgelaten zouden worden[254]. De
koning was met die voorslagen zeer ingenomen, maar de zaak bleef slepen
en toen Z. M. er op terugkwam, was de Noordsche Compagnie op het punt
van ontbonden te worden en onder de groote concurrentie reeds bijna
bezweken. Het plan bleef dus onuitgevoerd[255].

    [251] 1 okshoofd = 1/4 quarteel. (Zeeuwsche schaderekening van 1617,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [252] R. S.-G. 31 Aug., 21, 22, 28 Sept. 1617, 12, 22 Jan., 15 Mrt.
    1618.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees:
    1618), in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

    [253] Versl. der confer. met de N. C. v. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
    Hrl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.--R. S.-G. 2
    Nov. 1638.

    [254] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L.
    D. 1638.

    [255] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L.
    D. 1639.--Verbael der conferentie te Staden en Glückstadt van 1641,
    ad 10/20 Juli, 4/14 Sept. R.-A.

Maar ook tegen binnenlandsche concurrentie moest de Noordsche Compagnie
voortdurend waken. Zij was nu eenmaal van oordeel, dat »de Visscherye
van Walvisschen ende andere Zeemonsteren sonder Octroy hier te Lande
niet konde werden gheconserveert nochte behouden, maer by vreemde Natien
ondergeslagen, ongetwijffelt in andere Landen soude worden
ghediverteert.”[256] De Staten-Generaal deelden die meening geheel; zij
oordeelden samenwerking tegen de vreemde natiën noodig en zij legden er
zich steeds op toe, om alle Nederlandsche walvischvaarders onder éen
octrooi te vereenigen. De klachten der Noordsche Compagnie over
zijdelingsche inbreuken, op haar octrooi gemaakt door Nederlanders, die
zich onder vreemden vlag op Spitsbergen vertoonden, werden dan ook
aanstonds door een plakkaat gevolgd, dat alle dergelijke knoeierijen ten
strengste verbood (11 Maart 1633)[257],--een plakkaat, dat trouwens zoo
slecht gehandhaafd werd, dat de Noordsche Compagnie reeds in 1636 en
1638 op vernieuwing moest aandringen[258], terwijl »de Heeren
Bewinthebberen” zelven zich toch konden beroemen, dat zij »altijt hart
hadden geweest teegen de Interloopers.”[259] Maar verder wenschte de
regeering niet te gaan: hoezeer de compagnie ook aandrong, men zag
volstrekt niet in, waarom de voordeelen van het octrooi uitsluitend tot
de eerste aandeelhouders beperkt moesten worden. Bij het verleenen der
beide eerste octrooien--die van 1614 en 1617--hadden de Staten dan ook
de bepaling gemaakt, dat alle Nederlanders, die zich binnen eenen
bepaalden tijd aanmeldden, door de Noordsche Compagnie moesten
toegelaten worden tot alle voordeelen, die de eerste participanten
genoten, het recht op eene bewindhebbersplaats in eene der kamers niet
uitgesloten[260]. Maar al werd deze bepaling--zoo aanstootelijk voor de
Noordsche Compagnie, die in haren geldnood liever hare uitrustingen
besnoeide dan dat zij vreemden in zich opnam[261],--op haar verzoek[262]
in de volgende octrooien van 1622 en 1633 niet meer gehandhaafd[263], de
aandrang van buiten hield niet op. Steunende op hun recht eischten eerst
de Zeeuwen, later de Friezen[264] toelating tot de compagnie; zij moest
toegeven en haren vijanden het recht op afzonderlijke kamers en
bewindhebbers inruimen[265]. Bevreesd als de geoctrooieerde vereeniging
echter voor concurrentie was, trachtte zij van de mededingers na hunne
opneming dadelijk bondgenooten te maken[266], en zoodra de regeering ook
aan den aandrang der kleine Noordsche Compagnie had toegegeven en haar
recht erkend om naast hare oudere zuster op Jan Mayen-eiland te
visschen, sloot deze dan ook dadelijk een contract met de gevaarlijke
tegenpartij, waarbij men overeenkwam om samen te visschen en den
opbrengst der vangst te verdeelen[267],--een contract, dat de Noordsche
Compagnie niet belette, zich bij de eerste gelegenheid tegen de verdere
toelating harer bondgenooten met hand en tand te verzetten[268].

    [256] Gr. Placaetboeck. I p. 679 cf. p. 675.

    [257] Zie het plakkaat in: Gr. Placaetb. I p. 680, 81.--cf. R. S.-G.
    7, 11 Mrt. 1633.--R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.--De
    N. C. zelve had reeds in 1617 haren bewindhebbers op verbeurte van
    hun aandeel, de betrekking van bewindhebber en eene boete van ƒ
    1000 verboden, aandeelen in buitenlandsche compagniën voor de
    walvischvangst te hebben. (Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Deze maatregel werd in 1636 tot alle
    aandeelhouders uitgestrekt. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema,
    Saken van Staet. II p. 360.)

    [258] Versl. der confer. met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d.
    Hrl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.--R. S.-G. 2
    Nov. 1638.--Dat de klachten der compagnie niet ongegrond waren,
    schijnt zeker. (Aitzema, Saken van Staet. II p. 442.--Miss. v. de
    Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 26 Juni 1637, in: L. D. 1637.--De
    Stn.-Gen. gaven in den laatsten brief als reden van de slechte
    handhaving van het plakkaat hunne vriendschap (?) voor Denemarken
    op.)

    [259] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L.
    D. 1639.

    [260] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 96.--Gr. Placaetb. I p. 670,
    73.

    [261] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19
    Oct. 1616, in: Archief Zeeland.

    [262] N. Z. 22 Febr. 1622.

    [263] Gr. Placaetb. I p. 676, 80.

    [264] Het maakt een goeden indruk, dat de Friezen zich beter
    voorstanders der vrijheid betoonden dan de N. C. Zij wenschten vrije
    vaart op Spitsbergen (R. S.-G. 13 Nov. 1632.--Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 412), zij wilden nieuwe participanten toelaten
    (Aitzema, l. c. II p. 413), zij wilden andere Nederlanders niet van
    de visscherij uitsluiten. (Aitzema, l. c. II p. 413.) Ik moet echter
    bekennen, dat ook de N. C., ~toen zij nog niet de overhand had
    behouden~, vrijzinnige beginselen voorstond, en dat in het contract
    der Friezen met de compagnie niets van vrijzinnigheid blijkt. De
    Friezen waren echter in geene positie om de wet te stellen en zijn
    dus misschien door de machtige N. C. overstemd.

    [265] Dien van Utrecht gelukte de toeleg echter niet. (R. S.-G. 22
    Dec. 1622.)

    [266] In 1636 kwam de N. C. eerst met de Hollandsche steden, die
    deel aan het octrooi wilden hebben, overeen, gezamenlijk de Friezen
    te weren (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
    Hrl. gedeput. R.-A.), en toen de conditiën der Hollanders
    onaannemelijk bleken, sloot zij weinige maanden later een contract
    met de Friezen om de Hollanders te weren. (Contr. met de Friezen dd.
    25 Juli 1636, art. 5-7, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.)
    Geheel op gelijke wijze schijnt de N. C. reeds in het najaar van
    1621 met de kleine N. C. en de Zeeuwsche walvischvaarders gehandeld
    te hebben. (Zie hierna Hoofdst. IX.)

    [267] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.

    [268] Zie hierna Hfdst. IX.

Er bleef echter in het octrooi zelve der Noordsche Compagnie eene
leemte: de Staten-Generaal hadden alleen de visscherij ~aan de kusten en
landen~ in het noorden verboden, de zee was vrijgebleven. Tegen de
binnenlandsche concurrentie, die ook hiervan eerlang gebruik maakte, was
de Noordsche Compagnie machteloos. Wel verbood zij haren commandeurs ten
strengste, door het oefenen der zeevisscherij de aandacht op de
mogelijkheid daarvan te vestigen[269], maar toch, de concurrentie nam
toe. De Noordsche Compagnie verzocht toen de Staten-Generaal dringend
alle »byvangst” van Nederlanders te weren (1636)[270], maar het baatte
niet: de regeering hield het voor overbodig, nu de Nederlanders door de
vreemden tot de walvischvangst toegelaten waren, de Noordsche Compagnie
ten nadeele van alle andere ingezetenen der Vereenigde Provinciën te
blijven beschermen.

    [269] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352.

    [270] Versl. der conferentiën met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v.
    d. Hrl. gedeput. R.-A.

Niet alleen de mededinging van buiten af werd door de Noordsche
Compagnie geschuwd: zij achtte ook de wrijving, die door de werking der
verschillende kamers natuurlijk ontstond, verkeerd en trachtte angstig
allen schijn van concurrentie zelfs te vermijden. Een plakkaat, door de
Staten-Generaal in 1614 uitgevaardigd, dat als premie voor nieuwe
ontdekkingen ook in de IJszee den handel op de nieuw ontdekte plaatsen
aan de ontdekkers bij uitsluiting van alle anderen gunde, dreigde steeds
mededingers te voorschijn te roepen, ja het optreden der kleine
Noordsche Compagnie was alleen daaraan te wijten geweest. De Noordsche
Compagnie bepaalde daarom, dat al hare leden of kamers--van dezen toch
ging de meeste concurrentie uit,--zoo zij nieuwe landen in het noorden
ontdekten, die voortaan »op eere, trouwe ende vromicheyt” aan de
generale compagnie zouden moeten opgeven, opdat ze ten gemeenen bate
zouden kunnen geëxploiteerd worden[271]. Nog meer: de Amsterdammers
verklaarden eenmaal, dat het getal der kamers reeds te groot was om de
walvischvangst behoorlijk te drijven[272]; de andere kamers, rilden op
het denkbeeld, dat de band, die ze omsloot, losser gemaakt zou kunnen
worden, en had de heerschzucht van Amsterdam, die zelfstandigheid
wenschelijk maakte, het niet belet, men zou tot de vereeniging van alle
kapitalen »onder een gemeene borsse” overgegaan zijn[273]. Zoover kwam
het wel niet, maar toch maakte men het onmogelijk, dat zelfs een begin
van concurrentie zich openbaarde. Zich beroepende op de bedoeling der
Staten-Generaal, die de Noordsche Compagnie opgericht hadden om »meerder
ordre ende eenicheyt” in de walvischvangst te brengen[274], had de
vereeniging er zich dadelijk op toegelegd, om alles zooveel doenlijk te
reglementeeren. Men hield het voor onmogelijk zonder »een behoorlyck
ende voorsichtich reglement” de walvischvangst anders dan met »confusie
ende disordren” te oefenen; ja men vreesde, dat de geheele nering dan
»teenemael infructueux” zou worden[275]. Deze reglementen betroffen
voornamelijk twee nauwsamenhangende zaken: de sterkte der uitrustingen
en de prijs der traan. De Noordsche Compagnie had met de beide andere
geoctrooieerde Nederlandsche compagniën der zeventiende eeuw het
beginsel gemeen, dat het beter was weinig te vangen en duur te verkoopen
dan veel af te leveren tegen goedkoope prijzen. Het was dit beginsel,
door de compagnie streng doorgedreven, dat haar noodzaakte alles te
reglementeeren. Zij erkende volmondig, dat het haar streven was zoo
weinig schepen in zee te zenden als met behoud van winst mogelijk was,
»omme de negotie in goede reputatie te houden”;[276] zij meende, dat bij
groote uitrustingen de prijs van de traan zou dalen en de compagnie
»sich sou consumeeren[277].” Wilde men dit voorkomen, dan behoorde de
concurrentie ook tusschen de kamers onderling uitgesloten te worden; men
begreep, dat sommigen het voordeeliger zouden oordeelen hunne goederen
spoedig te verkoopen, al was het tegen iets lagere prijzen dan de
anderen, dan om de dure waar misschien maandenlang in de pakhuizen te
behouden. Daarvoor moest gewaakt worden: de compagnie besloot,
jaarlijks met gemeen overleg naar gelang der omstandigheden de prijs van
de traan vast te stellen en de kamers onder eede te doen beloven, de
haar toebedeelde quarteelen niet onder die bepaalde prijs aan de markt
te brengen[278]. Om ontduiking te voorkomen verbood men tevens het
verkoopen van traan in de IJszee zelve en het direct invoeren daarvan in
vreemde landen[279]: vóor alles moest de waar in Nederland opgelegd en
de prijs bepaald worden.

    [271] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--In 1636, toen het doen van ontdekkingsreizen geheel
    opgehouden had, werd aan den ontdekker gedurende 5 jaar de
    afzonderlijke exploitatie gegund; eerst daarna zou de ontdekking ten
    bate der N. C. komen. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 360.)

    [272] Repartitie v. de Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [273] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct.
    1616, in: Arch. Zeel.

    [274] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [275] R. S.-G. 4 Febr. 1622.--N. Z. 17 Mrt. 1622.--Sent. v. de H. R.
    in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Req. der N. C. aan
    de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.

    [276] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618),
    in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--Miss. der Zeeuwsche
    gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeeland.

    [277] N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss. der Stn. v. Zeel. aan de gedeput.
    v. Zeel. dd. 17 Mrt. 1622. (Bijl. v. N. Z.)--cf. Miss. v. Van
    Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.

    [278] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Repartitie der Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [279] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
    360.

»Den welstandt der Compaignie,” zoo spraken de bewindhebbers nog in
1636, »kan eene uijtbreijdinge niett lijden, maer moett gaen cleijn ende
op menage, want hett ghewis is, hoe grootter equipage hoe meerder
schade, want equipeert men sterck, ende vanght men weijnich, soo valt
maer schade, vanght men veel mett grootte equipage, soo valt den vangst
costelycken, ende wortt den prijs door de veelheijtt mede onder den
voett gesmeten. Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen
kan. Om proffijt te doen, soo moetmen mett menage equiperen ende vangen
naer aduenant gheconsumeertt kan worden, ende mett de minste kosten sien
hett meeste te vanghen, ende int beneficeren vanden traen soo moetten de
leden den anderen verstaen[280].” Dit systeem was volgens de Noordsche
Compagnie het ideaal van een verstandig beleid: tot haar einde toe
volhardde zij daarbij. Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine
Noordsche Compagnie, dat zij de markt voor hare goederen bedierf[281],
en nog twintig jaren later, toen eenige Hollandsche steden deel aan het
octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, dat de
nieuwe leden »soo eenen anderen cours wertt ghesett” dan de tot nu toe
gevolgde, niet alleen »haer lieden te spade daer ouer souden beclaghen,”
maar dat de geheele compagnie eerlang »sou comen in een volcomen
verderff ende ruine.”[282]

    [280] Repartitie der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [281] „Cort advertissement” v. Kyen c. s. (dd. 29 Febr. 1616), in:
    Noordsche togten. 1 R.-A.--Kyen c. s. boden dan ook aan, het getal
    hunner schepen te beperken en de prijs hunner traan niet lager dan
    van die der N. C. te stellen, maar de N. C., die hoopte de kleinere
    vereeniging geheel te zullen kunnen weren, weigerde. („Cort
    advertissement.” l. c.)

    [282] Repart. der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v.
    d. Hrl. gedeput. R.-A.

Wij hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht om de vrijheid
van vaart en visscherij te helpen bevorderen, weldra ontaardde in een
lichaam, dat alle gebreken van eene geoctrooieerde maatschappij in hooge
mate in zich vereenigde. Ongetwijfeld lag het in den aard van het
monopolie, dat deze richting zich allengs openbaarde, en het is den
bewindhebbers te vergeven, dat zij, gesteund door participanten,
die--minder lastig dan de aandeelhouders der Oost-Indische
Compagnie--reeds tevreden waren, wanneer de uitdeelingen goed uitvielen
en zich verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet
bemoeiden[283], dien weg meer en meer bewandelden. Waren echter de
Staten-Generaal, beroemd om hunne voor dien tijd verlichte inzichten,
geneigd om zich door eene betrekkelijk kleine compagnie als de Noordsche
meer en meer te laten medeslepen op den weg van bescherming en
monopolie, ook toen de noodzakelijkheid daartoe weldra was opgehouden?
Waren zij, die het toezicht over de handelingen der door hen geschapene
compagnie oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen? Laat
ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noordsche
Compagnie in haar egoistisch streven steunde.

    [283] Wassenaar, Hist. verh. VIII fol. 96.--Geen pamphlet is mij
    bekend, dat klaagde over de handelwijze van de bewindhebbers der N.
    C., die toch ook de voor de O.-I. C. zoo kritieke jaren 1622-24 mede
    doorleefden.

In de eerste plaats komt natuurlijk bij het bespreken der hulp, van
staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt, het octrooi zelf in
aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt, dat de Staten-Generaal slechts
daarom eenheid onder de Nederlandsche walvischvaarders wilden, omdat zij
het onmogelijk achtten op andere wijze den Engelschen ontzag in te
boezemen, en dat zij het octrooi eerst verleenden, toen de Engelschen
zelven door gewelddadig optreden het sein daartoe gegeven hadden. Het
komt mij dan ook voor, dat de veroordeeling, door De la Court--en na hem
door bijna alle schrijvers--over het beleid der Staten-Generaal in deze
zaak uitgesproken, onverdiend is. De beroemde vijand van alle
bescherming verklaart, dat de oprichting der Noordsche Compagnie
»quaalik gedaan was,” omdat de walvischvangst na de opheffing van het
octrooi sterk is toegenomen; »dog met het opregten der Geoctroyeerde
Compagnien op Oost- en West-indien,” dus vervolgt hij, »was het een
geheele andere saak: want het ~een noodsakelik quaad~ heeft schijnen te
weesen, om datmen wilde handelen in ende omtrent soodaanige Landen, daar
onse vyanden voor particulieren te sterk souden sijn geweest; sulks in
alle manieren schijnd dienstig geweest te zijn, dien handel door een
kragtig gewaapende hand te fondeeren; en dat vermits dit Land met den
oorloge teegen den Koninge van Spanjen worstelende, alle sijne kragten
noodig had, het seer voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde
Compagnien op te regten[284].” Uit het door De la Court zelven later
aangevoerde[285] blijkt voldoende, dat men bij de oprichting der
Noordsche Compagnie ~volkomen in hetzelfde geval was~ als bij de Oost-
en West-Indische Compagniën[286], en had men ook bij deze vereenigingen
eene proef met de opheffing genomen, de uitkomst zou ongetwijfeld
evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het in 1642 met
de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden van De la Court zelven
over de Oost- en West-Indische Compagniën bevatten dus de beste
rechtvaardiging van het beleid der Staten-Generaal met betrekking tot de
Noordsche.

    [284] Aanwysing der heils. polit. Gronden. p. 84, 85.

    [285] Aanwysing. p. 188, 191.

    [286] Vgl. p. 75 Noot 3{[166]}.

Den inhoud van het octrooi deelde ik reeds boven mede. Het was den 27
Januari 1614 voor drie jaren verleend[287] en werd den 1 April 1615 voor
nog een jaar verlengd[288]: met het jaar 1618 zou dus de visscherij
weder openvallen. Maar reeds 24 Januari 1617 was het octrooi der
Noordsche Compagnie, nu vereenigd met die van Zeeland, op nieuw
verlengd, ditmaal voor vier jaren[289]: de eenige merkwaardige bepaling
was, dat de regeering--gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche
Compagnie met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen--zich de beslissing
in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield[290]. Met het
jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de Noordsche Compagnie
drong op vernieuwing aan[291]. Maar onderwijl was er onder de
Nederlandsche walvischvaarders een twist ontstaan, die zelfs door
bemiddeling der Staten-Generaal niet bijgelegd kon worden. En daar
alleen samenwerking van allen tegen den gemeenschappelijken vijand het
doel der Staten met het verleenen van het octrooi der vereeniging
geweest was, scheen het werkelijk de vraag of het vernieuwd zou worden.
De Staten-Generaal, wien het onmogelijk was de twistenden te vereenigen,
namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen den 4
Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden en met eene
regeling, die ze ~dwong~ elkaar niet te hinderen, de walvischvangst
gezamenlijk te oefenen[292]. De regeering oordeelde het nog steeds
noodig, de Nederlandsche walvischvaarders als een vast aaneengesloten
macht tegenover de Engelschen te stellen, en spaarde daarom geene
pogingen om hen nog tot eenheid te brengen. De regeling van 1622 voldeed
geheel aan hare verwachting: den 20 December 1622 werd in de
statenvergadering een request voorgelezen van de drie Nederlandsche
compagniën voor de walvischvangst, die »nu tsamen vereenicht” waren. Zij
verzochten een nieuw octrooi, dat hun nu reeds twee dagen later voor
twaalf jaren verleend werd[293].

    [287] R. S.-G. 27 Jan., 27 Mrt. 1614.

    [288] R. S.-G. 4 Apr. 1614, 1 Apr. 1615.--Req. der N. C. aan de
    Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.

    [289] R. S.-G. 28 Dec. 1616, 21, 24 Jan. 1617.

    [290] Gr. Placaetb. I p. 673, 74.--R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Sent. v.
    de H. R. in zake de N. C. Noorderkw. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Van
    de bevoegdheid, die de regeering zich zelve dus toegekend had,
    maakte zij slechts hoogst zelden gebruik en altijd om de
    walvischvaarders tot eenheid te brengen. (cf. R. S.-G. 2 Sept. 1621,
    25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622, 24 Mrt., 14 Apr. 1623.)

    [291] R. S.-G. 24 Aug., 1, 2 Sept., 6 Oct. 1621, 8 Jan. 1622.--Req.
    der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 13 Sept. 1621, in: Noordsche togten.
    3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Req. der kl. N. C. aan de
    Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit.
    R.-A.

    [292] R. S.-G. 25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622.

    [293] R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.

Het schijnt mij zeer twijfelachtig, of de Staten-Generaal ditmaal niet
den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming, waar de
omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken maatregel
niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche aanvallen was
grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 1624 nog wel pogingen om
zijne uitsluitende pretensiën te handhaven, maar het had de macht niet
om zijnen wil door te zetten. Denemarken, dat eerst in 1623 met de
Nederlanders ernstig in conflict kwam, had nooit den ernstigen wil hen
van Spitsbergen te verdrijven. Toch liet zich misschien het nieuwe
octrooi als voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar
was het, dat de Staten tegelijkertijd een grooten stap op den weg der
bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde in vier
punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten nadeele der
vrijheid. Reeds in de voorgaande bladzijden merkten wij op, dat ditmaal
voor het eerst niet als vroeger aan nieuwe participanten gelegenheid
werd gegeven om tot de Noordsche Compagnie toe te treden: de bescherming
aan de vereeniging verleend ontaardde dus in eene bescherming van
bepaalde personen. En wat de zaak nog erger maakte was, dat de
voordeelen van het octrooi nu niet meer voor drie of vier jaren, maar
voor den langen tijd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund
werden, terwijl de straf op inbreuken van het octrooi--vroeger alleen
in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande--nu met eene boete
van ƒ 6000 voor elk schip verzwaard werd. Een laatste verschil
met de vroegere octrooien was, dat in 1622--waarschijnlijk om
»lorrendrayeriën” met kracht en zekerheid te weren--de bepaling gemaakt
werd, dat niet alleen handel en visscherij, maar zelfs de vaart op
Spitsbergen niet vrij meer zou zijn. Zelden kwam het zeker voor, dat een
Nederlandsch schip, dat zich niet op de visscherij wilde toeleggen, naar
het verafgelegene eiland kwam, maar de omstandigheid, dat het »havenen”
aan deze eenige rustplaats in de IJszee tot 1642 niet geoorloofd was,
kan toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het
noorden gewerkt hebben[294].

    [294] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237.--De walvischvangst. I
    p. 31.

Het monopoliestelsel won nu blijkbaar allengs in kracht: het octrooi,
dat eerst met het einde van 1634 vervallen zou, werd reeds 25 October
1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 1622 zonder eenige
moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren vernieuwd[295]. Eerst toen
dit octrooi met het einde van 1642 afgeloopen was, toen de Engelschen
sinds achttien jaren geene vijandelijkheden meer gepleegd hadden en ook
de Denen, al was het met leedwezen, in de vrije visscherij der
Nederlanders uitdrukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het
verkeerde van hunne handelwijze in[296]. De aandrang van ~alle~
landprovinciën, die aandeel aan het octrooi wilden hebben, en die dus de
moeielijkheid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het hare
daartoe bijgebracht hebben: hoe het zij, het octrooi werd in 1642 niet
meer vernieuwd[297].

    [295] R. S.-G. 18, 25 Oct. 1638.

    [296] Reeds in 1636 had de N. C. te vergeefs om verlenging van
    octrooi aangehouden. (Versl. der 1^{e} en 2^{e} confer. met de N.
    C., conc.-rapp. aan de Stn. v. Holl., in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.) In 1642 herhaalde zij dit verzoek nadrukkelijk.
    (Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. dd. 18 Jan. 1642, in: Stn. N.
    C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

    [297] Aanwysing. p. 191.--De octrooien zijn o. a. afgedrukt in: Gr.
    Placaetb. I p. 669, 671, 673, 677.--De eenjarige verlengingen van
    1615 en 1622 waren echter tot nog toe niet bekend; het schijnt
    niemand in het oog gevallen te zijn, dat de jaren zonder deze beide
    niet aansloten. (Zie o. a. Luzac, Holl. rijkdom. I p. 347.)

Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen voor een
behoorlijk geleide van de vloten der Noordsche Compagnie. Jaarlijks van
den aanvang af verzocht de compagnie van de Staten-Generaal eenige
oorlogschepen ter harer bescherming tegen Engelschen en andere vijanden;
jaarlijks werd het verzoek aanvankelijk toegestaan. En terecht:
hetzelfde motief, dat de regeering tot het verleenen van een octrooi
gedreven had, moest haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie
met konvooischepen, zoolang zij zelve niet in staat was in hare
verdediging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te danken,
dat de Engelschen de walvischvaarders in de drie eerste jaren na de
oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar toen begonnen
de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de Engelschen krachtigen
weerstand te bieden, de compagnie was opgericht, en zij vermaanden haar
dus om, nu betere tijden schenen te zijn aangebroken, zelve »wel ende
sterck te equiperen ende uyt te varen opte Visscherije, dat sy die soude
kunnen mainteneren jegens alle beletselen[298].” De aanval, door de
Engelschen dien zomer (1617) op drie Zeeuwsche schepen aan Spitsbergen
gedaan, de onaangenaamheden tusschen beide natiën in 1618 bewezen echter
voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op Spitsbergen
voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooischepen werden tot
1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 echter gaf de provincie
Holland, de jaarlijksche uitgaven voor de Noordsche Compagnie moede, den
verstandigen raad om, voordat men op nieuw tot het toestaan der
konvooischepen overging, te onderzoeken of het algemeen belang door de
walvischvangst voldoende gebaat werd om de gedurige uitgaven te
wettigen[299]. De raad werd opgevolgd en het onderzoek schijnt een voor
de Noordsche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben: althans
juist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi
geweigerd, hoewel er geruchten in omloop waren, die van zware
uitrustingen der Engelschen tegen de walvischvaarders spraken[300].
Sedert werd van het toestaan der konvooischepen door de Staten-Generaal
geen vaste regel meer gemaakt; slechts wanneer bizondere omstandigheden
het wenschelijk deden voorkomen, werd de walvischvloot door
oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen weldra voor goed van eene
aanvallende houding af; tegen de Denen kon de Noordsche Compagnie zich
zelve handhaven en konvooischepen werden dus meer en meer eene
zeldzaamheid. Toch vinden wij ze nog in 1639[301] en zelfs na den val
der compagnie in 1652 genoemd[302].

    [298] Gr. Placaetb. I p. 673.--R. S.-G. 24 Jan., 16 Mrt. 1617.

    [299] R. H. verg. v. 20 Apr.-8 Mei 1621. p. 79. (Resolutie „’t
    versoeck te difficulteren, tot dat men sien sal wat profijt het
    publijck van dien Handel is genietende, te meer, soo verstaen wordt,
    dat daer door gheruineert worden de oude Neeringen van Oly-slaen, en
    van de Handelaers met Zaet.”)

    [300] R. S.-G. 15 Mei 1621.

    [301] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

    [302] Gr. Placaetb. I p. 683, 84.--De statistiek der jaarlijksche
    konvooien is als volgt:

    1614 3 schepen. (R. S.-G. 4 Apr., 29 Sept. 1614.--Miss. der Stn.-
                    Gen. aan de Adm. v. de Maas, dd. 20 Aug. 1614, in:
                    Coll. Bisdom. 160. R.-A.--Resol. Adm. Amst. 24 Apr.,
                    2, 5 Mei 1614.)

    1615 3     „    (R. S.-G. 20 Nov. 1614, 1 Apr. 1615.--Req. der N. C.
                    dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
                    C. R.-A.)

    1616 5     „    (R. S.-G. 28 Apr., 11, 12, 23 Mei, 2 Juni 1616.--
                    Req. der N. C. dd. 29 Apr. 1616, in: Noordsche
                    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Instr. der Stn.-Gen.
                    voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)

    1617 1     „    (R. S.-G. 20 Apr., 13, 15 Mei 1617.)

    1618 2     „    (R. S.-G. 12, 30 Jan. 1618.--Sent. v. de H. R. in
                    zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst. dd. 31 Mrt.
                    1635.)

    1619 3     „    (R. S.-G. 23, 28 Mrt., 7, 15 Mei 1619.)

    1620 1     „    (R. S.-G. 23, 27 Mrt., 13 Apr. 1620.--Req. der N. C.
                    dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2. Admir.
                    R.-A.)

    1621 geene „    (R. S.-G. 28, 30 Apr., 15 Mei 1621.)

    1622 geene „    (R. S.-G. 17, 29 Apr. 1622.)

    1623 geene „        ------------------

    1624 geene „    (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.--Vgl. echter
                    hierna Hfdst. VI ad 1624.)

    1625  1    „    (R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.)

    1626  2    „    (R. S.-G. 26 Febr., 23 Mrt. 1626.)

    1627  2    „    (R. S.-G. 16 Mrt. 1627.)

    1628  2    „    (R. S.-G. 1, 3 Mrt. 1628.)

    1629 geene „    (R. S.-G. 11, 25 Apr., 2, 3, 16 Mei 1629.)

    1630 geene „        ------------------

    1631 geene „    (R. S.-G. 19 Apr. 1631.)

    1632}
    tot }geene „        ------------------
    1638}

    1639 1     „    (R. S.-G. 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.--Aitzema, Saken
                    v. Staet. II p. 629.)

    1640}
    tot }geene „        ------------------
    1642}

    De kleine N. C. verkreeg in 1618 en 1620 voor zich alleen nog eenig
    geschut ter leen. (R. S.-G. 17 Mrt., 21, 25 Apr. 1618.--4, 18, 28
    Apr., 1 Mei 1620)

Aan het hoofd van het konvooi werd door de Staten-Generaal steeds een
Commandeur-generaal geplaatst, die, bijgestaan door een raad uit de
andere kapiteins der konvooischepen (als Vice-Admiraal en
Schout-bij-Nacht) en zoo mogelijk ook uit de schippers van de schepen
der compagnie, over alle zaken van belang besliste. Alles wat op de
verdediging der schepen betrekking had, was uitsluitend aan dezen raad
overgelaten, en de afscheiding tusschen krijgs- en handelszaken was zoo
scherp, dat het aan de bemanning van het konvooi, die natuurlijk aan
Spitsbergen meestal zonder werk was, verboden was den walvischvaarders
in hun bedrijf de behulpzame hand te bieden anders dan tegen
betaling[303]. Ter vergoeding van de kosten, door de Staten-Generaal
voor het konvooi gemaakt, werd verder van de Noordsche Compagnie een
vast »lastgelt” geheven, dat bestond in (1-1/2)% inkomend recht van de
ingevoerde goederen[304]. Dat dit voor de regeering eene niet geheel te
verwerpen bron van inkomsten was, blijkt uit het feit, dat in 1632 voor
éen beladen walvischvaarder aan inkomend recht werd betaald ƒ 231--12
st. voor de traan, ƒ 189--12 st. voor de baarden[305].

    [303] R. S.-G. 29 Apr. 1615.--Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en
    Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

    [304] Miss. der Stn.-Gen. aan de Admiralit. v. de Maas dd. 20 Aug.
    1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.--Resol. Adm. Amst. 25 Aug.
    1614.--R. S.-G. 24 Oct. 1642.--De konvooigelden werden later,
    waarschijnlijk in 1622 (R. S.-G. 12 Juli 1622), tot 2% verhoogd (Gr.
    Placaetb. I p. 682.--Luzac, Holl. rijkd. I p. 348) en eerst in 1675
    afgeschaft. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 301.)

    [305] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr.
    1637.--„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Gr. Placaetb. I p. 679.

Wij zagen dus, dat het verleenen van octrooi en het toestaan van
konvooischepen--maatregelen van geheel gelijke strekking--volkomen
gerechtvaardigd waren door den drang der omstandigheden; wij hadden
echter tevens gelegenheid op te merken, dat de Staten-Generaal bij het
eerste middel, weinig lettende op de eischen van het oogenblik, te lang
voortgingen met hunne beschermende hand over de kooplieden uit te
strekken, eene fout, die zij bij het tweede middel gelukkig wisten te
vermijden. De hulp, voor het overige door de Staten-Generaal aan de
compagnie verstrekt, draagt evenals de reeds besprokene ~over het
geheel~ den stempel hunner vrijzinnige regeeringsbeginselen. Zij
verleenden aan de compagnie allen noodzakelijken steun, maar zij
handhaafden tevens vooral in den beginne ook tegenover de compagnie
zelve het beginsel van gelijke rechten voor alle natiën, dat tot de
oprichting eener geoctrooieerde vereeniging had geleid. Zoo bevalen zij
den bevelhebbers van het konvooi ten strengste, alle aanvallen van
vreemden op de schepen der compagnie te keer te gaan, maar om ook van
hunne zijde alle vreemde walvischvaarders tot de visscherij toe te
laten[306]; zoo weigerden zij standvastig de compagnie te volgen op den
weg der bescherming door den invoer van traan en baarden van
buitenslands te verbieden[307] en zoo werd ook de zeevisscherij van
Nederlandsche »byvaerders” nooit door hen geweerd[308]. Van den anderen
kant poogde de regeering de compagnie tegen inbreuken op haar octrooi
langs slinksche wegen te beschermen door het plakkaat van 11 Maart
1633[309]. Zij maakte dadelijk een einde aan den windhandel in traan en
baarden, die in de laatste jaren der compagnie een noodlottigen invloed
dreigde te hebben. Een mandement van prins Frederik Hendrik ontsloeg de
contractanten in zulke zaken van de levering, en hoewel men laag neerzag
op dengene, die zich, zooals men zeide, »met Prins Frederik Hendrik
behielp,” waren de nadeelige gevolgen van den windhandel door den
maatregel natuurlijk voorkomen[310]. Ook John Osborne, een Engelschman,
die door eene op aansporing van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie
gedane uitvinding veel bijgedragen had tot het rijzen van den prijs van
het balein, werd dadelijk door de Staten-Generaal met een octrooi voor
tien jaren begiftigd[311].

    [306] Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614,
    23 Mei 1616.

    [307] Zie hiervóor p. 89.

    [308] Zie hiervóor p. 92.

    [309] Zie hiervóor p. 90.--De „violateurs” van het octrooi der N. C.
    moesten op bevel der Stn.-Gen. door de konvooiers genomen en met
    schepen, vangst en gereedschappen in Nederland ingebracht worden om
    voor de admiraliteit terechtgesteld te worden. (Instr. der Stn.-Gen.
    voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)

    [310] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 300.--Tegenw. Staat. I p. 593.

    [311] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.--Zie meer hierna Hfdst.
    III.

Al deze handelingen, die mij toeschijnen den toets der kritiek
zegevierend te kunnen doorstaan, getuigen van het loffelijk streven der
Staten-Generaal, om de door hen in het leven geroepene compagnie zooveel
mogelijk te helpen en aan den anderen kant toch niet de eischen te
vergeten, die eene vrijzinnige staatkunde hun deed. Het was echter reeds
vooraf te vreezen, dat de regeering, dus geslingerd tusschen de begeerte
om eene uit haren aard uitsluitende vereeniging van onderdanen voort te
helpen en den wensch om liberaal te blijven ook tegenover vreemden, niet
altijd het rechte pad zou blijven bewandelen, maar dat zij dikwijls zou
afwijken. En werkelijk gebeurde het zoo! Het toezicht, door de Staten
aanvankelijk op de daden der compagnie gehouden, om haar te noodzaken de
beginselen van uitsluiting, die zij aankleefde, ten minste niet
tegenover vreemde natiën in praktijk te brengen[312], verflauwde
langzamerhand en hield weldra geheel op. En toen de Noordsche Compagnie
eenmaal de bezwaren van haren toestand te boven gekomen was en dus,
terwijl zij den steun der Staten-Generaal geheel missen kon, hun
toezicht en hunne waarschuwende stem meer dan ooit behoefde, gaf de
regeering door het verlengen van het octrooi juist het eerste blijk van
hare veranderde gezindheid. Maar het was niet het laatste! De
Staten-Generaal namen in de geschillen der Noordsche Compagnie met
Denemarken steeds, en soms ten onrechte, de partij hunner onderzaten, en
toen in 1632 en 1633 de Franschen door de schepen der compagnie uit de
Robbenbaai verdreven waren, namen de zoo vrijzinnig geprezene Staten
tegenover de klachten der verongelijkten eene houding aan, die
overtuigend bewees, dat ook zij zich soms door partijdigheid van het
rechte pad lieten brengen[313].

    [312] R. S.-G. 29 Apr. 1615, 16 Mrt. 1617, 4 Febr. 1622.--Instr. der
    Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

    [313] Zie over de houding der Stn.-Gen. tegenover de N. C. en hare
    mededingers meer aan het einde van Hfdst. VIII en IX.--Vgl. over de
    hulp, door de regeering na den val der N. C. aan de Nederlandsche
    walvischvaarders verleend: Tegenw. Staat. I p. 592, 93.--De
    walvischvangst. I p. 21-24, II p. 88.



HOOFDSTUK III.

DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.


Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, hoe de Noordsche Compagnie
ingericht was en welke beginselen zij aankleefde; wij zullen nu trachten
te schetsen, hoe die zonderling ingerichte vereeniging deze bekrompene
beginselen bij haar bedrijf in toepassing bracht. Het laat zich
vooruitzien, dat wij hier geen tafereel zullen kunnen ophangen van den
weldadigen invloed, van het leven en de drukte, van de verbeteringen en
bezuinigingen, die de vrije concurrentie aanbrengt; maar toch blijft het
schouwspel aantrekkelijk genoeg. Het is belangwekkend, die kooplieden,
die eenvoudige zeelieden der zeventiende eeuw zich te zien inspannen om
een nieuw bedrijf te grondvesten; het is een tooneel, dat onze
bewondering opwekt, te zien, hoe die onervaren mannen, van alle kanten
besprongen en met den ondergang bedreigd, weldra den palm der
overwinning wegdragen en al hunne mededingers in dat nog zoo kort
geleden hun onbekende bedrijf overtreffen,--hoe zij, de bewoners van een
spanne gronds, de barre en bijna ongekende kusten der IJszee met een
drukte en gewoel vervullen, die nog na verloop van eeuwen algemeene
belangstelling wekken.

Ten einde een duidelijk overzicht van de werking der Noordsche Compagnie
te verkrijgen, doen wij het best haar in haar bedrijf te volgen: zij
zelve wijst ons den weg, dien wij bij ons verhaal moeten gaan. Wij
vinden haar reeds dadelijk bezig met het gereedmaken der walvischvloot.
Zoodra de algemeene vergadering in het begin van Maart het getal schepen
bepaald had, dat dit jaar naar het noorden zou zeilen, zetten de kamers
zich ijverig aan het werk om de schepen, die elk volgens hare quote
leveren mocht[314], voor de reis uit te rusten. Het eerst kwam het er
op aan een geschikt schip te vinden. De dubbele bemanning, die men
steeds meevoeren moest, vooral de ruime vangst, maakte het wenschelijk
vrij groote schepen voor de walvischvangst te gebruiken. Maar in die
dagen, toen men het ijs nauwelijks zag, was het gevaar, waaraan de
vaartuigen blootstonden, daarentegen uiterst gering, en men koos dan ook
meestal oude schepen, die voor eene verre reis niet meer deugden[315].
Waren voor de zeevisscherij kleine schepen voldoende[316], kapitale
schepen van 2 tot 500 ton[317], met eene bemanning van 80 à 90 man[318]
werden voor de visscherij in de baaien, die voor de compagnie altijd
hoofdzaak bleef, gekozen[319].

    [314] Dat het ~aantal~ der schepen, door elke kamer uitgerust,
    daarom niet altijd geheel geëvenredigd was aan haar aandeel in de
    compagnie, blijkt o. a. uit het feit, dat de Amsterdamsche kamer,
    die de helft der aandeelen bezat, in 1614 slechts 4 van de 11
    schepen en jachten uitrustte. (Resol. Admir. Amst. 19 Apr. 1614.)
    Het komt mij daarom niet onwaarschijnlijk voor, dat slechts het
    aantal der ~sloepen~, die iedere kamer volgens hare quote in zee
    mocht brengen, door de algemeene vergadering bepaald werd. Daar die
    sloepen dikwijls in het noorden achterbleven, kon men met het zenden
    van weinige, zeer groote schepen, van veel volk en veel victualie
    voorzien, volstaan en de te groote vangst door naschepen laten
    afhalen.

    [315] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.--De walvischvangst. I p.
    32.--Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 181.

    [316] Raven, Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 5.

    [317] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467,
    68.--Br. v. Catcher aan Heley, dd. 29 Juni 1623, bij: Purchas, l. c.
    III p. 787.--Een schip van 500 last was eene groote uitzondering. (1
    last = 2 ton.)

    [318] Raven (Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 10) noemt een
    schip bemand met 86 man.

    [319] Raven, Iournael. p. 3.

Eenmaal in het bezit van een geschikt schip, had men zich bezig te
houden met de uitrusting, die zeer omslachtig was. De inrichting der
compagnie zal er het hare toe bijgedragen hebben om de uitgaven te
vermeerderen en om niet altijd dáar te doen besparen, waar het
wenschelijk en noodig scheen. Hoe dit zij, men klaagde over groote
kosten[320]. En geen wonder! Bij een groot schip behoorden toch niet
alleen 4 à 6 sloepen, ruim genoeg om behalve den harpoenier en zijne
gereedschappen eenen stuurman en vier roeiers te kunnen bevatten[321];
maar ook verschillende gereedschappen voor de walvischvangst, vaten of
quarteelen om de gemaakte traan te bergen, of ten minste duigen, waaruit
de kuiper ze timmeren kon, walvischlijnen van 200 vadem het stuk[322],
voorgangers (kleine lijnen, die aan den harpoen bevestigd waren),
harpoenen en lenzen om walvisschen en walrussen te vangen en te dooden
moest men jaarlijks medevoeren. Want al liet men jaarlijks veel in het
noorden achter voor het volgende jaar, steeds was er nieuw gereedschap
noodig[323]. Daarbij kwamen de kosten tot wapening der schepen. Wel
gingen er in de jaren, dat de strijd met buitenlanders het levendigst
was, meestal konvooischepen mede naar het noorden, maar men wilde toch
niet geheel onvoorbereid uitgaan. Reeds in 1614 voorzag de Noordsche
Compagnie hare schepen dan ook van geschut en ammunitie[324], en toen de
regeering de compagnie in 1617 had uitgenoodigd, zelve hare verdediging
krachtig te bevorderen[325], besloot men, dat elk schip ten minste 8
ijzeren gotelingen zou moeten voeren om zich te kunnen verdedigen tegen
mogelijke aanvallen[326]. Tot haren val toe volhardde de compagnie bij
dezen voorzorgsmaatregel[327], en toen de tijden verbeterden had zij
geene konvooischepen meer noodig om zich te handhaven[328].

    [320] Aanwysing v. gronden en maximen. p. 75.--Scoresby, Account, II
    p. 56.--Repartitie der Amst. bewindh. N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in:
    Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [321] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 251, 332, 333.--De
    walvischvangst. p. IV.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c.
    Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni
    1618,--van Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620,--van Fanne aan Heley
    dd. 24 Juni 1623, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 733, 735, 736.

    [322] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 13.--Scoresby (Account. II p.
    173) spreekt van 300 vadem, Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 335) over
    latere tijden sprekende van 125.

    [323] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 332, 33.--De walvischvangst. I.
    p. 35.--Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzb. and
    Greenl. p. 119, 20, 25.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd.
    18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zie over
    den inhoud van een walvischvaarder de Nederlandsche en Engelsche
    schaderekeningen van 1617 en 18, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
    C. R.-A., en: Lias loop. 1618. R.-A.--Om eenig denkbeeld te geven
    van de onkosten der reeders, ontleen ik daaraan de volgende, zeker
    nog al hoog getaxeerde cijfers. Een traanketel werd berekend op pd.
    vl. 66--14--4, een lijn op 1 pd. vl., 3 sloepen op 50 pd. vl., 1
    lans op 5 sh., de harpoenen, lenzen en messen van een schip te zamen
    op 25 pd. vl., 6 gotelingen op ƒ 900, 1 musket op £ 1--10, 100
    pond kruit op ƒ 45, 1 ton bier op £ 3, de victualie van de
    bemanning van een schip voor eene maand op 75 pd. vl., de gage van
    het scheepsvolk van een schip voor eene maand op pd. vl. 69--8--4,
    de bereidingskosten van 1 okshoofd spek tot traan in Nederland op
    ƒ 2.--Een beladen walvischvaarder werd in 1624 van een Duinkerker
    gerantsoeneerd voor ƒ 10,000 en ƒ 200 voor de zeilen.
    (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.)--Verder blijkt nog, dat men
    voor eene reis medenam 2600 vaten (Eng. schaderekening), dat men
    voor de vangst van 1317 quarteelen 6 sloepen noodig oordeelde, dat
    eene vangst van 657 quarteelen geen voldoende vergoeding gaf voor de
    kosten der uitrusting van een schip, dat de reeders voor het opnemen
    van geld (in 1632) betalen moesten 8% (Sent. v. de H. R. in zake de
    N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637) en dat de uitrusting hier te
    lande 40% duurder was dan in andere landen, waarschijnlijk omdat
    alle materiaal van buitenslands moest ingevoerd worden. (Req. v. de
    kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten.
    2. Admiraliteit. R.-A.)--Berghaus (Wat men van de aarde weet.
    II p. 337) spreekt ook van proviandschepen, die de vloten der
    N. C.     vergezelden. Daarvan is mij van elders niets
    gebleken.--Verschillende opgaven van kosten en opbrengst der
    walvischvangst vindt men nog verspreid in: Dictums v. de H. R. in
    zake de N. C. Hoorn c. Enkh, dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637, en in: Sent.
    v. de H. R. in zake als boven dd. 4 Apr. 1637.--Over de uitrusting
    van een schip in latere jaren en de onkosten der reeders vergelijke
    men: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 335-36, 39-42, 46, 70, 71,
    72.--De walvischvangst. I p. 34, 35, 89-116.--Martens l. c. p. 133,
    34.--Scoresby, Account. II p. 151 (volgens tabellen in: De Koopman,
    en door Gerard Van Sante.)--Dooregeest, Rijper zeepostil. p. 353.

    [324] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Corte Deductie der N.
    C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--In 1615 verklaarde
    de N. C. zich echter buiten staat, de kosten voor de verdediging
    harer schepen te dragen. (Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr.
    1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [325] R. S.-G. 24 Jan. 1617.

    [326] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--In 1617, 18 en 25, dus in
    gevaarlijke tijden, ontmoeten wij dan ook op Spitsbergen
    Nederlandsche walvischvaarders met 10, 12, 14, 16, 18, eens zelfs
    met 22 stukken geschut. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 468.--Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni 1618,
    bij: Purchas l. c. III p. 733.--Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.)

    [327] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Luzac, Hollands rijkdom. I p. 847.

    [328] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.--Zie hiervóor p. 99.

Maar wanneer de walvischvaarders geheel opgetuigd en van het noodige
voorzien waren, bleef nog het moeielijkste gedeelte van de taak der
reederij over: de bemanning moest gehuurd worden. In de tijden der
compagnie, toen, zooals wij reeds zeiden, een schip, dat meer dan 80 man
voerde, geene zeldzaamheid was, ofschoon men er ook van 70, enkelen van
60 vond[329], was niet alleen het vinden van bekwame, maar ook van
genoeg manschappen eene zaak van belang. Het was van het uiterste
gewicht, dat er niemand te kort schoot: ieder had in de visscherij zijne
aangewezene plaats. De bemanning werd in twee afdeelingen verdeeld: de
eerste, de eigenlijke scheepsgezellen en visschers, hield zich bijna
alleen met de vischvangst zelve in de sloepen bezig; de overige
personen, die door de Engelschen »land-men” genoemd werden[330], gingen
dadelijk na aankomst aan land en hielden zich daar voor de bewerking van
het gevangene bereid[331]. Wij willen ons voorloopig alleen met het
scheepsvolk bezighouden[332]. Twee personen trekken daaronder de
aandacht: de schipper en de harpoenier, die beiden evenals enkele
anderen[333] boven hun loon nog een »partgeldt” naar evenredigheid der
vangst verdienden en daarom veelal als »parteniers” van de overigen,
»maandgelders” genaamd, werden onderscheiden[334]. De schipper, door
elke kamer op hare eigene vaartuigen aangesteld, had aanvankelijk alleen
het bevel over het schip en het scheepsvolk, met de visscherij zelve
mocht hij zich niet inlaten; maar toen langzamerhand de kunst van het
harpoeneeren en vangen der visschen meer algemeen bekend werd en de
harpoeniers dus personen van minder belang werden, aarzelde men niet ook
de visscherij onder zijn bevel te stellen. Met den titel van commandeur
kreeg de bevelhebber van het schip toen onbeperkt gezag op zijnen
bodem[335]; soms vervulde hij zelf den post van harpoenier[336]. Dat was
echter in veel latere tijden; in de eerste jaren der walvischvangst zou
zulk eene vereeniging van betrekkingen onmogelijk geweest zijn. Bij de
geheele onbekendheid der Nederlanders met de walvischvangst hadden de
reeders zich toch reeds in 1613 genoodzaakt gezien, eenige der met de
walvischvangst sinds eeuwen bekende Basken naar Amsterdam te ontbieden.
Dat jaar kwamen er 13 over[337], en naarmate de walvischvangst zich
ontwikkelde, nam ook hun getal natuurlijk toe. Iedere sloep werd met
drie Basken bezet[338] en op ieder schip waren dan ook gewoonlijk ten
minste drie harpoeniers[339], die tevens de betrekkingen van speksnijder
en kapper vervulden[340]; bovendien had men nog een of meer Baskische
»maitres de chaloupe,” een »maitre de la ligne[341]” en in het begin ook
verscheidene traankokers[342]. De vreemdelingen wisten zich
onontbeerlijk te maken en stelden hunne eischen: onafhankelijk van den
schipper moesten zij hun werk verrichten[343] en hun loon moest
geëvenredigd zijn aan hunne moeite. Behalve hunne vaste bezoldiging,
die trouwens behalve de kosten van vervoer en onderhoud niet meer dan
ƒ 50 schijnt bedragen te hebben[344], kreeg dus elke harpoenier als
»schietgelt” voor iedere levende of doode door hem in zee gevangen visch
40 rijksdaalders of ƒ 100[345], elke stuurman van een sloep ƒ 50;
voor elke doode visch uit het schip gezien ontving de »eerste siender” 1
pond vlaamsch of ƒ 6[346]. Het lag in den aard der zaak, dat men
trachten zou zulke veeleischende bedienden door goedkoopere te
vervangen, en reeds in 1616 zien wij dan ook de Noordsche Compagnie
pogingen aanwenden om de Basken door Nederlandsche harpoeniers te
vervangen. Op vier sloepen, door haar met Basken bemand, besloot zij
toen, al was misschien daardoor voor het oogenblik de winst geringer,
een vijfde met Nederlanders bemand uit te rusten[347]. De proefneming
beantwoordde aanvankelijk niet aan de verwachting: den Engelschen, die
hunnen scheepsgezellen dadelijk hadden gelast den Basken de kunst af te
zien[348], was het mislukt, en ook de Nederlanders hadden moeite een
bedrijf aan te leeren, dat niet minder bekwaamheid dan moed vorderde.
Maar door volharding kwam men toch de moeielijkheden te boven: in 1630
werd reeds de helft der sloepen met Nederlanders bezet[349] en hoewel
zich nog in 1636 Basken op de Nederlandsche schepen bevonden[350],
worden daarna toch meer en meer Nederlandsche harpoeniers genoemd[351].
Eindelijk werden de Basken geheel verdrongen; kort na den val der
Noordsche Compagnie was hunne aanwezigheid op Nederlandsche
walvischvaarders eene zeldzaamheid geworden[352].

    [329] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Lindeman, Arkt. Fisch. p.
    9.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    468.--Tijdens zee- en ijsvisscherij werd de dubbele bemanning
    natuurlijk afgeschaft; de schepen voerden toen 30 à 40 man.
    (Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 353.)

    [330] Pellham, Gods power and Providence, in: White, Spitzbergen and
    Greenland, p. 283.

    [331] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--De walvischvangst. I p.
    28.

    [332] Zie eene opgave der bemanning van een walvischvaarder in 1700
    bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 344, 45.

    [333] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339.

    [334] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 312.

    [335] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 127.--De walvischvangst. I p.
    27.--Van der Brugge, Journael vande Seven Matroosen. p. 46.--Req. v.
    Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.

    [336] Dat de betrekking van harpoenier en speksnijder ook nog later
    in aanzien bleef, blijkt o. a. uit het voorbeeld van Jacob Hardebil,
    die eerst commandeur, later speksnijder werd. (Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 256.)

    [337] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.--Hist. de Spitsberghe. p.
    11.

    [338] Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 735.

    [339] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Opschriften der
    getuigenissen van D’Hallegorey c. s. en Gasteloser c. s., in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [340] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 346.

    [341] Opschr. der getuigenissen van D’Hallegorey c. s. en Gasteloser
    c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [342] Hist. de Spitsberghe. p. 11.

    [343] Scoresby, Account. II p. 39.--De walvischvangst. I p.
    27.--Luzac, Hollands rijkdom. I p. 346.--Tegenw. Staat. I p.
    588.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 7.

    [344] Een Duinkerksche reederij betaalde aan 6 Basken in 1616 voor
    loon „100 Croonen,” eene som die echter, waarschijnlijk door de
    kosten van vervoer en onderhoud, tot ƒ 700 verhoogd werd. (Sent.
    v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.)

    [345] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.

    [346] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd. 31
    Juli 1641.--Martens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and
    Greenland. p. 126.

    [347] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [348] Comm. der Mosc. Comp. voor Edge voor de reis van 1611, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 710.

    [349] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [350] Versl. der 1^{e} confer. met de N. C. dd. 14 Febr. 1636, in:
    Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [351] In 1635 in de Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c.
    Coman, dd. 31 Juli 1641;--in 1639 bij: Dooregeest, Rijper
    zee-postil. p. 351;--in 1646 in de: Twee Journalen der Matroosen die
    overwinterden. p. 24.

    [352] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 126.

Wanneer alles voor de reis gereed gemaakt was, verzamelden zich de
schepen der verschillende kamers op de hun aangewezene plaatsen. Men
heeft de jaarlijksche uitrustingen der Noordsche Compagnie op ongeveer
30 schepen begroot[353]. Deze berekening is gegrond op het feit, dat de
Friezen, die voor 1/9 in de compagnie participeerden, 3 schepen
uitrustten. Men heeft echter daarbij niet gelet op de omstandigheid, dat
de bedoelde uitrusting der Friezen plaats had in 1635, dus voor hunne
opneming in de compagnie, en dat het dus nog de vraag blijft of men den
concurrenten, die er blijkbaar zeer op gesteld waren om leden der
vereeniging te worden, een deel heeft ingeruimd zoo groot als zij met
het oog op hunne finantiëele krachten misschien wel zouden gewenscht
hebben. Ook geloof ik niet, dat de uitrustingen der Noordsche Compagnie
gewoonlijk zelfs het lage cijfer van 30 schepen bereikt hebben. Ter
bevestiging mijner meening volgt hier eene statistieke opgave, die, hoe
uiterst onvolledig ook, toch eenigszins een denkbeeld geeft van de
doorgaande sterkte der vloten.

                 ~Spitsbergen~.               ~Jan Mayen-eiland~.
         Schepen.                        Schepen.
  1612     2                              geene.
  1613     5                              geene.
  1614    11[354]                         3  (ter ontdekking.)
  1615    11                              2  (ter ontdekking.)
  1616     4                              9  (2 N. C.--5 kl. N. C.--2
                                             uit Zeeland.)
  1617     3  (alle uit Zeeland.)         ?  (7? N. C.[355]--? kl. N.
                                             C.--geene uit Zeeland.)
  1618    23? (5 Zeel.--2 Noorderkwart.-- ?  (geene uit Zeeland.)
              1 Delft.[356])
  1619    11? (11 Ned. sch. in Fairhaven. ?  (geene uit Zeeland.)
              [357])
  1620     2? (2 Ned. sch. in Fairhaven)  ?  (geene uit Zeeland.)
  1621     ?                              ?  (geene uit Zeeland.)
  1622     ?                              ?
  1623     5[358]                         ?
  1624    20? (2 sch. uit Zeeland.)       ?
  1625     3                              4  (2 andere schepen naar
                                             elders.[359])
  1626     ?                              ?
  1627     ?                              ?
  1628     ?                             12
  1629     ?                              ?
  1630     6? (34 sloepen.)               9? (51 sloepen[360])
  1631     ?                              ?
  1632     ?  (1 sch. Hoorn, geen sch.    ?  (2 sch. Amst., 1 sch.
              Enkh.)                         Enkh., geen sch. Hoorn.)
  1633     ?                              ?
  1634     6                              ?
  1635     ?  (1 sch. Harl., 2 sch.       ?
              Stav.)
  1636     ?                              ?
  1637     ?                              ?
  1638     ?                              ?
  1639     ?  (1 sch. Hoorn, 1 sch.       ?  (2 sch. Amst., 2 sch.
              Harl.)                         Hoorn, 1 sch. Harl. in de
                                             opene zee.[361])
  1640     ?                              ?
  1641     ?                              ?
  1642     ?                              ?  (2 sch. Stav. in de opene
                                             zee.)

    [353] Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 144.

    [354] Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Edge
    (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) noemt er
    14.

    [355] Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    467) meende een Zeeuwsch kapitein tien schepen op Spitsbergen te
    zullen vinden; drie Zeeuwen waren op het eiland, de overige 7
    (Hollanders) waren dus op Jan Mayen-eiland. Waarschijnlijk waren er
    daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen meer: de
    N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele
    uitrusting.

    [356] Uit de uitrustingen der enkele kamers kan men met behulp der
    boven (p. 81, 82) opgegeven verhouding van de krachten der kamers,
    de sterkte der geheele vloot ~nagenoeg~ berekenen. Het cijfer van 23
    schepen, door Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III
    p. 469) opgegeven, komt mij dan ook veel te hoog voor.

    [357] De Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 (Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verzekert, dat de Zeeuwen van 1619-22
    hunne uitrustingen ter walvischvangst geheel staakten. Dat dit
    onjuist is, blijkt uit: R. S.-G. 7 Mei 1616, 15 Febr., 23 Mrt., 13
    Apr. 1620, 8 Jan., 3, 4, 20 Febr., 3 Mrt., 28 Mei, 5 Nov. 1622.--N.
    Z. 4 Febr. 1620, 9 Mrt. 1621, 22 Febr., 17 Mrt. 1622.--Br. v. Salmon
    aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.

    [358] Dit getal geeft Wassenaer (Hist. verh. V fol. 157); Fanne
    (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736) zegt verkeerdelijk, dat er na
    die 5 nog 2 verwacht werden.

    [359] Waarschijnlijk naar straat Davis. cf. hierna Hfdst. V.

    [360] Deze berekening berust op het boven medegedeelde feit, dat 1
    schip 4 à 6 sloepen voerde.

    [361] Deze opgaven zijn te vinden bij: Wassenaer, Hist. verh VIII
    fol. 86, 88, 94, 95, IX fol. 124, X fol. 106, XVI fol. 26.--R. S.-G.
    19 Mei, 9 Juni 1635, 24 Oct. 1642.--Hist. de Spitsberghe. p.
    11.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467,
    68.--Baffin, Iournall, en: Brieven der Eng. walvischv., bij: Purchas
    l. c. III p. 716 vlg.--Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23
    Mei 1616.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4
    Apr. 1637.--Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd.
    31 Juli 1641.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 265.

Zoodra men bijeen was, maakte men zich tot het vertrek gereed. Meestal
voeren een paar kamers gezamenlijk uit[362]; wanneer de nood der tijden
het wenschelijk maakte, zeilde men in admiraalschap en onder geleide van
een of meer oorlogschepen om zich tegen mogelijke aanvallen te
beschermen[363]. De vrees voor de Duinkerkers was zoo groot, dat de
Noordsche Compagnie tot haren val toe dezen maatregel moest doorzetten
en »met eene gecombineerde macht bereijt staen tot affweringe van alle
gewelt ende ouervallinge[364].” De vloot was in den beginne gesteld
onder bevel van den Commissaris-generaal, die, door de Staten-Generaal
aangesteld maar door de compagnie van last voorzien, het toezicht had op
alles wat tot de reis en de vischvangst betrekking had, terwijl alle
krijgszaken aan den Commandeur-generaal van het konvooi en zijn raad
waren overgelaten[365]. De post van Commissaris-generaal, in 1614 door
den bewindhebber Antonie Monier zelven[366], het volgende jaar door den
in de geschiedenis van Nieuw-Nederland bekenden Adriaan Block
bekleed[367], geraakte echter weldra in onbruik. De zelfstandige plaats
van de beide hoofden der vloot, die dagelijks met elkander in aanraking
moesten komen, gaf misschien aanleiding tot oneenigheid; hoe dit zij,
reeds in 1616 besloten de Staten-Generaal den Commandeur-generaal van
het konvooi, Jan Jacobsz. Schrobop, tevens tot Commissaris-generaal aan
te stellen[368]. Alle scheepsbevelhebbers, de kapiteins der
oorlogschepen zoowel als de schippers der compagnie, waren dus nu aan
den Commandeur-generaal ondergeschikt. Bij deze regeling schijnt het
voorloopig gebleven te zijn. Maar toen de konvooischepen sinds 1621 niet
meer geregeld de visschersvloot vergezelden en de schepen op hunne
eigene verdediging bedacht werden, werd het natuurlijk onmogelijk, dat
de bevelhebber van het konvooi de vloot aanvoerde. Toch duurde ook toen
de vereeniging van krijgs- en handelszaken onder éen hoofd voort: het
oppertoezicht over de geheele vloot bleef overgelaten aan éen persoon,
die den titel van Commandeur-generaal (of eenvoudig »Generael”)
behield.[369]

    [362] Twee Journalen der Matroosen. p. 19.

    [363] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart.
    c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Conc.-Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop
    dd. 18 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 313.

    [364] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.

    [365] Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614.

    [366] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Instr. der Stn.-Gen.
    voor Quast dd. 29 Apr. 1614.

    [367] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. (dd. 2 Sept. 1615) in:
    Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Wassenaer,
    Hist. verh. VIII fol. 95.

    [368] Conc.-Instr. voor Schrobop dd. 19 Mei 1616, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [369] Vgl. o. a. Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p.
    46.--Stn. gewisseld tusschen Ys en Vrolicq (1633), in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Het is niet onwaarschijnlijk, dat de
    bevelhebber van eene afdeeling schepen, die aan éene kamer
    toebehoorden, ook soms den titel van Commandeur-generaal droeg.

De walvischvaarders verlieten gewoonlijk, hetzij gezamenlijk, hetzij
afzonderlijk, tegen het einde van April de Nederlandsche havens[370].
Evenals bij de Engelsche walvischvangst[371], zoo werd ook den
Nederlanders vóor hun vertrek de plaats aangewezen, waar zij visschen
zouden[372], en ieder begaf zich dus dadelijk naar de hem aangewezene
plaats in de Mauritiusbaai op Spitsbergen of naar Jan Mayen-eiland[373],
waar de Nederlandsche walvischvangst weldra hare hoofdzetels vestigde.
Op het eind van Mei of in het begin van Juni kwam men gewoonlijk op
Spitsbergen aan[374]. Zoodra het ijs losraakte, zeilde men dan naar het
land; in latere tijden poogde men zelfs moedig door de vaste ijsvelden
in de baaien door te dringen, zoodat soms verscheidene schepen der
Noordsche Compagnie in het ijs vastraakten en verongelukten[375].

    [370] R. S.-G. 11 Mrt. 1639.--Getuigenissen in zake den aanval der
    Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--De schepen
    zeilden echter soms vroeger, soms later uit. (1 Apr.: Confer. v. 14
    Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Half Mei:
    Instr. der Stn.-Gen. voor Burch en Coenders, dd. 14 Mei 1639.)

    [371] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    467.--Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas I. c. III p.
    721.

    [372] Deze bepaling geschiedde natuurlijk door de N. C.; de
    Stn.-Gen. deden het in 1616 waarschijnlijk om den gevaarlijken
    toestand der vloot op Spitsbergen. (Instr. der Stn.-Gen. voor
    Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.)--In de eerste jaren, toen de N. C. over geheel Spitsbergen
    beschikte, geschiedde die aanwijzing door verloting der
    verschillende baaien. (Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum.
    p. 871.--R. S.-G. 5 Nov. 1622.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C.
    Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Br. der gedeput. aan de
    Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.)--De Amsterdammers
    schijnen zich echter voortdurend in de Mauritiusbaai gevestigd te
    hebben. (R. S.-G. 4 Nov. 1622.--Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen.
    dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.--cf. R. S.-G. 5 Nov.
    1622.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.)

    [373] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Uit deze sententie blijkt in verband met andere
    mededeelingen, dat niet alle kamers hare uitrustingen over beide
    plaatsen verdeelden. Alleen het machtige Amsterdam schijnt jaarlijks
    aan Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beide gevischt te hebben,
    terwijl de kamers van de Maas, Middelburg en Veere, evenals hier van
    die van het Noorderkwartier blijkt, contracten schijnen gesloten te
    hebben, waarbij zij hare uitrustingen voor gezamenlijke rekening
    ieder naar een der beide eilanden zonden. Deze maatregel spaarde
    kosten en voorkwam te groote drukte op éene plaats.

    [374] Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch.
    p. 29.

    [375] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 219, 29.--Wassenaer, Hist.
    verh. XII fol. 9.

De schepen ankerden dadelijk aan het land, de sloepen werden uitgezet en
men maakte zich gereed den walvisch te vervolgen. Het duurde in die
eerste tijden der vangst gewoonlijk niet lang, voordat men er een hoorde
blazen. De harpoenier en zijn volk stortten zich dan ijlings in de
sloepen; de harpoen--een ijzeren staaf van drie voet, van een scherpe
punt met weerhaken voorzien--werd gereed gehouden, de voorganger en de
walvischlijn daaraan bevestigd en men voer op de prooi af. Zoodra men
genaderd was, wierp de harpoenier van den voorsteven zijn wapen met
kracht in het lichaam van den walvisch, die dan onmiddellijk in
pijlsnelle vaart naar de diepte dook. De lijn, des noods door
aanhechting van eene nieuwe verlengd, bleef echter steeds in handen van
den harpoenier, die de sloep alle bewegingen van den walvisch zooveel
mogelijk deed volgen. Andere sloepen voegden zich daarbij en zoodra de
walvisch na eenigen tijd weder bovenkwam om adem te scheppen, werden hem
nieuwe harpoenen in het lijf geworpen, zoodat hij stevig vastgelegd was.
Eenmaal zoover gekomen wachtte men den langzamerhand afgematten visch op
met de werp- en stootlenzen--scherp gepunte ijzeren wapenen aan lange
lijnen of stokken van 10 à 12 voet bevestigd[376]. Niet lang duurde het
dan, of de visch gaf door het uitblazen van bloed het bewijs, dat hij
doodelijk gewond was[377]; hevig slaande met de staart zwom hij op het
water rond. Dan moesten de sloepen ijlings ontwijken, want een enkele
slag met de staart verbrijzelde dikwijls een geheele sloep! Maar spoedig
werden de slagen flauwer en weldra stierf de visch van uitputting. Met
een paar booten werd hij dan naar het strand gesleept, waar hij een paar
dagen aan een touw vastgemaakt naast het schip bleef liggen: een begin
van bederf toch doet den visch vèr boven het water rijzen en maakt het
dus gemakkelijker het spek af te snijden[378].

    [376] Zie afbeeldingen van harpoen en lens, bij: Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 348, 350.

    [377] Men noemde dit in grove zeemans-scherts: „oranje blazen!”

    [378] Eene vrij uitvoerige en gelijktijdige beschrijving der
    walvischvangst vindt men in de: Drie Voyagien na Groenlandt. p.
    13-15.--Vgl. ook: Scoresby, Account. II p. 178.--Hist. de
    Spitsberghe. p. 17-19.--Martens, Voyage into Spitzb., bij: White,
    Spitzbergen and Greenland. p. 116-25.--Le Long, Kooph. v. Amst. II
    p. 159-61.

Zoodra de gelegenheid het toeliet, begon het tweede gedeelte van den
arbeid, het »flenzen.” Door twee lange sneden en verschillende
insnijdingen in de breedte werden door den speksnijder, die aan het
strand half in het water stond, groote stukken spek van 2 à 300 pond
van den dooden visch losgemaakt, en met zoogenaamde »spek-takels,” eene
soort van kraan, op het land gewonden. Onmiddellijk begon daarop het
derde gedeelte der walvischvangst, het zoogenaamde »afmaken.” In latere
jaren duurde het soms lang eer men daartoe den tijd vond; onder de
Noordsche Compagnie was echter de helft der bemanning, die dadelijk na
de aankomst aan land gegaan was, steeds gereed om de opbrengst der jacht
te ontvangen en verder te bereiden. Aan het strand stond een man gereed
om het spek in stukken te hakken, die dadelijk op eene berrie naar de
traanketels gebracht werden. Daar werden deze stukken, terwijl de staart
van den visch als hakbord diende, in nog kleiner gedeelten, »vinken”
genaamd, gesneden en in den traanketel geworpen.

In de vaste overtuiging, dat de walvischvangst in de baaien eerder zou
toe- dan afnemen, had de Noordsche Compagnie kostbare inrichtingen op
het strand doen verrijzen. De traanketel, een roodkoperen pan, die een
halve ton spek kon bevatten, was op den grond vastgemetseld; daaronder
bevond zich een fornuis, dat met hout en met den afval van den walvisch
gestookt werd. De ketel, waarin water was voor het aanbranden, werd
dadelijk gevuld met spek, dat gedurende twee uren onder gedurig roeren
gekookt werd. De traan werd daarna in een vat geschept, van onderen met
een houten rooster voorzien, dat allen afval van den walvisch terughield
en het zuivere gedeelte in een koelbak liet vloeien. Wanneer de traan
nog een paar malen in gedeeltelijk met water gevulde bakken of
vaten[379] verder afgekoeld en bezonken was, werd zij eindelijk in de
quarteelen gegoten. Deze quarteelen, in vlotten van twintig naar de
schepen gesleept, werden daar in ontvangst genomen door eenige personen,
die daartoe op het schip achtergebleven waren, en in het ruim
weggestuwd[380].

    [379] De Engelschen gebruikten eenvoudig sloepen als koelbakken.
    (Purchas, Pilgrimes. III p. 471.)

    [380] Scoresby, Account. II p. 174-76.--Purchas, Pilgrimes. III p.
    470, 71.--De wijze van traanbereiden veranderde door het overbrengen
    van dit bedrijf naar Nederland bijna niet. (Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 369, 70.--De walvischvangst. I p. 43.--Martens, Voyage
    into Spitzb., bij: White, Spitzbergen and Greenland. p. 125-30, 31,
    33.)

De walvischbaarden, bij het flenzen uit den bek van den walvisch
gesneden, werden in bossen naar land geroeid, daar van elkander
gekloofd, afgestoken, geweekt en geschrobd. Na het droogen werd het haar
er afgesneden en de schoone baarden aan bossen van vijf of zes stuks
tusschen de traanvaten in het ruim van het schip geborgen[381].

    [381] Scoresby, Account. II p. 177.--Purchas, Pilgrimes. III p.
    471.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 356, 371.

Dit was de gewone manier van doen der walvischvaarders tot na den val
der Noordsche Compagnie toe. Maar reeds lang voor dien tijd was eene
andere behandeling van den walvisch naast deze gewone vrij algemeen in
gebruik gekomen. Het zal de aandacht mijner lezers niet ontgaan zijn,
dat het octrooi der Noordsche Compagnie slechts de landen en kusten in
de IJszee noemde, en dus stilzwijgend het bevaren en bevisschen van de
opene zee zelve voor de vrije concurrentie openliet[382]. Lang duurde
het, voordat de Nederlandsche handel deze leemte in het monopolie der
Noordsche Compagnie opmerkte. Eerst in 1626 vernemen wij bij
uitzondering, dat twee Zaandamsche walrusjagers op weg naar de straat
van Nassau in de opene zee eenen walvisch vingen[383]. Hun voorbeeld
schijnt nu en dan door enkele Nederlanders gevolgd te zijn. De Noordsche
Compagnie zag echter aanvankelijk in deze concurrentie weinig bezwaar;
zij verwees vreemden en Nederlanders, die zich naast haar op Spitsbergen
wilden vestigen, zelve somtijds naar de opene zee[384]. Men was in de
goede jaren der walvischvangst, toen de gewenschte prooi zich bijna
uitsluitend onder de kust ophield, te zeer overtuigd dat de
zeevisscherij geen voordeel kon geven, dan dat de geoctrooieerde
vereeniging de concurrentie zou gevreesd hebben. De mededingers zelven
schijnen dan ook van dit middel om de Noordsche Compagnie haar monopolie
te ontnemen slechts een spaarzaam gebruik gemaakt te hebben, al wisten
zij ook, al erkende de compagnie zelve, dat de volle zee hun
openstond[385]. Langzamerhand veranderden echter de zaken van aanzien:
het gedurig jagen en visschen maakte den walvisch schuw; de overvloed
van visschen, die zich vroeger in de baaien vertoond had, verminderde
langzamerhand en de vangst der compagnie werd dus ook veel minder
voordeelig. Het laat zich verklaren, dat zij in dit tijdperk van
overgang, toen alle concurrentie meer dan ooit nadeelig zijn moest, het
een harer harpoeniers Marten Michielsz. van De Rijp, die volgens de
overlevering de eerste was, die in dienst der compagnie in de opene zee
een walvisch ving, uiterst kwalijk nam, dat hij het voorbeeld gegeven
had van eene handeling, die nu zoo gevaarlijk scheen[386]. Zij verbood
alle verdere visscherij van hare schepen in zee; zij poogde zelfs, toen
de zeevisscherij desniettegenstaande toenam[387], van de Staten-Generaal
te verkrijgen, dat haar octrooi ook tot de zee uitgebreid werd
(1636)[388]. Maar toen het haar in weerwil van haar lang aandringen niet
gelukte dien maatregel door te drijven, koos zij de wijste partij en
zocht zelve hare mededingers op hun terrein op[389]. Waarschijnlijk
besloot zij in 1638 het eerst tot dien stap: twee schepen van de
Amsterdamsche kamer vischten dat jaar tusschen Spitsbergen en de
Noordkaap in zee[390]. Het volgende jaar werden reeds verscheidene
schepen met hetzelfde doel door de compagnie uitgezonden[391] en de
walvischvangst was dus reeds gedeeltelijk voor de vrije concurrentie
ontsloten. Eéne zaak had de Noordsche Compagnie echter ook hier boven
hare mededingers vooruit: hare schepen zeilden geregeld na afloop der
vangst naar Spitsbergen, om daar uit de visschen de traan te doen
bereiden[392].

    [382] Zie de vier octrooien der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669
    vlg.--Vgl. ook: Kort Verhael vande Gedaente der Walvisschen, in:
    Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.

    [383] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.--cf. R. S.-G. 7 Mrt. 1626.

    [384] Insin. v. Duynkercker aan Vrolicq dd. 29 Juni 1632, in: Stn.
    N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--R. S.-G. 14 Apr. 1636.

    [385] Nota van Ys aan Vrolicq dd. 1 Juli 1633, en: Req. der N. C.
    aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten.
    4. Loop. N. C. R.-A.--Vgl. ook: Drie Voyagien na Groenlandt. p.
    15.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135.--De walvischvangst. I p. 30
    Noot.

    [386] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 351, 52--De schrijver noemt
    het jaar 1639 of 40 als het jaar, dat de eerste visch in zee
    gevangen werd; dit is echter onjuist, daar in 1639 reeds eenige
    schepen der N. C. dadelijk van huis daarheen voeren. (Raven,
    Iournael. p. 5.)

    [387] Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen., bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. II p. 442.

    [388] Versl. der confer. met de N. C. dd. 21 Mrt. 1636, in: Stn. N.
    C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [389] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37.

    [390] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639,--en v.
    de Stn.-Gen. aan Christ. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.--Het
    jaar 1638 is waarschijnlijk het eerste, dat de N. C. tot dezen
    maatregel besloot; want Christiaan IV wilde niet gelooven, dat de
    twee schepen onder de compagnie behoorden en hield ze voor
    „interlopers.”

    [391] De kamer te Hoorn, een der kleinste van de N. C., zond toen
    reeds 2 schepen naar de opene zee, die te Harlingen 1. (Raven,
    Iournael. p. 5.)

    [392] Raven, Iournael. p. 5, 11.

Maar al bleef de Noordsche Compagnie zelve nog gehecht aan de oude
manier der walvischvangst, al bleef voor haar de zeevisscherij steeds
bijzaak, toch bleek het weldra, dat het niet lang zou duren, of
de concurrenten hadden hunne tegenpartij overvleugeld. In 1640
vertoonden zich de Zaanlanders als mededingers op het gebied, waar
zij eerlang zoovele schatten zouden vergaderen. Vier schepen van
Jisp--waarschijnlijk onder den commandeur De Ploeger--zeilden dat jaar
uit om »in de openbare zee” de walvischvangst te ondernemen[393]. Zij
slaagden uitnemend, die van Zaandam en De Rijp volgden weldra[394] en de
zeevisscherij verkreeg eerlang overwegend belang. Tegelijk bezweek de
Noordsche Compagnie voor de aanvallen harer mededingers en liet hun dus
het veld vrij. De walvischvangst nam verbazend in kracht toe: meer dan
honderd schepen vertoonden zich slechts weinige jaren later geregeld in
de Mauritiusbaai om den walvisch te vervolgen. De dieren werden er te
schuwer om en verlieten eerlang de baaien geheel. Toen moest de
visscherij onder het land opgegeven worden; het werd noodig de wijkende
prooi verder te volgen. De kustvisschers trokken ze achterna, eerst naar
de banken voor de Noord- en Westbaaien, de Noordbank en de
Keerens-kaar[395]; weldra tot in volle zee. De schepen konden nu echter
onmogelijk meer bij de kokerijen ten anker blijven liggen: het was te
bezwaarlijk de gedoode walvisschen uit zee naar den wal te slepen. Het
traankoken op Spitsbergen moest dus opgegeven worden: voortaan werd het
spek ongekookt medegevoerd. Trouwens bij de steeds verminderende vangst
werd de traankokerij meer en meer onnoodig; er was steeds ruimte genoeg
om het spek zelf in het schip te bergen. En zelfs toen de walvischvangst
onder de kust nog bloeide, was het toch ook wel gebeurd, dat men in het
koken verhinderd was en het spek dus rauw in het vaderland had
ingevoerd[396].

    [393] R. S.-G. 3 Apr. 1640.--cf. Dooregeest, Rijper zee-postil. p.
    352.

    [394] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352, 53.--Zorgdrager,
    Groenl. vissch. p. 128.

    [395] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37, 39, 326.--De
    walvischvangst. I p. 29, 30.--De hierboven verhaalde verplaatsing
    der visscherij en het opgeven der kokerij worden door beide
    aangehaalde bronnen vóor den val der N. C. geplaatst. Scoresby
    (Account. II p. 179) brengt ze terecht tot het tijdstip der
    zeevisscherij (1646-50) terug. (Vgl. hierna Hfdst. IV.)

    [396] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Enkh. c. Hoorn dd. 3 Apr.
    1637.--R. S.-G. 24 Oct. 1642.

Maar ook de nieuwe wijze om de walvischvangst te oefenen duurde niet
lang. De visscherij op de banken en in de opene zee gaf slechts
gedurende weinige jaren voordeel: de zee zelve werd voor de walvisschen
onveilig en zij trokken zich dus in het ijs terug. Reeds in 1650 rekende
men het noodig de vluchtelingen dáar te volgen[397] en weinige jaren
later werd deze stap gedaan, die een nieuw tijdperk in de geschiedenis
der walvischvangst opende[398].

    [397] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.--Dooregeest, Rijper
    zee-postil. p 355.--De walvischvangst. I p. 32.

    [398] Zie over de ijsvisscherij: Tegenw. Staat. I p. 593,
    95-99.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20-22.--Martens, Voyage into
    Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 25, 105-32.--De
    walvischvangst. p. IV, V, dl. I p. 34 vlg., 43.--Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 177, 246, 51, 346, 49, 51, 53, 55, 56, 61, 62, 67, 68,
    69, 70, 71, 73.--Scoresby, Account. II p. 181, 83.

Uit al het over de walvischvangst gezegde zou men lichtelijk kunnen
opmaken, dat dit de eenige bezigheid der Noordsche Compagnie was. Ook
was het steeds het hoofddoel harer reizen, maar toch verzuimde zij
nooit haar voordeel, wanneer de aan buit zoo rijke woestenijen van het
noorden haar gelegenheid gaven dat te maken. De handel in walvischvellen
en vinnen, dien de Noordsche Compagnie aanvankelijk dreef[399], schijnt
spoedig opgegeven te zijn. Met de vangst van witvisschen schijnen de
Nederlanders zich nooit bezig gehouden te hebben[400]; ook de vinvisch
was een te moeielijk bereikbare en tevens te onvoordeelige prooi dan dat
men zich beijverd zou hebben dien te vangen[401]. Maar in de eerste
plaats komt na de walvischvangst de jacht op walrussen in aanmerking.
Deze dieren, de buit dien de Engelschen en Nederlanders beiden
aanvankelijk alleen zochten, gaven in hun spek, dat zij wel in veel
mindere mate dan de walvisschen maar toch in vrij groote hoeveelheid
opleverden[402], en vooral in hunne beide tanden, toenmaals hooger dan
ivoor geschat, handelsartikelen, die ruime winst bezorgden. Aanvankelijk
bij groote troepen tegelijk door middel van lansen op de stranden van
Spitsbergens westelijke baaien gedood[403], vond men ze later zeldzamer.
Slechts weinige walrussen werden nu en dan in zee ontmoet en meest met
harpoenen gedood. In den natijd was echter aan Spitsbergens oostkust bij
Disco,--vooral sinds de ontdekking der Rijk Ysz.-eilanden na den val der
Noordsche Compagnie (1645),--de walrusjacht nog steeds een rijke bron
van inkomsten[404]. Ook de robben, vroeger niet bizonder opgemerkt,
werden later vooral op de randen der vaste ijsvelden in groote menigte
met stokken doodgeslagen. Hun spek[405] en vooral hunne kostbare vellen
verschaften aan de Noordsche Compagnie ruime winst[406]. De beeren,
aanvankelijk gevreesde vijanden der walvischvaarders, werden allengs
hunne prooi: het vel evenzeer als het vet waren begeerde artikelen.
Talloos zijn dan ook de verhalen van gevechten met beeren, die ons zijn
overgeleverd, en de beerenjacht werd eene geregelde bezigheid[407]. En
dat zij geen onbelangrijk voordeel aanbracht, bewijst het feit, dat in
1628 alleen op Jan Mayen-eiland niet minder dan 70 beeren door die van
de Noordsche Compagnie geschoten werden[408]. De jacht op vossen,
rendieren, meeuwen en rotganzen, waarvan meermalen gesproken wordt[409],
schijnt meer gedreven te zijn om versch vleesch te bekomen dan om eenig
handelsvoordeel te verkrijgen; de vellen bleven echter natuurlijk
welkome aanwinsten voor de lading. Een laatste bron van inkomsten was
voor de walvischvaarders de handel met de Groenlanders. Deze nering, die
later, toen de visscherij in straat Davis zich ontwikkelde, op vrij
groote schaal gedreven werd[410], leverde aan de Noordsche Compagnie
natuurlijk slechts dan een klein voordeel, wanneer hare reizigers met de
bewoners van nieuw ontdekte plaatsen in aanraking kwamen of wanneer een
walvischvaarder door storm of toeval op Groenlands onherbergzame kusten
verzeilde[411].

    [399] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.

    [400] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195.

    [401] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108.

    [402] Een walrus leverde gewoonlijk 1/2 quarteel spek. (De
    walvischvangst. I p. 44.--Tegenw. Staat. I p. 610.)

    [403] Hist. de Spitsberghe. p. 19, 20, 22.--Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 195, 96.

    [404] De walvischvangst. I p. 44 vlg.--Tegenw. Staat. I p. 610.

    [405] Voor éen quarteel spek moest men 15 à 16 robben (Tegenw.
    Staat. I p. 610), volgens anderen 24-1/2 rob vangen. (De
    walvischvangst. I p. 47.)

    [406] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196.--De walvischvangst. I p.
    46.--Tegenw. Staat. I p. 610.

    [407] De walvischvangst. I p. 47 vlg.--Zie o. a. de vele verhalen
    van gevechten met beeren bij: Van der Brugge, Journael der Seven
    Matroosen.

    [408] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.

    [409] Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108, 9, XII fol.
    89.--Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 8.--Eene
    vlakte bij den Biscayer-hoeck werd voornamelijk door de Nederlanders
    voor de rendierenjacht gebruikt en heette daarnaar „Rheene-velt.”
    (Reeënveld.)

    [410] Tegenw. Staat. I p. 610.

    [411] Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43.

Het laat zich denken, dat door deze uitgebreide werkzaamheid, maar
vooral door de walvischvangst jaarlijks eene vrij aanzienlijke lading
bij de Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland
voorhanden was. Naderde het einde van den tijd dan werd alles
bijeengebracht en de Commandeur-generaal moest de geheele vangst op het
strand onder de kamers naar evenredigheid harer uitrustingen verdeelen.
Gewoonlijk werd echter de rooiing op last van den Commandeur-generaal
verricht door den »Generael-royer” ten overstaan der kamers zelve. Zulk
een »royer”--op de vloot een man van gewicht, die naast den
Commandeur-generaal genoemd werd[412]--ging jaarlijks mede naar
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de »royinge of roeyinge” te doen en
daarvan in het »generael royboeck” aanteekening te houden[413]. Hij wees
aan iedere kamer haar deel toe, om het in hare eigene schepen te laden
en huiswaarts te voeren[414]. Had eene kamer meer gevangen en gekookt
dan haar bij de verdeeling werd toegelegd, dan werden de »coockgelden”
op de algemeene vergadering vergoed[415].

    [412] Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.

    [413] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--In 1632 bekleedde Jan Matthysz. Steen op Spitsbergen, Cors
    Jansz. van Lier op Jan Mayen-eiland de betrekking van
    generaal-rooier. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh.
    dd. 4 Apr. 1637.) Steen, ook wel eenvoudig Jan Tysz. genoemd,
    schijnt eene zekere reputatie bezeten te hebben: meermalen wordt hij
    door de walvischvaarders zonder nadere aanduiding genoemd. Cors
    Jansz. was vele jaren scheepskapitein in dienst der N. C. en o. a.
    in 1631 met Wybe Jansz. in die betrekking op Jan Mayen-eiland
    geweest. (Zie hun getuigenis voor de regeering v. Amst. dd. 7 Mrt.
    1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [414] Brief der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct.
    1616, in: Arch. Zeel.--Contr. v. 3 Nov. 1630, aangehaald in de:
    Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

    [415] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

De kamers zelven zorgden natuurlijk voor het vervoer van ieders aandeel
in de traan en balein naar het vaderland. Maar niet zelden kwam het
voor, dat de vangst zoo rijk was geweest, dat eenige kamers geene ruimte
genoeg in hare schepen hadden om haar aandeel te bergen. Meestal riep
men dan de hulp in van eene andere kamer, die grootere schepen had, en
verrekende de voorschotten voor vracht en verpakking later op de
algemeene vergadering[416]. Waren echter alle schepen volgeladen, dan
nam men zijn toevlucht tot de schuren, door de compagnie op het land
gebouwd, en borg daar de goederen tot het volgende jaar. Een enkele maal
werden ze ook wel begraven[417]. In het voorjaar liet men ze dan door
afzonderlijke vrachtschepen afhalen, die men »naschepen” noemde. Deze
schepen kwamen in den bloeitijd der walvischvangst niet somtijds, maar
geregeld naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de visschers van de te
groote lading te ontlasten. Korten tijd na de walvischvaarders uit het
vaderland vertrokken, waren zij, die zich natuurlijk met geene
visscherij ophielden, gewoonlijk het eerst aan de markt. Het is zelfs
voorgekomen, dat éen naschip in éen jaar twee reizen naar Jan
Mayen-eiland deed en met volle ladingen huiswaarts keerde. Toen de
walvischvangst in bloei afnam, werd natuurlijk het zenden dezer
naschepen overbodig en dus afgeschaft[418].

    [416] Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.--In 1632 bracht de kamer
    der N. C. te Hoorn aan die te Enkhuizen in rekening voor de vracht
    van Spitsbergen naar Hoorn per quarteel spek ƒ5, en voor elk
    quarteel (vat), dat daarvoor noodig was, ƒ 3. (Dictum v. de H. R.
    in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.)

    [417] Dat dit soms niet weinig was, blijkt uit het feit, dat de N.
    C. in 1623 met 5 schepen 6000 quarteelen traan maakte, waarvan zij
    er 1000 moest begraven. (Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157) Ook
    verneemt men, dat twee Baskische schepen in het najaar van 1632 van
    Jan Mayen-eiland roofden 600 quarteelen traan en 200.000 pond
    baarden (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) en dat Willem Ys eens in éen jaar 2000
    quarteelen traan met een naschip van hetzelfde eiland haalde.
    (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.)

    [418] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135, 215.--Lindeman, Arkt.
    Fisch. p. 9.--Tegenw. Staat. I p. 591.

Zoodra de tijd voor het eindigen der visscherij gekomen was,--voor
Spitsbergen op 10 of 12 September, voor Jan Mayen-eiland op 28 Augustus
bepaald[419],--moesten alle schepen geladen zijn. De Commandeur-generaal
gaf het teeken tot het vertrek[420] en de vloot zeilde weg. Bijna altijd
kwam zij behouden in het vaderland aan. De vangst werd dan voornamelijk
te Amsterdam ontladen, waar de kamer op de Keizersgracht bij de
Brouwersgracht de drie Groenlandsche pakhuizen had laten bouwen[421].

    [419] Bij de Instructie der Commandeurs van 1632. (Sent. v. de H. R.
    in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Men vertrok echter
    dikwijls vroeger, hoewel het verboden was. (In 1632, cf. Sent. v. de
    H. R. dd. 4 Apr. 1637.--In 1633 van Sp. 30 Aug., van J. M.-eil. 26
    Aug. cf. Vander Brugge, Journael. p. 5, en: Twee Journalen. p.
    3.--In 1634 van Sp. 1 Sept. cf. Twee Journalen. p. 22.--In het
    algemeen van Sp. omstreeks half Augustus. cf. Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 29.)

    [420] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Niemand mocht afzonderlijk vroeger vertrekken,
    daar men vreesde voor vijanden. Zoo werd in 1624 een
    walvischvaarder, die alleen vooruitgezeild was, voor de
    Nederlandsche zeegaten door een Duinkerker genomen. (Wassenaer,
    Hist. verh. VIII fol. 86.)

    [421] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229.--Tegenw. Staat. I. p.
    590.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 8.--Le Long, Kooph. v Amst. II p.
    160.--Bij de uitlegging van Amsterdam in 1616 werd volgens het
    register der uitgiften van gronden (Amst. Arch.) een erf op de
    Keizersgracht tusschen de Prinsenstraat en de Brouwersgracht voor
    ƒ 600 verkocht aan een steenkooper Wouter Jacobsz., die het 1
    October 1620 overdeed aan „Ysbrandt Dobbe cum socijs.” (Ysbr.
    Dobbesz. was in 1614, 1617 en ook in 1621 bewindhebber der N. C. cf.
    Octr. der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669.--Contr. der N. C. met de
    Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.--Req. der N. C.
    aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd.
    van Jan Mayen-eiland. R.-A.) De Groenlandsche pakhuizen zijn dus
    waarschijnlijk gebouwd in 1621 ten tijde van den grootsten bloei der
    N. C.

       *       *       *       *       *

Wij hebben nu gezien, hoe de Noordsche Compagnie haar bedrijf inrichtte;
de vraag rijst echter natuurlijk of dat bedrijf wel de vele kosten
loonde, die daarvoor gemaakt moesten worden. Ter beantwoording dier
vraag moeten wij twee zaken nagaan: hoeveel de jaarlijksche vangst der
walvischvaarders bedroeg en hoeveel geld de compagnie door verkoop van
die vangst in kas kreeg. Ik zal trachten op die vragen een antwoord te
geven.

Wij bezitten voor de begrooting van de jaarlijksche vangst der Noordsche
Compagnie twee algemeene opgaven als leiddraad voor onze onderzoekingen.
Eene alleszins betrouwbare autoriteit verzekert ons weinige jaren na den
val der compagnie, dat hare vangst steeds gering was[422], en de
Noordsche Compagnie zelve verklaart nog in 1636, dat de walvischvangst
slechts een »cleyn werck” was[423]. Van alle zijden wordt ons
tegelijkertijd medegedeeld, dat in de eerste tijden der walvischvangst
de visch zoo overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite
opgespoord, slechts te dooden had[424]. De twee opgaven, hoe
tegenstrijdig ze schijnen, zijn zeer goed overeen te brengen. Werkelijk
kwam de walvisch in de eerste tijden der Noordsche Compagnie in grooten
overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voor, en
toch is het zeker, dat de compagnie in den regel, al ontbrak het noodige
kapitaal haar niet, eene vangst naar huis bracht, uiterst onbeduidend in
vergelijking met den grooten voorraad, dien de vrije visscherij later
jaarlijks in Nederland invoerde. Het was toch, zooals wij zagen, haar
systeem evenzeer als van de Oost- en West-Indische Compagniën, dat het
beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren dan veel te
verkoopen, wanneer de waarde der goederen door die veelheid zelve
aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem, hoe hoogst verderfelijk ook
voor den handel en voor het algemeen belang, had werkelijk veel wat het
in het oog van bekrompene bezitters van monopoliën en van kortzichtige
economisten aanbeval, en de Noordsche Compagnie volhardde daarbij tot
haar einde toe[425]. Of zij er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier
evenmin als elders het geval was.

    [422] Aanwysing van heils. polit. gronden. p. 75.

    [423] Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in:
    Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [424] Zie o. a. Scoresby, Account. II p. 141.

    [425] Dit blijkt o. a. uit de mededeeling der N. C. in 1636, dat
    haar vangst met 1/3 vermeerderen zou, wanneer o. a. de invoer van
    traan en balein van buitenslands verboden werd. (Versl. der confer.
    v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het op
    prijs houden der waren was dus haar motief om weinig te vangen.
    (Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Zie echter hierna p. 124.

Het ligt zeer voor de hand te meenen, dat eene vereeniging, die er zich
op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch slechts weinige
schepen op de walvischvangst uit te zenden, ieder jaar die schepen ten
boorde toe geladen naar huis moest zien keeren. De traditioneele
voorstelling van de geschiedenis der Noordsche Compagnie leert ons dan
ook, dat de eerste jaren tijden van later ongekenden voorspoed en
overvloed waren, dat de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat
eerst van toen af door de merkbare vermindering der visschen aan de
kust, de Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een
avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden, aanvankelijk
gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie eerlang
evenveel verloor als zij vroeger gewonnen had en zelve in 1642 de nering
opgaf[426]. Men vergeet bij deze voorstelling echter te veel, dat een
bedrijf als de walvischvangst uit zijnen aard zeer onderhevig is aan
geluk en ongeluk, dat »groote perijculen,” ijsgang, storm, zware mist
veel invloed op het resultaat van »’t onzeecker visschen” kunnen
oefenen; men brengt bovendien te weinig in rekening de geringe ervaring
en bekwaamheid der Nederlanders in 1614, gebreken door de overkomst van
enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook reeds gezien,
dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op het verhaal van
Zorgdrager,--een boek ter loops gezegd even voortreffelijk waar het door
den schrijver zelven geziene zaken mededeelt, als slecht te vertrouwen
waar het de ~geschiedenis~ der walvischvangst geldt,--althans wat het
laatste gedeelte aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherij gaf nog
eenige jaren na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen, die
zich daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan ook
in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. Ook wat de
rijke vangst betreft en het tijdstip van den grootsten bloei der
walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager geheel misgetast heeft.
Reeds dadelijk volge hier eene opgave van het resultaat der
walvischvangst over de eerste twintig jaren[427].

