Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reisherinneringen uit Korea en China - De Aarde en haar Volken, 1904
Author: Altenstadt, A. von Schmidt auf
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reisherinneringen uit Korea en China - De Aarde en haar Volken, 1904" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                 REISHERINNERINGEN UIT KOREA EN CHINA.

                             MEI-JULI 1902.

             Door Jonkvrouw A. von Schmidt auf Altenstadt.



HOOFDSTUK I


Het was op een helderen voorjaarsdag in 't begin van Mei, toen de
heesters op de berghellingen hun nieuw groen kleed hadden aangetrokken,
azalea's in vroolijke tinten hun sierlijke bloesems ontplooiden,
en de zon niettegenstaande de opstijvende voorjaarsbries weldadig
tintelde, dat de Genkai-Maru, een van de nieuwste stoomers van de
Nippon-Yusen-Kaisha, de haven van Nagasaki verliet, om koers te zetten
naar Fusan, een handelsplaatsje op de zuidkust van Korea.

Aan boord bevond zich, behalve een groot aantal Chineesche en Japansche
passagiers, een klein groepje Europeanen waaronder een jong Duitsch
echtpaar uit Kobe, die zich bij ons hadden aangesloten om door Korea
en China te reizen, twee Duitsche officieren uit Tientsin en wij twee
Hollandsche reizigsters. De Genkai-Maru is een van de voortbrengselen
van Japansche industrie uit den tijd, toen Japan meende voldoende
op de hoogte van scheepsbouwkunst te zijn, om hulp van Europeanen te
kunnen missen.

Het scheepje is op een Japansche werf door Japanners gebouwd, en
wordt ook uitsluitend door Japanners bestuurd en bediend.

Hoewel er dikwijls, en zeer terecht, zoowel aan de zeewaardigheid
van dergelijke schepen als aan de zeevaartkennis van hun kapiteins
getwijfeld wordt en de talrijke courantenberichten van strandingen
en aanvaringen dien twijfel rechtvaardigen, is men soms genoodzaakt
gebruik te maken van dit verbindingsmiddel tusschen Korea en Japan.

De russische schepen van de Oost Chineesche Stoomvaartmaatschappij
staan in geen beter reuk wat inrichting en zindelijkheid betreft,
terwijl die van de overige maatschappijen niet rechtstreeks op Korea
varen. Daarenboven is 't maar voor kort, want de overtocht duurt 14
uur. Slechts de Broughton zee-engte scheidt Japan van Korea.

De ruimte en inrichting voor passagiers is op de Genkai-Maru zeer
beperkt, maar hun aantal zoo groot, dat men in twee gedeelten aan de
maaltijden aanzit, terwijl de banken in de eetzaal als slaapplaatsen
dienst doen.

Gelukkig is er een ruim bovendek, en beneden ontbreekt 't ook niet
aan toevoer van frissche lucht, daar dit dek rondom het eetsalon open,
en slechts van een verschansing voorzien is.

Statig stoomt de Genkai-Maru langs de Pappenberg, het kleine eilandje
dat daar onbewegelijk en strak als een wachter aan den ingang van
de haven ligt, maar nauwelijks verwijden zich de kusten of 't wordt
onrustiger; 't windje gaat over in een stijve bries, donkere koppen
pakken zich aan den horizon te zamen.

De meeste passagiers hebben zich teruggetrokken in hun hutten, en
degenen die minder gelukkig zijn geweest en geen hut hebben, vullen
de kleine eetzaal.

Gehuld in mantels en plaids, want 't is vinnig koud, hebben wij met
moeite een beschut plekje op 't bovendek gevonden, achter een koekoek.

Is er een grootscher aanblik denkbaar dan die van de hoog oploopende
golven achter 't schip te zien aanrollen en het als 't ware telkens te
zien voortduwen? En de Genkai-Maru, die er in de haven, zoo imponeerend
en zoo helder uitzag, is te midden van de woedende elementen niet
veel meer dan een notedop, angstig vluchtend voor den storm; 't is
alsof zij harder stoomt om de golven te ontkomen die haar achtervolgen.

Een fijne dichte motregen, grijze waterwolken sluiten den horizon af
en doen de golven ineensmelten met de lucht. In plaats van lichter
wordt het donkerder en dichter daar voor aan den boeg, de wind neemt
in hevigheid toe.

Dat duurde zoowat twee uur. 't Jonge Duitsche vrouwtje heeft juist
ietwat angstig aan haar man gevraagd of dat zoo den geheelen nacht
zal blijven, als de Japansche stewart komt aanloopen en ons verzoekt
naar beneden te gaan.

Hij vertelt lachend (ik geloof dat een Japanner lacht zelfs als men hem
zijn doodvonnis mededeelt) dat de kapitein 't niet langer vertrouwt;
de barometer is zoo snel gedaald dat hij vreest in den buitensten
cirkel van een typhoon te zijn geraakt en besloten heeft terug te
keeren naar Nagasaki.

In alle haast worden de dekhutten verlaten. Ingebakerde
menschengestalten, voor 't meerendeel Japansche dames die onder den
invloed van de beweging van 't schip zijn, worden in allerijl de
trap afgevoerd.

Meteen zwaait 't schip in een wijde bocht, en toen besefte men eerst
recht de kracht van den storm. Eén oogenblik was 't, of de machine
weigerde, zoo stil lag 't schip door den schok van de golven die
't in de flank raakten, toen slingerde 't eenige keeren zwaar en
eindelijk zette 't dapper den kop tegen de hooge zee.

Telkens dook de steven diep omlaag en het water spatte er in schuim
over heen, dan weer werd 't schip opgeheven door een hooge golf en leek
't een gapende afgrond voor aan den boeg.

Met moeite konden wij, op handen en voeten kruipend, en ons aan elkaar
vasthoudend de trap bereiken; de motregen zwiepte horizontaal langs
ons heen en geeselde 't gelaat alsof 't met spelden gestoken werd.

Nu was 't of plotseling een onzichtbaar orkest uit alle macht
een stormphantasie aanhief; oorverdoovend dreunde 't, 't loeide,
't floot in het tuig, 't kraakte in het want en 't bruischte om ons
heen; de adem verging haast in den sterken luchtstroom. Beneden
heerschte een onbeschrijfelijke verwarring; de eetzaal opgepropt
met zeezieke passagiers en opgestapelde bagage; op het dek van het
salon groepjes Chineezen en Japanners omringd door kisten, zakken en
balen. Wij vonden eindelijk een plekje aan den ingang van de deur,
waar men echter niet eens zitten kon, want bij elke golf die over
kwam, stond er een halve voet water op het dek, maar dat was toch
nog verkieselijker dan 't verblijf in het salon.

Daar werd om ons heen gesproken over 't hachelijke van den toestand;
zullen de machines 't uithouden met die dolle vaart tegen de woedende
elementen? Zal de kapitein zijn koers vinden in 't half duister van
de stormlucht?

Al maar door slaan de stortzeeën over het dek; iedereen is druipnat,
koffers rollen heen en weer in 't zeewater en bij een zwaardere
stortzee is met hevig gekraak een stuk van de verschansing weggeslagen.

't Begint er leelijk uit te zien en....eigenaardig verschijnsel.... in
deze oogenblikken van gevaar beginnen de passagiers elkaar over en
weer verhalen te doen van schipbreuken en andere zeerampen.

Het Duitsche vrouwtje is geheel van streek, zij wordt pathetisch,
zij heeft zich aan haar man vastgeklampt en doet hem herhaaldelijk
beloven haar niet alleen te laten verdrinken maar tezamen te blijven.

Ik vraag of 't noodig is mijn reisgenoote, die zich in de hut ter
ruste heeft begeven te wekken, en 't antwoord luidt: "Waarom? degenen
die slapen zullen een minder zwaren doodstrijd hebben; als de
machine ons begeeft zijn wij toch allen verloren." Toen kwam er een
ernstiger stemming over 't groepje menschen dat daar bij elkaar stond,
overgeleverd aan de woedende elementen, veroordeeld om rustig af te
wachten wat de volgende minuten zouden brengen.

De Duitsche Hauptmann beet op zijn knevel, die kort te voren nog zoo
"schneidig" overeind stond, zijn collega trachtte een deuntje te
fluiten, maar dat ging hem niet van harte af.

En ik zat mij juist te verdiepen in overpeinzingen over 't onoplosbaar
mysterie van alles wat voor ons ligt, van de toekomst die als een
ondoordringbaar gordijn vóór ons hangt en eerst zichtbaar wordt als
't geen toekomst meer is.

Gelukkige fatalisten! dacht ik, zij hebben hun Kismet en verlangen
niet te weten wat geluk of ongeluk hun boven 't hoofd hangt. Mijn
gedachten gingen verder naar 't Oosten, waar men 't Kismet voelt, waar
't zweeft, overal, in de grootsche natuur, in de machtige elementen,
en nu wist ik opeens waar ik 't Kismet vond, nu voelde ik hoe dankbaar
ik was het te bezitten.

Op dat oogenblik viel mijn oog op een jong Europeaan, die blijkbaar
hevig ten prooi was aan de zeeziekte.

Zijn gelaat was grauw, bijna groen, de haren hingen hem druipnat in
't gelaat, hij had omgeslagen broekspijpen en stond tot over de enkels
in 't zeewater.

Hij klemde zich aan den post van een deur vast en plotseling
hoorde ik hem in zuiver Hollandsch zuchten: "O God! ik ben zoo
beroerd!..." Afgezien van 't onverwachte om in 't verre Oosten, in
streken waar Europeanen schaarsch zijn, een landgenoot aan te treffen,
wekte 't geval mijn hilariteit op en ik lachte zoo hartelijk, dat de
medereizigers mij verbaasd aankeken, alsof ze 't profaan vonden om
in zulke oogenblikken niet ernstig te zijn.

Tusschen twee stortzeeën ging ik naar den jongen man toe en vroeg of
ik hem wat cognac zou brengen. Hij was te ziek om verbaasd te zijn
bij 't hooren van zijn landstaal en scheen 't gezelschap van een
landgenoote niet te wenschen, want zijn antwoord luidde vrij somber:
"Laat me maar staan."--"Gaat u toch naar uw hut,"--raadde ik, maar
nu werd hij knorrig. "Ik heb geen hut!"

En toen begreep ik dat er situaties zijn, waarin een mensch minder
geschikt is voor conversatie en ik liet hem nat en zeeziek als hij
was aan zijn lot over.

Sneller en sneller ging het; de Genkai-Maru spande al haar krachten
in, om nog voor 't vallen van den avond de haven van Nagasaki te
bereiken. Reeds is 't uur van den avondmaaltijd lang verstreken,
maar niemand denkt aan eten, de passagiers houden zich slechts met één
gedachte bezig: "Zullen wij veilig de haven bereiken?" Gelukkig hebben
èn 't schip èn de kapitein ditmaal hun reputatie gelogenstraft. Om
8 uur 's avonds liggen wij veilig achter den Pappenberg voor anker,
vlak naast een grooten Russischen stoomer die tegelijkertijd was
uitgestoomd en ook voor den storm terugkeerde.

Het eigenlijke seizoen van de taï-fu of typhoon duurt van Juli tot
September, maar deze stormen worden in minder hevige mate gedurende
't geheele jaar waargenomen op de kusten van Japan en Korea.

De naam taï-fu beteekent groote wind en wordt toegepast niet alleen
op de beruchte wervelstormen in de Chineesche zee.

Zulk een taï-fu duurt gewoonlijk zes-en-dertig uur. Deze hield zich
aan den bepaalden tijd; den volgenden middag was de lucht weer strak
en helder, en ten tweeden male wendde de Genkai-Maru den steven naar
Korea. Ditmaal was de zee spiegelglad alsof de golven moe waren van
't wilde spel en zich ter ruste hadden begeven.

Bij 't krieken van den dag lag 't schip stil in 't gezicht van de
kust van Korea.

De oorspronkelijke naam Korea of, zooals men in 't Chineesch zegt,
Chosen, was die van een der drie staatjes waarin 't schiereiland
vroeger verdeeld was, en beteekent "Kalmte van den morgen."

Korea is een eigenaardig land; een land met een historische oudheid
gelijktijdig aan die van Thebe en Babylon, maar waarvan geen sporen
zijn overgebleven; een land dat zijn nationaliteit, zij 't dan ook
niet zijn onafhankelijkheid, gedurende eeuwen heeft weten te bewaren
en thans alle teekenen van zwakheid en machteloosheid vertoont; een
land dat aan zijn naburen, de Japanners, de bron van schoone kunsten,
godsdienst en wetenschappen schonk en thans zelf daarvan ontdaan is;
een land bewoond door een volk dat, niettegenstaande zijn zwakte,
niets heeft overgenomen van de gewoonten van zijn naburen, die het in
beschaving en ontwikkeling met reuzenschreden zijn voorbijgegaan; een
land waar tradities nog zulk een macht uitoefenen, dat zij gehandhaafd
blijven, ook al zijn zij de grootste belemmering voor de ontwikkeling
van dat volk.

Dat land noemde men de brug tusschen China en Japan.

Alles wat Japan van China kreeg in den vorm van godsdienst, kunst en
wetenschappen kwam door Korea, dat er zijn eigen stempel op drukte;
maar niettegenstaande 't verkeer met beide landen is Korea toch geheel
verschillend van beide gebleven.

Ook de bevolking heeft een sterksprekende karakteristiek en een
bijzonder type. Men zal een Koreaan dadelijk herkennen tusschen
Chineezen en Japanners.

Veel is er niet van Korea's geschiedenis bekend. Sinds onheugelijke
tijden was het in een waas van mysterie gehuld door de strenge
afzondering waarin het volk leefde. Men zou Korea kunnen vergelijken
met de prinses uit 't sprookje, die eeuwen lang geslapen heeft en
plotseling met schrik ontwaakt zijnde bemerkt dat zij niet meer alleen
is in haar paleis, maar dat allerlei vreemde machten aan de poorten
van haar paleis staan, gereed om binnen te treden.

Maar eer het zoover was, hadden toch reeds enkele onversaagde
Westerlingen gelegenheid dit geheimzinnige land te betreden.

De eerste aan wien dit gelukte was een portugeesch Jezuït, die door
Hideyoshi (de Japansche Napoleon) in 1594 als kapelaan in den veldtocht
werd medegevoerd.

In 1653 strandde er een hollandsch schip op 't eiland Quelpart. Dit
schip, De Sperwer, was op weg naar de Nederlandsche kolonie te
Decima, toen het door een hevigen storm uit den koers dreef en op de
koreaansche kust terecht kwam. De opvarenden, 36 in getal, werden
naar Seoul gebracht en gevangen gehouden. Ruim een jaar bleven zij
daar, werden toen naar verschillende plaatsen in het land vervoerd,
mochten zich vrij bewegen, maar bleven onder toezicht staan. Toen deze
gevangenen te Seoul aankwamen, troffen zij daar drie landgenooten aan,
die sedert 1627 door de Koreanen gevangen gehouden werden. Deze mannen,
Jan Janszoon Weltevree en twee kameraden, behoorden tot de bemanning
van het nederlandsche jacht Ouderkerke en werden gevangen genomen
toen zij aan wal waren gegaan om water en levensmiddelen te halen.

De gevangenen van de Sperwer bleven ruim 13 jaar in Korea; eindelijk
gelukte het aan eenigen van hen, onder wien Hendrik Hamel uit Gorkum,
te ontkomen naar het eilandje Goto, van waar zij hun weg naar Decima
vonden.

