Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Eiland Texel en Zijne Bewoners
Author: Allan, Francis
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Eiland Texel en Zijne Bewoners" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                  HET EILAND TEXEL EN ZIJNE BEWONERS,

                               GESCHETST

                                 DOOR

                               F. ALLAN,

                       met eene Kaart van Texel,
                           TEVENS AANWIJZENDE
                 de Texelsche Zeegaten en Voorgronden,
                met derzelver Peilingen, Betonning, enz.
             en versierd met de op Texel bestaande Wapens,

                            VERVAARDIGD DOOR

                             J. L. KIKKERT,
   Lid der Provinciale Staten van Noord-Holland, Wethouder en Notaris
                               op Texel.



                               AMSTERDAM,
                       WEIJTINGH & VAN DER HAART.

                                 1856.



        "Grond en Geschiedenis staan bij ons in naauwe betrekking."

                                                       Prof. Van Lennep.



VOORWOORD.


Het was naar aanleiding van een vroeger door mij geschreven werkje
[1], dat ik van onderscheidene en veelgeachte zijden de vereerende
uitgenoodiging ontving, om ook ten opzigte van eene Beschrijving van
het Eiland Texel mijne krachten te beproeven.

Dan, bij de zamenstelling van het genoemde werkje over Marken
ondervonden hebbende, welke moeijelijkheden bij gebrek aan goede
bouwstoffen aan dergelijken arbeid verknocht zijn, deinsde ik
aanvankelijk voor de aanvaarding dezer taak terug.

Men hield evenwel bij mij aan, en ik?--beloofde eene Beschrijving
van Texel te zullen leveren. Te meer voelde ik mij daartoe opgewekt,
naardien ik de verzekering bekwam, dat men, gedreven door innige
belangstelling, mij ook op Texel, in alles wat op dit eiland betrekking
heeft, alle mogelijke hulp en inlichting zoude verstrekken.

Men stelde mij dan ook in dezen geenszins te leur, zoodat het mij eene
behoefte is, hierbij openlijk mijnen welmeenenden dank te betuigen aan
de H. H. P. de Keyzer, Sz., Burgemeester, G. List, Gemeente-Ontvanger
en W. Brouwer, Openbaar Onderwijzer, aan Den Burg op Texel, alsmede
aan den Wel Edelen Heer R. B. de Breuk, te Nieuwe Diep, voor de
belangstellende en welwillende hulp, mij, bij de zamenstelling van
dit geschrift over het schoone en belangrijke Texel, verstrekt.

Zijne koninklijke hoogheid Prins Hendrik der Nederlanden, Wiens
doorluchtigen Naam reeds door de bedijking van den polder Prins
Hendrik met Texel's geschiedenis was verbonden, heeft door de
welwillende aanneming van de Opdragt van deze mijne lettervrucht,
Hoogstdeszelfs belangstelling in dit eiland doen blijken, en aangenaam,
hoogst aangenaam, voorwaar! is het mij, Z. K. H. voor die welwillende
aanneming, welke mij eene zeer vereerende aanmoediging was, hier
openlijk mijnen hartgrondigen dank te wijden!--

't Is zoo, ik heb een groot en moeijelijk werk moeten verrigten,
om tot een (moge het zijn) gunstig resultaat te kunnen geraken: ik
moest onderzoeken, raadplegen, vergelijken, opdat ik eene zoo veel
mogelijk naauwkeurige Beschrijving van Texel aan mijne belangstellende
Landgenooten zoude kunnen aanbieden.

In hoeverre mij dit gelukt is, zij aan het bescheiden oordeel van
deskundigen overgelaten, aan wie ik deze vrucht mijner onvermoeide
nasporingen met bescheidenheid aanbevele, hun de verzekering gevende,
dat alle bescheidene teregtwijzingen steeds hoog door mij zullen
worden gewaardeerd en in dank aangenomen.

Omtrent de bij dit werk gevoegde Kaart, zal ik wel niets ter
aanbeveling behoeven te zeggen. Immers, zij beveelt zich zelve
genoegzaam aan! Alléén zij dus gezegd dat de door mij vervaardigde
Kaart reeds bij den Graveur was, toen ik kennis verkreeg van die
des Heeren Kikkert, die door mij, en ik mag vertrouwen, ook door
H. H. Inteekenaren, allezins geschikt werd geacht om aan dit werk te
worden toegevoegd.

Zietdaar, Lezers! hetgene ik meende vooraf te moeten laten gaan! Mogt
mijn arbeid uwe goedkeuring wegdragen, het zoude mij een spoorslag
te meer zijn, om voorwaarts te streven op den vaak moeijelijken weg
des onderzoeks, en mij meer en meer te kwijten van de verpligting,
die ik verschuldigd ben aan Wetenschap en Vaderland.


    F. ALLAN.
    Eiland Marken, den 1 Febr. 1856.



INHOUD.


NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.


OPDRAGT

Aan Z. K. H. Willem Frederik Hendrik, Prins der Nederlanden,
Luitenant-Admiraal, Opperbevelhebber der Vloot.


INLEIDING.

Algemeene Beschouwing over het Eiland Texel.


EERSTE HOOFDSTUK.

Voortbrengselen. Grond- en Luchtgesteldheid van Texel.


TWEEDE HOOFDSTUK.

Texel, beschouwd met betrekking tot de Geschiedenis des Vaderlands.


DERDE HOOFDSTUK.

De Dorpen, Gehuchten, enz. op Texel.

     1. Het Oude Schild. (Schans, Redoute, Lunette, de
        Weezenputten, Brakenstein, de Hoogeberg.)
     2. De Burg.
     3. Het Horntje.
     4. Hoorn of den Hoorn. (Den Ouden Hoorn.)
     5. Den Westen. (Het voormalige dorp.)
     6. De Koog.
     7. Oosterend of Oostereind.
     8. Het Nieuwe Schild.
     9. Oost.
    10. De Cocksdorp.
    11. De Waal.


VIERDE HOOFDSTUK.

De voornaamste ingedijkte Polders op Texel.

     1. De Prins Hendrik-Polder.
     2. Het Eijerland.
     3. De Eendragt.
     4. De Grie.
     5. De voormalige Katten-Polder (thans Prins Hendrik-Polder.)
     6. Waal- en Burg.


VIJFDE HOOFDSTUK.

Iets over de voormalige Gewoonten, Gebruiken, enz., der Texelaars.


ZESDE HOOFDSTUK.

De Bevolking van Texel.

Godsdienst. Taal. Beschaving. Kleeding. Huishouding. Gewoonten.
Vermaken.


ZEVENDE HOOFDSTUK.

Aanteekeningen. Bijvoegsels.

Staat van de veranderingen aan het strand en de duinen langs de
Noordzee, van het Horntje tot het Eijerland op het Eiland Texel.



NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.


Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden. 5 Exempl. Best papier.

Allan, (A. J.) Militair te 's Hertogenbosch.
Allan, (D. T.) Dijkmeester bij den Lekdijk bovendams te Wijk bij Duurstede.
Allan, (Wed. J.) te Uithoorn.

Bakker, (D. G.) Particulier te Burg.
Bakker, (Dirk J.) Veefokker te Westergeest.
Bakker, (G. D.) Schipper te Burg.
Bakker, (K. W.) Schipper op Texel.
Bakker, (Lourens W.) Schoenmaker te Oosterend.
Bakker, (P. D.) Grutter te Burg.
Bakker, (P. G.) te Burg.
Bakker, (Wm. L.) Onder-Commissaris der Loodsen te den Hoorn.
Barnaart van Zandvoort, (Jhr. H. G.) te Haarlem. Best papier.
Blom, (A.) Stuurman op Texel.
Blom, (M.) Broodbakker te De Cocksdorp.
Bok, (Mr. W.) Adsistent Notaris te Burg.
Boom, (C.) Notaris te Beemster.
Boon, (C. C.) Landbouwer te Walenburg.
Boon, (N. C.) Veefokker te Oost.
Brouwer, (G.) Onderwijzer te Burg.
Brouwer, (Js.) Onderwijzer te De Cocksdorp.
Bruijn, (Dirk Jb.) Broodbakker te den Hoorn.
Bruin, (J.) Broodbakker te Hoorn. Best papier.

Coster van Voorhout, (C. L.) Handelaar te Tiel.

Daalder, (J.) Landbouwer te den Hoorn.
Deekers, (E. J.) Koek- en Banketbakker te Burg.
Dorsten, (H. L. van) te Burg.
Duinker, (Cornelis) Loodsschipper te den Hoorn.
Duinker, Jr., (Jan) Opper-Timmerman op O. I. op Texel. Best papier.
Dijksen, Jr., (J. C.) Landbouwer te Eijerland. Best papier.
Dijksen, (Jb.) Landman te Burg.
Dijt, (C. H.) Veefokker te Westergeest. Best papier.

Flacke, (G. B.) Koopman te Leeuwarden.

Groot, (C. de) Burgemeester te Eiland Marken.
Grijskamp, (W.) Pastoor op Texel.

Heteren, (J. H. & G. van) Boekhandelaars te Amsterdam.
Hille, (Ks.) Genees-, Heel- en Verloskundige te Oosterend.
Hoogvorst, (Mej. Wed.) Boekhandelares te Nieuwe Diep. 6 Exempl.
Huizinga, (J.) Doopsgezind Leeraar te Burg.

Kalis, Jz., (J.) Koopman te Burg.
Keijzer, Pzn., (Arend) Landbouwer op Texel. Best papier.
Keijser, Pzn., (A.) Landeigenaar te Waal.
Keijser, Pzn., (Cornelis) Veefokker op Texel.
Keijser, Pzn., (J.) Pelder te Burg.
Keijser, Sz., (P.) Burgemeester op Texel. 5 Exempl. en 1 best papier.
Keijser, Szn., (S.) Landeigenaar te Burg.
Keijser, Pz., (S.) Makelaar op Texel. Best papier.
Keijser, (T. P.) Onderwijzer te Oost.
Kikkert, Dzn., (G.) in Goud en Zilver te Burg.
Kikkert, (J. L.) Lid der Staten van Noord-Holland, Wethouder en
    Notaris op Texel. 1 Ex. en 1 best papier.
Kikkert, (K. S.) Bakker op Texel.
Kikkert, (N.) Directeur der Bank van Leening op Texel.
Kingma, (J.) Lid der Provinciale Staten van Friesland te Makkum.
Kloot, (As. v. d.) Smid en Wagenmaker te De Cocksdorp. Best papier.
Koning, (A.) Landbouwer te Burg.
Koning, (P.) Veefokker op Texel.
Koning, (P. C.) Zaakwaarnemer te Burg.
Koning, (P. C.) Zaakwaarnemer te Burg. 25 Exemplaren.
Koning, (S.) Landeigenaar op Texel.
Kooiman, Pzn., (Gt.) Timmerman te Waal.
Koppen, (IJsbrand) Landbouwer op Texel. Best papier.
Kroese, (Gebroeders) Kooplieden op Texel.
Kruijsen, (M. H.) Pastoor te De Cocksdorp.

Langeveld, Pz. (M.) Grutter op Texel. Best papier.
Langeveld, Jr. (M.) Koopman te Burg.
Langeveld, Sr. (M.) Veehouder te Burg.
Langeveld, Pz. (P.) te Hardinxveld. Best papier.
Langeveld, (P. M.) Molenaar te Burg.
Langeveld, (W. J.) Hijpotheekbewaarder te Alkmaar.
Leijen, (D.) Landbouwer te Eijerland. Best papier.
List, (G.) Gemeente-Ontvanger op Texel.
List, (G.) Gemeente-Ontvanger te Burg.

Metz, (T.) Postschipper te Oude Schild.
Meijer, (A.) Koopvaardij-Kapitein te Nieuwendam.

N. N. te N.
Nupjers, (D.) Mr. Broodbakker te Eiland Marken.
Nijhoff, (M.) Boekhandelaar te 's Gravenhage.
Nijhoff, (G. P.) Boekhandelaar te Enkhuizen.

Oomkens, Jr. (J.) Boekhandelaar te Groningen.

Peeperkom, (H. H.) Pastoor op Texel.
Petersen, (A. E.) Apotheker te Burg.
Plaatsman, (P. J.) Schipper te Oosterend.
Pool, (Mevr. Wed.) geb. Reinbach te Utrecht. Best papier.
Provinciaal Archief van Noord-Holland. Best papier.

R. (P. v.) te Rotterdam. 2 Exemplaren.
Remmers, (Jb.) Ondermeester te den Hoorn.
Roeder, (D.) Boekhandelaar te Monnikendam. 2 Exemplaren.
Roem, (J.) Boekhandelaar te Alkmaar.
Roeper, (Jb.) Landeigenaar te Waal.
Rombach, (J. F. J.) Stads Heel- en Vroedmeester te Montfoort.
Rosendaal, (Mej. Wed. L.) Winkelierster te Oost.