                  ~Spitsbergen.~                ~Jan Mayen-eiland.~
  1612     slecht                             --
  1613     slecht (door roof der              --
           Engelschen)
  1614     slecht                             --
  1615     zeer slecht                        --
  1616     slecht                             ?
  1617     slecht (door roof der              ?
           Engelschen)
  1618-22  ?                                  ?
  1623     zeer goed                          ?
  1624     goed                               zeer goed
  1625     ?                                  slecht
  1626     slecht                             zeer goed
  1627     ?                                  ?
  1628     slecht (alleen Vlissingen          slecht (alleen Vlissingen
           gelukkig)                          gelukkig)
  1629     ?                                  ?
  1630     ?                                  ?
  1631     ?                                  zeer goed
  1632     goed                               niets (het ijs blijft het
                                              eiland omringen)[428]

    [426] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 192, 229.--De walvischvangst.
    II p. 87.--Scoresby, Account. II p. 52, 178.--Lindeman, Arkt. Fisch.
    p. 20.--Tegenw. Staat. I p. 590-92.

    [427] Over de laatste tien jaren der N. C. vind ik geene opgaven
    medegedeeld.

    [428] Deze opgaven zijn ontleend aan: Wassenaer, Hist. verh. V fol.
    157, VII fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XII fol. 8, XVI
    fol. 26.--Hist. du pays de Spitsberghe. p. 22, 25, 26.--Edge, Dutch
    disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.--R. S.-G. 23
    Apr. 1615.--Getuigenissen in zake de Eng. quaestie v. 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de
    N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Getuigenis v. Wybe Jansz.
    voor de regeering v. Amst. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--Req. der N. C. c. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. 11
    Mrt., 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

Het blijkt dus reeds terstond: 1^{o}. dat de allereerste jaren der
walvischvangst, wel verre van een resultaat te leveren, dat met den zoo
geroemden overvloed der visschen overeenkwam, integendeel bizonder
slecht uitvielen[429], 2^{o}. dat de Noordsche Compagnie ook in latere
jaren, toen ervaring en bekwaamheid toenamen, volstrekt niet rekenen kon
op een vaste ruime vangst, maar steeds afhing van verschillende
omstandigheden, die op het resultaat der reis invloed oefenden, en
3^{o}. dat de jaren, waarin wij weten, dat de Noordsche Compagnie een
meer dan gewoon aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt
niet als gunstig in de boeken der vereeniging aangeteekend
stonden,--eene opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door
de compagnie uitgezonden niet ~uitsluitend~ aan het bovenvermelde
beginsel van »kleine vangst hooge prijzen” toegeschreven, maar evenzeer
aan de betrekkelijk geringe ruimte van het terrein geweten moet worden.

    [429] Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C.
    c. Clarke dd. 15 Mrt. 1619 (lees 1618) in: Noordsche togten. 2.
    Admiraliteit. R.-A.)

Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der vangst
ons dus leeren, laten zij ons echter over eene zaak geheel in het
duister. Wat verstond men onder een goede en slechte vangst, m. a. w.
hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelijkerwijze verwachten jaarlijks
te zullen vangen? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk, daar
ons nagenoeg alle gegevens voor eene statistiek van de jaarlijks
ingevoerde hoeveelheid traan en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus
vergenoegen met den zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de
algemeene begrootingen der Noordsche Compagnie aanbieden.

Bij de overeenkomsten, die de verschillende kamers der compagnie van
tijd tot tijd met elkander sloten en waarbij zij ieders aandeel in de
vangst regelden, werd namelijk het deel dat aan eene kamer toekwam
uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al deze deelen bij elkaar
gevoegd vormden dus het getal quarteelen, dat men hoopte te vangen. Over
de eerste jaren ontbreken die opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden
wij een cijfer genoemd: de Noordsche Compagnie begrootte toen haar
jaarlijksche vangst op 21.000 quarteelen[430]. Sedert is een gedurige
vermindering der opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de
vangst op 17.500 quarteelen begroot[431], in 1636 op slechts
16.000[432]. Ik geef dadelijk toe, dat men op deze cijfers niet vast
vertrouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op 1/3, 1/4, 1/5
of op kleinere breuken geschat werd, koos men een getal, dat ook in die
breuken een ronde som kon geven; maar ongetwijfeld is de begrooting toch
~ongeveer~ de uitdrukking van hetgeen de Noordsche Compagnie krachtens
vroegere ondervinding van hare vangst verwachtte[433].

    [430] R. S.-G. 3 Febr. 1622.

    [431] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [432] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.

    [433] Geheel geene gevolgtrekkingen kan men afleiden uit de
    vermeerdering der gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en
    met 3000 in 1636. (R. S.-G. 4, 11, 12 Febr. 1622.--Aitzema, Saken
    van Staet. II p. 360.--Tegenw. Staat. I p. 590.) Beide malen
    geschiedde deze vermeerdering ten gerieve van nieuwe leden (de
    kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel uit de gewone
    begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers
    op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlijk blijkt
    daaruit geheel niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting
    der geheele vangst op 24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, l. c.
    II p. 360), terwijl ze nog in Februari van hetzelfde jaar op slechts
    16.000 begroot was (zie hiervóor p. 124 Noot 3{[432]}), geschiedde
    waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was met acht
    Hollandsche steden, die men slechts in de N. C. wilde toelaten,
    indien de regeering door wering van alle concurrentie het der
    compagnie mogelijk maakte hare vangst op 24.000 quarteelen te
    brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
    gedeput. R.-A.)

Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf voor de
begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij hebben gezien, dat
het getal schepen, die de Noordsche Compagnie jaarlijks naar het noorden
zond, hoogst zelden tot twintig klom[434]. Wanneer wij nu vernemen, dat
een ~groot~ schip ongeveer 1000 quarteelen traan kon bevatten[435], en
wanneer wij er aan denken, dat het niet zelden voorkwam, dat men een
gedeelte der vangst op het land moest achterlaten of met naschepen laten
vervoeren, kunnen wij gemakkelijk berekenen, dat de compagnie met eene
vangst van 20.000 quarteelen tevreden kon zijn[436]. Eenige
bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs, dat de groote en kleine
Noordsche Compagniën tot 1622 toe--dus tot op het tijdstip waarop wij
zagen, dat de vangst hun het meest inbracht,--~te zamen~ in geen jaar
ooit meer hadden gevangen dan 19.000 quarteelen traan[437], eene opgave,
die tot eene nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte
berekening. Wij vernemen eindelijk, dat omstreeks 1640 een schip ~bij
gunstige vangst~ tien walvisschen of zelfs enkele meer kon
vermeesteren[438], en wanneer wij bedenken, dat éen walvisch gewoonlijk
60 à 70 quarteelen traan en 1000 à 1800 pond baarden leverde [439],
komen wij tot de van elders bevestigde conclusie, dat de gouden tijden
der naschepen toen reeds lang voorbij waren.

    [434] Zie de statistiek op p. 109, 10.

    [435] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.--Martens, Voyage to
    Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 133.--Sent. v. h. Hof v. Holl.
    in zake de N. C. c. Braem, dd. 29 Juni 1629.--Eene vangst van 657
    quarteelen beloonde de kosten van uitrusting van een schip niet.
    (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.)
    De Engelsche schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas,
    Pilgrimes. III p. 467-69, 737.--Purchas, Pilgrimage. p. 816.)

    [436] De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden
    het een zeer goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1300 vaten
    traan, in 1617 veertien schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen
    1300 vaten inbrachten. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 467, 69.)

    [437] Req. v. P. v. d. Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr.
    1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [438] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. (Dat deze opgave uit de
    laatste dagen der N. C. dagteekent, blijkt uit het feit, dat de
    schrijver gedurig van zeevisschers spreekt, die niet aan Spitsbergen
    mochten komen om hunne traan te koken.)

    [439] Dit is de gemiddelde opbrengst, maar er was daarop zoo weinig
    staat te maken, dat men van walvisschen leest, die niet meer dan 10
    quarteelen opleverden, terwijl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter
    vergelijking zie men de opgaven van de opbrengst van een walvisch
    bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.--Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 105, 129, 313, 356, 371.--De walvischvangst. I p.
    42.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 6, 8,
    10, 106, 113, 120.--Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 356.--Hist. du
    pays de Spitsberghe. p. 18.--Drie Voyagien na Groenlandt. p.
    15.--Sent. v. h. Hof v. Holland in zake de N. C. c. Braem dd. 29
    Juni 1629.--Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 732, 34, 36,
    37.--Schaderekening der Zeeuwen v. 1617, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Eng. schaderekening v. 1618, in: Lias loop. 1618.
    R.-A.

Uit al het voorgaande blijkt, dat de geschiedenis der walvischvangst
onder de kust in groote trekken aldus is. Terwijl de eerste jaren door
onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote uitrustingen nadeelig
waren, werd het resultaat gunstig, zoodra de Noordsche Compagnie besloot
zich uitsluitend naar de door mededingers niet bezochte noordelijke
baaien op Spitsbergen en naar Jan Mayen-eiland terug te trekken: de
jaren 1619 tot 1624 zijn dus die van den grootsten bloei. Reeds van dit
laatste jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst, die echter
nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging op het
Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende was de vangst
omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na het openstellen der
visscherij voor alle Nederlanders werd de walvisch in weinige jaren voor
goed uit de baaien verjaagd. De zeevisscherij, die omstreeks 1630
opkwam, moest reeds twintig jaren later door de ijsvisscherij vervangen
worden.

Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste
scheepsladingen traan en balein in ons vaderland werden binnengevoerd,
het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche Compagnie is
daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de eene zijde het haar
dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en gebrek aan zuinigheid ook bij
eene rijke vangst kon doen verliezen, had de compagnie in de door haar
zelve bepaalde vaste prijzen der traan een middel om ook bij een zeer
geringe toevoer nog redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan
is. Wij kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die wij reeds
met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben zien aankomen, nog
verder in haren handel te volgen.

Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie in het begin
werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voornamelijk in lampen tot
verlichting werd gebruikt, en het spek, dat ook tot spijs schijnt
gediend te hebben[440], vond men bijna overal een willige markt; de
balein, waarvan men aanvankelijk het nut niet goed schijnt ingezien te
hebben, werd sinds de uitvinding van den Engelschman John Osborne, die
ze in 1618 door samenpersing begon te bewerken[441], gezocht voor
schilderijlijsten, versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels, ook
voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef natuurlijk de
hoofdmarkt voor deze artikelen[442], maar van Nederlandsche kooplieden
der zeventiende eeuw was het niet te verwachten, dat zij zich binnen
zulke enge grenzen zouden beperken. Weldra werd Frankrijk,[443]
waarschijnlijk ook Duitschland, Spanje en de kusten der Middellandsche
zee[444] voor den nieuwen handel ontsloten. De prijzen waren
aanvankelijk natuurlijk zeer hoog: éen walvischbaard werd met ƒ 12 (30
stuivers het pond) betaald[445], en de Noordsche Compagnie durfde in
1617 een quarteel traan op ƒ 150, de 100 pond balein nog op ƒ 30
begrooten[446]. Maar weldra daalden de prijzen: de baarden waren in 1618
bijna niets meer waard[447] en ook de traan werd als nieuw en kostbaar
artikel door het geringe verbruik gedrukt. Toen de walvischvangst zich
in 1623 na eenige jaren van goede vangst hersteld had van de verliezen
der eerste jaren, vinden wij het quarteel traan in Frankrijk begroot op
ƒ 45, de 100 pond balein op ƒ 10[448]. In Nederland--waar de prijzen
niet veel van de Fransche verschild zullen hebben, daar de compagnie bij
de bepaling der vaste prijzen natuurlijk met het buitenland moest
rekenen,--werden dit jaar de prijzen zeer hoog geoordeeld[449]. De vraag
vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 100 pond balein voor ƒ 20
verkocht[450]; in 1632 werd de prijs van het quarteel traan op ƒ 60
bepaald[451] (de hier te lande gekookte slechtere traan gold dat jaar
ruim ƒ 51-1/2 het quarteel[452]), terwijl de baarden echter weder niet
meer dan ongeveer ƒ 8 de 100 pond deden[453]. Sedert begon de invloed
der concurrentie zich meer en meer te doen gevoelen: de walvischvangst
van Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de markt
te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later ook in de IJszee,
en vooral de meer en meer zich ontwikkelende zeevisscherij der
Nederlanders zelve wierp een groot gewicht in de schaal. De Noordsche
Compagnie, gewoon aan eene vrije en machtige positie, wist zich niet
spoedig naar de veranderde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare
goederen voor veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte
het onmogelijk de vaste vooruitbepaalde prijzen spoedig te veranderen,
en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na geruimen
tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op onvoordeelige wijze
van de hand gedaan moesten worden[454]. Langzamerhand was de vereeniging
toch wel genoodzaakt, met haren tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de
prijs van een quarteel traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30,
ja 25 gedaald[455].

    [440] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109.

    [441] Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester
    maar sinds zijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover
    lang gepeinsd en eindelijk „door een sonderlinge wetenschap de dunne
    stucken soo in malkanderen weten te parssen, dat sy een massa zyn en
    blyven.” Had het balein eenmaal deze kunstbewerking ondergaan, dan
    werd het „so gedwee of mol, datmen met een gesneden plaet daerop
    druckt ’t gene men wil, de alderdunste graveringhen, als stralen van
    de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde
    plaet, of het pampieren afdrucksel siet: Men maeckt daer tronien
    heel uytstaende af, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle
    beeltenissen van Historien, of sy vande beste beeldt-snyders gedaen
    waeren: tot ornamenten der huysen en camers dienende, blyvende
    altoos soo swart als gitte, so men seyt.” (Wassenaer, Hist. verh.
    VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Wassenaer een
    kreet van bewondering: „Nu bevinde ick”, schreef hij, „dat die
    luyden in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelen dat alle konsten
    op het hooghste zyn, en datter niet en is, of ’t sy al ghevonden.
    (NB. in 1624!) Voorwaer dese inventie braveert alle subtyle
    verstanden!”

    [442] De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat
    de N. C. zich tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat
    dit onjuist is, blijkt uit de beide volgende noten.

    [443] Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rouaansche
    admiraliteit gelegd op de goederen der N. C. te Rouaan, Bordeaux en
    Bayonne (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. Bijl. II, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), blijkt dat de compagnie
    daar agenten had.

    [444] De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1638 aan
    Christiaan IV voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide
    natiën te deelen: de Denen zouden Denemarken en de oostelijk van
    daar gelegene landen alleen hebben, de Nederlanders Duitschland ten
    westen der Elbe, Nederland, Frankrijk en alle andere zuidelijk en
    westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen.
    dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.) De resident, die in
    correspondentie stond met de N. C., zou dezen voorslag, waartoe hij
    trouwens geen specialen last had, zeker niet gedaan hebben, zoo de
    compagnie van den alleenhandel in die landen geen voordeel had
    kunnen trekken.

    [445] Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86.

    [446] Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in
    1618 op £ 15. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)

    [447] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

    [448] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni
    1629.

    [449] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

    [450] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

    [451] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Dictum v. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637.

    [452] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [453] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.--Uit deze sententie blijkt, dat voor de baarden niet als voor
    de traan vooraf een vaste prijs door de N. C. bepaald werd: in 1632
    werden ze eenvoudig allen aan de Amsterdamsche kamer ter verkoop
    gezonden.

    [454] Aanwysing v. heils. polit. gronden. p. 75.

    [455] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Om de prijzen te
    berekenen moet men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen,
    die ~ongeveer~ 12 steekannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager,
    Groenl. vissch. p. 339, 370, 371.--Lindeman, Arkt. Fisch. p.
    9.--Dictum en Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd.
    3, 4 Apr. 1637.) De spekquarteelen waren grooter, zij hielden 16 à
    18 steekannen. (Zorgdrager l. c. p. 335, 370.--Rijper zeepostil. p.
    356.--Tegenw. Staat. I p. 608.)

Bij de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare inrichting
zelve noodzakelijk nu en dan lijden moest, voegden zich echter andere,
die zij tot het laatst toe niet poogde te voorkomen. De omslachtige
wijze van traankoken, die zij had aangenomen en die haar noodzaakte
kostbare inrichtingen in het barre noorden in stand te houden, was
misschien[456] wenschelijk toen de overvloedige vangst niet in de
schepen geborgen kon worden en toen men dus verplicht was naschepen te
zenden om ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in
latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geene volle
lading traan meer medebracht. De geheele toestel dagteekende uit de
tijden, toen men meende, dat het niet alleen onvoordeelig maar ook bijna
onmogelijk was, het in stukken gesneden walvischspek naar het vaderland
mede te nemen en eerst daar tot traan te bereiden. De concurrentie had
ook hier den goeden weg gewezen; de zeevisschers, die het land niet
mochten naderen en dus wel genoodzaakt waren hun spek ongekookt mede te
nemen, hadden bewezen, dat er ook op die wijze uitnemende zaken te maken
waren. Maar toch volhardde de geoctrooieerde vereeniging bij haar oud
gebruik: niettegenstaande deze gewoonte de kosten der jaarlijksche
uitrustingen bijna verdubbelde, droeg zij liever de daaraan verbonden
schade dan ze op te geven. Had ook zij het spek mede naar huis genomen,
dan had zij zelve het grootste voordeel prijsgegeven, dat zij boven hare
mededingers meende te hebben, en zij volhardde dus in de hoop, dat de
betere qualiteit der door haar gekookte traan de verbruikers zou doen
genoegen nemen met de groote duurte, die deze kostbare bereiding van het
artikel natuurlijk medebracht. Het was te denken, dat de vereeniging,
die dus de bakens niet wist te verzetten toen het getij verliep, niet
kon concurreeren met mededingers, die zelfs uit de uitgekookte vinken,
uit de bezonken prut en lil een winst wisten te maken, die de compagnie
door het gedurig achterlaten van dien afval in het noorden steeds
moedwillig verzuimde[457].

    [456] Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken
    slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White,
    Spitzbergen. p. 131.) Op elk volgeladen schip--een schip, dat 1000
    quarteelen hield, behoorde onder de groote--zou men dus, wanneer men
    het spek niet tot traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven
    achter te laten. Wanneer wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15
    schepen schatten, geeft dit dus een jaarlijksch overschot van 3000
    quarteelen spek. Nemen wij dus al aan, dat de schepen alle jaren
    geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren nooit
    konden medevoeren, (wat wij weten dat bepaald niet het geval was,)
    dan kon men door jaarlijks drie naschepen te zenden, den geheelen
    omslachtigen toestel van traankokerijen en woonhuizen in het
    noorden, van dubbele bemanning en dubbele victualie bespaard hebben.

    [457] Tegenw. Staat I p. 599.--Dat de achtergelaten afval niet
    onbeduidend was, blijkt wel uit het feit, dat de acht Engelsche
    matrozen, die in 1630 op Spitsbergen overwinterden, zich gedurende
    den geheelen winter grootendeels daarmede voedden. (Pellham, Gods
    power, in: White, Spitzbergen. p. 267.)

De gevolgen lieten zich niet wachten: de eene reeder vóor de andere na,
wiens kapitaal niet groot genoeg was om de zware verliezen te dragen,
die hem nu en dan troffen, verkocht zijne aandeelen en beloofde zich
zelven, voortaan geen duit meer in de gevaarlijke nering te zullen
steken. Zoo werden de Zeeuwsche compagniën, die het trouwens al bizonder
slecht getroffen en geen van de drie eerste jaren, dat zij zich met de
walvischvangst bezighielden, ongestoord gevischt hadden, reeds met het
einde van 1618 ontbonden[458]. De kamers van het Noorderkwartier volgden
dit voorbeeld op het laatst van 1621[459]; die van Delft, wier aandeel
in de Noordsche Compagnie zoo belangrijk was, nog vóor 1624[460]; de
kleine Noordsche Compagnie, door de energieke Kyen en Leversteyn
opgericht, zag den laatste reeds weinige jaren later zich uit dit
bedrijf terugtrekken, en kort na de vereeniging met hare oudere zuster
loste zij zich geheel op[461]. Wel waren in die tijden vol moed en
energie steeds nieuwe handelaars gereed om hun kapitaal aan de
wisselvallige kansen te wagen, maar dat de gedurige ontbindingen der
kamers niet door gril of toeval veroorzaakt werden, blijkt toch
voldoende. Al gelooven wij de jammerzieke bewindhebbers der Noordsche
Compagnie niet, die zelfs in 1624 en 1633, in tijden van bijna
ongestoorde rust, over de ontzettende ellende der laatste jaren
klaagden[462]; al schenken wij geen gehoor aan de ontboezemingen der
Zeeuwen, die zeker sterk overdreven, toen zij het in 1624 deden
voorkomen alsof zij ook na de oprichting van nieuwe compagniën (1618)
geen voordeelig jaar gehad hadden[463], wij kunnen ons niet voorstellen,
dat de bewindhebbers onwaarheid spraken toen zij feiten noemden. En die
feiten zijn welsprekend! Wij vernemen, dat het kapitaal der Noordsche
Compagnie na de reis van 1615 geheel verbruikt was[464],--een feit, dat
de geringe uitrusting van 1616 verklaart; de kleine Noordsche Compagnie
verzekerde, dat zij in 1621 na zesjarig bestaan nog maar twee goede
jaren had gehad[465]; wij hooren, dat die van het Noorderkwartier in
1624 niet minder dan 1-1/2 kapitaal ten achteren waren[466] en dat in de
eerste jaren der walvischvangst de ongelukkige Zeeuwen meer dan eens hun
kapitaal op éene reis geheel verloren[467].

    [458] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Herhaaldelijk wordt ook van de „~oude~
    Noortsche Compaignien” te Vlissingen en elders gesproken. (Req. v.
    de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2.
    Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G. 22 Aug., 23 Sept. 1624, 9 Apr. 1625.)

    [459] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [460] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [461] Zie meer hiervóor p. 79, 80 en hierna Hfdst. IX.

    [462] „Cort advertissement” v. Kyen en Leversteyn (dd. 29 Febr.
    1616), in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Corte Deductie der N. C. dd.
    18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Gr.
    Placaetb. I p. 678.

    [463] N. Z. 22 Febr. 1622.--Req. der N. C. Zeeland aan de Stn.-Gen.
    dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

    [464] R. S.-G. 23 Apr. 1615.

    [465] Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in:
    Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

    [466] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [467] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Zóo weinig geloof verdient de rooskleurige beschrijving, ons door
Zorgdrager van de eerste jaren der walvischvangst opgedischt! Maar dat
aan den anderen kant op het boven geschetste tafereel,--uit den aard der
zaak grootendeels aan de berichten der bewindhebbers zelve ontleend,--de
sombere tinten het meest in het oog vallen, is niet minder waar. De
voortdurende aandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van
de Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om deel
aan de steeds gesloten walvischvangst te krijgen bewijst voldoende, dat
er winst bij te behalen viel. Mogen ook buitenlandsche mededingers, die
zich voortdurend naast de Noordsche Compagnie in de IJszee nestelden,
met weinig kennis van zaken een bedrijf ter hand genomen hebben, dat
weldra bleek lang geene zekere geldbelegging te zijn: aan de
binnenlandsche concurrenten kon het toch zeker niet onbekend blijven,
dat de Noordsche Compagnie nu en dan zéer ongelukkig was en hare slechte
jaren telde. Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de
compagnie slechts met moeite afgeweerd werd, moet men wel aannemen, dat
tegenover de groote verliezen jaren stonden, die door overrijke vangst
vele slechte tijden vergoedden,--jaren als die, waarvan Zorgdrager ons
bericht, dat Willem Ys met éen naschip tot tweemalen toe 1000 quarteelen
traan van Jan Mayen-eiland in het vaderland invoerde[468].

    [468] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.--De kleine N. C.
    antwoordde dan ook op de bedreiging der N. C., dat zij de nering zou
    opgeven als de kleine N. C. niet geweerd werd, dat velen dan den
    handel, die zoo verwaarloosd werd, zouden willen bij de hand nemen.
    („Cort advertissement” van Kyen c. s. dd. 29 Febr. 1616, in:
    Noordsche togten. 1. R.-A.)

En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe reeds de
schrijver van den Tegenwoordigen Staat voor de latere jaren der
visscherij gekomen is[469],--de gevolgtrekking, dat de walvischvangst
eene »loterij” was. Wij kunnen ons volkomen vereenigen met het
resultaat, dat de walvischvangst over het geheel den reeders voordeelig
was[470],--hoe toch laat zich anders de voortduring van dit bedrijf
verklaren?--maar wij moeten er bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig
was om dat voordeel te verkrijgen, dat men den moed en de macht moest
hebben om de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden
voor tijden van tegenspoed en verlies[471].

    [469] Tegenw. Staat. I p. 600.

    [470] Tegenw. Staat. I p. 606.

    [471] Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den
    val der N. C.: Aanwysing p. 29, 75, 84.--Versl. over de
    zeevisscherijen. Bijl. XVI.--Tegenw. Staat. I p.
    597-611.--Achenwall, Staatsverf. p. 414, 15.--Le Long, Kooph. v.
    Amst. II p. 161-190.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--Scoresby,
    Account. II p. 141, 43, 49-61.--Dooregeest, Rijper zee-postil. p.
    357.--De walvischvangst. II p. 89-116.--Zorgdrager, Groenl. vissch.
    p. 197, 241, 251, 302 vlg.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White,
    Spitzbergen. p. 113, 120.



HOOFDSTUK IV.

DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.


Reeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzijden gesproken van de
inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op de kusten der IJszee
gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan zijn, dat die inrichtingen
van blijvenden aard waren en dat men hier dus bepaaldelijk aan eene
Nederlandsche vestiging, eene soort van kolonie te denken heeft. De
gelegenheid ontbrak mij tot nog toe, daarover anders dan in het
voorbijgaan te spreken en ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan
ook hier in het bizonder behandelen,--te liever daar er over de
uitgebreidheid en het belang daarvan »een ongelooflijk groot
misverstand” heerscht. Terwijl de een spreekt van het gewoel, ja het
gedrang, dat er alle zomers op Smeerenburg was, weet een tweede te
verhalen, dat daar, bijna onder de Noordpool, de »weelderige” koopman
der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zijn welgebouwd
huis binnen Amstels wallen bood; een derde verheft den roem der kolonie
tot in de wolken en verzekert, dat Smeerenburg, door vruchtbaargemaakte
velden omringd, als handelsstad van even groot belang werd geacht als
het jeugdige Batavia; een vierde eindelijk drijft de zaak tot het
uiterste door te verhalen van prachtige winkels en »voortreffelijk
ingerigte logementen”(!), die men onder de woningen der kooplieden op
Smeerenburg vond[472]! Het is geoorloofd te vragen, wat de bij uitstek
practische Nederlanders der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen
van dergelijke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende
een paar maanden bezochte kusten, tenzij archaeologische nasporingen de
geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen, dat men hier met
een asyl voor schipbreukelingen te doen heeft of met de prototypen dier
hospitalen voor teringlijders, wier aanbouw op Spitsbergens stranden nog
onlangs door aardrijkskundigen van naam voorspeld werd!

    [472] Zie een sterksprekend voorbeeld bij: Berghaus, Wat men van de
    aarde weet. II p. 337.--Vgl. ook: De Reste, Hist. des Pêches. I p.
    42.

Het is zeker onaangenaam, dergelijke fantastische en uitlokkende
voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik volkomen overtuigd ben,
dat al deze verhalen niets meer zijn dan sprookjes, die de een den ander
navertelt zonder dat het sommigen vertellers zelfs mogelijk zal zijn hun
laatsten berichtgever te noemen, schroom ik niet deze onaangename taak
op mij te nemen. Steunende op de berichten der Noordsche Compagnie, en
vooral op de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de barren
winter hebben doorgebracht,--niet in weelderige hotels, maar in hutten
van planken, waarin zij zich in hunne houten kribben ter nauwernood voor
den wind konden beschermen,--stel ik mij voor eene beschrijving der
Nederlandsche vestigingen in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal
misschien sterker getuigen voor de energie en de ondernemingszucht der
Amsterdamsche kooplieden, dan de thans in omloop zijnde sprookjes voor
hun practischen zin en hun gezond verstand!

Laat ons zien, waar wij het Nederlandsche gebied in de IJszee te zoeken
hebben. Dat het tot Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beperkt was, wordt
algemeen aangenomen. Vestigingen op Groenlands westkust werden eerst
~mogelijk~ sinds den aanvang der visscherij in straat Davis in
1719[473]. Zoo enkele schrijvers van vestigingen aldaar vóor 1642
gesproken hebben[474], dan berust dat op een verkeerd verstaan van den
naam »Groenland,” die vroeger niet alleen bepaaldelijk ook op
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland, maar zelfs in het algemeen wel eens op
alle noordsche landen werd toegepast. Op Jan Mayen-eiland, waar de
Noordsche Compagnie weinige of geene concurrenten had, schijnt het
Nederlandsche gebied niet nauwkeurig begrensd geweest te zijn; des te
meer echter op Spitsbergen, waar Engelschen, Denen en Franschen aan de
Nederlanders den voorrang betwistten. Van zelf was het gebied der
verschillende natiën beperkt door den loop der walvisschen, die
hoofdzakelijk de westkust van het eiland bezochten: dáar was het dan
ook, dat de wedijverende volken hunne ankerplaatsen kozen en hunne
hutten opsloegen. Laat ons eerst onderzoeken, welke plaats zich de
Engelschen, de eerste walvischvaarders, toeëigenden.

    [473] Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 26, 28.

    [474] Luzac, Hollands rijkdom. I p. 347.

Het uitgangspunt der Engelsche bewegingen was reeds in 1612 Sir Thomas
Smith’s-bay, ook wel Fair foreland geheeten[475]; het volgende jaar
vischten zij daar weder en ook in Bellsound en Icesound[476], terwijl
in 1614 Bellsound, Icesound (Greenharbour), Sir Thomas Smith’s-bay en
Fairhaven alleen als hun uitsluitend eigendom werden aangeduid[477].
Reeds dadelijk was Deersound (Cross-road) door de Engelschen
bezocht[478], en het blijkt, dat ook in Hornsound en Maudlensound door
hen in den eersten tijd een enkele maal gevischt is[479]. In deze zeven
baaien alleen vinden wij gedurende den geheelen duur der walvischvangst
onder het land Engelsche schepen[480]; de drie noordelijkste werden
echter weldra geheel door hen verlaten[481] en hoewel Greenharbour en
ook Hornsound nog een enkele maal genoemd worden[482], waren Sir Thomas
Smith’s-bay en Bellsound de hoofdpunten, waar zich de Engelsche
walvischvangst vestigde. Dat deze vestiging echter niet veel te beduiden
had, blijkt wel uit het feit, dat in Bellsound behalve eenige linnen
tenten[483], die tot woning der »land-men” dienden en later door houten
hutten vervangen werden[484], slechts een groote planken schuur stond
met pannen gedekt, die tot bergplaats diende en door de kuipers tevens
als woon- en werkplaats gebruikt werd[485]. Elders vond men alleen een
steenen huis met houten dak, waarin zich eenige houten kribben bevonden,
benevens eene kuiperij, die tegelijk woonhuis was[486]. Voor berging van
gereedschappen gedurende den winter was dus slechts ter nauwernood
gezorgd[487]. Bij elke vestiging bevonden zich verder natuurlijk
een of meer vastgemetselde traanketels met of zonder steenen
schoorsteenen[488]. Dit was nagenoeg alles, wat de Engelschen in hun
uitgestrekt gebied, dat bijna de geheele westkust van Spitsbergen
omvatte, voor woning en berging hadden gebouwd. Laat ons nu zien, of de
Nederlandsche vestiging van meer belang was.

    [475] Hist. du pays de Spitsberghe. p. 13, 21.

    [476] Baffin, Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716 vlg.

    [477] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.--Fotherbye, Voyage of
    Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720 vlg.

    [478] Poole, Voyage to Cherry Iland etc. 1610 (1611), bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 703.--Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615,
    bij: Purchas l. c. III p. 731.--Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 Juli
    1619, bij: Purchas l. c. III p. 735.

    [479] Eng. schaderekening van 1618, in: Lias loop. 1618.
    R.-A.--Fotherby, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III
    p. 722.--Insin. v. Ys aan Vrolicq dd. 30 Juni 1633, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [480] „Portnick,” waar de Engelschen in 1617 vischten (Br. v. Heley
    aan Deicrowe, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 732), is
    waarschijnlijk Nickes Cove (Behouden haven) in Icesound.

    [481] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. (1634), in: Noordsche togten.
    4. Loop. N. C. R.-A.

    [482] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258, 67.

    [483] Zie de kaart v. Spitsbergen bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    473.

    [484] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.--Zulk
    een houten huisje werd in 1618 door de Engelschen op £ 15 begroot.
    (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)

    [485] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269.

    [486] Scoresby, Account. II p. 177.--Pellham, Gods power, bij:
    White, Spitzbergen. p. 262.

    [487] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 267, 71,
    72.--Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.

    [488] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.

Hoewel Beeren-eiland in den aanvang een enkele maal bezocht werd, was
reeds dadelijk Spitsbergen het doel van de tochten der Nederlandsche
walvischvaarders. Terwijl Van Muyden in 1612 op zijn zwerftocht langs de
kust Fair foreland aangedaan en in zuidelijker baaien zonder veel vrucht
de visscherij beproefd had[489], was hij reeds dadelijk in 1613
gelukkiger. Behouden-haven in Icesound, Lowsound en vooral Schoonhaven
(Bellpoint) in Bellsound verschaften hem toen rijken buit. Hornsound
werd dat jaar door kapitein Thomas Bonner met een Nederlandsch schip
bezocht[490]. Reeds in het eerste jaar der Noordsche Compagnie (1614)
bereikten de Nederlanders daarop de plaats, waar zij naderhand hunnen
hoofdzetel zouden opslaan: eenige schepen vertoonden zich in de
noordelijke baai van Fairhaven[491], een der vischrijkste en veiligst
gelegen baaien van het gansche eiland[492], die toch door de Engelschen
tot nog toe niet bezocht was en daarom nu reeds dadelijk de »Hollandsche
baai” genoemd werd[493]. Het volgende jaar (1615) werd deze baai weder
bezocht; ook in Hornsound waren eenige schepen der compagnie, Bellsound
was echter het hoofddoel van de reis[494]. Reeds datzelfde jaar deed men
een belangrijken stap tot het verkrijgen eener duurzame vestiging.

    [489] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 714, 15.

    [490] Hist. du pays de Spitsberghe. p. 21, 22, 24.--Baffin,
    Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.

    [491] Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III
    p. 723.

    [492] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 86.

    [493] Deze naam wordt reeds in 1616 genoemd. (Instr. der Stn.-Gen.
    voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.) De gewone naam in de tijden der N.
    C. was echter „Mauritius-baai.”

    [494] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.

Al dadelijk in 1612, en vooral in 1613 met behulp der gehuurde Basken,
had de Noordsche Compagnie zich toegelegd op het bewerken der gevangen
walvisschen tot traan[495]; de noodige ketels en gereedschappen had men
in het schip medegevoerd en slechts tijdelijk aan land opgesteld[496].
Natuurlijk deed zich spoedig de behoefte gevoelen aan eene gelegenheid
tot berging van de vele omvangrijke werktuigen, ten einde het lastige
heen- en weêrvoeren te vermijden. Het was dus eene zeer eenvoudige zaak,
dat de Noordsche Compagnie op het voorbeeld der Engelschen, die reeds in
1613 eene loge aan Fair foreland hadden, in 1615 bevel gaf een houten
gebouw in Bellsound op te richten. De walvischvaarders gehoorzaamden aan
dit bevel en borgen in de opgeslagen loods hunne sloepen, vaten en
gereedschappen voor het volgende jaar[497]. Hoe natuurlijk deze
handelwijze ook was, toch kon zij niet anders dan onvoorzichtig genoemd
worden. Men was midden in den strijd met de Engelschen, die zich den
uitsluitenden eigendom van Spitsbergen toekenden; hoe kon men hopen, dat
dezen de Nederlanders, die eerst sinds twee jaren het eiland bezochten,
niet zouden verhinderen in eene handeling, die blijken gaf van hun
voornemen om zich daar bij voortduring te vestigen en waarop zij zich
later tegen Engeland zouden kunnen beroepen? En de kansen der Noordsche
Compagnie werden nog ongunstiger, toen zij de macht niet had om zich te
handhaven; het jaar 1615 was zeer onvoordeelig geweest en met de geringe
krachten, waarover de compagnie dus in 1616 te beschikken had, oordeelde
zij het raadzaam de Engelschen dit jaar te ontwijken en zich met de
visscherij aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland te vergenoegen[498].
Natuurlijk maakten de Engelschen nu van de afwezigheid der Nederlanders
gebruik om hunne loge te vernielen en zich den inhoud toe te
eigenen[499]. Vier schepen der Noordsche Compagnie, die door de schrale
vangst aan Jan Mayen-eiland gedwongen waren op Spitsbergen hun geluk te
beproeven, waren te zwak om de euveldaad hunner vijanden te verhinderen;
slechts éen kwam naar Bellsound, terwijl de anderen Greenharbour,
Maudlensound en de Hollandsche baai bezochten[500]. Het ongeluk schrikte
de Noordsche Compagnie af: voor het jaar 1617 werd hare geheele
uitrusting weder naar Jan Mayen-eiland gezonden. Drie Zeeuwsche
schepen, die Hornsound bezochten, brachten hun gereedschap zelve
mede[501]. Veel te zwak om zich te vestigen werd een van hen zelfs door
de Engelschen beroofd, en ook de anderen keerden overhaast terug.

    [495] Resol. Adm. Amst. 20 Apr. 1613.--Wassenaer, Hist. verh. VIII
    fol. 88.--Waarschijnlijk uit vrees voor de Engelschen schijnen
    echter de Nederlanders het traankoken toen nog niet geregeld te
    hebben bij de hand genomen; althans in 1614 kwamen er schepen van de
    N. C. binnen geladen met spek. (Br. der Stn.-Gen. aan de Admir. Maze
    dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.)

    [496] „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. dd. 18 Sept.
    1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [497] „Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare clausum. p. 371.--Instr.
    der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.

    [498] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Dat de compagnie echter het denkbeeld
    eener vestiging niet opgaf, blijkt wel uit art. 18 van het contract
    met de Zeeuwen van 19 Mrt. 1617 (in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
    C. R.-A.), waarin bepaald werd, dat iedere kamer de sloepen en
    gereedschappen, door haar in het noorden achtergelaten, het volgende
    jaar weder zou mogen aanvaarden, „sonder datmen dselve d’een oft
    d’ander ontvreemden zal.” (!)

    [499] „Mémoire” der N. C. bij Muller, Mare Clausum. p. 371.

    [500] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop. dd. 23 Mei 1616.

    [501] Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--„Mémoire” der N. C. bij:
    Muller, Mare clausum. p. 372.--»Corte Deductie” der N. C. dd. 18
    Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Geheel anders was het in 1618: aan Jan Mayen-eiland was te weinig ruimte
voor de vele schepen en de Noordsche Compagnie besloot dus, op nieuw
haar geluk aan Spitsbergen te beproeven. De verschillende baaien op
Spitsbergens westkust werden onder de kamers verloot en de schepen
verspreidden zich in vier afdeelingen. De Amsterdammers begaven zich
naar de Hollandsche baai[502]; de Zeeuwen en die van Delft vestigden
zich onbeschroomd in Sir Thomas Smith’s-bay[503], waar nog nooit een
Nederlander de Engelschen in hun bezit gestoord had[504]; aan die van
het Noorderkwartier was Bellsound ten deel gevallen en Rotterdam moest
zich met Hornsound tevreden stellen[505]. In het bewustzijn hunner
overmacht besloten de Nederlanders nu, op nieuw te beproeven zich op
Spitsbergen te vestigen: zonder vertoef begon men met het bouwen van
loges. Maar het resultaat was even onvoldoende als de eerste maal. De
schepen, die in Sir Thomas Smith’s-bay vischten, hadden nauwelijks hunne
traanketels aan land gebracht of de Engelschen, die zich daar onbeperkte
meesters waanden, verboden hun ze op te stellen en eene loge te
bouwen[506]. Slechts met geweld konden zij zich handhaven en tot eene
vestiging kwam het daar niet. Die van het Noorderkwartier kregen hunne
loge in Bellsound gereed,--een houten huis 80 voet lang, 50 breed,
gedekt met dakpannen,--maar slechts om weldra door de Engelschen
verjaagd te worden, die het gebouw dadelijk weder afbraken en op eene
andere plaats oprichtten »where more fit for their turne[507].” Toen het
dus ten tweedenmale mislukt was, zich in de zuidelijke baaien van
Spitsbergen te vestigen, schijnen de Nederlanders van het bezoeken dier
vischplaatsen voor goed afgeschrikt te zijn. Zij lieten hunne geroofde
loge in handen der Engelschen, die ze nog in 1630 als hun hoofdkwartier
in Bellsound gebruikten[508] en trokken zich naar de Mauritius- of
Hollandsche baai in Fairhaven terug, waar zij ongestoord konden
visschen.

    [502] R. S.-G. 4 Nov. 1622.

    [503] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    468.--Brieven v. Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c.
    III p. 733.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c.
    Amst. dd. 31 Mrt. 1635.

    [504] „Mémoire et Relation véritable” der Mosc. Comp., bij: Muller,
    Mare clausum. p. 378.

    [505] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [506] „Mémoire” der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 372.

    [507] Br. v. Sherwin aan Heley dd. 29 Juni 1618, in: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 733.

    [508] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 269.

Fairhaven was wel niet de grootste, maar toch de rijkste »sound” van
geheel Spitsbergen. Door twee vrij groote eilanden, die eerlang het
Deensche en het Amsterdamsche zouden genoemd worden, verdeeld, bestond
de baai uit twee boven elkander geplaatste rechte hoeken, die in
elkander vloeiden. De zuidelijke hoek werd eerlang door de Engelschen
verlaten en sedert niet meer gebruikt; in de beide armen der noordelijke
(de »Noord-” en »Westbaai”) schijnen de Nederlanders zich reeds nu bij
uitsluiting gevestigd te hebben. Zooveel ten minste is zeker, dat er in
de »Hollandsche baai” in 1619 weder elf[509], in 1620 twee Nederlandsche
walvischvaarders waren[510], terwijl de baai verder tot 1623 toe
geregeld door Nederlanders bezocht werd[511]. Het staat ook vast, dat in
1623 en 1625 de schepen, die de Noordsche Compagnie naar Spitsbergen
zond, allen in Fairhaven vischten[512]. Men zou zich echter vergissen,
wanneer men meende, dat daarom de Noordsche Compagnie zich toen reeds
uitsluitende rechten op die baai aanmatigde. Integendeel, terwijl zij
sinds 1617 de Denen vrijwillig naast zich op het Amsterdamsche eiland
toeliet[513], wees zij aan den anderen kant alle kamers behalve die van
Amsterdam naar het zuidelijke gedeelte van Spitsbergen als het terrein,
waarop zij de walvischvangst konden oefenen. Officiëel bleef zij nog
steeds haar systeem handhaven, dat het geheele eiland Spitsbergen voor
ieder openstond en dat alleen de Nederlanders als ontdekkers
uitsluitende rechten zouden kunnen doen gelden.

    [509] Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 juli 1619, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 735.

    [510] Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 735.

    [511] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469,
    70.--Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1628, by: Purchas l. c. III
    p. 736.

    [512] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. cf. Br. v. Fanne aan Heley
    dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.--Wassenaer l.
    c. IX fol. 124.

    [513] cf. o. a. R. S.-G. 25 Jan. 1624.

Aan dien twijfelachtigen toestand, toen de pretensiën der compagnie in
strijd waren met haar feitelijk bezit, werd volgens alle schrijvers een
einde gemaakt door de overeenkomst, die de geheele westkust van het
eiland tusschen de verschillende natiën, die ze bezochten,
verdeelde[514]. Het bestaan dezer overeenkomst, waarop--als weleer op
het contrat social--alle schrijvers zonder onderscheid zich beroepen
zonder dat zij ooit opgeven, wat de juiste bepalingen daarvan waren,
tusschen wie en wanneer ze gesloten werd, schijnt mij intusschen zéer
twijfelachtig. Er zou volgens de Noordsche Compagnie zelve in bepaald
zijn, dat de grens tusschen Engelschen en Nederlanders bij Fair foreland
getrokken zou worden[515], terwijl anderen alleen Fairhaven met hare
drie baaien als het Nederlandsche gebied aanwijzen[516]. Het is
onmogelijk bij het gemis van alle bewijsstukken deze tegenspraak op te
lossen, maar toch is het zeker, dat de Engelschen na 1623 langzamerhand
van de visscherij ten noorden van Fair foreland afgezien hebben[517] en
dat de Nederlanders zich na 1618 nooit meer ten zuiden van Fairhaven
waagden. In de tusschen Engelschen en Nederlanders opengelaten ruimte
vestigden zich in 1633 de Franschen en sedert 1640 de Hamburgers[518]
zonder van eenige schriftelijke overeenkomst te weten[519]. Het komt mij
daarom waarschijnlijk voor, dat door eene stilzwijgende schikking de
grenzen dezer verschillende ligplaatsen zijn afgebakend, en dat deze
schikking door langdurig gebruik bevestigd werd. De quaestie van het
bestaan van het contract is dus van weinig belang. Ook al heeft het
nooit bestaan, dan nog blijft het recht der Nederlanders op de twee
noordelijke baaien van Fairhaven, waarop zij voornamelijk aanspraak
maakten[520], even onbetwistbaar. Zij hadden zich de beide baaien, vóor
hen nooit door iemand bezocht, reeds sinds 1614 toegeëigend; zij hadden
door langdurig bezit den eigendom van dien »cleynen hoeck” gronds
bevestigd, en het was dus eene dwaasheid om, zooals enkelen deden[521],
Spitsbergen in zijn geheel voor een woest en vrij land te verklaren.

    [514] Zie o. a. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211.--De
    walvischvangst, I p. 26.--Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.--De N. C.
    beweerde in 1633, „qu’il fust accordé, Que ceux d’Angleterre et ceux
    de la Compagnie flamande des lors en avant feroijent la paisiblement
    leur Pesche, Sans nuire, troubler ou inquieter l’un l’autre
    d’avantage, et ainsi demeureroijent certaine distance les uns des
    autres.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde, „dat
    de limiten vande Compagnie ~soo onseecker syn~ als hare
    begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten
    gaende.” (Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v. 1634, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A)

    [515] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in:
    Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.

    [516] Scoresby, Account. II p. 37 vlg.--Vrolicq beweerde in 1634,
    dat eene baai ten noorden der Hamburgerbaai was „onder het quartier
    vande Engelschen” (Req. aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.), en de N. C. zelve stond hem toe te visschen »au
    Zud du Cap de Zud de la Baij de Magdalena.” (Req. der N. C. dd. 2
    Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [517] Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat „de
    limiten om te visschen bij partien contendenten (nam. Engelschen en
    Nederlanders) waeren geraemt.” (Muller, Mare clausum. p. 223.) Een
    onverdeeld gezamenlijk bezit van Fairhaven is daarmede niet te
    vereenigen.

    [518] Nergens heb ik vóor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd
    gevonden. Martens’ opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin
    der Hamburgsche walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 13)
    schijnt mij dus zeer waarschijnlijk, hoewel Lindeman (l. c.) het
    jaar 1620 aanneemt.

    [519] Zie hierboven p. 139 Noot 7{[514]}.--Volgens Zorgdrager waren
    er omstreeks 1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones
    foreland), op het Hoop- en het Halvemaans-eiland, aan Wybe
    Jansz.’-water, in Hornsound, Bellsound (in drie inhammen), Icesound
    (in Greenharbour en Behouden haven), in Osburns-inlet (?) (St.
    Jans-baai), Kingbay (Engelsche baai), Crossroad, Hamburger-baai,
    Maudlensound, Fairhaven (in de Engelsche baai, Robbenbaai en
    Hollandsche baai), Archijpel (Zeeuwsche baai), Roode baai (?) en in
    Biscayerhoek. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 212-214.)

    [520] De N. C. eischte in 1633, dat Vrolicq zou blijven „buyten de
    limijtten van Magdalenenbaije ende de noorder punt ofte noorder
    gatt,” waar zij haar bedrijf oefende. (Req. der N. C. c. Vrolicq dd.
    3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

    [521] Req. v. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A. („Uwe Ho. Mo. is al te well bekent het
    onderscheyt datter is tusschen landen die bewoont syn ende met
    forteressen ende garnisoenen continuellyck gepossideert ende bewaert
    werden, ende landen die t’ eenemael woest ende onbewoont synde,
    nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene die
    ter zee haere neeringhe doen; ten welcken insichte de selve oock ~de
    jure gentium~ gehouden werden van deselve natuyre ende recht als de
    zee selffs.”)

De grensregeling tusschen de Noordsche Compagnie en hare buitenlandsche
mededingers kwam dus reeds in 1618 feitelijk tot stand; maar
tegelijkertijd begon het twisten tusschen de kamers onderling over het
ieder van haar toekomende gebied. Wij zagen reeds, dat de Noordsche
Compagnie in 1618 nog stijf vasthield aan haar recht om ook buiten
Fairhaven te visschen. Het gevolg was voor eenige harer leden
allernoodlottigst. Bij de verloting der baaien onder de kamers was
Fairhaven aan de Amsterdammers »toegecaveld;” aan de andere kamers was
het ongeluk te beurt gevallen, in de zuidelijke baaien naast de
Engelschen hun bedrijf te moeten oefenen[522]. Toen echter na de
onaangenaamheden van 1618 de verhouding tusschen beide natiën gespannen
was geworden en dus het bezoeken der zuidelijke baaien voor de
Nederlanders gevaarlijk werd, schijnt de Amsterdamsche kamer haar
verkregen recht op de Mauritius-baai toch gehandhaafd en hare zusters
uitgesloten te hebben. Het blijkt ten minste, dat zij zich in 1622 reeds
sinds verscheidene jaren in het uitsluitend bezit der baai verheugen
kon[523] en dat zij zich ook in 1623 niettegenstaande de pogingen der
andere kamers weder daar gevestigd had[524]. De baai zelve droeg dan
ook destijds terecht den naam van »Amsterdamsche baai[525];” het eiland,
waar de kamer zich neersloeg, heeft den naam van »Amsterdamsch eiland”
steeds behouden. De andere kamers schijnen aanvankelijk in deze
aanmatiging der Amsterdammers berust te hebben. De Zeeuwen vestigden
zich in de aan Fairhaven in het noordoosten grenzende baai--gewoonlijk
de Archypel genoemd naar de »Zeeuwsche Uitkyk” en andere eilandjes, die
haar begrenzen,--en sloegen er hunne traanketels en hutten op[526]; de
overige kamers, die van de Maas en van het Noorderkwartier, bezochten
waarschijnlijk Spitsbergen gedurende eenige jaren niet en stelden zich
met de visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden. De Amsterdamsche
nederzetting nam ondertusschen in omvang toe. Op het naar het zuidoosten
gekeerde smalle strand van het eiland, dat naar hen genoemd is, hadden
de Amsterdammers, en sinds 1617 de Denen zich gevestigd. Men vond daar
reeds in 1623 verscheidene hutten, schuren om de gereedschappen in te
bergen, gemetselde traanketels, waarbij men onder bescherming van het
aan een paal opgerichte wapen van stad of land zijn bedrijf
oefende[527]. De vangst was zoo voordeelig, dat men dat jaar zelfs
besloot eene uitbreiding aan de kolonie te geven door den aanbouw van
eenige nieuwe woonhuizen[528].

    [522] Zie hierna Hfdst. VI.

    [523] R. S.-G. 5 Nov. 1622. („om hare ~vorige possessie~ aldaer
    vredelyck te moegen ~continueren~.”)

    [524] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1630, in: L.
    D. 1630.--Zie nog in 1631: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

    [525] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

    [526] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214, 227.

    [527] Sent. v. h. Hof van Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29
    Juni 1629.

    [528] Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 736.

Op den duur was echter zulk een ongelijke toestand natuurlijk
onhoudbaar, en het was te voorzien, dat de verongelijkte kamers niet
lang zouden toezien, dat hare Amsterdamsche zuster dus misbruik maakte
van het voordeel, dat het toeval haar eenmaal verschaft had. Vooral
wanneer het contract met Engeland gesloten is,--dat dan omstreeks 1625
moet hebben plaatsgehad,--was de onbillijkheid in het oog loopend. Vier
kamers moesten zich dan tevredenstellen met hunne aanspraken op een
gebied, waarvan de Noordsche Compagnie officiëel afstand gedaan had!
Reeds in 1622 schijnen zich dan ook eenigen van haar in het
Amsterdamsche gebied gedrongen te hebben; althans de kamer verzocht in
het najaar de Staten-Generaal haar te handhaven in haar vorig bezit van
de Mauritius-baai[529]. Eene uitnemende gelegenheid om de zaak door te
drijven bood zich echter weldra den verongelijkten kamers aan. De Denen,
die een gedeelte van het Amsterdamsche eiland in bezit hadden, lieten
hunne plaats sinds 1623 geruimen tijd open. Er waren onaangenaamheden
met de Amsterdammers ontstaan en toen de Denen zich in 1624 niet
vertoonden, meende men zich gerechtigd tot de conclusie, dat zij van de
walvischvangst hadden afgezien. Al stonden er dan ook nog de Deensche
schuren en hutten, de kamers der Noordsche Compagnie te Hoorn, Enkhuizen
en Vlissingen namen in 1625 bezit van het verlatene terrein, iets
westelijker dan het gebied der Amsterdammers gelegen. Het Deensche
gereedschap werd eenvoudig weggenomen en de overweldigers bouwden nieuwe
loges voor hun gebruik; de Noordsche Compagnie, bewust van het onrecht
dat zij pleegde, richtte bovendien een fort ter verdediging harer
gezamenlijke bezittingen op het nieuw verworven grondgebied op[530]. De
klachten der Denen baatten niet; zij moesten hunne vestiging naar de
Robbenbaai op het Deensche eiland verplaatsen.

    [529] R. S.-G. 5 Nov. 1622.

    [530] Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D.
    1632.--R. S.-G. 13 Mrt. 1632.--Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

Nu dus eenmaal de eerste stoot gegeven was, volgden weldra de andere
kamers. De overige Zeeuwen--die van Middelburg en Veere--schijnen met
hunne kleine baai evenmin tevreden geweest te zijn als de Vlissingers;
Delft en Rotterdam, tot nog toe naar het schijnt zonder bepaalde plaats
op Spitsbergen, waren er natuurlijk op gesteld, die te verkrijgen.
Spoedig werd aan hun verlangen voldaan. In 1633 waren alle kamers reeds
eenigen tijd vreedzaam naast elkander gevestigd[531] aan de
zuidoostelijke punt van het Amsterdamsche eiland op »een strant ontrent
een kleyne Musquetschoot breed”, omringd door vrij hooge bergen[532].

    [531] Vander Brugge (Journael der Seven Matroosen) noemt „tenten”
    van Amsterdam (p. 12, 25), Delft (p. 28), Middelburg (p. 23),
    Vlissingen (p. 39) en Veere. (p. 37) Het bestaan eener Hoornsche
    vestiging blijkt uit: Raven, Iournael. p. 11,--eener Enkhuizensche
    uit: Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8;--Rotterdam wordt door
    Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 220) genoemd.

    [532] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

Niettegenstaande deze schijnbare eenheid bleef men echter streng
vasthouden aan het beginsel van afzondering der verschillende kamers,
dat men nu eenmaal aangenomen had. Iedere kamer had op het strand hare
afzonderlijke »tent” op eenigen afstand van die der andere kamers[533];
ieders traankokerij was daarnaast gemetseld en de verdere noodige
gebouwen, kuiperijen, schuren of pakhuizen, en hutten voor de
land-matrozen waren daaromheen gelegen[534]. Vóor die vestiging had elke
kamer hare afzonderlijke ligplaats, waar hare schepen ankerden en
gedurende het geheele getij bleven liggen[535]. Aan dit beginsel werd
zoo streng vastgehouden, dat men de Friezen in 1636 alleen in de
Noordsche Compagnie opnam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij bij
het vrije gebruik der »landen ende bayen”, die de compagnie op
Spitsbergen bezat, steeds op redelijken afstand van het tot nog toe door
de andere kamers gebruikte gebied zouden blijven[536]. De Friezen namen
daarmede genoegen en vestigden zich dus tegenover het Dodemanseiland op
de noordoostpunt van het Deensche eiland; de Westbaai (later Zuidbaai
genoemd), die zich voor hunne vestiging, eerlang de Harlinger kokerij
geheeten, uitstrekte, leverde hun overvloedige vangst[537]. De afstand,
die de verschillende vestigingen scheidde, was echter zoo gering, dat
men gemakkelijk van de eene naar de andere kon gaan; als men ze allen
overzag, omringd door de kramen en winkels van levensbehoeften, vormden
de gebouwen zelfs te zamen een soort van geheel. Gedurende den tijd, dat
de walvischvaarders aan land waren, was er om deze verzameling van
hutten en schuren zulk eene drukte, dat men aan eene bloeiende
handelsnederzetting kon denken. Het »dorp” kreeg weldra eenen naam: als
»Smeerenburg” werd het algemeen bekend[538].

    [533] Zie hiervóor Noot 2{[531]}.

    [534] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Raven, Iournael. p. 11.

    [535] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [536] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.

    [537] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.--De walvischvangst. I p.
    17.--Tegenw. Staat. I p. 590.--Men was in Nederland zoo overtuigd
    van de noodzakelijkheid van zulk eene afscheiding, dat die van
    Utrecht, die in 1638 in de Noordsche Compagnie wenschten opgenomen
    te worden, dadelijk aanboden zich op Spitsbergen 3 à 5 mijlen van de
    Hollanders te vestigen. (R. S.-G. 29 Sept. 1638.)

    [538] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.--Tegenw. Staat. I p.
    591.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

Men wachte zich echter reeds dadelijk weder voor overdrijving: het
zoogenaamde dorp zal wel altijd gering van omvang, armelijk van uitzien
geweest zijn. In 1626, toen de nederzetting dus reeds verscheidene jaren
bestaan had en door de aankomst van die van Vlissingen, Hoorn en
Enkhuizen aanmerkelijk toegenomen was, stonden in de Mauritius-baai
behalve de kleinere gebouwen nog slechts vijf loges of loodsen[539].
Natuurlijk ging de plaats nog sterk vooruit; de vestiging der vier
overblijvende kamers deed nieuwe huizen, schuren en traanketels
verrijzen, maar wanneer wij vernemen, dat in 1633--dus toen de
walvischvangst het tijdstip van haren hoogsten bloei onder de Noordsche
Compagnie reeds voorbij was--alleen Amsterdam twee groote »tenten”
schijnt gehad te hebben[540],--wanneer wij lezen, dat het getal der
fondamenten van traanketels op Smeerenburg later slechts acht of tien
bedroeg[541],--een getal vrij wel overeenkomende met dat der
kamers,--dan moeten wij het Zorgdrager toestemmen, dat Smeerenburg zich
zelfs in de dagen van haar hoogsten bloei op verre na niet met hare
tweelingzuster Batavia kon meten[542]. Dat de Harlinger kokerij uiterst
weinig te beteekenen had, blijkt uit het feit, dat in 1670, toen er nog
zoovele huizen op Smeerenburg stonden, dat ze zich als een klein dorp
voordeden[543], van de geheele Harlinger kokerij slechts éen traanketel,
twee woonhuizen en twee schuren overig waren[544].

    [539] Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

    [540] Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 33, 38.--Van
    Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

    [541] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.--Op eene groote geteekende
    kaart van de Mauritius-baai, vervaardigd na de vestiging der Friezen
    en vóor het verlaten van Smeerenburg (dus omstreeks 1640) vind ik
    zelfs slechts zes „tenten” op Smeerenburg aangeteekend; het kaartje
    der Mauritius-baai in Van Keulen’s Zee-atlas heeft er vijf. De
    volgorde van het oosten naar het westen was: Amsterdam, Middelburg,
    Vlissingen, Denemarken (? = Enkhuizen na de occupatie van 1625?),
    Delft en Hoorn. (Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.)

    [542] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

    [543] Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p.
    23.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.

    [544] Martens, Voyage, bij: White, Spitzbergen. p. 23.--Scoresby,
    Account. II p. 180.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88.

Van de inrichting van Smeerenburg en de daar aanwezige gebouwen kunnen
wij ons een vrij goed denkbeeld vormen uit de journalen van eenige
matrozen, die daar twee jaren achtereen in den grootsten bloei der
walvischvangst overwinterden. Op eene breede vlakte, door hooge bergen
omringd en door de Mauritiusbaai bespoeld, verrezen de gebouwen der
verschillende kamers[545]. Daaronder trok voor alles de opmerkzaamheid
de eigenlijke kern der vestiging, de »tent”. Het was een gebouw van vrij
grooten omvang, aanvankelijk van hout, later van steen opgetrokken[546].
Reeds in 1618 werd er door de Nederlanders in Bellsound eene opgericht,
die 80 voet lang en 50 breed was, maar die dan ook tegelijkertijd voor
berg- en woonplaats, en tevens voor kuiperij zal gediend hebben[547]. De
inrichting was hoogst eenvoudig: eene groote kamer, die de geheele
breedte innam, diende der bemanning tot woning[548]; losse kribben waren
daartoe getimmerd, een oven ( »stoof”) diende zeker niet alleen om de
kamer te verwarmen[549]. Achter deze kamer was eene kleinere
aangebracht, die tot berging der leeftocht strekte en door eene deur met
de voorkamer gemeenschap had. Een trap leidde van daar naar eene ruimte
boven de met klei bestreken zoldering, die des noods tot berging diende
en door het pannen of houten dak werd gedekt[550]. Gebruikte men het
gebouw in de eerste jaren der visscherij tevens voor berg- en
werkplaats, toen de walvischvangst zekerder en meer duurzaam gevestigd
was, bouwde men daartoe afzonderlijke loodsen; de tenten zelve werden op
grooter en steviger voet gebouwd. Ja, toen het aantal walvischvaarders
toenam, bleek weldra éene tent onvoldoende om de vele matrozen te
huisvesten. Amsterdam ging over tot het bouwen eener tweede tent; de
andere kamers bouwden verscheidene houten hutten, geheel als de tenten
ingericht maar op kleiner schaal. Deze hutten dienden van toen af aan
het overschietende volk tot woning. Het woonvertrek, dat de geheele
breedte (16 voet) innam, was daar slechts 7-1/2 voet hoog, 21 lang en
met een halvesteensmuur omgeven; het kleinere proviandvertrek daarachter
was eenvoudig van planken opgetrokken[551].

    [545] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.--Martens, Voyage, by:
    White, Spitzbergen. p. 23.

    [546] Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v.
    d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr.
    1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [547] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p.
    269.--Scoresby, Account. II p. 177.

    [548] Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.--De Commandeur-generaal
    woonde in de nieuwe Amsterdamsche tent. (Vander Brugge, Iournael der
    Seven Matroosen. p. 26.)

    [549] Vander Brugge, Iournael. p. 13, 14.

    [550] Iournael van seven matrosen 1634/35, achter: Raven, Iournael.
    p. 14.

    [551] Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p.
    23.--Vander Brugge, Iournael. p. 14, 27, 40, 47.

Na de tent was de traanketel het voornaamste gebouw der vestiging. Een
groote koperen ketel of pan werd in de opene lucht vastgemetseld op een
lage steenen oven, en de traankokerij was gereed. Later bouwde men er
een steenen schoorsteen bij; misschien beschermde een planken hut, om de
geheele inrichting opgetrokken, de kokers soms voor de snerpende
winden[552]. Een noodzakelijk gebouw was ook de kuiperij, waar de
kuipers de medegebrachte duigen tot vaten maakten; de zolder daarboven
strekte hun tot woning[553].

    [552] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p.
    270.--Martens, Voyage, bij: White l. c. p. 22.--Relation du
    Groenland, bij: White l. c. p. 235.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p.
    220.

    [553] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Tegenw. Staat. I p.
    590.--Daar er een vrij groot aantal kuipers, ook metselaars om de
    traanketels te bevestigen jaarlijks mede naar Spitsbergen gingen,
    verliest het dwaze verhaal, dat de Smeerenburgsche huizen »in
    Holland getimmerd”(!) en zoo op de schepen medegevoerd werden
    (Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 336) allen redelijken
    grond.

De meeste gebouwen op Smeerenburg waren echter ongetwijfeld houten
schuren, grooter dan de hutten maar minder stevig gebouwd. Zij strekten
om de gereedschappen, die tot de walvischvangst noodig waren,--lijnen,
harpoenen, lensen, vaten, hoepels, duigen, ovens, aanbeelden,
smidstangen enz.--gedurende den winter te bergen[554]. De traanketels
werden veelal met de houten koelbakken en de looden gooten daarnaast
eenvoudig op het strand achtergelaten[555]. Ook de kaapstanders bleven
staan; de sloepen trok men meestal op het strand en liet ze zoo in de
sneeuw achter[556]. Wanneer het gebeurde, dat de rijke vangst in de
schepen niet kon geborgen worden en ook in de naschepen geene ruimte
genoeg was, werden veelal de traan en baarden, die men dus genoodzaakt
was den winter op het eiland over te laten, in de schuren geborgen[557].
In den rijksten tijd der visscherij kwam het echter voor, dat men ze
eenvoudig in den grond begroef; de schuren bleven hoofdzakelijk tot
berging der gereedschappen bestemd.

    [554] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni
    1629.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--De walvischvangst. I. p
    30.--Vander Brugge, Journael. p. 11, 15.

    [555] Vander Brugge, Journael. p. 20, 30, 32, 36, 38, 39.

    [556] Raven, Journael. p. 11.--Vander Brugge, Journael. p. 46.

    [557] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 28.

Voeg bij al deze gebouwen eene kerk[558], een fort met eenige
batterijen[559], die de vestiging verdedigen moesten tegen zwervende
Duinkerkers of Basken, en ge kunt u eene voorstelling maken van
Smeerenburg, zooals het zich omstreeks 1633 vertoonde. Het tooneel werd
des zomers verlevendigd door de aanwezigheid der walvischvaarders,
ongeveer 1000 in getal, die ruimschoots gelegenheid hadden zich behalve
het noodige allerlei versnaperingen te bezorgen. Op de schepen der
Noordsche Compagnie bevonden zich toch meestal bakkers, kramers,
zoetelaars en andere dergelijke lieden, die niet tegen de reis opzagen
om winst te maken. Hetzij in de schuren der compagnie zelve, hetzij in
eigene kramen en loodsen sloegen zij zich neer, en ventten aan de
begeerige matrozen hun wijn en brandewijn, hun tabak en hun warm brood.
Men verhaalt, dat vooral het laatste artikel zoo gewild was, dat men
iederen morgen door het blazen op een hoorn de matrozen kennisgaf, dat
de broodjes uit den oven genomen werden[560].


    [558] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d.
    Hrl. gedeput. R.-A.

    [559] Vander Brugge, Journael. p. 6, 23.--Aitzema, Saken v. Staet.
    II p. 361.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr.
    1634., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Miss. v. Christ.
    IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

    [560] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.--De walvischvangst. I p.
    28.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.

Al deze gebouwen met hunne bewoners waren bestemd om slechts weinige
jaren de stille stranden van Spitsbergen te verlevendigen. Zorgdrager
bericht, dat men ongeveer tegelijkertijd met Batavia (1619) op
Smeerenburg begon te bouwen[561]; wij hebben gezien, dat de opgave
volkomen juist is. En reeds twintig jaren later was de zoo veelbelovende
vestiging aan het vervallen! Het is natuurlijk onmogelijk, een juisten
datum voor dit langzaam toenemende verval op te geven; verschillende
bekende jaartallen laten echter slechts weinig speelruimte over. Wij
weten, dat in 1633 de walvischvangst aan het land nog steeds
bloeide[562]; in 1636 was dit bedrijf nog zelfs van zooveel belang, dat
de Friezen, na hardnekkigen aandrang eindelijk in de Noordsche Compagnie
opgenomen, eene nieuwe vestiging op het Deensche eiland oprichtten[563].
Maar toen begon ook het verval schielijk toe te nemen[564]. De compagnie
zelve oordeelde het eerlang voordeeliger, naast de kustvisscherij ook de
zeevisscherij ter hand te nemen: reeds in 1638 zond zij een paar schepen
daarop uit[565]. Ondertusschen was de kustvisscherij nog in 1642
belangrijk genoeg: de Noordsche Compagnie deed veel moeite om haar
octrooi te doen verlengen en zich ten minste aan land van mededingers te
ontslaan[566]. Het gelukte niet en weldra was de Mauritius-baai vervuld
met talrijke schepen, wier bemanning door hare drukte en gewoel, door
hare te sterke jacht den walvisch in weinige jaren geheel verjoeg[567].
Ondertusschen werd nog in 1646 de walvischvangst aan land geoefend[568],
maar hoe langer hoe meer verliet de visch de kusten; de banken werden
bezocht[569] en in 1650 werd de zeevisscherij reeds zoo sterk gedreven,
dat de walvisch in het ijs begon te wijken en men moest beraadslagen of
het niet raadzaam zou zijn hem daar te volgen[570]. In 1650 was
Smeerenburg dus zeker geheel verlaten[571].


    [561] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

    [562] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229, 266.

    [563] Zie hiervóor p. 144.

    [564] Scoresby, Account. II p. 52.

    [565] Zie hiervóor p. 116.

    [566] Zie hierna Hfdst. IX.

    [567] Scoresby, Account. II p. 179.

    [568] Twee Journalen der Matroosen. p. 24. („Kort verhael” van
    Municky.)--Relation du Groenland, bij: White, Spitzbergen. p. 235,
    36.

    [569] De walvischvangst. I p. 29.

    [570] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 355.

    [571] Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 235, 36) en na hem bijna alle
    werken over de walvischvangst (o. a. De walvischvangst. I p. 29, 30)
    plaatsen het verlaten van Smeerenburg vóor den val der N. C. Ten
    onrechte, zooals onwederlegbaar blijkt uit Noot 8{[568]}.--Scoresby
    (Account. II p. 143-45) daarentegen houdt het er voor, dat nog lang
    nadat de N. C. gevallen was en de kustvisscherij was opgegeven,
    Smeerenburg druk bezocht werd op het einde van het getij om het spek
    in vaten te pakken. In dien tijd plaatst hij zelfs den grootsten
    bloei van Smeerenburg door het jaarlijksch bezoek van de dubbele
    bemanning van 2 à 300 schepen. Dit is echter bepaald onjuist. De
    groote bloei der walvischvangst, die toen 2 à 300 schepen telde,
    begon eerst toen de schepen zich in het ijs waagden, en de afstand
    van daar naar Smeerenburg was natuurlijk te groot om alleen voor het
    inpakken van het spek, dat even goed op het schip zelf geschieden
    kon, dien langen weg af te leggen; de dubbele bemanning was toen ook
    natuurlijk als onnoodig reeds lang afgeschaft. Bovendien weten wij
    van Martens, dat Smeerenburg in 1670 reeds sinds geruimen tijd
    verlaten en aan het vervallen was.

Gedurende het vijf- of zesjarig tijdperk na den val der compagnie, dat
men dus de plaats was blijven bezoeken,--ongetwijfeld het tijdperk van
de grootste drukte in het dorp,--hadden de reeders hunne gebouwen en
inrichtingen nog op het strand laten staan. Of ze echter nog met vele
nieuwe vermeerderd werden, schijnt mij twijfelachtig; de walvischvangst
onder het land was in 1642 reeds te zeer afgenomen, dan dat men vele
kosten zou gedaan hebben om zich daar te vestigen. Weldra werden dan ook
de schuren ontruimd, alle gereedschappen, alles wat draagbaar was er
uitgenomen; zelfs de traanketels werden losgebroken, in de schepen
geladen en weggevoerd. De huizen zelve, met zoovele kosten gebouwd,
moest men achterlaten; ze verdwenen weldra door de baldadigheid
der matrozen, door brand en vooral door verwaarloozing[572].
Walvischvaarders, die in 1670 en 1680 Spitsbergen bezochten, vonden van
het eens zoo bloeiende Smeerenburg, van de Harlinger kokerij, die
slechts tien jaren bestaan had, niets dan eenige fondamenten van
traanketels, eenige vervallen huizen, waarin men hier en daar nog eenige
vermolmde vaten, een aanbeeld, dat te zwaar geweest was om meegevoerd te
worden, enkele gebroken gereedschappen zag[573]. In 1784 was alles
verdwenen: van het geheele dorp met zijne huizen en forten was niets dan
eenige bouwvallen overgebleven[574]. De reiziger, die nu de plaats
bezoekt, waar eens Smeerenburg stond, vindt niet dan met moeite de
sporen van deze eens zoo bekende kolonie: het kerkhof alleen, dicht bij
Smeerenburg aan de Westbaai gelegen[575], bewaart onvergankelijk de
sporen der menschelijke vergankelijkheid[576].

    [572] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237, 266.--Tegenw. Staat. I p.
    591.

    [573] Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 22,
    23.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88, 227.--Lindeman, Arkt. Fisch.
    p. 9.

    [574] De walvischvangst. I p. 17, II p. 25.

    [575] Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 30.

    [576] Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.

Nu ik de Spitsbergsche vestiging zoo uitvoerig beschreven heb, kan ik
over die op Jan Mayen-eiland korter zijn: beide nederzettingen droegen
geheel hetzelfde karakter. De vestigingen op Jan Mayen-eiland waren
ongetwijfeld belangrijker dan die op Spitsbergen, in dezelfde mate als
de walvischvangst daar meer opleverde; zij zijn echter minder bekend,
omdat zij vroeger dan Smeerenburg verlaten schijnen te zijn en omdat zij
minder het aanzien van een visschersdorp zullen gehad hebben dan van
eenige kleine en onaanzienlijke buurten. De eerste belangrijke
uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland werd gedaan in
1616[577], en reeds dadelijk waren er dit jaar 15 schepen bijeen: de
Noordsche Compagnie zond er 6, de kleine Noordsche Compagnie 5, de
Zeeuwen waren nu voor het eerst door 2 schepen vertegenwoordigd en ook
eene Duinkerksche reederij waagde zich met 2 schepen in de bijna
onbekende wateren[578]. Hoewel Zeeuwen en Duinkerkers de vaart niet lang
voortzetten en ook de Hollanders aanvankelijk niet zoovele walvisschen
vonden als zij zochten, werd Jan Mayen-eiland toch gedurende vele jaren
druk door de walvischvaarders bezocht. Evenals in 1616 werd de
uitrusting van de Noordsche Compagnie in 1617 uitsluitend naar het
eiland bestemd[579], waar de Engelschen de Nederlanders niet in hun
bedrijf stoorden; en al werd langzamerhand Spitsbergen op nieuw door de
schepen der compagnie bezocht, Jan Mayen-eiland was en bleef haar
hoofdkwartier[580]. Natuurlijk werd de traankokerij daar dadelijk
begonnen; mag men de overlevering gelooven, dan kookte de bemanning van
een Rotterdamsch schip, de »Mary Muss” (Maria Musch?)[581], de eerste
traan op het eiland in de naar dit feit benoemde baai (een gedeelte der
Kruisbaai.)[582] Hoe dit zij, zeker is het, dat er weldra vele
Nederlandsche traankokerijen op Jan Mayen-eiland verrezen, niet als op
Spitsbergen bij elkaar op de wijze van een dorp maar verspreid in
verschillende baaien. Scoresby noemt sporen van traankokerijen in de
Zuidbaai, aan den Rooberg, in de Noord- of Engelsche baai en in de
beide Kruisbaaien[583]. De drie eerste vestigingen, op het zuidelijk
gedeelte der westkust van het eiland gelegen, waren echter de eenigen,
die hoop op rijke vangst gaven en die dus belangrijk genoemd mogen
worden[584]. In de Noordbaai was het hoofdkwartier der Noordsche
Compagnie[585]. Daar vond men op het strand niet minder dan tien
»tenten”, waarvan er eens drie, alle toebehoorende aan de Amsterdamsche
kamer met tien sloepen en de daarbij liggende vaten en traanbakken door
eene aardstorting wegspoelden[586]; dáar overwinterden in 1633 zeven
matrozen, dáar waren ook twee Amsterdamsche kokerijen gevestigd[587].
Natuurlijk had de Noordsche Compagnie op Jan Mayen-eiland hetzelfde
systeem gevolgd als op Spitsbergen; iedere kamer had hare afzonderlijke
baai of plaats, waar ze hare eigene traankokerij, hare eigene huizen
had[588]. Het geheele getal huizen en schuren schijnt vrij aanzienlijk
geweest te zijn; overal toch vond men later fondamenten en ruïnen[589].
Reeds in 1628 was de vestiging van zooveel belang, dat de Noordsche
Compagnie het de moeite waard oordeelde, daar evenals op Smeerenburg
twee forten en eene batterij op te richten tegen de aanvallen der
zeeroovers[590]. Nog in 1699 vond Zorgdrager, toen hij de ruïnen
bezocht, niet minder dan twintig sloepen, twee groote booten, koelbakken
en traanvaten, zelfs groote stapels kabeltouw op het strand aan weer en
wind blootgesteld[591]. De vangst schijnt dikwijls zoo rijk geweest te
zijn, dat de berging onvoldoende was: het overschietende gedeelte, op
Smeerenburg meestal in de pakhuizen geborgen, schijnt op Jan
Mayen-eiland dikwijls begraven te zijn geworden[592]. Maar toch hield de
visscherij ook hier eerlang op onder het land voordeel te geven: nog
eerder dan bij Spitsbergen verlieten de walvisschen hier de
kustzee[593]. Omstreeks het einde der Noordsche Compagnie schijnt Jan
Mayen-eiland verlaten geworden te zijn; het ijs, dat o. a. in 1632 de
schepen den geheelen zomer belette aan land te komen[594], heeft zeker
later het eiland eenmaal geruimen tijd ingesloten gehouden: zóo zijn
waarschijnlijk de boven aangeduide goederen der compagnie op het eiland
achtergebleven[595].

    [577] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.--Zie
    verder Hfdst. IX.

    [578] Zie hierna Hfdst. VIII, IX.

    [579] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [580] Zorgdrager beweert (Groenl. vissch. p. 285), dat de
    Nederlandsche walvischvangst aan Jan Mayen-eiland steeds veel
    onbeduidender was dan die aan Spitsbergen. De statistieke opgave op
    p. 109 en 110, hoe onvolledig ook, leert dunkt mij het tegendeel en
    het is trouwens niet meer dan natuurlijk, dat het Amsterdamsche
    eiland met twee baaien minder voordeel gaf dan Jan Mayen-eiland met
    vijf.

    [581] Dat het schip door eene vrouw met name Maria Musch uitgerust
    zou zijn, zooals het verhaal eigenlijk luidt, komt mij met het oog
    op de inrichting der N. C. onwaarschijnlijk voor.--In de R. S.-G. 24
    Dec. 1626, 24 Febr. 1627 vinden wij Mr. Cornelis Musch, „Secretaris
    tot Rotterdam”, genoemd als reeder van een schip naar het noorden.
    Mogelijk was hij lid van de N. C.

    [582] Scoresby, Account. I p. 157.--Vgl. Van Keulen, Zee-atlas I p.
    75.

    [583] Scoresby, Account. I p. 157.

    [584] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 102.--De walvischvangst. II p.
    62.

    [585] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.

    [586] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.--Scoresby, Account. I p.
    157.--De Amsterdammers lieten dadelijk twee nieuwe tenten bouwen.

    [587] Twee Journalen der Matroosen. p. 6, 7.

    [588] Gr. Placaetb. I p. 674.--Twee Journalen der Matroosen. p.
    6.--R. S.-G. 28 Mei 1622.

    [589] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 260, 285.--Gr. Placaetb. I
    p. 673, 74, 78.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en ald. Bijl. K: Getuigenis v. Wybe
    Jansz. voor de regeering van Amsterdam.

    [590] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.--Twee Journalen der
    Matroosen. p. 4, 5.

    [591] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 285.

    [592] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1638, in: Stn. N. C. v.
    d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Wassenaer, Hist. verh. XVI
    fol. 26.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4
    Apr. 1637.

    [593] Zie o. a. Van Keulen, Zee-atlas (I p. 76), die zeer veel
    woordelijk heeft overgenomen van kaartboeken uit den tijd, dat de
    walvischvangst aan Smeerenburg nog in vollen gang was.

    [594] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
    1637.

    [595] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101, 260, 266.--De
    walvischvangst. I p. 31.

Geheel op zich zelve stonden de vestigingen der Nederlanders op
Spitsbergens oostkust. De walvischvangst, die daar door de Noordsche
Compagnie gedreven werd,--de zoogenaamde zuidijsvisscherij in
tegenoverstelling der westijsvisscherij, die men bij Smeerenburg op
noordelijker graden dreef[596],--was van betrekkelijk groot belang.
Bizonderheden daarover zijn echter weinig bekend. Zorgdrager verhaalt
ons, dat ten tijde der Noordsche Compagnie de zuidijsvisscherij--later
alleen in geval van nood, wanneer de westijsvisscherij niets opleverde,
in den natijd ter hand genomen[597]--geregeld werd gedreven[598]. En
werkelijk zijn de bewijzen voorhanden, dat die tak der walvischvangst
niet onbelangrijk was in de dagen, toen men zich nog met de
kustvisscherij bezighield. Sporen van traankokerijen en hutten zijn
gevonden aan het verafgelegen Disco (Stones foreland), op het Hoop- en
Halvemaans-eiland[599] en op de kusten van Wybe Jansz.’-water bij
Whaleshead[600]. Wij weten, dat in 1636 behalve deze plaatsen ook de
»Swarte hoeck” en »Staten-landt” (Edge-island?)[601] als voordeelig voor
de walvischvangst gelegen werden beschouwd[602]. Men zegt zelfs, dat
door de Noordsche Compagnie de walvischvangst bij Novaya-Zemlya soms
»met redelyck goet gevolg” gedreven werd[603]. Wel is het niet
waarschijnlijk, dat al de gevondene ruïnen van Nederlanders afkomstig
zijn, daar ook de Engelschen zich reeds vroeg op de visscherij aan
Spitsbergens oostkust toelegden[604], maar er blijkt toch voldoende uit,
dat de zuidijsvisscherij niet zonder belang was, te meer daar men bij de
betrekkelijke onzekerheid der vangst, dáar niet zoo licht als bij de
voordeeliger westijsvisscherij zal overgegaan zijn tot het bouwen van
schuren en traankokerijen[605].

    [596] De walvischvangst. I p. 52.

    [597] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 81.--cf. Scoresby, Account. II
    p. 180.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--De walvischvangst. I p.
    45.--Zorgdrager l. c. p. 204.

    [598] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179, 80.

    [599] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 213.

    [600] Petermann, Spitzbergen. p. 42.

    [601] Edge-island draagt op oude kaarten dikwijls den naam
    „Staadsforeland”, waarschijnlijk eene verbastering van Staten- (of
    Staats-) voorland.

    [602] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412.

    [603] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179.

    [604] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258.

    [605] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 367, 68.

       *       *       *       *       *

Wij hebben nu den geheelen omvang der Nederlandsche vestigingen op
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland leeren kennen. Voorwaar! er was reden
genoeg, waarom de Noordsche Compagnie op den eigendom der door haar
bezette plaatsen zou kunnen aanspraak maken. Maar toch had de compagnie
vijanden, die niet aarzelden haar recht op de met zooveel moeite
bebouwde en verdedigde plaatsen te bestrijden. Engelschen, Denen,
Franschen en Zuid-Nederlanders betwistten haar alle uitsluitende
rechten. Wat meer was, er waren vijanden, die niet eens de moeite namen
met een juridieken eisch op te treden,--die slechts het oogenblik
afwachtten, wanneer de schepen der compagnie naar het vaderland
teruggekeerd waren, om de verlaten plaats in te nemen, te rooven en te
plunderen. Het was wel gebeurd, dat de Nederlandsche walvischvaarders in
het voorjaar bij hunne vestigingen komende hunne schuren door Baskische
of Duinkerksche zeeroovers opengebroken gevonden en uit gebrek aan het
noodige gereedschap hun bedrijf niet naar wensch geoefend hadden. Eén
middel slechts was er om zich op den duur voor deze gevaren te
beschermen, de walvischvaarders moesten voor goed hun verblijf in de
barre noordelijke gewesten opslaan. Smeerenburg en Jan Mayen-eiland
moesten werkelijk worden wat ze reeds niet zonder overdrijving
heetten[606]: Nederlandsche koloniën.

    [606] De N. C. beweerde, dat de door haar bezette plaatsen haar
    toebehoorden „Jure Inuentionis, Occupationis et Diuturnae
    possessionis, datt sijluijden hare colonien aldaer hadden geplant,
    voor soo vele als de nature ende hett climaett van die plaetsen
    toelaett, dat sij luijden den geheelen soomer aldaer woonen, ende
    des winters alleen mett de menschen voor eenen tijtt demigreren, om
    te euiteren de felheijtt vande locht, ende de onlijdelijcke koude,
    latende inde selue quartieren continuelijcken staen hare steenen
    ende houtten huijsen, gemeubleert ende versien mett allerleij
    ghereetschappen tott de visscherije noodich, oock de plaetse
    geapproprieertt tott den Godesdienst mitsgaders de forten ende
    baterijen versien mett Canon.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei
    1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

Het denkbeeld eenmaal opgevat had veel wat het aanbeval. Niet alleen
zouden de goederen der Nederlanders in de IJszee voortaan veilig zijn,
maar ook onmiddellijk voordeel was met de duurzame vestiging in het
noorden te behalen. Gedurende den langen winter konden de bewoners, niet
door de drukte der walvischvangst beziggehouden, ongestoord jacht maken
op de tallooze beeren en vossen, die door honger gedreven zich in groote
scharen ver over het ijs in zee waagden en dus zeker een kostbaren buit
den jagers toevoeren zouden. Nog meer, de overwinterenden, behoorlijk
tot de visscherij uitgerust, konden in het najaar en in het vroege
voorjaar, wanneer geen schip zich zoo hoog in het noorden bij het land
durfde wagen uit vrees van in het ijs beklemd te raken, zonder vrees op
de walvischvangst uitgaan; zoodra een scheur in het ijs zichtbaar werd,
konden zij onderzoeken of soms de walvisch zich daar reeds vertoonde; de
prooi, door storm of toeval op het strand geworpen, konden zij
vermeesteren en bereiden. Zoodoende kon men zich van het uiterst
kostbare plan een winst beloven, die verre van onbeduidend zijn
zou[607].

    [607] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 57, 58.--Twee journalen der
    Matroosen. p. 2, 4, 7, 17.--Vander Brugge, Journael p. 3, 6.--Req.
    der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Scoresby, Account, I p. 168--Gr. Placaetb. I p.
    678, 79.

Maar van den anderen kant waren de bezwaren niet gering. Men behoefde
zich slechts de door Heemskerck en Barendsz. uitgestane ellende te
herinneren om zelfs moedige en ondernemende personen van eene
proefneming af te schrikken. Toch moest voor alles onderzocht worden, in
hoeverre de uitvoering mogelijk was; het gold dus nu mannen te vinden,
moedig genoeg om met een klein getal de gevaren van eenen winter onder
de pool te trotseeren. En die gevaren waren niet gering, het was zelfs
onzeker of men het waagstuk niet met den dood zou moeten bekoopen. Maar
Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw gaven niet spoedig een
plan op wanneer het winst beloofde, ook al was de uitkomst onzeker; en
arme varensgezellen, die niets te verliezen hadden, met den
avontuurlijken geest bezield, die de Nederlandsche natie toenmaals
kenmerkte, mannen met een hart in het lijf en weinig geld op zak, konden
op den duur de verleiding niet weerstaan. Al duurde het dan ook lang eer
men het plan uitvoerde; zoodra men het ernstig doorzetten wilde, werden
er wel mannen gevonden, die bereid waren het waagstuk te ondernemen en
eene nieuwe bladzijde te voegen in het roemrijke boek, dat de avonturen
der Nederlandsche zeelieden zou verhalen.

Het denkbeeld eener overwintering op Spitsbergen schijnt het eerst bij
de Moscovische Compagnie gerezen te zijn. Haar komt de eer toe, met
scherpen blik de voordeelen te hebben ingezien, die eene voortdurende
vestiging in het noorden kon opleveren. Zij loofde eene premie uit voor
degenen, die het waagstuk wilden ondernemen. Maar niemand bood zich
aan. Zelfs ter dood veroordeelde misdadigers, aan wie gratie beloofd was
op voorwaarde dat zij eenen winter op Spitsbergen zouden doorbrengen,
namen het aanbod wel gretig aan, maar deinsden terug, toen zij met
eigene oogen de barre woestijnen aanschouwden, waar zij alleen in koude
en duisternis vele maanden zouden moeten doorbrengen. Zij verkozen eenen
wissen en smadelijken dood nog boven eene langzame marteling, al gaf zij
hoop op behoud[608]. De graagte om te overwinteren vermeerderde er niet
op, toen negen matrozen, bij ongeluk door de Engelsche walvischvaarders
in Bellsound achtergelaten, het volgende voorjaar allen dood en half
verslonden teruggevonden werden[609]. En misschien zou er van het
geheele plan nooit iets gekomen zijn, zoo niet in den winter van 1630/31
acht Engelschen, bij toeval weder in Bellsound achtergebleven toen de
walvischvloot vertrok, niettegenstaande hun gebrek aan goed voedsel,
kleeding en woning, door buitengewone vindingrijkheid en energie alle
bezwaren te boven gekomen en in het voorjaar van 1631 gezond en wel door
de walvischvaarders teruggevonden waren[610].

    [608] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 263, 64.

    [609] Scoresby, Account. II p. 48.--Pellham, Gods power, bij: White,
    Spitzbergen. p. 264.

    [610] Zie het uitvoerig verhaal van hun wedervaren bij: Pellham,
    Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 266 vlg.

Dit voorval moet wel krachtig medegewerkt hebben tot de verwezenlijking
van de plannen der reeders op de walvischvangst. De Engelsche visscherij
was toen reeds te onbeduidend dan dat zij aan eene vestiging zou hebben
gedacht, maar de Noordsche Compagnie, op het toppunt van haren bloei
gekomen, schepte nieuwen moed. Reeds lange jaren had het plan onder de
geliefkoosde denkbeelden der bewindhebbers behoord. In 1623 boden eenige
»onbedachte luyden” hun aan op Spitsbergen eenen winter door te
brengen[611] en hoewel zij toen op dit voorstel als eene »onnoodige
saeck” geen acht sloegen, lag het toch in den aard der zaak, dat zij er
met meer ernst over zouden beginnen te denken, zoodra het bleek, dat
eene voortdurende vestiging een krachtig middel ter verdediging tegen
allerlei soort van vijanden zou zijn. Reeds in 1626 was dan ook een
uitgewerkt plan gereed, dat alles goeds beloofde. Vijf en twintig
mannen, van levensmiddelen en medicijnen rijkelijk voorzien, zouden op
Spitsbergen eene ruime woning bouwen met eene keuken en vele gemakken en
goed tegen de koude beschut. Een kachel zou hen voor het bevriezen
bewaren. Bij hen zou zijn een scheepje van 25 last, dat den geheelen
winter in eenen inham voor het ijs beveiligd zou worden. Gedurende den
langen nacht zou beerenjacht en vossenvangst hun bezigheid en beweging
verschaffen; zoodra de zon doorkwam en het ijs losraakte, moesten zij
het schip in zee brengen en beproeven of in die tijden, wanneer een
groot schip uit Nederland er nog niet aan kon denken Spitsbergen te
naderen, de walvischvangst of de walrusjacht reeds eenig voordeel
opleverde. Meteorologische waarnemingen--wel verre van voorwendsel te
zijn[612]--waren integendeel hoofddoel der onderneming; men kwam er toch
reeds nu voor uit, dat deze eerste overwintering slechts eene
proefneming zou zijn voor latere ondernemingen op grooter schaal. Men
mocht het onmiddellijk voordeel dus verzuimen, zoo men slechts
nauwkeurige berichten over de bewoonbaarheid der poolstreken en de
gevaren, waaraan de bewoners zich blootstelden, medebracht. Met deze
voornemens was men vervuld toen de vloot uitzeilde; het schijnt echter,
dat men, toen het op de uitvoering aankwam en men de bezwaren nogmaals
overwoog, tot de overtuiging gekomen is, dat meer onderzoek en meer
voorbereiding noodig was, eer men zoovele personen aan de gevaren van
eenen winter onder de pool blootstelde. Misschien schoot ook de moed der
vijf en twintig uitgelezenen te kort, toen zij de zaak meer van nabij
overlegden: hoe het zij, de overwintering werd uitgesteld[613]. Maar
niet voor goed; meer en meer vestigde zich de aandacht op de voordeelen,
die eene gelukkig geslaagde proefneming beloofde. Reeds in 1628 werd er
op nieuw van gesproken[614] en toen de gelukkige uitslag der Engelsche
overwintering bekend werd, nam men de zaak met kracht weder ter hand. In
1633, toen de vijandige houding van eenige Basken en de moeielijkheden,
daardoor met Frankrijk en Denemarken ontstaan[615], de noodzakelijkheid
eener voortdurende vestiging op nieuw aangetoond hadden, besloot men
eindelijk tot eene dubbele proefneming, op Spitsbergen en op Jan
Mayen-eiland[616]. Waarschijnlijk door het uitzicht op belooning
aangespoord, boden veertien personen zich dadelijk vrijwillig voor het
waagstuk aan. Jacob Segersz. van Brugge werd met zes man (waaronder twee
Duitschers) op Smeerenburg achtergelaten, Outgert Jacobsz. van
Grootebroek bleef met zes anderen in de Noordbaai op Jan Mayen-eiland.

    [611] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 110.

    [612] Scoresby, Account. I p. 168.

    [613] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56-58, XII fol. 9

    [614] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.

    [615] Zie hierna Hfdst. VII, VIII.

    [616] Gr. Placaetb. I p. 678, 79.

Ik zal mij niet ophouden met een uitvoerig verhaal van hun wedervaren.
Het laat zich denken, dat zij weinige avonturen beleefden, die der
vermelding waardig zijn. Toch is het naïeve verhaal van het lijden der
zeven mannen in hun kleine hut op Spitsbergen, die niettegenstaande
hunne waarschuwing tegen de koude slecht voorzien was, aantrekkelijk en
aangrijpend. Onvermoeid gingen zij op de jacht en verzuimden geene
gelegenheid om zich daardoor beweging en hunnen meesters winst te
verschaffen. Niet ontmoedigd door de gevaren hunner positie schroomden
zij niet andere gevaren tegemoet te gaan: verre tochten werden ter
rendierenjacht ondernomen; met hunne ontoereikende hulpmiddelen zetten
zij den walvisch na, en de gevreesde koning der ijsvlakten, de
reusachtige beer, zag zich in gevecht bij gevecht door de zeven matrozen
overmand: de aankomst van een der Nederlanders was eindelijk reeds
voldoende om de ijsbeeren, uitgehongerd als zij waren, van hunne prooi
te verjagen. En in al die gevaren, terwijl hunne watervaten naast het
vuur stijf bevroren, terwijl de koude hen dikwijls dwong den nacht op-
en neergaande door te brengen, terwijl de sneeuw soms het uitgaan
belette en alle gebouwen bedekte, terwijl bijna alle levensmiddelen door
de vorst hun smaak verloren, terwijl de harde wind, die hun houten huis
reeds eenmaal bijna een prooi der vlammen had doen worden, hen soms
belette te stoken, ja terwijl een van hen zich nog bovendien verbeeldde
»van de Satan aengevochten te worden,”--onder al die ellende ontsnapte
geen klacht aan hunne pen! Slechts éenmaal--het was in het begin van
hunne eenzaamheid, toen de harde vorst voor geen vuur wilde
wijken,--schreef Segersz. in het journaal, dat zij »by nae
gediscouragieert werden, en oversulcks Godt Almachtigh daghelijcks
baden, hen niet na verdiensten te straffen.” Maar de moedeloosheid was
van korten duur: dadelijk werden weder de gewone bezigheden ter hand
genomen en in duisternis en koude gingen zij op de hun aanbevolen jacht.
Ja, toen het Kersfeest aanbrak was de opgeruimdheid teruggekeerd: zij
»koockten den Ham en een Rheenen hutspot, nuttigden daer benevens een
back heete Wijn en gaven yder man 7 duym Toback met een schoone Pijp.”
Zoo vierden zij hun feest; het eten van goede, verwarmende spijs was den
ongelukkigen waarlijk reeds een zelden voorkomend genot! Nieuwjaarsdag
volgde »met bittere koude, jacht-sneeu ende harde Vorst,” maar de moed
noch zelfs de opgeruimdheid ontviel hun. »Op dato”, dus schrijft
Segersz., »hebben wy ons Gebedt tot Godt gedaen, dat hy ons door sijne
Goddelijcke genade in dit Nieu aengevangen Iaer voor allen quade wilde
bewaren; nae welck Gebedt ick een kanne heete Wijn met een Salaet liet
gereet maecken, aen yder Persoon tot een Nieuw-Iaer (weder!) een schoone
Pijp met ses duijm Taback uytreyckende.” En toen was ook hunne grootste
ellende voorbij: op het einde van Januari kwam de zon terug; weldra
begon het ijs te breken, de bevroren voorwerpen wat te ontdooien. De
tochten buiten de hut strekten zich toen allengs verder uit en daarmede
was ook het gevaar voor scheurbuik grootendeels geweken. Den 26 Mei 1634
kregen zij eindelijk de eerste sloep van de terugkeerende
walvischvaarders in het gezicht, »daer over sy al t’ samen seer verblijd
waren, God danckende dat hy hen so langhe bewaert hadde ende voor alle
prijckel beschermt”.[617]

    [617] Zie het wedervaren der overwinterenden zeer uitvoerig verhaald
    in: „Vander Brugge, Journael gehouden by Seven Matroosen in haer
    Overwinteren op Spitsbergen.”