Hendrik Hamel keerde naar Holland terug. Hoewel hij een man was van
weinig ontwikkeling, had hij zooveel gezien en opgemerkt gedurende zijn
verblijf in Korea dat zijn geschriften in Rotterdam werden uitgegeven
en spoedig daarna in 't Fransch en Engelsch werden vertaald. In
't begin hechtte men weinig vertrouwen aan zijn beschrijving van
Korea, zijn bewoners, hare zeden en gewoonten; eerst later, toen meer
geletterde mannen zijn indrukken bevestigden, bleek het hoe scherp
en juist deze eenvoudige zeeman Korea had leeren kennen.

In 1886 werden te Seoul twee hollandsche schepen opgegraven, de eenige
zichtbare bewijzen van het verblijf der Hollandsche gevangenen. Of
neen, misschien niet geheel de eenige.

De Koreanen behooren tot het Mongoolsche ras waarvan de kenmerken zijn:
donker haar en dito oogen. Nu treft men onder hen verscheidene typen
aan, waarvan 't haar bruin, ja zelfs blond is, terwijl de kleur der
oogen van donkerbruin tot lichtblauw afwisselt. Eenigen zoeken de
verklaring hiervan in de vermenging van Caucasisch bloed, maar velen
zijn er die dit verschijnsel in verband brengen met het dertienjarig
verblijf der Hollandsche schipbreukelingen.



Fusan of, zooals de Koreanen 't noemen, Pusan behoort met Gensan of
Wensan aan de noord-oostkust en Chemulpo of Jinsen aan de westkust tot
de voornaamste plaatsen, die blijkens een verdrag met de mogendheden
voor den buitenlandschen handel zijn opengesteld.

Gelegen aan een kleine baai door heuvels omringd, en welke door 't
reeëneiland, in 't Koreaansch Tetsuije-eiland geheeten, beschut wordt
tegen zwaren golfslag, geeft Fusan bij den eersten aanblik den indruk
van een veld met paddestoelen, en die indruk blijft bestaan wanneer
men een wandeling maakt door de straten van het plaatsje. Alles is
er grijs, grijs en laag, vochtig en triestig. Een uitzondering maakt
de japansche wijk, waar alles helder en zindelijk is.

Fusan is om zoo te zeggen de toegangspoort van Korea voor Japan. In de
tijden toen Korea schatplichtig aan Japan was, zeilden de afgezanten
van Fusan naar Kamakura (toenmaals de zetel van 't Japansche
hof). Hideyoshi's leger zette te Fusan voet aan wal, toen het in 1592
uitgezonden werd om Korea te veroveren.

Reeds in 1443 was er een Japansche nederzetting te Fusan; sedert dien
tijd deden de Japanners de rechten gelden hun toegestaan krachtens
't verdrag, dat tusschen den daymio van Tsushima en den koning van
Korea gesloten werd.

Wel was de opening van Fusan als handelshaven, in 1876, tevens
de erkenning van Korea's rechten op het grondbezit van die plaats,
maar de Japanners storen zich daar niet aan, zij blijven er een groot
garnizoen handhaven en beschouwen Fusan als Japansch grondgebied.

't Eerste wat iemand opvalt bij 't betreden van Korea's bodem is
't gemis aan zindelijkheid. Hoe is 't mogelijk, vragen wij ons af,
dat er tusschen twee landen, door slechts zulk een geringen afstand
van elkander gescheiden, zulke uiteenloopende toestanden en gewoonten
kunnen voortduren. Aan gene zijde van de zee een leelijk, klein
maar nijver volkje met een sterk ontwikkeld zindelijkheidsgevoel;
hier een menschenras, groot, flink gebouwd, knap van uiterlijk,
verstandig aangelegd, met iets aangeboren deftigs in de wijze waarop
zij voortschrijden gehuld in de lange spierwitte gewaden, de nationale
dracht van oud en jong, rijk en arm, terwijl alles wat hen omringt in
een toestand van vervuiling verkeert, die aan 't ongeloofelijke grenst.

De straten, of liever stegen, zijn niet veel meer dan nauwe doorgangen
zonder eenigen afvoer van vuil en afval.

De woningen, of liever hutten, zijn van klei en rolsteenen opgetrokken;
een dikke gevlochten band van rijststroo doet dienst in plaats van
cement, om de massa bij elkaar te houden, het dak is van stroo,
meestal spreidt een kalebasplant zijn takken over 't dak uit,
om het stroo tegen stormen te beschutten. Vensters zijn er niet;
een kleine opening, hoogstens van eenige decimeters, doet daarvoor
dienst, meestal is die nog met papier dichtgeplakt; de deur is zoo
laag dat men zich bukken moet bij 't betreden van de woning.

Onder den vloer is een gemetseld gewelf waar gestookt en tevens
gekookt wordt. Schoorsteenen ontbreken ten eenenmale, maar de rook
ontsnapt door een gat in den muur en veroorzaakt de grijze kleur
van de woningen. Zulk een woning bestaat uit twee deelen, elk deel
uit eenige vertrekken, maar de oppervlakte van een vertrek beslaat
hoogstens twee meter en 't huis wordt door zooveel personen bewoond
dat 't voor mij een onopgelost vraagstuk blijft hoeveel ruimte men
in Korea voor zijn nachtrust noodig heeft.

Gelegenheid tot baden ontbreekt, en gewoonlijk is de bodem rondom
het huis bedekt met vuil, één mestvaalt waaruit onwelriekende dampen
opstijgen.

Ziedaar de hygienische condities van de bewoners. Te verwonderen is
't dan ook niet, dat de sterfte vooral onder de kinderen zeer groot
is en dat epidemieën zooals pokken (waarvan menigeen de sporen op 't
gelaat draagt) en pest jaarlijks een groot aantal slachtoffers maken.

Ook het gebrek aan zindelijkheid op hun lichaam draagt hier veel toe
bij; de Koreaan is in tegenstelling van zijn buurman den Japanner,
van nature afkeerig van water en heeft daarbij een bijzonder sterk
ontwikkeld preutschheidsgevoel.

Wanneer hij zich eens een enkele maal aan een bad waagt (meer dan
driemaal per jaar baden is ongekende luxe in Korea), dan geschiedt
dit in 't donker, opdat niemand 't zien zal. Het gezicht van een
onbedekt lichaam wekt zijn ergernis en 't is menigmaal gebeurd dat
een onschuldige Japanner, die volgens de gewoonte van zijn land zijn
dagelijksch bad aan den kant van den weg nam, met steenen geworpen
werd.



De bevolking van Fusan bestaat hoofdzakelijk uit visschers en
handelaren; de eerste wonen in 't lage gedeelte aan 't strand in
hutten van stroo; hooger op gelegen bevinden zich de winkels en
steenen huizen van de handelaren.

Er wordt een levendige handel gedreven in visch, die in groote
verscheidenheid het hoofdbestanddeel uitmaakt van een Koreaanschen
maaltijd. Hoewel de Koreanen Boeddhisten zijn, en 't gebruik van
vleesch voor hen dus niet geoorloofd is, volgen zij dit voorschrift
slechts in zoover dat zij geen runderen slachten.

Visch, hoenders en honden worden evenwel met smaak genuttigd. Van
de vischsoorten wordt de haai en de walvisch door 't visschervolk
en de minder gegoeden verbruikt. Daar beneden aan 't strand liggen
de visschersjonken, die hun vangst (een bruine massa in matten
gewikkeld die onwelriekende geuren opzendt van niet al te versche
visch) lossen. Met ijzeren haken trekt men de visch op 't strand,
dan wordt in reusachtige pannen de traan er uitgekookt en de rest
opgekocht door de restauratiehouders. Aan weerszijden van den hoofdweg
bevinden zich die gelegenheden waar men een overzicht krijgt van wat
een Koreaansche spijslijst al zoo bevat.

In rijen hangen de gerookte en gebraden hondenboutjes aan den ingang,
om de liefhebbers te lokken.

Stilstaande voor zulk een gaarkeuken, kunnen wij juist zien hoe een
Koreaansche juffer bezig is, van hondenvet, geklopte eieren en fijn
gehakt knoflook een "ommelette aux fines herbes" te bereiden, die
't gehemelte van een Koreaanschen fijnproever mag streelen, maar een
Europeaan kippenvel bezorgt.

Ook haaienvleesch behoort tot de lekkernijen, getuige de talrijke
verkoopsters, die heel geduldig achter haar uitstalling zitten te
wachten op hongerige klanten. 't Vleesch is bijzonder grof, taai en
grillig van vorm. Af en toe houdt een voorbijganger stil, snijdt
of trekt een stuk van de bruine vleeschmassa en verorbert het met
zichtbaar genoegen. Kleine peuzels schijnen 't ook al te waardeeren;
zij leggen hun snoepcent (hier een kleine koperen munt met een vierkant
gat in 't midden) op 't uitstaltafeltje en krijgen daarvoor eenige
vierkante blokjes haaienvleesch dat zij behandelen als een trekbrok.

Al die onwelriekende geuren doen ons verlangen naar een plekje waar
men ze ontvlieden kan, en dat hebben wij gevonden toen wij onze
schreden wendden naar 't japansche theehuis boven op den heuvel,
omringd door eerwaardige knoestige pijnboomen. Daar lachten de heldere
vloermatten ons tegen en brachten de vlugge lachende theehuismeisjes
ons een eenvoudigen maaltijd, en zoo vergaten wij voor een oogenblik
de patriarchale gestalten die zich daar beneden te goed deden aan
haaienvleesch.

Tegen den middag verliet de Genkai-Maru de baai van Fusan, zette
eerst in zuid-westelijke richting koers en wendde den steven naar 't
Noorden toen wij het eiland Quelpart gepasseerd waren. 't Was heerlijk
helder voorjaarsweer, de zee was spiegelglad; in de verte hadden wij
nu en dan aardige kijkjes op de grillige kustlijn van Korea met de
duizenden miniatuur-eilandjes die, als groene stippen, met losse hand
over 't oppervlak van de zee schenen uitgestrooid te zijn.

Er is weinig verkeer op zee: slechts enkele visschersjonken en hier
en daar een rookkolom van een kuststoomer; dat is alles.

Twee volle dagen duurt de overtocht van Fusan naar Chemulpo, de
havenplaats van Seoul, de hoofdstad van 't rijk.

Hoe meer wij Chemulpo naderen des te dichter wordt de lucht. Spoedig
zijn wij in zulk een zwaren mist gehuld dat 't een poos slechts met
halve kracht gaat, terwijl de sirene hartverscheurende klaagtonen doet
hooren; dan weer gaat de kapitein voor anker, wachtend tot de mist
zal optrekken. Eindelijk liggen wij stil in 't gezicht van Chemulpo,
of liever niet in 't gezicht, want nog onttrekt de mist alles aan
ons oog. Slechts de bruine kleur van 't water verraadt de nabijheid
van land. Door de zware deining, alsook door 't tij, dat hier een
verval van ± 30 voet heeft, moet het schip eenige mijlen van de
kust blijven. Eerst tegen den middag wordt 't hoog water; de mist
is opgetrokken en de landing wordt mogelijk. Op breede platboomde
vrachtschuiten wordt de bagage opgestapeld; de eigenaars nemen er
bovenop plaats en staande roeien eenige stevige Koreanen ons tegen
de hooge golven naar wal.

Chemulpo heet in 't Chineesch Jinsen en is een brandnieuwe plaats. Toen
Korea nog in een dichten sluier van mysterieuse afzondering van de
buitenwereld was afgescheiden, bestond de plaats uit een twintigtal
visschershutten. De eenige voeling met het naburig Japan en China
had plaats door Fusan in 't Zuiden, en in 't Noorden over land over
de Yalu-rivier. Zeer geschikt is Chemulpo voor havenplaats niet, de
kust is modderig en ondiep; het verschil van 't tij zeer groot; door
zijn onbeschutte ligging is er veel deining. Toch is er veel drukte
en verkeer, een zeer gemengde menschenmassa bewoont het Europeesche
gedeelte. Handelskantoren, vlaggen van diverse nationaliteit, wapperend
van de consulaatsgebouwen, groote pakhuizen afgewisseld met villa's,
geven een levendig maar banaal aanzien aan 't plaatsje.

Nadat een groot aantal Koreaansche vrachtdragers, die zich
onderscheiden door hun forschen lichaamsbouw, onze bagage op houten
dragers hebben geladen en met hun vracht op den rug wegloopen alsof
die niets weegt, hebben wij ons vereenigd aan 't station van den trein
die ons naar Seoul, de hoofdstad van 't rijk, zal voeren. Tot onze
groote verwondering bemerken wij dat deze onlangs eerst voltooide
lijn wagons laat loopen, die aan alle eischen van comfort eigen aan
Amerikaansche treinen voldoen. Conducteur, stoker en controleur zijn
Japanners. De Japanners wisten zich meester te maken van de eerste
spoorweg-concessie in Korea. In anderhalf uur heeft deze trein ons
naar Seoul gebracht, door een heuvelachtige streek zonder geboomte
en waarvan de bodem uit roode klei bestaat.

Er is maar één hotel te Seoul. 't Heet Station Hotel, wordt door
Engelschen gehouden, is zeer primitief van bouw en inrichting, maar
men behoeft er de nationale onzindelijkheid niet te vreezen.

We hebben door toedoen van den Duitschen consul een Koreaanschen
gids gevonden, die al spoedig in zijn krakend wit graslinnen gewaad
glimlachend maar plechtig komt opdagen. Hij stelt zich voor als
Mr. Pak-ki-ho en spreekt vrij goed Engelsch.

Voorts vonden wij hier een Chineeschen bediende, dien de Hollandsche
consul te Tientsin op ons verzoek hierheen had gestuurd, ten einde ons
op de reis door Korea en China te vergezellen. Chang, zoo heette hij,
maakte een even gunstigen indruk als de gids; reeds bij den eersten
oogopslag bespeurt men dat hij in zoover geen nationaal karakter
draagt dat zijn oogen geen spleetjes zijn, dat zijn staart geen grauw
vettig spoor op zijn blauw katoenen japon achterlaat, en dat hij vlug
in zijn bewegingen is.

Chang is ons op deze reis steeds van veel nut geweest. Wel verstond
hij geen Koreaansch, maar hij kon zich toch altijd verstaanbaar maken
door de Chineesche letterteekens neer te schrijven, die eveneens door
de Koreanen gebruikt worden, al is de klank geheel verschillend.

Begeleid door den gids hebben we ons op weg begeven om de
merkwaardigheden van Seoul te gaan zien. 't Vervoermiddel is de
Japansche riksha, die over de zee zijn weg naar Seoul heeft gevonden,
maar waarvan het gebruik beperkt blijft tot de vreemdelingen.

Onze eerste gang was naar den Duitschen consul, ten einde de geschreven
toegangsbewijzen tot de Keizerlijke paleizen te verkrijgen. Toen deed
zich een kleine moeilijkheid voor. Onze nationaliteit scheen geheel
onbekend te zijn in Seoul. Er is noch consulaat noch vertegenwoordiger,
en vergeefs zoekt men de Nederlandsche driekleur. Nederland bestaat
niet voor de Koreanen. Vervlogen zijn de tijden waarop de dappere
zeevaarders den aardbol doorkruisten naar alle richtingen; de namen
van Hendrik Hamel en zijn kameraden zijn klanken die verstierven
in den loop der tijden. Geen Nederlandsch onderdaan toeft in Korea,
't is alles in 't verre verleden.