Schellinger, Notaris te Nieuwendam. Best papier.
Schott, (G. J.) Stads Onderwijzer te Wijk bij Duurstede.
Schraag, (Gt. J.) Veefokker te de Westen.
Sipkes, (J.) Tabaksfabrikant te Burg.
Slot, (Ks. J.) Koopman te Burg.
Slijboom, (G. W.) Logementhouder te Burg.
Staveren, (C. v.) Pastoor te De Cocksdorp.
Steinfort, (H. L.) Predikant te Oosterend.
Stiggelbout, (A. E.) Geneesheer op Texel. 2 Exemplaren.
Stiggelbout, (P. M.) Genees-, Heel- en Verloskundige te Burg.
Stolp, (P.) Genees-, Heel- en Verloskundige te Burg.

Thijssen, (W. C.) Landbouwer te Prins Hendrik Polder.
Timmerman, Ontvanger der Registratie op Texel. Best papier.

Visser, Jz. (C.) Hulp-Onderwijzer te St. Maartensbrug.
Visser, (J.) Mr. Timmerman en Aannemer te Eiland Marken.
Vlaming, (B. S.) Schipper te Oost.
Vlaming, (G.) Landbouwer te Oosterend. Best papier.
Vlaming, (K. B.) Oud Zeeman te Oost.
Voigt, (A. D.) Secretaris der Gemeente op Texel. Best papier.
Vrendenberg, (C.) Predikant te Burg.

Wal, Czn., (J. W. v. d.) Ambtenaar te Burg.
Wieringa, (R. G. J.) Predikant te den Hoorn.
Witte, (Jan P.) Veefokker te Texel.
Wijk, (Pieter v. d.) Schipper op Texel.

Zaal, (A. A. v. d.) Molenaar op Texel.
Zeilinga, (Jacob) Zeilenmaker te Nieuwendam. Best papier.
Zuidewind, (J.) in Manufacturen te Burg.
Zunderdorp, Hulp-Postk. te Terschelling. Best papier.
Zunderdorp, (C.) Post-Ambtenaar te Terschelling.
Zunderdorp, (J.) Makelaar op Texel.
Zunderdorp, (L.) Burgemeester te Vlieland.
Zwaal, (T. R.) Onderwijzer op Texel.



                                  Aan
                       Zijne Koninklijke Hoogheid
                        WILLEM FREDERIK HENDRIK,
                         PRINS DER NEDERLANDEN,
                          LUITENANT-ADMIRAAL,
                      OPPERBEVELHEBBER DER VLOOT.


Is het waar, dat elk welgezind burger van den Staat, diep doordrongen
is van innige belangstelling omtrent alles, wat in betrekking staat
tot den bloei van het geliefde Vaderland, en dat er in zijnen boezem
een gevoel van verknochtheid leeft, dat bij de minste aanraking
zelfs, de teêrste snaren van zijn gevoel, van zijne ziel, roert en
trillen doet, zoo het slechts het Vaderland en het Vaderlandsche
raakt;--niet minder waar is het, dat inzonderheid de edele telgen van
het doorluchtig Vorstenhuis van Oranje Nassau, steeds eene levendige
belangstelling koesterden, voor alles wat op Nederland en Neêrlands
Volk betrekking had, ja, dat zij aan den voor- of tegenspoed van het
gemeenschappelijke Vaderland hun eigen wèl en wee verbonden.

Van die belangstelling gaf ook UWE KONINKLIJKE HOOGHEID meermalen de
sprekendste bewijzen. Daarvan in het breede hier te gewagen, zoude
onkiesch zijn en slechts laffe vleijerij verraden! Genoeg reeds,
indien wij slechts bedenken, welke onloochenbare bewijzen van levendige
belangstelling UWE KONINKLIJKE HOOGHEID koestert, omtrent alles wat
betrekking heeft op Neêrland's Zeewezen, eene belangstelling, die door
UWE KONINKLIJKE HOOGHEID, als Opperbevelhebber van Zr. Ms. Zeemagt,
voorzeker ook voor dat gedeelte van Noord-Nederland, gekoesterd wordt,
welks beschrijving wij UWER KONINKLIJKE HOOGHEID hierbij eerbiedig
opdragen, met welks geschiedenis UW doorluchtige naam verbonden is, en
in welks nabijheid NEÊRLAND'S Vloot, meermaals zooveel nationalen roem
en zege, op de vijanden van het geliefde Vaderland, mogt bevechten.

Gelief, DOORLUCHTIGE PRINS! de Opdragt van dezen letterarbeid aan
te merken, als een bewijs van den eerbied en trouw des Schrijvers,
wien het eene eere is, te zijn


    van UWE KONINKLIJKE HOOGHEID
    de Onderdanigste en Gehoorzaamste Dienaar,
    F. ALLAN.



INLEIDING.

ALGEMEENE BESCHOUWING VAN HET EILAND TEXEL


Onder de voornaamste gedeelten van de Provincie Noord-Holland,
verdient vooral genoemd te worden het schoone en belangrijke eiland
Texel, een plek, zoo overwaardig algemeen gekend te worden.

Dit eiland, dat in het dagelijksch leven meestal Tessel wordt genoemd,
ligt ten Noord-Noord-Westen van de Zuiderzee en maakt thans, vereenigd
met Eijerland, eene gemeente uit, die tot het Arrondissement Alkmaar,
kanton den Helder, behoort.

Volgens de staatsregeling van 23 April 1798, maakte Texel het vijfde
Departement der Bataafsche Republiek uit. Het grensde ten Noorden en
ten Westen aan de Noordzee, ten Oosten aan de Zuiderzee, welke het van
het Departement van de Eems en van dat van den Ouden IJssel scheidde,
en aan het Departement van den Rijn, waardoor het van het Departement
van den Delf gescheiden was; terwijl het Departement van den Amstel,
bijna geheel in dit Departement besloten lag.

Tot dit Departement behoorden de eilanden Texel, Vlieland, Wieringen,
Urk en Marken, en dat gedeelte der Zuiderzee, hetwelk ten Westen van
de raailinie van Oost-Vlieland op Stavoren, en van daar over Urk op
Nijkerk, op de Veluwe, gelegen is. Het had tot hoofdplaats Alkmaar,
was verdeeld in zeven ringen, welke tot hoofdplaatsen hadden:
Medemblik,--Hoorn,--Alkmaar,-- Westzaandam,--Haarlem,--Leiden en
Naarden; -- telde ongeveer 240,000 zielen, en was zamengesteld uit
de geheele tegenwoordige Provincie Noord-Holland, behalve de Stad
Amsterdam en omstreken, en het eiland Terschelling, terwijl ook een
gedeelte van Zuid-Holland, mitsgaders het Zuidwestelijk deel der
Provincie Utrecht, tot dit Departemnt behoorden.

Texel ligt ruim 1/2 uur Noordwaarts van de uiterste punt van
Noord-Holland's vaste kust, en op gelijken afstand Zuid-westelijk
van het eiland Vlieland. Ten Noorden wordt dit eiland omspoeld
door het West-Vlielandsche diep of Eijerlandsche gat, dat niet
zeer geschikt, of liever zeer gevaarlijk, is voor de doorvaart van
schepen. Oostwaarts paalt Texel, aan de beroemde reede van dien naam,
de Pan en de Zuiderzee. Oudtijds werd deze reede het Waaigat geheeten,
en biedt aan groote zeeschepen, aan den Zuidoostwal, eene goede
ankerplaats. De beste legplaats vindt men over den Rug, alwaar het
water een diepte van 145-260 palm heeft. Ten Zuiden wordt dit eiland
begrensd door de Helsdeur en het Noordergat, terwijl de Noordzee
het aan de Westkust bespoelt. Dit Noordergat, ook het Nieuwegat
genoemd, is een gevaarlijk vaarwater. De diepte is er zeer ongelijk:
op sommige plaatsen staat 12 à 13, op andere punten slechts 3 à 4
ellen water. Over het geheel is het zeer droog en bezet met vele,
meestal zeer steile banken of ruggen, en niet dan bij hoogen nood,
voor kleine schepen raadzaam te bevaren. Het ligt ten Noorden van
de Zuiderzee; wordt Oostwaarts door de Hors van Texel, en aan de
tegenovergestelde zijde door de Noorder Haaks, de Onrust en de Oostpunt
der Laan, bepaald, en loopt uit het Marsdiep in de Noordzee. In het
Noordwesten liggen de algemeen bekende, gevaarlijke Eijerlandsche
gronden, zijnde eene zeer gevaarlijke ondiepte, Noordwestwaarts van
den ingedijkten polder het Eijerland, (dat vóór het jaar 1629 een
eiland op zich zelf was,) waar men eene buitengewoon hevige branding
aantreft, en waarin reeds tal van schipbreukelingen den dood vonden,
en vele schepen verbrijzeld werden. [2]

Op den steenachtigen bodem worden vele zware rolsteenen of vleuten,
benevens zware boomstammen gevonden. Naar men zegt, zou er op de
plaats, waar nu de Eijerlandsche gronden zijn, een eilandje hebben
gelegen, dat de Buitengrind genoemd werd. Zoo men meent, was dit eiland
of eilandje oudtijds bewoond, en zou Drusus, de opperbevelhebber
der Romeinen, daarop een kasteel of burg hebben doen aanleggen, dat
Flevum werd genoemd. Althans, in 1590 waren op de Grind nog eenige,
van zeer groote steenen gemetselde, putten aanwezig.--Ook is het door
de berigten van Adrianus Junius, den Marquis De St. Simon en Rutger
Paludanus, buiten twijfel gesteld, dat Drusus in deze streken, zoowel
Noord- als Zuidwaarts, dijken heeft aangelegd, zoo als o.a. de Straat
bij Texel, welke zich Zuidoostelijk van de Koog door den geheelen
Wieringerwaard, over de Gammels, ten Noorden van Stavoren, in de
Zuiderzee uitstrekt.

Zuidwestwaarts van Texel liggen de droogten en groote zandbanken,
welke onder de benamingen van de Haken (Noorder- en Zuider-Haaks)
bekend zijn.

Op deze uitgestrekte zandbank, die nog heden de sporen draagt van zijne
vroegere verbinding met den vasten wal, en daarvan vermoedelijk door
den geduchten stormvloed van 1170 is afgescheurd, stond nog in 1424 een
zwaar bosch; terwijl er thans nog, in de zoogenaamde Hechtsgronden,
ten N. van Texel, zoovele stronken en boomstammen aanwezig zijn, dat
zij den visschers voor hunne netten, dikwijls zeer nadeelig zijn. Deze
gevaarlijke droogte ligt vóór het Marsdiep, westwaarts van den Helder,
waarvan het ten Zuiden door het Schulpegat gescheiden is, terwijl
het Noordergat dezelve in het Noordoosten van de Hors (de Z. W. punt
van Texel) afscheidt. Deze strekt zich van het Z. W. ten Z. naar het
N. W. ten N. uit, en heeft eene lengte van 0,75 mijl; geen wonder
voorwaar, dat deze gevaarlijke droogte den zeeman vrees inboezemt.

De tijd heeft echter ook op de Haaks zijnen invloed merkbaar
uitgeoefend, daar zij vroeger uit drie afzonderlijke banken, de
Noorder- en Zuider Haaks, en de Middenrug geheeten, bestond. [3]

Texel wordt aan de Noordwest- en ook aan de Westkust, door hooge
duinen, welke zich aan dien kant langs het geheele eiland uitstrekken,
en die achter het dorpje de Koog, op het smalst zijn, tegen de woede
der Noordzee beschermd. Aan de Noordzijde erlangt het eiland die
beschutting door eenen zanddijk, welke in de jaren 1629 en 1630
langs het Eijerland is aangelegd. Aan het Zuiden strekt daartoe
gedeeltelijk eene duinstreek, en gedeeltelijk een' stuifdijk, die in
1846, door de ingezetenen van het dorp den Hoorn, over een lengte van
3800 ellen is aangelegd; terwijl eindelijk de Oostzijde geheel door
zware beglooide zeedijken tegen de baren der zee beveiligd wordt. (Zie
voorts de Kaart.)

Groot is de verandering, welke de bodem van Texel van tijd tot
tijd ondergaan heeft, naardien men in den loop der drie laatste
eeuwen onderscheidene uiterwaarden en poelen, aan en in het eiland,
bedijkt heeft; zoodat er thans op Texel niet minder dan negen en
twintig polders zijn, behalve de aangedijkte polders, welke in de
gemeene dijkslasten niet deelen. Al deze polders staan onder het
Heemraadschap van Texel, bestaande uit eenen Dijkgraaf, vijf Heemraden,
vier Hoofdingelanden, en eenen Secretaris.

