Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Warda - Roman uit het oude Egypte
Author: Ebers, Georg, 1837-1898
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Warda - Roman uit het oude Egypte" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  WARDA



  WARDA

  ROMAN UIT HET OUDE EGYPTE
  VAN
  GEORGE EBERS


  IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR
  DR. H. C. ROGGE


  VIJFDE DRUK


  AMSTERDAM
  VAN HOLKEMA & WARENDORF



    EERSTE BOEK.

    EERSTE HOOFDSTUK.         7
    TWEEDE HOOFDSTUK.        17
    DERDE HOOFDSTUK.         28
    VIERDE HOOFDSTUK.        36
    VIJFDE HOOFDSTUK.        50
    ZESDE HOOFDSTUK.         67
    ZEVENDE HOOFDSTUK.       82
    ACHTSTE HOOFDSTUK.       95
    NEGENDE HOOFDSTUK.      110
    TIENDE HOOFDSTUK.       121
    ELFDE HOOFDSTUK.        130
    TWAALFDE HOOFDSTUK.     137
    DERTIENDE HOOFDSTUK.    146
    VEERTIENDE HOOFDSTUK.   153
    VIJFTIENDE HOOFDSTUK.   163


    TWEEDE BOEK.

    EERSTE HOOFDSTUK.       173
    TWEEDE HOOFDSTUK.       183
    DERDE HOOFDSTUK.        196
    VIERDE HOOFDSTUK.       207
    VIJFDE HOOFDSTUK.       213
    ZESDE HOOFDSTUK.        221
    ZEVENDE HOOFDSTUK.      232
    ACHTSTE HOOFDSTUK.      248
    NEGENDE HOOFDSTUK.      258
    TIENDE HOOFDSTUK.       265
    ELFDE HOOFDSTUK.        277
    TWAALFDE HOOFDSTUK.     292
    DERTIENDE HOOFDSTUK.    301
    VEERTIENDE HOOFDSTUK.   316
    VIJFTIENDE HOOFDSTUK.   331


    DERDE BOEK.

    EERSTE HOOFDSTUK.       349
    TWEEDE HOOFDSTUK.       359
    DERDE HOOFDSTUK.        365
    VIERDE HOOFDSTUK.       380
    VIJFDE HOOFDSTUK.       396
    ZESDE HOOFDSTUK.        402
    ZEVENDE HOOFDSTUK.      413
    ACHTSTE HOOFDSTUK.      421
    NEGENDE HOOFDSTUK.      433
    TIENDE HOOFDSTUK.       443
    ELFDE HOOFDSTUK.        453
    TWAALFDE HOOFDSTUK.     463
    DERTIENDE HOOFDSTUK.    470
    VEERTIENDE HOOFDSTUK.   480
    VIJFTIENDE HOOFDSTUK.   488
    ZESTIENDE HOOFDSTUK.    498
    ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.  505



EERSTE BOEK.



EERSTE HOOFDSTUK.


Bij het oude honderdpoortige Thebe wordt de Nijl merkbaar breeder. De
bergketenen, die zich uitstrekken aan beide zijden van den stroom, nemen
hier bepaalden vorm aan. Eenige bijna kegelvormige toppen steken, scherp
gekant, boven den vlakken rug van het veelkleurig kalkgebergte uit,
waarop geen palmboom groeit en zelfs de planten der woestijn niet tieren
kunnen. Met steenen gevulde spleten en openingen zijn de eenige wegen,
om meer of minder diep in dit gebergte door te dringen, waarachter de
doodsche woestijn zich uitbreidt, met hare zandvlakten en rotsblokken,
met hare klippen en naakte riffen. Achter de oostelijke bergen wordt
deze woestenij begrensd door de Roode zee, achter de westelijke is zij
onbegrensd als de eeuwigheid. De Egyptenaren geloofden, dat daarachter
het doodenrijk begint.

Tusschen beide heuvelrijen nu, die als wallen en muren het woestijnzand
tegenhouden, stroomt de breede heldere Nijl, zegen en vruchtbaarheid
brengende, zoowel de vader als de wieg van millioenen schepselen. Aan
zijne beide oevers liggen in breede vlakten de donkere akkers, en in
zijn schoot koestert hij geschubde en gepantserde waterbewoners van
allerlei gedaante. Op den waterspiegel wiegelen lotusbloemen, en in het
papyrusriet aan den oever bouwen ontelbare watervogels hunne nesten.
Van den voet der bergen tot aan den Nijl strekken de graanvelden zich
uit, na den zaaitijd blauwachtig groen gekleurd, bij het naderen
van den oogst gelijk aan een zee van vloeibaar goud. Bij de putten
en schepraderen bespeurt men van nabij en van verre schaduwrijke
sykomoren-boomen, en zorgvuldig gekweekte dadelpalmen verheffen zich
samen tot lieflijke bosschen. Het vlakke zaailand, dat jaarlijks door de
overstrooming wordt besproeid en bemest, steekt bij de zandige helling
der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed
bij het gele kiezelzand van het voetpad.

In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling ― want wij brengen onze
lezers terug in zulke langvervlogen tijden ― waren menschenhanden in
Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den
wassenden vloed te keeren, ten einde de straten en pleinen, de tempels
en paleizen der stad voor overstrooming te bewaren. Kanalen, die goed
afgesloten konden worden, baanden den weg van de dammen naar het
daarachter gelegen land en door menige kleine zijvaart naar de tuinen
van Thebe. Aan den rechter, oostelijken oever van den Nijl zag men de
straten van deze beroemde residentie der pharao’s. Dicht bij den stroom
verhieven zich de kolossale bontbeschilderde tempels van de Amonstad.
Daarachter, tot op geringe afstand van den oostelijken bergketen,
gedeeltelijk reeds op den woestijnbodem, verrezen de paleizen der
koningen en aanzienlijken, en waren de schaduwrijke straten aangelegd,
waar hooge en smalle huizen dicht bij elkander gebouwd stonden. Welk
een bont gewemel, wat levendige drukte heerschte daar in den bloeienden
zetel der pharao’s!

De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan.
Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed
van menschen. Maar terwijl aan gene zijde van den stroom de huizen
éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en
vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze
zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de
kleinere huizen en hutten zich aandrongen, als kinderen die bescherming
zoeken door zich aan moeders schoot vast te klemmen. Deze groepen van
gebouwen rezen naast elkander op, doch waren onderling niet verbonden.
Wie het gebergte besteeg en op dit alles nederzag, kreeg den indruk als
lagen daar beneden hem, dicht bij elkander, een groot aantal dorpen met
deftige heerenhuizen. Zoo iemand uit de vlakte opzag naar de oostelijke
hellingen der westelijke bergen, dan ontwaarde men honderde geslotene
poorten, deels alleen staande, deels op rijen naast elkander, waarvan
er velen aan den voet van het gebergte, verscheidene in het midden,
sommigen zelfs op eene vrij aanzienlijke hoogte waren aangelegd. En hoe
weinig geleek het afgemeten, ja ernstige leven op de straten in dit
gedeelte, op het levenslustige gejoel en de bedrijvigheid der menschen
daar ginds! Ginds op den rechteroever was ieder in heftige beweging bij
arbeid en vermaak, onder vreugd en smart, in woord en daad. Hier, op den
linkeroever, werd weinig gesproken, scheen eene zekere tooverkracht de
schreden der wandelaar tegen te houden, eene bleeke hand den vroolijken
blik der oogen te benevelen en elke plooi glad te strijken, die een
lachje om den mond kon doen spelen. En toch landde hier menige sierlijk
getooide bark, ontbrak het er niet aan koren van zangers, bewogen
feestelijke optochten zich in de richting der westelijke bergen.
Maar die vaartuigen brachten slechts dooden aan, de liederen die
hier weerklonken waren klaagzangen, en de optochten bestonden uit
rouwdragenden, die de sombere lijkkist volgden.

Wij staan op den bodem van Thebe’s doodenstad.

Doch daarom werd ook in dit gedeelte het levendige verkeer niet gemist.
Immers voor den Egyptenaar waren de dooden niet gestorven. Hij drukte
zijne ontslapenen de oogen toe; hij bracht hen naar de Nekropolis, de
doodenstad, in het huis van den Kolchyt, die de lijken balsemde, en ten
laatste in de groeve. Nochtans wist hij, dat de zielen der afgestorvenen
bleven voortleven; dat zij gerechtvaardigd zijnde als Osiris in het
zonneschip den hemel zouden bevaren, dat zij in elke gedaante, die zij
zouden willen aannemen, weder op aarde konden verschijnen, en op den
levensloop der achtergeblevenen invloed mochten oefenen. Daarom zorgde
hij voor eene waardige begrafenis zijner dooden, bovenal voor het
balsemen, waardoor de lichamen zeker voor bederf bewaard bleven. Ook
verzuimde hij niet, op bepaalde tijden het doodenoffer, bestaande in
vleesch en gevogelte, dranken en reukwerken, groenten en bloemen te
vernieuwen. Bij de begrafenis zoo min als bij het brengen dier offers
kon de dienaar der godheid worden gemist.

De stille doodenstad scheen bovendien de geschiktste plaats voor het
bouwen van scholen en woningen voor geleerden. In de tempels van deze
Nekropolis hielden groote priestervereenigingen hun verblijf, en de
talrijke Kolchyten, wier ambt van den vader op den zoon overging,
hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor
het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en
winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd,
benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld,
en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden
kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en
gebak te koop aan. Hier en ginds zag men runderen, gazellen, geiten,
ganzen en ander gevogelte binnen grasperken met heggen omgeven, en
de naastbestaanden van den overledene gingen daarheen, om uit de
offerdieren, door de priesters voor rein verklaard, de zoodanige uit te
zoeken, die zij noodig hadden, en met het heilige merk te doen voorzien.
Velen kochten ook aan de slachtbanken enkele stukken vleesch. De armen
bleven echter van deze plaats verwijderd, zij vergenoegden zich met het
koopen van allerlei gebak in de gedaante van dieren, dat de runderen en
ganzen, die zij niet machtig konden worden, symbolisch vervangen moest.
In de deftigste winkels zaten dienaars van priesters, die bestellingen
aannamen en op papyrus-rollen aanteekenden. Deze werden daarna in de
bureelen van den tempel met die heilige teksten beschreven, welke
de zielen der afgestorvenen moesten kennen en uitspreken, om de
onderaardsche geesten af te weren, de deuren van de onderwereld te doen
openen, en rechtvaardig bevonden te worden voor Osiris en de twee en
veertig rechters van het onderaardsch gerechtshof.

Wat er in de tempels omging, kon men buiten niet zien, want ieder
heiligdom was door een hoogen ringmuur omgeven, waarvan de zorgvuldig
geslotene en verhevene hoofdpoort alleen werd geopend, wanneer ’s
morgens vroeg of des avonds een priesterkoor naar buiten ging, om
godsdienstige hymnen te zingen ter eere van de godheid, die als Horus
opkwam en als Tum nederdaalde[1]. Zoodra de laatste tonen van het
priesterlijk avondlied waren weggestorven, werd het ledig in de
Nekropolis, want alle rouwdragenden en bezoekers der graven waren dan
gehouden in de booten te gaan en de doodenstad te verlaten. Eene groote
menigte menschen, die in feestelijken optocht aan den westelijken oever
van Thebe voet aan wal hadden gezet, spoedde zich ordeloos naar den
stroom, voortgedreven door de wachters, die bij afdeelingen dienst deden
en de graven voor roovers moesten bewaren. De handelaars sloten hunne
winkels, de Kolchyten en werklieden eindigden hun dagwerk en gingen naar
hunne woningen. De priesters begaven zich naar hunne tempels terug, en
de herbergen werden gevuld met gasten, die van verre hierheen gereisd
waren, en liever in de nabijheid van hunne afgestorvenen, voor wie zij
herwaarts kwamen, dan in de woelige stad aan den anderen oever van den
stroom verlangden te overnachten.

      [1] De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van
      het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij
      ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien
      de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den
      avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht
      was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder
      gehouden dan Horus en de andere lichtgoden.

De stemmen der zangers en klaagvrouwen waren verstomd, zelfs het gezang
der matrozen, die de talrijke booten naar den oostelijken oever van
Thebe roeiden, stierf langzamerhand weg. De avondwind bracht nu en dan
nog een enkelen toon over, en eindelijk zweeg alles. Een onbewolkte
hemel breidde zich uit over de sombere doodenstad, slechts van tijd tot
tijd verduisterd door de lichte schaduwen van vledermuizen, die elken
avond naar den Nijl vliegen om zich te laven en op muggen jacht te
maken. Na zich versterkt te hebben voor haren dagslaap, keerden de
lichtschaduwen naar hare holen en rotsspleten terug. Nu en dan gleden
zwarte gedaanten met lange schaduwen als over den bodem heen. Het waren
de jakhalzen, die op dit uur hun dorst plegen te lesschen aan de rivier,
en zich dikwijls in troepen, schier zonder vrees, vertoonden in de
nabijheid van de ganzenhokken en de geitenstallen. Het was verboden om
op deze nachtelijke roovers jacht te maken, want zij werden gehouden
voor de heilige dieren van den god Anubis, den wachter der graven[2].
Zij bleken ook weinig gevaarlijk te zijn, daar zij overvloed van
voedsel vonden in de graven. Zij toch aten de stukken vleesch die op de
offeraltaren waren neergelegd, tot groote voldoening der nabestaanden,
die meenden, wanneer zij het vleesch den volgenden dag niet meer vonden,
dat het door de onderaardsche goden goedgekeurd en aangenomen was.
Ook bleken zij betrouwbare wakers te zijn, want zij waren gevaarlijke
vijanden voor ieder, die ongeroepen, onder de bescherming van de
duisternis der nacht, in eene groeve wilde binnendringen.

      [2] Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is
      de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier.
      In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de
      onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken,
      en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes
      Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens
      Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de
      menschen.

Ook aan den zomeravond van het jaar 1352, op welke wij onze lezers
uitnoodigen de doodenstad van Thebe met ons te bezoeken, werd het
stil in de Nekropolis, nadat het priesterlijk avondlied was gezongen.
Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten
onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het
noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet
een tweede, een derde, een vierde zich hooren. De hoofdman van de wacht
riep »halt!” en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in
hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting
op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt,
die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl
was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed
en het noordelijk gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt”
gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het
hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden zij
voorwaarts en bereikten bij de pylonen[3] van den tempel, die door Seti
I, den overleden vader van den thans regeerenden koning Ramses II, was
gebouwd, de rustverstoorders.

      [3] Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden
      torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.

De maan was opgegaan en goot haar bleek schijnsel uit over het prachtig
gebouw, waarvan de buitenmuren roodachtig werden verlicht door de in
donkeren rook gehulde vlammen der fakkels, die door zwarte dienaars
werden gedragen. Een kleine dikke man, bijzonder rijk gekleed, sloeg
met de metalen greep van een zweep zoo hard tegen de met koperen platen
bekleedde tempeldeur, dat de slagen bij de nachtelijke stilte heinde en
ver werden gehoord. In zijne nabijheid stonden een draagstoel en een
wagen, met paarden van het edelst ras bespannen. In de eerste zat eene
jonge vrouw, en op den wagen stond eene aanzienlijke maagd, rijzig van
gestalte, naast den wagenmenner. Beiden waren omgeven door mannen, die
blijkbaar tot de meer bevoorrechte standen behoorden, en een aantal
dienstknechten. Er werd niet veel gesproken; de aandacht van de geheele
groep, die maar gedeeltelijk werd verlicht, scheen uitsluitend op de
tempeldeur gericht te zijn. De duisternis maakte het onmogelijk de
gelaatstrekken der bijzondere personen te onderscheiden, doch de
maneschijn versterkt door het fakkellicht was voldoende, om den portier,
die uit een der torens van den pylon op de rustverstoorders neerzag,
te doen begrijpen, dat hij met hooggeplaatste lieden, ja misschien met
leden van de koninklijke familie te doen had. Met luider stem vroeg hij
den man die geklopt had, wat hij begeerde.

Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op
meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten wij hier
op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag
dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien
wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn
en je leeren hoe men vorstelijke gasten te woord moet staan!”

De vrouw in de draagstoel rees van schrik overeind, toen zij de rust van
de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier
een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur
open te doen, richtte de vrouw op den wagen zich tot haar ongeduldigen
geleider. »Gij vergeet, Paäker,” sprak zij op welluidenden maar toch
gebiedenden toon, »dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen
hebt met wilde Shasoe[4], maar met vriendelijke priesters, van wie
wij bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten
onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder zulke
buitengewone omstandigheden ons naar dit heiligdom hebben begeven.”

      [4] Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte.

Hoewel deze woorden niet zoozeer werden gesproken om te berispen, dan
wel om leedwezen over het gebeurde uit te drukken, toch achtte zich de
kleine gevoelige man er door beleedigd. De vleugels van zijn breeden
neus begonnen zich sterk te bewegen; krampachtig omklemde hij met zijn
rechterhand de greep der zweep, en terwijl hij zich deemoedig scheen te
buigen, gaf hij een ouden Ethiopischen slaaf, die naast hem stond, zulk
een duchtigen slag op de naakte beenen, dat deze als een door de koude
verschrompeld blad ineenkromp. De arme kerel gaf echter geen kik, want
hij kende zijn meester.

Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een
jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders
verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op
den wagen stond kwam hem voor met te zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de
dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de
gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden
ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk
dal van den Nekropolis begeven, ten einde de nieuwe bouwwerken in
oogenschouw te nemen. Gij kent de smalle rotspoort dier kloof. Op den
terugweg hield ikzelve de teugels, en had het ongeluk een meisje,
dat met een korfje vol bloemen aan den weg zat, te overrijden en te
verwonden, ja zeer gevaarlijk, zoo ik vrees. Mena’s echtgenoote heeft
de kleine dadelijk met eigene handen verbonden. Wij lieten haar daarop
brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet[5], Pinem geheeten,
geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent.”

      [5] Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende.

»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?” vroeg de priester.

»Ik moest wel, heilige vader,” was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat
men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning
overschrijdt. Maar....”

»Maar,” riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte in
haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren
huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk,
misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven.”

»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet
onrein is,” viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester van de prinses,
haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat
haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te
betreden. Ik sloeg voor,” zoo vervolgde hij tot den priester, »het
meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk
te zenden.”

»En de prinses?” vroeg de priester.

»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil,” hernam de
ceremoniemeester.

»En dan doet zij altijd wat goed is,” merkte de vrouw van Mena op.

»Gaven de goden dat het zoo ware!” sprak de Prinses met zachte stem.
Zich tot den priester wendende, ging zij voort: »Gij kent den wil der
hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij
bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de
eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover
dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb.”

»Gij?” vroeg de kamerheer verbaasd.

»Ja, ik!” antwoordde de prinses op stelligen toon.

De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief
nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: »Gij hebt braaf
gehandeld. De Hathors[6] vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt
het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten
einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?”

      [6] Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den
      helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de
      hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van
      eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd
      en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later
      beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met
      vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij
      haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij
      draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven
      Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke
      werkzaamheid te verpersoonlijken.

»Zooals gij zegt!”

»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor
uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar
is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet.”

»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe[7], dicht bij.... Maar ik zal
een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel
er bijzonder veel prijs op morgen vroeg te vernemen, hoe het met de
zieke staat. ― Paäker!”

      [7] De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee
      pharao’s.

De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw
op de poort klopte, boog zich met nederhangende handen ter aarde en
vroeg: »Wat beveelt gij?”

»Ik wijs ú aan tot gids van den arts,” zeide de prinses. »Het zal den
wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te
vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want,” en hierbij
wendde zij zich tot den priester, »laat ik er maar rond voor uitkomen:
het ongeluk geschiedde, toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische
harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische,
trachtte in te halen. Het was een wild rennen.”

»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep,” sprak de ceremoniemeester.
»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is
zwaar gewond.”

»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag hij naar
zijn paard gaan kijken,” hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij
trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het
eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre
Sati-land[8]?”

      [8] Azië.

»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben,” antwoordde
de ceremoniemeester met een glimlach.

»Maar de arts, de arts!” riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft
er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den
toestand van het meisje.”

Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en
zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren
gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht
ging op weg in de richting van den Nijl. Paäker bleef alleen achter met
zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses
hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de
vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij
zich te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De
hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne
manschappen stand bij den tempelpoort.

»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?” vroeg Paäker.

»Wat moet gij bij hem zoeken?”

»Dat gaat u niet aan,” hernam Paäker.

»Lomperd!” riep de hoofdman. ― »Links om en voorwaarts, mannen!”

»Halt!” riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids.”

»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar
gij vandaan komt. ― Soldaten, voorwaarts!”

Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei stemmen.
Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den
grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen
had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels.
Beiden schreven het gegiegel, dat de ernstige rust in den doodenstad zoo
ongepast kwam storen, en hun nog steeds in de ooren ruischte, zonder dat
zij de oorzaak er van ontdekken konden, aan rustelooze geesten toe. Maar
ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat
lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche
schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de
donkere schaduw van den pylon volgende, met zijn langen stok blindelings
voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed[9], gij galgenaas,
gij aterlingen, ik zal u!”

      [9] Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van
      Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de
      disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader
      Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar
      nimmer vernietigen.

Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen in het
maanlicht voor den dag; de oude vervolgde ze al hijgende, en na eene
korte jacht vloog een troep opgeschoten knapen door de tempeldeur naar
het poortgebouw terug. Het was den wachter gelukt een dertienjarigen
misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn
kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid.

»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij
vledermuisgebroed,” riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens,
die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker
te komen, begon hem vriendelijk te vleien. Uit aller mond vernam hij
woorden van berouw, hoewel het pleizier over het gebeurde, dat niemand
hun ontnemen kon, in het oog van al die bengels stond te lezen. En toen
een van de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde
hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou
zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene
los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te wrijven, en riep nog
onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg
komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent
gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den
onderwijzer. En je wijn, vlegel, zal ik ten offer plengen, opdat de
hemel het je vergeve!”



TWEEDE HOOFDSTUK.


De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de
priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis
genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad[10].
Wat zijn grootsche aanleg betreft, werd hij enkel overtroffen door het
prachtig gebouw uit den tijd der vorstelijke dynastie, die door den
grootvader van den thans regeerenden koning werd onttroond, dat Thotmes
III had gegrondvest en waarvan Amenophis III den ingang had versierd met
ontzaglijk kolossale beelden[11]. In ieder ander opzicht echter kwam aan
het Seti-huis de eerste plaats in de Nekropolis toe. Ramses I had den
eersten steen gelegd, kort nadat het hem gelukt was zich door geweld
van den Egyptischen troon meester te maken. Zijn groote zoon Seti had
den bouw voortgezet, ten einde in dezen tempel den doodendienst voor
de zielen der afgestorven leden van het nieuwe koningshuis te doen
verrichten, en de heilige feesten ter eere van de goden der onderwereld
te vieren. Groote sommen waren ten koste gelegd aan de versiering van
het gebouw, en beschikbaar gesteld voor het onderhoud van priesters en
instellingen, die aan dit heiligdom verbonden waren. Die stichtingen,
geheel ingericht naar het model der eeuwenoude scholen van Heliopolis en
Memphis, waarin de wijsheid der priesters werd bewaard, waren bestemd
met dezen gelijken tred te houden; zij moesten Thebe, de nieuwe
residentie van Opper-Egypte, ook door de vruchten van wetenschappelijk
onderzoek boven de hoofdsteden van Neder-Egypte verheffen.

      [10] Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel
      van Qoernah.

      [11] Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende
      Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden.

Het waren inzonderheid eenige inrichtingen voor onderwijs, die het eerst
verdienden genoemd te worden[12]. Op den voorgrond stond de hoogeschool,
waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen,
beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen
onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij
den hoogsten graad van kennis bereikt en den titel van »schrijver”
ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden,
opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te
worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die zich met dezelfde
studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling
en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij
tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en
waaraan tegelijk een papyrus-fabriek verbonden was. Sommigen hunner
waren belast met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd
werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende
school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en
werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier
vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld te betalen, òf
de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar
de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de
kostkinderen van den tempel. Het waren zonen van de voornaamste
familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters
werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne
eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden.

      [12] De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van
      onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen,
      die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah
      afkomstig zijn.

Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier
zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze inrichting met volle
recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij
hooren als men hen slaat.” Knapen, die uit de lagere klassen tot de
hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen.
Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester
kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding hunner
wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven lang als
cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede examen konden
zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar
ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier
verder eene school tot opleiding van kunstenaars, waarin zoodanige
jongelingen werden onderwezen, die zich op de bouw-, de beeldhouw- of
schilderkunst wenschten toe te leggen. Ook bij deze inrichting koos elke
leerling zich zijn meester. Alle leeraars in deze scholen behoorden
tot de priesterschap van den Seti-tempel, die uit meer dan achthonderd
personen bestond. Zij waren in vijf klassen verdeeld, aan het hoofd
waarvan drie zoogenaamde profeten stonden. De eerste profeet was de
opperpriester van het Seti-huis, en tegelijk het hoofd van die duizende
hoogere en lagere dienaars der godheid, die tot de doodenstad van Thebe
behoorden.

Het eigenlijk Seti-huis was een tempel van massieven kalksteen. Eene
rij van sphinxen voerde van den Nijl tot den ringmuur en den eersten
breeden pylon, die toegang verleende tot een ruim aan twee zijden door
zuilengangen omgeven voorhof, aan het einde waarvan zich eene tweede
poort verhief, die uit twee torens bestond in den vorm van afgeknotte
pyramiden. Was men deze doorgegaan, dan bevond men zich in een tweeden
voorhof, niet ongelijk aan den eersten. De achterzijde werd hier echter
gesloten door eene breede zuilenrij, die tot den eigenlijken tempel
behoorde. Deze werd thans van binnen door het matte schijnsel van enkele
lampen verlicht.

Achter het Seti-huis stonden groote vierkante gebouwen, uit gebakken
Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men
had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde
oppervlakte beschilderd met allerlei voorstellingen en opschriften
in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze
ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren
uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden
van den hof had men een overdekten houten zuilengang aangebracht, die
tevens overdag schaduw verleende. Midden in de opene ruimte bespeurde
men een waterbekken, door sierlijke planten omgeven. De woningen der
scholieren waren op de bovenverdieping, terwijl het onderricht werd
gegeven in den hof, waarvan de tegelvloer door matten was bedekt.
Eindelijk verdient nog bijzonder de aandacht het huis van de hoofden
der profeten. Dit had een nog deftiger aanzien, en was terstond te
onderkennen aan de wimpels, die boven het dak uitwoeien. Het lag op
ongeveer honderd schreden afstands achter het Seti-huis tusschen een
goed onderhouden boschje en een helderen vijver, het heilige tempelmeer.
Die profeten hielden hier slechts tijdelijk verblijf terwille van hun
ambt, want zij woonden met vrouw en kinderen in aanzienlijke huizen,
die in de eigenlijke stad, aan gene zijde van den stroom, gelegen waren.

Het late bezoek, dat aan den tempel werd gebracht, was natuurlijk deze
kolonie van priesterlijke geleerden niet ontgaan. Evenals de mieren
onrustig heen en weer beginnen te loopen, wanneer de menschelijke hand
hun nest aanraakt, zoo had deze onverwachte beweging niet alleen onrust
te weeg gebracht onder de scholieren, maar ook onder de leeraars en
priesters. In groepen naderden zij den ringmuur. Verschillende vragen
werden gedaan en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene
koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses
Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de
losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, Paäker,
met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren
schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger
werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het
knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van ’s
mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding
met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was,
daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings,
scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge
priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den
tempel had gezien.

De levendige gesprekken, het lachen en joelen der knapen op zulk een
ongewoon uur, bleef door den opperpriester niet onopgemerkt. Deze
geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man,
gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de
oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en
wijs overleg wist te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele
land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke
gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de
bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis,
dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het
priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer hij soms aan enkele
collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men
zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere
kronkelwegen, die hij aanwees om te bewandelen, altijd tot éen doel
leidden, namelijk de verheffing van de macht en het aanzien der
hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren,
en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te
verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, zijne
oogenschijnlijk lagere betrekking vaarwel te zeggen. Immers hij zag met
minachting neer op uiterlijken glans en weidsche titels; hij waagde
het nu en dan zich bepaald te verzetten tegen de maatregelen van het
„het groote huis”[13] en liet er zich toe overhalen de onbepaalde
heerschappij over de geesten te verwisselen voor een beperkt gezag in
uitwendige aangelegenheden, die hem te nietig voorkwamen, terwijl hij
dan in dienst zou staan van den maar al te zelfstandigen pharao, die
zich niet gemakkelijk door anderen liet leiden.

      [13] Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de
      vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der
      Joden is ontstaan.

Hoewel zeer regelmatig in zijne gewoonten, had Ameni zich een geheel
bijzonderen levensregel voorgeschreven. Van elk tiental dagen vertoefde
hij er acht in den tempel, die aan zijne zorgen was toevertrouwd; de
overige twee wijdde hij aan zijn gezin dat aan den anderen Nijl-oever
woonde. Doch hij hield voor ieder, zelfs voor de zijnen verborgen, welk
gedeelte van de tien dagen hij voor zijn uitspanning dacht te nemen. Hij
had maar vier uren slaap noodig. Gewoonlijk rustte hij op den middag en
wel in een vertrek, dat stikdonker kon worden gemaakt, en waartoe geen
geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij ’s nachts; de koelte
en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes
bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing
van den helderen sterrenhemel. Aan alle ceremoniën, die zijn stand van
hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten,
onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk
beantwoordde geheel aan zijn innerlijk.

Ameni was pas zijn vijftigste jaar ingetreden. Hij was hoog van
gestalte, maar miste geheel de breedte en gezetheid, die men bij
oosterlingen op zulk een leeftijd pleegt waar te nemen. Zijn glad
geschoren schedel had een gelijkmatigen vorm en de gedaante van een
langwerpig ovaal. Zijn voorhoofd was noch breed, noch hoog, maar zijn
profiel buitengewoon fijn van lijnen. Zijne dunne droge lippen en
groote oogen, die onder zware wenkbrauwen te voorschijn kwamen, trokken
dadelijk de aandacht. Men kon ze juist niet prachtig noemen, noch
tintelend van vuur, want gewoonlijk richtte hij ze naar den grond, Maar
wanneer hij zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen,
als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer,
de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en
er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen geleken, die de
veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den
slag ter overwinning te voeren. De waardige afgemetenheid van zijne
woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij
was hem deels eigen en aangeboren, deels ook een gevolg van zijne groote
zelfbeheersching. Aan vijanden ontbrak het hem niet, maar lasteraars
waagden het zelden zich te meten met den man, die in alles hun meerdere
was.

Verwonderd over de onrust die hem stoorde, zag de opperpriester thans
van zijn arbeid op naar de voorhoven van het heiligdom. Het vertrek,
waarin hij zich bevond, was zeer ruim en luchtig. Het benedendeel van
de wanden was met fijne tegels bemetseld, het bovendeel gepleisterd en
beschilderd. Doch men kon weinig zien van het veelkleurig meesterwerk,
door den schilder der inrichting gepenseeld, want de muren waren bijna
overal achter houten kasten verborgen, waarin de schriftrollen en
wastafeltjes lagen. Eene groote tafel, eene hooge sofa met panthervel
overtrokken, waarvoor een voetbank stond en waarop men een toestel zag
met een halvemaanvormigen beugel, bestemd om er het hoofd in te laten
rusten[14]; verder verschillende stoelen, een tafeltje met bekkens en
kannen en een ander met flesschen van verschillende grootte, schalen en
doozen, maakte het ameublement uit van deze zaal, die verlicht werd door
drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie[15] gevuld. ― Ameni
droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op
zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan de breede
en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn
middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een
breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten
saamgestelde, meer dan een span breede band hing van zijn hals tot laag
op zijne naakte borst af, en zijne bovenarmen waren getooid met groote
gouden armbanden. Hij rees op van den ebbenhouten stoel, waarvan de
pooten gesneden waren in den vorm van leeuwenklauwen, en wenkte een
der dienaars, die aan den wand van het vertrek neergehurkt zaten. Deze
verstond ook zonder woorden het verlangen zijns meesters, zette hem
voorzichtig en stilzwijgend eene zwarte pruik met breede lokken op den
kalen schedel[16], en hing over de schouders een panthervel, waarvan de
kop en de klauwen met plaatgoud waren overtrokken. Een tweede dienaar
hield Ameni den metalen spiegel voor, waarin hij even een blik wierp,
terwijl hij de pruik en de dierenhuid recht schikte.

      [14] Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk
      toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt.

      [15] Ricinus-olie.

      [16] Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den
      geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea
      bewaard.

Juist wilde de derde slaaf den prelaat den kromstaf, het teeken zijner
hooge waardigheid, overhandigen, toen een priester binnentrad om den
schrijver Pentaoer aan te dienen. Ameni wenkte, en de zelfde jonge
geestelijke, met wien wij de prinses Bent-Anat bij de tempelpoort zagen
spreken, trad het vertrek binnen.

Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem
zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal
en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek voorlas: »Sta op mijn
zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo
gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust
brengt. Spreek!”

»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!” gaf Pentaoer
ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de
kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden
gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een
geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich
aanmeldde....”

»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?” vroeg de prelaat
haastig.

»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene
proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter
van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het
zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis.”

»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?”

»Zoo is het.”

»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?”

»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste
menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de
zeden in strijd is, maar....”

»=Maar=?” vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot
hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven.

»Maar,” vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt voor zich zag,
»maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra[17] in zijn gouden boot den
hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer
en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart
zijn vriendelijk licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden,
omdat hij ellendig is?”

      [17] De zonnegod der Egyptenaars.

»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken,” hernam de prelaat, »niet den
priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der
wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns
gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke
kennis, die het verledene voor u zoowel als voor mij verworven heeft,
dan eenige waarnemingen en ervaringen, die de wereld niets nieuws kunnen
aanbrengen, maar wel haar leeren, hoe men de levensvatbaarheid en de
werkende kracht van het oude moet onderhouden. Dat wat gij voor weinige
weken geleden beloofd hebt, dat heb ik voor vele jaren in het aangezicht
van het allerheiligste bezworen, namelijk: =het weten zorgvuldig te
bewaren=, als het uitsluitend eigendom der ingewijden. Want het is ’t
vuur gelijk, dat door hen die leerden er mede om te gaan tot een edel
doel wordt gebruikt, dat echter in de hand van een kind ― en het volk,
de groote menigte kan zich nimmer tot mannelijk rijpheid ontwikkelen ―
een alles vernielenden brand doet ontstaan, wanneer de woedende
en onuitbluschbare vlammen alles aantasten en vernietigen, wat de
voorgeslachten zoo schoon hebben gebouwd. Hoe echter kunnen wij
=de wetenden= blijven, en onze wetenschap onder de hoede van onzen
vreedzamen tempel in diepte en omvang doen toenemen, zonder de zwakken
en vromen in gevaar te brengen? Het is u bekend, en gij hebt gezworen
hiernaar te zullen handelen! Het is uw plicht en die van elken priester,
de groote menigte te binden aan het geloof en de inzettingen der
vaderen. De tijden zijn veranderd, mijn zoon! Onder de oude koningen was
het vuur, waarover ik tot u, dichter, zoo even sprak in een beeld, als
door metalen muren omgeven, waarlangs de menigte onwetend voorbijging.
Thans zie ik spleten in de oude omheining; de oogen der oningewijde
zinnelijke menschen zijn scherper geworden, en de een vertelt den ander
wat hij, half verblind, door die gloeiende openingen meent bespeurd te
hebben.”

Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker.
Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den dichter gericht
hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te
verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen
zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen
te dichten.”

»Mijn vader!” riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd
terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg.

De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne
schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van
gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote
overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten
gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een
hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten
wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en
koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van
zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over ’t
hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de
ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die
alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden
zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde,
bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging
werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve
zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld,
en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik
voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als
moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende
meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den
jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene
heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni’s handen zijne
schouders aanraakten.

»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog
altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En
toch” ― nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer’s
rechterhand ― »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want
ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met
buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het
onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele
boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den
jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat
hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid
herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw
gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te
verwijten? ― Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting
heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en
lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel
misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder
het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier
daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van
iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar
niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan?
Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn
menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene
dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of
maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook
feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen
verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over,
weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen
tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een
berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind
neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de
diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind
is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar
tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe
moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? ―
Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder
bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar
aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft.
Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u
een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht
namelijk om terwille van het éene ― en gij kent dat eene ― al het
andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de
bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. ― Nog iets! Zend
artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te
behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien
man?”

»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker,
in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den
weg te wijzen.”

De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker,
die waakt over de dochter van een Paraschiet!”

Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij
tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den
hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein
is!”

»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de
prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben,” hernam Ameni
weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken.”

De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde
in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden
zijn op hem zonder uitwerking gebleven.” Toen zweeg hij, liep peinzend
het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is
deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou
hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren ― ook
het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen....”

Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan
de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is
’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons
dit ontsteken, in zijn en in ons belang.”



DERDE HOOFDSTUK.


Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen.
Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te
wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen,
om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het
hart te drukken.

Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar
weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd.
De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in
welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het
land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden
zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of
in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed
met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot
lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen
te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.

      [18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk
      ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars,
      waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking
      komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en
      eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de
      papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de
      16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.

De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het
eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen.
Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een
arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen
of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke
ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der
vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten,
den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het
meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.

Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij
trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen
der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van
den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten,
hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts
had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot
de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der
kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van
den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten
zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was
waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat
geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe
aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden
met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij
te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en
bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.

Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren
mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer
aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het
Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest
toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste
schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van
een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven
was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een
buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn
grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie
tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben
gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken
moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren
en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van
droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken
juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat
schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in
het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met
Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten
geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich
overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in
de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere
hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel
van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de
vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het
magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk
uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan
op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde,
altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne
verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de
voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder
tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne
bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd
geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het
vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets
liet voorstaan.

      [19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens
      van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische
      instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies
      heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet
      tot eer.

Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot
een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden,
en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne
wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte
doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de
jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn
vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen
zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig
kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den
natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen,
wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te
maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had
gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had
Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste:
mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige
oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te
drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op
het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles,
zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht
meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner
vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn,
terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.

Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd
van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis
behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die
thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd
door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit
palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een
menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin
men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei
levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van
lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen,
slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden
stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren,
benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende
grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een
houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar
gewoonlijk sliep.

Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van
dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een
schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht
te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp
er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht
bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de
plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich
het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder
iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was
vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer,
die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen,
dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze
laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk
toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop
stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had
weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden.
In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd,
zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te
bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.

      [20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke
      messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij
      lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de
      museën worden bewaard.

Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op
den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer
gij u met verbodene dingen bezig houdt.”

»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur
genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van
den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden.”

      [21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus,
      I, 78.

»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!”
hernam de dichter.

»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”

»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn
graf?”

      [22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem
      behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te
      verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de
      handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren
      het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.

»Onzin.”

»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een
onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der
onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij
zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer
gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de
smarten der menschen te lenigen......”

»En gij niet?”

Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het
konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog
altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven
zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en
daarom wordt het eerder vernietigd!”

Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!”

»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”

»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: ― men staat mij
zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris
beweegt.”

»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk
van het behoud des lichaams.”

Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde
ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens
gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals
gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze,
zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken
zijn.”

»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet
behoeft te ontzeggen!”

      [23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn
      heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop
      voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben
      geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken.
      Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling
      en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de
      goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en
      wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i.
      de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der
      Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den
      zeer grooten heeten.

»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets,
volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand
als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”

»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, »die beter
kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”

»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of
=slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn.”

»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom
juist om er een beroep op te doen!”

»Maar zijt gij dan ziek?”

»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou
kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek
meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat...”

»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”

»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het
arme kind moet zwaar gewond zijn.”

»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de
overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”

»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”

»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder
den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”

»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij
den onreinen te vinden.”

»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”

»Pinem.”

»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de geleerde binnen ’s
monds. »Doch wie weet!”

Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en
streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het
konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist
en sprak: »Ik ben bereid.”

      [24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.

»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”

De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een
schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad,
toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst
moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. ― Maar bij
den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!”

      [25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een
      gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen
      overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is
      afkomstig uit Arabië.

Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige
vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille
studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een
schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan
drie kleederen aanhad.

Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het
overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk
heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat,
bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”

»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden,
en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest
worden.”

»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind
van een Paraschiet?”

»Voorzeker!”

»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen
weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook
weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne
dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en
stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen.
Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag
hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den
regel vergezelt.”

      [26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.

»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger
helper kiezen.”

»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust
had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet
nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit
te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27].”

      [27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele
      afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen
      het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp
      van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde
      schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.

»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan
een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels
telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”

»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en
de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen,
dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat
hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties
nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne
oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den
Nekropolis?”

»Ik meen in het noorden. ― Paäker, de gids des konings, zal u den weg
wijzen.”

»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den
kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld
worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik
had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”

      [28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in
      den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard.
      Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet,
      enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders
      gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven
      door Dümichen.

»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.

»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een
armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en
klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik
liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”

»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den
tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der
artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden
Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.



VIERDE HOOFDSTUK.


Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken
moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had
aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool
van Chennoe[29] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof,
door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen
verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op
gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en
vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te
voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van
buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30],
gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en
andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De
gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand
gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige
schuren[31] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen
de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat
ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon
men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen
aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die
aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en
behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de
aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.

      [29] Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre
      van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten,
      oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.

      [30] De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten
      vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het
      slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen,
      zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.

      [31] De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het
      best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.

De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was
opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden
altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein,
stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne
gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden,
en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen
zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur
wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen
begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van
den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe
overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met
donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen
naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den
tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd.

Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde
gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo
vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te
stellen,” zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe
naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32] in de
scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons
in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid
geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen
te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig
beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne
scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het
Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag
strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden
moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat
ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel
werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote
bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop
ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk
een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!”

      [32] Sommigen zijn bewaard gebleven.

»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten
als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het
sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?”

»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een
zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste
van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem.”

»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit Chennoe
gekomen geleerden er bij.

»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33], een
bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen
voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne
dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel,”
zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van
fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven
verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken
zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest
opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne
buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten
gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des
volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van
verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog
zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft.
Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:

    Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens
    En alleen Gij, die ’t al maakt wat geworden is.

En verder:

    Hij is eenig, alleen, zonder gelijken,
    Wonende in het Allerheiligste[34].

      [33] Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie,
      die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige
      verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.

      [34] Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te
      Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.

Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst
in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den
vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten
komen.”

»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des tempels.
»Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd.”

»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons
gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen
tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar
dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken
nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied
gezongen werd bij het feest van den trap[35].”

      [35] Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in
      de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.

»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der
Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij
anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van
anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond
bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en
veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk
ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk
bestrijden, zoolang het nog tijd is?”

»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” hernam
Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er is thans niets meer
zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met
zwaarden, maar hiermede en daarmede” ― en de levendige man sloeg zich
terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en
dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn
voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den
booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden,
en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren
begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder
schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u,
anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de
gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende
jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het
bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet.”

»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester
Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des
rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een
kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer
voor onrein en typhonisch[36] gehouden.”

      [36] Wat Typhon of Seth toebehoort.

»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het wordt hierheen
gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete
woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het
door tot onze zeden en in onze taal[37]. Onze huizen, zelfs den tempel
sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een
afstammeling....”

      [37] In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer
      vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II
      en zijn zoon Mernephtah.

»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren,
die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing uw tong en waag het niet
dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger
van Ra in deze landen den scepter voert.”

De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren
inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol
waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en
zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: ― »Ik zie dat gij in eene
stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het
evenwicht uwer zielen?”

»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte
binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden.”

»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.

»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het
noorden gekomen, die mij zeer verontrusten.”

»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”

»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden
zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses
vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht
van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den
stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem
vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste
der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de
wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers
bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden.”

Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring
gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: »Wat
denkt gij te doen?”

»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” antwoordde
Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad
tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn
allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een
besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den
stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig
bij zijne gebeden?”

»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.

»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. »Maar waarom
mis ik onzen dichter in uwen kring?”

Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat
hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor
Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den
arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden.
Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich
wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn
wagen wegbrengen.”

Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit
Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader,
zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt
den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van
aanzienlijke afkomst?”

»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester,
»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en
goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte
en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de
school[38]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden
hem op tot hetgeen hij nu is.”

      [38] Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook
      de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde
      bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen
      worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de
      Egyptenaars niet.

»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”

»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in
de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer
van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,”
gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet
Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?”

»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” sprak
Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen
nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze
zijn slaaf ware.”

»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” merkte
de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat ’s mans
oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat
heeft verzacht.”

»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester in het
midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons
voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich
gemakkelijk liet leiden.”

»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek
in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig.”

»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben.”

»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende,
gevoelige vrouw.”

»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken?
Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig
teeken huns vaders hebben gedragen.”

»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, »dan
behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!”

Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf
gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers
hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de
meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend
te maken.”

»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij letten alleen
op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De
gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en
Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op
hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander” ― en Ameni richtte bij
deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe ― »van vrijheid en
vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid
aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest
te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen
kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne
wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers.”

»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed
zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met
hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik
is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem
vervreemd.”

»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” vervolgde Ameni
weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er
van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij
naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche
gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en
hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen
van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij
voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn
vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem
tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij
op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van
een Mohar.”

»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar”[39],
zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn
ambt van hem vordert.”

      [39] Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne
      verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het
      Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in
      zijne =Voyage d’un Egyptien=.

»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken
manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de
hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de
richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De
waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder
der oorlogszaken[40] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner
troepen regelt.”

      [40] Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken.
      Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de
      gedenkteekenen voor.

»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als
schrijver.”

»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een
schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van
groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd
had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de
eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog,
dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden
bevelen had te wachten.”

»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”

»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde de
voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa,
en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had
verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de
stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader
van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd.”

»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede
vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden
koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte
nakomelingen van den zonnegod.”

»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den
stadhouder,” waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.

»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal die dragen,
zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt,
en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind
wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand
kunnen steken. ― Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden,
alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe
verordening te spreken. ― Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met
wijs overleg mijn bevel!”

De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur
achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij
zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt
bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij
dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?”

»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat.”

»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten
des rijks?”

»De hemel beware ons!”

»Maar hoe kon dan...?”

»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe den vrager
in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven,
en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen.”

»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen
had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt,
en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai
en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en
onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote
werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de
fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij
ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken
bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor
de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere
verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder
de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan
zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen.”

»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de schatmeester,
»ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert
buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd.”

»Zeker doet hij zijn best,” zeide Gagaboe spottend, »dien vader in
alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen
trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken,
maar helaas, gelijk een gans op een zwaan en een uil op een arend
gelijkt! Zijn vader was fier, hij is hoogmoedig; gene was streng maar
vriendelijk, deze is hard en ruw; de eerste onderscheidde zich door
waardigheid en volharding, deze is verwaand en onbuigzaam. ’t Is waar,
hij is godsdienstig en wij kunnen zijne gaven best gebruiken. De
schatmeester heeft reden zich hierover te verblijden, en de dadels van
een vergroeiden boom smaken zoo goed als van een rechten. Doch als ik
de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de
veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die
deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken
staan onder het bestuur van Seth, en daar binnen, dáar, dáar” ― en de
oude priester sloeg zich op zijn breede borst, ― »dáar kookt en schuimt
het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden,
geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die
vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome.”

»Hebt gij zijn hart doorgrond?” vroeg de Horoscoop.

»Zoo goed als dezen beker,” antwoordde Gagaboe, terwijl hij den rand
van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren
onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en
zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen
en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag....”

»Het is haat die u zoo doet spreken,” viel de Horoscoop den opgewonden
grijsaard in de rede.

»Haat?” herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven.
»Haat?” ― en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij
is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe
ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! Ik ken tweeërlei
soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en
deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na
een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en
gedaan als de wespen, die, ofschoon zij weten dat zij er het leven
bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele
levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te
leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er
éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is
de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit
zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht geboren worden; maar de
haat is een verwoester, en in elk hart dat er van vervuld is groeit al
wat edel is, in plaats van naar het licht, naar beneden in het donker.
De godheid kan alles vergeven, alleen dien haat niet! ― Doch er is eene
andere soort van haat, die de hemelsche goden niet ongevallig is, en
die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou
missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te
breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus
tegen Seth. De goden mogen mij straffen wanneer ik den gids Paäker,
wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen
dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt
van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de
goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk
men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens
ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. ― Ziet, Paäker’s
offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een
kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen
zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en
nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het
verderf van menschen, die hij haat.”

»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd,” sprak de Horoscoop,
»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten
op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde ik Paäker niet zelden met
innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders.”

»Gij zijt een priester, een ingewijde,” riep Gagaboe, »en helaas, gij
weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij
bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken
die Egypte bedreigen zijn bedoeld? Paäker heeft voor zijne ouders
gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne
toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw
had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft
uitmaken van zijn eigen bestaan.”

»En niettegenstaande dit alles,” hernam de Horoscoop Septah, »beoordeelt
gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren
werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige
jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was
Mena, ’s konings wagenmenner. Inderdaad, hij zou bovenmenschelijk of
onmannelijk zwak gehandeld hebben, wanneer hij den man iets goeds had
toegewenscht, door wien hem de schoone vrouw werd ontroofd, die voor hem
was bestemd.”

»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren,” vroeg een der priesters uit
Chennoe. »Eene verloving is immers heilig[41]?”

      [41] In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en
      het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau)
      heet het: „Is het niet de wet, die de een aan den ander
      verbindt?” Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den
      sarkofaag van Oennefer te Boelaq.

»Paäker,” antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was
hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje
uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner
moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel
zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien hij begeleidde op al zijne
tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van
den held, ving de laatste bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker
met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien
vorstelijk ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten einde
was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl
de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied
doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel
verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra met Nefert in het huwelijk zou
treden. Hij joeg zijne rossen bijna dood, om het doel van zijn smachtend
verlangen des te sneller te bereiken. Hoe bitter was hij teleurgesteld,
toen hij reeds in de Ramses-stad Tanis moest vernemen, dat de hem
toegezegde nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten
en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het
voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is
de toorn die ons bezielt tegen den man, die het ons betwist, ja het voor
zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen
moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te
haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun
wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij
honderden te tellen.”

»Als gij ze hebt aangenomen,” hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor
ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld.
Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die
zich voor loon laat vinden, om toe te geven aan de onreinste van alle
menschelijke driften. Nochtans, de alwijze geest, die liefderijk de
wereld regeert naar eeuwig wijze wetten, weet niets van alle deze
offers, wier geur alleen het reukorgaan van den booze prikkelt. De
schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze
stallen binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen[42], toen
hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord,
die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine
altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft
hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk
niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard,
aan een Mena boven een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij
onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe.”

      [42] Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en
      schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd.
      Roodharige menschen waren typhonisch.

»De hemelsche goden,” merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne
klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk
eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier
jaren van haar huwelijk maar enkele weken het bijzijn van haar grooten
man genoten, en zij bleef kinderloos. Het is mij een raadsel, Gagaboe,
hoe gij, die gewoon zijt de verdediging op u te nemen van anderen,
waarover wij allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste
weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen
kunt.”

»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen,” hernam de oude, »hoe
gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, ― noem hem zoo
ge wilt ― met zooveel ijver tracht vrij te pleiten.”

»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen,” zeide de Horoscoop.

»Toegegeven,” gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij zachter
begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de
opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang
onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is
goed, als hij tot het doel leidt. Voert ook de godheid ons niet vaak
door het kwade tot het heil? Maar moeten wij daarom het slechte goed
en het kromme recht noemen? Bedien u van den gids zooveel gij wilt,
vergeet echter niet, terwijl hij u door zijne gaven verplicht, hem te
beoordeelen naar zijne gevoelens en daden, wanneer gij althans aanspraak
wilt maken op den naam van ingewijden en verlichten. Laat hem al zijn
vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen,
maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en
zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles,” ― en er was
oprechtheid en hartelijkheid in den toon, waarop de grijsaard deze
woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk
dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op
den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller
duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op
te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is.”

»O mijn leermeester,” riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe
gestrengheid!”

»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man,” sprak de grijsaard,
terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te verlaten, »uw lof
zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest
gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op
zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en
snijden.”

De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de
schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der priesters uit
Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij
hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook
bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden
opgeleid. Hij meent het best, maar hij vergeet licht het groote ter
wille van het kleine. Ameni zal het u aan het verstand brengen, dat het
ook bij ons op tien, zelfs op honderd zielen niet aankomt, wanneer het
algemeen belang er mede gemoeid is.”



VIJFDE HOOFDSTUK.


De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van
het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van
den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het
donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok
begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te
zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed
breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo
rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde
werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht;
de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de
schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken.

Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden
zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde
den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu
en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende,
om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit
de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen.
De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon
waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten
voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers
en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand
behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden
overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de
breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke
dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in
zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die
druk in de weer waren met het mora-spel[43]. Ettelijke matrozen lagen te
slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier
onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden
in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den
katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken.
Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar,
bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij
droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de
waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars
trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven
van Chennoe en Soean[44] waren aangekomen, naar de plaats waar de
grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers
goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout
niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door
een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo
goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven,
hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een
sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en
heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun
dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels,
die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der
insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun
weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden
van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij
duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen
en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop
werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de
zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte
lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier
belemmerde.

      [43] Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met
      eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het
      aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat
      telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door
      de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen,
      zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli
      weergegeven in de =Leipziger Illustr. Zeitung=, 1852, s. 331, ff.