De Duitsche consul heeft ons toen maar tijdelijk van nationaliteit
laten veranderen en ons den steun van de Duitsche vlag aangeboden;
op die voorwaarde kregen wij de toegangsbewijzen.

Een wandeling door de straten van Seoul behoort wel tot de
voornaamste der bezienswaardigheden want hier ziet men het volk in
zijn eigenaardige kleeding en in zijn levenswijze.

Liefhebbers en onderzoekers van ethnografische eigenaardigheden zouden
zich kunnen verdiepen in de oplossing der vraag: "Waarom dragen de
Koreanen wit katoenen kleeren?"

Wit katoen in den zomer, wit katoen met watten gevoerd in de
buitengewoon strenge winterkou, wit katoen te midden van een bij
uitstek onzindelijke omgeving, wit katoen, een kostbare dracht voor
een volk, waar welgesteldheid even zeldzaam is als energie.

Een Engelsch schrijver zegt te meenen dat de Koreanen vasthouden aan
't dragen van witte kleeren ten einde bezigheid te verschaffen aan
de vrouwen en meisjes, wier plicht 't is, de garderobe van hun heer
en meester in de gewenschte tint te houden.

Onophoudelijk klinkt uit de woningen 't geklop van de houten hamers
waarmede zij 't wit katoen bewerken, ten einde het te reinigen en er
een zekeren glans aan te geven, die een kenmerk van chique voor den
drager is.

De kleeding bestaat uit een tot op de enkels afhangende wijde pofbroek,
daarover een lang gewaad met mouwen die van onder zoo wijd uitloopen,
dat men aan weerszijden een diepe split heeft; dikke gewatteerde
wit katoenen kousen en chineesche schoenen op bijzonder dikke zachte
zolen voltooien deze mannenkleedij.

Merkwaardig is 't dat de kleederen niet genaaid worden, maar
telkenmale, na gewasschen te zijn, met stijfsel op de naden in elkaar
worden gezet.

De aristocraat of Nyang-pan, alsook de beambte, draagt hierover een
overkleed van donkerblauw gaas (zonder mouwen); op de borst draagt hij
het teeken van zijn waardigheid, een vierkant lapje waarop een vogel
of een tijger geborduurd is, al naar zijn rang; een koord wordt om 't
lijf onder de armen bevestigd. Jongens, voor zoover zij den leeftijd
van 14 jaar niet bereikt hebben, ziet men gewoonlijk voor meisjes
aan. Over hun witte kleedij dragen zij een lange japon van lichtrose
katoen, het haar wordt van voren in een scheiding, van achter in een
op den rug hangende vlecht gedragen.

Op hun tiende of twaalfde jaar verloven zij zich, d. i. zij volgen
gehoorzaam den wil hunner ouders, die een meisje voor hen uitkiezen
zonder rekening te houden met genegenheid. Deze verlovingen duren
meestal eenige jaren, gedurende welke de jongeling met zijn rose
japon moet blijven rondloopen: 't haar wordt dan echter in een
wrong op het achterhoofd bevestigd; een breede hoed van wit stroo,
met hoogen smallen bol en breeden slappen rand wordt, achterover op
't hoofd gedragen, onder de kin met linten en een strik bevestigd. En
werkelijk, aldus uitgedost zou men met een gerust geweten kunnen
verklaren een lief meisjesfiguurtje voor zich te hebben.

Op hun 14de jaar treden zij in 't huwelijk. De witte hoed wordt
vervangen door een zwarte dito vorm van gevlochten paardenhaar:
een breede band van dezelfde grondstof omsluit voor- en achterhoofd,
de hoed rust op dien band.

De kleeding der vrouwen is minder sierlijk. Zij dragen dezelfde
wijde broek en gewatteerde kousen, verder een heel kort jakje, dat ik
't best vergelijken kan bij een bolero-jakje. Aan een breeden band
hangt een wijde rok in zware plooien; tusschen dien band en 't jakje
blijft de borst zichtbaar. Het haar wordt in een gladde scheiding en
in een wrong gedragen.

Vrouwen uit den gegoeden stand slaan een langen groenen mantel met
valsche mouwen over 't hoofd, zoodat het gelaat gedeeltelijk bedekt is.

Hoewel in Korea het aantal der mannen dat der vrouwen overtreft,
worden de vrouwen weinig in eere gehouden. Men ziet ze zelden,
want zij missen de vrijheid van zich te bewegen die de Japansche
vrouw geniet. Alleen 's avonds komen zij uit 't vrouwenverblijf,
dat een afzonderlijk deel der woning uitmaakt, en dan nog hebben zij
't gelaat bedekt. Natuurlijk geldt deze regel sterker voor de meer
gegoede burgervrouwen en de aristocratische dames.

Meisjes worden in strenge afzondering opgevoed, zoodra zij den leeftijd
zijn ontgroeid waarop zij met de kleine jongens in de modderpoelen
en op de straten spelen en heel weinig of geen kleeren dragen.

Van hun achtste jaar tot den dag van hun huwelijk slijten zij hun
leven meest binnenshuis. Zelden bezoeken zij scholen, maar zij krijgen
onderwijs in naaldwerk en in huishoudelijken arbeid.

Men kan de Koreaansche vrouw niet schoon, zelfs niet knap van
uiterlijk noemen.

De mannen daarentegen zijn in dat opzicht gunstiger bedeeld,
zij hebben fraaie ovale gezichten, geregelde trekken, sprekende,
verstandige oogen; het geheel maakt een beschaafden indruk.

Eigenaardig verschijnsel; bij hun naburen is het juist andersom,
daar is geen grooter verschil denkbaar dan tusschen een Japanner en
een bekoorlijke Japansche.

Meer nog dan de kleeding trekt het hoofddeksel onze aandacht. Daar
is geen land ter wereld waar de hoed zulk een belangrijke rol speelt
dan in Korea. Hoe rijk aan phantasie moeten de Koreanen reeds van
oudsher geweest zijn om zulk een verscheidenheid van hoofddeksels
uit te denken!

Al de grillige vormen die vrouw Mode Europeesche vrouwen voorschreef,
men vindt ze in Korea, en al is 't een voorrecht van de mannen om
die hoeden te dragen (de Koreaansche vrouw heeft geen hoofddeksel),
vrouw Mode heerscht er niet minder streng, al is ze uiterst
conservatief. Voor elken rang, voor iedere betrekking, voor elke
periode van 't leven is een afzonderlijke vorm voorgeschreven.

De mapu's of marskramers, die een afzonderlijk gild vormen en veel
macht uitoefenen, dragen een breeden hoed van lichtgeel stroo, aan
weerszijden versierd met een reusachtige pompon van witte wol.

Oude mannen ziet men met een muts van wit katoen, die in vorm overeen
komt met de kwartiermuts onzer soldaten.

Den rouwdragende kan men terstond herkennen aan zijn hoed. Deze heeft
den vorm van een reusachtige champignon, is van geel stroo en bedekt
bijna geheel en al 't gelaat.

De man draagt een soort pij van grof grijs linnen, met een koord om
't middel bevestigd. In de hand houdt hij een schermpje van linnen op
twee latjes gespannen, hetwelk hij voor den mond moet houden telkens
wanneer hij iemand ontmoet. Monniken dragen een rieten hoed met
achthoekigen rand en puntige bol, nonnen een lang peperhuisvormig
voorwerp van riet. De postbode, die thans de europeesche uniform
draagt, heeft nog zijn nationaal hoofddeksel behouden en maakt daardoor
een allergrappigsten indruk. Hij geeft wat zijn hoed aangaat een
getrouwe copie weer van August den Domme; zijn rond vilten hoedje
met smallen rand hangt heel losjes achterover op één oor, alsof hij
er juist kunsten mee gaat uithalen.

Hoe hooger de rang en betrekking zijn, des te sierlijker en bonter
worden de hoeden. Z. Majesteits lakeien dragen den hoed eveneens
heel losjes op één oor, en als men nagaat dat die van wit stroo is,
versierd met een enorme bos kunstbloemen in schelle, onnatuurlijke
kleuren, dan kan men zich voorstellen welk een vreemde vertooning
zulk een dienaar maakt.

Hoogere beambten dragen denzelfden vorm, maar de versiering bestaat
uit gekleurde struisveeren, en in plaats van linten bevestigt een
snoer van reusachtige, amberkleurige steenen dezen hoed onder de kin.

De Gouverneur van een provincie torst een mijter van verguld
bordpapier, ministers doen denken aan een Doge wat betreft hun
hoofdbedekking. Z. M. de Keizer en degenen die hem verwant zijn dragen
een constructie van gaas in den vorm van een kalotje, aan weerszijden
waarvan een langwerpige vlerk van gaas is aangebracht.

De candidaat voor een staatsexamen eindelijk kiest een combinatie
van ijzerdraad in cirkelvorm, waaraan rosetten van gekleurde zijde
zijn bevestigd, welke cirkels als de voelhorens van een sprinkhaan
uitsteken.

En als men dan ziet hoe al die patriarchale gestalten met een
voorname ernst op 't gelaat voorbijtrekken, in 't volle bewustzijn
van hun waardigheid, dan wordt men des te meer getroffen door
't tragisch-comische van de vertooning; maar tegelijkertijd bevangt
iemand toch een gevoel van ontzag tegenover de macht der traditie,
tegenover die menschen, die met zooveel naïve overtuiging hun
potsierlijke hoofddeksels in eere houden, omdat hun voorouders die
droegen en omdat het de dracht van hun land is.

Er zijn in Seoul drie hoofdstraten waaraan de paleizen zijn
gelegen. Deze straten, die ongeveer 60 meter breed zijn, vertoonen
een poging tot rioleering in den vorm van goten waarin varkens,
honden en kleine kinderen elkaar 't verblijf betwisten.

Deze hoofdstraten loopen uit op de paleizen en op den tempel van
Confucius aan de noordzijde der stad; een andere belangrijke straat
begint bij de zuidoostelijke poort, vormt een boog en sluit zich bij
den hoofdweg aan.

Het overige is een doolhof van straten en steegjes van allerlei
soort, rechtstreeks of door bruggetjes zonder leuning verbonden,
die over beekjes, kanaaltjes en slooten zijn gelegd. Naar gelang van
't jaargetijde zijn deze droog of treden buiten de oevers.

Door Seoul loopt ook, van 't Westen naar 't Oosten, een groot
hoofdkanaal dat naar de rivier de Hankiang al 't water geleidt van
de kleine riviertjes die van de bergen komen.

De hoofdstraten en groote wegen zijn hier evenals te Peking ingericht
tot permanente markt. Ze staan zoo vol stalletjes (meest van hout
met strooien dak), gaarkeukens en uitstallingen, dat er juist genoeg
ruimte overblijft voor twee personen naast elkaar.

Slechts als de Keizer in gala de stad doortrekt, ten einde op bepaalde
dagen van 't jaar een graf of tempel te bezoeken, worden zij opgeruimd,
maar onmiddellijk daarna weer opgezet.

De hoofdstad is in vele wijken verdeeld, waarbij de oude en de
nieuwe keizerlijke paleizen, die geheel met muren zijn omringd en
een groote uitgestrektheid beslaan, een afzonderlijke stad in de stad
vormen. Verder is er een wijk voor de aristocratie, een Japansche en
een Chineesche wijk; de buitenlandsche gezantschappen hebben zich voor
't meerendeel in een wijk dicht bij 't paleis vereenigd.

De fabrikanten en handelaren sluiten zich meestal vaksgewijze aaneen;
men heeft een straat der wevers, der timmerlieden, meubelmakers,
aardewerkfabrikanten, alsook de winkelstraten waar zijde, katoen,
papier, bontwerken en ginseng [1] onder de voornaamste handelsartikelen
gerekend kunnen worden.

Voertuigen zijn er in Seoul niet, behalve enkele karren, die evenals
de riksha's in gebruik zijn gekomen toen de Europeanen zich in Seoul
vestigden. Enorme ossen doen daarvoor dienst. Die prachtige dieren,
die goed onderhouden, bijzonder forsch van gestalte en zeer mak
zijn, torsen omvangrijke vrachten en stappen deftig achter elkaar
voort tusschen de dicht opeengepakte menigte op de markt. Meestal
vervoeren zij takkebossen, en dan is hun vracht zoo groot dat men
't dier zelf ternauwernood ontdekt. Verder doen paardjes en ezeltjes
dienst als lastdragers.

De paardjes maken een treurig figuur. Ze lijken wel dwergpaardjes zoo
klein en tenger zijn ze; men kan zien dat er voor hen geen spoor van
verzorging bestaat, hun vel is ruw en haveloos, de manen zijn ruig
en vuil; bijna zonder uitzondering zijn zij kreupel of gewond.

Toch schijnen zij nog den noodigen levenslust te bezitten, want 't
meerendeel draagt een muilkorf van riet, en zoo er kans toe bestaat
bijten en schoppen zij elkaar dat 't een lust is om te zien.

Daar de Koreanen bij uitstek slechte ruiters zijn en 't paard steeds
door eenige voetgangers vergezeld is, draaft of galoppeert het hoogst
zelden. In stap kan het echter met een zware vracht verre afstanden
afleggen zonder een spoor van vermoeidheid te vertoonen.

Op de wijze waarop een Koreaan zijn paard verzorgt, zouden wij
Europeanen zeker heel wat aan te merken hebben, want ik geloof niet
dat een Europeesch paard het zich rustig zou laten welgevallen dat
men hem op zijn rug legde en de vier beenen vastbond, als hij beslagen
moet worden.

Evenmin geloof ik dat een westersch rosinant een bak met dampende
gekookte boonen en gehakt stroo als dagelijksch voedsel zou
waardeeren. Een en ander is gewoonte.

Eerst onlangs is de electrische tram het aantal vervoermiddelen
in Seoul komen vermeerderen en tegelijkertijd wordt de stad met
electrische lampen verlicht. 't Is een hoogst eigenaardig gezicht
die electriciteit als licht en beweegkracht in die eeuwenoude stad
met zijn lage hutten en modderpoelen, en nog eigenaardiger is 't, de
patriarchale gestalten recht op te zien zitten in de heldere nieuwe
wagons. Door 't aanleggen van de tram is gebroken met het oude gebruik
van 't sluiten der stadspoorten bij zonsondergang, terwijl de sleutels
op 't Paleis werden bewaard. Thans rijdt er de tram tot laat in den
avond doorheen, en verder blijven ze open.

Mr. Pak-ki-ho heeft ons gebracht naar 't eenig product op 't gebied van
beeldhouwkunst. 't Is een wit marmeren pagode, die door den invloed
van den tijd een grauwgrijze tint heeft aangenomen en wier ouderdom
op 800 jaar wordt geschat.

Die pagode bestaat uit acht verdiepingen, die den boeddhistischen
hemel voorstellen en de opeenvolgende verhuizingen die de ziel
moet doorloopen, voor zij haar geheele zuiverheid heeft bereikt. Dit
kunstwerk van indo-koreaanschen bouwstijl werd 300 jaar geleden tijdens
een van de invallen van 't Japansche leger door de Japanners vernield,
de top is afgebroken en ligt er naast.

Rondom deze pagode bevinden zich eenige gedenksteenen in den vorm
van een reuzenschildpad van steen, die op zijn rug een langwerpigen
rechtopstaanden steen draagt. Op dezen steen zijn namen en titels
van den overledene gebeiteld (zonder dat die op deze plek begraven
ligt). Dikwijls ook wordt een heldenfeit, een belangrijke overwinning
of een gewichtige gebeurtenis aldus aan de vergetelheid ontrukt.