Hoe was het ondertusschen met hunne lotgenooten op Jan Mayen-eiland
afgeloopen? Reeds dadelijk liet de zaak zich voor hen erger aanzien. Het
voortdurende slechte weder, storm en sneeuw belette hen spoedig uit te
gaan en de noodige beweging te nemen; de beeren, die aan de Spitsbergers
gedurig zulk een welkomen voorraad versch vleesch verschaften, kon men
hier slechts zelden bemachtigen. De zeven matrozen op Jan Mayen-eiland
hadden het dan ook op 71° veel erger dan hunne lotgenooten op 80°: de
koude was nijpend, het weder woest. Wel werden zij niet als de
Spitsbergers in eene maandenlange nacht gehuld, maar de vale schemering,
die zich gedurende eenige uren per dag vertoonde, terwijl de zon zelve
achter de hooge bergen bleef schuilen, strekte slechts om hun het
troostelooze van hun toestand duidelijker te doen zien. In hun tent
opgesloten hadden zij niets om de lange, lange dagen zonder eenige
afwisseling te korten; bij de verveling kwam zich weldra ziekte en angst
voegen. Het journaal der ongelukkigen, dat aanvankelijk met stoicijnsche
onverschilligheid slechts eentoonige opgaven van weer en wind
bevat,--(in dit opzicht is het dan ook waarlijk verdienstelijk
nauwkeurig!),--dat over ziekte en rampen zwijgt en een enkele klacht,
die onwillekeurig aan de pen ontsnapt, dadelijk weder afbreekt door eene
nieuwe meteorologische waarneming, begint dan ook allengs met weinige,
maar treffende woorden den klimmenden angst der zeven kluizenaars te
schilderen. Heette het aanvankelijk, toen de zon begon te verdwijnen:
»in de Tent konnen wy niet langher sien te lesen of te schrijven, soo
dat ons den dagh heel ontvalt ende sitten meest met toe deuren, ’t welck
een weynigh onse couragie beneemt, snachts de wint N;” later schreef de
»boeck-houder”, dat zij »seer begeerigh” waren om een beer te schieten,
»alsoo sy lange den ouden kost gehadt hadden, ende daer deur seer met
het Scheur-buyck gequelt waren;” en weinige dagen later: »wy en vernemen
tegenwoordigh niet sonders, oock so is onse couragie wat kleyn, alsoo wy
vry wat sieck van ’t Scheurbuyck zyn; wy hebben weynigh verversinghe,
om ons een weynigh op de been te helpen.” Toen daarop de eerste der
zeven op Paaschdag stierf, schreef een der overblijvenden: »de Heer wil
zijn Ziel genadigh zijn, en geven ons wat ons salich is, want wy meest
oock al sieck zijn; hoe het Godt met ons versien heeft is hem bekent!”
Maar onder al die rampen en ongelukken trachtten zij toch moed te
houden. Nauwelijks kwam een korte zonneschijn hen vervrolijken of het
journaal betuigt dankbaar: »Den 9 September de windt ZO met moy
Sonne-schijn, soo dat wy onse Hembden uyttrocken, sittende teghen het
Geberghte aen, en koester(en)de en vermaekende ons soo wat.” Ook de
verveling zochten zij te bezweren: »wy leyden somwylen een discoersjen
in ’t hondert, ende elck vertrock vast zijn avontuer, dat hy soo te
lande als te water, wel van zijn leven gehadt hadde, ofte hem bejegent
was, so brochten wy somwijlen onsen tijt toe.” Toen de rampen toenamen
en de ziekte, die zoovele reizigers in het noorden reeds gedood had, ook
hen meer en meer begon te kwellen, sterkten zij zich door het gebed:
»Anno 1634 den eersten Januarius, naer wy smorghens op gerezen zijn
geweest, so hebben wy malkanderen een gelucksalig Nieuwe-jaer toe
gewenscht, en wenschten malkanderen dattet ons tot een goede uytkomste
gelucken mochte, ’t welck ons hartelijck begeeren was, ende hebben
ghelijckelijck een Gebedt gedaen, om alsoo ons ghemoet wat te
verlichten.” En werkelijk het gelukte hun, al werd de toekomst hoe
langer hoe donkerder, goeden moed te houden; het gelukte hun in al hunne
ellende nog »sonderlinge vermaeck te hebben in 3 jonge Beerkens te sien,
welcke waren ontrent als kleyne Schaepkens.” Nauwelijks veertien dagen
nadat de boekhouder dit schreef, viel hij als eerste offer van het
scheurbuik; nog veertien dagen later eindigt het journaal plotseling op
30 April 1634 bij »klare Sonneschijn weer” midden in een volzin: de
scheurbuik had den laatste hunner alle krachten benomen. Het overige
laat zich gissen; de schepelingen, die 4 Juni op het eiland aankwamen,
vonden hen allen »seer desolaet” en dood in hunne kooien liggen: »d’een
voor d’ander nae was van de groote koude, die daer geen ghebreck was,
versteven, ende waren soo allen van ongemack vergaen.”[618]

    [618] Zie een uitvoerig verslag van hun wedervaren in: „Twee
    Journalen gehouden by Seven Matroosen op het Eylandt Mauritius
    gestorven enz.”

Het is licht te begrijpen, dat na deze ondervinding geen van de
bemanning der vloot het waagde op de onherbergzame kust achter te
blijven; maar op Spitsbergen, waar men van dit alles onbewust was,
stonden de zaken anders. De ondervinding had geleerd, dat het niet
alleen mogelijk was daar in goede gezondheid de strengheid van den
winter te trotseeren, maar het verblijf der zeven matrozen had een
overrijken buit van beerenvellen in handen der Noordsche Compagnie
gebracht. Wel had de walvischvangst niets opgeleverd, maar een grooter
aantal mannen zou misschien beter slagen. Vol hoop op de toekomst
besloot men dan ook het oordeel der bewindhebbers over eene voortdurende
vestiging in te winnen; voorloopig bepaalde men, dat weder eenige
matrozen op Smeerenburg zouden achtergelaten worden. De goede uitslag
van het vorige jaar gaf den matrozen moed: »verscheyde Persoonen
presenteerden haer gewilligh” om te blijven. Uit die allen werd Andries
Jansz. van Middelburg met zes man uitgekozen en in het najaar van 1634
op het eiland achtergelaten.

Het korte uittreksel uit hun journaal, dat ons overgebleven is, geeft
een aangrijpend verhaal van hunne ellende; met vreesselijke
eentoonigheid bevat het dag aan dag het bericht, dat de een voor de
ander na door het scheurbuik aangetast wordt, een drank inneemt en toch
voortdurend verergert. Want hetzij dat de beeren door het onafgebroken
jagen bevreesd geworden waren, hetzij de matrozen minder moed en
behendigheid toonden dan hunne voorgangers, zeker is het dat zij geen
versch vleesch konden krijgen en ook het als »salaet” bekende kruid, dat
het beste geneesmiddel tegen de scheurbuik is[619], konden zij »tot
haerder groote droefheydt niet op doen.” Wel »troosten sy haer onder
malkander, dat God haer groente en verversinge wesen sou(!), en dat hy
’t versien sou;” maar de ziekte, die zich reeds den 24 November
geopenbaard had, nam toe en een maand later was »niemandt van haer allen
sonder pijn.” »Wilt niet beter worden,” dus schreven zij mismoedig, »soo
zijn wy altemael doodt eer de Schepen hier komen; dan Godt weet wat ons
van nooden is.” Reeds 14 Januari 1635 viel een van hen als slachtoffer
der ziekte, twee zijner medgezellen volgden binnen drie dagen. De
beeren, die nu als om hen te bespotten in groote troepen kwamen
opzetten, waren veilig: »sy hadden de macht niet om een Roer af te
schieten, en of sy al getreft hadden, om haer nae te loopen, want konden
de eene voet voor den ander niet setten, noch gheen Broodt bijten,
hadden vreesselijcke pijn inde lenden en ’t lijf, en hoe quader weer hoe
slimmer; de eene spoogh bloedt, de andere loosde bloedt door de
stoelgangh. Ieroen Carcoen was de sterckste noch, die haelde altemet
noch wat kolen om vyer aen te leggen.” De vier overblijvenden zagen
eindelijk de zon terugkomen; maar het was slechts om hun sterfbed te
verlichten. Reeds twee dagen later (26 Februari 1635) schreven zij:
»Wij leggen met ons vieren, die noch in ’t leven zijn, plat te Koy, wy
souden wel eten, wasser een soo kloeck dat hy uyt syn Koy komen kon om
vyer aen te leggen. Wy konnen ons niet roeren van pijn. Wy bidden Godt
met ghevouwen handen, dat hy ons uyt dese benaude Wereldt verlossen wil;
alst hem belieft, soo zijn wy gereet, want wy mogen ’t dus niet langer
harden sonder eten of vyer, en wy konnen malkander niet helpen; elck
moet sijn eygen last dragen.” Zoo eindigde het journaal! Maanden later
vonden de schepelingen der walvischvloot hen dood in hunne tent, de drie
eerst gestorvenen in kisten, de overigen in hunne kooien of op den
grond, de kin tegen de knieën getrokken door koude en ziekte. De mannen
»maeckten kisten tot de vier, en begroeven haer nevens de andere drie in
’t snee, alsoo daer noch door de groote koud’ geen andere gelegentheydt
was; maer naderhandt doe het snee begon te smelten, en het Landt begost
bloodt te komen, begroeven sy se met Aerde het best dat sy konden, alle
seven aen malkanders zijde, leyden steenen op haer kisten, om dat sy van
’t Wildt niet verscheurt souden worden.”[620]

    [619] Zie over deze „salaet” („scurvy-grass”) en de ook wel eens
    vermelde zuring: Vander Brugge, Journael. p. 6, 7, 8.--Scoresby,
    Account. I p. 145.--Martens, Voyage to Spitzbergen, by: White,
    Spitzbergen. p. 49, 50.

    [620] Het uittreksel uit het journaal der zeven matrozen is
    afgedrukt achter: Raven, Journael van de reyse nae Spitsberghen
    inden Jare 1639 p. 12-14,--en in: Twee journalen vande Seven
    Matroosen. p. 21-23.

»Naderhandt en isser geen meer Volck op Spitsbergen ghebleven om te
overwinteren,” zegt de uitgever van het journaal. Onder hen, die dit
vreesselijke tooneel gezien en gevoeld hadden, was de lust en de moed om
het voorbeeld der slachtoffers te volgen gering.



HOOFDSTUK V.

ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.


Terwijl alzoo eene nieuwe nering de IJszee tot het tooneel van een
levendig verkeer maakte, was de westelijke helft der poolstreken nog
steeds hoogst onvolkomen bekend en bijna geheel verlaten gebleven. Eerst
veel later zou men er toe komen die streken voor de oefening der
walvischvangst te gebruiken; voorloopig waagden zich slechts enkelen in
de onherbergzame oorden, en die enkelen was het meest allen te doen om
den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds voordat
de ongelukkige tocht van Pet en Jackman in 1580 de Engelschen van
verdere onderzoekingen in het noordoosten had afgeschrikt, was hun oog
op het westen gevallen, waar de nog nagenoeg onbezochte noordsche
wateren misschien een gemakkelijker en zeker een korter weg beloofden
dan door het noordoosten ooit te vinden zou zijn.

De eerste, die pogingen deed om dezen weg te vinden, was Sir Martin
Frobisher, die op drie reizen (1576-78) de naar hem genoemde baai en de
nabijgelegen landen op 62° NB. nauwkeurig onderzocht. Maar de doortocht
was daar niet te vinden, en het later gezochte goud beloonde zijne
moeite evenmin. Hem volgde weinige jaren later (1585-87) de
wereldberoemde John Davis, die eveneens drie reizen ondernam. Het was
hem meer dan zijnen voorganger ernst met het zoeken van den doortocht.
Telkens was de naar Davis genoemde zee het doel zijner reizen en het
gelukte hem de beide kusten der zoogenaamde straat, vooral de oostelijke
nauwkeurig te verkennen tot op 73° NB. Hoeveel hoop deze ontdekkingen
ook op het vinden van den doortocht mochten geven, het spoor van Davis
werd voorloopig niet weder betreden. Eerst George Weymouth stevende in
1602 weder naar het noordwesten. Het feit, dat hij de eerste was, die de
reeds door Davis geziene Hudsons-straat een eind weegs bezeilde, heeft
deze reis meer bekend gemaakt dan het resultaat verdient. Reeds spoedig
toch dwong het scheepsvolk den wakkeren kapitein den steven te wenden
en naar het vaderland terug te keeren. De vier reizen, door James Hall
voor Deensche en Engelsche rekening naar straat Davis ondernomen
(1605-7, 12), leverden geene nieuwe resultaten. Veel belangrijker was in
dit opzicht de bekende vierde reis van Henry Hudson (1610/11), die de
geheele naar hem genoemde straat door en de groote baai binnenzeilde,
waar hij overwinterde en als het slachtoffer eener samenzwering den dood
vond. De expeditie, in 1612 onder Sir Thomas Button uitgezonden om hem
te zoeken, bereikte niet alleen de westkust van Hudsons-baai, waar zij
overwinterde, maar verkende ook in 1613 het noordelijker gelegen
Southampton-island tot 65° NB. Verder dan een hunner voorgangers kwamen
in 1615 en 1616 Robert Bylot en William Baffin, die het tweede tijdvak
der Engelsche noordpoolreizen sluiten. Op hunne eerste reis drongen
zij door Hudsons-straat tot op ruim 65° aan de oostkust van
Southampton-island door; hun tweede tocht bracht hen tot op bijna
79° in de naar Baffin genoemde baai, waar zij de drie straten
ontdekten, die nog voor de eenige gehouden worden, waardoor de
doortocht in het hooge noorden mogelijk is: Smith’s sound, Jones’ sound
en Lancaster-sound[621].

    [621] Zie over deze reizen uitvoeriger: Barrow, Voyages into the
    arctic regions. p. 77-217.

Het zou zeker verbazend geweest zijn, zoo de Nederlanders, de eerste
zeevarende natie der zeventiende eeuw, het tooneel, waarop hunne
mededingers voortdurend door hun moed en volharding lauweren behaalden,
onbezocht gelaten hadden. Het feit op zich zelf, dat een Engelschman
eene nieuwe onderneming had begonnen, was destijds voldoende om
Nederlanders tot navolging uit te lokken; hoe zou dat hier het geval
niet geweest zijn, nu het welslagen der Engelschen dezen in het bezit
zou gesteld hebben van den kortsten weg naar Oost-Indië juist op het
oogenblik, dat de wedijver van beide natiën daar meer en meer een
ernstig karakter begon aan te nemen? Ook is het slechts de geheele
onbekendheid der latere Nederlandsche noordpoolreizen, die ooit het
gevoelen heeft kunnen doen wortelschieten, dat de Nederlanders in de
zeventiende eeuw het noordwesten nooit bezocht hebben; wij zagen reeds,
dat nog voor het einde van het eerste tijdperk een Amsterdamsch schip
den steven daarheen wendde. Juist echter nu dus aan de vaart der
Nederlanders naar het noorden nieuwe banen schenen geopend te zullen
worden, bedreigde haar een ernstig gevaar. Het octrooi der Noordsche
Compagnie sloot een groot gedeelte der noordpoollanden voor allen, die
geen aandeel in de vereeniging hadden; de vischrijke stranden van
Spitsbergen, de langen tijd gezochte goudmijnen aan straat Davis waren
aan het verkeer onttrokken, de handel met de Groenlanders was verboden.
Nam reeds dit op zich zelf een prikkel tot nieuwe ontdekkingsreizen weg,
weldra zouden er nieuwe moeielijkheden daartegen oprijzen. De
ondervinding had geleerd, dat het bezit van land in de IJszee voor de
walvischvangst nuttig, ja onontbeerlijk was, en terwijl dus de
inbezitneming der reeds bekende landen door de Noordsche Compagnie
spoedig te verwachten was, verklaarde deze reeds dadelijk, dat zij
voornemens was verdere ontdekkingstochten te doen om de tot nu toe
onbekende streken voor hare nering in bezit te nemen. Het was
gemakkelijk te voorspellen, dat de compagnie, dus meester in de geheele
IJszee en tot in straat Davis toe, weldra feitelijk het monopolie zou
verwerven ook voor reizen ter ontdekking van den noordelijken doortocht,
waartoe zij beter dan iemand in staat was, omdat zij gemakkelijker en
minder kostbaar dan alle andere Nederlanders de vaart kon volbrengen.
Wat erger was, het kon den schijn hebben, alsof de Staten-Generaal hunne
goedkeuring aan dit monopolie geschonken hadden. Daarvoor moest gezorgd
worden: de regeering, die zelfs aan de zoozeer bevoorrechte
Oost-Indische Compagnie het monopolie om de IJszee te bevaren
uitdrukkelijk geweigerd had om zoodoende den prikkel tot ontdekkingen
levendig te houden, wilde er voor waken, dat ook nu de omstandigheden
haar op nieuw tot het verleenen van voorrechten gedwongen hadden, de
ondernemingszucht der Nederlanders niet uitgedoofd werd en eene andere
bevoorrechte vereeniging niet de voordeelen verkreeg, die aan hare
oudere zuster geweigerd waren. De zaak scheen spoed te vereischen en
reeds dadelijk werd dan ook het »depescheren” van het octrooi der
compagnie opgehouden[622].

    [622] R. S.-G. 27 Jan. 1614.

Ook buiten de vergadering der Staten-Generaal waren deze bedenkingen
gerezen. Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander van alle monopolie,
de gevreesde vijand der Oost-Indische Compagnie, zag dadelijk het gevaar
in, dat de ondernemingen zijner landgenooten bedreigde. Juist was hij
met een nieuw omvangrijk plan bezig, dat beloofde de Oost-Indische
Compagnie door de ontdekking van eenen nieuwen weg in het zuidwesten
eindelijk haar monopolie te ontwringen, maar de zaak was toch niet zeker
genoeg dan dat hij niet alles in het werk zou stellen om zich bij
mislukking van dit plan den ouden reeds eenmaal beproefden weg door het
noorden open te houden. Met het oog op zijne Austraalsche Compagnie en
op het pas verleende octrooi der Noordsche diende hij daarom weldra bij
de Staten een verzoekschrift in, waarbij hij, wars van alle duurzaam
monopolie, als belooning zijner moeite zich de voordeelen zijner
eventueele ontdekkingen ten minste voor eenige jaren bij uitsluiting
trachtte te bedingen[623]. Het gevolg was, dat de Staten den 27 Maart
1614 wel het octrooi der Noordsche Compagnie nu definitief
uitvaardigden, maar tevens een »generael octroy” verleenden »voor die
geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen oft Plaetsen souden
ontdecken.” »Wy verstaen,” dus spraken de Staten, »eerlijck, dienstlijck
ende profijtelijck voor dese Landen, ende tot vorderinge van den
welstant van dien, oock tot onderhoudt van het Zeevarende Volck te
wesen, dat die goede Inghesetenen verweckt ende gheencourageert worden,
omme hen te employeren ende verkloecken in ’t ondersoecken ende
ontdecken vande Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, die voor desen
niet ontdeckt ofte bevaren zijn gheweest, ende is by eenige Koopluyden
ons openinge ghedaen, dat syluyden door Godes ghenadige hulpe, met
diligentie, moeyten, periculen ende kosten, hen daer toe sulcks
verhoopen te employeren, dat daer van goede vruchten souden staen te
verwachten, indien onse beliefte ware, hen te octroyeren, priviligieren
ende begenadigen, dat sy die Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen,
by henluyden van nieuws te vinden ende ontdecken, alleen souden mogen
bevaren, beseylen ende frequenteren voor ses reysen in recompense van
hare kosten, moeyten ende periculen: Met interdictie dat niemant
directelijck ofte indirectelijck de selve Passagien, Havenen, Landen
ofte Plaetsen soude mogen bevaren, beseylen ofte frequenteren, voor ende
al eer die eerste ontdeckers ofte bevinders der selver, de voorschreve
ses reysen souden hebben volbracht.” De Staten-Generaal dit alles
»rijpelijck overgewogen hebbende, ende bevindende het voorschreve
voornemen voor den welstant der Vereenichde Landen loffelijck, eerlijck
ende dienstelick, Ende willende het besoecken voor alle ende een
yeghelijck vande Ingesetenen deser Landen vry ende gemeen maecken,
wilden allen ende een yeghelijck vanden Inghesetenen der Vereenichde
Nederlanden tot het voorschreve ondersoeck noodigen”, en »octroyeerden
ende consenteerden daeromme, dat die geene die eenige nieuwe Passagien,
Havenen, Landen ofte Plaetsen voortaen sou ontdecken, hy de selve
alleenlijck sou bevaren ofte doen bevaren voor vier reysen, sonder dat
yemant anders directelijck ofte indirectelijck de selve nieuwe ontdeckte
ende gevonden Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen sou mogen uytte
Vereenichde Landen beseylen, bevaren ofte frequenteren, voor dat den
eersten bevinder ofte ontdecker de selve vier reysen selfs sal hebben
ghedaen, ofte doen doen, op peyne van confiscatie vande Schepen ende
goederen daer mede daer jegens sou worden gheattenteert, ende een mulcte
van vijftich duysent Nederlandtsche Ducaten ten profyte vande
voorschreve Bevinder ofte ontdecker.”

    [623] Dat Le Maire en zijne compagnons van de Austraalsche Compagnie
    de verzoekers van het „generael octroy” waren, staat vermeld bij:
    Bakhuizen v. d. Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 44. Ik
    heb daarvoor geen bewijs gevonden, maar het is zeer waarschijnlijk,
    te meer omdat zich in de verzameling „Noordsche togten” (1. R.-A.)
    een afdruk van het „generael octroy” bevindt, waarop met eene hand
    van dien tijd geschreven is: „Austraelsse Compaignie.”--O’Callaghan
    (Hist. of New-Netherland. I p. 69) schrijft het vragen van het
    octrooi toe aan de handelaars op Nieuw-Nederland, waaronder trouwens
    waren Jan Clemensz. Kies e. a. Hoornsche kooplieden, die leden waren
    van Le Maire’s compagnie. (O’Callaghan l. c. I p. 74.)--De R. S.-G.
    27 Maart 1614 spreken slechts van »verscheijden Coopluijden,
    Ingesetenen vande Vereenichde Provinciën.”

Tegenover de voorrechten aan de Noordsche Compagnie verleend werden dus
andere voordeelen uitgeloofd, die het aan ieder vrijstond te verkrijgen.
Ieder oogenblik kon er nu een mededinger voor de bevoorrechte
vereeniging opstaan, en om misverstand tusschen de wedijverende lichamen
te voorkomen, bepaalden de Staten-Generaal nu reeds dadelijk, »dat sy by
desen niet en verstonden eenige prejuditie ofte verminderinge te doen
aen hunne voorgaende Octroyen ende Concessien. Ende soo verre in ofte
ontrent een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien sulcke
nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten,
dat de selve te samen dit Octroy ende Privilegie souden genieten. Ende
in gevalle eenige gheschillen ofte differenten desen aengaende ofte
andersints uyt dese hunne Concessie quamen te rijsen ofte ontstaen,
souden de selve by haer Ho: Mo: worden gedecideert, waer naer hem een
yegelijck sou hebben te reguleren.”[624]

    [624] Gr Placaet-boeck. I p. 563-66--R. S.-G. 27 Maart 1614.

De maatregel bleek de Noordsche Compagnie tot krachtsinspanning te
prikkelen; bevreesd voor de steeds dreigende mededingers deed zij alle
moeite om hen te voorkomen, en in de eerste jaren van haar bestaan deed
zij zelfs ernstige pogingen om van hare gunstige positie gebruik te
maken, ten einde den langgezochten doortocht naar Oost-Indië te vinden.
Reeds in 1613 kan men het er voor houden, dat de Amsterdamsche reeders
op de walvischvangst hetzij door de schepen van Van Muyden, hetzij door
eene afzonderlijke onderneming getracht hebben de noordpool te bereiken.
In hun request aan de Staten-Generaal, waarbij zij octrooi verzochten,
beroemden dezen zich toch, »dat sy de alder eerste waeren die uyt dese
Landen soo verre om de Noort aangevangen hadden te varen ofte te seylen,
met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, ~alwaer noyt Christen
Menschen ontrent hadden gheweest, Jae dat sy hadden ghepasseert
drie-en-tachentich graden~, blijckende by seeckere Caerte ende bewijs
onder de Supplianten berustende, alwaer hare Schepen ghevonden hadden
eene ruyme Zee, sonder Ys, vlack Weylandt, met Gras-etende Gedierten,
ende aldaer aenden Zee-kant ende daer omtrent ghevangen eene quantiteyt
Walvisschen, Walrussen ende andere Visschen.”[625] Het komt mij echter
waarschijnlijk voor, dat deze opgave van de bereikte hoogte overdreven
is. Nergens elders blijkt, dat er in 1613 door Van Tweenhuysen c. s.
schepen ter ontdekking zijn uitgezonden en het verhaal van de »ruyme Zee
sonder Ys” en het »vlack Weylandt met Gras-etende Gedierten”, waar men
aan den zeekant walvisschen en walrussen ving, wijst te duidelijk op de
bekende reis van Van Muyden, die Spitsbergens westkust bezocht, dan dat
men eene afzonderlijke ontdekkingsreis ten noorden van dat eiland, waar
zooals bekend is het zoogenaamde westijs weldra allen verderen doortocht
belet, zou behoeven aan te nemen.

    [625] Zie het octrooi der Noordsche Compagnie. (Gr. Placaetb. I p.
    669.)--De „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. van 1624
    (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verhaalt, dat „in den Jare
    1611 (lees 1612) eenige Schepen geequipeert ende na de voorszeide
    costen (van Spitsbergen) wtgesonden sijn, de welcke na veele
    zeijlens ende menichfuldige periculen van ijs storm ende anders de
    selve costen aengedaen hebben ende nijet alleene nader besocht maer
    soowel ~in datselve jaer~ als eenige navolgende het Landt eene goede
    streeck langs om de noort verder als oijt te vooren hebben opgedaen
    ende beseijlt.”

Maar zoodra de Noordsche Compagnie haar octrooi verkregen had, namen de
ontdekkingsreizen een aanvang. Aangevuurd door de medewerking der
Staten-Generaal besloot de vereeniging een tocht te doen ondernemen naar
het noorden om den doortocht naar Oost-Indië te zoeken. Overeenkomstig
met de toen heerschende denkbeelden omtrent den weg recht naar de
noordpool werd daarheen de steven gewend. Twee schepen, »de goude Cath”
van Amsterdam, kapitein Jan Jacobsz. May[626], en »den Orangienboom” van
Enkhuizen, kapitein Jacob De Gouwenaer, vertrokken, met de Nederlandsche
walvischvaarders naar Spitsbergen gezeild, in het begin van Juli uit
Fairhaven[627]. Tusschen Groenland en Spitsbergen door zette men koers
naar het noorden. Over den uitslag der reis bewaren de reeders het
stilzwijgen, maar wij bezitten een bericht van een nog geloofwaardiger
getuige: op een der schepen was stuurman Mr. Joris Carolus van
Enkhuizen. Deze kundige zeeman, op wien de mantel van Barendsz. gevallen
was, schijnt zich nauw aan de Noordsche Compagnie verbonden en haar
krachtig gesteund te hebben bij hare eerste ontdekkingsreizen. Reeds
toen was hij een ervaren zeeman. Na in het beleg van Ostende een been
verloren te hebben schijnt hij zich op de stuurmanskunst toegelegd te
hebben. Lange jaren had hij toen in dienst der Oost-Indische Compagnie
in de gevaarlijke wateren van den Indischen archipel verkeerd, en nog
lang zou hij op zijne talrijke reizen in de Europeesche wateren een
schat van kennis verzamelen. Eindelijk toen hem »syne jaren ende
impotentie eenighsins beletten,” zette hij zich als leermeester der
stuurmanskunst te Amsterdam neder en bij de uitgave van zijn »Nieuw
vermeerde Licht ende Vierighe Colom des grooten Zeevaerts” in 1634 kon
hij toen getuigen, dat hij alle peilingen, opmetingen en teekeningen der
Europeesche stranden, die dit uitgebreide kaartboek bevatte, mededeelde
»niet uyt het verhael van andere, maer uyt syn eyghen observatien ende
byweesen”[628]. Onder die »observatien” is er eene, die over het
resultaat der reis, die wij bespreken, een merkwaardig licht verspreidt.
»Het landt van Out-Groenlandt” (d. i. het zuidelijke gedeelte van
Groenlands oostkust), zegt Carolus, »by Noorden Yslandt, streckende
Zuijdtwaert tot de Caep ofte Staten Hoeck, ende dan om den Hoeck
voorzeid langhs het Fretum Davids ende in de groote binnen Zee, rontsom
is altemael vast lant, ende is al een selve landt aen America vast,
zijnde tot by Noorden ende Noordoost van Yslandt af, soo ’t anders niet
aen Spitsberghen vast en is, twelck ick niet gheloove, vermits de
stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen, ~dit heb ick
bevonden inden jare~ 1614 ~doen ick soo verre om de Noord was tot op~ 83
~graden~[629], alwaer ick ghesien heb dat alle de ebben om de Noord
liepen, daerom vermoede soo daer een deurgang om de Noord te vinden is,
soo moet men die dat henen soecken, of hy noch bekent sal worden is Godt
bekent, (Ick hope jae.)”[630] Reeds uit het medegedeelde blijkt, dat de
expeditie wel hoop had den doortocht te vinden en het zelfs tot zeer ver
in het noorden bracht, maar dat het doel der reis niet bereikt
werd[631]. Reeds den 9 Augustus passeerden de twee schepen dan ook de
noord westpunt van Spitsbergen op hunne terugreis[632]. Toch was deze
tocht voor de Noordsche Compagnie voordeeliger dan eenige volgende:
onderweg ontdekte men toevallig het afgelegen Jan Mayen-eiland, eene
ontdekking voor de compagnie van onberekenbaar belang, maar door haar
aanvankelijk niet gewaardeerd[633]. Ik hoop aan het einde van dit
hoofdstuk op deze ontdekking terug te komen.

    [626] Jan Jacobsz May wordt nog in 1623 als kapitein op een
    Nederlandsch oorlogschip genoemd bij: Wassenaer, Hist. verh. V fol.
    66, 67.--In 1622 bracht hij in dienst der admiraliteit van het
    Noorderkwartier een Fransch schip op. (Zie o. a. R. S.-G. 16 Dec.
    1622, 10 Apr. 1623.)--Vgl. over hem en zijnen broeder Cornelis nog:
    Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 112.--O’Callaghan, Hist. of
    New-Netherland. I p. 72, 73, 86, 99.

    [627] Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614,
    bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.

    [628] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. Opdr. p. 2.

    [629] In de opdracht van bovengemeld kaartboek verhaalt Carolus, dat
    hij eenmaal „in de Weygats tot op de hooghde van 83 graden als
    Stuerman” was. Waarschijnlijk heeft ook dit bericht op deze reis
    betrekking, al kennen wij den naam »Weygats” voor deze zee van
    elders niet.

    [630] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147.

    [631] Zie over deze reis: R. S.-G. 16 Jan. 1615.

    [632] Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, by:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 725.

    [633] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in:
    Noordsche togten. 3. Ontdekking van Jan Mayen-eiland. R.-A.--Dat het
    eiland op dezen tocht naar de pool ontdekt werd, blijkt voldoende
    uit den naam „Mr. Ioris Eylant,” dien Carolus met vergefelijke
    ijdelheid daaraan geeft op de kaart van Groenland in zijn: Nieuw
    vermeerde Licht des Zeevaerts.

Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland wendde Carolus zich tot de
Staten-Generaal en wekte hen tot eene nieuwe onderneming van landswege
naar het noorden op. Hij bood zijne dienst aan »omme met yver tallen
tyden opt comandement van hare Ho: Mo: noch voirder ondersoeck te doen.”
Zijne moeite was echter vruchteloos. Wel legden de Staten-Generaal hem
tot belooning van zijnen ijver en in aanmerking van zijne vroegere
diensten de som van ƒ 72 eens toe »tot eene vereeringe”, maar tevens
verklaarden zij, »dat hare Ho: Mo: voirder egheen costen meer en
begeerden te doen tot last van het lant, om de voorszeide passage te
doen ondersoecken, toelatende sulcx te doen die Coopluyden ende andere
die de prys op het vinden vande voorszeide passage gestelt sullen
begeerte hebben te winnen[634].” Gelukkiger slaagde Carolus bij de
Noordsche Compagnie. De vereeniging toonde zich de hulp der Staten
waardig, en was bereid om de vrijzinnige politiek der regeering in de
hand te werken. Ook in 1615 maakte zij zich dus tot eene ontdekkingsreis
gereed, ditmaal echter volgens een nieuw plan. In het begin van dit
hoofdstuk heb ik er op gewezen, dat de ontdekkingsreizen der Engelschen
zich in de laatste dertig jaren bijna altijd naar het noordwesten
richtten. Nederland had lang de oude wegen door het noordoosten boven de
andere verkozen; eerst toen alle pogingen vergeefs bleken gaf zij die
richting voor langen tijd op. Wij zagen, dat reeds in 1613 eene
Nederlandsche expeditie dadelijk naar het noordwesten uitgezonden werd,
natuurlijk was het dat eene compagnie, aan wier hoofd een handelaar op
Nieuw-Nederland, Lambert Van Tweenhuysen[635], stond, dien weg niet
ondoorzocht zou laten. Ook was het daarheen, dat de Noordsche Compagnie
verder hare meeste ontdekkingsreizen richtte.

    [634] R. S.-G. 16 Jan. 1615.

    [635] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.--O’Callaghan, Hist. of
    New-Netherland. I p. 74.--Ook de bewindhebbers der N. C. Samuel
    Godin bezat land in Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 121,
    125, 479.) Adriaan Van der Donck noemt de N. C. in verband met de
    eerste reizen naar Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 29.)

Den 2 April 1615 kwam in de vergadering der Staten-Generaal het plan der
compagnie ter tafel; hare schepen waren reeds gereed om ter ontdekking
uit te zeilen. De Noordsche Compagnie beoogde met deze reis niets minder
dan bij noorden om naar China te varen en om de Kaap de Goede Hoop terug
te keeren[636]. Weinige weken voordat Jaques Le Maire langs het
zuidwesten eene reis om de wereld begon, vertrok dus eene andere
expeditie met hetzelfde doel en »omme te soecken ende ontdecken zeekre
nyeuwe landen liggende int noortwesten” uit de Nederlandsche zeegaten.
Maar de geest, die de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie
bezielde,--een geest, waarvan Le Maire in het volgende jaar de treurige
uitwerkselen zou ondervinden,--was aan de Noordsche Compagnie te goed
bekend dan dat zij zich niet vooraf van de medewerking der
Staten-Generaal zou verzekerd hebben. Voorzichtiger dan de bekende
mededinger der Oost-Indische Compagnie verzochten de bewindhebbers
vooraf van de regeering eene akte, dat het den schepelingen geoorloofd
zou zijn op hunnen terugtocht de havens, die onder het octrooi der
Oost-Indische Compagnie begrepen waren, aan te doen. Maar hooren wij hen
zelven. »De Bewinthebberen vande geoctroijeerde compagnie vande
Noordersche quartieren gheeuen reuerentelyck te kennen”, dus heet het,
»dat zij geresolveert sijn eenighe scheepen weederom te seijnden tot het
ondersoucken vande passagien bij noorden naer China ende Cathaij, Welcke
Schepen nu eerstdaechs sullen gereet sijn om in Zee te loopen, ende
dewijle dat onseeker is, offschoon de zelue passage werde ontdeckt, dat
het doenlijck soude weesen met de Scheepen de selue wech wederom te
keeren, maer dat zij souden genootsaeckt zijn te passeeren de Cabo de
Bona Esperantie ofte d’engte van Magalanes, ende ouersulcx gedwongen ’t
zij om ververssinge van water, victualie ende anderssints aen te doen
eenige landen In Oost-Indien, de welcke hun bij de Scheepen vande
Oost-Indische Compagnie aldaer weesende soude mogen werden belet, soo
keeren sij supplianten hun tot uwe H. M. deselue ootmoedelijck biddende
te verleenen acte op dat de voornoemde Scheepen onverhindert de
voorsseide passage souden mogen doen ende de versseide Landen
frequenteeren, op dat sulcken goeden aengeuangen werck in geener
Manieren werde verachtert.”[637] De Staten-Generaal oordeelden het
verzoek »in reden, billickheyt ende equiteyt ghefundeert,” en als altijd
gunstig voor het zoeken van den noordelijken doortocht gestemd,
verleenden zij dadelijk de verlangde akte[638], ja toen de compagnie den
11 Mei nog een jacht ter leen vroeg om de reis te maken, besloten de
Staten-Generaal onmiddellijk »alsoo de saecke haeste vereyschte ende
faveur meriteerde,” dat de Amsterdamsche admiraliteit met de supplianten
zou onderhandelen om hun het verlangde te leenen zoo ’s lands belang dit
toeliet[639].

    [636] R. S.-G. 2 April 1615.

    [637] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Apr. 1615, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. 1616-34. R.-A.--Akte voor de Noortsche
    Compagnie, dd. 2 April 1615. (Gr. Placaetb. I p. 671, 72.)

    [638] R. S.-G. 2 April 1615.

    [639] R. S.-G. 11 Mei 1615.--De N. C. had hierbij het oog op het
    oorlogsjacht „de Craen,” bekend door zijne reis in 1611 met May. De
    admiraliteit toonde zich wel genegen dit schip, dat niet goed voer,
    aan de compagnie te verkoopen, maar zij weigerde het te leenen.
    (Resol. Adm. Amst. 13, 14 Mei 1615.) De compagnie wilde echter den
    koop natuurlijk niet sluiten, en den 18 Juni werd „de Craen”
    verkocht aan Pieter Evertsz. Hulft voor ƒ 2900. (Resol. Adm. Amst.
    26 Aug. 1614, 5, 12, 18 Juni 1615.)

Kort daarop vertrok werkelijk een jacht, door de Noordsche Compagnie
uitgezonden, naar het noordwesten. Het zeilde straat Davis in en kwam
tot de vóor dien tijd daar nog niet bereikte hoogte van 80° NB.[640] Ook
over deze merkwaardige reis van Nederlanders, die een jaar vóor Bylot en
Baffin nog verder dan dezen in het noordwesten doordrongen, heeft ons
Joris Carolus naar ik meen eenig bericht nagelaten. In zijn boven
vermeld kaartboek, dat voor de kennis der noordelijke streken zoo groot
gezag had, dat daaruit alle latere Nederlandsche kaartenmakers naar het
schijnt bijna zonder uitzondering geput hebben, verhaalt hij ons
nauwkeurig de strekking van de oostkust van straat Davis tot op 71°.
»Dan cryght men,” dus gaat hij voort, »een groote ruyme Zee Noord-west
op gaende ende also weder Noordwaert rontsom nae ’t Oosten toe loopende,
ende dan weder Zuydwaert tot de voorszeide enghte (nam. straat Davis.)
Deze zee loopt sooverre Noordwaerts tot 79 graden, maer is achter dicht
ende vast landt met Inwycken ende Rivieren, daer een groote menichte van
ys gegenereert wordt, dat allenskens met de groote afwatering deur het
nauwe van de Straet inde Noord-zee comt dryven langhs beyde custen henen
tot in Terra Nova, alwaer ick een menichte hebbe sien dryven tot in de
groote Baye van S. Laureyns achter ende bewesten Terra Novam.”[641] Het
komt mij weinig twijfelachtig voor, dat Carolus deze ervaring op de
hierbesproken reis van 1615 heeft opgedaan: de gevolgde koers, de
bereikte hoogte stemmen nagenoeg overeen met het van elders bekende;
Carolus was volgens zijne eigene getuigenis slechts driemaal hoog in het
noorden en wij weten dat een dier reizen reeds in 1614 had plaatsgehad;
eindelijk het staat vast, dat hij met de Noordsche Compagnie nauw
verbonden was en in 1614 en 1617 in haar dienst reizen deed. Wij kunnen
dus nagaan, dat de expeditie langs beide zijden van straat Davis en van
de toen nog onbezeilde Baffins-bay een doortocht trachtte te vinden[642]
en, toen zij dien niet vond, ouder gewoonte haar geluk in den handel met
de inlanders beproefde. Immers Carolus toont zich met de bewoners der
kust goed bekend: zijn oordeel over hen luidt zeer ongunstig. »De
Inwoonders van dit Landt aen beyde zyden van de Straet,” dus verhaalt
hij verder[643], »zyn alte-samen Heydenen ende wilde Menscheneters. Men
moet haer schoon semblant niet ghelooven, al wat sy vermanghelen willen,
dat langhen sy op haer riem, daer sy haer cano met voort roeyen, sy en
vertrouwen niemant, daerom zyn sy oock niet te betrouwen, men moet hem
wel wachten van aen landt te loopen, ten sy dat ghy wel op u hoede syt
met een goet musquet: want sy vraghen niet veel nae een sabel, want men
comtse soo nae niet: maer sy connen u treffen met hare boghen ende
slingers, maer als sy sien datter een ter neder ghevelt wordt met een
musquet, soo loopen d’ander te landewaert in int gheberghte daer sy haer
onthouden.” Dus teleurgesteld keerden de reizigers terug: straat Davis
uitgezeild bereikten zij een groot land, zich uitstrekkende van 57° tot
53° NB. »twelck men beraemde te wesen ten zuyelycxsten van Fretum
Davits.” Dit land, dat niets anders zijn kan dan de reeds lang bekende
kust van Labrador, werd door hen dus waarschijnlijk voor een nieuw
ontdekte streek gehouden. De schepelingen gingen aan land en namen in
naam der Staten-Generaal plechtig bezit daarvan door het planten der
wapens van H. H. M. Aan een kaap op de kust gaven zij den naam van een
der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie en noemden ze
»Tweenhuysens-hoeck.”[644]. De compagnie haastte zich na de terugkomst
van het jacht in November volgens het »generael octroy” eene akte aan te
vragen, dat zij de ontdekkers waren van het betreden land. De
Staten-Generaal vervielen in dezelfde dwaling als de bewindhebbers en de
akte werd verleend[645].

    [640] R. S.-G. 26 Nov. 1615.

    [641] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 148.

    [642] Van de aanwezigheid van Joris Carolus op deze reis dragen de
    oude kaarten nog de sporen. In navolging van Carolus zelven noemen
    vele oude Nederlandsche kaarten aan Groenlands westkust op 61° de
    namen: »Mr. Ioris hoeck” en „Mr. Ioris Bay.” In den omtrek vindt men
    daar nog de Nederlandsche namen: Statenhoeck, Mauritii Bay,
    Wapenbergen, Caep Maelson en Wilde bay (MS. kaart v. Carolus.
    R.-A.--Kaarten van Groenland in den atlas van Goos en bij:
    Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 71); ook dezen zou ik geneigd zijn
    tot deze reis terug te brengen, de naam van Maurits van Nassau wijst
    toch op eene reis, die vóor 1625 moet plaatsgehad hebben en ook de
    bekende François Maelson, een der ijverigste bevorderaars der reis
    van 1594, zal het jaar 1615 wel niet zeer lang overleefd hebben.

    [643] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.

    [644] Deze naam komt voor op de geteekende kaart van Joris Carolus
    van 1626 (R.-A. Vgl. De Jonge, Opkomst, p. 31 Noot 2. De kaart is
    vlg. de R. S.-G. 10 Apr. 1626 uitgegeven.) Het komt mij niet
    twijfelachtig voor, dat men dien tot dezen tocht moet terugbrengen.
    In den omtrek van Tweenhuysens-hoeck bevinden zich nog op de kust
    van Labrador de volgende Hollandsche namen: Cardinaels-hoed,
    Hoybergen, Swarte hoeck, Twee rode eylanden, Steylhoeck, Ganse-bay,
    Vastlant, Slapershaven, Noothaven, Claptmuts-bay, Orangebay,
    Hollandtsche bay, Schildpadds-eyland, Sadel-eyland, Vossen-eyland,
    Syboldshoeck, Zuydtoosthoeck, Warderhoeck, Anthonis ofte
    Cameelshoeck, Lage hoeck, Schoon eylant en Jacob Wendelshaven.
    Waarschijnlijk zijn ook deze namen op de reis van 1615 gegeven. (Zie
    ook de atlassen van J. Danckers, P. Goos en N. Visscher uit de
    tweede helft der zeventiende eeuw.)

    [645] R. S.-G. 26 Nov. 1615.

Hoe weinig praktische resultaten de groote reis, door Carolus en de
zijnen volbracht, ook had opgeleverd, zij had den Nederlanders de
overtuiging geschonken, dat daar althans de gewenschte doortocht naar
het verre Indië niet te vinden was. Carolus verzekerde later zonder
aarzelen, dat de »deurgangh daer veel treffelijcke Zeevaerders naer
ghesocht hebben maer te vergeefs” niet bestond[646]. Nieuwe pogingen
schenen vruchteloos, nu eene zoo volhardende bemanning geleid door een
stuurman als Carolus niet geslaagd was. Nog slechts éen enkele weg bood
dus aan de Noordsche Compagnie kans op het bereiken van haar doel: lager
in het noordwesten, waar Frobisher en Hudson gehoopt hadden eene
zeeëngte te vinden, was nog veel ondoorzocht; niemand had van daar nog
zulke zekere en teleurstellende berichten medegebracht als Carolus
omtrent straat Davis. Daarheen moest dus de steven gewend. Onvermoeid
toog de Noordsche Compagnie weder aan het werk: in het voorjaar van 1616
had zij eene nieuwe expeditie gereed, die den laatsten weg zou
onderzoeken. Het jacht »den Orangienboom,” van Amsterdam, kapitein
Willem Jansz[647], vertrok van Jan Mayen-eiland, waar dit jaar de
walvischvangst voornamelijk gedreven werd, stevende benoorden IJsland
langs, omzeilde Groenlands zuidpunt en kwam, straat Davis overstekende,
aan »het westlant van fretum davits,” d. i. het tegenwoordige
Cumberland-island. Daar werd waarschijnlijk in Frobisher-straat naar den
doorgang gezocht, die daar niet te vinden was, misschien Hudsons-straat
en baai bezeild[648], maar het eenige resultaat der reis, toen het
jacht in November in het vaderland terugkwam, was, dat men een land op
de westkust van straat Davis tusschen 60° en 66° NB. had verkend en
betreden. Men had daar met de inwoners gesproken en van het land,
Statenland genoemd, in naam der Staten-Generaal met het planten hunner
wapens bezit genomen[649]. Evenals de ontdekking van het jaar 1615 werd
ook Statenland volgens het »generael octroy” voor vier jaren onder het
octrooi der Noordsche Compagnie begrepen[650], zonder dat het blijkt,
dat daarom de vereeniging zich ooit op het verkeer met die verre
gewesten heeft toegelegd[651].

    [646] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.

    [647] Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [648] Ik zou dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der
    noordelijke streken tusschen Hudsons-baai en IJsland, door Joris
    Carolus in 1626 vervaardigd, waarop hij aanteekent, dat hij deze
    landen »driemael selfs beseylt” heeft. Het komt mij waarschijnlijk
    voor, dat Hudsons-baai op deze reis bezocht werd; Carolus was
    ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis
    kwamen de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik
    twijfel, dan is het alleen, omdat Carolus blijkbaar voor het
    samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt heeft van die van
    Jens Munck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b. v. de „nieuwe zee” van
    Hudson „Mare Christiane”, terwijl Munck Hudsons-straat Fretum
    Christiani, Hudsons-baai Mare novum en James’-bay Mare Christianum
    noemde naar Christiaan IV van Denemarken. Op twee plaatsen in
    Hudsons-straat vind ik aangeteekend: „hier hebbense overwintert” en
    „Munckenes.”) Wel is waar vindt men op deze kaart in en bij
    Hudsons-straat Nederlandsche namen genoeg, als: Beerenhoeck, Kolden
    hoeck, Gebroken landt, Susters, Ys-eylandt, Snee eylandt, Zuydhoeck,
    maar misschien zijn ze op dezelfde wijze van Munck overgenomen en
    vertaald; van de „Susters” en het „Snee eylandt” is dit ten minste
    zeker.--Zie over Muncks reis: Barrow, Voyages into the arctic
    regions. p. 230-34.--Relation du Groenland, in: White, Spitzbergen
    and Greenland. p. 237-47.

    [649] Misschien werd op deze reis de niet onbelangrijke opmerking
    gemaakt, dat er in die streken overvloed van walvisschen was.
    Carolus teekent toch op zijne bovenvermelde geteekende kaart ten
    noorden van „Comberlants Bay” aan: „walvis veel”, „hier coocten
    traen,” enz. Het is echter niet onmogelijk, dat ook deze
    aanteekeningen op eene reis van Jens Munck of een ander betrekking
    hebben. (Zie vorige noot.)

    [650] R. S.-G. 23 Nov. 1616.

    [651] Met het in 1634 als station der walvischvaarders genoemde
    „Statenlandt” (Octr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de
    walvischv. dd. 22 Nov. 1634, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p.
    221) schijnt Edge-island bij Spitsbergen bedoeld te zijn. (Zie
    hiervóor p. 152 Noot 9{[601]}.) Het komt mij voor, dat het streven
    der N. C. om anderen uit te sluiten zonder zelf van de in bezit
    genomene streken eenig nut te trekken, moet toegeschreven worden aan
    de slechte ondervinding door haar opgedaan, toen zij in 1614
    verzuimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van Jan
    Mayen-eiland kennis te geven aan de Staten-Generaal.

Toen dus ook deze tocht naar het verre westen den zoo gewenschten
doortocht naar Oost-Indië niet had doen ontdekken, verflauwde bij de
Noordsche Compagnie de lust naar het zoeken daarvan voor geruimen
tijd[652]. De weg langs Novaya-Zemlya was reeds vroeger opgegeven; toen
dus ook de nieuwe wegen, die in den laatsten tijd beproefd waren,
niettegenstaande de groote hoogte, die de schepen bereikt hadden, geen
resultaat opleverden, meende men geene verdere pogingen meer te moeten
doen. Geen weg was meer ondoorzocht; de moedeloosheid was algemeen en
Maurits zelf, eens zoo ijverig voor het zoeken van den doortocht,
verklaarde nu ronduit, »qu’il tient que c’est peine perdue de s’y
trauailler d’auantage.”[653] Men meende, dat het vasteland, dat zich
veel verder naar het noorden uitstrekte dan Amerika’s zuidpunt naar de
zuidpool, steeds te veel moeielijkheden zou blijven aanbieden voor eenen
doortocht; immers reeds in de straat van Magellaan en in straat Le Maire
op 52° en 56° ZB. hinderde het ijs de reizigers altijd zeer[654]. Hoewel
er zeker op deze redeneering vrij wat viel af te dingen, had de
ondervinding toch voldoende geleerd, dat de noordelijke doortocht, ook
als hij gevonden werd, vele moeielijkheden zou blijven opleveren. En bij
dit bezwaar voegde zich een andere reden, die de Nederlanders minder
ijverig maken moest tot het zoeken van den weg. De eens zoozeer begeerde
ontdekking was niet langer het doel, waarnaar bijna allen, die geene
leden der Oost-Indische Compagnie waren, met goedkeuring der regeering
zelve streefden. »Je ne voy pas,” schreef de Fransche gezant Du Maurier
op het laatst van 1618 aan een zijner bekenden, »qu’en cette Republique,
quand bien il se pourroit, ils desirent la decouuerture dudict passage,
pour les raisons que je vous ay marcquées cy deuant, tellement que cette
consideration faisant en quelque sorte cesser l’Espoir de la recompense,
cessera quant et quant le courage et l’Enuie de se hasarder pour
cela.”[655] Het is zeker jammer, dat de redenen, die Du Maurier daarvoor
opgaf, niet bewaard zijn gebleven, maar het is niet moeielijk ze ten
minste eenigermate te gissen. De Oost-Indische Compagnie was meer en
meer het lichaam geworden, waarnaar de natie zich gewend had op te zien
als het stevigste bolwerk in den op nieuw dreigenden oorlog met Spanje.
En dat lichaam, dat dus voor ’s lands vrijheid een vereischte geworden
was, verkeerde niet meer in den bloeienden toestand, waarover men zich
in de eerste jaren van zijn bestaan zoozeer verheugd had. Meer en meer
waren misbruiken in het beheer openbaar geworden, het gemompel over den
slechten stand der zaken was toegenomen, in Indië zelf had men met de
Engelschen reeds lang onaangenaamheden, die gedurig toenamen. Nu dus
eenmaal het behoud der Oost-Indische Compagnie eene nationale zaak
geworden was, zou het zonderling geweest zijn met haar te gaan
concurreeren. De regeering kon de wedijver niet meer aanmoedigen, de
natie zelve moest haar belang inzien en de vertoornde participanten
konden toch ook niet anders dan concurrentie vreezen. Nog slechts
éenmaal vernemen wij dan ook in de eerstvolgende jaren van eene poging
om den doortocht naar Oost-Indië te vinden: een Nederlandsch schipper
stevende in 1618 weder met dat doel naar het noorden. De reis had
trouwens niets te beduiden; toen de kapitein in December terugkeerde kon
hij zich niet beroemen op de bereikte hoogte (65° NB.), en hij
vergenoegde zich dus hoog op te geven van de gevonden schatten, die in
eenige roode en groene jaspissteenen bestonden. Hij meende, dat uit de
groote rotsen, die hij van dien steen gezien had, groote kolommen te
vervaardigen waren, die gemakkelijk gepolijst en tot versiering der
huizen gebruikt konden worden, maar de gewaande schatten van het
noordwesten hadden reeds te veel zeelieden bedrogen dan dat men naar den
schipper geluisterd hebben zou[656].

    [652] Dit schijnt te blijken, behalve uit het geheele gemis van
    eenige berichten, uit de verklaring van Joris Carolus op zijne
    bovenvermelde geteekende kaart, dat hij Groenland en het noorden van
    Amerika „~driemael~ selfs beseylt” heeft. De reis van 1614 is de
    eerste, waarop wy Carolus ontmoeten.

    [653] Brief van du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Haye 15 Dec. 1618.
    (Catalogus der verzameling MSS. van den heer Mr. L. C. Luzac. N^{o}.
    298.)

    [654] Brief van du Maurier als boven.

    [655] Brief van du Maurier als boven.--Met de in den tekst vermelde
    „récompense” wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie
    bedoeld, die de Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid
    zeker niet gaarne zouden uitbetaald hebben.

    [656] Het verhaal is ontleend aan den boven aangehaalden brief van
    du Maurier. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het betrekking heeft
    op de reis van het schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of
    Denijs, met wien Joris Carolus en andere stuurlieden omstreeks
    het begin van 1619 terugkwamen van eene reis, op last der
    Staten-Generaal ondernomen ter beproeving der nieuwe manier van
    bepaling der lengte op zee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein
    was bij zijne Instructie door de Staten-Generaal opgedragen, zoo
    mogelijk tegelijk eenige ontdekkingen te doen en wij weten, dat hij
    o. a. IJsland bezocht. (Zie over deze reis: Instr. der Stn.-Gen.
    voor Nijs dd. 17 Mei 1618, in: Instructieboek der Stn.-Gen.
    R.-A.--Resol. Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1619.--R.
    S.-G. 5 Jan. 1619.--Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p.
    148.)

Maar al was het zoeken van den verren weg naar Indië opgegeven, de
Noordsche Compagnie hield zich voortdurend met nieuwe ontdekkingsreizen
bezig. Boven gewaagde ik reeds van het belang van landbezit in de IJszee
voor de oefening der walvischvangst en daarnaar streefde de Noordsche
Compagnie met al hare krachten. »Jaerlijcx wiert by haer seer getracht
tot vorder ontdeckinge van onbekende landen ende zeen,” dus verhaalde
zij zelve nog in 1624[657]. Het doel was natuurlijk de nadere verkenning
van de kusten der IJszee en de inbezitneming daarvan voor de
walvischvangst: de vrees voor concurrentie door het »generael octroy”
drong de compagnie ook binnen de grenzen van haar eigen gebied nieuwe
landen te zoeken. Reeds in 1614 schijnt het met geen ander doel geweest
te zijn, dat het schip »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein
Jan Jansz. Kerckhoff, de IJszee invoer; hij was echter niet verder dan
Jan Mayen-eiland gekomen en kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van
Opperdoes, die met het schip »Tswaentgen” ook wel genaamd »het duyffgen”
op last der Noordsche Compagnie in 1615 van Spitsbergen uitgezeild was,
om weder ontdekkingen te doen, had het, dezelfde richting als de
reizigers van 1614 volgende, eveneens niet verder gebracht[658]. Maar nu
het zoeken van den doortocht was opgegeven, nam de compagnie het doen
van dergelijke ontdekkingsreizen op kleiner schaal met meer ijver ter
hand. De resultaten waren echter schraal: slechts éen enkele maal
vernemen wij van eene ontdekking. Joris Carolus ontdekte in 1617 op een
schip, door drie kamers der Noordsche Compagnie--die te Delft, Hoorn en
Enkhuizen--uitgerust, twee eilanden; het eene, door de schepelingen
Nieuw-Holland genaamd, was gelegen van 60° tot 63° NB. (een gedeelte van
Groenlands oostkust?), het andere, Opdams-eiland, op 66° NB. en 20
mijlen ten oosten van IJsland[659]. Dit laatste, ook wel
Enkhuizer-eiland genoemd[660], is ook op latere Nederlandsche kaarten
onder dien naam te vinden[661]; tegenwoordig is het echter daarvan
verdwenen en het kan dus bezwaarlijk als eene ontdekking beschouwd
worden. Het verlangde octrooi werd echter aan de compagnie dadelijk
verleend.

    [657] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [658] Zie meer voor deze beide reizen in Hoofdstuk IX.

    [659] R. S.-G. 28 Oct. 1617.

    [660] Dezen naam draagt het eiland, zoover ik weet, het eerst op de
    kaart van „Oudt-Groenlandt enz.” in Carolus’ Nieuw vermeerde Licht
    des Zeevaerts. p. 148. Waarschijnlijk is de naam door Carolus
    veranderd en het eiland naar zijne vaderstad benoemd. Wij zagen
    reeds boven (p. 169 Noot 2{[633]}), dat Carolus zulk eene
    verandering niet schuwde, wanneer daardoor zijn eigen aandeel aan de
    ontdekking meer op den voorgrond gesteld werd.

    [661] O. a. op de kaart van Groenland enz. in den atlas van Goos
    (1666) en zelfs nog op de zeekaart van Van Keulen.

Het resultaat was zeker niet schitterend en de »jaerlycxe ontdeckingen”
zelve der Noordsche Compagnie toonden, dat zij meer en meer de hoop
opgaf om langs dien weg voordeel te behalen. Wij zagen, dat reeds bij de
laatste ontdekkingsreizen de kosten gedragen werden door eenige kamers
der compagnie, terwijl de andere zonder twijfel den moed hadden laten
zakken. Na 1617 zien wij nog wel ontdekkingsreizen ondernemen, maar niet
de kamers, slechts enkelen harer leden droegen daarvan de kosten. Hoewel
vreemden door hun kapitaal dat der ondernemers moesten versterken, waren
het toch steeds leden der geoctrooieerde vereeniging, die de reizen
schijnen ontworpen te hebben; steeds worden zij in de eerste plaats
genoemd. En daar het aandeel, dat dien leden aan de eventueele
ontdekkingen zou ingeruimd worden, volgens de bepalingen door de kamers
gemaakt steeds dadelijk aan de generale compagnie ten goede moest komen
zonder dat den ontdekker zelfs voor de vier jaren van het »generael
octroy” afzonderlijke exploitatie werd gegund[662], kunnen ook deze
reizen, hoewel slechts gedeeltelijk op kosten van enkele leden der
Noordsche Compagnie ondernomen, zeer wel onder de reizen der vereeniging
gerangschikt worden: het feit, dat geen enkele maal zonder medewerking
van hare leden gehandeld werd, bewijst voldoende, dat zij het was, die
aanleiding tot de tochten gaf. Reeds dadelijk in 1618 vinden wij drie
reizen vermeld.

    [662] Contr. v. de N. C. met de Zeeuwen, art. 19, in: Noordsche
    togten. 4. Loop N. C. R.-A.

Twee Hoornsche kooplieden, Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber der
aldaar gevestigde kamer der Noordsche Compagnie, en Otto Reyners, hadden
reeds in 1616, zoo men hun verhaal gelooven mag, het schip »de vier
Heemskinderen”, kapitein Pieter Jansz. stuurman Laurens Broers, ter
ontdekking van nieuwe plaatsen voor de walvischvangst uitgezonden. Het
resultaat der reis was de ontdekking geweest van een eiland op 70-1/2°
NB., 28 à 30 mijlen westzuidwest van Jan Mayen-eiland. Het volgende jaar
hadden zij weder een schip daarheen uitgezonden om hunne ontdekking te
exploiteeren; men had de walvischvangst daar beproefd en met uitnemend
gevolg gevestigd. In 1618 werden nu weder twee schepen met hetzelfde
doel uitgezonden, maar het ijs belette de schepelingen ditmaal het
eiland te naderen en den 12 Augustus vielen zij zonder eenige vangst te
Hoorn binnen. Nu eindelijk werd er aan gedacht, bij de Staten-Generaal
octrooi voor de ontdekking aan te vragen; de reeders lieten een
proces-verbaal van hunne vruchtelooze laatste reis opmaken en verzochten
de Staten dit te willen aannemen als rapport van hunne ontdekking. Maar
het verzoek was zeer bedenkelijk. Nog daargelaten, dat een eiland op de
aangeduide plaats niet bestaat en dus het geheele verhaal
onwaarschijnlijk is, konden de reizigers »geen perfect rapport doen
vande gelegentheyt vant voorszeide eylant by bewys van Caerte,
Streecken, opdoeninge ende aencomste by tselve, om daermede te thoonen
dat zy de vinders daervan alleene waren.” De Staten-Generaal oordeelden
dan ook het verzoek der reeders om eene akte volgens het »generael
octroy” ongegrond en wezen het van de hand. (24 Augustus 1618.)[663]

    [663] R. S.-G. 24 Aug. 1618.

Gelukkiger waren weinige dagen later (30 Augustus) Cornelis Jansz. Muis
en Adriaen Dircxz. Leversteyn, de hardnekkige concurrent der Noordsche
Compagnie, op wier kosten kapitein Aert Adriaensz. Havelaer[664] met het
schip »de Hasenwint” op 67-1/2° tusschen Groenland en IJsland, een
eiland ontdekte (waarschijnlijk een gedeelte van Groenlands oostkust),
waar hij vele vogelen, vossen, kabeljauwen en andere dieren ving. De
schipper deed dadelijk na zijne terugkomst op 17 Augustus rapport van
zijn wedervaren en de Staten-Generaal verleenden na overlegging der
kaart de door de reeders van de ontdekking verzochte akte volgens het
»generael octroy”[665].

    [664] Havelaer wordt in 1617 als ijverig contra-remonstrant genoemd
    bij: Brandt, Hist. der Reform. II p. 461.

    [665] R. S.-G. 30 Aug. 1618.

Allerbelangrijkst is het bericht, dat wij in de resolutiën der
Staten-Generaal van 8 Januari 1619 vinden omtrent de ontdekking van een
voor de walvischvangst geschikt land tusschen 76°3´ en 80°6´ NB. door
Logier Jaspersz. met een schip van Pieter Courten te Middelburg, een der
voornaamste leden van de Zeeuwsche compagnie voor de walvischvangst. Dit
land, door den ontdekker Nieuw-Zeeland genaamd, moet gelegen hebben op
de oost- of westkust van Groenland[666]. Maar hoe dit ook zij, in ieder
geval is de reis, waarvan ons dit schrale bericht is overgebleven, een
nieuw bewijs van de verbazende volharding onzer zeelieden, die reeds in
de zeventiende eeuw in eene altijd bijna onbevaarbare zee doordrongen
tot eene hoogte, die zelfs de zooveel beter toegeruste reizigers van
onzen tijd daar niet of eerst in de allerlaatste jaren bereikt hebben.
En dat de ontdekking wèl gestaafd was, blijkt uit de resolutiën der
Staten-Generaal zelve: het verzochte octrooi voor vier jaren werd
dadelijk verleend[667].

    [666] Waarschijnlijk lag het land op de oostkust, want de ontdekkers
    kwamen van Spitsbergen, waar zij nog in het begin van Juli 1618
    trachtten walvisschen te vangen in Sir Thomas Smiths bay. (Mémoire
    et Relation veritable, bij: Muller, Mare Clausum. p. 374.--Vgl.
    hierna Hfdst. VI.)

    [667] R. S.-G. 8 Jan. 1619.

Van eene andere reis, in 1619 op kosten eener Delftsche compagnie van
kooplieden ondernomen, zijn geene berichten over. Bruin Willemsz. d’Edel
en Bruin Dircxz. Van der Dusse kochten in het voorjaar van dit jaar van
de Noordsche Compagnie het schip de »Waterhondt” van 180 last en zonden
het 1 Mei naar Groenland. De Staten-Generaal leenden den reeders op hun
verzoek veertien stukken geschut met de daarbij behoorende kogels, maar
van den uitslag der reis is niets bekend[668].

    [668] R. S.-G. 13 Apr. 1619.--Het is trouwens niet onwaarschijnlijk,
    dat deze reis alleen gedaan werd om walvisschen te vangen. „Bruyn
    van der Dussen” toch vertegenwoordigde in 1640 met Jacob Van der
    Graeff de N. C. Het is dus zeer wel mogelijk, dat het schip
    eenvoudig voor rekening der kleine N. C., waartoe ook Van der Graeff
    behoorde, op de visscherij zeilde naar Jan Mayen-eiland, dat
    dikwijls „Groenlandt” genoemd wordt.

De verdere tochten, door de Nederlanders in de eerste jaren na 1619
ondernomen, schijnen niet tot de ontdekking van nieuwe landen in het
noorden geleid te hebben, ten minste de resolutiën der Staten-Generaal
zwijgen daarover. Trouwens wanneer men niet tot het zoeken van den
doortocht den steven verre naar het noordwesten wendde, was er niet veel
nieuw land meer in de IJszee te vinden. De oostkust van Groenland was op
enkele plaatsen bereikt, de eilanden in de IJszee waren voor zoover ze
nu bekend zijn reeds allen ontdekt, ook Groenlands westkust was door
Nederlanders bevaren. Het is dan ook alleen van tochten tot het zoeken
van den doortocht ondernomen, dat wij nog enkele berichten vinden.

Het jaar 1624 kwam en plotseling zien wij de Nederlanders het zoeken van
den noordelijken weg naar Oost-Indië weder met kracht opnemen. Naar
beide zijden werd dit jaar de nog steeds onbekende doorgang gezocht. De
Noordsche Compagnie zond een schip oostwaarts; de koopman Leversteyn,
dien wij reeds in 1618 als haar mededinger leerden kennen, deed ditmaal
eene uitrusting naar het westen. Door de jaarlijksche tochten ter
walvischvangst waren de schippers der compagnie meer en meer bekend
geworden met de noordkust van Spitsbergen; zij hadden opgemerkt, dat die
kust zich meer en meer naar het oosten wendde. Tot 82° NB. waren zij in
het noorden doorgedrongen en een schipper van Enkhuizen had op die
hoogte zelfs »eenighe ghebroocken landekens” of eilanden meenen te zien.
De verkregen zekerheid, dat Spitsbergen niet zooals men vroeger meende
een gedeelte van Groenland was, maar dat zich ten noorden van het eiland
eene ijsvrije zee bevond, die zich ten minste een eind ver naar het
noorden uitstrekte, gaf nieuwe hoop op het vinden van den doortocht en
het omzeilen der ver in het noorden uitstekende kaap Tabin. De Noordsche
Compagnie besloot een spiegelschip van 40 last, wel uitgerust en voor
langen tijd van proviand voorzien, uit te zenden om dien weg in te
slaan. Den 3 Juni 1624 verliet dit schip onder bevel van Simon
Willemsz.[669], met Jacob Jacobsz. van Edam als stuurman en acht
personen als bemanning, de reede van Texel. Het plan was noordelijk
langs Spitsbergens westkust naar de pool te zeilen,--de oude theorie van
de warmte onder de pool gaf daartoe den moed;--eerst echter zou
onderzocht worden of de noordkust van het eiland voortging zich
oostwaarts te wenden, om zekerheid te verkrijgen of langs den
voorgenomen weg kaap Tabin te bereiken was en of niet hoog in het
noorden misschien een onbekend land den reizigers den pas zou afsnijden.
In Nederland stelde men zich van den uitslag dezer reis veel voor, maar
de uitkomst beantwoordde geheel niet aan de gekoesterde verwachting.
Reeds op 83° NB. belette de ijsvlakte het schip verder noordelijk te
zeilen; men was genoodzaakt oostwaarts den rand van het ijs te volgen.
Nergens werd echter een doorgang naar het noorden gevonden: het schip
was genoodzaakt terug te keeren. Zoo spoedig was de reis geëindigd, dat
de schepelingen nog vroeg genoeg in de Mauritius-baai aankwamen om aan
de walvischvangst van dit jaar deel te nemen[670].

    [669] Misschien de kapitein van het schip de Craen, dat in 1611 de
    reis met Jan Cornelisz. May deed.

    [670] Zie over deze reis: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95, IX
    fol. 123.

Uitvoeriger berichten wist Leversteyn van zijn wedervaren te geven.
Reeds vroeger meende men de zekerheid verkregen te hebben, dat Groenland
ten noorden aan de westkust van straat Davis verbonden was en dat dus
deze zoogenaamde straat geene zeeëngte maar een baai was. Toen
Leversteyn dus in 1624 met Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber van de
kamer der Noordsche Compagnie te Hoorn, en een ander koopman, Borch
genaamd, een schip uitrustte om in het noordwesten eenen doortocht naar
Oost-Indië te zoeken, hoopte men dien weg niet zoozeer hoog in het
noorden als wel iets lager in het verre westen te vinden. Het schip,
waarop waarschijnlijk Marten Arendsz. van Den Briel opperstuurman
was[671], zeilde dan ook daarheen en vond werkelijk ten noorden van
Hudsons-straat »een passagie, daer ghemeent werdt een pas naer
Oost-Indien te zijn: daer was een open Zee, wel vierdehalf Mijl wijt, en
al gebroocken Lant, vol van volck, al met Pelterijen en Robbe-Vellen
ghecleedt, seer begerich naer Yser-werck, willende de Bouten uyt het
Schip haelen: seer diefachtig, alles nemende dat los is, rauw Vleesch
en Visch eetende, seer net op een parck schietende, met haer Flitsen
daer sy het Wildt mede treffen: daer was goede handelingh van
Pelterijen, dies men in ’t Schip alles vermangelt heeft dat het in
hadde.”[672] Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking gemaakt
blijkt het overtuigend, dat de reizigers eenvoudig straat Davis een eind
weg opgezeild zijn en wel niet verder dan tot 65° NB.[673]. De ontdekte
»passagie” is waarschijnlijk de Cumberlands-bay. Dat de doortocht niet
gevonden werd, spreekt van zelf; straat Davis overstekende keerden de
reizigers langs de oostkust terug. Leversteyn verhaalde toch aan de
Staten-Generaal, dat een door hem ontdekt land zich van »de Oostcaep van
Fretum Davis” (d. i. kaap Farewell)[674] uitstrekte tot 5° meer
noordelijk, waar zich een zekere rivier bevond, die zijn schip bezocht
had[675].

    [671] Ik vermoed dit, omdat op eene kaart van de zuidwestkust van
    Groenland, door La Pereyre in de bibliotheek van kardinaal Mazarin
    gevonden, aangeteekend stond: „Haec delineatio facta est per
    Martinum filium Arnoldi natum in Hollandia, Civitate dicta den Briel
    ~qui bis navigationem ad insulam dictam antiquam Groenlandiam,
    instituit; tanquam supremus Gubernator, ano~ 1624 & 1625.” (White,
    Spitzbergen and Greenland. p. 180.) Van Leversteyn alleen weten wij,
    dat hij in ~beide~ jaren een schip naar straat Davis uitzond. (Is
    misschien het vinden van deze kaart, die in het archief der
    Staten-Generaal behoorde, op die plaats reeds vóor 1646 eene
    aanwijzing, dat Leversteyn, wiens daden zulk eene verrassende
    overeenkomst met die van Le Maire vertoonen, evenals deze den koning
    van Frankrijk voor zijne noordelijke ontdekkingen heeft willen
    interesseeren, nadat de Staten-Generaal hem teleurgesteld
    hadden?)--Op deze tocht was ook tegenwoordig de bekende Willem Ys,
    de zegsman van Witsen en Zorgdrager. Dit blijkt uit zijn verhaal
    over de twee naar Nederland overgebrachte Groenlanders bij: Witsen,
    Noord- en oost-Tartarye. p. 928. Wassenaer verhaalt (Hist. verh. IX
    p. 43, 124), dat op dezen tocht de twee Groenlanders herwaarts
    kwamen.

    [672] Wassenaer, Hist. verhael. IX fol. 43.

    [673] Ook de nauwkeurigheid der ontdekking liet te wenschen overig.
    Niet alleen wist Leversteyn niet juist aan te duiden, waar de
    ontdekte landen gelegen waren (R. S.-G. 27 Febr. 1625), maar de
    bevelhebber Marten Arendsz. verkeerde nog in de oude dwaling, dat
    Groenlands zuidpunt uit twee eilanden bestond. (Zie de kaart van
    Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 175, naar
    Arendsz.’ kaart vervaardigd. Zie ald. p. 180.)

    [674] Fretum Davids is namelijk in de zeventiende eeuw de naam niet
    alleen van de zeestraat, maar bepaaldelijk ook van Groenlands
    westkust, terwijl de westkust van straat Davis als het Westland
    bekend is. Groenlands oostkust heette daarentegen West-Groenland,
    verdeeld in Oud-Groenland, het zuidelijke, en Nieuw-Groenland, het
    noordelijke gedeelte der kust. Spitsbergen werd somtijds
    Oost-Groenland genoemd.

    [675] R. S.-G. 11 Nov. 1624.--De bereikte rivier is waarschijnlijk
    de op de kaarten van Groenland van Carolus (1626. R.-A.) en
    Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 71), ook in de atlassen van Goos en
    Visscher, evenals op Danckers’ kaart van Amerika, duidelijk
    aangewezen Baals-rivier op 64° NB. In den omtrek vindt men daar
    „Delfs haven” en „Delfs punt.” (NB. Leversteyn woonde te Delft.)

Maar niet ongestoord zou Leversteyn de vruchten van zijne gewaande
ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engelbert Pietersz. Van
der Zee had dit jaar straat Davis doen bezeilen en daar ontdekt een
nieuw eiland, waar hij had »opgedaen seeckere silvere ende goutmynen
voor desen noyt bekent[676].” Zoodra Leversteyn zich nu tot de
Staten-Generaal wendde met verzoek om octrooi voor niet minder dan
twintig jaar, opdat hij zijne ontdekking met uitsluiting van alle andere
Nederlanders zou kunnen exploiteeren en ze tot 84° NB. voortzetten,
verzette zich Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van
zijne zijde verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren
alleen te mogen bevaren; hij bood aan zijne ontdekking te bewijzen en
tegelijk aan te toonen »de sub- ende obreptie” van Leversteyns verzoek.

    [676] R. S.-G. 15 Febr. 1627.--Sporen van dezen tocht vindt men op
    de kaart van Carolus van 1626 (R.-A.) en op Goos’, Visschers en
    Zorgdragers (Groenl. vissch. p. 71) kaarten van Groenland, in:
    „kaap-Briel” en de „Brielse haven” op 62° en 63° NB. De „Brielse
    haven” komt ook op Danckers’ kaart van Amerika voor. Zij kunnen
    echter ook hunnen naam ontleenen aan Marten Arendsz. van Den Briel,
    waarschijnlijk de bevelhebber op Leversteyns schepen in 1624 en 25.
    (Zie hiervóor p. 181 Noot 2.{[671]})--In ieder geval is het niet
    onwaarschijnlijk, dat de expeditie van Van der Zee belangrijke
    ontdekkingen heeft gedaan, want terwijl Marten Arendsz. nog spreekt
    van „insula dicta antiqua Groenlandia” (zie hiervóor p. 181 Noot
    2{[671]}), verhaalt Wassenaer reeds in April 1625, dat „Groenlandt
    gheen Eylandt bevonden is.” (Hist. verh. IX fol. 43.) Het is kwalijk
    denkbaar, dat deze kennis aan iemand anders dan Van der Zee ontleend
    is, die blijkens zijne beweerde ontdekking van mijnen in Groenland
    daar aan land geweest is.

Hoewel het zoeken van den doortocht opgegeven en eene ontginning der
walvischvangst in die streken niet bedoeld schijnt te zijn, was echter
de Noordsche Compagnie niet gezind zich het monopolie van landbezit in
de poolstreken, dat zij zoo langen tijd bijna ongestoord bezeten had, te
laten ontwringen. Zoo zij zelve zich tot nog toe tot de walvischvangst
bepaald had, hare beginselen waren te exclusief dan dat zij het zou
gedoogd hebben, dat anderen zich zelfs tot het drijven van den
pelterijhandel of het ontginnen der reeds lang gezochte goudmijnen bij
straat Davis in het noorden vestigden. Dadelijk verzocht zij dan ook de
Staten-Generaal, de requesten van beide kooplieden, voordat daarover
eene beslissing genomen werd, in hare handen te doen stellen om ze nader
te onderzoeken. De Staten-Generaal wenschten echter de beslissing aan
zich te houden en besloten (11 November), de drie partijen voor eene
daartoe benoemde commissie nader te doen hooren[677].

    [677] R. S.-G. 11 Nov. 1624.

De beide requestranten schijnen daardoor in groote verlegenheid gebracht
te zijn: reeds den 21 November werden partijen gelast tegen den 25 voor
de commissarissen te verschijnen[678], en toch hadden de beide
mededingers nog in Februari zoo weinig afdoende bewijzen van hun recht
ingeleverd, dat de Staten-Generaal op verzoek der bewindhebbers van de
Noordsche Compagnie besloten, Leversteyn en Van der Zee te gelasten, dat
zij toch »rechte openinge” zouden doen van de ligging der door hen
ontdekte landen om te beslissen of die al dan niet onder het octrooi der
Noordsche Compagnie vielen, en zoo neen of zij door de schepen der
compagnie vroeger waren bevaren[679]. De zaak bleef slepen[680]: het
schijnt de taktiek der partijen geweest te zijn, de beraadslagingen
over deze zaak te rekken, totdat zij op nieuw het bewuste land hadden
bevaren en afdoende bewijzen voor hun recht konden bijbrengen.

    [678] R. S.-G. 21 Nov. 1624.

    [679] R. S.-G. 27 Febr. 1625.

    [680] Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 44) verhaalt, dat Leversteyn c.
    s. „na lange Oppositie” in April 1625 octrooi voor vier jaar
    gekregen hebben. De R. S.-G. zwijgen daarover en het door Wassenaer
    zelven (l. c. IX fol. 124) verhaalde strijdt er mede.

Het bleef dan ook niet bij vertoogen aan de Staten-Generaal. Dadelijk
zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie in het volgende jaar
(1625) een scheepje van 40 à 50 last naar het noorden[681]. De
bevelhebber dezer expeditie kreeg last om het bewuste land te bezeilen
en daarna straat Davis of Hudsons-straat en de naar hem genoemde baai (
»syn ghevonden Zee,” zegt Wassenaer) te onderzoeken, »met hoope om
aldaer oock wat raers of nieus t’ ontdecken.” De kapitein van het jacht
was Jan Jansz.[682], de bemanning bestond uit vijftien koppen. Men wilde
dit jaar de kusten verkennen en in het najaar terugkeeren: het volgende
jaar zou de Noordsche Compagnie dan »met ernst daer op equipperen[683].”
De schepelingen hielden zich allereerst bezig met het onderzoeken der
door Leversteyn gezochte »passagie” (door Cumberlands-bay), maar vonden
die »ghestopt met lant.” Iets meer naar het zuiden kwamen zij aan eenen
inham, reeds vroeger door Europeanen bezocht (Frobisher-straat), maar
dien een eind wegs opzeilende, kwamen zij verder dan hunne voorgangers
geweest waren. De bewoners, even roofzuchtig als de Groenlanders,
toonden zich bereid tot ruilhandel; zij boden wapens, kleedingstukken,
schuitjes en al wat zij hadden ter ruil aan, maar de zooveel belovende
pelterijen, waarvan Leversteyn gesproken had, kregen de Nederlanders
niet te zien. Ontevreden keerden zij terug en na eene rampspoedige reis,
door nevel, storm en ijs gehinderd, kwamen zij in het vaderland
aan[684]. Voor de ontdekking van verschillende baaien, rivieren,
eilanden en volken tusschen 60° en 68-1/2° NB. verzochten zij, aan hun
systeem van uitsluiting getrouw, echter dadelijk aan de Staten-Generaal
octrooi[685].

    [681] Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 43) zegt, dat de compagnie in
    dit voornemen „is belet.” Zie echter Wassenaer (l. c. IX fol. 124)
    en de R. S.-G. 16 Dec. 1625.

    [682] Jan Jarisz. bij Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 124) is zeker
    een drukfout voor Jan Jansz.

    [683] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

    [684] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.

    [685] R. S.-G. 16 Dec. 1625.

Maar ook Leversteyn had onderwijl niet stilgezeten. Hij had met zijne
deelgenooten in Mei 1625 niet minder dan drie schepen van 100 last
uitgezonden, waarschijnlijk weder onder bevel van Marten Arendsz. van
Den Briel als opperstuurman[686], om op de ontdekte landen handel te
drijven en den doortocht nader te onderzoeken[687]. Zij verkregen een
gunstig resultaat en ontdekten in straat Davis »seecker Lant bewoont met
menschen, noyt voor dato vandien by eenige ingesetenen der Vereenichde
Nederlanden bevaren[688].” De beide mededingers verschenen dan ook op
het laatst van 1625 weder voor de Staten-Generaal en verzochten octrooi
voor hunne ontdekkingen. De regeering stelde beide requesten in handen
eener commissie om partijen zoo mogelijk in der minne tot eene
overeenkomst te brengen[689]. De uitslag dezer bemoeiingen wordt niet
gemeld.--Eene poging van Van der Zee, om nog in 1627 den naar het
schijnt toen reeds bijna vergeten strijd over de ontdekkingen op
Groenlands westkust weder te verlevendigen door nogmaals octrooi voor
zijne beweerde ontdekking van 1624 te vragen, schijnt even onbeslist
gebleven te zijn[690]. Het blijkt echter, dat ook in 1626 straat Davis
door Nederlanders bevaren is[691].

    [686] Zie hiervóor p. 181 Noot 2{[671]}.

    [687] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43, 44.

    [688] R. S.-G. 10 Oct. 1625.

    [689] R. S.-G. 10 Oct., 16 Dec. 1625.

    [690] R. S.-G. 15 Febr., 6 Mrt. 1627.

    [691] R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627.--Het schip behoorde aan
    Joost Adriaensz. Van Colster en Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot
    Rotterdam”. Het doel der uitrusting wordt niet gemeld.

Ook het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië was
door de Noordsche Compagnie onderwijl weder opgevat. De ongelukkige reis
van schipper Simon Willemsz. had haar echter van het volgen van de
richting door het hooge noorden afgeschrikt en zij keerde dus terug tot
de oude plannen der zestiende eeuw, die bij de onbekendheid van het
hooge noorden met groote voorzichtigheid aanrieden, op eenigszins
primitieve wijze eenvoudig de lijn der kust te volgen. Daartoe rustte de
Amsterdamsche kamer der compagnie nu een spiegelschip van 90 last, »de
Cat” genaamd, uit voor eene lange reis. Het werd bemand met 24 koppen,
van proviand voorzien voor 2-1/2 jaar en schipper Cornelis Teunisz.
Bosman van Amsterdam aan het hoofd der onderneming gesteld, terwijl
Willem Joosten Glimmer hem als commies vergezelde[692]. De algemeene
aandacht schijnt zich op deze onderneming gevestigd te hebben; er waren
aan de uitrusting geheimzinnige inrichtingen verbonden, die aan de reis
grootere kans van slagen verzekerden dan aan eenige vorige[693]. De
Noordsche Compagnie, als altijd zeer voorzichtig, waar zij met hare
Oost-Indische zuster in botsing dreigde te komen, verzocht evenals in
1615 van de Staten-Generaal »opene patente, daerby alle uytheemsche
Coningen ende potentaten mitsgaders alle gouverneurs ende bevelhebberen
van wat conditie off qualiteyt die souden mogen syn, versocht ende
respective bevoelen wierden,” het schip te laten heen- en teruggaan
zonder eenige verhindering. (25 Maart 1625.) Het verzoek der compagnie
werd dadelijk toegestaan en haar tevens op haar verzoek afschrift
verleend van de resolutie van 1596, waarbij de premie van ƒ 25,000
door de Staten was uitgeloofd[694]. Het schip schijnt nog eenigen tijd
opgehouden te zijn en vertrok eerst 24 Juni van Texel. Het plan der reis
was geheel hetzelfde als in 1594: men wilde langs de Russische kust de
straat van Nassau doorzeilen naar den Ob, kaap Tabin trachten te
bereiken en door straat Anian den weg naar Cathay, China en Japan
zoeken, om het volgende jaar langs denzelfden weg terug te keeren en
octrooi voor het vinden van den weg aan te vragen[695]. De uitslag
beantwoordde echter geheel niet aan de hooge verwachtingen, die men van
de onderneming koesterde. Eerst 24 Juli voorbij het eiland Kolgojev
gezeild, bereikte men 28 Juli Novaya-Zemlya op 70°55´ NB. en werd reeds
daar zoozeer door het drijfijs gehinderd, dat men dagenlang in eene baai
moest blijven liggen. Eerst 10 Augustus kon de straat van Nassau
ingezeild worden. Den 13 Augustus kwam het schip ook behouden voor het
Staten-eiland ten oosten van Vaigatsch ten anker, maar nauwelijks was
men 17 Augustus van daar vertrokken of een harde vorst deed de zeilen
stijf bevriezen, terwijl de wind de ijsschotsen met zulk een geweld op
het vaartuig aandreef, dat men wel genoodzaakt was in straat Nassau
terug te keeren. Bosman was nog daar, toen een hevige storm hem onder
sneeuw en hagel van zijne ankers sloeg en hem tot den terugtocht deed
besluiten. De berichten van eenige Russische visschers, die hij
ontmoette, hadden de reeds ontmoedigde reizigers in hun voornemen
bevestigd. Zij verhaalden, dat straat Nassau slechts eens om de twee of
drie jaar open was en dat dan nog alleen laat in den tijd het drijfijs
den toegang vrijliet; zij, die gewoon waren jaarlijks met drie of vier
kleine scheepjes tusschen Pechora en Vaigatsch de vischvangst te
beproeven, waren dan ook dikwijls genoodzaakt zich tot de ondiepten in
de straat van Nassau zelve te bepalen[696]. Hoe onmogelijk het dus voor
de expeditie scheen verder te gaan, in het vaderland was men, toen
Bosman in het begin van September onverrichter zake terugkwam, niet zeer
tevreden over zijn beleid. Men schijnt hem gebrek aan volharding en moed
verweten te hebben; men schijnt het hem ten kwade geduid te hebben, dat
hij reeds op het gezicht van het drijfijs teruggekeerd was zonder zich
daarin te wagen. »Het staet alsoo met de vaert door ’t Ys, naer
ghelegentheyt vande winden,” schrijft Wassenaer, die veel van de reis
gehoopt had, »d’eene wint dryft u al het Ys op ’tlijf dat ontrent u is,
die wint veranderende, drijft al ’t Ys van u of, en ghy hebt eenen vryen
pas; die wat ondersoecken wil, moet niet schroom en hem in ’t Ys te
begheven, en daer eenighe daghen in te blyven legghen, en dryven, en
daer nae weder los werden; die soo niet doet sal niet uytrechten, als
desen voorghevallen is[697].”

    [692] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 123.--Gelijkheid van jaar en
    plan zouden reeds voor het vereenzelvigen van de reizen van Teunis
    Cornelisz. (volgens Wassenaer) en van Cornelis Bosman (volgens
    Witsen) pleiten. Van Dam (Gesch. der O.-I. C. R.-A.) neemt echter
    allen twijfel weg door den schipper Cornelis ~Teunisz.~ Bosman te
    noemen, daardoor bewijzende, dat Wassenaer bij vergissing Teunis
    Cornelisz. voor Cornelis Teunisz. schreef.

    [693] De schepelingen hadden behalve de proviand bij zich zekere
    „andere nootdruftigheden, om redenen willen niet verhaelt.” Ook
    waren zij „met twee stooven int Schip versien” en „op eenich
    renconter wel met Cruyt en Loot versien.” (Wassenaer, Hist. verh. IX
    fol. 123, XI fol. 58.)

    [694] R. S.-G. 25 Maart 1625.

    [695] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44, 123.--R. S.-G. 25 Maart
    1625.

    [696] Bizonderheden over deze reis vindt men bij: Van Dam, Gesch.
    der O.-I. C. I cap. I 5. (MS. R.-A.), die een uittreksel uit het
    journaal van Bosman gebruikte. Daarmede stemmen overeen Witsen
    (Noord- en oost-Tartarye. p. 906, 7) en Berghaus. (Wat men van de
    aarde weet. I p. 229.) In bizonderheden wijkt deze laatste echter
    van het verhaal der anderen af zonder zijne autoriteit te noemen.

    [697] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.--Twee andere
    „wel-ghemonteerde” schepen der N. C. zeilden dit jaar nog „op een
    ander noyt bevaeren plaets om yets t’ ontdecken.” (Wassenaer l. c.
    IX fol. 124.)

Dit zijn de laatste berichten, die ons omtrent ontdekkingsreizen naar
het noorden, door of ten tijde van het bestaan der Noordsche Compagnie
door Nederlanders ondernomen, zijn overgebleven. De ongelukkige uitslag
schijnt van verdere pogingen te hebben afgeschrikt en de Noordsche
Compagnie heeft zich zeker meer en meer op de walvischvangst toegelegd,
die ook zonder de ontdekking van nieuwe vaste uitgangspunten juist in
deze jaren overvloedige winsten afwierp[698]. Voordat wij echter over de
ontdekkingen der Noordsche Compagnie zwijgen, blijft ons over iets mede
te deelen omtrent de ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover zeer
verwarde verhalen in omloop zijn.

    [698] Gedurende het bestaan der Noordsche Compagnie bepaalde men
    zich verder dan ook tot het onderzoeken der kusten van Spitsbergen.
    Men moet echter voorzichtig zijn met het toeschrijven van
    ontdekkingen aldaar aan Nederlanders: de Hollandsche namen zijn
    daarvan volstrekt geen bewijs, daar de Nederlanders zich niet
    ontzagen de namen door Engelschen gegeven op hunne kaarten te
    vertalen, b. v. Klok-baai, Kijk-uit enz. (Bell-sound, Look-out.)
    Toen de Noordsche Compagnie in 1642 werd opgeheven, ondernamen
    natuurlijk nu en dan Nederlandsche walvischvaarders tochten om
    nieuwe kusten te vinden, terwijl Spitsbergen meer en meer verlaten
    werd. Maar toch niet dan zelden was dit het geval: weldra werd de
    overtuiging algemeen, dat, zoo de walvisch uit de zee om Spitsbergen
    langzamerhand verdween, andere wateren nog minder door die
    begeerlijke prooi bezocht werden. Ook de berichten omtrent die
    tochten zijn schaarsch en onsamenhangend. Over de reizen van Willem
    Vlaming en de beide zonen van Jelmer Cock (in 1663 of 64, 1669 en
    1688) vindt men een en ander bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye.
    p. 900, 2, 3, 4, 23, 24, 25, 26, bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I
    cap. I 5, bij: Valentijn, Ond en nieuw O. I. I p. 113, bij:
    Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 136, en bij: De Jonge, Nova-Zembla.
    p. 24-26,--over de reis van Cornelis Pietersz. Snobbeger (1675),
    bij: Witsen l. c. p. 918,--van Teunis Ys: ald. p. 901, 2, 4, 51,
    52,--van Cornelis Roule: ald. p. 920,--over ontdekkingsreizen door
    Nederlanders in 1664 en 66 ondernomen: ald. p. 907, 62,--over de
    plannen van den commandeur ter walvischvangst Jan Pietersz. Haay
    (1650), bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5 (cf.
    Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 320),--over de ontdekking van
    verschillende punten van Groenlands oostkust (1654. Gale Hamkesland
    en baai op 73°-75° NB.--1655. Broer Ruysland ontdekt door Gerrit
    Ruisch op 73°.--1655. Edamsland op 77° of 78° NB.--1665. Bontekoe’s
    eiland op 73°30´ (?).--1670. Lambertsland op 78°30´): in de atlassen
    van Colom, Goos en Doncker, en op de kaart van Van Keulen. (Vlg.
    Witsen l. c. p. 904 is Groenlands oostkust in de 17^{e} eeuw nooit
    bereikt.)--over de ontdekking van Gillis-land op 80° NB. ten oosten
    van Spitsbergen door Cornelis Gillis: in den atlas van Van
    Keulen;--over de ontdekking van het problematische Jelmersland:
    Witsen l. c. p. 902, en van het niet bestaande Witsen-eiland: ald.
    p. 923.--De O.-I. C. schijnt in het midden der 17^{e} eeuw nog
    enkele reizen tot het zoeken van den N.-O. doortocht van O.-I. uit
    te hebben doen ondernemen. Zie daarover: Philosophical Transactions
    of the Royal Society. IX, X p. 197, 417.--Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 137.--Scoresby, Account of the arctic regions. I App. p.
    62.--Over plannen om voor het zoeken van den N. doortocht nog in
    1664 een monopolie te verkrijgen vergelijke men: Van Dam, Gesch. der
    O.-I. C. I cap. I 5.

       *       *       *       *       *

Jan Mayen-eiland is volgens de gewone overlevering ontdekt door Jan
Cornelisz. May op zijne reis naar het noorden in 1611. Dit verhaal,
reeds door Zorgdrager medegedeeld[699], is na hem door alle schrijvers,
die het eiland vermelden, overgenomen[700]. Het is niet moeielijk de
redeneering na te gaan, die het heeft doen ontstaan. Jan Mayen-eiland
was natuurlijk ontdekt door Jan May, de naam zelf reeds wees het aan;
zekere Jan May was in 1611 naar het noorden geweest, dus was hij de
ontdekker. Toch mocht het zonderling heeten, dat zulk eene belangrijke
plaats in het octrooi der Noordsche Compagnie van 1614 niet genoemd
werd; toch berichtte de heer De Jonge, dat in het zeer uitvoerige
journaal van de reis van Jan Cornelisz. May geene melding van het eiland
gemaakt werd[701]. Nasporingen op het Rijks-Archief en elders hebben mij
nu in staat gesteld, de ware geschiedenis der ontdekking uitvoerig te
verhalen. Dat zij ingewikkeld is blijkt reeds uit de feiten, dat niet
minder dan ~zevenmaal~ terecht of ten onrechte op de eer en het voordeel
der ontdekking van Jan Mayen-eiland als van een nieuw land is aanspraak
gemaakt,--dat over die ontdekking niet minder dan drie processen door
Nederlanders en vreemdelingen tegen de Noordsche Compagnie gevoerd
zijn,--dat het eiland onder twaalf verschillende namen in de
geschiedenis bekend is,--dat degene, die geacht wordt zijn naam aan het
eiland gegeven te hebben, zelfs van het bestaan daarvan geheel onkundig
was,--en dat de werkelijke naamgever de eigenlijke ontdekker niet is. In
de volgende bladen hoop ik al deze vreemdklinkende beweringen te
bewijzen: voorloopig zal ik mij bepalen tot een kort verhaal der
verschillende zoogenaamde ontdekkingen.

    [699] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101.

    [700] O. a. door den schrijver van: De walvischvangst (II p. 62),
    Moll (Zeetogten der Nederl. p. 95), Bennet en Van Wijk (Nederl.
    ontdekk. p. 54), Asher (Hudson the Navigator. p. 257), Berghaus (Wat
    men van de aarde weet. p. 335), Barrow (Voyages into the arctic
    regions. p. 227.) Alleen Scoresby (Account of the arct. reg. I p.
    154) twijfelt, maar op zeer dwaze gronden.

    [701] De Jonge, Opkomst. I p. 30.