De uitgestrektheid van Texel bevat thans eene lengte van circa vijf,
bij eene breedte van bijna twee uren gaans, en beslaat eene oppervlakte
van 18,763 bunders, 72 [] roeden en 58 [] ellen; waarvan 14,491
bunders, 76 [] roeden en 21 [] ellen belastbaar land. In 1559 werd
Texel bevonden groot te zijn 3688 morgen. In 1562 werd de grootte
opgegeven als beslaande 3844 morgen lands. De bodem is niet geheel
vlak, maar heuvelachtig, en biedt den vreemdeling, vooral van den
zoogenoemden Hoogenberg, een schoon landtafereel aan, rijk aan
afwisseling en bevallige verscheidenheid. Het geheele voorkomen van
Texel heeft veel overeenkomst met een landschap, uit Gelderland's
hoogste gedeelte.

Tegenwoordig heeft men op Texel, behalve de hoofdplaats den Burg, welke
geheel het aanzien heeft van een bevallig landstadje, de volgende
dorpen en gehuchten: Het Oude Schild of Schil, het Nieuwe Schild,
Oost, of om de Oost, Zevenhuizen, Oostereind, de Waal, de Cocksdorp,
de Koog en den Hoorn--te zamen (op 1 Jan. 1856) bevattende 1172 huizen,
bewoond door 1296 gezinnen, uitmakende eene bevolking van 6109 zielen,
waarvan 3101 tot het mannelijk en 3008 tot het vrouwelijk geslacht
behooren,--en, naar de onderscheidene geloofsbelijdenissen, verdeeld
wordende in:


                   Nederduitsch Hervormden   3768
                   Doopsgezinden             1102
                   Roomsch Catholijken       1218
                   Israëliten                  13
                   Lutherschen                  5
                   Remonstranten                3


Een volledig overzigt der bevolking bieden wij onzen lezers in de
navolgende lijst aan:


STAAT der Bevolking, getal Huizen en Huisgezinnen der verschillende
Dorpen, Buurtschappen, Polders en Gehuchten, op het eiland Texel,
op 1 Januarij 1856.

Benaming der      Getal   Huis-     Mann.   Vrouw.  Totale     Aanmerkingen.
Dorpen,           Huizen. gezinnen. Bevolk. Bevolk. Bevolking.
Buurtschappen,
Polders en
Gehuchten.

De Burg               272      321     711     648       1359 Dorpen.
Oude Schild           187      187     412     441        853
Hoorn                 152      130     328     415        743
Oostereind            160      120     265     240        505
De Waal                32       36      66      65        131
De Koog                17       17      38      37         75
Cocksdorp              53       53     131     145        276

Eijerland             140      142     393     331        724 Polders.
Eendragt                9        9      18      18         36
Prins Hendrik
    Polder              8       14      37      36         73
Waal en Burg           12       15      47      40         87
Burg en Nieuwland       4        4      19      13         32

Oost                   39       48     137      31        268 Gehuchten.
Zevenhuizen            15       16      42      43         85
Nieuwe Schild           4        7      16      19         35

Harkenbuurt             7        7      17      20         37 Buurtschappen.
Spang                   9        9      21      20         41
Molenbuurt              3        3      10      14         24
Burgen                  9        9      29      19         48
Dijkmanshuizen          4        4      16      12         28
Tienhoven               4        4      16      12         28
De Westen              15       15      45      39         84
Zuidhaffel              9        9      24      19         43
Westergeest             6        6      18      11         29
Hoogenberg             11       11      21      16         37


Het vorenstaande sluit echter niet met het boven deze lijst opgegeven
totale cijfer, naardien de afzonderlijk staande boerenwoningen,
niet onder de buurtschappen zijn begrepen.

Veeteelt, en vooral de schapenfokkerij, landbouw, visscherij, handel
en zeevaart, zijn de hoofdmiddelen van bestaan op Texel.

De Texelaars staan, over het algemeen, op eenen vrij hoogen trap
van beschaving, zoodat zelfs de geringste handwerksman of daglooner,
zich op eene wijze doet kennen, welke, met grond, een fiks ontwikkeld
verstand en helder oordeel doet vooronderstellen. In dit opzigt
onderscheiden zij zich gunstig van de bewoners uit het zoogenoemde
boerenland.

Hun veelvuldig verkeer met vreemdelingen, zal, behalve het
volksonderwijs, daarvan wel de voornaamste reden zijn.

Men treft onder de bewoners van Texel, vele welgestelde lieden aan,
waaronder niet weinige die zich, door eene eenvoudige en spaarzame
levenswijze, (eene nagenoeg algemeene eigenschap dezer eilanders)
een niet onaanzienlijk vermogen vergaderd hebben, hetwelk hier
hoofdzakelijk in landerijen en vee bestaat.--

Het geheele eiland biedt overvloedige gelegenheid aan, tot uitoefening
der jagt op hazen, konijnen en gevogelte; waarop wij in het volgende
hoofdstuk nader zullen terugkomen, en waarbij ons de belangrijkheid van
dit eiland, ook vooral ten opzigte van zijnen landbouw en veestapel,
nader blijken zal.

Het wapen van Texel bestaat uit een gouden veld waarop een omgekeerd
anker, dat gesteund wordt door twee rijzende leeuwen in natuurlijke
kleur.

Texel's vlag is groen en zwart. [4]



EERSTE HOOFDSTUK.

VOORTBRENGSELEN, GROND- EN LUCHTGESTELDHEID VAN TEXEL.


Het hoornvee is van eene uitmuntende hoedanigheid, zoodat runderen
van 8 à 900 lb hier niet zeldzaam zijn.

Sedert zich de besmettelijke runderziekte [5] ook hier openbaarde,
heeft men zich meer op de veeteelt toegelegd, waardoor thans jaarlijks
ettelijke honderden beesten worden uitgevoerd, en vele landerijen,
vooral in het zuidelijk gedeelte des eilands, verbeterd zijn.

Van de koemelk wordt ook hier welsmakende kaas gemaakt, waarin
kruidnagelen en comijn worden gemengd, terwijl de boter ongetwijfeld
even goed zoude zijn als de Friesche en Zuid-Hollandsche, indien
dezelve hier evengoed als daar, en onvermengd met schapenmelk,
bewerkt werd.

De fokkerij van paarden, gelukt hier zeer goed. Het hier gekweekte ras,
is bijzonder geschikt tot zwaar werk.

De voornaamste tak van den veeteelt is echter de aanfokking van
schapen.--Aan deze dieren vooral wordt veel zorg besteed.--Hun vleesch,
dat hier even duur is als in de Zuid-Hollandsche steden, is zeer blank,
fijn van spieren, en zeer aangenaam van smaak.--

Alvorens het schaap te scheren, wordt het in een' kolk gewasschen,
tot dat er geene onreinheid meer aan gevonden wordt; daarna ontlast men
het dier van zijne vacht, welke gebleekt zijnde, in schuren of stallen
wordt bewaard, tot de wolkoopers haar in het najaar komen opkoopen.

De Texelsche wol, kan, ofschoon zeer fijn, van wege hare kortheid,
niet tot het weven van laken gebezigd worden, maar werd vroeger
grootendeels naar Frankrijk vervoerd, alwaar zij, gemengd met garen,
katoen of andere stoffen, in de fabrieken verwerkt werd.

Van algemeene bekendheid is de groene of Texelsche kaas, die van
de melk der schapen wordt gemaakt, en welker bereiding hoofdzakelijk
hierop nederkomt: In den room der schapenmelk, wordt een doekje, gevuld
met versche schapenmest, te weeken gelegd; dat doekje wordt daarna
uitgewrongen, welk wringsel aan de kaas, haren eigenaardigen smaak
en kleur geeft, en waardoor zij tevens zeer gezond en bloedzuiverend
wordt gemaakt.

De overblijvende melk of wei, wordt met goed gevolg tot varkensvoeder
verbruikt.

Om eenigzins over de belangrijkheid der Texelsche kaasbereiding te
kunnen oordeelen, wete men, dat er in 1846, nagenoeg 80,000 lb werd
verkocht; terwijl in het jaar 1845, uitgevoerd werden 18,000 lammeren
en schapen, en in 1843, circa 66,600 pond zuivere schapenwol werd
afgeleverd.

De schapen komen gedurende den winter, evenmin als des zomers, op
stal; maar in de weiden staan schuren, hier boeten (vroeger boesen)
genaamd, waarin des winters hooi wordt gebragt.

In deze boeten kunnen de schapen schuilen, wanneer het sneeuwt of guur
weder is; doch zij beminnen zoo zeer de open lucht, dat het weder al
zeer slecht moet zijn, eer zij van de boeten gebruik maken.--

De liefhebbers der jagt, vinden hier in het najaar vinken bij menigte;
zoo ook leeuwrikken, die hier bij duizenden broeden, en vroeger
worden gevangen dan in de meer zuidelijke deelen van ons vaderland;
terwijl eene groote menigte lijsters, van allerhande soort, zich op
dit eiland ophouden.--

Hout- en watersnippen worden er in grooten getale gevonden; de laatste
zijn voor het grootste gedeelte inwoners van het land, en trekken
in het najaar te zamen.--In de vorige eeuw beproefde zeker Heer op
Texel, (naar ik meen de Heer Roosenboom) om hier ook patrijzen te
planten. De proef gelukte vrij wel, en zeker ware dit eiland ook van
dit fijne wild voorzien geworden, indien zij niet uitgeroeid waren
door zekeren deugniet, die, vroeger als jager bij een Texelsch Heer
in dienst, uit wraak over eene hem aangedane vermeende belediging,
zijnen drift aan deze onschuldige dieren bot vierde.

Vooral in het najaar is hier eenen rijken voorraad van wilde
eendvogels, zoogenaamde smienten, pijlstaarten en malsche
talingen. Voormaals echter was Texel rijker met dit wild bedeeld;
er waren toen meer poelen, welke thans plaats hebben gemaakt voor
vruchtbare landerijen, en van daar ook, dat het getal eendekooijen
verminderd is, en de vangst niet de gunstige resultaten van vroegeren
tijd oplevert.--

"Eer de Kattenpolder" (nu Prins Hendrik Polder) "was ingedijkt,"
dus verhaalt een waarheidlievend schrijver, die in vroegeren tijd
veel op Texel verkeerde, "heb ik op de middenste der eendekooijen
die in het zuiden van het eiland leggen, en die drie in getal zijn,
en dus met de twee kooijen in het noorden, te weten bij Oostereind en
bij Waalenburg, te zamen een getal van vijf kooijen uitmaken, op eenen
dag zes of zeven honderd smienten zien vangen; deze kooi werd jaarlijks
voor acht honderd guldens verhuurd, doch sedert de nabijgelegen waard,
door de indijking van den Kattenpolder, droog land is geworden, heeft
deze fraaije kooi meer dan zeven achtste van hare waardij verloren;
toen deze kooi nog in hare welvaart was, heb ik meer dan eens gezien,
dat er zoo vele eendvogels naar de kaag (beurtschip) gebragt werden,
om naar Amsterdam vervoerd te worden, dat er wagens met twee paarden,
die nog van eene kar werden gevolgd, mede bevracht werden."--

Behalve het opgenoemde wild, treft men op Texel ook hazen, en vooral
konijnen aan.--Beide diersoorten houden zich voornamelijk in de
hoogere landen en duinstreken op.--

Tegenwoordig is het aantal hazen niet zoo groot als weleer; denkelijk
ten gevolge van het drukkere verkeer, dat thans over het geheele
eiland plaats heeft.

De konijnen zijn er menigvuldiger, en inzonderheid verdient de
nieuwe konijnenfokkerij op Eijerland genoemd te worden. De Heer
N. J. de Cock, van Rotterdam, legde namelijk, sedert eenigen tijd
in den polder Eijerland, over eene uitgestrektheid van 45 bunders,
eene nieuwe konijnenfokkerij aan. Die gronden zijn daartoe voldoende
omheind; terwijl er in die fokkerij, een zeer net jagthuis, dat
gedeeltelijk door den opzigter dier onderneming bewoond wordt,
met eene daarbij staande schuur, gebouwd is.--Zeshonderd konijnen,
van echt Texelsch ras, zijn aanvankelijk in die fokkerij gebragt;
de populatie neemt reeds voldoende toe, zoodat men op eenen goeden
uitslag dier onderneming mag hopen.

Ook vindt men hier roerdompen, die, jong zijnde, een welsmakend
wildbraad opleveren; benevens eene andere soort van eetbare vogels,
welke aan Hollands vaste kust tuilen of tjullen genoemd worden,
doch hier den naam van tjerken dragen.

Minder algemeen is hier de zoogenaamde kluit. Deze vogel is iets
forscher van bouw dan de meerle, heeft veel van de gestalte eens
ooijevaars, en is behalve aan staart en slagpennen, die zwart zijn,
met witte vederen bedekt, terwijl de snavel, welke eene lengte van
circa 4 duimen heeft, de gedaante van eenen omgekeerden sikkel heeft.--

Onder de vogels die zich hier zeldzamer vertoonen, behoort ook de
kruisbek, die alhier, omstreeks de maand Julij doortrekt.