Even buiten de stadspoort vindt men een dergelijke schildpad opgericht
als gedenkteeken aan de erkenning van de suzereiniteit van den
Manschoe-vorst, toen deze, na den laatsten telg der Ming-dynastie
van den Chineeschen troon te hebben gestooten, zich evenals zijn
voorganger van Korea's schatplichtigheid overtuigde door gezanten
naar Seoul te zenden.

In 't noordoosten van Seoul heeft men voor Confucius een tempel
opgericht. Hoewel deze de vergelijking met een Japanschen
tempel moeilijk zou kunnen doorstaan, behoort hij mede tot de
bezienswaardigheden der hoofdstad.

Bijzonder van vorm is de poort voor het tempelgebouw, waarop van boven
tal van roode pijlen zijn aangebracht, waaraan de poort dan ook zijn
naam ontleent.

Het bovengenoemde, benevens een monsterachtig, meer dan levensgroot
beeld van Boeddha, in witte verf aangebracht op een reusachtig rotsblok
buiten Seoul, behoort tot de merkwaardigheden die in 't bereik van
een gewoon toerist vallen.

Maar 't toeval is ons gunstig geweest in dit opzicht. Op een morgen
door nauwe steegjes rijdend, waar onze riksha's door een oploop
van menschen tot staan werden gebracht, bemerkten wij dat er iets
bijzonders gaande was.

Al die nieuwsgierigen verdrongen zich voor een poort, waar een
schildwacht in Europeesch kostuum, 't geweer in den arm, op post
stond. Mr. Pak-ki-ho, geïnterpelleerd, vertelt dat heden oefening
wordt gehouden in de keizerlijke dansacademie door alle danseressen
uit 't land, want dat er over twee maanden een luisterrijk feest ten
paleize zal plaats hebben. Hij zegt dat die gelegenheid niet voor geld
te zien is, dat er ook geen sprake kan zijn van doordringen om toegang
te krijgen, want dat Zijn Excellentie de Minister van Binnenlandsche
Zaken in persoon aanwezig is.

De schildwacht heeft zich bij 't zien van 't Europeesche gezelschap
schrap gezet. Gedurende de beraadslaging gaat hij midden in de poort
staan met een beslisten trek op zijn gelaat; hij houdt zijn geweer
horizontaal voor zich uit, alsof hij daarmede te kennen wil geven
dat een onoverkomelijke slagboom den toegang verspert.

Na lang praten schijnt Mr. Pak-ki-ho op een verstandigen inval te zijn
gekomen. Hij vraagt naar de positie van de heeren van ons gezelschap;
die van den jongen Duitschen handelsman maakt weinig indruk op hem,
maar bij 't vernemen van den rang der beide officieren klaart zijn
gezicht op. Hij beweert dat Zijne Majesteit de Keizer en 't geheele
hof veel eerbied hebben voor alles wat militair is, vraagt hun
visitekaartjes, voert een levendig gesprek met den schildwacht en
ziet!... de man glimlacht, zet zijn geweer in een hoekje en verdwijnt
met de kaartjes.

't Duurt weer een heelen tijd eer hij terugkeert, maar al spoedig
bemerken wij dat de beraadslaging goede resultaten meebrengt. Na
een plechtige buiging voor den gids en eenige woorden, maakt hij met
zijn hand een uitnoodigend gebaar om binnen te treden. Dan vat hij
zijn geweer op, trekt zijn gelaat in een ernstige plooi, presenteert
't geweer en blijft zoo staan totdat wij hem allen voorbij zijn gegaan.

Terwijl wij een ruime binnenplaats over wandelen vertelt Mr. Pak-ki-ho
dat het Zijne Excellentie behaagd heeft de Duitsche officieren met hun
gevolg (dat zijn wij) uit te noodigen tot het bijwonen der oefening.

Aan den ingang van een langwerpig gebouw zonder verdieping staan
een menigte hofbeambten in krakende, licht gekleurde zijden gewaden;
plechtig buigend geleiden zij ons naar binnen en daar bevinden wij
ons in tegenwoordigheid van den minister in persoon. Hij lijkt ons
een man van 50 jaren, met een deftig, eerwaardig uiterlijk en kalme
gedistingeerde manieren.

't Voorafgaand ceremonieel bestaat uit een paar buigingen, waarna wij
beurtelings door den gids worden voorgesteld. Opmerkelijk was 't dat
men hier, evenals elders in 't Oosten, den heeren den voorrang gaf.

Toen hield de Hauptmann een duitsche speech, die in 't Engelsch aan
den gids werd overgebracht en door dezen in 't Koreaansch den minister
bereikte. Hij had dien glimlachend plechtig met 't hoofd knikkend
aangehoord en antwoordde toen met plechtig uitgesproken zinnen en
breed handgebaar.

Langs denzelfden weg bereikte ons dit antwoord; nog een paar buigingen,
een levendig gebarenspel als uitnoodiging om te gaan zitten, en
eindelijk konden wij onze omgeving opnemen terwijl de gestoorde dans
hervat wordt.

De danseressen of kissangs zijn onafscheidelijk verbonden aan een
Koreaansch feest. Zij vormen een afzonderlijke, zij 't dan ook niet
bijzonder geziene klasse in Korea, behooren aan den Keizer, staan
onder toezicht van de muziek-afdeeling van 't keizerlijk huis en
worden uit de staatskas onderhouden.

Evenals het meermalen gebeurt dat een vader die met meer kinderen
gezegend is dan zijn middelen kunnen onderhouden, een zijner zoons
tot eunuch bestemt, in welke betrekking hem allerlei onderscheidingen
wachten, want de invloed der eunuchen is zeer groot aan 't hof,
evenzoo komt het voor dat hij een zijner dochters voor 't vak van
kissang bestemt.

Die meisjes worden reeds van kindsbeen af opgeleid voor hun
beroep. Zij ontvangen onderwijs in muziek, lezen, schrijven en
vrouwelijke handwerken.

Daar zulke meisjes goed onderricht zijn, aangenaam kunnen converseeren,
veelal zelfs geestig en onderhoudend zijn, daarenboven in hun omgang
met mannen vrij en ongedwongen, wordt hun gezelschap zeer gezocht en
bewegen zij zich in de hoogste kringen.

In 't geheel zijn er ongeveer vijftig kissangs die door den staat
onderhouden worden; die van Pyen-Yang, de noordelijke hoofdstad der
provincie, heeten de schoonste te zijn; wel bestaan er op kleinere
plaatsen gezelschappen van particuliere kissangs, maar hun aantal is
niet groot en zij zijn minder gezien.

De staatsdanseressen onderhouden bij alle hoffeesten en officieele
feestmaaltijden de gasten door gezang en dans.

Deze meisjes zijn meestal knap van uiterlijk, sommige zelfs zeer
schoon, 't geen men in 't algemeen niet zeggen kan van de vrouwen
in Korea.

't Gebeurt dan ook dikwijls dat de een of andere beambte zijn hart
aan een kissang verliest. De wet verbiedt evenwel 't huwelijk met een
danseres, zoodat zij slechts als bijvrouw naast de wettige vrouw een
plaats kan innemen. Natuurlijk is de rechtmatige echtgenoote daarover
niet zeer gesticht en komt het wel eens tot minder harmonische
botsingen tusschen beide vrouwen.

Maar over 't algemeen schikt de Koreaansche vrouw zich in 't
onvermijdelijke, want 't boek der Wijsheid van Confucius legt haar in
de eerste plaats den plicht van gehoorzamen op, en al is de polygamie
niet officieel erkend, geen Koreaan zal zich laten weerhouden er
zooveel vrouwen op na te houden als zijn middelen toestaan. De kinderen
van deze kissangs zijn meestal ontwikkeld en vlug, waardoor al weer
bewezen wordt dat groote mannen verstandige moeders hebben gehad.

Vele legenden en vertellingen verheerlijken de kissangs en talrijk
zijn de verhalen waarvan 't hoofdmotief de wanhoop van een jongen
man schildert die een kissang aanbidt en jammert dat hij haar niet
als wettige vrouw in zijn woning mag voeren.

't Orkest dat de kissangs bij 't dansen begeleidde, bestond uit
ongeveer 25 personen die fluiten, een soort liggende harp, guitaar en
een chineesche viool met twee snaren als ook trommelen bespelen. 't
Geheel klinkt harmonisch, maar op den langen duur wat eentonig.

Een eigenaardigheid merkte ik hierbij nog op. Terwijl men in de
Japansche toonladder een hyaat vindt (ik meen dat de derde en vijfde
toon ontbreken) waardoor de melodie onzamenhangend en de harmonie
telkens onderbroken wordt, treft de Koreaansche muziek door haar
overeenkomst met de Europeesche, 't geen men noch van de Chineesche
noch van de Japansche beweren kan. Daar was een klagende mineur
melodie, die in een compositie van Grieg niet misplaatst zou zijn,
en daar waren oogenblikken waarop men den aanhef van een symphonie
meende te hooren. Ook de dans staat hooger dan de Japansche, maar
niet zoo hoog als de Javaansche.

Elegant zonder burlesk te zijn, dan weer plechtig en toch niet
stijf, soms zelfs hartstochtelijk maar nooit wild, geeft zij een
weerspiegeling van de rijke phantasie van dit volk.

Gedurende de uren die wij er doorbrachten vloog de tijd om, en bij
elken nieuwen dans dachten wij aan den eenen die afgeloopen was en
dien wij nooit weer zouden zien.

De kleeding van de kissangs verschilt een weinig van de nationale. De
rok is van donkerblauw gaas, de plooien zijn zoo ruim dat dit
kleedingstuk als een wolk om de voeten van de danseres schijnt te
zweven. Niettegenstaande de dikke gewatteerde wit katoenen kousen
treffen ons de bijzonder sierlijke voetjes waarmede zij allerlei
kunstige passen uitvoeren.

Zij dragen het haar, van voren gescheiden, van achter in een wrong;
door kunstmiddelen heeft het een rosachtigen weerschijn gekregen die
niet zeer flatteus is. De wenkbrauwen zijn afgeschoren; overigens
onderscheiden zij zich van haar Chineesche en Japansche kunstzusters
doordat 't gelaat niet geblanket, de lippen niet geverfd zijn.

Zoodra ze zich opheffen van de matten waarop ze in een groep
geduldig hebben zitten wachten tot een nieuwe dans begint, zetten
zij hun danskapsel op, evenals men in Europa zijn hoed opzet. Dat
kapsel bestaat uit een hoeveelheid valsche vlechten, doorstoken met
zilveren en bloedkoralen haarspelden en heeft zulk een omvang dat
een presenteerblaadje met een theeservies er op zou kunnen plaats
vinden zonder gevaar van te vallen. Voor de uitvoering van den
zwaarddans wordt er bovendien nog een breedgerande roodfluweelen
hoed met gekleurde struisveeren en gouden kwasten op vastgehecht;
't geheel maakt een zeer zonderling effect.

Haar kleeding is in dezen dans van zwaar brocaat, de lange mouwen
worden opgestroopt, de plooien van den rok opgeslagen en dan beginnen
zij in sierlijke wendingen te dansen rondom de vier zwaarden die,
twee aan twee, kruiselings op den grond liggen.

Eerst langzaam, dan vlugger en vlugger zwieren zij om elkaar heen,
de muziek begeleidt hen met merkwaardige vastheid van tempo, een
van de muzikanten heeft een houten instrument in vorm gelijk aan 't
houten onderstel van een reuzenwaaier, waarmede hij een klapperend
geluid maakt om de maat te accentueeren. Dieper en dieper worden
de buigende, zwaaiende bewegingen en plotseling, zonder dat men 't
bemerkt, hebben zij elk een zwaard van den grond opgenomen en stellen
zich in twee rijen tegenover elkaar, terwijl zij met de zwaarden in
de hand allerlei figuren schijnen af te teekenen in de lucht.

Plotseling verstomt met één slag van het houten instrument 't geheele
orkest en de kissang knielt even neer, dan haast ze zich naar haar
hoekje terug en zet hoed en kapsel af.

Niet minder dan zestien klassieke en antieke dansen zagen wij dien
dag afspelen, doch die alle weer te geven zou te veel tijd en ruimte
in beslag nemen.

Zeer fraai is de "lotos dans".

In 't midden van 't vertrek wordt een reusachtige porceleinen bak
gezet, waarin een lotosbloem schijnbaar op het water drijft. Twee
danseressen, die ooievaars moeten voorstellen en lange witte
gewaden dragen, komen plechtig achter elkaar binnenstappen. Op 't
zelfde oogenblik ontdekken beide de schoone bloem en nu ontstaat er
ijverzucht. Zij draaien langzaam om elkaar heen, slaan met de vlerken
(lange afhangende mouwen), knikken al klapperend met de hoofden en
trachten steeds meer 't voorwerp van haar afgunst te naderen. Het
tempo wordt langzamer en men voelt dat de beide ooievaars iets in
hun schild voeren.

Steeds dichter naderen zij de lotosbloem en op 't oogenblik waarop
beide den kop over den rand steken ten einde haar te plukken, laat
de lotos haar bladeren vallen en verrijst plotseling een miniatuur
danseresje uit den porceleinen bak.

De voorstelling eindigt meestal met den drakendans.

Een houten getimmerte waarop twee draken zijn afgebeeld, die zich
elk om een paal slingeren en de geopende bekken tegen elkaar gericht
houden, zoodat er een ronde opening ontstaat, wordt in 't midden van
het vertrek geplaatst. Alle danseressen nemen aan deze dans deel,
die als 't ware een examen is, want zoo ooit dan bestaat hier de
gelegenheid, zich in lenigheid en sierlijkheid met elkaar te meten. Zij
vatten elkaar om 't middel, dansen in een kring zwevend en heupwiegend
er om heen, terwijl zij een zacht tweestemmig gezang laten hooren en
't orkest hen met zachte gedempte akkoorden begeleidt. Op een teeken
van den man met 't houten instrument stellen zij zich in twee rijen
achter elkaar.

De twee voorsten krijgen een bont gevlekten bal in de hand, waar aan
twee zijden kwasten zijn bevestigd. (De bal stelt een drakenei voor).

Met gracieuse armbuigingen maken zij de beweging van mikken, ten
einde ieder op haar beurt den bal door de opening te werpen (zij
staan tegenover elkaar aan weerszijden van 't houten gevaarte) en
elkaars bal op te vangen. De muziek vergezelt haar bewegingen met
steeds sneller wordend tempo. Geruimen tijd wordt de aandacht van
't publiek in spanning gehouden; telkenmale als men denkt dat zij
den bal zal werpen, bedaren plotseling haar bewegingen en begint
zij opnieuw te mikken. Zeer te bewonderen is hierbij de eenheid van
't orkest en de danseres.

Als 't haar gelukt is verstomt plotseling het orkest en de danseres
knielt neder terwijl zijn Excellentie haar tot belooning een
reusachtige papieren lotosbloem in 't kapsel steekt. Heeft zij echter
misgeworpen, dan maakt men haar, met een penseel met O. I. inkt een
zwarte streep op 't gelaat, hetgeen haar reputatie als kunstenares
niet verhoogt. Nu dansen zij weer hun rei en wordt 't werpen hervat
door de twee die op haar volgen.

Hebben zij allen haar beurt gehad, dan defileeren zij voor Zijne
Majesteit, die elk het traditioneele geschenk, een rol blauwe zijde,
overhandigd.