»~In the yeere~ 1608,” dus verhaalt Edge in zijn »Northerne
Discoueries of the Muscouia Merchants,” »~the said fellowship set forth
a Ship called the Hope-well, whereof William Hudson was Master, to
discouer to the Pole, where it appeareth by his Iournall, that hee came
to the height of 81 degrees, where he gaue Names to certayne places,
vpon the Continent of Greenland formerly discouered, which continue to
this day, namely, Whale Bay, and Hackluit Headland, and being hindred
with Ice, returned home without any further vse made of the Countrey,
and in ranging homewards, hee discouered an Iland lying in 71 degrees,
which hee named Hudsons Tutches.~”[702] Asher[703] heeft m. i.
overtuigend bewezen, dat Hudsons Tutches niets anders is dan Jan
Mayen-eiland[704], en dat dit laatste in Engeland nog in 1618 onder den
naam van »Hudson’s Touches” bekend was[705]. Het mag ons echter van een
scherpzinnig geleerde als Asher verwonderen, dat hij met geen enkel
woord de reden opgeeft, waarom hij den naam William Hudson stoutweg in
Henry Hudson veranderd heeft. Edge was iemand, die volkomen op de hoogte
der beschreven zaken zijn kon[706] en dus niet lichtvaardig van
vergissingen mag verdacht worden. En er zijn in het verhaal van dien
goed ingelichten schrijver verschillende bezwaren tegen het
identificeeren van de door hem beschreven reis en den eersten tocht van
den beroemden Henry Hudson. 1^{o}. Het jaar van Hudsons eerste reis is
1607; hier wordt gesproken van 1608. 2^{o}. Hudsons voornaam was, zooals
bekend is, Henry; Edge noemt zijnen reiziger William Hudson. 3^{o}. In
de verhalen, die van Hudsons eerste reis overig zijn (waaronder een
journaal, geheel aan dat van Hudson ontleend en misschien gedeeltelijk
door hem zelven geschreven) wordt van het geven van de namen Whale-bay
en Hakluyts Headland aan twee plaatsen der kust niet gesproken. 4^{o}.
Evenmin wordt daarin van de zoo gewichtige ontdekking van een nieuw
eiland op 71° gesproken. 5^{o}. Jan Mayen-eiland lag volstrekt niet in
Hudsons weg; ook Asher maakt het niet duidelijk, hoe de reiziger daar
kan gekomen zijn[707].--Op deze gronden geloof ik, dat Asher al te
spoedig tot het veranderen van den naam William Hudson in Henry Hudson
is overgegaan,--eene verandering, waarop in ieder geval de aandacht had
moeten gevestigd worden; of de bezwaren echter gewichtig genoeg zijn, om
tot het aannemen eener afzonderlijke van elders niet bekende reis naar
Spitsbergen door zekeren William Hudson in 1608 te doen besluiten, durf
ik niet beslissen. Ik geef de verschillen der verhalen voor wat ze zijn:
een bevoegder beoordeelaar beslisse. Ondertusschen zij opgemerkt, dat
het niet onwaarschijnlijk is, dat de Moscovische Compagnie een der
zonen[708] of broeders[709] van den verdienstelijken reiziger Hudson in
dienst genomen heeft om den noordelijken doortocht op nieuw te zoeken.

    [702] Purchas, Pilgrimes. III p. 464.

    [703] Asher, Hudson the Navigator. p. CXCI, CXCII, 146 Noot 1.

    [704] In éene zaak echter geloof ik, dat Asher hier dwaalt. Hij
    vindt een bewijs zijner stelling in den naam „Rudson’s point”,
    volgens hem eene verbastering van: Hudsons point. Ik durf zeggen,
    dat de afleiding geheel verkeerd is. Op de mij bekende kaarten heet
    de bedoelde plaats niet „Rudson’s point” maar eenvoudig „Rudsen.”
    Met dezen naam worden dunkt mij de klippen bedoeld, die daar in zee
    liggen. (Rudsen, rudzig, oud-Hollandsch voor: rotsen, rotsig.)

    [705] Het stuk, waarop Asher doelde, is in eene Fransche vertaling
    afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 376.

    [706] Asher, Hudson the Navigator. p. XIX.

    [707] Asher, Hudson the Navigator. p. CXCIV en p. 20 Noot 1.

    [708] Hudson had behalve den met hem omgekomen zoon John (dien
    Asher, Hudson the Navigator, p. 122 Noot 2 verkeerdelijk niet voor
    eenen zoon houdt. Zie ald. p. 142) verschillende kinderen (Murphy,
    Hudson in Holland. p. 10, 35), o. a. een zoon, die in 1614 in dienst
    der Engelsche O.-I. C. voor het eerst uitvoer. (Markham, Treshold of
    the Unknown Region. p. 39 Noot.)

    [709] De naam William was in de familie Hudson niet ongewoon. (Read,
    Henry Hudson. p. 46.)

»~Jan Mayen Island,~” zegt Scoresby[710], »~was also discovered by the
whalers of Hull about the same time~ (i. e. 1611 of 12)~, and named
Trinity Island; in consequence of which, when the Russia Company
attempted to monopolize the fishery of the whole of the Polar countries,
this island was granted by the King to the Corporation of Hull, on their
petition in the year 1618, as a fishing station.~” Hetzelfde zegt ook
Macpherson[711], die het waarschijnlijk met alle andere berichten van
dien aard aan Purchas ontleend heeft. Waarom Scoresby echter
Trinity-island identificeert met Jan Mayen-eiland (terwijl Macpherson
dit niet doet) meldt hij ons niet; geen autoriteit wordt door hem
hiervoor opgegeven. Macpherson beschrijft het door de Hullers ontdekte
eiland als »the isle of Trinity, lying in the north sea towards
Spitzbergen.” Is dit juist, dan kan het bezwaarlijk Jan Mayen-eiland
zijn; wat ook daarom onwaarschijnlijk is, omdat de Moscovische Compagnie
in hetzelfde jaar 1618, toen koning Jakob I Trinity-island aan de
Hullers afstond op grond, dat zij het ontdekt en het eerst daar gevischt
hadden, zeer goed blijkt geweten te hebben, dat Jan Mayen-eiland als
Hudsons Touches door Hudson ontdekt was[712]. Maar toch kan
Trinity-island bijna niets anders dan Jan Mayen-eiland zijn.
Waarschijnlijk lag het toch niet dicht bij Spitsbergen, want het was
juist om twist tusschen de Moscovische Compagnie en de Hullers te
vermijden, dat Jakob I Trinity-island aan de laatsten afstond. Ook was
het waarschijnlijk eene plaats, waar de walvischvangst zeer voordeelig
was, daar de gift eene schadevergoeding moest zijn voor het ontzeggen
aan de Hullers van het recht om bij Spitsbergen te visschen. Eene
bevestiging dezer meening vind ik op eene oude Nederlandsche kaart[713],
waarop aangeteekend staat: »Lounges Forland ~ofte Trinitie Eylandt~, nu
Ian Mayen Eylandt.” Zoo Trinity-island dus Jan Mayen-eiland is, dan kan
het o. a. ontdekt zijn door Thomas Marmaduke van Hull, die volgens Poole
in 1612 met het schip »the Hope-well” eene ontdekkingsreis deed in het
noorden en zelfs tot 82° NB. kwam[714].

    [710] Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 154.

    [711] Macpherson, Annals of commerce. II p. 292.

    [712] Zie het bovenvermelde verhaal der Moscovische Compagnie bij:
    Muller, Mare clausum. p. 376.

    [713] Op de kaart van Groenland in den atlas van Goos. (1666.)--De
    naam „Lounges Forland” is misschien eene verbastering van „Youngs
    Foreland,” evenals „Rudsons point” volgens Asher van „Hudsons
    point;” beide namen worden door Asher (Hudson the Navigator, p.
    CXCII) tot de ontdekking van 1608 teruggebracht.--Vgl. ook:
    Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106. („D’Engelschen noemden het
    Trinite.”)

    [714] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 714.--Zie eenige bizonderheden over deze
    reis by: Fotherby, A Voyage of Discouerie to Greenland, in: Purchas
    l. c. III p. 724-26.

Jean Vrolicq, een Baskisch walvischvaarder, beweerde in 1629, dat hij
den 3 Juni 1612 op 71-1/2° NB. ontdekt had een eiland, Pico genaamd. Hij
zou dit »l’Isle de Richelieu” genoemd hebben en verzocht nu op grond
zijner ontdekking octrooi daarvoor van den kardinaal de Richelieu. Deze
ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover ik in het achtste hoofdstuk
uitvoeriger hoop te spreken, is blijkbaar later verzonnen. Jean Vrolicq
had langen tijd in dienst der Noordsche Compagnie gevaren en was daarna
waarschijnlijk kort voor 1629 op Jan Mayen-eiland geweest, dat hij op
zijne reizen met de Nederlandsche walvischvaarders zal hebben leeren
kennen[715].

    [715] Request der N. C. aan de Stn.-Gen. van 1633 of 34 en het
    daarbij gevoegde octrooi van Richelieu, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

Den 18 Juni 1614 ontdekte een schip van eene Duinkerksche reederij, als
wier vertegenwoordiger een Engelsch koopman John Clarke optrad, Jan
Mayen-eiland op nieuw[716]. Een proces, door hem met de Noordsche
Compagnie daarover gevoerd, eindigde met de erkenning van zijn recht. Ik
zal hierover later (hoofdstuk VIII) uitvoeriger spreken.

    [716] Zie o. a. R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Het is niet onmogelijk, dat
    deze ontdekking identiek is met de tweede hierboven vermelde: John
    Clarke kan zeer goed uit Hull afkomstig geweest zijn. Dit wordt te
    waarschijnlijker daar de Engelsche gezant in Den Haag in 1621, dus
    na het afstaan van Jan Mayen-eiland aan die van Hull door Jakob I,
    voor Clarke bij de Staten-Generaal in de bres sprong. (R. S.-G. 4
    Jan. 1621.)

»~’t Eylant is in ’t jaer 1614 door de Hollanders, onder welcke was
Schipper Jan Jacobsz. May, wiens naem het in ’t gemeen heeft,
ontdeckt.~” Dus verhaalt ons Blaeu in zijn groote atlas als bijschrift
van de kaart van Jan Mayen-eiland. Reeds Tiele[717] vestigde de aandacht
op deze mededeeling. Ik ben in staat te zeggen, dat zij volkomen juist
is[718] en hoop dit in het negende hoofdstuk nader te bewijzen. Eenige
bizonderheden omtrent de hier vermelde reis van Jan Jacobsz. May deelde
ik mede op p. 167-169.

    [717] Tiele, Mém. s. l. journ. des navigat. Neerl. p. 70 Noot 2.

    [718] Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in:
    Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

In hetzelfde jaar bereikte een ander schip der Noordsche Compagnie, »het
cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, het
eiland eveneens. Ditmaal werd het onderzocht en het volgende jaar deed
Kerckhoff een tweede reis daarheen voor de zoogenaamde kleine Noordsche
Compagnie. In 1615 beweerde deze dan ook op 71-1/2° NB. gevonden te
hebben een onbekend eiland, dat zij als voor de walvischvangst geschikt
in bezit genomen en Mauritius genoemd had[719]. Dat dit Jan Mayen-eiland
was, zal uit het negende hoofdstuk blijken. De beweerde ontdekking was
niets anders dan eene reis, door kapitein Kerckhoff ter walvischvangst
naar het hem sinds het vorige jaar reeds bekende Jan Mayen-eiland
gedaan.

    [719] Req. der kleine Noordsche Comp. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept.
    1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

In hetzelfde jaar 1615 ondernam Robert Fotherby met het schip Richard op
kosten der Moscovische Compagnie eene reis naar het noorden. Omstreeks
20 Juli stuitte hij ten westen van Spitsbergen op 73°50´ NB. op eenen
ijsdam. »We stood out againe”, dus verhaalt hij verder, »and coasted the
Ice still to the Westwards Southerly, but could see no Land, as I
expected to haue done, vntill wee came vnder the latitude of 71 degrees
thirtie minutes, and then we espyed a snowie Hill very high in the
cloudes, for this day was very cleere at Sea, but the fogge was not yet
cleered from the Land, so that we could see no part of it, but only the
top of a snowie Mountayne, which appeared very high although wee were
fourteene or fifteene leagues distant from it, bearing off vs South-east
and by South.--Then I stood in for the shoare, supposing it had beene
part of the Mayne of Groynland: for the fogge lay on each side of this
Mount, as if there had beene a great Continent vnder it, but it proued
otherwise, for as we came neerer to it, the fogge dispersed more and
more, and when wee were fiue leagues distant, the Land appeared in forme
like an Iland.--When I came neerer the shore, I could find no Harbor to
anchor in. Notwithstanding, the weather being faire and calme, I hoist
out my Boat and went ashore with three men more, and set vp the Kings
Armes: then we searched a sandie Beach, which was abundantly stored with
drift wood, but yeelded no other fruits, that we could find worth the
taking vp, so I returned aboord againe, and sent ashoare my Boat to
fetch some wood. But before the men had laid into her the little
quantitie that she was able to carrie, they came aboard againe, for the
wind began to blow hard, and the Sea to goe loftie, so that here was no
place for vs to abide any longer, otherwise I was purposed to haue
searched further alongst the shoare, but this gale of winds comming
Northerly I stood from hence to the Westwards, being desirous to see
more Land or finde a more open Sea.” Zuidwestelijk zeilde Fotherby toen
langs het ijs, maar werd door tegenwind genoodzaakt naar Spitsbergen
terug te keeren. Hij was van plan onderweg langs de zuidoostelijke zijde
van het nieuw ontdekte land te zeilen, om te zoeken naar goede havens
en naar eene gelegenheid om eenig voordeel te maken. »I stood away,” dus
verhaalt hij verder, »East and by South, and being neere the foresaid
Iland, the winde came to the West and blew a very hard gale, where with
I passed alongst the South-east side of the Iland vnder a paire of
courses, but without that satisfaction which I expected: for the winde
blowing so stormie, and the Sea growne very great, I was forced to stand
further from the shoare then willingly I would haue done, and besides
there was a thicke fogge vpon the Land, whereby I could not be satisfied
what Harbours or Roads were about it, yet might we see three or foure
Capes, or Head-lands, as if there went in Bayes betwixt them. I sayled
about it, and then stood to the Northward againe, and being now assured
that it was an Iland, I named it Sir Thomas Smiths Iland.--This Iland is
about ten leagues in length, and stretcheth North-east and South-west;
it is high Land, and at the North end of it there is a Mountayne of a
wonderfull height and bignesse, all couered with Snow, which I called
Mount Hackluyt; the base or foot of it on the East side is almost foure
leagues long, it hath three such sides the base lying out to the Sea,
and from the fourth side doth the rest of the Iland extend it selfe
towards the South-west which is also, as it were, a place fortified with
Castles and Bulwarkes, for on each side there bee three or foure high
Rockes which stand out from the Land, appearing like Towres and Forts,
It lyes in the parallel of 71 degrees, where the Needle varieth from the
true Meridian Westwards eight degrees.[720] The land is generally so
farre as I haue seene, Rockie and very barren, and worse than the Land
that I haue seene in King James his New Land[721], vnder eightie
degrees, for there is no grasse but mosse, and where I first landed vpon
low ground, all the stones were like vnto a Smiths sinders both in
colour and forme[722], the sand is generally mixed with a corne like
Amber; the Beaches are abundantly stored with drift wood and many
stones, light like Pumis, which will swimme on the water. I saw many
traces of Foxes and the footing of Beares, but not any signe of Deere or
other liuing creatures, and very small store of Fowle.”[723] Dat het
ontdekte eiland geen ander dan Jan Mayen-eiland was, is na de
beschrijving, die Fotherby van de ligging en het voorkomen van het land
en vooral van den Beerenberg (Mount Hackluyt) geeft, niet in het minst
twijfelachtig. Het kwam mij belangrijk voor, deze uitvoerige
beschrijving van een nog geheel onbekend bezoek aan dit zelden betreden
eiland in zijn geheel op te nemen.

    [720] Zie over deze wijze van lengtebepaling zeer uitvoerig: De
    Jonge, Opkomst. I p. 86-88.

    [721] Engelsche naam van Spitsbergen.

    [722] Deze en de volgende verschijnselen laten zich zeer goed
    verklaren door de ontdekking, dat de grond van Jan Mayen-eiland
    vulkanisch is. (Zie: Scoresby, Account of the arctic regions. I p.
    161, 66.--Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106, XII fol. 8.)

    [723] Fotherby, A voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 729, 30.

Het eiland, zoo dikwijls ontdekt en zoo dikwijls door de ontdekkers aan
anderen betwist, heeft door al die lotwisselingen verschillende namen
gekregen. Behalve onder de bovenvermelde namen Hudsons Touches,
Trinity-island, Lounges Foreland, Pico, Isle de Richelieu, Jan
Mayen-eiland, Mauritius en Thomas Smiths island is het in de
geschiedenis bekend als »Mr. Ioris Eylant”[724]--naar Mr. Joris Carolus,
stuurman op een der schepen, die in 1614 het eiland ontdekten,--als »het
Eylant in questie”[725]--naar de geschillen daarover tusschen de
Noordsche Compagnie en hare mededingers, de Nederlandsche ontdekkers van
1615, ontstaan;--en eindelijk als »den Hoogen berg.”[726] In Nederland
heette het eiland in de eerste jaren na de ontdekking meestal »het
Eylant in questie”, somtijds ook Mauritius, een enkele maal in
tegenoverstelling van Spitsbergen ook Groenland[727]; in latere tijden
werd de naam Jan Mayen-eiland meer algemeen, een naam waaronder het
eiland later ook door geheel Europa bekend gebleven is.

    [724] Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.
    (Pascaerte van de Custen van Oudt-Groenlandt enz.)

    [725] R. S.-G. 24 Aug. 1618, ook o. a. 3 Oct. 1616.

    [726] Bijschrift bij de kaart van Jan Mayen-eiland in Blaeu’s
    grooten atlas. Blaeu schijnt blijkens het bijgevoegde „&c” nog meer
    namen van het eiland dan de door hem opgenoemde gekend te hebben.

    [727] Vander Brugge, Journael van Seven Matroosen. p. 3.--Sent. v.
    de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.--N. Z. 15
    Oct. 1616.

Dit is hetgene ik over de geschiedenis der ontdekking van Jan
Mayen-eiland heb kunnen opsporen; wij zullen later zien, dat het eiland
de twistappel bleef, waarover Nederlanders en vreemdelingen voortdurend
oneenig waren. Nog meer dan die van Spitsbergen is de geschiedenis van
Jan Mayen-eiland eene aaneenschakeling van strijd. Spitsbergen werd
alleen door Engelschen en Denen aan de Nederlanders betwist; over Jan
Mayen-eiland procedeerden niet alleen Franschen en Zuid-Nederlanders met
de inwoners der Zeven Provinciën, ook dezen onderling streden hardnekkig
om het bezit.



HOOFDSTUK VI.

ENGELSCHE MEDEDINGERS.


Wij hebben in het tweede hoofdstuk uitvoerig verhaald, hoe men er toe
kwam de IJszee in het begin der zeventiende eeuw op nieuw tot ver in het
noorden te bevaren,--hoe de walrusjacht aan Beeren-eiland gedurende
eenige jaren voor de Moscovische Compagnie een bron van groote
voordeelen was,--hoe daarna de groote uitbreiding, die aan deze jacht
gegeven werd, leidde tot de uitroeiing dezer dieren op Beeren-eiland en
het zoeken van nieuwe plaatsen tot de vangst geschikt,--hoe de
Engelschen daarop Spitsbergen onderzochten en daar de walvischvangst
vestigden, en hoe eindelijk de groote voordeelen der Engelschen de
Nederlanders aanlokten om hun spoor te volgen. Ons blijft nu over, meer
in bizonderheden uiteen te zetten, hoe de Engelschen zich tegenover
hunne mededingers gedroegen.

Toen Poole en Russell den 3 Mei 1612 bij hunne aankomst op Beeren-eiland
het Nederlandsche schip ontmoet hadden, waarop de Engelschman Allan
Sallowes stuurman was[728], werd er dadelijk ernstig beraadslaagd om dit
verraad, door een vroegeren dienaar der Moscovische Compagnie aan zijn
land gepleegd, te straffen door hem gevangen naar Engeland over te
brengen. Gelukkiger dan zijn landsman Nicholas Woodcocke, die een
Biscaaisch schip naar Spitsbergen had geleid, ontkwam Sallowes dit lot.
De redenen van deze toegevendheid der Engelschen zijn ons onbekend. Toen
Sallowes echter daardoor moed vattende het waagde zijne landslieden op
hunnen tocht van Beeren-eiland naar Spitsbergen te volgen en
niettegenstaande alle wendingen van Poole daarin volhardde, verdroot dit
den Engelschen en zij verboden het nadrukkelijk. De Nederlanders hielden
af en vonden hunnen weg te zamen met een Engelschen »interloper” zelven
naar Spitsbergen. Tweemaal ontmoetten zij daar de schepen der
Moscovische Compagnie en weder was de handelwijze der Engelschen
weifelend. Terwijl Poole de Nederlanders rustig liet visschen en zelfs
Sallowes aan zijn boord ontving, verbood Edge, de commies van het andere
schip, hem bepaaldelijk Spitsbergen te bezoeken[729]. Waarschijnlijk
hadden de Engelsche bevelhebbers geene machtiging aanvallenderwijze te
werk te gaan: ook het vorige jaar had de Moscovische Compagnie met
verlof van den Geheimen Raad haren schippers bevolen, aan alle
~Engelsche~ »interlopers” het visschen te verbieden, de vreemdelingen
echter slechts te keer te gaan wanneer zij aanvallers werden[730].

    [728] Zie hiervóor p. 72.

    [729] Zie over deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greenland
    in 1612, en: Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 713, 466.

    [730] Comm. der Mosc. Comp. voor Edge 1611, bij: Purchas, Pilgrimes.
    III p. 710.

Toen nu echter in 1613 van alle zijden berichten van nieuwe groote
uitrustingen door Nederlanders, Franschen, Spanjaarden en inwoners der
Spaansch-Nederlandsche provinciën in Engeland aankwamen, voelde de
Moscovische Compagnie haren handel bij eene mededinging op zoo groote
schaal niet meer veilig. Zij reedde ditmaal zeven schepen tot de
walvischvangst uit en hiermede niet tevreden verzocht zij van Jakob I
een bewijs van haar uitsluitend recht om op Spitsbergen te varen. Om te
meer klem aan dit verzoek bij te zetten verkondigde de compagnie nu voor
het eerst de onjuiste, in ieder geval onbewijsbare theorie, dat zij als
ontdekster van Spitsbergen recht had op den uitsluitenden eigendom
daarvan. De ontdekking van het eiland door Heemskerck en Rijp werd wel
niet bepaald ontkend, maar men beweerde, dat, lang voordat dezen er aan
gedacht hadden den steven noordwaarts te wenden, de Engelschman
Willoughby Spitsbergen gezien en aan de beschaafde wereld bekend gemaakt
had[731]. Volgens de toen in Engeland heerschende begrippen was niet
alleen met den eigendom van het land het recht verbonden om de
nabijgelegen zeeën voor ieder te sluiten, maar gaf ook het bevaren der
zee aanspraak op den eigendom van den ruimen oceaan zelven. Koning
Jakob, de ijverige verdediger van deze rechten, aarzelde dan ook geen
oogenblik en verleende aan de compagnie een patent onder het groote
zegel van Engeland, waarbij zij gemachtigd werd alle schepen, vreemde of
Engelsche, die niet voor de Moscovische Compagnie voeren, van
Spitsbergen te verdrijven, en om tevens voor den koning in bezit te
houden en zelf te bevaren alle landen, ontdekt of onontdekt, die zich in
de IJszee omtrent Spitsbergen bevonden[732]. De compagnie haastte zich
van dit patent gebruik te maken; zij gaf aan Spitsbergen den nieuwen
naam van King James’ Newland en hield zich in de eerstvolgende jaren
gedurig bezig met het plaatsen van palen voorzien van ’s konings wapen
op de kusten van Spitsbergen en andere eilanden, die zij langzamerhand
ontdekte[733].

    [731] De onwaarschijnlijkheid dezer theorie blijkt reeds uit het
    feit, dat de Engelschen zelven het niet eens schijnen geweest te
    zijn, wanneer Willoughby Spitsbergen ontdekt zou hebben: Purchas
    zelf, de „insolent defender of this erroneous idea,” is niet zeker.
    (cf. de beide hieronder aangehaalde kantteekeningen.) Terwijl men
    vrij algemeen aannam, dat het dusgenaamde Willoughby-land
    Spitsbergen zou zijn, iets wat bepaald onjuist is, teekent Purchas
    aan, dat het door den reiziger eerst 23 Augustus 1553 ontdekte land
    (hoogstwaarschijnlijk een gedeelte der Russische kust) het bewuste
    eiland is. (Vgl. Rundall, Voyages towards the North-west. Introd. p.
    VII, VIII.) Het is dan ook nagenoeg zeker, dat de theorie eerst
    omstreeks 1613 als wapen tegen de Nederlanders is uitgevonden. (Ten
    minste in 1608 wist Hudson evenmin als de Moscovische Compagnie er
    nog iets van. Zie: Asher, Hudson the Navigator. p. 40.--Vgl. echter:
    Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV, waar de schrijver
    verhaalt (in 1608), dat Willoughby „verseylde ~in Groenlant~, daer
    hy vervroos.”) Asher (l. c. p. CLIX) wil zelfs bepaaldelijk het jaar
    1612 aannemen en houdt zekeren Samuel Daniel voor den uitvinder der
    theorie. Zijne gronden zijn echter m. i. niet overtuigend; in ieder
    geval was niet de dichter Samuel Daniel, maar een cartograaph John
    Daniel de bedoelde persoon. (Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.)
    Dat Plancius in zijne „Repliques” ook niet op een Engelsch boek,
    maar in het algemeen op de beweringen van sommige Engelschen
    antwoordde, blijkt m. i. overtuigend uit de inleidende woorden van
    Hessel Gerritsz. voor dat stuk: „Les propositions de leur Iustice ou
    preeminence,” zegt hij (Hist. de Spitsb. p. 26), „sont celles cy.
    Qu’ils sont les premiers qui l’ont trouvée avec le Chevallier
    Willoughby, l’An 1553 et que c’est Groenland, lequel vouloit estre
    soubs la puissance de Noruegues, parquoy ils font annuellement
    recognoissance d’une bonne somme de livres a la Majesté de
    Denemarcque. A l’encontre desquelles le tresdocte Cosmographe D. P.
    Plancius a faict les repliques suivantes.” Het springt dunkt mij in
    het oog dat de beide geheel ~tegenstrijdige~ beweringen, dat
    Spitsbergen Groenland is, en dat het door Willoughby ontdekt zou
    zijn, niet in éen boek vereenigd kunnen geweest zijn. Beide
    meeningen waren wel in Engeland gangbaar; de Groenlandsche hypothese
    schijnt echter in Nederland ontstaan te zijn.

    [732] Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 466.--Detectio freti. ed. 1613 F. 3.--Vlg. de
    Histoire de Spitsberghe (p. 22) strekte het patent zich uit over
    „tous Pays et terres desja trouvées, et celles qui se pourroyent
    encore trouver, comprinses dans un rin de vent de Nordoest, et une
    de Nordest, sortans d’un Compas mis en leur Carte au milieu d’entre
    Dronten et Islande.”

    [733] De Moscovische Compagnie zond bijna jaarlijks een of meer
    schepen ter ontdekking uit. De resultaten waren aanmerkelijk. Zoo
    ontdekte men in 1613 Hope-island en eenige omringende eilanden
    (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. p 466; de
    ontdekking wordt door velen ten onrechte aan de Nederlanders
    toegeschreven); in 1614 werd de noordkust van Spitsbergen verkend
    tot Sir Thomas Smiths-inlet (de Wijde Baai) (Fotherbye, Voyage of
    Discouerie, bij: Purchas l. c. III p. 720-28); in 1615 ontdekking
    van Sir Thomas Smiths-island (Jan Mayen-eiland) (Fotherby, Voyage
    anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas l. c. p. 729), 1616 van
    Edges-island en 1617 van Witches-island, het onlangs weergevonden
    König Karlsland. (Purchas l. c. III p. 732.--Vgl. hiermede de kaart
    van Spitsbergen in: White, Spitzbergen and Greenland, p. 253.)

De mededingers der Moscovische Compagnie ondervonden dadelijk de
gevolgen van de vergunning van Jakob I. De vereeniging gevoelde zich
krachtig genoeg om van haar recht gebruik te maken. Nadat de commandeur
Joseph de visscherij geregeld had aan de noordpunt van Prince Charles’
foreland, waar zich eene soort van vestiging der Engelschen van het
vorige jaar bevond, begaf hij zich met eenige schepen langs de kust en
overviel de in verschillende havens verspreide schepen der vreemden.
Terwijl Franschen en Duinkerkers over het geheel met zekere
toegevendheid behandeld werden, verjoegen de Engelschen de Spanjaarden
met onverbiddelijke gestrengheid en vervolgden de Nederlanders, na hun
het visschen verboden te hebben, zelfs langs de kust. De Nederlanders
mochten zich met de Fransche schepen vereenigen en ook met de
Duinkerksche op goeden voet staan, de overmacht der Engelschen was te
groot, dan dat hunne verspreide en verdeelde mededingers met goed gevolg
hadden kunnen weerstand bieden en de aanvallers behaalden dus overal
eene gemakkelijke overwinning. Wij zullen de lotgevallen der
Nederlanders meer in bizonderheden nagaan.

De commandeur Van Muyden, met zijne beide schepen den 27 Mei op
Spitsbergen aangekomen[734], had zich bij de zuidpunt van Prince
Charles’ foreland gevestigd en was 13 Juni de walvischvangst in
Behouden-haven (de »Pooppy-Bay or Nickes Cove” der Engelschen) begonnen.
Bij hem bevonden zich drie Fransche schepen en aan de tegenoverliggende
zijde van Ice-sound waren twee schepen (een van Duinkerken en een van
St. Sebastiaan in Spanje) in Greenharbour bezig met visschen. Nauwelijks
had de Engelsche commandeur Benjamin Joseph bericht van de aanwezigheid
der vreemden gekregen of hij begaf zich derwaarts en hield zich van 16
tot 19 Juni bezig met het door list en geweld verjagen zijner vijanden.
Van Muyden toonde den Engelschen zijne commissie van graaf Maurits, die
hem machtigde vrijelijk aan Spitsbergen te visschen en zich tegen alle
aanvallen te verdedigen, maar Joseph beriep zich op den last, hem door
de Moscovische Compagnie gegeven, en gebood Van Muyden nadrukkelijk te
vertrekken zonder verder aan het eiland te visschen. De kapitein moest
toegeven; de opbrengst zijner vangst werd een prooi der Engelschen. De
overige schepen, die in Ice-sound waren, werden gedeeltelijk verjaagd,
gedeeltelijk tegen zeer hooge belasting tot de vischvangst toegelaten.

    [734] Zie over de uitrusting van dit en de andere schepen hiervóor
    p. 73, 74.

Van Muyden liet zich niet afschrikken; hij stevende dadelijk naar
Bell-sound (20 Juni), waar hij zich, vereenigd met een groot schip van
St. Jean de Luz in het uitsluitend bezit der visscherij wist te
handhaven tot 21 Juli[735]. Dien dag naderden hem echter drie Engelsche
schepen op nieuw, ditmaal geheel tot een gevecht uitgerust. Toen het
Biscaaische schip zich dadelijk overgaf bleef er voor de Nederlanders
geen keus: zij volgden het voorbeeld van hunnen medgezel. Het schip van
Boots, Van Muyden’s onderbevelhebber, werd dadelijk van de vangst
beroofd en naar huis gezonden; Van Muyden hielden de Engelschen tot 28
Juli bij zich en lieten hem toen met een klein geschenk in ruil voor de
achttien hem ontnomen walvisschen naar huis vertrekken. Tot 9 Augustus
zwierf de verjaagde kapitein nog op de kust rond; maar zonder eenig
aanmerkelijk voordeel moest hij toen de terugreis aannemen. De schade
zijner reeders bedroeg minstens ƒ 130,000[736].

    [735] Van Muyden trachtte eerst in Low-sound te visschen, waarom die
    baai nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van
    de O.-I. C. p. 13 den naam van „Willems van Muyden haven” draagt.
    Toen het hem daar mislukte vertrok hij naar Bell-point, de
    Recherche-baai van latere kaarten.

    [736] De begrooting der schade werd tot over de ƒ 200,000
    opgedreven.--Zie de verschillende opgaven bij: Muller, Mare Clausum.
    p. 120 Noot 4.--Vgl. ook het rapport van Joachimi aan de Stn. v.
    Zeeland in: N. Z. 19 Mrt. 1614, en: Resol. Adm. Amst. 23, 27 Aug.
    1613. (De som van ƒ 100,000, daar door de reeders opgegeven, is
    echter geen zuivere maatstaf: Van Muyden was toen met het grootste
    schip nog niet binnen. Resol. Adm. Amst. 31 Aug. 1613.)

Den overigen Nederlanders was het niet beter gegaan. Van de twee
schepen, door de Zaandamsche reederij uitgerust, was wel is waar het
eene beladen met het spek van 200 in Bell-sound[737] gedoode walrussen,
die men uit vrees voor de Engelschen niet tot traan had durven kooken,
reeds 25 Juni naar huis gezonden; maar het andere was in Bell-sound
gebleven en deelde daar in de algemeene plundering van 21 Juli. Het
moest verder van zijne geheele vangst beroofd de Engelschen dienen.
Eerst in het begin van Augustus zond commandeur Joseph het met een klein
geschenk van spek naar huis.

    [737] Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai
    bekende inham op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C.
    p. 13: „Sardammer-riuier.”--In het werkje „Detectio freti” (ed. 1613
    F 3) verhaalt de schrijver, dat het schip eenige „Hippopotami” zou
    gevangen hebben. De vergissing is zeker nog al zonderling, maar niet
    onverklaarbaar: op sommige oude Nederlandsche platen heeft de walrus
    werkelijk eenige overeenkomst met het nijlpaard.

Nog slechter was het Enkhuizer schip behandeld. Het had zich met een
Fransch schip vereenigd om gezamenlijk in Horn-sound te visschen; drie
Spaansche schepen oefenden daar ook de walvischvangst, terwijl het
Duinkerksche schip zich nadat het uit Greenharbour verdreven was bij hen
gevoegd had. Den 23 Juni ondergingen ook deze schepen het algemeene lot.
Op bevel van den naderenden Engelschen commandeur kwamen alle kapiteins
bij hem aan boord en onderwierpen zich. Alleen Bonner, de kapitein van
het Enkhuizer schip, zelf een Engelschman en met eene bemanning,
waaronder zich twintig Engelschen bevonden, waagde het niet voor Joseph
te verschijnen en beproefde zich te verdedigen. Eenige kanonschoten
dwongen hem echter weldra zich over te geven, en zooals hij verwacht had
werd hij zwaarder gestraft dan zijne metgezellen. Bonner en de
Engelschen werden gevangen genomen, de verdere bemanning van het schip
over de Engelsche schepen verdeeld, terwijl het Nederlandsche schip zelf
met Engelschen onder kapitein Marmaduke bemand, voor de overwinnaars in
Fairhaven visschen en ontdekkingsreizen ten zuiden van Spitsbergen doen
moest. Commandeur Joseph nam het volgeladen mede naar Engeland, loste
het daar en terwijl de lading in handen der Moscovische Compagnie bleef,
kon het schip ledig naar huis keeren[738].

    [738] Zie de berichten van Bonners reisgenoot Symon Van der Does,
    den zoon van den Amsterdamschen schout Willem Van der Does, in:
    Detectio freti, ed. 1613 F 3.

Ook de Nederlanders, die in vreemde dienst naar Spitsbergen gekomen
waren, kwamen er niet beter af. Het Hoornsche schip, dat voor eene
reederij te La Rochelle voer, moest reeds 19 Juni naar de Noordkaap
vertrekken; kapitein Claes Martensz. van Hoorn, bevelhebber op de bij
het Duinkerksche schip behoorende pinas, mocht het als eene groote gunst
beschouwen, dat hij op het groote schip van Duinkerken vertrekken mocht
en niet als zijne Engelsche tochtgenooten gevangen gehouden werd[739].

    [739] Vgl. over deze reis: Baffin, Iournall of the Voyage to
    Greenland in 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.--Hist. du
    pays de Spitsb. p. 11, 20.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas l.
    c. p. 466.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Mémoire der N. C., bij:
    Muller, Mare Clausum. p. 369.

De Engelschen waren over den uitslag hunner reis zeer voldaan. Wel had
de jacht op de vreemdelingen hun eigen voordeel doen vergeten en was de
reis voor ditmaal slecht geweest[740], maar toch prees men Joseph, »who
without bloudshed disappointed those Strangers, ready to reape that
which others had sowne, and either had not at all discouered, or wholly
giuen over the businesse[741].” Anders dachten de Nederlanders over de
zaak. De stemming der natie was zeer oorlogzuchtig[742]: de reeders
zelven, hoewel voorzichtiger, toonden zich niet minder verontwaardigd.
Reeds voordat Van Muyden met zijn schip thuis was gekomen, klaagden de
Amsterdammers op de berichten, door Boots met het schip de Fortuyne
aangebracht, aan de Staten-Generaal. Zij beweerden, dat Spitsbergen een
onbeheerd en vrij land was, waarop de Nederlanders als ontdekkers in
ieder geval meer aanspraak hadden dan de Engelschen; zij verdedigden de
zeer juiste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrij
moesten geacht worden en brachten die in praktijk door van alle
»preferentie” uit kracht van hunne ontdekking af te zien. Zij
verklaarden, dat zij zich niet als verschillende andere natiën hadden
willen vernederen tot het betalen eener belasting uit vrees voor het
misnoegen der regeering[743] en zij verzochten de Staten-Generaal op al
deze gronden te zorgen: 1^{o}. dat zij onverwijld vergoeding kregen van
de Engelschen, 2^{o}. dat hun voortaan de vaart op Spitsbergen
onverhinderd bleef openstaan, en 3^{o}. dat op de schepen van den
commandeur Joseph na zijne aankomst in Engeland beslag gelegd werd[744].

    [740] Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    467) bedroeg de schade der reeders wel £ 3 à 4000.

    [741] Purchas, Pilgrimage. p. 815.--Vgl. Detectio freti, ed. 1613 F
    3.

    [742] Hessel Gerritsz. durfde in het najaar van 1613 openlijk
    schrijven: „Fortasse sequenti anno nostrates Mercatores periculum
    facient armis, an penes nostrates sit ibi ius piscandi, qui primum
    deteximus, an penes Anglos, qui primum piscati sunt: quod faxit
    Deus, in patriae nostrae commodum!” (Detectio freti. ed. 1613, F 3.)
    De reeders waren echter met dergelijke openbare uittartingen minder
    ingenomen: „satis acriter eum reprehenderunt,” en Gerritsz. was
    genoodzaakt hetgeen hij gezegd had openlijk als „temere et
    inconsiderate” te brandmerken. Hij verklaarde toen, dat de reeders
    met eerbied voor Jakob I niet anders verwachtten dan hunne
    handhaving door Z. M. tegen zijne eigene onderdanen; gebeurde dit
    niet, dan verklaarden zij toch nooit tot geweld hunne toevlucht te
    zullen nemen, hoewel hun recht duidelijk was, zooals uit de
    daarbijgevoegde „refutatio” van Plancius bleek. (Detectio freti.
    G.--Deze 4 bladzijden zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.)

    [743] De Staten-Generaal besloten reeds dadelijk, dat de
    Nederlanders geen licent mochten betalen. Tweenhuysen c. s. hadden
    verklaard „te meenen, dat oock dese natie by voorgaende versochte
    licentie ofte by avonture eenighe gedane recognitie by den Koningh
    van Engelant ofte voorszeide Compagnie soude worden geadmitteert,
    maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte haere Groot-Mo: Ed:
    aengenaem soude sijn te geschieden.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII
    fol. 89.) De Staten-Generaal bevalen dan ook Caron, bij het
    overhandigen van het request aan Jakob I „vuyt te laten de
    presentatie die de Supplianten doen by denseluen Requeste van eenige
    submissie ende erkentenisse aen zyne Ma^{t}. te doen voor het
    toelaten vande voirszeide visscherye, ~ouermits de zeer~ (?)
    ~preiudiciabel consequentie voirden Staet van tlant daerjnne
    gelegen~.” (R. S.-G. 26 Aug. 1613.)

    [744] Zie dit request afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII
    fol. 88.

De Staten-Generaal besloten dadelijk aan het verzoek der Amsterdammers
te voldoen. Aan den Engelschen ambassadeur Winwood en aan Caron, den
gezant der Staten te Londen, beiden werd opgedragen, om Jakob I »te
verthoonen het ongelyck, dat niet alleene de voirszeide Supplianten,
maer oyck by consequentie dese landen daerby is geschiet”, en om te
bewerken, dat den klagers »volgende het Jus gentium” hun goed werd
teruggegeven[745]. Maar te vergeefs! Winwood gaf wel goede hoop, dat
niet alleen restitutie gegeven, maar ook maatregelen genomen zouden
worden om de herhaling van zulke ergerlijke tooneelen te voorkomen; doch
niettegenstaande den aandrang van Caron kwam het daartoe niet[746]. De
Moscovische Compagnie had nadrukkelijk geprotesteerd tegen het
openstellen van Spitsbergen voor Nederlanders. Zij voelde zich door hare
beweerde ontdekking van 1553 tot zulk eene houding gerechtigd, en al
verklaarden de Staten-Generaal dan ook herhaaldelijk, dat het hunne
meening niet was de Engelschen door het op den voorgrond stellen der
reis van Heemskerck en Rijp van de walvischvangst uit te sluiten, het
laat zich begrijpen, dat de compagnie op haar meer bekrompen standpunt
niet met zulk een aanbod tevreden was[747].

    [745] R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613.

    [746] R. S.-G. 25, 26 Oct., 2 Nov. 1613.

    [747] Muller. Mare Clausum. p. 123 Noot 4, 5.

De Staten-Generaal besloten dan ook met de illiberale inzichten der
Moscovische Compagnie te rekenen; zij wenschten aan te toonen, dat ook
volgens deze beschouwing het recht der Engelschen allen redelijken
grondslag miste. De Amsterdamsche reeders werden uitgenoodigd al hunne
bewijsstukken naar Den Haag te zenden, ten einde de redeneeringen der
Moscovische Compagnie op meer afdoende wijze te beantwoorden dan een
diplomaat als Caron dat doen kon[748]. Nauwelijks werd dit verlangen der
Staten bekend, of het regende stukken, die allen ten doel hadden de
ongegrondheid der Engelsche pretensiën te bewijzen. Ook de geleerde
Plancius, zeker de daartoe meest bevoegde persoon, zond eene
wederlegging van de geographische ketterijen der Engelschen naar Den
Haag[749]. Hij bewees daarin kort maar overtuigend: 1^{o}. dat het door
de Engelschen dusgenoemde Willoughby-land op de door de kaarten
aangewezene plaats niet bestond en dus elders gezocht moest
worden[750],--dat, ook al kon men de juiste ligging van dit land
aanduiden, het volkomen zeker was, dat het volstrekt niet hetzelfde was
als het later ontdekte Spitsbergen,--dat, ook al ware dit zoo, het door
Willoughby geziene land niet door hem was in bezit genomen,--en
eindelijk dat Sir Hugh ook op zijne verdere reis na de ontdekking van
Willoughby-land Spitsbergen niet bereikt had. Met een enkel woord werd
daarop vermeld, dat de beweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen
reeds voldoende wederlegd was[751] en daarop uit al het voorgaande de
conclusie getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers van
het eiland waren. 2^{o}. trachtte Plancius te bewijzen, dat de
Engelschen ook als domini maris geen recht hadden om de vaart naar
Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris toch, dat zich volgens de
Engelschen ook over de IJszee uitstrekte, gaf geen recht op Spitsbergen
zelf, hetgeen reeds daaruit bleek, dat dichter bij de Britsche eilanden
gelegene landen, als Groenland, IJsland enz. aan Denemarken
behoorden[752]. Maar ook al kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de
regel van het volkenrecht luidde, »dat ofschoon eenigh vast lant ofte
Eylandt yemanden toebehoorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen
na het algemeyne Recht van allen volcken eenen yegelijcken even na is
ende vry open staet[753].”

    [748] R. S.-G. 2 Nov. 1613.--Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59.

    [749] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.

    [750] De ware ligging van Willoughby-land kende Plancius echter
    niet. Hij meende, dat het identiek was met „de Willebordts eylanden”
    (eene verbastering van Willoughby-eilanden?), waarmede hij schijnt
    te hebben willen aanduiden het op oude Nederlandsche kaarten
    voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae,” een „Doppelgänger” van
    Mathys-land, zooals Willoughby-land was van de Ganzenkust op
    Novaya-Zemlya.

    [751] Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in
    éen officiëel stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben.
    Wel noemden zij Spitsbergen Greenland, maar dat zij zeer goed
    wisten, dat het niet hetzelfde was als het van ouds bekende
    Groenland, blijkt uit het feit, dat zij dit met den naam Groneland
    of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der
    „Histoire de Spitsberghe” (p. 26), dat de Engelschen het recht om
    bij Spitsbergen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben,
    schijnt mij geheel onjuist.)--Terwijl men dus reeds lang vóor 1613
    aannam, dat Spitsbergen geen gedeelte van Groenlands oostkust was
    (de Nederlandsche ontdekkers zijn misschien door hunne onbekendheid
    met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze dwaling
    vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later
    volledige zekerheid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was
    natuurlijk eerst te verkrijgen door het bewijs, dat Spitsbergen een
    eiland was. De omzeiling door Rijp was vergeten en Fotherby zegt dan
    ook in 1615, dat Spitsbergen „is ~most like~ to be an Iland.”
    (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat
    „Greenland is now ~almost~ altogether discouered to bee an Iland, or
    rather many Ilands and broken grounds.” (Purchas, Pilgrimes. p.
    816.) Evenwel „~gheloofde~” Joris Carolus nog in 1634 „niet, dat het
    landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen vast en is, vermits de
    stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen” (Carolus,
    Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge
    schreef in datzelfde jaar (Journael der Seven Matroosen. p. 4): „Of
    Spitsbergen een Eylandt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot
    noch toe onbekent.” Christiaan IV van Denemarken sprak echter reeds
    in 1631 van „die Grönländische ~Insull~ Spitzbergen.” (Miss. v. Chr.
    IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632).

    [752] Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare Clausum.
    p. 121 Noot 6.--De rechtsgrond, door de Engelschen voor hun dominium
    maris in de IJszee aangevoerd, was hunne occupatie als eerste
    reizigers in de IJszee. Ook deze bewering trachtten de Nederlanders
    echter te weerleggen. Zie de daartoe strekkende betoogen bij:
    Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg.

    [753] Zie dit stuk van Plancius in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij:
    Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.

De Staten-Generaal toonden zich met het werk van Plancius ingenomen en
zonden het aan Jakob I om hem van het goed recht der Nederlanders te
overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst was de man niet, om zich spoedig
van eene eens opgevatte meening te laten terugbrengen: hij gaf gaarne
gehoor aan de »andere informatien” der Moscovische Compagnie, en »al
wast dat het teghendeel duydelyck genoegh aenghewesen was,” hij kon of
wilde het niet aannemen. »Of nu sulcke groote verstanden tot
consideratien van so kleyne dingen niet konnen descenderen, of dat sy
yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerlijck te oordeelen,”
merkt Wassenaer ironisch op[754]. Zeker is het echter, dat de compagnie
voor de walvischvangst op maatregelen zon om den koning op nadrukkelijke
wijze te beduiden, dat de Nederlandsche natie niet geneigd was van de
pas begonnen vaart op Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op
het feit, dat de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden
toelaten, verzochten zij van de Staten-Generaal octrooi om met
uitsluiting van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen.
Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te zijn, de
aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote kosten der
uitrusting vergoed te krijgen. Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal
het octrooi verleenden[755]. Zij betoonden aan de nieuwgevormde
compagnie nog verder hunne gunst door haar op haar verzoek tegen
betaling eener belasting met eenige oorlogschepen bij te staan. Ook de
vereeniging zelve rustte hare schepen tot den strijd toe en het liet
zich aanzien, dat het jaar 1614 niet zonder bloedige botsingen in het
noorden zou voorbijgaan[756].

    [754] Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 94.

    [755] Zie hiervóor p. 74-77.

    [756] R. S.-G. 4 April 1614.--Wassenaer, Hist. verh. VIII fol.
    94.--Resol. Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.

Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek het, dat de
Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen hadden, die in de
gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit werd de spreuk »si vis pacem
para bellum” schitterender bevestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal
na de oprichting der Noordsche Compagnie zijn ernstig ongenoegen over de
volharding der Nederlanders had te kennen gegeven[757], kwam het niet
tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachtsinspanning
behalve een schip, dat onder kapitein Fotherby ter ontdekking
uitzeilde[758] dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen
gezonden, maar de Nederlanders waren toch sterker: zij kwamen met
veertien groote schepen vergezeld van drie wel-toegeruste
oorlogschepen, die de Staten-Generaal hun hadden medegegeven. Al waren
dus de Engelschen niet minder dan het vorige jaar geneigd tot
gewelddadige handelingen[759], »het een mes hielt het ander in de
schede” en het bleef vrede. »The Dutch stayed and fished for the Whale
perforce, they were farre stronger then the English,” verhaalt Edge
wrevelig. De commandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de
schepen der Moscovische Compagnie, was zelfs zoo ontmoedigd, dat hij den
19 juni/2 juli met den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie
Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbij hij hem alle hulp
in zijne visscherij aanbood, mits hij aan de Engelschen de reeds toen
door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, Fair foreland (of Sir
Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen overliet[760]. Op dien voet
verkeerden partijen in vrede naast elkander, maar de groote menigte der
schepen was oorzaak, dat de vangst aan beide zijden slecht was.[761]

    [757] R. S.-G. 19 Mei 1614.

    [758] Zie zijn journaal bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720.

    [759] Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreemde
    schepen uit Maudlen-sound te verjagen. (Fotherbye, Voyage of
    Discouerie to Greenland, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 724.)

    [760] De Engelsche verhalen maken van dit contract natuurlijk geene
    melding. Zie echter de „Memoire” der N. C. bij: Muller, Mare
    Clausum. p. 371.--De overeenkomst is afgedrukt bij: Wassenaer, Hist.
    verh. fol. 94.--Ook met den zoo gehaten Marmaduke van Hull was de
    Moscovische Compagnie dit jaar „in termes of consortment;” „but
    nothing was concluded”, voegt Fotherby (Voyage of Discouerie, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 727), zinspelende op de overeenkomst met
    de Nederlanders, dadelijk daarbij.

    [761] Zie over deze reis: Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 466.

Was het misschien in de overtuiging, dat zulk eene overspanning van
krachten als in 1614 had plaats gehad, op den duur voor beide natiën
onvoordeelig ja onhoudbaar moest zijn, zeker is het, dat de Noordsche
Compagnie zelve de eerste was, die niettegenstaande de meer voorkomende
houding, door de Engelschen dit jaar aangenomen, op pogingen tot een
vergelijk met hen aandrong. Het was op haar verzoek, dat de
Staten-Generaal 20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen,
dat de Engelsche ambassade, die eerstdaags in Den Haag verwacht werd tot
regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om ook de quaestie
der vaart en visscherij in de IJszee te schikken[762]. Koning Jakob
toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hij voorzag zijne gezanten Wotton,
Edmonds, Middleton en Abbot van commissie om over de zaak te
onderhandelen. Maar deze commissie beloofde weinig goeds: reeds
de uitdrukking, dat men zou spreken over de »piscationes in mari
Boreali prope Groenlandiae littora ~nobis solum et nostris jure
acquisitas~, ab Incolis et Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tamen
interruptas,”[763] bewees, dat de vorst zijn vermeend recht bleef
handhaven. Werkelijk bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan
geen toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard de
zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhandelingen[764] en
zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal op aandringen der
Noordsche Compagnie[765] tot hen gezonden werd om hun gevoelen te
vernemen (8 April 1615), leverden zij eene nota over, waarin zij met
nadruk verklaarden, dat Jakob I van zijn recht op Spitsbergen en de
aangrenzende wateren volstrekt niet dacht af te zien[766]. De
Staten-Generaal benoemden nu dadelijk eene commissie, om met
gebruikmaking van de bescheiden, die onder de Noordsche Compagnie
berustten, de Engelschen te weerleggen[767]. Het antwoord, dat De Groot
en zijne mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de
gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat »dese Landen,
zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht van haere openbaere,
ofte bedeckte vyanden nyet en souden connen bestaen nochte dienstich zyn
aen haere vrunden, ten waere de zee suppleerde t’ gunt aen t’ landt is
ontbreeckende, sulcx dat de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese
landen heeft bewogen, om verscheyden nauigatien te soecken, ende haer
seluen alsoo ten deele door trafficque, ten deele oock door de
Visscherie te onderhouden.” Uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid
der Nederlandsche visscherijen, en werden de bekende tochten der
Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aangedrongen op
herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; nadrukkelijk verdedigde
men het verleenen van octrooi aan de Noordsche Compagnie door een beroep
op de natuurlijke vrijheid der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen
onderdanen bepaald verboden hadden, aan de Engelschen of eenige andere
natie direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd
eindelijk aangedrongen op het maken van »eenige goede ordre ende
reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, walrussen, ende
andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, met affweeringe van alle
confusien ende misverstanden, ten meesten proffijte van de ondersaten
van zyne Ma^{t}. ende vande ingesetenen van dese landen mocht werden
gebeneficieert, ende het different vande voorgaende schaden tot redelyck
contentement affgedaen.” Een bepaalden voorslag daartoe deden de
commissarissen in strijd met de opdracht der Staten-Generaal nog
niet[768].

    [762] R. S.-G. 20 Nov. 1614.

    [763] Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [764] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.

    [765] Zie haar request aan de Stn.-Gen. dd. 1 April 1615, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [766] Muller, Mare Clausum. p. 129.

    [767] cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615.

    [768] R. S.-G. 16 Apr. 1615.--Zie de memorie afgedrukt bij: Muller,
    Mare Clausum. p. 363.

Overtuigend als deze geschiedkundige uiteenzetting zijn mocht, de
Engelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bij de overhandiging van
het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze leemte voldoende
aangevuld. Een vrij hevig dispuut, waarin De Groot een zeer hoogen toon
voerde, schijnt toen tusschen de wederzijdsche gevolmachtigden ontstaan
te zijn; het verdedigende standpunt, dat in de memorie zeer verstandig
was ingenomen om den lichtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te
kwetsen, werd in de hitte van het debat verlaten en men liet zich
onvoorzichtig tot eenen aanval op de zoogenaamde Engelsche kroonrechten
verleiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking van
Spitsbergen door Willoughby breedvoerig en staafden de door hen in hunne
memorie aangevoerde feiten over de ontdekking door Heemskerck nog nader.
Maar vooral werd er in deze bijeenkomst op gewezen, dat het geschil over
het bezit van het eiland eigenlijk nutteloos was: de zee toch, meenden
de Nederlanders, was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen
behoorden aan niemand en konden dus door ieder vrijelijk worden
gevangen. Toen bleek het duidelijk, dat het de Engelschen met eene
schikking geen ernst was: volmondig erkenden zij, dat zij de stukken ter
weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was dit volgens
hen in het geheel niet noodig: elke schikking tusschen beide natiën
toch, dus beweerden zij op hoogen toon, moest vóor alles beginnen met
eene erkenning van Jakob I als heer van Spitsbergen; wilden de
Nederlanders den vorst beleedigen door het in twijfel trekken van zijn
recht, dan was ook alle onderhandeling nutteloos[769]. Men scheidde dus
met de nietszeggende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het
gehoorde aan hunnen koning zouden doen, die later aan Caron zijn besluit
zou mededeelen[770]. Weinige dagen later vertrokken de gezanten weder
naar Engeland[771].

    [769] Grotii Epistolae. p. 19, 20. Ep. 59.

    [770] R. S.-G. 4 Mei 1615.

    [771] R. S.-G. 6 Mei 1615.

Het was te verwachten, dat ook nu de argumenten der Nederlanders en de
voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I zouden maken. Weldra
kwam dan ook in Den Haag het bericht, dat de koning overwoog, zijne
onderdanen door den bijstand van twee oorlogschepen in staat te stellen,
hunne beweerde rechten met kracht te handhaven, en dat ook de
Moscovische Compagnie beraadslaagde over nog krachtiger uitrusting dan
het vorige jaar[772]. In deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de
Noordsche Compagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron
om voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen[773], maar
tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche Compagnie werd
aangeschreven »haer in goede ordre tot de Nauigatie ende Neeringe te
willen tydelyck praepareren ende het selve doende naer behooren, ten
minsten als in den voorleden jare is gedaen, dat in dien gevalle haer
gelycke assistentie ende faveur ghedaen soude worden als in den
voorleden jare was gheschiet, maer anders en by gebreck van haer eygen
devoir niet[774].” Meer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze
krachtige houding: terwijl de Noordsche Compagnie elf schepen onder
Adriaen Block[775], begeleid door drie oorlogschepen naar Spitsbergen
zond[776], verschenen de Engelschen tegen de verwachting dit jaar
slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waarschijnlijk had de
slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis onder de reeders ter
walvischvangst doen ontstaan, en was daardoor de uitrusting geringer dan
zij vorige jaren geweest was[777]. Hoe dit ook zij, de Nederlanders
»stayed vpon the coast of Greenland perforce” en bezochten ook de door
de Engelschen het vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs
over tot het bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen
voor het volgende jaar te bewaren[778].

    [772] Miss. v. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E.
    1615.--R. S.-G. 16 Mei 1615.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1
    Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [773] Muller, Mare Clausum. p. 130 Noot 5.

    [774] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.

    [775] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.--Block is bekend door
    zijne reis naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wassenaer, Hist. verh.
    VIII fol. 85, IX fol. 44.--Zie meer bij: De Jonge, Opkomst. I p.
    33.)

    [776] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.

    [777] Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469)
    verhaalt, dat de leden der Moscovische Compagnie, die zich op de
    walvischvangst toelegden, in 1619 „dissolued ~againe~.”

    [778] Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum.
    p. 371.--Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, art.
    8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

In den zomer van 1616 keerden echter de kansen; de Engelschen kwamen met
acht groote schepen en twee pinassen op Spitsbergen, terwijl de
Nederlanders reden hadden om ook eenige Deensche oorlogschepen met
vijandige bedoelingen daar te verwachten. Tegen deze overmacht kon de
Noordsche Compagnie, door de groote uitrusting van het vorige jaar
uitgeput, niet meer dan zes schepen overstellen, waarvan zij om goede
redenen[779] nog eenige naar het pas ontdekte Jan Mayen-eiland moest
zenden. De Staten-Generaal hadden daarentegen het hunne gedaan om de
vereeniging met kracht bij te staan: een konvooi van vijf oorlogschepen
werd ter harer beschikking gesteld, terwijl aan den commandeur daarvan
Jan Jacobsz. Schrobop bevolen werd om geene vreemde natiën in de
walvischvangst te hinderen, maar dan ook eventueele aanvallen krachtig
te keer te gaan[780]. Maar toch voelde de Noordsche Compagnie zich niet
krachtig genoeg: zij schijnt ernstig beraadslaagd te hebben, de
walvischvangst aan Spitsbergen voor goed op te geven en zich met de
voordeelige visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden te stellen. Althans
daarheen was het dat dit jaar de geheele uitrusting der vereeniging
gezonden werd. De Engelschen maakten van deze gelegenheid gebruik: in de
afwezigheid der Nederlanders wreekten zij zich over de concurrentie van
vroegere jaren door het vernielen der nieuwgebouwde loge. Vier schepen
der Noordsche Compagnie, die later in het jaar aan Spitsbergen kwamen,
moesten zich in verschillende baaien verspreid schuil houden. Zij hadden
eene slechte vangst, terwijl de Engelschen ongeveer 100 walvisschen
vingen en zooveel traan kookten, dat zij nog een gedeelte daarvan op het
eiland moesten achterlaten tot het volgende jaar[781].

    [779] Zie over die redenen: Hoofdst. IX.

    [780] Zie de Instructie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [781] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466,
    67.--Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 371.--Purchas,
    Pilgrimage. p. 816.

Het blijkt niet, of de Staten-Generaal met de verplaatsing der
Nederlandsche walvischvangst naar Jan Mayen-eiland genoegen genomen
hebben, maar men zou bijna geneigd zijn dit aan te nemen, wanneer men
ziet, dat juist in 1617 de regeering bezwaar maakte het gewone konvooi
aan de compagnie te verleenen, eene spaarzaamheid, die de vereeniging
misschien zou kunnen noodzaken in haar voornemen te volharden. Het is
waar, er kunnen andere redenen voor deze handelwijze der regeering
bestaan hebben: de Engelschen hadden, niettegenstaande de verdeeling der
Nederlandsche krachten hun het laatste jaar eene uitnemende gelegenheid
tot wraak aanbood, sinds 1613 hunne aanvallen op de walvischvaarders
niet herhaald; de Noordsche Compagnie, die toch in ieder geval een paar
goede reizen gemaakt had, kon in staat geacht worden om zich zelve te
beschermen: maar toch, de weinige onderstand, dien de vereeniging in
deze crisis verkreeg, schijnt er op te wijzen, dat de regeering huiverig
was den strijd met de Engelschen openlijk te aanvaarden. Hoe dit zij, de
Staten-Generaal vermaanden de walvischvaarders in het voorjaar van 1617,
zelven »sterck te reeden ende vuyt te varen opte Neringe ende
Visscherie.”[782] De Noordsche Compagnie sloeg dien wenk niet in den
wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet het haar veel
gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene overeenkomst met eene
Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs ook op de walvischvangst had
beginnen toe te leggen. Men kwam overeen over het aandeel, dat ieder in
de winst zou hebben, men beloofde elkander wederkeerig hulp en
bescherming[783]. Dus versterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te
kunnen bieden.

    [782] Muller, Mare Clausum. p. 131 Noot 5.

    [783] Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Maar toen het contract eenmaal gesloten was, schijnt de Noordsche
Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Mayen-eiland, van de gemeenschap
uitgesloten, omdat de Hollanders als ontdekkers daarop uitsluitende
rechten deden gelden,--bleef een door de afwezigheid der Engelschen
aanlokkelijk verblijf. Al had de walvischvangst daar in 1616 niet aan de
verwachting beantwoord, de verleiding was groot en de hulp, die de
Zeeuwen konden leveren, schijnt niet aan de verwachting der Noordsche
Compagnie beantwoord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was,
schoot dan ook de moed der vereeniging te kort en tegen de bepaling van
het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele uitrusting
naar Jan Mayen-eiland. Toen dus op het laatst van Mei drie Vlissingsche
schepen, »de Arke Noë” kapitein Jan Verelle, »de Peerle” kapitein
Huybrecht Cornelisz., en »de Vos” kapitein Cornelis De Cock, op
Spitsbergen aankwamen, waren zij volkomen onbeschermd. De Moscovische
Compagnie daarentegen, die dit jaar veertien groote schepen en twee
pinassen naar het noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen
op eene ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen.
Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette De Cock den
Engelschen commandeur Edge, die hem, toen hij vernam dat de Moscovische
Compagnie dit jaar op Spitsbergen de sterkste was, onder beroep op de
commissie van Jakob I het visschen verbood, terwijl hij alle
Nederlanders gelastte zich dadelijk van de kust te verwijderen met de
bedreiging hun anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd
beproefde De Cock met zijne beide medgezellen daarop de walvischvangst
in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig Engelsch kapitein, Harry
Smith geheeten, dadelijk den commandeur van hunne aankomst bericht gaf,
en de Hollanders, die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound
te zijn, voelden de drie Vlissingers zich te zwak om het herhaalde
verbod der Engelschen te weerstaan en besloten aan Beeren-eiland hun
geluk te beproeven. Maar de vangst was daar uiterst onvoordeelig en op
aanstoken van den bekenden kapitein Marmaduke, die sinds 1611 jaarlijks
met zijne Hullers ter walvischvangst op Spitsbergen kwam en de
Moscovische Compagnie trotseerde[784], keerden zij naar Spitsbergen
terug. Het geluk diende hun ook toen niet. In Horn-sound vonden zij
behalve Smith nu nog een ander schip der Engelsche compagnie. De
kapitein James Beversham liet hun wel toe te visschen, maar zond in het
geheim naar Edge in Bell-sound om bijstand tot het verdrijven der
indringers. Gelukkig kregen de Zeeuwen hiervan nog tijdig kennis en zij
besloten nu Cornelisz. en De Cock dadelijk met een paar onderweg
gevangen walvisschen naar huis te zenden, maar Verelle kon niet zoo
spoedig gereed komen en moest dus nog eenigen tijd in Horn-sound
achterblijven. Terwijl hij nog bezig was zijne gereedschappen van de
kust te halen, kwam William Heley, de Engelsche onderbevelhebber, daar
aan om hem te verjagen. Heley, een jong man die aan groote bekwaamheid
een vurigen inborst paarde[785], viel Verelle dadelijk aan, nam hem niet
alleen de weinige door hem gevangen walvisschen af, maar beroofde hem
ook van al zijne gereedschappen voor de walvischvangst. Uit vrees voor
represailles werd den Zeeuwen ook hun geschut en kruit ontnomen. Wel was
de directe schade der Zeeuwen niet groot, maar daar zij dit jaar
nagenoeg niets mede naar huis brachten, waren de kosten der uitrusting
geheel verloren[786]. De Nederlandsche verhalen zijn dan ook eenstemmig
in klachten over de behandeling van Heley, dien zij »een Jonck ende
outrequidant persoon sich zeer violentelyck comporterende” noemen. De
Moscovische Compagnie maakte daarentegen dit jaar weder zulk eene goede
reis, dat zij een gedeelte van hare vangst van 150 walvisschen voor het
volgende jaar op Spitsbergen moest achterlaten[787].

    [784] Hoewel aan de Hullers in 1618 verboden werd Spitsbergen te
    bezoeken en hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan
    Mayen-eiland werd opengesteld (Macpherson, Annals. II p. 292),
    vinden wij nog in 1631 twee Hullsche walvischvaarders afgescheiden
    van de schepen der Moscovische Compagnie op Spitsbergen. (Pellham,
    Gods power, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 281, 82.) Van
    hunne aanwezigheid op Jan Mayen-eiland blijkt daarentegen nooit
    iets.

    [785] Heley vervaardigde verscheidene gedichten op de walvischvangst
    der Engelschen. (Purchas, Pilgrimes. II p. 738.)

    [786] Zie de schaderekeningen der Zeeuwsche reeders, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--De Engelschen achtten de geroofde
    goederen zeer gering. (Edge, Dutch disturbance, en: Brief van Heley
    aan Deicrowe, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 732.)

    [787] Zie de Nederlandsche voorstelling dezer zaak uitvoerig in de
    getuigenissen van De Cock c. s., D’Hallegorey c. s., Gasteloser c.
    s. en Verelle c. s., en in: Corte Deductie ende Remonstrantie der N.
    C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Vgl. ook: Mémoire der
    N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.--R. S.-G. 9 Nov.
    1617.--Miss. v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan Caron dd. 21 Dec.
    1617, als bijlage achter de N. Z.--De Engelsche verhalen van Edge
    (Dutch disturbance) en Heley (brief aan Deicrowe) staan afgedrukt
    bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68, 732. (Edge geeft het
    verhaal tweemaal; slechts bij aandachtige lezing ontdekt men, dat de
    uitvoerigste beschrijving volgt onder 1618.)

Dadelijk bij hunne thuiskomst klaagden de Zeeuwen aan de
Staten-Generaal. Tegelijk zonden zij een persoon met aanbevelingsbrieven
der Staten aan Caron naar Engeland om daar hunne belangen voor te staan.
De zending beloofde aanvankelijk veel goeds. Wel werden de geroofde
goederen der Zeeuwen onder de oogen van hunnen gevolmachtigde in het
openbaar verkocht[788], maar het ontnomene geschut werd dadelijk
teruggegeven en de Zeeuwsche zendeling maakte van zijne tegenwoordigheid
te Londen gebruik om te trachten op andere wijze het doel der
Nederlanders, de onverhinderde visscherij op Spitsbergen, te bereiken.
Sir John Cunningham[789] en eenige Schotten hadden juist in dien tijd
van koning Jakob een patent verzocht om nevens de Moscovische Compagnie
op de IJszee te mogen varen; Engelschen, waarschijnlijk inwoners van
Hull, voegden zich bij hen, en ook de te Londen aanwezige Zeeuwen, die
van hunne compagnieschap met de Hollanders niet veel voordeel gehad
hadden, werden nu in de vereeniging opgenomen[790]. De koninklijke
toestemming werd verleend en de nieuwe compagnie beijverde zich de
bekwaamste stuurlieden van hare mededingster te onderhuren en provisiën
op groote schaal in te slaan. Reeds maakte zij zich gereed in de ruime
winsten, die de Moscovische Compagnie in de laatste jaren gemaakt had,
te deelen, toen een maatregel van hare mededingster al deze plannen
verijdelde. De Moscovische Compagnie, van den nood eene deugd makende,
kwam met hare Oost-Indische zuster overeen, dat beiden voortaan
gezamenlijk de kosten der uitrustingen voor de walvischvangst zouden
dragen. Door buitengewone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie,
die nu ook van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag
dadelijk in, dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van kapitalen
niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Verheugd dat de zaak zich zoo
schikte, was de Moscovische Compagnie gaarne bereid voor grof geld de
door hare mededingers opgedane voorraad over te nemen, al was die voor
haar ook nutteloos[791]. Zoo eindigde dit incident, dat echter
medewerkte om de fondsen der Moscovische Compagnie uit te putten en aan
de Engelsche uitrustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen
slag toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: de
Moscovische Compagnie, sterk door haar bondgenootschap met de
Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen
uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge.

    [788] Mémoire de la Compagnie Septentrionale, bij: Muller, Mare
    clausum. p. 371.--Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse
    Compagnie, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Miss. v.
    Zeeland dd. 21 Dec. 1617, achter de N. Z. 1621.

    [789] Sir John Cunningham had lang in Deensche dienst op de IJszee
    gevaren. Hij was in 1605 en 1606 kapitein geweest op het
    admiraalschip van de expeditiën van Lindenau naar Groenland, waarop
    de bekende James Hall stuurman was. (Barrow, Voyages into the arctic
    regions. p. 169, 73.) In 1615 kwam hij als kapitein van een der drie
    Deensche oorlogschepen op Spitsbergen. (Brief v. Fotherby aan Edge
    dd. 15 juli 1615, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.--Vgl. hierna
    Hfdst. VII.)

    [790] In Londen was destijds ook gevestigd Willem Courten, compagnon
    van zijnen broeder Pieter, die een der voornaamste Zeeuwsche
    handelaars op de IJszee was. (Mémoire et Relation veritable der
    Mosc. Comp., bij: Muller, Mare Clausum. p. 374, 75.--N. Z. 11 Mrt.
    1619.) Waarschijnlijk werd ook hij in de nieuwe compagnie opgenomen.

    [791] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.

De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te laten
mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige jaar, waarvoor
zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen,--teleurgesteld door het
uiteengaan der Schotsche compagnie, sloten de verschillende kamers der
Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 weder eene overeenkomst om elkander
tegen de Engelschen te verdedigen. De Staten-Generaal stonden de
compagnie twee oorlogschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote
walvischvloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen
verdeelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens afspraak in
vier afdeelingen: de Rotterdammers bezetten Horn-sound onder konvooi van
een oorlogschip; die van het Noorderkwartier namen in Bell-sound hun
verblijf, terwijl het voor hen bestemde tweede oorlogschip achterbleef,
daar het door de Amsterdammers weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was;
de Zeeuwen en die van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van
Abraham Dircksz. Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay[792]; aan de
Amsterdammers eindelijk viel de Mauritius-baai ten deel[793]. Ook de
Engelschen waren over het geheele eiland verspreid; de meeste schepen
waren echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond zich
met eenige schepen in Bell-sound en de onderbevelhebber Heley met een
paar andere in Sir Thomas Smiths-bay.

    [792] Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de
    Engelsche schaderekening in: Lias loopende 1618. R.-A.) gebeurde het
    hieronder verhaalde in Fairhaven. Zoowel uit Engelsche als
    Nederlandsche bronnen blijkt echter, dat Leversteyn ongelijk had,
    toen hij stoutweg verklaarde: „Is gelogen, want hebben daer geen van
    allen geweest.” Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eene kleine
    baai in den Foreland-fjord, waarschijnlijk naar het in 1618
    voorgevallene, „Zeelands baay.”

    [793] R. S.-G. 4 Nov. 1622.

De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd hadden, vischten
dit jaar ongestoord; maar slecht verging het de onbeschermde schepen van
het Noorderkwartier. In Bell-sound aangekomen, beval hun Edge dadelijk
de baai te verlaten; hij was niet van plan hen te berooven of te
hinderen, maar hij toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd
wenschte te zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp bij de
Rotterdammers in Horn-sound, maar het oorlogschip was daar tot
handhaving der rust hoognoodig, en die van het Noorderkwartier moesten
dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay wijken. Na hun vertrek
wreekten zich de Engelschen door het vernielen der pas weder opgebouwde
Nederlandsche loge in Bell-sound.

De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen van Hoorn en
Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein tot eene losbarsting van
woede. Den geheelen zomer was daar de verhouding zeer gespannen geweest.
De Engelschen, die hier slechts met éen schip »the Pleasure” en een
pinas »the Prudence” waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere
en Vlissingen dadelijk na hunne aankomst in deze door hen vroeger nooit
bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen geweigerd hadden aan
dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoordigheid door de Engelschen, die
zich te zwak gevoelden om hen te verjagen, slechts noode geduld.
Aanvankelijk hadden de Nederlanders, weldra door twee schepen van
Middelburg versterkt[794], gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst
over de visscherij te sluiten, en toen dit aanbod gemelijk verworpen
was, bleven zij zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne
vijanden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen overliet,
maar het stemde dezen niet beter: zij bleven steeds het plan koesteren
om hunne mededingers zoo spoedig mogelijk te verdrijven en beleedigden
ze bij elke voorkomende gelegenheid[795]. Zulk eene behandeling moest
de Nederlanders op den duur verdrieten; De Cock en Cornelisz., die hier
beiden tegenwoordig waren, herinnerden zich met steeds klimmende woede
de behandeling, den hunnen het vorige jaar door denzelfden Heley
aangedaan, die thans het bevel voerde. Reeds had een twist over een der
door de Engelschen het vorige jaar geroofde traanketels tot
onaangenaamheden aanleiding gegeven; van weerszijden had men grieven,
die licht tot een breuk aanleiding geven konden. Daar brachten de uit
Bell-sound verjaagde schepen de tijding van het gebeurde. Spoedig daarop
liet Heley den Nederlanders weten, dat commandeur Edge hem bevolen had,
de Zeeuwen uit de baai te verdrijven; weigerden zij, dan wilde hij zelf
komen en hen erger behandelen dan hunne landgenooten in Bell-sound. In
allerijl werd nu door de Nederlanders beraadslaagd, wat hun te doen
stond. Zij hadden zich voor hun vertrek van eene commissie van Zijne
Excellentie voorzien, die hen machtigde elken aanval met geweld te
keeren; de vraag was, of hier aan zelfverdediging kon gedacht worden.
Overwegende echter, dat die van het Noorderkwartier door de Engelschen
verjaagd en dus niet in de gelegenheid geweest waren hunne reis te
doen,--dat de ondervinding hen alle pogingen om schadevergoeding van de
Engelschen te krijgen als nutteloos had leeren beschouwen,--en vooral,
dat het zaak was de vereeniging van Edge en Heley te voorkomen, ten
einde den aangekondigden aanval te ontgaan, besloten de Nederlanders, al
werden zij niet direct aangevallen, van hunne commissie gebruik te
maken. Stemde ook het Enkhuizer schip niet met dit besluit in, de twee
schepen van Vlissingen, die van Veere, van Hoorn en van Delfshaven
tastten door en sommeerden Robert Salmon, den kapitein van Heley’s schip
»the Pleasure” tot de overgave. Deze weigerde op hoogen toon en poogde
te ontsnappen. De Nederlanders lieten hem tijd om zich te bedenken, en
namen eindelijk den 19 Juli 1618 het schip met geweld. Ook de pinas werd
van alles beroofd. Het geschut en de in het schip gevonden traan en
walvischbaarden werden naar Nederland gevoerd, om te dienen als
gedeeltelijke schadevergoeding voor het den Nederlanders in 1613 en 1617
ontnomene. De goederen werden volgens het voorschrift, hun door Maurits
bij zijne commissie gegeven, ter beschikking der admiraliteit gesteld,
die ze tusschen de vier kamers, voor wie de aanvallende schepen
uitgezeild waren, verdeelden[796]. Voor het geschut werd in het begin
van 1621 op aansporing van Carleton aan de bevelhebbers der beide
beroofde schepen, Robert Salmon en een Schot, de som van ƒ 3600
uitgekeerd. De Noordsche Compagnie zwichtte hierin voor den billijken
aandrang der Staten-Generaal: ook het in 1617 door de Engelschen genomen
geschut was haar, hoewel op zeer onaangename wijze, door de Moscovische
Compagnie teruggegeven[797].

    [794] Deze schepen, aan den Middelburgschen koopman Courten,
    bewindhebber der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnlijk
    spoedig weder. Althans Courten overtuigde later Carleton, dat zíjne
    schepen onschuldig waren aan het berooven der Engelschen (Carleton,
    Lettres. II p. 355); uit andere, zoo Engelsche als Nederlandsche
    verhalen blijkt ook, dat ze daarbij niet tegenwoordig waren.
    Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands
    oostkust, waar ze dit jaar eene kust ontdekten, die zij
    Nieuw-Zeeland noemden. (R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Vgl. hiervóor p.
    179.)

    [795] Van de kwade gezindheid der Engelschen tegen de Nederlandsche
    walvischvaarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door
    sommige kapiteins op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en
    door Purchas (Pilgrimes. III p. 732-38) bewaard. „We haue reasonable
    good quarter with the Flemmings,” schreef kapitein Salmon 24 Juni,
    kort voor het gevecht aan kapitein Sherwin, „for we are merry aboord
    of them, and they of vs; they haue good store of Sacks (jenever),
    and are very kinde to vs, proffering vs any thing that we want. I am
    very doubtfull of making a voyage this yeere („the Flemmings are too
    many for vs to make a voyage,” schreef hij ook) the Company must
    take another course the next yeere: if they meane to make any
    benefit of this Country, they must send better ships that must beat
    these knaues out of this Country; but as farre as I can vnderstand
    by them, they mean to make a trade of continuance of it: we will let
    them rest this yeere, and let who will take care the next yeere, for
    I hope not to trouble them.” Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin
    volkomen instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound
    (Purchas l. c. III p. 733): „As for the Flemmings let them all go
    hang themselves, and although you be not strong enough to meddle
    with them, yet the worst wordes are too good for them, the time may
    come you may be reuenged on them againe. The Captaine wishes they
    would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry vs for
    Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came in
    two Flemmings, but wee handled them very honestly but for feare of
    after-claps, or had it beene the latter part of the yeere, we would
    haue handled them better; now they be gone for Horne-sound, I would
    that they had all of them as good a paire of horns growing on their
    heads, as is in this Country.” De gemoedelijke Purchas zag dit alles
    met leedwezen. „I had thought to haue added,” dus schrijft hij
    (Pilgrimes. III p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt
    the Dutch and English in Greenland this yeare 1618 and had prepared
    it to the Presse. But hauing alreadie giuen some Relation thereof
    from Captaine Edge, and seeing the insolencies of some of the Dutch
    were intolerable to English spirits, which then suffered, or
    hereafter should reade them, I chose rather to passe them by
    aduising my Countrimen not to impute to that Nation what some frothy
    spirit vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders
    worth, and to acknowledge the glorie of the Confederate Prouinces,
    howsoeuer they also have their sinks and stinking sewers (too
    officious mouthes such as some in this businesse of Greenland,
    beyond all names of impudence against his Maiestie, and his Leege
    people, as others elsewhere haue demeaned themselves) whose
    lothsomnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious
    and illustrious Nation. Euerybody hath its excrements, euery great
    House its Vault or Iakes, euery Citie some Port exquiline and
    dunghils, euery Campe the baggage; the World it selfe a Hell: and so
    hath euery Nation the retriments, scumme, dregs, rascalitie,
    intempered, distempered spirits, which not fearing God nor
    reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both,
    which sauing the honor of both can scarsly be related after them. A
    difference is to be made of relation (Nationall?) and personall
    faults, of which we haue said enough in the East India quarrels,
    twixt ours and the Dutch.” Zoo weinig ons dit breedsprakige staaltje
    doet verlangen den bekwamen man van den kansel te hooren, zoo
    merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders als
    een bewijs, hoe diep de animositeit tusschen beide volken reeds toen
    wortel geschoten had.

    [796] Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene:
    Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p.
    371.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Arrest v. de H. Raad van 31 Maart
    1635.--Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624,
    in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--Engelsche
    schaderekening met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loopende
    1618. R.-A.--Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare
    clausum. p. 373 vlg.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 468, 69.--Brieven van Salmon, Sherwin en
    Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.

    [797] R. S.-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12
    Febr., 4, 27 Mrt. 1621.--N. Z. 9 Mrt. 1621.--Corte Deductie ende
    Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--Zie over de restitutie van het geschut aan de Nederlanders en
    het daarbij voorgevallene: Corte Deductie ende Remonstrantie der N.
    C., l. c., en: Muller, Mare Clausum. p. 160 Noot 1.

De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onverwachte
stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carleton kreeg van
zijnen vorst dadelijk last om daarover te klagen, en toen hij den 3
October 1618 in de vergadering der Staten-Generaal verscheen om op het
zenden eener ambassade naar Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede
voorafgaan door de voorlezing van de »informations sur les violences,
robberies et assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les
navires, biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,” een
stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict” der Nederlanders »jn
Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaerachtige
lasteringen ende logenen geexaggereert” was[798]. De verontwaardiging
van den gezant was door het gedrag van het Haagsche gepeupel niet
verminderd: »nous auons eu ces iours passez”, dus voerde hij den Staten
op hevigen toon te gemoet, »la nouuelle chantée icy à la Haye, a bouche
ouverte et visage asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les
particularitez tant des pieces d’artillerie, et des tonneaux d’huyle
prises et divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et le tout
receu avec grand applaudissement et triumphe, comme d’une victoire
gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.” Carleton stelde het
gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de Nederlanders den Engelschen
het visschen aan het eiland hadden willen beletten, en verweet den
Staten-Generaal het ongerijmde van zulk een gedrag na de lange
vertoogen, die zij bij verschillende gelegenheden voor de vrijheid der
zee hadden gehouden. Hij eindigde zijne lange rede, waarin hij ook over
andere grieven der Engelschen klaagde, met het nadrukkelijk verzoek, dat
de Staten-Generaal de ambassade, die reeds zoolang aan koning Jakob
beloofd was, zonder uitstel zouden zenden, voorzien van volkomen last om
ook over deze zaak te onderhandelen.[799]

    [798] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [799] R. S.-G. 3 October 1618.

Na lange aarzeling kwam het eindelijk daartoe. Den 7 December 1618
kwamen de heeren Van Goch, Van der Dussen en Liens als ambassadeurs der
Staten-Generaal te Londen aan. Hunne Instructie verdedigde het bezoeken
der IJszee door de Nederlanders met een beroep op de vrijheid der zee,
maar tevens door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door
Nederlanders, en op het feit, dat de Engelschen, zelfs al hadden zij het
eiland in 1553 ontdekt, in ieder geval hunne ontdekking weder kennelijk
verlaten hadden. Het gebeurde van den vorigen zomer werd gerechtvaardigd
door de deductie, dat de Nederlanders niet om de Engelschen te
verdrijven, maar alleen uit zelfverdediging tot geweld waren overgegaan.
Om dergelijke voorvallen voor het vervolg te voorkomen, werd het maken
van een reglement aanbevolen, waartoe de gezanten gemachtigd werden
eenige voorslagen te doen.

Lang duurde het, eer de onderhandelingen over dit punt aanvingen. Eerst
den 16 Maart 1619 kwamen wederzijdsche gedeputeerden bijeen, om over de
zoogenaamde Groenlandsche zaken te beraadslagen. Van beide zijden begon
men met klachten over de schade, door de tegenpartij toegebracht; van
beide zijden werd vergoeding verzocht. Twee memoriën werden gewisseld,
waarbij men voornamelijk de wederzijdsche grieven besprak en de daden
van den vijand in het hatelijkste daglicht stelde. Zooveel bleek echter
reeds dadelijk, dat de Engelschen evenmin als in 1615 geneigd waren,
over de aanspraken van hunnen koning op Spitsbergen te twisten. Zij
beriepen zich op hun recht als eerste walvischvaarders, die zich zee en
visscherij hadden toegeëigend, en eischten daarop de buitensporig hooge
vergoeding van £ 22.636-1/2 voor directe schade en £ 43.800 voor
winstderving. De Nederlanders namen van hunne zijde een niet minder
ongerijmd standpunt in; zij beriepen zich voornamelijk op hunne
ontdekking van Spitsbergen in 1596, waaruit zij hun recht op de
walvischvangst afleidden. De handelwijze hunner landgenooten was volgens
hen uiterst liberaal; niettegenstaande hun recht waren zij volkomen
bereid de Engelschen op Spitsbergen toe te laten en slechts tot
zelfverdediging en als schadevergoeding waren zij tot het aanvallen en
berooven van het Engelsche schip overgegaan; toch waren zij volkomen
bereid de genomen goederen terug te geven, mits de Engelschen, die de
eerste aanvallers waren geweest, met de restitutie begonnen[800].

    [800] Eene schaderekening leverden de Nederlanders niet in: de
    Zeeuwsche kamers weigerden hunne schade op te geven. (Miss. der
    Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 29 Apr. 1619, in:
    Lias loopende 1619. R.-A.) Toch was eene Zeeuwsche schaderekening
    van het jaar 1617 in het archief der Stn.-Gen. aanwezig. (Zie deze
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Het bestaan daarvan
    schijnt echter vergeten te zijn en hoewel de ambassadeurs gedurig om
    de begrooting der schade schreven (zie de bovenvermelde missive der
    Stn.-Gen.), ontvingen zij die eerst te laat. (Muller, Mare Clausum.
    p. 159 Noot 4.)

Het komt mij voor, dat beide partijen in deze onvruchtbare discussie
ongelijk hadden: geen van beide had m. i. op Spitsbergen eenig recht. De
Engelschen schijnen nu reeds zelve ingezien te hebben, dat de beweerde
ontdekking van Spitsbergen door Willoughby niet te bewijzen was; maar
ook al nam men deze ontdekking aan, het stond vast, zooals de
Staten-Generaal zeer juist opmerkten, dat het ontdekte land weder
verlaten en dus alle aanspraak daarop vervallen was. Beter recht
schijnen de Engelschen aan hunne reizen naar Spitsbergen sinds 1610 te
hebben kunnen ontleenen. Zij hadden in dat jaar het woestliggende eiland
als het ware op nieuw ontdekt: de aandacht van de beschaafde wereld had
zich eerst toen daarop gevestigd. Jaarlijks hadden zij het sedert dien
tijd bezocht en zich in alle voor de walvischvangst geschikte baaien
gevestigd; slechts wanneer het barre jaargetijde de noordsche streken
onbewoonbaar maakte, vertrokken zij vandaar. Men kon dus aannemen, dat
zij volgens het ieder toekomende recht als eerst aankomenden van eene
niemand toebehoorende zaak hadden bezit genomen. Maar hun recht had toch
eene zeer zwakke zijde. Bij de groote wisselvalligheid der
walvischvangst was het niet meer dan natuurlijk, dat de Engelschen
vooral in de eerste jaren niet altijd al de zeven groote baaien, die
Spitsbergens westkust aanbiedt, bezochten. Wel hadden zij zich in allen
beurtelings met de visscherij beziggehouden, maar die visscherij was
lang niet overal geregeld gedreven. En de verlatenheid, waarin dus
sommige vischplaatsen jarenlang bleven, was te bedenkelijker in eenen
tijd, toen de bezitters van Spitsbergen nog bijna geheel niet als in
latere jaren door het bouwen van woonhuizen en andere inrichtingen op de
door hen bezette stranden blijk gegeven hadden van hun voornemen om over
korter of langer tijd op de ingenomen plaats terug te komen. De
vestiging der Engelschen in eene baai droeg daardoor het karakter van
een voorbijgaand bezoek, een gebruiken en weder verlaten eener plaats,
dat volstrekt geen recht kon verleenen. Van hunne bedoeling, om de zeven
baaien als eene bezitting der Moscovische Compagnie te beschouwen, was
bovendien nooit iets gebleken. De Engelschen zelven gevoelden deze
leemte in hun rechtstitel zeer goed; zoodra de Nederlanders zich aan
Spitsbergen vertoonden en verklaarden met hen te willen concurreeren,
begonnen zij ijverig met het inbezitnemen van alle reeds bekende en
nieuw ontdekte baaien. Zeer onverstandig echter! Hunne handelwijze toch
kon niet anders dan de aandacht vestigen op hunne vroegere nalatigheid,
terwijl zij, nu hun feitelijk bezit door de Nederlanders gestoord was,
alle recht misten, de ook door dezen bezochte plaatsen aan het verkeer
te onttrekken. Veiligheidshalve beriepen zij zich nu dan ook niet op hun
bezit van Spitsbergen zelf krachtens de vestiging der Moscovische
Compagnie, maar gaven de voorkeur aan het beweren van hersenschimmige
eigendomsrechten op zee en visscherij krachtens de toeëigening der
walvischvaarders,--rechten, die reeds toen door vele leeraars van het
volkenrecht op goede gronden bestreden werden. Hadden zij als heeren van
Spitsbergen de Nederlanders met volle recht uit de baaien en de
territoriale zee kunnen weren, de nu op den voorgrond gestelde bewering
gaf den Nederlanders gelegenheid, om zich zeer terecht op de vrijheid
der zee en hare onvatbaarheid voor toeëigening te beroepen. Ongelukkig
voor dezen belette echter de houding, door hen zelven in de
Oost-Indische zaken tegenover Engeland aangenomen, dat zij van die
gelegenheid gebruik maakten; zij moesten zich nu beperken tot het
aanvoeren van aanspraken op Spitsbergen als ontdekkers van 1596, eene
bewering, waarop volkomen de aanmerking paste door henzelven op het
recht van den zoogenaamden Engelschen ontdekker gemaakt. Het was niet te
loochenen, Nederlanders hadden Spitsbergen ontdekt, maar zij hadden het
dadelijk weder voor jaren verlaten; eerst toen de Engelschen op het
belang van het eiland waren opmerkzaam geworden en er zich hadden
gevestigd, kwamen de Nederlanders zelve weder terug in de langvergeten
gewesten[801].

    [801] Reeds Purchas merkte op bij de beschrijving der Nederlandsche
    reis van 1596/7: „They are said to haue touched in this Nauigation
    on Greene-land. How-euer that be, they continued no trade nor
    Discouerie thither, till the English diuers yeeres after had made a
    new Discouerie, and found there a profitable Whale-fishing.”
    (Purchas, Pilgrimes. III p. 815.)

De twistende partijen zelve zagen echter in, dat de rechtsquaestie hier
eigenlijk bijzaak was. Handelsnaijver was de oorzaak van den twist:
Engelschen noch Nederlanders wilden hunne visscherij opgeven en het
scheen zeker, dat beide natiën te zamen niet vreedzaam op Spitsbergen
konden verkeeren. De Nederlanders grepen daarom het eenige middel aan om
aan de zaak een einde te maken en deden volgens hunne Instructie drie
voorslagen voor een reglement, dat de verhouding der beide twistende
partijen op Spitsbergen zou regelen. 1^{o} Engelschen en Nederlanders
zouden met een gelijk aantal schepen aan het eiland visschen; de baaien
zouden bij loting verdeeld worden. 2^{o} Beide natiën zouden overal bij
Spitsbergen met even veel en even groote schepen visschen. Een reglement
zou de tusschen hen ontstane oneenigheden moeten beslissen. 3^{o} Men
zou Spitsbergen in twee gelijke deelen verdeelen door eene lijn van Cape
Cold op Prince Charles’ foreland naar het oosten getrokken; over het
bezit van elk dier gedeelten zou voor 8, 10 of 12 jaren tusschen beide
volken geloot worden. Zij, die de grenslijn overschreden, zouden
gestraft worden.

Het liet zich voorzien, dat de Engelschen met deze voorslagen, die de
gelijke rechten van beide natiën stilzwijgend aannamen, geen genoegen
zouden nemen. Zoo men er toe overging, de Nederlanders op Spitsbergen
toe te laten, zoo spraken zij, zou dat immer slechts bij oogluiking en
als gunst kunnen geschieden; men meende zelfs, dat het nieuw ontdekte en
voor de walvischvangst zoo gunstig gelegen Jan Mayen-eiland den
Nederlanders gelegenheid genoeg gaf, om hun bedrijf ongestoord te
oefenen. Tot het verleenen van rechten op de visscherij bij Spitsbergen
aan de Nederlanders wilden de Engelschen niet overgaan; zij meenden, dat
dit een gevaarlijk praecedent zou zijn tegenover andere volken, die het
eiland ook bezochten. Toen de Nederlanders er echter bij bleven, dat zij
er niet aan dachten hun recht op te geven en slechts gekomen waren om
middelen te beramen tot vreedzame oefening van hun bedrijf, werden de
conferentiën afgebroken en men besloot, dat beide partijen zich tot den
koning zouden wenden.

Het resultaat der onderhandelingen met Jakob I zelven was twijfelachtig.
Eene overeenkomst over de rechten op Spitsbergen weigerde Z. M. bepaald
nu te sluiten, maar hij vond goed de onderhandelingen over deze zaak tot
het najaar van 1622 uit te stellen en de Nederlanders onderwijl rustig
op Spitsbergen te laten visschen. Na eenige samensprekingen over den zin
van ’s konings uitspraak werd aan dat uitstel echter de voorwaarde
verbonden, dat binnen drie maanden na dato den Engelschen herstel van
alle direct nadeel gegeven en de overige beweerde schade binnen drie
jaar vergoed zou worden. De quaestie der restitutie van de door de
Engelschen den Nederlanders op last van den koning ontnomen goederen zou
natuurlijk eerst ter sprake kunnen komen, wanneer er over het recht
beslist was. Met dit bescheid keerden de gezanten 9 Augustus 1619 naar
het vaderland terug[802].

    [802] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare Clausum.
    p. 136-165.

De Noordsche Compagnie was met ’s konings beslissing maar weinig
ingenomen. Het was te verwachten, dat de Engelschen de in 1618 ondergane
beleediging niet ongewroken zouden laten en reeds in het voorjaar van
1619 had de Noordsche Compagnie den Staten-Generaal dan ook
voorgehouden, dat de handel op Spitsbergen zou moeten worden opgegeven,
zoo de compagnie niet krachtige hulp tegen de Engelschen verkreeg[803].
Dien zomer was de vijandige gezindheid hunner mededingers den
Nederlanders op Spitsbergen maar al te zeer gebleken[804]; directe
vijandelijkheden waren slechts door hunne overmacht voorkomen.[805] Nu
de koning zijne vergunning aan de compagnie afhankelijk gesteld had van
het vergoeden der schade, was het dus twijfelachtig, hoe de
Nederlandsche schepen op Spitsbergen ontvangen zouden worden: aan
restitutie der geroofde Engelsche goederen toch dacht de compagnie niet.
Zij wendde zich daarom tot de Staten-Generaal met het verzoek haar op de
eene of andere wijze de zekerheid te verschaffen, die zij zoozeer
behoefde[806]. De regeering was met de zaak blijkbaar verlegen; zij
durfde niet door te tasten. Den weg in te slaan, dien de Noordsche
Compagnie zelve had aangewezen, namelijk van Jakob I of zijnen Raad eene
»naerder verclaringe” of een »gebot van Vrede” te verzoeken, dit waagden
de Staten niet: het was zaak de quaestie der restitutie niet op te
rakelen. Maar ook de dan eenig mogelijke zekerheid werd niet aan de
compagnie verleend: slechts éen konvooischip stonden de Staten haar
toe[807]. Gelukkig was de vrees der Nederlanders voor aanvallen van
Engeland ongegrond; de Moscovische Compagnie zelve had in de laatste
jaren zulke groote sommen bij de walvischvangst verloren, dat zij er een
oogenblik zelfs aan dacht het verkeer met Spitsbergen op te geven. De
oude reeders ter walvischvangst verklaarden zich ongezind, hun geld
verder aan zulke wisselvallige kansen te wagen; slechts de wakkere Edge
had den moed met eenige andere leden der compagnie eene nieuwe
uitrusting te beproeven[808]. Uit den aard der zaak waren echter hunne
krachten gering, en hoewel men in Engeland de Nederlandsche ambassade
van 1621 herhaaldelijk lastig viel over het betalen der
schadevergoeding[809], hoewel de Engelsche walvischvaarders zelve luide
klaagden over den last hun door de Nederlandsche concurrenten
aangedaan[810], tot dadelijkheden kwam het voorloopig niet.