      [44] Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den
      eersten waterval.

Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het.
In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de
vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen
uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor
den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust
des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar
steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart
gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten,
van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den
ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er
op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede
menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen
vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen
schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug
afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine,
vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten
nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen.
Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee
bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op
hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den
hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat
zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte
schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone
koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand
hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid
uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen,
gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat
van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken
bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld.

Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van
Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen
door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet
gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke
waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle
daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op
eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje.
Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens
met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige
goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare
vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in
hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de
donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden
hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden
de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar
schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de
fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor
onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had
ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken
houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna
een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den
opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook
kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel,
zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten
maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde
landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het
erfdeel harer Semitische voorouders[45] en hetzelfde mocht ook gelden
van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden
doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde
plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan
de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang
prijkte[46]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met
gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare
vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig
fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd
opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van
paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde
borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van
aanzienlijke afkomst.

      [45] Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het
      schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn
      wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen
      neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.

      [46] Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun
      snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot
      koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der
      pharao’s gemist.

Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met
hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te
helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een
troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige
lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde
soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk
geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede
dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange
wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde,
gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de
schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand
verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de
dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste
onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik
in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers
werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet
deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over
onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die
voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en
soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne
kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der
middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres,
dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.

Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de
ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van
het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps
stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed.
Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige
hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de
teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en
zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van
dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens
zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u
vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel.”

»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons gevolg hier
achterlaten.”

Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg
van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne
draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed
om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde
en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met
mij gaan.”

De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de
rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij
matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert
moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar
staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had
gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en
geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand
aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had
de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene
buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd
waren[47], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.

      [47] De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias
      uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was
      haar gewijd.

»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee
hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van
gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast
die rotsholte.”

Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de
vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een
heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo
saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen,
deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan.
Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was,
ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen.
Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep
de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut.”

Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij
zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat
zulk eene daad ons verontreinigen zou.”

Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon:
»Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet.”

De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden
vertoornen en u zelve....”

Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte
Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde
toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad
door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een
paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander
gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen
het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur
van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij
echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit
somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide.
Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte.
Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen
en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te
schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud
en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te
bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan
tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar
dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat
hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare
omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet
ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden
den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder
verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof,
rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk
een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te
keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze
hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk
vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des
te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke
hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om
verschooning vraagt.

De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom
niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee
lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar
binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door
ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog
nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De
aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het
deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw
neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert
lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van
voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster
zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van
een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op
een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten
bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud,
goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in
zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen
van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht
eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan
een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en
regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen,
wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd
trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen.
Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen,
golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot
op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje
gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat
naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde
doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd,
oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het
duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk
was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen
des konings niet zelden naar Thebe kwamen.

De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de
linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde
de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of
beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres
op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen
kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere
en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van
het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te
kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij
regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met
frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete
borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze
eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt,
om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze
blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden.

Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den
rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte
hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die
door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist
zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in
schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en
ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond
zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige
woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken
op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren
geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den
opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen,
dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen
door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met
tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden.
Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad
van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen
naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn
vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig
denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou
hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid
der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren
beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van
alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren
castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige
berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen
man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het
brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den
boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets
anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten,
verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger
geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren,
hield ook hij voor zoodanig.

Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk
openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun
beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48].
Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep
koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet
was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten,
waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in
een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig
gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van
allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als
Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht
van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met
weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die,
zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten
van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder
een in ’t wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?”

      [48] Diodorus I, 91.

Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen
acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den
arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in
gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier
zonder ophouden wordt rondgewenteld.

»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich af. »Zeker
oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de
kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen
om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen
evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet
blijven met onuitwischbare vlekken?”

Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en ’s mans gelaat
scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem
schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het
hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik
op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog,
om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan,
begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen
hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in
dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij
lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel
achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op ’t
gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op
haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op
haar lijdend kind.

»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig
goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van
Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen
werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken,
hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne
reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar,” zoo ging hij denkend
voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de
borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!”

Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar
donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht
gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen
glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht
haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool
der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw
deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in
heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar
legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin
zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich
weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en
snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil
berustend en dankbaar zijn die onreinen toch,” dacht Pentaoer, en de
afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te
schieten. »Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch,
die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken
en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige ― en de godheid is
eeuwig ― is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet
lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan
woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra
openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des
verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den
lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid,
waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk
wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er
zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als
deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!”

Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het
arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van
zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld
regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te
noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en
die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken
verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden,
waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn
hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet
en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen
en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht
nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om
zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met
haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam.

Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid
des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk
eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses
zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet;
integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige
optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters
hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans
der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den
verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene
boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij
op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen
leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne
terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het
manneke. ’t Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als
zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester
vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was,
werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van
hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo
rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder
vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den
gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste
gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde
gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke
grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in
ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms
zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers
oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele
Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en
op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe
zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?”

Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte
lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met
eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch
deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden
onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde
der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen
waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij
stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een
behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele
handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor
bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind,
dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot
liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven
had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen.
Daarbij ― het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag
gebeuren ― weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en
verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses
den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en
gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij
uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!” en de uit de hut
gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de
glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en
in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos
lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw
verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide
klachten aanhieven.

Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit
visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed
hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses
beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat
voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het
hof heeft men wel wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men
zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning
bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te
plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men
hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk
een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de
moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade
wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen.”

Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze
alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat
bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de
heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen
opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was
er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken.
Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis
te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst,
en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om
bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den
pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van
de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke
gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om
zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De
artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij
gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te
kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met
liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare
hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar
toe: »Wat is zij schoon!”

De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te
glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en
als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar
kapsel en legde die op de borst van de kranke.

De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch
had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte
stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!”

De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast
het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u
zooveel smart veroorzaak.”

De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke
los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”

»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks
hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.

De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij
zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal
u verontreinigen.”

»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb
gedaan!”

»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De
hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst
vertraden! Daar, zie!” ― en hij nam den doek weg en wees op de groote
roode wond, ― »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne
kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede ― dáar!”

De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit
zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne
hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” riep hij met bevende stem, zich
zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart
zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet
opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied.
Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte
hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin
heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het
hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij
tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke
nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in
dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet
vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven
zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe
eigene ongerechtigheid!”

Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het
weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd
gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van
Pentaoer’s vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de
bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard,
priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw
is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet
opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet
mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een
kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet
vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij
de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar
haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het
noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt,
gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het
voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo
ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49], hoe zou ik het ook kunnen
zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in
aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik
verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50]. Trouwe plichtsvervulling
geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer
bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe
smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten
vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat
men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij
liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat
de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet;
maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik....”

      [49] Amon, Moeth en Choensoe.

      [50] „Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover
      door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond
      loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den
      gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij
      de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.

De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig
geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen:
»Arme man! Vergeef dan ook mij!”

De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij
antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij
uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut
ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden,
en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als
een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij
mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij
overvallen.”

»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen,
betrad de prinses uwe woning,” hernam Pentaoer.

»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare rekening
afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij
misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen
wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen
van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit
meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord
door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst
versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51], die den Nijl met
de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der
Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor
de hyena’s in het Noorderland.”

      [51] Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt
      bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd,
      en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken
      buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de
      richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en
      maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk
      verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de
      landengte van Suez.

Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd
der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere
vrouwen begonnen te klagen.

De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg
zacht: »Over wien klaagt gij?”

»Over uw armen vader,” zeide de oude.

Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid
misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij
is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat
hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond
den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het
oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop,
toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde.
Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde
hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor
grootvader, en oogzalf[52] voor u en mastiktakken[53], die gij zoolang
hebt moeten missen.”

      [52] Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds
      zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt
      werd.

      [53] De takken van den mastikboom worden nog heden, om den
      aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De
      oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men
      kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.

Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter
als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend
ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met
dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde
langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk
ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad.
Maar ― daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij
dien los, een gouden ring rolde op den grond.

Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In
een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon
terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!”

»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige was
geweest van alles wat hier gebeurde.

»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl hij de
prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen
vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer
eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een
verworpeling, laat mij u dan zegenen.”

»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen
ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke
zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het
voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf
Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten.



ZESDE HOOFDSTUK.


Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de
jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten.
De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin
van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden
van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een
verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed
schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest
toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel
achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten
laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid
opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei
hier. Wat zullen wij aanvangen?”

»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een
rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog,
dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een
beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”

De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde
ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel
klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering
deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.

»Sechet[54] woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruik van dit
schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen
doodelijk getroffen.”

      [54] De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop
      meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene
      dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als
      Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der
      zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden
      en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener
      leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der
      schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken
      zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en
      naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.

»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare
handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen
elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde
plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting
aanbood.

Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd
blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen,
die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek
over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”

Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam
en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder
wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare
gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd
ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust:
»Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!”

De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet,
terwijl hij haar den rug toekeerde.

Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot
mij!”

Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte
van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij
haar aanzag.

Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg
liever.” Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van
Mena hem op nieuw toesprak.

»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar
een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor
u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein
vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het
zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed
vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe
edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn
eigendom zou mogen noemen.”

Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het
Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging, op een toon alsof
zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu
verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te
doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel
van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om
de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen
stierf uw oom ―; gij zijt naar Azië vertrokken....”

»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die
verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den
wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?”

»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede
moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de
liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men
zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen
van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet
ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!”

»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl hij de armen
over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet
geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel
deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed
maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif
hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker
vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op
die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin
alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt.”

Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk
zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning,
dichter dan ik, en uwe moeder....”

»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden
getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen
echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de
zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en
zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij
aansprak op ’s konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met
lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena
gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was
geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter
bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen
moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem
vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn
eigen zoon. Mena heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen
verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning
zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder
gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de
gezaligden smaken in de Aäloe-velden[55], is flauw en armelijk bij de
zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar
als hemelsche goden.”

      [55] De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de
      verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de
      gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.

Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar
blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde
op zachten toon: »Daar braken de Cheta[56] den vrede! De koning toog ten
krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk,
en toen...”

      [56] De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging
      van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den
      tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.

»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan,”
vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk
van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen
van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog
eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit
den krijg, die in Azië hevig woedt.”

»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.

»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe
wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure
zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten.”

Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door
eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om
hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen
in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den
dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij
zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo
beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen
onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei
pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste,
als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de
ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig
krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte. Zij zag, zij
hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen
hoe diep ongelukkig zij was.

Paäker stond zwijgend tegenover haar.

Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten
witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met
de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo
gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk
gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw,
hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende
ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de
aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden
zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou
er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts
eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord
der liefde van hare lippen op te vangen.

Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna
onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar
stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal
mij toch een weinig water!”

»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde Paäker.

»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.

Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij
zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van
de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe
maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem
verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog
geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw
woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een
dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de
laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden
gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de
hartstochtelijke beweging van zijn bloed.

Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen
tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster
zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan
de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij
zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot
lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel
draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in
voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de andere
sprong[57]. Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te
spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de
oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander
gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de
uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig,
onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.

      [57] Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.

Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?”

Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.

»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de
zwarte tooverteekens in[58]. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem
een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker.”

      [58] Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende
      in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven =Papyrus
      magique Harris= is ongeveer uit den tijd van ons verhaal
      afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans
      uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt
      gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn
      aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.

Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen
lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een
grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij,
zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een
rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk
eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien
vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een
bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals
dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp.
Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem
niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme
bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge
gasten brengt en groote eer!”

»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te
groeten, maar een zilveren ring[59] midden onder de wortelen in haar
schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere
kom.”

      [59] De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen
      munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van
      ringen gaven.

»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij
haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder hare
oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne
kostelijke dranken.”

»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl hij een
tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.

»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere taal,
zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich
voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij
wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke
dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen?
Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw
ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude
weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke
droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of
uw vriend dan wel uw vijand ― ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij
een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u
onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet
wegnemen?”

»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.

»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet
uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!”

»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn
gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie....”

»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar in de rede.
»Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar
de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u
helpen.”

De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna
terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is
het fleschje,” zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft
moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet
bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het
water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er
vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!” ― En zij bevochtigde
hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er
toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en
dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje
niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie
gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!”

Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig
naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan
overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp het wijf nog eenige
ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere
kan vol Nijlwater.

»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het hol
weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? =Hem= zeker! Maar zijn
schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine
Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu
half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje
voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch
zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets.”

Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde,
vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd
Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het
heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden
harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.

Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide
de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de
vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha”[60].

      [60] Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.

De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar
scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig
het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw
van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar
maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde
het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden;
zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst
weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen:
»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” ― Hij was temoede
als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een
gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament
waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal
hij het verscheuren?

Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver
gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken
godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan
op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich
met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden
gestraft[61], en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar
ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd?
Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden
zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als
door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de
werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden
hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen
handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij
leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking
zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag-
en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan
zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem
bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den
lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men
het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar
den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in het
omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje
van den god Apheroe met den kop van een jakhals[62], den god die de
wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje
voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit
van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van
den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de
opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van
Osiris[63] gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit
een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon
lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood
aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen
wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de
gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de
godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen.
Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was
zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het
tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ring
tegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou
ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een
opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode
zijns vaders.

      [61] Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, =Sur un
      papyrus magique= (Revue archéol. 1863); Chabas, =Papyrus magique
      Harris=; Devéria, =Papyr judiciaire de Turin=.

      [62] Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god
      van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.

      [63] Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden
      en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar
      richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven
      was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen
      ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de
      nabijheid van Osiris te rusten.

Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al
wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en
zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken,
hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde.
Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in
staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van
zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar
duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de
nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met
stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart,
maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de
vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere
uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij
andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid
van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl
en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat
deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar
hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne
rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als
bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over
alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in
de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren
gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere
priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht
stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping
dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door
zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij
behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het
welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten
omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en
vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op
zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en
ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.

Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde
levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner
afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar
evenzoo op lange tochten en ritten door de zwijgende woestijn. Op
zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den
wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den
laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor
Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank
greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor
haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren,
dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen.
Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige
druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens
van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn
voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig
in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam
van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend
wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten,
want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met
langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun
vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk
door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten
daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen.
Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje
om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste
woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het
beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte.
Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het
fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne
metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water,
greep de schaal op en naderde zijn offer.

Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te
gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die
met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank,” zeide zij, toen zij na het
gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan!
Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij
zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”

Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare
groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig
aan zijne lippen drukte.

»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een
priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met
uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig
tegen mij te zijn; maar nu moet gij weer goed zijn, hoort ge, en ook
uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens
zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!”

Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig
wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met
een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het
is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is.”

Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker
beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank
werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!” ― Doch dit
gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk
was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht
bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren
lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich
kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk.

Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige
zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje
verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig
het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn
boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te
luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er
den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar
lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op
weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem
nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in
zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een
misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts
gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding
te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch
nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden
overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres,
strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den
liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf
was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens
dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van
Assa”[64]!

      [64] De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk.    Vert.

Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat tegen
en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den
Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De
koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als
eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in.
Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij
verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord
tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een
ure!”

De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog
toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.

Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare
groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij
de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo
bereidvaardig voor rein hebt verklaard?”

»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.

»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn
moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers,
den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij
verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!”

»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”

»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat trotsch, en
trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.

»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig
te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de
dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens
gewaad vlekkeloozer is dan het hare?”

»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam Bent-Anat,
»braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het
onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont
is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren
zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen,
wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?”

»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen
enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch
reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen.”

»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een
verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad
die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar
waarheid, wanneer gij werkelijk de man zijt waarvoor ik u tot hiertoe
heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!”

Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd
gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens
al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik
eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de
gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod,
wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door
zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou
kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch
gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine
gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van
eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof
dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar
veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het
mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt,
zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik
steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden
wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en
jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde
en dezelfde smart geboren.”

De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten
zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem
vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar
gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de
mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij
gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door
ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang
men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden
gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek
ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch
den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt
hebben! ― Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden
in de brandende zonnehitte. Volg mij!”

Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden
gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”

»Mijn naam is Pentaoer.”

»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”

»Zoo noemen ze mij.”

Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als
een bloedverwant, die wij voor het eerst van aangezicht tot aangezicht
zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want
uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen,
en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts
gevoelen. Gaarne volg ik u!”

Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en
zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als
in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de
donkere schaduwzijde van leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan
toe, »de heldere lichtzijde tevens.”



ZEVENDE HOOFDSTUK.


Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het
Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der
voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den
opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond
alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene
plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen
ontving den stoet aan de tempelpoort.

Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund
een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde
steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van
achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de
zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot,
waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een
groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen[65], die de groote ruimte met een
bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur
werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd
wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende
prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de
Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen,
waartusschen Bent-Anat naar den tempel reed. Men vroeg niet wat het
beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan
weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.

      [65] Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het
      te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in
      de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus,
      Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te
      Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het
      voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het
      uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix
      calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en
      honig.

»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter
Bent-Anat!” klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte
boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.

De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den
eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang
van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te
betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke
donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren,
gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke
weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug.
Daarop ging zij verder.

Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed
met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit,
als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid
van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze
herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen
slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij
afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en
uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?”

De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de
prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde
haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en
haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk
bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier
eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht
werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te
klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester,
wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen
Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem
was.

Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien
trotsch en afwijzend.

De aderen op Ameni’s voorhoofd zwollen; toch wist hij de
verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende
donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een
weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen
de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger ben: ‚Hebt gij deze
heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u
nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?’”

Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij
zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”

»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier
naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door
uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld.”

De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”

Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug
te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een
begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij
daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in
verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij
door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch,
die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter.
Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en
bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed
maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde
tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat’s blik den
zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart.

Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat
van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne
zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed
hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene
zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit
verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni:
»Bent-Anat!”

De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan.
Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en
den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden
uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk
eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die
de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit
zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel
vergeven worden; maar een dienaar der godheid” ― en dit zeggende zag
hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik ― »een priester, die in den
strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en
zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde
staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is
verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij....”

Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van
ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat
wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander
af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud,
waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een
voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde
te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig
medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn
mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni’s voeten neder en
zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en
Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef
mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein.”

Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht,
verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja
met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar,
geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in
wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar
naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar
schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door
welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het
allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon
ontvangen.

Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder
zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren
naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een
gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het
gebeurde onder de menigte verbreid.

De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de
doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde
Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten,
niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des
konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone
Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht.
Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich
vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest
van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder
vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte
en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en
zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die
weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten,
was de raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen
de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden
al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst
door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het
schelden en smijten met steenen.

In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen.
Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider
werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen
tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden
en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot
midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?”
vroeg hij luid en kalm.

Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls
herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.

Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf
opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft
bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den
geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de
vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden,
opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen.”

Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief
het omhoog[66]. De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan,
en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied
verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u
door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de
dochter van Ramses.”

      [66] Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden
      der Egyptenaars wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren
      in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met
      juistheid aldus: „Het sistrum is van boven rond gebogen, en
      de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden
      gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen zij het beeld van
      eene kat met een menschengezicht; onder de vier beweegbare
      staafjes plaatsen zij aan de eene zijde het gezicht van Isis
      en aan de andere zijde dat van Nephthys.” Boven op een bronzen
      sistrum in het museum te Berlijn is de kat aanwezig; bij andere
      exemplaren vindt men gewoonlijk aan het einde van den steel
      maskers van Hathor. In het sanctuarium van den tempel dezer
      godin te Dendera werd eene afbeelding van het heilige sistrum op
      eene in het oog vallende plaats aangebracht.

Na dit gesproken te hebben ging hij in den voorhof terug, en de
tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxen door naar
den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.

Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een
koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk.
Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte
zal in opstand komen als deze onzinnigen.”

Ameni trad achterwaarts. Bent-Anat schikte langzaam de teugels in haar
hand. Intusschen spiegelde haar oog zich in dat van den dichter, die,
geleund tegen een der deurpijlers, als in verrukking naar haar opzag.
Zij liet met opzet haar zweep op den grond vallen, in de hoop dat hij
die oprapen en haar overhandigen zou; doch hij bemerkte het niet. Een
looper sprong toe en gaf het voorwerp aan de prinses, wier paarden
ongeduldig trappelden en onder gehinnik zich in beweging zetten.

Pentaoer bleef als aan den pijler genageld staan, totdat het geratel
der over de steenplaten van de sphinxenlaan rollende wagenwielen
langzamerhand wegstierf, en de weerschijn van het gloeiend avondrood de
oostelijke bergen kleurde met zachte purperen tinten. De klank van den
slag op een metalen bekken, die in de verte kon worden gehoord, wekte
den dichter uit zijne afgetrokkenheid. Hij bracht zijn linkerhand aan
zijn hart en drukte de rechter tegen zijn voorhoofd, als wilde hij
daarmede zijne her en der dwalende gedachten verzamelen. Het klankbekken
riep hem tot zijn plicht, en wel tot de lessen in de redekunst die hij
op dit uur voor de jonge priesters moest houden. Zwijgend richtte hij
uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem
wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp
te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn
hart zich bezig met hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén
beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen;
het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den
glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid zich om
zijnentwil in het stof had geworpen. Het was hem alsof zij door die daad
hem eene nieuwe vorstelijke waarde had verleend, alsof zij door haar
blik hem met een hooger licht had beschenen, als ademde hij in reiner
lucht en als hadden zijne voeten vleugelen aangeschoten.

In zulk eene stemming verscheen Pentaoer onder zijne toehoorders.
Toen hij daar stond tegenover al die bekende gezichten, kwam hij tot
bezinning en begreep hij wat hem te doen stond. Zijn meest geliefde
leerling, de jonge Anana, overhandigde hem het boek, waarmede hij,
vier en twintig uren geleden, beloofd had voort te gaan. Leunende
tegen den wand van den hof, opende hij de papyrus-rol en tuurde op de
schriftteekens. Hij gevoelde echter dat hij niet in staat was om te
lezen. Met alle kracht greep hij zich aan, zag naar boven en trachtte
den draad weder te vinden, waar hij dien gisteren avond had afgebroken
en thans weder moest opvatten; maar het scheen hem toe dat er tusschen
gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag
zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne
leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat
tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden anders zoo welsprekenden
leeraar verwonderd aan. »Hij bidt,” fluisterde een jonge priester zijn
buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns
meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof
waaruit ze bestond dreigde te verbrokkelen.

Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn
onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam
des konings, die aan de overzijde op den wand stond geschilderd met den
titel: »de goede god.” Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze
woorden vast en legde zijne toehoorders de vraag ter beantwoording voor:
»Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?” Hij riep den eenen
priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor
zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het
woord en spraken met meer of minder waarheid en warmte. De beurt kwam
ten laatste aan Anana, die in goed gekozen woorden de doelmatige
schoonheid prees van de bezielde en onbezielde schepping, waarin zich de
goedheid van Amon[67], Ra[68], Ptah[69] en de andere goden openbaarde.

      [67] Amon, d. i. de verborgene. Hij was de god van Thebe, die,
      nadat onder zijne bescherming de Hyksos uit het Nijldal waren
      verdreven, met Ra van Heliopolis werd vereenigd, en toegerust
      met de attributen van alle overige goden. Het wezen dezer
      godheid werd hoe langer hoe meer vergeestelijkt tot dat men het,
      in de esoterische leer onder de Ramessiden, gelijk stelde met
      het eeuwig verstand, dat het heelal vervult en alles bestuurt.
      Hij is de „echtgenoot zijner moeder, zijn eigen vader en zijn
      eigen zoon.” Als „levende Osiris” bezielt hij al het geschapene,
      het vervullende met zijn geest. Het stoffelijke komt bij hem tot
      een hooger bestaan. Hij wordt „weldadig, schoon, zonder gelijke”
      genoemd, maar ook een „vernietiger van het kwade,” in wien de
      mensch met vreugd de geheime kracht vereert, die het goede
      verheft en het booze nederwerpt. Men erkent hem aan de hooge
      dubbele veder op zijn kroon. Als Amon-Chnem wordt hij afgebeeld
      met een ramskop.

      [68] Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de
      pantheïstische leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god
      die =het Al= is.

      [69] Ptah, door de Grieken Hephaistos genoemd, is de oudste
      onder de goden; de groote godheid die de grondstof der schepping
      heeft gemaakt, „die er van den aanvang geweest is;” wien de
      zeven Chnemoe als architecten helpend ter zijde staan, en die
      „de Heer der waarheid” wordt genoemd, omdat de wetten en de
      bepalingen, waaraan wat ontstaat onderworpen is, door hem zouden
      zijn ingesteld. Hij schiep ook de kiemen van het licht, staat
      daarom aan het hoofd van alle zonnegoden, en wordt schepper
      genoemd van het ei, waaruit, nadat hij de schaal had verbroken,
      zon en maan te voorschijn traden. Van daar zijn naam: „Hij die
      opent.” Hij werd voornamelijk te Memphis vereerd. De Apis was
      zijn heilig dier. In de leer der onsterfelijkheid en in de
      onderwereld treedt hij gewoonlijk op als Ptah Sokar Osiris, die
      de ondergaande zon en de afgestorvenen datgene verleent, wat zij
      behoeven om weder op te gaan en op te staan.

Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over
elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan weder toestemmend
knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne
denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame
valken op de stem dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten
de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was
ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief
gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag.
Nu eens als wegsmeltende van aandoening, dan weder juichende van
verrukking, prees hij de heerlijkheid der natuur. Toen hij de eeuwige
orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des
wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en
groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen
als een kristalheldere stroom. »Zóo onvergelijkelijk,” dus besloot hij,
»is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de
Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het
getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, ziet hem overal, hij
geniet elke sekonde zijne heerlijkheid. Zoekt hem dan, en wanneer gij
hem gevonden hebt, valt voor hem neder en zingt zijn lof. Maar prijst
den allerhoogsten niet alleen uit dankbaarheid voor de heerlijkheid
van de werken zijner handen, maar vooral daarvoor, dat hij ons met de
vermogens heeft begaafd, om door hetgeen hij gemaakt heeft tot zalige
verrukking te worden opgevoerd. Beklimt de toppen der bergen en overziet
het land, dat aan uwe voeten ligt uitgestrekt; knielt neder wanneer het
avondrood gloeit als robijnen en het morgenrood gloort als de rozen;
gaat naar buiten in den nacht en ziet de sterren, hoe zij eeuwig en
zonder stoornis in onmeetbare oneindige kringen de blauwe hemelzee op
zilveren booten bevaren; neemt plaats nevens de wieg van het kind en bij
den bloemknop, en ziet hoe de moeder zich heenbuigt over haar kleine
en de heldere morgendauw op elk blaadje parelt. Maar wilt gij weten in
welke richting de stroom der goddelijke goedheid zich in den volsten
overvloed uitstort, waar de vereering van dien schepper hare rijkste
gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is
in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In
zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in
wier oppervlakten wij het schoone driemaal schoon aanschouwen. Dàar
reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet
de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen
en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid zelve. Dáar
bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar onder het heerlijk
ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige
god en de knop ontplooit zich tot een wonderbloem. Dáar breidt de
dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in
de armen van een god die ― hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! ―
die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden
hulpbehoevend opziet als ellendige bedelaars.”

Het klankbekken, dat het einde van het uur aankondigde, brak zijne
rede af. Pentaoer zweeg en haalde diep adem. Gedurende eenige minuten
verroerde zich geen zijner leerlingen. Eindelijk legde de dichter de
papyrus-rol uit zijne hand, veegde zich het zweet van zijn gloeiend
voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof,
die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op
den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde.
Hij zag om. Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe
hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de
harp ontbrak.”

Deze woorden van Ameni troffen het opgewekt gemoed van den dichter, als
ijs dat op de borst van een koortslijder wordt gelegd. Hij wist wat deze
toon in de stem zijns meesters te beteekenen had, want zoo pleegde hij
slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had
hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken.

»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben,” ging de
opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te
spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het
mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen
onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope
waar op de open markt aan ieder aan.”

»Gij snijdt met messen,” zeide Pentaoer.

»Als ze maar scherp zijn,” hernam de opperpriester, »en de onreine
vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt
jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat
rechtbuigen en veredelen, maar als het gewone ooft op den grond, dat
vergif wordt voor de kinderen die het oprapen, al ware de boom waarvan
het viel ook nog zoo heilig. Niettegenstaande de meeste der ingewijden
hunne stemmen er tegen verhieven, namen Gagaboe en ik u onder ons op.
Dankbaar en vol geestdrift hebt ge mij gezworen, de wet op het mysterie
in eere te zullen houden. Heden heb ik u voor het eerst uit den vrede
der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het
veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?”

»Ik heb gedaan,” antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam
waarheid en recht te zijn.”

»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is
waarheid?”

»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht,” zeide Pentaoer; »maar mijne
ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den
onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij
zich in mij werkzaam toont....”

»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der
godheid!”

»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander,
zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?”

»Als de menigte u hoorde,” viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich
plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn
binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet
en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou
dragen.”

»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en
te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de
menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar
toonde....”

»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans.”

»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn.”

»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!”

»Ameni!”

»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet,
die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning,
ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst een =bevestiger=
der wet te zijn. Voor haar moet zich niet minder de wetende buigen dan
de gemeene man, dien wij leeren blindelings te gelooven. Als een vader
sta ik voor u, die u van uwe kindsheid heeft lief gehad, en van geen
zijner leerlingen grootere verwachtingen heeft gekoesterd dan van u. Is
het dan wonder, dat ik u noch weder verliezen, noch de hoop die ik op u
stelde prijs geven wil? Maak u gereed morgen ochtend vroeg onze stille
woning te verlaten. Gij hebt uw leeraarsambt verbeurd. Het werkelijke
leven zal u in de school nemen, en u eerst rijp maken voor de
waardigheid van een ingewijde, die u door mijn toedoen te vroeg werd
verleend. Gij zult uwe leerlingen verlaten zonder afscheid van hen te
nemen, hoe zwaar u dit ook vallen mag. Als het Sothis-gesternte[70] zal
zijn opgegaan, komt gij mijne nadere aanwijzing halen, want gij zult in
de eerstvolgende maanden de priesters in den tempel van Hatasoe hebben
te leiden, ten einde bij de vervulling van dit ambt onder mijne oogen
het vertrouwen terug te winnen, dat gij verbeurd hebt. Geen tegenspraak!
Heden nacht ontvangt gij mijn zegen en onze volmacht; de opkomende
zon zult gij begroeten op de terrassen van de nieuwe plaats uwer
werkzaamheid. De Onuitsprekelijke moge zijn wet diep in uwe ziel
prenten!”

      [70] De heilige Sirius of het Hond-gesternte, dat aan Isis
      geheiligd was. De omloop van dit gesternte stemde in den tijd
      der pharao’s overeen met het ware astronomische jaar en kon
      den Egyptenaars daarom reeds vroeg tot grondslag voor de
      tijdrekening dienen.

               *       *       *       *       *

Ameni begaf zich naar zijne vertrekken. Daar ging hij rusteloos op
en neer. Op eene kleine tafel lag een spiegel. Hij keek in de glad
gepolijste oppervlakte van het metaal en legde het weder op dezelfde
plaats neder, als had hij een vreemd gelaat gezien, dat hem niet beviel.
Wat hij in de laatste ure had doorleefd was wel in staat geweest hem te
schokken, en zijn vertrouwen op menschen en toestanden te doen wankelen.
De priesters aan gene zijde van den Nijl waren de geestelijke raadgevers
van Bent-Anat. Hij had de prinses altijd hooren roemen als eene vrome,
zeer begaafde jonkvrouw. Haar onvoorzichtig breken met de aloude
inzetting scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om een lid
van de familie van Ramses openlijk te deemoedigen. Doch nu moest hij
voor zichzelf bekennen, dat hij deze jonge vrouw te laag geschat, dat
hijzelf onhandig, ja misschien onverstandig jegens haar gehandeld had.
Want hij kon het zich geen oogenblik ontveinzen, dat hare spoedige
omkeering veeleer een gevolg was geweest van eene opwelling van haar
innig medelijden, misschien zelfs van eene neiging haars harten, dan van
de erkentenis, dat zij verkeerd had gehandeld. Alleen in geval zij zich
schuldig gevoelde, kon hij zonder gevaar van hare overtreding gebruik
maken.

De opperpriester stond bovendien niet hoog genoeg om vrij te zijn van
ijdelheid, en juist zijn eergevoel was diep beleedigd door dezen
fieren tegenstand van de prinses. Toen hij Pentaoer beval haar te gaan
bestraffen, had hij gehoopt diens eerzucht te prikkelen door het trotsch
gevoel van macht te hebben over de machtigen der aarde. ― En nu?
Hoe had de jongeling, die hem met zooveel geestdrift bewonderde, de
leerling, van wien hij meer dan van eenig ander mocht verwachten, zijn
proef doorgestaan! Zijn levensideaal, de onbeperkte heerschappij van de
priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen,
zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling
niet begrepen.

Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier,” sprak Ameni bij zichzelf,
»als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de
zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van
Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters,
die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door
gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er
van voor zichzelf leeren inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt,
wordt een tyran!” ― »Pentaoer’s dichterlijke ziel,” zoo dacht hij
verder, »heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van
Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog
begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens
lippen de zoete taal vloeit van Techoeti[71]! Zij mogen elkander niet
wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses.”

      [71] Toth-Hermes. Zie boven.

Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus voorzettende:
»Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen
twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik
voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en
mijn streven. ― Mesoe[72] werd afvallig, en Pentaoer moest hem volgen!
Is mijn doel dan waarlijk slecht, daar het voor de edelen geene
aantrekkelijkheid schijnt te bezitten? Maar neen! Deze gevoelen dat zij
uit eene betere stof zijn gevormd dan hunne lotgenooten. Zij stellen
zichzelf de wet en huiveren het hoogere te zien opgaan in het lagere. Ik
denk er echter anders over, vermeng mij als eene ijzerhoudende beek van
den Libanon met den grooten stroom en verf dien met mijne kleur.”

      [72] De Egyptische naam van Mozes, dien wij als een tijdgenoot
      van Ramses mogen aanmerken, daar de uittocht der Joden onder
      zijne opvolgers geschiedde.

Aan het eind van den loop zijner gedachten bleef Ameni staan. Toen riep
hij een der zoogenaamde heilige vaders, zijn geheimschrijver, en zeide:
»Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle priestercollegiën van
het land. Deel hun mede, dat de dochter van Ramses zich zwaar vergrepen
heeft tegen de wet door zich te verontreinigen, en schrijf hun voor, dat
men openlijke ― versta mij goed: openlijke! ― gebeden uitspreke voor
hare reiniging in alle tempels. Leg mij den brief binnen een uur ter
onderteekening voor! Doch neen, geef mij uwe pen[73] en uw palet; ik zal
de verordening =zelf= opstellen!”

      [73] De Egyptenaars schreven met dunne rietjes, die in
      schrijftafeltjes geborgen werden.    Vert.

De heilige vader overhandigde hem het schrijfgereedschap en trad terug
naar den achtergrond van het vertrek. Ameni prevelde: »De koning wil
ons ongehoord geweld aandoen. Best! Dit schrijven zij de eerste pijl in
antwoord op zijn lansworp.”



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Over de aan gene zijde der Nekropolis van Thebe gelegen stad der
levenden was de maan opgegaan. In de door pylonen en rijen sphinxen
verbonden tempelgebouwen, die zich wel een uur ver langs den Nijloever
uitstrekten, waren de laatste tonen der avondliederen weggestorven, maar
in de stad scheen nu het leven eerst recht te ontwaken. De weldadige
koelte die op de hitte van den zomerdag volgde, lokte de burgers naar
buiten, vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan de
schenktafels, waar zij onder het drinken van bier of wijn of frisch
vruchtennat luisterden naar de verhalen van een sprookjesverteller. Vele
der meer eenvoudige lieden hurkten in kringvormige groepen op den grond
en zongen het referein mede van een of ander lied, dat een middelmatig
zanger voordroeg bij den klank eener handtrommel en de tonen der fluit.

Ten zuiden van den tempel van Amon lag het koninklijk paleis en in de
nabijheid verhieven zich, te midden van meer of minder groote tuinen,
de huizen der rijksgrooten waaronder zich éen vooral door pracht en
omvang onderscheidde. Paäker, de koninklijke gids, had het door een der
bekwaamste bouwmeesters, na den dood zijns vaders, doen optrekken op de
plaats waar het vervallen huis zijner voorouders stond, in de hoop van
zijn nichtje Nefert er binnen te kunnen leiden als zijne echtgenoote.
Weinige schreden verder oostwaarts lag een ander, niet minder deftig
gebouw, maar dat er ouder en niet zoo sierlijk uitzag. De koninklijke
wagenmenner Mena had het van zijn vader geërfd. Terwijl hijzelf in het
verre Syrische land in de tent des konings als diens lijfwacht verblijf
hield, werd het bewoond door zijne gemalin Nefert en hare moeder
Katoeti. Voor de poorten van beide huizen stonden dienaars met brandende
fakkels, wachtende op de lang verbeidde terugkomst hunner gebieders.

De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom door
een muur werd omgeven, was buiten verhouding tot de overige gebouwen
pronkerig hoog en met allerlei bont schilderwerk bedekt. Ter linker- en
rechterzijde rezen twee cederstammen omhoog als masten om de wimpels te
dragen. Hij had ze met opzet voor dit doel op den Libanon doen vellen
en met een schip naar Pelusium aan de noordoostelijke grens van Egypte
laten brengen. Vandaar waren zij langs den Nijl naar Thebe gebracht.
Ging men deze eerste poort door[74], dan kwam men in een ruimen
geplaveiden hof, met gangen die alleen van achteren afgesloten waren, en
waarvan de daken door dunne houten zuilen werden gedragen. Hier stonden
de paarden en wagens van den gids; hier woonden zijne slaven en werd de
voorraad van veldvruchten bewaard, die men in een maand noodig had. In
den achterwand van dezen hof voor de huishouding was weder eene poort,
doch minder hoog, waardoor men in den tuin kwam. Deze was beplant met
rijen goed onderhouden boomen en wijnstokken langs latwerk geleid, met
boschjes van verschillende heestergewassen, bloem- en groentebedden.
Palmen, sykomoren en acacia’s, de vijg, de granaat, de jasmijn, ja alles
tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht op
het werk van den hovenier. Bovendien was er in den grooten vijver midden
in dezen aanleg nooit gebrek aan water om de bedden en boomwortels te
begieten, want hij werd gevoed door twee kanalen, waarin de door ossen
in beweging gebrachte schepraderen, dag en nacht het water uit den Nijl
opvoerden.

      [74] Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de
      voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van
      Egyptische grootte in de groeven van Tel-el-Amarna, afgebeeld
      door Lepsius in zijne =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=.
      Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een
      tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het museum van Boelaq,
      door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke
      aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot
      voorbeeld het huis met een tuin. „Gij hebt voor u,” zegt hij,
      „een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw
      tuingrond omheind; sykomoren hebt gij in kringen geplant, ze
      keurig schikkende over het gansche erf van uw huis. Gij vult uw
      hand met alle bloemen die uw oog aanschouwt. Toch gebeurt het,
      dat gij ten laatste van alles verzadigd wordt.”

Aan de rechterzijde van dezen tuin zag men het woonhuis. Het was maar
éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en bestond uit eene enkele
rij van vertrekken en kamers. Bijna elk vertrek had zijne eigene deur,
die op eene door dunne houten zuilen gedragen veranda uitkwam, welke
langs de geheele tuinzijde van het huis doorliep. Bij dit gebouw sloten
zich rechthoekig een aantal voorraadschuren aan, waarin de vruchten
en groenten, die uit den tuin werden ingezameld, de wijnkruiken, de
geweven stoffen, dierenhuiden, leder, en andere bezittingen van dien
aard werden geborgen. In een afzonderlijk vertrek, waarvan de muren uit
stevig gehouwen steenen waren opgetrokken, werd de schat zorgvuldig
bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf in den krijg hadden
verworven, bestaande in gouden en zilveren ringen, dierenbeelden en
vaatwerk. Het ontbrak hier ook niet aan baren koper en edelgesteenten,
vooral lazuursteen en stukken malachiet. ― Midden in den tuin was eene
rijke versierde kiosk aangebracht en eene kapel met godenbeelden. In
de laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers
voorvaderen, in de gedaante van een als mummie ingewikkelden Osiris[75].
Het eene beeld verschilde slechts van het ander, doordat de aangezichten
portretten van de overledenen voorstelden.

      [75] De afgestorvene, die gerechtvaardigd is, wordt na zijn dood
      Osiris, dat is: hij komt tot volledige eenheid (Henosis) met de
      godheid. De Osiris-mythe vindt men in al hare onderdeelen weder
      in de letterkundige nalatenschap der Egyptenaars. Plutarchus
      deelt haar volledig mede. De inhoud is, met voorbijgang van
      hetgeen niet tot de hoofdzaak behoort, de volgende: Isis en
      Osiris beheerschen gelukkig en zegen verspreidend het Nijldal.
      Typhon (Seth) verleidt Osiris om in een kist te gaan liggen; hij
      sluit die met zijn zeventig helpers en zet haar in den Nijl,
      die haar noordwaarts in zee voert. Zij landt aan den oever van
      Byblos. Isis zoekt die kist weeklagende, vindt haar en brengt
      haar naar Egypte terug. Terwijl zij haar zoon Horus opzoekt,
      vindt Typhon het lijk, snijdt het in veertien deelen en strooit
      die over het land. Intusschen is Horus opgegroeid; deze
      bestrijdt en overwint Typhon, zonder hem te dooden, en geeft aan
      zijne moeder haar echtgenoot en aan zijn vader, die gedurende
      zijn schijnbaren dood in de onderwereld heeft geheerscht, zijn
      troon op aarde weder. Deze zinrijke mythe was een beeld van den
      cirkelloop der natuur, van de loopbaan der zon en van het lot
      der menschelijke ziel. De scheppende kracht der natuur en de
      volheid van den Nijl worden door de droogte, het zonlicht door
      de duisternis, de mensch door den dood, het goede beginsel door
      het booze, de waarheid door den leugen schijnbaar vernietigd,
      hoewel zij allen in de lente (de tijd waarop de Nijl begint te
      wassen), aan den morgen, in een ander leven en op den dag der
      wedervergelding zegepralen, evenals Osiris door Horus de
      overwinning op Typhon heeft behaald.

De linkerzijde van den hof voor de huishouding was thans in duisternis
gehuld. Toch vergunde de maneschijn vele donkere, slechts met een schort
gekleede gestalten te onderscheiden. Het waren de slaven van den gids,
die in groepjes van vijf of zes op den grond hurkten, of op dunne matten
van palmbast, hunne vrij harde bedden naast elkaar lagen. Op eenige
afstand van de poort, aan de rechterzijde van den hof, brandden eenige
lampen; zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden,
die korte witte rokken droegen in den vorm van hemden, en op een tapijt
waren neergehurkt rondom een nauwelijks twee voet hooge tafel. Zij
gebruikten hun avondmaal, bestaande in eene gebradene antiloop en groote
platte broodkoeken. Zij werden bediend door slaven, die bekers van
gebakken aarde vulden met geelachtig bier. De hofmeester sneed
het groote gebraad op tafel, reikte den tuinman een stuk van een
antilopenbout toe en zeide[76]: »De armen doen mij zeer; dat
slavengespuis wordt van dag tot dag luier en brutaler.”

      [76] Grieken en Romeinen berichten, dat de Egyptenaars zoo
      verzot waren op satyre en bijtende scherts, dat zij goed en
      leven op het spel zetten, om aan hun lust tot spot bot te kunnen
      vieren. De aanstootelijke afbeeldingen in de zoogenaamde kiosk
      van Medinet Haboe, caricaturen op een papyrus, enz. bevestigen
      deze getuigenis. Merkwaardig is eene plaats bij Flavius Vopiscus
      (Ed. Peter II, p. 208 c. 7), een Latijnschen geschiedschrijver
      uit den tijd van Diocletianus, die de Egyptenaars bijna met de
      Franschen vergelijkt. „Zij toch zijn,” zegt hij „gelijk men
      genoeg weet, winderig, lichtgeraakt, opgeblazen, beleedigend en
      zeer ijdel, vrij, uitermate begeerig naar nieuwtjes, makers
      van verzen en stekelige gezegden, sterrenduiders, wichelaars,
      geneeskundigen.”

»Ik zie het aan de palmen,” zeide de tuinman. »Gij hebt zooveel stokken
noodig, dat hunne bladerkronen zoo kaal worden als ruiende vogels.”

»Wij moeten doen als onze meester,” zeide de stalmeester, »en ons staven
van ebbenhout aanschaffen. Die houden het wel honderd jaren uit!”

»In elk geval langer dan de beenderen van menschen,” zeide lachend de
opperste veehoeder, die van Paäker’s landgoed in de stad was gekomen
om offervee, boter en kaas af te leveren. »Wanneer wij onzen heer in
alles wilden nadoen, dan hadden wij eerlang niet anders dan lammen en
kreupelen in huis.”

»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen heeft stuk
geslagen,” zeide de hofmeester. »’t Spijt me van hem, want hij was een
knap mattenvlechter. De oude heer sloeg zachter.”

»Dat zult gij wel weten!” riep een fijn stemmetje, dat zich spottend
achter de schransende bedienden liet hooren.

Zoodra zij omkeken barstten zij in lachen uit, toen zij den zonderlingen
gast zagen, die hun ongemerkt genaderd was. De pas aangekomene was een
gedrochtelijk kereltje, zoo groot als een knaap van vijf jaren, met een
waterhoofd en ouwelijke maar scherp geteekende gelaatstrekken. De meeste
aanzienlijke Egyptenaren hielden er voor hunne liefhebberij huisdwergen
op na, en dit kleine schepsel moest als zoodanig de vrouw van Mena
dienen. Men noemde hem Nemoe, d. i. dwerg, ontzag hem wegens zijne
scherpe tong, maar zag hem toch gaarne, want hij werd voor zeer
verstandig gehouden en kon aardig vertellen.

»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren,” zeide de kleine; »ik neem niet
veel ruimte in. Voor uw bier en uw gebraad hebt gij niet te vreezen,
want mijn maagje is zoo klein als een vliegekop.”

»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard,” riep de kok.

»Zij zwelt,” hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd wordt door
een roerstokdraaier en een lepelzwaaier van uw soort, ja dat zeg ik!”

»Wees ons dan welkom,” sprak de hofmeester. »Wat brengt ge mede?”

»Mijzelf.”

»Dan brengt gij niet veel groots.”

»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen,” antwoordde de
dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, en de
stadhouder, die ons zooeven bezocht, hebben mij uitgezonden om te
vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. Hij begeleidde de prinses
en Nefert naar de doodenstad en de vrouwen zijn nog niet wedergekeerd.
Wij beginnen ongerust te worden, want het is reeds laat.”

De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De maan staat
reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang te huis
zijn.”

»De maaltijd was gereed,” zuchtte de kok; »ik zal nog eens aan den
arbeid moeten gaan, wanneer hij ten minste den ganschen nacht niet
uitblijft.”

»Maar dat zal hij niet,” verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt immers
de prinses Bent-Anat.”

»En mijne meesteres,” voegde de dwerg er bij.

»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben,” zeide de tuinman
lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij gisteren op hun
weg in de doodenstad geen woord gewisseld hebben.”

»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos is op de
vrouw, die met hem verloofd was en een ander tot man heeft genomen?
Wanneer ik aan de ure denk, waarin hij vernam hoe Nefert hare
trouwbelofte had verbroken, wordt ik nog heet en koud tegelijk.”

»Zorg tenminste hiervoor,” spotte de dwerg, »dat gij ’t in den winter
warm en in den zomer koud hebt.”

»Aller dagen avond is nog niet gekomen,” riep de stalmeester. »Paäker
vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, dat hij Mena,
hoe hoog hij ook staat, den schimp hem aangedaan dubbel betaalt....”

»Mijne meesteres Katoeti,” viel Nemoe den stalmeester in de rede, »is
thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon te incasseeren.
Overigens wenscht zij reeds sedert lang de oude vriendschap met uw
huis op nieuw aan te knoopen, en ook de stadhouder spreekt van
verzoening. ― Geef mij een stuk gebraad, hofmeester, ik heb honger.”

»De buidel, waarin Mena’s inkomsten vloeien,” zeide de kok lachend,
»schijnt mager te zijn.”

»Mager! Mager!” hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe geestigheid. Geef
mij nog een stuk gebraad, hofmeester. Hier, slaaf, schenk mij een dronk
bier in!”

»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een vliegekop?”
riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de krokodillen in den
heiligen vijver van het zeeland[77]. Ge schijnt me afkomstig te zijn uit
de verkeerde wereld, waar de menschen zoo klein zijn als de vliegen en
de vliegen zoo groot als de reuzen uit den voortijd!”

      [77] Thans Fajoem, alwaar bij den tempel van den god Sebek te
      Krokodilopolis, versierde heilige krokodillen onderhouden en
      rijkelijk gevoed werden.

»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was,” meesmuilde de dwerg, terwijl
hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw afgunst, die mij niet eens
een derde stuk vleesch gunt, ― ja dát, meen ik, wat de hofmeester, dien
Zefa[78] zegene met rijke bezittingen! daar juist van den rug der
antiloop snijdt.”

      [78] De godin van den overvloed.

»Daar neem ’t, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!” sprak
de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor mijzelf bestemd, en
bewonder uw fijnen neus.”

»Ja die neuzen,” zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter dan een
Horoskoop wat er in een mensch zit.”

»Dat is wat fraais!” riep de tuinman.

»Kraam je wijsheid maar uit,” zeide de hofmeester weder. »Als ge wat te
zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden.”

»Dat kan samen gaan,” hernam de dwerg. »Luister dan! Een kromme neus,
dien ik vergelijk met den snavel van een gier, gaat nooit gepaard met
onderdanigheid. Denk aan den pharao en geheel zijn trotsch geslacht. De
stadhouder daarentegen heeft een rechten, goed gevormden, middelmatigen
neus, zooals de Amonsbeelden in den tempel. Hij is dan ook een
rechtschapen man en vol goddelijke goedheid. Hij is niet hoogmoedig, ook
niet onderdanig, maar juist zooals recht is. Hij houdt het niet met de
grootsten en niet met de kleinsten, maar met lieden van ons slag. Dat
ware een koning voor ons!”

»Een neuzenkoning!” riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur aan den
adelaar Ramses. Maar, wat zegt ge van den neus uwer meesteres Nefert?”

»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, gelijk
een tochtje de bloemblaadjes. Met haar hart is het evenzoo gesteld.”

»En Paäker?” vroeg de stalmeester.

»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande
neusvleugels. Wanner Seth het zand doet opstuiven en er een stofje in
blaast, dat hem kittelt, dan wordt hij nijdig, en zoo draagt Paäkers
neus en niets anders de schuld van uwe blauwe plekken. Zijne moeder
Setchem, de zuster mijner meesteres Katoeti, heeft een kleinen, ronden,
zachten....”

»Jou dreumes!” viel de hofmeester hem op eens in de rede, »wij hebben je
gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar als je spitse tong het
waagt onze huisvrouw aan te raken, dan grijp ik je bij den gordel en
slinger je naar het firmament, dat de sterren op je krommen bult blijven
kleven.”

Bij deze woorden stond de dwerg op, ging een paar passen achteruit en
zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig van mijn rug bij
elkaar zoeken en u de schoonste planeet schenken, uit dankbaarheid voor
uw malsch gebraad. ― Maar daar komen de wagens aan! Vaartwel, mijne
heeren, wanneer de snavel van een gier een uwer soms pakt en medesleept
naar den krijg in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe,
die de menschen en de neuzen kent!”

               *       *       *       *       *

De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof
binnen. De honden in hunne hokken begonnen vroolijk te blaffen. De
stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester
geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal
gereed te maken. Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich
van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in ’t
rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat
gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De
Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, riep zijne dienaars toe:
»de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!” wierp zich ter aarde en hief
biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten
volgden terstond zijn voorbeeld.

Er gebeurde niets in de natuur, waarop de priesterlijke leiders van het
Egyptische volk niet nauwlettend acht sloegen. Elk verschijnsel op aarde
en aan den sterrenhemel begroetten zij als de openbaring eener godheid,
en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen
tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen
der droogte, met een net van gezangen en offeranden, van processiën en
feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid
en hare vertegenwoordigers verbond.

Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars zwijgend op
de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en
luisterende naar de vrome gezangen der priesters. Zoodra de laatsten
verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij
de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen
naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de
dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den
persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid
gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen
op de voetzolen van den verachter der godheid!”

De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den
mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm
niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het
sleutelbeen verbrijzeld.”

»Hem is recht geschied,” antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid
verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den
rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den keldermeester en zeide:
»Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!”

Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond
op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had
zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren
zoon, in de armen van de kindermeid gelegd, om het naar bed te brengen.
Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer
vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die
zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten
te liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes
af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne
overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te
schreien, en toen het zich niet tot bedaren liet brengen, zette Paäker
het op den grond, knorrig zeggende: »Jou ondeugend ding!”

»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig,” zeide moeder
Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!”

»’t Kan zijn,” antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen
mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen.”

»Gij hebt ook zulke harde handen.”

»Breng den schreeuwleelijk weg!” riep Paäker de meid toe. »Ik heb met u
te spreken, moeder!”

Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar
toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, streelde zijne wangen
en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u
leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden
aan menschen toevertrouwen!”

Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat
dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen.”

»Welnu?” vroeg Setchem.

»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert
gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt
zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer
tegen.”

Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen,
waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, en aarzelend vroeg
zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij....”