Nog waren wij in volle bewondering voor de sierlijke bewegingen van
de kissangs, toen hard en wreed een telephoonbel rinkelde.

Een telephoon in de sprookjeswereld van een Oostersch feest! 't Was
alsof men opeens met een schok terugviel in 't prozaïsche leven van
de twintigste eeuw!

't Was wreed, maar waar.

En die rinkelende telephoonbel bracht heel wat opschudding
te weeg. Want 't was een keizerlijke boodschap, waardoor de
tegenwoordigheid van Zijne Excellentie op 't paleis werd vereischt.

Plechtig rees hij dadelijk overeind en maakte zich gereed om te
vertrekken. Van alle kanten waren dienaren aangeschoten om hem te
helpen. Gesteund door twee van hen stond hij op. Terwijl deze hem onder
de armen vasthielden tilde een derde beurtelings zijn voeten op; een
politiedienaar stak er een paar hooge vilten laarzen aan, vervolgens
werd hem het gazen overkleed aangetrokken, een zijden koord om het
middel geknoopt en de plooien van het kleed afgetrokken, zooals men
dat bij kleine kinderen doet, wil 't jurkje netjes zitten. De hooge
baret van zwart gaas met de beide uitstekende vlerken werd hem op
't hoofd gezet.

Gedurende deze bezigheden had Zijne Excellentie zich laten begaan
alsof hij een levenlooze pop was, voortdurend speelde een welwillende
glimlach op zijn eerwaardig gelaat, dat zulk een vreemde tegenstelling
vertoonde met zijn hulpeloosheid.

Met een kort aanspraakje en een apathische beweging van een toegestoken
hand die hij willoos liet drukken, nam hij afscheid. Ondersteund
door de beide mannen strompelde hij naar de deur als een kind dat
pas leert loopen.

Buiten stond een kleine draagstoel met een puntig dakje en een
miniatuurraampje. Men geleidde hem tusschen de draaglatten, 't dakje
werd opgeslagen, twee politiedienaren namen eerbiedig buigend een slip
van 't gazen overkleed in de hand en een derde persoon, waarschijnlijk
iets hooger in rang, gaf hem een zetje, waardoor hij achterover in
den draagstoel tuimelde. Daar hij niet bij machte scheen zijn beenen
binnen boord te halen, deden de politiedienaren dit, 't deksel werd
dichtgeklapt, en onder 't uiten van een lang aangehouden kreet van
de dragers als teeken van vertrek, werd Zijne Excellentie plechtig
weggedragen als een kanarievogel in een kooi. Ziedaar een staaltje
van Koreaansche etiquette nauwkeurig beschreven en vervat in een
lijvig boekdeel, waarin de aristocraat trouw studeert.

De aristocraten, Nyang-pan geheeten, onderscheidt men van de ha-in
('t volk) door de vele voorrechten die hun zijn gegeven. Men verdeelt
de aristocraten in twee klassen, n.l. de militairen en de civiele
beambten. Zonder uitdrukkelijken last van den Keizer of van den
gouverneur der provincie waarin zij verblijf houden, kan tegen hen
geen bevel van inhechtenisneming worden uitgesproken, tenzij zij
verraad plegen. Zij hebben het recht niet alleen, maar den plicht de
geringste beleediging of tekortkoming in vormen te straffen en wraak
te nemen over hun vijanden. Maar tevens rust er een zware plicht van
ridderlijkheid op hen; in geen land heerscht 't "noblesse oblige"
sterker dan in Korea. En hoewel deze plicht door geen wet wordt
voorgeschreven, maar zuiver een sociale etiquette is geworden, toch
wordt die door den Koreaanschen aristocraat hoog gehouden.

De twee betrekkingen die voor hem openstaan, zijn de militaire en
de civiele; daarenboven mogen zij die van onderwijzer uitoefenen,
maar handenarbeid wordt onteerend geacht en doet hen terugzinken tot
de lagere klassen der maatschappij.

De hulpelooze wijze van zich te bewegen, waarvan de minister ons zulk
een duidelijke voorstelling gaf, noemt men den Nyang-pan-gang en geldt
als iets zeer voornaams, want de persoon in kwestie wil daarmede als
't ware te kennen geven dat zijn beenen niet in staat zijn 't gewicht
van zijn waardigheid te dragen; hij is steeds door zoovele dienaren
omringd, dat deze voor hem moeten loopen.

Wordt in plaats van den draagstoel 't rijpaard als vervoermiddel
gekozen, dan kan men genieten van 't verkwikkelijk schouwspel een
hooggeplaatst persoon in het zadel te zien tillen. Twee dienaren die
rechts en links van 't kleine paardje gaan, ondersteunen hem onder
de armen, twee andere houden de teugels van het paard vast.

Hoe dwaas zulk een vertooning in onze oogen lijkt, met den grootsten
ernst op 't gelaat beweegt zich de verwijfde edelman, en de dienaren
leggen een eerbiedige dienstvaardigheid aan den dag, een betere
zaak waardig.



Wenden wij thans onze schreden naar de keizerlijke paleizen. Er zijn
er zes, waaronder drie, die de moeite waard zijn om gezien te worden.

1. 't Oost-Paleis, dat ongeveer vier honderd jaar geleden gebouwd
en veertig jaar geleden verlaten werd. Het beslaat een kolossale
oppervlakte en heeft dertien poorten. 't Paleis zelf bestaat uit een
groot aantal gebouwen en paviljoens, omringd door een fraai park,
waar sierlijke bloemperken afwisselen met vijvers, heuvels met
bloeiende heesters bedekt een uitzicht geven over denneboschjes en
waterpartijen. Elk paviljoen, elke poort draagt een phantastischen
naam. Zoo komt men door de Koudwaterpoort naar 't Hemelsche Huis,
terwijl een eindje verder een Bloemenpoort naar den Vijver der Zoete
Droomen voert.

Door een kleine sierlijke poort komt men in het hoofdgebouw, dat de
door den Keizer bewoonde vertrekken bevat. Er is een afzonderlijk
gebouw dat voor den lijkdienst bestemd is. Het lijk van den overleden
vorst ligt daarin op een katafalk onder een zijden troonheuvel, totdat
het in een staat van volkomen ontbinding verkeert; onder de katafalk
is een opening aangebracht waardoor de vochten in den grond vloeien.

2. Het Noord-Paleis, dat grooter hoewel ouder is. 't Werd vijfhonderd
jaar geleden gebouwd en bevat onder meer de bekende troonzaal,
een imposant, op zich zelf staand gebouw, bestaande uit een enorme
zaal, hoog van dak en geheel ontdaan van meubels, behalve een
fraai uitgesneden troonzetel onder een zijden baldakijn, waarin het
Chineesche wapen in borduurwerk is aangebracht. Rondom dit gebouw
ligt een ruime hof met marmeren steenen bevloerd. Van af zijn zetel
kan de vorst bij officieele recepties zijn onderdanen overzien, die
in den hof volgens rang en stand gegroepeerd zijn; marmeren pilaren
duiden de plaats aan, welke zij volgens hun rang innemen.

Daarnaast ligt de lotoszaal, een gebouw op pilaren in een vijver met
lotosbloemen gebouwd.

Van de galerij heeft men een heerlijk uitzicht op 't gebergte rondom
Seoul. In deze zaal hield de Koningin namiddag-bijeenkomsten met de
dames der Europeesche gezanten, waarom zij het gebouw in zooverre
liet moderniseeren dat er electrisch licht en europeesche meubels
werden aangebracht.

3. Een eindje verder toont men ons de gebouwen en paviljoentjes
van 't Zomerpaleis, benevens 't verblijf der bedienden, waarheen
de ongelukkige vorstin vluchtte, maar ten slotte toch door de
samenzweerders (waaronder verscheidene Japanners) doodelijk gewond
werd.

De Keizer bewoont geen van deze verblijven. Hij voelt er zich niet
thuis, want 't woelt en gist in zijn land. Zijn besluiteloosheid
en gebrek aan moed doet hem een treurige rol spelen in zijn rijk;
hij is bang voor de Japanners, bang ook voor de intriges van zijn
familieleden en niet zonder reden, want gedurende zijn regeering
speelden aanslagen, doozen met vergiftigde bonbons en onverklaarbare
verdwijningen een groote rol.

Nu heeft hij zich, in een tijdelijke woning, onder bescherming gesteld
van de Russische vlag.

Li Hsi, Keizer van Korea (zijn Koreaansche naam was Mong Pok-i),
de acht-en-twintigste vorst van deze dynastie, volgde in 1864 als
twaalfjarige knaap een kinderloozen bloedverwant op. Hij wordt ons
geschilderd als een man met een beminnelijk karakter, aangename
manieren en een open oog voor alles wat Westersche beschaving en
ontwikkeling op elk gebied brengt. Maar 't meest kenmerkende aan
hem is zijn besluiteloosheid, apathie, gebrek aan zedelijken moed,
in één woord alles wat hem stempelt tot een zwak man.

Daar de Koreaansche monarchie absoluut en goddelijk is, 't leven
van de twintig millioen onderdanen zoowel als hun bezittingen zijn
eigendom zijn, kan men zich voorstellen welk een gemakkelijk werktuig
zulk een vorst is geworden in de handen van een bende gewetenlooze
hovelingen en bloedverwanten.

Toen de Keizer als Koning op den troon kwam, aanvaardde zijn vader
het regentschap onder den titel van Tai-Wen-Kun. Deze was een zeer
ontwikkeld en scherpzinnig man, maar tevens een wreed despoot, men
noemde hem "de man met het steenen hart en de ijzeren ingewanden."

Zelfs nadat zijn zoon in 1873 meerderjarig was verklaard en de teugels
van 't bewind in handen had genomen, bleef hij een grooten invloed
uitoefenen. Hij was een fel vreemdelingenhater, liet de Christenen
vervolgen, en weerde alle onderhandelingen met buitenlanders af.

Zijn ambitie overheerschte alle menschelijke gevoelens; zelfs smeedde
hij een complot, ten einde zijn zoon en diens echtgenoote te laten
vermoorden en zelf het bewind te voeren. Gelukkig mislukte dit,
maar daar hij steeds voortging de vijandige gezindheid tegen de
vreemdelingen aan te wakkeren, zoodat hierdoor onlusten ontstonden,
werd hij in 1884 door toedoen van Li-Hung-Chang, den Chineeschen
vice-koning die zijn invloed begon te vreezen, gevangen genomen en
naar Pao Ting Fu verbannen.

De zwakke besluitelooze Koreaansche vorst liet eenige jaren later den
zeven-en-zeventigjarigen grijsaard uit zijn ballingschap terugkeeren,
welke gunst deze vergold door een nieuwe samenzwering tegen zijn zoon
op touw te zetten in 1895. Deze wist te ontkomen, maar de ongelukkige
vorstin werd, na doodelijk gewond te zijn, met petroleum overgoten
en levend verbrand.

Zij was een energieke vrouw, en moest daarom uit den weg geruimd
worden; ook waren haar gevoelens in strijd met de politiek van den
ouden Tai-Wen-Kun, want vooruitstrevend als zij was, moedigde zij
den invloed der vreemdelingen aan.

Haar eenige zoon, Li Hsia de Kroonprins van Korea, is geboren in
1873. Zijn kundigheden zijn beneden 't middelmatige, het haremleven
en de hof-etiquette hebben een verwijfde ledepop van hem gemaakt;
daarenboven is hij kinderloos en zijn bestaan wordt van hoegenaamd
geen belang geacht.

Er zijn drie ministers van Staat, verder zijn er acht departementen,
nl. het ministerie der ambten en bedieningen, dat van financiën,
oorlog, justitie, openbare werken, eeredienst en ceremoniën,
buitenlandsche en binnenlandsche zaken.

Aan 't hoofd van elke provincie staat een gouverneur; verder zijn
er districtschefs, dan volgen de mandarijnen aan 't hoofd der
belangrijkste plaatsen en daarna burgemeesters van de kleinere
dorpen. Rondom elk van die dienaren is een gansche schare
ondergeschikte beambten gegroepeerd, edelen, paleisbewakers,
tempeldienaren, bewaarders van openbare gebouwen, spionnen enz.

Al die beambten, te zamen het administratief gezag vormend, zijn een
ware plaag voor 't volk. Zij oefenen een afpersingssysteem uit, waar
't volk niet alleen onder lijdt, maar dat om zoo te zeggen zijn gebrek
aan ijver en werklust verklaart.

Door de groote willekeur waarmede belastingen geheven, betrekkingen
gegeven en privileges gegund worden is bij den Koreaan alle energie
gedood. Vrijheid van gedachten, het uiten van persoonlijke meeningen
voeren den vermetele naar de gevangenis, waar hem meestal op afdoende
wijze 't zwijgen wordt opgelegd. Hij ziet het nuttelooze in van
goederen of geld verzamelen, want dat zou slechts dienen tot prooi
voor den belastinggaarder.

Terwijl de winkels die aan den Keizer behooren en door dezen verpacht
worden, opgepropt zijn met handelsproducten, wordt er weinig of geen
handel gedreven.

Groote uitgestrektheden land liggen braak, omdat er geen handen zijn
om ze te bewerken.

De koelie, die door zijn gezonde physiek in staat is zwaren arbeid
te verrichten, werkt juist zoolang totdat hij genoeg verdiend heeft
om eenige dagen te kunnen luieren en pijpjes rooken. Wien 't gelukt
is goederen of geld te verzamelen verbergt het; vandaar dat men in
Korea weinig onderscheid bemerkt tusschen woningen of kleeding van
rijk en arm.

Een eigen muntstelsel bezit Korea nog niet; zoowel de Japansche
Yen als de Mexicaansche en Chineesche dollar zijn er gangbaar. De
lijdensgeschiedenis van 't geknoei met pasmunt en de pogingen tot
't stichten van een eigen Munt is nog niet ten einde; in afwachting
daarvan levert de Munt te Osaka (Japan) zilver en kopergeld.

In- en uitvoerrechten zijn in handen van China. Sir Robert Hart en zijn
staf van Engelsche beambten die alle in Chineeschen dienst zijn, hebben
in de laatste jaren hun beste krachten aan de regeling daarvan gewijd.

Sinds onheuglijke tijden is China's macht groot geweest in Korea. Elk
jaar moest de vorst tot onder de poort buiten Seoul de chineesche
beambten te gemoet gaan, om de schatting aan te bieden, en het
voorschrift eischte dat hij zich voor hen in 't stof wierp en den
chineeschen groet, de kow-tow, maakte.

Li-Hung-Chang (zaliger) en Yuan-tschi-kai, de tegenwoordige gouverneur
van Tientsin, beide mannen die van zich lieten spreken door hun grooten
invloed op politiek en staatkundig gebied, hebben hun leerschool in
Korea doorgemaakt. In den Japansch-Chineeschen oorlog was de houding
van Korea ten gunste van China dan ook een steen des aanstoots
voor Japan.