    [803] R. S.-G. 23, 28 Mrt., 15 Mei 1619.

    [804] Salmon Jr. schreef 5 Juli 1619 aan Heley (Purchas, Pilgrimes.
    III p. 735): „I doubt not but we shall call the Dutch to account of
    how many tunnes of Oyle they haue made, as they did call vs the last
    Voyage to account: my loue is such vnto them, that I protest I could
    wish with all my heart that we might goe and see them, and to spend
    my best bloud in the righting of our former wrongs.”

    [805] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.

    [806] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in:
    Noordsche togten 2. Admiraliteit. 1618-24. R.-A.--Miss. v. de
    Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, in: Lias loop. 1620,
    en als bijlage achter de N. Z.--R. S.-G. 15, 18 Febr. 1620.--N. Z. 4
    Febr. 1620.

    [807] R. S.-G. 15, 18 Febr., 23, 27 Mrt., 9, 10, 11, 13 April
    1620.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in:
    Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

    [808] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.

    [809] Muller, Mare Clausum. p. 178, 80, 82, 83, 84, 85.

    [810] Brieven v. Catcher, Salmon, Fanne en Goodlard, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 735-37.--De Engelschen meenden, dat God, vertoornd
    over het storten van bloed in 1618, de zeeën om Spitsbergen door de
    walvisschen had doen verlaten. „I doe verily perswade my selfe,”
    schrijft Salmon 6 juli 1621, „that God is much displeased for the
    blood which was lost in this place, and I feare a perpetuall curse
    still to remaine yet.” „Our harbour,” dus verhaalde ook Catcher 29
    Juni 1623, „manie say still, is vnpossible to make a Voyage by
    reason that the Flemmings shed bloud there, which I pray God to take
    that plague from vs.”

Des te meer drong Jakob I er echter op aan, dat de zaak der restitutie
in der minne werd afgehandeld. Was hij slechts met moeite overgehaald
aan de Nederlandsche ambassadeurs van 1621 uitstel te verleenen tot de
maand Juni van dat jaar[811], aan Carleton zond hij weldra den last om
de Staten-Generaal met nadruk te vermanen, aan de gezanten, die op het
einde van 1621 gereed stonden om naar Engeland te vertrekken, volmacht
te geven om deze aanstootelijke zaak voor goed ten einde te brengen. De
gezant volbracht dit bevel met onvermoeiden ijver[812]. De Staten konden
niet weigeren en machtigden hunne ambassadeurs, om de zaak der
restitutie af te doen des noods door middel van arbiters; mocht men hun
van eene regeling voor het vervolg spreken, dan moesten de gezanten
dezelfde voorslagen doen, die in 1619 de Engelschen zoo weinig behaagd
hadden. Zonder uitdrukkelijken nieuwen last der Staten mochten zij
daarvan niet afwijken.

    [811] Muller, Mare Clausum. p. 184.

    [812] R. S.-G. 10 Apr., 18 Mei, 29 Juli, 24 Nov. 1621.--R. H. verg.
    v. 25 Mei-26 Juni (p. 105, 115, 116, 124, 133), 20 Sept. 1621.

Spoedig bemerkten de gezanten (de heeren Van Aerssen, Bas en Tuyll Van
Serooskercke), dat de Groenlandsche zaak den koning na aan het hart lag.
Weinige weken na hunne aankomst werd er reeds van gesproken, en onder de
vele scherpe verwijten, die de oude koning hun bij verschillende
gelegenheden deed, nam deze zaak steeds eene eerste plaats in. Toch
duurde het tot December 1622 eer het tot bepaalde onderhandelingen
hierover kwam; de ambassadeurs hadden gedurig middelen weten te vinden
om de behandeling der quaestie uit te stellen. Ook toen echter werd de
zaak door de Engelschen zeer onhandig aangevat. De rechtsquaestie, die
immers volgens ’s konings uitspraak in het najaar van 1622 weder in
behandeling zou komen, werd geheel ter zijde gelaten en men drong alleen
aan op de teruggave der geroofde goederen. Zoowel de koning als de Raad
hielden vol, dat de ambassadeurs van 1619 de beslissing dier zaak aan Z.
M. hadden overgelaten en dat dus diens uitspraak de Nederlanders
verbonden had om op den bepaalden tijd (drie maanden en drie jaar na
dato), die reeds lang verstreken was, de geëischte som te betalen. De
gezanten ontkenden dit natuurlijk, en den Engelschen was het niet
mogelijk eene akte van submissie te toonen. De strijd over deze
quaestie, waarin Z. M. zelf zich nu en dan mengde, was even heftig als
onvruchtbaar. Het kwam tot ergerlijke tooneelen en de Nederlanders
eindigden met hun afscheid te verzoeken voordat er iets besloten was,
onder belofte hunne volmacht aan Caron te zullen overdragen. De koning
nam daarmede genoegen en de gezanten vertrokken[813].

    [813] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare clausum.
    p. 188-203.

Ondertusschen had reeds het gedrag der Engelschen getoond, dat zij zich
niet spoedig meer zouden laten tevreden stellen. Geprikkeld door hunne
jaarlijksche verliezen, was hun geduld ten einde. Reeds in 1621 was
Jakob I met zijnen zwager van Denemarken overeengekomen voortaan
gezamenlijk alle vreemden uit de IJszee te verdrijven[814]; men besloot
nu dit tractaat ten uitvoer te leggen. De gezanten waarschuwden dan ook
de Staten-Generaal dadelijk na hunne terugkomst herhaaldelijk, dat de
zaak aan koning en volk zeer ter harte ging, en dat er reden was »vol
bedenckens” te zijn[815]. Werkelijk bleek het weldra, dat de koning zijn
recht, al had hij er de Nederlandsche gezanten niet van gesproken, niet
dacht op te geven. Hadden de Nederlanders in het doen der restitutie
toegestemd, misschien had hij hen met rust gelaten; nu was hij op eenen
afdoenden maatregel bedacht om zijn recht te handhaven.

    [814] Zie meer over deze zaak: hierna Hfdst. VII.

    [815] Verbaal der ambassade v. 1621-23 ad 14 Febr. 1623.--R. S.-G.
    14 Febr., 28 Mrt. 1623.--R. H. 22 Mrt. 1623.

Maar de tijd daartoe was reeds lang voorbij. Wel kregen de schepen, die
de Moscovische Compagnie in 1623 naar het noorden zond, in last den
Nederlanders aan te zeggen, dat de hun in 1619 verleende tijd van drie
jaren voorbij was en dat zij dus Spitsbergen moesten ruimen, zoo zij het
plegen van geweld wilden voorkomen. Maar al toonden de bevelhebbers der
Engelsche walvischvaarders zich bereid aan dien last te voldoen, hun
macht was veel te gering om de daarbij gevoegde bedreiging uit te
voeren. De Engelschen maakten dan ook werkelijk een droevig figuur! In
Fairhaven, waar de Nederlandsche commandeur Cornelis Ys zijn
hoofdkwartier had opgeslagen, bevond zich een Engelsch kapitein,
Nathanael Fanne. Ook hem was de koninklijke opdracht bekend en zonder
aarzelen zeilde hij den 23 Juni 1623 de Nederlanders te gemoet, die pas
aangekomen juist begonnen waren met het bouwen van »Houses and
Tabernacles to inhabit.” Hij verklaarde aan Ys, dat de koning, daar de
tijd van het aan de Nederlanders verleende verlof verstreken was, de
Moscovische Compagnie onder het groote zegel van Engeland gemachtigd had
om alle Nederlandsche schepen te verdrijven, en dat hij, zoo de
Nederlanders niet aan zijn vriendelijk verzoek gehoor gaven, geweld zou
moeten gebruiken. Ys bleef onder deze bedreiging van éen schip tegen
vijf zeer kalm: hij antwoordde bedaard, dat hij niets van dit alles
gehoord had en verzocht de commissie van Fanne te zien. Toen de
Engelschman die niet toonen kon, verklaarde hij kortaf dat hij commissie
had van den prins van Oranje om op deze kusten te visschen en zich
verder niet met de Engelschen wilde inlaten. En daarbij bleef het![816]
Op andere plaatsen waren de Engelschen niet gelukkiger. De commandeur
Goodlard schreef zelfs den 8 Juli uit Bell-sound aan zijnen
onderbevelhebber, den bekenden Heley, dat hij voor zich het niet
raadzaam achtte, de Nederlanders te verdrijven, al hinderden zij de
Engelschen nog zoozeer. Hij voorzag, dat de Engelschen de macht niet
zouden hebben om geweld te gebruiken, en hij zag duidelijk in, dat de
Nederlanders, vertrouwende op hunne commissie, ook al gelukte het hen
uit de noordelijke baaien te verdrijven, dadelijk in de zuidelijke hun
geluk zouden beproeven, zonder dat de Engelschen daardoor iets
wonnen[817]. Het eenige gevolg van de mislukte pogingen der Engelschen
schijnt geweest te zijn, dat de Nederlanders hen uitlachten en misschien
meer dan gewoonlijk in den weg traden; althans de Moscovische Compagnie
klaagde in het najaar, dat de Nederlandsche »Coopluyden dit Jaer
haerluyden groote oultragie hadden gedaen, ende dat zy aldaer al wilden
regeren, en haerluyden buyten sluyten, waert mogelyck.”[818]

    [816] Brief van Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 736.

    [817] Brief van Goodlard aan Heley dd. 8 Juli 1623, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 737.

    [818] R. S.-G. 17 Oct. 1628.

Niet beter verging het den Engelschen het volgende jaar. Men had met
grootere uitrusting gedreigd[819] en werkelijk koesterde de Moscovische
Compagnie weder het voornemen den Nederlanders het visschen te beletten.
Het geluk scheen hen te begunstigen. Vijf Engelsche schepen vonden, op
Spitsbergen aankomende, daar nog slechts twee Zeeuwsche, die met een
konvooischip, kapitein Willem Tas van Haarlem, de Nederlandsche vloot
vooruitgezeild waren. Dadelijk voeren de Engelschen op de schepen toe en
wilden ze kort en goed vermeesteren. Zij hadden gerekend eene
gemakkelijke prooi te zullen hebben, maar Tas daarbij komende en van het
plan der Engelschen hoorende »vergramdede hem seer.” Hij noemde het »een
actie tegens recht en reden,” dat men eene vrije natie in haren handel
met geweld wilde verhinderen. De Engelschen bleven hem niets schuldig en
weldra kreeg men hooge woorden, want »al is ’t dat een Hollander van
naturen sachtsinnigh is, nochtans te veel geterght zijnde, toont hy
vrymoedigen en resoluten natuur geen jock te konnen verdraghen.”
Eindelijk daagde Tas de twee Engelsche schepen, die zich het meest op
den voorgrond gesteld hadden, tot het gevecht uit. Maar de Engelschen
»dese couragie en bravade siende” voelden zich niet tegen Tas
opgewassen; zij »lieten haer trots gemoet sincken, en verexcuseerden met
vleyende woorden haren voorslagh, met eenige andere redenen van andere
schijn bekleedende.” Tas nam daarmede genoegen, maar dreigde, zoo men
weder plan maakte de Nederlanders te verjagen, dat men zien zou met wie
men te doen had. De kloeke houding van den kapitein redde de twee
schepen van den ondergang, want spoedig daarop kwamen er meer
Nederlandsche walvischvaarders en weldra waren er niet minder dan
twintig bijeen. De Engelschen waagden nu natuurlijk geenen aanval, en de
visscherij werd »in goede Ordre voleyndight.” De Nederlanders hadden
eene overvloedige vangst en kwamen allen behouden in het vaderland
terug[820].

    [819] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

    [820] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.

Ondertusschen had men in Engeland hevig over de houding der Nederlanders
op Spitsbergen geklaagd. Herhaaldelijk waren er klachten bij Caron
ingekomen, en dikwijls schreef deze te vergeefs om volmacht en naderen
last. De handelwijze der Engelschen op Spitsbergen in 1623 bewees, dat
men over dit uitstel ontevreden was. Toch was men op herhaald aandringen
van Caron eerst op het einde van 1623 na lange overwegingen tot het
besluit gekomen, hem te machtigen tot de verklaring, dat het den Staten
na grondig onderzoek gebleken was, dat de ambassadeurs van 1619 wel is
waar gedurig op ~wederzijdsche~ restitutie der geroofde goederen hadden
aangedrongen, maar dat ’s konings uitspraak hierover evenmin ooit door
hen was aangenomen als zij de zaak aan Z. M.’s beslissing hadden
onderworpen[821].

    [821] R. S.-G. 7 Apr., 6 Mei, 17 Oct., 16 Nov., 14 Dec. 1623.--Miss.
    der Stn.-Gen. aan Caron, in: Loketk. der Stn.-Gen. Engeland. N^{o}.
    43.

Gelukkig behoefde Caron deze besliste afwijzing der Engelsche beweringen
niet aan den koning mede te deelen. De Moscovische Compagnie, de gedurig
uitstellende antwoorden van den gezant, die steeds op instructie
wachtte, moede, en den ongelukkigen uitslag harer eigene pogingen op
Spitsbergen ziende, wendde zich liever tot de Nederlandsche ambassade,
die in 1624 te Londen aankwam, om herstel harer schade. Eene belangrijke
schrede deed de behandeling der zaak bij deze gelegenheid voorwaarts. De
Engelschen zagen in, dat hunne pretensiën van uitsluitend recht bij de
geheel veranderde verhouding van de krachten der beide natiën in het
noorden onhoudbaar waren[822]. Zij boden dus nu zelven aan, wanneer de
schade vergoed was, met de Nederlanders in overleg te treden over het
maken van een reglement, waarbij zij zich bereid toonden den
Nederlanders verschillende baaien af te staan, om ongehinderd in te
visschen. Ongelukkig hadden de Staten-Generaal den ambassadeurs geen
last over deze zaak gegeven; het was hun belang de zaak als eene
particuliere quaestie door hun gewonen gezant te zien afhandelen. De
ambassadeurs moesten dus, niettegenstaande het herhaalde aandringen der
Moscovische Compagnie en de hevige woorden van den koning, er bij
blijven, dat Caron de quaestie zou bespreken[823].

    [822] Zelfs de combinatie met Denemarken sinds 1621 tot het
    gemeenschappelijk verdrijven van alle vreemdelingen van Spitsbergen
    (Lindeman, Arktische Fischerei. p. 10) had niets gebaat.

    [823] Muller, Mare Clausum. p. 211, 12.

Toen het gezantschap echter bij zijn rapport aan de Staten-Generaal op
beslissing der zaak aandrong, toonden dezen zich geneigd van de
gelegenheid gebruik te maken om de rechten, die hun nu voor eenige
duizenden guldens als te koop werden geboden, te verkrijgen[824]. Wel
was het niet twijfelachtig, dat de Nederlanders door hunne toenemende
machtsontwikkeling op Spitsbergen de overhand zouden behouden; maar door
de afdoening der rechtsquaestie in der minne, waarop nu alle hoop
scheen, zou den prikkelbaren Jakob I een gedurige reden tot klagen
ontnomen worden. Juist was men met dien vorst in een nieuw verbond tegen
Spanje getreden; het was dus zaak hem in kleinigheden als deze te wille
te zijn en den vijanden der republiek alle gelegenheid om kwaad te
stoken te ontnemen. Nog meer: het onbesliste der quaestie stelde de
Nederlandsche walvischvaarders voortdurend aan onverwachte aanvallen
bloot en noodzaakte hen dus, zich jaarlijks met groote kosten tot den
strijd toe te rusten. Wat alles afdeed, de koning vaardigde weldra
represaille-brieven uit, wier intrekking men alleen door het betalen der
geëischte schadevergoeding meende te kunnen verkrijgen[825]. Ernstige
beraadslagingen hadden dan ook in Den Haag plaats. De Noordsche
Compagnie was echter volstrekt niet gesteld op het oprakelen der oude
geschillen; de spoedige afdoening der zaak werd ook door twisten
tusschen de kamers onderling verhinderd. Om deze goed te begrijpen
moeten wij eenige schreden teruggaan.

    [824] R. S.-G. 6 Juli 1624.--Ook werd van Engelsche zijde op spoed
    nader aangedrongen. Zie o. a. R. S.-G. 13 Mrt. 1625.

    [825] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.

Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie
jaarlijks een of meer konvooischepen medegaven ter harer bescherming
tegen de aanvallen der Engelschen op Spitsbergen. Sinds 1616 had de
exploitatie van Jan Mayen-eiland eene verdeeling der uitrusting noodig
gemaakt, maar daar men aan dat weinig bekende eiland geene belangrijke
mededinging te vreezen had, had de regeering gemeend het konvooi
voornamelijk voor die schepen te moeten bestemmen, die door de
noodzakelijkheid gedwongen werden zich naar Spitsbergen te begeven.
Desniettegenstaande had de Amsterdamsche kamer in 1616[826] en 1617 het
geheele konvooi bij hare schepen aan Jan Mayen-eiland gehouden, in 1618
had zij met een der beide oorlogschepen evenzoo gehandeld. Had deze
hoogst willekeurige handelwijze in 1616 ook geene kwade gevolgen, wij
zagen reeds dat in 1617 het berooven van een Zeeuwsch schip en het ledig
huiswaarts keeren der beide andere daardoor veroorzaakt werd, en dat in
1618 niet alleen de beide schepen van de kamers van het Noorderkwartier
in Bellsound geen weerstand konden bieden aan de aanvallen der
Engelschen, maar ook het gevecht in Sir Thomas Smiths-bay een indirect
gevolg was van het misdadige egoïsme der Amsterdammers[827].

    [826] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Edge, Dutch disturbance, in:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 467.

    [827] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. d. H. R. v.
    Holl. tusschen de kamers N. C. Noorderkw. en Amst. dd. 31 Mrt.
    1635.--Brief v. Beversham aan Heley dd. 12 Juli 1618, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 734.--R. S.-G. 4 Nov. 1622.--N. Z. 13 Apr.
    1617.--Zie meer hierover: hiervóor p. 209-18.

Het laat zich denken, dat de benadeelde vereenigingen dit alles niet
rustig aangezien hadden. Reeds 9 November 1617 hadden de Zeeuwen aan de
Staten-Generaal overgelegd eenige verklaringen van de in de quaestie
van dien zomer betrokkene personen, die allen met blijkbaren wrevel
getuigden, dat alleen de afwezigheid der Hollanders schuld aan hun
ongeluk was. De bepalingen der Staten-Generaal over de bestemming van
het konvooi schijnen echter ditmaal niet zoo bepaald geweest te zijn,
dat daarop een eisch gegrond kon worden, maar de Zeeuwen beriepen zich
op eene bepaling in hun contract met de Hollanders, waarbij de
verschillende kamers zich verplicht hadden om alle schade aan een van
haar door vreemden veroorzaakt naar evenredigheid harer uitrusting voor
dat jaar te helpen vergoeden. Volgens deze onderlinge assurantie moest
de schade der Zeeuwen dus over de vijf Hollandsche kamers mede
omgeslagen worden en Amsterdam bleef natuurlijk voor het grootste
gedeelte aansprakelijk[828]. Hoewel echter de Staten-Generaal op verzoek
der Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de Hollanders hunne
verplichting voorhielden, toonden dezen zich onwillig de
schadevergoeding uit te keeren. Eene commissie werd benoemd om de
twistenden te vereenigen, maar ook dit baatte niet[829]. Wij zagen
reeds, dat de Zeeuwen bij hunne pogingen om in Engeland vergoeding
hunner schade te krijgen niet gelukkiger waren[830]. En weldra
verhinderde het aandeel, door de beroofden zelven aan den aanval op de
Engelschen in 1618 genomen, de verdere behandeling dezer zaak. De
reeders trokken zich uit dit bedrijf terug[831] en staakten hunne
klachten, tevreden zoo de Engelschen van hunne zijde hen niet om
vergoeding aanspraken[832].

    [828] Req. der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel.
    (rec. 26 Sept. 1617) met bijlagen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
    C. R.-A.--R. S.-G. 9 Nov. 1617.

    [829] R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.--Op het ten gevolge dezer
    onderhandelingen eindelijk den 2 Maart 1618 gesloten contract
    maakten de Amsterdammers reeds den eersten zomer inbreuk. (Zie
    hieronder.)

    [830] Zie hiervóor p. 213, 14.

    [831] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [832] R. S.-G. 5, 9 Nov. 1618, 6, 22, 29 Apr., 1 Mei 1619.--Miss.
    der Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Rdn. v. Zeel. dd. 29 Apr. 1619, in:
    Lias loop. 1619.--Miss. der Zeeuwsche Gedeput. aan de Stn. v. Zeel.
    dd. 27 April 1622, in: Archief Zeeland.

De benadeelde kamers van het Noorderkwartier handelden verstandiger. In
Engeland, dat begrepen zij, was voor hen geene vergoeding te krijgen.
Maar er stond hun een andere weg open: de kamer van Amsterdam was door
het terughouden van het konvooischip oorzaak geweest, dat zij al de
verwachte winst der reis verloren hadden, de Amsterdammers behoorden hun
dit dus natuurlijk te vergoeden. Die van het Noorderkwartier beriepen
zich op de bepalingen van een contract, dat na de herhaalde klachten
der beroofde Vlissingsche reeders door de verschillende kamers den 2
Maart 1618[833] over de toen aanstaande reis gesloten was, en waarbij
men niet alleen uitdrukkelijk overeengekomen was, dat het grootste
oorlogschip in Bell-sound zou zijn, maar waarbij de kamers ook een
bepaald verbond gesloten hadden om elkander tegen de Engelschen te
verdedigen. Toen de Amsterdammers weigerden de geëischte som te betalen,
wilden de kamers van Hoorn en Enkhuizen zich tot de Staten-Generaal
wenden, maar de Amsterdammers voorkwamen de klachten hunner wederpartij
en verkregen na lang uitstel van het Hof van Holland een vonnis, waarbij
aan de twee klagende kamers bevolen werd, hunne actie binnen zes weken
voor het Hof in te stellen »op peijne van een eeuwich swijgen ende
silentium.” (29 Maart 1624.) Een beroep op den Hoogen Raad was door die
van het Noorderkwartier juist aanhangig gemaakt, toen de bemoeiingen der
Staten-Generaal om den Engelschen schadevergoeding te bezorgen den loop
der zaak kwamen storen[834].

    [833] R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.--Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31
    Mrt. 1635.

    [834] Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.--R. S.-G. 21 Mrt.
    1625.

Alle aandacht van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie werd nu aan
de beslissing dezer quaestie gewijd. Den Staten-Generaal was het ditmaal
ernst met de zaak; de Engelschen zelven drongen weder herhaaldelijk op
spoed aan[835]. Nu de twee regeeringen het op dit punt dus eens waren,
scheen de compagnie te zullen moeten buigen en al hare krachten moesten
dus worden ingespannen om eene oplossing der zaak, zooals de
Staten-Generaal die bedoelden, te beletten. Want de Noordsche Compagnie
had vele bezwaren tegen eene schikking met de Engelschen! De Zeeuwsche
compagniën, die de Engelschen in 1617 benadeeld hadden, waren sinds lang
ontbonden[836]. Andere kooplieden hadden nieuwe vereenigingen opgericht,
maar de oude aandeelhouders waren nog steeds ongeneigd om van hunne
schade te reppen, nu hun eigen aanval op de Engelschen in 1618 hen met
eene waarschijnlijk hoogst nadeelige compensatie dreigde. Evenzoo was
het met die van het Noorderkwartier gesteld. De Amsterdamsche kamer
stond buiten deze beide quaestiën en wilde er zich dan ook geheel buiten
houden; juist daarom was ook zij onwillig om de rekeningen harer schade
van 1613 nu over te leggen. Het nog steeds hangende proces met de kamers
van het Noorderkwartier gaf toch dezen eene gereede aanleiding om de
Amsterdammers in de quaestie van 1618 te betrekken of om ten minste de
door dezen van de Engelschen te ontvangen gelden te compenseeren met de
in het proces geëischte wegens het wegzenden van het konvooischip. Ook
de Zeeuwen dreigden Amsterdam bij vermenging der rekeningen met
compensatie der van de Engelschen te ontvangen schadevergoeding voor het
gebeurde in 1613 met de pretensie, die zij sinds 1617 nog op hunne
Amsterdamsche broeders hadden.

    [835] R. S.-G. 16 Aug., 3 Oct., 23 Nov., 7, 9 Dec. 1624, 13 Mrt.
    1625.--Secr. R. S.-G. 17 Dec. 1624.

    [836] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Alle betrokkene kamers, Amsterdam, Vlissingen, het Noorderkwartier, ook
Delft en Veere, die veel te betalen en niets te ontvangen hadden, waren
dus weigerachtig om het geschil met de Engelschen in redelijkheid te
helpen eindigen. Men kwam dan ook niet veel verder. De bewindhebbers van
de verschillende kamers der Noordsche Compagnie werden door de
Staten-Generaal eindelijk tegen 5 Augustus 1624 naar Den Haag
beschreven. Amsterdam verscheen niet, maar aan de overigen deed eene
commissie uit naam der Staten-Generaal den voorslag om iemand te zenden
aan Caron, die sinds 1623 commissie had tot afhandeling der quaestie,
ten einde hem over den stand der zaken uitvoerig in te lichten. De
Zeeuwen, zich beroepende op hunne armoede, die hen belette door de
overname der Amsterdamsche pretensiën eene voordeelige compensatie met
de Engelschen te treffen, stonden op hun recht om zich alleen voor
Nederlandsche rechters te rechtvaardigen; wilde men iemand naar Engeland
zenden, dan moest dat zijn ten koste van het land[837]. Nieuwe
conferentiën brachten de zaak niet verder: de Amsterdammers wilden de
bewijzen hunner schade niet overdoen dan op onmogelijke voorwaarden en
de Zeeuwen bleven bij hunne eischen. De Staten-Generaal van hunne zijde
stonden er op, dat het land »buyten costen soude werden gehouden,” en
gaven dit punt niet dan na langdurige aarzeling toe[838].

    [837] R. S.-G. 6, 16, 25, 31 Juli, 22 Aug. 1624.--Req. der Zeeuwsche
    N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2
    Admiraliteit. R.-A.

    [838] R. S.-G. 3, 12, 18, 21, 23 Sept., 3, 11 Oct., 9 Dec.
    1624.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept.
    1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Ondertusschen kwam Caron te sterven en men besloot zijnen opvolger
Joachimi last te geven om de zaak nu definitief af te doen[839]. Eene
nieuwe commissie, nu door de Staten-Generaal benoemd, bracht de
weerspannige kamers na verscheidene conferentiën eindelijk tot een
vergelijk. De Amsterdammers beloofden hunne schaderekeningen van 1613 te
zullen overleveren, mits de Staten-Generaal zelven hun de som gelds
uitbetaalden, waarmede de Zeeuwsche kamers daardoor bij de compensatie
met de Engelschen bevoordeeld waren; de Staten-Generaal stonden er voor
in, dat de Amsterdammers niet zouden betrokken worden in de quaestie
met Engeland over de schade van 1618, en het proces van Hoorn en
Enkhuizen tegen Amsterdam werd daartoe tot na de afdoening der Engelsche
geschillen geschorst[840]. De Zeeuwen verklaarden nog uitdrukkelijk, dat
zij, hoe de zaak ook loopen mocht, na de compensatie der
schaderekeningen van 1617 en 1618 in geen geval wilden toebetalen[841],
maar zij zonden toch de bewijsstukken hunner pretensie over[842]. De
Amsterdammers volgden dit voorbeeld weldra[843] en de Staten-Generaal
gaven nu aan Joachimi speciale commissie om de zaak in Engeland af te
handelen[844].

    [839] Secr. R. S.-G. 1 Jan. 1625.--R. S.-G. 16 Jan. 1625.

    [840] R. S.-G. 20 Jan., 17, 25 Febr., 21 Mrt. 1625.--Daar het niet
    tot die afdoening kwam, wachtten de kamers van het Noorderkwartier
    geruimen tijd eer zij hunne actie tot schadevergoeding tegen de
    Amsterdammers weder instelden. Eindelijk werden zij op hun verzoek
    16 Maart 1630 door de Stn.-Gen. bevrijd van de gevolgen, uit de
    schorsing van het proces voortvloeiende, en niettegenstaande de
    tegenspraak der Amsterdammers werden zij 31 Maart 1635 door den H.
    R. bevoegd verklaard tot het vervolgen der actie. (Sent. v. d. H. R.
    v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.) Die van Amsterdam schijnen toen hunne
    veroordeeling niet afgewacht en de zaak geschikt te hebben, ten
    minste het blijkt niet, dat zij vervolgd is.

    [841] R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.

    [842] R. S.-G. 9 Apr. 1625.

    [843] R. S.-G. 9 Mei 1625.

    [844] R. S.-G. 10 Apr., 10 Mei 1625.

Kort daarop vertrok de ambassadeur in gezelschap van het Nederlandsche
gezantschap, dat juist toen naar Engeland afreisde, naar Londen. De
Staten hadden hem last gegeven, in aansluiting aan den voorslag door de
Moscovische Compagnie aan de ambassade van 1624 gedaan, een reglement
met haar te beramen op den voet als de gezanten van 1619 hadden
voorgeslagen. Des noods moest Joachimi met den koning zelven over de
zaak spreken, de redenen door de Noordsche Compagnie tot hare
verdediging aangevoerd voorstellen, en wijzen op het feit, dat de
oneenigheden op Spitsbergen steeds waren uitgegaan van de Engelschen,
terwijl de Staten-Generaal alles hadden gedaan om twist te voorkomen.
Ook aan de quaestie der restitutie wilden de Staten gaarne een einde
zien. Zij machtigden Joachimi de zaak des noods door arbiters te laten
afdoen, maar daarbij bleven zij er op staan dat hun recht niet werd
prijsgegeven. Over het bedrag der restitutie wilden zij veel toegeven:
de Staten zouden er in berusten, zoo de arbiters beslisten, dat de
Nederlanders den Engelschen nog moesten toebetalen, maar zij drongen er
ernstig op aan, dat in ieder geval de aan de Noordsche Compagnie in 1613
en 1617 toegebrachte schade, die volgens hen veel meer bedroeg dan de
Engelsche schade van 1618, tegen deze in rekening gebracht zou worden.
Op het principe kwam het hun aan; was de taxatie der schade wat
partijdig, welnu, de Staten waren bereid eenige duizenden te betalen om
hun recht erkend te zien[845].

    [845] Muller, Mare Clausum. p. 215, 16.

Het liet zich aanzien, dat door de uitvoering dezer verstandige en
liberale volmacht de geschillen nu tot eene bevredigende oplossing
zouden komen. Verschillende redenen werkten echter samen, om de zaak een
voor Nederland nog voordeeliger einde te doen nemen. Jakob I, die
jarenlang met deze quaestie geplaagd was geweest, was onlangs gestorven;
zijn opvolger Karel I zal wel niet dezelfde belangstelling getoond
hebben in eene zaak, waarin het beweerde recht der Engelschen niet
gehandhaafd scheen te kunnen worden, terwijl het belang daarvan voor de
steeds achteruitgaande Engelsche walvischvangst gering was; eene
quaestie, waarbij het dus alleen op de betaling van eenige weinige
duizenden aan sommigen zijner onderdanen aankwam. Ook kon het den jongen
koning, die zijne regeering begon met krachtig optreden tegen Spanje en
een nauw verbond met de Staten-Generaal, niet verstandig schijnen, nu om
zulk een nietig geschil de goede verstandhouding met zijne bondgenooten
te verbreken.

Onder deze omstandigheden was het misschien ook in Engeland een welkom
bericht, dat de twistende partijen zich zelve geholpen hadden. De
jaarlijksche twisten moede, gedurig gehinderd door de Nederlandsche
walvischvaarders, die met groote overmacht naast de Engelschen vischten
en hun daardoor groot nadeel toebrachten, was het aan de Moscovische
Compagnie, die er aan wanhoopte hare schade vergoed te krijgen,
verstandig voorgekomen, aan de Nederlanders eenige baaien op Spitsbergen
voor hunne vrije visscherij over te laten, nu zij daardoor van hare
zijde de vrije beschikking over de overige kon verkrijgen. Reeds in 1625
was dan ook de sterke uitrusting, die de Noordsche Compagnie uit vrees
dat de Engelschen »haer onrechtvaerdighe Actie begheerden te
sustineeren” gedaan had[846], nutteloos gebleken; de reis liep vreedzaam
af en weldra berustten de Engelschen, ook zonder dat hunne schade
vergoed werd, voor goed in de reeds door het gebruik gemaakte verdeeling
der baaien[847]. De Nederlanders vergenoegden zich met den
noordwestelijken hoek van Spitsbergen, waar zij nieuwe vischrijke baaien
ontdekt hadden; de Engelschen behielden daarentegen het geheele
zuidelijke gedeelte der westkust, waar van ouds de walvischvangst
gedreven werd, voor zich. Deze schikking werd in 1627 door de Engelsche
regeering stilzwijgend erkend[848], en daarmede was de hoofdzaak nu voor
goed geregeld.

    [846] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

    [847] In den zomer van 1625 of in 1626 zou het door Zorgdrager
    (Groenl. vissch. p. 194, 211) vermelde contract van verdeeling
    moeten gesloten zijn; ik zeide echter reeds (hiervóor p. 139-41),
    dat ik aan het bestaan daarvan niet geloof.

    [848] Muller, Mare Clausum. p. 223.

Een enkele maal schenen de Engelschen zich nog voor de restitutie der
schade van hunne landgenooten te willen interesseeren; een paar maal
werd er eene poging gedaan om daarover op nieuw door gezanten te
onderhandelen[849], maar de Nederlanders bleven steeds bij hunne
weigering en de tegenpartij moest zich telkens met eene verwijzing naar
den last van Joachimi tevreden stellen. Ook in latere jaren, toen de
Engelsche souvereiniteit ter zee een onderwerp van ernstige geschillen
met de republiek der Zeven Provinciën werd, gaf Karel I eenmaal te
kennen, dat hij deze zaak niet vergeten had[850]. Bij het begin van den
Engelschen burgeroorlog sprak men zelfs in het parlement nog over de
lang-begraven quaestie, maar de Staten volhardden bij hun systeem: zij
bleven er bij, de zaak alleen als eene particuliere quaestie te willen
beschouwen en wezen diplomatieke onderhandelingen daarover van de
hand[851]. Een eenigszins ernstig karakter nam de zaak echter nooit meer
aan; het gelukte den Nederlanders steeds het verder »ophalen van dese
oude saecken” te beletten, en naarmate de walvischvangst der Engelschen
aan Spitsbergen langzamerhand geheel onbeduidend werd, nam de
Nederlandsche daar in macht toe. Het was den Staten gelukt te bewerken,
dat werkelijk van uitstel afstel kwam; hunne onderdanen hadden daartoe
krachtig medegewerkt en weldra waren de Engelschen, de voorgangers der
Nederlanders, evenals in Oost-Indië uit de door hen met zooveel moeite
ontdekte zeeën verdreven.

    [849] Bij gelegenheid der ambassaden van Buckingham in Den Haag en
    van Cats te Londen. (Muller, Mare Clausum. p. 222, 23.)

    [850] Muller, Mare Clausum. p. 266 Noot 1.

    [851] R. S.-G. 7, 10, 20 Dec. 1641.



HOOFDSTUK VII.

DEENSCHE PRETENSIËN.


Het waren niet alleen de Engelschen, met wie de Noordsche Compagnie te
strijden had om hare plaats in de IJszee te behouden. Reeds het jaar na
hare oprichting trad eene andere natie met nieuwe aanspraken op het door
Nederlanders ontdekte Spitsbergen te voorschijn.

De lezer zal zich herinneren, dat Barendsz. zelf, en op zijn voetspoor
de meerderheid der geographen, gedurende vele jaren Spitsbergen voor een
deel van Groenland hield, eene dwaling, die eerst langen tijd nadat de
walvischvangst meer en meer bezoekers naar de IJszee had gelokt
overtuigend weerlegd schijnt te zijn[852]. Uit deze vrij algemeen
aangenomen meening leidde eerlang de koning van Denemarken zijn recht af
om zich zelven als heer van Spitsbergen te beschouwen en andere natiën
van daar te weren. Groenland, dus redeneerde hij waarschijnlijk,
behoorde van ouds aan de kroon van Noorwegen; elk deel van Groenland was
dus het eigendom van Denemarken, dat sinds lang met Noorwegen vereenigd
was[853]. Het is geheel onnoodig de ongegrondheid van deze aanmatiging
te bewijzen. Ieder springt het in het oog, dat ook al ware het toen
alleen ontdekte westelijke gedeelte van Spitsbergen een deel van
Groenlands oostkust geweest, het enkele feit, dat twee landstreken,
waarvan de eene aan Denemarken behoorde, niet door de zee van elkander
gescheiden waren, den koning geen recht hoegenaamd kon geven op eene
kust, die nooit bekend was geweest, voordat de Nederlanders ze in 1596
ontdekten,--eene kust, die na dien tijd door Denen niet bezocht veel
min in bezit genomen was[854].

    [852] Zie hiervóor p. 204 Noot 1{[751]}.--Vgl. o. a. V. d. Brugge,
    Journaal van Seven Matroosen. p. 4. („Spitsbergen is... ten aensien
    des Ontdeckers van ’t Landt met den naem van Groenlandt; maer van
    wegen de spitsheyt des geberghten... Spitsberghen, en (bij) eenighe
    soo ’t schijnt het Nieuwelandt genoemt.”) Zie ook: Van Meteren,
    Comment. fol. CLIII.

    [853] Zie o. a Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 8.

    [854] Vander Brugge verhaalt (Journael der Seven Matroosen. p. 4),
    dat de Denen ook op Jan Mayen-eiland „door pretensie van aenpalingh”
    (aan Groenland) aanspraak maakten en daar met de Nederlanders
    vischten. Van elders is mij niets hiervan, evenmin als van de daar
    vermelde Engelsche, Fransche en Biscaaische walvischvangst aan het
    eiland, gebleken. Het vermoeden van eene walvischvangst door
    Engelschen wordt echter bevestigd door den naam „Engelsche Baay.”
    (Krt. v. Jan Mayen-eiland bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 100.)

Het was dus op gelijksoortige gronden, dat Engeland en Denemarken aan
vreemde natiën het bevaren van Spitsbergen verboden. Een ander punt van
overeenkomst is de houding van de vorsten der beide landen tegenover de
Europeesche politiek. Beide koningen waren door de banden des bloeds en
der godsdienst evenzeer als door neiging nauw verbonden. Beiden namen in
den godsdienststrijd, die de eerste helft der zeventiende eeuw
verontrustte, eene geheel gelijke plaats in. Weifelend als hunne houding
van het begin tot het einde was, kon zelfs het krachtig optreden van
beiden als kampvechters voor de protestantsche belangen,--eene
inspanning, waartoe beiden slechts eenmaal gedurende hunne geheele
regeering in staat waren,--hen niet bevrijden van de voortdurende
verdenking, dat zij Spaansche sympathiën koesterden en dat zij slechts
in de katholieke mogendheden hunne ware vrienden zagen. Deze
veranderlijke houding aan de eene zijde, dat wantrouwen aan de andere,
oefenden natuurlijk op de betrekkingen van beiden met eene zuiver
protestantsche mogendheid als Nederland een machtigen invloed. Met de
gedurige wisseling der politieke gezindheid veranderden ook de
onderhandelingen over andere zaken dikwijls van karakter.

Men zou lichtelijk meenen, dat dan ook de betrekkingen van Nederland tot
Engeland en Denemarken gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw
van volkomen denzelfden aard waren. Toch was dit volstrekt niet het
geval. Terwijl tusschen Engelschen en Nederlanders de rivaliteit op
commerciëel gebied gedurig tot hoogloopende onaangenaamheden aanleiding
gaf,--onaangenaamheden, die gelijkheid van belangen toch steeds weder
tot diplomatieke geschillen beperkte,--droegen de betrekkingen van
Nederland en Denemarken eene minder bepaalde kleur. Ook Denemarken had
zijnen mededinger, maar Zweden, niet Nederland was de mogendheid, die de
afgunst der Denen gold. Bij veel overeenkomst in de zuiver politieke
betrekkingen is er dan ook in de onderhandelingen, die den handel
betreffen, een groot verschil tusschen Jakob I en Christiaan IV in de
houding door hen tegenover Nederland aangenomen. Bij beiden bestond een
machtige drijfveer, die de commerciëele betrekkingen steeds tot
hetzelfde doel leidde; maar terwijl Jakob I bij al zijne vertoogen op
den bloei van den Engelschen handel het oog moest hebben, bezielde
slechts de zucht om zooveel mogelijk voordeel van de vreemde natiën te
trekken den koning van Denemarken, wanneer hij met hen in aanraking
kwam. De twisten over de tollen in den Sond en te Glückstadt zijn daar
om van het streven van den inhaligen Noordschen vorst te getuigen. Het
is natuurlijk, dat ook de geschillen over de vaart op Spitsbergen
datzelfde karakter vertoonen. Aan dit doel werden gedurende twintig
jaren de krachten der Deensche diplomatie dienstbaar gemaakt; hevige
vertoogen, gewelddadige handelingen, commerciëele knoeierijen, list noch
geweld werd gespaard om te bewerken, dat de Europeesche natiën zich
cijnsbaar aan Denemarken erkenden. Toen eindelijk de eischen der
schatkist door ruimere inzichten werden tot zwijgen gebracht, en ook de
belangen der Deensche onderdanen gewicht in de schaal begonnen te
leggen, was de Nederlandsche handel in het noorden aan de voogdij van
Denemarken geheel ontwassen en de aangematigde souvereiniteitsrechten
moesten wel ter zijde gesteld worden. Zoo behielden ook hier de
Nederlanders het veld: ook tegenover Denemarken bleven de
Staten-Generaal standvastig in hunne ontkenning der uitsluitende rechten
van anderen. In het bewustzijn hunner macht handhaafden zij hun
standpunt, en terwijl zij niet schroomden handelend op te treden, waar
zij hunne rechten geschonden oordeelden, versmaadden zij ook de hulp der
diplomatie niet, waar zij meenden, dat die hun goede diensten kon
bewijzen. Slechts éen vlek ontsiert hunne overigens even waardige als
verstandige houding: de vrijzinnige politiek, over het geheel tegenover
Engeland gevolgd, kenmerkte hier hunne daden niet. Hadden zij de
vrijheid der zee bijna altijd tegen Jakob I verdedigd; tegenover
Denemarken, de minder machtige staat, was hun gedragslijn in theorie
niet minder onvrijzinnig dan die van Christiaan IV zelven. Slechts de
eischen der praktijk en van eene verstandige politiek verzachtten hunne
onrechtmatige beweringen. Het resultaat, door de wrijving van beide
machten verkregen, was echter zeer bevredigend: de beide volken
verkeerden eindelijk volkomen vrij naast elkander aan Spitsbergen.--Laat
ons nu de handelingen van beide regeeringen en volken wat meer van nabij
beschouwen.

       *       *       *       *       *

In het begin van Juli 1615 werden de op Spitsbergen aanwezige
walvischvaarders verrast door de aankomst van drie Deensche
oorlogschepen. Ook ditmaal waren het onderdanen van koning Jakob I, die
den vreemdelingen den weg naar het nooit bezochte eiland hadden
gewezen. Kapitein op een der schepen was de Schot Sir John
Cunningham[855], stuurman was James Vadun[856], beiden beproefde
reizigers in de IJszee. De Deensche admiraal liet het anker vallen in
Crossroad en, zeer voorzichtig in eene zaak van zooveel belang, poogde
hij den Engelschen kapitein Fotherby, die daar weldra aankwam, over te
halen om met hem mede te varen als getuige van wat er tusschen hem en de
Engelsche bevelhebbers zou voorvallen. Fotherby had daartoe echter geen
tijd, en geweld schijnen de Denen toch niet te hebben durven
gebruiken[857]. Zij besloten alleen Sir Thomas Smiths-bay in te zeilen
en vonden daar Thomas Edge met zijn schip. Men eischte van hem betaling
van eene recognitie onder beroep op het recht, dat de koning van
Denemarken op Spitsbergen had. Edge weigerde bepaald en beweerde van
zijne zijde, dat Spitsbergen aan zijnen vorst behoorde[858]. De Denen
schijnen zich daarop tot de Nederlanders gewend te hebben, ten minste
ook dezen werden met dergelijke eischen lastig gevallen. Bij de groote
macht, die de Noordsche Compagnie echter juist dit jaar op Spitsbergen
had (elf schepen en drie groote oorlogschepen tot konvooi), is het niet
te verwonderen, dat de Denen hier geen beter onthaal vonden dan bij de
Engelschen: commandeur Schrobop antwoordde, dat men niets wist van een
recht van Denemarken, waarop de Nederlandsche walvischvaarders inbreuk
maakten door volgens het gemeene recht in de IJszee te visschen[859].
Dit was de eerste stap, door Denemarken tot handhaving van zijn recht
gedaan[860]; langs diplomatieken weg zette men weldra het begonnen werk
voort.

    [855] Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 731.--Fotherby noemt hem eigenlijk „Captaine
    Killingham”, maar ik geloof, dat de gissing niet gewaagd is, dat
    hier Sir John Cunningham bedoeld wordt, die reeds in 1605 en 6 in
    Deenschen dienst naar de Noordpool gezeild was. (Barrow, Voyages
    into the arctic regions, p. 169, 73.--Vgl. over hem: hiervóor p. 213
    Noot 2.{[789]})

    [856] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    467.--Vadun (ook Vaden genoemd) was reeds in 1611 als kapitein van
    het schip ~The Amitie~ ter ontdekking naar Pechora en den Ob
    gezeild. Zie over die reis: Purchas, Pilgrimes. III p. 530-34.

    [857] Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 731, 32.

    [858] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    467.--Macpherson, Annals of commerce. II p. 282.

    [859] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 13 April 1616, in:
    L. D. 1616.--De Nederlanders waren op de aanmatiging der Denen
    eenigszins voorbereid, zooals blijkt uit de mededeeling in de N. Z.
    28 Mei 1615 over de uitrusting van acht Deensche oorlogschepen tegen
    de walvischvaarders.

    [860] Aanleiding tot het plotseling handelend optreden van
    Denemarken gaf, zoo men hunne tegenstanders gelooven mag, de
    onvoorzichtige handelwijze van de Amsterdamsche bewindhebbers der N.
    C., die in 1615 eene afzonderlijke compagnie voor de walvischvangst
    aan de Noordkaap oprichtten en daartoe verlof van Denemarken vroegen
    tegen betaling van den tienden visch. Christiaan IV zou daardoor op
    het denkbeeld gekomen zijn om „van allen ende een ijgelicken noort
    op visschende gelijcke proffijt te trecken”, onder voorwendsel dat
    alle noordelijke landen aan de Deensche kroon behoorden. Zoo zou de
    N. C. de Denen „opt lijff gecregen” hebben. („Cort advertissement”
    en „Debath” v. Kien en Leversteyn tegen de N. C. van 1616, in:
    Noordsche togten. 1. R.-A.)

Den 11 April 1616 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van
Christiaan IV van 18 Februari, waarin zijne pretensiën en plannen
uitvoerig werden uiteengezet. Z. M. ving aan met de uitvoerig
beredeneerde mededeeling, dat de walvischvangst aan de Noordkaap, bij
IJsland en de Fär-öer eilanden voortaan aan vreemdelingen verboden zou
zijn[861]. Deze maatregel was alleszins te billijken: als vorst van
Noorwegen en de in den brief genoemde eilanden, als beheerscher der aan
die landen grenzende territoriale zeeën had Christiaan IV volkomen
recht, allen die hij wilde uit deze wateren te weren; het belang zijner
onderzaten, wier visscherij aan de Noordkaap niet onbelangrijk schijnt
geweest te zijn, ontnam aan den harden maatregel zelfs den schijn van
onbillijkheid. Bedenkelijker was echter het verder in den brief
gezegde. »Was weitter vnnser Grönlandt, oder nach etlicher nennung
Grünlandt[862] anreichet,” dus vervolgde de koning, »Nachdem der
missbrauch vber den Walfischfang derer örtter, so E. L. vnd euren
vnderthanen, aus vnnser mit E. L. vnnd euren beijderseits
wolhergebrachten freundtschafft, daheuer gestattet werden endlich dahin
gerathen, das man vnnser vnleugbar Vhraltes Recht, daselbst mit Neuen
Nahmen zuuerkehren, vnnd vnsere darüber habende proprietet zuuerwenden
sich befliessen. So haben wir hingegen obener gestalt vnnsers Ambts
erachtet, auch diesen excessen mass zusezen, vnd E.L. vnnd euren
vnderthanen, welche sich ohn fürhergehende recognition vnnser hocheit,
zu solchem ende ferner dahin finden würden, nicht weniger den
Walfischfang zu prohibirn, Jedoch sein wir nicht vngeneigt, diese
piscatur denn jenig zu indulgirn, so beij leistung vnd erlegung der
gebühr, vnsere Passbrief darüber impetrirn vnnd solche vnnsere beampten
fürzeigen werden, Worauff E.L. vnnd Ihr die Ihrige, vnd das Sie anderer
massen auf Grünlandt nicht lauffen mögenn noch sollen, zu werschauen,
crafft dero auctoritet geruhenn wollten[863].”

    [861] Deze maatregel van den koning dagteekende reeds van 1596
    (Wassenaer, Hist. verh. VIII p. 16 vlg.) en werd van tijd tot tijd
    (o. a. in 1601. cf. Lindeman, Arkt. Fisch. p. 6) hernieuwd, hoewel
    de Nederlanders steeds protesteerden en het verkeer evenmin als de
    Hullers, die reeds sinds 1598 aan de Noordkaap vischten (Scoresby,
    Account. II p. 20.--Lindeman l. c. p. 7), staakten. Bepaaldelijk in
    1615 schijnen de Noordkaap en IJsland beiden door Nederlandsche
    walvischvangers bevaren te zijn. („Debath” v. Kien c. s. c. de N.
    C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.--R. S.-G. 18 Mei 1615.) Ook de nu
    in 1616 genomen maatregel had niet veel gevolg: reeds in 1621 moest
    Denemarken zich met Engeland verbinden om vreemdelingen o. a. van
    IJsland en de Noordkaap te weren. IJsland bleef gesloten, aan de
    Noordkaap werd reeds in 1622 voor Bremen eene uitzondering gemaakt.
    (Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 10.) In 1624 werd het verbod om aan
    de Noordkaap te visschen hernieuwd, maar niet gehandhaafd
    (Wassenaer, Hist. verh. VIII p. 16), hoewel wij in 1626
    Nederlandsche walvischvangers met Deensche passen aan de Noordkaap
    vinden (Wassenaer l. c. XI fol. 131.) In 1631 bood men den
    Nederlanders op zekere voorwaarden verlof daartoe aan, dat echter
    geweigerd werd. (R. S.-G. 26, 28 Juli 1631.) De visscherij en het
    verkeer aan IJsland werd door Christiaan IV bij missive van 28 Dec.
    1631 daarop nadrukkelijk verboden. (R. S.-G. 13 Mrt. 1632.--Miss. v.
    Chr. IV dd. 16 Febr. 1635, in: L. D. 1635.) Weldra klaagden de
    Denen, die daar alleen handelen mochten, over concurrentie van
    Nederlanders; de N. C. behoorde echter niet onder de schuldigen. (R.
    S.-G. 22 Apr., 23 Juli, 12, 24 Aug. 1632.) Nadere klachten van de
    Deensche IJslandsche compagnie over den Amsterdamschen koopman Elias
    Trip bleken onjuist; het schijnt echter, dat de Nederlanders het
    verkeer niet staakten. (R. S.-G. 3 Apr., 5 Mei, 2, 19 Juli, 1 Aug.,
    11 Dec. 1635.--R. H. 4 Apr., 8 Mei, 11 Juli, 6 Dec. 1635.--Miss. v.
    Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 16 Febr., 11 Dec. 1635, in: L. D.
    1635.--Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 224-26.)

    [862] Vgl. het hiervóor p. 204 Noot 1{[751]} gezegde over het
    gebruik van Groneland of Groynland en Greenland door de Engelschen.
    Ook in Denemarken schijnt men reeds een flauw bewustzijn gehad te
    hebben, dat Groenland en Spitsbergen niet identiek waren.

    [863] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 18 Febr. 1616, in: L.
    D. 1616.--R. S.-G. 11 Apr. 1616.

Reeds boven zette ik uiteen, hoe belachelijk de in deze regels vervatte
aanmatiging heeten mocht. En toch waren de Staten-Generaal, die wel
begrepen, dat het hier meer eene quaestie van macht dan van recht gold,
een oogenblik met de zaak verlegen: de resolutie op den brief werd niet
dadelijk genomen. Maar er was haast bij de zaak: de schepen der
Noordsche Compagnie waren nagenoeg gereed om uit te zeilen. Holland nam
dan ook weldra een kloek besluit en adviseerde zeer lakoniek: »op de
Brieven beleefdelyck te antwoorden en te continueren het gebruyck ende
vryheyt van visschen, sulcx als tot noch toe is gedaen[864].” In dien
zin arresteerden dan ook de Staten-Generaal 13 April een antwoord aan
Christiaan IV, dat wel is waar niet minder uitvoerig was dan de brief
van den koning geweest was, maar dat toch eigenlijk niets anders dan
eene beleefde weigering inhield. De Staten-Generaal meenden, dat de
Nederlanders door hunne schepen naar verschillende streken ter
vischvangst uit te zenden, niets anders gedaan hadden »als tgeene
volgende die gemeene gebruyckte rechten van allen ouden tyden byden
ondersaten deser Landen soo ter See, als anderssints was gedaen, ende
gepleecht.” Zij beweerden dan ook, dat door hunne onderdanen, toen zij
de gevraagde betaling weigerden, »nyet tot obbreuck ofte verminderinge
van Sijne Ma^{ts}. rechten, ofte tot syner ondersaten schade int
voorszeide visschen gedaen was.” Op deze gronden verklaarden zij
»vastelyck te vertrouwen ende oock seer vriendelyck dienstelyck ende
naebuerlyck te versoucken, Dat syne Ma^{t}. deur syne beampte Officieren
ende Dienaren te water nochte te landen den onsen nyet alleen geen
verhinderinge ofte belet, maer veel eer nae gelegentheyt alle
assistentie ende bevorderinge soude willen doen[865].”

    [864] R. H. verg. v. 1 Mrt.-26 Apr. 1616. p. 7.

    [865] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 13 Apr. 1616, in: L. D.
    1616.--R. S.-G. 13 April, 27 Mei 1616.--Carleton, Lettres. I p. 39.

Terecht meende echter de Noordsche Compagnie in het »vaste vertrouwen”
der Staten-Generaal op de welwillendheid van Christiaan IV niet te
moeten deelen. Reeds den 28 April hielden zij den Staten voor, dat een
subsidie van de regeering tot handhaving van de Nederlandsche
walvischvangst onmisbaar was. Zij hadden vernomen, dus verhaalden de
bewindhebbers, dat in Denemarken reeds zeven »cloucke” schepen, allen
van 36 »lepelstucken”, uitgerust waren om hun de visscherij te beletten;
de vrees dat de Engelschen, die gezegd werden »genoechsaem mette
Ma^{teyts}. van Denemarckens Onderdanen een te zyn,” zich daarbij zouden
voegen, maakte de zaak zeer bedenkelijk. Een konvooi van niet minder dan
zes oorlogschepen scheen dus noodig om de Noordsche Compagnie dit jaar
tegen de aanvallen harer vijanden te beschermen[866]. Ook de
Staten-Generaal begrepen, dat het aannemen van eene krachtige houding
noodig was om aanvallen te voorkomen. Na lange deliberatiën en
aanmaningen van vele zijden besloten zij der compagnie eenig geschut ter
wapening harer schepen toe te staan en vijf oorlogschepen om de
walvischvaarders »naer haeren vuytersten vermogen” te verdedigen; ja,
zij schreven zelfs de admiraliteit te Amsterdam aan nog meer schepen te
zenden, zoo dit eenigszins mogelijk was[867]. De Instructie, voor Jan
Jacobsz. Schrobop als hoofd van het konvooi den 23 Mei 1616 door de
Staten-Generaal gearresteerd, lastte hem 1^{o}. om aan ieder die het
vroeg te verklaren, dat de Nederlanders van plan waren vreedzaam aan
Spitsbergen te visschen zonder iemand te hinderen, 2^{o}. om met alle
macht te beletten, dat iemand de schepen der Noordsche Compagnie in hare
nering lastig viel, 3^{o}. om geweld aan die schepen aangedaan zooveel
mogelijk te keeren en de plegers daarvan volgens de commissie der
Staten-Generaal aan te tasten, 4^{o}. om de schepen der compagnie, die
in handen van vijanden gevallen waren, met geweld te bevrijden, en de
veroveraars te dwingen de schade te vergoeden of bij weigering hen
gevangen in een Nederlandsche haven op te brengen, om de quaestie door
Nederlandsche rechters te doen beslissen[868]. Gelukkig was Schrobop
niet in de gelegenheid deze Instructie uit te voeren[869], iets wat de
krachten zijner schepen zeker te boven gegaan zou zijn: de berichten
over de groote uitrustingen der Denen bleken onjuist en het schijnt
zelfs, dat dit jaar geen Deensch schip zich op Spitsbergen vertoond
heeft[870].

    [866] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 (28) Apr. 1616, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [867] R. S.-G. 28 Apr., 11, 12 Mei, 2 Juni 1616.

    [868] Instructie voor Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--R. S.-G. 28 Mei 1616.

    [869] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
    467.--Instr. van Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.

    [870] Dit maak ik op uit het zwijgen van Edge in zijn meergemelde
    „Dutch disturbance” (Purchas, Pilgrimes. III p. 466), terwijl wij
    overigens daar bijna jaarlijks van de aanwezigheid der Deensche
    schepen op Spitsbergen lezen. Ook de N. C. noemde in 1637 het jaar
    1617 als het tijdstip van het verschijnen van den eersten Deenschen
    walvischvaarder aan Spitsbergen. (Aitzema, Saken v. Staet. II p.
    442.)

Ook de eerstvolgende jaren bleef de zaak hangende[871]. De besliste
afwijzing van Engelschen en Nederlanders had den Denen den moed
voorloopig ontnomen. Toch waren de geruchten over eene Engelsch-Deensche
combinatie in zooverre juist geweest, dat van Deensche zijde zulk eene
combinatie bepaald gewenscht werd. Maar lang duurde het eer men het eens
was: eerst in 1621 kwamen Jakob I en Christiaan IV, naar het schijnt met
terzijdestelling der wederzijdsche aanspraken, overeen, gezamenlijk alle
vreemde natiën uit de IJszee te weren[872]. De Staten-Generaal, in
groote ontsteltenis toen hun dit tractaat bekend was geworden, gaven
dadelijk hunne gezanten, die naar Kopenhagen vertrokken (Pauw, Liclama,
Haersholte en Schaffer), den geheimen last mede: »dat sy met alle goede
circumspectie ende voorsorge letten souden, dat d’Ingesetenen deser
Landen int stuck vande vrije Schip ende Zeevaerdt niet verhindert off
gesloten werden uyt eenige plaetsen, landen, eylanden, revieren, hauenen
ende stroomen, daer sij voor desen gevaren, gehandelt, off gevischt
hadden, ende ouersulcx niet gedoogen, dat eenige plaetsen by
d’Ingesetenen deser Landen hierbeuoorens beuaeren off gefrequentreert in
dispute ofte controuersie soude(n) worden getrocken, als off het
plaetsen waeren, daermen niet gewoon soude syn te handelen[873].”
Gelukkig was deze voorzorgsmaatregel der Nederlandsche regeering
overbodig: men schijnt het gezantschap van 1621 niet van de zaak
gesproken te hebben[874]. Het geheele heerschzuchtige plan der beide
zwagers was trouwens bestemd om niet uitgevoerd te worden. Terwijl van
Engelsche zijde eene enkele zwakke poging beproefd werd om de bepalingen
van het tractaat na te leven[875], schijnt het belang der Deensche
walvischvangst Christiaan IV zelfs verhinderd te hebben, aan de gemaakte
plannen een begin van uitvoering te geven.

    [871] De Staten-Generaal waren echter nog niet dadelijk gerust
    gesteld; zie over verdere maatregelen tot bescherming der
    walvischvaarders tegen Denemarken genomen: Arend, Alg. gesch. des
    vaderl. III, 3. p. 2. De berichten over Deensche oorlogschepen, die
    tegen de Nederlandsche walvischvaarders uitgerust werden (R. S.-G.
    13 Mei 1617), bleken echter onjuist en het volgende jaar 1618 waren
    de Staten reeds zoo zeker van hunne zaak, dat zij in de Instructie
    der ambassade naar Denemarken (Culemborg c. s) zich ter verdediging
    hunner beweringen over de O.-I. aangelegenheden durfden beroepen op
    de „missiuen, by syne Ma^{t}. (van Denemarken) selffs, belangende
    den Groenlandtschen handel, met exclusie ende verboth van andere
    natien, Inde voorledene Jaren (d. i. in 1616) geschreven.” (Instr.
    der ambass. naar Denem. dd. 21 Mei 1618, art. 36.)

    [872] Reeds boven (p. 239 Noot 3{[857]}, 4{[858]}) haalde ik de
    woorden der Engelsche walvischvaarders over de Deensche indringers
    aan. Ook verder schijnt de verhouding voorloopig niet zeer
    vriendschappelijk geweest te zijn, althans in 1618 kwam een Deensch
    gezant, Dr. Jonas (Charisius?) te Londen om te onderhandelen over de
    onaangenaamheden, tusschen de beide natiën door de uitsluitende
    pretensiën van Denemarken ontstaan. (Carleton, Lettres. II p. 217.)
    Men hoopte de zaak nog te schikken, maar het mislukte: in 1619 waren
    Engelschen en Denen nog niet „geaccordeert.” (Muller, Mare Clausum.
    p. 162 Noot 3.) Eerst in 1621 kwam de in den tekst vermelde
    overeenkomst tot stand. (Miss. v. Chr. IV aan de Bremensche ambass.
    dd. 10 Jan. 1622 en het medegedeelde hierover uit het Hamburgsche
    archief bij: Lindeman, Arkt. Fischerei der Deutschen Seestädte. p.
    10.--Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. R.-A.--Vgl.
    de verklaring van Jakob I bij: Muller, Mare Clausum. p. 194.--Het
    tractaat zelf heb ik nergens gevonden: in het Engelsch-Deensche
    tractaat van 19 April 1621, bij: Dumont, Corps diplomat. V, 2. p.
    391 vind ik de bepaling niet.) De geschiedenis der Engelsch-Deensche
    betrekkingen vertoont dus in het kort denzelfden gang als de
    Nederlandsch-Deensche.--Uit het medegedeelde blijkt voldoende, hoe
    ongegrond de geruchten waren, die verhaalden, dat de Engelschen eene
    recognitie aan Denemarken betaalden om aan Spitsbergen te mogen
    visschen. (Zie o. a. Hist. du pays de Spitsb. p. 26.--R. S.-G. 4
    Jan. 1636.--Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28
    Mei 1639, in: L. D. 1639.) Christiaan IV zelf beweerde het eenmaal
    (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442); ik geloof echter, dat er hier
    eene verwarring bestaat met de vaart op de Noordkaap, IJsland enz.,
    waarover Engeland werkelijk en terecht met Denemarken in den
    aangeduiden zin onderhandelde (Selden, Mare Clausum. p. 241, 42),
    ten minste in 1633 verklaarde Christiaan IV, dat hij aan de
    Engelschen en Nederlanders de visscherij aan Spitsbergen toeliet
    „uijt goede Nabuijrlicke vruntschap ende om dat sij langen tijt
    hadden geweest in possessie.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen.
    dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.)

    [873] Secr. Instr. der ambassade naar Denemarken dd. 2 Aug. 1621,
    art. 2.

    [874] Het bij deze gelegenheid verhandelde over verbodene havens
    heeft sommigen tot eene tegenovergestelde conclusie geleid. Ten
    onrechte, want toen de Nederlandsche ambassadeurs bezwaar maakten om
    in het tractaat van die verbodene havens te spreken, toonden de
    Denen zich dadelijk bereid deze zaak op te geven onder verklaring,
    dat zij daarmede „geene andere haeuens meenden dan eenige weijnige
    plaetskens tot den Conincklycken dis ouer eenige hondert Iaren
    gepriviligeert zoo dat de eygene onderdaenen vanden Coninck daer op
    niet en vermochten te comen, noemende Ysland ende twee ofte drye
    andere cleijne soo sy seyden ende ons onbekende Eylandekens, alwaer
    d’onderdaenen van hare Ho: Mo: niet gewoon waeren te comen.”
    (Verbaal der Deensche ambass. v. 1621 ad 25 Aug.--Vgl. Arend, Alg.
    gesch. des vaderl. III, 3. p. 608, 9, 652-59.) Ook in het Deensche
    tractaat van 19 April 1621 met Engeland, dat in de Spitsbergsche
    quaestie tegenover Denemarken hetzelfde belang had als Nederland,
    vindt men in art. XIV van die verboden havens („Portus prohibiti”)
    gesproken. (Dumont, Corps diplomat. V, 2. p. 391.)

    [875] Zie daarover hiervóor p. 225-27.

Want terwijl de Deensche vorst de belangen zijner schatkist meende te
behartigen, hadden zijne onderdanen een beteren weg ingeslagen om zich
voordeel te verwerven. Reeds spoedig hadden zij besloten van de gewaande
Deensche bezitting op eene andere wijze zooveel mogelijk partij te
trekken en terwijl vroeger alleen van oorlogschepen, die eene belasting
kwamen opeischen, sprake was, vinden wij dan ook reeds in 1617 twee
Deensche walvischvaarders op Spitsbergen. Zonder dat de koning zijne
pretensie opgaf, werden zijne onderdanen het eerlang met de Nederlanders
eens. De Deensche walvischvaarders werden door de Noordsche Compagnie
bereidwillig toegelaten om met twee schepen hun bedrijf te oefenen aan
den noordhoek van Spitsbergen, waar de Nederlanders zich gevestigd
hadden en juist de grondslagen van het latere Smeerenburg begonnen te
leggen. Tegen de gemeenschappelijke vijanden, de Engelschen, genoten de
Denen de bescherming der Nederlanders. Ieder der beide natiën had
voortaan op het Amsterdamsche eiland zijne afzonderlijke vestiging voor
de traankokerij, met palen afgescheiden en met de wapens der beide
mogendheden voorzien. Den Nederlanders, nog zelven slechts noode door de
Engelschen op Spitsbergen geduld, kon het niet dan aangenaam zijn, zoo
zij versterking van andere natiën tegen hunne vijanden kregen;
Christiaan IV, die zijne pretensie nergens erkend zag, handelde
verstandig, toen hij oogluikend toeliet, dat zijne onderdanen zich den
steun van een der beide twistende partijen op Spitsbergen
verzekerden[876]. Was er reeds in 1617 zulk een nauw verbond tusschen
Denemarken en Nederland, dat slechts een der beide voor Deensche
rekening met traan en baarden bevrachte schepen naar Kopenhagen vertrok,
terwijl het andere naar Amsterdam gezonden werd[877], een geregeld
verkeer bestond er toen nog zoo weinig, dat Jakob I in het voorjaar van
1619 aan de Nederlandsche gezanten verklaren kon, dat de Denen evenals
alle andere natiën behalve de Nederlanders van de walvischvangst op
Spitsbergen hadden »gedesisteert[878]”. Eerst met 1619 begonnen de
Deensche walvischvaarders het eiland jaarlijks te bezoeken, in 1620 werd
er te Kopenhagen eene compagnie voor de walvischvangst opgericht[879] en
tot 1622 toe verschenen hare schepen geregeld met de Nederlandsche aan
den noordelijken hoek van Spitsbergen[880]. In deze omstandigheden ware
het voor Christiaan IV eene dwaasheid geweest het tractaat van 1621 uit
te voeren en vereenigd met de Engelschen, die nog zoo kort geleden zijne
onderdanen vijandig behandeld hadden, de ieder jaar in kracht toenemende
Nederlandsche walvischvangers, de vrienden en beschermers der Denen, aan
te vallen. Toen echter het recht der Denen om naast de Nederlanders in
de Mauritius-baai te visschen eenmaal goed bevestigd scheen, veranderden
de betrekkingen der beide volken weldra geheel. Christiaan IV meende nu
veilig zijne vroegere houding weder te kunnen aannemen. Eerlang maakten
de Denen van de goedwilligheid der Nederlanders misbruik en bleek het
aan de Staten-Generaal, dat de Deensche pretensie wel is waar gesluimerd
had, maar dat zij nog volstrekt niet dood was.

    [876] De overeenkomst schijnt het karakter eener stilzwijgende
    minnelijke schikking gehad te hebben. De Nederlanders lieten de
    Denen in hun vischwater toe en dezen zullen zeker verheugd geweest
    zijn voor het verleende verlof en de genoten bescherming in alle
    voorwaarden toe te stemmen, die de Nederlanders maken wilden. In
    werkelijkheid waren de Denen verreweg de minderen en aan de
    aanspraken van Christiaan IV, waardoor hij zich de meerdere wilde
    toonen, hebben beide partijen waarschijnlijk in 1617, toen de
    praktijk zijne eischen deed gelden, niet gedacht.--Zie hierover:
    Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150, II p. 442, 632.--Req. der N. C.
    c. Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. van
    het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. („Zijluijden stonden
    malcanderen de possessie toe, sijnde tusschen zijne Ma^{t}. ende de
    Ho: Mo: Heeren de Staten Generael te demeleren off ijemant, off wie
    van beijden alleen ende priuatiue ter dier plaetse het gesach soude
    mogen hebben,” zeiden de Denen.)

    [877] Brief v. Heley aan Deicrowe dd. 12 Aug. 1617, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 732.--De Nederlandsche berichten weten echter
    slechts van éen schip. (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442, 632.)

    [878] Muller, Mare Clausum. p. 162.

    [879] Lindeman, Arktische Fischerei der Deutschen Seestädte. p. 9.

    [880] Ook volgens de Engelsche berichten vischten de Denen bij de
    Nederlanders. (Brieven der Eng. walvischvaarders, o. a. van Catcher
    aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.)

Den 27 Maart 1622 had Christiaan IV aan de Deensche compagnie voor de
walvischvangst, waarvan Johann Braem, een voornaam Duitsch koopman te
Kopenhagen[881], het hoofd was, een uitsluitend[882] octrooi verleend
»omme op de Noortcaep ofte in de havenen ofte eijlanden van Travisont
ende Souroij[883] mitsgaders opt Lant van Groenlant te mogen de
walvischerije doen.” Dat jaar had Braem in de Mauritius-baai, waar Denen
en Nederlanders gewoon waren naast elkander te visschen, de
walvischvangst in vrede geoefend en er zijne schuren en gereedschappen
voor het volgende jaar achtergelaten. Maar de visscherij der Denen
schijnt op den duur onvoordeelig geweest te zijn; ten minste Braem trof
in het voorjaar van 1623 eene overeenkomst met Jean De Heraneder en
Michel De Laralde, kooplieden van St. Jean de Luz en Siboure[884] in
Biscaaie, waarbij hij hen tegen een aandeel in hunne vangst in zijne
compagnie voor de walvischvangst opnam. Volgens dit contract kwamen in
het begin van Juni 1623, terwijl de Denen zich dit jaar niet op
Spitsbergen vertoonden, twee Biscaaische schepen op naam van Braem en
zijne compagnie bij de Nederlanders aan, openden de Deensche schuren en
wilden de walvischvangst beginnen. De Nederlandsche commandeur Cornelis
Ys vroeg hen echter dadelijk om hunne papieren te zien. Toen zij niets
anders konden toonen dan »een slecht cartabelleken,” door hunne
Baskische reeders in het Nederlandsch geschreven, dat alleen het verzoek
aan den commandeur inhield den brenger goed te behandelen, verbood Ys
hem het visschen. Hij beweerde, dat de door de Biscaaiers bezochte baai
aan de Nederlanders en de Denen gezamenlijk behoorde, dat geen ander
recht had daar te visschen en dat hij zich dus verplicht gevoelde zijne
vrienden de Denen in hunne afwezigheid tegen roof en overweldiging te
verdedigen. De Basken mochten zich daartegen op hunne overeenkomst met
Braem beroepen, Ys hield zich als geloofde hij van het geheele verhaal
niets en bleef er bij, dat hij niet verantwoord was, zoo hij de
Biscaaiers »op soodanigen Imperfecten bescheijt” tot de visscherij
toeliet. Dezen moesten erkennen, dat zij »niet wel en waren versorcht;”
zij stelden aan Ys voor, dat hij hen zou laten visschen op voorwaarde,
dat de geheele vangst ten bate der Noordsche Compagnie zou komen, zoo
het in Nederland bleek, dat hunne reeders geen recht op de visscherij
hadden. Ys antwoordde, dat hij hun wel voor dit jaar alleen en met
behoud van het recht der Noordsche Compagnie aan eene andere plaats op
Spitsbergen in vrede wilde laten visschen, maar de visscherij in de
Mauritius-baai bleef hij hun weigeren. De twee schepen waagden het niet
elders te gaan: de Engelschen, die nog dit jaar hunne uitsluitende
pretensie tegen de Nederlanders hadden trachten te handhaven, toonden
genoegzaam, dat zij ook anderen vreemden niet genegen waren. Na eenig
vertoef waren de Basken dus genoodzaakt zich naar de Noordkaap te
begeven[885].

    [881] Zie over latere knoeierijen van Braem ten nadeele der
    Nederlanders: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639,
    in: L. D. 1639.

    [882] Christiaan IV verklaarde in 1625 aan den Nederlandschen gezant
    Vosberghen, „dat hy geen paspoorten op Spitsbergen hadde gegeven als
    alleen aan eenen Braem, ende aen nyemant meer geven soude.” (Miss.
    v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 1625.)

    [883] De eilanden Tromsondt en Suröe liggen bij Hammerfest.

    [884] Deze plaats ligt volgens oude Nederlandsche kaarten aan den
    mond der rivier, waaraan St. Jean de Luz ligt, juist tegenover deze
    stad; op nieuwe kaarten vind ik den naam niet.

    [885] Het verhaal dezer gebeurtenis is hoofdzakelijk ontleend aan
    het vonnis van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. (R.-A.) Enkele
    kleine trekken zijn er uit hier en daar verspreide berichten
    bijgevoegd.--Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157 en de
    brieven van Fanne, Catcher en Goodlard, bij: Purchas, Pilgrimes. III
    p. 786-38. (Catcher wantrouwde de Biscaaiers en schreef: „I know the
    Captaines will what he would haue done in it. I hold it not fit that
    they should harbour there,” d. i. in Greenharbour.)

Daarmede was eene quaestie ontstaan, die gedurende tien volle jaren de
Staten voortdurend tot last zou zijn, en waarover nog bijna twintig jaar
na het plegen van het feit nu en dan geklaagd worden zou. Wat was de
reden, dat over zulk eene kleinigheid zoolang onderhandeld werd? Het
komt mij voor, dat er in deze zaak meer gezocht moet worden, dan er bij
oppervlakkige beschouwing in ligt. Ik zal trachten mijne uit enkele
verspreide aanwijzingen opgemaakte meening duidelijk te maken.

De koning van Denemarken, wiens pretensie op de souvereiniteit over
Spitsbergen wel nergens erkend, maar daarom niet opgegeven was, had de
handelwijze van Braem niet ongaarne gezien. Het was met zijne
toestemming, dat de Basken in de Deensche compagnie waren opgenomen. De
walvischvangst zijner onderdanen was van weinig belang. Sinds 1617 was
het getal der Deensche schepen, die op Spitsbergen kwamen, bijna niet
toegenomen: het octrooi van Braems compagnie, die de eenige reederij ter
walvischvangst was en blijven moest, verleende hem slechts verlof om met
drie schepen daarop uit te gaan. En nu bleek het bovendien, dat Braem
zelf de winsten, die de visscherij hem beloofd had, na eene proefneming
geringschatte. Wat wonder was het dan, dat Christiaan IV het
voordeeliger oordeelde, dat zijne reeds in 1616 op den voorgrond
gestelde rechten door vreemde natiën erkend werden, dan dat de
walvischvangst zijner onderdanen een kwijnend bestaan voortsleepte en
aan éene compagnie karige winst verschafte? In het door Braem beraamde
contract meende de koning nu een uitnemend middel te hebben om dit
grootere voordeel te verkrijgen. De Baskische reeders zouden visschen op
naam van Braem en op gezag van Deensche paspoorten; een gedeelte van den
opbrengst der vangst zou schijnbaar als aandeel in de winst, eigenlijk
als koopprijs, misschien als belasting aan de Deensche compagnie worden
uitgekeerd. Het plan was niet slecht bedacht en had kans van slagen. Op
eene weigering van toelating door de Nederlanders was echter volstrekt
niet gerekend; dit blijkt genoegzaam uit de onvoldoende bewijsstukken,
die men den Basken naar Spitsbergen medegaf. Toch was de handelwijze
der Noordsche Compagnie zeer redelijk. Sinds jaren in het bezit van de
Mauritius-baai, die daarnaar zelfs den naam van Hollandsche baai
gekregen had, eerlang door de Engelschen niet meer in dat bezit
gehinderd, was het reeds veel, dat zij in die beperkte ruimte nog de
Denen mede tot de walvischvangst had toegelaten. Naar het schijnt was
die toelating dan ook alleen geschied als »een Accommodatie uyt
Nabuyrlycke Vruntschap” en onder eene beperking, wat het aantal schepen
betrof[886]. Het was nu eindelijk wat veel gevergd, dat zij tot de
walvischvangst, die toenmaals uit haren aard niet in de volle zee kon
geoefend worden, nog andere natiën zou toelaten, terwijl het geheele
overige gedeelte van het eiland toch voor de weinige schepen der
Engelschen niet noodig was. Ook al bleek het, dat de indringers op naam
en gezag van de met de Nederlanders bevriende Denen kwamen, dan nog was
het niet twijfelachtig, dat Braem misbruik maakte van de goedheid der
Noordsche Compagnie[887],--een misbruik, waartegen deze recht had te
waken. Uit een zuiver juridiek oogpunt beschouwd komt het mij zelfs
voor, dat de Noordsche Compagnie recht had tot wat zij deed. Terwijl in
haren strijd met Engeland de vrijheid der zee haar hoofdargument geweest
was,--al werd de ontdekking van Spitsbergen te dikwijls vermeld om aan
de vrijzinnigheid der compagnie in veranderde omstandigheden te
gelooven,--werd in de Deensche onaangenaamheden de quaestie der vrije
zee door geen van beide partijen aangeroerd. Beiden kenden zich op even
onhoudbare gronden[888] de souvereiniteit over geheel Spitsbergen toe,
maar beiden namen ook zonder gronden voor hunne bewering op te geven,
eenstemmig hun gemeenschappelijk, alle andere natiën uitsluitend bezit
van de Mauritius-baai aan. En die bewering schijnt mij volkomen juist.
Al hadden de Nederlanders ook de Denen alleen uit vriendschap en
»provisioneel” verlof gegeven om nevens hen te visschen; zulk een
verlof, verleend in eenen tijd toen niemand hun uitsluitend recht op de
Mauritius-baai erkende, ja toen zij zelven daarop misschien nog geen
aanspraak maakten, kon niet herroepen worden, toen de Denen door
jarenlange visscherij, door inbezitneming en omheining van den grond,
door vestiging eindelijk nevens de Nederlanders op de aan niemand
toebehoorende plaats een even goed recht hadden verkregen als dezen, die
alleen de oudheid van het hunne boven de Denen voorhadden. De meening,
dat de Mauritius-baai uitsluitend aan de Nederlanders en Denen behoorde,
werd destijds algemeen gedeeld, zooals blijkt uit het feit, dat noch de
Denen noch de Basken zelven gedurende verscheidene jaren er ooit in
ernst aan schijnen gedacht te hebben, dat deze laatsten daar krachtens
een eigen recht zouden mogen visschen. De handelwijze der Noordsche
Compagnie tegen de Basken was dan ook volgens de Denen zelven alleen in
strijd met de beweerde souvereiniteit van Christiaan IV over
Spitsbergen; werd die niet erkend, dan hadden de Nederlanders het recht
allen behalve de Denen uit de Mauritius-baai te weren. Ook Christiaan IV
beschouwde de zaak zoo. Hij beweerde, dat het verdrijven der Basken een
inbreuk op zijne kroonrechten was, dat hem de souvereiniteit over
Spitsbergen toekwam en dat dit recht door de Noordsche Compagnie
geschonden was.

    [886] Memorie der N. C. van 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p.
    1150.

    [887] Een „voornaem heer in Denemarcken” zou dan ook volgens de N.
    C. in 1632 gezegd hebben: „Laett de Hollanders hett kindeken Jesum
    gaen soecken, wan sij hett geuonden hebben, soo willen wij het oock
    gaen aenbeden.” (Rescr. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in:
    Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het kan niet ontkend worden,
    dat deze beschouwing juist was, maar of de Nederlanders recht tot
    klagen hadden, terwijl op hunne verhouding met Engeland het gezegde
    van den Deen nog veel beter paste, schijnt minst genomen
    twijfelachtig.

    [888] Zie over het sustenu der Nederlanders, berustende op de
    ontdekking van Spitsbergen: hiervóor p. 221,--over de Deensche
    beweringen betreffende Groenland: hiervóor p. 236.

Deze aanmatigende houding, die de Deensche koning gedurende den geheelen
loop der zaak bleef aannemen, had meer dan een reden. Hij had de
handelwijze van Braem goedgekeurd en moest dus nu zijnen onderdaan
beschermen. Maar bovendien, wilde hij door de Basken zijne
souvereiniteit erkend zien, dan was het zaak, die ook tegenover de
Nederlanders te handhaven, en te toonen, dat dezen, die niet schroomden
zich op hunne ontdekking van Spitsbergen te beroepen, niet straffeloos
de maatregelen door den koning van Denemarken genomen konden verijdelen.
Juist naar het tegenovergestelde doel streefden de Staten-Generaal. Zij
wilden alles vermijden, wat aan de zaak het karakter van eene politieke
quaestie kon geven; dreigde een enkele maal dit gevaar van nabij, dan
drongen zij bij de Noordsche Compagnie steeds ernstig op eene minnelijke
schikking aan. Deze eindelijk volgde als derde betrokkene partij
nagenoeg dezelfde gedragslijn als de Nederlandsche regeering, maar zij
trad minder omzichtig op. In het bewustzijn van hare macht en van haar
recht was zij steeds onverzettelijk in haren wensch om de zaak door den
gewonen rechter afgedaan te zien. Ook al dreigden politieke
verwikkelingen haar, zij bleef volhouden en weigerde hardnekkig iedere
schikking. Gaan wij nu zoo kort mogelijk den loop der zaak na.

De Baskische reeders wendden zich natuurlijk tot Johann Braem, die hun
zijn recht had overgedaan, en deze klaagde dadelijk aan den koning van
Denemarken, dat de Nederlanders zijne paspoorten niet hadden
geëerbiedigd en zijnen onderdanen het visschen op Spitsbergen hadden
willen verhinderen. Braem begrootte zijne schade op ƒ 135.000 en
verzocht daarvan vergoeding.

Niet lang duurde het, of de Staten-Generaal kregen kennis van het
gebeurde. Reeds den 2 November 1623 ontvingen zij uit Elseneur bericht
van ’s konings woede[889], een bericht weldra (15 December) door eenen
brief van Z. M. zelven gevolgd[890]. Van alle kanten kwamen de klachten
in; de eene mededeeling over het misnoegen van den koning volgde de
andere[891], men dreigde zelfs met represaille-maatregelen in den
Sond[892]. Van Deensche zijde werd erkend, dat Braem met goedvinden van
den koning de Baskische reeders in zijne compagnie had opgenomen, maar
tevens bepaald ontkend, dat de schepen op Spitsbergen geen pas van
Denemarken hadden medegebracht. Men stelde het tevens zoo voor, alsof de
Nederlandsche commandeur in voor den koning van Denemarken beleedigende
bewoordingen de ~Denen~ niet tot de walvischvangst had willen toelaten;
terwijl hij verklaard zou hebben, dat slechts zij, die van de Noordsche
Compagnie verlof hadden bekomen, recht hadden op Spitsbergen hun bedrijf
te oefenen. De voorslag, door de Staten-Generaal dadelijk gedaan, om te
zorgen voor eene billijke behandeling van Braem, wanneer hij zich aan de
Nederlandsche rechters wilde onderwerpen, werd dan ook dadelijk door
Christiaan IV van de hand gewezen. Z. M. meende, dat dit eene quaestie
was, »darahn seine Königl. hoheit (over Spitsbergen) mit Interessirt,”
die hij volstrekt niet wilde opgeven. Van een gewoon proces kon dus
zoowel om deze reden, als omdat hij »wegen allerhande weitleuffigkeiten”
een ongunstigen afloop vreesde, geen sprake zijn. De koning stelde
integendeel den eisch, dat de zaak door commissarissen uit de
Staten-Generaal »summarie absque strepitu judicii” zou worden afgedaan.
Voor het vervolg wenschte Z. M., dat de Noordsche Compagnie niet meer
dan twee of drie schepen naar Spitsbergen zou zenden; hij van zijne
zijde beloofde, dat de Denen er ook slechts drie of vier zouden
uitrusten, »damit nicht etwa durch menge der Schiffe der fang gehindert
vnnd beide theile darüber verkürzet werden[893].”

    [889] R. S.-G. 2 Nov. 1623.

    [890] R. S.-G. 15 Dec. 1623.

    [891] R. S.-G. 20 Jan., 10 Apr., 30 Mei 1624.

    [892] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Juli 1624, in: L.
    D. 1624.--R. S.-G. 20 Jan. 1624.

    [893] Miss. van Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Juli 1624.--R.
    S.-G. 24 Oct. 1624.

De Staten-Generaal namen de zaak dadelijk ijverig ter hand. Zij zonden
een nauwkeurig verhaal van het gebeurde naar Denemarken en boden hunne
hulp aan om het geschil ten einde te brengen[894]. Maar tevens
beraadslaagde men, om de Noordsche Compagnie »ten regarde van de Denen
off andere Natien” door een konvooi van drie oorlogschepen te
beschermen[895]. In afwachting van eene beslissing van den koning werd
er verder eene commissie uit de Staten-Generaal benoemd, die echter
natuurlijk na maandenlange conferentiën met de bewindhebbers der
Noordsche Compagnie de zaak niet verder bracht, en zoo bleven de zaken
slepen. Eindelijk verscheen 1 Juni 1624 Dr. Cornelis Vinck, agent van
Denemarken, in de vergadering der Staten-Generaal en verklaarde last te
hebben om over de zaak te onderhandelen. Na eindelooze conferentiën met
de Staten-Generaal, die meer woorden dan daden gaven, en met de
bewindhebbers, die hardnekkig op hun stuk bleven staan[896], gelukte het
dezen eindelijk eene schikking te treffen. De Denen hadden iets
toegegeven en de zaak werd ter beslissing in handen van het Hof van
Holland gesteld. (1 Maart 1625.)[897]

    [894] R. S.-G. 11, 25 Nov. 1623, 20, 25 Jan. 1624.

    [895] Daartoe kwam het echter, niettegenstaande den aandrang van
    Z.Exc., niet. (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.)

    [896] R. S.-G. 10 Apr., 1, 28, 29 Juni, 24, 25 Oct. 1624.--Aitzema,
    Saken v. Staet. I p. 355.

    [897] R. S.-G. 25 Oct., 29 Nov., 7, 21, 28 Dec. 1624, 18 Jan., 3, 17
    Febr., 1 Mrt. 1625.--Reeds bij deze resolutie werd bepaald, hoe
    ingeval van appèl te handelen.

Men meende een middel gevonden te hebben, om de rechtszaak met
verwijdering der politieke quaestie door de gewone rechters te doen
behandelen. Van weerszijden kwam men overeen, het geschil over de
souvereiniteit van Spitsbergen te laten rusten en de zaak te behandelen
als hadden beide partijen door hunne jarenlange visscherij in de
Mauritius-baai gelijke rechten op het bezit dier zeeboezem verkregen. Op
dien grond klaagden nu de Denen over het niet toelaten hunner schepen.
Van Nederlandsche zijde werd toen echter dadelijk geantwoord, dat de
vreemde schepen, die in den zomer van 1623 op Spitsbergen verschenen
waren, van geen enkel geldig bewijs voorzien waren, dat zij uit naam van
Denemarken kwamen, en dat dus de Nederlandsche commandeur het recht van
Denemarken in geen geval moedwillig aangetast had. De Denen ontkenden
dit en beweerden, dat de koning aan Johann Braem een octrooi en paspoort
gegeven had om aan Spitsbergen te visschen. Terwijl de Noordsche
Compagnie dit feit niet tegensprak, beschuldigde zij echter Braem, dat
hij dien pas aan eenige Baskische reeders verkocht had. De uitspraak
over beide quaestiën was beslissend voor Braems eisch tot
schadevergoeding. Was de eerste bewering der Noordsche Compagnie waar,
dan had de eischer door zijne nalatigheid zijn recht verbeurd en hadden
de Nederlanders gehandeld zonder het gewicht hunner daad te kunnen
beseffen; werd de tweede beschuldiging juist bevonden, dan had Braem
eene met het sustenu van gelijke uitsluitende rechten voor Nederland en
Denemarken strijdige handeling gepleegd en was dus tegenover beide
natiën schuldig.

Ik ben na eene aandachtige studie der nog voorhanden gegevens tot de
overtuiging gekomen, voor zoover het mogelijk is eene overtuiging over
deze zaak uit te spreken, dat de Noordsche Compagnie in beide beweringen
gelijk had. De Basken schijnen werkelijk, hoe zonderling het schijne,
het octrooi, dat aan Braem volmacht verleende om bij Spitsbergen te
visschen, en een bewijs, dat deze hun zijn recht overgedragen had, niet
bij zich gehad te hebben[898]. Wat den verkoop van het octrooi door
Braem betreft, het is moeielijk zonder het contract zelf gezien te
hebben een oordeel te vellen. Het komt mij echter voor, dat de compagnie
in het wezen der zaak het recht aan hare zijde had. Bij herhaling
verklaarden de Denen wel, dat de bewering der Nederlanders onwaar was en
dat Braem den Basken slechts een aandeel in zijne compagnie had gegeven,
maar deze verklaring schijnt meer naar de letter dan naar den geest
juist geweest te zijn. Braem had met de Basken een contract van
compagnieschap gesloten, waarbij hij voor zich een aandeel in de vangst
bedong en zich daarentegen verbond de Basken vrij te laten visschen.
Reeds de eerste uitrusting bewees echter, wat dit contract bedoelde.
Terwijl het Deensche octrooi aan Braem verlof gaf om drie schepen naar
Spitsbergen te zenden, kwamen daar de Basken toen met twee schepen;
terwijl het derde, te Kopenhagen (of volgens de Nederlanders te Hoorn)
bevracht met »coolen tot het branden van den traen noodich”, de beide
andere op hunne terugreis aan de Noordkaap zou opwachten. Feitelijk
trokken de Basken dus het voordeel van het octrooi, terwijl Braem hun
zijnen naam en zijne hulp voor geld leende. Het contract tusschen beide
gesloten was dan ook van dien aard, dat Christiaan IV, die zijnen
onderdaan steeds tegen de beschuldiging van verkoop verdedigd had, na de
toezending van een afschrift van het stuk uit Den Haag niet meer van de
zaak repte[899].--Wanneer men dus eenmaal aannam, dat de Mauritius-baai
aan Denemarken en Nederland gezamenlijk behoorde,--en dat dit algemeen
het geval was, blijkt uit de geheele geheime knoeierij van Braem met de
Basken,--dan komt het mij niet twijfelachtig voor, dat de veroordeeling
van Braem door de Nederlandsche rechters onmiddellijk volgen moest.

    [898] Zie over deze zaak o. a.: Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29
    Juni 1629.--Miss. v. Christ. IV dd. 28 Juli 1624, 27 Mrt. 1630, in:
    L. D. 1624, 1630.--Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v.
    Staet. I p. 1149.

    [899] Zie de beweringen van beide partijen hierover in het vonnis
    van het Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.--Vgl. ook den brief v.
    Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, en de brieven v. Vosberghen en v. de
    Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, 2 Jan. 1626, in: L. D. 1625-30.

Zoo spoedig gebeurde dit echter niet; de politieke zijde der quaestie,
die toch altijd bedenkelijk was, belemmerde waarschijnlijk de vrije
handeling der rechters, en de Noordsche Compagnie zelve deed haar best
om de zaak op de lange baan te schuiven. Reeds anderhalf jaar had het
proces geduurd en nog steeds was er geen einde aan te zien: het Hof
talmde voortdurend met zijne beslissing. Toen oordeelden de
Staten-Generaal, door den Deenschen gezant Thomasius aangemaand en
ziende, dat de quaestie over de souvereiniteit van Spitsbergen tegen de
afspraak herhaaldelijk in het debat gemengd werd, dat het wenschelijk
was nogmaals eene poging aan te wenden, om deze zaak, die zoo licht tot
politieke verwikkelingen aanleiding kon geven, in der minne te schikken.
Zij maanden de Noordsche Compagnie nogmaals met nadruk tot toegeven aan,
onder mededeeling »dat sij de Deensche geinclineert vonden tot
affdoeninge vande saecke bij accoort”[900]. Maar te vergeefs! »Het is
notoir,” dus schreven de bewindhebbers hoog terug, »dat soo wie in
eenich accoort condescendeert dat by de selue schult bekentenis beuonden
wert, ende alsoo wy int minste niet en connen beuinden in eeniger deel
yets schuldich te sijn, ende ter wyle dese saecke de Justitie beuolen is
ende dat wy weduwen ende weesen goederen administreren soo connen wy in
het voorgestelde accoort niet en treden[901].” Toen werden de Denen
ongeduldig: zeer dikwijls werd er bij de Staten-Generaal op spoed
aangedrongen[902], totdat eindelijk het Hof na rijpe overweging van het
van weerszijden aangevoerde den 29 Juni 1629 een einde maakte aan de
zaak, die meer dan vier jaren aanhangig geweest was, en Johann Braem
zijnen eisch tot schadevergoeding ontzegde, terwijl de kosten
gecompenseerd werden[903].

    [900] R. S.-G. 29 Juli, 1, 7 Aug. 1626.

    [901] Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Sept. 1626.--R. S.-G.
    18 Sept. 1626.

    [902] R. S.-G. 7 Jan., 30 Sept. 1626, 27 Sept. 1627, 20 Sept., 14
    Oct. 1628, 12 Juni 1629.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 548.--Miss.
    v. de Nederl. ambass. te Kopenhagen en v. Van den Honaert, beide dd.
    26 Mei 1627, in: L. D. 1627.

    [903] Sententie van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629.

Het liet zich voorzien, dat de koning van Denemarken met deze beslissing
niet tevreden zou zijn. Werkelijk ontvingen de Staten-Generaal den 26
April 1630 eenen brief van Z. M. met een »wijtlopich verhael” van de
zaak van Braem en den loop van het proces. Christiaan IV klaagde hevig
over den langen duur der rechtszaak en verwaardigde zich verschillende
punten aan te wijzen, waarop het Hof z. i. bij zijn vonnis niet genoeg
gelet had; het hoofdpunt was ook nu weder de quaestie, of de Basken een
Deenschen pas dan wel een eenvoudig briefje bij zich gehad hadden. De
koning noemde het vonnis kortweg »ein vnbillig Vrtheill,” en weigerde in
appèl bij den Hoogen Raad te komen, daar de Denen nu genoeg ondervinding
hadden »das Ihr gegentheil dortt im lande ihnen viell zu mechtig, undt
dergestallt ~supportirt~ würde, das Sie daselbst weiter zu Rechte zu
gehen nicht vermüchten.” Hij verzocht dus de Staten-Generaal dringend,
aan Braem op andere wijze vergoeding te doen geworden; gebeurde dit
niet, dan dreigde hij de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam met
represailles[904]. Maar er was meer: de koning had nog een andere
ernstige grief tegen het vonnis. Wij hebben gezien, dat Christiaan IV,
aanvankelijk weigerachtig om het geschil aan de gewone rechters te
onderwerpen, daarin eindelijk alleen toestemde, op voorwaarde dat de
quaestie over zijne souvereiniteitsrechten op Spitsbergen buiten het
proces zou blijven. Tegen dit voorschrift hadden beide partijen
herhaaldelijk gezondigd. De twist over het verkoopen van het octrooi, of
volgens de Deensche lezing over het opnemen van eenige Basken in de
compagnie voor de walvischvangst door Braem met goedkeuring van den
koning, had allicht de eischers tot het wrevelig antwoord gebracht, dat
Z. M. ten slotte vrij was, aan wie hij wilde paspoorten te verleenen om
op ~zijn~ land te varen, al waren onder de bevoorrechten ook
vreemdelingen met de Denen vermengd geweest. Van Nederlandsche zijde was
men het antwoord op zulk eene opmerking geen oogenblik schuldig
gebleven: men had zich beroepen op de ontdekking van Spitsbergen door
Heemskerck en Rijp en dat beroep door eene eenigszins onjuiste
voorstelling van de geschiedenis der Nederlandsche walvischvangst
gestaafd. Daaruit waren wederom langdurige onaangenaamheden
voortgekomen. Christiaan IV had reeds in 1626 geklaagd, dat men hem
zijne kroonrechten wilde betwisten, en verklaard, dat hij »geenssints
goet vont in dispute te laeten trecken zyne Superioriteyt ouer
Spitsberghen, veel weyniger dat daer ouer alhier gedecideert soude
werden[905].” Slechts met moeite was de zaak toen geschikt door het
aanbod om alle deze zaak betreffende stukken uit het proces te
lichten[906], en nu bleek het plotseling uit het vonnis van het Hof,
dat aan deze belofte niet voldaan was. Aan het hoofd van de beweringen
van ieder der beide partijen vond men in het vonnis een uitvoerig
betoog, dat Spitsbergen haar toebehoorde,--eene bijvoeging, waardoor ter
loops opgemerkt de redeneering van beiden niet aan logische helderheid
gewonnen had. Het laat zich denken, dat Christiaan IV hevig vertoornd
was.