Meer algemeen is op Texel de kievit, die er in grooten getale broeden,
benevens eene menigte groote en kleine meeuwen, zeepapegaaijen,
zeezwaluwen, enz.

Vroeger broedden er in den polder Waal en Burg, ook wilde zwanen.

Behalve het opgenoemde, is er op en om Texel overvloed van visch.--Deze
wordt in bunnen of karen levend aangebragt, en op den afslag, aan de
vischmarkt op den Burg, verkocht.--

Inzonderheid munten, onder de verschillende vischsoorten, de
schelvisch, schol en tong uit, terwijl de Roggesloot, ten noorden
van Eijerland, zeer lekkere bot oplevert.

Omstreeks het jaar 1780, werd er in den polder Waal en Burg, baars
geplant, welke aldaar zeer vermenigvuldigd is.--Behalve deze, levert
Texel ook snoek, brasem en voorn op.--

Op de lage, onbegroeide zandvlakten van Eijerland, alsook op
de onderwallen der kreken, welke meestal uit blaauwachtig zand,
doormengd met schulpen, bestaan, groeide vroeger, bij eene behoorlijke
waterloozing, zeer weelderig zeekoraal (salicornia herbacea.) Op enkele
lage zandbollen vertoonde zich van deze plant slechts een klein en
armoedig, roodkleurig struikje, terwijl op de niet wel afwaterende
zandplekken niets hoegenaamd groeide.

Op de begroesde gronden van Eijerland, tiert, tusschen voedzaam
kweldergewas, eene hooge, blaauwachtige plant, met een ovaal,
loodkleurig, blad, dat hier zeeporselein, doch in Zeeland, varkensgras
wordt genoemd, en dat door de Botanici Atripex portulacoides wordt
geheeten. Ook ontmoet men geheele plekken van loodkleurigen en
sterk riekenden Zeeälsem (Artemisia maritima,) welke plant, meestal
op het beste land, en op de hooge steile oevers van diepe kreken
gevonden wordt. Geen plantensoort echter, groeide voor de bedijking
van Eijerland, veelvuldiger op het Buitenveld, dan het Limoenkruid
(Statice Limonium,) op Texel Schapenoor geheeten. De bruine, lange
en dikke wortels dezer plant, zijn broeinesten van ongedierte; het
dikke stevige blad is bitter, heeft de gedaante van een schapenoor,
en wordt door geen dier gegeten. Dit gewas bloeide voornamelijk in
Augustus, als wanneer het met eenen fraaijen, blaauw-paarsachtigen
trosbloesem versierd was.--Hoogere zandbollen, ter hoogte van slechts
ééne el boven volzee, waarop eenig dor gras, geel-groenachtig mos en
biezen groeiden, welke drooge, spichtige ruigte, evenmin door eenig
vee als voedsel werden gebruikt, zijn sedert voormelde bedijking,
grootendeels in vruchtbare wei- en bouwland herschapen.

In de nollen en kleine duinen vindt men, behalve mos en helm, eenig
duinwilg, duinriet, wilde dorenstruiken, met gele bessentrossen (eene
soort van brem of braam) en wilde vlier, welke planten men ook hier
en daar aan de groote duinen vindt.

Inzonderheid echter blijkt de belangrijkheid van Texel's
voortbrengselen uit de volgende statistiek, welke uit officieele
bronnen is zamengesteld:

In 1854 werden op Texel 1552 bunders land, met onderscheiden
veldgewassen bebouwd, als:

454 bunders met tarwe, waarvan de opbrengst is geweest 24 mud per
bunder; te zamen 10896 mudden;


    bunders met rogge,      ad  17 mud per bunder, te zamen  1649 mud.
    bunders met garst,      ad  45 mud per bunder, te zamen  5670 mud.
    bunders met haver,      ad  45 mud per bunder, te zamen 10720 mud.
    bunders met koolzaad,   ad  20 mud per bunder, te zamen  1060 mud.
    bunders met erwten,     ad  13 mud per bunder, te zamen  3653 mud.
    bunders met paardenb.,  ad  10 mud per bunder, te zamen   355 mud.
    bunders met aardappel., ad 120 mud per bunder, te zamen 22200 mud.
    bunders met knollen,    ad 300 mud per bunder, te zamen  5250 mud.
    bunders met vlas, waarvan de opbrengst zeer voldoende was.
    bunders met meekrap, welke proef mede zeer goed geslaagd is.


De tegenwoordige koopwaarde dezer landerijen is van f 1000-f 1400,
per bunder gras- en bouwland, terwijl de huurprijzen per bunder,
naar gelang der deugdelijkheid en ligging der perceelen, tusschen f
40 en f 65 varieert.

De veestapel bestond op 31 December 1854, uit 4 hengsten, 355
ruinpaarden, [6] 380 merriepaarden, 65 veulens, 18 stieren, 255 ossen,
1182 koeijen, 575 kalveren, 1 ezel, 38,523 schapen, 6 bokken en 191
geiten, terwijl er 496 varkens zijn geslagt. Er waren ongeveer 300
houders van schaapskudden.--

Van veel belang is hier dan ook de veehandel. Zoo werden er in
1854 uitgevoerd (direct naar Londen) 156 runderen, 293 schapen
en 4 kalveren, en naar de provincien Noord- en Zuid-Holland, 324
runderen, 5,338 schapen en 20,208 lammeren, terwijl er op de Texelsche
weekmarkten aan den Burg, verhandeld werd 1656 schapen, 69 koeijen,
10 kalveren; 18 paarden; 5 veulens en 65 varkens.--

De productie der groene kaas vermindert echter bij vroeger, zoodat
de geheele uitvoer van dat artikel in gemeld jaar, 21,210 N. lb heeft
bedragen. Van meer belang was de opbrengst der wol, naardien er eene
hoeveelheid van 99,538 N. lb werd gewonnen.--

De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend. Het gering getal korven,
hier aanwezig, wordt alleen tot genoegen gehouden.--

Tegen over deze voortbrengselen en uitvoer, staat de invoer van
alle koloniale waren, manufacturen, turf, hout en steenkolen,
tarwe, rogge, boekweit, paardenboonen, boter, kaas, enz.; vroeger,
vóór dat de zoogenaamde aardappelenziekte is ontstaan, werden ook
de voor de consumtie benoodigde aardappelen, zoo uit de provincie
Friesland, als uit Groningen en Zeeland hier ingevoerd; doch sedert
het bestaan der bekende ziekte onder deze aardvrucht, heeft men zich
op den verbouw van dit voorname voedingsmiddel zoodanig toegelegd,
dat er sedert de laatste jaren, bijna geene aardappelen van elders
meer worden aangebragt, dan alleen in dien tijd, als de vrucht nieuw
uitkomt; want, in den regel, worden er hier vóór de maand Augustus
geene aardappelen gerooid. Daarentegen worden er nu jaarlijks duizende
mudden uitgevoerd, welke, om hunne goede eigenschappen en heerlijken
smaak, zeer gezocht zijn.--

Eene andere tak van nijverheid, die vooral in vorige jaren van veel
belang was, is de oestervisscherij. Zij die zich op Texel, op deze
visscherij toeleggen, wonen uitsluitend te Oost en Oostereind. De
oesters worden hoofdzakelijk gevangen op de banken tusschen Texel
en Wieringen, en in de vaarwaters tusschen en om deze eilanden,
met name, in Texel's stroom, (dat is het grootscheeps vaarwater)
en in het Amsteldiep; zoo ook in den Vliestroom, bij Vlieland, in de
Meep bij Terschelling, in de Jetting en de Blaauwe Slenk, tusschen
Harlingen en de Eilanden.

Van het jaar 1825-1845 werden de meeste oesters in den Vliestroom,
langs de Grienderwaard, de Meep, de Jetting, enz., gevangen. De
oestervisscherij verkeert echter, sedert de laatste acht à tien
jaren, in eenen kwijnenden toestand. De oesterbanken, en zoo ook
de evengenoemde stroomen, schijnen bijna geheel ontvolkt te wezen,
zoodat er in de laatste jaren weinig of geen groei van oesters, in de
nabijheid van dit Eiland heeft plaats gevonden, en men genoodzaakt
is geworden, om, ten einde den Texelschen oesterhandel te behouden,
in de laatste jaren, belangrijke bezendingen oesters uit Frankrijk
en Engeland te ontbieden, om dezelve op de Texelsche oesterbedden
of oesterputten te speenen. Door dit een en ander, zijn de Texelsche
oestervisschers genoopt, hunnen toevlugt te nemen tot het oestervissen
op de Zeeuwsche banken, werwaarts zij zich jaarlijks, in de maanden
September en October, begeven. De aldaar geviste oesters worden
mede hier, in de daarvoor bestemde putten of bedden, gespeend, en
dan na verloop van eenigen tijd, of in het volgende jaar, ter markt
gebragt.--In vroegere jaren bedroeg het getal oesters, dat jaarlijks
door de Texelsche visschers gevist werd, ettelijke millioenen; thans
echter bedraagt dit getal slechts eenige honderd duizenden [7]. Van
daar dat de oestervisscherij, die vroeger eene hoofdbron van bestaan
voor de bewoners van het Oost was, thans eene bijzaak is geworden,
zoodat de oestervisschers zich sedert 1846, meer hebben toegelegd op
het maaijen en droogen van wier of zeegras, dat tegenwoordig veelal
hun hoofdbestaan uitmaakt. Zoo werd er in 1854 eene hoeveelheid van
250,000 Ned. lb ad f 6 de 100 kilo, gedroogd wier, uitgevoerd. Te
Oosterend en Oost, werd dit zeegewas, in gemeld jaar, verzameld door
140 man met 70 schuiten en andere vaartuigen, terwijl aan het Oude
Schild 18 man met 9 vaartuigen, en aan den Hoorn, een schuit zich
daarmede bezig hielden [8].--

Voorts leggen de oestervisschers zich ook op de palingvisscherij
toe, door deze visch op de Waarden, met elgers, uit den grond
te zeilen. Deze bezigheid verschaft hun, nadat de wierdroogerij
geëindigd is, in den herfst, tot dat de vorst invalt, en ook vroeg
in het voorjaar, het noodige levensonderhoud, dat zij overigens,
gedurende de maanden Mei en Junij, door de schelpvisscherij trachten
te erlangen [9].

De weinige personen die zich nog bepaald op de oestervisscherij
toeleggen, oefenen tevens de ansjovischvangst op de Zuiderzee uit.--

De Texelsche oesters, worden, voor zoo veel de groote, of zoogenoemde
koroesters betreft, meest naar het buitenland verzonden, en
voornamelijk naar Hamburg, van waar zij ook naar Berlijn en Petersburg
worden overgemaakt.

De middelbare en kleinere soorten, worden in den binnenlandschen
handel gebragt, en meerendeels naar Amsterdam gevoerd.

Gelijk er over het algemeen in ons vaderland eene groote
verscheidenheid in de grondgesteldheid van den bodem wordt waargenomen,
zoo is dat verschil, ook omtrent Texel op te merken.--

In het zuidwesten heeft dit eiland hooge heuvels die zich in eene
noordelijke rigting tot achter den Burg uitstrekken. Deze grond
is voor het meerendeel gelijk aan die op de Veluwe. Eerst treft
men op eene diepte van ongeveer drie à zes palmen, een land aan,
hetwelk bebouwd schijnt geweest te zijn, of met heide begroeid;
vervolgens vindt men eenen leemachtigen grond, doormengd met steenen
van onderscheidene soort en grootte, zoo als keisteenen, marmer,
keijen, gisp, agaat en zelfs kristal, benevens veel vuursteen, "op
de wijze als groote droppelen, met eene witachtige korst omgeven;
voorts porfier en zoogenaamde graniet, waarvan ik hier eenen tamelijk
grooten, ronden klomp gezien heb."--Ook vindt men in dezen grond vele
dusgenoemde ijzernoten, benevens steenen die met ijzererts vermengd
zijn; terwijl men aan de helling van den heuvel, welke hier den
Hoogen Berg wordt genoemd, en wel aan de zuidzijde, alwaar men nu
eene openbare wandelplaats, het Doolhof genaamd, met eenen daarbij
gebouwden koepel, of tent, heeft aangelegd, eene langwerpig ronde,
gladde en bruinachtige kei vindt, welke hier algemeen bekend is
onder den naam van den Engelschen steen. Deze kei stak met haren top
een weinig uit den grond. Het min verlichte gedeelte der bevolking,
waande, dat de voet dezer kei, tot in Engeland doorging, van welk
dwaas vermoeden zij echter terugkwam, toen dezelve ondergraven en
losgemaakt zijnde, een lossen steenklomp vertoonde, die, naar gissing,
ongeveer vijf en twintig duizend ponden woog.