»Het is mijne bepaalde wensch,” zeide Paäker op beslissenden toon, »dat
gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt.
De vervreemding heeft lang genoeg geduurd.”

»Veel te lang!” riep Setchem.

De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner
moeder, door zich naast haar neder te zetten.

»Ik wist het wel,” zeide zij, zijne hand in de hare nemende, »dat
deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader
gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst
eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon
raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood”[79].

      [79] Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn
      aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.

»Dat zijn gelukkige voorteekenen,” zeide Paäker ernstig en op een toon
van stellige overtuiging.

»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons willen
toezeggen,” riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster
en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander
willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij
behooren immers tot hetzelfde geslacht, en ik weet dat, evenals orde en
reinheid een huis voor verval bewaren en den gast verblijden, eendracht
alleen het geluk eener familie waarborgt en haar aanzien onder de
menschen ophoudt. Wat gebeurde is nu eenmaal gebeurd en worde vergeten!
Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd
aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te
krijgen.”

Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te
wandelen, terwijl Setchem verder sprak:

»Ik weet,” zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb
aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer
gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet
meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet
opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang
zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht
u naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles
bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft
dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld
van een gezin, dat prijs stelt op een onbevlekten naam, waarin alles
met wijsheid wordt geregeld en deugdelijk wordt geleefd; van een gezin
waarin ieder zijn aangewezen plaats inneemt, zijne bepaalde plichten
heeft te vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden
gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene
gade mochten schenken naar mijn hart!”

»Eene Setchem zal ik wel niet vinden,” zeide Paäker, terwijl hij zijne
moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven
uit.”

»Gij vleier!” zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar zoon met
den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en
siert zich op met stoffen uit Kaft[80], het kruidt zijne gesprekken met
Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij,
waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert...”

      [80] Phoenicië.

»Nefert is anders dan de overige vrouwen,” viel Paäker zijne moeder in
de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om
niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen.”

Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij half in
zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan
worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar,
omdat gij het waart, en omdat.... nu ja, gij weet het wel! ― Doch nu
gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot.”

Er kwam een wolk op Paäker’s voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder
bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: »Hij moge in
de woestijn versmachten, en de hyena’s van het Noorderland mogen zijn
onbegraven lichaam verslinden!”

Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar
aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast in hare
handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik
weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven
uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is
een Syrisch toovermiddel, dat hem in het verderf moet storten tegen wien
het wordt aangewend. Hoe somber staat gij te staren! Ja, het is een
toovermiddel, dat de goden haten en den booze macht geeft over ieder die
er zich van bedient. Uw vader en ik hebben u geleerd de goden te eeren.
Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen
zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen.”

»Mijne offers,” antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden.
Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld
heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg
hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek dan den naam van mijn vijand
niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik
vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!”

Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg
kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de
verzoening van heden in des te erger vijandschap overslaan. Ik zie
maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer
waardig.”

»Thans niet,” antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen
vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even
als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten.
Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare
kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!”

»De goden weten hoe ik ze liefheb,” hernam Setchem, »maar uw broeder
Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt.
Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een
zoon, dan kon ik dezen opvoeden in mijn en uws vaders geest, als
toekomstigen stamhouder en hoofd der familie. Bovendien, alles is mij
heilig, wat mijn gestorven echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er
over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat
een zoon van zijn oudsten zoon Assa’s geslacht in stand zou houden.”

»Het zal mijne schuld niet zijn,” zeide Paäker, »wanneer een zijner
wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel,
moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg
hen dan, dat de poort van mijn huis voor haar open staat! ― Nog iets!
Katoeti’s hofmeester heeft den onzen eene kudde te koop aangeboden,
niettegenstaande de veestapel op Mena’s landgoed zeer klein moet zijn.
Wat heeft dat te beteekenen?”

»Gij kent mijne zuster,” antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena’s
bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de
grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis,
en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en
dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste.”

Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne
moeder.

               *       *       *       *       *

Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon-
en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit
bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen van de tuinzijde met
eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den
achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde
stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene
fijn gelooide leeuwenhuid gespreid, en een met vrome spreuken beschreven
hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank
gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen
en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder
ook de zeven pijlen, waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!” had
gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de
hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden,
en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen[81]. Aan het hoofdeinde
van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig
door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken
van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth
en Choensoe voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk
was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken
waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en
amuletten in overvloed. Een aantal bont beschilderde kasten dienden tot
bergplaats voor de kleederen, de sieraden en de papieren van den gids.
Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den
vorm van tabouretten.

      [81] Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert.
      Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv.
      te Beni Hassan (12e dynastie).

Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht
en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij
liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den
grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een
kus op zijn verstandigen kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger
te ronken. Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem toe, toen
hij wakker werd: »Ik heb honger!” waarop de zwarte grijskop langzaam
oprees en het vertrek verliet.

Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank
uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in
eene kist, die verschillende fleschjes met heilige offeroliën bevatte.
Hij was gewoon elken avond de holten der altaren op nieuw met zulke
vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden
neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns
vaders, en kuste de voeten ervan, prevelende: »Uw wil zal geschieden! De
vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!”

Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag gebeurd
was. Eindelijk bleef hij staan met de armen over elkaar, en zag daarbij
de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten
gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op
de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de
breede borst sloeg, riep hij: »Ik, ik, ik ―!” De dog, die meende dat
zijn meester hem riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier
af, en sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij
het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft,
en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht
verschaffen. Gij echter,” ging hij voort, terwijl hij zich tot het beeld
zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan.”

Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn maaltijd
brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die
de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg knorrig: »Hoe dikwijls moet
ik bevelen, voor mij niet allerlei klaar te maken, maar slechts éen
groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?”

»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken,” antwoordde de oude neger.

»Maar heden heb ik trek in een dronk,” riep de gids. »Breng een van die
oude kruiken met rooden wijn van Kakem”[82]!

      [82] Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van
      Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid
      druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem
      (Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt.

De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht en Paäker
dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen
hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest durfde: »Anders vreet de
meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden....”

»Hou je mond!” riep zijn metgezel, »en kom in den hof want Paäker laat
ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!”

De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het innerlijk leven
van den gids hebben ingegrepen, want de man, die onder alle krijgers van
Ramses wel de matigste was, die den roes niet kende en de drinkgelagen
van zijne gezellen in het legerkamp zorgvuldig ontweek, zat heden in het
middernachtelijk uur alleen aan zijn tafel en dronk, tot het vermoeide
hoofd hem zwaar werd. Op eens herstelde hij zich. Hij liep naar zijn bed
en schoof het gordijn op zij, dat de nis aan het hoofdeinde van zijn
legerstede bedekte. Er kwam een bontbeschilderd vrouwenbeeldje van
kalksteen te voorschijn, met het hoofdsieraad en de attributen van de
godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena.
Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te
vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn
wagenmenner, en het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te
verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met
vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te
verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover en drukte eene
kus op de zachte koude steenen lippen, legde zich neer en sliep in,
zonder zich te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen
uitblusschen.

Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te
schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een
rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had
neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker
te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met
zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem
levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij
een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de
phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend
op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en
bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende
stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van
zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden
over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar
gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het
lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan
Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen
inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die
nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat
bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om
zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en
vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een
moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit
den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed
en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst
kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond,
en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in
weerwil van de goden, zijn doel na te streven.

De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene
wandeltocht was begonnen.



NEGENDE HOOFDSTUK.


De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de
nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden
met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het
koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer
bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en
voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen
niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten
gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige
plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was
zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in
een drogen nevel werd gehuld.

De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want
als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een
gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der
aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren
drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken[83] uit het leger des
konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen.
Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken
zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen,
maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te
voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning
en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het
oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen
gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een
vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in
het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten
de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over.
De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk
kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen,
koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij
toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich
ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den
stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven
uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede
de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren,
voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en
meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te
gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te
verkondigen hebben.

      [83] De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven,
      waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden
      ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor
      in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk
      geschrift van Maspero, =Du genre épistolaire chez les anciens
      Egyptiens de l’époque pharaonique=.

De stadhouder Ani hield zijn verblijf in een zijgebouw van het
koninklijk paleis. Zijne bureelen omgaven een onafzienbaar ruim plein.
In de talrijke vertrekken, die allen op het plein uitkwamen, zaten een
menigte schrijvers onder opzichters te werken. Aan de achterzijde van
den open hof zag men eene overdekte, door zuilen gedragene en van voren
geopende ruimte, die veel op eene veranda geleek. Hier was Ani gewoon
recht te spreken, beambten, boden en smeekelingen te ontvangen. Ook
heden zat hij in deze vestibule, zichtbaar voor alle aanwezigen, omgeven
door een talrijk gevolg, op een kostbaren troon. Hij liet zijn oog
gaan over de volksmenigte, bij troepen door de hooge poort in den hof
toegelaten door wachters met lange staven, die ze ook weder uitgeleide
deden. Wat hij zag en hoorde was niet zeer opwekkend, want uit elke
groep, die een schrijver omgaf, hoorde hij weeklachten opgaan. Zij
die te vertellen hadden van buit, aan hunne bloedverwanten ten deel
gevallen, waren wel te tellen. Een onzichtbare band, uit jammer en
tranen geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren
te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd
wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter
schreiden en onder het zwaaien met den sluier uitkreten: »Ach mijn man!”
»Ach mijn vader!” »Ach mijn broeder!” ― Ouders, die het bericht
ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den
hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen
sloegen zich op het hoofd en den boezem, of vielen den voorlezenden
schrijver op ’t lijf, om met eigen oogen de namen te lezen
der geliefden, die van hen waren weggerukt. Hartstochtelijke
zielsaandoeningen, hetzij dat ze uit vreugde of uit smart worden
geboren, dekken wij met een sluier, waaraan men in dien tijd geene
behoefte gevoelde.

Ter plaatse waar de klachten het luidst werden vernomen, vertoonde zich
een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het
was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu
naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen,
omdat haar echtgenoot in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij
lezen?” vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van
Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja!
hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat
slachten.”

Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep
bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: »Flinker
jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw
jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders slepen ze hem ook naar
Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de
Syrische gieren.”

De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de
vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder wees:
»Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en
bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den
stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke
zee, van al de tranen, die aan zijne oevers worden vergoten.”

Het was alsof de stadhouder deze woorden had gehoord, want hij stond van
zijn troon op, en hief als een weeklagende zijne handen omhoog. Velen
der aanwezigen merkten deze beweging op, en luide jammerkreten vervulden
het plein, dat de soldaten weder deden ontruimen, om plaats te maken
voor andere volksscharen, die zich aan de poort verdrongen.

Terwijl deze zich opnieuw rondom de schrijvers groepeerden, zat de
stadhouder Ani met kalme waardigheid op zijn troon, door zijn gevolg en
zijne schrijvers omgeven, en verleende audientie. Hij was een man van
ruim veertig jaren en ’s konings eigen neef. Ramses I, de grootvader van
den tegenwoordigen pharao, had het wettig koningshuis doen vallen, en
zich door overweldiging van de kroon der pharao’s meester gemaakt. Hij
was gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der
Hyksos[84] in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis zich
door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti
hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht te verzekeren door
Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk
hem een eenigen zoon, dien hij naar zijn vader Ramses heette. Deze prins
kon zich met alle reden op de legitimiteit beroepen, omdat zijne moeder
aldus uit het rechtmatig koningshuis afstamde; want in Egypte kon
een adellijk geslacht, zelfs dat der pharao’s, in vrouwelijke linie
voortbestaan. Seti benoemde Ramses tot zijn mederegent[85], om daardoor
allen twijfel aan de rechtmatigheid zijner heerschappij weg te nemen.
Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder Ani, die weinige
jaren jonger was dan Ramses, liet hij in het Seti-huis opvoeden; hij
beschouwde hem als zijn eigen zoon, terwijl andere leden van het
onttroonde koningshuis uit den weg geruimd of van hunne goederen beroofd
werden.

      [84] Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene
      Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij
      maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren
      beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude
      wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich
      tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd
      werden.

      [85] Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door
      Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses
      zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris
      der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen
      bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van
      Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen
      hebben verricht.

Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens zoon. De
oorlogzuchtige en grootmoedige Ramses vertrouwde hem als een broeder,
hoewel hij zich niet ontveinzen kon, dat in zijne eigene aderen minder
zuiver koningsbloed vloeide, dan in die van zijn neef. Het Egyptische
koningshuis heette van den zonnegod Ra af te stammen, en de pharao kon
zich alleen door zijne moeder, Ani daarentegen door zijne beide ouders
op zoo hooge afkomst beroemen. Doch Ramses zat op den troon, hij voerde
de teugels van het bewind met vaste hand, en dertien zonen verzekerden
zijn huis de heerschappij over Egypte naar het scheen voor eeuwig. Toen
hij na den dood van zijn krijgszuchtigen vader naar het noorden toog, om
nieuwe lauweren te plukken op het oorlogsveld, benoemde hij Ani, die als
gouverneur van de provincie Koesch[86] reeds de proef had doorgestaan,
tot stadhouder van het rijk.

      [86] Ethiopië.

Iemand van een sanguinisch temperament overschat vaak den man van een
kalmer natuur, in wiens karakter hij zich niet verplaatsen en wiens
voortreffelijke hoedanigheden hij zich niet toeëigenen kan. Vandaar dat
de neef, die zeer matig was in zijne eischen en geen hartstocht bleek te
kennen, op den oorlogzuchtigen vurigen Ramses zulk een indruk maakte.
Ani scheen vrij te zijn van alle eerzucht en ondernemingsgeest. Hij nam
de hem opgedragen waardigheid aan, na tot het uiterste zich er tegen
verzet te hebben, en er was te minder reden om hem voor gevaarlijk
te houden, daar hij vrouw en kinderen had verloren, en dus geene
nakomelingen bezat. Wat zijn uiterlijk aangaat, was hij van meer dan
middelbare grootte. Zijne trekken waren buitengewoon regelmatig, zelfs
fijn geteekend, maar zijn gelaat overigens effen en weinig beweeglijk.
Zijne heldere grijze oogen en dunne lippen deden niet blijken, dat zijn
hart van zekere neigingen was vervuld. Veeleer had hij zich gewend zijn
gezicht tot een glimlach te plooien, die nu eens wat sterker, dan weder
wat minder, over het geheel voor verschillende wijziging vatbaar was,
maar toch nooit geheel werd gemist.

Met vriendelijke welwillendheid had hij de klacht van een grondbezitter
aangehoord, wiens vee voor het leger des konings was weggehaald, en hem
beloofd deze zaak te zullen onderzoeken. De berooide man verwijderde
zich vol hoop; toen echter de schrijver, die aan de voeten van den
stadhouder zat, vroeg, aan wien het onderzoek van deze daad der beambten
moest worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn
offer te brengen; het blijft bij het gebeurde.”

De nomarch[87] van Soean, in het zuidelijk gedeelte des rijks,
verlangde de middelen tot nieuwe en noodzakelijke versterkingen van den
rivieroever. De stadhouder hoorde ’s mans levendige schildering met
welgevallen, ja met eene uitdrukking van deelneming aan, maar hij gaf
hem de verzekering, dat de oorlog alle middelen verslond en de kassen
dus ledig waren. Toch was hij geneigd een deel zijner eigene inkomsten,
wanneer deze ten minste ook niet uitbleven, ten offer te brengen tot
bescherming van het bedreigde bouwland in zijne getrouwe provincie
Soean, die hij van zijnentwege liet groeten. Zoodra de nomarch
vertrokken was, beval hij eene aanzienlijke som uit de staatskas te
nemen en den verzoeker achterna te zenden. Midden in het gesprek nu
stond hij van tijd tot tijd op, om de houding van een weeklagende aan
te nemen, opdat de bedroefden mochten weten, dat hij ook deel nam in
de verliezen die hun aangingen.

      [87] Hoofd van een nomos of provincie.

Reeds had de zon hare middaghoogte overschreden, toen men zekere onrust
bespeurde onder de volksgroepen rondom de schrijvers op het plein,
waarbij het geschreeuw van allerlei stemmen werd gehoord. Vele mannen
en vrouwen stroomden naar éen punt samen, en ook de opmerkzaamheid der
minst beweeglijke bewoners van Thebe werd getrokken door een op deze
plaats gansch ongewoon voorval. Een soldaat van de wacht dreef de
menigte uit elkaar, om doorgang te verleenen aan eene afdeeling
Libysche politie-agenten, die een gevangene over het plein naar eene
zijpoort brachten. Eer zij daar kwamen, was er reeds een bode van den
stadhouder bij hen, om te vernemen wat er gebeurd was. De overste der
veiligheidsbeambten volgde, en berichtte Ani, die op hem wachtte, onder
levendig gebaar, dat een klein mannetje, het dwergje van vrouwe Katoeti,
reeds uren lang in den hof had rondgeloopen, overal de gemoederen der
burgers vergiftigende met zijne oproerige taal.

Ani beval »den verblinde” in den kerker te werpen. Zoodra de overste
echter weg was, gebood hij zijn schrijver den dwerg vóor zonsondergang
bij hem te brengen.

Terwijl hij deze bevelen gaf, ontstond er weder eene beweging van gansch
anderen aard onder de saamgevloeide menigte. Evenals de zee, naar het
oud verhaal, ter rechter- en ter linkerzijde voor de Hebreën week,
opdat geen golf den voet der vervolgden zou bevochtigen, zoo trad het
verzamelde volk, vrijwillig maar als op hooger last, onder eerbiedige
buiging uiteen, en vormde een breeden doorgang voor den opperpriester
van het Seti-huis, die in vol ornaat, vergezeld van eenige heilige
vaders, recht op den stadhouder toeging, terwijl hij de menigte zegende.
Ani kwam hem te gemoet, boog zich voor hem en zonderde zich terstond met
hem af op den achtergrond van de zuilengaanderij.

»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd,” zeide Ameni. »Onze
onderhoorigen moeten den heerban volgen.”

»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen,” gaf de
stadhouder ten antwoord.

»En wij brood om te leven,” riep de priester.

»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den zaaitijd, de
tempelboeren te lichten. Ik betreur dit bevel, maar de koning wil het,
en ik ben de hand die moet uitvoeren.”

»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude rechten,
om voor de woestijn den weg te banen tot het bouwland”[88].

      [88] „Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de
      Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”

»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses zal nieuwe
overwinningen behalen door de uitbreiding van het leger en met de hulp
der goden.”

»Der goden, die hij beleedigt!”

»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden ongetwijfeld
met driedubbel rijke gaven. Hij verwacht stellig, dat de oorlog spoedig
ten einde zal zijn, en hij schrijft mij, dat hij voornemens is, na den
eersten slag dien hij wint, den Cheta een verdrag voor te slaan. Men
spreekt ook van een plan des konings om, na het sluiten van den vrede,
weder in het huwelijk te treden, en wel met de dochter van Chetasar den
koning Cheta.”

Tot hiertoe had de stadhouder zijne oogen naar beneden gericht, thans
sloeg hij ze op, met een glimlach, als wilde hij zich wijden aan de
vreugde, die deze berichten bij Ameni moesten verwekken. »Wat,” vroeg
hij, »zegt gij van deze plannen?”

»Ik zeg,” gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in zijne
anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed van uwe tante
en zijne moeder, dat hem recht geeft op den troon van dit land, voor
onveranderlijk rein schijnt te houden.”

»’t Is het bloed van den zonnegod!”

»Dat echter =half= in zijne en =geheel= in uwe aderen stroomt.”

De stadhouder maakte eene afkeurende beweging, en zeide zacht, met een
lachje als op het gelaat van een doode: »Wij zijn niet alleen.”

»Hier is niemand, die ons hooren kan,” hernam Ameni, »en wat ik zeide
weet zelfs ieder kind.”

»Doch zoo het den koning ter oore kwam,” fluisterde Ani, »dan....”

»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude rechten
dergenen te minachten, aan wie het vrijstaat de reinheid van het bloed
der beheerschers van dit land te onderzoeken.”

»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, heil en
kracht”[89]!

      [89] Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van
      Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.

De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen van den
pharao gehoor te geven?”

»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen vergadert, kan
alleen beslissen hoe, niet of wij dit bevel ten uitvoer zullen leggen.”

»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en toch heeft
Ramses ze terstond noodig. Het bloedige handwerk van den krijg vordert
nieuwe werktuigen.”

»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen van dit land
weet te gebruiken ten beste van het land zelf, een echten zoon van Ra!”

De stadhouder stond onbeweeglijk tegenover den opperpriester, als een
standbeeld uit metaal gegoten, en zweeg. Ameni deed zijn schepter voor
hem als voor een god ter neder zinken, en trad daarop naar den voorgrond
van de galerij. Om Ani’s mond speelde het gewone glimlachje, toen hij
hem volgde en zich weder vol waardigheid op den troon nederzette.

»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?” vroeg hij den
opperpriester.

»Mij blijft alleen nog te berichten,” antwoordde deze met luider stem,
zoodat hij door al de hier verzamelde grootwaardigheidsbekleeders
verstaan kon worden, »dat de dochter des konings Bent-Anat, zich
gisteren zwaar bezondigd heeft, en de goden in alle tempels van dit land
met offers zullen worden aangeroepen, om de onreinheid van haar weg te
nemen.”

Wederom trok eene schaduw heen over den zonneschijn op het gelaat van
den stadhouder. Nadenkend zag hij voor zich, en zeide: »Morgen zal ik
het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze aangelegenheid te
laten rusten.”

Ameni boog en de stadhouder verliet de galerij, om zich terug te
trekken in den door hem bewoonden vleugel van het koningshuis. Op zijn
schrijftafel lagen verzegelde schriftrollen. Hij wist dat zij zeer
gewichtige tijdingen voor hem inhielden, maar het was zijne gewoonte
zijne begeerten in bedwang te houden, zijne onthouding op de proef te
stellen, en als een lekkerbek het beste gerecht het laatst te laten
opdragen. Zoo las hij dan ook nu eerst de minst gewichtige brieven. Een
stomme bediende, die aan zijne voeten zat, verbrandde op een bekken met
kolen de papyrus-rollen, die zijn meester hem overgaf, en een beambte
teekende kort de hoofdpunten op, die Ani hem toeriep en straks moesten
dienen voor de verschillende antwoorden. Op een teeken van den
stadhouder verliet de beambte het vertrek, waarna Ani langzaam een brief
des konings opende. Uit het opschrift: »Aan mijn broeder Ani,” bleek,
dat hij over geene algemeene maar private aangelegenheden handelde. Van
deze regels, dit wist de stadhouder, hing het af, welke richting zijn
leven in de toekomst zou nemen. Met een lachje, dat ditmaal de onrust
van zijn gemoed voor hemzelf scheen te moeten verbergen, maakte hij het
zegelwas los, waarmede de brief, met ’s konings eigene hand geschreven,
was gesloten.

»Wat Egypte betreft,” dus schreef de pharao, »en de zorg voor mijn land,
en de hoop op een gelukkig einde van den krijg, dienaangaande liet ik u
door mijn schrijver onderrichten. Maar deze woorden gelden den broeder,
die verlangt mijn zoon te worden, en daarom schrijf ik die zelf. De
goddelijke geest van den gebieder, die in mij leeft, legt mij zoo gaarne
een onverwijld =ja= of =neen= op de lippen, dat beslist wat het beste
is. Gij nu verlangt mijn meest geliefd kind, Bent-Anat, tot vrouw, en
ik zou Ramses niet zijn, indien ik niet ronduit bekende, dat, eer ik het
laatste woord van uw brief gelezen had, een onbepaald =neen= mij van
de lippen wilde. Ik liet de sterren ondervragen, en de ingewanden der
offerdieren onderzoeken, doch zij waren tegen uw bede. Toch vermag ik
haar niet af te wijzen, want gij zijt mij dierbaar, en uw bloed is even
koninklijk als het mijne. Het is nog koninklijker, zeide mij een oud
vriend, en hij waarschuwde mij voor uw eerzucht en uwe verheffing. Toen
veranderde mijn hart, want ik zou geen zoon van Seti zijn, wanneer ik
uit ijdele bezorgdheid een vriend wilde krenken. En wie zoo hoog staat,
dat de menschen vreezen, of hij misschien ook beproeven zal Ramses boven
het hoofd te groeien, deze schijnt mij Bent-Anat waardig te zijn.
Wil haar vragen, en wanneer zij vrijwillig er in toestemt uwe vrouw
te worden, dan mag de bruiloft gevierd worden op den dag van mijne
tehuiskomst. Gij zijt nog jong genoeg om eene vrouw gelukkig te maken.
Uwe meerdere rijpheid en wijsheid zullen mijn kind voor ongeluk bewaren.
Bent-Anat mag weten, dat haar koninklijke vader uw aanzoek ondersteunt.
Offer gij echter aan de Hathors, opdat zij het hart van Bent-Anat, aan
welker beslissing wij beiden ons onderwerpen willen, gunstig voor u
stemmen.”

Onder het lezen van dezen brief was de stadhouder meermalen van kleur
veranderd. Schouderophalend legde hij dien thans op de tafel, stond op,
plaatste zich met de armen op den rug tegen een der zuilen, die de
zolderbalken van het vertrek schraagden, en keek peinzend naar den
grond. Hoe langer hij nadacht, des te minder vriendelijk werden zijne
trekken. »Eene pil met honig zoet gemaakt, zooals men die aan vrouwen
geeft”[90], prevelde hij in zich zelf. Wederom ging hij naar de tafel,
doorlas den koninklijken brief andermaal en zeide: »Men kan van hem
leeren, hoe men weigert onder den schijn van toe te stemmen, en daarbij
niet vergeet zijne edelmoedigheid te doen uitkomen. Ramses kent zijne
dochter; zij is een meisje als alle andere, en zal er zich wel voor
wachten een man te kiezen, die eens zoo oud is als zij, en die haar
vader zou kunnen zijn. Ramses wil zich onderwerpen. Ik moet mij
onderwerpen! Maar aan wien? Aan het oordeel en de keus van een
eigenzinnig kind!”

      [90] In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor
      pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor
      vrouwen.

Met deze woorden schoof hij den brief zoo wild op de tafel, dat hij er
overheen gleed op den grond. De stomme slaaf nam hem op en legde hem
weder voorzichtig op tafel. Zijn meester wierp intusschen een kogel in
een zilveren bekken. Verschillende beambten stoven naar binnen, wien
Ani beval den gevangen dwerg van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In
zijne ziel was hij boos op den koning, die daar ginds in zijn legertent
waande, hem door een bewijs zijner hoogste gunst gelukkig gemaakt te
hebben. Wien men zelf kwalijk gezind is, dien is men geneigd voor zijn
vijand te houden, en wanneer zoo iemand ons eene roos aanbiedt, dan
gelooven wij, dat hij ons die bloem niet toereikt om haar geur, maar om
haar doornen.

De dwerg Nemoe werd voor den stadhouder gebracht en wierp zich voor hem
ter aarde. Nadat Ani den beambte had bevolen heen te gaan, riep hij den
kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen u in de gevangenis te laten werpen;
sta op.”

De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij mij liet
opsluiten!”

De stadhouder keek hem verwonderd aan; Nemoe ging echter half ondeugend,
half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor mijn leven. Gij hebt het
echter niet alleen niet verkort maar verlengd, want in dien eenzamen
kerker is de tijd mij lang gevallen en zijn de minuten uren voor mij
geworden.”

»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen,” hernam de stadhouder. »Als ik
niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet in den geest van uwe
meesteres Katoeti, dan zou ik u naar de steengroeve zenden.”

»Mijne handen,” zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch niet veel
meer dan steenen voor het damspel kunnen breken. Doch mijne tong is
als water, dat den eenen boer rijk maken en den anderen zijne akkers
wegspoelen kan.”

»Men zal haar weten te beteugelen.”

»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden weg,” zeide de
dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het verstand, wie hun vleesch
en bloed naar de slachtbank voert, en van wien zij vrede en geluk hebben
te verwachten. Ik goot loog in de wonde en prees den arts.”

»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!” viel de stadhouder hem in de rede.
»Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en ik zal u voor
later tijd sparen. Al te ijverige vrienden zijn waarlijk schadelijker
dan verklaarde vijanden. Als ik u noodig heb, zal ik u roepen. Vermijd
tot zoo lang alle praatjes. Ga nu naar uwe meesteres en breng haar dezen
brief, die voor haar is aangekomen.”

»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!” riep de dwerg, terwijl hij den
voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over te brengen aan
mijne meesteres Nefert?”

»Breng haar mijn groet,” antwoordde de stadhouder. »Zeg Katoeti, dat ik
haar na den maaltijd een bezoek zal brengen. De wagenmenner des konings
heeft niet geschreven, toch is hij welvarend, zoo ik hoor. Pak je nu weg
en bedwing je tong!”

De dwerg verliet het vertrek en Ani begaf zich naar eene luchtige
galerij, waar hem zijn weelderig maal werd opgedragen, bestaande
uit vele met bijzondere zorg toebereide gerechten. Zijn eetlust was
bedorven, toch proefde hij van alle schotels en gaf over elke aan den
hofmeester, die hem bediende, zijn oordeel ten beste. Onderwijl dacht
hij aan den brief des konings, aan Bent-Anat, en of het geraden zou zijn
zich aan eene afwijzing van hare zijde bloot te stellen. Na den maaltijd
leverde hij zich over aan zijn kamerdienaar, die hem zorgvuldig schoor,
blankette, aankleedde en opsierde, en hem dan den spiegel voorhield. Hij
beschouwde zijn beeld met gespannen opmerkzaamheid, en toen hij zich
in de draagstoel zette, om zich naar zijne vriendin Katoeti te laten
dragen, kwam hij tot de overtuiging, dat hij toch nog altijd den naam
verdiende van een schoon man.

Wanneer hij nu eens aanzoek deed om de hand van Bent-Anat, en zij hem
verhoorde, wat dan? Dit was het juist wat hem bewoog tot Katoeti te
gaan, die altijd het rechte woord wist te vinden, wanneer hij in
verwarring gebracht door alles wat er voor en wat er tegen was te
zeggen, aarzelde een beslissenden stap te doen. Op haar raad had hij de
prinses tot vrouw begeerd, als een nieuw eerbewijs, als eene verhooging
van zijn inkomen, als een pand, dat zijn persoon zou beschermen. Zij had
nooit meer of minder indruk op zijn hart gemaakt, dan iedere andere
schoone vrouw in Egypte. Thans stond de fiere edele persoon voor zijne
verbeelding, en het was hem als moest hij tot haar opzien als tot een
wezen, dat hoog boven hem verheven was. Hij had er spijt van Katoeti’s
raad gevolgd te hebben, en hij begon te wenschen, dat zij het aanzoek
mocht afslaan. Een huwelijk met Bent-Anat kwam hem bezwarend voor. Hij
was te moede als een man, die een schitterend ambt tracht te verwerven,
hoewel hij weet, dat zijne krachten niet berekend zullen zijn voor de
eischen die het hem stelt. Hij had het gevoel van een eerzuchtige,
wien de koninklijke waardigheid wordt aangeboden onder voorwaarde, dat
hij de zware kroon nooit van zijn hoofd mag nemen. Doch ja, wanneer
eens wat anders gelukte ― en zijne oogen fonkelden levendig bij deze
gedachte ― wanneer het noodlot hem eens op de plaats van Ramses zette,
dan verloor die verbintenis met de prinses al dat schrikwekkende, dan
was hij ook haar onbeperkte koning, heer en gebieder, en niemand had hem
rekenschap te vorderen van hetgeen hij voor haar zijn zou en haar deed
ondervinden.



TIENDE HOOFDSTUK.


Terwijl dit alles gebeurde, had het niet stil gestaan van bezoekers
in het huis van den wagenmenner Mena. Uitwendig geleek het op Paäkers
belendend erfgoed, maar de gebouwen waren hier wat ouder, de kleuren van
het schilderwerk op zuilen en wanden waren verbleekt, en de groote tuin
werd blijkbaar niet met zooveel zorg onderhouden. Alleen in de nabijheid
van het woonhuis had men eenige rijke bloembedden aangelegd, die er
keurig uitzagen, en de opene galerij, waarin Katoeti zich met hare
dochter ophield, was inderdaad vorstelijk gemeubeld. Daar stonden
sierlijk bewerkte elpenbeenen stoelen en eene ebbenhouten tafel, die
evenals de rustbedden door vergulden voeten werd gedragen. Men zag er op
de schenktafel, de kleine tafeltjes en consoles, Syrische drinkschalen
van kunstrijken arbeid. Overal waren prachtige vazen met bloemen gevuld,
neergezet. Heerlijke geuren stegen er op uit albasten schalen, en de
vloer was bedekt met een mollig wollen tapijt, waarin de voet bijna
wegzonk. Ofschoon al deze kostbaarheden hier zonder orde schenen
bijeengebracht, lag er over het geheel toch een waas van bekoorlijkheid,
iets onbeschrijfelijk lieflijks.

De schoone Nefert lag op een rustbed uitgestrekt, spelende met eene
witte zachtharige kat. Een negerinnetje was bezig haar met een waaier af
te koelen, terwijl hare moeder Katoeti nog een afscheidsgroet gaf aan
hare zuster Setchem en diens zoon Paäker, die de galerij verlieten.
Beide hadden voor het eerst sedert vier jaren, dat was sedert Mena’s
huwelijk met de schoone Nefert, dezen drempel overschreden, en het
scheen dat de oude vijandschap zou plaats maken voor eene nieuwe
hartelijke verstandhouding en samenleving. Nadat de gids met zijne
moeder verdwenen waren achter de granaatstruiken aan den ingang van
den tuin, wendde Katoeti zich tot hare dochter en zeide: »Wie had dat
gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog altijd liefheeft.”

Nefert bloosde en sprak zacht, terwijl zij haar zijden katje met den
waaier sloeg: »Moeder!”

Katoeti lachte even. ― Zij was eene flinke vrouw van edele houding, die
met hare scherpe maar toch fijne gelaatstrekken en levendige oogen nog
altijd aanspraak mocht maken op vrouwelijke schoonheid. Zij droeg een
lang gewaad van kostbare stof, dat tot over hare enkels reikte, maar
waarvan de eenvoudige donkere kleur met opzet scheen gekozen te zijn.
In de plaats van arm- en enkelbanden, oor- en vingerringen, van een
halsketen en gouden sloten, waarvan de Egyptische dames en ook hare
dochter en zuster zich rijkelijk plachten te bedienen, had zij zich
getooid met frissche bloemen, die in den tuin van haar schoonzoon nooit
vruchteloos werden gezocht. Een gladde, gouden diadeem alleen, het
teeken harer koninklijke afkomst, bedekte van den vroegen morgen tot
den laten avond haar, voor eene schoone vrouw wel wat al te hoog maar
toch edel gevormd voorhoofd. Deze diadeem hield tevens hare lange
blauw-zwarte haren samen, die ongevlochten, alsof zij de kunstige
schikking van dit hoofdtooisel een ijdel werk achtte, over haar rug
nedervielen. Doch in het uiterlijk van deze vrouw was niets zonder
berekening, en de draagster van deze diadeem, al was haar kleed
eenvoudig en zonder kostbaar sieraad, kon er, dank zij hare koninklijke
gestalte, zeker van zijn, dat zij werd opgemerkt, dat anderen haar
kleederdracht, ja zelfs hare bewegingen zouden navolgen.

Toch had Katoeti langen tijd behoeftig geleefd; ja op het oogenblik
waarop wij haar leeren kennen, kon zij weinig haar eigendom noemen.
Immers zij leefde op het goed van haar schoonzoon als zijn gast en
bestuurderes van zijne bezittingen, terwijl zij vóor het huwelijk van
hare dochter, met hare kinderen had gewoond in een huis, dat aan hare
zuster Setchem toebehoorde. Zij was de gade geweest van haar eigen jong
gestorven broeder[91], die door zijne toomelooze praalzucht het gansche
vermogen had verkwist, dat het nieuwe koningsgeslacht hem gelaten had.
Als weduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar zwager,
als eene zuster opgenomen. Zij bewoonde een eigen huis, genoot de
inkomsten van een landgoed, dat de oudere Mohar haar had geschonken, en
liet aan haar zwager de zorg over voor de opvoeding van haar zoon, die,
zich onderscheidende door zijne schoonheid en zijn overmoed, alle
aanspraken deed gelden van een jongeling van aanzienlijke geboorte.

      [91] Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het
      oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de
      Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over.
      Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde,
      schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te
      verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met
      betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze
      constellatie.

Zulke groote weldaden zouden de trotsche Katoeti hebben neergedrukt en
beschaamd, wanneer zij er mede tevreden was geweest en zich had kunnen
voegen naar den aard en de handelwijze der gevers. Dit was echter in
geenen deele het geval. Veeleer meende zij aanspraak te kunnen maken op
eene schitterender positie. Zij voelde zich beleedigd, wanneer men haar
lichtzinnigen jongen, terwijl hij nog op school was, vermaande zich met
meer ernst op zijn werk toe te leggen, daar hij later geheel op eigene
wieken zou moeten drijven. Ook had het haar gegriefd, zoo vaak haar
zwager als het te pas kwam op zuinigheid aandrong, en haar openhartig
als hij was, herinnerde aan haar beperkte middelen en aan de onzekere
toekomst harer kinderen. Bovendien wilde zij zich gaarne gekrenkt
achten, want zij begreep op dien grond te mogen beweren, dat hare
bloedverwanten met al hunne gaven de beleedigingen haar aangedaan toch
niet goed konden maken. Bij haar bevestigde zich de ervaring, dat wij
op niemand gemakkelijker boos worden dan op een weldoener, wien wij het
goede, dat hij ons gedaan heeft, niet vergelden kunnen.

Nochtans, toen haar zwager voor zijn zoon aanzoek deed om de hand harer
dochter, gaf zij gaarne hare toestemming. Nefert en Paäker waren te
zamen opgegroeid, en door deze verbintenis werd hare eigene toekomst en
die harer kinderen, verzekerd. Kort na den dood van den ouden Mohar,
vroeg de wagenmenner Mena Nefert ten huwelijk. Zij zou hem echter hebben
afgewezen, wanneer de koning zelf niet het aanzoek van zijn bijzonderen
vriend ondersteund had. Na de bruiloft nam zij haar intrek in Mena’s
huis, en belastte zich, toen hij ten krijg trok, met de zorg voor zijn
aanzienlijke, maar reeds door zijn vader met eenige schulden bezwaarde
goederen. Het lot gaf haar nu een middel aan de hand, om zich en hare
kinderen schadeloos te stellen voor lange ontberingen. Zij maakte er
dan ook gebruik van, door toe te geven aan hare aangeborene neiging
om opgemerkt en bewonderd te worden. Haar zoon deed zij schitterend
uitgerust opnemen onder eene afdeeling van de aanzienlijke jonge
wagenstrijders, en hare dochter omringde zij met vorstelijke pracht.

Toen de stadhouder, een vriend van haar overleden gemaal, het paleis der
pharao’s te Thebe betrok, knoopte hij met haar betrekkingen aan, en de
scherpzinnige vrouw, die zich bewust was van hetgeen zij wilde, wist
zich bij den besluiteloozen man eerst aangenaam; eindelijk onontbeerlijk
te maken. Zij maakte behendig gebruik van de omstandigheid, dat zij
evenals hij gesproten was uit het oude koningshuis, ten einde zijne
eerzucht te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor
zijn vertrouwelijken omgang met haar, zelfs niet gedacht zou hebben,
zonder zich als misdadig te beschouwen. Dat Ani pogingen in het werk
stelde om de hand der prinses Bent-Anat te verkrijgen, was Katoeti’s
werk. Zij hoopte in stilte, dat de pharao den stadhouder afwijzen, ja
persoonlijk beleedigen zou. Het zou hem gemakkelijker den gevaarlijken
weg doen inslaan, die zij bezig was voor hem te effenen.

Bij dit alles was de dwerg Nemoe haar gehoorzaam werktuig. Zij had hem
met geen enkel woord in hare plannen ingewijd. Toch sprak hij hare
gemoedsaandoeningen in ronde woorden uit, die alleen door een tik met
den waaier bestraft werden. Nemoe had het gisteren voor het eerst
gewaagd te zeggen, dat, als de pharao eens niet Ramses maar Ani heette,
Katoeti dan geene koningin zou zijn, maar eene godin. Want zij zou
den pharao, die zelfs tot de hemelsche goden behoorde, niet moeten
gehoorzamen, maar hem veeleer besturen. ―

Katoeti had het blosje van hare dochter niet opgemerkt, want zij keek in
gespannen verwachting naar de tuindeur, en zeide: »Waar blijft Nemoe? Er
zullen toch voor ons wel tijdingen uit het leger zijn gekomen?”

»Mena heeft in zoolang niet geschreven,” zeide Nefert. »Ha, daar is de
hofmeester!”

Katoeti richtte zich tot den beambte, die door een zijdeur der veranda
was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws brengt gij?”

»De koopman Abscha,” luidde het antwoord, »dringt op betaling aan. De
nieuwe Syrische wagen en de purperstof....”

»Verkoop koren!” beval Katoeti.

»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog niet voldaan,
en er is reeds zooveel aan de kooplieden geleverd, dat er ter nauwernood
genoeg overblijft voor de huishouding en den zaaitijd.”

»Betaal dan met runderen.”

»Maar meesteres,” gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij hebben
eerst heden weder een kudde aan den Mohar verkocht, en de schepraderen
moeten in beweging gehouden, het koren moet gedorscht worden; voorts
hebben wij offervee noodig, en melk, boter en kaas voor het huishouden
en mest om te stoken”[92].

      [92] In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde
      koemest de voornaamste brandstof. ― Ook in sommige gedeelten van
      ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in ’t Gooi) door
      arme lieden gebruikt.    Vert.

Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch geld zijn.
Rijd naar Hermonthis, en zeg den opzichter van de stoeterij, dat hij
tien van Mena’s geelvossen hierheen laat brengen.”

»Ik heb reeds met hem gesproken,” hernam de hofmeester; »hij zegt echter
dat Mena hem streng verboden heeft een enkel van zijne paarden, op welk
ras hij zeer trotsch is, prijs te geven. Alleen voor den wagen van onze
meesteres Nefert...”

»Ik verlang gehoorzaamheid,” sprak Katoeti op beslissenden toon, terwijl
zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht morgen de
paarden!”

»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien Mena voor
onontbeerlijk houdt, en die...”

Nefert was onder dit gesprek uit hare gemakkelijke houding opgerezen.
Op de laatste woorden van Katoeti verliet zij het rustbed en zeide zóo
bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: »Men moet de bevelen van
mijn echtgenoot gehoorzamen. De paarden, die Mena lief heeft, blijven in
hunne stallen. Neem dezen armband, die de koning mij schonk, hij is meer
waard dan twintig paarden.”

De hofmeester monsterde het met edelgesteenten rijk bezette kleinood en
zag Katoeti vragend aan. Zij haalde de schouders op, gaf met een knikje
hare toestemming en zeide: »Abscha mag dit sieraad als onderpand bewaren
tot Mena’s buit hier zal zijn aangekomen. Sedert een jaar zond uw man
niets van eenige beteekenis.”

Zoodra de beambte zich verwijderd had, strekte Nefert zich weder op haar
rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij rijk waren.”

»Wij zouden het kunnen zijn,” antwoordde Katoeti bitter. Toen zij echter
bespeurde, dat Nefert’s wangen op nieuw begonnen te gloeien, vervolgde
zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt ons groote plichten op. In onze
aderen vloeit vorstelijk bloed en de oogen des volks zijn gericht op
de gemalin van den roemrijksten held in ’s konings leger. Men mag niet
zeggen, dat gij door uw echtgenoot veronachtzaamd wordt. ― Wat blijft
die Nemoe toch lang uit!”

»Ik hoor gerucht in den hof,” zeide Nefert. »De stadhouder zal komen.”

Katoeti zag weder naar den tuin. Daar zag zij een slaaf, die buiten adem
kwam aanloopen met de tijding, dat Bent-Anat, de, dochter des konings,
vóor de poort van het huis uit haar wagen gestegen en in aantocht was
met prins Rameri. Nefert verliet het rustbed, en ging met Katoeti
de hooge gasten in den tuin tegemoet. Zoodra moeder en dochter zich
neerbogen, om het kleed der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar
af en zeide: »Blijft op een afstand van mij; de priesters hebben de
onreinheid nog niet geheel van mij weggenomen.”

»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra,” riep de prins,
die haar begeleidde, terwijl hij haar kuste, eer zij het beletten kon.
Het was haar zeventienjarige broeder, die in het Seti-huis werd
opgevoed, dat hij echter binnen weinige weken verlaten zou.

»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen,” zeide Bent-Anat lachend. »Hij
wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft hij zich ten voorbeeld
genomen, Nefert. Maar ook ik had te huis geen rust, want wij komen om u
eene goede boodschap te brengen.”

»Van Mena?” vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart drukkende.

»Van hem!” antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne dapperheid en
schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor allen zal mogen
kiezen.”

Nefert sloeg op hare moeder een zegevierenden blik, en Katoeti haalde
ruimer adem. Bent-Anat streelde Nefert’s wangen, alsof zij een kind
was. Toen wendde zij zich tot Katoeti, nam haar mede in den tuin en bad
haar, die zoo vroeg hare moeder had moeten missen, in eene gewichtige
aangelegenheid te willen raden. »Mijn vader,” zeide zij, na eenige
inleidende woorden, »deelt mij mede, dat de stadhouder Ani mij tot vrouw
vraagt, en raadt mij de trouw van den waardigen man met mijne hand te
beloonen. Hij raadt, versta mij wel, hij beveelt niet.”

»En gij?” vroeg Katoeti.

»En ik,” antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen.”

»Moet gij dat?”

Bent-Anat gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Ik ben mij
volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet anders.”

»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat niemand,
zelfs niet uw vader, u van een besluit kan afbrengen.”

»Zelfs geene godheid,” zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar gij zijt
Ani’s vriendin, en daar ik hem hoogacht, wil ik trachten hem eene
vernedering te besparen. Beproef of gij hem bewegen kunt van zijn
aanzoek af te zien. Wanneer ik hem ontmoet, wil ik mij houden als wist
ik niets van zijn brief aan mijn vader.”

Katoeti zag weder peinzend naar den grond. Daarna zeide zij: »De
stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij mij door,
pratende of aan het dambord: doch ik weet niet of ik het durf wagen
over zulke gewichtige zaken met hem te spreken.”

»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken,” hernam Bent-Anat met een lachje.

»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid,” zeide
de weduwe op haar beurt. »En in dit geval vraagt een neef de hand zijner
nicht, die hem dierbaar is, en hem, gelijk hij hoopt, de tweede meest
gevreesde helft zijns levens tot de schoonste kan maken. Ani is goed en
niet hard. Gij zult in hem een echtgenoot ontvangen, die zorgvuldig op
elk uwer wenken zal letten en zich gaarne voegen naar uw vasten wil.”

Bent-Anat’s oogen helderden op en vol vuur riep zij uit: »Dat is het
juist wat mij een beslist en onveranderlijk =neen= op de lippen legt.
Omdat ik fier ben als mijne moeder, en weet wat ik wil, gelijk mijn
vader, meent gij misschien dat ik een echtgenoot begeer, dien ik
beheerschen en in alles leiden kan? Hoe weinig kent ge mij nog. Mijne
honden, mijne dienaars, mijne beambten, en zoo de godheid zulks wil,
mijne kinderen mogen mij gehoorzamen. Onderworpelingen, die mij de
voeten kussen, zijn overal op straat te vinden, en kan ik, als ik wil,
bij honderden op de slavenmarkt koopen. Wel twintigmaal is mijne hand
gevraagd en wel twintig vrijers wees ik af, niet omdat ik vreesde, dat
zij mijn trots en mijn wil konden buigen, maar omdat ik voelde tegen hen
opgewassen te zijn. De man, wien ik mijn hart wil schenken, moet hooger
staan, moet grooter, beter, sterker zijn dan ik ben. Ik wil trachten hem
achterna te fladderen, waar zijn machtige geest de wieken uitslaat, en
daarbij lachen over mijne zwakheid en vol bewondering zijne meerderheid
prijzen.”

Katoeti hoorde de jonkvrouw aan met het goedig lachje, waardoor de man
van ervaring zoo gaarne den dweper zijne meerderheid doet gevoelen, en
zeide: »In vroeger eeuwen mag er zulk een man geleefd hebben, maar zoo
gij in onze dagen op hem wachten wilt, moet gij de lok der jeugd[93]
dragen tot zij grijs wordt. Onze denkers zijn geen helden en onze helden
geen wijzen. ― Daar komt uw broeder aan met mijne Nefert.”

      [93] Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden
      van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er
      mede afgebeeld.

»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?” vroeg de prinses
dringend.

»U ten gevalle wil ik het beproeven,” gaf Katoeti ten antwoord. Daarop
keerde zij zich half tot den jongen Rameri half tot zijne zuster en
zeide: »De man die aan het hoofd staat van het Seti-huis, Ameni, was in
zijn jeugd juist gelijk gij hem hebt geschilderd, Bent-Anat. ― Zeg ons,
gij zoon van Ramses, die onder de jonge sykomoren opwast, bestemd om
eens dit land te overschaduwen, wien schat gij ’t hoogst onder uwe
metgezellen? Is er iemand onder hen, die alle anderen verre overtreft in
edelen zin en geestkracht?”

De jonge Rameri zag de vraagster aan met levendige oogen en antwoordde
lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer of minder gaarne
wat wij doen moeten, en liefst alles wat wij niet doen mogen.”

»Kent gij dan in het Seti-huis,” vroeg de weduwe verder, »geen jongeling
met een grootschen aanleg, die een Snefroe[94], een Thotmes, of ook maar
een Ameni belooft te worden?”

      [94] De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd
      nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne
      plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van
      Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later
      priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de
      oudste van alle die tot ons kwamen.

»Voorzeker!” riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen.

»En die is?” vroeg Katoeti.

»Pentaoer, de dichter!” hernam de jongeling.

Bent-Anat’s wangen werden hoog rood, terwijl haar broeder zijne woorden
nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, en alle goden
wonen in hem als hij spreekt. Dikwijls gevoelen wij veel lust om in de
schoolhoven te slapen, maar zijne woorden slepen ons mede, en al vatten
wij niet altijd wat er in zijne verhevene denkbeelden ligt opgesloten,
toch weten wij dat zij waar zijn en grootsch.”

Bent-Anat haalde bij deze woorden sneller adem, en hare oogen hingen aan
de lippen haars broeders.

»Gij kent hem, Bent-Anat,” sprak Rameri verder. »Hij was met u bij den
Paraschiet en in den voorhof des tempels toen Ameni u onrein verklaarde.
Zijn uiterlijk is schoon en indrukwekkend als dat van den god Menth[95],
en ik geloof dat hij behoort tot zeker soort van menschen, die men niet
vergeten kan, als men ze eens heeft gezien. Gisteren, toen gij den
tempel had verlaten, sprak hij als nimmer te voren. ’t Was of hij vuur
uitgoot in onze zielen. Lach niet, Katoeti. Ik voel het nog branden.
Heden morgen deelde men ons mede, dat hij uit den tempel was
overgeplaatst, wie weet waar heen, en dat hij ons vaarwel liet zeggen.
Men acht het altijd overbodig ons de gronden van zulke handelingen mede
te delen; wij weten echter meer dan de heeren denken. Hij moet u niet
streng genoeg de les gelezen hebben, Bent-Anat, en daarom zal hij uit
het Seti-huis gebannen zijn. Wij hebben echter besloten gezamenlijk
zijne terugroeping te verzoeken. De jonge Anana schrijft aan den
opperpriester een brief, dien wij allen zullen onderteekenen. Als éen
het alleen deed, zou hem dit slecht bekomen, maar als we allen tegelijk
opkomen, kunnen zij niets doen. Mogelijk zijn zij ook wel zoo verstandig
om hem terug te roepen. Zoo niet, dan beklagen wij ons allen bij onze
vaders, die tot de eersten des lands behooren!”

      [95] De krijgsgod der Egyptenaars.

»Dat heeft iets van een volledigen opstand,” zeide Katoeti. »Heertjes,
neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten niet met zich
spotten.”

»Wij ook niet,” antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer gebannen,
dan vraag ik mijn vader, of hij mij naar de school van Heliopolis
of Chennoe wil verplaatsen en de anderen zullen mijn voorbeeld
volgen. ― Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang weder in den val
zijn. Vergeving, Katoeti, zoo noemen wij de school. ― Daar komt ook uw
kleine Nemoe aan!”

Broeder en zuster verlieten den tuin. Zoodra de vrouwen, die hen
uitgeleide deden, haar den rug hadden toegekeerd, drukte Bent-Anat de
hand haars broeders met buitengewone warmte en zeide: »Pas op, dat ge
niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch is billijk, en gaarne help
ik u.”



ELFDE HOOFDSTUK.


Zoodra Bent-Anat Mena’s erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een
brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al
wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en
Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was,
zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat
voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen
bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten,” zeide zij,
terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.

Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den
brief, en zie of er niets in staat over hem?”

Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen
blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht
heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand.”

Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel
om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals
alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst
om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer
dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over
de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den
papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en
zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den
brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! ― Ik ga naar
mijne kamer, moeder!”

Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”

Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in
het huis.

Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met
geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld
van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten
jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van
wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met
het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon
in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne
spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij
ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene
aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de
inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. ―
Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had
ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie
regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken:
Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken
borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen
de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken
in Katoeti’s ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde
bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het
heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich
verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling,
die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat
zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad
ontviel.

Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer
bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en
been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij
naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti
zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit
den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er
toch gebeurd?”

Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken;
maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo
dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.

»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker.
»Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”

Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep
halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”

Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en
oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de
dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en
zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”

Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom
roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen
de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd
kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag
zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en
verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet
laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn
naijverig en hebben vermaak in ons leed.”

Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.

»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb
ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de
afgestorvenen.”

Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die
bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg
en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan!
Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen,
geene!”

»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en
zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en
geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de
kunst versta om te zwijgen.”

»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief
mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen
mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! ― Wat is dat?
De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling
ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans
niet! ― Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?”

De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en
terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige
overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis
is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt
Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den
krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten
gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen.”

»Welnu?” vroeg de dwerg.

»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor
de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw;
hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is
schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging
hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene
dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”

»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.