In 't middaguur, als de schaduwen langer worden en de toppen van de
heuvels rondom Seoul nog in een laatsten gouden zonneschijn schitteren,
terwijl het dal en de lage grijze dakenvlakte reeds in een grauwen
sluier gehuld zijn, is het oogenblik gunstig om de onwelriekende dampen
van Seoul te ontvlieden en een tocht te maken langs den stadsmuur
over de kale heuvels. Dan eerst krijgt men een duidelijk overzicht
van de stad en van den steenen muur, die als een slang zich over de
heuveltoppen slingerend de stad in een wijden cirkel omvat. Ni Tayo,
de stichter van de regeerende dynastie, liet vijf eeuwen geleden
dezen muur bouwen en stichtte Seoul. Acht poorten, elk voorzien van
een paviljoen met twee verdiepingen, geven toegang tot de stad; zij
dragen elk een afzonderlijken symbolischen naam, zooals "De Poort van
de Verheven Menschheid", die van "Eerwaardige Ceremonie" en die van
"Schitterende Beminnelijkheid". Zoowel binnen als buiten dezen muur
strekken de woningen zich uit; tevens zijn er in de ommuurde ruimte
groote uitgestrektheden grond die onbebouwd blijven, waardoor Seoul
zelfs in haar muren nog genoeg ruimte heeft voor uitbreiding.

Langs een van de nederige woningen in een buitenwijk gaande, worden
wij getroffen door luid gejammer en geweeklaag. Een onderzoek brengt
aan 't licht, dat er iemand is overleden en de familieleden aan hun
droefheid lucht geven. Een zestal vrouwen zit in het halfduister van
het lage vertrek rondom het lijk bijeen en wedijvert in 't voortbrengen
van jammertonen.

In 't stervensuur heerscht er groote stilte in huis, want niemand mag
den geest hinderen wanneer hij 't lichaam verlaat; de Koreaan gelooft
n.l. dat een mensch drie zielen bezit, de eene is bij 't sterven
voor de onderwereld bestemd, waarheen zij door beambten van de tien
rechters der onderwereld gevoerd wordt, de tweede gaat mee in 't graf
en de derde zetelt in 't houten tabletje, dat ter gedachtenis van den
overledene gedurende geruimen tijd in huis wordt bewaard. Zoodra de
dood is ingetreden, wordt het lijk in nieuwe witte gewaden gehuld. Voor
de deur van 't sterfhuis plaatst men een tafeltje, waarop drie bordjes
met gekookte rijst en drie flesschen drank, alsook drie paar rieten
sandalen klaar staan voor de drie beambten. Een tweede tafeltje met
spijs en drank is voor den geest van den overledene bestemd. Als bewijs
dat de drie beambten er geweest zijn, werpt men spijs en drank weg
en verbrandt de sandalen. Dan eerst vangt het gejammer aan, dat bij
voorname lieden soms den geheelen nacht aanhoudt.

De dienaren dragen de kleederen van den overledene naar buiten,
schudden die eenige malen flink uit en roepen daarbij luid zijn
naam. De hoofdtreurende, meestal de oudste zoon, begeeft zich zoo snel
mogelijk naar een geomant of zandwaarzegger, ten einde een geschikte
begraafplaats te zoeken. De geomantie speelt een groote rol in 't
Koreaansche leven. 't Mysterieuse en phantastische vervuld zoozeer den
gedachtengang van dit volk, dat wij hen ternauwernood volgen kunnen,
zelden hen volkomen zullen begrijpen wanneer hun gedachten zich begeven
in 't rijk van sprookjes en legenden, waar 't wemelt van goede en kwade
geesten en de werkelijkheid zoodanig op den achtergrond is getreden dat
men de grens niet meer kan vaststellen. De geomantie is een kunst, die
in China en in Korea beoefend wordt en alleen in Oostersche landen kan
bestaan. Zij is gebaseerd op fictie en phantasie en wordt goed betaald.

De suggestie speelt er een groote rol in en de handige geomant,
die zijn klanten kent, leidt een gemakkelijk leventje.

Natuurlijk bestaan er boeken waarin de regels van 't vak vermeld
zijn; het voornaamste heet "'t Groote Hemelinstrument", dateert
uit de hooge oudheid en wordt als standaardwerk door de beoefenaars
bestudeerd. Dan volgen de practische oefeningen; daartoe doorkruist
de leermeester met zijn leerling den omtrek, ten einde het terrein
der werkzaamheden nauwkeurig op te nemen. De geomantie bepaalt zich
uitsluitend tot het zoeken van een geschikte begraafplaats.

Heeft hij, de waarzegger, de geschikte plaatsen goed in zich opgenomen
en er nauwkeurige aanteekeningen van gemaakt (met prijsopgave), dan
koopt hij zich een kompas, gradueert en vestigt zich als geomant. Hij
hangt een schild met 't opschrift "Tikuan", d. i. "Dokter der Aarde"
voor zijn woning en wacht de klanten af. Komt men hem een sterfgeval
berichten met 't verzoek een begraafplaats te zoeken, dan begeeft
hij zich onmiddellijk aan 't werk. Hij vergezelt den client naar zijn
woning, waar ook voor hem een gedekte tafel klaar staat.

Terwijl hij zich te goed doet, tracht hij op slinksche wijze door
vragen op de hoogte te komen van den financieelen toestand. Is
hij voldoende ingelicht, dan begeeft hij zich met zijn client in 't
gebergte en toont hem de genoteerde plaatsen, waarbij hij tracht door
lange redeneeringen de kostbaarste aan te prijzen. En zoozeer is de
vereering van de afgestorvenen in zwang, dat de zoon geen oogenblik
zal aarzelen zich groote geldelijke opofferingen te getroosten om
zijn vader een waardige begraafplaats te bezorgen. Want een zoon die
dit verzuimt, kan daardoor voor zijn geheele verdere leven ongelukkig
worden.

Aangenomen dat een geschikte plaats gevonden en men 't over den prijs
is eens geworden, vervolgt de geomant zijn werk door met een kompas
de juiste richting te bepalen.

Dat hangt hoofdzakelijk van de naaste omgeving af. Zijn andere graven
in de buurt, dan mogen die niet in één lijn staan met 't nieuwe
graf. Bij kostbare graven mag geen ander graf in de buurt zijn,
ja zelfs niet uit de verte zichtbaar zijn.

Dan bepaalt de geomant de afmetingen van 't graf, als ook de diepte
daarvan. Verder regelt hij de plaats die de familieleden innemen
bij de teraardebestelling, en waarbij steeds een zijde is waar de
hoofdtreurende onder geen omstandigheden mag staan, wil hij zich niet
de ongenade van den bergdraak op den hals halen.

Maar hoe zorgvuldig de begraafplaats is uitgekozen, en hoe nauwkeurig
alles volgens de voorgeschreven regels bepaald is, toch gebeurt het
dat de achtergeblevenen door allerlei rampen en tegenspoeden getroffen
worden, zonder dat daarvoor een verklaarbare reden gevonden wordt. Dan
wendt men zich wederom tot den geomant, die, zoodra hij bemerkt dat
er een voordeeltje aan verbonden kan zijn, allerlei nieuwe gebreken
aan de begraafplaats ontdekt.

Soms weet hij zelfs te ontdekken dat het lijk het graf verlaten heeft,
omdat de plaats niet geschikt was, en menigmaal wijst de geomant een
verborgen hoekje aan, waar men werkelijk 't vermiste lijk vindt.

Keeren wij nu tot de woning van den overledene terug. Op den door den
geomant bepaalden dag wordt het lijk in een houten kist gelegd. Tegen
't vallen van den avond zet de stoet zich in beweging; (begrafenissen
hebben in Korea nooit over dag plaats). Voorop eenige lantaarndragers,
die de lijkbaar onmiddellijk voorafgaan, daarachter de familieleden
in rouwgewaad, luide jammerend.

Nadat de begrafenis heeft plaats gevonden en de aarde tot een bolvormig
heuveltje is opgeworpen, vangt het ceremonieel van het offeren aan.

Kleine tafeltjes met schoteltjes rijst en kopjes met drank worden
op de door den geomant bestemde plaats neergezet. De familieleden
maken met 't aangezicht naar het graf gekeerd vijf diepe buigingen,
terwijl zij een spreuk mompelen en vrede en rust wenschen aan de
tweede ziel, die met 't lichaam in het graf blijft. In den omtrek van
't graf worden hier en daar dergelijke offertafeltjes geplaatst voor
den bergdraak; weer buigt men en prevelt gebeden tot den draak, met 't
verzoek zorgvuldig te waken over den afgestorvene. De derde ziel keert
met de treurenden naar huis en zetelt in 't gedenktabletje. Plechtig
plaatst men het op 't huisaltaar of wel in een afzonderlijk vertrek en
voorziet het van offeranden zooals wijn, gebak, vleesch en rijst. Eerst
nadat de geest van den overledene van spijs en drank voorzien is en
de huisgenooten om beurten buigingen voor hem hebben gemaakt, begeeft
men zich aan den gemeenschappelijken disch. Zulk een gedenktabletje
bestaat uit twee stukjes hout, die tegen elkaar aangelegd worden,
van binnen uitgehold zijn en van boven een kleine opening hebben,
waardoor de geest binnen kan komen.

Gedurende de drie voorgeschreven rouwjaren wordt dit tabletje in de
vrouwenvertrekken geborgen, later brengt men het bij de overige in een
tempel; is de familie niet rijk genoeg om een plaats in een tempel te
bezitten, dan pakt men het in een kistje bij overtollige zaken. De
lagere klassen uit 't volk herdenken aldus hun vader, grootvader en
overgrootvader; aristocraten en beambten gaan tot vier geslachten
terug; de Keizer vereert zijn voorouders tot in 't vijfde geslacht.

Hoe ingewikkeld en omslachtig het ceremonieel van een begrafenis reeds
moge zijn, de rouwtijd is een nog grootere nationale ramp voor 't
Koreaansche volk te noemen. Want zoo een vader sterft, moet de familie
gedurende drie volle jaren rouwen. In het voorgeschreven gewaad (een
soort van monnikspij van grof grauw zakkenlinnen, een koord om 't lijf
en een reusachtige strooien hoed op, die bijna geheel het gelaat en de
schouders bedekt) slijten de achtergebleven mannen hun tijd met niets
doen. Want zij worden als onreine wezens beschouwd. Gedurende dien tijd
is het verboden een tempel te betreden, een ambt te bekleeden, zich
in openbare bijeenkomsten te vertoonen en in 't huwelijk te treden.

Sterft de moeder na den vader, dan blijft de rouwtijd onveranderd. Maar
gaat zij haar man voor, dan rouwt men gedurende een jaar. Sterft echter
de grootvader kort na den vader, dan is de kleinzoon veroordeeld om
zes volle jaren van zijn leven als een uitgestootene der maatschappij
door te brengen.

Wordt de zoon van een onlangs overledene in rang bevorderd, dan
verleent men zijn overleden vader eveneens een hoogeren rang, want den
zoon mag geen grooter onderscheiding te beurt vallen dan zijn vader.

Gedurende de drie rouwjaren behoort er steeds een offertafeltje met
spijs en drank voor 't gedenktabletje te staan. De oudste zoon is
verplicht elken eersten en vijftienden van de maand dit tafeltje met
rijst en wijn onder luid gejammer te vernieuwen en daarbij gebeden
te prevelen. Dit geschiedt één uur na middernacht.

De sterfdag is mede zeer gewichtig. Vrienden en kennissen komen
bezoeken van rouwbeklag brengen. Er wordt geofferd, gejammerd, gegeten
en gedronken; in gezelschap begeeft men zich naar de begraafplaats,
waar deze ceremonie herhaald wordt.

Na 't lezen van deze ingewikkelde vormen, die tijdroovend en
onpractisch genoeg zijn om een groot gedeelte van een nuttig
menschenleven te verspillen, vraagt men zich af: "Hoe is 't mogelijk
dat dergelijke gewoonten gehandhaafd kunnen blijven in de twintigste
eeuw, waarin elke seconde geldswaarde heeft; waarin de Westerlingen
in de koortsachtige haast van den strijd om 't bestaan hun vormen en
ceremoniën tot een minimum beperken. De Koreaan, voortlevend buiten
die opgezweepte menschenmassa, laat met grootsche onverschilligheid
den tijd langs zich heen gaan; hij kent geen koortsachtigen strijd
om het bezit van geld, hij leeft slechts voort in een fatalistische
rust, die hem een zekere waardigheid verleent, gaat op in de kleinste
détails van traditie en gewoonte, zonder ook maar de geringste neiging
te hebben daarmede te breken.

Ik heb iemand hooren beweren dat de rouw en de pijp de twee voornaamste
belemmeringen zijn voor de welvaart en ontwikkeling van 't Koreaansche
volk. Eer beide bij keizerlijk decreet afgeschaft worden, ontwaakt
geen Koreaan uit den toestand van apathie, luiheid, zorgeloosheid of
hoe men 't noemen wil.

Een man zonder pijp is niet denkbaar in Korea; dit attribuut, in lengte
afwisselend tusschen twintig centimeter en een meter, steekt altijd
ergens in een kleedingstuk, zoolang zij zich bewegen. Nu eens boven
achter op den rug bij den hals, soms in den gordel als een zwaard,
dan weer van achter onder den gordel als een staart, in de pijp van
een pantalon, achter 't oor, altijd zult ge de pijp ontdekken. Zoodra
is de persoon niet in rust, of de pijp oefent zijn macht uit.

De Koreaan schijnt geen grooter wellust te kennen dan languit (met
zijn spierwit gewaad) op straat te gaan liggen en de eene pijp voor,
de andere na te rooken. In dezen toestand kan niets ter wereld
hem raken. Ik zag twee jonge mannen in die houding op de markt;
zij waren zelfs te indolent om hun beenen terug te trekken, zoodat
voorbijgangers, vrachtossen en paardjes er over heenstapten, terwijl
zij, geheel vervuld van hun pijp, blauwe rookwolkjes omhoog bliezen.



Mr. Pak-ki-ho is werkelijk een gids zooals er maar weinigen zijn;
hij heeft ons de bezienswaardigheden getoond, maar schijnt toch
nog niet voldaan te zijn, want telkens weet hij iets te vinden dat
onze belangstelling opwekt. Na een tocht door de bazars van Seoul,
die meer ondervinding in verscheidenheid van onwelriekende geuren
dan van de kunstnijverheid van 't Koreaansche volk heeft opgeleverd,
houdt hij stil voor een laag huisje, waaruit al weer jammertonen tot
ons doordringen.

Ditmaal is het geluid dat van jeugdige stemmen, wij bevinden ons in
een Koreaansche school.

Op het verzoek die inrichting te mogen zien, volgt een welwillend
knikje van den schoolmeester, die dan kalmpjes blijft doorrooken
en de kinderen aanmaant voort te gaan met lezen. Een achttal kleine
jongens, voor 't meerendeel bruidegoms (kenbaar aan de rose japon en
den strooien hoed) zitten op den verwarmden vloer met een Koreaansche
vertaling van Confuciaansche levensregels voor zich. Dit boek heet
"Tong Mun Suna Sup" of "Eerste leesboek voor jongens". De jongens
schreeuwen allen tegelijk, liefst zoo luid mogelijk hun les op en de
meester maakt onder het aanhooren hier en daar een aanmerking.

Daar dit boekje heel oud is en een denkbeeld zou kunnen geven van
wat een Koreaansche jongen op school leert, laat ik eenige punten
eruit volgen.

De inleiding vermeldt: "De man is 't voornaamste schepsel, voor hem
zijn er vijf voorschriften op te volgen: 1o Verwantschap tusschen
vader en zoon, 2o Etikette tusschen vorst en edelman, 3o Verschil
tusschen man en vrouw, 4o Voorrang tusschen oud en jong, 5o Trouw
onder vrienden. Daarom moet de vader zijn zoon liefhebben, deze echter
hem kinderlijk toegedaan zijn, de vorst moet korrekt, de edelman
onderdanig zijn, de echtgenoot vredelievend, de vrouw volgzaam, de
oudere bedachtzaam, de jongere gehoorzaam zijn, de vriend den vriend
helpen, opdat de man een man genoemd kan worden.