Deze leemachtige en met steenen als doorzaaiden grond, heeft eene
gemiddelde diepte van 10 à 14 palmen. De rondachtige gedaante van de
meesten dezer keijen en steenen, doet ons met grond vooronderstellen,
dat dezelve lang onder het water bedolven zijn geweest; hetzij, ter
plaatse waar zij nu gevonden worden, of, vóór dat zij daar gestort
zijn.--Dit laatste is echter het meest waarschijnlijk, naardien
een hier gevonden vuursteentje, waarin een schelpje verborgen zat,
van die soort, welke men menigmaal aan onze stranden vindt, en die
zaagjes genoemd worden, geene gelegenheid moet gehad hebben om op
deze plaats in dat vuursteentje te kunnen komen.--

Onder den voorschreven grond ontdekt men allerhande soort van zand;
grof, met ijzerachtig vocht als aaneengebakken, en dááronder zeer
wit en fijn zand, zelfs mergel, zoo als dit ook in het graafschap
Zutphen gevonden wordt, en dat in Engeland en België, tot bemesting
van het land wordt gebezigd.

Inderdaad, wel mogt zeker natuuronderzoeker, met het oog op dit
gedeelte van Texel's bodem, vragen: "Welke verschrikkelijke gebeurtenis
heeft dien grond herwaarts gevoerd?--Op welk eene wijze komt die
zware, en door het water glad geslepen keisteen, op deze plaats?" Deze
hooge heuvelenrei, waarop de hoofdplaats de Burg gebouwd is, gaat
langzaam af tegen het Noordwesten, en eindigt achter die plaats tegen
de zoogenaamde Miend, zijnde eene streek gronds, waarin een zeer
groote kolk is, die vroeger aan veel watergevogelte ten verblijve
verstrekte. Het is niet onwaarschijnlijk dat de afwatering der duinen,
van tijd tot tijd deze kolk gevormd en uitgebreid heeft. Deze geheele
noordwestelijke streek, alwaar land en water beide zoet zijn, is
vroeger, naar men mij verhaalde, veel meer bewoond geweest, doch door
de bewoners van tijd tot tijd verlaten, naardien het land, de onkosten
van bebouwen niet kon goedmaken, omdat het zeer ligt en zanderig is,
en gebrek aan behoorlijke afwatering heeft. In het laatste gedeelte
der voorgaande eeuw, lagen hier twee uitgestrekte bleekerijen, waarvan
de laatste, omstreeks 1775, gesloopt en verlaten is. De oppervlakte
dezer Miendgronden beslaat welligt driehonderd bunders lands. Omtrent
ter halverwege, tusschen den Burg en de Koog, liggen de Gerritslanden,
welke oudtijds eene bezitting uitmaakten van de Tempelieren, die hier
een klooster zouden gesticht hebben. Van een en ander is thans niets
meer zigtbaar dan eene hooge weide.--

De Oost- en Noord-Oostzijde van Texel bestaan voor het meerendeel,
uit kleilanden, welke met sloten van brak water doorsneden zijn,
terwijl het hooge land, hetwelk in perken is afgedeeld, door opgeworpen
zoden dijkjes, welke hier tuinen genoemd worden, omheind is. De weiden
aan die zijde zijn uitmuntend voor het vee, en inzonderheid voor de
schapen, die op de zoete landen dikwijls ongansch worden.

De Noord-Westkust van Texel is bezet met breede en langzaam hellende
duinen, die van tijd tot tijd, zoo door afspoeling als door aanslibbing
eenige verandering ondergaan [10].

In de nabijheid van de reeds genoemde Gerritslanden, liggen de
zoogenaamde Monnikkenlanden, en een weg, draagt nog ten huidigen
dage den naam van Monnikkenlaan, hetgeen ten bewijze kan strekken,
dat er oudtijds veel meer houtgewas gestaan moet hebben.--Men wil,
dat deze landen behoord hebben tot het voormalig gebied van het
klooster der Tempelieren, op Gerritsland, terwijl de Monnikkenlaan,
den gewonen weg zoude geweest zijn, langs welken de bewoners van het
klooster zich van en naar hunne woonstede begaven.

Het zuidelijk gedeelte des eilands is besloten door eenen hoogen dijk,
die tot aan den kruin met eene zware steenglooijing bekleed is; men kan
hier ook nog de overblijfselen bespeuren van eenige zomerdijkjes, die
thans nog bekend staan als Dijkstalen. Deze zijn thans zeer verlaagd
en waren waarschijnlijk in vorige tijden voldoende, om het water,
dat toen in de Zuiderzee mogt geweest zijn, te keeren.

Naardien Texel omtrent ééne graad noordelijker ligt dan de hoofdstad
der provincie Zuid-Holland, 's Gravenhage, komt het aangename
Lentesaisoen, hier ook ongeveer veertien dagen later, zoodat de
boomen hier iets later uitbotten en bloeijen, dan in het zuidelijk
deel onzes vaderlands, blijvende zij daarentegen, op dit eiland,
ook zoo veel langer met hunnen bladerdosch versierd; ook is hier de
winterkoude niet zoo streng, noch de zomerhitte zoo drukkend, als meer
zuidelijk, iets, dat mijns inziens, moet worden toegeschreven aan de
salpeterachtige uitwasemingen der zee, waardoor het eiland omringd is.

De hooge ligging en de frissche zeewinden, maken Texel overigens,
tot een gezond en vruchtbaar oord.

"Ik geloof niet," zegt zeker deskundige, "dat er eene gezondere
landstreek zijn kan; de lieden worden er oud, en, de kinderziekte
uitgezonderd, zijn er de besmettelijke ziekten zeer zeldzaam."--



TWEEDE HOOFDSTUK.

TEXEL BESCHOUWD MET BETREKKING TOT DE GESCHIEDENIS DES VADERLANDS.


Wanneer wij de geschiedrollen van ons vaderland nagaan, en bepaaldelijk
het oog vestigen op de oorkonden die daarin op Texel betrekking hebben,
ontdekken wij, met genoegzame zekerheid, dat de eerste bewoners de
Sturiërs [11] waren. Deze althans, bewoonden die streken van het
noordelijke gedeelte van onzen geboortegrond, waar thans het eiland
Texel ligt, dat toen nog aan de vaste kust verbonden, en te dien tijde
veel grooter, en van eene gansch andere, en woeste gesteldheid was.

Derwaarts toch strekte zich het groote Kreilerwoud uit, dat eenen
aanvang nam tusschen Medemblik en Enkhuizen, zuidwaarts in verband
stond met het Schrakenbosch, dat zich langs de westkust van ons
vaderland verlengde, en waarvan misschien het Haagsche Bosch nog een
overblijfsel is [12].

Algemeen bekend is het, dat onze visschers zich op zekere hoogte,
benoorden Texel, zorgvuldig wachten moeten, om met hunne netten en
kuilen of kulen, niet in boomstammen of ander houtgewas verward
te geraken, en dat achter het dorpje de Koog, waar het strand en
de duinstreek voormaals eene veel grootere uitgestrektheid bezaten,
een geplaveide weg of straat gevonden wordt, die zij duidelijk kunnen
waarnemen en waarvan zij meermalen steenen in hunne netten ophalen.--

Aan voormelde bosschen grensden toenmaals groote streken kleigrond,
welke uitmuntten door vruchtbaarheid, en zich in den geheelen omtrek
uitstrekten om de zandgronden heen, welke laatsten als van hoogeren
ouderdom zijn aan te merken; aangezien alle klei allengskens aangevoerd
en aangeslibt is, òf door den afloop der rivieren, òf door het afkomend
zeewater.--De Zuiderzee was toen nog niet in aanwezen. Ten oosten en
zuiden der plaats waar thans Enkhuizen ligt, was alles land, tot aan
het eiland Urk, en ten noorden van die plaats insgelijks.

Alleen het Flumeer of meer Flevo, dat toen door den Noorder-Rijnmond
met de Noordzee in verbinding stond, was aanwezig, terwijl de
tegenwoordige eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen en
Marken, nog tot het vaste land behoorden. Wanneer Texel een eiland
geworden zij, is niet met zekerheid bekend.

Sommigen meenen, dat zulks omstreeks 1164 of 1170 heeft plaats
gegrepen, toen de eerste belangrijke verwoestingen van land, aan
de kusten van Noord-Holland en Friesland, door den St. Juliaans-
en den Allerheiligenvloed, teweeggebragt werden; waarbij, behalve
eene geheele overstrooming dier provincien, ook een gat scheurde
tusschen Vlieland en Texel; terwijl anderen, zelfs van eene geheele
afscheuring van Texel en den vasten wal gewag maken. Volgens Emmius
en Schotanus, hing Texel (en ook [13] Wieringen) nog in het laatste
gedeelte der 12e eeuw, bij ebbe, met de vaste kust te zamen, of waren
daarvan slechts door naauwe slenken gescheiden, zoodat beide al dan
niet Eilanden genoemd konden worden.--In eene lijst der goederen van
de St. Martens Kerk van Utrecht, omstreeks 900 opgemaakt, wordt van
Texel gewag gemaakt als van een Eiland; terwijl het, in den giftbrief
van Keizer Otto III, gedagteekend den 25sten September 985, waarbij
aan Graaf Dirk of Diederik II, in eigendom gegeven worden, al de
landen die hij voorheen ter leen bezeten had, weder geen Eiland,
maar Landstreek en Graafschap, wordt genoemd.

In de Friesche Cronijk, lezen wij, betrekkelijk de veranderingen
van het land bezuiden en beoosten Texel het volgende: "Anno 1222
was het noch Vant Vlie tot aen die Suijder-zee geheel Landt; dan,
vermits die groote vaerten die daerinne ghegraven worden, heeft
die Noort-zee sijn ganck ende inbrock daer inghenomen en ghecregen,
ende heeft veel Landts hier ende daer afghenomen, twelck alles in
die Middelzee weder aengheslaghen is."

Van welke vaarten men voorts, op 1234, het volgende leest:

"Daer ginck van dit Stedeken (Harlingen) eenen schoonen diepen
Vaert tot aan Vlielant, recht voor Dicxhorne door, ende van daer
voort aen het Texsel, twelck die Luijnkercksche Conversen met hulp
van d' inwoonders van Dicxhorne ghemaeckt hadden, opdat se des te
gerieffelicker tot malcanderen conden comen, ende hier van hiet noch
een diepte omtrent Vlielant Moncke-Sloot. Want die van Luijnkerck
dese tijt een cleijn Cloosterken ofte wthof op Vlielant hadden staen,
daeromme dese Vaert principalick gemaect worde, hoe wel nochtans
het Gerbrando de Abt van Luijnkerck zeer mishaechde, vermits sij so
na bij de Noortzee gelegen was, want dese Gerbrandus doen ter tijd
al vreesde, dat naemaels naeghecomen is. . . . . . . . . . . (1395
of 1396) Oorsaecke van dezen zijn geweest die van Enckelhuijsen,
Medenblick, en de principalijck die Sint Olofsche en Luijnkercsche
Conversen, die op Wieringen ende Tessel ende op 't Landt tusschen
beijden woonden, want die veel Slooten en diepe Vaerten omtrent die
Eijlanden ghemaeckt hadden, terwijlen zij die Landen in haer macht en
ghewelt pleghen te hebben, waer door die Noortzee zijn inganck ende
cracht heeft ghecreghen, zo dat Westvrieslandt (dat nu Noort-Hollant
hiet) niet alleenich van den Hollantschen Graven; maar oock door die
Noortzee van 't andere Vrieslandt ghesepareert ende afgescheijden is."

Naar sommiger gevoelen, bestond er, tot aan het begin der 13e eeuw,
tusschen Enkhuizen en Stavoren, nog zoo veel lands, dat men, met
behulp van een deel of plank, droogvoets derwaarts konde gaan.--Wij
deelen echter, met vele anderen, niet in dat gevoelen, aangezien
het gedeelte van Friesland, waarin Stavoren ligt, reeds vroeger,
in tegenstelling van het latere West-Friesland, Oost-Friesland werd
genoemd. Er bestond dus eene scheiding, en Stavoren had toen twee
havens, Zure- en Noore-mude (Zuider- en Noorder-mond) hetwelk bewijst,
dat men aan breeder water dan aan een Sloot te denken hebbe.