»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met
beide handen.

»En het andere?” vroeg Nemoe somber.

»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard
en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief
en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem
tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden
geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht
hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon
ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij
zette het zijne op ’t spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor
hij, alles! Eindelijk ― het is afgrijselijk, schier niet om uit te
spreken ― eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd
aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven
vader[96]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het
einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97],
en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de
samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”

      [96] De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die
      waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal
      het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te
      verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen
      terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch
      in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne
      nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus
      II, 136.

      [97] De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon.
      Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.

Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde
echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen zijne meesteres
wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles
nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”

Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig
Babylonische talenten”[98]!

      [98] Ongeveer 81,000 gulden.

De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg:
»Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”

»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti, »die reeds in
Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”

»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep de dwerg.
»En Mena?”

»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme
kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”

»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd
schudde. »Onmogelijk!”

»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”

»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst,
»bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw
zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den
toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u
thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend
te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit
oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet
noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te
werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de
vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen.
Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te
trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in
korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij
verkeert.”

»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”

»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft
hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten,
heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van
den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven[99]; de
aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd
zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne
geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken
hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele
schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is
volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een
dankbaar betaler zijn.”

      [99] Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn
      verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen
      al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde
      bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer
      135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger
      voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.

Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij
kent de menschen.”

»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer
gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de
uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven.”

»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. »Maar gij
weet niet wat dat beteekent! =Eer= is een woord dat de onvrije wel kan
nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u
geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst,
verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt.
O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!”

De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als
wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar
medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant,
die uit Nefert’s schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar
vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte
op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele
gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige
voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die
niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den
verheven geest zijner meesteres niet voordoet.”

»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.

»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem
u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?”

»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”

»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene
verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene
pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is
van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart.”

»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin
komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen.”

»Was ook Paäker niet bij u?”

»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij weet, hij
haat mijn schoonzoon.”

»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch als Nefert
hem wilde verbidden....”

De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel
vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.

Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten wat ge mij
hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen
peins om uw zoon te redden?”

Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen:
»Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk
openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!”

»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.

»Neen!”

»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”

»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.

Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij
mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is
alles verloren. Wat is toch die =eer=! Alle menschen komen zonder haar
ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder
haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen
hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals
de Koeschiten[100] hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel
wordt[101], dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat
zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja
ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne
moeder, die meer weet dan twintig profeten.”

      [100] Ethiopiërs.

      [101] Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners
      van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke
      mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt
      gevolgd.



TWAALFDE HOOFDSTUK.


Voordat de zon den volgenden dag was opgegaan, liet Nemoe zich met den
kleinen witten ezel, dien de overleden vader van den wagenmenner Mena
hem jaren geleden geschonken had, over den Nijl zetten. Voor zijn rit
door de Nekropolis maakte hij wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die
de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en
paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar
hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, die
het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag
hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij
maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden
tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche voogdes van twee pharao’s uit
het gevallen koningshuis, tot haar eigen aandenken en ter eere van de
godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en
reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal
der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel in
alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis
met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele
ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half
gesluierd door de witte zeilen en de langzaam optrekkende morgennevelen;
en nog verder de woonstad Thebe met hare reuzentempels, duidelijk
uitkomende tegen de oosterkim, door de opgaande zon gloeiend rood
gekleurd.

Doch de dwerg zag niets van dit heerlijk tafereel aan zijne voeten.
In gedachten verzonken, ver over den hals van zijn beest gebogen,
liet hij den hijgenden ezel naar welgevallen nu eens klimmen dan weder
stilstaan. Toen hij zoowat ter halver hoogte was gekomen, hoorde hij de
voetstappen kraken van een wandelaar, die hem langzamerhand naderde. De
man, die bedaard naar boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht
hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had
opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield
hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil en zeide
eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen
harder dan mijne vier hoeven.”

»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig,” antwoordde de arts Nebsecht,
Pentaoer’s vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde
Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om
den tragen ruiter vooruit te komen.

Juist verscheen in het oosten aan den purperen horizont de vurige
zonneschijf, en uit het heiligdom beneden hen klommen de tonen op van
een godsdienstig lied, door een veelstemmig mannenkoor aangeheven. Nemoe
liet zich van zijn ezel glijden en nam de houding van een biddende aan.
De priester volgde zijn voorbeeld, doch terwijl de dwerg aandachtig
zijne oogen richtte op de wedergeboorte van den zonnegod achter de
oostelijke bergketen, staarden de zijnen naar den grond, en een zijner
ten hemel geheven handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene
zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later
stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd.

»Een schoone morgen,” zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden
zijn heden vroeger op dan gewoonlijk.”

De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te
huis? Wie houdt er hier dwergen op na?”

»Niemand,” antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag.
Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een
priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert.”

»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt
veel,” zeide Nebsecht.

Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is....” Maar
hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens tegen het voorhoofd
en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat,
naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs
waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak
hebben. Hoe gaat het met het arme kind?”

In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die
de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, vriendelijk
antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden.”

»Den goden zij dank!” riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging.

Met verdubbelde snelheid steeg Nebsecht den berg op en weder af, en
hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de
gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne
moeder Hekt, de tooveres, van wie Paäker den liefdedrank had ontvangen.
De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene
plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt,
zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt
verstond de kunst om dwergen te maken. Dit soort van speelgoed in de
gedaante van een mensch werd goed betaald, en het kind op de
martelplank, met zijn aardig gezichtje, beloofde een kostbaar artikel te
worden.

Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over
het knaapje, nam het met plank en al in de armen, droeg het in haar hol
en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat
je nu binden.”

»Niet binden!” smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven
liggen.”

»Strek je uit!” beval de oude, en sjorde het schreiende kind met
een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een
honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen.”

Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne
lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen
het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de
godheid in eene aanvallige kinderstem heeft gelegd. »Ik zal als een
muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge
mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan
hierover.”

»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?” vroeg de oude.

»Ik zou haar den koek willen brengen,” zeide het knaapje zacht, en
tranen glinsterden in zijne oogen.

De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene
geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. Doch vóor
hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af en zeide streng:
»Blijf rustig. Straks zullen wij zien!” Zij raapte een bruinen zak van
den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar
buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op
zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk
hem zeer ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u
hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek
hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen[102].
Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijne hulp? Al dat
gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem
niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?”

      [102] Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin
      van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den
      15den en 20sten Juli zwellen zijne wateren op eens zeer
      hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van
      September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming
      haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig
      uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen,
      tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken,
      ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst
      langzaam, vervolgens steeds sneller af.

»Ik heb niets noodig,” antwoordde de dwerg, »maar....”

»Maar gij komt op last van een derde,” sprak de heks lachend. »’t Is
alles één en ’t zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan
zichzelf alleen.”

»’t Kan zijn,” hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval,
dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en
dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig.”

»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?”

Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, van
welke gedachten men zwanger ging in het huis zijner meesteres, en van de
verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De
oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet
den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij,
met bliksemende oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken
zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den
troon van een Ramses?”

»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde,” riep Nemoe;
»de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het
echte bloed van Ra.”

»Dat zegt veel,” hernam de oude.

»En vele honden zijn de dood eener gazel,” voegde Nemoe er lachend bij.

»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw,” sprak de heks
weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel.”

»Dat weten we,” antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te
winnen.”

»Of alles mede te verliezen,” mompelde de oude, terwijl zij met de
vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. »Doe echter wat ge
wilt; mij kan ’t niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld
stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge
van mij?”

»Mij zendt niemand,” antwoordde de dwerg. »Ik kom uit eigen beweging,
om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis
voor eerloosheid te bewaren.”

»Hm,” bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan,
terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog mogelijk
oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge het lot der grooten
zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?”

De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede
meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat
afvallen.”

De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen lach:
»Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! ― Gij voert ook
nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze
opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne
vingers niet stil kunnen houden en dag aan dag elk deeg kneden, overal
schuiven, wrijven, iets maken moeten. Elke rok is u te eng. Waart ge
drie hoofden grooter en het kind van een priester dan hadt ge het
misschien ver gebracht. Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook
eindigen, als vriend van een koning of ― aan de galg!”

De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en zeide: »Hadt
ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en
geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt
gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren
blijft mij verborgen. Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg
noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond
waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten.”

»En toch komt ge bij mij?” hernam de oude spottend.

»Ik verlang uw raad,” antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer
opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan
de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen.”

De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?”

»Mij te helpen,” herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei
belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt.”

»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen,”
haastte de oude zich te zeggen.

Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij
reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in
ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het
leven bedorven; ge hebt mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar
de ziel verminkt. Mij hebt gij tot een nameloos lijden gedoemd, dat met
geen woorden is te beschrijven.”

Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte
zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude naderde hem
daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat
het u goed ging in Mena’s huis.”

»Dat denkt ge,” sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een
spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij
dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben.
Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester van Ramses, en deze schonk
mij aan Mena’s vader, zijn zwager. Dat is nu vijftien jaren geleden! Ik
was toen nog een jongeling, een knaap als zoovele anderen, alleen wat
levendiger van geest, wat onrustiger en driftiger dan zij. Men gaf mij
als speelgoed aan den kleinen Mena, en hij spande mij voor zijn wagentje
en schikte mij op met linten en vederen, en sloeg mij met de zweep, als
ik hem niet hard genoeg voorttrok. Wat heeft dat meisje, waarvoor ik
mijn leven zou hebben gegeven, dat dochtertje van den portier, om
mij gelachen, als ik in mijn maskeradetuig hijgend voor het wagentje
huppelde, en de geeselstriemen van het jongeheertje mij om de ooren
suisten, het zweet mij van het voorhoofd gutste en mijn diep gewond hart
bloedde! Toen stierf Mena’s vader; de knaap kwam in het Seti-huis, en
van toen aan diende ik de vrouw van zijn hofmeester, dien Katoeti later
naar het erfgoed in Hermonthis verbande. Dat waren jaren! De dochtertjes
van den huize speelden met mij als met eene pop[103], legden mij in de
wieg en dwongen mij de oogen te sluiten en mij te houden alsof ik sliep,
terwijl liefde en haat strijd voerden in mijne ziel en groote ontwerpen
mijn brein vervulden. Zoodra ik poogde mij te verzetten, sloegen ze mij
met roeden, en toen ik eens in boosheid mijzelf had vergeten, de kleine
Mertitefs geslagen en gewond had, hing Mena, die er ongelukkig juist
opaan kwam, mij met mijn gordel aan een spijker in de schuur, en liet
mij daar eenvoudig bengelen, later zeggende, dat hij vergeten had mij af
te nemen. De ratten vielen mij op ’t lijf! Daar zijn nog de litteekens,
de kleine witte puntjes hier. Zie maar! Misschien zullen zij eens geheel
vergroeien, maar de wonden, die mijn hart in die ure geslagen zijn,
zullen niet ophouden te bloeden! Daarna huwde Mena met Nefert, en met
deze vrouw kwam ook zijne schoonmoeder Katoeti in huis. Zij verloste mij
van den hofmeester. Ik werd voor haar onontbeerlijk. Zij behandelt mij
als een man. Zij weet de gaven mijns geestes te schatten en luistert
naar mijn raad. Daarom wil ik haar groot maken, met haar en door haar
machtig worden. Als Ani den troon bestijgt, dan zullen wij hem besturen,
gij en ik en zij! Ramses moet vallen en met hem Mena, die mijn lichaam
onteerd en mijne ziel vergiftigd heeft.”

      [103] Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een
      ledepop te Leiden.

De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij
zette zich thans op haar ruwen houten zetel neer en zeide, terwijl zij
eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken.
Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor
u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te
komen nog een slok melk en hoor mijn raad. Katoeti heeft veel geld
noodig om eerloosheid te voorkomen. Welnu, zij heeft het maar op te
nemen, want het ligt voor haar deur.”

De dwerg zag de heks met verbazing aan.

»De Mohar Paäker,” vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem,
niet waar?”

»Zoo als gij zegt.”

»Katoeti’s dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof
dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken.”

»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena
volgde.”

»Paäker was eergisteren bij mij.”

»Bij u?”

»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf
hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe
hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette.”

»En Nefert dronk den tooverdrank?” vroeg de dwerg met ontzetting.

»Azijn en wortelsap!” spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt
om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat Nefert Paäker om
het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn
betaald.”

»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets
durfde voorslaan.”

»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de
hoop op Nefert’s genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en
laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van
het drankje weet.”

De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen,
terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: »Juist, dat is de rechte
weg.”

»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij,” prevelde de heks. »Uw
zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne
wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie
verspeelde, danken. ― Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen
daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!”

»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal,” zeide de dwerg, »dat zij
er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam....”

»Wat naam, wat roemen!” riep de oude ongeduldig. »Wij hebben met andere,
met werkelijke dingen te doen! Dáar staat Paäker, dàar de vrouw van
Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft,
dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij
weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert
haar den weg, en dat is Mena. Hij moet uit den weg geruimd! De
wagenmenner staat dicht bij den pharao, en de strik dien men naar den
een werpt kan ook licht om den hals van den ander heenslaan. Maak den
Mohar tot uw bondgenoot; gebruik hem met verstand. En dan zou het wel
eens kunnen gebeuren, dat uwe rattenbeten en doodswonden vergolden
werden; dat Ramses, die u omver blaast, wanneer gij openlijk tegen hem
optreedt, getroffen werd door eene lans uit eene hinderlaag geslingerd.
Is de troon eens ledig, dan zullen de zwakke beenen van den stadhouder
misschien er op kunnen klimmen, wanneer de priesters hem een handje
helpen. ― Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u
toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden.”

»Gij zijt een vat vol wijsheid!” riep Nemoe.

»En nu zult gij heengaan,” vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den
stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen.
Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u
te doen staat; morgen zult gij het weder vergeten zijn, en overmorgen
beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken
dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een
ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel brood
door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen
hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt
ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet ― en ik weet er een,
ik alleen! ― een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben
bereid mij dit geheim te laten afkoopen.”

»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!” riep de dwerg. »Wat verlangt
gij?”

»Weinig,” zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt
ongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten
wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke
begrafenis zal hebben.”

»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want
hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan.”

»En alles doen,” ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen
vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te
schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij
verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had genezen. Zij hebben
dien met al mijne overige bezittingen verbrand, toen zij mijne hut
plunderden, mij voor eene tooveres en al mijn huisraad typhonisch
verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den
tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet.”

»Gij zult dien hebben,” zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het
familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar
behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog
andere dingen te laten vernieuwen. Als Sechet niet meer woedt[104] en
het koeler wordt, kom ik hier nog eens voorbij, want ik zou den
Paraschiet Pinem wel willen spreken en zien hoe het die arme Warda
gaat.”

      [104] Zie boven blz. 61.



DERTIENDE HOOFDSTUK.


Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor de hut van den Paraschiet
twee mannen druk bezig met palen in den grond te bevestigen, en daarover
een gescheurden linnen lap uit te spannen. Een hunner, de oude Pinem,
dien wij als pleegvader zijner kleindochter hebben leeren kennen,
vermaande den ander van tijd tot tijd aan de kranke te denken, en wat
minder leven te maken. Toen zij hun eenvoudig werk voltooid en onder
deze tent eene ligplaats van frisch stroo gemaakt hadden, gingen beiden
op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts
Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de
sluimerende kranke.

»Wie is die man?” vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens
jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden
baard.

»Mijn zoon,” antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd.”

»Warda’s vader?” vroeg de arts.

De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, maar toch op
trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo
blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook
zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn
pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje,
en zij houdt het uit en blijft leven.”

»Zonder de hulp van dezen heiligen vader,” zeide de Paraschiet, terwijl
hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend
hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons
armen gedaan hebt.”

»En wij kunnen ook betalen,” riep de soldaat, slaande op den vollen
buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en
ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden.”

»Offer liever een dier van deeg,”[105] zeide de arts, »en wanneer gij
u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak
dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege.”

      [105] Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden
      zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): „De onbemiddelden
      bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten
      offer.” Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in
      allerlei gedaanten van dieren.

»Hm,” bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met
de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet overhandigde: »Ik zou
het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor
moeder.”

Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk,
bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: »Laat mij er toch
eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje
liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is
ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar,
neem het andere bagatel!”

Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter,
toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: »Maak me die
kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit,
want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een
borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan
roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn
kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat
ik uw schuldenaar ben. Dáar!”

Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel
getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels
van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten van den arts.
»Ziedaar,” vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft
zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken
als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!”

»Ik ben een man des vredes,” stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad
beschermt mij. Maar ― ik geloof dat onze kranke ontwaakt is.”

De arts stond op en ging de hut binnen. Warda’s lieve hoofdje lag in
den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich
rustig naar den priester.

»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen,” zeide de oude. »Zij
heeft lang en zacht geslapen.”

De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren lagen,
en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk
eene genezende kracht bezit?”

De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. Warda zeide
echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte
hol.”

»De tooveres!” prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten
liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen.”

»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft,” zeide de oude
vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren.”

»Dan zijn wij over elkaar tevreden,” gaf Nebsecht met een schalksch
lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want
de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben
lichter voedsel noodig.”

»Ja, laat mij in frisscher lucht,” smeekte de kranke. »Het is goed,
dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne
bezweringen zoo bang maakte.”

»Gij meent den blinden Teta?” hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen.
Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij
de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij
moest, moest....”

»Zal Pentaoer komen?” vroeg het meisje levendig.

»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?”

»Ik ken hem,” zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet.

De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken,
want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben
eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen.”

»Nog niet,” bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het
hangt zoo zwaar.”

Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze
met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die
er in vast geraakt waren.

»Houd u toch stil,” vermaande de arts.

»Het is zoo zwaar,” zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den
weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware zij met zulk een last
verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!”

De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde voorzichtig
een groven grijzen hoornen kam door hare lange lokken, maakte zeer
behoedzaam de stroohalmen los uit die gulden verwarring en legde
ten laatste twee dichte glanzende vlechten over de schouders harer
kleindochter. Nebsecht wist, dat iedere beweging de lijderes kwaad kon
doen, en dit drong hem beiden dit werk te verbieden. Doch zijne tong
was als verlamd. Verbaasd, onbeweeglijk en met blozende wangen stond
hij tegenover het meisje, en zijne blikken volgden met angstige
opmerkzaamheid elke beweging harer handen.

Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand
legde, haalde Warda diep adem en vroeg: »Grootmoeder, de spiegel!”

De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk.
De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een
oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en zeide: »Ik heb in zoolang
geen bloem gezien, grootmoeder!”

»Wacht, mijn kind!” zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de
prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak
haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde
bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze
bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand.

»Wat zijt ge toch goed,” zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en
ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar
buiten.”

Zoodra Nebsecht riep, trad de Paraschiet met zijn zoon de hut binnen;
beide droegen de lijderes buiten de deur en legden haar onder de
eenvoudige door hen gespannen tent. De voeten van den soldaat knikten,
toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen
hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte.

»Wat is de hemel heerlijk blauw!” zeide Warda. »En grootvader heeft
mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! ― Ach, daar zijn
mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand,
grootmoeder! ― Wat zijn ze blijde!”

De sierlijke vogeltjes, met zwarte ringen om den roodgrijzen hals,
klapwiekten zorgeloos om haar heen en pikten de graankorrels, die zij
spelende op hare lippen legde, van haar mondje weg. Nebsecht zag dit
tooneel met stille bewondering aan. Het was hem alsof eene nieuwe wereld
zich voor hem opende, als was er een nieuw orgaan, dat hem tot hiertoe
vreemd was gebleven, gewekt in zijne borst. Zwijgend zette hij zich voor
de hut neder en teekende het beeld eener roos met een door hem opgenomen
rietstaafje in het zand.

Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten
en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van
den Paraschiet aan; men hoorde voetstappen naderen. Warda richtte zich
op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!”

»Wie zegt u dat?” vroeg de oude.

»Ik weet het,” antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige
oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe
kranke?”

Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over het gunstig
bericht van den arts Nebsecht en het vriendelijk gelaat van het meisje.
Hij had bloemen in de hand, door eene gelukkige jonkvrouw gelegd op het
altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende.
Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen
handen vasthield.

»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien,” zeide Pentaoer, »en zij
zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en
lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk
de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij
vreugde in deze donkere hut. Bewaar uwe onschuld, en overal waar gij uwe
schreden richt zult gij liefde wekken, evenals er bloemen ontluiken op
elke plek, die Hathors gouden voet[106] betreedt. Haar zegen rust op u!”

      [106] Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de „gouden”
      genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de „Gouden
      Aphrodite.”

Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot
Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, toen
zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag,
eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een
knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door
den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft
afgebeten.

»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?” vroeg de Paraschiet aan het pruilende
ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd.

»Ik wilde,” zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek
brengen. Zij is ziek en ik had zooveel....”

»Arm kind,” haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij het haar
van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda.” Scheraoe naderde
de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde met van blijdschap
stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer
ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u.”

»Ik dank u beste Scheraoe,” antwoordde Warda en gaf den knaap een kus.
Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij
niets gehad dan papyrus-merg[107] en lotus-brood[108], en nu brengt hij
mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf.”

      [107] Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius
      XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den
      papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het
      liefst op den oven geroosterd.

      [108] „Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt
      op een maankop, fijn en bakken daarvan brood” (Herodotus II,
      92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten
      in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan
      den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat,
      namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet
      meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te
      gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van
      beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de
      andere in Egypte niet meer vóorkomen.

Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar
half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond beet dit stuk hier af,
en dáar.” Het kind raakte even met zijn vinger de honig aan en bracht
dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten,
want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar.” Hij wees daarbij op
den arts en Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis.”

Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op,
wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij tot den arts wendende:
»Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen
over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind
hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef
maar altijd het uwe weg om anderen gelukkig te maken. Uw huis zal
daardoor niet rijk worden maar uw hart des te rijker!”

Scheraoe drong zich tegen den priester aan en onwillekeurig verhief zich
daarbij zijne kleine hand, om Pentaoers wangen te streelen. Een ongekend
gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne
armpjes om ’s dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer
zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij
staan. De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd
moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug.
Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning
werd aangelegd. Dicht bij de poort ervan stond een schutdak van
palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard,
gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor
den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper
van de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de
praalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het
graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering
van de wanden van Ramses’ groeve.

Dikwijls was Scheraoe in zijne nabijheid geslopen, had hij aandachtig
gekeken naar het werk van den beeldhouwer en dan zelf beproefd, of hij
uit een stukje klei ook dierlijke en menschelijke figuren kon maken.
Eens had de grijsaard hem opgemerkt, hem zwijgend zijn knutselwerk uit
de hand genomen, en het daarna teruggeven met een goedkeurend lachje.
Sedert was er tusschen deze twee eene eigenaardige betrekking ontstaan.
Scheraoe kreeg vergunning zich naast den beeldhouwer neer te zetten en
de door hem voltooide beeldwerken na te volgen. Geen woord werd daarbij
gewisseld, doch de doove grijsaard vernietigde nu eens het werk van den
knaap, dan weder verbeterde hij het met een enkelen vingerdruk, en niet
zelden gaf hij met een lachje zijn bijval te kennen. Zoo vaak de kleine
uitbleef, werd hij werkelijk door zijn leermeester gemist, en het waren
Scheraoe’s heerlijkste uren, die hij aan de zijde van Bataoe mocht
doorleven. Het stond hem ook vrij klei mede naar huis te nemen, waar
hij achter den rug van de oude Hekt menig beeldje vormde, dat echter na
de voltooiing terstond werd vernietigd. Als hij op zijn martelbed lag,
beproefde hij met zijne ongebonden handjes de verschillende gestalten na
te maken, die er in zijne verbeelding leefden. Onder deze scheppenden
kunstenaarsarbeid vergat hij het tegenwoordige, en zijn bitter lot kreeg
althans een bijsmaak van zoet geluk.

Heden was het zoo laat geworden, dat hij zijn bezoek aan het Ramses-graf
moest opgeven. Nog eenmaal keerde hij zich om naar de hut, en toen liep
hij op een drafje naar het zwarte hol.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.


Ook Pentaoer had weldra de hut van den Paraschiet verlaten. Peinzend
sloeg hij het bergpad in, dat naar den tempel[109] leidde, waarover
Ameni hem het bestuur had opgedragen. Hij zag alles behalve
verkwikkelijke, ja donkere uren naderen. Het heiligdom, aan zijne zorg
toevertrouwd, was door koningin Hatasoe[110], die tot de onttroonde
dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de
godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van
bijzondere, bij gezegelde oorkonden gewaarborgde privilegiën, die tot
hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging
dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden
een hoofd kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was
doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters
toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als
plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met tegenzin
en sloten zich vast aaneen, toen hun bleek dat hij voornemens was zijne
taak ernstig op te nemen en vele onder hen bestaande misbruiken af
te schaffen. Zij hadden de begroeting van de opgaande zon aan de
tempeldienaars opgedragen; Pentaoer verlangde echter, dat ten minste de
jongeren onder hen aan het gezang van de morgenhymne zouden deelnemen,
terwijl hijzelf de koren bestuurde. Tot hiertoe hadden zij handel
gedreven met de rijke op het altaar der goden neergelegde offers, doch
hun nieuwe meester verzette zich tegen deze onbetamelijke handelwijs,
alsmede tegen de afpersingen, waaraan zij zich schuldig maakten ten
opzichte van beangstigde vrouwen, die den tempel van Hathor in grooter
getal bezochten dan eenig ander heiligdom.

      [109] Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven.
      In Dümichen’s =Flotte einer aegyptischen Königin= zijn de
      belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft,
      afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijne
      =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien= kan aangevuld worden, na
      de uitgravingen van Mariëtte.

      [110] Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes
      II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een
      krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en
      zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.

De dichter, in het Seti-huis opgevoed tot zelfbeheersching, orde,
stiptheid en reinheid van zeden, diep doorgedrongen van de beteekenis
der priesterlijke waardigheid, en gewoon, met bijzonderen ijver te velde
te trekken, tegen traagheid van lichaam en geest, had een walg van dat
luie lekkere leven en de bedriegerijen dergenen, die onder hem gesteld
waren. Hij besloot daarom met te grooter ijver hier een nieuw leven te
wekken, sedert de dag van gisteren hem een diepen blik had doen slaan
in de ellende en de zorgen van het menschelijk leven. De overtuiging
dat de trage priesterschaar, die hem gehoorzamen moest, geroepen was
troostrijken balsem te gieten in duizend beknelde harten, ontelbare
tranen te drogen en aan het dorre hout der vertwijfeling het frissche
groen der hoop te doen ontspruiten, drong hem krachtig door te tasten.
Gisteren had hij gezien, hoe zijne onderhoorigen de klachten van eene
verlatene, van een bedrogen meisje, van eene vrouw, die den kinderzegen,
haar tot dusver ontzegd, kwam afbidden, van een zorgvolle moeder en
eene eenzame weduwe, met koele onverschilligheid hadden aangehoord.
Zij bleken op niets anders bedacht te zijn dan om het leed van anderen
winstgevend te maken voor de godin Hathor, of liever, om geschenken af
te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik.

Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. Dáar
lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig
oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen
wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo
regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op den met zorg gevoegden onderbouw
prijkten reusachtige in den steen uitgehouwen sperwers, met het teeken
des levens. Zij waren eene symbolische voorstelling van Horus, den zoon
der godin, die al wat verwelkt op nieuw doet bloeien, al het stervende
weder doet opstaan. Op elk terras verhief zich eene naar het oosten
geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden
stijl[111]. De schoone schilderwerken en opschriften in fijn
beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat
groote dingen Hatasoe met hulp der goden van Thebe had gedaan. Dáar
zag men de schepen, die zij naar Poent[112] had gezonden, om Egypte te
verrijken met de schatten van het oosten. Dáar waren de naar Thebe
overgebrachte wonderen van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen
vinden van de huizen[113] der bewoners van het wierookland, en alle
visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken[114].
Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere door Hatasoe en
hare broeders Thotmes II en III aangelegde vertrekken, die tegen de
rotsen waren aangebouwd, en waartoe poorten van graniet den toegang
verleenden. Daar moesten de reinigingen volbracht, de standbeelden der
godin vereerd, aan de schim der koningin geofferd en van bevoorrechte
smeekelingen de biecht gehoord worden. In een zijgebouw werd de heilige
koe der godin verpleegd.

      [111] Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in
      graven uit de 12e dynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de
      verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17e en 18e
      dynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen
      gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer
      voor.

      [112] Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika
      ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten
      namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der
      zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de
      pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.

      [113] Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met
      hulp van ladders.

      [114] De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden.
      Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.

Toen Pentaoer aan den hoofdpoort van den terrassentempel was gekomen,
moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging
vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om
aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was.
Doch de dikke portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,”
zeide hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen
mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden
door het bewierooken.”

»Slinger dan het wierookvat,” bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen
zilverring. Ik heb niet meer.”

»Eén zilverring?” riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil
armoe lijden? de anta-korrels[115], die wij voor de reiniging noodig
hebben, kosten wel tienmaal meer.”

      [115] Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.

»Maar ik bezit niets meer,” herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik
kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen....”

»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden wat haar
toekomt,” sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort.”

»Wees barmhartig!” hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden,
wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?”

»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?” vroeg de portier.
»Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders
beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar
Imhotep[116], of naar Choensoe den plannenmaker[117] of tot den grooten
Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich
niet op met kwakzalverij.”

      [116] Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios
      (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering.
      Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een
      boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden
      te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een
      bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van
      den predikant Haken te Riga.

      [117] De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met
      de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij
      wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden
      raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te
      Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie
      (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond
      uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van
      Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen
      bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische
      vorstendochter, te genezen.

»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer,” snikte de vrouw.

»Troost?” zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die er nog
jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper
krijgen!”

De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar
haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van
verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit
over het hoofd der vrouw, die zich diep voor hem boog en zeide: »Wie de
godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij.
Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!”

Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester zich tot den
portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; maakt gij zóo misbruik
van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze
poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op
de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden.”

De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de knieën, maar
Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom binnen en ging den
trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde.
Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken
voor zich, hoorbaar smakkende en kauwende, en deden alsof zij hem niet
zagen. Zij hadden een complot gemaakt en het stellig besluit genomen,
zich tegen elken prijs van den lastigen indringer te ontslaan. Toen
Pentaoer het vertrek had bereikt, dat voor zijn zieken voorganger met
zooveel weelde was gemeubeld, deed hij zijn nieuw ambtsgewaad aan, en
kon niet nalaten onder smartelijke gewaarwordingen eene vergelijking te
maken tusschen voorheen en thans. Tot welk eene verwisseling had Ameni
hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin,
waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet
ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de
hoven van het Seti-huis wandelde. Door grooten en kleinen geëerd, vond
daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne
denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne
metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op
voor zijn innerlijk leven. »Het vreemde,” zeide hij tot zichzelf, »is
vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen,
waaraan men gewoon is.”

Pentaoer doorleefde weder in de verbeelding de gebeurtenissen van de
laatste dagen. Het beeld van Bent-Anat stond hem levendig voor den
geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart
begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen.
Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer
blikken en ieder woord van hare lippen. »U volg ik gaarne,” had zij hem
vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of
hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle
perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te
benadeelen, maar om nieuw licht binnen te laten in zijne sombere ruimte.
»Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen,” zeide hij
tot zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet
voor God.” Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het
terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te
doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid een zetel op te
richten. »Wij menschen,” dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze
intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten.
Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het
lijden te onderdrukken en vreugde te zaaien. Hier zijn vele tranen te
drogen. Welaan dan, aan ’t werk.”

De dichter vond niemand van zijne onderhoorigen op de bovenste
terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en
luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden.
Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging hij met vasten tred
naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat
hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel.”

»Ik ga dadelijk,” antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal
overeenkomstig den last dezer heilige vaders,” ― en de blik dien hij
daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat zij het eens waren,
»den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal
vrijstaan dit heiligdom te betreden.”

Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den weg en zeide
op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd
de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken.”

De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog zich. »Ga terug
in uw vertrek!” riep de dichter op hem toetredende.

De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine kamer, gaf
den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst,
bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter
de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren
knielen; gaat heen en doet wat uw ambt is. Ik wacht in de biechtzaal om
klachten te vernemen en te troosten.”

De priesters gingen uit elkaar, allen naar de offeranden. Pentaoer
besteeg opnieuw de trap, en nam plaats in de smalle door een voorhangsel
afgeslotene biechtkamer, op welker wanden eene voorstelling was te
zien van Hatasoe, die uit den uier van de Hathor-koe[118] de melk des
eeuwigen levens ontving. Nauwelijks had hij zich daar neergezet, of een
Neokore[119] kondigde hem de komst aan van eene aanzienlijke gesluierde
vrouw. Ook de dragers van haar draagstoel hadden het hoofd geheel
bedekt. Zij verlangde in het biechtvertrek gebracht te worden. De
dienaars overhandigden Pentaoer een bewijs, waardoor de opperpriester
van den grooten Amon-tempel aan de overzijde van den Nijl, haar het
voorrecht toekende met de Rechioe[120] het binnenste van den tempel
te betreden en met alle priesters, ja zelfs met den hoogsten onder de
ingewijden te verkeeren.

      [118] Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard
      relief-beeld.

      [119] De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen
      behoorden ook de tempeldienaars.

      [120] Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel
      en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.

De dichter trok zich achter een voorhangsel terug en verwachtte de
vreemdelinge met eene onrust, die hemzelf te meer bevreemden moest,
naarmate hij zich dikwijls in dergelijke omstandigheden had bevonden.
Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan
hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar
hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het
stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en
geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer
hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte
zich met geestdrift tot den geest die het heelal vervult, met de bede om
kracht en reinheid. Toen hij zijne armen liet nederzinken, hief de vrouw
haar hoofd op. Het was alsof de gebeden van beiden zich vereenigd hadden
om gemeenschappelijk ten hemel te stijgen. Nu stond de onbekende op en
liet haar sluier vallen.

Het was Bent-Anat.

Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den
harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, die man en vrouw
verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van
aangezicht,” begon zij overluid te bidden, »gouden Hathor, gij die de
smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot
uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! ― Ik ben de
dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der
goden. Hij raadt mij, zonder mij te dwingen, een man te volgen, dien ik
nimmer zal kunnen liefhebben. Doch ik heb op mijn weg een man ontmoet,
eenvoudig van geboorte, maar groot van geest en gaven....”

Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses
aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of
zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? Zijn trots
riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de
uitverkorene boven alle schoonen en grooten.” Maar eene andere stem,
waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren,
verhief zich en zeide: »Laat de onwetende niets zeggen, waarover de
wetende zich zou moeten schamen.” Blozende voor die stem, schoof hij het
voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet.

De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een
der hemelsche goden!”

»Ik ben Pentaoer,” zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de
zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om het goede te doen.
Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven
zal een gebed zijn voor u!”

Hij zag haar hierbij met heldere oogen aan, en keerde zich daarop, zoo
snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het
biecht vertrek.

Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De dochter van
Ramses,” zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet
te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat,” en bij deze woorden
bloosde zij, »vermoedde in plaats van u, den ouden Roeï hier te vinden,
en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!”

Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de
prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde
van het terras waarop zij stond, luide stemmen hooren. Zij vloog naar
de borstwering. »Heil Pentaoer!” klonk het van beneden. De dichter liep
insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen
neder in het dal en werden door allen gezien.

»Heil Pentaoer!” klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen
leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van
Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!”

Aan het hoofd der jongelieden, die, zoodra zij vernomen hadden waarheen
de dichter gebannen was, uit het Seti-huis gevlucht waren, om hem te
zeggen dat zij hem bleven aanhangen, stond de prins Rameri. Zegepralend
wuifde hij zijne zuster toe. De jonge Anana, mede een der aanvoerders,
trad vooruit, om in eene plechtige en goed bestudeerde aanspraak den
vereerden meester mede te deelen, dat zij, ingeval Ameni weigeren mocht
hem in het Seti-huis terug te roepen, besloten waren hunne vaders te
verzoeken hen naar eene andere school over te plaatsen.

De jeugdige geleerde sprak goed en Bent-Anat volgde niet zonder bijval
zijne rede. Pentaoer echter fronste al meer en meer het voorhoofd, en
eer zijn geliefkoosde leerling zijne toespraak ten einde had gebracht,
viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem
toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad.
Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen
toorn maar veeleer smart. »Waarlijk,” zoo besloot hij, »ik zou mij
beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed
versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren;
leert gehoorzamen, opdat gij later zult kunnen bevelen. Terug naar de
school! ― Talmt gij nog? Dan treed ik u met mijne wachters tegemoet, en
drijf u, die mij en uzelven door zulke bewijzen van liefde weinig eer
aandoet, naar de school terug, waar gij tehuis behoort!”

De leerlingen waagden geen tegenspraak, maar verbluft en ontnuchterd
keerden zij zich om.

Bent-Anat sloeg de oogen neder, toen zij den blik opving van haren
schouderophalenden broeder, en zag half schuw, half met hoogachting
naar den dichter. Doch weldra werd hare aandacht weder naar de vlakte
getrokken. Want dichte stofwolken verhieven zich; het getrappel van
hoeven en het geratel van wielen liet zich hooren en op hetzelfde
oogenblik hielden de wagen van Septah, de overste der Horoscopen, en een
voertuig met zwaar gewapende veiligheidswachters van het Seti-huis bij
het terras stil. De ijverige grijsaard sprong haastig op den grond,
riep de bende ontvloden jongelingen eenige strenge woorden toe, gaf de
manschappen van de wacht bevel ze naar de school terug te brengen,
en ijlde haastig als een jonkman naar de tempelpoort. De priesters
ontvingen hem daar met diepen eerbied, en droegen hem terstond hunne
klachten voor. Hij hoorde ze met welgevallen aan, liet hen echter niet
uitspreken, maar steeg snel hoewel met inspanning de trappen op.

Daar kwam Bent-Anat hem tegemoet. De prinses voelde, dat zij zich, als
de Horoscoop haar herkende, aan berisping en verkeerde vermoedens zou
bloot stellen. Reeds strekte hare hand zich uit naar den dichten sluier,
doch zij trok dien dadelijk terug, zag den oude met kalme waardigheid
in de oogen, weerstond zijn toornigen blik en ging hem trotsch voorbij.
De Horoscoop boog, zonder haar te zegenen, en beval Pentaoer, dien hij
op het tweede terras aantrof, alle smeekelingen den tempel te doen
verlaten. Dit was in weinige minuten afgeloopen en de priesters waren
getuigen van een pijnlijk tooneel, zooals zich sedert jaren in dit
stille heiligdom niet had voorgedaan.

De eerste der Horoscopen van het Seti-huis was een der ergste
tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden dichter,
wiens vermetele geest niet zelden aan de oude inzettingen tornde,
terwijl de ijverige grijsaard van der jeugd af aan uit overtuiging had
gearbeid om ze te bevestigen. De ergerlijke gebeurtenissen, waarvan
hij in het Seti-huis en weinige oogenblikken geleden hier getuige
was geweest, hield hij voor de gevolgen van de teugelloosheid van
een verdoolden fantast, en onder harde woorden stelde hij Pentaoer
verantwoordelijk voor den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze
knapen,” riep hij, »hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De
onreinheid is nog niet van haar weggenomen, en toch lokt gij haar tot
eene samenkomst, niet in het vreemdenkwartier, maar in het heilige huis
dezer reine godin!”

Onverdiende lof kan zwakken in gevaar brengen, eene onrechtvaardige
berisping ook sterken van den goeden weg afleiden. Pentaoer wees de
verwijten van den grijsaard vol toorn van zich af, noemde ze een man van
zulk een leeftijd, stand en naam onwaardig, en opdat zijne verbolgenheid
hem niet overmeesteren zou, keerde hij Septah den rug toe. Doch de
Horoscoop beval hem te blijven, en verhoorde in zijne tegenwoordigheid
de priesters, die eenstemmig den dichter beschuldigden, dat hij, behalve
Bent-Anat, nog eene andere onreine vrouw in den tempel gebracht en den
portier, die zich tegen zulk eene heiligschennis verzette, afgezet en
in de gevangenis geworpen had. De Horoscoop beval den mishandelde te
bevrijden. Doch Pentaoer verzette zich tegen dezen last, deed zijn recht
om hier te bevelen gelden, en eischte met bevende stem, dat de Horoscoop
den tempel zou verlaten. Daarop toonde Septah Ameni’s ring, waarmede
de opperpriester hem, zoolang hij zich in Thebe ophield, tot zijn
gevolmachtigde had gemaakt, ontzette den dichter van zijne waardigheid,
beval hem echter tot nader order het heiligdom niet te verlaten, en
verliet toen den Hatasoe-tempel.

Pentaoer had zich voor den ring zijns meesters zwijgend gebogen en zich
toen teruggetrokken in de biechtkamer, waarin hij Bent-Anat had ontmoet.
Hij was in zijne overtuiging geschokt; zijne gedachten kruisten, zijne
gevoelens bestreden elkander. Hij huiverde, en toen de schaterlach der
priesters en van den portier, die zich vroolijk maakten over hunne
gemakkelijke overwinning, tot zijn oor doordrong, kromp hij ineen als
een onteerde, die zijn brandmerk in den spiegel ziet. Maar langzamerhand
kwam hij weder tot zichzelf en begon het op te klaren in zijne ziel.
Toen hij het stille biechtvertrek verliet om naar het oosten te zien,
waar zich aan genen oever van den Nijl het paleis verhief, waarin
Bent-Anat haar verblijf hield, toen voelde hij eene diepe verachting
voor zijne vijanden en doortintelde hem het trotsch gevoel zijner
mannelijke kracht. Hij kon het zich niet verhelen, dat hij vijanden had,
dat een tijdperk van strijd voor hem was aangebroken. Doch hij zag dien
tegemoet als een jonge held den morgen van den dag, waarop hij voor het
eerst slag zal leveren.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.


De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige
wagen de poort van den terrassentempel naderde. De koninklijke gids
Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn
oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde
het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de
tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een
klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe
herkende, riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes?
Wat wilt ge?”

»U smeeken,” zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, »mij,
als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de
overzijde van Thebe.”

»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?” vroeg de gids.

»In het geheel niet,” antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene
vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen
den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien
verslinden, als een krokodil zijn buit.”

»Sta op,” beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?”

»Neen heer,” antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat
beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden
op den weg laten liggen. De dieren van Anubis[121] zullen het hedenavond
beter hebben dan wij.”

      [121] Jakhalzen.

»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?” vroeg de
gids.

»Brood hebben wij nog,” antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor
vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee
begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te
vermalen.”

De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend
aan.

»Het wordt geld,” zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra
zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden,
om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. ’t Kan mij
niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme,
teedere meesteres!”

Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat
zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur
te beteugelen.

»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen,” waarschuwde de oude slaaf
achter den gids. »’t Zou jammer zijn van die schoone dieren.”

»Moet gij ze betalen?” vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop wendde hij
zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen
gebrek lijden?”

»Hij heeft zijne gade niet meer lief,” antwoordde de dwerg, terwijl hij
de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde
hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne
tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde
eene vrouw schooner dan Nefert?”

»Gij hebt uwe meesteres lief?”

»Als mijne oogen.”

Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. Paäker
wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij
meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol
geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel,
te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken
voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter
hem in het heiligdom, zeggende: »Gij zult hem op het derde terras
vinden. Maar hij is onze overste niet.”

»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom,” antwoordde
Paäker.

De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, en met de
woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar
beneden,” liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer
brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en
vernam dat hij gekomen was om een zonderling droomgezicht door hem te
laten verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij
dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er
eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, voegde hij
er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare
uitlegging mij iets gunstigs voorspelt.”

»En in het tegenovergesteld geval?” vroeg de dichter, die in het
Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der
smeekelingen en de gaven der vromen.

»Dan stuur ik een hamel,” antwoordde Paäker, wien de fijne spot in ’s
dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar
de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen.

Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden
geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te
onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel ging. Daarom vroeg
hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat
bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is,
voorspellen kan?”

»Eene antiloop en vier ganzen,” antwoordde Paäker haastig.

»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst te zijn?”
vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de
waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner
gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten
betalen? Als ik u ― en ik ken u van de schoolbanken ― en juist u eens
aan het verstand mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor
geërfde rijkdommen laten koopen.”

De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. Pentaoer
ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar
van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet
veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever
gij het brengen kunt door geweld. De hemelsche goden zenden ons geene
droomen toe, om ons den voorsmaak van vreugde te bezorgen of ons
voor kwaad te waarschuwen, maar om ons te vermanen, dat wij onze
zielen moeten bereiden, opdat wij in staat zullen zijn het kwade
met gelatenheid te dragen, het goede met hartelijke dankbaarheid te
ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. ― Ik
wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een
deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik
zal de goden bidden dat zij mij verlichten, en ook den kwaden droom voor
u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. ― Verlaat mij en dezen
tempel!”

Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en zeide
alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds
van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben
door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander
weder, en dan zult gij ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het
weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is.”

»Nog een vijand te meer!” dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij
richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij
het recht diende.

               *       *       *       *       *

Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een
praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, en van dezen
vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den
wagen, en legde de zweep op zijne rossen, vóor Nemoe de treeplank had
kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog
tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht.

»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet
hij, die hond!” zoo raasde de gids in zichzelf.

Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van den dichter
vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen
vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is
wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij
de leerlingen in opstand gebracht en onreine vrouwen in het heiligdom
gelokt hebben. Mijne lippen zouden het niet wagen uit te spreken, maar
de portier heeft het mij bezworen, dat de eerste Horoscoop uit het
Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de
dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet.”

Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?” en prevelde, nog vóor de
dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!” Want hij
dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut
van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de
tooveres opgezocht had.

»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken,” zeide Nemoe;
»want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit
is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat
zich niet grijpen in zijn eigen nest.”

Paäker zag hem vragend aan.

»Ik weet het,” sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet
bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. ― Ja hij heeft dat reeds
gedaan,” verzekerde Nemoe, toen de gids ongeloovig lachte; »en de
koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne
huwelijken, dat weet gij het best.”

»Ik?” vroeg de gids verbaasd.

»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn
wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het
u bevestigen.”

Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde echter
met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot
schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij
waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses
moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als
de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen.”

Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp
den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg terzijde en sprak: »Wij
wandelen van hier tot aan den stroom en gij zegt mij wat gij weet. Doch
wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door
mijne honden verscheuren.”

»Ik weet dat gij woord zult houden,” zuchtte de kleine. »Maar loop wat
minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat
u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft
haar gedwongen Nefert aan den wagenmenner te geven, ik weet niet wat hij
van u gezegd heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme
meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu
klaagt en weent zij.”

»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht
zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze
heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe[122] in het
noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats opzoeken, want de
edelen hier zullen ons als melaatschen vermijden. Gij moogt blijde zijn,
dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig
en volg mijne meesteres in hare ellende.”

      [122] Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk
      Delta-land bewoonden. Zie Ebers, =Aegypten und die Bücher
      Mose’s=, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de
      2de uitgaaf van Brugsch, =Histoire d’Egypte=. Uit den ouden
      Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.

»Gij spreekt in raadselen,” hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?”

De dwerg vertelde nu, dat Nefert’s broeder de mummie zijns vaders had
verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat Katoeti met hare
dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie zal hen redden?” jammerde
hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit.
Katoeti is arm en het woordje =geef mij= jaagt de vrienden op de vlucht,
evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!”

»De som is groot!” prevelde Paäker in zichzelf.

»Verschrikkelijk groot is zij,” zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar
vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen,
ja toen....en daarbij ― het is om dol te worden! ― daarbij geloof ik
niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans
zooveel aan u, als aan hem!”

Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.

»Ja aan u,” verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad,
eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe
degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere
tooverkracht haar dringt aan u te denken.”

De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest
verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen zij aan den Nijl,
waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide
zich neder in de kajuit, riep den dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben
Katoeti’s naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij
zich in haar nood niet tot mij?”

»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever
wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij
gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken.”

»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?”

»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij
acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der
Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap
in uwe armen. Nefert, geloof mij, heeft haar speelmakker ook nog niet
vergeten. Eergisterenavond, toen zij uit den doodenstad terugkeerde, eer
nog de brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel
van u vervuld[123]. Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat
weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier.”

      [123] „Vol (meh) van iemand zijn” werd ook in de Egyptische taal
      gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.

De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden nacht
had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die
onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen....”

»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden,
die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het
uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne
uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?”

»Ik stond aan den Nijl,” zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne
zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig tapijt, dat in de
kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever
mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar
droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes
heen, als over steenen die in de woestijn liggen. Een vreemd gezicht!
Zij kwam mij al nader en nader, reeds meende ik hare hand te grijpen;
daar dook zij onder als eene zwaan. Ik daalde in het water af om haar te
ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne
armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide;
zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in
de hand neemt. Maar toch op eene andere manier, want uit hare haren
werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend
wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken,
en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij
schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met
opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik
stiet mijn wapen in zijn muil. De Nijl werd donder gekleurd door onze
bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort ―
’t was of het eene eeuwigheid duurde ― tot ik ontwaakte.”

Eerst bij de laatste woorden haalde de gids diep adem, en het scheen als
beangstigde hem die wilde droom opnieuw.

De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er verliepen
echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom,
gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich
op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden.
Maar al waant gij ook, dat gij haar in uwe armen houdt, zal zij zich aan
u onttrekken, uwe hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien,
wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen.”

Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De gids rees op,
zeggende: »Wij zijn er.”

»Wij zijn er!” herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog
die smalle brug daar over.”

Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe
gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen.”

»Kom hierheen,” riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de
schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der
ondergaande zon.

»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die
verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden.”

De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd,
naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?”

»Spreek!”

»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de
brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn ― als ge mijn raad
volgt.”

»Wat moet ik doen?”

»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!”

Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij
hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van het goede voorteeken,
zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond.

»Verzeker u van Nefert,” ging de dwerg intusschen voort, »opdat zij niet
voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat
wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij
zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?”

Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond geslagen.
Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar
redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie
voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor
zijne liefde en zijn haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht
te offeren!”



TWEEDE BOEK.



EERSTE HOOFDSTUK.


De zon was ondergegaan en de doodenstad gehuld in nachtelijk duister. De
maan scheen helder over het dal der koningsgraven, en de rotsblokken aan
de wanden der bergkloven wierpen scherp geteekende schaduwen. Akelig
stil was het in dit verlaten oord, en toch veel levendiger dan op den
middag, want nu schoten vledermuizen als zwarte zijden draden onhoorbaar
door de nachtlucht, uilen zweefden in den dampkring met breed ontplooide
wieken, en jakhalzen slopen in kleine troepen, de een achter den ander,
langs de bergwanden heen. Van tijd tot tijd stoorde hun akelig geblaf of
het kermend gelach eener hyena, de diepe stilte van den nacht.

Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal
der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde een mat licht en
vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda’s grootmoeder
nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee
mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed
door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde,
Warda’s vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had
afgesneden, te ontweien.

»Wat janken de jakhalzen!” zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den
gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den
nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok.

»Ze ruiken het versche vleesch,” antwoordde de arts Nebsecht. »Werp ze
straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd
het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat
een groot dier was het!”

Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand en beschouwde het met
groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet zag hem daarbij angstig aan en
zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als
gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is.”

»Wat onmogelijk is?” vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent
lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met
de kanopen[124] te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt
in de plaats ervan het menschenhart er uit. Niemand, niemand zal
het merken. Het behoeft ook niet dadelijk, morgen of overmorgen, te
gebeuren. Wacht slechts eene geschikte gelegenheid af. Uw zoon mag elken
dag voor mijn geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal.
Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van
vleeschspijs. Houdt maar moed!”

      [124] Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die
      gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde
      Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood
      voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats
      van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van
      den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming
      van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door
      Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith)
      van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een
      sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in
      plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen
      aangeroepen.

»Voor het gevaar ben ik niet bang,” zeide de oude, »maar mag ik een
gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In
ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele
jaren ― niemand heeft ze voor mij geteld ― de geboden opgevolgd, opdat
ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden
van Aäloe[125] en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat
ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan
een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen
geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft.”

      [125] Zie Dl. I, bl. 64.

»Wat ik met dat hart voorheb,” hernam de arts, »kunt gij niet
begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene
groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want
ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid betreft, wees daarover
allerminst bezorgd. Ik ben een priester en neem uwe daad met al hare
gevolgen voor mijne rekening, verstaat gij: voor mijne rekening. Als
priester geef ik u de verzekering, dat het goed is wat ik van u vorder.
En als de doodenrechters u later vragen mochten: ‚Waarom naamt gij
het hart van een mensch uit de kanope?’ geef.... geef hun dan ten
antwoord: ‚Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de
verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.’”

De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter met te meer
aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat
zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie
met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een ‚Boek van den
uitgang in den dag’[126], schrijven en dat laten wikkelen in uwe
mummiewindsels[127], alsof gij een der aanzienlijksten waart. Dat zal u
kracht geven tegen alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend
in den hof der beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en
men zal u zalig spreken.”

      [126] Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het
      zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re’ em per em hroe,
      welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van
      een boek der Egyptenaars, „De heilige Ambres” geheeten, dat bij
      Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt.

      Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel
      funéraire” genoemd, bevat eene reeks van opstellen of
      hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen,
      of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene
      verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de
      verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van
      het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig.
      Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes
      worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van
      Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de
      andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt
      zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles
      wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor
      te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der
      formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere
      voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de
      gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk
      richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door
      vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs
      treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen
      betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij
      gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet
      en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de
      begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de
      grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth
      tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap
      der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst
      in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het
      Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander
      insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het
      vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door
      Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene
      vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van
      wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek,
      waarvan een overzicht in de =Verslagen en Mededeelingen=
      der Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande
      opmerkingen ontleenden.    Vert.

      [127] De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels
      (bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder
      of naast de mummie gevonden.

»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren,
wanneer mijn eigen hart wordt gewogen,” zuchtte de oude man.

Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een
schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat
hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien,
altijd op uw borst dragen en met u doen begraven. Wanneer dan
Techoeti[128], de pleitbezorger der ziel, uwe rechtvaardiging voor
Osiris en de doodenrechters[129] op zich neemt, overhandig hem dan dit
geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden
worden.”

      [128] Toth. Zie Dl. I, bl. 27.

      [129] De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het
      Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De
      opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met
      de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de
      weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth,
      bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den
      afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid,
      die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. ― Toth schrijft het
      protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt
      aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof
      heeft gevonden, „maä cheroe,” d. i. „waarheid sprekende” genoemd
      en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat
      over tot een nieuw goddelijk leven.

»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,”
zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig
mistrouwen.

»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus
zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de
priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de
mijne is.”

»Nu, breng mij het schrift dan,” prevelde de oude.

De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet de
hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe
kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is.”

De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek niets
gehoord. Hij had nu den achterbout aan de punt van een houten spit
gestoken, en hield dien boven het vuur om te braden. De jakhalzen
begonnen harder te huilen, toen de reuk van het smeltende vet zich door
de lucht verbreidde. De oude man vergat den vreeselijken last, dien hij
op zich nam, zoodra hij het vleesch zag braden; sedert jaren toch had
hij in zijn huis geen vleesch geproefd. Nebsecht zat het aan te zien hoe
zij smulden, terwijl hijzelf een stukje brood at. Zij reten het vleesch
van de beenderen; de soldaat vooral verslond het ongewoon en kostelijk
maal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan
de kribbe.

Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde.
»Zinnelijke menschen,” sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En
toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid,
waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger
verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker
maken zij er zich gemeenzaam mede!”

»Wilt gij vleesch?” vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen
van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van
den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor.

Deze ging onwillekeurig achteruit; de vraatzuchtige blik, de
glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem
schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op
de mat, en als vanzelf kwam de vraag op zijne lippen: »Is dat meisje, is
Warda uw eigen kind?”

De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning
Ramses een zoon van Seti is.”

Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, die de
Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen
van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens
langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden,
diep zuchtende: »Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje
in het ravennest gelegd.”

»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?” vroeg de arts.

»Dat weet ik niet,” gaf de soldaat ten antwoord.

»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe
vrouw.”

»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? ― Dat is eene
lange, vreemde geschiedenis.”

»Kom, vertel mij de geschiedenis,” vroeg Nebsecht. »De nacht is lang,
en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze
kranke gaan zien.”

Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig
ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon neder. De laatste
begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning
Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd
kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden
gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad[130], moesten
bouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe[131], van den
stam der Hebreën[132], die Ramses streng onder den duim hield. Onder de
arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de
lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar
alleen: tot welken stam behoort gij? De vestingwerken en het kanaal, dat
den Nijl met de Schelfzee verbinden zou, moesten voltooid worden, en
de koning, wien leven, heil en kracht gedijen mogen! nam de Egyptische
jongelingen mede in den krijg, en liet de Amoe, stamverwanten van zijne
vijanden in het oosten, handen aan den arbeid slaan. Het ging daar
rijkelijk toe in Gosen[133], want het land is schoon en men vindt er
overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus
niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden
waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver gaven.
Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch
teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal
tegels leveren[134]; ik hielp dan de jongens, als de zon zoo stak, en
bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben
sterk, en was het toen nog meer dan nu.

      [130] De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11.

      [131] Semieten.

      [132] Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte
      op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas,
      =Mélanges égyptologiques II=, en Ebers, =Aegypten und die Bücher
      Mose’s=.

      [133] Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt
      gemaakt: Ebers, =Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche
      und der Bibliothek=. In een brief van een schrijver aan zijn
      opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen.

      [134] Exodus I, 13, 14; V, 7, 8.

»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost,
moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de
krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten
Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik een aardigen duit geld
mede naar huis had gebracht, en de voltooiing van de groote woning van
den koning der goden nog den tijd had, begon ik er aan te denken eene
vrouw te nemen. Maar geene Egyptische. Paraschieten-meisjes waren er
genoeg, maar ik wilde geen meisje uit die gevloekte caste mijns vaders,
en de andere hier, dat wist ik al te goed, waren te bevreesd voor onze
onreinheid. Ginds in het benedenland was ik beter gevaren; menige Amoe-
en Schasoevrouw[135] kwam gaarne in mijne tent. Ik had van den beginne
reeds mijn zin op een Aziatisch meisje gezet. Telkens kwamen er
krijgsgevangen meisjes te koop, maar zij bevielen mij niet, of waren mij
te duur. Inmiddels versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den
bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in
het vreemden-kwartier zeker geen gebrek.

      [135] Zie Dl. I, blz. 12.

»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was
juist in den tijd van het heilige feest van den trap[136]. Er waren vele
vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht
werden. Voor haar die er werkelijk schoon en nog jong uitzagen werden
hooge prijzen besteed, maar ook de meer bejaarden waren mij te duur.
Geheel op het laatst werd er eene blinde vrouw voorgebracht en nog eene
broodmagere, die bovendien stom was, zooals de afslager den kooplustigen
mededeelde, ofschoon hij anders de goede hoedanigheden der gevangenen
hoog ophemelde. De blinde had flinke handen aan ’t lijf; zij werd
gekocht door een kroeghouder, bij wien zij thans nog den handmolen
draait. De stomme, van welke niemand eigenlijk zeggen kon of zij jong of
oud was, hield een kind in de armen. Zij zag er uit, alsof zij reeds in
de doodkist lag, en het kind, alsof het haar in ’t graf nog voor wilde
gaan. Bovendien had zij rood, vuurrood haar, juist als de kleur van
Typhon. Maar haar sneeuwwit gezicht zag er niet kwaad uit, ook wel niet
goed, maar moede, dood moede. Rondom hare magere blanke armen liepen
blauwe aderen als donkere koorden, de handen hingen mat naar beneden, en
hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij
nog weg met kind en al.

      [136] Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem.

»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die
stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood
en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De
afslager liep eindelijk op haar toe en gaf haar een slag met den zweep,
om haar wat opgewekter, wat minder ellendig aan de koopers te doen
voorkomen. Zij kromp ineen als iemand die de koorts heeft, drukte het
kind vaster tegen zich aan en keek rond alsof zij hulp zocht. Zij zag
mij juist in het aangezicht. Wat mij toen overkwam was als een wonder.
Haar oog was grooter dan ik er ooit een heb gezien. Daar huisde een
demon in, die macht over mij had en tot het laatst toe mijn handel en
wandel heeft bestuurd. Het was op dien dag dat die demon mij het eerst
betooverde. Want ziet: het was volstrekt niet heet, ik had niets
gedronken, en toch handelde ik tegen mijn wil, tegen beter inzichten
in, toen ik, zoodra haar blik mij getroffen had, alles wat ik bezat
bood om haar te koopen. Ik had haar veel goedkooper kunnen krijgen!
Mijne metgezellen lachten mij hartelijk uit, en de afslager streek
schouderophalend het geld op. Maar ik hielp de vrouw overeind, nam het
kind op mijn arm, bracht haar in eene boot over den Nijl, laadde mijn
jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een
blok kalksteen hierheen naar den oude.

»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik
krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men
spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het
vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke hut is geweest.
Moeder kreeg het kindje spoedig lief. Het was nog heel klein en wij
noemden het Pennoe[137], omdat het zoo snoesig was als een muisje. Ik
vermeed sedert het vreemden-kwartier, bespaarde wat ik verdiende en
kocht eene geit, die voor onze deur stond, toen ik de vrouw overdroeg
naar hare eigene hut. Zij was wel stom, maar niet doof. Zij verstond
onze taal niet, doch de demon in hare oogen sprak voor haar en vatte wat
ik zeide. Alles begreep zij en kon zij ook met hare blikken zeggen. Het
allerbeste wel kon zij danken. Geen opperpriester, die de goden op het
groote Nijlfeest voor hunne weldaden in lange liederen prijst, kon zoo
innig met zijne welsprekende lippen danken, als zij het kon met hare
stomme oogen. Als zij bidden wilde, dan was het of de demon in haar blik
nog machtiger was dan anders. In den beginne werd ik wel eens ongeduldig
als zij daar zoo mat en sprakeloos tegen den wand leunde, of als de
kleine schreeuwde en mij geen nachtrust liet. Zij had echter alleen de
oogen te openen, en dan onderdrukte de demon elke klacht in mijn gemoed
en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan
lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere
kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes.

      [137] Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis.

»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het
jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard.
Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder
merkte dat het mij pleizier deed. Want als ik wat moois of lekkers had
medegebracht, een ei, of eene bloem, of een koekje, dan hield zij hem
in de hoogte, en stak zijne handjes in mijn baard. Ja binnen weinige
maanden had de vrouw geleerd het kind te waardeeren, want zij werd
rustiger en besteedde meer zorg aan zijne verpleging. Zij is altijd
blank en teer gebleven, maar het scheen of zij van dag tot dag jonger en
schooner werd. Zij kon ternauwernood twintig jaren geweest zijn, toen ik
haar kocht. Hoe zij heette heb ik nooit te weten kunnen komen. Wij gaven
haar ook geen naam: zij was ‚de vrouw’ en zoo spraken wij haar aan. Toen
zij acht maanden bij ons geweest was, stierf het muisje. Ik heb geweend
als zij, en terwijl ik zoo, over het kleine lijkje gebogen, aan mijne
tranen den vrijen loop liet en dacht: nu kan hij zijn vingertjes niet
meer naar je uitsteken, toen voelde ik voor het eerst de zachte hand van
de vrouw over mijne wangen. Zij streelde als een kind mijn ruwen baard,
en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de
pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven.

»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder
zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar
als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik
haar naderen wilde en haar mijne liefde toonen, dan keek ze mij aan, en
de demon in hare oogen dreef mij terug en ik liet haar alleen. Zij werd
gezonder, sterker en steeds schooner, zoo schoon zelfs, dat ik haar voor
anderen verborgen hield, en het verlangen mij verteerde haar tot mijne
vrouw te maken. Eene rechte huisvrouw kon zij wel nooit worden; hare
handjes waren zoo teer, en zij wist niet eens hoe zij geiten moest
melken. Dat en al het overige deed moeder voor haar. Overdag bleef
zij in de hut en werkte, want zij was zeer bedreven in vrouwelijke
handwerken, en kon kanten vlechten zoo fijn als spinrag, die moeder
verkocht om voor de opbrengst reukwerken aan te schaffen. Daar hield zij
veel van, en ook van bloemen; dat heeft Warda daarbinnen van haar. ’s
Avonds, als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten,
wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens
opziende naar de maan, die zij zeer liefhad.

»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds
donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar
hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een
troep jakhalzen zoo geweldig blaffen, dat ik dadelijk bij mijzelf zeide:
ze hebben een mensch aangevallen. Ik begreep ook wie, al had niemand het
mij gezegd. De vrouw kon immers niet schreeuwen of om hulp roepen?
Razend van angst rukte ik de paal, waaraan de geit vaststond, uit den
grond en een brandend stuk hout van den haard, vloog de ongelukkige te
hulp, verjoeg de beesten en droeg de arme vrouw geheel bewusteloos in de
hut. Moeder hielp mij en wij brachten haar gelukkig weder bij. Toen wij
alleen waren, schreide ik als een kind van vreugde, dat ik haar gered
had. Zij liet zich door mij kussen, en ― toen is zij mijne vrouw
geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had.

»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want
zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook
al sprak zij niet. ― Niet lang daarna is zij gestorven.

»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris
word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil
ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij
dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden
verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind.”

»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?”
vroeg de arts.

De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende luide en
hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een
hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood
met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer
kostbaar, en mijne vrouw bewaart het zorgvuldig voor de kleine.”



TWEEDE HOOFDSTUK.


De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet
toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van
zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne
schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer
op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden
man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat
de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij
verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar
alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de
poort.

Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.

»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.

»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”

»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”

Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.

»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij dan niet,
dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben
geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt
hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden.”

De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen
zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in ’t oog kregen, doch hij gaf
geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met
schrijven.

Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die
slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit
vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep wel dat het hierop uitloopen
zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts
te kiezen tusschen liegen of zwijgen.”

»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid
éen is; wij noemen hem het Al[138], het omhulsel van het Al[139] of
kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke
menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner
deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten
hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte.”

      [138] De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en
      den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het
      duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle
      koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt.
      Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen
      van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste
      openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het
      pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft
      E. Naville in zijn werk „=La litanie du soleil=” grondig en
      voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis
      van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van
      het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard
      en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de
      opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels
      uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’
      verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus’ Egyptische
      mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de
      menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in
      dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot
      ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is
      oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere
      godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.

      [139] Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het
      heelal den vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.

»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” viel
Nebsecht hem in de rede.

»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte Pentaoer
zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen
kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld
niet zeg: ‚ik spreek,’ maar: ‚mijn mond spreekt,’ wanneer ik beweer dat
uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den
Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond
mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst
aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende
velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet[140] te
danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien
Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering
vervuld, zoo vaak ik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche
goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land
uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi[141],
den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst,
of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de
eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd
met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als
zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft
gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich
beweegt is klein....”

      [140] Godin van den zegen des oogstes.

      [141] De Nijl.

»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens
verslinden[142], in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een
kranke met eene zwakke maag.”

      [142] „De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië,
      „zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve
      de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en
      wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op
      vele plaatsen.

»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank,
die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij
dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit
den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en
symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar
haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht”[143].

      [143] Zie boven, bl. 91.

»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?”

»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen
zien[144], zonder te vertwijfelen?”

      [144] Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend
      opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige
      en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier
      opgelicht.” Plutarchus, =Isis= en =Osiris=, c. 9. Het opschrift
      wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato’s
      Timaeus.

»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en
al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?”
riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als
zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene
of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is
wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen,
er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in
mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingen evenals ik,
maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn
onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan
het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het
indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een
dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid
zoekt.”

»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en
gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid.”

De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik
weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder
elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel,
waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te
zijn van de ware, en misschien bestaat er in ’t geheel geene.”

»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan
onze behoeften en tevens de schoonste is,” zeide Pentaoer.

»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon
noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet
geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij,
dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles
wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote
gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje
weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen
doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een
tyranniek: gij =zult=! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door
zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een
ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon.
Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!”

»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat
wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die
het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie
der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn
stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart.”

»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg Nebsecht.
»Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder
wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de
verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij
uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel
heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat
nederknielen.”

»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk
gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in
zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet
kennen als de wereldrede, noemen wij hem ‚het woord’. ‚Die zijne leden
met namen bekleedt’[145], zooals de heilige teksten zich uitdrukken,
beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige
vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De
scarabeüs-kever[146], die ‚als zijn eigen zoon in het leven treedt’,
wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur.
En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het
bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat
wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat
er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven
voorttelen”[147].

      [145] Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra
      te Biban el Moeloek.

      [146] Naar dezelfde teksten.

      [147] Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt
      geboren uit het mannetje alleen.”

Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle
leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet
gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers
zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen.
Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen
mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw
‚goede God’ is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik
mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad
beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is
God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er
niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?”

»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. »Goed en
redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is,
die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid
aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende
vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het
eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf
beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich
aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg
zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen
waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen
oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die
de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne
hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen.
Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder
te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond
helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan
de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven
zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot
hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het
avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te
voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt.”

»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. »Alles, zelfs
het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe
stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts
nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om
ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet
in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven
door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is,
en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten.”

»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen?
Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige
bewondering?”

»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk
mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik
mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik
ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt[148]
noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door
de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen
van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende
richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens
maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan
zijn.”

      [148] Zie boven bl. 178.

»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend,
»zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om,
zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het
worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij
meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal
u ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij
aanbidt.”

»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld
in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende
zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het
worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds,
dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig
dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren
kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch
juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer
gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is,
het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te
gaan.”

Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.

»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken.
Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de
wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst.
Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als
wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een
rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote
bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in
Thebe[149]. Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het
zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde
door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen
kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan
honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo
had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was
als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u
zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het
bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in
beweging wordt gebracht.”

      [149] Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid
      door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd
      vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.

»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd
moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de
wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd,” zeide Pentaoer. »Gelooft gij
dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling,
dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald
wordt, zich tot wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen,
evenals de beweging der sterren?”

»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten
daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende
banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels
en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?”

»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. »Zijt gij
uw doel al wat nader gekomen?”

De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het
bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en
zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?”

»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”

»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou
aanleiding geven tot nieuw verschil.”

»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van
den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is
tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap
geweest.”

»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en
niet over daden.”

»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” riep de
dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons
levend uitvloeisel der wereldziel.”

»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij
dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner
ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een
boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde
raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls
schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen,
gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt
dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den
grooten oerma[150] Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van
ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen
onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet[151] ook de
vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt[152]. Daarop
volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is
een dierenhart te ontleden, aangezien ook dit de drager is eener ziel,
misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij
tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door
de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het
veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor
hij zijne verhandeling over het hart schreef[153], ongetwijfeld zulk een
orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem
zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk
onder de heilige schriften van Toth[154] was opgenomen, die vast stonden
en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij
verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren
geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met
openbaringen begenadigen. ― Ik was toen jong en heb mijne nachten in
gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd
doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een
hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten
en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. ’t Is waar, ik weet nu
slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen
en het hart van een mensch hebben.”

      [150] Hoogepriester van Heliopolis.

      [151] De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.

      [152] Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier
      volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het
      graf van Seti I.

      [153] Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van
      den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.

      [154] Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De
      papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door
      Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt
      genoemd.    Vrt.

»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het
onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?”

»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”

»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den
vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal
het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan,
en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft
Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont
aan ― is het niet zoo? ― hoe de verschillende zielstoestanden, als
toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het
algemeen voor zijne opvatting getuigen.”

»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij
gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft.
Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel,” en
de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag
voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden bestudeerd, daarginds
bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende
dieren[155]. ― Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden.”

      [155] Het gebruik van menschenhersenen wordt in den
      papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene
      oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het
      Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van
      terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op
      levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de
      menschelijke hersenen de zetel was der ziel.

De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus
bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters[156]
het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt
te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig
verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op
zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand
uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het
in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder
hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling:
»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”

      [156] In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars
      tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het
      hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete
      voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd
      gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste
      schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de
      afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om
      des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke
      teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste
      eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch
      schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl
      het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige
      dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens
      alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd
      geschreven. Zie Em. de Rougé, =Chrestomathie égyptienne=;
      H. Brugsch =Hieroglyphische Grammatik=; Le Page Renouf,
      =Hieroglyphicial grammar=; Ebers, =Ueber das hieroglyphische
      Schriftsystem=, 2 Aufl. 1875 in de =Vorträge=, door Virchow en
      Holtzendorf uitgegeven.

De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe,
en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef
ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit
de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen
vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn
vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te
komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”

Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den
heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde
als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet
boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten
ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”

»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij
goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere
angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er
huis en hof voor op te offeren?”

»Ja =eigen= huis en =eigen= hof!” riep de dichter, en voegde er daarna
bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”

»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van
het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik
met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”

»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal
zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van
den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind
daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste
ellende te storten.”

Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door
een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide
hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”

»En wie zal u beschermen?”

»Haar vader.”

»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen
zullen zenden....!”

»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij
merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het
meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo
schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”

Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een
meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, »ja, gij vindt
haar ook schoon! Zonderling! ― Gij moet niet lachen, wanneer ik erken
― ik ben immers ook een mensch als ieder ander? ― wanneer ik erken,
dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der
vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet
meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste
oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de
ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer
aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut
gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht
opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien
hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer
zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden
door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik
zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” ― en bij
deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten ― »dat is het
niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de
zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten;
zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze
hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te
zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt,
helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god
noem.”

Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den
grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol
deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer
zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide:
»Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het
heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan.
Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze
gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats
van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat
gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste
eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind
geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene
onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid
over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij
zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven,
dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”

Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde
echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief
en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw
zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar
het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt
voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de
jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten,
niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij
geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in
het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de
maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat
door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en
de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer
verlangt, eene Warda waard? ― Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw
vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij
heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst
geluk te deelen.”

Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar
langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder
te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over
den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de
Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg
met nadruk: »Waar is de oude?”

»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” luidde
het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de
schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was
als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich
gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht
dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis[157] brengen.”

      [157] Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van
      Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.



DERDE HOOFDSTUK.


Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud
hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar
schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer.
Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens
spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een
sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had
gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had
neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van
die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene
menschen in de oogen te zien.

»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti met
dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.

»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor
mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden.”

»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, met
koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht
hebt ons te redden?”

»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek
van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen
en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik
uit Nefert’s oogen.”

»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, en
zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den
ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe
staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling
door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was.”

De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich
verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn
voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil,
en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert
roepen?”

»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had
zij een steun noodig.

De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten
weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den
Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op
haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de
gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik
dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat
uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al
een vriend te zijn.”

Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij
noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met
zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou
overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden
hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en
hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een
schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij
besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en
het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen
vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet,
en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden
ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den
vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en
ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel
beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij
daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van
Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn
droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen
had, scherp afgebakend voor hem. Nefert’s moeder moest voor schande
bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden
worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om
zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne
onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den
dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank.

Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman,
die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dat hij rijk genoeg is om
het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht
hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken
hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne
grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te
zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en
Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had
gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een
geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens
mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord
en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner
moeder, voor eerloosheid te bewaren.

Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans
al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch
hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar
zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor
haar reeds was afgesloten.

»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.

»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die
het leven als eene taak, eene zware taak beschouw.”

»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u
zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel.”

Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou
nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind
jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er
was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en
nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar
in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het
nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek
lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar
verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? ― Ik
lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het
gebeurde op mij. Uw hart vraagt: ‚Waarom hebt gij de verloving
verbroken?’ En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot
zoudt hebben bereid.”

Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met
klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den
grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u
aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds
waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als
een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig
en dierbaar geweest, en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder,
mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het
op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië
zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik
verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer.”

»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den
grond.

»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. »Want uwe moeder
heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis
verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor
Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van
uwe oudere rechten, toen =beval= hij, en wie zou het wagen zich te
verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon
van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw
vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem
geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad,
zulk een leed moeten sparen.”

»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en zijne wangen
kleurden zich donkerrood.

»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden
toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en
vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, ― gij waart nog zoo
jong, ― toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja
zijne....”

»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.

»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te
vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die
der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor
buigen.”

»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en
afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met klimmende heftigheid.

»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten.
»Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn
gunsteling in Nefert’s oogen te verheffen.”

»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme zweet droop
hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner
rollende oogen.

Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan
en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?”

»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon, »laat mij
los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede
Ramses trachtte Nefert’s hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en
bedenkt met wie gij spreekt!”

Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde
zijne vraag telkens dringender.

»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! ― Gij wilt
niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden.
Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide
dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was,
hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig
gelijkt als een uil een adelaar.”

Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne
bleeke lippen prevelden: »Zoo ― zoo ― ― ―”

»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos.
Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga,
en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis.
Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu’s en er leeft nog
iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao’s
dan hij.”

»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.

Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht:
»Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij
opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want
dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt
van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene
dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den
overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het
verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe’s bloed
in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik
was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder
deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden
hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn
ons genegen. Wij hebben...”

Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten
adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de
poort!”

Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde
zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani
te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en
was een vriend uws vaders.”

Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad
achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker staan en
vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?”

Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op
zij, en liep peinzend op en neer.

               *       *       *       *       *

Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene
schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene
beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde
tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering;
het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij
hem het laatst had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk,
half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief,
als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt
gij het negental goden ontmoet[158] of hebben de Hathors u in den slaap
gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken.”

      [158] De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen,
      bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien
      en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders
      verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen
      hem eene vrouw.

»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” gaf Ani
vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze
boodschap!”

Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud,
en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben
de legerscharen der verbondene Koeschiten[159] geslagen, en brengen
hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend
krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!”

      [159] Ethiopiërs.

»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk,
mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers
terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en
bloed beginnen te krijgen.”

»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder,
heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt
gij hier naast mij. De moed van Menth[160] straalt uit uwe oogen, en om
uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus[161].”

      [160] De krijgsgod der Egyptenaars.

      [161] Zie boven, bl. 91.

»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den ijver der
weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden
aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger
en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is
mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen
wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter
nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen.”

»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen,” voegde
Katoeti er bij.

»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te
hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden.
Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene
tweede overwinning berichten?”

»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe lachend, »maar zij
werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!”

»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.

»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke
gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!” En hierop vertelde zij
den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.

Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust
en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder
tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden,
maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen
worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend
weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere
bondgenoot...”

»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen toon.

»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.

»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde Katoeti
ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een
misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld.”

Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd
gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. »Heeft hij een moord
begaan?”

»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u
en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem
staatmaken.”

»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is
onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om
eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen.
Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij
laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet.”

»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,”
zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te
verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef
ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te
winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en
ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner
voorvaderen?”

Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne
vriendin gesproken? ― Begrijp ik uw zwijgen goed?”

Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke
uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen
hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als
de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!”

Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker
nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep
voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels
vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een
leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon
van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele
wereld,” zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen
gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte
wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen
ofschoon ― ofschoon ―. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt
moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de
eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn
zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist,
maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten
nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?”

»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een
geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten.”

»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen had, dan zou
ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes
schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen
zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten
worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt
deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn
er bij honderden in de tempels te vinden.”

»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.

Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses
schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken.
Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de
dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch
beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder
zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke
familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist
voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog
noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil
der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te
zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom
met uwe vrouw dus veilig genieten.”

»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.

»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij
terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet
dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke
bekoorlijkheid.”

Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone
vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de
galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg
Nemoe!”

Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker
toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit
van de partij te zijn!”

De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare
draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat
hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden
verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens
eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om
zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk
hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne
rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het
schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te
minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen
inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend. Nochtans was zijn
verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij
wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en
niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn
broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame
dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij
hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik
bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende,
ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend
overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.

De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in
zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een
kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de
ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten.
Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de
noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen
te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en
nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met
vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit
van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering
had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden,
die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn
verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen,
als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had
uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop,
waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en
klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van
geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te
overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede
gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.

Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem
ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij
zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde
gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond
de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken,” prevelde
hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak.”

Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn
bondgenooten.”

»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand
toestekende.

»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl
overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon
zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert
mijn groet brengen?”

»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden.”

»Morgen dan?”

»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te
danken.”

»Vaarwel Katoeti!”

»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een
groet met haar sluier achterna.



VIERDE HOOFDSTUK.


Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene
metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg,
of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.

»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het
antwoord.

»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.

De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de
galerij binnen.

»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op
haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier,
Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”

De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier,
gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te
bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu,
wij hebben elkaar alleen te spreken.”

Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare
moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en
zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af:
»Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.”
Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare
handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de
witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar
met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten
streelen.

De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot
hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te
bespreken.”

»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de
vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”

»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van
den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft.
»Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”

»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje
kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.

De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene
schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den
indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind,” zuchtte zij,
»hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens
hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die
kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”

»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste
niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden
onder het geluksteeken. In den Besa-tempel[162] raadpleegde ik het
orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel
verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief
van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond
hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de
granaten in uw haar stonden u niet.”

      [162] Zie boven, bl. 28.

»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter
verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”

»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.

»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te
winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”

»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning
moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij
hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die
hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de
lichtzinnigheid van een dollen jongen. ― Ja stellig, ik schrijf hem!”

Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof
deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller
te bewegen.

Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare
dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene
berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds
geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons
dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te
zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”

»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het,
moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om
mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”

De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop.
Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich
door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind
nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje[163], hoe goed men is voor uwe kleine
meesteres?”

      [163] Bij de Egyptenaars heette de kat: Maoe.

Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer
dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken,
wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang
opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en
moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij
onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw
echtgenoot u....”

»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller
begon adem te halen.

Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht,
gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger
had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart
zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming:
»Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u
waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon,
alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk
lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van
de trouw, en Mena heeft....”

»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en
daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.

»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de
trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten
getreden....”

»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij
onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.

»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft,
dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone
dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die
eerlooze schelm!”

»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste
woorden harer moeder herhaalde.

Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht,
lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans
onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin.
Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met
buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de
hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de
binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel,
wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke
lippen hare moeder tegemoet.

»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten zichzelve
van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem
dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”

Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken:
»Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte
jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”

»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal
ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die
zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven,
nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man
zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat
postament daar Mena’s tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de
schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en
al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen,
gelijk ik nu lach, en zeggen: ‚Wie weet wat hij die schoone daar binnen
te geven of te berichten heeft,’ en ik zou geen oogenblik twijfelen aan
zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis
ontrouw geworden[164], maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend
vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”

      [164] Plutarchus, Isis en Osiris, c. 14.

»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde Katoeti
bitter, »maar laat mij de mijne.”

»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van
verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man,
die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste
en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem
een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat
handelen!”

»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”

»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede,
»maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn
erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren.
Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over
nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze
schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van
dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard
zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men
zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging,
blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet
verlaten, gij of ik....”

Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp
zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de
kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.

Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering
voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit
eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was
Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare
kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder,
sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en
fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe
arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet
overvloeien.”

Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek.
Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers
van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in
zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan
men zich het ergste heeft voorgesteld!”

Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat
zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste
zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen
verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de
voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord
liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan
alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld
op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild
voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles
onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is
haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die
tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een
hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. ― Mijn geliefd
kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter.”

Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste
vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en
de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den
draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en
de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.

»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.

»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken
over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is
dat?”

»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet
verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt[165], het is beter als gij
het nog niet te weten komt.”

      [165] Misschien om zijne pygmeën-gestalte.

»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. »Ga nu tot
Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo....
zoo ―, maar ach wat heb ik nog weg te geven, ― zoo zal ik u dankbaar
zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak
u rijk.”

Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel
zijn?”

»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik
heb maar éen wensch.”

»En die is?”

»Paäker in Mena’s plaats te zien.”

»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de
galerij.

Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij
het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan....
dan. ― Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”



VIJFDE HOOFDSTUK.


Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner
meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem
dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg
aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder
Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te
spreken.

De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was
echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena’s vee
was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den
landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden
knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden[166];
doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik
uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen
verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest,
want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne
rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een
gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed
terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte,
gevoelde hij zich groot en tevreden.

      [166] In de tegenwoordige Egyptische steden vindt men, in plaats
      van onze huurrijtuigen, gezadelde ezels. Op de gedenkteekenen
      zijn alleen vreemdelingen als op ezels rijdende, afgebeeld.
      Doch bijna alle aanzienlijken tellen in hunne graven, reeds in
      vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er
      is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven,
      die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een
      draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius,
      =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. Abth. II, 126.

De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg
weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker’s
waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen
gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke
zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene
op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet;
of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste
maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder
klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de
toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte
om te handelen, geen perken had gesteld.

Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in
het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te
houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen
verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde,
telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer
uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman
geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf[167]. Bij den tempel,
waarin de lieden uit Kaft[168] hunne Astarte[169] vereerden, en het
heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls[170] offerden, was hij
voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende
aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van
achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht
en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken
hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen
getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot
zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen
bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen
ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite
den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit
verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom
te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen
eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk
de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den
geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars,
vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds
hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek
dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde.

      [167] Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der
      Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah
      gelegen was, en waarin de „Aphrodite der vreemdelingen” vereerd
      werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier „auch ta”, d. i.
      de wereld des levens, van de Menes-stad toegepast.

      [168] Phoenicië.

      [169] De Phoenicische godin komt op Egyptische gedenkteekenen
      meermalen in de plaats van Sechet voor (Vgl. blz. 61, v.). In
      Edfoe wordt zij afgebeeld met een leeuwenkop, en staat zij op
      een met paarden bespannen wagen. In den papyrus uit den tijd van
      ons verhaal komt haar naam, dien Ramses II ook aan een zijner
      lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor.

      [170] Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi
      (Apophis) „Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die
      in Egypte was.” Later werd aan de Baäls der Semieten door de
      Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit
      het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de
      Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth’s der
      Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische
      godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die
      van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het
      oude geschrift van Diestel, Pleyte, =Etudes égyptologiques=;
      Chabas, =Voyage d’un Egyptien=; Ebers, =Aegypten und die
      Bücher Mose=; Brugsch, =Geogr. Inschriften=; E. Meyer in zijne
      dissertatie over Seth. De godsvereering der Phoeniciërs wordt
      het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. ―
      Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische
      godsdiensten, St. 3.

Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was
geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van
zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder
inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor
hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier
deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen
beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich
overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het
laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel
met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester van Nemoe
gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk.”

Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige
tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige
in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang
verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de
plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de
tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna
cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen
stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek
lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in
kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw
ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van
vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en
oogleden zwart met mestem[171], ten einde haar blik des te helderder zou
uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren
met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de
meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen
nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene
eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te
drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje[172] op de
lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van
muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal
tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten,
tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige
jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene
kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven
door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van
spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op
te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der
meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen.

      [171] Stibium of spiesglas. Zie boven, blz. 60.

      [172] Zie boven, blz. 76.

De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij
haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem
dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte” ―
zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden ― »wel
verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de
slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts.”[173]

      [173] In den papyrus-Ebers vindt men voorschriften tot het
      verdrijven van al dit schadelijk gedierte.

»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes met
heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en
mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en
lenig, kan ik ’s nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door
vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans.”

»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en eerlang zult
gij ook niet meer hoesten.”

»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik
weet dat, zoo eindigen de meesten.”

Nemoe’s moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag
binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten
den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk
aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke
gemoedsaandoening plegen uit te stooten[174].

      [174] Het zoogenaamde zagarit.

De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield
zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste
riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek,
kleintje!”

»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond
aangaat.”

»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje op haar
beurt.

»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg lachend, »want
ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa
helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?”

De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij
begonnen zamen te fluisteren.

»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik begin waarlijk
te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan.”

»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een
rijdier te huren.”

»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte de oude.
»Wat hebt gij nu gedaan?”

»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug
van een lang gesprek met den stadhouder.”

»Welnu?”

»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen
levert.”

»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken,
natuurlijk verkleed; ik kon dan....”

»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden,
zou hij het niet slim overleggen.”

»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie
dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan.
Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den
lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien.
Wat is er verder gebeurd?”

»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt
rijke schatten naar Thebe.”

»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. »Goed, goed!”

»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester
niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het
stof hierheen gekomen ben.”

»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl ze den
kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert
wedergezien?”

»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die hierop
aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was
voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had
hij geen woord vergeten.

De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” prevelde
zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er
soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een
paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij
laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er
haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare
oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer
echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!”

Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel
beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet
vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij
eens verteld, dat het zoo’n trotsch gezicht was, moeder en dochter
naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en
panegyriën[175] rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er
overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen
in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de
kleeding het eerst gekozen?”

      [175] Feestverzamelingen met daaraan verbonden jaarmarkten.

»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde
kleuren,” antwoordde Nemoe haastig.

»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze
moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich
ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij
op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen
grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn
oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter
mora-spel te spelen[176], en haar aan dien lammen hazewind daar uit te
huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon.”

      [176] Zie boven, blz. 45.

»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het
duifje was eene leeuwin geworden.”

»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde de
oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van hem.’ Dat is op haar
volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders.
Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!”

»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, »maar....”

»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen
zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe
meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden
is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten
veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die
sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de
tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze
kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook....” en bij
deze woorden daalde haar stem ― »gelukzaliger dan de goden, zooveel er
maar zijn. Ik weet dat alles ― alles, want ook ik was eene bezetene
onder de duizend. En nu, heden....”

»Nu?” vroeg de dwerg.

»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den
slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven.
En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken
op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen.”

»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij
daar geschilderd hebt?” vroeg de kleine.

»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op
gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven
wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne
vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. ― Maar waartoe
al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar
thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin
te spreken....”

»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.

»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, »zal weldra
geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon
geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt,
wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene
gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige
weken leeren.”

Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!”

»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen
is?”

»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.

»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert
zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst
gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor
uzelven?”

»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti
mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne
kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de
nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden
met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn
eigen wagen door de straten rijdt.”

»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is
het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester
uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een
deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van
een hovenier, zij noemen hem Pentaoer.”

»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche
houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in.
Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken.”

»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je
zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten....”

»Wat?” vroeg de dwerg.

»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit
den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar
gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het
aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de
vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat
weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en
reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een
aanzienlijke. ― Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door
mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij,
zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of
tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere
kenteekenen verraden het dadelijk. ― Warda mag nu blijven waar zij is,
ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten.”



ZESDE HOOFDSTUK.


Toen Nemoe, ditmaal op den rug van een ezel, terugkeerde, vond hij noch
zijne meesteres, noch Nefert te huis. De eerste had zich naar den tempel
en vervolgens naar de stad begeven, terwijl Nefert, den onweerstaanbaren
drang van haar hart volgende, tot hare vorstelijke vriendin Bent-Anat
was gegaan.

Het koninklijk paleis geleek meer op eene kleine stad dan op een
huis[177]. De vleugel waarin de stadhouder zijne residentie hield, en
dien wij reeds betreden hebben, lag naar de landzijde; de gebouwen
daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de
zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der
pharao’s voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk
uit, want het gebouw verhief zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden
uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei
vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen
bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie
rijen paviljoenen aan van verschillende grootte. Zij waren onderling
verbonden door zuilengangen of bruggen, waaronder de waterleidingen
liepen, die de tuinen besproeiden, en het paleis het aanzien gaven van
eene stad op een eiland. Alle deelen van het slot waren uit lichte
Nijltegels en sierlijk gebeeldhouwd houtwerk opgetrokken. Van dezelfde
steensoort was ook de ringmuur gebouwd, welks toegangen waren afgesloten
door hooge poortgebouwen, waarvoor zwaar gewapende soldaten op wacht
stonden. De muren en pijlers, de balkons en zuilengalerijen, ja zelfs
de daken waren met veelkleurig schilderwerk bedekt. Bij alle poorten
stonden lange masten, waaraan roode en blauwe vanen wapperden, als de
koning hier verblijf hield. Thans stonden zij met hunne ijzeren punten,
die voor bliksemafleiders moesten dienen[178], kaal in de lucht. Ter
rechterzijde van het hoofdgebouw lagen de verblijven der koninklijke
vrouwen, geheel door dicht plantsoen omringd. Sommige woningen
spiegelden zich in het water, dat haar op korter of verder afstand
omgaf. Bij dit gedeelte van het paleis werden de koninklijke
voorraadschuren gevonden in onafzienbare rijen, terwijl achter het
middengebouw, waar de pharao woonde, de kazernen van de lijfwachten en
de schatkamers stonden. De linkervleugel eindelijk van het slot, was
voor de hofbeambten, de ontelbare bedienden, de paarden en de wagens van
den monarch ingeruimd.

      [177] De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat
      namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn
      geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die
      van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen,
      die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De
      gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door
      tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen
      woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken,
      maar waren grooter dan deze. Zie boven blz. 90.

      [178] Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld
      opschrift te Dendera.

Niettegenstaande ’s konings afwezigheid, heerschte er leven en
bedrijvigheid in het paleis van Ramses, want honderden tuinlieden
begoten de grasperken, de bloemranden, de heesters en de boomen.
Soldaten van de wacht marcheerden af en aan, paarden werden opgetuigd en
afgereden, en in den vleugel der vorstelijke vrouwen bewogen zich als in
eene bijenkorf dienstmaagden en slaven, hofbeambten en priesters her- en
derwaarts.

Nefert was in dit gedeelte van het slot goed bekend. De koninklijke
garden en deurwachters lieten haar draagstoel, onder eerbiedige
buigingen met het bovenlichaam, onaangeroepen voorbijgaan. In den
tuin werd zij ontvangen door een kamerheer, die haar naar den
ceremoniemeester bracht. Deze geleidde haar, na haar even te hebben
aangemeld, in het vertrek van Ramses’ lievelingsdochter.

Bent-Anat’s woning lag op de eerste verdieping van het paviljoen, dat
het naastgelegen was bij het huis van den pharao. Hare overledene
moeder had dit vriendelijk vertrek bewoond, doch nadat de prinses eene
volwassene jonkvrouw was geworden, wenschte de koning niets liever dan
haar in zijne nabijheid te hebben. Hij schonk haar dus het schoone
verblijf der te vroeg ontslapene, en tevens, want zij was de oudste
zijner dochters, menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd
toegestaan.

Het ruime vertrek, waarin Nefert Bent-Anat aantrof, was naar den stroom
gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was
gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld
koper vervaardigde balustrade, omslingerd door leirozen met bleekroode
bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de
prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want
de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat
zat gaarne in dit uur op haar balkon, ten einde met eerbiedig gevoel het
scheiden van Ra te aanschouwen, die elken avond als grijze Toem[179]
achter de Nekropolis onder den westelijken horizon wegdook, om in de
onderwereld de gezaligden te verlichten.

      [179] Zie boven, blz. 4.

Nefert’s woonvertrek was oneindig sierlijker gemeubeld dan dat der
prinses. Hare moeder en Mena hadden haar met duizenden fraaie voorwerpen
omgeven. Hare tapijten waren van hemelsblauw met zilverdraad doorwerkt
brocaat van Damascus; hare stoelen en het rustbed waren overtrokken met
eene stof, door Ethiopische vrouwen uit vederen vervaardigd, zoodat zij
er uitzagen als de borst van een veelkleurigen vogel. Het beeld van de
godin Hathor op haar huisaltaar bestond uit nagemaakt smaragd, dat
men mafkat noemde, en de overige kleine godenbeeldjes, die naast hare
patrones stonden, uit lazuursteen, malachiet, agaat en met goud ingelegd
brons. Op haar toilettafel stond eene verzameling van zalfdoozen en
schalen van ebbenhout en elpenbeen, uitmuntende door het fijnste
snijwerk. Alles was daar even keurig geordend en paste geheel bij
Nefert’s persoon.

Ook de woning van Bent-Anat was overeenkomstig haar karakter. De
vertrekken waren hoog en luchtig, en het huisraad dat men er in aantrof
was kostbaar maar eenvoudig. Het benedendeel der wanden was met koele
tegeltjes van fijn wit en violet porselein belegd, van welke elk eene
ster voorstelde, en die te zamen smaakvolle figuren vormden. Verder naar
boven waren de muren met dezelfde schoone donkergroene stof van Saïs
behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan de wanden
bestonden. Midden in dit vertrek stonden rieten stoelen en tabouretten
rondom eene zeer groote tafel. De verschillende andere kamers, die zich
bij dit middenvertrek aansloten, zagen er allen even deftig, aanzienlijk
en harmonisch uit; zij lieten dadelijk bespeuren, dat de bewoonster
weinig liefhebberij had in onbeduidende sieraden, maar des te meer in
fraai ontwikkelde planten, waarvan men bij uitnemendheid schoone en
zeldzame exemplaren, trapsgewijze met zekere kunstvaardigheid geordend,
in de hoeken van meer dan eene kamer kon zien. In andere vertrekken
waren de hoeken aangevuld door hooge ebbenhouten voetstukken in den vorm
van obelisken, die kostbare reukschalen droegen, want alle Egyptenaars
hielden bijzonder van reukwerken; bovendien schreven de artsen voor
daarmede de woningen te berooken. Haar eenvoudig slaapvertrek zou een
koningszoon, die veel hield van bloemen te kweeken, als verblijf zeker
evenzeer hebben aangestaan als eene vorstelijke jonkvrouw. Bent-Anat
verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand van de zon het
dringend vorderde, werden de voorhangsels van venster- en deuropeningen
gesloten, terwijl Nefert’s woning van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat in een schemerachtig halfdonker verkeeren moest.

De prinses ging de vrouw van Mena, die aan den drempel der kamer diep
voor haar boog, met hartelijkheid te gemoet, nam haar met de rechterhand
bij de kin, drukte eene kus op haar fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt
gij, mijne beste, nu eindelijk eens ongenoodigd tot mij in mijne
eenzaamheid? Dat is waarlijk voor het eerst, sedert de mannen weder ten
krijg trokken. Als de dochter van Ramses u laat roepen, en gij niet
weigeren moogt, ja dan verschijnt gij; maar vrijwillig....”

Nefert sloeg hare groote, door tranen bevochtigde oogen smeekend op, en
haar blik was zoo onweerstaanbaar, dat Bent-Anat hare toespraak afbrak,
en terwijl zij Nefert’s beide handen greep, uitriep: »Weet gij, wie
juist zulke oogen moet gehad hebben als gij? De godheid, naar ik meen,
uit wier op aarde nedergevallen tranen de bloemen zijn ontstaan.”

De vrouw van Mena sloeg de oogen weder neder, zag blozend naar den grond
en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik deze oogen voor altijd sluiten
kon, want ik voel mij recht ongelukkig.” Onder deze woorden biggelden
twee groote tranen over hare wangen.

»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?” vroeg de prinses met
deelneming, terwijl zij haar als een ziek kind met de rechterhand nader
tot zich trok.

Nefert zag angstig om naar den ceremoniemeester en de vrouwen van den
hofstoet, die het vertrek met haar betreden hadden. Bent-Anat begreep
dezen wenk, en verzocht allen, die op hare bevelen stonden te wachten,
haar te verlaten. Toen zij met hare vriendin alleen was, zeide zij:
»Spreek nu vrij! Wat maakt uw hart zoo bekommerd? Hoe komt deze
smartelijke trek op uw lief kinderlijk gelaat? Zeg het mij en ik wil u
troosten, en gij zult weder mijn vroolijk zorgeloos popje worden!”

»Uw popje!” herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen te lezen.
»Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, want ik verdien geen
beteren naam. Zoolang ik toch leef heb ik mij laten welgevallen, niet
anders dan een speelgoed van de mijnen te zijn.”

»Maar Nefert, ik herken u niet meer!” riep Bent-Anat. »Is dat mijne
zachte vriendelijke droomster?”

»Dat is het woord wat ik zocht,” zeide Nefert zacht. »Ik heb geslapen
en gedroomd, en altijd maar voortgedroomd, tot Mena mij wekte, en toen
hij mij verliet ben ik weder ingeslapen. Nu lag ik reeds twee jaren te
droomen, doch ik ben uit den slaap wakker geschrikt, zoo hard en ruw,
dat ik nergens meer rust kan vinden.”

Onder het uitspreken dezer woorden welden onophoudelijk groote tranen in
hare oogen. Bent-Anat werd zoo diep bewogen door alles wat zij zag en
hoorde, als ware de vrouw van Mena haar eigen lijdend kind. Met zachte
hand trok zij de jonge vrouw op den divan neer, zette zich naast haar en
hield niet op, voordat Nefert haar vergunde een blik in haar gemoed te
slaan en de diepte harer ellende te peilen.

Het was Katoeti’s dochter in de laatste uren gegaan als een blinde,
die op eens het vermogen om te zien terug ontvangt. Hij aanschouwt het
glanzend licht der zon en rondom hem de velerlei gestalten van het
geschapene, maar de stralen der dagvorstin verblinden zijn oog, en de
nieuwe vormen, die hij als bij voorgevoel met zijne ziel had gezocht en
zich nu in al hunne ruwe werkelijkheid aan hem opdringen, beangstigen en
pijnigen hem. Heden voor het eerst had zij zich afgevraagd, waarom toch
het bestuur van het huis, waarvan zij de meesteres heette[180], aan hare
moeder en niet aan haar was opgedragen. Het antwoord luidde: »Omdat Mena
u niet in staat acht te denken en te handelen.” Menigmaal had hij haar
zijn roosje genoemd, en nu gevoelde zij, dat zij niet meer en niet beter
was dan eene bloem, die bloeit en verwelkt, en alleen door hare bonte
blaadjes de oogen verkwikt.

      [180] Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van
      aanzienlijke Egyptenaars.

»Mijne moeder,” zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld lief,
maar zij heeft het goed van mijn echtgenoot slecht bestuurd, zeer slecht
zelfs, en ik ellendige sliep en droomde van Mena, en zag noch hoorde wat
er met zijn, met ons erfdeel geschiedde. Thans wordt mijne moeder bang
voor mijn gemaal, en wien men vreest, zoo zeide mijn oom, dien kan men
niet liefhebben. Heeft men iemand niet lief, dan is men gaarne bereid
het kwade van hem te gelooven. Zoo komt het, dat zij het oor leent aan
praatjes van lieden, die Mena belasteren en van hem berichten, dat hij
mij uit zijn hart verstooten en eene vreemde vrouw in zijne tent genomen
heeft. Maar dat is valsch, dat is gelogen, en ik kan, ik wil het
gelaat van mijne eigene moeder niet zien, wanneer zij het eenige wat
mij overblijft, wat mij staande houdt, den adem en het bloed mijns
levens, de liefde, de vurige liefde van mijn echtgenoot beleedigt en
schandvlekt.”

Bent-Anat had haar aangehoord, zonder haar in de rede te vallen. Een
tijd lang bleef zij zwijgend naast haar zitten. Eindelijk sprak zij:
»Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, hoe ik erover denk, en
misschien geeft Toth mij een raad in het hart, die u helpen kan. Ik heb
u lief en ken u door en door. Ben ik al niet wijs, zoo heb ik toch opene
oogen en eene krachtige hand. Neem haar aan, en volg mij nu op het
balkon.”

Een verkwikkende luchtstroom kwam over den vloed de vrouwen tegen, toen
zij naar buiten traden. Het was reeds avond geworden, en eene aangename
koelte volgde op de hitte van den dag. Reeds wierpen de groote gebouwen
en de huizen langere schaduwen, en werd de Nijl, die met majesteit zijne
hooggezwollen wateren naar het noorden stuwde, bevolkt door tallooze
booten, die de uit de Nekropolis terugkeerenden overbrachten. Rondom
lag de groene tuin, waaruit geurige rozentakken opklommen tot aan het
traliewerk van het balkon. Een beroemd kunstenaar had dien hof reeds
aangelegd in de dagen van Hatasoe, en het tafereel, dat hij in zijne
verbeelding had aanschouwd, toen hij de zaden in den grond strooide en
de jonge twijgjes plantte, was nu, vele tientallen jaren na zijn dood,
tot werkelijkheid geworden. Hij had zich zijn aanleg als een tapijt
voorgesteld, waarop de talrijke gebouwen van het paleis moesten rusten.
Wateraderen, in velerlei bochten geslingerd en waarin witte zwanen
zwommen, vormden tegelijk de omtrekken der verschillende partijen, en de
figuren die zij begrensden waren als geschaduwd met planten van allerlei
grootte, vorm en kleur. De grond van het weefsel bestond overal uit
schoone oppervlakten van zachtgroene grasperken, waarop de volle
bontkleurige bloembedden en heestergroepen in gelijkmatige orde waren
aangebracht, terwijl de oude hooge en vreemde boomen, van welke
Hatasoe’s schepen er vele uit Arabië naar Egypte hadden gebracht[181],
aan het geheel een zekeren ernst en deftigheid gaven. Op de bladeren der
boomen, de bloesems en grashalmen vonkelden thans heldere druppels, want
even te voren had men den geheelen aanleg met frisch water begoten.

      [181] In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de
      afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen.

Van Bent-Anat’s balkon kon men aan gene zijde een eiland opmerken, door
een arm van den Nijl gevormd, met het goed onderhouden heilige bosch van
Amon. Ook de Nekropolis was juist van hier goed te overzien. Daar waren
de sphinxen-lanen, die van de landingsplaats der feestbarken, naar
de reusachtige bouwwerken van Amenophis III met hunne kolossen, de
grootsten van Thebe, het Seti-huis en den tempel van Hatasoe, leidden.
Ginds lagen de uitgestrekte werkplaatsen van de balsemers en de dicht
met huizen bezette straten van de doodenstad. In het verre westen rezen
de Libysche bergen omhoog, met hunne tallooze groeven, en daarachter,
hoewel voor het oog verborgen, breidde zich in een grooten boog het dal
der koningsgraven uit.

Zwijgend staarden de vrouwen naar het westen. De zon begon reeds
den horizon te naderen; nu bereikte zij dien; daar zonk zij
achter het gebergte weg. Terwijl de hemel schitterde met allerlei
kleurschakeeringen van helder goud, van vonkelende robijnen, aan
gesmolten granaten en amethisten gelijk, weerklonken uit alle tempels
weldra de avondliederen. De beide vriendinnen zonken op hare knieën,
verborgen haar aangezicht in de rozenguirlandes, die zich door de
balustrade slingerden, en baden uit den diepsten grond harer harten.
Toen zij weder opstonden, breidde de nacht reeds zijne vleugelen uit.
Want in Thebe duurt de schemering kort. Slechts hier en daar dreef nog
een roodachtig wolkje aan den al donkerder wordenden hemel, dat geheel
verbleekte toen de avondster opging.

»Ik ben wel te moede,” zeide Bent-Anat, diep ademhalende. »Is ook in uwe
ziel de vrede teruggekeerd?”

Nefert schudde ontkennend het hoofd.

De prinses deed haar op een rustbank plaats nemen, vlijde zich naast
haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is gewond. Men heeft uw
verleden verbitterd, en met angst ziet gij de toekomst tegen. Laat mij
openhartig zijn, ook wanneer hetgeen ik u zeggen zal u leed doet. Gij
zijt ziek en ik wil trachten u te genezen. Wilt gij naar mij luisteren?”

»Spreek vrij,” zeide Nefert.

»Het spreken,” hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar het handelen.
Ik geloof dat ik weet wat u ontbreekt, en dat ik u helpen kan. Gij hebt
uw man lief; zijn plicht riep hem van u weg en gij gevoelt u eenzaam en
verlaten. Dat is natuurlijk! Doch mijn vader en mijn broeder, die ik ook
liefheb, zijn insgelijks naar het oorlogsveld vertrokken; mijne moeder
is sedert lang gestorven; de aanzienlijke vrouw, die de koning mij tot
gezelschap achterliet, is nu weinige weken geleden aan eene ziekte
bezweken. Ziehier deze halfverlaten stad, die mijne woning is. Wie van
ons beiden kan men eenzamer noemen, u of mij?”