    [904] Miss. v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.

    [905] R. S.-G. 7 Jan., 6 Febr., 29 Juli 1626.

    [906] R. S.-G. 24 Febr., 7 Aug. 1626.--Miss. v. de N. C. aan de
    Stn.-Gen. dd. 3 Sept. 1626, in: L. D. 1626.

Z. M. was zeer verontwaardigd, dus schreef hij, dat niettegenstaande de
herhaalde beloften der Staten-Generaal toegelaten was, »das man Unsere
hoheit uber die lande nicht allein streitig zu machen, Sondern so weit
an ihnen gewesen, Vns gar zu entziehen sich unterstanden, Den die
Compagnie in ihrer antwortt undt duplica aussdrücklich vorgebt, das sie
die hoheit derselben den vereinigten Provintzen acquirirt[907].” Den 29
Januari en 21 Juni 1631 kwam Z. M. hierop terug en klaagde, dat de
Noordsche Compagnie »ihre vorige vnbegründete einwürffe weittläufftig
wiederholett, besondern auch seine vff seinem Landt Spizbergen habende
hoheit vnnd bottmässigkeit fast mehr vnnd mehr in Zweiffell zuziehen
vnnd disputirlich zu machen sich vnterstandenn.” Eerlang werd nu het
eiland Spitsbergen »Christiansbergen”, de Mauritius-baai
»Christianshaffen” verdoopt als bewijzen van het Deensche
eigendomsrecht, en nadrukkelijk verzocht de koning de Staten-Generaal te
verhoeden, »das seine hoheit über dieselbe Lande, da der Walfischfang
geübet wird, in eintzig disputat gezogen werde[908].” In September 1631
kwam daarop een gezant met nieuwe klachten aan[909], en de Staten
begrepen iets te moeten doen. Zij schreven dus aan den koning bij
herhaling[910], dat »wat belanght de hoogheyt ende gerechtigheyt die
sijn Majesteyt over de Landen van Groenlandt, ende andere quartieren om
den Noort ghelegen souden mogen hebben, ofte pretendeeren, en is haer
Hoogh Mog: meeninge ende intentie gansch niet dat alhier te Lande daer
over sal werden gedisputeert, gelijck haer Ho: Mog: sulcks hier bevorens
expresselijck hebben verbooden daer ’t behoort, al hoe wel het schijnt
dat eenige gepoogt hebben, zijn Majesteyt contraerie opinie te doen
suscipieeren, die nochtans met de waerheyt niet over een en komen,
volgens dese haer Ho: Mog: ronde en sincere iterative verklaringe[911].”

    [907] Miss. v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.

    [908] Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan., 21 Juni 1631, in: L. D. 1631.

    [909] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1175.

    [910] R. S.-G. 28 Juli, 4 Oct. 1631.

    [911] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1176.

Maar hierbij bleef het ook[912]. Men was minder dan ooit gezind ’s
konings recht te erkennen en ook de eisch, dat de Staten aan Braem op de
eene of andere wijze vergoeding zouden bezorgen, werd niet voor
inwilliging vatbaar geoordeeld. Juist het herhaaldelijk bespreken van de
souvereiniteitsrechten der Deensche kroon had het gevaar aangetoond om
zich eene zaak als deze officiëel aan te trekken en de Staten waren dan
ook vast besloten, dat zij als eene partikuliere quaestie met de
Noordsche Compagnie zou afgehandeld worden. Daarop was dus de geheele
gedragslijn der regeering ingericht. Braem wendde zich eindelijk tot de
Noordsche Compagnie, maar na maanden onderhandelens was de zaak nog niet
verder gekomen[913]. Een zeer heftige brief van den koning had ten
gevolge, dat de quaestie toen nog eenmaal in handen van eene commissie
uit de Staten-Generaal gesteld werd, maar ook daardoor vorderde men
niet[914]. Eene laatste poging der Staten-Generaal om de zaak te
schikken stuitte af op de onverzettelijkheid der Noordsche Compagnie,
die niet van haar door het vonnis verkregen recht wilde wijken, al
dreigde Christiaan IV ook met krasse maatregelen, al deed Johann Braem
ook de verleidelijkste beloften[915]. Er schoot dus eindelijk voor de
regeering niets anders over, dan aan Denemarken en aan de compagnie
beiden definitief te schrijven, dat de quaestie eene partikuliere was en
als zoodanig moest behandeld worden.

    [912] R. S.-G. 10 Sept., 21 Oct. 1630.

    [913] R. S.-G. 22 Mrt. 1631.--Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631,
    in: L. D. 1631.

    [914] R. S.-G. 9, 19, 30 Apr., 12, 21, 22 Mei, 21 Juli 1631.--Miss.
    v. Christ. IV dd. 21 Juni 1631, in: L. D. 1631.

    [915] R. S.-G. 26, 28 Juli 1631.

Aan de Noordsche Compagnie ontzeiden dus de Staten-Generaal hunnen
steun, nu zij geweigerd had de pretensie van Braem voor eene kleine som
geld af te koopen; den koning verzocht men, zich de zaak evenmin aan te
trekken en de rechters te laten beslissen[916]. Geheel overeenkomstig
met dit plan weigerden de Staten-Generaal ook in de Instructie van de
ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer, die in
September 1631 naar Kopenhagen vertrokken, de redeneeringen der
Noordsche Compagnie over deze quaestie op te nemen[917] en werd de
Deensche gezant Claus Daa, die in dezelfde maand herwaarts kwam met last
om bij de Staten over de zaak te klagen, onbevredigd weggezonden met
eene verwijzing naar den Hoogen Raad[918]. Een tweede Deensche gezant,
Gunter, die in 1632 te ’s-Gravenhage verscheen en op nieuw ernstige
klachten deed hooren, verkreeg van de regeering evenmin iets meer dan
een algemeen antwoord[919], en ook Gödert Braem, die in hetzelfde jaar
herwaarts kwam om zijnen broeder Johann door onderhandelingen met de
Noordsche Compagnie de verlangde schadevergoeding te bezorgen, moest
onverrichter zake weder vertrekken[920].

    [916] R. S.-G. 28 Juli 1631.

    [917] R. S.-G. 20 Aug. 1631.--De Staten keurden het echter goed, dat
    de N. C. zelve de ambassadeurs van last voorzag. Zie de memorie, die
    van deze aanmaning het gevolg was, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I
    p. 1149. Vgl. hierna p. 267.

    [918] R. S.-G. 19, 23 Sept., 4 Oct. 1631.--Aitzema, Saken v. Staet.
    I p. 1175, 76.--Mauricius. Naleesingen over de Noordelijke Landen.
    (R.-A.)

    [919] R. S.-G. 21 Juli, 30 Aug., 4, 6 Sept. 1632.

    [920] R. S.-G. 13, 31 Mrt., 24 Juli 1632.--Miss. v. Christ. IV en v.
    G. Braem dd. 16 Jan., 13 Mrt. 1632, in: L. D. 1632.

Toen begreep Christiaan IV, dat hij een anderen weg moest inslaan. Het
verkrijgen van schadevergoeding voor Johann Braem werd opgegeven;
slechts een enkele maal werd er nu en dan in latere jaren van
gesproken[921]. De zaak zelve was van weinig belang, nu de koning in
plaats van door de schadevergoeding eene erkenning van zijne rechten te
verkrijgen, door de Nederlanders integendeel zijne souvereiniteit
bestreden zag. Maar de hoofdzaak, het binnenleiden der Basken op
Spitsbergen, werd op nieuw het doel, waarnaar Christiaan IV streefde; en
al wilde de Noordsche Compagnie haar ongelijk niet erkennen, de koning
had besloten den tegenstand te breken.

    [921] Verbalen der ambassaden naar Denemarken v. 1639 en 1641, ad 7
    Oct. 1639, 11, 23 Juli, 19, 26 Sept. 1641.--In 1641 werd er zelfs
    van beide zijden over gesproken, dat de quaestie der restitutie in
    revisie op nieuw aan de Nederlandsche rechters zou worden
    voorgelegd. Daarvan schijnt echter niets gekomen te zijn.

In 1624 had de Deensche compagnie noch hare Baskische deelgenooten uit
vrees voor verdere onaangenaamheden met de Nederlanders tot eene
uitrusting durven besluiten[922]. Wel schijnt het volgende jaar Gödert
Braem, Johanns broeder, op Spitsbergen geweest te zijn[923], maar
terwijl het proces onbeslist was, kon het verblijf op Spitsbergen naast
de machtige Nederlanders voor de Denen toch niet wenschelijk zijn. De
vereeniging had zich ontbonden[924] en sinds 1625 was het eiland door
Denen niet meer bezocht[925]. Toen echter het vonnis uitgesproken was en
alle aanvragen om op andere wijze voldoening te krijgen vruchteloos
waren, verleende Christiaan IV in 1630 aan Johann Braem een nieuw
octrooi, waarbij het hem geoorloofd werd, met vijf of zes schepen in de
Mauritius-baai te visschen. Onder die schepen zouden er twee uit
Biscaaie mogen zijn[926]. Zoo was aan de Staten-Generaal elk voorwendsel
ontnomen, om Braem van verkoop van octrooi of oneerlijkheid te
beschuldigen: de koning zelf billijkte openlijk zijne compagnieschap met
de Baskische reeders. Toch was de nieuwe knoeierij erger dan de eerste.
Toen de Biscaaiers er aan begonnen te wanhopen om de verzochte
schadevergoeding van Braem machtig te worden, had Jean Vrolicq, een
zeekapitein in hunnen dienst, van den koning van Frankrijk octrooi
verzocht om op Spitsbergen te mogen varen. Wel begrijpende, dat de
Nederlanders de Franschen op hun eigen naam nog minder in de
Mauritius-baai zouden toelaten dan onder Deensche vlag, schijnt hij
echter met Johann Braem op nieuw een contract gesloten te hebben,
waarbij deze beloofde te gelijk met de Basken eene uitrusting op
Spitsbergen te zullen doen. Voor de hem door de Denen verleende
vergunning en de te genieten bescherming zou Vrolicq aan Braem en zijne
compagnie een zeker gedeelte van zijne vangst afstaan. De geheele
compagnieschap was dus evenals de vorige slechts een bedekt middel om
van de Franschen eene soort van recognitie te verkrijgen, en de
Noordsche Compagnie had volkomen gelijk toen zij aanmerkte, dat
»alhoewel het selve pas op naem van Braem van de Maj. van Denemarcken is
verkreegen, soo is het eyghentlijcken ende in der daedt voor en tot
behoef van de Biscayers”[927].

    [922] Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.

    [923] Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631, in: L. D. 1631.

    [924] Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 166.

    [925] Miss. v. Christ. IV dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

    [926] Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p.
    1149.

    [927] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

In den zomer van 1631 verscheen nu Gödert Braem met een wel toegerust
schip op Spitsbergen en weldra volgde Vrolicq met een klein scheepje uit
Havre de Grace. Aanvankelijk scheen het geluk hen niet te begunstigen.
Gedurende de jarenlange afwezigheid der Denen van Spitsbergen hadden de
Nederlanders zich niet alleen meester gemaakt van het na het overhaast
vertrek der Basken in 1623 achtergelaten gereedschap, maar ook
langzamerhand het door hunne deelgenooten aan de Mauritius-baai
gebruikte terrein in bezit genomen en met hunne schuren bezet. In de
meening, dat de Denen niet terug zouden komen, hadden zij zelfs een fort
ter verdediging daarbij gebouwd. Toen Gödert Braem dus in 1631 aankwam,
vond hij zijne plaats grootendeels ingenomen[928]. Klachten baatten
natuurlijk niet en hij koos dus met zijnen medgezel de Robbenbaai op
het later naar de Denen genoemde eiland voor zijne vestiging[929]. Deze
baai was wel is waar binnen het beweerde Nederlandsche gebied, maar toch
op eenigen afstand van de Mauritius-baai gelegen, en er was geen het
minste gevaar, dat beide natiën elkaar hinderen zouden. Toch waren de
beide schepen daar nauwelijks met de walvischvangst begonnen, of de
Nederlandsche commandeur naderde Braem, verzocht zijne paspoorten van
den koning van Denemarken te zien en vroeg tevens of Vrolicq bij hem
behoorde en door hem beschermd en gehandhaafd zou worden. Braem, reeds
korzelig gestemd, antwoordde, dat hij niet verplicht was de eerste vraag
te beantwoorden, en wat de tweede betrof verklaarde hij eenigszins
ontwijkend, dat Vrolicq »son inthime amij” was en als zoodanig door hem
behandeld zou worden. Vrolicq zelf weigerde na overleg met Braem zijne
papieren te toonen. De Nederlandsche commandeur verbood hem toen te
visschen en bedreigde hem met gewelddadige verhindering in zijn
voornemen, maar toen Braem daarop dadelijk eenige kanonnen liet zien en
zich gereed maakte Vrolicq te verdedigen, waren de Nederlanders toch te
onzeker over de betrekking, die tusschen Denen en Franschen bestond, om
het na al het over de gebeurtenis van 1623 voorgevallene tot geweld te
durven laten komen. Zij hielden af en de beide schepen vischten verder
gerust[930].

    [928] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L.
    D. 1632.--Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.

    [929] Toch waren er nog in 1634 Deensche vaten op het Amsterdamsche
    eiland. (Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 29); het
    kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s groote Zee-atlas (I p.
    72) noemt daar zelfs nog een „Deensche Tent.” Denkelijk waren de
    Deensche bezittingen aan de Enkhuizensche kamer overgegaan, maar
    hadden zij den naam behouden. (Krt. v. de Maur.-b. in den Zee-atlas
    v. V. Keulen I p. 72, jcto. de beschr. daarvan ald.--Vgl. hiervóor
    p. 143.)

    [930] Protest v. de bewindh. der N. C., als bijl. D achter hun req.
    aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
    C. R.-A.--Zie ook de rescriptie der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het
    req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl.
    gedeput. N. C. R.-A.

Naar mijn inzien had de Noordsche Compagnie dan ook geen recht, om Braem
of Vrolicq over hun gedrag lastig te vallen. De geheel toevallige
omstandigheid, dat de beide schepen dit jaar niet in de Mauritius-baai
maar in de Robbenbaai terecht kwamen, schijnt mij voor het recht der
Denen beslissend. Het gebied der Nederlanders op Spitsbergen toch was
wel niet, zooals Vrolicq later verklaarde, »soo onseecker als hare
begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten
gaende,” maar het kon toch niet ontkend worden, dat de Nederlanders, hoe
klein het gedeelte van Spitsbergens kust, waarop zij aanspraak maakten,
ook was, zich meer aanmatigden dan de geringe omvang hunner visscherij
wettigde. Van de geheele uitgestrektheid van Fairhaven tot Maudlensound
toch werd alleen de Mauritius-baai en het Amsterdamsche eiland door hen
jaarlijks bezocht; bepaaldelijk in de Robbenbaai schijnen zij zich vóor
1631 niet vertoond te hebben[931]. En de beweerde overeenkomst met de
Engelschen, waarbij hun de geheele noordwesthoek van Spitsbergen
afgestaan heette te zijn, mocht tegen dezen als wapen gebezigd kunnen
worden; de Denen noch eenig ander volk zouden zich zeker storen aan eene
regeling, waardoor eene geheele uitgestrektheid lands, waar veel winst
te behalen was, aan het verkeer onttrokken werd ter wille van eene
natie, die misschien de noodige formaliteiten vervuld had, maar zeker de
eigenlijk gezegde inbezitneming van verreweg het grootste gedeelte van
het haar afgestane land achterwege gelaten had. Volkomen met hetzelfde
recht als de Nederlanders zich indertijd nevens de Engelschen op door
dezen niet gebruikte plaatsen gevestigd hadden, namen nu de Denen op
hunne beurt weder van de eenzame Robbenbaai bezit. De toestand van
onverdeeld gemeenschappelijk bezit der Mauritius-baai door Nederlanders
en Denen nam dus een einde, maar terwijl de Nederlanders voortaan dien
zeeboezem voor zich alleen behielden, hadden dan ook de Denen het recht
in de door hen ingenomen Robbenbaai allen toe te laten, die zij wilden.

    [931] Vrolicq althans verzekerde dit herhaaldelijk. (Zie o. a. zijn
    request aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. v. d. Haarl.
    gedeput. N. C. R.-A.) De N. C. ontkende het nooit bepaald, en de
    Stn.-Gen. beweerden slechts éen enkele maal, blijkbaar minder juist
    ingelicht, dat de N. C. de walvischvangst in de bedoelde baai niet
    alleen sinds lang had geoefend, maar zelfs daarvan had bezitgenomen
    „bactissant leur loges et dressans tout leur appareil necessaire.”
    (Antw. der Stn.-Gen. aan Baugy dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.)

Hoewel dus de verplaatsing der Deensche walvischvangst naar de
Robbenbaai het gunstige gevolg scheen te zullen hebben, dat de koning in
zijne plannen met de Basken bij beter recht ook meer kans van slagen
hebben zou, was Christiaan IV echter niet geneigd zich zonder protest te
laten verdringen. Weldra verscheen Gödert Braem in Den Haag met brieven
van den koning, die klaagde, dat de Noordsche Compagnie zich niet
ontzien had een groot gedeelte van de plaats »vff der von vnserm
Königreich Norweg dependirenden Grönländischen Insull Christiansbergen,
von anderen Spitzbergen genand,” waar de Denen van ouds gewoon waren te
visschen, zich toe te eigenen en te bebouwen. Onder bedreiging met
krachtige maatregelen verzocht de koning kort en goed »restitution und
demolition[932].” De zaak werd nog nader aangedrongen[933], maar de
Staten-Generaal gaven niet dan uitstellend antwoord en er kwam ook
verder niets van eenige voldoening. Ook scheen dit onnoodig: de Deensche
walvischvaarders vestigden zich voor goed in de Robbenbaai; zij hadden
daar en misschien in het nabijgelegen Deensche gat even goede
gelegenheid voor hun bedrijf als vroeger, zonder ooit met de
Nederlanders te behoeven in aanraking te komen.

    [932] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L.
    D. 1632.--R. S.-G. 13 Mrt. 1632.

    [933] Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.--R. S.-G. 31
    Mrt., 24 Juli 1632.

De gelegenheid om de Baskische walvischvaarders op Spitsbergen binnen te
leiden scheen dus nu schooner dan ooit. Ongelukkig liet juist op dit
oogenblik de ondankbare Vrolicq zijne beschermers in den steek. Hoewel
hem in 1631 ongetwijfeld alleen door de tusschenkomst van Gödert Braem
het verblijf in de Robbenbaai gegund was, schijnt hij gemeend te hebben,
dat hij nu ook voortaan wel zonder van zijne daden rekenschap te geven
op Spitsbergen zou kunnen verkeeren. Dadelijk na zijne terugkomst in
Frankrijk verkondigde hij dan ook, dat de Nederlanders de Fransche
paspoorten erkend hadden en hij maakte zich gereed zelfstandig op
Spitsbergen te verschijnen. Wij zullen spoedig zien, dat zijne
onafhankelijkheid hem ten minste aanvankelijk slecht bekwam[934];
voorloopig houden wij ons alleen met de Denen bezig.

    [934] Zie hierover meer in Hfdst. VIII.

Johann Braem liet zich niet ontmoedigen: nu Vrolicq hem ontvallen was,
knoopte hij dadelijk onderhandelingen met andere Franschen aan. Het
gelukte hem werkelijk eenige Basken, wien de walvischvangst aan
Spitsbergen door het uitsluitend octrooi, dat Richelieu aan Vrolicq
verleend had, gesloten was, voor zijn plan te winnen en in den zomer van
1632 verschenen nevens Gödert Braem twee Biscaaische schepen, de »Pigeon
blanc” kapitein Pierre Bathon[935] en de »Ste. Marie” kapitein Jean De
Sigaroy in de Robbenbaai. Commandeur Jacob Jansz. Duynkercker,
doortastender maar ook minder nauwgezet dan het vorige jaar, gelastte
hun echter dadelijk te vertrekken. Braem schijnt zijne beschermelingen
niet tegen den bepaalden wil der Nederlanders in de Robbenbaai te hebben
kunnen handhaven en de Basken moesten voor de overmacht bukken en zich
naar de Noordkaap begeven. Om zich te wreken wachtten zij echter daar
het vertrek der Nederlandsche walvischvaarders van Jan Mayen-eiland af
en zeilden toen daarheen. Den 31 Augustus 1632 landden zij, braken de
verlatene schuren der Nederlanders open, roofden niet minder dan 600
quarteelen van de daar achtergelatene traan en meer dan 200,000 pond
walvischbaarden. Ook gereedschappen tot de walvischvangst werden
medegevoerd; wat niet draagbaar was werd vernield[936] en toen de
schepen der Noordsche Compagnie in 1633 weder op het eiland aankwamen,
begrootten zij de schade op veel meer dan ƒ 100,000. Van eenige Basken
vernam men al spoedig, wie de daders waren[937].

    [935] Ik kies dezen naam op goed geluk af uit de verschillende, die
    vermeld worden: Bathon, Balcon, Ratson en Piasion.

    [936] Uit vrees voor eene herhaling van dergelijke aanvallen waren
    de Nederlandsche matrozen, die in 1633 op Spitsbergen en Jan
    Mayen-eiland overwinterden, dan ook zeer tegen de komst van
    Baskische schepen op hunne hoede. (Journ. der Seven Matroosen op
    Mauritius. p. 4.--Vander Brugge, Journael. p. 6.)

    [937] Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, ook: ald.
    bijl. K, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Rescr. der N.
    C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn.
    N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

Het was eene netelige zaak, waarover men van verschillende kanten en bij
verschillende rechters klagen kon. De Nederlanders schijnen dan ook met
de zaak verlegen geweest te zijn. Terwijl de Noordsche Compagnie
volhield, de toegebrachte schade als van Baskischen oorsprong te
schrijven op rekening der Fransche compagnie voor de walvischvangst, die
natuurlijk tegen de daders even vijandig gezind was als zij zelve[938],
klaagde zij toch bij de Staten-Generaal over de »molestie”, hun door de
Denen op Spitsbergen aangedaan door het herhaalde invoeren van Fransche
walvischvaarders[939]. Tevens verzocht zij met nadruk, om door de Staten
»by haer recht ende octroy gemainteneert te worden[940].” De Staten
zeiden der compagnie wel hunne bescherming toe[941], maar durfden bij
Christiaan IV, met wien men juist bezig was over eene schikking te
onderhandelen, niet te klagen uit vrees voor nieuwe moeielijkheden. De
koning van zijne zijde wilde niet spreken van den inbreuk, op zijn recht
gemaakt door de weigering van toelating der Basken uit vrees voor
eischen tot vergoeding der door hen aangerichte schade. Blijkbaar was
ook Z. M. met de zaak verlegen. Hij sprak Van Cracouw een enkele maal
daarover aan, en vroeg zeer naïef: »waer wil dat eijntelick heen?” Maar
toen de Nederlandsche resident hem op de verkeerde gevolgen van Braems
knoeierijen met de Basken wees, liet hij zich toch weldra tot eene
betere regeling voor het vervolg vinden[942]. Een eisch tot vergoeding
der geledene schade werd eerst in 1641, toen de juiste toedracht der
zaak vergeten was, in zeer overdrevene termen aan de Nederlandsche
ambassadeurs op de conferentie te Staden gedaan. Weder werd de zaak zóo
voorgesteld, alsof de Noordsche Compagnie Gödert Braem zelven van
Spitsbergen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd van de
»hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et dominij” van
Denemarken over de zeeën, »die van Norwegen ende Groenlant dependeren.”
Ook over deze grief verwees men echter de Denen naar de gewone
rechters[943], en van de zaak, die zoolang gerust had, werd niet verder
gesproken.

    [938] Dupl. v. Vrolicq dd. 15 Apr. 1633 op de rescr. der N. C. dd. 8
    Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

    [939] R. S.-G. 18 Jan. 1633.

    [940] R. S.-G. 21 Jan., 10 Febr. 1633.

    [941] R. S.-G. 18 Jan., 10 Febr. 1633.

    [942] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, 5
    Febr. 1633, in: L. D. 1633,--en dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C.
    v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [943] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641.

Terwijl alzoo Christiaan IV door zijne herhaalde verzoeken aan de
Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving der Basken een
stap verder gekomen was tot zijn doel, de erkenning van zijne
souvereiniteit over Spitsbergen door de Biscaaiers en vooral door
Nederland, had Johann Braem zelf langs omwegen hetzelfde doel trachten
te bereiken. Reeds in 1631 had hij aan de Noordsche Compagnie als een
groot voordeel aangeboden, dat zij tegen vergoeding der door hem in 1623
geledene schade deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den
koning verleend, ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de
walvischvangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen[944]. Het komt mij
weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschijnende aanbieding,
zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan, niets anders bedoeld werd
dan de compagnie tot eene daad te verlokken, waardoor zij minst genomen
den schijn op zich zou laden, dat zij van den koning van Denemarken het
recht op de walvischvangst tegen betaling verkregen had. De
Staten-Generaal liepen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde
echter kortaf[945]. Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te
bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede list. Den
26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche koopman, Pelt genaamd,
een handelsvriend van Braem en waarschijnlijk voor deze zaak zijn
compagnon[946], tot de Staten-Generaal met verzoek om een te Amsterdam
voor Johann Braem tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken
te mogen laten vertrekken[947]. Op advies der Amsterdamsche
admiraliteit werd het verzoek echter afgeslagen[948] en weinige dagen
later gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over tot
het arresteeren van een plakkaat tegen alle »directe ofte indirecte
lorrendrayerien[949].” »Wij komen in ervaringe,” dus schreven de
Staten-Generaal daarin, »dat deur toedoen van eenige ongeruste Menschen,
de welvaert deser Vereenichde Landen benijdende, ghetracht wort de
Walvisscherije, by directe ende indirecte wegen ende middelen, te
contramineren, om de goede Ingesetenen deser Landen van de voorszeide
Neeringe t’ ontsetten, ende de verwachte Vruchten selfs te genieten,
poogende tot dien eynde in dese Vereenichde Provintien tot hen te
trecken veele Inghesetenen ende Inwoonderen deser Landen, om by andere
wegen als deur directie ende beleydt van de Noortsche Compagnie, binnen
de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen, ende de Neeringe
van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te plegen, exerceren, ende de
selve elders buyten dese Lande te diverteren. Ende dat oock vele onser
Ingesetenen hun vervorderen soodanige diensten aen te nemen, andere daer
toe te induceren ende helpen aennemen, ~mitsgaders in Uytheemsche
Compagnien ende voyagien te participeren, ende de selve met hun middelen
te helpen formeren~, streckende alle ’t selve tot groot naedeel van de
voorszeide Compagnie, interest van de gemeene welvaert deser Landen,
ende uyt-nemende groote schade van veele Ingesetenen van dien, daer uyt
de voorszeide Compagnie is gheformeert, waer jegens nae behooren dient
voorsien, ende alle mogelijcke ordre gestelt.” Op deze gronden verboden
de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 1^{o}. om in vreemde
dienst ter walvischvangst uit te varen, 2^{o}. om Nederlandsche schepen
te verhuren aan vreemde walvischvaarders, en 3^{o}. om aandeelen te
nemen in vreemde compagniën voor de walvischvangst[950]. Toen de Staten
hunne gedragslijn zoo openlijk hadden afgebakend, was er natuurlijk aan
geen inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel dan ook
niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resident in Denemarken
Carel Van Cracouw, maar ook de koning zelf het verzoek nog dringend
aanbevalen, stuitte ook deze toeleg om Nederlandsche walvischvaarders
onder de Deensche vlag te scharen af op de besliste houding der
Staten-Generaal. De aanbeveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving
aangenomen[951], Braem verwees men naar het plakkaat[952]; de booze
brief van den koning eindelijk werd ter zijde gelegd als »niet
geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen hare Ho.
Mo. te schryven.” Het stuk werd zelfs later teruggezonden met de vraag,
»waerom datmen in dese den gewoonlicken styl was te buyten gegaen, ende
hare Ho: Mo: niet gequalificeert (had) met den titul die deselve
competeert[953].”

    [944] R. S.-G. 26 Juli 1631.

    [945] R. S.-G. 28 Juli 1631.--In 1626 schijnen eenige Nederlanders
    gewilliger geweest te zijn, maar de slechte uitslag der
    walvischvangst aan de Noordkaap heeft hen zeker van het doorzetten
    der zaak afgeschrikt. (Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 131.)

    [946] Vlg. den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei
    1639 (L. D. 1639) was Philips Pelt „factoor” van Braem te Amsterdam,
    en „wiert hy oock verdacht te sijn in Compagnie met Jan Braem weegen
    de walvischvangst.”

    [947] R. S.-G. 26 Febr. 1633.

    [948] R. S.-G. 7 Mrt. 1633.

    [949] R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.--R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt.
    1633. p. 15.

    [950] Gr. Placaetboeck. I p. 680-83.--Het plakkaat zal misschien
    bedoeld hebben, tegelijkertijd een einde te maken aan eenige
    handelingen van Nederlanders van geheel denzelfden aard met
    betrekking tot eene Fransche compagnie. Zie hierover meer in Hfdst.
    VIII.

    [951] R. S.-G. 21 Apr., 3 Mei 1633.--Zie den brief (dd. 20/30 Mrt.
    1633) in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

    [952] R. S.-G. 13 Apr. 1633.

    [953] R. S.-G. 19 Apr. 1633.

Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning, hetzij ze
zijdelings of direct verzocht werd, stoutweg durfden weigeren, trachtten
zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere aanzoeken
verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen van Christiaan IV over
zijne »Hoocheit ende Regalia” moede, wenschte men langs diplomatieken
weg den koning van het impolitieke zijner handelwijze te overtuigen,
toen het bleek dat de standvastige weigering hem het gekozene standpunt
niet deed verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbij
het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onderworpen, had de
Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de zaak een goed einde zou
nemen, van de gelegenheid gebruik gemaakt om er bij Christiaan IV op aan
te dringen, dat hij alle reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het
vervolg zou voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts
aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen te
willen uitreiken en wel onder beding, dat verkoop aan vreemden
ongeoorloofd zou zijn[954]. Ofschoon dit verlangen zeker zeer billijk
was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, wien de zaak in
handen gegeven was[955], door den koning geantwoord, dat de voorstelling
door de Noordsche Compagnie van Braems handelingen gegeven geheel
onjuist was. Zoo de Nederlanders mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn
octrooi werkelijk verkocht had, wilde de koning hem »ten exemple van
anderen sonder genade straffen[956].” De Noordsche Compagnie antwoordde
op deze vordering door het overleggen van een afschrift van Braems
contract met de Basken, waaruit de oneerlijke handelwijze van ’s konings
beschermeling duidelijk bleek. De Staten-Generaal zonden dit stuk naar
Kopenhagen met eene begeleidende missive, waarin zij nader op het
ophouden van alle betrekkingen met de Biscaaiers en het intrekken van
Braems octrooi aandrongen. Wij kunnen niet gelooven, dus schreven de
Staten, »d’jntentie van uwe Con. Ma^{t}. te syn de Walvischerije ende
neringe daer an dependerende uyt uwe Ma^{teyts} Coninckrijck te doen
diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale redenen
ende de nature zelver van alle octroijen, daer toe streckende,
omme de onderdanen selver ende niet vremde ende uytheemsche te
gratificeren[957].” De koning moest zich met deze overtuigende bewijzen
wel tevreden houden, maar aan het verzoek der Staten werd voorloopig
niet voldaan. Waarschijnlijk heeft Braem »met sijne fauoriten” de zaak
gesust. De onaangename toon, door Christiaan IV aangeslagen, belette
verder geruimen tijd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle
pogingen in dezen geest. Eerst de memorie, door de Noordsche Compagnie
in 1631 aan de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer
medegegeven[958], behandelde de politieke quaestie weder zeer uitvoerig.
Het was eene geheime mededeeling, alleen ter instructie van de gezanten
bij eventueele klachten bestemd, en laat ons dus een diepen blik in de
politieke drijfveeren der twistende partijen slaan.

    [954] R. S.-G. 26 Apr. 1625.

    [955] R. S.-G. 13 Mei 1625.

    [956] Miss. v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in:
    L. D. 1625.--R. S.-G. 28 Juni 1625.

    [957] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 2 Jan. 1626, in:
    L. D. 1626.--R. S.-G. 2 Jan. 1626.

    [958] Zie hiervóor p. 257 Noot 6{[917]}.

De Noordsche Compagnie begon met de handelwijze van Braem in deze zaak
kortelijk te verhalen. Eerst had deze zijn octrooi aan de Biscaaiers
verkocht en daardoor een lang en nadeelig proces met de Noordsche
Compagnie moeten voeren. Daarna, toen hij zag dat zijn toeleg niet
gelukte, had hij een nieuw octrooi van den koning verzocht met volmacht
om de Basken daarin te mogen opnemen. Dit octrooi, schijnbaar aan Braem
verleend, was in werkelijkheid alleen den Franschen voordeelig geweest,
want Jean Vrolicq had tegelijkertijd een octrooi van Frankrijk gevraagd,
en terwijl het zeker was, dat de Deensche onderdanen in de Fransche
compagnie »niet eenen stuyver” aandeel hadden, kregen dezen alleen een
zeker gedeelte van de vangst voor het verlof om op de Deensche passen te
mogen varen.--Aan dit verhaal werden nu de gevolgtrekkingen
vastgeknoopt, dat 1^{o}. door het vragen van een Fransch octrooi de
souvereiniteit der Denen over Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer
gesteld was, twijfelachtig gemaakt werd, en 2^{o}. dat door de
slinksche streken van Johann Braem de nering der walvischvangst uit
Denemarken werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste punt
waren de bewindhebbers vooral uitvoerig. Uit het medegedeelde bleek
voldoende, schreven zij, »met wat studie” de Basken, die vroeger
meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de Noordsche Compagnie
op Spitsbergen te worden toegelaten,--een verzoek, steeds »om gewichtige
redenen met beleeftheyt afgeslagen,”--»van tijdt tot tijdt hadden
getracht hen selven in te dringen in de Visscherie om alsoo metter tijdt
de andere natiën daer van te depossederen.” Het hoofdpunt der memorie
bleef dan ook het betoog »hoe schaedelijck dat het soude wesen, niet
alleen voor dese Landen, maer oock voor die van Denemarcken selven, het
inruymen van de Biscayers, Francoisen, ofte andere Natien, in den
Walvisch-vanckst op Spitzberghen: ende dat daer mede die gantsche
neringe niet alleen uyt dese Landen, maer oock uyt Dennemarcken soude
werden gediverteert, en in de andere Koninckrijcken ende Landen
getransporteert”[959].

    [959] Zie de memorie bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.

Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel schijnt
men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben, maar
waarschijnlijk lieten zij het stuk in handen van den Nederlandschen
resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebruik van maakte. De
onafhankelijke stelling in 1632 door Vrolicq aangenomen, die niet
schroomde tegen de Denen, die hem op Spitsbergen binnengeleid hadden,
uit kracht van zijn Fransch octrooi op te treden,--de ongelukkige
uitslag der proefneming door Braem met andere Basken gewaagd, openden de
oogen van den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner
handelwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw dadelijk
een behendig gebruik; de eerste gelegenheid greep hij aan, om den koning
voor de redenen der Noordsche Compagnie te winnen. De »meededelinge” der
paspoorten aan de Biscaaiers, dus betoogde Van Cracouw, was de eenige
oorzaak van de onaangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De
Noordsche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen »alle
hulpe ende assistentie” verleend, en was nog bereid daarmede voort te
gaan; maar de Basken, die nu met twee schepen gekomen waren en zeker in
volgende jaren met hoe langer hoe grooter uitrusting Spitsbergen zouden
bezoeken, wilde men niet toelaten, »alsoo sij bij alle weegen ende
middelen sochten de Neeringe ende vischerie der Compaignie te ontrecken,
niet alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaignie
maer oock tot Sijne Ma^{ts}. onderdanen selffs”[960]. Deze redeneering
vond dadelijk een gunstig onthaal. Z. M. verzocht den resident bij
gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. Reeds die tweede
audientie had door de behendigheid van Van Cracouw het gelukkige
resultaat, dat de koning aan Braem verbood zijne paspoorten aan de
Biscaaiers over te doen of met hen in compagnie te zijn. Z. M. besloot
voortaan geene paspoorten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit
te geven en beloofde aan Van Cracouw, dat hij de reeds verleende zou
intrekken[961]. Het belang der Deensche walvischvangst schijnt eindelijk
de overhand behouden te hebben op ’s konings begeerte om zijn voorgewend
recht erkend te zien, een recht, dat hem toch zeker minder voordeel zou
opbrengen dan de handel zijner onderdanen zelf, wanneer het gelukte dien
te doen bloeien.

    [960] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, in: L.
    D. 1633.

    [961] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L.
    D. 1633.

Johann Braem bukte voor den bepaalden wil des konings; hij beloofde »de
Basques te willen affsnijden ende met haer geen handel meer te hebben.”
Weldra bracht hij aan Van Cracouw een bezoek en betuigde voortaan weder
in »goede vrundtschap ende correspondentie” met de Noordsche Compagnie
te willen leven; hij zou daartoe evenals vroeger met twee Deensche
schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van de compagnie
hoopte hij dan ook weder de toestemming te verkrijgen, om met die twee
schepen in vrede naast de hare te mogen visschen[962]. De Noordsche
Compagnie van hare zijde had zich reeds lang daartoe »ouerboodich”
verklaard en alle moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met
Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het verzoek begroet
en zoo was de quaestie eindelijk in der minne geschikt[963].

    [962] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/30 Mrt. 1633, in:
    Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

    [963] Van Deensche zijde werd tevens beloofd, dat men moeite zou
    doen de intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v.
    Van Cracouw dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.) Spoedig werden echter
    pogingen aangewend, die met deze belofte streden. De Basken, eenmaal
    op Spitsbergen toegelaten, hadden zich niet laten verdrijven.
    Christiaan IV besloot toen, op nieuw te trachten, van hen zooveel
    voordeel te trekken als mogelijk was. Op het laatst van 1635
    verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde te
    bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning
    van Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen
    zouden. De gezant der Staten, Pauw van Heemstede, werkte dit
    dadelijk tegen door het voordragen van het halfslachtige
    Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscherije op de
    voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende
    niemant subiect is, behalven dat d’ eerste inventeurs ende
    ontdeckers by preferentie mogen ende behooren te genieten de
    plaetsen bij haer tot so grote costen ende periculen ondeckt ende
    bevischt.” (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L.
    F. 1636.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder gevolg
    gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne tochten.
    (Verbaal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.)

Gedurende de eerstvolgende jaren na 1633 werd de walvischvangst tusschen
de beide mogendheden niet besproken. De Deensche visscherij ontwikkelde
zich langzamerhand en de Nederlanders dachten er niet aan, hunne
bondgenooten in hun vreedzaam bedrijf te hinderen. Langzamerhand
bedreigde echter een nieuw gevaar de goede verhouding der twee natiën.
Ditmaal waren het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding
waren, dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende.
Terwijl gedurende den geheelen tijd van haar bestaan de uitrustingen der
Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schijnen gebleven te zijn, zag
men kort na 1633 het getal der Nederlandsche schepen in de IJszee
plotseling toenemen. Niet de Noordsche Compagnie gaf door grootere
inspanning aanleiding tot die vermeerdering; concurrenten waren in
Nederland zelf tegen de bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen
het altijd betrekkelijk kleine getal »interlopers”, niet alleen de sinds
1634 door acht concurreerende Hollandsche steden openlijk naar
Spitsbergen gezondene schepen[964], vooral de op eenigen afstand van dit
eiland gedrevene zeevisscherij deed het getal walvischvaarders klimmen.
Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds
geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe, de vangst in de volle
zee bleek eerlang, toen de walvisschen de baaien meer en meer verlieten,
zoo voordeelig, dat de compagnie zelve eenigszins bezorgd begon te
worden. De koning van Denemarken, sinds 1631 reeds uit de Mauritius-baai
verdreven, begon dan ook bevreesd te worden, dat de Nederlanders zijne
onderdanen zouden overvleugelen en langzamerhand geheel verdringen. Hij
besloot op afdoende wijze aan de zoo ras toenemende concurrentie een
einde te maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: »alleen in
Vreede sittende, ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende, dede
hy wat hem beliefde, ende meende hem konde geen Zee te hoogh gaen”[965].

    [964] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1^{e}
    confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [965] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen slechts volgens
haar goedvinden en door hare welwillendheid op het aan Nederland
toebehoorende Spitsbergen vischten, wel eens te kennen had gegeven, dat
zij ongaarne meer dan het van ouds gebruikelijke getal van twee Deensche
schepen tot de visscherij zou toelaten[966], zoo had ook Christiaan IV
uit kracht van zijne beweerde souvereiniteit reeds een paar maal
verzocht, dat de Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar
de Mauritius-baai zouden zenden, opdat zijne onderdanen niet binnen den
kleinen omvang der baai in hunne walvischvangst gehinderd zouden
worden[967]. Nu echter scheen het noodzakelijk dien eisch met kracht
door te zetten, opdat niet ook de Robbenbaai voor de Denen gesloten zou
worden. De Noordsche Compagnie had zich echter in de jaren, die sinds de
quaestie met Braem verloopen waren, een goede en weinig hinderlijke
nabuur getoond en Christiaan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder
op Spitsbergen toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche
walvischvaarders was niet van de compagnie uitgegaan, maar hoofdzakelijk
van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop van
Nederlandsche visschers wenschte de koning paal en perk te stellen. Geen
beter middel was er om dit doel te bereiken, dan om zijne
souvereiniteitsrechten, die, tot nog toe alleen een middel tot
geldafpersing, sinds dat streven nutteloos gebleken was bijna niet meer
genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voorgrond te stellen. Daartoe
werd dan ook weldra besloten.

    [966] Miss. v. Van Cracouw, dd. 5 Febr., 30 Mrt. 1633, in: L. D.
    1633, en in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken
    v. Staet. I p. 1150.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634,
    in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en: Protest der N. C. v.
    1631, aldaar als bijl. D.

    [967] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 juli 1624, 29 Jan.
    1631, in: L. D. 1624, 1631.--Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 juli
    1632.

Den 10 April 1637 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van
Christiaan IV van 12 Februari, waarin hij aandrong op vermindering en
regeling van de uitrustingen der Nederlanders op Spitsbergen, daar de
Noordsche Compagnie meer schepen uitzond »als de plaets leedt”, en
vooral daar schepen niet aan de compagnie behoorende te gelijk met de
hare aankwamen. Z. M. beweerde, dat zijn uitsluitend recht op het eiland
door alle natiën erkend was; hij meende, dat het eene slechte vergelding
was voor het verlof, den Nederlandschen walvischvaarders boven anderen
»by conniventie” en uit vriendschap verleend, dat men nu door de
grootere uitrustingen de Denen belette hun bedrijf te oefenen, en hij
eindigde met de verklaring, dat hij vertrouwde, dat de Staten-Generaal
deze handelwijze zouden afkeuren en, voordat hij tot andere maatregelen
overging, zorgen, dat er voortaan niet meer Nederlandsche schepen op
Spitsbergen verschenen dan tot nog toe het geval geweest was[968].

    [968] R. S.-G. 10 Apr. 1637.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch, die nog nooit met
zooveel nadruk gesteld was, zeer verlegen. De resolutie op den brief des
konings werd uitgesteld en de Noordsche Compagnie om inlichting gevraagd
over de daarin besproken zaak[969]. Weldra kwam er bij de
Staten-Generaal eene remonstrantie van de compagnie over den Deenschen
eisch in[970]. Zij betoogde in dat stuk, dat de Nederlanders krachtens
hunne ontdekking en gerust bezit sinds 1596 heeren van Spitsbergen waren
geweest; dat de aanspraak der Denen op het eiland van 1617 dagteekende,
toen de Noordsche Compagnie een Deensch schip uit vriendschap tot de
walvischvangst had toegelaten, en dat het aan Denemarken toebehoorende
Groenland een geheel ander land was dan het hier bedoelde Spitsbergen.
Van hare zijde klaagde de compagnie nu, dat de Denen sinds 1617
langzamerhand het getal hunner schepen hadden vermeerderd en zoowel
hierdoor als door het verkoopen der passen aan de Basken den
Nederlandschen walvischvaarders veel schade hadden toegebracht; dat zij
nu tegen de plakkaten der Staten-Generaal hunne uitrustingen in de
Vereenigde Provinciën deden en ook hunne vangst daar verkochten tot
groot nadeel der compagnie en als een blijkbare inbreuk op haar octrooi.
In de hoofdgrief van den koning deelde de compagnie zelve volkomen: ook
zij klaagde, dat vele schepen niet aan haar toebehoorende tegen het
octrooi der Staten-Generaal aan Spitsbergen kwamen visschen en dat
daardoor een voordeelige vangst onmogelijk werd. Op al deze gronden werd
van de Staten-Generaal handhaving van het octrooi der Noordsche
Compagnie, hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken
daarop en verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden
door vreemden verzocht[971].

    [969] R. S.-G. 10 April 1637.

    [970] R. S.-G. 15 Mei, 24 Juni 1637.--De inhoud der memorie is
    medegedeeld bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

    [971] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

Niettegenstaande deze memorie in de vergadering der Staten-Generaal den
15 Mei eindelijk gelezen was[972], werd het antwoord op den brief van
Christiaan IV steeds uitgesteld. Driemaal moest van Deensche zijde
aangedrongen worden op bescheid[973]. Eindelijk besloten de
Staten-Generaal, toen uitstel niet langer mogelijk scheen, op advies van
Holland[974] uit den brief der Noordsche Compagnie eene missive aan
Christiaan IV samen te stellen[975]. De Staten klaagden daarin over
inbreuken op het octrooi der compagnie, die door Pelt en anderen sinds
1633 niettegenstaande het plakkaat van 11 Maart onverholen gepleegd
werden[976]. Er was reden tot klagen over de Deensche walvischvaarders,
dus luidde het, »vermits deselve onder hun laten schuilen vele
jngesetenen deser Landen diewelcke in prejuditie en tegens het Octroy,
’t welck wy aende voornoemde onse Compaignie hebben verleent deselve
onderstaen den walvischvanxt te ondercruipen, daertoe gebruikende
verscheiden pretexten”[977]. Wanneer de koning geen orde op de zaak
wilde stellen, dan werd met strenge handhaving van het plakkaat tegen de
»lorrendrayerien” gedreigd. Den 26 Juni 1637 werd het stuk gearresteerd
en verzonden[978].

    [972] R. S.-G. 15 Mei 1637.

    [973] R. S.-G. 6, 15 Mei, 19 Juni 1637.

    [974] R. H. 19 Mei 1637.

    [975] R. S.-G. 24 Juni 1637.

    [976] Zie daarover hiervóor p. 264 vlg.--Dat de knoeierijen nog
    voortduurden, blijkt uit den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen.
    dd. 24 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.

    [977] Zie den brief in: L. D. 1637.--Hij is afgedrukt bij:
    Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 226-28; de daarbij gevoegde
    inleiding behoort hier echter niet thuis.

    [978] R. S.-G. 26 Juni 1637.

Christiaan IV liet zich met zoo onvoldoend antwoord niet tevreden
stellen. Zijne pretensie werd ontkend; in plaats van voldoening waren
hem zelven klachten te gemoet gevoerd. Hij besloot de Staten-Generaal
met geweld te dwingen, om den grooten toeloop van walvischvaarders, die
niet eens tot de Noordsche Compagnie behoorden, te verhinderen. In den
zomer van 1638 verscheen kapitein Corvitz Vhlefeldt met drie Deensche
oorlogschepen in de IJszee. Nog in volle zee ontmoette hij twee schepen
van de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam, genaamd de St.
Pieter, kapitein Claes Melchiorsz., en de Eenhoorn, kapitein Adriaen
Ollebrantsche (Hillebrantsz.?)[979], die in navolging hunner
concurrenten daar met de walvischvangst bezig waren. De ontmoeting
beloofde niets goeds. Immers de zeevisscherij zelve, tot nog toe alleen
door mededingers der Noordsche Compagnie gedreven, was in de oogen van
den Deen reeds een reden om de plegers te wantrouwen. Vhlefeldt dwong
dan ook de bevelhebbers door eenige schoten met scherp dadelijk, hem
hunne scheepspapieren te toonen. Hoe wel de schepen der compagnie, sinds
jaren niet in hun vreedzaam bedrijf gehinderd en op niets dergelijks
verdacht, de vereischte bescheiden niet bij zich hadden, schijnt het hun
toch gelukt te zijn den Deen tevreden te stellen met de verzekering, dat
zij Nederlanders waren en niets anders deden dan hun geoorloofd was.
Tegen betaling van eene vergoeding van ƒ 10 voor elk gedaan schot liet
Vhlefeldt hen gaan. Ongewoon als het echter toen nog was, de
zeevisscherij door schepen der Noordsche Compagnie zelve te zien
oefenen, schijnt het bedrijf der beide schepen den Deenschen kapitein
toch nog altijd verdacht voorgekomen te zijn. Hij kon niet gelooven, dat
de compagnie zelve de voordeelige kustvisscherij zou opgeven voor een
bedrijf, dat tot nu toe alleen door hare mededingers gedreven was, en
hij hield dus de beide schepen verder in het oog. En nauwelijks lieten
zij het anker aan Fair foreland vallen, of hij legde beslag op schip en
lading. Het was nu uitgemaakt, meende hij, dat zij door de visscherij
aan Spitsbergen eene daad pleegden, die niet hun maar alleen de
bevoorrechte compagnie bij uitzondering geoorloofd was. Het gelukte den
Nederlanders ditmaal niet, Vhlefeldt van zijn ongelijk te overtuigen:
een geheele maand bleven zij in arrest en eerst aan andere schepen der
compagnie, die toen van de zaak kennis kregen, gelukte het de gevangenen
in vrijheid te stellen. Daar het reeds ingeladen spek, onbereid als het
was, gedurende het arrest meest gesmolten was, en de gelegenheid om dit
verlies te herstellen hun door het langdurige oponthoud ontbrak, kwamen
de beide schepen met groot verlies te Amsterdam aan[980].

    [979] Eigenlijk zegt de Instructie der ambassade van 1639 (bij:
    Aitzema, Saken v. Staet. II p. 632), dat het waren „twee Schepen van
    Amsterdam, toebehoorende aen de ~Bewinthebbers~ van de Noordtsche
    Compagnie.” Daar echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de
    bres stelde, komt het mij voor, dat de woorden moeielijk anders
    verstaan kunnen worden dan ik in den tekst deed, te meer daar een
    inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers zelven toch
    onwaarschijnlijk is.--De Denen beweerden, dat de schepen behoorden
    aan zekeren „Jochim Melchert,” die het verlof om naar Spitsbergen te
    varen en in de opene zee te visschen gekocht had van de
    bewindhebbers van de Amsterdamsche kamer der N. C. (Antw. v. Christ.
    IV dd. 7 Oct., in: Verbaal der ambass. v. 1639--Br. v. Van Cracouw
    aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Ik heb den
    oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie de plechtige
    verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen brief
    aan Christiaan IV dd. 29 Mrt. 1639. (L D. 1639.)

    [980] Het verhaal is ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van
    Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639, en in de:
    Instructie van de Staten Generael.... voor de Heeren.... Burgh....
    ende Conders van Helpen, .... gaende in Ambassade aenden Coninck van
    Dennemarcken, dd. 14 Mei 1639.--Zie ook: Aitzema, Saken v. Staet. II
    p. 629.

De handelwijze van den Deenschen koning schijnt door de Nederlanders
geheel verkeerd begrepen te zijn. Terwijl het Christiaan IV alleen te
doen was om de in die jaren door de Staten van Holland begunstigde,
veelvuldige inbreuken op het octrooi der Noordsche Compagnie te weren en
zoodoende de walvischvangst zijner onderdanen voor te groote
concurrentie te beveiligen, meende de compagnie, dat Z. M. niets minder
bedoeld had, dan van alle Nederlandsche walvischvaarders Deensche
verlofpassen voor de visscherij aan Spitsbergen te eischen en dus ook de
compagnie zelve in haar jarenlang ongestoord bezit der walvischvangst
te storen[981]. Zij klaagde dan ook hevig bij de Staten-Generaal en
dadelijk werd door dezen aan Van Cracouw geschreven, dat hij zorgen zou
voor spoedige voldoening[982].

    [981] R. S.-G. 9 Nov. 1638.--R. H. 3 Dec. 1638.--Instr. der ambass.
    v. 1639.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 538.

    [982] R. S.-G. 18 Oct. 1638.

De onderhandelingen, door dezen met Christiaan IV gevoerd, leidden
aanvankelijk tot een gunstig gevolg. Van Cracouw stelde twee eischen.
Hij verzocht 1^{o}. reparatie van de schade, door Vhlefeldt aan de
Nederlanders in hunne nering veroorzaakt, en 2^{o}. handhaving van het
recht der Noordsche Compagnie uit kracht van hare ontdekking van
Spitsbergen en haar jarenlang bezit der walvischvangst. Hoewel Z. M. dit
laatste punt volstrekt niet wilde toegeven en volhield, dat zelfs het
geven van den naam Spitsbergen eene usurpatie was, daar het land
behoorde tot de »Gronländischen Vtscheren” en »Christiansbergen” heette,
toonde hij zich evenwel tot eene schikking geneigd[983]. Op verzoek van
den kanselier Reventlow, met wien de onderhandeling werd voortgezet,
deed Van Cracouw dadelijk eenige voorslagen, om de walvischvangst der
twee volken en de verdeeling van de traan tusschen hen te regelen, opdat
alle oneenigheden in het vervolg voorkomen worden en beide partijen
daardoor meer voordeel dan tot nog toe trekken zouden. Van Cracouw
stelde voor op hoop van de goedkeuring der Noordsche Compagnie: 1^{o}.
dat de twee volken overeen zouden komen om jaarlijks een bepaald getal
schepen naar Spitsbergen te zenden in verhouding tot de krachten der
wederzijdsche compagniën, 2^{o}. dat beiden zouden blijven binnen de
grenzen van het nu door hen op het eiland bezeten gebied, of 3^{o}. dat
de Deensche compagnie hare traan alleen in Denemarken zou invoeren, en
dat haar dit land en »heel Oostlandt” (de landen aan de Oostzee) als
débouché zou worden overgelaten; terwijl de Noordsche Compagnie de
landen aan de Elbe, Weser en Eems benevens Nederland, Frankrijk en de
overige zuidelijke en westelijke landen van traan zou voorzien. Op het
eerste gezicht beviel deze regeling Christiaan IV wel; eerst na nader
onderzoek van de verhouding der beide compagniën wenschte hij zich
echter bepaald uit te laten. Wat de zaak van Vhlefeldt aanging,
voorloopig beloofde Z. M. (9 November 1638) onderzoek te zullen doen
naar het in den zomer aan Spitsbergen voorgevallene; reeds nu gaf hij
aan Van Cracouw te kennen, dat het zijne bedoeling geheel niet was de
Nederlanders hunne nu eenmaal gevestigde walvischvangst te beletten.
Zijn verlangen was alleen, dat zij in hunne »gepürende schranken”
blijven zouden, en hij was dan ook voornemens nieuwe vreemde indringers
te weren. Mits de Nederlanders de Deensche walvischvaarders niet
hinderden, wilde hij alles doen om de visscherij van beide natiën te
bevestigen en te verzekeren. Inbreuken op zijne koninklijke rechten
wenschte hij echter gestraft te zien[984].

    [983] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 18 Nov. 1638, in: L.
    D. 1638.

    [984] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L.
    D. 1638, en de verklaring van 9 November, die als bijlage bij den
    brief van Van Cracouw dd. 18 November is gevoegd.

Op deze gunstige verklaring volgde echter niets. Van Cracouw wachtte
maandenlang eene nadere beslissing, maar te vergeefs. En weldra bleek
het, dat de zaken weder geheel van aanzien veranderd waren en er niets
goeds meer van den koning te hopen was. Het onderzoek, dat Z. M. aan Van
Cracouw beloofd had in de zaak van Vhlefeldt te zullen doen, schijnt ten
nadeele der Nederlanders afgeloopen te zijn: de admiraliteit van
Kopenhagen besliste 25 Februari 1639, dat Vhlefeldt geheel volgens zijne
Instructie gehandeld had en dat daarentegen de Nederlanders door het
bevrijden der twee gearresteerde schepen gehandeld hadden als
»meyneedige schelmen,” die ’s konings jurisdictie geschonden
hadden[985]. Christiaan IV, om politieke redenen weder minder
vriendschappelijk dan vroeger jegens de Staten-Generaal gezind, nam de
houding aan als wilde hij volgens dit vonnis handelen; er liep een
gerucht, dat de sterke uitrusting, dit voorjaar in Denemarken gedaan,
tegen de Nederlandsche walvischvaarders gericht was[986]. Dadelijk
werden nu de sinds lang rustende onderhandelingen door Van Cracouw op
verzoek der Noordsche Compagnie weder opgevat[987]. Weder stelde hij de
oude eischen, schadevergoeding en verzekering voor het vervolg, maar de
zaak vorderde ditmaal geheel niet. Van de Nederlandsche voorslagen tot
regeling der visscherij werd niet meer gerept, en terwijl men den
resident na langdurige onderhandelingen met den kanselier Fries tot het
verkrijgen van schadevergoeding naar den aanstaanden Deenschen rijksdag
en vandaar weder naar de justitie verwees, bleef de koning eene nieuwe
schriftelijke verklaring van zijne goede bedoelingen jegens de Noordsche
Compagnie weigeren met de verzekering, dat hij zich aan de nota van 9
November bleef houden. Toch was het moeielijk door dergelijke
betuigingen gerustgesteld te worden, terwijl de Deensche regeering
hardnekkig weigerde aan het goede recht der beide schepen te gelooven,
terwijl de verhalen over de uitrusting van Deensche oorlogschepen
toenamen[988], en terwijl er zelfs voor de Kopenhaagsche admiraliteit
geprocedeerd werd tusschen Vhlefeldt en Johann Braem, nog steeds het
hoofd der Deensche compagnie voor de walvischvangst, wie de oorzaak was
geweest van het ontsnappen der schepen en dus de schade aan den
vertoornden koning moest vergoeden. De meest tegenstrijdige geruchten
waren te Kopenhagen in omloop. Terwijl de een verzekerde, dat de
Noordsche Compagnie, voorzien van »een nieuw vast Octrooij bij alle de
Provintien geconfirmeert”, hare uitrustingen zou moeten »besnijden” en
eene overeenkomst met de Deensche compagnie treffen over de onderlinge
verhouding harer uitrustingen[989], wisten anderen te verhalen, dat
niets dan het verkrijgen eener recognitie het geheime doel van den
Deenschen vorst was; alle moeielijkheden, meenden dezen, zouden
plotseling eindigen, wanneer men hiervan slechts repte[990]. De ware
bedoelingen van Christiaan IV bleven zoodoende een geheim, maar toch
scheen er reden om ernstig ongerust te zijn.

    [985] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

    [986] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.--Instr. der ambass. v.
    1639.

    [987] Zie over Van Cracouw’s onderhandelingen tot de aankomst der
    Nederlandsche ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd.
    4, 11 Mrt., 14 Apr., 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.--R. S.-G. 24, 29
    Mrt. 1639.--R. H. 24, 25 Mrt. 1639.--Miss. v. de Stn.-Gen. aan
    Christ. IV en aan Van Cracouw dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.

    [988] Die verhalen bleken echter onjuist; lang schijnt men geweifeld
    te hebben, maar eindelijk bleven de schepen liggen. (Miss. v. Van
    Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28, 31 Mei, 6 Juni 1639, in:
    L. D. 1639.) Nog den 9 Augustus waren zij niet vertrokken. (Miss. v.
    Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der
    ambassade van 1639.)

    [989] Als reden daarvoor werd opgegeven, dat „de traen in reputatie
    gehouden” moest worden, en dat bij voortduring van concurrentie de
    beide compagniën „sich souden consumeeren” en de vaart op
    Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd.
    11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)

    [990] Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV
    was. Uit allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te
    noemen: men beweerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen
    aan alle Nederlandsche walvischvaarders eene generale insinuatie en
    protestatie had laten beteekenen, waarbij hij hun uit naam van den
    koning op hooge boeten verbood, voortaan zonder Deensche commissiën
    en verlofsbrieven aan Spitsbergen te verschijnen. (Miss. der
    Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Deze
    handeling werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last
    gedaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in:
    L. D. 1639.) Misschien had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op
    de visscherij aan de Noordkaap, die altijd aan vreemdelingen
    verboden was. (Zie hiervóor p. 240 Noot 1{[861]}.) De Deensche
    oorlogschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van
    Spitsbergen het eerst gezien, en de kanselier Fries verklaarde bij
    deze gelegenheid uitdrukkelijk, dat zijn meester niet voornemens was
    de walvischvangst aan de Noordkaap zonder zijne paspoorten toe te
    staan, terwijl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. „sich scheen
    te asscribeeren Dominium Maris Septentrionalis ~Norvegici~.” (Miss.
    v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)

Geen wonder dan ook, dat de Noordsche Compagnie op maatregelen bedacht
was om zich te verdedigen. Herhaaldelijk had zij reeds op het laatst van
1638 bij de Staten-Generaal op bijstand aangedrongen. In den beginne had
zij alleen verzocht om voorlichting, hoe zich den volgenden zomer jegens
de Denen te gedragen[991]; maar toen de Staten daarop geen voldoend
antwoord konden geven, had zij bepaalde maatregelen tegen hare vijanden
geëischt. Zij wenschte de hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de
inbreuken op haar octrooi, verbod of zware belasting van den invoer van
traan en baarden, eindelijk bijstand met een oorlogschip[992], »niet soo
seer tot assistentie (want sy waren den Deenen wel ghewassen) als om te
toonen, dat sy aldaer vischten met kennis ende authoriteyt van den
Staet”[993]. De prins van Oranje, wiens advies was ingewonnen, had deze
maatregelen wel goedgekeurd, maar toch geraden, voordat men tot geweld
overging, den koning van Denemarken nog eens nadrukkelijk het recht der
Vereenigde Provinciën op de visscherij bij Spitsbergen voor te
dragen[994]. Dienovereenkomstig hadden de Staten reeds dadelijk
besloten, de ambassade, die gereed stond naar Denemarken te vertrekken,
van last over deze zaak te voorzien[995]. Onder den indruk der
ongunstige berichten uit Denemarken werden nu deze resolutiën met kracht
doorgezet. De Staten besloten de Noordsche Compagnie bij te staan met
het gevraagde konvooischip, welks kapitein last kreeg de
walvischvaarders overal tegen ieder, die ze lastigviel, wie het ook
wezen mocht, te beschermen[996]. En zoodra de onderlinge twisten der
provinciën het toelieten, werd ook de Instructie voor de ambassade naar
Denemarken gearresteerd[997]. Burch en Coenders Van Helpen waren tot
gezanten benoemd[998].

    [991] R. S.-G. 2 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.

    [992] R. S.-G. 2, 9 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.

    [993] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

    [994] R. S.-G. 9 Nov. 1638.--R. H. 20 Dec. 1638.

    [995] R. S.-G. 16 Apr. 1639.--R. H. 17 Apr. 1639.

    [996] R. S.-G. 11 Mrt., 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.

    [997] R. S.-G. 14 Mei 1639.--R. H. 12 Mei 1639.

    [998] R. S.-G. 14 Mei 1639.--R. H. 15, 17 Apr., 16, 19, 23 Mei 1639.

Hunne Instructie behandelde de zaak, die ons bezig houdt, zeer
uitvoerig. Na het verhaal van het met kapitein Vhlefeldt voorgevallene
volgde de last om te bewerken: 1^{o}. dat de koning den Nederlandschen
walvischvaarders geen overlast meer aandoen zou, 2^{o}. dat voortaan
geen onderscheid gemaakt zou worden tusschen de leden der Noordsche
Compagnie en andere Nederlandsche ingezetenen, hetzij zij octrooi hadden
of niet, 3^{o}. dat het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dat »nul
ende van geender waerden en was”, daar men de Noordsche Compagnie niet
behoorlijk ter harer verdediging had opgeroepen, niet uitgevoerd en dus
op de twee schepen, die het vorige jaar gearresteerd en nu gereed waren
om met de andere weder uit te varen, geen wraak genomen worden zou,
zooals het gerucht wilde dat men voornemens was. Mocht Z. M. geene ronde
en afdoende verklaring willen geven, dat hij de Nederlandsche
walvischvaarders voortaan ongehinderd zou laten, dan werd den gezanten
aanbevolen, de zaak »wat ernstiger” aan te dringen door te wijzen op de
ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, op de erkenning van hun
recht door alle mededingers zelfs de Engelschen, en op het feit, dat de
Denen zeer vele jaren[999] na de Nederlanders komende uit vriendschap
door dezen op Spitsbergen waren toegelaten[1000].

    [999] De juiste toedracht van het in 1615 en 1616 over de
    walvischvangst met Denemarken voorgevallene schijnt aan beide zijden
    vergeten geweest te zijn. De Nederlanders, meenende dat Spitsbergen
    in 1594 ontdekt was, beweerden, dat de Denen 23 jaar na hen op het
    eiland aangekomen waren (Instr. der ambass. v. 1639, bij: Aitzema,
    Saken v. Staet. II p. 638 vgl. p. 442); terwijl de Denen van hunnen
    kant het over de souvereiniteitsrechten van Christiaan IV in 1615 en
    1616 voorgevallene terugbrachten tot de komst van den eersten
    Deenschen ~walvischvaarder~ op Spitsbergen. (1617.) Zij verwezen dan
    ook naar eenen volgens hen in 1617 door Z. M. geschrevenen brief,
    als „van de welcke de reden sonderling soude dienen tot
    esclaressement ende decisie van dit geheele stuck.” (Miss. v. Van
    Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambass. v.
    1639.) De Stn.-Gen. antwoordden echter, dat zich in hun archief zulk
    een brief niet bevond, maar dat zij een afschrift zonden van de
    missive van 18 Februari 1616. (Miss. v. de Stn.-Gen. aan de ambass.
    in Denem. dd. 26 Aug. 1639, in: L. D. 1639.)

    [1000] „Instructie vande. . . Staten Generael. . . voor de Heeren
    . . . Burgh. . . ende . . . Conders van Helpen . . . gaende in
    Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken” dd. 14 Mei 1639. (Ook
    afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629 vlg.)

De voorbeeldeloos lompe behandeling, die deze ambassade van Christiaan
IV had te verduren, verhinderde, dat deze last behoorlijk uitgevoerd
werd. Den 16 Juli 1639 in Denemarken aangekomen, hadden de gezanten
eerst 25 September gelegenheid om geheel volgens het eerste gedeelte
hunner Instructie de klachten der Nederlandsche walvischvaarders aan Z.
M. voor te houden. Den 7 October werd hun een antwoord gezonden, waarin
de koning zijne verwondering betuigde, dat de Noordsche Compagnie,
terwijl hij met zoo groote kosten de walvischvaarders op Spitsbergen
beschermd en alle vreemden behalve de leden der compagnie van daar
geweerd had, klaagde over eene handeling, die haar niet dan voordeelig
kon zijn. De twee gearresteerde schepen toch, dus beweerde de vorst,
behoorden niet aan de Noordsche Compagnie en hadden zelfs geene papieren
bij zich gehad om hunne herkomst te bewijzen. Z. M. herhaalde de
verklaring aan Van Cracouw gedaan, dat hij de compagnie volgens de oude
gewoonte op Spitsbergen wilde toelaten, maar »der ferner
unconditionnirter Fischfanck”, die tot nadeel van de compagnie en van de
geheele. walvischvangst moest strekken, zou hij niet dulden, evenmin als
de Staten-Generaal die zeker wilden begunstigen. Hadden de Nederlanders
echter bezwaren tegen het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dan
konden zij door beroep op den koning zelven spoedig eene beslissing
verwachten. Alsof dit alles nog niet genoeg geweest ware om de
Nederlanders teleur te stellen, werd de oude zaak van Johann Braem op
nieuw opgerakeld en op voldoening aangedrongen.

Voordat de Nederlandsche ambassade een repliek gereed had, was
Christiaan IV reeds weder vertrokken en de Staten-Generaal riepen hunne
gezanten op het eerste bericht van hun wedervaren terug. (28 November
1639[1001].) In December ontvingen de Staten eene nadere verklaring van
den koning, waarin hij echter over dit punt volkomen hetzelfde zeide als
reeds aan de ambassadeurs in het kort geantwoord was[1002].

    [1001] Zie over deze ambassade: Verbaal der ambassade van 1639,
    vooral ad 25 Sept., 7 Oct. 1639; ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
    633-36.

    [1002] Zie deze „naerder verklaringh” bij: Aitzema, Saken v. Staet.
    II p. 636.

De Staten-Generaal stonden tegenover Denemarken dit jaar op een veel te
weinig onafhankelijk standpunt, om den machtigen vorst, dien men evenals
Karel I van sterke Spaanschgezindheid verdacht, te durven weerstreven.
De behandeling, aan de ambassade van 1639 wedervaren, versterkte de
Nederlandsche regeering echter in den weerzin, dien zij voor Christiaan
IV had opgevat; het liet zich aanzien, dat men geene gelegenheid zou
laten voorbijgaan, om zich op de inhalige mogendheid, die de Sondtollen
steeds hooger opdreef, te wreken. Langzamerhand dreigde eene
Zweedsch-Nederlandsche alliantie in het verschiet, en Christiaan IV
begon dan ook in te zien, dat hij te ver gegaan was door de
Staten-Generaal zoo grovelijk te beleedigen. Zelf deed hij eenen stap in
de richting van verzoening en liet zijnen zoon, den aartsbisschop van
Bremen, aan de Staten-Generaal voorstellen doen om tot eene schikking
der tusschen Denemarken en Nederland hangende partikuliere quaestiën te
geraken. De Staten toonden zich daartoe natuurlijk niet ongeneigd en
zonden de heeren Boreel, Sonck en Van Weede in Mei 1641 als
commissarissen naar eene conferentie, die te Staden gehouden zou worden.
Onder de daar te behandelen punten trad wel de quaestie over den Sondtol
bepaaldelijk op den voorgrond, maar ook de twisten over de
walvischvangst namen eene aanzienlijke plaats in de onderhandelingen in.
En geen wonder! De gedragslijn, door den koning van Denemarken in deze
zaak sedert 1637 gevolgd, dreigde den Nederlandschen handel met ernstige
moeielijkheden. Christiaan IV had herhaaldelijk verklaard, dat hij ter
voorkoming van te groote en voor zijne onderdanen schadelijke
concurrentie alleen de schepen der Noordsche Compagnie op Spitsbergen
wilde toelaten. En nu was het zoo goed als zeker geworden, dat het
octrooi dezer compagnie, wanneer het met het jaar 1642 eindigde, niet
zou verlengd worden, ja bij de vele concurrenten, die van alle kanten
waren opgedaagd,--concurrenten, die, sinds 1636 door de Staten van
Holland krachtig gesteund, onbevreesd hunne nering aan Spitsbergen zelf
oefenden,--kon men het octrooi der compagnie reeds voor feitelijk
vernietigd houden. Wanneer Christiaan IV dus ernstig voornam, de
schepen, die niet onder de compagnie behoorden, van Spitsbergen te
verdrijven, dan stond den Nederlandschen walvischvaarders eene groote
schade te wachten, en het was dan ook geen wonder, dat dezen zich tot de
Staten-Generaal wendden met de klacht, »dat de Coninck van Denemarcken
in Spitsbergen ende andere Eijlanden naer den Noort Pool gelegen, onder
pretext dat het syne Ma^{ts}. Landen syn, Voorneempt te verbieden
daeromtrent het gebruyck van Zee ende Lant aende Ingesetenen deser
Nederlanden.”[1003]

    [1003] „Instructie vande Staaten-Genl. voor de heeren . . . . haar
    hoog mogende Gedep^{de}. Commissarissen, gaande naa de conferentie
    dag tot Staade” dd. 18 Mei 1641.

In de Instructie der commissarissen, die naar Staden vertrokken, werd
overeenkomstig met deze klachten de last opgenomen om te bewerken, »dat
de Vaert ende Walvischvanck int Noorden by Spitsbergen ende overall vry
ende onbecommert werden gelaten aende Ingesetenen deser Lande volgens
het recht van Natien, ende al waere Spitsbergen van des Rycke Norwegens
dependentie, gelyck tselve niet en is[1004].” In dien zin waren dan ook
Boreel en zijne ambtgenooten werkzaam. Tegenover het verzoek der
Nederlanders om de walvischvangst in vrijheid te mogen oefenen zonder
eenigen hinder van Deensche zijde en om eventueele quaestiën daarover
bij tractaat te regelen, handhaafde Christiaan IV echter zijne oude
stelling, dat hij niettegenstaande zijn recht op Spitsbergen de
Nederlanders daar vrij wilde toelaten en alleen uit zorg voor den handel
zijner eigene onderdanen wenschte te voorkomen, »dat de Commercie door
altegrooten toeloop niet en mochte comen te niet te gaen.” Ook de
Staten-Generaal zouden zeker met deze handelwijze instemmen, meende de
koning, en hij stelde dus voor, dat beide partijen eene overeenkomst
zouden treffen »op wat voet de Commercien te stabilieren ende jegens
vremde die aldaer indringen wilden, te defenderen.” Vooraf eischte Z. M.
echter de belofte, dat de Deensche compagnie niet als vroeger wel eens
in hare nering gehinderd en dat de reeds toegebrachte schade haar
vergoed zou worden[1005]. Na eenige onderhandelingen deed Z. M. zelf den
eersten belangrijken stap en schreef, »dat gelyck haer Ho: Mo: dese
commercie eenige jaren geleden door een sekere Compaignie gelimiteert
hebben, Soo komt het syne Co: Ma^{t}. (voor) alderbest te wesen, tot
verhoudinge van alle twist, ende tot meerdere profyt vande negocierende,
dat men sigh te wedersyden veraccordere op een seker getael van schepen
jaerlyx daerna toe te senden, ende dat buyten de genommeerde somme der
Compaignie toebehoorende niemant anders toegelaten worde derwaerts te
varen, Alsdan soude het aen byde perthyen connen toegestaen worden,
ontrent Christiaenbergh ende het Eijlant van Johan May te mogen visschen
sonder eenige verder exceptie ende condicie[1006].”

    [1004] Instr. der commiss. te Staden, dd. 18 Mei 1641.

    [1005] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 13, 19/29 Juni, 5, 8/18, 10
    Juli.

    [1006] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 10/20 Juli.

Niettegenstaande de uitdrukkelijke bijvoeging aan het einde van dezen
voorslag, was echter daaraan reeds vroeger stilzwijgend de voorwaarde
verbonden, dat Johann Braem vergoeding zou krijgen voor de schade, aan
zijne schepen in 1623 en 1632 toegebracht. Van beide zijden werd deze
zaak herhaaldelijk besproken, maar terwijl de Nederlanders steeds
volhardden de klagenden naar de Nederlandsche rechters te verwijzen en
hunne bemiddeling daartoe aan te bieden, werd dit voorwendsel door hen
gebezigd voor het uitstellen van het beramen van een bepaald reglement
op den door den koning voorgestelden voet. De bezwaren der Nederlanders
tegen het sluiten van een tractaat zaten echter dieper: de
commissarissen schijnen bij den twijfelachtigen toestand, waarin de
Noordsche Compagnie verkeerde, niet recht geweten te hebben hoe zich te
gedragen tegenover ’s konings voorstel, dat het bestaan eener
Nederlandsche compagnie voor de walvischvangst onderstelde. Ook het
bezit van Jan Mayen-eiland, dat nu voor het eerst in de onderhandelingen
tusschen Denemarken en Nederland genoemd werd, kon licht tot zwarigheden
aanleiding geven. Aitzema meent, dat de commissarissen ook oordeelden
door verdere onderhandelingen bij veel tijdverlies niet dan nadeeliger
voorwaarden te kunnen verkrijgen. Hoe dit zij, het is zeker, dat de
Nederlanders aanvankelijk uitstellend, later bepaald onvoldoend antwoord
gaven.

Christiaan IV volhardde echter aanvankelijk bij zijn plan. In September
1641 sloeg hij nogmaals voor, den band tusschen de wederzijdsche
onderdanen nauw aan te halen door voortaan gezamenlijk »in Compaignie
(buyten gemeene risico ofte winst nochtans)” de walvischvangst met een
vooraf bepaald getal schepen aan Spitsbergen te oefenen en alle andere
natiën van daar te weren. Ofschoon deze voorslag nagenoeg geheel
overeenkwam met het door Van Cracouw in 1638 voorgestelde, wilden de
commissarissen zich tot niets verbinden; zij beweerden nu stoutweg, dat
eene regeling in den door den koning gewenschten geest onmogelijk was,
daar er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de
walvischvangst meer bestond[1007] en het hoogst onwaarschijnlijk heeten
mocht, dat er eene nieuwe opgericht zou worden: elke regeling en
beperking der Nederlandsche walvischvangst was dus ten eenenmale
onmogelijk. Om die reden namen zij dan ook alleen op zich, den voorslag
aan de Staten-Generaal mede te deelen. De koning uitte daarop wel den
wensch, dat het octrooi der Noordsche Compagnie verlengd mocht worden,
en betuigde zijne ontevredenheid, dat men niet dadelijk een tractaat
wilde sluiten, maar toen de commissarissen bij hunne vroegere beweringen
bleven en zelfs eene schriftelijke verklaring gaven, dat er geene
compagnie voor de walvischvangst in Nederland meer bestond, gaf hij
toe[1008]. Waarschijnlijk uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de
Staten-Generaal keurde de koning het nu eindelijk goed, dat voortaan
alle Nederlandsche schepen met de Deensche vrijelijk de walvischvangst
aan Spitsbergen zouden oefenen op voorwaarde, dat men zich goed gedragen
en elkander niet door geweld hinderen of verdrijven zou. Het denkbeeld
eener compagnie, uit leden van de beide natiën samengesteld, werd
opgegeven: ook »de ongelimiteerde cours” werd door den koning
vergund[1009].

    [1007] Eigenlijk was deze verklaring onjuist: het octrooi in 1633
    vernieuwd (ingaande met 1 Jan. 1635) eindigde eerst 31 Dec. 1642.
    Waarschijnlijk steunt zich dus deze stoute uitspraak alleen op de
    verklaring van Holland van 11 Dec. 1636, waarover meer in Hfdst. IX.

    [1008] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 23, 26 Juli, 1 Aug., 10, 2/12,
    9/19, 16/26, 18/28, 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct.

    [1009] Zie over deze ambassade: Verbaal der ambass. v.
    1641.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 768, 788-97.

Zoo hadden de Staten-Generaal eindelijk na bijna dertigjarige
onderhandelingen hunnen zin volkomen gekregen; van de souvereiniteit van
Denemarken over Spitsbergen werd niet meer gerept en de Nederlanders
konden voortaan ongestoord aan het eiland visschen. Was er ook geen
formeel tractaat over de quaestie gesloten, de commissarissen hadden
»des Koninghs handt ende zegel” over het geslotene en hadden bij eene
verdere onderhandeling slechts kunnen verliezen[1010]. Christiaan IV
erkende de bindende kracht dezer regeling stilzwijgend, toen hij aan
het einde van het verdrag van Christianopel (1645), dat over deze
quaestie zweeg, instemde met de bewering, dat bij dit verdrag »alle
differenten tusschen Denemarcken ende de Staeten Ghenerael geheelijck
waren afghedaen ende afgehandelt[1011].”

    [1010] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 795.

    [1011] Zie dit verdrag bij: Aitzema, Saken van Staet. III p. 13
    vlg.--De aangehaalde woorden komen voor in art. XIX.

Nu de zaak dus eindelijk definitief geregeld was, beproefde Denemarken
ook later niet voordeeliger voorwaarden te bedingen[1012]; de alle
verwachting overtreffende vermeerdering der Nederlandsche walvischvangst
na de vernietiging van het octrooi der Noordsche Compagnie maakte dan
ook gewelddadige handelingen tegen haar nagenoeg onmogelijk, en
gedurende de geheele zeventiende eeuw bleven verder de betrekkingen
tusschen Nederland en Denemarken over deze zaak van den meest
vriendschappelijken aard[1013].

    [1012] Dit werd trouwens weldra onnoodig: de Deensche walvischvangst
    kwijnde reeds sinds 1636 en de compagnie gaf de concurrentie eerlang
    voor lange jaren op. (Scoresby, Account. II p. 167.)

    [1013] Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. (R.-A.)



HOOFDSTUK VIII.

ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.


Terwijl Engelschen en Denen met de Nederlanders op Spitsbergen om de
opperheerschappij kampten, wendde eene andere natie pogingen aan om zich
tusschen de strijdende partijen te vestigen en in vrede haar bedrijf te
oefenen. Het bleek echter weldra, dat het op den voorgrond stellen van
uitsluitende aanspraken en het dreigen met krachtige maatregelen de
zekerste wegen waren naar het vreedzaam bezit der visscherij: de volken,
die de heerschappij op Spitsbergen voerden, lieten daar slechts uit
vrees of uit onmacht vreemde mededingers toe. Het was dus het lot der
Fransche natie om dikwijls pogingen aan te wenden tot het vestigen der
walvischvangst, maar om ook telkens in de handen van een der
oppermachtige volken te vallen. Hoe zij het ook aanlegde, hetzij zij
zelfstandig optrad of de heerschende volken door geldelijke opofferingen
tot toegevendheid trachtte te stemmen, altijd was zij genoodzaakt hare
pogingen op te geven om ze na weinige jaren met even ongelukkigen
uitslag te hervatten.

In 1612 was onder de vreemde schepen, die toen voor het eerst met
Engeland kwamen wedijveren, ook een Spaansch schip geweest, dat door den
Engelschman Nicholas Woodcocke naar Spitsbergen geleid was. Het was uit
St. Sebastiaan afkomstig, en, ervaren als de Basken door lange oefening
reeds in de walvischvangst waren, brachten zij eene rijke vangst mede
naar huis[1014]. Het was niet te denken, dat zulk een schitterend
resultaat onbekend zou blijven. Behalve verscheidene schepen uit St.
Sebastiaan zelf, verschenen dan ook in 1613 vier schepen van Fransche
Basken uit St. Jean de Luz op Spitsbergen. Vier wedijverende reederijen
hadden van daar hare vaartuigen uitgezonden: de grootste, die van
»Monsieur de Turbyde”, had een groot schip uitgereed, de andere zonden
elk slechts een klein scheepje. Een dezer laatste werd dadelijk na zijne
aankomst in Behouden-haven (17 Juni) door den Engelschen admiraal naar
huis gezonden[1015]; een ander, dat zich met het Enkhuizensche schip
onder Bonner vereenigd had, onderging 23 Juni in Horn-sound hetzelfde
lot[1016]; het derde, aanvankelijk door Van Muyden en het schip van De
Turbyde verjaagd, kreeg later tegen betaling eener belasting van 40
tonnen traan van de Engelschen verlof om in Bell-sound te visschen. (21
Juli[1017].) Het schip van de compagnie van De Turbyde, grooter en
sterker dan de andere Basken, sloot eene overeenkomst met Van Muyden en
zijne Nederlanders om gezamenlijk alle andere walvischvaarders uit
Bell-sound te weren. Een maandlang vischten zij in vrede, maar den 21
Juli verscheen admiraal Joseph en liet het Fransche schip, dat zich
dadelijk onderwierp, slechts tot de visscherij toe op voorwaarde, dat
het de helft der gekookte traan en alle walvischbaarden aan de
Engelschen zou uitleveren[1018].

    [1014] Hist. de Spitsberghe. p. 11.--Poole, Relation of a Voyage to
    Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 715.--Edge, Dutch
    disturbance, bij Purchas l. c. III p. 466.

    [1015] Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 717.--Hist. de Spitsberghe. p. 21.

    [1016] Hist. de Spitsberghe. p. 24.--Baffin, Iournall of the Voyage
    to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.

    [1017] Hist. de Spitsberghe. p. 23.--Baffin, Iournall of the Voyage
    to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.

    [1018] Hist. de Spitsberghe. p. 22, 23.--Baffin, Iournall of the
    Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718,
    19.--Baffin verhaalt ad 31 Mei 1613, dat een der schepen van St.
    Jean de Luz van de (Moscovische) Compagnie verlof had medegebracht
    om op Spitsbergen te visschen. (?)

Andere Franschen, die zich dit jaar op Spitsbergen vertoonden, was het
niet beter gegaan. Een klein schip, te Hoorn voor zekeren Jean Macqui,
een koopman te La Rochelle, uitgerust, werd 17 Juni door den Engelschen
admiraal uit Behouden-haven verjaagd, en vertrok naar de
Noordkaap.[1019] Een grooter schip, de »Jacques” van Bordeaux, waarop
Allan Sallowes, die het vorige jaar de Nederlanders naar Spitsbergen had
geleid, stuurman was, gaf zich tegelijk met dat van La Rochelle na
eenige aarzeling aan de Engelschen over. Men trof de overeenkomst, dat
het schip in Greenharbour zou mogen visschen en dat de eerste acht
walvisschen, die men ving, voor de Engelschen zouden zijn, Sallowes had
dit jaar eene goede vangst: niet alleen was hij in staat de bedongene
acht walvisschen te leveren, maar met eene buit van niet minder dan
dertig visschen kon het schip 24 Augustus met de Engelschen naar huis
keeren.[1020]

    [1019] Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.--Baffin, Iournall of the
    Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716,
    17.--Het verhaal van Baffin omtrent de verschijning van een tweede
    schip uit La Rochelle aan Spitsbergen (11/21 Juli 1613) schijnt op
    een misverstand te berusten. Het bedoelde scheepje was uit St. Jean
    de Luz. (Hist. de Spitsberghe. p. 23.)

    [1020] Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.--Hist. de Spitsberghe. p.
    21, 22.--Het verhaal van dit laatste boekje over een roof, door de
    Engelschen op dit schip gepleegd, vindt zijne verklaring in het door
    Baffin (ad 17 Juli 1613) medegedeelde van een twist over het recht
    op eenen gevonden walvisch. („The order of the Biscaines is, that
    who so doth strike the first Harping Iron into the Whale, it is his,
    if his Iron hold.”)

Ernstig werd weldra tegen de aanmatigende handelwijze der Engelschen
geprotesteerd door den Franschen ambassadeur te Londen, De Buisseaux.
Hij drong herhaaldelijk aan op schadevergoeding en ging zelfs zoover van
te beweren, dat de toeëigening, waarop Jakob I zijn recht grondde, reeds
daarom niet bestaan kon, omdat de Franschen Spitsbergen lang voor de
Engelschen bezeten hadden. (?) Veel liet hij zich ook voorstaan op het
verlof, door den koning van Frankrijk aan de Biscaaiers van St. Jean de
Luz en Bayonne verleend, om sinds 1610 tegen loon de Engelschen naar
Spitsbergen te vergezellen en hen de walvischvangst te leeren.[1021]

    [1021] „Verclaringh vande Francoisen opte vaert ende visschery vande
    Waluisschen Int noorden ontfangen vande heere du maurier den 12^{en}
    Mey 1615,” in: Noordsche togten. 4. Loopende N. C. R.-A.

Hoewel de Franschen zoo vast van de gegrondheid dezer dwaze
aanmatigingen overtuigd waren, dat zij ze twee jaren later nog
herhaalden[1022], durfden de Fransche reeders toch in 1614 geene schepen
ter walvischvangst naar Spitsbergen zenden[1023]. Maar dat dit slechts
eene tijdelijke terughouding was, bleek weldra. Nauwelijks waren Wotton
en de overige leden van het Engelsche gezantschap den 6 Mei 1615 na
eenige onderhandelingen over de Nederlandsche walvischvangst uit Den
Haag vertrokken[1024], of de Fransche ambassadeur Du Maurier leverde aan
Oldenbarnevelt eene »verclaringh” over, waarin hij protesteerde tegen
het door hem veronderstelde plan der Engelschen om met de Nederlanders
eene overeenkomst te treffen, ten einde met vereende krachten alle
andere natiën van Spitsbergen te verdrijven. Wij zagen reeds, dat deze
verdenking volkomen ongegrond was: de Engelschen toch waren in 1615
evenmin tot eene combinatie met Nederland als met Denemarken
geneigd[1025]. Maar Du Maurier meende desniettegenstaande zeker genoeg
van de zaak te zijn, om bij Oldenbarnevelt ernstige pogingen aan te
wenden tot verijdeling der gewaande Engelsche plannen. Onder beroep op
geheel dezelfde tweeslachtige argumenten als de door Nederland in deze
zaak steeds gebruikte, op de vrijheid van zee en visscherij en op het
door Frankrijk verkregen bezit, verklaarde de gezant, dat Spanje en
Frankrijk voornemens waren in deze zaak gezamenlijk te handelen en de
walvischvangst hunner onderdanen te handhaven. Wilden de Staten-Generaal
in het verbond tegen Engeland treden, het zou den verbondenen vorsten
aangenaam zijn. In ieder geval was Du Maurier van plan, de Nederlandsche
regeering officiëel met de voornemens der vereenigde vorsten bekend te
maken, ten einde haar van eene combinatie met Engeland terug te
houden[1026].

    [1022] In de hierboven aangehaalde „verclaringh.”

    [1023] Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop.
    N. C. R.-A.

    [1024] Zie hiervóor p. 206-8.

    [1025] Toch schreef ook De Groot, toen hij aan Du Maurier de hier
    vermelde „verclaringh” terugzond, na vele betuigingen van instemming
    met de houding der Franschen: „Ego cum jampridem viderem, hoc agere
    Anglos, ut exclusis aliis gentibus nos solos in societatem
    iniquissimi juris admitterent, sedulo obstiti ne veniretur ad tam
    turpes pactiones.” (Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.)

    [1026] Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop.
    N. C. R.-A.--Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.

Of het zoover gekomen is, blijkt niet; maar allicht zouden de
voorstellen, hoe gewillig de Staten-Generaal zelven toen ook zijn
mochten om in deze zaak eene vrijgevige politiek met betrekking tot de
vreemde mogendheden te volgen[1027], afgestuit zijn op den onwil der
Noordsche Compagnie. Want deze had geheel andere plannen, zooals weldra
blijken zou. In den zomer van 1615 bleek de samenwerking tusschen
Franschen en Spanjaarden reeds openlijk, toen twee schepen van Bordeaux,
die voor eene reederij te St. Sebastiaan voeren, op Spitsbergen
verschenen. De Noordsche Compagnie, die door hare groote
machtsontwikkeling in 1614 en 1615 zich in de IJszee reeds eene
zelfstandige plaats meende veroverd te hebben, even onaantastbaar als
die der Engelschen, toonde zich echter geenszins geneigd op hare beurt
weder anderen tot de met zooveel inspanning bemachtigde visscherij toe
te laten. Zij weigerde bepaald den schepen verlof tot het visschen te
geven. Niettegenstaande de bekende gezindheid der Staten-Generaal
werden de Basken van Spitsbergen geweerd, hoewel zij zelfs aanboden om
1/3 van hunne vangst voor hunne toelating aan de Nederlanders uit te
keeren[1028]. Het volgende jaar gelastten de Staten de compagnie wel
toegefelijker te zijn en bevalen zij uitdrukkelijk, de Biscaaiers,
wanneer zij hun aanbod hernieuwden, niet alleen vriendelijk te
behandelen maar ook tegen de Engelschen te beschermen[1029], maar het
was te laat: de Franschen schijnen door de behandeling der Nederlanders
ontmoedigd te zijn. Hoewel zij zich na 1615 nog een enkele maal aan
Spitsbergen vertoond schijnen te hebben[1030], was het toch in 1619
reeds zoover gekomen, dat koning Jakob I verklaren kon, dat zij met de
andere mededingers der Engelschen van de visscherij aldaar hadden
afgezien[1031]. Toen dit resultaat eenmaal verkregen was, weigerde de
Noordsche Compagnie hen weder toe te laten; hoewel de Basken
herhaaldelijk pogingen aanwendden om de visscherij met kleine schepen
ongemerkt weder te beginnen en zich zelfs op nieuw bereid verklaarden
voor het verlof te betalen, werd dit door de compagnie steeds »met
beleeftheyt” maar zeer bepaald geweigerd[1032]. In het vorige hoofdstuk
is breedvoerig verhaald, hoe de ongelukkige Biscaaiers bij de Denen voor
dergelijke aanbiedingen gewilliger ooren vonden, maar dat de
Nederlanders ook tegenover de slinksche handelingen der vereenigde
natiën hun doel niet uit het oog verloren en hardnekkig de toelating der
vreemden bleven weigeren. De poging, door de Franschen beproefd om op
eigen naam toegang tot de visscherij aan Spitsbergen te verkrijgen,
verdient hier echter uitvoeriger beschreven te worden dan daar uit den
aard der zaak geschied is.

    [1027] Instr. der Stn.-Gen. voor H. Gsz. Quast en J. Jsz. Schrobop,
    dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.--R. S.-G. 10 Apr. 1618.--Req. v. J. Vrolicq aan de Stn.-Gen.
    dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
    (Vrolicq beweerde, dat volgens de R. S.-G. de Instructie, door den
    prins aan de walvischvaarders gegeven, „expresselyck mede bracht”:
    „dat soo verre syluyden in haere reyse ende walvisch neeringe
    eenighe vreemde natien comen te ontmoeten, sij luijden aen de selve
    verclaeren souden, haerluyden intentie niet anders te syn, dan
    alleenlyck vryichlyck den Walvischvanck te mogen doen, sonder
    imanden anders van gelycken te doen te willen beletten.” Ook
    „andere resolutien” waren volgens hem „by haere Ho. Mo. over dese
    saecke tot voordeel vande vreemde natien, ende specialyck vande
    ondersaeten vande Croone van Vranckryck genomen.” Alleen de drie
    bovenaangehaalde stukken van 1614, 1616 en 1618 komen, voorzoover ik
    heb kunnen nagaan, met deze beschrijving overeen.)

    [1028] Instr. v. Schrobop art. 15.

    [1029] Instr. v. Schrobop art. 11, 12.

    [1030] R. S.-G. 10 Apr. 1618.

    [1031] Muller, Mare Clausum. p. 162.

    [1032] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.--Req. der N. C. aan de
    Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Het bij Aitzema l. c. medegedeelde
    over het verzoek van „die van Sint Ian de Lux, ~selver oock (van)
    den Gouverneur~ (?) ~Grammont~” aan de N. C. schijnt mij duister:
    alleen blijkt het, dat op de beide hierboven vermelde schepen van
    Bordeaux „Lestinotte” en „Le Pellecan” kapiteins waren Jean De Lasso
    en ~Jean De Gramont~.--Het komt mij om verschillende aanwijzingen
    waarschijnlijk voor, dat de pogingen der Basken om hunne
    walvischvangst te vestigen na 1615 beproefd werden niet aan
    Spitsbergen, maar aan Jan Mayen-eiland. Was het feit bewijsbaar, dan
    zou het zeker een argument zijn ten voordeele van Vrolicqs beweerde
    ontdekking van het eiland in 1612.

Weinige dagen nadat Johann Braem in zijn proces tegen de Noordsche
Compagnie door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld was,
verleende de kardinaal De Richelieu een octrooi voor de walvischvangst
aan zekeren Jean Vrolicq. De dus begunstigde persoon was een Bask van
geringe afkomst, die vele jaren in dienst der Noordsche Compagnie
geweest was[1033]. Later had hij de Nederlanders verlaten en was in
dienst van Haraneder en Laralde,--de beide kooplieden, die na
verscheidene vergeefsche pogingen bij de Noordsche Compagnie in 1623 het
Deensche contract gesloten hadden,--bekend geworden met Braem. Daar de
walvischvangst der Basken in 1623 dadelijk weder gestaakt werd,
verscheen hij in het volgende jaar nogmaals in Nederlandschen dienst als
harpoenier op Spitsbergen[1034]. Maar weldra trad hij als Braems
zaakwaarnemer op en nam zijne belangen in Nederland waar gedurende het
eindelooze proces voor het Hof van Holland[1035]. Nauwelijks namen de
zaken echter voor de Denen een ongunstigen keer, of Vrolicq wendde zich
tot Richelieu. De suppliant, die zich »Capitaine de la marine de la
ville de St. Jean de Luz” noemde, beweerde, dat hij den 3 Juni 1612 op
71-1/2° NB. had ontdekt een eiland, Pico genaamd, dat vroeger nooit
bekend geweest was. Met eenige andere Basken, die zich bij hem gevoegd
hadden, zou hij daar de walvischvangst begonnen, maar weldra door de
kooplieden der gepriviligiëerde Nederlandsche en Engelsche compagniën
verjaagd zijn van zijne nieuwe ontdekking, die hij eerlang Ȉ cause des
grands profficts qui se font es costes d’icelle” Richelieu (ook wel Isle
de Richelieu) genoemd had[1036].