In de Friesche Cronijk vinden wij hieromtrent geschreven:

"Ao. 1255. Deze tijdt mocht men noch met een Rafter of Dalge van
Stavoren naar Enckelhuijsen gaen, ende was een goet vast Lant." Ook de
Schoorlder Kronijk, spreekt in dezen zin: "Omtrent 1250 ging men nog
van Medemblik of Enkhuizen tot Stavoren in Vrieslandt over het land de
Kreijl. Doch de gaten van 't Vlie en Texel wijder wordende, is in 't
jaar 1400 een vrije vaart nabij Stavoren en Enkhuizen in de Zuiderzee
gekomen, dat maer een sloot plag te wezen;"--terwijl wij daarentegen
elders vinden opgeteekend: "In 't jaer ons Heeren 1250 heeft de zee
grote scade gedaen an ende om Frieslandt, ende de grote meren binnen
't landt, als die zee bij Stavoren, en dat voert bij Harlingen, ende
van Stavoren toe Enkhusen ende toe Campen; want dat plach heel land
toe wesen al totte Flie."--Ook vinden wij in de Friesche Cronijk op
1395 of 1396, vermeld: "Dese tijd hadde die Noortzee de gaten van
het Vlie en Tessel veel wijder ghemaeckt, als zij te vooren pleghen
te wesen, so datter nu een vrijen vaart van die Noortzee voor bij
Medemblick ende Enckelhuijsen al tot in de Suijderzee liep, daer te
vooren eenen cleijnen sloot alleenich plach tusschen te wesen."

Zoo bestond er weleer ook verschil van gevoelen of Texel Wieringen,
Huisduinen en Kalandsoog in vroegeren tijd vereenigd, of wel van
elkander gescheiden waren.

De berigten en oorkonden dienaangaande, gaven gereede aanleiding om
zoowel het eene als het andere te vooronderstellen. Dit verschil van
gevoelen is echter door den geleerden Oudheid- en Geschiedkundige
Rutgerus Paludanus, Burgemeester van Alkmaar, tot eenheid gebragt en
volledig bewezen, dat vóór de groote watervloeden, welke omstreeks den
aanvang en het midden der 13e eeuw, ook onze noordelijke en westelijke
kusten teisterden, deze plaatsen, nog aan één gehecht waren, en eene
veel grootere uitgestrektheid bezaten.

Behalve de oude kaarten van Beeldsnijder (1574) en van Aelbert Haage
(1613), en anderen, waaruit de groote veranderingen in het meest
noordelijke deel van Holland en de eilanden zijn op te maken, zijn
er nog vele stukken voorhanden, aangaande den voormaligen toestand
van deze stranden en gronden.

De reeds genoemde Paludanus, verzamelde de daarop betrekking hebbende
stukken, en ontleende daarvan eenige, uit de beroemde bibliotheek
van Balthazar Huijdecoper, weleer Baljuw van Texel.

En hoeveel gronds ons vaderland, in het algemeen, langs de geheele
west- en noordkust aan den Oceaan heeft moeten prijs geven, blijkt
genoegzaam hieruit, dat het tegenwoordige dorp 's Gravenzande voor het
midden der 13e eeuw, en vóór de stichting van het Grafelijke Slot te
's Hage, niet slechts eene hofstad, maar ook eene belangrijke koopstad
was, wier handel zich vooral op Engeland bepaalde, en in het bezit
was van eene vermaarde, ruime en veilige haven.

Het dorpje ter Heyde had in de helft der 15e eeuw, bij den leeftijd
van éénen mensch, 1600 schreden strands verloren, terwijl de eerste
kerk te Scheveningen omstreeks denzelfden tijd door de zee verzwolgen
werd. De nieuwe kerk, in die plaats, werd geheel oostwaarts van het
dorp gebouwd; bijna 3 eeuwen geleden stond zij nog in het midden van
het dorp, terwijl zij nu aan het strand staat. Doch, bovenal heeft
men een afdoend bewijs, voor de vroegere bebouwing van de nu reeds
sedert lang, door de zee verzwolgen gronden van Hollands westkust,
bij Katwijk, namelijk in de overblijfselen van Kallostoren, en die van
het Huis te Britten, welke laatsten van tijd tot tijd zijn opgenomen
en beschreven.--In 1520 zijn de overblijfselen voor het eerst, van
onder de duinen, te voorschijn gekomen; toen vertoonde zich nog het
muurwerk ter hoogte van acht voeten. De paalhoofden der grondslagen
zijn in 1572, bij eenen aflandigen wind, voor het laatst gezien,
en thans liggen die overblijfselen reeds verre in zee. [14]--

Sommigen willen dat Texel omstreeks 1170 eene uitgestrekte landstreek
bevatte, welke in drie Graafschappen verdeeld was, waarvan er eene
Texel of Texele heette.

Ten opzigte van Texel vinden wij bij Halma, (Toon. der Ned.) het
volgende opgeteekend:

Texla, Texel, Tessel, is volgens een Giftbrief van Keizer Otto
den III, van het jaar 985, geweest een zeer groote Landtstreek,
in haaren omtrek bevattende al het landt, dat er is over Kinheim
(Kinnemum) en het Y, tusschen de Noordtzee, het overgroote Meer,
dat is, de Zuiderzee, en de Sala of Ysselstroom. Dese Landtstreek
wierd gedeelt in drie Graefschappen, namelijk Wasalant (aldus meenen
wij wordt dit woord recht geschreven) Kinhem en Texla, in een nauwere
betekenis; die de Keizer, nauwelijks een aankomende jongeling geworden,
meest op aanstaan en raadt van zijne Moeder de Keizerinne, en den
Aartsbisschop van Trier, door eene gifte alle te gelijk wechgeschonken
heeft aan Graaf Diderik den II, zijnde de Keizerinne Zuster van de
Schoondochter van Diderik, aan wier kinderen dit alles zou versterven;
en de Aartsbisschop Zoon van den Begiftiger. Te onderzoeken hoe verre
dit Graafschap zich uitgestrekt heeft, zou onnut en overtollig zijn,
dewijl ik meene, dat er hedendaags misschien nauwelijks iets meer
van overig is, behalven de Eilanden Texel en Wieringen. Dat er ook
een Kasteel is geweest van den zelfden naam, zijnde de Hooftplaats
van de Landtstreek (Pagi) en 't Graafschap, is daar genoeg uit af te
neemen, dat Graaf Willem de I, Ada, zijne overleden broeders dochter
in het jaar 1211, derwaarts gezonden heeft om daar bewaart te worden;
volgens hetgeen in het Perkamentboek van Utrecht verhaalt word van den
Schrijver, die in dien zelfden tijdt geleeft heeft. Deze landstreek
ziet men met den naam van Texla Pagus getekent tusschen de rivier [15]
Kinnem en de Hista Seu Isala inferior, dat is den beneden Yssel, in
de kaarten van den Heere Alting (Tab. II. Pars. II.) De drie mindere
Graafschappen, waar in deze landtstreek verdeelt wierd, ziet men Tab
VII. als Kinhem Comitatus over de Rivier Kinnem, langs de Noordtzee,
daar nu Texela, nu al een Eilandt zijnde, en daarop Texla Arx, dat
is, het Kasteel, zuidwaarts van Wierinx-lande, en noch meer naar
het zuiden toe Ulasalanda Comitatus, dat is, Graafschap Waaslandt,
zich uitstrekkende bijna tot aan Hoorn. Insgelijks Tab. VIII, daar
Wierink-Landt nu al naar een gedeelte als een Eilandt vertoont word,
van het vaste landt afgescheiden; naderhandt West-Frieslandt; alle
besloten tusschen de rivieren de Kinnem en de Isala of Isla. Wat
de benaming belangt, de Heer Alting oordeelt niet onwaarschijnlijk,
dat Texel of Tessel, zoo veel wil zeggen als 't Yssel, of Het Yssel,
en dat dit Eilandt van de rivier Sala, daar naarbij of doorloopende,
den naam gekregen heeft: want dat Tesselstroom, en Tesselgat, niet
anders kan betekenen als de Stroom en het Gat van den Yssel, of Ysaal,
dat is, van het Y Salica, of Saliorum.

Dat het Graafschap Kinhem, dat hier Kinnemun genoemt wordt, niet
is Kennemerlandt, toont onze schrijver op het woordt Kinhem, en
Kinnemaria, alwaar van de gifte des Keizers Otto den III aan Diderik
den II gesproken wordt; als ook op het woord Hollandia, daar de Heer
Alting zegt, dat "de zuster van de Keizerinne Theophania getrouwt is
geweest aan Arnulphus, den zoon van Grave Diderik II."

Bij denzelfden schrijver vinden wij omtrent Kinhem en Wasaland,
het volgende opgeteekend:

"Kinhem wordt in den Giftbrief van Keizer Otto den III van het jaar
985 genoemt een Graafschap (Gerechtsbank) van 't landt van Texel (Pagi
Texellensis:) waarbij dese Keizer behalve andere plaatzen die aan dezen
kant des Rhijns lagen, onder de gehoorzaamheit van Grave Diederik den
II noch gevoegt heeft het geheele strandt tusschen Kinhem en het Vlie:
hoewel met gansch geen recht, en tegen het vast en gestadig gebruik
van de Keizeren uit het Huis van Karel den Grooten. Het Graafschap
Kenhem verscheelt derhalve van Kennemerlandt (Kinnemaria) dewijl
dit legt naar het westen van de rivier Kinnem, en aleer te vooren
door Gifte van Karel den Eenvoudigen onder Hollandt gebragt is: doch
dit Graafschap is noch ten tijde der Noormannen met dienzelven naam
bekent geweest, en van den schrijver Regino, Chinheijm genoemt; zoo
hij maar Kennemerlandt niet mede onder deze benaminge begreepen heeft,
omdat hier van daan eerst bequaame gelegentheit was om den Rhijn op
te vaaren, en voort te trekken naar Sunnemaria of Dennemarca; hetwelk
hij daar zegt dat geschiedt is. Welke de grenzen zijn geweest van het
verder gelegen Kinhem, naar het westen en noorden, is baarblijkelijk,
namelijk de stroom Kinnem en de Noordtzee. Doch hoeverre 't zich naar
het zuiden en oosten uitgestrekt heeft, is zoo net niet te bepaalen,
dan van den zuidtkant, daartegens aangestooten heeft het Graafschap
(Gerechtsban) van Maaslandt (immers zoo als er gedrukt staat) en
van den oostkant, die van Texel. In de kaarten van den Heere Alting
ziet men dit Graafschap Kinhem bepaalt tusschen de rivier Kinnem,
die bij Petten in de Noordtzee loopt, en tusschen het eilandt Texel
of de Helder, (P. II Tab. VII en VIII.)

Doch in deeze laatste ziet men Kinnemaria, zich uitstrekkende langs
de Noordtzee van de rivier Kinnen af tot voorbij Haarlem: maar nergens
tot aan de Maas of den Maaskant."

"Wasalant, onder de drie Graafschappen van het Landtschap Texel
(Texelensis pagi) wordt mede getelt Masalant. Immers zoo staat in den
gedrukten Giftbrief of Handtvest van Keizer Otto den III, in het jaar
985, zonder twijfel door eene schandelijke verbasteringe. Want wie
zou doch kunnen gelooven dat Maselandt, of Maaslandt, aan Texel grenst?

"Ik gisse derhalven, dat in de oorspronkelijke Handtvest gestaan
heeft Wasalant, dat is Westland, en dat 'er het woordt Fries niet
tusschen gestelt is geweest, dewijl het zonder dat kenbaar genoeg
was; naardien daar gesproken wordt van Frieslandt gelegen aan den
anderen kant van de rivier Kinnem. Eveneens als Menco van Werum,
op het jaar 1256, met diezelfde spreekwijze de Friezen aan dezen
kant van het Vlie, alleenlijk Westlinge genaamt heeft. Invoegen
Graaf Diderik de II, door deze Gifte ook recht heeft gekreegen
op West-Fries-Landt, hetwelk is tusschen 't overgroote Meer (de
Zuiderzee) en de kleinere Meeren: dat is van het Y af tot aan den
Yssel. Want men vindt geene andere Gifte, uit kragt van welke de
Hollandtsche Graven zich dat recht hebben aangematigt." (Tot dus verre
de Heer Alting.) (Alting, Nat. Germ. Infer. Pars II, fol. 198.) Dat
Maaslandt in de voornoemde Handtvest van Keizer Otto den III, gestelt
wordt tot een zuidergrens van het Graafschap Kinhem, schrijft de
Heer Alting hierboven (zie Kinnem;) hoewel in den Giftbrief zelf
deze drie Graafschappen alleenlijk neffens malkander gestelt worden,
Masalandt, Kinhem en Texla; zonder eenige bepalinge van de gelegentheit
of grensscheidinge. Doch het is te verwonderen, dat noch de Hoog
Edele Heer Douza van Noordtwijk, noch Petrus Scriverius in zijne
Aanteekeningen over de Hollandtsche Kronijk, noch ook Mattheus Vossius,
noch de Heer Professor Ant. Mattheus, dit woordt niet gewraakt, en de
wanschiklijkheit daarvan aangetoont en verbetert hebben. Want het is
zonneklaar dat Maaslandt, Masalanda, in geenerlei maniere zich tot aan
Kinhem of Texel heeft uitgestrekt. Maar misschien is deze benaminge,
hoe ongerijmt ook, zoodanig gesterkt en gestaaft door de achtbaarheit
van Melis Stoke, dat niemandt daar aan heeft durven tornen. Want deze
zingt aldus in zijne Rijm-Kronijk:


    "In die Graafschap, die men dus noemt,
    Kinhem, Texela, ende Maeslant"


Welk woordt, indien het hier een gevoegelijke plaats kan hebben, zonder
van verbastering verdacht te zijn, moest men ten minste aanwijzen,
wat landtstreek dus genoemd is, en van waar men dien naam gekregen
heeft; waaromtrent de Uitgever van dien Rijmer ons geen bericht of
opening doet. Nu was het wel niet meer omslags te zeggen, dat dit
woordt door de Afschrijvers alzoo wel bij Melis Stoke is verbastert,
als in den Giftbrief zelf. Maar het komt mij niet onwaarschijnlijk
voor, dat deze schrijver waarlijk zoo geschreven heeft, en dat het
Afschrift bij hem gezien, zijnde ruim drie eeuwen nadat de Handtvest
gegeven was, toen al door onkunde en door vooroordeel van dezulken,
die liever eene kenbare benaming van Maaslandt, als eene ongewone
en onkenbare van Waaslandt, wilden aannemen en schrijven, bedorven
is geweest.