»Mij,” zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de vrouw, die
gescheiden van haar echtgenoot verkwijnt van heimwee.”

»Maar gij gelooft in Mena’s liefde?” vroeg Bent-Anat.

Nefert knikte toestemmend, terwijl zij de hand tegen haar hart drukte.

»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!”

»Ik hoop het,” antwoordde Nefert met zachte stem.

»En wie hoopt,” vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der toekomst.
Zeg mij, zoudt gij met de goden hebben willen ruilen, zoo lang Mena
bij u was? Neen! Welnu, dan zijt gij dubbel rijk, want de zaligste
herinnering, het geluk van het verleden, is evenzeer uw eigendom. Wat
is dan het tegenwoordige? Terwijl ik spreek is het reeds niet meer! Nu
vraag ik u, aan welke zaligheid kan =ik= denken, en op welk zeker geluk
mag =ik= met grond hopen?”

»Gij hebt niet lief,” zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel en
onbeweeglijk daarheen op uwe baan. Het hoogste geluk is u tot hiertoe
vreemd gebleven, maar daarom kent gij dan ook niet het bitterste leed.”

»Welk leed?” vroeg Bent-Anat.

»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van Sechet verteerd
hart,” antwoordde Nefert.

De prinses staarde een poos nadenkend op den grond; eindelijk sloeg zij
de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! Ik ken de liefde
en het heimwee. Maar wanneer gij op den hoogen feestdag wacht, om het
sieraad, dat uw eigendom is, weder te dragen, dan heb ik even weinig
recht om mijn kleinood het mijne te noemen, als de parel die ik op den
bodem der diepe zee zie glinsteren.”

»Gij hebt lief?” riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik Hathor, dat
zij eindelijk uw hart heeft getroffen. De dochter van Ramses behoeft
niet eerst de duikers te roepen, om het kleinood voor zich uit zee te
visschen. Zij wenkt, en de parel stijgt tot haar op, en legt zich in het
zand aan hare slanke voeten neder.”

Bent-Anat kuste lachend Nefert’s voorhoofd en zeide: »Treft u dit zoo,
dat het op eens uw geest en uwe tong in beweging brengt? Wanneer twee
snaren gelijk gestemd zijn en men slaat de eene aan, dan klinkt de
andere noodzakelijk mede, zegt mijn meester in de muziek. Ik geloof dat
gij tot aan den morgen naar mij zoudt luisteren, wanneer ik u meer van
mijne liefde vertelde. Daarvoor zijn wij hier echter niet op het balkon
gekomen. Hoor mij nu aan! Ik ben alleen even als gij. Ik heb ook lief,
maar onder nog minder gelukkige omstandigheden. Mij dreigen uit
het Seti-huis bange uren, en toch ontzinkt mij het vertrouwen, de
levensmoed niet; toch verheug ik mij in mijn bestaan. Hoe kunt gij dat
verklaren?”

»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur,” zeide Nefert.

»Toegegeven,” antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden jong, wij
zijn vrouwen en willen het goede. Mij is reeds zoo vroeg eene moeder
ontvallen en niemand heeft mijne jeugdige schreden gericht; want men
gehoorzaamde mij reeds, toen ik nog zoozeer behoefte had aan leiding. U
voedde eene moeder op, die zich veel aan u gelegen liet zijn, die, toen
gij nog een kind waart, gaarne met haar schoon dochtertje pronkte, en
het droomen en spelen liet, wat der kleine zoo goed stond, zonder het
kwaad te vreezen dat in de toekomst dreigde. Toen kwam Mena uwe hand
te vragen. Gij hadt hem innig lief, maar in vier lange jaren was hij
slechts weinige maanden bij u. Uwe moeder bleef bij u, en gij merktet
het nauwelijks op, dat zij in uwe plaats uw eigen huis bestuurde en de
zorgen der huishouding op zich nam. Gij waart in het bezit van een
soort van speelgoed, waaraan gij u elken dag kondet wijden, namelijk
de gedachte aan Mena, en de ver van u verwijderde geliefde was het
middelpunt van uw duizenden droomen. O ik weet het, Nefert, al wat gij
sedert twintig maanden hebt gezien, gehoord, ondervonden, had betrekking
op hem en hem alleen. Op zichzelf beschouwd steekt hier geen kwaad in.
Deze rozenstruik, die met zijne takken mijne balustrade heeft omwonden,
aanschouwen wij beide met welgevallen; doch wanneer de hovenier hem niet
telkens snoeide, en hier en daar met palmbast opbond, dan zou hij in
deze vruchtbaren grond, waar alles zoo verbazend snel wast, weldra zoo
hoog opschieten, dat hij mijne deur en vensters bedekte, zoodat ik in
het donker zou zitten.

»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt ook de dauw
neer. ― Hoor mij nu verder! Het heerlijk gevoel van liefde en trouw is
in uw droomerig gemoed onbeteugeld en onbelemmerd als in het wilde
opgeschoten, en verduistert thans uw hart en uw verstand. Waarachtige
liefde kan, naar ik meen, niet anders zijn dan een edele vruchtboom, en
geenszins zulk een woekerplant. Ik zeg dat niet om u te berispen, want
zij, die uwe hoveniers hadden moeten zijn, merkten niet op wat er met
u gebeurde, of wilde het niet opmerken. Zie Nefert, toen ik nog de
kinderlok droeg, heb ik ook gedaan wat mij het meest naar den zin was.
Aan droomen heb ik mij nimmer overgegeven, maar ik had lust in het wilde
spel met mijne broeders, in paarden en valken[182]. Men heeft dikwijls
gezegd, dat ik een jongenshart had. O, ik zou ook zoo gaarne een jongen
zijn geweest.”

      [182] In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal
      wordt gesproken van het africhten van valken.

»Ik nooit,” lispelde Nefert.

»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje,” ging Bent-Anat voort.
»Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, ontevreden
bij al mijne wildheid, onvergenoegd, niettegenstaande men mij overlaadde
met bewijzen van liefde en hartelijkheid. Toen gebeurde het eens, vier
jaren geleden, juist kort na uw huwelijk met Mena, dat vader mij riep
om met hem te dammen[183]. Gij weet met hoeveel zekerheid hij zelfs den
meest geoefenden tegenstander overwint; maar dien dag was hij verstrooid
en tweemaal achtereen won ik het spel. Uitgelaten van vreugde sprong
ik in mijn overmoed naar hem toe, gaf hem een kus op zijn schoon breed
voorhoofd en riep: ‚De verheven god, de held, onder wiens voetzolen de
vreemde volken zich krommen[184], die door de priesters en het volk
wordt aangebeden, heeft zich door een meisje laten overwinnen!’ Met een
gullen lach gaf hij mij ten antwoord: ‚Dikwijls zijn ook de hemelsche
vrouwen de heeren des hemels te slim, en Necheb[185], onze godin der
overwinning, is eene vrouw.’ Daarop werd hij weder ernstig en sprak:
‚Gij noemt mij een god, mijn kind, maar slechts in éen opzicht gevoel ik
waarlijk iets goddelijks in mij, namelijk: dat ik in staat ben te ieder
ure met mijn arbeid het meest mogelijk nut te stichten, door hier iets
goeds te bevorderen, daar het kwade tegen te houden[186]. Ik ben alleen
aan de godheid gelijk wanneer ik iets groots uitdenk en voortbreng.’

      [183] Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven,
      waarop Ramses III ― niet Ramses II ― voorkomt met zijn dochter
      dit spel spelende.

      [184] Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens
      wederkeert.

      [185] De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die
      tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt
      zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der
      overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten
      krijg trekt.

      [186] De beide emblema’s, die in de handen der pharao’s en van
      vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de
      zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te
      houden en aan te drijven.

»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik wist op
eenmaal wat mij ontbrak; en toen de koning, weinige weken later, met uw
echtgenoot en honderdduizend krijgers ten strijd trok, besloot ik mijn
goddelijken vader waardig te worden en ook in mijn kring nuttig te zijn.
Gij weet niet wat er al zoo in die huizen daarachter onder mijn leiding
geschiedt. Wel driehonderd meisjes spinnen daar het zuivere vlas en
vervaardigen linnen windsels voor de wonden der soldaten. Vele kinderen
en oude vrouwen zoeken planten op de bergen en weder anderen sorteeren
ze, volgens het voorschrift der artsen. In de keukens worden geene
gastmalen gereed gemaakt, maar vruchten in suiker gekookt, tot eene
lekkernij voor de geliefden en kranken te velde. Daar worden stukken
vleesch gezouten, gedroogd en gerookt voor het leger, als het op marsch
gaat door de woestijn. De keldermeester heeft thans niet meer voor
drinkgelagen te zorgen, maar hij brengt mij den wijn in groote kruiken
van aardewerk, en zij gieten dien over in goed gesloten lederen
zakken voor de soldaten, en met de fijnere soorten vullen wij stevige
flesschen, die zorgvuldig met pek worden dicht gemaakt, opdat zij op
reis niet zullen bederven, maar straks het hart onzer helden verkwikken.
Dit alles en nog veel meer heb ik te regelen en te besturen, en zoo
vliegen mij de dagen om in moeitevollen arbeid. De goden zenden mij ’s
nachts geen droomgezicht, want na zulk een zware inspanning val ik
altijd in een diepen slaap. Doch ik weet dat ik nuttig ben, en fier durf
ik mijn hoofd verheffen, omdat ik nu mijn grooten vader eenigermate
gelijk. Als de koning om mij denkt, dan, dit weet ik, verheugt hij zich
over hetgeen zijn kind verricht.”

»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik u nog te
zeggen heb is: Sluit u bij mij aan; wees werkzaam evenals ik; toon dat
gij nuttig zijt, en dwing Mena, niet alleen met liefde maar ook met
zekeren trots aan zijn vrouwtje te denken.”

Nefert liet haar hoofd langzaam op Bent-Anat’s borst zinken, sloeg hare
beide armen om den hals der prinses, en weende als een kind. Eindelijk
verzamelde zij hare krachten en zeide smeekend: »Neem mij in de school
en leer mij nuttig te zijn.”

»Ik wist wel,” zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij slechts eene
hand noodig had om u te leiden. Geloof mij, weldra zult ook gij aan uw
heimwee tevredenheid weten te paren. Laat ik u dit nog zeggen. Keer nu
terug naar uwe moeder, want het is reeds laat. Bejegen haar liefderijk,
dat is toch de wil der goden. Zoodra de morgen weder zal zijn
aangebroken, wil ik u een bezoek brengen en vrouwe Katoeti vragen, of
zij u aan mij wil toevertrouwen, in de plaats mijner gestorven vriendin.
Overmorgen neemt gij uw intrek in mijn paleis. Gij zult de vertrekken
van de ontslapene bewonen en begint, gelijk zij deed, mij bij mijn
arbeid te helpen. Moge deze ure gezegend zijn geweest!”



ZEVENDE HOOFDSTUK.


Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de
overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet,
onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij
voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar,
waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de
vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij
het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij
geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en
altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den
Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning
hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar
vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken
aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest
krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde,
sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine
huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende
haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en
weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis.

Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag
er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het
stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te
voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht
van hem af.

Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw
over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de
hut dragen?”

»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder
van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen
gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk
komen.”

Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige
schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder
achteruit gaan?”

»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.

»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.

»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik niet
lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders
dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den
hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen
bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo
ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij
weder bij mij was!”

Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een
nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu
zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn
plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende
de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden
voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een
menschenhart betrapte.

Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij
misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die
gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den
gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die
kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee
jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?”

Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en
de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te
houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” te kunnen zeggen. Meer dan
goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik
dacht hij aan Pentaoer’s waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen
te blaffen, greep hij den vuurboor[187] en stak eenige voor de hand
liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot
van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk
plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde, nam
thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij
wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem
om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun
gilde[188] op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw
nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep,
waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij
naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne
medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit
nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den
ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich
uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te
deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne
verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer.
Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er
geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water
zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij
reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een
van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen
op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder
aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij,
die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag,
paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding
teekende.

      [187] De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te
      duiden.

      [188] Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers,
      en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten
      gekomen.

»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.

Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal.
Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne
vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op
haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.

»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders eindelijk
voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”

»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om
een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne
kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel
onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar
slechts haar trouwe dienaar.

Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over
al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan
een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in,” fluisterde
hij den arts toe: »neem het er uit en geef mij den zak terug; want
mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig.”

Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige
doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop
tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde
hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer
gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een ‚Boek van den
uitgang in den dag’[189] in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet
genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het
vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat
kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw
een onbekommerden ouden dag hebben.”

      [189] Zie boven blz. 169.

De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den
arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij
zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw
geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend
bij, »als het meisje gezond wordt.”

»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij
echter mijn geschenk...”

»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de Paraschiet
hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te
beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses
zelf mij met al zijn schatten niet betalen!”

Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden.

Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel
met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en
uien[190] voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen
wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen.
Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had
hij geen bete broods geproefd.

      [190] De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas,
      uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens
      Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen
      van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000
      gulden, verbruikt zijn.

Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den
Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe
handen gekomen?”

»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk
eene groote zonde begaan!”

»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen
wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik
ze ontmoet, zal kunnen genezen.”

De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen:
»Spreekt gij waarheid?”

»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er
geen twijfel kon overblijven.

»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe
hulp.”

»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt
weggenomen.”

»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard te vertellen,
nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze
volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij
als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers
en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht
voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt
liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de
bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.

»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam
midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel.
Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer
uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de
longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den
profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in
zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.

»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone
steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der
lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet
moesten later in kostbare albasten kanopen[191] worden bewaard; die van
den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd.
Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart
te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het
zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die
mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals
gij, zoolang zij wandelde op den rug van Seb[192]; wellicht zal zij
genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet
moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer
kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne,
fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het
goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was
gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde
had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde
gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en
verwisselde het hart van den hamel met het zijne.

      [191] Zie boven blz. 168.

      [192] De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen
      dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van
      den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden,
      zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor
      de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.

»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel
heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk
van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën[193] in
zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie
en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de
Amenti[194] beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans
zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in
de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen.”

      [193] Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit
      allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart
      in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls
      de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het
      hart handelen.

      [194] De onderwereld.

Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik
zou gekozen hebben als gij. ― Neem nu dit water, verdeel het in vier
deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen[195].
Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn.
Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier
buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster[196] is ondergegaan, breek ik op,
want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis.”

      [195] Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten
      dikwijls voorkomt.

      [196] De Sirius of Sothis ster.

               *       *       *       *       *

Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts
verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met een groote bloedvlek
zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht
het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar
gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich
op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel
verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil
zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde
zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide
toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen
haken[197] bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar
zijn treurigen arbeid te verrichten.

      [197] Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken
      met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak
      vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen
      verbrijzeld.

De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe
werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut
verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte.
Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een
ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort,
naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de
Kolchyten[198] binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten,
Taricheuten[199], wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk
hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen
zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein
werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een
deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden
aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook
van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke
begrafenis[200].

      [198] Naam van het geheele gild der balsemers.

      [199] Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.

      [200] Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en
      Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude
      Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus
      III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus
      5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:
      =Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de
      l’embaumement=. ― Uit dit ritueel van de balseming hebben wij
      vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het
      gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in
      acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind
      in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis
      betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van
      het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten
      wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee
      mummiën te Praag.

In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblik bewogen
zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit
allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele
kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de
beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen.
De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in
alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante
van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen
de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en
fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit
lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen
vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw,
Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs
ontboden.

De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels
vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën,
zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken,
gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren[201], die men
gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten,
of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken
aarde[202], bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo
er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen
uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men
hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te
reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden[203]; alsmede
zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes,
of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze
laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel,
welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen
zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen[204].

      [201] Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën
      worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien.
      De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons
      bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek
      gewijd.

      [202] Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea
      aanwezig.

      [203] Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo
      als bij de opdelvingen van Mariëtte.

      [204] Zie boven, blz. 26.

De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den
Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde,
waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der
balseming, en kozen uit de voorhanden modellen de kostbaarste kisten.
De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen,
in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd
worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van
malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath[205],
alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een
gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders,
zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten
op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden
medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over
de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in
het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen[206], insgelijks
daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het
vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester
uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke
doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst
kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van
de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden
geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken,
daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve
de steenen sarkophaag, een last zilver kosten[207].

      [205] De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten
      afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen
      tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten,
      die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.

      [206] Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.

      [207] Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste
      klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse
      twintig minen, ongeveer 720 gulden.

De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib
bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten
van het huis der balsemers, ― want de prijzen vond zij zoo ongehoord
hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak ― barstte zij van tijd tot
tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer
bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch
het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd
eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van
een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter
goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat
was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen,
evenals van het linnen uit hunne weverijen.

Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden
van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder,
die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten
vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters
stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden,
die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook
zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de
Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon
men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op
de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek
der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er
inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende,
en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën,
bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot
het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen
de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men
een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden
de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door
middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom.

De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders,
bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de
modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw
van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang,
massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide
lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den
tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit
gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden,
gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen
de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden.
Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij
dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en
weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk
waren, droegen maskers van de goden der onderwereld[208]. Een anubis met
den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes,
met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen
ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke
mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de
zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd.
Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige
oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor
het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad
bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene
godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede
gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad
verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt
vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als
doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie,
scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen
omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind
woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl
naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht,
want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der
menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.

      [208] Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen
      betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door
      den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars
      vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of
      lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele
      mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.
      Vert.

Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van
burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne
deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der
offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende
scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de
weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was
van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in
Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den
koning der goden zelven[209]. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen
zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap
over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het
garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel,
wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan
het feestvieren waren geweest, wolven[210] waren ingebroken in den
stal van de heilige rammen[211] der godheid. Sommigen waren den dood
ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes[212] ten
geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat
Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren[213], was door de soldaten,
die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden,
geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht
gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.

      [209] De god Amon van Thebe.

      [210] De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden
      echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad),
      het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook
      mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef
      men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De
      natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon,
      hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden
      in plaatsen, waar wolven werden vereerd.

      [211] Amon had overigens ook zijne heilige stieren.

      [212] In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre
      van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden
      van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften
      uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de
      vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij
      de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.

      [213] De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige
      exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche
      openbaringsvormen van de ziel van Ra.

De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der
offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en
zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den
profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen
de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten,
Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en
spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen
hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij
huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne
voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen
het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden
terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der
Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den
oostenwind werd overgedragen.

»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte
tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten!
De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao
nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een
veeg, zeer veeg teeken!”

»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, »heeft dat
alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen
openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”

De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de
profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude
koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een
oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch
zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”

De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen,
waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar
draagstoel, die aan de poort stond te wachten.

De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige
dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om
zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen
zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht.
Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de
middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen,
waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte
op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden
mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met
grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en
uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was,
kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.

Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het
huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor
zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne
vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek,
dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet
leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen
twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout
uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in
zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering
beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan;
want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het
brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk
vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het
waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk
bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en
hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij
het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en
in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel
liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de
lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou
zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne
kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen.
Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den
arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen
hart niet te duur betaald zou hebben. En toch ― hij had in zijn
langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op
een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep
hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar
met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden
toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de
rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch
niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven
had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de
rechtvaardiging niet mochten onthouden.

Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er
beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde
hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren,
kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.

Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal,
waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten
zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal
lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart
herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den
profeet Roeï gelegd had.

De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had
behandeld.

Pinem stamelde een toestemmend antwoord.

Of dit dan het hart van Roeï was?

De oude knikte bevestigend.

De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder
elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra
terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel
in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den
overste aller Kolchyten.

»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, terwijl
hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of
gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten.
Geeft hier! ― Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart
van een ram.”

»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de stellige
verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze
tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”

»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien
heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook
hierboven ergens geslacht, en....”

»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester in de
rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons
geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en
slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”

»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig,
Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar
den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier
een wonder is geschied.”

»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt hiertegen
in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten
profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”

»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. »Laat ons
dan heengaan!”

Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt
in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een
Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze
laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer
behoedzaam in zijne armen.

De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje
verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles
bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende
verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was,
om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch
wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit
allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij
geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin
der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug
toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters
zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis
gaf[214].” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo
rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het
suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden.
Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een
lijk afnemen[215], beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat
was het mes te gebruiken.

      [214] Zie boven blz. 170.

      [215] Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te
      Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de
      borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst
      eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat
      de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden
      bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De
      mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen,
      worden gevonden in de =Sitzungsberichten= der klasse van wis-
      en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van
      wetenschappen te Weenen, 1852.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was
omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook
reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen,
waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten
knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting,
Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden
teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen
tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de
weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer
zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat
aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en
de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden
zou worden.

De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten.
Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was,
hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten
slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in
hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat’s
broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als
zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een
weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond,
dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De
jonge Anana, Pentaoer’s geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof
met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne
handen.

»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, terwijl hij
naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder legde, »en wij
moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt
ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op
uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige,
en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!”

Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide:
»Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan
moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld
niets anders heeft behalve mij.”

»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te
springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat
had!”

»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, »en als
onzinnigen gehandeld.”

Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich,
en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder
niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en
gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne
rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij
handelen dan met ulieden!”

»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever laat ik mij
straffen, dan dat ik liegen zou.”

Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren
zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij
overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders
dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd,
dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet?
Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? ― Daar hebt
gij ’t! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben
de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst
spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al
slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij
blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?”

»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten profeet van
Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri’s rechterhand, terwijl Anana
zijn linker schudde.

De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los,
zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar
ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet,
mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen.”

»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste onder de
jeugdige misdadigers.

»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij
ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene
gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen.”

Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en
vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch
onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn
ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig
schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is
overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander
verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar
misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. ― Deze wijsheid
heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht,
en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter
behandelen?”

»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren
zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen
wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan.”

Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in
de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij
durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne
oogen wel raken!”

Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de
eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te
Thebe hem verlangden te spreken.

»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig
in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?”

Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem
rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er
in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe
reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen.

Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen
getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met
zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te
zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om
zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij
hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw
toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge
dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees
dus gerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem
terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem
morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld
is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend,
en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen.”

De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk
eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester
liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep
een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met
den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort
wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis
terug te keeren.

Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil
van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen
ook ongestraft blijven?”

»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen
jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en
overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter
rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven
de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te
beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt
ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van
zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. ― Gij schudt
het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is
de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het
gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten,
indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest
verwijderd wil houden.”

Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de
oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo
ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.

De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide:
»Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de
vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen
aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever,
worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het
heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot
handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze
ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen
vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger
weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachten hebben in te
spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet
morgen als Cherheb[216] optreden, morgen alleen; overmorgen stellen
wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze
beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het
jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor
nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen
niet waar?”

      [216] Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die
      den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der
      Kolchyten overeen willen brengen.

»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde de
Horoscoop.

Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en
zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn
oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren
afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel
genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet
mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te
handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is
de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja?
Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam
gegeven. Een slecht voorteeken!”

»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne
armen omhoog.

»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde Ameni.
»Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters
van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De
panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat
men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij
rijke bijdragen, en....”

»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij
wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die
zitten te slempen, als wij ons oefenen.”

Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk
ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen
de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men
gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen
de priesters van Amon wel opgewassen.”

»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.

»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,”
voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop,
half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar
krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den
offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op
hem stonden te wachten.

Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met
waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere
voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven,
beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in ’t kastje, nam het
angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het
orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich
verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt,
geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis,
verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van
den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid
alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken
slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te
roepen.”

In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan
de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden,
de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige
oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want
ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde
roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof
te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen
hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken.

Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde
zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de
borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart
van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat
zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en
te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te
vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij
ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en
verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden
baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en
leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen
zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten.

Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom, waaruit
dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich
weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke
gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een
priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog,
dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni’s oogen schenen zich niet
van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn
kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne
voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters
en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun
trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden
hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was
gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas
met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den
opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat
allen het hooren konden, het volgende verkondigde:

»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt!
De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe
heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram
werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het
allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en
wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den
heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den
stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst
van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven
ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste
gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen
ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen
achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin
bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken,
in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de
heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden
te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp
stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: ‚Wat
hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.’
Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten,
plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons
onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe
staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder
verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!”

Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden had, nam
de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem
diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige
koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in
het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning
zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij
het hebt aangekondigd.”

»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester
met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige
priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag
onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest
dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen
roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof
te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en
volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren
op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar
gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins
Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te
knielen, deze eerst te laten koken.

»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”[217], zeide een
ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op
zijn rug wijzende.

      [217] Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij
      wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn
      in den mond.

Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde,
zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het
ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de
lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord
of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied
af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn
rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot
hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk
toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne
gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna
duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en
tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u
eens voor,” zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde
vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter
zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne
troepen daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat
bevallen?”

In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en
vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij
heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan
dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter
wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf
geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze
en deze alleen moest de straf lijden.

Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond
en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een
dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb
verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig
lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt.”

Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij:
»Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen,
ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte
heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen.
Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en
te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn
toevertrouwd geen schade lijden.”

»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook
bereid er de gevolgen van te dragen.”

Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem
gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf
Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni
kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de
uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde
hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het
met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten.”

De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:

»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk
vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten,
en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht
bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb
ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze.
Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot
krijgsheld worden.”

Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem
aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en
zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de gevolgen uwer dwaasheid
op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor
zonsondergang geleiden wij u uit den tempel.”

De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet
den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was
doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen
verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner
was overtuigd, dat de gedachten die ’s jongelings ziel vervulden, niet
lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar
allen zagen op hem.

Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide
op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een
anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij
aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen
moet?”

»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, reik hem de
uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan
nog in deze inrichting.”

Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar dat =neen= klonk zoo bepaald, dat
allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.

Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende,
dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou
begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den
Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de
tempelpoort.

Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne
vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.

»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.

»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.

»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,”
hernam de ander.

»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri sprong aan
land en was weinige minuten later in het paleis der pharao’s bij zijne
zuster Bent-Anat.



NEGENDE HOOFDSTUK.


Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte
dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze
bekenden in Thebe.

Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was
laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd
en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd
had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een
nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar
slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak,
kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de
handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede
te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met
ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids
zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden,
waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.

Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met
ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook
wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank
werkelijk eenige uitwerking kon hebben.

»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het
fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”

Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel
vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s
trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats
gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend
angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat
een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van
het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt.
Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar
aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven
echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed
door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de
openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te
gebruiken.

Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette
zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de
kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds
aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert
gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden.
Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende
veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig
had gegeten, bedekte zij Nefert’s ontbijt, bestaande uit een tarwekoek
en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek
tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer
dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam
zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had
laten dragen.

Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef
Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid
zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige
bloemruikers[218] door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij
zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij,
had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti
stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van
den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den
stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde
voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en
vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te
bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden
zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor
haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een
onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.

      [218] De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat
      reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als
      teeken van vriendschap werden gegeven.

Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen
zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden
neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek
op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de
fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep
van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn
zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou
opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de
beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij
daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan
het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte
het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het
inhield.

Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom
zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter
van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. ― Niet?
Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne
troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele
spannen van Mena’s geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb
ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de
oogen te openen, zoo als hij zegt. ― Ga toch zitten, nicht; gij zijt
zoo bleek!”

Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel,
zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek
gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij
hem medenemen? ― Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem
nog doen sluiten!”

De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl
zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra
herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan
ga ik heen.”

»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en
kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar
wijn nog onaangeroerd.”

Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het
zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand
houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of
zij misschien niet reeds terug is.”

Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd
te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig
het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn
Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat
nu boordevol was.

Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar
Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op
een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw,
die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de
oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker
zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig
had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich
diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een
ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena’s plaats hebben gesteld?
Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij
hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in
hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging
zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten,
brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem,
zijne moeder.

Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer
bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar
zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar
ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde,
antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg
opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te
bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is.
Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de
edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel
ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd.”

»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.

»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” voegde zij
er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en
den tempel.”

Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder
nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was
een wonderbaar gezicht!”

De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde
halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.

»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde
voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels,
heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van den Neha-boom[219]
daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een
kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is
opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij
herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij
hield.”

      [219] Wierookboom. Zie boven, bl. 220.

Paäker knikte toestemmend.

Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat
zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of
water?”

Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half
leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon
gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti,
die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende:
»Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!”

De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk
aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker
van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij
hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde.
Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd
op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!” ― Hoe zelfzuchtig
hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en
toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de
schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert
den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar
de zure verfrischt meer in de hitte.”

»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot
den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn
droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws
vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur
te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet
mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering
naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd
bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op
den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en
eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij
dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de
blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer
over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik den
boom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling
buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water
uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van
inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse
waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen
blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een
oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en
twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte,
roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels
aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te
zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en
ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en
aan mij zijn leven te danken had.”

»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen
gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt
liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke
verklaring gaf de priester u?”

»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de
verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige
stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken.”

»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, terwijl zij
de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.

»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,”
zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.

»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam Nefert. »Want
ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn
eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden,
hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt
gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij
aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en
trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad.”

»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks de ure
gedenkende, waarin hij het voor ’t eerst gewaagd had, het schoone
bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.

»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is,
waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die
mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden,
hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne
kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke
van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de
hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat
hij mij nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij
zulke vriendelijke herinneringen!”

»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar daarbij met
teederheid aan.

»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. »Deze
bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang
bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en
zorgeloos spelen en droomen kon!”

Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen.
Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige
kussen.

Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn
arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne
bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den
tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te
berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik
verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van
Ramses.

Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan
hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn
wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner
hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met
goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder
Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden:
hem of Mena!.....



TIENDE HOOFDSTUK.


Terwijl Nefert daar van verontwaardiging als aan den grond genageld
stond, zoodat zij geene woorden kon vinden om hare vorstelijke vriendin
te begroeten, maakte Bent-Anat met koninklijke waardigheid aan de weduwe
haar besluit kenbaar om aan hare dochter de eereplaats op te dragen, die
door den dood van hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden
nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek
nemen.

Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe
niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans niet sprak op den ouden
vertrouwelijken toon. »Nefert,” zeide zij tot zichzelve, »heeft mij bij
haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid,
waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig.”

Zij gevoelde zich beleedigd en verontrust tevens. Ofschoon zij zich zeer
goed bewust was van de gevaren, waarmede zij bedreigd werd, nu de oogen
van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan
door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar
oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren
daarom oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert
de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te
gehoorzamen.”

Bent-Anat gaf trotsch een wenk met de rechterhand, als om te bevestigen
wat de weduwe had gezegd. Maar Nefert vloog naar hare moeder toe, sloeg
de armen om haar hals en weende lang aan haar boezem. Ook in de oogen
van de prinses parelden tranen, toen Katoeti eindelijk hare dochter tot
haar leidde en nog een laatsten hartelijken kus op haar schoon voorhoofd
drukte. Bent-Anat vatte Nefert’s hand en liet haar niet weder los. Zij
verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te
stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou.

»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn godenbeeldjes
en de amuletten,” vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk,
zou ik gaarne hebben.”

Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond gevallen
bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op
en gaf het een kus.

»Neem ook dat diertje mede,” zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo
gaarne mede.”

»Neen,” antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.

De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl zij op Nemoe
wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?”

»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke,” antwoordde Nefert. Daarop liet
zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti
nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin.

Zoodra Katoeti alleen was, ijlde zij naar hare kapel, waarin de beelden
harer voorvaderen stonden, afgezonderd van die van Mena. Half klagend,
half dankend wierp zij zich neder voor het beeld van haar gestorven
echtgenoot. De scheiding was haar zeker moeilijk gevallen, en het gemis
harer dochter vervulde haar hart met smart, doch het verloste haar
tevens van een zwaren last, die als een berg hare borst beklemde. Sedert
gisteren was zij te moede geweest als een wandelaar, die zijne schreden
richt langs de helling van een diepen afgrond, terwijl zijn vijand hem
op de hielen volgt. Weldra kreeg het gevoel van verlost te zijn van
hetgeen haar bedreigde de overhand, en onderdrukte hare moedersmart. Het
was alsof de afgronden waren aangevuld, als lag daar voor haren voet een
effen weg, dien zij slechts te bewandelen had, om het laatste doel van
haar streven te bereiken.

De weduwe, die anders zoo statig daarheen ging, doorliep nu haastig en
in heftige beweging de paden van den tuin, toen zij uit de kapel was
teruggekeerd. Voor de eerste maal, sedert die ongeluksbode kwam uit het
leger te velde, gelukte het haar den stand der zaken duidelijk en klaar
te overzien, en na te denken over de maatregelen, die Ani in de naaste
toekomst nemen moest. Het slot van hare overwegingen was, dat alles goed
stond, en dat het tijdstip gekomen was, om snel en kloek te handelen.

Toen de boden van de prinses verschenen, was zij kalm en bestuurde zij
met overleg het inpakken van alle voorwerpen, die Nefert had verlangd
mede te nemen. Zoodra dit was afgeloopen, zond zij den dwerg tot Ani met
het verzoek, dat hij haar spoedig mocht bezoeken. Doch eer Nemoe nog
het erf van Mena verlaten had, zag hij reeds de voorloopers van den
stadhouder, en daarop zijn wagen, omgeven door de trawanten, die gewoon
waren hem te volgen. Weinige oogenblikken later wandelde Katoeti met
haar vorstelijken vriend in den tuin op en neder, vertelde hem dat
Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in
de laatste uren overwogen en vastgesteld had.

»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd,” zeide Ani, »en
ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid te
handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil
morgen nog het feest van het dal bijwonen, en overmorgen trekt hij naar
Syrië.”

»Is hij dan bij u geweest?” vroeg Katoeti.

»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis,” antwoordde Ani.
»Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog
niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb.”

Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe zich had
opgehouden, die zich nu om te luisteren achter de bladplanten had
verborgen. Zij zetten zich naast elkander neer aan Nefert’s
ontbijttafel. Ani vroeg zijne vriendin, of Nemoe haar het geheim zijner
moeder had toevertrouwd. Katoeti hield zich van alles onkundig, en
speelde de rol eener door schrik en ontzetting aangegrepene moeder zoo
bijzonder goed, toen zij de geschiedenis van den liefdedrank vernam, dat
de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de
werking van zulke dranken maar eene inbeelding was.

»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst,” zeide Katoeti echter.
»Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert
heden morgen haar beker geledigd had, was zij als veranderd. Zij
richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich
zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit
ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner
dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!”

»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken,” zeide Ani nadenkend. »Maar
zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is
dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op
zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als
ik nog zoo jong was als Paäker! ― Gij lacht om deze mijne verzuchting?
Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk,
een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achter mij. En
toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar mij dit
eene! Toen ik jong was, werd ik zeer geliefd. Ik heb ook vele vrouwen
liefgehad, maar ik beschouwde ze allen als speelgoed; zelfs mijne vroeg
gestorvene gade maakte hierop geene uitzondering. En thans steek ik
mijne hand uit naar eene jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet
om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan
mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust,
zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik gelijk Paäker, die
een liefdedrank kocht.”

»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?” vroeg de weduwe.

»Ik was zoo onnoozel,” antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing,
die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen
herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden.”

»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?” vroeg de weduwe.

»Voorwendsels?” riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend
worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma[220] in
eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit:
tegenover haar scheen mij alles wat wij in het schild voeren al zeer
erbarmelijk! In mijne aderen vloeien nu eenmaal vele droppels van
Thotmes’ bloed, en ofschoon het leven mij geleerd heeft den rug te
krommen, zoo doet mij het bukken toch pijn. Het blijmoedig gevoel van
tevredenheid met mijn toestand en met al mijne handelingen heb ik nooit
gekend, want ik was altijd meer dan ik zijn mocht en deed minder dan
ik had moeten doen. Om niet ten alle tijde een droefgeestig gezicht te
zetten, lachte ik maar altijd. Mijn gelaat is met niets anders bedekt
dan met de huid, waarmede mijne moeder mij ter wereld bracht, en toch
draag ik altijd een masker. Ik dien hem, wiens heer ik meen te zijn,
krachtens mijne geboorte. Ik haat Ramses, die mij, al of niet oprecht
gemeend, zijn broeder noemt, en terwijl ik mij voordoe als bevestigde
ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te
ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!”

      [220] De godin der waarheid.

»Maar het zal waarheid worden,” sprak Katoeti, »zoodra de goden u
vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land.”

»Zonderling,” zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester
Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van
priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst; gij strijdt dan ook
met gelijksoortige wapenen. In plaats van zwaarden bedient gij u van
woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om
het lichaam maar om de ziel werpt.”

»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?” vroeg de weduwe. »In elk
geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik
meenen.”

»Dat zijt gij,” zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land
geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet
ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti,
van tien groote gebeurtenissen hebt gij vrouwen in negen de hand in het
spel. Gij zijt de aanleiding tot alles wat er thans wordt voorbereid. Ik
wil u oprecht belijden, dat ik voor weinige uren, niettegenstaande ons
laatste succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen,
indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats van =neen=, ja had gezegd.”

»Gij wilt mij wijs maken,” hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met
een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het
huwelijk ook: ‚de meesteressen van het huis,’ en wanneer de ouders der
burgers zwak worden, dan is het hier te lande de gewoonte, dat niet de
zonen maar de dochters hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze
zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik
vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?”

»Gij weet zoo veel,” antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij
vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam
juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de
reinheid teruggegeven had. In al hare jeugdige frischheid, schoon en
fier trad zij mij te gemoet, sterk en gezond als eene godin en vorstin.
Mij klopte het hart in den boezem, alsof ik nog een jongeling was, en
terwijl zij mij hare bloemen toonde, zeide ik tot mij zelven: Gij zijt
gekomen om door haar een nieuw recht op den troon te winnen, maar stemt
zij er in toe de uwe te worden, dan wil ik Ramses’ trouwe broeder en
stadhouder zijn, rust en geluk genieten aan hare zij en door haar, eer
het te laat is. Wijst zij mij af, dan moge het noodlot worden vervuld;
dan kies ik in plaats van liefde en vrede, de worsteling om de kroon,
die aan mijn huis werd ontroofd. ― Ik begon met mijn aanzoek, maar zij
nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig
minnaar...”

»Doch nu kwam het =maar=,” viel Katoeti in de rede.

»Het kwam,” hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een
openhartig =neen=! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering. Zij bad,
dat ik mij met dit ‚neen’ tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer
kracht aan te dringen, tot zij mij in de rede viel, en op trotschen
vastbesloten toon erkende, dat zij aan een ander boven mij de voorkeur
gaf. Ik wenschte den naam van dien gelukkige te weten. Zij weigerde dien
te noemen. Toen eerst begon mijn bloed te koken, mijn verlangen naar
haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen
zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart.”

»Gij zijt ijverzuchtig,” zeide Katoeti. »En weet gij op wien?”

»Neen,” antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat
hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen naam te geven. Eén ding
echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad,
maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu
voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van
nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer
tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen
zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester
Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni zal voor mij in Egypte,
Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend uit Ethiopië teruggekeerde
troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning
aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van
het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze in
de vestingen, die Egypte tegen de uit het oosten komende vijanden
beschermen[221], Tanis, Pelusium, Daphne, en Migdol. Ramses verlangt,
zooals gij weet, dat de onderhoorigen van de priesters geoefend, en hem
als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft
der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner
plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt
naar Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn.
Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal
Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde
maken en de burgers van hunne drukkende lasten bevrijden zal. Zij zullen
zien wie den goden welgevalliger is: de laatste nakomeling van het oude
koningshuis of een uitwas van het nieuwe. De kinderen van Ramses zullen
van het feest worden uitgesloten, want, ondanks hetgeen de eerste
profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Ameni de prinses
Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en
Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het
Seti-huis verbannen. Dat werkt op de menigte. Hoe de zaken in Syrië
staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen
verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat
eeuwigdurende in ’t veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt,
zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat
het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer Paäker zijn plicht
doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen.”

      [221] Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen
      de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek:
      =Aegypten und die Bücher Mose=. Bd. II, s, 78 ff.

»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet
meer,” zeide Katoeti.

»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn,” antwoordde
Ani.

»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier
omgaat?” vroeg Katoeti.

»Ik zeide het u reeds,” hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld.”

»Gij dwaalt,” antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan.
Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die
volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere
mogen in de eerste weken het leger bereiken.”

»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de stadhouder
lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven,
die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren,
zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil
over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning
in handen komen.”

»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee
bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt,
zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was.”

Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste
opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik
hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen,
zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe
regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van
éenen bloede, en uw belang is ook het mijne.”

Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook
verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien
oprichten.”

»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd,
wanneer niet ― wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit
te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. ― Wie
is hij toch dien zij ― Gij weet wien ik bedoel. ― Wien heeft Bent-Anat
lief?”

De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd
was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden
uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een
glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen
optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven
waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze
is wel-is-waar in het leger; intusschen....”

Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek
ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin,
en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen
gehoord.”

»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.

»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet
openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het
Seti-huis.”

»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg
wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den
mond halen!”

»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij
volgens de wet de tong laten uitsnijden,” zei de kleine onderworpen,
hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker
behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein
is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet
vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene
tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door
Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis.”

»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.

»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het
Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger
en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet
erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar
den overleden vader van den gids Paäker. ― Hebt gij hem wel eens
gezien, mijn vorst?”

De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en
zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:

»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich
kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle knapen om
zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en
aan geen ander.”

»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”

Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den
tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo
helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint
hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne
scherpe oogen niet missen kan.”

Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij
hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne
moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis[222] schroomt niet
het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij
ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude
ongemerkt spreken kunt.”

      [222] De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren
      twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op
      vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde
      men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt
      Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende
      dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van
      inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij
      door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest
      nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater
      daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond
      of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel” enz.

»Spreek op,” bromde Ani.

»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat
haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het
tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets
onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig
verzwijgt.”

»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man
eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.

In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa
verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval
zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de
politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde
boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij
duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond
hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last
van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart
van den door wilde dieren verscheurden ram van Amon was teruggevonden
in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï.

Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der
menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en
dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder
was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven
naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.

»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een schrijnwerker uit
Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is.
Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen.”

»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker
het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen
de beenen der menschen doorsloop.

»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De
onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger.”

»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen.
»Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen
dan papyrus-merg en lotuskorrels”[223].

      [223] Zie Dl. I, bl. 145.

»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat
naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden.”

»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” zeide
een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”

»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker,
zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat
juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. ― Gij vraagt waarom?
Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani’s grootmoeder.”

»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de schrijnwerker.

»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude
koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”

»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren
ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer
fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet
betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het
laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar
wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer
schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram
zich eene nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een
aanhanger van het oude....”

»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de
politie-wacht.”

»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb voor het
feest van morgen mijne handen vol.”

»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden
barrevoets in de Nekropolis volgen?”

»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.

»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als men beter
hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich
behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich
voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen,
zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne
dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar
wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van
mijne verdienste gaat daarmee heen.”

»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” zeide de
bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar
een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van
eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de
afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven.
Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor
mij en kwelt mij als altijd.”

»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de vrouw van den
mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten
weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is.”

De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij
Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven,
want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al
zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te
veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken
nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij
te benauwen.”

»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij
je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien.”

»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben
ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open.
Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den
schoen, dan werp ik haar met de leest.”

»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man
met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”

De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om
heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en
mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan
dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij,
schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. ― Vaart gij met mij
naar de overzijde?”

»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de
waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe,
en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! ― Zoudt ge denken dat het
wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?”

»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten.”



ELFDE HOOFDSTUK.


Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het
vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun
geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht,
die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels
voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid
brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de
zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op
den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke
booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote
processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar
gindschen oever hadden over te voeren.

In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer
drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de
toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden
weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de
vertooning, die op het heilige meer[224] zou worden uitgevoerd, ginds
de godenbeelden afgestoft en bekleed[225], en de kleuren der heilige
emblemen verfrischt. Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en
verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in
orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige
koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op[226], die
bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen
vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch
van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de
sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper
beslagene masten[227] vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en
purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof,
om straks de brandende zonnestralen te weren.

      [224] Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus
      (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer
      van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze
      mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg
      ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis,
      Osiris en Seth-Typhon voor. ― Vgl. Ebers, =Eene Egyptische
      koningsdochter=, B. III.

      [225] De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en
      bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de
      kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier
      godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene
      vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven
      opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor
      deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden,
      bijzonder leerrijk.

      [226] De „Sam-bark” geheeten, volgens de voorstellingen, die
      men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den
      tempel van Qoernah.

      [227] Zie boven bl. 216.

Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den
opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de
vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van
het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd
gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden,
Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw
werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde.

Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die
voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen.
Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de
zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën
des lands[228] en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich
weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de
dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten
en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring
sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat
alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen.

      [228] De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van
      den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta,
      feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.

De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri,
den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend
Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig
tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning
nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met
zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne
anders stijve ledematen in heftige beweging waren, in welk een toestand
hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne
lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij
te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke
dieren, losgebroken.

»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten met kevers
omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten
geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen,
naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster
uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een
Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de
kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van
het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne
voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil
hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster
uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend
den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den
emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend
aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij
springt met de rest van mijn geschrift er weer in.”

»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.

»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen
gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken
en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren.
Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer
van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de
wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”

Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen
zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het
dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de
boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van
hondskop-apen[229] en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De
bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen.”

      [229] De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan
      Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en
      bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er
      treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met
      schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot
      aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek
      van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een
      relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder
      goed is uitgevallen.

»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.

»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te
balsemen,” hernam Pentaoer.

»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als
een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang
heeft opgegeten.

»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, met een
vriendelijke bedreiging.

De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart
onderzocht.”

»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!”
riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de
oude Paraschiet u zou bezorgen?”

Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda’s grootvader voor
hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar
daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden
was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen
van een mensch,” riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik
verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te
nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst
der laagste Paraschieten.”

Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en
zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden
van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt.
Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?”

»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed
of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe
het is, verder niets!”

»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij de
zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij
de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar
verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!”

De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen.

Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van
Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij
waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar
edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne
krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den
zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen
te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe
ellendige dwaling!”

»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te
bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?” vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik
word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan
ons kunnen en weten ontbreekt.”

»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik weet maar
al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te
overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten
kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam
glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in
strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke
wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied
behooren.”

»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht bedaard.

»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze
opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens
uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare
geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als
geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen
bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan
vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd
met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen,
en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene
hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in
de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het
alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap
van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener
heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen
over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel
onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht.”

»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.

»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die
gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen.
Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde
der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel
noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden
weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram....”

»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige
hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een
beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider,
en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet
stak het in de borst van Roeï en...en.” Bij deze woorden trok hij de
lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond,
en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den
dichter voorhield ― »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan
hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn
hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! ― Ik zou het u wel
dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had
opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat
scheelt er aan?”

Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met
beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn.

Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde
hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het
eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan,
en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige
oogenblikken.

Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen
hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook
sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke
wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden[230] in hunne banen. Gij
heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een
afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als
Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als
Waarheid, ― ja steeds als Waarheid!”

      [230] Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.

De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht
hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld.
Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep
haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling!
Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu....”

Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de
kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen,
om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een
oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal,
waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis
ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan
zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde
profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke
priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks
aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters, allen in hunne
sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel
hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de
godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni’s troon stond de
bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat
en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel
als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In
eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden
van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester
dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens
hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend.
Pentaoer zat geheel onderaan.

Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering
nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar
de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den
volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid
en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering
zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over
de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder
zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de
elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij
te zetten, namelijk de koning en zijne familie.

Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters.
Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen
van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de
feestviering uit te sluiten.

Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, »den
knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein
verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel
te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden
aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier.
Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De
stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond
heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen
rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor
heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan
gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal
opgaan over ons door den krijg verarmd volk. ― Er gebeuren wonderen en
ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden,
op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde
naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar
het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug; hij wierp de
altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen
van onzen heiligen bodem.”

»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der Horoscopen.

Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter
voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet
ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten
en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst
het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit
onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog
een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de
beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het
bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is
ontdekt, dragende al de heilige teekenen.”

Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare.
Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen
loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de
laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het
ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch
ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de
vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig
aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn
stem hiertegen? ― Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze
heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!”

Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens
verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken,
van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De
vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met
welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen
onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere
warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo
getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige
hart....”

»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem
ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene
oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger
van het nieuwe wonder te verkiezen.”

Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te
lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni
vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist dat geen luim van het
oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren.
Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin
de woorden: »het nieuwe wonder” had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve
aan de echtheid van het goddelijk teeken!

De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en
zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u
is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die
wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk
wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon
den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u
thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder
verkondigen.”

Dit besluit van den meester werd door de in ’t wit gekleeden met
blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens
op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde,
inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij
deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te
blijven.

Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij
geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit
de Nekropolis met vreugde vervult?”

»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat waarheid de
hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is.”

»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En daar gij deze
leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra:
twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor
onze oogen is geschied?”

»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.

»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni voort, »en
zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u
beletten te gelooven.”

»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het
hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs
ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van
Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat
het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet
Roeï bevatten.”

Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie
heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of men oud moet worden, om
van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!”

»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam
verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld.”

»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met
u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen
uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der
godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen,
is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is
het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen,
en waarvoor ook gij u, zij ’t niet gewillig, dan toch gedwongen zult
nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden
waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. ― Weet nog
dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte
is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet
voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook
de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de
kronkelingen van de slang Mehen[231]; zoo staat het den uitverkorenen,
die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot
der menschen te mogen beschikken, ― dien uitverkorenen staat het vrij,
zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een
hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe
onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid.
Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u
als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral
niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!”

      [231] De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die
      dikwijls voorkomt in de teksten „van hetgeen zich in de diepte
      (onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor,
      die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te
      leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls
      eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel
      werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën
      gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en
      Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden,
      omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al
      schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de
      sterren.

Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich
zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit:
»Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin
van dezen hoogbegenadigden jongeling?”

»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude wet op
zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is
ontwaakt!”

»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als
schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den
dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de
hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van
het wonder....”

»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.

»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.

»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” hernam de
oude bedenkelijk.

»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch
wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?”

Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het
stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen,
en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe
vertoefde?”

»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet
Pinem, en bleef daar drie dagen lang,” antwoordde Gagaboe.

»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï
geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan het wankelen
heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij
boeten. ― Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem
ik dien zonderlingen kwant in ’t verhoor, en ik zal onverbiddelijk
streng zijn!”

»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” zeide Gagaboe.
»Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen,
en is een man van buitengewone bekwaamheid.”

»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den ouden
profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”

»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij zijn een
gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper,
niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas,
ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn
plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te
haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?”

»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. »Als hij
de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik
zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat
meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein
moet heeten. Als ik niet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met
geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat
hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet
van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige
inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden.
Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de
heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te
wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor
welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze
worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de
goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat
anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de
arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij
onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te
redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk
wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten,
zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot
slaven des konings vernederd worden.”

Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met
klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de
bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het
Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog,
daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet
besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet,
was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van
Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts
de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel
was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn
nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met
mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts
ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het
roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet
meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste
grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden!
volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds
zijner burgers verhief hij den glans van d’ Egyptischen naam tot
duizelingwekkende hoogte.

»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte
de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de
godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en
menig heerlijk woord heb ik van haar wijzen vernomen. ’k Vergeleek met
elkander ’t verleden en ’t heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze
geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd
dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die
wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten,
wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de
menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor
de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op
zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar =onze= wet gebood
en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is
voor ’t land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en
voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij
waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden
gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield
de goden te eeren, hoe zou ’t zich dan voor den pharao buigen? Veel
waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de
hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint
het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en
hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren,
maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een
waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten
raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een
bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven
der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede[232].
Doch Seti sloeg onzen raad in den wind[233]. Wij wilden ’s lands oude
verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der
priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning
trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven,
die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze
laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land
voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der
vreemden, en bouwt in ’t Noorderland niet alleen, maar ook in het oude
eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren
en statige heiligdommen voor de bloedige leugengoden[234] van ’t
oosten.”

      [232] De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen
      van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de
      reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.

      [233] Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar
      hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het
      orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van
      de onderneming zouden trekken.

      [234] Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals
      er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden
      gebracht, afgeschaft.

»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is
in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze
raad gevraagd. ‚Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke
toekomst te bereiden’, heeft Ramses gezegd, ’maar hun lot op aarde
bestuur ik alleen’!”

»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan
dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen
rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u
te zeggen, wat pharao’s stamboom is? Eens noemden wij de van ’t oosten
komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen,
die het hebben uitgemergeld en gekneveld, ‚pestplagen en roovers’. Tot
deze behoorden Ramses’ vaderen. Toen Ani’s vaderen de Hyksos verdreven,
verkreeg de dappere familie van ’t stamhoofd, wier nazaat thans Egypte
regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het
leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten
Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen
verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven.
Ongaarne erken ik ’t: de rechtgeloovige priesters ― uw grootvader was
onder hen, en de mijne ― ondersteunden den koenen roover der kroon, die
de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van
mijn huis en niet minder van ‚t uwe en vele andere priestergeslachten,
zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses’ vaderen kennen
wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot
uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook
hij. Zij houden van zwerven en noemen ons ‚ploegers’[235], bespottend
de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in
nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet
gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door
ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is
te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven,
dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook
Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de
grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te
vernemen der wijze vermaners, zij verstaan ’t niet en zullen ’t nooit
leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele
daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt
gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar ’t hoogere en edele
te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot
verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de
wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke
schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden.
Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten,
doortrekken in ’t oost en ’t west de woestijn. In ’t zuiden bidt een
verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij
slaan, als ’t geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende
staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken
zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als
afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van ’t
goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van
hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de
koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en
zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te
bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal
hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte;
dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!”