    [1033] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [1034] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [1035] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--Vgl. R. S.-G. 10
    Sept., 21 Oct. 1630.

    [1036] Octr. v. Richelieu aan Vrolicq. (Bijl. C v. h. Req. der N. C.
    dd. 2 Febr. 1634 l. c.)

Laat ons hier even stilstaan, om te zien wat er van de zaak was. Reeds
door de opgave van de ligging van het eiland blijkt, dat hier sprake is
van het bekende Jan Mayen-eiland[1037]. Zoo Vrolicqs bewering waar was,
dan had hij dus een beter recht dan de Noordsche Compagnie, die eerst in
1614 het eiland ontdekte en er niet vóor 1616 de visscherij vestigde.
Juist om deze reden is echter het verhaal van Vrolicq onmogelijk: al wat
hij bericht van zijne onaangenaamheden in 1612 of 1613--immers alleen de
onmiddellijke inbezitneming en vestiging op het eiland schiep zijn
recht,--met de Noordsche Compagnie, die niet vóor 1616 en met de
Moscovische Compagnie, die voor zoover mij bekend is nooit op Jan
Mayen-eiland eenige acht heeft geslagen, is natuurlijk onwaar. Maar ook
om andere redenen is de bewering van Vrolicq onwaarschijnlijk: wie zal
het gelooven, dat iemand die in 1624 nog jong was en het niet verder
gebracht had dan tot harpoenier op een Nederlandsch walvischvaarder,
reeds twaalf jaren vroeger op een eigen schip reizen deed en nieuwe
plaatsen ontdekte, die dadelijk rijke winst afwierpen? dat die persoon,
nadat hij die winst gemaakt had, berust zou hebben in de verdrijving
zijner schepen van die plaats door overweldigers, die minder recht
hadden dan hij, zonder ooit over deze zaak bij zijnen machtigen koning
te klagen voordat zeventien jaren daarna verloopen waren? dat een man,
die later toonde even ondernemend als volhardend te zijn, niet alleen
geene pogingen aanwendde om zijn recht te handhaven en zijne ontdekking
te exploiteeren, maar zich integendeel in den dienst begaf eener natie,
die hem verongelijkt had;--eene natie, die er natuurlijk belang bij had,
dat de ontdekking geheim bleef en die dus juist de eenige was, bij wie
hij met de openbaring geen voordeel doen kon. Ik aarzel dan ook niet,
hoewel Vrolicq een plan der ligging van het eiland en het proces-verbaal
der ontdekking overlegde, met de Noordsche Compagnie te verklaren: »que
Jean Vrolicq ne prouvera jamais avoir esté en icelle Isle, qu’au service
de ceux de la Compagnie flamande; qu’aussi il n’est point vraij
semblable, et n’ij a nulle apparence, que ledict Vrolicq eust trouvé
ladite Isle l’an 1612, et seulement l’auroit descouvert l’an
1629[1038].”

    [1037] De N. C. verhaalde in 1631, dat Vrolicq walvisschen wilde
    vangen op „~Spitzbergen~ noemende de selve plaetse Pico ende
    Richelieu.” (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.) Ook de Rouaansche
    admiraliteit sprak in 1633 van „la Baye de Richelieu, dict le port
    de S. Pierre, le long des costes du Nord et Terre verte.” (Req. der
    N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. I. l. c.--De bedoelde baai is de
    Robbenbaai op Spitsbergen.) Toch is dit eene vergissing. Al bewees
    niet reeds de opgave der ligging van het eiland en de naam Pico, die
    klaarblijkelijk op den zeer in het oog vallenden Beerenberg slaat,
    dat hier sprake is van Jan Mayen-eiland, dan zou reeds het feit, dat
    Vrolicq lang in Nederlandschen dienst geweest was, hem wel
    vrijspreken van eene domme vergissing als deze. Het kan hem toch
    niet onbekend geweest zijn, dat Spitsbergen in 1612 reeds lang
    ontdekt was.

    [1038] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

In Frankrijk, waar men met de toedracht der zaken minder goed bekend
was, kon Vrolicq zijn ongerijmd verhaal met kans op goed geloof doen.
Hij deelde dan ook zijne gewichtige ontdekking aan Richelieu mede,
beriep zich op »le droict des gens qui permet à toutes personnes d’aller
pescher en mers eslonguées,” en op het recht der Basken, die, sinds
jaren gewoon de IJszee ter walvischvangst te bezoeken, aan de vreemde
natiën jaarlijks hunne onmisbare hulp en voorlichting verleenden. Hij
wees verder op het nadeel, dat Frankrijk leed door de uitsluiting van de
walvischvangst en de noodzakelijkheid om alle traan en balein van
buitenslands te ontbieden, en eindigde met op grond van Frankrijks recht
en in naam der vrijheid octrooi voor tien jaren te verzoeken voor eene
compagnie, die hij met eenige Basken en andere Franschen gevormd had om
de visscherij van walvisschen en andere zeemonsters te ondernemen in het
noorden tusschen 60° en 80° NB.[1039].

    [1039] Octrooi v. Richelieu aan Vrolicq. (Req. der N. C. dd. 2 Febr.
    1634, bijl. C. l. c.)

Richelieu, die den Franschen handel zoo krachtig aanmoedigde, verleende
Vrolicq dadelijk uit naam van den koning van Frankrijk het verzochte
octrooi (3 Juli 1629) en gaf hem en zijne compagnie verlof om met
uitsluiting van alle andere Franschen overal ten noorden van 60° en
bepaaldelijk aan het eiland Richelieu walvisschen te vangen gedurende
vier jaren ingaande met 1 Januari 1630, op voorwaarde dat de vangst in
vier aangewezene Fransche havens ingebracht zou worden. Inbreuken op het
octrooi zouden met verbeurdverklaring van schip en goed gestraft worden,
maar na verloop der vier jaren zou de visscherij weder voor alle
Franschen vrij zijn[1040].

    [1040] Het octrooi werd echter weldra stilzwijgend verlengd door de
    bepaling (bij de akte van koning en kardinaal dd. 28, 30 Jan. 1632),
    dat geen Fransch schip het door Vrolicq op Spitsbergen ingenomen
    terrein dichter dan op tien mijlen zou mogen naderen gedurende zes
    jaren (dus tot 1638).--Zie de stukken bij: Req. der N. C. dd. 2
    Febr. 1634, bijl. G.

Met dit octrooi wendde zich nu Vrolicq 27 November 1629 tot de
Staten-Generaal en verzocht hen de Noordsche Compagnie te bevelen, hem
»rustelick ende vredelick” te laten visschen volgens het verlof van den
koning van Frankrijk. Als gewoonlijk vroeg de regeering de voorlichting
der compagnie[1041] en deze haastte zich, de handelwijze van Vrolicq als
»mauvaise et impertinente” voor te stellen, terwijl zijne ontdekking van
het eiland ontkend werd[1042]. Men besloot dan ook Vrolicq evenals
vroeger Braem naar de justitie te verwijzen, om daar zijnen eisch tegen
de Noordsche Compagnie in te stellen[1043]; maar deze voorkwam dit en
verkreeg van het Hof van Holland mandement penael tegen Vrolicq. Op
welke gronden dit geschiedde blijkt niet, maar de bedreigde nam dadelijk
de wijk buiten de Vereenigde Provinciën[1044] en vergenoegde zich verder
met zijne zaak door den Franschen ambassadeur in Den Haag aan de Staten
te laten aanbevelen. Dezen verklaarden dadelijk, dat zij de Noordsche
Compagnie bij haar recht wilden handhaven, maar zij oordeelden toch
»dattet soude strecken tot gerustheit van de compagnie, dat dese saecke
buyten verwyderinge werde gehouden” en trachtten dan ook de zaak door
conferentiën met de bewindhebbers te schikken[1045].

    [1041] R. S.-G. 27 Nov. 1629.

    [1042] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.

    [1043] R. S.-G. 18 Dec. 1629.

    [1044] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.

    [1045] R. S.-G. 4, 18 Juni 1630.

Maar de Staten mochten zich met een goeden uitslag op zulke halve
maatregelen vleien, Vrolicq kende de compagnie en haar streven beter.
Hij zag reeds toen dadelijk in, dat hij niet zonder hulp tot de vrije
visscherij aan Spitsbergen zou geraken. Evenals zijne vroegere patroons
wendde hij zich dus tot Braem en het gevolg van het gemeen overleg was,
dat de koning van Denemarken een nieuw octrooi aan de compagnie voor de
walvischvangst verleende met uitdrukkelijk verlof om twee Baskische
schepen onder hare uitrusting naar Spitsbergen op te nemen[1046]. Nu hij
zich zoodoende den steun van Denemarken verzekerd had, wendde Vrolicq
zich met eenen aanbevelingsbrief van Christiaan IV nogmaals tot de
Staten-Generaal, klaagde over de Noordsche Compagnie en drong zijn
verzoek om toelating tot de walvischvangst nader aan[1047]. Een gunstig
antwoord volgde echter ook nu niet.

    [1046] Zie hiervóor p. 258, 259.

    [1047] R. S.-G. 13 Aug., 10, 20 Sept. 1630.

Onderwijl werd in Frankrijk alles tot de visscherij gereed gemaakt. De
compagnie werd te Havre de Grace gevestigd en in den zomer van 1631
verscheen Vrolicq met een klein scheepje op Spitsbergen, waar Gödert
Braem met zijn schip reeds aangekomen was. Wij hebben boven gezien, dat
de beide schepen door de ontwikkeling der Nederlandsche macht in de
Mauritius-baai sinds 1623 daar nu geen plaats meer konden vinden en dus
genoodzaakt waren in de Robbenbaai een toevlucht te zoeken. Uitvoerig
werd ook reeds verhaald, hoe de Nederlandsche commandeur van Braem
trachtte te vernemen, of Vrolicq bij hem behoorde, maar dat hij slechts
zeer onvoldoend antwoord verkreeg. Ook Vrolicq had na overleg met Braem
geweigerd zijne paspoorten en commissie te vertoonen en beweerd, dat hij
aan niemand rekenschap van zijne daden schuldig was. De Nederlandsche
commandeur had hem toen het visschen verboden en gedreigd hem met geweld
te zullen verdrijven, maar zoodra Braem eene verdedigende houding
aangenomen en eenige kanonnen ontbloot had, had hij afgehouden en beide
schepen verder met vrede gelaten[1048].

    [1048] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. D. l. c.--Zie ook:
    Req. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr.
    de N. C. R.-A.--Vgl. hiervóor p. 259, 260.

In het vorige hoofdstuk merkten wij reeds op, dat den Nederlanders dan
ook het recht ontbrak de Denen en hunne beschermelingen uit de
Robbenbaai te verdrijven: terecht beriep Vrolicq zich later
herhaaldelijk op de geheele vrijheid der Robbenbaai vóor 1631. Maar
overigens liet hij zich blijkbaar weinig met juridieke redeneeringen in:
het was hem onverschillig met welk recht hij toegelaten werd, zoo men
hem slechts in de gelegenheid stelde om winst te maken. Twee zaken waren
hem volkomen duidelijk: de Nederlanders hadden hem zonder vertoon zijner
commissie tot de walvischvangst toegelaten en hij was zonder hinder met
een volgeladen schip te Havre de Grace aangekomen. Weinig kiesch in de
keuze zijner middelen vergat hij, dat hij slechts aan de tijdige
tusschenkomst van Gödert Braem zijne toelating te danken had, en dat hij
krachtens zijn eigen recht alle aanspraak op de visscherij in de
Robbenbaai miste. Niet inziende, dat het geheel van de Denen afhing of
zij hem daar wilden toelaten, was hij dadelijk gereed zelfs tegen hen op
te treden, nu hem dat voordeelig scheen. Nogmaals evenals in 1629 wilde
hij beproeven, zelf zonder vreemde hulp op Spitsbergen toegelaten te
worden. Hij verklaarde dus na zijne terugkomst in Frankrijk aan ieder,
die het hooren wilde, dat de Nederlanders hem op zijn Fransche paspoort
aan Spitsbergen hadden toegelaten,--dat hij bezit genomen had van de
Robbenbaai, die hij voortaan St. Pierre noemde, en dat de Fransche
compagnie de visscherij nu vrijelijk aan Spitsbergen kon oefenen[1049].
Deze bewering, geheel bezijden de waarheid, kwam volstrekt niet overeen
met de bedoelingen der Noordsche Compagnie. Wel begrijpende, dat het
Vrolicq alleen te doen was om de walvischvangst in Frankrijk te
vestigen, had zij integendeel haren commandeur gelast geen Fransch schip
op Spitsbergen toe te laten. Nu de tegen hare bedoeling begunstigde
Franschman zulk eene verkeerde voorstelling der zaak gaf, zweeg de
compagnie dan ook niet; zij liet een verhaal van de ware toedracht der
gebeurtenissen opstellen, verklaarde daarbij dat het hare bedoeling
geenszins geweest was, vreemden binnen haar gebied op Spitsbergen toe te
laten behalve de Denen, die zij uit vriendschap duldde, en dreigde haar
octrooi evenals in 1623 met geweld tegen de Franschen te zullen
handhaven. Dit protest werd tot behoud van het recht der compagnie aan
Vrolicq en zijn compagnon Adriaan Ficq beteekend[1050]. Het was echter
te denken, dat dezen zich daardoor niet zouden laten afschrikken:
Vrolicq verzocht en verkreeg zelfs van koning en kardinaal de
bevestiging van zijn octrooi en verbod aan alle Franschen, die op het
gerucht van zijne goede vangst zich gereed maakten uitrustingen naar
Spitsbergen te doen, om de plaats waar hij zich bevond op tien mijlen
te naderen[1051]. Onbeschroomd verscheen hij daarop in het laatst van
Juni 1632 met twee schepen weder in de Robbenbaai.

    [1049] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D. l. c.

    [1050] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--Het protest is daarbij
    gevoegd als bijlage D.

    [1051] Zie dit stuk als bijlage G. achter: Req. der N. C. dd. 2
    Febr. 1634 l. c.--De Fransche schepen, waarover Vrolicq klaagde,
    waren misschien de twee Biscaaiers, die met Deensche passen op
    Spitsbergen en Jan Mayen-eiland verschenen. (Zie hiervóor p. 262.)

De overmoedige handelwijze van Vrolicq tegenover Denemarken kon
onmogelijk door Christiaan IV gebillijkt worden en de Franschen stonden
dus alleen tegenover de Noordsche Compagnie. Zij waren nu onafhankelijk;
maar het bleek weldra, dat zij toch nog te zwak waren om op eigen beenen
te staan. Gödert Braem, weder in de Robbenbaai aanwezig, liet Vrolicq
naar het schijnt wel toe nevens hem te visschen, maar toen den 29 Juni
de Nederlandsche commandeur Jacob Jansz. Duynkercker daar ook verscheen
en Vrolicq aan boord klampte, maakte Braem zich niet als in 1631 gereed
om de Franschen te verdedigen, maar wachtte kalm af hetgeen gebeuren
zou. Duynkercker--steunende op den last der Noordsche Compagnie, die het
uitsluitend recht der Denen op de Robbenbaai niet erkende,--verbood
daarop aan Vrolicq op last der Noordsche Compagnie het visschen aan
Spitsbergen. Hij liet hem aanzeggen, dat hij hem krachtens de ontdekking
en toeëigening van de Mauritius-baai en de aangrenzende plaatsen door de
Noordsche Compagnie en het octrooi aan haar verleend, verzocht zich te
begeven naar de opene zee of elders buiten het Nederlandsche gebied,
waar goede gelegenheid voor de visscherij was. Vrolicq van zijn kant
beriep zich op zijn octrooi en op zijn gerust bezit en gebruik der
Robbenbaai in 1631; de ontdekking en toeëigening van Spitsbergen door
Nederlanders wilde hij niet ontkennen, »alsoo de selve dispute
genouchsaem bij andere tegens die vande Compaignie gedaen wort,” maar
het eigendomsrecht der Nederlanders op geheel Spitsbergen en met name op
de Robbenbaai, waar hij beweerde dat zij nooit gevischt hadden, ontkende
hij bepaaldelijk. Ten slotte wees hij op de goede verstandhouding der
Staten-Generaal met Frankrijk, die met eene vijandelijke behandeling der
Fransche walvischvaarders zoo weinig zou strooken[1052]. Duynkercker was
echter niet gezind juridieke debatten te beginnen; hij liet aan Vrolicq
eenvoudig een antwoord insinueeren, waarin hij op de reeds aangevoerde
gronden dreigde, bij weigering van vertrek »genootsaeckt te sullen wesen
te gebruycken soo daenige middelen van wapens ende andersints als hy
soude meynen tot dienste van syn voornemen de stercxste ende
crachtichste te wesen.” Vrolicq herhaalde daarop mondeling de
verzekering, dat hij volgens zijn Fransche pas en verkregen recht zou
voortgaan met visschen totdat hij met geweld verdreven werd[1053], en de
Nederlanders waren dus wel genoodzaakt, wilden zij hun doel bereiken,
geweld te gebruiken. Nauwelijks begonnen zij echter hunne bedreiging uit
te voeren, of de Franschen maakten zich tot het vertrek gereed, en de
zaak liep dus zonder bloedvergieten af. Vrolicq vertrok met zijne twee
schepen en het derde, dat hij onderweg ontmoette, naar IJsland, waar hij
echter te vergeefs trachtte eene goede vangst te doen: toen hij in het
najaar te Havre de Grace binnenviel, had de reis hem niet alleen geen
winst, maar zelfs een verlies van 350,000 livres opgeleverd[1054].

    [1052] In de later gewisselde stukken beriep Vrolicq zich
    herhaaldelijk op het volkenrecht, volgens hetwelk „t’ eenemael
    woeste ende onbewoonde landen gehouden werden van deselve natuyre
    ende recht als de zee selffs.” (Req. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr.
    1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.) De
    N. C. antwoordde daarop met een beroep op de handelwijze der
    Franschen zelven in Canada en Terre-neuve, waar het aan alle vreemde
    volken verboden was te visschen of te handelen. (Req. der N. C. dd.
    2 Febr. 1634, bijl. E. l. c.)

    [1053] Zie de drie gewisselde stukken bij elkander in: L. F. 1633
    (bij de nota van Baugy dd. 11 Mrt. 1633); de twee eerste bevinden
    zich ook onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

    [1054] Zie over deze reis van Vrolicq: Req. v. Vrolicq en v. de N.
    C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput.
    betr. de N. C. R.-A.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.

Dadelijk wendde Vrolicq zich dan ook tot den koning van Frankrijk; hij
verzocht hem de Nederlanders te dwingen om het Fransche octrooi voortaan
niet weder te schenden en om de hem en zijnen deelgenooten toegebrachte
schade te vergoeden. In Frankrijk was men echter niet geneigd, om zulk
eene betrekkelijk onbelangrijke zaak geweld te gebruiken en men verwees
dus Vrolicq naar de Staten-Generaal als de overheid der Noordsche
Compagnie, om door hunne tusschenkomst schadevergoeding en betere
regeling voor het vervolg te verkrijgen[1055]. Daartoe wendde zich dus
Vrolicqs zaakgelastigde Isaac Mahieu, een deelgenoot der Fransche
compagnie, den 11 Maart 1633 tot de Staten en verzocht na breedvoerig
verhaal van het in 1631 en 1632 voorgevallene behalve vergoeding der
geledene schade eene akte, waarbij aan de Noordsche Compagnie
bepaaldelijk verboden werd de Franschen te hinderen in hunne visscherij,
al werd die binnen de grenzen van haar octrooi gedreven, opdat de
schepen, die Vrolicq voornemens was in 1633 weder naar Spitsbergen te
zenden, ongestoord hun bedrijf zouden kunnen oefenen. Een proces over de
geldigheid van het Fransche octrooi werd reeds dadelijk geweigerd:
Vrolicqs ondervinding in de zaak van Braem had hem genoeg geleerd, dat
er van de Nederlandsche rechters niets te hopen was en hij schreef dus,
»dat de kennisse van de qualiteyt van het octroy niet en competeert aen
eenich Hoff ofte Gerichte van herwaerts over”[1056]. De Fransche
ambassadeur Baugy voegde bij deze memorie eene aanbevelende nota, waarin
hij er op wees, dat de visscherij aan Spitsbergen den Franschen even
goed als aan alle andere natiën, die jaarlijks schepen daarheen zonden,
vrij moest zijn[1057].

    [1055] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, onder de:
    Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

    [1056] Zie het request onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de
    N. C. R.-A.--Vgl. R. S.-G. 11 Mrt. 1633.

    [1057] Zie de nota in de: L. F. 1633.

Op deze stukken, die dadelijk aan de Noordsche Compagnie gezonden
werden, antwoordde deze weldra (8 April) met een breedvoerig verhaal van
Vrolicqs aandeel aan haar proces met Braem, eene uiteenzetting van zijne
verdere handelwijze sinds 1629, en eindelijk met hevige klachten over
twee Baskische schepen, die in 1632 aan Jan Mayen-eiland de loges der
compagnie geplunderd hadden[1058]. De compagnie verklaarde zich bereid,
met Vrolicq voor de Nederlandsche rechters te procedeeren, en verzocht
onderwijl onder beroep op haar met zooveel moeite verkregen recht en
onder verwijzing naar het belang der Nederlandsche walvischvaarders
handhaving van haar octrooi tegen alle inbreuken[1059]. Van Fransche
zijde werd deze redeneering den 15 April beantwoord met eene korte
uiteenzetting van Vrolicqs goed recht tot het oprichten eener Fransche
compagnie voor de walvischvangst op gezag van den koning, een plan »dat
by alle redelycke menschen altyts gehouden soude werden voor goet,
eerlyck ende pryselyck.” Na uitvoerige wederlegging van alle hem door de
Noordsche Compagnie toegedichte streken bleef Vrolicq standvastig een
proces weigeren[1060].

    [1058] Zie over deze hier niets ter zake doende gebeurtenis:
    hiervóor p. 262.--Natuurlijk is ook het aandeel van Vrolicq aan de
    zaak van Braem hier van geen belang.

    [1059] Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N.
    C. R.-A.--R. S.-G. 8 Apr. 1633.--De N. C. beweerde o. a. in deze
    memorie, dat „onder de mede participanten” van Vrolicq ook waren
    „eenige Nederlandsche Factoors tot Roan haerlieden onthoudende,
    dewelcke naer apparentie oock haere meesters hadden in dese Landen.”
    Vrolicq antwoordde 15 April, dat door de N. C. „sonder reden ende
    fondament gesuspicieert werdt, dat onder zyne geassocieerde waren
    eenige inwoonders van dese landen, nochte ondersaeten van haere Ho:
    Mo:”. Niettemin waren zulke praktijken ter ontduiking van het
    octrooi der N. C. niet ongewoon, getuige het plakkaat der Stn.-Gen.
    van 11 Maart van hetzelfde jaar, waarvan boven (p. 265) sprake was.

    [1060] Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N.
    C. R.-A.--R. S.-G. 15 Apr. 1633.

De zaak scheen op de lange baan geschoven te zullen worden, en Baugy
voegde dan ook bij Vrolicqs repliek eene nota, waarin hij op
terzijdestelling van alle »longueurs affectées” aandrong[1061]. De
Staten-Generaal stelden toen dadelijk alle stukken, die op deze zaak
betrekking hadden, in handen van den heer Van Vosberghen, om de zaak zoo
mogelijk te schikken in overleg met de Noordsche Compagnie[1062]. Deze,
niet meer in de gelegenheid om Vrolicqs laatste vertoog te beantwoorden,
en bevreesd, dat de Staten-Generaal haar in het ongelijk zouden stellen,
leverde 3 Mei nog eene memorie over, waarin zij, terwijl zij haar recht
op hare in Spitsbergen gevestigde kolonie nader aandrong, zich eindelijk
bereid verklaarde de Franschen met twee schepen op het eiland toe te
laten, maar op voorwaarde, dat zij niet verschenen binnen »den cleynen
hoeck”, dien de Nederlanders voor hunne visscherij gebruikten, namelijk
»buyten delimytten van Magdalenen baije ende de noorder punt ofte
noorder gatt”[1063]. De voorzorg was echter geheel overbodig:
Vosberghens pogingen liepen vruchteloos af[1064] en Vrolicq zelf
weigerde verdere wisseling van stukken, die hem nutteloos scheen[1065].
Toen Baugy later op voldoening aandrong, nam de provincie Holland de
zaak over[1066]. Alle pogingen om haar tot een besluit te brengen waren
vruchteloos, en eindelijk werd 8 November »de saecke daerbij
gelaten”[1067].

    [1061] Zie de nota bij de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput.
    betr. de N. C. R.-A.--R. S.-G. 15 Apr. 1633.--R. H. 3 Mei 1633.

    [1062] R. S.-G. 15 Apr. 1633.

    [1063] Zie deze memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de
    N. C. R.-A.--R. S.-G. 3 Mei 1633.

    [1064] R. S.-G. 23 Apr., 3 Mei 1633.

    [1065] Mem. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de:
    Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Apostille v. d.
    notaris V. d. Aa achter de memorie der N. C. dd. 8 Apr. 1633, onder
    de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Req. der N. C.
    dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. F. l. c.--R. S.-G. 31 Mei 1633.

    [1066] R. S.-G. 31 Mei 1633.

    [1067] R. S.-G. 2 Juni, 11 Juli, 10 Aug., 28 Sept., 17 Oct., 8 Nov.
    1633.--R. H. 1 Sept.--8 Oct. 1633, p. 88.--Nota v. Baugy dd. 2 Juni
    1633, in L. F. 1633.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 89.

Onderwijl had Vrolicq niet stil gezeten. Reeds den 11 Maart had hij den
Staten-Generaal zijn voornemen te kennen gegeven, dit jaar weder eene
uitrusting op Spitsbergen te doen en 20 Mei had Baugy in de volle
statenvergadering medegedeeld, dat de schepen vertrokken waren.
Werkelijk kwam Vrolicq met vier schepen den 27 Juni nogmaals in de
Robbenbaai aan, maar reeds den volgenden dag ontving hij bevel van den
Nederlandschen commandeur Cornelis Pietersz. Ys om bij hem aan boord te
komen. Vrolicq begaf zich dadelijk naar de Mauritius-baai, waar Ys zich
bevond, en er ontstond eene hevige woordenwisseling. Ys verklaarde, dat
hij in het volgens zijn zeggen door de Nederlanders bezeten gebied
niemand dan de Denen kon toelaten en de Franschen dus verzocht die
plaats te verlaten, om ergens anders ten zuiden daarvan eene voor de
walvischvangst geschikte baai op te zoeken. Vrolicq antwoordde daarop
natuurlijk met een beroep op zijn octrooi, maar na herhaalde wisseling
van stukken week hij eindelijk voor de bedreiging van geweld en
onderwierp zich aan den eisch van den commandeur. Hij stelde eerst voor,
de zoogenaamde Engelsche baai in Fairhaven voor zijne vestiging te
kiezen, maar de Nederlanders ontzeiden hem nadrukkelijk het verblijf
daarin, »aengesien deselue was gelegen inde visscherie ende neringe by
hen geexerceert.” Ook Maudlen-sound werd om dezelfde reden afgekeurd,
maar ten zuiden daarvan buiten het gezicht der Nederlanders mocht
Vrolicq eene baai uitzoeken om te visschen, of zoo hij wilde zich naar
de opene zee terugtrekken[1068]. De Franschen vertrokken daarop
eindelijk na lang talmen en niet voordat zij verscheidene malen met
geweld bedreigd waren, naar eene baai op korten afstand van
Maudlen-sound gelegen, die zij kort te voren hadden laten opnemen en »le
Refuge Français” genoemd hadden.

    [1068] Zie de zeven over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen
    bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.

Het schijnt, dat deze wijkplaats--een kleine baai op de westkust van
Spitsbergen, juist halverwege tusschen Maudlen-sound en de
Hamburgerbaai[1069]--door Vrolicq met buitengewone behendigheid gekozen
was; zij was gelegen »sur l’advenue des balleines” en zoo uitnemend voor
de visscherij geschikt, dat de Nederlanders de concurrentie vreezende,
niet alleen de Engelschen, onder wier zoogenaamd gebied de plaats
behoorde, schijnen te hebben willen overhalen om de Franschen te
verdrijven, maar ook later aan de Staten-Generaal bij request
verzochten, dat zij Vrolicq zouden willen bevelen, zich op eenen afstand
van niet minder dan tien mijlen van hunne vestiging op te houden. Van
dit alles kwam echter niets; maar Vrolicq van zijne zijde was
kleingeestig genoeg, om niettegenstaande het groote voordeel, dat zijne
baai hem beloofde, herhaaldelijk eenige van zijne sloepen naar het
noorden te zenden en ze bepaaldelijk in Maudlen-sound te laten
visschen. Het was te voorzien, dat de Nederlanders dit niet zouden
dulden, maar eerst nadat door hen op vijf sloepen beslag gelegd en met
nog krassere maatregelen gedreigd was, bleef Vrolicq binnen de nu
eenmaal door hem zelven gekozene grenzen[1070].

    [1069] Zij staat als „Baskes bay” aangeteekend op de kaart der
    IJszee in den atlas van Colom (1656). Ook nog als „Basken bai” op
    Petermanns kaartje van Spitsbergens noordwesthoek achter: Lindeman,
    Arkt. Fisch. der Deutschen Seestädte.--Zeker heeft de Biscayer-hoek,
    reeds in 1633 door Vander Brugge (Journael der Seeven Matroosen. p.
    8) vermeld, niets met de zaak van Vrolicq te maken; waarschijnlijk
    draagt hij zijnen naam naar eenige Biscaaische harpoeniers in
    Nederlandschen dienst.

    [1070] Zie de drie over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen
    bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. loop. N. C.
    R.-A.--Zie het op deze reis voorgevallene uitvoerig verhaald in:
    Mem. v. de N. C. en v. Vrolicq dd. 2 Febr., 30 Mrt. (?) 1634, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Nauwelijks waren de vier Fransche schepen in het vaderland teruggekeerd,
of zij deelden den koning hunne bezwaren mede over de hun door het nemen
der vijf sloepen toegebrachte schade; zij klaagden vooral, dat de
slechte uitslag hunner reis hen voor meer dan 100,000 livres benadeeld
had, en toonden zich zeer teleurgesteld, dat in hunne afwezigheid door
de vereenigde bemoeiingen van Baugy en Mahieu nog geene vergoeding der
schade van 1632 verkregen was. Op al deze gronden verleende dan ook de
admiraliteit van Rouaan den 30 December 1633 aan Jean Vrolicq volmacht
om beslag te leggen op de in Frankrijk aanwezige goederen der Noordsche
Compagnie[1071], en weldra werd aan dit verlof gevolg gegeven door het
arrest, gelegd op de goederen der compagnie, berustende onder kooplieden
te Rouaan, Bordeaux en Bayonne[1072]. Om de gevoeligheid der Franschen
te toonen, was ook reeds aan de Basken verboden in Nederlandschen dienst
ter walvischvangst uit te varen[1073].

    [1071] Zie dit stuk als bijlage I achter het Req. der N. C. dd. 2
    Febr. 1634. l. c.--Vgl. R. H. 6 Apr. 1634.

    [1072] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. I. l. c.--Vgl. R. H.
    verg. v. 14 Mrt.--8 Apr. p. 27.

    [1073] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. H. l. c.

Natuurlijk werd de zaak nu in Nederland weder levendig. De Noordsche
Compagnie, ondersteund door de regeeringen van verschillende Hollandsche
steden, verzocht 2 Februari 1634 de tusschenkomst der Staten-Generaal
tot opheffing van het arrest en intrekking van het Rouaansche vonnis;
zij eischte tevens, dat de Staten zouden zorgen, dat Vrolicq haar niet
meer hinderde en dat hij, zoo hij voornemens was weder op Spitsbergen te
verschijnen, haar gebied niet betreden, maar integendeel tien mijlen van
daar verwijderd blijven zou[1074]. Ook Vrolicq zelf wendde zich op bevel
van koning en kardinaal nog eenmaal met eene memorie tot de Staten en
verzocht, dat zij hem vergoeding der dien zomer geledene schade
verschaffen en maatregelen nemen zouden, dat hij het volgende jaar
ongestoord aan Spitsbergen kon verkeeren[1075]. Beide stukken werden
reeds dadelijk in handen eener commissie gesteld en de zaak bleef dan
ook, niettegenstaande Baugy ze »seer yverich vervolgde” en »seer hart
aenhielt” om antwoord, voorloopig rusten[1076]. Eerst in Mei werden er
pogingen aangewend, om door conferentiën van de Noordsche Compagnie met
gedeputeerden uit de Staten-Generaal de zaak te schikken; men wilde op
Spitsbergen eene grensregeling maken, opdat ieder der beide partijen op
haar eigen gebied hare visscherij ongehinderd zou kunnen oefenen[1077].
Lang duurden de onderhandelingen, en toch schijnt men het niet eens te
hebben kunnen worden[1078]; eerst op het uiterste oogenblik toch werd
aan Baugy, die gereed stond naar Frankrijk te vertrekken, het antwoord
der Staten op zijne herhaalde vertoogen ter hand gesteld[1079]. Het
luidde weinig bevredigend: de Staten-Generaal wezen op het recht der
Nederlanders als ontdekkers van Spitsbergen en bezitters van het land,
bepaaldelijk van de Robbenbaai; de geringe omvang van het Nederlandsche
gebied, waar onmogelijk de Franschen en de Nederlanders gezamenlijk
zouden kunnen visschen zonder elkander wederzijds te benadeelen, werd
als reden voor de weigering van toelating daarbij gevoegd. De Staten
oordeelden het wenschelijk, dat de Franschen zich ten zuiden van het
Nederlandsche gebied vestigden; de zaak zou zoodoende in der minne
geschikt kunnen worden, en terwijl de Noordsche Compagnie behouden zou
wat haar toekwam konden de Franschen op eenen onderling te bepalen
afstand even goed en gemakkelijk visschen als in de zoo begeerde
Robbenbaai. De Fransche regeering werd dus uitgenoodigd om met de
Nederlandsche in overleg te treden, ten einde met onderling goedvinden
de wederzijdsche grenzen te bepalen[1080]. Over de quaestie der door
beide partijen geledene schade waren de Staten-Generaal korter: er werd
geklaagd over het vonnis der Rouaansche admiraliteit en intrekking
daarvan verzocht; de klachten van Vrolicq over hem toegebrachte schade
werden als geheel ongegrond afgewezen. Eene laatste poging werd
eindelijk gewaagd om de zaak bij gewoon proces te eindigen[1081].

    [1074] Zie het request der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
    C. R.-A.--Vgl. R. S.-G. 2, 7 Febr. 1634 (waar de inhoud der memorie
    echter onjuist voorgesteld wordt.)

    [1075] Zie de memorie (dd. 30 Maart 1634?) in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

    [1076] R. S.-G. 30 Mrt., 28 Apr. 1634.--R. H. verg. v. 14 Mrt.--8
    Apr. p. 27.

    [1077] R. S.-G. 15, 30 Mei 1634.

    [1078] R. S.-G. 10, 27 Juni 1634.

    [1079] R. S.-G. 22, 24 Juli 1634.

    [1080] Zeer juist zetten de Stn.-Gen in deze nota de wel eens door
    de N. C. vergeten waarheid uiteen, dat de handelwijze der
    Nederlanders niet gerechtvaardigd werd door het octrooi der N. C.,
    „qui n’est considérable sinon à l’endroit des sujets ou habitans des
    Provinces Unies.” Zij voegden er bij, „qu’ils se fondoient sur le
    droict de nature et des gens, suivant lequel ceux qui ont occupé et
    pris possession de quelque accoing de mer, ou plage et ij establij
    et exercé la pescherie peuvent en exclurre tous aultres, tant qu’ils
    continuent ceste possession, ainsij qu’ils ont faict continuellement
    d’an en an et le font encore pour le présent.”

    [1081] Zie de memorie der Stn.-Gen. dd. 22 Juli 1634, in: L. F.
    1634.

Daartoe kwam het echter niet. De loop der zaken had aan ieder der
twistende partijen reeds een afzonderlijk gebied aangewezen. De
Staten-Generaal hadden tegen deze regeling geene bezwaren in te brengen,
en er was geen enkele reden, waarom de Franschen met zulk eene schikking
minder ingenomen zouden zijn. De aan Vrolicq toegebrachte schade was ook
reeds op de Noordsche Compagnie verhaald. Het schijnt dan ook zeker, dat
Vrolicq zonder verdere onderhandelingen zijn voornemen uitvoerde en het
volgende jaar weder op Spitsbergen verscheen. De »Refuge Français” was
vermoedelijk ook nu weder zijn verblijfplaats en de Nederlanders waren
verstandig genoeg hunnen ouden vijand, nu hij zich eindelijk rustig
hield, niet te hinderen[1082].

    [1082] Op nieuwe moeielijkheden der N. C. met Vrolicq over deze zaak
    schijnen echter te wijzen: Accoord der Friezen met de N. C. dd. 25
    Juli 1636. art. 4. bij: Aitzema. Saken v. Staet. II p. 360.--R. H.
    11 Oct. 1636.

Weldra nam de Fransche walvischvangst aan Spitsbergen nu verbazend toe.
Maar die bloei was van korten duur. Wel mislukte eene poging van
Christiaan IV, om de Franschen, die vroeger zijne hulp hadden
ingeroepen, tot erkenning van zijne hoogheid te brengen, geheel[1083];
maar toch schijnen de Fransche walvischvangers, die nog in 1636 niet
minder dan veertien schepen naar Spitsbergen uitrustten[1084], op den
duur de nering opgegeven te hebben. De compagnie kon misschien de
verliezen der eerste onvoordeelige jaren, gevolgd door de aanzienlijke
schade haar in 1636 door de Spanjaarden toegebracht[1085], niet dragen,
en was daarom spoedig genoodzaakt zich te ontbinden; misschien ook
oordeelde Richelieu het niet raadzaam, de sinds 1635 nauw met Frankrijk
verbondene Nederlandsche natie door de vernieuwing van Vrolicqs octrooi,
dat met 1 Januari 1638 eindigde[1086], te verbitteren. Hoe het zij, in
1639 verschenen de Franschen niet weder op Spitsbergen[1087], en de
walvischvangst schijnt althans voorloopig door hen opgegeven te zijn.

    [1083] Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F.
    1636.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.

    [1084] Scoresby, Account. II p. 165.

    [1085] Scoresby, Account. II p. 165.

    [1086] Zie hiervóor p. 292 Noot 2{[1040]}.

    [1087] Antw. v. Christiaan IV aan de Nederl. ambass., in: Verbaal v.
    Burch en Conders van Helpen ad 7 Oct. 1639.--In 1638 waren de Basken
    echter waarschijnlijk nog op Spitsbergen geweest, want in het
    voorjaar van 1639 was er sprake van, hen dien zomer van het eiland
    te verdrijven. (Br. v. Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639,
    in: L. D. 1639.)

Ook in latere jaren is mij van eene eenigszins belangrijke visscherij
der Franschen in deze streken niets gebleken; de natie, die altijd zoo
krachtdadig had medegewerkt tot den bloei der walvischvangst van
vreemden, slaagde er met al hare behendigheid en volharding toch niet
in, hare eigene visscherij op den duur te vestigen.

       *       *       *       *       *

Van geheel denzelfden aard als het geschil met Vrolicq waren de
onaangenaamheden, lange jaren te voren met eene Duinkerksche compagnie
ontstaan. Ook hier was de beweerde ontdekking van Jan Mayen-eiland de
aanleiding tot de oneenigheden; ook hier was het verdringen der
Noordsche Compagnie uit hare te uitsluitende positie het doel der
mededingende natie.

Reeds onder de eerste schepen, die in 1613 met de Engelsche
walvischvaarders op Spitsbergen kwamen concurreeren, was een Duinkerker
geweest onder bevel van kapitein Fopp. Bij hem behoorde een
Nederlandsche pinas, waarop zekere Claes Martensz. van Hoorn
gezagvoerder was. Engelschen schijnen den stoutmoedigen zeelieden weder
den weg naar het eiland gewezen te hebben. De behandeling, die beide
schepen van den Engelschen commandeur Joseph ondervonden, was niet veel
beter dan zich verwachten liet. Terwijl het kleine schip reeds 12 Juni
veroverd en gevangen gehouden was, werd ook kapitein Fopp zelf den 19
uit Greenharbour verjaagd. Later ontmoetten de Duinkerkers, die te
vergeefs aan de zuidpunt van het eiland naar eene andere, voor hun
bedrijf geschikte plaats gezocht hadden, de Engelschen nogmaals, toen
zij op weg waren om geheel in het noorden op 82° en 83° NB. hun geluk te
beproeven. Bij deze gelegenheid kregen zij wel verlof tot de visscherij
en werd de hun ontnomene pinas--met de bemanning behalve de daarop
gevondene Engelschen--hun op hun verzoek teruggegeven, maar slechts op
voorwaarde, dat zij als handlangers der Engelschen optraden en alle
vreemde bezoekers, die in Hornsound de walvischvangst zouden willen
oefenen, daaruit verdreven (23 Juni). Kapitein Fopp nam dit bereidwillig
op zich, maar nauwelijks waren de Engelschen weggezeild of de bemanning
van zijn schip nam hem zelven gevangen en vertrok van het eiland[1088].

    [1088] Zie over deze reis der Duinkerkers: Hist. de Spitsberghe. p.
    11, 20, 21, 23-35.--Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in
    1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.

Het resultaat der reis was dus waarlijk niet gunstig voor de reeders!
Zij vielen klachtig aan hunne souvereinen de aartshertogen, die hunne
bezwaren aan het Engelsche hof kenbaar maakten[1089]. Maar onderwijl was
men van het bezoeken van Spitsbergen afgeschrikt: noch in 1614[1090],
noch in de eerstvolgende jaren vertoonde zich een Duinkerksch schip aan
het eiland[1091]. Maar de stoutmoedige geest, die reeds kapitein Fopp
gedreven had om in het hooge noorden nieuwe plaatsen voor zijn bedrijf
te zoeken, bleef zijne stadgenooten bezielen. In 1614 reedde
eene Duinkerksche compagnie, aan wier hoofd een Engelschman John
Clarke (door de Nederlanders veelal Jan De Clerck genoemd)
stond,--waarschijnlijk dezelfde vereeniging, die ook kapitein Fopp had
uitgezonden[1092],--weder een schip ter ontdekking uit. Het resultaat
was gunstig: den 28 Juni 1614 werd Jan Mayen-eiland bereikt[1093].
Terwijl dus de Duinkerksche ontdekkers ongetwijfeld beter recht hadden
dan de Nederlandsche, wier schepen eerst in Juli van hetzelfde jaar van
Spitsbergen vertrokken, schijnen zij bovendien, verstandiger dan dezen,
dadelijk van de uitmuntende gelegenheid voor de walvischvangst gebruik
gemaakt te hebben. Want hoewel de algemeene aandacht zich waarschijnlijk
eerst na 1616 door de reizen der beide Noordsche Compagniën eenigszins
op Jan Mayen-eiland vestigde, vinden wij daar reeds in den zomer van dat
jaar een of twee schepen van de Duinkerksche compagnie, bemand met
Engelsch scheepsvolk onder bevel van Guillaume Le Gouverneur en Marten
Clarke, Johns broeder, als kapitein en commies, en voorzien van de voor
de visscherij noodige Basken[1094]. Dit jaar schijnen de schepen zonder
hinder van de Noordsche Compagnie of haar mededingster, de zoogenaamde
kleine Noordsche Compagnie, gevischt te hebben; een twist met de
Zeeuwsche walvischvaarders over het onderhuren van eenige Basken had op
de rechtsquaestie geene betrekking. Eerst toen Clarke en zijne
deelgenooten in den zomer van 1617 op nieuw eene uitrusting ter
walvischvangst naar Jan Mayen-eiland deden, kregen zij onaangenaamheden
met de schepen der Noordsche Compagnie, die zich toen reeds in vrij
groot getal aan het eiland vertoonden. De Duinkerksche schippers werden
door de Nederlandsche »beschadicht” en van hunne vangst beroofd; van de
zes schepen ter walvischvangst aangekomen werden slechts twee
toegelaten, nadat zij plechtig beloofd hadden er nooit weder te zullen
komen[1095]. Natuurlijk deden de reeders toen hunne klachten weder bij
de aartshertogen, die den 15 Januari 1618 hun request met eenen
aanbevelingsbrief aan de Staten-Generaal zonden[1096].

    [1089] Verclaringh vande Francoisen dd. 12 Mei 1615, in: Noordsche
    togten 4. Loop. N. C. R.-A.

    [1090] Verclaringh vande Francoisen l. c.

    [1091] Muller, Mare Clausum. p. 162.

    [1092] Ik maak dit op uit het feit, dat de Duinkerksche schepen, die
    in 1613 aan Spitsbergen verschenen, evenals de vloot van deze
    reederij gedeeltelijk met Engelschen bemand waren,--en vooral uit de
    verklaring der N. C., dat Clarke en de zijnen „als bederuers vande
    gemeene handelinge ende negotie” door de Engelschen verjaagd waren.
    (Req. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2
    Admiraliteit. R.-A.)

    [1093] R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Wel beweerde de N. C. 2 Febr. 1634,
    dat zij genoodzaakt was geweest „de supporter de grande(s) questions
    et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels
    soustenoijent avoir esté les premiers trouveurs ~de Spitsberguen~”,
    maar Clarke zelf verklaarde, dat het door hem gevonden eiland
    gelegen was op 71-1/2° NB. (R. S.-G. 8 Jan. 1619), en uit alles
    blijkt overtuigend, dat de Duinkerkers juist aan Jan Mayen-eiland
    hunne nering oefenden. (Zie o. a. het vonnis v. de H. R. in zake
    Lampsius c. Clarckque dd. 31 Juli 1620, dat uitdrukkelijk zegt, dat
    de Duinkerkers aan „het Eijlandt In questie” vischten.)--Het is niet
    onwaarschijnlijk, dat Clarke uit Hull afkomstig was, en dat Jan
    Mayen-eiland dus bij deze gelegenheid den in Engeland lang gangbaren
    naam van Trinity-island kreeg. (Zie hiervóor p. 190, 191.) Is dit
    juist, dan stond de oprichting der Duinkerksche compagnie in verband
    met plannen, om te concurreeren met de in Engeland geoctrooieerde
    Moscovische Compagnie. Jakob I heeft in dat geval het recht der
    compagnie op het eiland in 1618 bekrachtigd (zie hiervóor p. 191,
    192 Noot 2{[716]}), hetgeen weder zeer goed sluit met de latere
    interventie van Carleton voor Clarke.

    [1094] Zie de twee vonnissen v. d. H. R. in zake Lampsius c.
    Clarckque dd. 31 Juli 1620.

    [1095] Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche
    togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G. 16 Febr. 1618.--Dictum v. d.
    H. R. dd. 1 Dec. 1622.

    [1096] R. S.-G. 16 Febr. 1618.

Door schade wijs geworden, wendden Clarke en zijne compagnons Pieter
Tenge en Roland Gerard zich het volgende jaar vóor het vertrek hunner
walvischvaarders tot de Nederlandsche regeering en verzochten van deze
brieven van vrijgeleide voor vier schepen, die zij hadden uitgerust tot
de walvischvangst naar Groenland (d. i. hier Jan Mayen-eiland.)[1097] De
Noordsche Compagnie protesteerde natuurlijk, evenals hare jongere zuster
de kleine compagnie voor de walvischvangst, ernstig tegen de inwilliging
van dit verzoek, als »streckende tot confusie ende bederff vande negotie
ende handelinge vande geoctroyeerde Compaignie.” Zij noemde de
requestranten »enterloopers” en »bederuers vande gemeene handelinge ende
negotie,” die zij als onder geene geoctrooieerde compagnie behoorende
diep verachtte. Hun verzoek eindelijk, meende de Noordsche Compagnie,
behoorde afgewezen te worden als strijdig met haar recht 1^{o}. als
ontdekster van Jan Mayen-eiland, 2^{o}. als bezitster van het octrooi
van 1614, en eindelijk 3^{o}. als rechthebbende uit het contract, in
1617 met het scheepsvolk van Clarke gesloten, als voorwaarde waarop men
hen toeliet[1098]. Niettegenstaande dit krachtig aangedrongen advies,
dat in latere jaren voldoende zou geweest zijn om het verzoek der
Duinkerkers onmiddellijk te doen afwijzen, besloten de Staten-Generaal
aan Clarke te schrijven, dat de Nederlandsche schepen hem op bepaald
bevel der regeering geene verhindering in zijne nering zouden
aandoen[1099]. De schepen van Clarke schijnen dan ook in 1618 rustig aan
Jan Mayen-eiland gevischt te hebben, en ook voor het volgende jaar werd
niettegenstaande het herhaald protest der Noordsche Compagnie aan de
Duinkerkers op hun verzoek voor een jaar verlof verleend om met twee
schepen aan het eiland te mogen visschen en hun traan aan land te koken.
Ditmaal werd echter uitdrukkelijk de voorwaarde aan dit verlof
verbonden, dat het niet zou praejudiciëeren het recht van partijen in
het proces ten principale[1100].

    [1097] R. S.-G. 30 Jan. 1618.

    [1098] Zie deze rescriptie v. de N. C. (verkeerdelijk gedateerd 15
    Maart 1619), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G.
    15 Mrt. 1618.

    [1099] R. S.-G. 10 Apr. 1618.--Vgl. Miss. der Stn. v. Zeel. aan de
    Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, in: N. Z. Bijlagen.

    [1100] R. S.-G. 8 Jan., 16 Mei, 8 Juni 1619.--Miss. v. de Stn. v.
    Zeel. aan de gedeput. ter Generalit. dd. 4 Febr. 1620, als bijlage
    achter: N. Z. 1620.

Toen namelijk de klachten van Clarke over de hem in 1617 toegebrachte
schade met zijn verzoek om vergoeding den 16 Februari 1618 door de
aartshertogen aan de Staten-Generaal waren aanbevolen, hadden dezen de
stukken dadelijk in handen der Noordsche Compagnie gesteld om daarop te
antwoorden[1101]. Het lag in den aard der zaak, dat deze eerst dan door
de schade te vergoeden haar ongelijk erkennen zou, wanneer zij toegaf,
dat Clarke recht had aan Jan Mayen-eiland te visschen. Wij zagen reeds,
dat de bewindhebbers aan niets minder dachten en het is dus licht te
begrijpen, dat de geest van uitsluiting, die hen drong tot het advies om
de Duinkerksche compagnie niet aan het eiland toe te laten, hun ook het
vergoeden der schade zou ontraden. De strijd, die door de Noordsche
Compagnie tegen hare Duinkerksche zuster gevoerd werd, was dan ook,
hoewel het niet tot een eigenlijk proces kwam, lang en verbitterd. Eerst
na vele maanden kwam het eerste antwoord der compagnie op Clarke’s
klachten in, en van toen af werden gedurende een paar jaren
onophoudelijk replieken en duplieken bij de Staten-Generaal ingeleverd.
De bedrijvige Duinkerkers hadden gewoonlijk reeds weder twee of drie
nieuwe requesten gereed om hunne mededingster nader aan te sporen,
terwijl deze hun het antwoord op vroegere memoriën nog steeds schuldig
was[1102]. De Noordsche Compagnie handhaafde voortdurend het standpunt,
door haar reeds in Maart 1618 ingenomen, dat de beweerde ontdekking van
het eiland door de Duinkerkers verdicht was en zij zelve alleen dus
recht op het bezit had[1103].

    [1101] R. S.-G. 16 Febr. 1618.

    [1102] R. S.-G. 12, 13 Oct., 7 Nov., 4 Dec. 1618, 11, 15 Febr., 7,
    29 Mrt., 30 Apr., 14, 17 Sept., 1 Oct. 1619, 25 Jan., 17 Febr., 10
    Mrt., 6 Apr., 15 Juli, 9, 30 Sept. 1620.--Req. v. de N. C. dd. 10
    Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

    [1103] Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche
    togten. 2 Admiraliteit. R.-A. (De ontkenning ligt in de bewering der
    ontdekking door Nederlanders opgesloten.)--R. S.-G. 23 Dec. 1620.

Eindelijk, na twee jaren van twist, werd de zaak op verzoek van Clarke
in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld om partijen
te hooren en zoo mogelijk te vereenigen[1104], maar een paar maanden
later moest men deze pogingen weder opgeven[1105]. Ook de kleine
Noordsche Compagnie, die mede aanspraak op Jan Mayen-eiland maakte,
bemoeide zich met de zaak[1106] en de wisseling van stukken begon op
nieuw[1107], toen de ambassadeur Carleton zich de zaak van den
Engelschen onderdaan aantrok en aandrong op »vuytinge” van de quaestie
met Clarke[1108]. Toen eindelijk scheen er een einde aan de zaak te
zullen komen; men besloot ze aan den Hoogen Raad van Holland in handen
te geven om er in te vonnissen, nu de pogingen tot schikking mislukt
waren[1109]. Maar ook bij dit laatste middel stuitten de Staten-Generaal
op onverwachte moeielijkheden. Zij hadden den Hoogen Raad vrij
zonderling bevolen te vonnissen »tot costen van partijen[1110]”, en deze
nam daaruit aanleiding om de behandeling der lastige zaak, waarin
zoovele belangen gemoeid, zoovele rechten betrokken waren, te weigeren
met de merkwaardige verklaring, dat »alle souueraine Princen ende
republycken schuldich ende gehouden syn haere ondersaten recht en
Iustitie sonder der seluer costen te doen administreren, gelyck tot noch
toe In dese Prouintiën Is gebruyct geweest.” Naar het oordeel van den
Raad zou het zijn »Jegens de Hoocheyt ende reputatie deser Landen,
mitsgaders digniteyt ende luyster van hun collegie, dat sy tvoorseide
proces tot coste der partyen visiteren ende daerinne sententieren
souden, als haere Hooch Mog. op hen waren begeerende[1111].” Hoewel het
later bleek, dat dit alles niets was dan een schoonschijnend
voorwendsel, terwijl de ware reden was, »dat dese saecke soo veele
ingesetenen van dese landen was aengaende, Ende dat de trefves vuyt
waren[1112],” bleven alle onderhandelingen om den Hoogen Raad van zijn
gevoelen aftebrengen vruchteloos[1113]. Men waagde eindelijk eene
poging, om partijen over te halen hun geschil bij overeenkomst aan den
Hoogen Raad als scheidsrechter te onderwerpen[1114], en waarschijnlijk
was het ten gevolge van zulk eene schikking, dat deze 1 December 1622 in
de zaak uitspraak deed. Evenals het vorige jaar bevreesd om partikuliere
belangen te kwetsen, poogde men ook nu nog partijen door de heeren Van
Vosberghen en Pauw te doen »vereenigen,” maar voor het geval, dat dit
niet gelukte, veroordeelde de Raad de Noordsche Compagnie, om aan Clarke
en zijne deelgenooten te vergoeden de hoofdsom met interessen van alle
schade, door hen geleden »deurt belet hen gedaen In haren Walvischvanck
ende het affnemen van haerluyder traen[1115].” Toen eindelijk schijnt de
Noordsche Compagnie in de schikking toegestemd te hebben[1116], want tot
een nader vonnis kwam het niet.

    [1104] R. S.-G. 1 Mei, 30 Sept., 3 Oct. 1620.

    [1105] R. S.-G. 20 Oct., 5 Nov., 3 Dec. 1620.

    [1106] R. S.-G. 3 Dec. 1620.

    [1107] R. S.-G. 16, 23 Dec. 1620.

    [1108] R. S.-G. 4 Jan. 1621.

    [1109] R. S.-G. 5 Jan. 1621.

    [1110] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 5 Jan. 1621, in: L.
    loop. 1621.

    [1111] Miss. v. d. H. R. aan de Stn.-Gen. dd. 23 Apr. 1621, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 27 Apr. 1621.

    [1112] R. S.-G. 4 Mei 1621.

    [1113] R. S.-G. 28, 29 Apr., 4, 11, 22 Mei, 13 Juli 1621.

    [1114] R. S.-G. 4 Mei 1621.

    [1115] Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.

    [1116] De N. C. beweerde in 1634, „qu’il a Convenu a ceux de la
    Compaignie de supporter de grande questions et disputes avecq
    quelcques marchands de Dunquercque, lesquels aussi soustenoijent
    avoir esté les premiers trouveurs de Spitsberguen (lees: Jan
    Mayen-eiland), Toutes lesquelles traverses et molesties il a fallu
    qu’ils aijent superées avec grande patience, et defendre leur bon
    droict ~avec frais et despens excessifs, de sorte qu’à cela ont esté
    despendus et consumez Capitaux tout entiers~.” (Req. der N. C. c.
    Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.)

Was dus Clarke tegen de Noordsche Compagnie in het gelijk gesteld, het
kon hem nu gewis vrij onverschillig zijn. Zeker was het hem minder om de
schadevergoeding zelve te doen geweest, dan om zijn recht voor het
vervolg erkend te zien, maar eene zoo late erkenning baatte hem niets.
Want hoewel de Hooge Raad de Duinkerkers bij dezelfde uitspraak zelfs
ontsloeg van het hierboven vermelde contract van 1617, waarbij hun
scheepsvolk zich verbonden had, niet weder op Jan Mayen-eiland te
verschijnen[1117], en hun recht op de vrije visscherij dus bepaald
erkend was, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat hunne
walvischvangst daardoor in geenen deele bevoordeeld is. Reeds in 1620
was er, toen Clarke van de Staten-Generaal hangende het proces wederom
verzocht had te zorgen, dat de Noordsche Compagnie de schepen, die hij
ook nu weder voornemens was naar Jan Mayen-eiland te zenden, niet
hinderde[1118], op zijn request geene dispositie gevolgd en dus de
visscherij aan het eiland voor hem onveilig geworden. Mogelijk heeft hij
echter niettegenstaande de herhaalde oneenigheden met de Noordsche
Compagnie dit jaar nog volgehouden, maar toen »de trefves vuyt waren”
was het ondenkbaar, dat de onderdaan der aartshertogen zich zou kunnen
handhaven tegen de machtige Nederlandsche compagnie, voortaan door den
oorlog gerechtigd tot openlijke vijandelijkheden[1119].

    [1117] Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.

    [1118] R. S.-G. 27 Mrt. 1620.

    [1119] Dat de Duinkerkers de walvischvangst opgaven, schijnt ook
    opgemaakt te kunnen worden uit de verklaring der N. C. in haar
    request aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.

       *       *       *       *       *

Bij de groote overeenkomst van de geschillen der Noordsche Compagnie met
Vrolicq en Clarke in aanleiding en doel, verschillen zij echter
onderling in twee opzichten. Terwijl over de zaak van Vrolicq nagenoeg
geen enkel stuk uit de nog voorhanden, hoewel verspreide verzameling
gemist wordt, is van de gedurende vier jaren tusschen de Noordsche
Compagnie en Clarke gewisselde stukken er nauwelijks éen overgebleven om
ons over het sustenu der partijen in te lichten. Zelfs de resolutiën der
Staten-Generaal, anders soms een vruchtbare bron, geven hier, hoewel zij
zeer dikwijls van de zaak spreken, nagenoeg niets dan bevelen, die op de
wisseling der stukken betrekking hebben. Ook de registers onzer
rechterlijke collegiën kunnen ons hier slechts weinig helpen. Het
hierboven over Clarke en zijne pretensie medegedeelde is dus slechts het
geraamte eener zaak, die, wanneer men ze door betere kennis der
omstandigheden vleesch en bloed kon bijzetten, misschien even leerzaam
zou zijn voor de kennis der beginselen, die de Noordsche Compagnie
leidden, als de andere in dit hoofdstuk behandelde. Nu reeds bezit zij
in tegenstelling met deze het belang, dat zij ons overtuigend bewijst,
dat, terwijl de Noordsche Compagnie, reeds bij hare oprichting even
exclusief als gedurende haar geheele verdere bestaan als geoctrooieerde
compagnie, ook tegenover de ontdekkers van het door haar bezeten land
haar onrechtmatig systeem volhield, de Staten-Generaal hunne vrijzinnige
beginselen wijzigden, naarmate de omstandigheden het belang der
Nederlanders verplaatsten. Terwijl de regeering in 1618 verstandig
genoeg was om in te zien, dat, wanneer men eenige kans wilde hebben op
eene overwinning in de hevige geschillen met de Engelschen over de
walvischvangst, men dan ook vooral tegen een Engelsch onderdaan
consequent moest vasthouden aan de vrijzinnige leuze, die de steun der
Nederlandsche diplomaten in hunne onderhandelingen met Jakob I was,
vergat zij in latere jaren, toen de Nederlandsche walvischvangst zich
krachtig ontwikkeld had en zich met goeden uitslag tegen alle
mededingers staande hield, welke beginselen haar in vroegere jaren
geleid hadden, en gaf zij aan Jean Vrolicq gegronde aanleiding om te
zeggen, dat hij »van haer Ho: Mo: alsoo veel gunste verwacht hadde, als
in gelycke gelegentheyt voor desen genoten hadde gehadt Jan Clerck
woonende tot Duynkercken.”[1120]

    [1120] Rescr. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder
    de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.



HOOFDSTUK IX.

BINNENLANDSCHE WEDIJVER.


De strijd met de buitenlandsche mededingers was dus volstreden en het
jaar 1642 vond de Noordsche Compagnie zegevierend gevestigd in de
Mauritius-baai op Spitsbergen en in het ongestoord bezit van Jan
Mayen-eiland. Ongelukkig voor haar was juist dit jaar bestemd om haren
val te zien. Buitenlandsche concurrentie kon de Nederlandsche kooplieden
der zeventiende eeuw niet van de eens ingenomene plaats verdrijven, maar
eindelijk bezweek de bevoorrechte vereeniging voor den tegenzin harer
landgenooten, die haar reeds sinds hare oprichting gedurig met
vernietiging had bedreigd.

Wij zagen, dat reeds op den dag, toen het octrooi der Noordsche
Compagnie verleend werd, de tegenwerking van Le Maire aan de Staten eene
heilzame beperking daarvan afdwong; de nieuwe compagnie moest daardoor
steeds op hare hoede zijn voor mededingers, die éen enkele gelukkige
reis voor haar kon oproepen. Had ook op den duur deze maatregel voor de
compagnie niet de gewichtige gevolgen, die men er gewis van verwacht
had, weinige maanden na de uitvaardiging bracht het »generael octroy”
aan de bevoorrechte walvischvangers toch een gevoeligen slag toe. Van de
drie kwetsbare plekken, die het uitsluitende octrooi der Noordsche
Compagnie aanbood en die achter elkander zouden gebruikt worden om
concurrenten op te roepen, was de beperking van het charter der
vereeniging door het »generael octroy” de eerste bres, waardoor men
eenen aanval op haar monopolie deed.

In het vijfde hoofdstuk hebben wij gezien, dat in Juli 1614 door twee
schepen van de Noordsche Compagnie op 71-1/2° NB. toevallig ontdekt werd
een den Nederlanders nog onbekend eiland, dat naar den bevelhebber der
expeditie Jan Mayen-eiland genoemd werd. De reis werd gedaan op kosten
der kamers van Amsterdam en Enkhuizen. Maar de Delftsche kamer der
Noordsche Compagnie had in hetzelfde jaar onder bevel van kapitein Jan
Jansz. Kerckhoff een ander schip »het cleyne Swaentgen” naar het noorden
gezonden. Ook Kerckhoff kwam kort na de andere reizigers toevallig aan
Jan Mayen-eiland, en verstandiger dan zijne voorgangers ging hij aan
land en onderzocht het nauwkeurig. Natuurlijk werd na de terugkomst der
drie schepen rapport van de reizen gedaan aan de bewindhebbers, die ze
uitgezonden hadden, maar de aandacht der Amsterdammers schijnt zich op
de gedane ontdekking niet bizonder gevestigd te hebben. Althans toen zij
aan Z. Exc. en aan eene commissie uit de Staten-Generaal rapport van
hunne reis deden, schijnt van Jan Mayen-eiland niet gesproken te zijn;
aan de Delftsche bewindhebbers werd het overgelaten, of zij door hunnen
kapitein Kerckhoff volgens de bepalingen van het »generael octroy”
verslag van hunne ontdekking wilden doen aan de Staten-Generaal[1121].
Eerst daardoor toch, zoo was er voorgeschreven, kon men eene akte
verkrijgen, dat men recht had op de vier als belooning der ontdekking
uitgeloofde reizen, met de bepaling van den tijd, waarin die reizen
volbracht moesten zijn[1122].

    [1121] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.)
    1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland.
    R.-A.--„Debath gedaen maecken” enz. v. Kyen c.s. aan de gecommitt.
    der Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 1. R.-A.

    [1122] Gr. Placaet-boeck. I p. 564.

Ondertusschen dachten de Delftsche heeren aan niets minder. Kerckhoff
had na zijne terugkomst dadelijk uitvoerig rapport van zijne bevindingen
gedaan aan de twee bewindhebbers der Delftsche kamer, onder wier
toezicht deze uitrusting geschied was, Nicasius Kyen en Dirck Adriaensz.
Leversteyn (de derde bewindhebber Antonie Monier was in 1614 zelf als
bevelhebber der visscherijvloot mede naar Spitsbergen gegaan en dus niet
tegenwoordig geweest.) De kapitein verhaalde aan zijne reeders dadelijk,
dat hij aan het nieuwe eiland eene menigte walvisschen gezien had: de
zee scheen daar ten minste even vischrijk als bij Spitsbergen. Deze
belangrijke ontdekking, die aan de andere schippers ontgaan schijnt te
zijn, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling der beide
bewindhebbers: zij waren de mannen er niet naar om hun voordeel daarmede
niet te doen. Niet zeer kiesch in de middelen om winst te maken,
schijnen beiden personen geweest te zijn van meer dan gewone bekwaamheid
en volharding. De familie Kyen had dadelijk aan de beginselen der
walvischvangst hare aandacht gewijd en er krachtig aan deelgenomen:
terwijl een der leden reeds in 1612 als commies op het schip van Van
Muyden aanwezig was en op Prince Charles’ foreland den dood vond[1123],
vinden wij Nicasius onder de oprichters der Noordsche Compagnie genoemd.
Dadelijk had hij eenen zetel ingenomen als bewindhebber van de kamer der
nieuwe compagnie, die te Delft, de stad zijner inwoning, gevestigd
werd[1124]; naast hem vinden wij Dirck Adriaensz. Leversteyn genoemd,
den energieken man wiens krachtig optreden tegen de Noordsche Compagnie
eene soms verrassende overeenkomst vertoont met de rol, door Isaac Le
Maire in dezelfde jaren tegenover de Oost-Indische gespeeld[1125]. Ook
zijne familie wijdde zich met kracht aan de exploitatie der
walvischvangst: terwijl zijn zoon Abraham in 1618 als bevelhebber der
walvischvaarders op Spitsbergen tegen de Engelschen optrad, was
een andere zoon, Adriaen, de man die de taak zijns vaders moedig
opvatte. Reeds in 1616 kapitein op een walvischvaarder aan Jan
Mayen-eiland[1126], was hij het, die in 1618, 1624 en 1625 de drie
reizen deed ondernemen, die oorzaak waren, dat op Groenlands oost- en
westkust nieuwe plaatsen voor de walvischvangst geschikt werden
ontdekt[1127].

    [1123] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:
    Purchas, Pilgrimes. III p. 714.--Hist. du pays de Spitsberghe. p.
    12.

    [1124] De heer burgemeester Kien, die met groote welwillendheid op
    mijn verzoek wel heeft willen nazien, of zijne familiepapieren
    stukken betreffende de kleine Noordsche Compagnie en haren oprichter
    bevatten, bericht mij, dat het archief der vereeniging niet onder
    hem berust. Nicasius Kien was volgens aantekening in gemelde
    familiepapieren zijnen vader Pieter Kien in November 1604 opgevolgd
    als Commissaris-generael van de Vivres. Beiden liggen met hunne
    wapenen begraven in een grafkelder van het koor der Groote kerk te
    ’s-Gravenhage.

    [1125] Ofschoon Leversteyn eerst in 1631 overleed, schijnt hij zich
    weldra van de zaken teruggetrokken te hebben. Reeds in 1622 toch
    vinden wij zijnen zoon Adriaen als aandeelhouder der kleine N. C.
    genoemd; hij zelf stierf als „Contrerolleur vande buyten Ontfanck”
    te Grave. (R. S.-G. 21 Febr., 22 Mrt. 1631.)

    [1126] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop als commandeur van het
    konvooi der walvischvaarders dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten.
    4. Loop. N. C. R.-A.

    [1127] Zie hiervóor p. 178, 181, 184.

Mannen als dezen, in de walvischvangst zoo ervaren, waren dadelijk met
hun plan gereed. Er werd besloten den door de Staten-Generaal voor het
rapport der ontdekking gestelden termijn van veertien dagen na de
terugkomst van het schip te laten verloopen en voor eigene rekening eene
uitrusting naar het eiland te doen: de betrekking der bewindhebbers was
voor hen geen bezwaar, om als concurrenten op te treden der vereeniging,
wier belangen zij moesten waarnemen. Kerckhoff en zijn stuurman Pieter
Douckesz. werden met eenig bootsvolk, dat de reis van 1614 medegemaakt
had, in dienst genomen en in het voorjaar van 1615 in het geheim[1128]
weder naar Jan Mayen-eiland gezonden met een schip, geheel tot de
walvischvangst uitgerust. De onderneming beantwoordde volkomen aan de
gekoesterde verwachting: Kerckhoff nam bezit van het eiland, plantte er
de wapens der Staten-Generaal en noemde het Mauritius naar den naam van
Z. Exc. Ook de walvischvangst gelukte uitnemend: met een rijken buit
keerde het schip huiswaarts[1129].

    [1128] Misschien werd als het doel der reis IJsland opgegeven,
    althans Kyen verzocht 18 Mei 1615 uit naam der „compaignie van
    Islandt” van de Stn.-Gen. vijf gotelingen te leen, om zijne schepen
    te beschermen op de visscherij aan IJsland, „alwaer ordinaris veel
    Roovers haer onthouden.” De Stn. stonden het verzoek toe „tot
    vermeerderinge van neringe in dese landen.” (R. S.-G. 18 Mei 1615.)

    [1129] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.)
    1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Req.
    der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche
    togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

Onderwijl had ook de Noordsche Compagnie niet stilgezeten. De
Amsterdamsche bewindhebbers hadden in het begin van 1615 bij afwezigheid
van alle andere kamers besloten dit jaar eene nieuwe ontdekkingsreis te
doen ondernemen. Het schip »Tswaentgen”, ook wel genoemd »het duyffgen”,
werd onder bevel van kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes
uitgezonden, om nieuwe eilanden te ontdekken en tegelijk Jan
Mayen-eiland nader te onderzoeken met het oog op eventueel aldaar te
verkrijgen voordeel[1130]. Reeds in Augustus kwam Paelman overhaast
terug met het bericht, dat hij aan het eiland het schip van Kyen en
Leversteyn met de walvischvangst bezig had gevonden.

    [1130] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.)
    1615 in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland.
    R.-A.--„Debath gedaen maecken” door Kyen en Leversteyn, in:
    Noordsche togten. 1. R.-A.--Zee-atlas van Van Keulen. I p. 75.

Dadelijk wendden zich nu de bewindhebbers tot de Staten-Generaal, die
zich de arbitrage over geschillen, uit het »generael octroy” ontstaande,
hadden voorbehouden. Zij verzochten volmacht om beslag op het schip van
Kyen en Leversteyn te mogen leggen en eischten, overeenkomstig met hun
tweeslachtig sustenu, dat niet alleen schip en goed volgens de
bepalingen van hun octrooi verbeurd verklaard, maar dat de reeders ook
veroordeeld zouden worden in de boete van 50,000 dukaten, op den inbreuk
van het »generael octroy” gesteld. Een paar dagen later verzochten zij,
na breedvoerige uiteenzetting hunner grieven tegen Kyen en Leversteyn
octrooi voor de ontdekking van Jan Mayen-eiland volgens het plakkaat van
27 Maart 1614[1131]. De regeeringen van Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn,
vooral die van Delft, ondersteunden de Noordsche Compagnie krachtig
tegen hare mededingers[1132], en de Staten-Generaal besloten Kyen en
Leversteyn voor zich te ontbieden. Den 17 Augustus 1615 verschenen
beide partijen »geassisteert met heure Advocaten respective” in de
vergadering: aan de Staten-Generaal was het nu om tusschen hen te
beslissen.[1133]

    [1131] R. S.-G. 13 Aug., 2 Sept. 1615.

    [1132] Ook Petrus Plancius--met de bewindhebbers der N. C.
    Tweenhuysen en Harencarspel voor de vaart op Nieuw-Nederland in
    compagnie (O’Callaghan, New Netherland. I p. 94)--koos de zijde der
    Noordsche Compagnie, en stond de reeders evenals in 1613 met zijne
    aardrijkskundige kennis bij. Hij trachtte in eene memorie, vergezeld
    van „sekere raijinge,” te bewijzen, dat Jan Mayen-eiland onder het
    octrooi der compagnie behoorde. („Cort advertissement” v. Kyen c. s.
    aan de gecommitt. der Stn.-Gen. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche
    togten. 1. R.-A.)

    [1133] R. S.-G. 17 Aug. 1615.

Bij de onvolledigheid der gegevens is het hoogst moeielijk een oordeel
te vellen over de quaestie, wie der partijen het recht aan zijne zijde
had in eene zaak, die zoo geheel van het vervullen of verwaarloozen van
formaliteiten afhing en waarin van beide zijden zoozeer geknoeid schijnt
te zijn om elkaar de loef af te steken. Het komt mij echter volkomen
zeker voor, dat de Noordsche Compagnie gelijk had met de bewering, dat
Kyen en Leversteyn niet alleen »int regart van de generale societeyt
nijet al te sinceerlick mette compagnie ofte heure geassocieerde
gehandelt hadden”, maar ook dat de beide bewindhebbers »meer sochten
haer particulier proffyt als het beste vande gemene Compaignie twelck
sij schuldich waeren te besorgen.” Maar afgezien van de moraliteit der
zaak schijnt het mij toe, dat de Noordsche Compagnie ~door de
Staten-Generaal~ bepaaldelijk in het ongelijk gesteld moest worden. De
bewindhebbers erkenden zelven, dat zij niet voldaan hadden aan de bij
het »generael octroy” gestelde voorwaarde; zij mochten nu de fout, door
hen begaan, op rekening hunner tegenpartij schuiven en van »het versuym
ofte veel eer eygenbaatsouckicheyt” van Kyen en Leversteyn spreken, te
ontkennen was het niet, dat zij hun recht op een octrooi van vier jaren
voor goed verbeurd hadden. Zelven schijnen zij dit gebrek in hun sustenu
te hebben ingezien, althans zij trachtten vrij onhandig de Staten te
overtuigen, dat het nieuw ontdekte eiland eigenlijk reeds onder het
octrooi der Noordsche Compagnie begrepen was als behoorende onder »de
Kusten ende Landen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe” en als een
van de »andere Landen die onder Groenlant gevonden souden mogen werden.”
Juist om dergelijke redeneeringen te voorkomen, was echter het »generael
octroy” uitgevaardigd, en de eenvoudige lezing van het octrooi der
Noordsche Compagnie in verband met het plakkaat van 27 Maart 1614
overtuigt dan ook ieder van de ongegrondheid dezer beweringen. Dit feit
als bewezen aannemende, verklaarden de gedaagden dan ook ronduit, dat
de beoordeeling der middelen, waarmede zij hun voordeel »in mari libero”
gezocht hadden, niet aan de Staten-Generaal stond; slechts een uitspraak
over de feitelijke quaestiën, of het eiland al of niet onder het octrooi
der Noordsche Compagnie behoorde, en zoo neen wie als ontdekker daarvan
moest beschouwd worden, werd van de Staten geëischt[1134].

    [1134] „Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.

Bij eene zoo duidelijke redeneering kan het oppervlakkig eenigszins
zonderling schijnen, dat de gedaagden aanvankelijk geen aanspraak op
uitsluitende rechten gemaakt schijnen te hebben. Maar zoo sterk als
hunne zaak was voor de Staten-Generaal, die slechts over inbreuken op
het octrooi der compagnie en over het recht op de voordeelen van het
»generael octroy” als arbiters uitspraak doen konden, zoo uiterst zwak
was zij, wanneer hunne tegenpartij den gewonen weg van rechten wilde
inslaan. De Noordsche Compagnie was dadelijk begonnen met aan de Staten
over te leggen de Instructie van de bewindhebbers der compagnie, waarvan
art. 10 bepaalde, dat niemand de besluiten der vereeniging of hetgeen
hij in zijne hoedanigheid als aandeelhouder gehoord had, tot zijn
partikulier voordeel mocht aanwenden. Volgens dit artikel waren de
bewindhebbers natuurlijk volkomen gerechtigd hunne ambtgenooten, die op
het van Kerckhoff in ~hunne hoedanigheid van bewindhebbers~ vernomene
het ontdekte eiland, dat in het gunstigste geval ten bate der Delftsche
kamer had moeten komen, in hun eigen voordeel geëxploiteerd hadden, voor
de gewone rechters aan te spreken tot vergoeding van de schade, die de
Noordsche Compagnie door de gevolgen hunner onrechtmatige daad geleden
had. De verdediging van Kyen en Leversteyn was op dit punt uiterst
zwak[1135].

    [1135] „Debath,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Mijn oordeel over
    de zaak is natuurlijk gegrond op de voorstelling, die ik van de
    feiten gegeven heb. Ik moet echter bekennen, dat deze uit de enkele
    stukken, ons over de quaestie bewaard, onvolledig en niet altijd met
    volkomen zekerheid op te maken zijn. Reeds dadelijk maakt het geen
    goeden indruk, dat de N. C. na het vonnis van den Hoogen Raad in
    1617 Kyen en Leversteyn niet voor den gewonen rechter om
    schadevergoeding aangesproken schijnt te hebben; het bewijst, dat
    ook de compagnie zich eenig onrecht bewust was. Mag men de
    mededingers der N. C. gelooven, dan hadden de Amsterdammers zich o.
    a. schuldig gemaakt aan afzonderlijke walvischvangst aan de
    Noordkaap met Deensche passen.

Het zal dan ook wel door het bewustzijn geweest zijn, dat dit gevaar hen
dreigde nu hunne handelwijze bekend geworden was, dat Kyen en
Leversteyn, toen zij voor de door de Staten-Generaal benoemde
commissie[1136] verschenen, voorstellen deden, die men van
rechthebbenden volgens het »generael octroy” niet verwacht hebben zou.
Zij sloegen voor: dat men hun zou toelaten met vier schepen aan het
»eylant in questie” te visschen, terwijl de Noordsche Compagnie daarheen
zoovele schepen zou mogen zenden als zij wilde; òf dat men hun verlof
zou geven tot de vier reizen naar het eiland op de voorwaarden, dat zij
al, wat de ondervinding hun over de ligging en de geschiktheid daarvan
voor de visscherij had geleerd, aan hunne medebewindhebbers zouden
mededeelen en dat zij door den verkoop hunner traan de markt voor de
Noordsche Compagnie niet zouden bederven. Toen deze voorslagen werden
geweigerd, verzochten Kyen en Leversteyn eindelijk, dat de
Staten-Generaal in plaats van de »enorme sware conclusie” der Noordsche
Compagnie toe te wijzen zouden bevelen, dat beide partijen zonder
prejuditie der wederzijdsche aanspraken dit jaar aan Jan Mayen-eiland
zouden mogen visschen. Men zou zoodoende in de gelegenheid zijn het
sustenu der Noordsche Compagnie met betrekking tot de ligging van het
eiland behoorlijk te onderzoeken en na acht of tien maanden zouden de
Staten met kennis van zaken uitspraak kunnen doen[1137]. Dit voorstel
werd eindelijk 29 Februari 1616 door de Staten-Generaal
goedgekeurd[1138]. De Noordsche Compagnie was echter slechts door de
bedreiging, dat men anders met afwijzing van al hare actiën tegen Kyen
en Leversteyn over het vroeger gebeurde de nu voorgestelde regeling voor
goed zou vaststellen, tot berusten in deze uitspraak der Staten te
brengen[1139].

    [1136] R. S.-G. 3 Oct. 1615.

    [1137] „Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.

    [1138] R. S.-G. 29 Febr. 1616.--De commandeur van het konvooi der
    walvischvaarders voor 1616, Jan Jacobsz. Schrobop, kreeg dan ook van
    de Stn.-Gen. bevel om met zijne stuurlieden te nemen „de rechte
    Polus Hoochte vande gelegentheyt van t’ selue Eylandt, wat
    streckinge, ende hoedanige opdoeninge tselue Eylandt is hebbende,”
    en om van zijne bevindingen zoo spoedig mogelijk rapport te doen aan
    de Stn.-Gen. (Instr. v. Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 5, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

    [1139] R. S.-G. 16, 18, 23 Apr. 1616.

In den zomer van 1616 vischten beide partijen, nadat zij overeengekomen
waren, dat men de door beiden te vangen walvisschen zou verdeelen naar
evenredigheid van het getal der sloepen[1140], in vrede aan het eiland;
maar spoedig wendden toch beiden zich weder tot de Staten met verzoek om
bepaling van den tijd, waarin zij de bij het »generael octroy” vermelde
vier reizen moesten doen[1141]. De Staten-Generaal toonden zich geneigd
de zaak voor het volgende jaar nogmaals te schikken evenals in
1616[1142], maar de nadere kennismaking had beide partijen het gewicht
van het eiland doen beseffen. De verbittering was zoo groot, dat zij
beiden de Staten-Generaal verzochten om zonder uitstel in hunne zaak te
beslissen. De stukken waren reeds vroeger gesteld in handen van den
Hoogen Raad[1143] en na vele aanmaningen gelukte het nu, den 13 April
1617 eene definitieve uitspraak van dit college te verkrijgen[1144].
Waarschijnlijk op grond der bepaling in het »generael octroy,” dat »bij
soo verre in ofte ontrent, een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer
Compagnien, nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende
ontdeckten, de selve te samen het Octroy ende Privilegie souden
genieten,” besliste de Hooge Raad met het oog op de beide reizen van
Kerckhoff en Paelman in 1615, dat beide partijen gedurende vier jaren,
ingaande met 1618[1145] »met gelyck recht, ende sonder malkanderen
eenich beleth te doen het eylant in questie souden mogen beuisschen op
alsulcken ordre als syluyden metten anderen onderlinge souden ghoedt
vinden, off anders by de hoochgemelte heeren Staten generael soude
werden gearbitreert[1146].”

    [1140] Instr. van Schrobop, art. 7, in: Noordsche togten. 4. Loop.
    N. C. R.-A.--Niet te verklaren schijnt mij een request van Kyen,
    Monier en Leversteyn (de drie Delftsche bewindhebbers der N. C.),
    waarvan de R. S.-G. 30 Aug. 1616 spreken.

    [1141] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Juni 1616, in:
    Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--R. S.-G. 3, 18
    Oct. 1616.

    [1142] R. S.-G. 3 Oct., 24 Dec. 1616, 16 Mrt. 1617.

    [1143] Miss. der Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias
    loop. 1617. R.-A.

    [1144] R. S.-G. 25, 28, 29 Mrt., 3 Apr. 1617.

    [1145] Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622, in: Groot Placaetb. I p.
    675.--R. S.-G. 16 Mrt. 1618.

    [1146] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.--Zie eene geheel
    verkeerde voorstelling dezer quaestie by Wassenaer (Hist. verh. X
    fol. 107), die echter iets van de ware toedracht der zaak vernomen
    schijnt te hebben.--Om de herhaling van dergelijke onaangename zaken
    te voorkomen, hielden de Staten-Generaal bij de verlenging van het
    octrooi der N. C. in 1617 de beslissing van alle geschillen tusschen
    de participanten aan zich. (R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I
    p. 673, 74.)--De N. C. stelde voortaan als straf op het openbaren en
    het tot eigen voordeel gebruiken van resolutiën, adviezen,
    ontdekkingen of andere geheimen der compagnie eene boete van ƒ 100
    voor de armen, vergoeding van alle schade aan de N. C. en bovendien
    ~ontzetting van de betrekking van bewindhebber~. (Contr. der N. C.
    met Zeeland, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

Zoo hadden dus de kapitalisten, die hun geld in de onderneming van Kyen
en Leversteyn steken zouden, recht om ten minste gedurende vier jaren
nevens de Noordsche Compagnie openlijk als mededingers op te treden. De
gelegenheid was te schoon om ze niet te gebruiken: aan Jan Mayen-eiland
had men niet zooals aan Spitsbergen eene zware concurrentie van
buitenlanders te vreezen. De ondernemingszucht der Nederlandsche
kooplieden aarzelde dan ook niet, aandeelen op ruime schaal te nemen.
Reeds in 1616 was »de cleyne Noortsche Compagnie”, zooals men de
vereeniging noemde, in staat geweest, vijf schepen naar het eiland te
zenden, terwijl de uitrusting der Noordsche Compagnie uit slechts zes
schepen bestaan had[1147]. Eene quaestie tusschen de beide wedijverende
compagniën over den zin van het vonnis schijnt geen gevolg gehad te
hebben[1148], en de Noordsche Compagnie berustte weldra in wat niet te
veranderen was. Den 25 Mei 1620 trof zij met hare jongere zuster eene
overeenkomst, waarbij partijen op de gemeenschappelijke visscherij aan
het eiland orde stelden[1149], en elkander tot behoud der goede
verstandhouding een gedeelte van het strand tot de oprichting van de tot
de vangst noodige gebouwen toedeelden[1150].

    [1147] Instr. v. Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
    R.-A.

    [1148] R. S.-G. 17 Jan., 9 Febr. 1618.--De Stn.-Gen. verwezen
    partijen weder aan den H. R., maar een nieuwe uitspraak schijnt niet
    gevolgd te zijn.

    [1149] Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in:
    Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

    [1150] Akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvangers, in:
    Groot Placaet-boeck. I p. 674.

De vereeniging der beide compagniën schijnt reeds toen vrij nauw geweest
te zijn[1151], en toen weldra de tijd aanbrak, waarop de kleine
Noordsche Compagnie door het einde van haar vierjarig recht zich zou
moeten oplossen, had de geoctrooieerde vereeniging, door herhaalde
verliezen verzwakt, er niets tegen zich door de opname der kleinere met
haar vrij aanzienlijk kapitaal te versterken. Wel is waar moest dan het
uitsluitende recht der Noordsche Compagnie op Spitsbergen opgegeven
worden, maar de visscherij aan dat eiland, waar Engeland en Denemarken
om den voorrang twistten, had in de laatste jaren sinds de exploitatie
van Jan Mayen-eiland veel van haar belang verloren. Men besloot dan ook
4 December 1620 om het volgende jaar, wanneer ook het octrooi der
Noordsche Compagnie ten einde liep, op naam der twee compagniën aan de
Staten-Generaal verlenging daarvan te vragen; tegen 26 Augustus 1621
zouden afgevaardigden van de beide vereenigingen in Den Haag verschijnen
om nadere maatregelen te beramen. Met de Zeeuwsche walvischvaarders
vereenigd, hoopte men eene groote compagnie vrij van alle concurrentie
te vormen[1152]. Toen echter de combinatie der Noordsche Compagnie met
de Zeeuwen spoedig tot stand kwam,--toen misschien eene goede vangst in
den zomer van 1621 de walvischvaarders verrijkte, schijnt de Noordsche
Compagnie gemeend te hebben, dat zij de medewerking der kleine Noordsche
wel kon ontberen. Zeker is het ten minste, dat de oude animositeit weder
opleefde, en toen de afgevaardigden der kleine Noordsche Compagnie op
den bepaalden tijd in Den Haag aankwamen, vonden zij hunne partij van
gevoelen veranderd. Tegenspraak baatte niet, en werkelijk verzocht de
Noordsche Compagnie 1 September 1621 alleen op haar eigen naam
verlenging van het octrooi voor twaalf jaren[1153]. Dadelijk
protesteerde de kleine Noordsche, en verzocht van hare zijde een octrooi
voor de walvischvangst van zes jaren[1154].

    [1151] Dit maak ik op uit het feit, dat de Resolutiën der N. C.,
    medegedeeld bij het request der kleine N. C. dd. 2 Sept. 1621
    (Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.) getrokken zijn uit „het
    resolutiebouck vande heeren Bewinthebberen vande grootte ende ~de
    consorten~ vande cleyne geoctroyeerde noortsche compagnie.”

    [1152] Resol. N. C. 4 Dec. 1620, 25 Mrt., 29 Juli 1621, bij het:
    Req. der kl. N. C. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2
    Admiraliteit. R.-A.

    [1153] R. S.-G. 1 Sept. 1621, 8 Jan. 1622.--Req. der N. C. aan de
    Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan
    Mayen-eiland. R.-A.

    [1154] R. S.-G. 24 Aug., 2 Sept., 6 Oct. 1621.--Req. der kl. N. C.
    aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2
    Admiraliteit. R.-A.

De Staten-Generaal waren nu in een moeielijk geval. Eenheid in de
uitrustingen ter walvischvangst te brengen en daardoor dit bedrijf
niettegenstaande den tegenstand van buiten in de Vereenigde Nederlanden
te vestigen was steeds hun streven geweest. Hunne pogingen, in 1614 door
de vereeniging van alle bestaande compagniën onder éen octrooi zoo goed
geslaagd, waren reeds in 1616 door de oprichting van twee nieuwe
compagniën weder vruchteloos gemaakt. Wat wonder was het, dat zij, nu
twee der mededingsters zich met eensluidende verzoekschriften tot hen
wendden, dadelijk besloten om te beproeven van beide compagniën en
eventueele nieuwe participanten bij deze gelegenheid eene nieuwe
generale compagnie voor de walvischvangst te vormen[1155]. Het kapitaal
van beiden zou zoodoende voor de Nederlandsche walvischvangst behouden
blijven, zonder dat er gevaar was dat de eene compagnie de andere
doodvaren zou.

    [1155] R. S.-G. 2 Sept. 1621.

Holland, als altijd toongevend in een besluit dat handel en zeevaart
betrof, poogde dadelijk de beide twistende vereenigingen door hare
tusschenkomst tot een vergelijk te brengen. Na langdurige conferentiën
sloegen de gedeputeerden der Staten van dit gewest voor, de
aandeelhouders der kleine compagnie over de kamers van Maas en
Noorderkwartier te verdeelen; de onderlinge verhouding van de kamers der
Noordsche Compagnie zou dan in zooverre gewijzigd worden, dat, terwijl
Zeeland het haar toekomende 1/4 van de geheele vangst behield, de
overschietende 3/4 in drie gelijke deelen tusschen de kamers van
Amsterdam, de Maas en het Noorderkwartier verdeeld zouden worden. Maar
deze regeling stuitte af op den bepaalden onwil der groote compagnie,
voornamelijk zeker van de Amsterdamsche kamer, die dusdoende haar
overwicht zou verloren hebben. Een andere voorslag »omme de cleyne
Compaignie te laten soo die is,” d. i. eene afzonderlijke kamer op te
richten, vond niet meer genade in de oogen der oudste zuster en ook de
jongere was hardnekkig en »wilde oick niet en affstaen.” Het scheen
onmogelijk de twistenden tot overeenstemming te brengen; de tijd der
nieuwe uitrusting naderde en de commissie wist dan ook geen beter raad
te geven, dan om »alsoo de disputen langer tyt requireerden” de beide
compagniën te machtigen, dat jaar nog op den ouden voet haar bedrijf te
oefenen en onderwijl de onderhandelingen voort te zetten. De Staten van
Holland vereenigden zich met dezen voorslag en gelastten hunne
gedeputeerden ter generaliteit in dien geest werkzaam te zijn[1156]. Zij
deden dit met het beste gevolg: reeds den volgenden dag werd door de
Staten-Generaal eene commissie benoemd, om de twee requestranten tot een
vergelijk en tot berusten in den wil der Staten-Generaal te
brengen[1157]. Na eenige weinige conferentiën bleek het echter ook aan
deze gedeputeerden, dat de onderlinge naijver der twee compagniën te
groot was om spoedig eene verzoening te weeg te brengen: de commissie
adviseerde de Staten-Generaal »hierinne met authoriteyt te decreteren
ende decideren.” Zij zelve deed daartoe in den geest van de resolutie
door Holland genomen eenen voorloopigen voorslag, dien zij wenschten,
dat de Staten-Generaal de beide compagniën op verbeurte van haar octrooi
zouden doen aannemen. Dienovereenkomstig werd besloten[1158] en de
voorslag 4 Februari 1622 gearresteerd. De geheele jaarlijksche vangst
der Nederlanders was daarbij begroot op 21.000 quarteelen traan en de
Staten-Generaal beslisten nu, dat van dit getal de geoctrooieerde
Noordsche Compagnie zou mogen vangen tot 10.000 quarteelen, terwijl de
kleine met 6000 zou moeten tevreden zijn[1159]. De kleine Noordsche
Compagnie bleef bij hare vangst als vroeger beperkt tot Jan
Mayen-eiland; de groote zou echter in mindering van haar aandeel aan de
visscherij bij dit eiland haar bedrijf ook aan Spitsbergen of elders
mogen oefenen. De voorslag zou het recht van geene der partijen bij eene
definitieve regeling praejudiciëeren, maar het was dan ook alleen bij
aanneming daarvan, dat de Staten-Generaal voorloopig nog voor éen jaar
aan beiden verlof tot de walvischvangst gaven[1160]. Aan Pieter Van der
Graeff, Reyer Van der Burch en Adriaen Dircxz. Leversteyn, die te zamen
1/4 aandeel hadden in de kleine Noordsche Compagnie, werd op hun
herhaald verzoek eene afzonderlijke vermeerdering van hunne portie
toegestaan met 1500, later met nog 300 quarteelen[1161], zoodat de
kleine Noordsche Compagnie nu bestond uit drie deelen, elk van 1500
quarteelen, en een vierde, dat onder drie kooplieden verdeeld was, die
gezamenlijk recht hadden op 3300 quarteelen[1162]. Uit de resolutie van
4 Februari zou daarop volgens de voorstellen van alle compagniën een
reglement op de walvischvangst door de Staten-Generaal gearresteerd
worden[1163].

    [1156] R. H. 24 Jan. 1622.

    [1157] R. S.-G. 25 Jan. 1622.

    [1158] R. S.-G. 3 Febr. 1622.

    [1159] De overige 5000 quarteelen werden aan de Zeeuwsche
    walvischvaarders toegeleid. (Zie hierna p. 331.)

    [1160] R. S.-G. 4 Febr. 1622.

    [1161] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.--Miss. v. Delft aan de
    Stn.-Gen. dd. 9 (lees: 10) Febr. 1622,--en: Req. v. Van der Graeff
    c. s. aan de Stn.-Gen. (dd. 12 Febr. 1622), in: Noordsche togten. 4.
    Loop. N. C. R.-A.--Miss. v. de Stn.-Gen. aan Delft dd. 11 Febr.
    1622, in: Lias loop. 1622.

    [1162] De naijver tusschen de N. C. en Van der Graeff eindigde
    hiermede niet. Van der Graeff en een Rotterdamsch koopman, Willem
    Van Muylwyck, schijnen zich door aankoop in het bezit van eene
    groote party aandeelen in de Noordsche Compagnie gesteld te hebben
    (de beperking der vangst door de Stn.-Gen. had vele reeders der
    kleine N. C. van het bedrijf afkeerig gemaakt. cf. Miss. v. Delft
    aan de Gecommitt. Raden v. Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche
    togten. 4. Loop N. C. R.-A.) en in 1622 met eene grootere uitrusting
    dan het reglement der compagnie hun toeliet ter walvischvangst
    uitgevaren te zijn. De N. C., vooral de Amsterdamsche kamer,
    protesteerde hiertegen met kracht en 13 April 1623 kwam het tot een
    vergelijk, waarbij de compagnie de geheele uitrusting, die de
    reeders voor eene nieuwe reis hadden aangekocht, overnam op
    voorwaarde, dat Van der Graeff zich metterwoon te Amsterdam zou
    vestigen en lid der daar bestaande kamer zou worden, totdat bij eene
    nieuwe regeling elders eene bewindhebbersplaats voor hem openkwam.
    (R. S.-G. 24 Mrt., 4, 8, 11, 12, 14 Apr. 1623.) Van Muylwyck was
    ondertusschen overleden, maar Van der Graeff lag nog anderhalf jaar
    na dit contract met de N. C. overhoop. (R. S.-G. 10, 12 Mei
    1623.--Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 11 Sept. 1624.)