Zoo dat bij geen mensch van opmerkinge en oordeel, meene ik, eenig
twijfel zal kunnen overblijven, of de ware naam is Wasalanda,
Wasalandt; gelijk de Heer Alting deze verbeteringe heeft opgegeven.

Dit Graafschap Wasalandt (Wasalanda Comitatus) ziet men geteekent
in de kaarten van den Heere Alting, Tab. VII Pars II, tusschen de
Waterlandtsche meeren, dat is, de Schermer (Sciremere) de Beemster
(Bamastra) en de Purmer van den eenen kant; en tusschen den Yssel,
zoo als die uit de Zuiderzee, daar het meer Medemelacha heen stroomt,
van den anderen kant. Maar aangaande den oorsprong van deeze benaminge,
ben ik het met den Heer Alting gansch niet eens: En zoo ik diens
doorgeleerden schrijvers waarheitslievende bescheidenheid kenne,
zou hij, meene ik, zoo eene vergezochte en ongegronde verklaringe
niet opgevat hebben, indien hij met dit woordt een bequaamer uitweg
hadde gezien. Want wat gelijkvormigheit of overeenkomste heeft doch
Wasalanda met Westlandt? Onder zoo veele benamingen van dien tijdt,
die van dit West zijn 't zamengestelt, wordt het zelve meest altijdt
behouden, somtijts een weinig verandert, als in Wistrachia, maar
nooit in Wasa of Wase. En is het niet ongerijmt, en strijdig tegen het
geen de Heer Alting zelf, en anderen, van de Friezen, zoo Oostelijke,
als Westelijke, geschreven hebben, te zeggen dat West-Fries-Landt in
dien tijdt, ook daarna, een Graafschap of Landtstreek op zich zelven
is geweest, afgescheiden van de Graafschappen Kinhem en Texla?

Immers heeft die Heer het heel anders begreepen, als hij Westfresia
bepaalt tusschen de rivier Kinhem en den Vliestroom, en het zelve
verdeelt in deze vier Graafschappen, een van Stavero, een van Texla,
een van Kinhem en het vierde Graafschap daar getekent Wasalanda
Comitatus. Ook kan men niet zeggen dat Wasalandt daar eigentlijk
voor een vierde gedeelte, en in deze Handtvest voor het geheele
Westfrieslandt genomen wordt; dewijl Texla en Kinhem daar neffens
hetzelve gestelt worden; dat echter maar gedeeltens van West-Frieslandt
zijn. Ook loopt dit rechtdraats aan tegens hetgeen op een ander plaats
gestelt word, namentlijk; "Dat Texla (Texel) volgens deeze Handtvest
van Keizer Otto den III, een zeer groot Landtschap is geweest, verdeelt
zijnde in drie Graafschappen, Wasalandt, Kinhem en Texla, in een nauwer
betekenis genomen." Maar in den Giftbrief, of Handtvest, wordt niet
gezegt dat Wasalandt een gedeelte is van Texla, alleenlijk worden deze
drie Landen of Graafschappen, in een rang en order, als aan den anderen
paalende, neffens malkander gestelt, als gelegen tusschen den Ystroom,
en den Yssel, zoo als die boven Texel in de Noordtzee gelopen heeft,
en deeze Westelijke Friezen heeft afgescheiden van hen die Oostelijker
woonden, en tot het Graafschap van Staveren (Comitatus Stavero)
behoorden. Wat meer is, de Heer Alting verdeelt geheel Frieslandt,
toen deeze benaming zich het allerverst uitgestrekt heeft, aldus: dat
het Westelijke genoemt is al het geen aan deezen kant van het Vlie was,
en daarom in de oude Friesche wetten Cisfli genoemt wordt. En daar hij
de zeven Friesche Zee-landen optelt, besluit hij het eerste tusschen
de rivier Kinnem, of het zeegat bij Petten, en het gat van 't Vlie,
"welk Zeelandt naar zijne gelegentheit," zegt hij, "en omdat het een
gedeelte van het oude West-Frieslandt is, hedendaags den naam van 't
geheel behoudt." Voorts zegt hij, "dat de naam Frisia Occidentalis,
dat is, West-Frieslandt, die zich weleer uitstrekte van het Vlie tot
aan de Schelde, naderhandt eigen is geworden aan dat gedeelte, het
welk besloten legt tusschen de rivieren Kinnem, den Vliestroom, het
Vliemeer, en de Noordtzee, en dat het dien naam behouden heeft, zelfs
nadat het door Grave Jan den I aan Hollandt gehecht, en naderhandt door
de groote watervloedt van het Graafschap Stavero, en een gedeelte van
Texel is afgescheurt."--Wel is waar, dat het geen in deezen Giftbrief
van Keizer Otto aan Grave Diderik geschonken wordt, al het Landtschap
Sunnemere, en wat er leit tusschen de Rivieren, dat is, Meeren,
Medemelacha en Chimelafara, behoort tot het westelijke Frieslandt;
echter volgt daar geenszins uit, dat Wasalandt zoo veel zou zeggen, als
West-Fries-Landt; te meer, dewijl in de geheele Handtvest de naam van
Friezen, of Frieslandt, niet eens vermeld wordt. De Heer Alting toont
wel aan dat Waterlandt (Waterlandia) in latere tijden onderscheiden
is geworden van West-Frisia, maar dat bewijs geldt niet ten opzigte
van den tijdt wanneer het Handtvest gegeven is: en noch minder volgt
daaruit, dat dit eigentlijk gezegde West-Frieslandt, door dit Wasalanda
zou verstaan worden.--Om echter de benaminge van Wasalandt stant te
doen houden, en te doen gelden boven het wanschikkelijke Masalandt,
zegge ik, dat dit woordt zoo veel als Waterlandt, en dat wasa, waze,
waes, beteekent water, slijk, modder.

"Nu laat ik het aan eens ieders oordeel en bevattinge, te bepaalen,
waar dit Wasalandt moet worden gestelt, vereenigt zijnde en grenzende
aan Kinhem en Texla. Wat mij belangt, dewijl ik gisse dat Sunnemere,
zoo als de Heer Alting het beschrijft, zich uitstrekte van den
Rhijn tot aan den Ystroom; zou ik denken, dat door dit Wasalandt
verstaan moet worden het geheele hedendaagsche Waterlandt, en wat
er meer is, zoo verre de Purmer, de Beemster en de Schermer zich
hebben uitgestrekt, en misschien tot aan de Rivier of liever het
Meer Medemelacha toe. Invoege dat deze drie Graafschappen, in den
Giftbrief vermeldt, te zaamen uitgemaakt hebben het grootste gedeelte
van het hedendaagsche West-Frieslandt, of al wat er besloten is
tusschen het Y, de Zaan, de Schermer en de rivier Kinnem van den
eenen kant, en den Yssel, boven Texel in de Noordtzee stortende, van
den anderen kant." Ook moet noch de oudtheit van de Handtvest, noch
de geloofwaardigheit van Melis Stoke, deeze verbeeteringe, waardoor
men Wasalandt voor Masalandt stelt, bij niemand verdacht of minder
aanneemelijk maaken; "--aangezien ook in vele andere oude Handtvesten
en Gedenkstukken, sommige namen verkeerdelijk zijn opgegeven iets,
dat alleen aan de onkunde der Afschrijvers moet geweten worden."--De
Heer Van der Does, heeft de ongerijmtheit van het woordt Masalandt
zelf al gemerkt schrijvende aldus: "In den voorgemelden Giftbrief van
Keizer Otto is alles klaar en duidelijk, uitgenomen eenige ouderwetsche
en versleete benamingen van plaatzen," enz.

Texel's oppervlakte, welke daarna meer en meer, door tal van
watervloeden, werd verkleind, bedroeg naauwelijks de helft van den
tegenwoordigen vlakken inhoud, en bestond behalve uit duinen, schorren,
poelen, kreken of slufters, en onbeduidende droogten: uit 28 te zamen
vereenigde polderlanden, waarin de Burg, de Hoorn, de Westen, de Koog,
het Oude Schild, de Waal en Oostereind gevonden werden.--

Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam
buiten twijfel, ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk,
hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de
voornaamste plaats, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen,
en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer
Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg, zoude geweest
zijn. De tegenwoordige Hervormde kerk aldaar, staat op een heuvel,
vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten,
die vroeger veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel,
dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde.

Ook zijn in het begin der vorige eeuw, aldaar eenige Romeinsche
penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding heb gezien; terwijl eene
vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel
van de Romeinen beschouwd moet worden, aangezien de daarin gevondene
voorwerpen, de duidelijkste sporen, van Romeinsche herkomst met zich
voeren.--Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel
op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op
kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden
gevonden, bestaande in een aantal metalen huisgeraden, waarbij een
ketel, in welks binnenruimte een merk en, met kleine letters de naam
Mutufiof, als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naam
Adrianus F.

Ook is het zeer waarschijnlijk, dat de Romeinen zich op Texel van
levensmiddelen en verdere noodwendigheden voorzien zullen hebben; alzoo
het onbetwistbaar schijnt te zijn, dat Texel voormaals veel grooter
is geweest. Immers moeten de 40 geduchte watervloeden tusschen 860 en
1170, waarvan de schrijver van het oude Bataviesche Zeestrand, gewag
maakt, en die van de jaren 1395, 1400, enz. veel lands aan het eiland
ontroofd hebben, terwijl er betrekkelijk het bosch of woud, dat aan
de Noord zijde van Texel gestaan heeft, nog valt aan te merken, "dat
omtrent veertig jaren vóór dat Junius zijne Batavia schreef, Pieter
van Santen, schout van Texel, op het Raadhuis had doen aanteekenen,
het getuigenis van eenen Texelaar, die toen honderd en twintig jaren
oud was, maar noch wèl te pas en gaauw was, en die heilig, en in alle
opregtheid verklaart hadt, dat aldaar in zijnen tijd noch een bosch
had gestaan, waarvan, volgens het getuigenis van Junius, noch veele
stronken omtrent den jaare 1550, onbeweegelijk in den grond van de zee
zaten; waarom de schippers dien hoek vermijdeden; vermits zij, hunne
ankers aldaar werpende, dezelve zoo vast in die stronken raakten,
dat zij ze onmogelijk konden opwinden, en dus genoodzaakt waren,
hunne kabels te kappen [16]."--

Ook verhaalt men nog, dat er voor ruim derde halve eeuw, op de hoogte
van het dorp de Koog, zoo veel voorland en uiterwaard lag, dat een
boer niet meer dan drie vrachten daags met zijn hooiwagen kon halen.--

Van tijd tot tijd is Texel's oppervlakte echter zeer uitgebreid. De
onderscheidene bedijkingen, sedert 1488 tot op dezen tijd, hebben
haar zelfs meer dan verdubbeld, zoodat dit eiland, behalve de
reeds hierboven bedoelde 28 polderlanden, nog de volgende polders
bevat; t. w. Waal-en-Burg, het Grie, Burger-Nieuwland, de Kuil,
het Hoornder-Nieuwland, het Weezenspijk, het Eijerland, de Eendragt
en de Prins-Hendrik-Polder, terwijl men er vroeger nog den, in 1792
ingevloeiden polder Hoorn-en-Burg had.--

In de bovengemelde lijst van goederen behoorende aan de
St. Maartenskerk te Utrecht, blijkt, dat een derde gedeelte van Texel
(of zoo als het daar heet, Texle) of, ten minste een derde gedeelte,
van hetgeen in Texel tot de kerkelijke schatkist of inkomsten behoorde,
der Utrechtsche kerke toekwam, welke in dien tijd door zeker priester
Sijbrand, die twee broeders had, Lintraven en Ostraven, uit naam van
Utrechts 12n Bisschop, Otbalt of Odibald, bestuurd werd.