Ziedaar wat Koreaansche jongens van tien tot veertien jaar leeren in
de hoogste klasse van een volksschool.

In de laagste klasse bepaalt het onderwijs zich tot 't leeren van
duizend chineesche letterteekens.

Neemt men verder in aanmerking dat 't schoolgaan niet verplichtend
is, het lokaal gewoonlijk bedompt, slecht verlicht en de ruimte zeer
beperkt is, dan komt men tot de conclusie dat dergelijk onderwijs
weinig practische kennis oplevert, hoogstens nadeelig voor de
gezondheid kan zijn.

Maar in de laatste jaren is er een merkbare verbetering in dit
opzicht waar te nemen door den invloed van westersche naties. Er
is een Duitsche school, waar een veertigtal jonge mannen onderricht
ontvangen in 't Duitsch, benevens een meer algemeene kennis van de
verschillende leervakken. De Engelsche school telt zeventig leerlingen,
die uniform dragen en zelfs in sport onderwezen worden; de meesten
dezer leerlingen vinden als tolk, gids of tolbeambte een betrekking.

Ook de Franschen hebben er een school; daaruit rekruteert men de
beambten van de posterijen. Verder zijn er Chineesche en Japansche
scholen, een normaalschool met een Amerikaanschen leermeester aan
't hoofd, een dokterschool, en eindelijk missiescholen van elke
godsdienstige richting. In deze laatste beijvert men zich vooral voor
de ontwikkeling der meisjes.

De Koreaansche taal bezit twee alphabets: 't Nido, bestaande uit 250
chineesche letterteekens (dat gesproken wordt in hoogere en geletterde
kringen) en 't Koreaansche volksalphabet, dat ruim 1100 jaar geleden
door Syel Chong, een beroemd priester en geleerde, uitgevonden werd
en waarvan 't volk zich bedient.

Hoewel de uitspraak geheel verschillend is van de Chineesche,
kunnen Koreanen en Chineezen elkaar verstaan door dat zij dezelfde
letterteekens gebruiken.

Sir Ernest Satow heeft de bewering geuit, dat de Koreanen reeds de
kunst van drukken verstonden, twee eeuwen voordat men die in Europa
uitvond. Te oordeelen naar de phonetische overeenstemming heeft de
Fransche taal (evenals in Japan) de meeste kans populair te worden.

Toch wordt deze weinig gesproken. Engeland's uitgebreide
handelsverbindingen in 't Oosten hebben overal 't Piggin-engelsch
ingevoerd. Hoewel er van volksonderwijs in den waren zin van 't woord
in Korea nog geen sprake kan zijn, heeft de traditie in dit opzicht
veel van haar macht verloren. Ziehier een voorbeeld van de wijze
waarop vroeger met examens werd omgesprongen!

In vroeger jaren werden de examens afgenomen in 't paleis. Dat examen
heette Kwagga, iedereen, behalve zij die tot de onreine klassen der
slachters en leerlooiers behoorden, kon daaraan deelnemen.

In feestkleedij stroomden de candidaten uit alle oorden van het land
te zamen naar het terrein achter 't paleis.

Het thema of de vraagstukken werden door den vorst bepaald, dikwijls
verscheen hij zelf om het te verkondigen. Het werd geschreven op een
reusachtig blad papier, dat boven aan een langen paal bevestigd werd,
zoodat al de candidaten die in tenten rondom den paal gehuisvest waren,
het lezen konden.

Elke tent was voorzien van een lantaarn, op welker glasruit de naam van
den candidaat was aangebracht, zoodat deze als 't ware als naamplaat
dienst deed. Zoolang 't examen duurde ging 't er lustig toe; men
ontving bezoeken, en muziek en dans luisterden deze bijeenkomsten
op. Voor den vorm waren er wel enkele inspecteurs aanwezig, maar
deze sloten een oogje voor de onregelmatigheden die bij den arbeid
der candidaten plaats vonden.

De candidaat plaatste, nadat hij zijn werk voltooid had, zijn naam,
rang en stand, alsook die van zijn vader er onder, rolde het papier
op, bond er een zijden draad omheen en schoof het door een gleuf in
den muur van 't Paleis, waar een menigte bedienden gereed stond om
het op te vangen en naar den vorst te brengen.

De uitreiking der diploma's geschiedde door den vorst. Men heeft twee
graden: "Kupja" de hoogste en "Jinssa" de tweede.

Door dit examen af te leggen staat den candidaat de weg open tot
alle waardigheden, en daar men die bij voorkeur voor aristocraten
reserveert, is 't niet te verwonderen dat bij 't verleenen van de
diploma's rekening gehouden wordt met stand en afkomst meer dan met
capaciteiten.

Gezeten op een sierlijk uitgedost paard, en vergezeld van een talrijk
gevolg van dienaren, begeeft de gelukkige candidaat (voor wien de
uitslag gewoonlijk geen verrassing meer is) zich naar 't paleis. Voor
aan den stoet gaat de voordanser, die met wilde passen zich bewegend,
in langgerekte tonen de wijsheid van zijn heer prijst en tegelijkertijd
den weg vrij houdt.

Eerbiedig knielt de candidaat neder voor den vorst en ontvangt
het diploma uit zijn hand. Op den terugweg gaat de voordanser nog
luider te keer. Hoog zwaait hij het diploma voor zich uit terwijl
hij lofliederen op zijn heer zingt, die voor den tijd van drie dagen
't recht heeft op straat voor niemand uit te wijken. De eerste gang
is naar 't huisaltaar, ten einde hulde te brengen aan de geesten
der ouders, daarna wordt er nog gedurende drie dagen feest gevierd,
waarbij 't gebruikelijk is degenen die minder gelukkig zijn geweest
en geen diploma hebben bemachtigd, allerlei grappen en dwaasheden te
laten uithalen.

Maar dat alles behoort tot het verleden; de oorlog tusschen China
en Japan maakte er een einde aan, want sinds dien tijd hebben deze
staatsexamens niet meer plaats.



Hoewel Korea verre van oorlogzuchtig is aangelegd en strijdlust niet
tot de eigenschappen van de deftige, wit gekleede patriarchen behoort,
zoo bezit het land toch een zij 't dan ook onbeduidende verdediging.

Van de Koreaansche vloot hoort men niet spreken, om reden dat zij niet
bestaat, en wat het leger aangaat, daarvoor is Lord Curzon's benaming
de ware, wanneer hij dat "a standing joke" noemt. Zelfs de hulp van
Amerikaansche en Engelsche instructeurs heeft van de Koreaansche
landverdedigers niet veel meer kunnen maken dan een parodie op
militairen. 's Keizers verdediging bestaat hoofdzakelijk uit de
Mapu's of marskramers. Deze rondtrekkende kooplieden onderhouden de
gemeenschap en oefenen spionnendiensten uit. In ruil daarvoor genieten
zij voorrechten, een van welke bestaat in het deelnemen aan officieele
optochten in de onmiddellijke omgeving van den Keizer.

Voorts zijn de keizerlijke kloosters in den omtrek van Seoul vermomde
versterkingen. Omringd door zware muren, haast ontoegankelijk door
terreinmoeilijkheden, bewoond door gewapende monniken en goed voorzien
van levensmiddelen, dienen zij tot schuilplaats van den vorst in
tijden van beroering.

Mr. Pak-ki-ho heeft ons op een zonnigen morgen naar het voornaamste
van die kloosters geleid. Dit klooster, Pok-Han geheeten, is zeer
schilderachtig gelegen, vier duizend voet hoog, in 't gebergte
achter Seoul.

Een draagstoel met acht stevige Koreanen voor mijn reisgenoote,
miniatuur-rijpaardjes voor de rest van 't gezelschap, staan reeds vroeg
te wachten voor het nederige poortje van 't Station Hotel. 't Duurt
nog wat eer de karavaan zich in beweging zet, want bij gebrek aan een
dameszadel moesten wij ons vergenoegen met een Koreaansch zadel, dat,
wat den puntigen vorm aangaat, eerder onder de folterwerktuigen van
de Gevangenpoort thuis hoort, maar een dikke matras die er bovenop
gelegd wordt, maakt 't ten minste als zitplaats houdbaar. Dapper
stappen de kleine paardjes achter elkaar voort langs 't smalle pad,
dat zich kronkelt tusschen heuvels en beekjes; spoedig wordt het te
steil en moet de rest van den weg te voet, soms op handen en voeten
tegelijk, worden afgelegd, maar 't einddoel beloont al die moeite,
want de uitzichten zijn prachtig, de lucht is droog en opwekkend,
en 't jonge groen wedijvert met de bloesems van peren en perziken
in kleurenrijkdom.

Gastvrij hebben de monniken van Pok Han de poorten voor ons geopend en
de pic-nic tafel in de voorhal van den tempel neergezet. De gebouwen
zijn noch imposant noch goed onderhouden; evenmin krijgt men den indruk
alsof 't godsdienstige de overhand heeft in deze ommuurde tempels.

De geestelijkheid is in Korea niet bijzonder gezien; over 't algemeen
munt zij dan ook niet uit door onberispelijken levenswandel.

Hendrik Hamel vermeldt reeds in zijn geschriften dat de kloosters
plaatsen zijn waar men zich bedrinkt en vermaakt. Veel is die toestand
sinds niet verbeterd. Niet uit vroomheid alleen trekt de Koreaan
zich in het klooster terug. Velen vinden er gelegenheid hun leven met
nietsdoen te slijten, maar ook zij die door den rouw uitgesloten zijn
van het maatschappelijk leven zoeken er een toevlucht.

't Boeddhisme, dat van uit Indië door China zijn weg hierheen
vond, heeft zich met moeite staande kunnen houden, zooals duidelijk
zichtbaar is aan den treurigen staat waarin de schamele tempels zich
bevinden; meer en meer vindt de leer van Confucius ingang. Voor de
zending is Korea een vruchtbaar veld; de treurige overblijfselen
van het Boeddhisme kan men ternauwernood godsdienst noemen en de
treurige condities, waarin het volk verkeert, maken het gemoed des
te ontvankelijker voor nieuwe indrukken.

De terugtocht van Pok-Han wordt langs een anderen weg
genomen. Gedurende een half uur klauteren wij op handen en voeten
tusschen rotsachtige steenblokken naar boven, totdat een steenen poort
ons belet verder te gaan. Als de half vergane houten deur knarsend in
de hengsels kraakt, terwijl de gids haar opent, slaken wij een kreet
van bewondering over het grootsche panorama dat zich aan onze voeten
ontrolt. 't Is alsof de bodem met een tooverslag in peillooze diepten
is verdwenen. Wij staan op den rand van de bergketen, waarover zich
de muur van Seoul slingert. Daar in de diepte, tusschen de plooien
van de kale geelzanderige heuvelrij liggen de grijze daken van Seoul,
verderop glinstert de Hanrivier in 't zonlicht. Wij kunnen haar bochten
volgen tot Chemulpo, dat wazig aan den horizon als een lichtende plek
opdaagt, met de zee als achtergrond.

Langzaam en voorzichtig gaat het nu naar beneden langs de loodrechte
ravijnwanden, waarin de geringste mispas ons zou storten; verblindend
fel schittert de zon op de naakte geelroode rotswanden, die later
overgaan in geelwitte tufsteen.

Te midden van deze ongure omgeving treffen wij plotseling een klein
houten paviljoen aan, waarin een menigte menschen zich bevinden,
terwijl muziek ons tegenklinkt.

Een allerzonderlingst toegetakeld vrouwelijk wezen met een ruige
pruik van paardenhaar op 't hoofd voert allerlei wilde danspassen uit,
terwijl zij met verwrongen gelaatstrekken en uitpuilende oogen rond
zwiert en onzamenhangende klanken uitstoot. De toeschouwers schijnen
onder den indruk van de vertooning te zijn; met ernstig geloovig gelaat
staren zij de opgewonden verschijning aan; 't is geen bijeenkomst
waar men zich vermaakt.

De "Mutang" of toovenares oefent hier haar bedrijf uit in de stilte
van deze onbewoonde streken, want men vergunt haar niet in de stad
te wonen, daar de macht van deze wezens geducht wordt. (Zij heeten
in betrekking te staan tot den duivel).

Aan een ziekbed, als de genezing onmogelijk schijnt, neemt de
bijgeloovige Koreaan vaak zijn toevlucht tot de zwarte kunst dezer
vrouwen. Verbeeldt men zich dat een booze geest den zieke bezoekt,
dan is geen opoffering te groot om de Mutang te laten komen en hem
te verjagen.

Vooral bij choleragevallen meent men baat te vinden bij de
Mutang. Volgens den Koreaan wordt cholera veroorzaakt door ratten,
die in de ingewanden van het menschelijk lichaam huizen en 't middel
om deze te verdrijven bestaat in 't nabootsen van kattengemiauw,
want daarvoor zijn de ratten angstig. Door bekkenslag, tromgeroffel,
bellengerinkel en gonggedreun windt de Mutang (die gerecruteerd
wordt uit hysterische meisjes en slimme vrouwen, die er een bestaan
van weten te maken) zichzelf zoodanig op dat ze in een toestand van
extase geraakt. In dien toestand doet zij voorspellingen, bezweert
de booze geesten, geeft raad in moeilijke gevallen en weet verloren
voorwerpen terug te vinden.

't Volk is zoo doordrongen van hun macht, dat zelfs de meer
ontwikkelden in oogenblikken van gevaar of bij epidemieën de hulp
van de Mutang inroepen.

Wij blijven niet langer bij deze dolle vertooning stilstaan,
maar rijden een eind door tot een liefelijke vallei, "Papierdal"
genoemd, bereikt is. Daar wordt halt gemaakt en Mr. Pak-ki-ho toont
ons hoe hier het beroemde Koreaansche papier vervaardigd wordt uit
de vezels van den moerbeiboom. Van alle Oostersche papiersoorten is
't Koreaansche superieur. Er is haast geen voorwerp dat er niet van
gemaakt kan worden. Nadat de vezels gestampt en in water geweekt
zijn, perst men ze tot dikkere of dunnere bladen, al naarmate van
de bestemming. Nu worden die bladen in sesamolie geweekt en zijn dan
volkomen waterdicht. Men legt ze op den vloer in plaats van matten,
op de muren doen zij dienst als behangsel, in de ramen als glas,
kinderen spelen met papieren speelgoed, volwassenen reizen met
papieren koffers, vertrekken worden afgescheiden met papieren
schutten; kleederen, hoeden, schoeisel, tabakszakken, waaiers,
lantaarns en vliegers worden er van vervaardigd. Zelfs regenhoeden
maakt men er van. In Korea is 't gebruik van regenschermen onbekend,
maar iedereen draagt in zijn gordel een voorwerp van geolied papier,
dat er in gesloten vorm uitziet als een waaier. Ontplooit men het,
dan lijkt het op een parachute (zonder opening) in den top. Zoodra
het regent spreidt men dit uit over den zwarten of witten hoed,
bandjes bevestigen het onder de kin en ziedaar een zeer practisch,
doeltreffend en goedkoop regenscherm.



Mr. Pak-ki-ho heeft verwonderd opgekeken toen wij hem vroegen ons een
bruiloftsceremonie te laten bijwonen. Minzaam glimlachend beweert hij,
dat daar niets bijzonders aan te zien valt, maar toen wij op straat
een bruiloftstoet zagen aankomen heeft hij zich laten overhalen ons
't een en ander van de huwelijksformaliteiten mede te deelen.