    [1163] R. S.-G. 5, 20 Febr., 3 Mrt. 1622.--Daartoe kwam het echter
    waarschijnlijk niet. (Vgl. de akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche
    walvischvaarders dd. 28 Mrt. 1622, in: Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)

Nu de regeering zoodoende tot eenheid gedwongen had, nam ook het
onderlinge twisten der mededingsters een einde. De proef van een jaar
gelukte uitnemend: den 20 December 1622 verzochten beide compagniën, nu
tot éene vereenigd, om verlenging van haar octrooi[1164]. De
Staten-Generaal waren dadelijk bereid het verzoek toe te staan[1165], en
de kleine Noordsche Compagnie deelde voortaan als tweede Delftsche kamer
der geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst in alle voordeelen
harer oudere zuster[1166].

    [1164] R. S.-G. 20 Dec. 1622.

    [1165] R. S.-G. 22 Dec. 1622.

    [1166] Nog onder het contract der N. C. met Friesland van 25 Juli
    1636 teekenden voor de Delftsche kamer twee personen, Jacob Van de
    Graaf (waarschijnlijk voor de kleine N. C.) en Dirk De Haan (voor de
    groote N. C.). De opgave der bewindhebbers over den staat der N. C.
    in Februari 1636 spreekt echter behalve van de gewone Delftsche
    kamer van eene 1^{e} Delftsche kamer, waarvan de aandeelen verdeeld
    waren tusschen een Zeeuw Willem Pedij en een Enkhuizenaar Jacob
    Meyn,--en eene 2^{e}, die verdeeld was tusschen de kamers van
    Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen. (Stn. v. d. Hrl. gedeput.
    betr. de N. C. R.-A.)

De tweede aanval op de alleenheerschappij der Noordsche Compagnie kwam
van Zeeuwsche zijde. Toen de Staten-Generaal in 1614 octrooi verleend
hadden aan de vereenigde walvischvangers, had Zeeland zich met kracht
hiertegen verzet. De provincie meende, dat het als eene uittarting van
den machtigen vorst van Groot-Britannië zou beschouwd worden, zoo men
niettegenstaande diens bepaald uitgedrukt verlangen openlijk de
overtreders van zijn gebod in bescherming nam en hunne handelwijze
wettigde. Door zijdelingsche ondersteuning en aanmoediging van
staatswege, dus schreven de Staten van Zeeland, zou de Nederlandsche
walvischvangst weldra in staat zijn zich met de Engelschen te meten;
dezen zouden dan geen aanval meer wagen en de koning zelf zou dan niet
langer aandringen op de erkenning van souvereiniteitsrechten, wier
handhaving onmogelijk gebleken was. Eerst wanneer dit resultaat door
bezendingen en goede woorden verkregen was, zou de tijd gekomen zijn om
aan de walvischvaarders het verzochte octrooi te verleenen.
Niettegenstaande alle pogingen van Den Haag uit aangewend, bleef Zeeland
in zijne oppositie volharden en het octrooi werd eindelijk zonder de
toestemming der provincie verleend[1167].

    [1167] R. S.-G. 27 Jan., 22 Febr., 27 Mrt., 4 Apr. enz. 1614.--N. Z.
    30 Jan., 8 Febr., 19, 20 Mrt. 1614.--Miss. v. de Stn. v. Zeeland aan
    hunne Gedeput. ter Generaliteit dd. 3 Febr. 1614, als bijlage achter
    de: N. Z. 1614.

De Staten-Generaal hadden ongetwijfeld het recht, zich niet aan den
tegenstand van eene provincie te storen. De grondwet der Vereenigde
Provinciën had het verleenen van octrooien als niet dependeerende van de
Unie aan de gewesten gelaten, en het was dus volgens de Unie van Utrecht
aan zes provinciën volkomen geoorloofd een octrooi uit te geven, al
weerhield de zevende zuster hare toestemming. Ook het gebruik, die
gewichtige rechtsbron in de republiek, wettigde het besluit der
Staten-Generaal. Het was namelijk reeds dadelijk in 1579 gewoonte
geworden of liever gebleven, om sommige onderwerpen, wier regeling de
Unie aan de provinciën had overgelaten, bij de vergadering der
Staten-Generaal te brengen, ten einde meer eenstemmigheid in de
vastgestelde maatregelen te verkrijgen. Tot die onderwerpen behoorde ook
zonder tegenspraak het verleenen van octrooien. En daar dit eene zaak
was, in verreweg de meeste gevallen van zeer ondergeschikt belang,
hadden de provinciën stilzwijgend van haar recht afstand gedaan en
besloot men daarin steeds bij overstemming. Het gebruik had deze
regeling bekrachtigd en hechtte dus ook nu zijn zegel aan het besluit
der generaliteit, om geen acht te slaan op Zeelands tegenstand.
Wettigden dus recht en gewoonte gelijkelijk het verleenen van het
octrooi, de positie van Zeeland bleef min of meer dubbelzinnig. De Unie
van Utrecht liet de Staten der tegenstrevende provincie als souvereinen
in hun gewest toe een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen; de
gewoonte vorderde, dat zij zich aan den wil der Staten-Generaal
onderwierpen en zich gebonden rekenden door het door hen verleende
octrooi. Ook hier weder week men echter in de republiek in sommige
gevallen van het eenmaal vastgestelde af. De Staten-Generaal zelven
hadden weldra het onmogelijke ingezien, om hun door gewoonte verkregen
recht te handhaven. Was het reeds ondoenlijk gebleken machtige
provinciën tot onderwerping aan de generaliteit te dwingen, waar de Unie
dit uitdrukkelijk beval; hoeveel te minder was dit uitvoerbaar, waar de
weerstrevende provincie den letter der wet in haar voordeel had. De
Staten-Generaal waren dan ook steeds geneigd bevonden om toe te geven,
wanneer eene machtige provincie meende zich niet door het tegen haren
zin doorgegane besluit te moeten laten binden, en Zeeland had dus ook nu
veel kans hare vrijheid erkend te zien.

Niet lang duurde het, of de provincie besloot van de gunstige positie,
waarin haar het toeval geplaatst had, gebruik te maken. Nauwelijks bleek
het, dat de Hollanders in de walvischvangst uitnemend slaagden en ook de
Engelschen zich aanvankelijk rustig hielden of Jan Lampsius en eenige
andere Vlissingsche kooplieden wendden zich tot de Staten van hun gewest
met de mededeeling, dat zij voornemens waren zich nevens de Hollanders
op de walvischvangst te gaan toeleggen. Daar echter de uitsluitende
geest der Noordsche Compagnie hun te goed bekend was, verzochten zij van
de Staten eene akte »om hun te indempniseren van zoodanigen schade als
hun by de Hollanders zoude mogen aengedaen werden.” De Staten van
Zeeland, naijverig op hunne vrijheid, verklaarden dadelijk: »dat, alzoo
de Heeren Staten van Zeelant in het voorschreve Octroy niet en hadden
geconsenteert, men niet en verstond dat selve soude strecken tot
prejuditie van de Neeringe van hunne Ingesetenen, die daerom vryelyck
nevens andere van dese Landen mochten aldaer visschen[1168].”

    [1168] N. Z. 11 Mrt. 1615.

Niettegenstaande deze gunstige beschikking ging er met de uitrusting
der schepen te veel tijd heen, dan dat men nog dit jaar eene reis kon
doen[1169]. Eerst in 1616 rustte de Vlissingsche reederij twee schepen,
de »Cabbeliau” kapitein Willem Willemsz., en een ander schip, kapitein
Jan Verelle, naar het noorden uit. De Noordsche Compagnie protesteerde
wel daartegen, maar de Staten-Generaal handhaafden de vrijheid van
Zeeland en bevalen commandeur Schrobop de Zeeuwen evenals de Hollanders
tegen hunne vijanden te beschermen[1170]. In den zomer verschenen dan
ook de twee schepen aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland en hadden eene
goede vangst[1171]. Maar nauwelijks kregen de bewindhebbers der
Noordsche Compagnie hiervan bericht, of zij schreven aan den commandeur
met bevel om de beide Zeeuwen te arresteeren en naar eene Hollandsche
haven te voeren. Het gevolg was, dat het schip de »Cabbeliau” werkelijk
in Texel opgebracht werd en de Noordsche Compagnie zich gereed maakte
het te laten verbeurd verklaren[1172]. De reeders wendden zich dadelijk
in groote onrust aan de Staten van Zeeland. Zij klaagden over de
gewelddadige handelwijze der Hollanders, niettegenstaande de akte van
vrijgeleide hun door de Staten van Zeeland verleend, niettegenstaande
het bevel der Staten-Generaal aan den commandeur om de Zeeuwen te
beschermen, en zij eischten van hunne regeering, dat zij ter handhaving
van hun vrijgeleide hunne onderdanen van het dreigende proces zouden
bevrijden. De Staten van Zeeland, verontwaardigd over het door de
Hollanders gepleegde geweld, zeiden den supplianten terstond hunne hulp
toe en schreven aan hunne gedeputeerden naar Den Haag om hen op alle
mogelijke wijzen bij te staan[1173].

    [1169] Dit blijkt uit de Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620, die de
    reis, waarop de arrestatie der Zeeuwsche schepen plaats vond, noemt
    „de eerste reijse.” Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas,
    Pilgrimes. III p. 467) verhaalt ook, dat de Zeeuwen, die in 1617 op
    Spitsbergen kwamen, „were neuer in those parts before.”

    [1170] R. S.-G. 3 Juni 1616.

    [1171] Sent. v. d. H. R. in zake Jan Lampsius c. s. c. Jan Clarcque
    c. s. dd. 31 Juli 1620.

    [1172] R. S.-G. 30 Aug. 1616.--Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620.

    [1173] N. Z. 15 Oct. 1616.

Hoe gunstig zich de zaak dus aanvankelijk voor de Vlissingsche reeders
liet aanzien, de afloop was hun zeer nadeelig. En terecht! De
Staten-Generaal hadden het recht van Zeeland erkend om ongestoord alle
voordeelen te genieten, die aan de Noordsche Compagnie ~volgens haar
octrooi~ toekwamen. Waarschijnlijk zou deze dan ook hare mededingers
gewillig op Spitsbergen hebben toegelaten. Geheel anders stonden echter
de zaken, nu de Zeeuwen aan Jan Mayen-eiland hunne nering wilden
oefenen. Niet krachtens het octrooi, maar door haar verkregen recht als
ontdekkers volgens het plakkaat van 27 Maart 1614 vischten de beide
Hollandsche compagniën aan dit eiland. De provincie Zeeland had zelve
medegewerkt tot het vaststellen van dit plakkaat en was dus aan de
bepalingen daarvan gebonden. Zeeuwsche compagniën hadden hier niets voor
boven Hollandsche: het was hun evenmin als dezen geoorloofd gedurende
vier jaar aan Jan Mayen-eiland met de beide bevoorrechte vereenigingen
te concurreeren. Weldra beter ingelicht, mengden zich dan ook de Staten
van Zeeland niet verder in het proces. Het gearresteerde schip werd
spoedig tegen cautie in vrijheid gesteld[1174], maar de Hooge Raad, aan
wien de zaak door de Staten-Generaal in handen gegeven was[1175],
besliste 13 April 1617, dat de Vlissingsche reederij gedurende den tijd
bij het »generael octroy” bepaald geen recht had aan »het eylant in
questie” te visschen. Over het gearresteerde schip zouden partijen zoo
mogelijk eene minnelijke schikking treffen, en daartoe voor den
raadsheeren Rombout Hoogerbeets en Adriaan Junius verschijnen[1176].

    [1174] R. S.-G. 9 Sept. 1616.

    [1175] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in:
    Lias loop. 1617.

    [1176] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.--Miss. v. Zeeland aan
    de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, als Bijlage achter de N. Z.
    1620.--Waarschijnlijk is het schip vrijgegeven op voorwaarde, dat de
    compagnie, die het uitgezonden had, nooit weder op Jan Mayen-eiland
    zou doen uitreeden, althans in de aangehaalde missive van de Stn. v.
    Zeeland van 1620 wordt gezegd, „dat of eenigh Verdragh werde
    geobiciëert tegens eenige Zeelantsche Groenlants Vaerders (die
    verlof hadden verzocht naar Jan Mayen-eiland te stevenen) als ofte
    die mette Hollanders over de Visscherye van dien Eylande hadden
    getransigeert, dat zulcx geen plaetse kon grypen, dan misschien
    tegen Jan Lampsius cum Suis, ende niet tegen anderen.”

Voor deze laatste verzoenende bepaling was veel reden: de strijdende
partijen stonden reeds niet meer vijandig tegen elkander over; het waren
nu compagnons, die onderling twistten. Reeds in October 1616 was er in
de statenvergadering van Zeeland ernstig beraadslaagd over het verzoek
der Noordsche Compagnie om verlenging van haar octrooi, dat met het jaar
1617 eindigen zou[1177]. Nu zich in Zeeland zelf eene compagnie voor de
walvischvangst gevormd had, toonden de Staten van dat gewest zich
geneigd tot de verlenging mede te werken, mits men hunne onderdanen voor
een gedeelte in de geoctrooieerde vereeniging toeliet[1178]. De vraag
was nu echter, hoe de Hollanders, die natuurlijk met het oog op de
voortdurende concurrentie der Zeeuwen, dezen gaarne in hunne compagnie
wilden opnemen, bij die toelating zouden willen handelen. De Staten van
Zeeland wenschten te weten, of de bedoeling der Hollanders was, de
kapitalen der beide vereenigingen te combineeren en gezamenlijk éene
compagnie uit te maken, waarvan alle leden gelijke aanspraak op winst en
verlies hadden en allen door dezelfde bewindhebbers bestuurd werden, dan
wel of de vereenigingen alleen zouden samenwerken in het gezamenlijk
aanvragen van octrooi. In het laatste geval toch zou elke kamer der
compagnie voor eigene rekening schepen uitrusten, terwijl men daarbij
alleen door een reglement, door de gezamenlijke kamers gemaakt over de
grootte en uitrusting der schepen en het samenblijven tot
gemeenschappelijke verdediging tegen vijanden, in zijne vrijheid beperkt
zou zijn. (regulated company.)[1179] Aan zulk een vrijzinnigen voorslag
dachten echter de Hollandsche reeders niet: eene regeling als deze zou
voor de Zeeuwen een ruim veld ter concurrentie overlaten, en de
bezwaren, door de Noordsche Compagnie tegen de oprichting der Zeeuwsche
geopperd, zouden zoodoende bijna allen blijven bestaan. Zij wezen er dan
ook dadelijk op, dat twist onvermijdelijk was, wanneer men zich niet
geheel vereenigde; het was toch onmogelijk, aan ieder der compagniën
afzonderlijke baaien voor hare visscherij aan te wijzen en twee of drie
zouden dus naast elkander haar bedrijf moeten oefenen. Bovendien was het
noodzakelijk, dat men ook over het getal der uitterusten schepen
bepalingen maakte, want »de neringe selve was soo groot niet, dat die
vruchtbaerlyck met onbepaeldt getal van schepen soude connen werden
gedaen.” De Noordsche Compagnie was dus van plan de verlenging van het
octrooi voor zich alleen aan te vragen, »als vele costen gedragen
hebbende met cleine profictien.” Wel wilde zij de Zeeuwen voor een nader
te bepalen deel toelaten, maar het zou zijn op voorwaarde, dat zoowel
het kapitaal als de risico vereenigd zouden worden en dus ook de
uitrustingen voor gezamenlijke rekening zouden plaats hebben. Stonden de
Zeeuwen er echter bepaald op, zich op zich zelf te houden, dan wenschten
de Hollanders ieders aandeel in de vangst afzonderlijk te bepalen; de
verschillende uitrustingen zouden dan »tot gemeenen behouve den visch
vangen, die men in loco soude deelen en ijder sijn contingent mede
gheven.”[1180].

    [1177] N. Z. 12, 13 Oct. 1616.--Men meende in Zeeland, dat het
    octrooi met het jaar 1616 eindigde. (Miss. der Stn. v. Zeel. aan
    hunne gedeput. dd. 14 Oct. 1616, in: N. Z. 1616.) Het was echter in
    1615 met een jaar verlengd (R. S.-G. 1 Apr. 1615) en eindigde dus
    eerst met 1617.

    [1178] N. Z. 14 Oct. 1616.

    [1179] Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 14 Oct.
    1616,--en v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan den magistraat v.
    Zierikzee dd. 23 Oct. 1616, achter: N. Z. 1616.

    [1180] Miss. v. de Gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616,
    in: Archief Zeeland.

De onderhandelingen duurden lang. Zeeland schijnt zich met de haar
eigene doorzettende vrijheidsliefde tegen eene geheele vereeniging
verzet te hebben, en tot eene combinatie van kapitalen kwam het dan ook
niet. Toch kregen de Hollanders in zooverre hunnen zin, dat het getal
schepen onderling bepaald werd en aan elk der contractanten een vooruit
bepaald aandeel aan de uitrustingen werd toegekend. Zij boden daarop den
Zeeuwen 1/5 aan[1181]; de Vlissingsche reederij was niet ongeneigd, voor
1/4 aandeel als lid der vereeniging op te treden[1182]. Door bemiddeling
der Staten-Generaal[1183], die in de talrijke concurrenten der Noordsche
Compagnie vijanden der eenheid en macht zagen, die zij door het octrooi
aan de Nederlandsche walvischvaarders hadden willen geven, werden de
twee compagniën het nu weldra eens, en gezamenlijk werd bij de
Staten-Generaal een nieuw octrooi aangevraagd[1184]. Den 24 Januari 1617
werd dit op naam der beide vereenigingen voor vier jaar verleend[1185].
De Staten van Zeeland, die in deze zaak met groote behoedzaamheid
handelden en niet dan met volkomen kennis van zaken hunne toestemming
verleenen wilden[1186], keurden het 27 Januari goed[1187].

    [1181] N. Z. 26 Jan. 1617.

    [1182] N. Z. 27 Jan. 1617.

    [1183] R. S.-G. 24 Dec. 1616.

    [1184] R. S.-G. 21 Jan. 1617.

    [1185] R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I p. 671.

    [1186] N. Z. 12, 13, 14 Oct. 1616, 26 Jan. 1617.--Miss. der Stn. v.
    Zeel. dd. 14, 23 Oct. 1616, in: N. Z. 1616. (Bijlagen.)

    [1187] N. Z. 27 Jan. 1617.

Weldra kwam nu de zaak in orde: den 19 Maart 1617 sloten de Hollandsche
en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst eene overeenkomst,
waarbij aan die van Zeeland 1/4 deel in het gemeenschappelijk octrooi
werd ingeruimd. Er werd verder bepaald, dat gedurende drie jaren Holland
vier stemmen zou hebben tegen Zeeland éene, terwijl de vergaderingen
onder praesidium van eene der Hollandsche kamers in die provincie zouden
gehouden worden; het vierde jaar zou Holland drie stemmen hebben tegen
Zeeland twee, terwijl een der Zeeuwsche bewindhebbers de algemeene
vergadering in Zeeland zou praesideeren. (art. 2-4.) De meerderheid der
kamers zou de minderheid binden aan alle besluiten der algemeene
vergadering. (art. 5, 7.) Nieuwe bewindhebbers eener kamer zouden uit
een dubbeltal, door de overblijvende bewindhebbers uit de hoogste
participanten opgemaakt, gekozen worden door den magistraat der stad,
waar de kamer gevestigd was. (art. 10.) Over de jaarlijksche
uitrustingen zou de algemeene vergadering beslissen. (art. 12.)
Ontdekkingen, door schepen der Noordsche Compagnie gedaan, zouden komen
ten bate der generale compagnie. (art. 19.)[1188]

    [1188] Zie het contract als bijlage achter het request der
    Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel., in: Noordsche
    togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Evenals de Hollandsche walvischvaarders werden nu ook de Zeeuwen in
kamers verdeeld. De hoop op vereeniging met de groote compagnie voor de
walvischvangst had nieuwe mededingers opgeroepen. Eene tweede
Vlissingsche compagnie, aan het hoofd waarvan zekere Jan De Moor stond,
was naast Lampsius en de zijnen opgetreden[1189] en zond in het voorjaar
van 1617 naast zijne twee schepen een derde naar Spitsbergen. En weldra
meldden zich nog meer Zeeuwen aan, die begeerig waren in de winsten der
walvischvangst te deelen. De Staten van Zeeland hadden dadelijk na het
verleenen van het nieuwe octrooi, brieven rondgezonden aan de
verschillende Zeeuwsche steden, ze aanschrijvende binnen veertien dagen
opgave te doen van de kooplieden, die in elke stad in de nieuwe
compagnie wilden participeeren[1190]. Het resultaat was zeer bevredigend
geweest, en uit de oude participanten, te zamen met de nieuwe
pretendenten werden nu bij het contract met de Hollanders drie kamers
gevormd. De beide Vlissingsche reederijen werden tot éene kamer der
Noordsche Compagnie vereenigd[1191]; uit de nieuwe participanten werden
twee andere kamers gevormd, die zich te Middelburg en te Veere
vestigden[1192]. Deze verdeeling bleef bestaan tot den val der Noordsche
Compagnie toe.

    [1189] Getuigenissen in zake het gebeurde met de Engelschen op
    Spitsbergen in 1617, als bijlagen bij het: Request der Zeeuwsche
    reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland, in: Noordsche togten 4.
    Loop. N. C. R.-A.

    [1190] N. Z. 27 Jan. 1617.--Miss. v. Zeeland dd. 27 Jan. 1617.
    (Bijl. achter N. Z. 1617.)

    [1191] In het request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621
    (in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.) worden
    Lampsius en De Moor naast elkander als bewindhebbers van de
    Vlissingsche kamer der N. C. genoemd.

    [1192] Hoewel in 1617 alleen de beide Vlissingsche compagniën hare
    schepen naar Spitsbergen zonden, werd echter deze verdeeling in drie
    kamers reeds dadelijk in het contract aangenomen. Dit blijkt uit de
    onderteekening daarvan door verschillende personen voor Middelburg,
    Vlissingen en Veere. Waarschijnlijk was het jaar reeds te ver
    verloopen, dan dat de nieuwe participanten reeds in 1617 eene
    uitrusting konden gereed krijgen.

Boven hebben wij reeds gezien, dat de vereeniging van Hollanders en
Zeeuwen aanvankelijk niet de gewenschte vruchten droeg[1193]. Door hunne
bondgenooten alleen gelaten konden de drie schepen der Vlissingsche
compagniën in 1617 geen verlof van de Engelschen krijgen om hun bedrijf
aan Spitsbergen te oefenen, en werd een der schepen van Lampsius door
hen zelfs van alles beroofd[1194]. Eene poging, door de teleurgestelde
reeders gewaagd, om zich voor dergelijke aanvallen in het vervolg te
behoeden door zich te vereenigen met eene nieuwe Engelsche compagnie,
die zich gereed maakte met de Moscovische Compagnie te concurreeren,
mislukte[1195] en in 1618 wreekten twee Vlissingsche walvischvaarders en
een van Veere zich op de Engelschen door het berooven van het schip »the
Pleasure” in Sir Thomas Smiths-bay[1196].

    [1193] De onderlinge naijver schijnt met het sluiten van het
    contract niet opgehouden te zijn; ten minste voor de uitrusting van
    1618 was het noodig, dat partijen eene nieuwe overeenkomst sloten.
    (R. S.-G. 7 Dec. 1617.) De onaangenaamheden over den omslag der
    schade, den Zeeuwen in 1617 door de Engelschen in de afwezigheid der
    Hollanders toegebracht, kunnen hiertoe medegewerkt hebben.

    [1194] R. S.-G. 9 Nov. 1617.--Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617,
    als: Bijlage achter de N. Z. 1617.--Zie meer hiervóor p. 211, 12.

    [1195] Macpherson, Annals of commerce. II p. 287.

    [1196] Zie meer hiervóor p. 215-17.

Eene andere zaak dreigde de Zeeuwen nog langen tijd met moeielijkheden.
Niettegenstaande het contract van 1617 bleef er tusschen de Hollandsche
en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst nog steeds een groot
onderscheid. Zeeland bleef van Jan Mayen-eiland natuurlijk uitgesloten;
de oude Noordsche Compagnie was de eenige der drie mededingsters, die
hare uitrustingen zoowel naar Spitsbergen als naar Jan Mayen-eiland kon
zenden. Deze ongelijkheid hinderde de Zeeuwen steeds, maar door de
ondervinding geleerd, waagden zij het niet weder zonder uitdrukkelijke
verklaring van de Staten-Generaal aan Jan Mayen-eiland te verschijnen.
Eene eerste poging, reeds in 1618 tot het verkrijgen van zulk eene
verklaring aangewend, stuitte natuurlijk af op het blijkbare recht der
Hollanders[1197]. In het voorjaar van 1620 werd het verzoek der Zeeuwen
met meer nadruk en ook met meer recht herhaald[1198]: de beide
Hollandsche compagniën hadden nu reeds vier jaren aan Jan Mayen-eiland
gevischt, de kleine zelfs reeds vijf jaren, en de tijd bij het »generael
octroy” bepaald was dus verstreken. Het schijnt echter, dat de Hooge
Raad bij zijn vonnis den tijd der vier reizen heeft willen doen ingaan
met 1618[1199] en het gelukte den Hollandschen reeders dan ook, de
toelating der Zeeuwen aan het eiland te doen verschuiven tot twee jaren
na de aanvrage. De Zeeuwen berustten daarin, en niettegenstaande hunne
onaangenaamheden met de Engelschen op Spitsbergen in 1617 en 1618
hielden zij vol en zonden telkens weder hunne schepen daarheen. In de
aan de Mauritius-baai grenzende inham, die de Zeeuwsche baai genoemd
wordt, vestigden zij zich afgescheiden van hunne deelgenooten; kort na
1624 verhuisden de Vlissingers zelfs naar het door de Denen lediggelaten
terrein in de Mauritius-baai[1200]. Toen echter het octrooi van 1617,
dat alleen verleend was »sonder prejuditie van het recht op het Eylant
in questie by d’ Ondeckers van ’t selve uyt krachte van het Generael
Placaet verkregen”[1201], met het jaar 1621 geëindigd was[1202], begreep
de Noordsche Compagnie zelve, dat verdere pogingen om de Zeeuwen van Jan
Mayen-eiland verwijderd te houden vruchteloos zouden zijn. Zij nam het
initiatief en noodigde de Zeeuwsche walvischvaarders tot eene
conferentie om over de voorwaarden eener algeheele vereeniging te
beraadslagen[1203]. De zaak slaagde naar wensch en 8 Januari 1622
verzochten beide compagniën te zamen verlenging van het octrooi voor de
walvischvangst[1204]. De toegevendheid der Noordsche Compagnie was
waarschijnlijk niets dan eene list om eene combinatie met de gehate
kleine Noordsche Compagnie te vermijden: met de Zeeuwen vereenigd voelde
zij zich sterk genoeg om alle concurrentie te trotseeren. De
Staten-Generaal waren echter van een ander gevoelen; wij zagen reeds,
dat door hunne tusschenkomst de drie compagniën gedwongen werden voor
het jaar 1621 zich bij de vangst tot een bepaald getal quarteelen traan
te beperken. Terwijl aan de groote en kleine Hollandsche compagniën
10,000 en 6000 quarteelen traan werden toegelegd, bedroeg het aantal der
Zeeuwen in de te vangen 21,000 quarteelen slechts 5000. Maar tevens werd
dan ook hun recht op de visscherij bij Jan Mayen-eiland, dat sinds het
vierjarig octrooi der ontdekkers geëindigd was, onder het octrooi der
Noordsche Compagnie behoorde, uitdrukkelijk erkend[1205]. De Hollanders
schijnen echter, nu eens de toestemming der Staten verkregen was, weder
minder willig geweest te zijn om de resolutie uit te voeren; althans het
reglement, dat volgens het verlangen der regeering in den geest der
jongste regeling door de compagnie zelve opgemaakt moest worden, stuitte
bij hen voortdurend op zwarigheden[1206]. Geen wonder dan ook, dat de
Zeeuwen hunne medeleden wantrouwden; gedachtig aan hun wedervaren van
1616 verzochten zij de Staten-Generaal om eene afzonderlijke akte,
waarbij hun uitdrukkelijk verlof gegeven werd om aan Jan Mayen-eiland
hunne traankokerijen te mogen bouwen. De akte werd dadelijk
verleend[1207], en op het einde des jaars werden de Zeeuwen evenals de
kleine Noordsche Compagnie mede begrepen onder de definitieve verlenging
van het octrooi der walvischvaarders voor twaalf jaar[1208]. Voortaan
was er dus in Nederland slechts éene compagnie, waarvan alle kamers
geheel dezelfde rechten genoten.

    [1197] R. S.-G. 21 Apr. 1618.

    [1198] N. Z. 4 Febr., 12 Mrt. 1620.--Miss. v. Zeeland dd. 4 Febr.
    1620, achter: N. Z. 1620.

    [1199] Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622. (Gr. Placaetb. I p.
    675.)--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in:
    Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

    [1200] Zie meer hierover: hiervóor p. 142, 43.--Vgl. ook over de
    walvischvaart der Zeeuwen van 1619-22: hiervóor p. 109 Noot
    5{[357]}.

    [1201] Gr. Placaetb. I p. 672.--R. S.-G. 21, 24 Jan. 1617.

    [1202] Het octrooi was verleend voor vier jaren, maar ging door de
    éenjarige verlenging van het octrooi der N. C. op 1 April 1615 eerst
    met het jaar 1618 in.

    [1203] Resol. N. C. 29 Juli 1621, bij het: Request der kleine N. C.
    aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2
    Admiraliteit. R.-A.

    [1204] R. S.-G. 8 Jan. 1622.

    [1205] R. S.-G. 3, 4 Febr. 1622.

    [1206] N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss. v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, in:
    N. Z. 1622.--R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622--Ook de kleine N. C.,
    aanvankelijk bereid om de Zeeuwen op Jan Mayen-eiland toe te laten
    (Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in:
    Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.), schijnt later bezwaren
    gemaakt te hebben. (R. S.-G. 4 Febr. 1622.)

    [1207] R. S.-G. 28 Mei 1622.--Zie de akte afgedrukt in: Gr.
    Placaetb. I p. 673,--en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 218.

    [1208] R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.--Gr. Placaetb. I p. 673.

Een derde aanval op de uitsluitende rechten der Noordsche Compagnie kwam
van eene geheel andere zijde. De Staten-Generaal, afkeerig van monopolie
als zij waren, hadden het octrooi der compagnie alleen zóover
uitgestrekt als zij dat voor den bloei der walvischvangst noodig
oordeelden: tusschen Novaya-Zemlya en straat Davis meende men, dat eene
compagnie een veld ter ontginning had, ruim genoeg om daarvan te bestaan
en om zelfs groote winsten te maken. De beperking had tevens misschien
ten doel, de geheel op zich zelf staande walvischvangst, door sommige
Nederlanders reeds lang vóor de oprichting der Noordsche Compagnie aan
de Noordkaap en bij IJsland gedreven, ook naast de bevoorrechte
vereeniging te laten bestaan. En werkelijk bleef dit bedrijf zich
zoolang het octrooi duurde nevens de compagnie handhaven. Maar daar de
in die wateren gevangen walvisschen steeds kleiner en minder rijk aan
traan waren dan de bewoners der Spitsbergsche wateren,--vooral daar het
verbod van den Deenschen koning de visschers gedurig dwong hun bedrijf
te staken of zich van Deensche paspoorten te voorzien, was deze
concurrentie voor de Noordsche Compagnie nooit eenigszins gevaarlijk
geweest[1209]. Bedenkelijker scheen het, toen anderen dit voorbeeld
volgende ook elders met de compagnie trachtten te wedijveren op
plaatsen, buiten haar octrooi gelegen en waarop niemand eenige aanspraak
maakte. Nog erger voor de vereeniging was het, dat die poging uitging
van Zaanlanders, die reeds van ouds getoond hadden, geschiktheid en moed
genoeg voor het gevaarlijke bedrijf te hebben.

    [1209] Eene geschiedenis van dit bedrijf is bij de onvolledigheid
    der gegevens niet samen te stellen en zou waarschijnlijk ook blijken
    van weinig belang te zijn. Zie intusschen over die geschiedenis een
    en ander: hiervóor p. 240 Noot 1{[861]}.

Het was in 1626, dat Pieter Gijssen en Gijs Pieters[1210], twee Zaansche
kooplieden, van den prins commissie vroegen om te mogen varen op
Ruslands noordkust, op »de Samoetsche Cust” en door de straat van Nassau
verder oostelijk[1211]. Men wist, dat zich daar geene walvisschen
ophielden, maar vooral bij Novaya-Zemlya was overvloed van walrussen en
de Zaandammers, de oudste Nederlandsche walrusjagers, meenden
voornamelijk met de tanden der gevangene dieren ruime winsten te zullen
behalen. Frederik Hendrik vroeg de voorlichting der Staten-Generaal met
de mededeeling, dat de nieuwe vereeniging zich steeds buiten het gebied
der Noordsche Compagnie, bij »plaetsen noyt in dier vougen wesende
bevaeren,” dacht op te houden. Maar het was toch niet dan onder
uitdrukkelijke vermaning, dat het octrooi der Noordsche Compagnie door
de commissie van den prins vooral »niet en soude werden geinfringeert,”
dat de Staten gunstig op het request der Zaandammers adviseerden[1212].

    [1210] Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) noemt de reeders „twee
    gebroeders Sybrant en Claes Cornelis. soonen, Serdammers.” De namen,
    door de R. S.-G. opgegeven, schijnen mij echter meer gezag te
    hebben.

    [1211] Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) verhaalt, dat de reeders
    van plan waren „om noch hooger als de vorighe onder den Noortschen
    Pool te loopen, en daer den Walrus vangst te vorderen.” Het schijnt,
    dat hij bij dit verhaal het oog had op de Poolzee ten noorden van
    Spitsbergen (hoewel „’t gevoelen was, dat onder de Pool al meest
    ghebroocken Eylanden lagen, alsmen in Spitsberghen bevindt”), maar
    het verhaal is verward en uit den afloop der reis blijkt duidelijk,
    dat de opgave der R. S.-G. juister is.

    [1212] R. S.-G. 7 Mrt. 1626.

Twee schepen, van eenige kleine stukken geschut voorzien en met dertien
koppen bemand, vertrokken dan ook in Mei 1626 naar het noorden[1213]. De
onderneming was echter allerongelukkigst. Walrussen werden niet
gevonden, slechts éen walvisch werd gedood; aan de straat van Nassau
gekomen vonden de schepen die zoo geheel verstopt met ijs, dat de reis
moest opgegeven worden[1214]. Werkelijk bleef het ijs steeds een
bezwaar, dat ieder beletten zou met de Noordsche Compagnie, die hare
tochten naar het bijna altijd ijsvrije Spitsbergen richtte, met vrucht
te concurreeren. Hoewel de reeders de zaak nog niet opgaven en van plan
waren in 1627 op nieuw naar het noorden te zeilen, hooren wij dan ook
verder van de zaak niets en men mag dus aannemen, dat de onderneming is
opgegeven.

    [1213] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56.

    [1214] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.

Zoo was ook deze aanval op het monopoliestelsel mislukt en in lange
jaren had de compagnie geene mededingers meer te vreezen. Krachtig en
onaangevochten stond zij in 1622 daar met een ruim kapitaal, met
ervarene zeelieden, en in het vooruitzicht van twaalf jaren
binnenlandsche rust. Wat kon men niet in die twaalf jaren van bijna
ongestoorden arbeid van hare pogingen verwachten! Tot welk een bloei kon
de walvischnering niet door de vereenigde krachten van alle kamers,
zelfstandig en toch vereenigd, gebracht worden! Welk een ruime winst
beloofde dit tijdvak (1622-1634) aan de aandeelhouders! Juist echter de
rust, die der compagnie gegund werd, ontwikkelde de zaden van
tweedracht, die reeds in eigen boezem schuilden. De tijd werd met
kleingeestig gekibbel om den voorrang doorgebracht, elke kamer was
slechts op eigen voordeel bedacht en benadeelde de belangen der andere
zooveel mogelijk; alleen de noodzakelijkheid hield de twistende partijen
bijeen. De concurrentie, die door het octrooi bedwongen was, wroette nu
in de eigene ingewanden der compagnie.

Wij zagen, dat reeds in het jaar der oprichting een ernstige twist
ontstond tusschen twee bewindhebbers der Delftsche kamer en hunne
ambtgenooten, en dat die twist zelfs tot eene scheuring leidde. De twee
schuldigen, door de overigen met verwijten overladen, namen de
gelegenheid waar om den Amsterdamschen bewindhebbers voor de voeten te
werpen, dat zij zelven door hunne afzonderlijke walvischvangst aan de
Noordkaap met Deensche passen de belangen der vereeniging op veel ergere
wijze benadeelden dan de ontdekkers van Jan Mayen-eiland dat ooit konden
doen[1215]. Zij, die zoo klaagden, schijnen op hunne beurt door de
IJslandsche visscherij met de Noordsche Compagnie geconcurreerd te
hebben[1216]. De Enkhuizensche en Hoornsche kamers lagen lange jaren
overhoop over de verdeeling van de gedane vangst[1217]. Uitvoerig
schetste ik reeds in het vijfde hoofdstuk de concurrentie, der generale
compagnie aangedaan door de ontdekkingsreizen, die ondernomen werden op
kosten van enkele kamers en vooral van enkele leden, onder wie de
energieke Adriaen Dircxz. Leversteyn eene eerste plaats inneemt. Dit
alles zijn echter slechts op zich zelf staande feiten, die alleen
bewijzen, dat monopolie geen wedijver uitsluit, maar ze slechts
verplaatst en van aard doet veranderen. Belangrijker was het streven van
éene kamer, die jaren achtereen trachtte het overwicht over de andere te
verkrijgen. De Amsterdammers, die in de oorspronkelijke Noordsche
Compagnie van 1614 voor de helft participeerden[1218], waren niet
tevreden met het overwicht, dat hunne positie hun van zelf verschafte.
Evenals overal in de geschiedenis der Nederlandsche republiek vertoont
zich ook hier het streven der Amsterdammers naar zelfstandigheid en
overmacht duidelijk. Het zou niet moeielijk zijn, daarvan talrijke
bewijzen aan te voeren; slechts enkele voorbeelden wil ik hier noemen.

    [1215] „Cort advertissement” en „Debath” v. Kyen en Leversteyn tegen
    de N. C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.

    [1216] R. S.-G. 18 Mei 1615.

    [1217] Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 22 Dec. 1633, 20 Jan.
    1634.--Dictums v. d. H. R. dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637.--Sent. v. d. H.
    R. dd. 4 Apr. 1637.

    [1218] Contr. der N. C. met die v. Zeeland dd. 19 Mrt. 1617, in:
    Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Wij zagen reeds, dat de eigenmachtige handelwijze der Amsterdamsche
kamer met de door de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie
verleende konvooischepen in de jaren 1616, 1617 en 1618 de vereeniging
met het machtige Engeland in moeielijkheden wikkelde, die het een tijd
lang zelfs twijfelachtig maakten of de Nederlandsche walvischvangst zich
op Spitsbergen zou kunnen handhaven en die, ofschoon dit gevaar gelukkig
afgewend werd, aan de kamers van het Noorderkwartier en van Zeeland eene
aanmerkelijke schade veroorzaakten[1219]. De ernstige gevolgen, die deze
willekeurige handelwijze had, schrikten echter de Amsterdammers niet af:
hun streven naar onafhankelijkheid toonde zich sedert steeds
duidelijker. Toen de Zeeuwen in 1622, na de overeenkomst van de drie
Nederlandsche compagniën door tusschenkomst der Staten-Generaal, zich
gereed maakten de walvischvangst te hervatten, werden de Amsterdammers
weigerachtig bevonden om eenig reglement te helpen beramen, dat de
wederzijdsche rechten en verplichtingen nauwkeurig omschreef[1220]. Voor
de handhaving harer eigene rechten was de oppermachtige kamer niet
bevreesd; tegenover hare zwakkere bondgenooten wilde zij meer en meer
eene onafhankelijke stelling innemen. Er waren meer teekenen, die reeds
dadelijk van dit streven blijk gaven. Toen Pieter Van der Graeff, een
der woeligste leden van de kleine Noordsche Compagnie, reeds bij de
resolutiën van 11 en 12 Februari 1622 door de Staten-Generaal zéer
bevoordeeld, door aankoop van aandeelen en misschien door andere
middelen dreigde een gevaarlijk overwicht te verkrijgen, rustten de
Amsterdammers, bevreesd voor den toenemenden invloed der Delftenaars
niet, voordat Van der Graeff zich naar hunne stad had verplaatst en met
zijne aandeelen lid der Amsterdamsche kamer geworden was[1221]. Maar er
was nog meer. Niet alleen poogden de Amsterdammers, die niets met de
vergoeding der schade van 1617 wilden te doen hebben en zich hooghartig
van alle voorlichting over het in 1618 voorgevallene verschoonden,
zonder de andere kamers te kennen vergoeding hunner in 1613 geledene
schade te verkrijgen[1222]; maar zij wendden zich zelfs tot de
Staten-Generaal met het verzoek om de hun bij de loting voor dit jaar
toegevallene Mauritius-baai, de voordeeligste baai op Spitsbergen en de
eenige, waar de Nederlandsche walvischvaarders aan geene aanvallen van
buitenlandsche mededingers blootstonden, voor goed voor zich alleen te
mogen behouden. Zij voegden er de schoonschijnende verklaring bij, dat
zij er niets tegen hadden, zoo de andere kamers met de hun voor dat jaar
toebedeelde baaien evenzoo handelden, en zij beloofden, alsof dit niet
van zelf sprak, dat men in dat geval over geen overlast van de
Amsterdamsche zuster zou hebben te klagen[1223]!

    [1219] Zie meer hierover: hiervóor p. 229-33.

    [1220] R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622.--N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss.
    v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, achter: N. Z. 1622.

    [1221] Het accoord met Van der Graeff van 13 Apr. 1623, is opgenomen
    in de: R. S.-G. 14 Apr. 1623.--Zie meer over deze zaak: hiervóor p.
    322 Noot 3{[1162]}.--Eveneens handelde de Amsterdamsche kamer in
    1636, toen zij voorsloeg, bij de opname der nieuwe participanten de
    Haarlemmers, die het grootste aandeel zouden hebben, met de
    Amsterdammers te vereenigen. (Repartitie dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn.
    N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

    [1222] R. S.-G. 4 Nov. 1622.--Verbaal der ambass. naar Eng. 1621-23
    ad 27 Nov. 1622.

    [1223] R. S.-G. 5 Nov. 1622.--De toeleg der Amsterdammers schijnt
    gelukt te zijn; althans de N. C. verklaarde nog in 1631, dat de
    Mauritius-baai aan de Amsterdamsche kamer behoorde. (Aitzema, Saken
    v. Staet. I p. 1150.)

Onder deze en dergelijke onderlinge twisten verliep langzamerhand de
tijd van het octrooi en men begon zich gereed te maken, om een nieuw te
verzoeken. Maar te gelijk was het ook gedaan met de rust, die de
Noordsche Compagnie sinds 1622 van binnenlandsche mededingers had gehad.
Weldra bleek het nu, dat velen begeerig waren in de voordeelen der
walvischvangst te deelen. Hilbrandt Dircksz., burgemeester van
Harlingen, en Wybe Jansz. van Stavoren, die de Amsterdamsche kamer der
Noordsche Compagnie jarenlang als scheepskapitein gediend had[1224],
verzochten van de Staten van Friesland om verlof om ter walvischvangst
te mogen uitreeden. Terwijl het twaalfjarig octrooi der Noordsche
Compagnie eerst met het jaar 1634 verstrijken zou, liet dan ook
Friesland reeds 13 November 1632 bij de Staten-Generaal aanhouden op
weigering van eventueele verzoeken der vereeniging om verlenging van
haar octrooi. De provincie begeerde, dat de vrijheid der vaart ook in
dit opzicht gehandhaafd, of in ieder geval haren inwoners een aandeel in
de vangst ingeruimd worden zou[1225]. Den 7 Maart 1633 werd dit verzoek
nader aangedrongen[1226], maar desniettegenstaande verlengden de
Staten-Generaal den 25 October van dat jaar in de afwezigheid der
Friesche afgevaardigden het octrooi der Noordsche Compagnie nogmaals
voor acht jaar[1227]. Het is waarlijk niet te verwonderen, dat de
Friezen daarover zeer ontstemd waren: zij protesteerden den 19 November
en verklaarden niet in de verlenging te bewilligen. Holland liet
dadelijk een lang »tegenbericht” voorlezen[1228], maar de verongelijkte
provincie drong »seer yverich ende met grooten ernst” op haar recht aan.
De oneenigheid, die zoo ontstond, was een natuurlijk gevolg van den
onzekeren toestand van het publieke recht in de republiek[1229]. Terwijl
de Staten-Generaal bij hun besluit de oude gewoonte gevolgd waren,
beriep Friesland zich met nadruk op de letter der wet. Hare
gedeputeerden stelden aan de Staten-Generaal de bepaalde vraag, »off het
recht dat d’ een provincie soowel toecompt als d’ andere, by absentie
van die Provincie by d’andere Provincien mocht worden vergeven,” en
verklaarden, dat zij, hetzij de Staten-Generaal die vraag beantwoordden
of niet, volgens hun recht zouden handelen[1230]. En waarlijk, zij
hadden gelijk: de toegevendheid der Staten-Generaal voor Zeeland in 1615
gaf Friesland recht om te eischen, dat het hoogste regeeringscollegie
haar niet zou verbieden te concurreeren met eene compagnie, in wier
octrooi zij niet had toegestemd. De Staten-Generaal waren dan ook in
groote verlegenheid, en besloten eindelijk eene commissie te benoemen om
met de Friezen in conferentie te treden. Maar men poogde blijkbaar de
zaak op de lange baan te schuiven: tot de benoeming dier commissie kwam
het niet[1231]. Toen tastte Friesland door en ging over tot het
verleenen van een partikulier octrooi aan de beide requestranten, die
zich op de walvischvangst wilden gaan toeleggen. (22 November 1634.)

    [1224] Octrooi der Friesche comp., bij: Zorgdrager, Groenl. vissch.
    p. 221.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634 (Bijl.
    K.), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

    [1225] R. S.-G. 13 Nov. 1632.

    [1226] R. S.-G. 7 Mrt. 1633.

    [1227] R. S.-G. 18, 25 Oct. 1633.

    [1228] R. S.-G. 19 Nov. 1633.

    [1229] Zie daarover: hiervóor p. 323, 24.

    [1230] R. S.-G. 17 Mrt. 1634.

    [1231] R. S.-G. 16 Dec. 1634.

De Staten van Friesland beriepen zich in dit octrooi vrij zonderling op
de vrijheid der zee, die voor allen openstaat en door den een voor den
ander niet gesloten mag worden[1232], en wijdden verder uit over de
buiten hunne toestemming verleende verlenging van het octrooi. Zij
overwogen »dat sy ofte hunne Ingesetenen door den voorszeiden hunnen
Oppositie niet konden sijn ghehouden aen de observantie van de
voorszeide Prolongatie (indien de selve verkreghen soude moghen sijn)
ende dat oock strijdigh soude sijn teghens de Tractaten ende Articulen
van de Unie, dat den eene Provintie doorden anderen soude worden
ontrocken de Negotien ende Trafijcquen in eenen vryen Zee, alwaer aen de
voorszeide hunne Provintie naerder geleghen was als de voorszeide andere
beyde Provintien, ende alsoo voor een groot deel ontbloot soude worden
van de middelen waer uyt de contributien tot de gemeene saecken geheven
worden.” Op deze gronden verleenden zij aan de compagnie, die zich onder
toezicht der requestranten gevormd had, en aan hen, die binnen de maand
verklaren zouden, daarin te willen treden, octrooi tot de walvischvangst
voor twintig jaar op een reglement, door de compagnie samen te
stellen[1233].

    [1232] De zinsnede schijnt overgenomen te zijn uit het request van
    Dircksz. en Jansz. aan de Staten van Friesland.

    [1233] Zie het octrooi afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
    412,--en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221.

De Friesche compagnie was dus gegrondvest: in twee kamers, gevestigd te
Harlingen en te Stavoren, verdeeld[1234], maakte zij zich tot de
walvischvangst gereed. Maar de Friezen zelven, die zoo stoutmoedig hun
recht handhaafden, begrepen, dat dit recht alleen hen niet tegen de
Noordsche Compagnie zou beschermen; het was te voorzien, dat er, zoodra
de nieuwe compagnie schepen uitzond, op Spitsbergen moeielijkheden
zouden ontstaan met de veel talrijker vloot van de oudere vereeniging.
De Friezen oordeelden het dus veiliger om nogmaals eene poging te
beproeven, ten einde de verlenging van het octrooi op de oude
voorwaarden tegen te gaan, nu den Staten-Generaal getoond was, dat het
de provincie ernst was met haar protest. Maar te vergeefs! Men had
gerekend buiten Holland, dat niettegenstaande het blijkbare goed recht
van Friesland de Noordsche Compagnie steunde en zelfs hooghartig durfde
eischen, dat de provincie het verleende octrooi zou intrekken, voordat
het tot eenige onderhandelingen kwam[1235]. Eindelijk gaven de Friezen
de hoop op eene schikking dan ook op, en rustten drie schepen ter
walvischvangst uit. De gedeputeerden der provincie verklaarden aan de
Staten-Generaal, dat zij, wanneer de schepen niet tegen geweld van de
Noordsche Compagnie beschermd werden, de schade zouden verhalen op de
quote van Friesland voor den oorlog te water. Het gevolg was, dat
H.H.M., onder protest tegen de in deze verklaring vervatte bedreiging,
besloten, dat de nieuwe compagnie voor dat jaar zonder prejuditie der
van weerszijden beweerde rechten op de walvischvangst zou mogen
uitreeden[1236]. Maar ook nu nog rekenden de Friezen zich niet veilig
voor hunne mededingers. De drie schepen vertrokken wel; maar oefenden
dien zomer volgens overeenkomst met de Noordsche Compagnie[1237] hun
bedrijf in de opene zee bij Spitsbergen, waar de visscherij volgens het
octrooi aan ieder vrijstond. Die van Stavoren kwamen met eene vangst van
8-1/2 walvisch weder thuis[1238].

    [1234] Ik maak dit op uit het feit, dat bij alle gelegenheden door
    de Friezen een persoon uit Harlingen en een uit Stavoren genoemd
    wordt. (Octrooi der Fr. comp., en: Accoord der N. C. met de Friezen,
    bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221, 23.--R. S.-G. 9 Apr. 1636.)

    [1235] R. S.-G. 25 Nov., 16 Dec. 1634, 12, 13 Jan., 20 Febr., 3, 8
    Mrt., 17, 20, 26, 30 Apr., 1, 3, 5 Mei 1635.

    [1236] R. S.-G. 19 Mei, 9 Juni 1635.--Aitzema, Saken v. Staet. II p.
    359.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.

    [1237] R. S.-G. 19 Mei 1635.

    [1238] R. S.-G. 14 Apr. 1636.--Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake
    Moutmaker c. Phillipsz. dd. 31 Juli 1641.

Op den duur was dan ook de concurrentie voor de Friezen met de zooveel
machtiger Noordsche Compagnie niet vol te houden; de Staten dier
provincie zagen het zelven in, en reeds spoedig na het vertrek der
schepen hernieuwden zij hunne pogingen om in de generale compagnie te
worden opgenomen[1239]. Het recht der Friezen werd nu eindelijk door de
Staten-Generaal erkend, en eene conferentie tot stand gebracht, waarop
beide partijen met elkaar over een accoord in der minne zouden
beraadslagen[1240]. De Noordsche Compagnie, die er rond voor uitkwam,
dat zij de taktiek volgde, om met Friesland »sacht te handelen om haer
wt te houden”,[1241] was echter ook nu weder oorzaak, dat het tot het
voorjaar van 1636 duurde, eer men iets verder kwam. De Friesche
compagnie had toen hare schepen reeds weder gereed voor eene tweede reis
en drong herhaaldelijk op eene beslissing aan[1242]. Maar het was niet
mogelijk de partijen te vereenigen en nogmaals werden de Friezen
voorloopig naar de opene zee verwezen[1243]. Eindelijk werden in Juli de
uitgestelde conferentiën met ernst hervat.[1244]. De Noordsche
Compagnie, sinds de oppositie van eenige Hollandsche steden door de
provincie, die steeds haar machtigste steun was geweest, verlaten, gaf
ten slotte iets toe, en den 25 Juli 1636 troffen partijen door
bemiddeling van Nobel, een lid der Staten-Generaal, en van den bekenden
Lieuwe Van Aitzema, een verdrag[1245].

    [1239] R. S.-G. 2 Juli, 8 Oct. 1635.

    [1240] R. S.-G. 14 Febr., 28 Mrt. 1636.--R. H. 15 Febr. 1636.

    [1241] Aanteekeningen v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N.
    C. (1^{e} confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput.
    ov. de N. C. R.-A.

    [1242] R. S.-G. 9, 10, 11 Apr. 1636.

    [1243] R. S.-G. 14 Apr. 1636.

    [1244] R. S.-G. 20 Juni, 15, 21, 28 Juli 1636.--R. H. 18 Juli 1636.

    [1245] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 359, 413.

Men kwam daarbij overeen, dat de Friezen in de Noordsche Compagnie
zouden worden opgenomen; hun aandeel zou zijn 3000 quarteelen traan in
de vangst, die op 27.000 geraamd werd. (art. 2.)[1246] De baaien en het
terrein, door de Noordsche Compagnie in de IJszee gebruikt, zouden
voortaan ook voor de Friezen openstaan, mits zij de andere leden der
compagnie niet door te groote nabijheid in hunne nering hinderden. (art.
3.) Alle concurrentie van Nederlanders op Spitsbergen en van
buitenlanders op de Nederlandsche markt zou met vereende krachten
geweerd worden. (art. 5-8.) Drie jaarlijksche algemeene vergaderingen
zouden strekken om de uitrustingen der compagnie te regelen. (art. 9,
10.) Het praesidium daarbij zou drie jaren bij de Hollandsche kamers,
het vierde bij de Zeeuwsche blijven, terwijl Friesland éene stem zou
hebben tegen Holland en Zeeland zes en twee. (art. 14.) Ontdekkingen,
door leden der compagnie gedaan, zouden gedurende vijf jaren ten bate
der vinders, daarna door de geheele Noordsche Compagnie geëxploiteerd
worden. (art. 19, 20.) Twisten tusschen kamers der compagnie of leden
der kamers onderling zouden beslist worden door de neutrale leden of
door wederzijds te benoemen arbiters. (art. 22.)[1247] Op dezen voet
werd nu de Noordsche Compagnie hervormd; twee nieuwe kamers werden
opgericht te Harlingen en te Stavoren[1248]. Op de oostzijde van het
Deensche eiland aan Spitsbergens noordwesthoek werd door de Friezen eene
nieuwe nederzetting gevestigd, die weldra den naam van de »Harlinger
kokerij” kreeg[1249].

    [1246] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) verhaalt, dat Friesland
    van hare 3000 quarteelen weder 300 moest uitkeeren aan die van
    Amsterdam. Het accoord spreekt daarvan niet, maar daar Aitzema
    natuurlijk als medebewerker van de schikking bizonder goed ingelicht
    was, is het waarschijnlijk bij onderhandsche afspraak zoo
    geregeld.--Het accoord vermeldt nog (art. 2), dat op de 27.000
    quarteelen „ter Zee gebraght souden mogen werden ses Saloupen ofte
    duysent quarteelen;” de zin dezer bepaling is mij niet duidelijk.

    [1247] Het accoord is afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
    360,--en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.

    [1248] Het bestaan der kamer van Harlingen blijkt uit het: Iournael
    v. Raven. p. 5; dat van die te Stavoren wordt bewezen door de: Sent.
    v. h. Hof v. Holl. dd. 31 Juli 1641.--Dat de Friezen aanvankelijk
    recht op drie of vier kamers meenden te hebben, blijkt uit de:
    Repartitie der N. C. te Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
    Hrl. gedeput. R.-A.

    [1249] Zie o. a. de kaart van Spitsbergen, bij: Zorgdrager, Groenl.
    vissch. p. 85.--Zie over de pogingen, door Friesland in 1642 en 43
    aangewend om ~op geheel gelijke wijze~ deel te krijgen aan de O. I.
    C.: Van Rees, Gesch. der Staathuishoudk. II p. 205 vlg.

De meerdere buigzaamheid, door de Noordsche Compagnie in 1636 getoond,
was het gevolg eener oppositie, die van elders kwam en de vereeniging
met groot gevaar dreigde. Door de overeenkomst met de Friezen hoopten de
bewindhebbers zich te sterken tegen de pretensiën van acht Hollandsche
steden, die mede in het octrooi begeerden toegelaten te worden[1250].
Niettegenstaande de Hollandsche gedeputeerden ter generaliteit in 1633
uitdrukkelijk mede toegestemd hadden in de verlenging van het octrooi
der Noordsche Compagnie, had de tegenstand door Friesland geboden,
eenige leden der Hollandsche statenvergadering op het denkbeeld gebracht
om met gelijke eischen op te treden.

    [1250] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.--Accoord der N. C. met de
    Friezen, art. 5-8, bij: Aitzema l. c. II p. 360.

Niet lang na de verlenging schijnen eerst Dordrecht, daarna Haarlem,
Leiden en Alkmaar, later Edam, Monnikendam en Medemblik, en eindelijk
ook Gouda aanspraak gemaakt te hebben op toelating tot het octrooi. Er
werd gefluisterd, oogenschijnlijk niet zonder grond, »datt verscheijden
landt-steden in Hollandt gheen ghelegentheijtt hebbende om ter See te
equiperen, ~bij perticuliere persoonen in andere ghelegender Steden
woonende~ wierden opgemaeckt[1251].” Hoe dit zij, de aandrang werd
weldra zoo hevig, dat de regeering zich daarmede bemoeide. In Mei 1634
werd in de Hollandsche statenvergadering geproponeerd, »dat eenigen tijd
geleden uyt goede consideratien ende ten dienste van dese Provincie het
Octroy voor de Noortsche Compagnie ende Walvisch-vanghst, ter
Vergaderinge van de Heeren Staten-Generael voor acht jaren was
gecontinueert, ende Leden van dese Vergaderinge welckers Ingezetenen in
’t voorszeide Octroy participeren, of daer op pretenderen, elck anderen
dienden te verstaen, of vereenight te werden, ten eynde ’t voorszeide
Octroy te beter mochte werden gemainctineert.” De Staten besloten
dadelijk, dat de participeerende en pretendeerende leden der vergadering
voor hunne ingezetenen met elkander in conferentie zouden treden, om te
trachten eene overeenkomst te treffen »aengaende de participatie ende
verdeylinghe respective in de voorszeide Compagnie, tot conservatie van
’t voorschreve Octroy ende vande Neringe in dese Provincie[1252].”

    [1251] Repartitie door de N. C. kamer Amst. aan gedeput. der Stn. v.
    Holl. overgegeven 19 Mrt. 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [1252] R. H. verg. v. 4-20 Mei 1634. p. 47.

Het was te voorzien, dat de Noordsche Compagnie niet gemakkelijk van
haar verkregen recht zou afstand doen, en werkelijk werd men het na
maandenlang gehaspel niet eens. De pretendenten waren over den
tegenstand der compagnie zeer ontevreden; zij zagen weldra in, dat het
niet aanging de compagnie tot toegevendheid te bewegen. Ten einde hunnen
wensch een schijn van recht te geven, grepen zij toen een middel aan,
zoo uiterst onbillijk, dat het op het eerste gezicht niets dan een
voorwendsel bleek te zijn.

Het is van algemeene bekendheid, dat de personen, die de provinciën als
hare vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal zonden, slechts als
lasthebbers hunner principalen optraden en eigenlijk tot geen besluit
mochten medewerken, waarover zij niet eerst den wil hunner committenten
gehoord hadden. Het spreekt echter van zelf, dat men in oneindig vele
gevallen van die gedragslijn moest afwijken. Dagelijks kwamen er zaken
voor, die dadelijk afdoening vorderden; dagelijks werden er besluiten
aan de orde gesteld, die van veel te weinig belang waren, om de Staten
van elk der zeven gewesten daarover te raadplegen. Het gebruik had dan
ook ingevoerd, dat de leden der Staten-Generaal in dergelijke zaken ook
zonder bepaalden last besloten; wel is waar bleef het natuurlijk den
Staten der provinciën voorbehouden, hunne vertegenwoordigers te
desavoueeren, maar hoogst zelden kwam het tot zulk een uiterste. De
Hollandsche afgevaardigden, wier committenten op slechts weinige
schreden afstands van de zaal der Staten-Generaal vergaderden, maakten
natuurlijk van deze door het gebruik gewettigde vrijheid een minder ruim
gebruik dan die der andere gewesten, en zoo was dan ook het laatste
octrooi der Noordsche Compagnie van 1622, dat den 20 December in de
Staten-Generaal aan de orde gesteld was[1253], eerst twee dagen later
gearresteerd[1254], nadat de Hollandsche Staten hunne afgevaardigden den
vorigen dag tot de goedkeuring gemachtigd hadden[1255], iets waartoe de
andere provinciën uit den aard der zaak geen tijd gehad hadden. Maar
toen den 25 October 1633, terwijl de Staten van Holland niet bijeen
waren, het nieuwe octrooi aan de orde was gekomen, hadden de Hollandsche
afgevaardigden geene zwarigheid gemaakt, om in de verlenging toe te
stemmen, daar hun geene bezwaren daartegen, geene pretensiën van
Hollanders bekend waren[1256]. Misschien maakte de aandrang der
Friezen, die dien dag juist afwezig waren, het toen voor de Hollanders
zelve gewenscht, dat de zaak nu dadelijk zonder verdere deliberatiën
doorging. De Staten van Holland hadden natuurlijk, toen zij weder
samenkwamen, van de zaak vernomen, maar noch toen noch gedurende de
eerste maanden dachten zij er aan, de handelwijze hunner afgevaardigden
af te keuren. Wij zagen zelfs, dat zij veelmeer nog in Mei 1634
verklaarden, dat het octrooi »eenigen tijd geleden uyt goede
consideratien ende ten dienste vande Provintie ter vergaderinge van de
Heeren Staten-Generael was gecontinueert.” Het was dus waarlijk niet
twijfelachtig, of de verlenging hunne goedkeuring had weggedragen, en
niets luidde vreemder dan de verklaring, door de pretendenten eerst in
December 1634 gedaan, dat het octrooi verlengd was »sonder kennisse van
haer Ed. Groot Mog.” en dat zij zich dus niet aan eene beperking hunner
vrijheid dachten te storen, die zij onrechtmatig oordeelden, maar
integendeel voorgenomen hadden, openlijk met de Noordsche Compagnie te
gaan concurreeren[1257].

    [1253] R. S.-G. 20 Dec. 1622.

    [1254] R. S.-G. 22 Dec. 1622.

    [1255] R. H. 21 Dec. 1622.

    [1256] R. S.-G. 25 Oct., 19 Nov. 1633. (Tegenwoordig was voor
    Holland o. a. de heer van Heemstede)--Een praecedent hadden de
    Hollanders in het gebeurde in 1617, toen het octrooi der N. C.,
    hoewel de Staten van Holland bijeen waren, zonder hunne voorkennis
    verleend was.--Vgl. ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.--Toch
    schijnt er reeds in Juli 1633 verschil tusschen eenige Hollanders en
    de N. C. geweest te zijn, waarin o. a. Haarlem gemengd was. (R. H.
    13 Juli 1633.) Wat daarvan was, blijkt niet.

    [1257] R. H. 5 Dec. 1634.

De Noordsche Compagnie kon dan ook thans evenmin als vroeger besluiten,
de eischen der acht steden toe te geven: eene commissie, door Holland
benoemd om de twistende partijen te vereenigen en »in stilheyt een
bequame uytkomste te vinden[1258],” bracht het na maandenlange
conferentiën niet verder dan de vorige[1259]. In Maart 1635 dreigde men
eindelijk, dat de oneenigheid »in tyd ende wylen wel eenige ongemacken
soude mogen veroorsaecken[1260];” later drong Dordrecht aan, om het
volgens haar niet geldige octrooi »te houden voor nul ende van
onwaerden[1261],” en werkelijk begonnen de pretendeerende steden in den
zomer van dit jaar zonder zich aan de compagnie te storen de
walvischvangst aan Spitsbergen[1262].

    [1258] R. H. 5 Dec. 1634.

    [1259] R. H. 3, 22 Mrt., 4, 5, 24, 27 Apr., 1, 24 Mei, 27 Juni 1635.

    [1260] R. H. 3 Mrt. 1635.

    [1261] R. H. 24 Mei, 27 Juni 1635.

    [1262] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1^{e}
    confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stu. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N.
    C. R.-A.--Vgl. hiervóor p. 270, 72.

Toen eindelijk zag de bedreigde vereeniging het gevaar in en verklaarde
zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten. Met nieuwen ijver
werden nu de conferentiën hervat: de gecommitteerden (de heer Van
Noortwyck met een gedeputeerde van Haarlem, Leiden en Alkmaar[1263])
beproefden onvermoeid eene schikking tot stand te brengen. De
bewindhebbers, door Hollanders en Friezen te gelijk bedreigd, gaven
eindelijk toe. Zij verklaarden zich bereid de nieuwe pretendenten toe te
laten; maar zij stelden dadelijk als voorwaarde dier toegevendheid drie
eischen: de Staten-Generaal moesten het octrooi der Noordsche Compagnie
verlengen voor twintig jaar, den invoer van alle uitheemsche
walvischtraan verhinderen of zeer hoog belasten, en aan alle
Nederlanders streng verbieden om ter walvischvangst uit te varen. Op
deze voorwaarden schijnt door de Staten van Holland geene aanmerking
gemaakt te zijn, maar meer moeielijkheid baarde de voorloopige
begrooting van het aandeel, dat de nieuwe participanten in de compagnie
zouden krijgen. Er werden zeer hooge eischen gesteld. Nadat de Noordsche
Compagnie verklaard had, dat zij aannam, wanneer alle concurrentie door
de Staten-Generaal op de bovenvermelde wijze geweerd werd, hare vangst
van 16.000 quarteelen traan op 24.000 te brengen, maakten de acht
Hollandsche steden dadelijk aanspraak op de geheele vermeerdering van
8000 quarteelen. Het was zeker wel wat veel gevergd, terwijl Zeeland
slechts 1/4 bezat en Friesland zich eerlang met 1/9 moest tevreden
stellen, dat men aan acht steden eener provincie, die reeds het
leeuwendeel in het octrooi bezat, nog 1/3 aandeel in de vangst zou
inruimen, en de Noordsche Compagnie meende dan ook, dat men zich met
5000 quarteelen behoorde tevreden te stellen. Bovendien eischte zij, dat
de nieuwe aandeelhouders een deel zouden betalen van de kosten van
ontdekking der tot de visscherij noodige eilanden en van de processen,
door de compagnie over het bezit daarvan gevoerd. De indringers bleven
echter bij hunnen eisch; slechts op éen punt was men eenstemmig: de
Friezen moesten met vereende krachten geweerd worden[1264].

    [1263] R. H. 5 Dec. 1634.--Versl. v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer.
    met de N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

    [1264] Deze en de volgende bizonderheden over eene quaestie,
    waarover juist van elders bijna niets bekend is, ontleen ik aan de
    aanteekeningen, door den Haarlemschen gedeputeerde (den burgemeester
    Van der Camer) van de zes door hem in 1636 bijgewoonde conferentiën
    gemaakt om rapport te doen aan de Staten van Holland. Ze zijn
    grootendeels geschreven op de keerzijde van andere stukken, en met
    eenige andere papieren over de N. C. vereenigd in eenen bundel: Stn.
    v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.--Het hier medegedeelde is een
    overzicht van het verslag der eerste conferentie v. 14 Febr. 1636.

Twee conferentiën werden nu weder spoedig na elkaar gehouden, voordat
men iets vorderde; maar den 19 Maart 1636 zond de Amsterdamsche kamer
der Noordsche Compagnie eindelijk eenen uitgewerkten voorslag bij de
commissie in. Zij wees er daarin op, dat het onmogelijk zou zijn ooit in
eene algemeene vergadering tot eenstemmigheid te komen, wanneer men in
elk der pretendeerende acht steden volgens haar verlangen eene nieuwe
kamer der Noordsche Compagnie oprichtte; reeds nu »vielen dickwils in
eene vergaderinge maer te veel swaricheijden voor om alle de verstanden
ende sinnen in een te brenghen.” Bovendien zou eene inruiming aan de
acht steden op zoo groote schaal als zij eischten noodzakelijk eene
groote uitbreiding in de vangst ten gevolge moeten hebben, zoo men allen
wilde voldoen; en zulk eene uitbreiding zou bij grootere kosten dadelijk
eene belangrijke prijsvermindering van de traan te weeg brengen. De
Amsterdammers stelden dus voor, aan Dordrecht, Haarlem en Leiden toe te
staan elk 800 quarteelen, aan Gouda, Alkmaar, Edam en Medemblik elk 600,
en aan Monnikendam 400 quarteelen. De Haarlemmers wilde men voegen bij
de Amsterdamsche kamer, Gouda bij de Rotterdamsche, Alkmaar bij Hoorn;
Enkhuizen zou vereenigd worden met Medemblik, Leiden met Delft of
Amsterdam, terwijl Edam en Monnikendam samen slechts éene kamer zouden
uitmaken. Alleen Dordrecht zou dus eene afzonderlijke kamer
hebben[1265].

    [1265] Repartitie door de Amst. kamer der N. C. aan de gedeput. der
    Stn. v. Holland overgegeven 19 Maart 1636, in: Stn. v. d. Hrl.
    gedeput. ov. de N. C. R.-A.

De commissarissen beloofden van dezen voorslag rapport te zullen doen en
trachtten te verkrijgen, dat de Noordsche Compagnie de beslissing over
deze zaak aan de Staten van Holland overliet. Amsterdam en Delft keurden
dit goed, maar Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen herhaalden, dat zij niet
»van haeren ouden tax ende quote wilden gaen, ofte soo sij seyden niett
en konden missen”[1266]. Zij leverden aan de commissie eene
»aenwijsinghe” over, waarin zij uiteenzetten, dat zij »geene
inruijminghe conden toestaen,” tenzij het aandeel van ieder hunner met
500 quarteelen vermeerderd werd; geschiedde dit niet, dan zou het
aandeel van »de drij voornaemste zeesteden van Hollant naest Amsterdam”,
dat nu reeds »seer cleen” was, »geheel vruchteloos worden
gemaect”[1267]. Van den voorslag om zich aan de Staten van Holland te
onderwerpen kwam dus niets, en daar de commissie weigerde tot de
inwilliging van de drie eischen der compagnie mede te werken, voordat
men het over de repartitie eens was[1268], schijnt men 6 September 1636
eindelijk overeengekomen te zijn, dat Dordrecht, Haarlem en Leiden elk
800 quarteelen zouden hebben, Gouda en Alkmaar elk 600, Medemblik, Edam
en Monnikendam elk 400. De oude kamers der compagnie zouden dan echter
ook verplicht zijn, de onlangs toegelatene Friezen met 2000 quarteelen
te voldoen uit hun aandeel van 16.000, niet uit de geheele nieuwe raming
van 20.800 quarteelen[1269]. De nieuwe aandeelhouders weigerden
bovendien iets bij te dragen tot de kosten, door de ontdekking van
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland en de over hun bezit gevoerde processen
veroorzaakt, op grond dat het octrooi der Noordsche Compagnie vervallen
was(!) en zij de voordeelen der visscherij sinds jaren als vergoeding
dier kosten alleen genoten had. Alleen eene recognitie voor het gebruik
van hare gereedschappen en inrichtingen werd aan de compagnie
toegestaan[1270].

    [1266] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl.
    v. de 4^{e} confer. dd. 21 Mrt. 1636,--en: Conc. rapport v. d. Hrl.
    gedeput. dd. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl gedeput. ov. de N. C.
    R.-A.

    [1267] Aenwysinghe door de kamers der N. C. v. Rott., Hoorn en Enkh.
    overgeleverd aan de gedeput. der Stn. v. Holl., in: Stn. v. d. Hrl.
    gedeput. ov. de N. C. R.-A.

    [1268] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (5^{e}
    confer. dd. 29 Juli 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [1269] Ook een ander pretendent, Pieter Ranst, directeur der
    compagnie van Nieuw-Nederland (O’Callaghan, N. Netherland. I p.
    411), moest door de oude kamers met 600 quarteelen tevreden gesteld
    worden. (Versl. der 6^{e} confer. v. 6 Sept. 1636.) Omtrent diens
    van elders onbekende pretensie zeggen de Amsterdammers, dat zij
    gaarne zouden „ontlast blyuen vande equipage Van Pieter Ranst,
    dewelcke volgende hett contract, ende om redenen vorenverhaelt (?)
    getollereertt soude moetten werden, voor den tijtt van noch seuen
    aenstaende equipagien, mits datt de generale Compaignie daer van de
    recognitie trecke.” (Repartitie der Amst. kamer N. C., in: Stn. v.
    d. Hrl. gedeput. R.-A.)

    [1270] Verslag v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C.
    (Versl. der 6^{e} conferentie v. 6 Sept. 1636), in: Stn. ov. de N.
    C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Het stuk deelt de hierboven vermelde
    opgaven mede; het is echter mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk,
    dat het alleen het antwoord der pretendeerende steden is op de
    eischen der N. C.

Den bewindhebbers werd nu eindelijk verlof gegeven om te
vertrekken[1271] en de verdere conferentiën werden uitgesteld tot 25
November, als wanneer men hoopte het ook met de Zeeuwen eens te zullen
worden, die tegen dien dag naar Den Haag beschreven waren[1272]. Men had
tot nog toe steeds gehoopt de zaak onder de hand te zullen kunnen
schikken met de Hollandsche kamers, die men geneigd meende te zullen
vinden aan hare zusters een aandeel in de winst aftestaan[1273]. Daarin
had men zich echter geheel bedrogen: de Hollanders hadden zich zeer
natuurlijk ongeneigd betoond alleen den geheelen last te dragen, en het
was dus onmogelijk geweest in de afwezigheid der Zeeuwen eene
definitieve overeenkomst te sluiten. Maar ook nu was de hoop daarop
gering. De bewindhebbers der Zeeuwsche kamers hadden namelijk, nadat de
conferentiën om hunnentwil tot na de algemeene vergadering van Maart
geschorst waren, zich zeer onhandelbaar getoond. Eerst was er niemand
van hen verschenen[1274], daarna hadden zij zich van de behandeling der
zaak geëxcuseerd tot zij voltallig waren[1275]. En de afwezigen bleven
weg niettegenstaande het opontbod der Staten-Generaal[1276]. De
Hollanders van hunne zijde rekenden het nutteloos zonder hunne
ambtgenooten eene overeenkomst te treffen, en meenden »dattet nijet
geraden was onder den anderen te accorderen, dewyl sy beducht waren dat
Zelant op syn luymen lach.” Maar dit uitstel was niet het eenige gevolg
van den onwil van Zeeland: hare eischen zelve waren onredelijk. De
bewindhebbers bleven er op staan, dat hun aandeel van 1/4 in de geheele
uitrusting ongeschonden zou blijven en dus bij de vergrooting der
generale raming ook hun deel vergroot moest worden zonder eenige
vermindering door de toelating der nieuwe participanten, die alleen
Holland aangingen[1277].

    [1271] R. S.-G. 30 Sept. 1636.

    [1272] R. H. 1 Oct. 1636.--R. S.-G. 27 Oct. 1636.

    [1273] R. H. 29 Jan. 1636.

    [1274] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (2^{e}
    confer. v. 12 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C.
    R.-A.

    [1275] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (3^{e}
    confer. v. 15 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

    [1276] R. S.-G. 28 Mrt. 1636.

    [1277] Repartitie der Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636. (Stn. v.
    d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.)

Op dezen eisch schijnt dan ook de geheele zaak afgesprongen te zijn. De
gezamenlijke bewindhebbers verschenen eindelijk op den bepaalden tijd in
Den Haag en de conferentiën met den heer Nobel, door de Staten-Generaal
daartoe gecommitteerd, begonnen. (1 December 1636.)[1278] Maar reeds
eene week later bleek het, dat alle moeite vergeefs zou zijn: de
Noordsche Compagnie leverde eene remonstrantie bij Holland in, om
»ghemaintineert te worden by haer octroy, in voegen gelyck het selve
laetstelijcken ter Generaliteyt was geprolongeert.” Na »lange
discoursen” over de »consideratien tegen de prolongatie van den Octroye
bij verscheyde leden gemoveert,” verklaarden de Staten van Holland
echter, dat de Noordsche Compagnie vóor 25 December »redelijck
contentement” aan de acht steden had te geven; »bij faute vandien”
zouden de Staten van Holland het octrooi houden voor »nul en van
onwaerden”[1279]. (11 December 1636.) De Staten van Holland traden dus
openlijk toe tot het systeem der nieuwe pretendenten; zij desavoueerden
het gedrag hunner afgevaardigden ter generaliteit ten aanzien van een
besluit, meer dan drie jaren geleden genomen en door hen reeds
zijdelings goedgekeurd. Ook al neemt men aan, dat deze met alle recht en
billijkheid strijdige handelwijze wettig was, omdat de gedeputeerden
werkelijk geen last gehad hadden[1280], dan nog streed het met den tekst
der Unie en met de constante gewoonte, een octrooi door vijf van de
zeven provinciën verleend voor »nul en van onwaerden” te verklaren op
grond, dat een der beide overige gewesten weigerde zich te onderwerpen.
De hoogste eisch, dien Holland stellen kon, was, dat men haar toestond
een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen, en ook dit nog was
met het oog op het groote getal Hollandsche participanten eenigszins
twijfelachtig[1281].

    [1278] R. S.-G. 1, 2 Dec. 1636.

    [1279] R. H. 10, 11 Dec. 1636.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.

    [1280] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) zegt, dat de Stn v. Holl.
    „daer mede te kennen gaven, dat sy den Staten Generael niet
    toestonden eenigh Recht van Souverainiteyt.” Hij bedoelt er
    waarschijnlijk mede, dat men den gedeputeerden der provinciën het
    recht ontzeide zonder last hunner committenten een besluit te nemen.
    Het komt mij trouwens voor, dat dit bepaaldelijk in zaken als deze
    geen betoog behoefde.

    [1281] Vgl. over deze quaestie: hiervóor p. 323, 24.

Zoo dachten ook de Staten-Generaal, en zij traden krachtig op voor de
bedreigde vereeniging, die zij het aanzijn geschonken hadden. Dadelijk
bevestigden zij het verleende octrooi en bepaalden, dat de Staten van
Holland hunne bezwaren daartegen bij hen hadden in te brengen om ze te
doen onderzoeken. Eerst wanneer die bezwaren geldig bevonden waren,
zouden de Staten-Generaal overgaan tot de intrekking van het
octrooi[1282]. Deze krachtige houding had het gewenschte gevolg: de
Hollandsche heeren zagen in, dat zij te ver gegaan waren. Tegen hunne
gewoonte bukten zij voor de generaliteit; ten minste het blijkt niet,
dat die van Holland ooit aan de oproeping eenig gevolg gegeven hebben.
De nieuwe pretendenten, dus door hunne beschermers verlaten, gaven hunne
eischen op, en wachtten op gunstiger tijden om ze door te zetten. De
Noordsche Compagnie liet de acht steden niet toe[1283], en handhaafde
haar octrooi tot aan het jaar 1642.

    [1282] R. S.-G. 22 Dec. 1636.

    [1283] Dit maak ik op uit de Resolutie der Haarlemsche vroedschap
    van 6 Maart 1642 (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.),
    waaruit blijkt, dat de N. C. in dat jaar o. a. met Dordrecht en
    Haarlem over hare opneming in de compagnie onderhandelde.

Maar de tijden van ongestoorde rust waren toch voor de vereeniging
voorbij: in de nog overige jaren van haar bestaan schijnt zij zich ten
gevolge der Hollandsche resolutie van 11 December 1636 in eene
eenigszins dubbelzinnige positie bevonden te hebben. De concurrentie van
niet tot de compagnie behoorende Nederlanders, waaronder misschien vele
Hollanders uit de acht pretendeerende steden, die het octrooi voor
vernietigd hielden, schuilden, nam steeds toe[1284], en in 1641 was het
reeds zoover met de Noordsche Compagnie gekomen, dat de gedeputeerden
der Staten-Generaal op de conferentie te Staden aan Christiaan IV
officiëel durfden verklaren en op schrift verzekeren, dat er in
Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer
bestond[1285]. In deze omstandigheden meende natuurlijk ieder op zijne
beurt deel aan het octrooi te kunnen krijgen. Overal vormden zich
vereenigingen, die hun geld in de vaart op Spitsbergen wilden wagen, en
aangemoedigd door het geluk van Friesland verzochten achtereenvolgens
alle provinciën om toelating tot het octrooi. Die van Utrecht, reeds in
1622 begeerig om hun kapitaal in de walvischvangst te beleggen[1286],
waren de eersten, die zich bij de Staten-Generaal aanmeldden. Mr. Jacob
Le Petit verzocht 29 September 1638 om met zijne compagnie ter
walvischvangst naar Spitsbergen te mogen uitreeden onder belofte, dat
hij zich drie à vijf mijlen van de Hollandsche baai verwijderd zou
houden; hij hield staande, dat Utrecht evenals de andere provinciën in
het octrooi moest worden ingelaten. De Staten-Generaal plaatsten zich op
een onzijdig standpunt; het request werd in handen der Noordsche
Compagnie gesteld, en onwillig als deze was, verliep de tijd met het
wisselen van re- en duplieken[1287]. Overijssel had reeds in 1634 te
gelijk met Friesland getracht deel in de Noordsche Compagnie te krijgen,
maar hare pogingen waren toen mislukt[1288]. Beide provinciën besloten
nu den wettigen weg te bewandelen. Tegen het einde van het octrooi der
compagnie wendden zij zich met Gelderland tot de Staten-Generaal met het
verzoek, om bij de eventueele vernieuwing van het octrooi mede daarin
toegelaten te worden. Utrecht herinnerde aan de pretensie van Le Petit
en zijne compagnie; Overijssel wenschte Jan Van Gesscher en Johan
Struckel met de hunnen toegelaten te zien; Gelderland noemde later
Eustaes Feij en Willem Everts als de hoofden der door haar begunstigde
compagnie. Gedachtig aan het met Friesland voorgevallene beriepen de
drie provinciën zich reeds dadelijk op het recht, dat hun volgens de
Unie van Utrecht toekwam, en verklaarden, dat de vernieuwing van het
octrooi der Noordsche Compagnie bij overstemming of in hare afwezigheid
niet ten nadeele der nieuwe pretendenten zou mogen geschieden[1289]. De
Staten-Generaal, die aanvankelijk alleen beloofden op het verzoek der
drie provinciën te zullen letten, wanneer de vernieuwing van het octrooi
ter sprake kwam, verklaarden later uitdrukkelijk, dat zij de supplianten
zouden toelaten als het octrooi verlengd werd[1290]. Daardoor
aangemoedigd deed eindelijk ook de zevende provincie, Stad en Lande,
eene gelijke verklaring als hare drie zusters; het schijnt echter, dat
zij daarmede meer ten doel had haar recht niet te verliezen, dan om
bepaald tot het reeds »in effecte gecesseerde” octrooi te worden
toegelaten: althans de namen der pretendenten werden niet genoemd[1291].

    [1284] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

    [1285] Verbaal der zending v. 1641 naar Staden en Glückstadt ad
    20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct. 1641. R.-A.

    [1286] R. S.-G. 22 Dec. 1622.

    [1287] R. S.-G. 29 Sept. 1638, 31 Jan., 18 Mrt., 22 Juli, 22 Oct.
    1639, 27 Jan., 1 Mei 1640.

    [1288] R. S.-G. 17 Mrt. 1634, 13 Jan., 26 Apr. 1635.

    [1289] R. S.-G. 11 Nov. 1641, 24 Febr. 1642.

    [1290] R. S.-G. 3 Mrt. 1642.

    [1291] R. S.-G. 10 Juli 1642.

Zoo scheen er dus eenige kans te zijn, dat de Noordsche Compagnie
werkelijk eene »generale Nederlantsche compagnie” zou worden, maar de
concurrentie was te groot dan dat men dit plan zou hebben kunnen
verwezenlijken. De acht Hollandsche steden herinnerden reeds in Mei 1641
aan hunne aanspraken van 1636[1292], en ook nieuwe Hollandsche
pretendenten meldden zich aan. Eenige reeders te Jisp, die vier schepen
uitgerust hadden, verzochten van de Staten-Generaal verlof om ter
walvischvangst te mogen varen[1293]; Amsterdamsche kooplieden, voor wie
Cornelis Ys, een naam in de geschiedenis der walvischvangst niet
onbekend, optrad, verzetten zich tegen de verlenging van het octrooi der
Noordsche Compagnie[1294].

    [1292] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808--R. H. 25 Nov. 1641.--Req.
    der N. C. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N.
    C. R.-A.

    [1293] R. S.-G. 3 Apr. 1640.

    [1294] R. S.-G. 23 Sept., 1 Nov., 11 Dec. 1642.

Ofschoon dus door mededingers overstelpt, beproefde de belaagde
compagnie in den aanvang nog tegen den stroom op te roeien en poogde
hare vijanden te bevredigen. Op de aanzoeken der vier landprovinciën,
zeker meer door kwaadwilligen opgestookt dan door hoop op eigen voordeel
gedreven, schijnt zij geen acht geslagen te hebben, maar met de
Hollanders hoopte zij tot eene schikking te komen. Zij stelde voor op
nieuw conferentiën met hen te houden, en de Staten van Holland toonden
zich geneigd, tot het maken eener vaste verdeeling der vangst mede te
werken[1295]. Maar de eischen der steden waren te groot. Hoewel de
Noordsche Compagnie veel verder ging in hare aanbiedingen dan in 1636 en
o. a. aan Dordrecht en Haarlem zelfs ieder 1200 quarteelen traan
aanbood, mits zij in de verlenging van het octrooi bewilligden, nam
alleen Dordrecht daarmede genoegen. Haarlem drong niet eens op verdere
beraadslagingen aan, maar verklaarde »mette voorseide presentatie int
minste nijet te sijn te vreeden” en liever zelve met eenige andere
steden moeite te willen doen om een nieuw octrooi van de Staten-Generaal
te verkrijgen[1296]. Met zulke kwaadwilligen was niets aan te vangen. De
Noordsche Compagnie mocht zich beroepen op hare ontdekking der
noordelijke landen, op de vestiging der walvischvangst in de Vereenigde
Provinciën door hare zorgen, op de bezwaren, die zij had doorgestaan en
die nog steeds de walvischvangst bedreigden, zoo men ze niet met
vereende krachten overwon, eindelijk op de »confusie ende disordren”,
die het noodzakelijk gevolg zouden zijn van het gemis van »een
behoorlyck ende voorsichtich reglement[1297]”, het baatte alles niets.
De vernieuwing van het octrooi werd tallooze malen door de Staten van
Holland besproken[1298]; herhaaldelijk verzocht men om last van de
principalen[1299], maar tot eene ernstige beraadslaging kwam het niet
meer. Men begreep, dat het groote aantal der »Competiteuren” het
onmogelijk maakte hun allen voldoening te geven[1300], en de
moeielijkheid om het eens te worden over de verdeeling der traan, die
reeds in 1636 een der commissarissen tot den raad gedrongen had, om de
walvischvangst voorloopig aan ieder vrij te laten zonder eenige
verhindering[1301], deed nu dien voorslag definitief aannemen. Het jaar
1642 ging voorbij zonder dat de vernieuwing van het octrooi in de
vergadering der Staten-Generaal zelfs ter sprake kwam, en met het einde
van het jaar »liep ’t octroy in ’t wilde ende desert[1302]”.

    [1295] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in:
    Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--R. H. 13 Dec. 1641,
    29 Jan., 4 Juli 1642.

    [1296] Resol. v. de Haarl. vroedsch. dd. 6 Mrt. 1642, in: Stn. v. d.
    Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

    [1297] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in:
    Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

    [1298] R. H. 25 Nov., 13, 21 Dec. 1641, 18, 24, 28, 29 Jan., 4 Juli,
    30 Sept. 1642.

    [1299] Punten v. beschr. der Stn. v. Holl. tegen 17 Juni 1642, art.
    14,--tegen 8 Sept. 1642, art. 13,--tegen 18 Nov. 1642, art. 24.

    [1300] R. H. 30 Sept. 1642.

    [1301] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Conc.
    rapp. v. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C.
    R.-A.

    [1302] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808.

De Staten-Generaal handelden dusdoende niet alleen zeer verstandig, maar
ook zeer consequent. De noodzakelijkheid van samenwerking en eenheid
tegenover de aanvallen van vreemde natiën was hun hoofdmotief voor het
verleenen van het octrooi geweest; nu Engelschen en Denen hunne
pretensiën uitdrukkelijk hadden opgegeven, hadden de Nederlandsche
walvischvaarders niets meer van hen te vreezen en de concurrentie van
andere natiën was niet belangrijk genoeg, om de Staten-Generaal op zulk
een gewichtig punt van hunne oude vrijzinnige politiek te doen
afwijken[1303]. Toch bleef het altijd eenigszins een waagstuk, om een
bedrijf, waartoe zulk een groot kapitaal, zoovele voorbereidingen noodig
waren als de walvischvangst, voor de concurrentie geheel open te
stellen. Het was de vraag, of enkele partikulieren de macht en den moed
zouden hebben om zoo groote sommen te steken in gevaarlijke
ondernemingen, die waarschijnlijk niet dan uiterst schrale winst zouden
opleveren. De Noordsche Compagnie had dikwijls verlies gehad in plaats
van winst: wat zou het zijn, zoo de groote concurrentie de prijzen van
traan en balein sterk deed dalen? Werkelijk sloeg de walvischvangst na
den val der Noordsche Compagnie weldra aan het kwijnen: de visschen
werden door de vele schepen schuw en verdwenen uit de van ouds bezochte
baaien; het liet zich aanzien, dat deze nering met de vele daaraan
verbondene bedrijven in Nederland evenals in Engeland zou
ondergaan[1304]. Maar eerlang toonde zich de Nederlandsche energie in al
hare grootheid: de wijkende prooi werd verder nagezet, de kostbare
inrichtingen op de noordsche stranden werden verlaten, de schepen anders
ingericht en moedig in het drijfijs gestuurd. En met uitstekend gevolg!
De ijsvisscherij leverde door grootere bezuiniging in administratie en
uitrusting ruime winsten; het getal schepen nam verbazend toe en vijf en
twintig jaren na den val der Noordsche Compagnie kon men roemen, dat het
aantal Nederlandsche walvischvaarders in dien tijd ~vijftienvoudig~
verdubbeld was[1305]. De Noordsche Compagnie zelve was voortaan een
afschrikkend voorbeeld, dat overal werd aangehaald, waar het gold de
nadeelen van monopolie en bescherming overtuigend te bewijzen: de
geschiedenis der bevoorrechte vereeniging werd een krachtig wapen in de
handen der mannen van vrijheid en vooruitgang.

    [1303] Vgl. Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p.
    191.--Uit het voorgaande blijkt genoegzaam, dat de reden door Luzac
    (Hollands rijkdom. I p. 347) opgegeven voor den val der N. C.
    onjuist is. („De geringe voordelen, welke misschien door de kosten
    van bewind werden ingezwolgen, gaven aanleiding, dat de Noordsche
    Maatschappij van zelve een einde nam.”)--Vgl. ook: Tegenw. Staat. I
    p. 591.

    [1304] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 241.

    [1305] Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 84.



BIJLAGEN.



BIJLAGE I. (p. 35.)

    INSTRUCTIE voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te
    reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua sembla[1306]) om, t’
    ondersoucken, ende te vinden naer ’t Coninckryck van China
    etc.[1307]

    [1306] De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn in het origineel
    bijgeschreven door Oldenbarnevelt zelven. Het is merkwaardig, en het
    getuigt van zijne kennis van al, wat op de noordpoolreizen
    betrekking had, dat die bijvoegingen altijd betrekking hebben op het
    plan van Plancius om benoorden Novaya Zemlya om te zeilen.

    [1307] Twee zaken schijnen mij in deze Instructie vreemd: 1^{o}. dat
    het stuk uitging van de Stn.-Gen., niet van de Amsterdamsche
    vroedschap, op wier kosten zooals men weet het schip, waarover
    Barendsz. het bevel voerde, was uitgerust, 2^{o}. dat de Instructie
    door de regeering gegeven werd niet aan Nay, den „superintendent”
    der expeditie, maar aan Barendsz., die voor zoover wij weten niets
    met de schepen der Stn.-Gen. te maken had. Beide zaken getuigen wel
    voor het gewicht, dat men aan Barendsz.’ tegenwoordigheid reeds op
    deze eerste reis hechtte.


Inden Iersten sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman het
volcommen commandement hebben, ende goede ordre houden ouer spys, ende
dranck, deselue ten meesten oorboer gebruyckende, ende daerbenevens
goede discipline houden ouer alle tscheepsvolck, achtervolgende d’
artyckelbrieff daerop gemaeckt,

Ende sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman met zyn schip, ende
schipsvolck in dese maendt van Meye hem gereet vinden int meersdiep,
omme van daer met de twee andere schepen totte voyage gedestineert de
voorszeide reyse te voorderen soohaest alst doenlyck ende mogelyck sal
wesen,

Ende sullen de voorszeide dry schepen hen byden anderen houden waerouer
die Superintendentie sal hebben Cornelis Cornelisz. van Enckhuysen in
tgene dat tot voorderinge van dese voorszeide voyage, off reyse sal
strecken, Ende oft gebeurde (twelck Godt verhoede) dat dese schepen door
storm, of onweder, oft oock door lanckduerige mist, oft ysganck, oft
anderssins vanden anderen dwaelden, oft eenich ongeluck ouerquame, dat
In sulcken geualle een ydert van d’ andere schepen euenwel hare
voorszeide reyse sal voorderen, sonder dat d’ een d’ andere inde
voorszeide voyage sal mogen empescheren ofte verhinderen,

Ende gepasseert zynde de noortcaep sullen hen alsdan verdeylen te weeten
Cornelis Cornelisz., ende Brant Ysbrantsz. sullen haer cours nemen, nade
Vaygatz ende Willem Barentsz. nae noua zemla, omme by alle mogelycke,
ende doenlycke middelen t’ ondersoucken daer door te commen in de zee
van Tartarien genaempt Mare tabin, Ende Ingeualle de voorszeide Wilhem
Barentsz. door (oft om de) noua zemla niet soude connen passeren sal
alsdan gehouden wesen de andere schepen te volgen door de Vaigatz, Ende
ter contrarien d’ andere schepen niet connende passeren door de Vaigatz,
oft door de Vaigatz alreede eenige mylen geseylt zynde, ende beuindende
empeschement, oft letsel van ys, sulcx dat zy niet voorder souden connen
door commen, sullen alsdan mede haer voyage dirigeren naer noua zemla,
ende d’ ander schip volgen,

Ende sal de voorszeide stuerman scherpelyck letten op de forme,
gesteltenisse ende gelegentheyt van t’ eylandt (ende wateren van ende om
noua sembla, ende alle andere eylanden ende wateren, die hij opte reijse
om noua sembla sal beuinden, ende zoo hij nade Vaygats mede compt te
seylen, oick) van vaygatz, hoe tzelue gesitueert is, ende op wat
hoochte, ende ondersoucken die wyte, ende breete vande canalen
derzeluer, Insgelycx die diepten, ende gronden soo aende Noortzyde nae
(van) noua zemla, als aende suytsyde wesende aende custen van moscouien,
ende Tartarien, ende van gelycken wat droochten, sanden, ende riffen
daer mogen wesen, ende oft daer oock hauenen, oft Reeden zyn om schepen
te bergen soo voorden ysganck, als anderssins, Ende daerbeneffens wat
volck op tzelue Eylandt, Ende aen beyde custen derzelue woont etc. Ende
dit alles pertinentelyck aen te teekenen ende by gescrifte te stellen,

Ende door den canael van Vaygatz gepasseert synde sal de voorszeide
stuerman alsdan synen cours nemen oost noort oost, ofte noortoost ten
oosten aen op de noortcaep van tartarien genaempt de caep van tabin,
ende neerstelyck letten op de hoochte vande selue caep, op de gedaente
van tlandt ende gelegentheyt vande diepten ende die steylten, oft
vlacten vande strandt aldaer met alle voordere circumstantien daertoe
dienende,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. onder anderen bysonder letten
wat eylanden op dese voorszeide vaert gelegen zyn, ende waer, Ende wel
distinctelyck aenteeckenen haere situatie ende die hoochte van dien, die
commoditeyten van hauenen, ende Reeden derseluer, ende by wat volck d’
selue bewoont wordden, ende voorts daervan alle voordere kennisse nemen,
sulcx als hy noodich ende dienstelyck sal beuinden,

Van gelycken sal de voorszeide Wilhem Barentsz. acht nemen op de
stroomen, ende getyen van dese geheele passaige, soo by westen, als by
oosten die Vaigatz, ende wel distinctelyck aen teeckene