      [235] De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking
      van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.

»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.

Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en
ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een
echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is
waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons
voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier
valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten,
wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!”

»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.

»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, afscheid
nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar
het mag volstrekt niet uitgesproken worden.”



TWAALFDE HOOFDSTUK.


De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der
overstrooming[236] reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de
grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het
opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor
de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de
stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen
voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich
daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van
dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de
Nekropolis.

      [236] Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden
      of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden
      der overstrooming, van zaaiing en oogst (”Scha”, „per” en
      „schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de
      29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam
      overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.

Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in
plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar,
zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere
wereld[237]. Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het
stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar
ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd
was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de
priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het
brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij
de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te
danken. »Breng offers,” zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw
vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den
goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan
henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor
u moge doen, wat gij voor hen doet”[238].

      [237] Maspero, =Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre=, p. 75
      Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.

      [238] Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke
      voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven,
      en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op
      voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door
      Chabas in zijn tijdschrift =l’Egyptologie=.

Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber
karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was
integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis
van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men
verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk,
terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten,
offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij
elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en
fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken,
wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds
een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten,
die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der
aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende
op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden ’s nachts van
het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden
hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de
heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg
den oceaan des hemels bevoer.

Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel,
van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de
ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder
de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken
en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe
ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet,
waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog
altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen
dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder
de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter
van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed
vertragen.

Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die
het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien.
Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom
betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en
vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de
godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de
wierookgeuren, dat Amon naderde ― maar nog altijd vertoonde de dochter
van Ramses zich niet.

Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond
in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de
tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie;
Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar
broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk
paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren
morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe,
haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen
melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de
goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden
geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had
zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe
moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was,
wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had
toen Ani’s hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn
tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar,
om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor
zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd,
maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te
vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en
zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti
den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen
met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf
te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare
meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.

Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning
gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze
schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het
volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in
haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over
de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij
hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld
geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”

»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders
scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne
tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden
tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.

»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog
klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”

»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, »en ik zal dien
nooit vergeten.”

»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. ― »Blijf gerust, Nefert; gij zijt
immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij,
kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des
konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder
bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een
voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij
misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder
een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo
bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning:
‚Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig
recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het
gebeurd is, dan doet het mij leed!’ ― Toen vlogen wij allen naar hem
toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en
zeide: ‚Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk
gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij
weder wilt geven, wat ik u schonk.’ ― Hij herinnerde ons daarop onze
overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat
was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon
tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene
zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats
met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig
te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist
dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. ― Wij
grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter
geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”

Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men
zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”

»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag
goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.

Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan
moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”

»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. »En ook de
uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars
vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op
dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij
dit feest,’ zeide hij, ‚behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een
onbevlekt hart.’ Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni,
wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze
vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als
moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij,
broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen
staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer
geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”

»Ik ga met u,” zeide Rameri.

»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne
bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een
krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere
gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van
Mena’s moeder gelegd wordt.”

Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden,
hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene
koningin, en éen voor Mena’s moeder.

»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven
nederleggen.”

»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk
vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op,
dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”

»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen
laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het
bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”

Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare
blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe
oogen konden zij alles overzien.

»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en
armzalige optocht[239] zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig
rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers[240] en zangers.
Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe.
Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te
vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”

      [239] Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk
      de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest
      van den trap op den tempel van Medinet Haboe.

      [240] Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich
      onderscheidden door twee vederen op hun hoofd.    Vert.

Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden
zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in
wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden,
met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens.
Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god
zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte
onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde
schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem
beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij
scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den
stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke
bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper
goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon
langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.

Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden
broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu
priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene
heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de
geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest
waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”

»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met
de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed;
juist het tegengestelde van een sphinx[241]!”

      [241] Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx
      heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf
      het hoofd van een man, òf den kop van een ram.

»Hoe zoo?” vroeg Nefert.

»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een
leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam
een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een
krijgsman.”

»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, »gij zoudt
onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”

»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien
als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten;
achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne
vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel
in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel
versierd met Uraeus-slangen zich welven. ― De Horoscopen en de
Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee,
schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne
feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de
teekenen op de standaarden[242]. Herkent gij de beelden der koninklijke
voorvaderen, Bent-Anat? ― Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij
toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze
grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende,
zooals het toch behoorde te zijn. ― Daar komen de krijgslieden! Het
zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht
als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen
toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. ― Denkt eens, Bent-Anat
en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd
gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig
volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne
prachtige wagens!” ―

      [242] Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had
      haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke
      optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten
      werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den
      tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der
      Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten,
      die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele
      belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het
      godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en
      J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de
      geografische indeeling van het Nijldal.

»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”

Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en
vreemde dieren[243] zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip
van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot
vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout.
De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het
zoovele smaragden of robijnen waren[244]. De masten en de raas waren
verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip,
zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën,
doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. ― De
Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk
van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige
Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de
zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee
groote robijnen vonkelden.

      [243] Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een
      feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet
      houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus
      Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het
      geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger
      tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van
      Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.

      [244] De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid
      zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van
      verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling
      van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn
      mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit
      gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.

Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan
gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die
weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte
van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier
en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.

»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep Rameri, »en laat
ik mij met de kransen overzetten.”

»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.

»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.

»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik
dan met u naar de overzijde!”

»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel
eene vermomming te vinden.”

»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de
schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”

Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en
met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u
wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het
algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van
Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne
afgestorvenen geen krans mogen brengen?”

»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” zeide
Bent-Anat blozend.

»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste.
»Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft; gij, die
altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het
schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat
de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken
hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de
reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni....”

»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij
weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem
hooren.”

»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” hernam
Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de
Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft,
het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De
wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch
dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees
verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik
leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij
zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren
de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij
tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren,
en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper
indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen
zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!”

»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.

Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem
echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare
groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de
uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de
angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”



DERTIENDE HOOFDSTUK.


Een uur later voer eene slanke, zeer eenvoudig gekleede burgervrouw,
bij welker jeugdig gelaat eenige donkere plooien op voorhoofd en wangen
slecht wilden passen, over den Nijl, vergezeld van een donker gekleurden
opgeschoten jongen en een tenger knaapje. Het was moeielijk in dit
drietal de fiere Bent-Anat, den lichtkleurigen Rameri en de schoone
Nefert te herkennen. Deze laatste maakte, in het lange witte kleed van
de kweekelingen eener priesterschool, alles behalve een slecht figuur.
Toen zij aan wal waren gestapt, werden zij gevolgd door de beide sterke
en trouwe opzichters van de draagstoeldragers der prinses. Zij had
hun bevolen, dat zij den schijn moesten aannemen, als stonden zij in
geenerlei betrekking tot hunne meesteres en die haar vergezelden.

De vaart over den Nijl had lang geduurd. De vorstelijke broeder en
zuster hadden daarbij ondervonden, met hoeveel tegenspoeden gewone
stervelingen te worstelen hebben om tot een doel te geraken, dat zij
die een kroon dragen als vanzelf bereiken. Want niemand baande hun den
weg; geen boot week voor hun uit. Ieder was er op uit hun den voorrang
te betwisten, en eerder dan zij aan genen oever te landen. Toen zij
eindelijk bij de landingstrap uitstegen, was de processie reeds aan
het Seti-huis genaderd. Ameni was haar tegemoet gegaan, met zijne
zangerskoren, en had aan den Nijloever den god ontvangen. De profeten
van de Nekropolis plaatsten hem met eigene handen in de heilige van
cederhout en verguld zilver kunstig vervaardigde Sam-bark[245] van het
Seti-huis, die overal met edelgesteenten was bezet. Dertig Pastophoren
namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de
sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste
van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit
alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het
heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit,
om naar oud gebruik zand voor den god te strooien[246].

      [245] Zie boven bl. 272.

      [246] Peyron, =Papyri Graeci regii Taurinensis=, T. I, p. 41,
      42, 85-88.

Na verloop van een uur trad de processie weder naar buiten. Zij bewoog
zich in eene zuidelijke richting voorwaarts, rustte het eerst in den
reuzentempel van Amenophis III, voor welken de twee grootste kolossen
van het Nijldal als wachters stonden, en daarna in den tempel van den
grooten Thotmes, die nog zuidelijker was gelegen[247]. Daar keerde zij
om, ging vlak langs de oostelijke helling van het Libysch gebergte,
waarin tal van graven waren[248], besteeg vervolgens de terrassen van
den tempel van Hatasoe, dien wij kennen, hield zich in de nabij dit
heiligdom gelegen graven der oudere koningen[249] eenige oogenblikken
op, en bereikte tegen zonsondergang het eigenlijke feestterrein, aan den
ingang van het dal, waarin het graf van Seti was aangelegd[250], terwijl
zich in de naar het westen loopende dwarsdalen eenige groeven bevonden
van pharao’s uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte
van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels
te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht
aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte
van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig
kristal, die op een hoogen staak bevestigd was, opdat iedereen het zou
kunnen zien, het heilige hart van den ram rondgedragen.

      [247] Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet
      Haboe.

      [248] Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.

      [249] Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe’l Negga.

      [250] Het tegenwoordige Biban el Moeloek.

Onze vrienden sloten zich, nadat zij, zonder door iemand herkend te
zijn, hun krans op het rijke offeraltaar hunner koninklijke voorvaderen
gelegd hadden, eerst laat in den middag aan bij de volksmenigte, die de
processie volgde. Bij de groeve van Mena’s voorvaderen bestegen zij de
oostelijke helling der Libysche bergen. De stamvader van Mena,
Neferhotep, een profeet van Amon, had dat graf laten aanleggen, welks
enge ingang door een groote volksmassa als belegerd was. Want in de
eerste in de rots uitgehouwen grafkamer zat, bij elk feest, een
harpspeler het doodenlied te zingen van den sedert lang ontslapen
profeet, en van zijne gemalin en zuster. Zijn huiszanger had het
gedicht. Het was in de tweede grafkamer in den wand gebeiteld, en
Neferhotep had aan het bestuur van de doodenstad een stuk grond
vermaakt, met de verplichting, dat de inkomsten ervan gebruikt moesten
worden tot bezoldiging van een harpspeler, die verplicht was zijn lied
bij elk doodenfeest, onder begeleiding van snarenspel te zingen. De
wagenmenner Mena kende dit doodenlied van zijn stamvader zeer goed,
en had het Nefert dikwijls voorgezongen, terwijl zij hem met de luit
begeleidde. Want ook in de uren van vreugde, ja, bij voorkeur in deze,
gedachten de Egyptenaars aan hunne dooden. Zij luisterde nu met die haar
vergezelden naar den harpspeler, die zong[251]:

    »Ruste in vrede deze groote!
    Schenker van de schoonste gaven!
      Sinds de heerschappij der goden,
      Moet het kroost der menschen sterven.
      Ouden wijken voor de jongen.
      Schitterend rijst de nieuwe zongod
      Elken morgen, nadat de oude
      Rust vond in den schoot van ’t westen[252].

           *       *       *       *       *

    Vier nu, mijn profeet, den feestdag!
    Geur’ge zalven, specerijen
    Bieden wij, en bloemenkransen
    Slingren wij om borst en armen
    Uwer veelgeliefde zuster,
    Die daar neerzit aan uw zijde.
      Laat ons voor uw vriendelijk aanschijn
      Lied’ren zingen, snaren tokk’len:
      Laat toch achter u de zorgen,
      Wees gedachtig aan de vreugde,
      Tot de dag der reize nadert,
      Als men landend rust mag vinden
      In het rijk, waar allen zwijgen.”

      [251] Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard,
      alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen
      (=Historische Inschriften=, II) werd uitgegeven, daarna door L.
      Stern (=Zeitschr. für ägyptische Sprache=, 1873) werd verklaard.
      De volgende regels zijn daaruit vertaald.

      [252] Manoen, =Doodenboek= 15 z. 44; 110, z. 11.

Toen de zanger zweeg, drongen eenige lieden de eenvoudige grafkapel
binnen, om hun dank voor dit lied uit te spreken in het nederleggen van
eenige bloemen op het offeraltaar van den profeet. Nefert en Rameri
traden insgelijks het graf binnen, en de eerste legde, nadat zij in
een lang en stil gebed den verheerlijkten geest van den gestorvene had
aangeroepen, om Mena te beschermen, haar krans naast de mummie-groeve,
waarin de moeder van haar gemaal rustte.

Vele leden van het hofgezin gingen zelfs rakelings de koningskinderen
voorbij zonder hen te herkennen. Zij haastten zich nu om op het
feestterrein te komen, maar het gedrang was zoo groot, dat de vrouwen
zich nu en dan genoodzaakt zagen in een graf uit te wijken. In alle
grafkapellen vonden zij de offeraltaren met gaven overladen, en in de
meeste de familiebetrekkingen gezellig bijeen, die onder het genot van
vleesch en vruchten, bier en wijn, hunne afgestorvenen gedachten, alsof
het reizigers gold, die ver van den geboortegrond hun geluk hadden
gevonden, en die men vroeger of later hoopte weer te zien. De zon neigde
reeds ten ondergang, toen zij op het eigenlijk feestterrein aankwamen.

Welk een levendig tooneel deed zich hier aan hen voor. Overal stonden
tafels en tenten met eetwaren, voornamelijk met zoet gebak voor de
kinderen, en verder met dadels, vijgen, granaatappelen en andere
vruchten. Onder lichte afdaken, die echter voldoende waren om de
zonnestralen te weren, zag men sandalen te koop, en goed voor
kleedingstukken in alle stoffen en kleuren. Daar vond men snuisterijen,
amuletten, waaiers en zonneschermen, geurige reukwerken van allerlei
soort, kortom al wat men verlangen kon voor het offeraltaar zoowel als
voor de toilettafel. De korven der hoveniers en bloemenverkoopster waren
reeds ledig, maar de wisselaars hadden nog handen vol werk, en aan
de schenk- en dobbeltafels ging het reeds levendig toe. Vrienden en
bekenden begroetten elkander met vrome spreuken, terwijl kinderen
elkander hunne nieuwe sandalen, en de koeken die zij met dobbelspel
gewonnen hadden, of de koperen ringetjes die zij hadden gekregen en nog
heden besteed moesten worden, lieten kijken. Het meeste succes hadden
wel de wonderdoeners van het Seti-huis. Eene menigte toeschouwers
zat, op den grond neergehurkt, rondom hen geschaard; men had echter
vrijwillig voor de kinderen de eerste rijen ingeruimd.

Toen onze wandelaars deze plek betraden, was het godsdienstige feest
reeds afgeloopen. Nog stond er de troonhemel, waaronder de koninklijke
familie de feestrede pleegde te hooren en in welks schaduw heden de
stadhouder Ani had gezeten. Men zag nog de zitplaatsen der aanzienlijken
staan en de staketsels, die het volk verwijderd hielden van den adel, de
priesters en de leden der koninklijke familie. Hier had Ameni met eigen
mond het wonder van het ramshart aan het jubelende volk medegedeeld,
en kenbaar gemaakt, dat er een nieuwe Apis onder de kudden van den
stadhouder gevonden was. Zijne verklaring dezer goddelijke teekenen ging
van mond tot mond. Zij voorspelden het land vrede en geluk, door een
lieveling der goden. Al sprak de opperpriester het niet uit, zoo kon
het zelfs den onnoozelste niet ontgaan, dat met dien lieveling niemand
anders werd bedoeld dan Ani, de afstammeling van de groote Hatasoe,
welker profeet met het hart van den heiligen ram begenadigd was
geworden. Ieder zag bij Ameni’s woorden op Ani, en deze offerde voor het
oog van het volk onder het heilige hart en ontving den zegen van den
opperpriester.

Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die
haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij hoorde hoe een grijsaard
tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het
mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders
leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde,
gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor
veel te danken hebben.”

Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien
Pentaoer wel eens goed in ’t aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van
lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal
het ver brengen.”

Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar
is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb,” zeide de eene tegen de
andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang.”

»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid prees als de
hoogste deugd,” antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle
goden in hem woonden.”

Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde terugkeeren,
want de duisternis begon te vallen, doch Rameri wenschte ook de
processie te volgen, die nu met lampen en fakkels door het westelijk
dal zou trekken, ten einde dan tevens het graf van hun grootvader Seti
een bezoek te brengen. De prinses gaf ongaarne toe. Het was echter op
dit tijdstip uiterst moeielijk den Nijl te bereiken, want de dichte
volksmenigte bewoog zich juist in de tegenovergestelde richting. De
prins en zijne zuster lieten zich dus met Nefert door den stroom
medesleepen en kwamen, toen de zon reeds was ondergegaan, in het
westelijk dal. Geen roofdier vertoonde zich daar in dezen nacht, want
jakhalzen en hyena’s hadden de wijk genomen naar de woestijn, zoodra
zij het licht zagen der ontelbare fakkels en uit gekleurd papyrus
samengestelde lantaarns, die de bezoekers van de Nekropolis in de handen
droegen. De rook van fakkels en andere lichten, en de stof die werd
opgedreven door de beweging van zulk een menschenmassa, waren oorzaak,
dat men den sterrenhemel niet kon zien en de processie met de daarop
volgende menigte in eene wolk was gehuld.

Bent-Anat, Nefert en Rameri hadden zich een weg gebaand tot bij de hut
van den Paraschiet Pinem. Hier waren zij echter gedwongen te blijven
staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven
rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de
naderende processie.

»Zie, Rameri,” zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den
Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd was, »daar
woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. Zij wordt toch beter.
Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat
haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader.”

De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen hof,
en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? ―
Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt
hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij
zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!”

»De Paraschiet zal ziek zijn,” antwoordde Bent-Anat.

»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te veel
gedronken,” zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig
zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er
uit als een bezetene.”

»Hij is een onreine,” zeide Nefert.

»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart,” antwoordde
de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer
rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet
dronken.”

»Nu staat het meisje op,” riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn,
die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. »Ga wat opzij,
Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank
menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische
haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet
zeker nog heel zwak zijn! ― Daar zit zij weer bij den oude en wrijft
hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil
haar mijn beurs toewerpen!”

»Doe het niet,” zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven,
en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met
geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen
zenden en laten vragen, of ik ook ergens mee helpen kan. ― Zie nu vóór
u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat
volk! ― Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!”

»Ach,” zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!” Bij deze woorden klemde zij
bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses.

»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren,” antwoordde Bent-Anat.

»Zie toch eens,” riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is
heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!”

Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.

Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde
telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut trad
vooruit en prees met eene ver klinkende stem het groote wonder, waarbij
kort geleden nog een nieuw was gekomen. Want het heilige hart van den
ram was, toen de duisternis aanbrak, begonnen te lichten.

               *       *       *       *       *

Sedert zijn terugkeer uit het huis der balsemers had de Paraschiet Pinem
geen voedsel willen gebruiken. Op alle vragen der zijnen, die zich
doodelijk ongerust maakten, had hij niet willen antwoorden. Strak voor
zich uit ziende, prevelde hij allerlei onverstaanbare woorden, terwijl
hij de hand gedurig aan zijn voorhoofd bracht. Eenige uren geleden had
hij het plotseling uitgeschaterd van lachen. Zijne vrouw hierdoor nog
ongeruster geworden, was dadelijk naar het Seti-huis gegaan om den arts
Nebsecht te roepen. Gedurende hare afwezigheid moest Warda grootvaders
slapen wrijven met de bladeren, die de tooveres Hekt op hare borst had
gelegd. Deze hadden eens zoo goed gewerkt, en zouden ook nu voor de
tweede maal den demon der krankheid wel kunnen verjagen.

Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield
voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was
weggedoken, en een burger zijn buurman toeriep: »Het heilige ramshart
komt!” verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden
onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas.
Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn
gansche lichaam. ― De heraut verkondigde den lof van het wonder. Daar
vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield
lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker,
de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn
voorhoofd en brak weder vlak tegenover het heilige hart in een
waanzinnig schaterlachen, uit, zoo luide, dat het wijd en zijd langs de
naakte rotsen van het dal weerkaatste.

Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht
achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo
afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar
hij ontwaarde door stof en duisternis heen de doffe schemering van het
kleine vuur in den hof. Hij wist dat de opensnijder van de lijken op
deze hoogte woonde. Dadelijk was zijn besluit genomen. Hij fluisterde
een der officieren, die met hunne soldaten aan beide zijden van den
trein marcheerden, eenige woorden in het oor, die deze alleen verstond,
gaf daarop een teeken, en de processie zette zich weder in beweging,
alsof er niets gebeurd was.

De oude spande al zijne krachten in om, steeds luider en akeliger
lachende, op het hart los te stormen, maar het volk wierp hem terug.
Terwijl de laatste groepen van den feesttrein hem voorbij trokken,
sleepte hij zich, vreeslijk mishandeld, weder naar de deur van zijn hut.
Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar
op den grond lag te midden van stof en duisternis.

»Vertrapt den spotter!”

»Scheurt hem in stukken!”

»Verbrandt dat onreine nest!”

»Werpt hem met de deerne in de vlammen!”

Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee
oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare stokken, en sloegen op den
ongelukkige los, terwijl een Ethiopisch soldaat, Warda bij de haren
greep en van haar grootvader wegsleepte.

Op dit oogenblik verscheen de vrouw van den Paraschiet en met haar
Pentaoer. De oude vrouw had Nebsecht niet gevonden maar wel den
dichter, die na het uitspreken van zijne rede naar het Seti-huis was
teruggekeerd. Zij vertelde hem van de demonen[253], die haar man hadden
aangegrepen, en smeekte hem met haar mede te gaan. Pentaoer volgde haar
onverwijld in zijn huiskleed, zooals hij ging en stond, zonder het witte
gewaad aan te trekken, dat hem bij dit bezoek niet wenschelijk voorkwam.
Toen hij in de nabijheid van de Paraschietenhut was gekomen, vernam
hij het getier der menigte en boven allen uit den schrillen angstkreet
van Warda. Hij vloog vooruit en zag bij het flauwe schijnsel van het
smeulend haardvuur en het gekleurde doffe licht der lantaarns, de hand
van den zwarten soldaat in de haren van het hulpelooze kind. Dadelijk
was zijn besluit genomen, en op hetzelfde oogenblik hadden reeds zijne
ijzeren handen den soldaat bij de keel gegrepen. Daarop vatte hij den
kerel om zijn middel, tilde hem op en wierp hem als een rotsblok in
den tuin van den Paraschiet. Dit deed de woede der menigte opnieuw
ontvlammen, en zij stormden op hem los. Pentaoer gevoelde zich door een
tot hiertoe ongekenden vechtlust aangegrepen. Met een enkelen ruk
haalde hij den paal van zwaar Ethiopisch hout uit den grond, die de
tent steunde, door grootvaders zorgzame hand voor zijne kleindochter
opgericht. Hij slingerde dit wapen alsof het een rietstaf was, met
onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en
riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen.

      [253] Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren.
      De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de
      Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen
      bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten,
      waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van
      Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden.

»Die dat meisje durft aanraken,” schreeuwde hij, »is een kind des doods.
Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind
dus aanvalt op dit heilige feest!”

De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op te dringen, en
nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het
nest in brand!”

Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in wien
niemand den priester kon herkennen. Maar deze slingerde zijn paal, die
hen ter aarde wierp, eer hunne vuisten en stokken hem konden raken. Waar
het zware stuk hout trof, daar viel een man. Maar lang kon de worsteling
niet duren, want eenige van het gepeupel waren over de omheining
gesprongen, om hem in den rug aan te vallen. Pentaoer stond nu opeens in
het volle licht. Men had vuur geworpen in de hut achter hem, de droge
palmtakken van het dak waren dadelijk in brand geraakt, en knetterende
vlammen stegen op naar den nachtelijken hemel. De dichter hoorde het
razen van het volk achter zich. Met zijne linkerhand omvatte hij
het hoofd van het bevende meisje, dat zich steeds dichter aan hem
vastklemde, terwijl hij met de rechter den paal bleef slingeren,
overtuigd dat zij beiden verloren waren, maar dat hij de onschuld en
het leven van dit lieve schepsel tot zijn laatsten ademtocht moest
verdedigen.

Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee
mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en
wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden
woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de
ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden
gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een
opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast.

Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich
ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen,
een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen
soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich
achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder
op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste
vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen.
Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild
dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken
zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri,
had dreigend zijn bijl opgeheven.

»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. »Kom hier,
meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven.”

Bij deze woorden greep hij Warda’s hand, trok haar naar zich toe, en
bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard
beschermde.

Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan,
toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en
reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den
kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang
van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen
met rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben
Bent-Anat, de dochter van Ramses!”

Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug.

De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles
maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een
hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest
nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest,
die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens
Bent-Anat’s toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij:
»Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op
de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik
het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer,
de Cherheb[254] van het feest van heden. ― Vrouw, verlaat deze plaats!
Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!”

      [254] Feestredenaar.

Bent-Anat gehoorzaamde.

Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te
bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich
opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij
verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen
heilige vader! Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk:
»Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den
feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. ― Velen uwer zullen mij
kennen!”

»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen,” riep
een matroos.

»En mijn ziek oog,” zeide een wever.

»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel,” riep een
der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein
had opgevangen.

»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar voren. ― Maar
het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht
verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te
doen.

Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol
ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!”

»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed
bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te
bewaren.”

»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het
menschdom!” schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig
overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden
zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was
binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de
gewonden bezig te houden.

»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?”
vroeg hij zijn vriend fluisterend.

Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar
beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil,
in zijne hand verstikte.

Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom
hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”

»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” antwoordde
Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de
haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik.....”

»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar
moet dit op uitloopen?”

Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De hoofdman, die
door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde
met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het
volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar
gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit
het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van
Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den
hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat
Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst
en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der
draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen
haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak
een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch
den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak
Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog
altijd. Waar zullen de armen nu slapen?”

Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof
en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en
Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte
den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.

Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag,
heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig
geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe
geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene
voor Ameni brengen.”

»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den
hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet
op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.

»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot
Pentaoer richtende.

»Zij is krank,” antwoordde de dichter.

»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan
is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling
van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”

»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en wil voor
haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de
vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”

»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis
bezorgen.”

De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel
anderen voor haar willen zorgen!”

De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op,
en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.

               *       *       *       *       *

Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel
oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der
draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou
wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten
van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe
terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats
te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten.
Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht
geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark
van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote
spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want
Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij
steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk
wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje,
dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot
naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en
trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.

Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten,
en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den
overtocht van den god.”

Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar
arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht
waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de
godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden,
zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had,
voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den
gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!”

De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids
en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers
in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond
daarop hoorde men riemslagen.

»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn
scheepsvolk toe.

Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der
koningskinderen.

»Snel in de boot!” riep echter Rameri.

Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om
der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken.
Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je ’t niet gehoord,
schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de
boot van dat volk in den stroom terug!”

Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop
eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s
stem werd boven alle anderen uitgehoord.

»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze
leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”

Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader
had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne
moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal
los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond,
drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap
te kennen te geven.

Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om,
zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar
jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal
je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij
hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die
met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.

De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw
gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van geest. Want zij had
met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw
en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s
gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.

»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in
de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid,
en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe:
»Pak hem beet, Descher!”

De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds
als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den
zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend
neerstortte.

Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan
dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn
en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag
neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep
in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze,
uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd,
geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste
verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij
zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den
gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem
ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn
gordel greep.

Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling,
die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar
eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot
bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het
bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan
het paleis.

Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had
voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den
strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen
te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn
hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed
kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in
zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en
Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”



VEERTIENDE HOOFDSTUK.


Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder
Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten
balsemen, en te Kynopolis[255], de stad waarin men de honden meer dan
andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich
naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot
gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de
Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur
der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als
hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist.
Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten
deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden
benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni
hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.

      [255] Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar
      Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat
      de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne
      naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een
      strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een
      aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de
      Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als
      een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt
      Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk
      Koptiten) en Tentyriten.

Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri
verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor
geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen,
hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk
als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en
toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op
zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een
krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van ’s konings helden.
Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij
wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten
verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was
opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het
sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan
het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der
vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de
ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want
behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte,
werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren,
telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij
meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam
naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom
zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.

Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst
zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken
kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op
het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in
alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den
klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de
pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger
kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd
in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en
omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te
kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet
op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de
uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven,
wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.

Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks
middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de
voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis
bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de
lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal
betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten
verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter
rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het
midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten
en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij
waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste
keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des
konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart
voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den
rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd[256].

      [256] Zie boven blz. 183. Bijna alle koningen van het nieuwe
      rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor
      den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de
      overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van
      Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd
      de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie
      breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone
      afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag
      legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had
      134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak
      verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd,
      werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de
      oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en
      onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van
      dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn
      Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en
      onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.

De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als
overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren
van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open.
Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de
generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids
dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde
dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De
Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur
smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.

De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats
uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn
bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de
feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de
stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep
en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij
wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van
den rijkstempel was bestemd geweest.

Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder,
doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde
verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich
kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de
nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen
was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne
moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem
niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?

Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander
bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en
daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet
Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren.
Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend
tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië
dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.

Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen
willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven.
Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden
uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd,
die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een
dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk
stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had
vereerd[257]. Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal
vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te
verlaten.

      [257] Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen
      akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen
      is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke
      burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken
      grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal
      vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te
      Medinet Haboe.

»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne
hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er
omgelegd had.

»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne
moeder naar de boot bracht, viel er....”

»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de
opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel
geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op
zijne vingers.”

»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.

»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” ging
de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht.
De jongen sloeg eerst zijn hond dood....”

»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig
leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer
wij jacht maakten op everzwijnen.”

Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne
positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het
bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de
hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”

»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?”
vroeg Ameni ernstig.

»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens
bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien
waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de
volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den
vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een
paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste[258], daarom
ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. ―
Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u
gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”

      [258] Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een
      eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den
      burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij
      leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij
      de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden
      uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing
      inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag
      en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het
      gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan
      den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel
      der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke
      inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben
      bestaan.

»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch
is haat uw handwerk....”

Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg.
Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die
jongen?”

»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld
aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte.
Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn
hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de
krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene
vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen
als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en
de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt
gebannen.”

»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men
zoo van de kinderen des konings?”

Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun
ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor
het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn
vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt,
als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers
wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon
heeft hem geslagen.”

De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van
den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie
vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw
zegelring.”

Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want
niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar
de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had
geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den
vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende
stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen
bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden
wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”

»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden
weg op zal gaan, ― gelukkig is het maar de linker ― raad ik u niet
meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met
verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”

Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in
het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.

Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester
van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem
misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken,
gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij
het hooren?”

»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.

»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een
rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven
bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten
verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met
een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen
hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere
wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen,
kleedt de naakten, zegt de wet[259], en daar Seni niets meer heeft weg
te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter
nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt
gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben
hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en
de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en
smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit
feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht,
dat hij het zijne heeft gedaan.”

      [259] Zie Dl. I, bl. 100.

»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield
echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf
zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig
tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem
bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen
man twee, ja, driemaal, roepende: ‚Daar heb je wat je toekomt!’ De oude
man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje
opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu
mijne armen!’”

»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings
in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen
buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude
heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar
wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve,
en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de
menigte niet uit elkaar had gedreven.”

Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand
is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag
kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen
hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.

»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, »dat
Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”

»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm
verdedigt,” fluisterde de ander.

»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde de
opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag
begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”

»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.

»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”

»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk
ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij
met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw
in het spel is.”

»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich,
droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene
vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te
drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af
te snijden. »Gij weet,” zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder
ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan
indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”

De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal
heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat
gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden
aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent
dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit.
Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos[260] van de
overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u
goeden nacht te zeggen.”

      [260] Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die
      ook onder de Grieken zeer beroemd was.

Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen.
Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe
rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op
hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige
muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke
deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te
klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door
gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem
als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de
ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden,
zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in
dartele scherts.

Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen
getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij
gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en
drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze
mummie gelijk zijn”[261].

      [261] Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt.
      Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal
      werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon
      om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij
      een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie.
      Men herinnere zich hierbij ook de „larva” der Romeinen.

Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder
den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde
den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.

»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der
Pastophoren, »is als de zeep”[262].

      [262] Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde
      den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de
      wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het
      druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis,
      geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het
      uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.”
      Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en
      door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en
      de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle
      beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn
      Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij:
      „De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe
      tazz zong:

          „Zorg niet of de tijd blijft dralen,
                        of wel rusteloos verder gaat!
          Klaag alleen den wijn uw kommer,
                        als hij schuimend voor u staat.
          Hebt gij driemaal reeds gedronken,
                        zoo behoed vooral uw hart,
          Zal de vreugd het niet ontvlieden
                        en u blijven alle smart.
          Dit is de een’ge welbeproefde
                        aller zorgen artsenij;
          Daarom hoor toch wat ik rade,
                        wetend wat u dienstig zij.
          Zorg niet, want hoe menig wenschte
                        d’armen, droeven menschengeest
          Van zijn zwaren last te ontheffen ―
                        ’t Is al vruchteloos geweest!”

»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk lachende.
»Dat moet gij nader verklaren!”

»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”

»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit
heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van
den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”

»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het
gif der zorg.”

»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”

»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen
wijn is de vreugde.”

»Nu aan u, zegelbewaarder!”

»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der
zorgen!”

»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van
Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”

»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong
volk!”

»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der
krijgslieden.

»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards
jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”

»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. »Uw
spreuk, overste der Horoscopen!”

»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen
tot gekken.”

»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde Gagaboe
ondeugend. »Verder, jachtmeester!”

»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde.
Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de
bruid.”

»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”

»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,”
riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis,
en dat Hatasoe’s grootste obelisk[263] mijn drinkglas was, en dat ik
drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook
uw spreuk hooren tot lof van den wijn.”

      [263] Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en
      is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar
      Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert,
      is 11 meter kleiner.

De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het
gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel
geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden
voor zulk eene weldaad te danken.”

»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was
teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn
spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd
hebt.”

»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen
omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.

Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze
wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij
hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo
zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans
mijne vrienden!”

Een daverend gejuich klonk hem achterna.

De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten.
Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten
werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te
wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de
draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun
slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk
onweder losgebroken.

               *       *       *       *       *

Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger
klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in
tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni’s boden hadden den
priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij
hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed
was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te
denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in
zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder
zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem
gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van
het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne
terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed
ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van
Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.

Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en
bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld
en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij
zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den
soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne
handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor
zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke
omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter,
dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle
zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer
weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en
vreedzame leven van weleer.

Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige
vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en
tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de
knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden
zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen
en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene
verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng
gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig.

Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem
hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij,
daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd
naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje
te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en
daarbij harde slagen had uitgedeeld.

»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond,”
zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de
feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het
volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te
brengen?”

»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.

»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet dat de wet
ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En
gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken,
wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in
staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met
doodelijke slagen?”

»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar
eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik
vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die
het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had
weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven
was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat
arme kind te redden.”

»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad
verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen,
die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp
niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een
krijgsman is gevaren.”

»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met
inspanning van al mijne krachten van mij afweerde, toen heb ik iets
gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde
krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In
een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is
niet anders, ik heb het gevoeld.”

»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni ernstig.
»Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom
hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den
strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen
en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk
heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo
vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd
omhoog heft, geef antwoord!”

Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker
geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den
stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”

»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd
zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de
vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat
herkend, ja of neen?”

»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,”
antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters
opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat
zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt
gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld
hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die
meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den
troon steeg in het stof.”

»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde
hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij
weten zeker dat Bent-Anat ― zij heeft zich aan den koninklijken gids
kenbaar gemaakt ― in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest
heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij,
dat zij den Nijl zou over steken?”

»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.

»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de
kampplaats waagde?”

»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen
oogen.

»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene
bedriegster weg te jagen.”

»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om mijnentwil
bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader
in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben
gewaagd om....”

»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.

»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden
van het meisje, dat gij gered hebt?”

»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den
Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,”
antwoordde de dichter. ― Hierna werd hij op bevel van den opperpriester
in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.

Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk
mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!”

»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een
vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de
reinheid zijner bedoelingen.”

»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,”
hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een
soldaat van mijne troepen gedood.”

Ameni’s voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere
uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens
onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van
dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de
verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig toegezegd, dat
ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden.”

»Dat zal ook geschieden,” zeide Ani, met een lachje, dat den toorn van
den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij
zult hem toch niet ongestraft willen laten?”

»Hij zal streng gevonnist worden,” zeide Ameni, »maar door ons en in dit
huis.”

»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan,” hernam Ani, »Hij is des
doods schuldig!”

»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,”
antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft
men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem
tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem
kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan
hem niet naar het leven te zullen staan.”

»Gaarne!” antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den
opperpriester zijne hand reikte.

»Wees overtuigd van mijn dank,” zeide Ameni. »Pentaoer was de meest
belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menige afdwaling is hij
mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem
heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn
zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische vader van den gids Paäker?”

»Deze gelijkenis is inderdaad treffend,” gaf de ander ten antwoord. »En
toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?”

»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die
niet door schoonheid uitmuntte.”

»Ik keer nu tot het drinkgelag terug,” zeide de stadhouder, na zich een
oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen
doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den gids Paäker geheel tot ons
werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich
nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar
gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar
op deze wijze uitvragen, zonder opzien te wekken.”

Ameni zond dadelijk eenige gewapenden uit, en beval daarop in stilte een
zijner meest vertrouwde dienaars, het zoogenaamde gehoor-vertrek te
verlichten, en in de ruimte daarnaast een zetel voor hem te plaatsen.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.


Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni’s boden
het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te
wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel
bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich
uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het
hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten
uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef
ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de
duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van
den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven
sloegen als op de onrustige Zoutzee.

Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te
zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar
met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer
gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig,
zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze
pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns
aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen
oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan
de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den
verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van
zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den
portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de
matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van
het poortgebouw kloppen.

Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker.
De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd. Alleen de
vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans
begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar
hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren
angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan
zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken
heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden
jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker’s vader
grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder
en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin
af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.

Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in
jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de
onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?”

Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand
in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven,
waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet
verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij
wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming
ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe
ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een
akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan
zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.

»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde
vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en
Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik
weet wel hoe! Wacht maar, wacht!”

Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was
oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij
naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij
vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.

Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt
gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen
dan te waken.”

»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De storm huilt
ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den
dood uws vaders.”

»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter
ruste.”

»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.

»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt
mijn hart! ― Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond,
niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is
om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen
van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet
ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat
is mij door merg en been gegaan!”

Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds
razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders,
dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar
van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn
aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws
vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden
den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor
hunne oogen zien wandelen.”

»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis
heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut
van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van
den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn
strijdbijl in den slag.”

»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! ― De priester,
moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een
onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien
ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander.”

»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat!
Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief.”

»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de
hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg.
Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp
van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich
tegen mij durft verzetten!”

»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche
goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een
ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den
vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en
koning, den vriend uws vaders!”

»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere
dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal
ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich laat verachten en
mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en
schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen.”

»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en
dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar
zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt
als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik
mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de ― Ha, nu zie ik
het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen
met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die
wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!”

Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem
deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij
nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne
ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en
herhaalde haar vraag met heesche stem.

Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en
zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor
eene aardigheid. Nu weet gij ’t!”

Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder
nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm
terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik
wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!”

Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide
te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer
gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met
zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had
een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder
tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar
ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke
gedachte aan wraak varen!”

Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde
ontkennend het hoofd.

Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader
u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin
bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen
zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij
hare klachten niet verhoore”[264]. Paäker begon bij deze woorden
hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep
hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.

      [264] Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven
      blz. 287.

Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op
eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij:
»Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van
doen? ― Gij verroert u niet. ― Neen? ― Niet? ― Eeuwige goden, wat
zal ik doen!”

In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit
genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde
dien te breken.

Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit
de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele
donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van
het vertrek neervielen.

Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem,
die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon
zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een
doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide
zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat
gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en
moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren!
Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit
vol te houden, en zij mijn getuige!”

Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met
zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige
oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot
haar. ―

Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de
deur met kracht achter haar dicht.

Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte!
»Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”

Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd
hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den
hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de
schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te
roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van
verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van
het huis omvergeworpen!”

»Onmogelijk!” riep Paäker.

»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven
den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter zeker gedaan, wiens
sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken
nacht weggeloopen!”

»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den
ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man
die hem terug brengt!”

               *       *       *       *       *

De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen
men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was
gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de
heks zat te wachten.

Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den
opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” Toen Ameni
een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de
lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt,
zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die
heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij
uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik
dit Horus-oog en dit Isis-bloed[265] bij mij, maar men kan toch niet
weten....”

      [265] De amulet Thet in de gedaante van een strik, die
      gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men
      meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt
      „bloed van Isis,” „tooversteen van Isis,” „wijsheid (Choe) van
      Isis” genoemd.

»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde Ameni.
»Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken!
Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor
alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. ― Heilige vader,
laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel
hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden.”

De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje,
dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou
plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse
aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het
aangrenzende vertrek gesproken werd.

Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar
passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om
ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare
grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid, dat zij voor een
deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding,
leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar
gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind
haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit
loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij
hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten,
dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken.
Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den
vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had
ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar
opeens in, dat zij eene vrouw was.

De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan.
Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden
vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te
zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou
stellen den Mohar als was te kneden.

Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en
hurkte daar op de vloertegels neer.

Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij
langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich:
»Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd
blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in
gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht
hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de
ziedende ketels der verdoemden. ― Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik
spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en
dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg
ik.”

Ani knikte toestemmend.

»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen:
‚Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn
woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden
heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!’ ― Wees niet
onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan ‚ja’. Wat gij in deze
ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!”

»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde
omtrent de gewichtige ontdekkingen.

De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich
in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg,
terwijl zij den man die tegenover haar zat met vonkelende oogen aanzag
»Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord?
He? ― Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!”

Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van
haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over
haar afzichtelijk uiterlijk.

»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst
ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op
den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet
aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben,
niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven
duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle
mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid,
vertwijfeling en wraak. ― Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en
mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den
grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten
uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden
het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik
ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen
uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn
koord leidde.

»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk
te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied
gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! ― Nu dan: Mijn
vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste
Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer
voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht
naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders,
broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik
er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en
ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis
van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in
die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde.
Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had
mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig
smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor
zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne
ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader
van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er
schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend?
Waar ik zong, daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de
blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij
denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa,
heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. ―

»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets
uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang
gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch
geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad,
en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg
en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit
een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi
genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel
twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene
melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene
koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij
gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan
deze woorden: ‚De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,’ en in den
papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was
het antwoord?.... Een hand vol goud. ― Dat goud, ja dat goud, geloof
mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het
gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze
blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....

»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan
lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt
deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem
zeggen: ‚Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en
zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de
zangeres was gegaan’. ― Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel,
geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk
gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne
handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar
hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft
zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor
zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam
meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was,
dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde,
en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn,
wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven
niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude,
kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen
aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij
mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet
hij thans aan zijn kleinkind.”

De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder
acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde
eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en
onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.

De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij
heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden
en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn!
Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik
van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle
lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen
om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik
bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het
verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar
de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer
dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs,
nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne
voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich
hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen
namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De
kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan
voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij
zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van
Thebe, de vrome Assa!

»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik
was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren
dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor
mijne dranken ― hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht ―
een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij
verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De
vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit
hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets
laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang,
hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke
familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met
haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon
bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp
te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel,
beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra ― waar? Dat
kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa’s vader. De moeder,
die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe
Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was
volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond
de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het
Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester,
de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de
grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem
beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging
heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn
eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure,
waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte,
stond mij weder levendig voor den geest. Opeens ― nog weet ik zelve
niet hoe het zoo in mij opkwam ― gaf ik mijne slavin den pasgeboren
kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te
brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn
schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam,
schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond,
wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde
ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend
demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet,
zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en
hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren,
aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons
voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder
gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet,
of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den
hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was
weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje
gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa’s
kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier
grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis
opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den
hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”

Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord,
zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder
verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is
medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude
te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere
vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden
vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling
over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en
als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die
tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar
wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te
bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”

»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”

Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht
haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den
kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”

De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets
den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele
andere kinderen.”

»Maar hij is slim,” zeide Ani.

»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne
meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want
hij zelf heeft er ook een.”

»En dat is?”

»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen
optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”

»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen
vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven
kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen
was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”

»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw
woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden,
en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de
artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een
ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten
geliefde.”

»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de
verte in het verderf te storten?”

»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker
lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten
uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal
maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter
Pentaoer niet genegen zijt. ― Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet
uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is
geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust
hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben
kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk
ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne
trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste
dingen op elkander. Doch ik wil Assa’s kleinzoon niet liefhebben, ik mag
niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa
is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven,
zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het
leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u
beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel
van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”

               *       *       *       *       *

Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.

»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.

»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in
Thebe ieders hoofd op hol bracht. ― Mag ik weten wat zij u verteld
heeft?”

Ani begreep het geheim van Pentaoer’s geboorte voor den opperpriester
geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg
Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen
in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met
eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend
was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.

De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den
opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte
te brengen van zijn ware afkomst.

»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, »en het zou
kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij
het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”

               *       *       *       *       *

De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen
bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden
voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene
scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van
Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele
luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier
waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door
den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die
zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm
in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij
Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig
in zijn paleis een bezoek te brengen.

De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen
aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert
onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en
zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het
schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige
dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon
troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder
had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide
duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met
haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd
van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke
echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne
lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.

Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn
linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen
aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe
Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.

»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.

Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield,
verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken,
zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten?
De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet
waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en
de duiven!”

Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en
vroolijk voerden zij hem met zich mede.

Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te
volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen
gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den
opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van
zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van
het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil
hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed.
Schrikkelijke dingen voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen
vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand
op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”

»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem
spreken.”

»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het
gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die
na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een
gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot
sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig
maken voor dit leven en het toekomende!”

»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de rede, »dat
zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei
kronkelpaden.”

»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk
een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan!
Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die
Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen
te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige
storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”

»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. »Maar
voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van
vreugde geboren worden.”

»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t
hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan
uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot
zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men
het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide.
Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook
zulk een vreemd droomgezicht. ― Paäker had naar mijn moederlijken raad
niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon
stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken
mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo
zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem.
Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten
te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals
ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de
goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen.
De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor
zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten
des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de
pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”

»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde
droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem,
laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De
hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor
u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog
verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten
van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog
een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u
komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij
halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor
hem, en laat hem zonder afscheid heengaan.”

Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni:
»Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij
moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet
week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat
waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof
versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere
menschen.”

Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis
den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het
hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet
vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij
waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne
moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een
dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids
naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis
Ameni’s zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf
zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen,
werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne
poort had doorgezaagd, gevangen was.

»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, die hij op
zijn erfgoed sprak.

Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd
en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor
gevaren en booze daden.



DERDE BOEK.



EERSTE HOOFDSTUK.


Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het
nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk
in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht,
die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden
zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en
slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren
nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter
opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden
tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de
plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.

»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. »Nu en dan
overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik
een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den
schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt.”

Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch
den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en
den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare
inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen
zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en
vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit
Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze
hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden.
Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het
midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde
planten, en vóor elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met
de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was
belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den
eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig
had.

De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig
begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had
zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde
niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te
onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.

»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein
halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door
elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk
eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof,
dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in
plaats van dat andere, dat hem genezen kan?”

Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog
eens na.

Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar
zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” zeide zij, »en toch staat
je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen
heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende,
je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond
kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt
liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader
geneesmiddelen klaar maakt.”

Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die
kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al
deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was
ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het
gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit[266]. Maar de zoon
van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade.
Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van
haar zoon aan hare borst[267]. Het was haar zoo wee om ’t hart als eene
ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen
houdt, en zij dacht: ‚Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en
hoe moeilijk valt het ze te heelen!’ Bij deze woorden weende zij. De
eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in
den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op”[268].

      [266] Naar de teksten van het Doodenboek.

      [267] Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van
      den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.

      [268] De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der
      goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best
      raadplegen Lefébure. =Le mythe osirien=. =Première partie: Les
      yeux d’Horus=. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen
      van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i.
      „de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij
      de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti
      I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt,
      dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want
      daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: „Gij
      zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet.”

»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder
zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed
oppassen.”

»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar
lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf
heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij
haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met
hare zuster Nephtys[269], tot hij groot zal zijn en voor zijn vader
strijden kan.”

      [269] Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder
      en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien
      wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van
      Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide
      godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het
      hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied
      is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum,
      die door De Horrack werd uitgegeven.

Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen
te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te
weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn
terugreis naar Egypte, gestorven waren.

»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best
doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets
anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad,
zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was
gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het
lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en
gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok
Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het
schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De
heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De
goede godin gevoelde hierover eene onuitsprekelijke smart. Zij weende
een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer
te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door
een traan van Isis[270]. Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor
vele millioenen geslachten.”

      [270] Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard
      gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in
      den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh
      „de nacht van den druppel” genoemd, omdat in dien nacht de Nijl
      zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.

De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert
zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon
naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij
het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van
onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor
anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de
wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet
sterk meer en heb vier monden te voeden.”

Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe
werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te
verhoogen.

»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt
kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten
inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een
kistje voor Mena bij.”

Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene
kist goudgele dadels van de oase van Amon[271] en in eene andere donkere
van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.

      [271] De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog
      altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.

»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede
bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van
verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte
vruchten, in sierlijke figuren bijeen.

Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de
hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een
vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje
leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne
dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt.”

Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef
nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen de zon onderging en
de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes
nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke
bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden
in ’t veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders,
gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die
verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen
wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg
zich opnieuw zal vertoonen.”

Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen.

Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena
en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons
ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne
moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb.”

»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.

Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar
de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij
de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een
oogenblik.

»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.

»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want
het is mij zoo wee, zoo akelig wee om ’t hart.”

»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.

»Welnu?” vroeg de prinses.

»Aan Pentaoer.”

»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, »en toch is
er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer.
Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch
kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden,
wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja
onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd,
dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u
misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert.”

»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van
u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?”

»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” antwoordde
Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen.
Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik
heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind,
dat weet ik, en mijn vader heeft mij geboden zijn raad boven dien van
alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar
misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb
ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had
gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van
Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan
de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten
reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van
alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door
eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor[272], onder welker
bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts
vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van
het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen,
gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets
verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den
Sinaï[273], zooals de Mentoe[274] hem noemen, eene diepe beek[275],
en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters
reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en
over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal.
Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen
overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent,
dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid
handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste
staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder
de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de
harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin
der waarheid[276]. Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch
kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester,
omdat ik de dochter van Ramses ben!”

      [272] De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk
      op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige
      verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude
      Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent,
      noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt
      geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet,
      berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven
      worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij
      vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god
      Ptah (zie Dl. I. bl. 82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat
      bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.

      [273] Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het
      reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor
      den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig
      verdedigd in ons werk: =Durch Gosen zum Sinaï, aus dem
      Wanderbuche und der Bibliothek=.

      [274] De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.

      [275] In de tegenwoordige oase Feirân.

      [276] De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook
      geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de
      oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven.
      Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ verhandeling: „Die
      altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in de =Abhandl. der k.
      Akademie der Wissenschaften=, Berlin, 1865, s. 33.

»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”

»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de
inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders
besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in
stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar
hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn
beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen!
Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek
ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat
vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten
de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te
verlaten. ― Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren
tocht; ik zou....”

»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan
de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde[277]. Gij hebt een
nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch
ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of
zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik
haar weder betreden!”

      [277] De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende
      teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III
      te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u
      tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze
      zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen
      en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten,
      in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels
      genoemd.

»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware mijn vader
maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!”

»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. »Waarom
stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en
verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven
siert!”

»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien
zij anders waren?” vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in
den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien,
dan dat van Pentaoer, toen hij dien onbehouwen paal hoog door de lucht
slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?”

»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde Nefert,
»want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in
de ooren.”

»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de
vijanden doet beven!” zeide Bent-Anat.

»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door de
vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was
binnengetreden.

De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij
daar schrikken!”

»U?” vroeg de prins verwonderd.

»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik
telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet
waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht.”

»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht,”
zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt
geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden.
Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de
school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste.
Ik heb heden vrij wat ondervonden.”

»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had
toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten.”

»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” antwoordde
de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”

»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.

»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht.
Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren
vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als
gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den
stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning
van den troon te stooten. ― Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er
moet toch wel iets van waar zijn.”

Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop
de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen:
»Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster
van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die
hier nog altijd ontbreken!”

»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.

»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken,
wanneer men hen tot wie men spreekt in de oogen kan zien. ― Wat die
dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt
gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven.”

»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide Rameri.

»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!”

»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te
vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe
geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de
afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een
grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte
duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht.
Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken,
tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke
grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen.”

»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” zeide
Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u
tot eene waarschuwing geweest zou zijn.”

»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien is de
Paraschiet dood, en Warda’s vader is een eerlijk soldaat die niemand
verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw.
Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd.”

»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.

»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de
roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik
heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol
rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal.”