't Huwelijk heeft men gereduceerd tot een samenkoppeling van twee
namen plus twee bezittingen; noch den jongeling noch 't meisje is 't
gegund, een andere rol te spelen dan die van slachtoffer, waarmede naar
willekeur gehandeld wordt. 't Gebeurt dikwijls dat twee familievaders
met elkaar afspreken dat zoo de te verwachten kinderen een jongen en
een meisje zijn, deze later een paar worden. Niemand denkt er aan,
zich tegen dit plan te verzetten; het meisje gaat op haar achtste jaar
in de vrouwenvertrekken en ziet den jongeling eerst als 't huwelijk
wordt voltrokken.

De bemiddeling heeft plaats door de huwelijksmakelaarster, die de
geschenken en 't financieele regelt en den dag bepaalt.

Den avond van te voren schrijft de vader van den bruidegom een brief
aan den vader der bruid, waarin hij hem verzoekt bijgaand geschenk te
willen aannemen. Dit geschenk bestaat uit een rol blauwe en een rol
roode zijde, waaruit nog dienzelfden avond twee gewaden (met sleep)
voor de bruid worden gemaakt. Bij 't uitpakken zorgt men er voor,
dat de rol roode zijde 't eerst voor den dag komt, want dit beteekent
dat de eerstgeborene een zoon zal zijn.

Den volgenden morgen begeeft de bruidegom zich (zoo hij tot den
gegoeden stand behoort) met groot gevolg naar de woning zijner
bruid. Voorop gaat een bediende (dezelfde die de geschenken bracht)
met een levenden gans in de armen. Dit dier, wien men vleugels en
bek met gekleurde linten omwonden heeft, is in Korea 't symbool van
huwelijkstrouw, want men weet te vertellen dat wanneer van een paar
wilde ganzen 't vrouwtje gedood wordt, 't mannetje zich dood treurt.

Op hem volgen eenige dragers van zijden lantaarns aan lange stokken,
dan twaalf vrouwen, waarvan eenige wierookvaten dragen. Daarop volgt
de veertienjarige bruidegom, zittend op een sierlijk uitgedost paard,
omringd door dienaren die hem ondersteunen, rechts. Links van hem
draagt men een zijden zonnescherm; achter hem in een draagstoel zijn
voedster in rouwkleederen en met bedekt aangezicht.

Voor de deur van de woning der bruid stapt hij af en treedt op een
gevulden stroozak, welks inhoud later in 't hoofdkussen van de jonge
vrouw wordt gedaan als een symbool van de waarde die zij moet hechten
aan alles wat van haar man komt, zelfs aan 't geen hij met voeten
getreden heeft.

Buiten heeft men een tent opgeslagen waarin men de gasten ontvangt,
eet, drinkt en zich met zang en dans vermaakt. De bruidegom biedt
zijn aanstaande schoonouders de versierde gans aan en maakt een
groet, waarbij knieën en hoofd den vloer aanraken. Dan volgt hij
de makelaarster naar een binnenvertrek en aanschouwt zijn bruid,
die met ernstig gelaat en terneergeslagen oogen daar staat en
weinig schik in de vertooning schijnt te hebben. Driemaal buigen
zij heel diep voor elkaar, dan drinken zij driemaal uit twee door
een zijden lint verbonden bakjes van kalebassen gesneden en verlaten
elkaar. Nadat beide van bovenkleeren gewisseld hebben ontmoeten zij
elkaar in een ander vertrek in tegenwoordigheid van de makelaarster
(de wederzijdsche ouders zijn niet tegenwoordig bij de plechtigheid),
drinken een kopje thee, maar na eenige minuten moet de jonge vrouw
vertrekken. In een draagstoel brengt men haar naar de woning van
haar schoonouders, waar zij haar compliment maakt en geschenken,
bestaande uit dadels en gedroogd fasantenvleesch uitdeelt. Eveneens
met geschenken beladen keert zij terug naar haar ouderlijke woning,
waar zij met haar man eenige dagen blijft, om dan voor goed haar
intrek te nemen in de woning van haar schoonouders, waar zij zich de
gunst moet trachten te verwerven van haar schoonmoeder.

Bij 't hooren van dit verhaal kon ik niet nalaten aan Mr. Pak-ki-ho te
vragen of 't nooit voorkwam dat een vrouw zich tegen deze slavernij
verzette en zelve een keuze wilde doen. Hij schudde heel beslist met
zijn hoofd van neen en verwees mij naar de uitspraak van Confucius,
die verklaart dat een vrouw geen ziel heeft en niet competent is om
te denken.

O strijders voor de rechten der vrouw, welk een maagdelijk arbeidsveld
is Korea voor u!



Thans maakt Korea aanspraak op den naam van onafhankelijk
Keizerrijk. In 1897 kende de vorst zichzelf den keizerlijken titel
toe; de naam Chosen werd veranderd in dien van Tä-Han (Groot Han). De
"morgenkalmte" heeft moeten wijken voor "grootheid". Vertegenwoordigers
werden naar de Europeesche hoven gezonden en die van de Westersche
mogendheden vriendschappelijk ingehaald binnen Seoul's muren; in
één woord, 't jongste der keizerrijken proclameerde officieel zijn
onafhankelijkheid.

Een van de eerste teekenen daarvan was de oprichting van de zoogenaamde
"Onafhankelijkheidspoort", honderd meter voorbij de oude poort waar
de jaarlijksche schatting betaald werd.

Telegraaflijnen doorkruisen 't land. Reeds is de hoofdstad met de
kust verbonden door een spoorlijn, terwijl meerdere in aanleg zijn;
stoomvaartverbindingen zijn tot stand gekomen, op elk gebied worden
verbeteringen en hervormingen voorgenomen.

(De Keizer drijft de vereuropeesching zelfs zoover, dat hij een
morganatisch huwelijk met een Amerikaansche dame sloot).

De keizerlijke huishouding staat onder toezicht van een Duitsche
dame, Fräulein S., die eenige europeesche koks onder zich heeft, want
tegenwoordig prijken fransche menu's op de feestmaaltijden ten hove.

Over den harem heerschen een engelsche en een amerikaansche doktores.

Maar zoo voor 't uiterlijk alles couleur de rose lijkt in Korea,
inwendig doorloopt 't land een beroering, waarvan de crisis niet meer
ver kan zijn.

Door de invloeden van buiten is de zucht tot afschudden van 't
slaafsche juk wakker geworden bij 't volk.

Onder den naam van Independenten hebben zij zich vereenigd, die
vooruitstrevenden! Geduldig hebben zij soms dagen lang zitten wachten
aan de poorten van het paleis, ten einde hun smeekschrift om heropening
der Independenten-club en afzetting van eenige invloedrijke beambten,
die naar hartelust hun macht misbruikten voor oneerlijke handelingen,
persoonlijk den Keizer te overhandigen.

Tegenover deze partij staan de Tong-haks, de ultra-conservatieven,
wier wachtwoord is: "Korea voor de Koreanen". Zij noemen zich "de
Vereeniging van Oostersche Wijsheid", hun doel is allen buitenlandschen
invloed te weren.

Tijdens het schrikbewind van den Tai-Wen-Kun bloeide deze vereeniging
(o. a. de moorden op zendelingen moet men haar wijten). Thans is
haar macht gebroken, al hoort men nu en dan nog flauwtjes van kleine
oproertjes door de leden veroorzaakt. De Mapu's scharen zich aan de
zijde der Tong-haks, zonder hun fanatisme te deelen.

Reeds is het tot botsingen gekomen tusschen de Independenten en de
Mapu's. Velen vonden den weg naar de gevangenis, maar 't zaad is
gestrooid en de vrijheidsgeest opgewekt. Tijdens een bezoek dat wij
aan de gevangenis te Seoul brachten, konden wij ons hiervan overtuigen.

Die inrichting overtrof verre de verwachtingen; alles was er zindelijk
en netjes, ruime binnenplaatsen gaven voldoenden toevoer van versche
lucht, en al waren de hokken van de gevangenen naar onze begrippen
veel te klein, laag van dak en donker, vergeleken bij een Koreaansche
woning konden zij de vergelijking zeker goed doorstaan. Maar ik haast
mij er bij te vertellen, dat deze inrichting onder europeesch toezicht
is gebouwd en eerst een maand geleden in gebruik werd gesteld.

De galg, ook geheel volgens 't nieuwste systeem ingericht, had slechts
eenmaal dienst gedaan; thans zaten vier ongelukkigen in afwachting
van hun straf, achter ijzeren tralies hun onmisbare pijp te rooken.

Maar ik dwaal af. Ik wilde vertellen van een jong politiek gevangene,
een lid van de club der Independenten, die zijn leven daar moest
slijten omdat hij zich niet vereenigen kon met 't Confuciaansche
voorschrift uit 't kinderschoolboekje: "Maar wee hem die zegt, dat de
vorst onrechtvaardig handelt, hij zal als een vijand behandeld worden".

Hij was een jonge man, een aristocraat en sprak vlot Engelsch, en daar
zijn bewaarders hem niet verstonden, evenwel teveel ontzag voor zijn
stand hadden om hem te beletten met ons te spreken, kon hij vrij uit
zijn meening zeggen.

Zijn verstandige oogen schitterden van heilig vuur, toen hij vertelde
van 't streven naar vrijmaking van 't Koreaansche volk.

Die jonge man en zijn geestverwanten vertegenwoordigen het Korea
der toekomst, in hen schuilt de macht het volk op te heffen tot een
ontwikkeling van kracht, een herleving van energie, die het een plaats
doet innemen onder de volken met een zelfstandig bestaan, een natie
die niet ten onder gaat, die streeft naar algemeene ontwikkeling.

Rondom Korea woelt en bruist 't niet minder, politieke typhoons dreigen
't evenwicht te verstoren. Zoo zwaar pakken de wolken zich te zamen,
dat diplomatieke zonnestralen er haast niet vermogen door te dringen.

Het middenpunt van deze stormen is het jonge keizerrijk, de prinses
uit het sprookje, die zoo lang sliep in haar paleis.

Zie eens hoe alle mogendheden haar 't hof maken, hoe ze om strijd
hun diensten aanbieden, terwijl ze in zichzelven tot prijs daarvoor
wenschen...... de jonge prinses zelve.

Maar zij kan niet anders doen dan beleefd glimlachend haar gunsten
gelijkelijk onder hen verdeelen en hun diensten aannemen.

Aan Frankrijk werd de zorg voor de posterijen opgedragen, aan Amerika
die voor het leger, aan Rusland de scheepvaart langs de kusten. Japan
en Amerika leggen spoorwegen aan, Engeland en Duitschland beheerschen
den handel.

Nu in de laatste jaren de onderlinge dienstvaardigheid in afgunst is
ontaard, wordt het de prinses wel een beetje benauwd om 't hart. Toch
bestaat haar groote kracht in haar zwakte; zij drijft op 't politiek
evenwicht, als zij partij kiest is zij verloren.

En 't gevaar voor een onderlinge overeenkomst tusschen de europeesche
mogendheden is vooral door de dreigende houding van Rusland tegenover
Japan zeer verminderd.

Rusland gaat doodkalm voort, evenals 't in Manschoerije deed,
gewichtige punten in Korea te bezetten, leger en vloot in 't Oosten
te concentreeren.

Reeds hebben duizenden Koreanen zich in 't Amoer-gebied als kolonisten
gevestigd; daarentegen trekken russische kolonisten over de koreaansche
grenzen en vestigen er zich als landbouwers.

Door de bezetting van Masampo (gelegen aan de zuidkust, eenige uren
van Fusan), Tschinampo in 't westen, en Wiyu (aan de Yalu-rivier)
heeft Rusland een verbinding gekregen van Wladiwostock en Port-Arthur
en is 't in staat Korea's kusten te beheerschen. Tevens belet het
de Japanners den vrijen toegang tot Korea, want de Russische Beer
ducht de onmiddellijke nabijheid van de kleine mannetjes uit 't land
van de Rijzende Zon. Voor Japan daarentegen is het bezit van Korea
een levenskwestie.

Japan's bevolking neemt dusdanig toe dat expansie dringend noodig
is. Reeds is er gebrek aan grond voor landbouw in Japan, reeds trekt
het een der hoofdbestanddeelen van de volksvoeding, nl. boonen, uit
Korea, terwijl dit land ook voor den Japanschen handel een geschikt
terrein blijkt te zijn.

Maar Korea's sympathie is niet voor Japan. De geschiedenis van Japan
leert ons, dat sinds eeuwen de eenige aanraking met Korea plaats had
door 't zenden van legermachten.

Reeds in de derde eeuw na Chr. rustte de Keizerin van Japan, Jingo, een
expeditie naar Korea uit en onderwierp het land aan haar gezag. Tot
aan 't eind der veertiende eeuw bleven de verhoudingen die van
onderdanigheid van Korea's kant: jaarlijks trokken afgezanten naar
Japan om schatting te betalen.

Maar daarna werd de chineesche invloed overheerschend, totdat in 1592
Hideyoshi Japans invloed trachtte te herwinnen door zes jaar lang
Korea moordend en roovend te doorkruisen met zijn legermacht. Niet
alleen dat hij hierdoor zijn doel niet bereikte, maar hij liet een
gevoel van nationale haat en beleediging achter, die sedert zijn
blijven voortleven.

Ziedaar in enkele woorden een overzicht van den toestand waarin het
land zich bevindt. Laten wij van harte hopen dat de donkere wolken
zullen optrekken en het land niet gebruikt zal worden tot terrein
waarop internationale vijandelijke gevoelens worden uitgevochten. Moge
eenmaal Korea weer den naam aannemen van Chosen "Kalmte van den morgen"
en de dageraad van onafhankelijkheid in den waren zin des woords voor
haar aanbreken.



De dagen van ons verblijf in Korea zijn omgevlogen en 't is met
weemoed dat wij het uur van vertrek hooren slaan. Ik neem een gevoel
van medelijden mee voor de patriarchale figuren in hun witte kleedij,
die nu huns ondanks deel zullen moeten nemen in den vurigen strijd
om zelfbehoud in 't woelige werelddrama.

Wij hebben afscheid genomen van de twee duitsche officieren, die van
Seoul direct doorreizen naar hun garnizoen te Tientsin, waar wij hen
hopen terug te zien.

Het afscheid van Mr. Pak-ki-ho zal van langeren duur zijn. We
wenschen hem toe dat zijn land meer en meer bereisd mag worden
door vreemdelingen, en dat hij in de gelegenheid gesteld blijve
hen met evenveel ijver en nauwgezetheid in te lichten omtrent de
bezienswaardigheden van dit interessante land.

Dan voert de trein ons weder naar Chemulpo en begeven wij ons
('t gezelschap is nu tot vier Europeanen gedaald) met Chang en den
japanschen boy van onze duitsche reisgenooten, aan boord van een
russischen stoomer de Argun die ons langs de noordelijke oevers van
den golf van Petschili naar Manschoerije en China zal voeren.



AANTEEKENING


[1] De ginseng-wortel (Panak quinquefolium) wordt door de Koreanen en
Chineezen algemeen als medicijn en versterkend middel gebruikt. De
roode ginseng wordt, als zijnde de meest gezochte, zoowel ingelegd
als gedroogd of met andere kruiden gemengd, in groote hoeveelheden
uitgevoerd, vooral naar China.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reisherinneringen uit Korea en China - De Aarde en haar Volken, 1904" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home