»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind,
en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het
laten.”

»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl hij
bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt
verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen
ga ik toch tot haar. ― Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden!
Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt
zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen,
zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken
over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel
van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne
ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel
eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over
Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en
dat juist heeft mij geërgerd.”

»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide Nefert
lachende.

»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het
doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig
voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood,
maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het
met de hand te mogen aanraken en streelen!”

De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat
zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon:
»Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon.”

»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”

Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik
heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht
thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren
avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook
daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in
zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is,
konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel
bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe
Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; ‚Straf verdient hij,
maar ik laat zijn ondergang niet toe!’ Met deze woorden kon hij niemand
anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en
zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks,
denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet.”

Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” riep zij uit,
»lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij
en weest mij genadig!”

Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.

»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri aan Nefert;
»zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!”

»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”

»Wat bedoelt gij hiermede?”

»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij
voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. ― Rameri! Ga
niet weder naar de Paraschieten!”



TWEEDE HOOFDSTUK.


Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een
eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene
aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda’s vader weder in
orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had
gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.

»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige
oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”

»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar het zij zoo!
Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch
mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan
nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal
herkennen.”

Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond
zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet
wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”

De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als
hofmeester aanspreken.”

»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop
in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”

»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”

»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander.
Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek
voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook
gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker
worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang
niet wachten.”

De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij
den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en
den bruinen zak over hem heen wierp.

Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met
eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres
Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien
zij bezat.

Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet
verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten!
Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier
verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek
gekozen?”

»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” zeide Ani, »en
ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen.
Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon
gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar
den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en
mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen
zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te
voet en als een deemoedige te bezoeken.”

»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op
beleefden toon: »Uw leerling!”

Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer
de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor
hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was,
dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon
inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed
hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne
geknotte vleugels naslepende, en zweeg.

»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.

De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat
is er dan met hem?”

»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor
gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij
gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis
mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft
laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar
te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren
hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van
Chennoe zenden[278]. Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen
acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf
van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen
te bespreken!”

      [278] De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren
      van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig
      heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar
      uitgehouwen.

Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in
de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen
die twee verhandeld werd.

Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het
oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”

De oude boog toestemmend het hoofd.

»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil
het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij
noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te
zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb
mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het
wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen
heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de
gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals
gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote
priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis.
Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest
wordt gevierd[279], dan hebben de priesters daar het recht zich die
misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen
dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer
kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”

      [279] Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II
      en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen
      opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de
      lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden
      gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking
      worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en
      ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna
      voortreffelijk verklaard in de =Zeitschrift für ägyptische
      Sprache und Altertumskunde=, 1873, s. 129. Ramses de groote
      heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de
      beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht
      van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den
      17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het
      laagst is, (Zie boven bl. 346.), en „De doorsteking van den
      dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee
      maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen
      even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.

»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!

»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,”
ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar,
doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik
thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”

»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde
zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat
in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide
gevangenen verzinken.”

»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het
aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag
mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet
naar het leven te zullen staan.”

»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander
woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? ― Gij laat het
schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft
in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel
mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar
Ethiopië. Van Soean[280] laat gij de gevangenen door de woestijn naar
de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken
verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan
hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit
misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren,
dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van
onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne
en gij het uwe, en ― gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt
mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord
houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit
iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders
zijn daar in de zon gebleekt.”

      [280] Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten
      waterval.

»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is
geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.

»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. »Verklaar dat
gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden;
dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet
straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij
den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg
mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis
ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”

»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni
niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem
worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”

De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam
terug met een fleschje. »Neem dit mede,” zeide zij. »Men behoeft slechts
vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet
missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van
dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”

»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.

»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt
den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te
komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half
waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering
Chennoe is voorbij gevaren?”

»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone
daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de
schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen,
vrouw Beki!”

»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen
toon.

»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik
mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt,” zeide
Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe
niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u
werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten
dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk ― gij weet
reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”

Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik
kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij
daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van
niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene
oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt
gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot
dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”

Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt
zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan
het noodlot niet dwingen.”

»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs
in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te
vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij
dan intijds door Nemoe weten.”

Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het
naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te
lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in zich zelve,
»thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die
glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te
denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere
menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft
Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij
den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als
hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in
den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!”



DERDE HOOFDSTUK.


Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk
gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut
van Warda’s vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone
zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en
knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad
door de openingen van de heining schemerde.

De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri,
die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds
vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te
winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit
laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten
minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond
het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei
deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die
goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken,
wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten.
Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou
hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het
ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna
zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen
verijdelen.

Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde
naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij
zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij
betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst
gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van
Bent-Anat, en daar de eene onwaarheid de andere meestal na zich sleept,
had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei
logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die
onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het
paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth
veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel,
en ― hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed
doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij
het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en
behoorde niet te huis onder de onreinen.

Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch
weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij
hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar
buiten.

Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij
daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder
daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet.”

»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar u alleen.
En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven
gezegd. In de woestijn groeien geen rozen.”

»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader,
en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker
behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve
hij verre van mij.”

Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch
Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos!
Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer
de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch
zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij
moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke
gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt
lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres
Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk
voor, dat....”

»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” zeide Warda
zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op
levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is
nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was.” En bij deze
woorden rolden de tranen haar langs de wangen.

»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk
vallen goed te blijven, als de menschen u verachten en schelden. Wat
mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof
kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat
de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te
bejegenen.”

»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens
wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig,
of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher
zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven
bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij
weten dat wij meer gelden.”

»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps uit. »En
daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders
wel gedurig en altijd weder aan u denken?”

»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij
mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor ’t eerst in mijne ziel op,
hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u
geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?”

»Welnu?”

»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met ’s
konings dapperen moeten uittrekken.”

»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.

»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?”

»Ja.”

»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis.
Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo
vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak
stotterde hij.”

»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.

»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij
dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons
hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen;
ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden,
blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf
voor Nebsecht’s broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij
bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan
ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld
zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor.”

Rameri nam den brief van haar aan, en las:

»Nebsecht aan de schoone Warda!

»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren Osiris geworden
grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der
aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig
is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde
voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen,
want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo
vaak zij het noodig heeft. Het zou ’t beste zijn, wanneer zij aan mijn
broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een
huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare
grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat
zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw
begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van
dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot
kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het
kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet.”

»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die
altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor
kleinood bezit gij?”

Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend
juweel.

»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep de prins.
»Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden
schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten
zien! ― Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?”

»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. »Zij kwam
als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom,
zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon.”

»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland,
en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen,” hernam Rameri levendig.
»Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel
genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!”

Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te
vreezen het onreine meisje aan te raken.”

»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen,
wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en
waarom ik eigenlijk hier kwam?”

»Nu?”

Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en
zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan
zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar
kon steken. Mag ik?”

»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”

»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens
opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de
stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! ― Daar
steekt zij vast! ― Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven
Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan
zij allen te zamen.”

»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch
zag zij Rameri in de heldere oogen.

»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu
heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik
geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja,
Warda ― voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven.”

Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij
heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd.”

»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”

»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij
zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal
beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik,
zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan
zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten
ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de
stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga
daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil
toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!”

»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.

Warda schudde ontkennend het hoofd.

»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid
gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne
bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo
zullen wij beide niet armer maar rijker worden!”

»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. »Iets
dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest
ik dikwijls ’s avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de
landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen
er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en
toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve:
Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene
liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder
dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan
mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen Scheraoe, aan den goden
en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?”

»Maar een deel?” vroeg Rameri.

»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de
geheele maan zich vertoonde in elken druppel..”

»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel
van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden
zich aan elkander door een eersten kus.

»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.

»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u naast
mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der
wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten.”

»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij
niet noodig hebben ons te verbergen.”

»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste
verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen.”

»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide Warda
lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling
geweest.”

»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne
leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij
toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan
ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin
het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen
deelen!”

»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw
vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en
wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als
het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik
aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel
twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: ‚Zou mijn
redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij,
arm meisje, versmaden?’ Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou
met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk,
anders trek ik u bij de lokken!”

»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer
doen, maar ― wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik.
Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel....”

»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij
voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan elkander gelijk. Als hij
mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon
geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen
kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den
spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden
is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner
geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft
mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon
te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet
vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen,
kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen
vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.

»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere
legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid,
wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds
dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen
had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem
in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat
de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den
ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en
bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende:
‚Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf
niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik
in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van
waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte
is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne
moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere
bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur
is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem
klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat
de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt
hunne raadsbesluiten?’

»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot
mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en
gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik
gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke
kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een
hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk
wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het,
dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te
vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel, wanneer ik
vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven
richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij
tooi, en hij is een heilige Persaboom[281], waarvoor ik mij nederbuig!”

      [281] De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan
      Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op
      de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van
      den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt
      Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den
      overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze
      waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus
      sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch
      „schaoeaboe, schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.

Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong,
en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een
tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel
niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks
schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u
verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is
in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de
rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt,
staan mij tegen.”

De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.

»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker een
voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets
groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al
zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben
nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide
grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom ‚gelukkig.’
Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den
hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen.
Pentaoer’s vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat
waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik
zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten ― want ik moest er
in mijn kruikje het water voor gaan halen ― tot het levenskracht bezat
om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze
granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft
eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte
uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde,
toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en
beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen
dan ook de beide eerste bloemen toe, die roode van dezen struik hier,
en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger
schittert.”

Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand
naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand
door de opening van de heining.

Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot
dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem,
omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn
best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag.

Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart
had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar
te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang
behoefde te zijn.

»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, »maar den
goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die
u het leven heeft gered.”

»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij
mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken.”

»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens
weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij
bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen
eten.”

»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins met eenige
ongerustheid.

»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. »Hoort nu
naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak
verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester
noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik
niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd
vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man
was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester
Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die
straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den
scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar
Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij
dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo
lang gemarteld tot zij dood waren.”

»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” riep de
prins. »Maar vertel verder!”

»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van
een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik al niet moeten zien en
hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit
alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!”

De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al
bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.

»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie was dan toch
die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven,
beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven
te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!”

Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot
bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep
hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep:
»Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem
nagemaakt.”

»Wat hebt gij?” vroeg de prins.

»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig
eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd
juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei
lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en
ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht
gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten,
aan mijn meester te toonen”[282]!

      [282] De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen
      in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder
      scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal
      van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen
      in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van
      onze kunstenaars wekken. In Lepsius’ =Denkmäler aus Aegypten und
      Aethiopien=, is eene schoone verzameling van karakteristieke
      portretten der pharao’s opgenomen.

De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de
lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.

»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had het kunnen
denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg
gelegd?”

Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand
voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik
ben! ― Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek
gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik
u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. ― Weg met alle
bedrog! Ik wil niet langer liegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat;
ik ben haar broeder, koning Ramses’ eigen zoon. ― Bedek uw aangezicht
niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer
moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis
in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten.
Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik
u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden.
Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!”

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn
kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses
zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij
vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer.”

»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” riep de
prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”

Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch
hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen.

Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij
een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging
zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want
hij moest gevangenen wegbrengen.

»Naar Chennoe?” vroeg Warda.

»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.

Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den
priester, die haar leven gered had, helpen kon.

»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta nadenkend.

»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar
geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt
gij wat een mensch rijk kan maken[283].... Doch neen, ik kan mijne zieke
grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet
niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne
bescherming te nemen.”

      [283] Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte
      over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv.
      nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs.
      Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon
      van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot
      denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon
      van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de
      vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.

»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik heb maar éen
leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om het zijne te redden.
Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij
dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne
wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren
heb ik een nuchter hoofd noodig.”

»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt
gij weder om mij bericht te brengen?”

»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch
wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt.”

Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van
zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide
hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en
ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. ― Maar waar
zijn uwe granaatbloemen?”

»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”

»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de gebaarde man,
kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl
terug, vanwaar hij gekomen was.

               *       *       *       *       *

De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de
Nekropolis onderzoek ― want van daar voeren gewoonlijk de schepen met
gevangenen in den nacht af ― waar het voor Chennoe bestemde vaartuig
voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij
zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning,
want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani’s
omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde
brieven, en daaronder ook die van Ramses’ kinderen, in Thebe had
opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had
daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en
ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan
Ani’s eerzuchtige plannen.

Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder
de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had
bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani
gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de
Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te
laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haar vader te
zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij
had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg
voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal.

Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn
beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het
geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig
waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat
Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft
dezen knaap opeens tot een man doen rijpen.

Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen.
Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na
zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft[284] rijden, en vandaar
in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een
Phoenicisch schip te huren en naar Alia[285] te zeilen. Vandaar wilde
hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met
versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te
bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani’s misdadige
plannen.

      [284] Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.

      [285] Bij het tegenwoordige Aqaba.

Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen
ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want
ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den
scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den
dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd
zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe
worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk
schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te
houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in
de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden
gesleept.

Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt
te verlaten.

Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van
Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester
terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald
in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag
verraden was.

De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was
besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaar mocht mislukken,
naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou
afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani
op te roepen.

Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen,
of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter
niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met
de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen,
schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig
geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert
met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat
opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van
volkomene gerustheid.

»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde
schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot
hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen
voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam
zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij
betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in
plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde
zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!”

De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar
met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord.

De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden
Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide.
Het volk aan den oever riep Bent-Anat’s naam en sprak luide vele
zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord.

Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd
gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten
begeleiden »om haar te beschermen.” De zuidenwind deed de zeilen zwellen
en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op
naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van
de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de
laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw
zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar
alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos,
maar hopende op eene toekomstige zege.

Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een
gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar
aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef mij, prinses, ik ben
Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest.
Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop
onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen
wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!”

»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij
de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone
lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch
om Warda’s glanzende haarvlechten met eene roos te tooien.



VIERDE HOOFDSTUK.


Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en
de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van
lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het
westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland[286].

      [286] Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en
      de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig
      gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk: =Durch Gosen zum
      Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek=, Leipzig, W.
      Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd
      worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid
      trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek
      heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba
      wordt genoemd, heette in den tijd der pharao’s evenzoo.

Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door
de naakte rotsen werden teruggekaatst.

De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche
soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild
en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het
noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen
uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden
gebracht[287], om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om
den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de
magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd.

      [287] De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden,
      schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe
      Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.

Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke
gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was
vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uit gescheurde lompen, die
zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der
zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of
ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van
een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de
keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder
de zweepslagen zouden bezwijken.

Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel
woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne
stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde
zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de
rotsen aan den weg.

De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen
waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun
aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg
maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De
bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles
in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd
vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant,
geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft,
lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen.

Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de
havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den
oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren[288]. Zij
hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door
eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar
de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de
soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de
bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden
in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed
verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende
hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk
de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene
verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht
hadden gesmacht.

      [288] De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de
      Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur.
      Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf
      naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, „de Rooden,” die
      rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer
      set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie Ebers
      =Durch Gosen=, u.s.w. S. 518, Anm. 37.

Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood
in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging
het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van
het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen,
maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door;
het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen.

Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit
vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld.
Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor
deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur
zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan
die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.

»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud
weigert en hen van zich weert,” dacht hij bij zichzelven, »hebben
de Chnemoe[289], de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite
bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te
ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook
de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te
versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor[290]? Misschien wel omdat
deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke
godin der liefde en der vreugde.”

      [289] Zie Dl. I bl. 82.

      [290] Zie Dl. I bl. 8. De gedenkteekenen, die bij de beide
      voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op
      het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat
      Hathor hier boven alle goden werd geëerd.

»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen toon.

Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die
naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht.

Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der
mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd.

De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg,
die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte
steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen.
Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.

»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport
den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval
hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te
belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten klouterden de
arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op[291],
dat nauwelijks te onderkennen was.

      [291] Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor
      Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven,
      en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat
      het oude bergpad werd hernieuwd.

Pentaoer’s voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder
zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet
voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen
opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van
pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der
woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat.
Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde
kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van ’s
grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op
de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg
heen.

Pentaoer’s slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde,
toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en
zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de
klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood
en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te
Thebe[292], met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop,
uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal
omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den
muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren
haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te
zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn
borst.

      [292] Van dit meer heeft Karel Werner in zijne =Nilbildern=, in
      kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe
      voorstelling gegeven.

Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de
zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk
hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne
oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de
oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast
hem uit.

De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den
zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed
den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende
voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen
je in het vervolg zwaarder belasten!”

»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome
zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene
goede daad te beloonen!”

»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard
vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij
ziet er zoo bleek uit.”

»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher.
»Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan
waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat
wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen.”

»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er
nog zoo kwaad niet uit.”

»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht
tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem
van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk
materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart,
vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen
schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien,
is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen
in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting
behandelen.”

»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? ― Op mannen!” riep de drijver.

De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw
beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om
tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen.

Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee
hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden
die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka[293]. De zuidelijke rotswand
bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen
werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen
afstand lagen de metaalgroeven[294], waarin vooral koper werd gevonden.
Midden in het dal verhief zich een heuvel[295], door een muur omgeven,
waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters,
officieren en opzichters[296]. Volgens een oud voorschrift moesten zij
van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren
ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken
uit de oase der Amalekieten in de nabijheid.

      [293] Numeri XXXIII, 13. Ebers, =Durch Gosen=, u. s. w. S. 140.

      [294] Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm
      Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke
      werk van M. A. Palmer, =The desert of the Exodus=, Cambridge
      1871.

      [295] Het tegenwoordige Wadi Maghara.

      [296] Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.

De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die
het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin
men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat
is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen
naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden
gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd.

Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers
van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats
van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen
was gekomen. Ongetwijfeld had Warda’s vader deze verwisseling bewerkt,
en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat
had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne
nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar
een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.

Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem
gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen!
Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander
vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal
scheiden.”

Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de
arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen
in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer’s geloof aan eene
rechtvaardige en liefderijke beschikking van ’s menschen lotgevallen
logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden
opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste
gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den
laatste telkens aan.

Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de
sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor
het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk,
zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en
den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers
voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo
zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over
zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk
zelfbewustzijn;” »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;”
»Goochelaar, die deze wereld, de slechtste die men zich bij
mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste
is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” zulke
en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden
verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe
combinatiën.

Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen,
niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen
worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek
over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig
denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den
dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere
hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden.

Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan
heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven,
Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend
voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen.
Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer
geschikt was voor Pentaoer’s reuzenkracht. De drijvers beschouwden den
geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het
houweel wild op het gesteente lossloeg.

Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden
arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens
verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde
Bent-Anat’s gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht,
omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man,
terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een
arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te
steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te
vegen.

De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken
jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind,
maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan
zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden[297].

      [297] Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt
      uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor
      Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14)
      vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande
      steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds
      meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833,
      door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee
      zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het
      Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.

Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den
in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het
gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend
verlangen naar worsteling en strijd?

De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis
van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De
opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om
neergehurkt.

»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben ernstig
raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft
der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft
soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de
veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden
worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij
beitel[298] en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de
kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij
kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak
mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de
smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er
dus lieden naar Raphidim[299] worden uitgezonden, om kolen van de
Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig[300].
Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners
der oase welwillend te stemmen. ― Wat zullen wij echter aanvangen om te
verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te
zeer te verzwakken?”

      [298] Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.

      [299] De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke,
      volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten
      onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl
      Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden.
      Exodus XVII, 8, vv.

      [300] De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans
      nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis
      Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.

Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten,
dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten
geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen
in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de
gevaarlijkste dezen vrachtdienst zouden verrichten, twee aan twee met
ketens aan elkander geklonken.

De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander
verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig
handelden.

»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de man die de
rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen
noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander
vijandig zijn.”

»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden
musch, den stotterenden Nebsecht,” riep een onderbevelhebber.

»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.

Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met
klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda’s vader onder de
drijvers opgenomen.

Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen
keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier
paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten
en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof
voor de smeltovens te halen.

Bij de halt Aloes[301] hielden zij rust. Daarna trokken zij verder
tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine
rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top
van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen
uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper
dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon
neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de
Smaragden-Hathor voorbijkwamen.

      [301] Numeri XXXIII, 13, 14.

Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet.
Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het
gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!

»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van
water zijn.”

Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk
het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der
woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras.

Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene
afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich drie groote
tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud
doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen
de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten
hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener
Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid.

Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem
opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van
verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen
makende.

Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders
der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar
klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!”

Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende:
»Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”

»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot het
gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de
Smaragden-Hathor bezoekt.”

»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste spreker.
»Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten
spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde
tenten wonen. ― Waar is de roodbaard?”

Warda’s vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje
had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.

»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste der
drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.

»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, niet zonder
verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver
der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer
wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten.”

»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt
den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien
nimmer, hoe men het met de Mentoe[302] heeft, en de overste heeft
bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. ― De
zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel
wat dadels voor je af, en zoet Man[303] op het brood. Maar pas op dat je
vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!”

      [302] De goden der onderwereld.

      [303] „Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch
      schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix
      mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit.
      De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon
      echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor
      hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.

Bent-Anat’s reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met
die haar begeleidden tot Keft[304] den Nijl afgezakt. Vandaar waren
zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk
aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de
Schelfzee[305] hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het
schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers
bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij
welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd
gevonden.

      [304] Zie boven bl. 371.

      [305] Het latere Berenice.

De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de
dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en
koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten
drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën,
hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten
laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu
opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de
bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst
vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had
bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses
zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan
te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die
dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was
overkomen. Maar, te vergeefs!

De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want
zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij
gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich
tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder
hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs
bloed had gevloeid.

Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die
haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare
zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid
van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal
had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die
geene luchtkasteelen had willen bouwen, maar alles gezocht in de
werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd
aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd
levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen
aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een
enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti
aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden
bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn
aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de
weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter
Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men
allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was.

Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar
echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan
het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een
grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer
harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke
dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld.
Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat
er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan
dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou
komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In
uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich
voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie
Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in
zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne
tenten zou opslaan; en zoo al verder.

Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats
vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld.
Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit
andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter
rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar
in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer
dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen
gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje
kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude
Hekt, die dikwijls in ’t donker op eene luit speelde. Toen de tooveres
opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele
gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne
handen,” dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder
wordt zij betaald.”

Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de
jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij
zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen.
De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien
majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering
zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er
meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de
oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief
als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al
wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer
zij was ingewijd in het geheim harer liefde.

Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat’s tent werden gevoerd, zat zij
met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering
geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en
Pentaoer.

»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft
mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer
hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning
te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw
vader.”

De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag
haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid
van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?”

»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien
maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot
heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en
beter dan ik.”

»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.

»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal
hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart.”

Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek
u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken.”

De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda
tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.

»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.

»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen
uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende
mannen. Een van dezen ― gij moet niet schrikken ― een van dezen is de
dichter Pentaoer. ― Blijf! om den wil der goden, blijf, en hoor mij
verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken,
toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden
bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer
mijn plan mislukt....”

»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan
ik u helpen?”

»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam
der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit
Bent-Anat’s reis-apotheek[306] het fleschje, dat den drank tegen de
slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets
wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken.”

      [306] Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder
      tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te
      Berlijn bewaard.

Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak
wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de
reis-apotheek.

»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.

»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk
het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in
Warda’s handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den
zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij
scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet
vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.

Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een
jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der
prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide:
»Heden breng ik vier schoone patrijzen[307], die ik zelf heb geschoten,
en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft
gevonden[308]. Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij
schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen”[309].

      [307] Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin
      wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch
      schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in
      omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen
      ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam
      van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.

      [308] De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur,
      dan die van Wadi Maghara.

      [309] Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de
      turkooizen toegeschreven.

»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen
aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.

»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de
anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en
de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster[310] hebt
genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te
worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden.
Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door
de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft
geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en
tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” ― »Ja!
O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw
Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien
wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden
gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in
het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen,
een onderkomen en bescherming kunnen vinden?”

      [310] De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in
      den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten.
      Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche
      opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,”
      „vereerders” of „priesters” noemen van de „zon,” de „maan,”
      „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van
      deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.

»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, en
wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. ― Waar zijn die
vreemdelingen?”

»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan
hoog aan den hemel staat?”

»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen
verdwijnen, ondergaat.”

»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis,
die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?”

»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda.”

»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar
door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen.
Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm
ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk
weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich.”

Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen,
wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat
terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg
waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen,” zeide de prinses
vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging
van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!”

Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den
koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda’s vader voorsloeg
ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen:
»Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken.”

De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een
falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken.
Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet,
maar blijf wakker!” Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te
waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij
Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! ― Kijk eens
hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg
bewegen.”



VIJFDE HOOFDSTUK.


Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden
doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen.
De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren
ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op,
luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den
dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s
enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te
wekken.

»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en
haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.

Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge
Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de soldaat den dichter toe,
»voor den arts zal ik wel zorgen.” »Hem laat ik niet achter!” zeide
Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”

Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door
zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het
ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat
zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van
den Amalekiet, aanlandden.

De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede
wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde
door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij
ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts,
die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer
een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de
voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten,
gaf hij hem zijn eigen feestkleed.

Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter
voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap
niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden,
overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan
den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts
daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.

Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging
daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet
hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam
hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen,
niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en
moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat
laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut
terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een
feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen
van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed
van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten
hemel.

Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte
onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan
duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid
verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn,
dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het
steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.

Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het
beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij
riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”

Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen
graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene
bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd
betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt,
waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken.
Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande
hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in
de diepte en de oneindige verte.

Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den
nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de
vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen,
omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur.
Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen
op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden
zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel
op.

Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig
levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele
natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen
geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog
verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot
zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het
geschapene; dat hij de godheid nabij was.

Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als
in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in
het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders.
In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne
lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem
hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem
voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen
moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en
dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven
aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond
verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.

Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in
Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja,
daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan
zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van
de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was
hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en
voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet
opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa[311]!
Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?

      [311] De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen.
      Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het
      menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de
      teksten een overvloed van voedsel aangeduid.    Vert.

Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op,
gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon
van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich
aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen
der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der
zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door
eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar
samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan
de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?

Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe[312], den wijzer
der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier
lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden,
en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een
vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu
zoo oneindig klein toe.

      [312] Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den
      jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en
      den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.
      Vert.

»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener
godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij
nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”

En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! ― Gij
Eenige! ― Gij Eenige!”

Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied
vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.

Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge
gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als
dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.

»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt
den waren god.”

Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu
herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe[313]. Ik was nog
maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven
onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij
ingewijd in de leer van den Eenen.”

      [313] De Egyptische naam van Mozes.

»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den
oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.

Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een
ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te
schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft
ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht
naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.

Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich
van de zon af.

Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt
gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch
geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” »Omdat ik,” antwoordde zijn
metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten
zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde
is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in
zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”

»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.

»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit
de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen
als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”

De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots
voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.

Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en
naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij
hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn
oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man
in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een
meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een
draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende
Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het
jagershuis.

Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand
genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij
hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden;
hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met
gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem
langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor
terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen,
en ― van welke lippen!

»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de
dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als
wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.

               *       *       *       *       *

Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den
jager uit.

»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide Warda. »Ik zal
het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had
opgericht en den heiligen berg omhelsd!”

»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.

»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo
onuitsprekelijk gelukkig!”

»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit
reden tot blijdschap geeft.”

»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te
zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig
zijn en goed.”

De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”

»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel
ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan
Pentaoer gelijk.”

Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”

»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen.
Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan
slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te
slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk
zijn.”

»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.

Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden
mond.

Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is
zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik
zal hem wekken.”

Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij
daarmede zijn neus te streelen.

Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda
schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde
zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en
grootmoedig!”

Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende,
bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu
ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend:
»Warda, lieve Warda!”

Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.

Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich
alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het
gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen
besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.



ZESDE HOOFDSTUK.


Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao’s
onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een
voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun
grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en
hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase.
Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten,
die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen
nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op
zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het
waterputten overvielen.

Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was,
Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder
Warda’s vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De
bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den
bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen
ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de
Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de
vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met
spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij
besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat
men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de
vrijplaats der Amalekieten binnen.

De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor
de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de
overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats, waar het dal wijder
wordt, en zich om een rotsheuvel[314] heenbuigt. Hierachter stond de
hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder
eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor
den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden
zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in
verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen.
Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van
woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van
Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem
insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen.

      [314] De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk
      van het bisdom Pharan.

Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht
hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien
verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden
verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het
dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden
belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig
had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de
oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en
de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de
ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe
Bent-Anat den dichter vond.

Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren
aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer
belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder,
openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van
hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding.

Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan
vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een
en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart
gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd
vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven
voor haar mocht kunnen geven.

Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van
het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander
honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg
konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog
verkeerden. Na het eenvoudig maal kwam de golfslag van ’s dichters
ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot
bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij
dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te
overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig
gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige
vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in
hand naar de hut van hun gastvriend af.

Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter.
Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd
der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den
grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer.

Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de
Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de
vorst der woestijn, Abocharabos[315], aan Pentaoer, dien hij voor een
zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij
en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd
had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de
Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen
door zijne manschappen waren neergeschoten.

      [315] Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de
      hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het
      schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften
      hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht,
      door Tuch in Abocharabos veranderd.

»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van
Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als
de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan
weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te
verschuilen.”

Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn
adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een
zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar
vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding
van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des
konings te begeven.

Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne
oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de
maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris[316]. Behalve Abocharabos,”
en hij sloeg op zijne borst, »en zijne vrouw, ken ik geen paar menschen
gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van
mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet
terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm[317]
gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt
nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij
op, eer de dag aanlicht.”

      [316] Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche
      godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de
      Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. 388.
      Vert.

      [317] De Semitische naam voor Egypte.

Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De
ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem
wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware
zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was
ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen?

Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf
telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar
gestorven oom, den vader van den gids Paäker.

Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag
hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde
zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert’s en
mogelijk ook van hare eigene liefde.

De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn,
die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan.
Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen
aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van
’s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan
het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt,
heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost.”

»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten
beste keeren.”

»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat
ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout,
bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een
geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen
zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is,
klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt
het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een
windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de
wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van
zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen of genen schipper
gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in
den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de
wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er
toe?”

               *       *       *       *       *

Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager,
wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de
zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed,
als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van
het aardrijk lag te smeulen.

Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des
konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan,
waartoe nu ook Warda’s vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase
gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij
het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer
in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van
het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.

»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda,
waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme
schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat
ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit
plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van
geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij
niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk
gevaar Pentaoer bedreigde.

»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld
waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden,
naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme
schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de
overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon
er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig
wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De
ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich
het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het
meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin
beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er
was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik
te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij
behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichter was van hen, die
den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik
de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij
was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch
eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u
nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram
verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd
overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen
Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de
mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.

»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene
vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een
dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg
waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf
hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder
moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder
te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield.
Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te
voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord
viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een
gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat
ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: ‚Mij kunnen
ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar
dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!’ Daarbij sloeg
hij zich tegen het voorhoofd. ―

»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde
ik gedurig: ‚dat, dat!’ Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht
schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik
kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts
Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar
komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van
Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar
de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld
aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de
verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip
onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den
naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar
Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder
dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat
gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizier in een sluwen of een
sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden?
Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn
afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij
afscheid genomen.

»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. ― In
Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben.
Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte
gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den
grooten Mohar, den vader van den gids Paäker.”

Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn
verhaal voort.

»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer,
want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij
weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone
liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht.”

»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert
ik in de woestijn was.”

»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”[318], verzocht
Nebsecht.

      [318] De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina
      fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat
      in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm
      bedekt. Zie Ebers, =Durch Gosen= u.s.w., S. 129, 206, 224.
      Vert.

»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier
op vele plaatsen. ― Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men
den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig.
Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds
kent.”

»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.

»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.

De dichter sprak zacht:

    „Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherân
    Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;
    Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult
    Of ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult,
    Hoe kan in d’armen bodem der woestijn
    Een plant zoo rijk aan zulke gaven zijn?
    En hoe ontwaakt het lang ontslapen lied
    In ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”

»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde
verschuldigd zijt?” vroeg Nefert.

»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een
uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid
rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen
rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier
gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te
sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar
een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan
hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door
de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg
afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn
eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan
geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den
achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het
oneindige verliest, geene grenzen.”

»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. »Hier is
mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde.”

»En dat is?” vroeg Pentaoer.

»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets
goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de
roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat
is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand
bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet
precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses
te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo’n ruggegraat is
samengesteld!”

»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met eene wedervraag.
»Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en
nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw
kleed minder morsig zijn.”

               *       *       *       *       *

Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de
oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de
zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van
Egyptische troepen.

Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder
eene klacht vaarwel. Warda’s vader, die in den dienst van den ouderen
Mohar alle wegen en paden in Syrië nauwkeurig had leeren kennen,
begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen
terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te
zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige
regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden
worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In
Megiddo[319] werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting
met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te
vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had
aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar
verbieden in dit jaargetijde verder te reizen.

      [319] Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die
      herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang
      voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene
      belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder
      de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren
      en innemen.

Warda werd bleek en stiller. Bent-Anat zag met bezorgdheid van dag tot
dag het teeder rood van de wangen van hare schoone lieveling verdwijnen;
wanneer zij echter vroeg wat er aan scheelde, kreeg zij een ontwijkend
antwoord. Het meisje had geene enkele maal in tegenwoordigheid der
prinses Rameri’s naam genoemd, en ook haar kleinood niet getoond. Zij
toch meende dat alles wat er tusschen haar en den prins was voorgevallen
een geheim was, dat haar niet alleen toebehoorde. Er was ook nog iets
anders dat haar den mond sloot. Zij was met hartstochtelijke liefde aan
Bent-Anat gehecht, en zij beeldde zich in dat de prinses, als zij haar
alles vertelde, haar broeder zou berispen of ten minste om hare neiging
lachen zou als over een kinderspel. Als dat eens gebeurde, begreep zij
de zuster van Rameri niet langer te kunnen lief hebben.

Reeds bij het eerste grensstation was een bode te paard naar het leger
des konings gezonden, met de vraag welken weg de prinses en haar geleide
van Megiddo zouden moeten inslaan. Deze keerde nu met een korten en
beslissenden, maar teederen brief terug, door den pharao met eigene
hand geschreven, waarin hij zijne dochter beval Megiddo, de veilige
voorraadschuur van het leger, de goed versterkte plaats, die door een
groot garnizoen werd verdedigd en de toegangen tot het noorden en midden
van Palestina van de zeezijde beheerschte, niet te verlaten. Meer dan
een veldslag, schreef hij, zou er thans moeten geleverd worden, en zij
wist dat de Egyptenaars hunne vrouwen en dochters van krijgstochten
uitsloten, om haar des te zekerder te bewaren voor den vrede, als het
heerlijkst loon na den zege.

Terwijl de vrouwen te Megiddo toefden, trok Pentaoer met Kaschta en eene
kleine bereden bende, die de bevelhebber van Hebron hem had medegegeven,
verder naar het noorden. Hijzelf zat deftig te paard, hoewel het op
deze reis de eerste keer was dat hij er een besteeg. Het was alsof
de rijkunst hem was aangeboren. Zoodra hij van de andere ruiters de
handgrepen had afgezien, en hij zich vertrouwd had gemaakt met de natuur
van het paard, was het zijn hoogste genot een vurig ros te temmen en te
berijden. Hij had zijn priesterkleed in Egypte gelaten. Hier droeg hij
een wapenrok, een zwaard en een strijdbijl, als een volmaakt krijgsman,
en de volle baard, die zich gedurende zijne gevangenschap had
ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst.

Warda’s vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide dan: »Men zou
haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens
langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij
zag hij er uit en sprak hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo
zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was
voor zijn wagen”[320].

      [320] De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt
      duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren
      levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië
      reizenden Mohar medebrachten.

Geen van alle lieden, die Pentaoer onder zijn bevel had, was hem meer
dan een huurling, behalve de roodbaard. Daarom reed hij den trein het
liefst vooruit, altijd denkende aan hetgeen achter hem lag, zelden aan
hetgeen hem wachtte, en in den regel alles, wat zich op den weg aan hem
voordeed, met een geopend oog waarnemende.

Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte en den
Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië[321]. Hij verblijdde zich met
eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek
schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne
vertelden. Het land tusschen beide hooge bergketenen was vruchtbaar en
rijk gezegend. Ruischende stortbeken en wilde stroomen spoedden zich van
beide berghellingen naar het dal. Pentaoer kwam langs dezen weg vele
dorpen en steden voorbij, maar de meesten hadden door den krijg geleden.
De trekossen der boeren, de kudden der herders waren weggedreven, en
wanneer een wijngaardenier, die zijn wijnstok opbond, den naderenden
hoefslag vernam, dan vluchtte hij in de bergkloven en bosschen.

      [321] Koile Syria, het holle Syrië.    Vert.

Overal vertoonden zich de sporen van ploeg en spade, maar thans lagen
de meeste velden braak, want de jongere boeren stonden onder de wapenen.
Tuinen en weiden waren door de soldaten vertreden, huizen en hutten
uitgeplunderd, vernield of verbrand. Alles droeg de sporen van den
verwoestenden krijg, alleen de eiken- en cederwouden verhieven zich
trotsch en ongedeerd langs de hellingen der bergen. Men zag er geheele
bosschen van platanen en Sint-Jansbrood-boomen, en in de engten en
spleten van het weinig ontwikkelde kalkgebergte, dat het vruchtbare
laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas.

In dit jaargetijde was er geen gebrek aan water en zag alles er even
frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte,
en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde
uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen op den Sinaï, en zeide
weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude
meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen
scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen
verborgen bleef, waarschuwden, om toch het vaderland niet te verlaten.”

Hoe meer hij de legerplaats des konings naderde, des te levendiger hield
hij zich in zijne verbeelding met Bent-Anat bezig, des te sneller sloeg
van tijd tot tijd zijn hart, wanneer hij dacht aan de ure, waarop
hij den koning zou ontmoeten. Over het geheel was hij vol blijmoedig
vertrouwen, dat hijzelf dwaas moest noemen, maar waartegen hij niet in
staat was zich te verzetten.

Ameni had hem dikwijls berispt over zijne al te groote bescheidenheid
en zijn gebrek aan eerzucht, wanneer hij zich gaarne bij anderen
achterstelde. Dat herinnerde hij zich nu, en hij moest er om lachen.
Want hij begreep zichzelven hoe langer hoe minder. Niettegenstaande hij
zich honderdmaal herhaalde, dat hij van lage afkomst was, een arme en
verbannen priester, toch kon hij de overtuiging maar niet onderdrukken,
dat hij zeker recht bezat om Bent-Anat tot zijne vrouw te vragen.

En wanneer nu de koning hem eens zijne dochter weigerde, en hem deze
stoutmoedigheid met zijn leven liet betalen? ― Maar hij wist dat hij
onder den moordbijl geen wenkbrauw zou vertrekken; dat hij zelfs
gelukkig zou sterven. Want wat Bent-Anat hem geschonken had, dat bezat
hij; dat kon geen god hem ontnemen.



ZEVENDE HOOFDSTUK.


Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen
vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn
kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen
van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met
eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling
scheen te behooren.

Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend
was, naarmate men dichter bij Kadesch[322] kwam, ging op verkenning uit.
Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van
Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken.

      [322] De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de
      Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk
      Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van
      Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes
      III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch
      de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren
      strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in
      twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv.
      op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van
      het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van
      Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan
      den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef
      behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van
      Riblat is gelegen.

Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht?
Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog
Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in
zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze
beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel
vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.

»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te
worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene
bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten
naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en
zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol,
waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat
mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer
zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij
plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de
Mohar zijn Toeat[323] noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en
wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te
leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger
zijn.”

      [323] De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.

Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op
vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen,
waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van
zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het
water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit
tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het
water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan,
zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door
het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en
vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem
niet zonder moeite.

Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten
zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel
uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand
boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht
struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer
gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het
begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware
regendruppels.

»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. »Nog een
half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet
bijster raak.”

Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met
moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de
roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken.
Tweemaal meende hij het verloren te hebben, maar hij gaf zich geen
rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij
staan en riep Pentaoer bij zich.

»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. ― Het is
mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader
leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. ― Ziet gij mij?
Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt
oprichten. Houd ook uw bijl gereed. ’t Zou kunnen zijn dat zich thans
Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. ― Mannen, wacht hier op ons!
Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen.”

Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met
hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau
staan.

»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de
rechterzijde is een diepe afgrond. ― Ik riek rook. ― De hand aan de
bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal
ook de manschappen hierheen brengen.”

De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke
de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep
te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al
tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand
hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al
helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.

De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de
laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb
enkele woorden verstaan.”

»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen
dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten.
Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men
opendoen. ― Kunt gij wat verstaan?”

»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, »en
scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt
dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak,
hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders,
zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. ― Klop
aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan,
zeg ik u!”

De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol
klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd
teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem
vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”

»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer,
Noebi?”

De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van
den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?”

»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om
Pentaoer vooruit te laten komen.

De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het
hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude
slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting
terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn
booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het
bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!”

Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een
woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en
voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met
eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den
Mohar, red mij, vader!”

Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den
afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling!
Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd
opgevoed.”

De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: „Wie
gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak
mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en
vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen.”

Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de
handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.

Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de
verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en
den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het
vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen.”

»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het dal
gevaarlijk.”

»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” riep de
jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.

De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet
de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het
Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen,
langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep
hem in zijn wollig haar en hield hem vast.

De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt,
zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”

»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp
hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit
doel op den grond lag.

Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten
gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de
wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. ―
Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te
verliezen.”

De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar
deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de
duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust,
voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te
versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met
frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel
in.”

»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol,
waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden
bewaard.

Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de
paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en
Pentaoer ongeduldig op en neder.

»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg de dichter.

»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde Horus.
»Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta
begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische
leger komen, dan is alles verloren.”

»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”

»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn Osirische
vader.”

»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij
den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de
handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder
uw vijand geworden?”

»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende stem. »Toen
onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen.
Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van
ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet
dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik
verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere
overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en
nam daar eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor
zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te
zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn
van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn
kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder.
Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna
ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben
doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan
ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen
gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne
kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne
moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat
is... dat vermag...”

De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen
hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet.
Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart,
behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen
woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena,
die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook
verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch
maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen.
En hij is toch mijn oudste broeder.

»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid,
en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger
te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te
stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed.
Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou
brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning
niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te
razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne
afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te
dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam
van onzen vader.

»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op
te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van
mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er
was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in,
maar ― wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in
de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de
kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van
den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met
Paäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door
heen breed en zeer geschikt voor ’s konings strijdwagens. Ook andere
opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde,
vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden ‚Dood aan
Mena!’ te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik
verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was.”

»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.

»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”[324], ging Horus voort.
»Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder
binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig
den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen
ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die
hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te
bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. ― Maar zie, daar
vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan.”

      [324] Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van
      het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.

»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en
Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!”

Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de
wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte.
Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar
het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte
grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij
aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa’s, die zich heen en
weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen
schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.

»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en wierp zich
hijgend over den hals van zijn paard.

»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette zijn paard
aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere
twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta’s paard van vermoeienis neer,
daarna ook dat van Horus.

»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s broeder.
»Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den
koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de
steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten
van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden.
Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der
Egyptenaars is de naam van Ramses’ lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar
al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij
hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den
linkervleugel den vijand in den rug te vallen.”

Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen
begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord ‚Bent-Anat’
roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot
hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af,
sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof
hij ter bruiloft ging.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles in de
koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de
troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was
voorbereid.

Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport
overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke
troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest
optrekken.

Het korps, dat den naam droeg van den zonnegod Ra, rukte uit het zuiden
op over Schabatoen[325], ten einde de oostzijde van het meer om te
trekken en den vijand in de flank te vallen. Het korps van Seth, waartoe
de soldaten uit Neder-Egypte behoorden, was uit Arnam aangekomen en zou
het centrum uitmaken. De koning zelf was voornemens met de keurbende
der wagenstrijders het dal te volgen, dat zich met de Orontes-vlakte
vereenigde en, volgens de opgave van den gids, breed en goed te berijden
was. Terwijl de troepen den vijand bezighielden, kon hij den Orontes op
eene doorwaadbare plaats overschrijden, en de vesting Kadesch aan de
noordwest-zijde van achteren aanvallen. Het korps van Amon, met de
Ethiopische hulptroepen, zou hem dan als achterhoede volgen langs een
anderen weg, die volgens de verraderlijke opgaven van den Mohar zich met
zijne operatie-linie verbond. Het korps van Ptah eindelijk hield zich
als reserve bij den linkervleugel.

      [325] Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij
      ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het
      nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de
      schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo
      hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak
      eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor,
      zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan
      helaas! slechts fragmenten in de „salle historique” van het
      Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de
      redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden,
      wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe)
      en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het
      heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst,
      hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven
      Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar in =Recueil de
      travaux relatifs à la philologie et à l’archéologie Egyptiennes
      et Assyriennes=. Fasc. I. 1870.

      Dr. W. Pleyte gaf in het =Theologisch tijdschrift= van 1869
      eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart.    Vert.

De soldaten hadden zich niet als gewoonlijk te slapen gelegd.
Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van
halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in
de andere hand, bewaakten het leger[326], waar, om talrijke vuren, de
rustende krijgers in kringen gezeten waren. Hier ging de wijnzak van
mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd
reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld.
Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig
soldaten, die ernstig handgemeen raakten, uit elkander halen.

      [326] Voorstellingen van Ramses’ legerplaats zijn bewaard
      gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het
      Ramesseum.

In de nabijheid van de omheiningen, waarbinnen de paarden stonden, waren
de smeden bezig, want er moesten nog hoeven beslagen en lanspunten
gescherpt worden. Ook de dienstknechten van de wagenstrijders hadden nog
volop werk. Want vele strijdwagens waren over de bergen gekomen; men had
ze uit elkander moeten nemen en in stukken op de ruggen der paarden en
ezels moeten laden[327]. Thans zette men de lichte voertuigen weder in
elkaar en smeerde de raderen.

      [327] Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het
      Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als
      lastezels.

In het oostelijke gedeelte van het legerkamp waren, in de nabijheid
van een baldechijn, waaronder de standaarden bewaard werden, talrijke
priesters werkzaam. Zij zegenden de krijgers, slachtten offers en zongen
hymnen. Vaak werden hunne vrome liederen echter overstemd door het luid
gejoel van spelers en drinkers, door den hamerslag of het hevig gebalk
der ezelhengsten en het gehinnik der paarden. Somwijlen liet zich ook
het luid gebrul hooren van de getemde leeuwen des konings[328], die hem
in den slag altijd volgden en heden niet gevoederd werden, om hunne
woede te prikkelen.

      [328] Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den
      ten strijd optrekkenden koning.

Midden in het leger stonden de tenten van den pharao, omgeven door die
van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren
bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar
gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. Hier zag men zwarte
Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken.
Daar waren de schoon en regelmatig gebouwde »zonen des zands”, uit
de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig
krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne
lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen
en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige Libyërs opmerken,
kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op
den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne
paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans
biddende tot de sterrengeesten. Even verschillend als deze hulptroepen
er uitwendig uitzagen, was ook de klank hunner taal, doch allen
gehoorzaamden het commando van Ramses.

Betrad men het terrein waar de koninklijke tenten waren opgeslagen, dan
kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden
van de goden van Thebe en die van ’s vorsten voorvaderen. Men kon thans
reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren
verplicht, aan den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te
offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin
van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar
de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. Vóor de tent
waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht.
Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te
levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene
wijnmagazijnen.

De tent die de groote, langwerpig rechthoekige oppervlakte bedekte, waar
Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans
helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige
lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de
ingangen met uitgetogen zwaarden, en schenen zóo doordrongen te zijn van
het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels
en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de
voornaamste familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen
van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze
pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwd en afgebroken
worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk,
dat te Memphis geweven en door Phoeniciërs in Tanis geverfd was.
Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met
zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt.
Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen,
en de koorden, die het lichte bouwwerk aan den grond bevestigden, waren
uit dun zilverdraad en zijde gevlochten[329].

      [329] De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de
      Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven
      doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de
      Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt
      (Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan
      men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset,
      =Histoire de la Soie=, 1862.

In deze tent nu waren meer dan honderd mannen gezeten aan een
nachtelijken maaltijd. Zij hadden aan vier tafels plaats genomen. Aan
drie van deze zaten, op lichte tabouretten, de aanvoerders van het
leger, de voornaamste priesters en de koninklijke raadslieden. Aan de
ver van de andere verwijderde vierde tafel merkte men de koninklijke
prinsen op. De pharao zelf zat aan eene afzonderlijke, van die zijner
zonen afgescheiden hoogere tafel, op een troon, die rustte op de
vergulde beelden van geboeide Aziaten. Tafel en troon stonden op eene
kleine verhevenheid, die met pantherhuiden was belegd, doch Ramses zou,
ook zonder haar, boven allen ver hebben uitgestoken. Men kon hem goed
zien, want het was in deze zaal, door de overvloedige verlichting,
daghelder. De pharao was een man van reusachtige gestalte. Dat
indrukwekkend gelaat met dien zwaren baard; dat hooge voorhoofd,
bedekt met den diadeem, in het midden waarvan de koppen van twee
Uraeus-slangen, dragen de kronen van Opper- en Neder-Egypte, te
voorschijn kwamen, deden terstond in hem den gebieder herkennen. Een
breede halsband van edelgesteenten bedekte halverwege zijne borst,
terwijl de andere helft was bekleed met een draagband in den vorm van
eene sjerp. De naakte beneden- en bovenarmen waren met gouden ringen
getooid. De regelmatige lichaamsvormen van dezen man waren als uit
metaal gegoten, waartoe de koperkleurige gladde huid, die over zijn
sterk gezwollen spieren was gespannen, niet weinig bijdroeg.

Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken
trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was als een leeuw in
rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht
men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die
nu het brood verdeelde, zich tot een vuist zou ballen. Er was aan dezen
man niets kleins, maar toch ook niets wat schrik wekte, want al straalde
uit zijn oog de glans van den heerscher, zoo getuigden zijne woorden
toch van bijzondere goedheid. Die zware uit zijn breede borst wellende
stem, die boven het slaggewoel kon worden gehoord, beschikte ook over
weeke en hartveroverende tonen. Dank zij zijne opvoeding, was hij, onder
het volle bewustzijn van zijne macht en grootheid, in den vollen zin des
woords een mensch gebleven, want geene aandoening van het menschelijk
hart was hem vreemd.

Achter den koning stond een jong man, deze reikte hem den beker toe,
dien hij aan zijne lippen bracht, het edele vocht met welgevallen
proevende. Het was Mena, de wagenmenner en vriend des konings. De
gestalte van dezen edelman was slank en toch krachtig, buigzaam en toch
rustig. Zijn schoon besneden gelaat, met die vrijmoedig rondziende
oogen, toonde dat hij zelfbewustzijn aan goedhartigheid paarde. Deze
man mocht minder beteekenen in eene raadsvergadering, waar het gold
bedachtzaam te overleggen, des te hooger waarde had hij als een
beminnenswaardig, dapper en trouw strijdgenoot.

Onder de prinsen zat Chamoes[330] het dichtst bij den koning. Hij was
van allen de oudste en eerst onlangs bekleed geworden met de waardigheid
van opperpriester van Memphis. De kroeskop Rameri, die op weg naar het
leger gevangen was geraakt, maar voor een losgeld was vrijgekocht, had,
als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het
benedeneinde van de tafel plaats genomen.

      [330] Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe
      geheeten. Hij was „Sam” of opperpriester van Memphis. Zijne
      mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de
      uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.

»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!” zeide de koning.
»Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij
benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft,
wat de opzichter van Mena’s stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat
mij nu en dan uit Egypte wordt overgebracht, houd niets in, wat mij
verontrusten kan. Ik ken onzen neef en weet, dat hij het zich op den
geleenden troon zoo gemakkelijk maken zal als maar mogelijk is; doch
als wij terugkeeren, zal hij zich weder op een smalleren zetel weten
te schikken. Voor groote ontwerpen en koene daden is hij de man niet,
maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt
vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn
plaatsvervanger.”

»Doch Ameni,” liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig voor zijn
vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem
met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs
man, en de helft der priesterschap staat achter hem.”

»Ik weet het,” antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat
ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen
riep. ’t Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben!
Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds weg! Zij zullen morgen de
legerplaats bewaken; daarvoor zullen zij goed zijn, ten minste wanneer
men hun aan het verstand brengt dat, als zij zich de tenten laten
ontnemen, ook het brood, het vleesch en de wijnzakken in de handen der
vijanden vallen. Als Kadesch stormerderhand wordt ingenomen, dan zullen
de tempels aan den Nijl het beste deel van den buit hebben, en gijzelf,
mijn jonge opperpriester van Memphis, gij zult uwe stadgenooten kunnen
toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met
schepels ontneemt, met mudden weder te geven.”

»Ameni’s ontevredenheid,” hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond.
Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg.....”

»Die heeren echter,” ging Ramses, hem in de rede vallende, voort, »zijn
gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer
heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al
bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik
gaarne mijn verkeer met de hemelsche goden, en ook dat van mijn volk aan
hunne tusschenkomst overdragen. Maar de menschelijke belangen bestuur ik
naar mijne eigene inzichten. ― En nu niet verder over dit onderwerp!
Het stuit mij tegen de borst aan vrienden te twijfelen, en ik gevoel zoo
groote behoefte aan, ik stel zooveel prijs op vertrouwen, dat ik het mij
laat welgevallen, wanneer ik daardoor ook eene enkele maal bedrogen