In het laatste gedeelte der 10e eeuw, en bepaaldelijk in het jaar
985, werd Dirk III, graaf van Holland, door keizer Otto III, met
den erfelijken eigendom van het landschap of graafschap van Texel
begiftigd, hetwelk deze graaf reeds vroeger in leen bezeten had;
en nu hadden de Texelaren hunne lotgevallen met de Kennemerlanders
gemeen. [17]

Meermalen deelde Texel in de droevige gevolgen van oorlogen en
verdeeldheden, en was het ook getuige van krijgstooneelen. Zoo
bedwong Graaf Floris in 1182 of 1183, de Friezen op Texel, en ook
op Wieringen, hen noodzakende, om hem, bij wijze van brandschatting,
4000 markzilvers, op te brengen. Ofschoon de waarde dezer som thans
moeijelijk te bepalen is, is het echter zeker, dat zij, voor dien
tijd, zeer aanzienlijk was.--Ten jare 1204, werd Gravin Ada, door
Graaf Willem I, in eenen kelder(?) aan den Burg op Texel in verzekerde
bewaring gesteld; waarop wij later, bij de plaatsbeschrijving van den
Burg zullen terugkomen. In 1288, hadden de bewoners van Texel zich,
in verbinding met de Drechter Friezen, tegen de ondernemingen van
Graaf Floris V tegen de West-Friezen, verzet, welke aankanting tot
in 1289 duurde, toen zij zich aan Floris onderwierpen.

Uit eene oude aanteekening, blijkt, dat Texel als een grafelijk
leen in bezit is geweest bij Jan van Henegouwen, Heer van Beaumont,
die den bewoners, bij handvest van 1317, alle regten toestond, welke
door zijnen broeder, Grave Willem III, bijgenaamd de Goede, aan die
van Drechterland en Hoogwouder-Ambacht, vergund waren. [18] Naderhand
hebben zijne opvolgers uit den huize van Chatillon, Graven van Blois,
mede verscheidene voorregten aan de bewoners van Texel gegeven.

In 1383 werd Texel eene vrije jaarmarkt toegestaan, welke gehouden
moest worden 3 dagen vóór, en 3 dagen na St. Jan. De plaats van deze
markt of kermis, begon aan de Nieuwe Brug en strekte zich van daar
uit tot aan Jan Schoemakers Huis.

Ook werd toen bepaald dat, indien iemand zich vergrepen had aan een
beest of vogel, niet meer waardig zijnde dan 42 schellingen, de boete
ook niet boven die som mogt gaan.

Men mogt toen op Texel vrij visschen en vogelen.

Een getrouwd man kon maar de helft van zijn goed verbeuren.--

Na den dood van Guij van Blois, verviel dit leen aan Hertog Albrecht
van Beijeren, omstreeks 1398, in welk jaar den Ouden Hoorn, op Texel,
door de Friezen verbrand werd.--In een zeer oud handschrift, vind ik,
dat op dit eiland, de volgende ordonnantie, werd bepaald: "De Baljuw,
Schout noch Regter mogen tappen; noch aan eenig ingezetene drank
verkoopen; geen wijn, van uitheemschen gekocht, binnen Texel te tappen,
geen heuschbeden of geld meer te betalen aan nieuwe Ambtslieden;
provisoren niemand verder te dragen dan tot hunne Zeenten.--Koorn
mag vrij van Texel vervoerd worden."

Hertog Albrecht, schijnt het leen Texel aan zijne tweede gemalin,
Margaretha van Cleve, geschonken te hebben, aangezien men een handvest
van haar vindt, van den 9 Junij 1401, dat door meergemelden Albrecht,
in datzelfde jaar bekrachtigd werd. Ook bezat zij het na Albrecht's
dood, blijkens een brief, gegeven in Texel, den 1sten September
1405.--Hertog Willem VI, Graaf van Holland, vaardigde den 26sten
Maart 1414, naar stijl van den Hove (alzoo in 1415) een besluit uit,
waarbij de Texelaars, het poortregt en gelijke vrijdommen als die van
Alkmaar bezaten, in welke regten zij dan ook door Schout, Schepenen
en Raden der stede Alkmaar, in het jaar 1434 zijn erkend.--Onder
anderen, werd bij die verordening bepaald, dat er, "binnen de stede
van Texel 13 Schepenen zouden zijn, als: in de Kerszoekingen Den
Westen 3 Schepenen; Burgt 4, Waal 3, en Oostereind 3, door den Schout
te kiezen Ter Burgt, in de kerke up ten Goeden Vrijdag: goedstijds,
voormiddags, bij zijnen eede, van de rijkste, vroedste en redelijkste
knapen."--Voorts dagteekent het bepaald bezit der Mielanden benevens
de Wind-Koorn- en Lammertienden, op Texel, mede van 1415, welke regten
die van Texel eertijds, onder een erfpacht van 50 nobelen 's jaars,
bezeten hadden.--

Na den dood van Willem IV, heeft zijn weduwe deze regten, welke
eenigzins in verval schijnen te zijn geraakt, hersteld. Margaretha
van Bourgondië, moeder van Vrouwe Jacoba, heeft de heerlijkheid
van Texel in lijftogt bezeten, hetwelk blijkt uit een octrooi,
door haar in 1436 gegeven, om den polder van Wal- of Waal-en-Burg,
benevens eenige andere nabijgelegen polders te bedijken. De eerste
bedijking van Waal-en-Burg dagteekent van den jare 1436. Deze polder
brak daarna weder in, en werd andermaal bedijkt in 1612, toen zijnen
vlakkeninhoud 700 morgen lands bedroeg.--

Krachtens de bezittingen, welke Vrouwe Margaretha van Bourgondië
gehad heeft, vindt men waarschijnlijk onder de privilegiën van Texel,
het handvest van Hertog Filips van Bourgondië, wegens den eed, door
haar afgelegd aan al de ingezetenen der landen, die hem, na den dood
van Vrouwe Margaretha, weder waren aanbestorven.

Genoemde Hertog beloofde, in 1442, voor hem en zijne nakomelingen,
de heerlijkheid en het land van Texel in hooge of in lage geregten
nooit te zullen verkoopen of vervreemden. De Texelaars verloren echter
onder het bestuur van dezen vorst, alle hunne regten en handvesten,
naardien zij zich, omstreeks 1426, met de Kennemers [19] oproerig en
wederspannig jegens hunnen landheer betoond hadden, en zelfs gepoogd
hem de stad Haarlem te ontweldigen.

Dit vonnis werd hun echter 30 jaren later, gelijk met het opbrengen
van zekere ongewone belasting op de haardsteden, kwijt gescholden en
zij weder in hunne vorige regten hersteld.

Zij moesten van elke haardstede 4 grooten's jaars betalen; benevens
andere straffen, breeder vermeld in de sententie tegen hen, gegeven in
1426; terwijl wij ten opzigte van de tienden, welke aan de tiendenaren
moesten verstrekt worden, het navolgende lezen:

"Zij zullen ons tienden geven, den elfden schoef: de eigenaar is
verpligt als het koorn rijp is, den tiendenaar driewerf te roepen,
telkens zoo luid dat men het hooren mag over 7 akkeren: en komt de
tiendenaar dan niet, dan mag de eigenaar het koorn uitzetten bij
twee van zijne geburen, en den tiende een etmaal houden: na dien
tijd er schade aan geschiedende, is de eigenaar niet gehouden tot
vergoeding:--Voorts zullen die van Texel ons geven eens vronen schuld,
(vroon is vrijdom van alle lasten, schattingen, loon, enz.) ten ware
wij hen daarvan verdragen wilden." [20]--

De Graven van Holland hadden omstreeks 1415, ter inning hunner renten,
aldaar, op Texel eenen bijzonderen Rentmeester.

In 1489, was Claas Korf, Rentmeester, van wien aangeteekent staat, "dat
hij onheuslijk zijn voordeel gezocht had, uit eene aanstaande reductie
der munt, waarover later, in 1506, zijne erven zijn aangesproken."--

Ten jare 1442 komt Texel voor, onder de benaming van het gemeene land
van Texel, doorgaans het land van Texel geheeten.--Omstreeks dezen
tijd werd Keizer Maximiliaan Opperschout [21] van Texel, en werd er
om de 14 dagen Poortregt, d. i. Regtdag gehouden. Deze verandering
is echter spoedig daarna vervangen door eene andere, waarbij bepaald
werd, dat er drie maal per week poortregt zoude gehouden worden.--

Jan van Naaldwijk, kennis verkregen hebbende, van de onlusten en
opschuddingen, welke omstreeks den jare 1491 in het noordelijke
gedeelte van Holland plaats hadden, vond het geraden, zich derwaarts
te begeven, ten einde er, zoo het mogelijk ware, eenig voordeel,
tot ondersteuning en bemoediging zijner toen verzwakte partij, uit
te trekken.--Hij vertrok dan ook werkelijk in Julij van dat jaar,
met zijne vloot uit Sluis, landde naar eenen voorspoedigen togt op
Texel, hetwelk hij, benevens het eiland Wieringen, bemagtigde.--Hij
trachtte al aanstonds deze eilanders te doen begrijpen, dat, in stede
van herwaarts te zijn gekomen, om hen leed of schade te berokkenen,
hij hier kwam, om hen voordeel en rust te bezorgen, om hen van de zware
schattingen te bevrijden, waaronder zij gebukt gingen, en eindelijk,
om de rust in het land te herstellen en te verzekeren.--

Hierdoor verkreeg hij dan ook weldra eenen grooten aanhang. Hij hield
zich, gedurende het grootste gedeelte van den zomer, op en in de
nabijheid dezer eilanden op, en maakte met zijne vloot de Zuiderzee en
noordelijke zeegaten, onveilig.--Terwijl eenige zijner partijgangers
zich, doch te vergeefs, van de stad Hoorn poogden meester te maken,
vond Jan van Naaldwijk gelegenheid, om de hoofden van het zoogenaamden
Kaas- en Brood-spel, de behulpzame hand te bieden.--

De bewoners van Texel mengden zich toen ter tijd, nevens die van
Kennemerland, in de onlusten, die door het Kaas en Broodvolk gesticht
werden, waarover zij naderhand door den Hertog van Saxen zeer gevoelig
gestraft werden.--

25 Personen van Texel moesten in het zwart, ongegord, blootshoofds
en barrevoets, knielende om vergiffenis voor hunne rebellie te
komen smeeken. Al de handvesten des eilands moesten gesteld worden
in handen van den Hertog, terwijl deze de straffen aan zich hield,
waarmede de tot den vijand overgeloopen eilanders moesten gekastijd
worden. Zij moesten zijn huis of kasteel sterk maken (in weerbaren
toestand brengen) naar inhoud der brieven, hun door den Raad van
Holland toegezonden, terwijl zij daarenboven nog 1000 Andriesguldens,
gelijkstaande met f 5000, boete betalen en gedurende twee maanden,
aan 25 door hen uit te rusten manschappen, soldij en leeftogt moesten
verstrekken, welke manschappen onder bevel van den Schout dienen
moesten, om de rust op het eiland te bewaren.--

Naar alle waarschijnlijkheid zullen hun de toen verlorene regten en
privilegiën òf te gelijk met de andere Kennemers en Kennemervolgers,
òf in Maart 1494, zijn teruggegeven. Althans het regt van wind-, molen-
en lammertienden [22], dat zij tegen eene uitkeering van 40 Nobelen,
van 8 schellingen groete, Vlaamsche munt, 's jaars in erfpacht bezaten,
en welke aan Jan van Borrij, Baljuw of Casteleijn van het slot te
Medemblik, waren overgegeven, werden hun in laatstgenoemd jaar weder
opgedragen. [23]

Omstreeks het begin der 16e eeuw, schijnen de zeeweringen op Texel
zich in geenen gunstigen toestand bevonden te hebben, althans
vinden wij, dat die van Texel, in 1509, aan hunnen landsheer een
beklag inbragten, "over de groote gevaren der zee, waartegen eertijds
voorzien was geweest door Vrouwe Maria van Bourgondië, die ook hunne
oude privilegiën bevestigd had, bij een nieuw privilegie gegeven te
Loven, den 28sten Mei 1477; behelzende onder meer de vier Raadsmannen
des maandags te kiezen na Palmzondag: 26 mannen ieder rijk 100 nobelen
ofte meer: hieruit kiest de Graaf, of de Schout in 's Graven naam,
noemt en beëedigt op Goeden Vrijdag 13 schepenen. De Raadsmannen
beëedigd zijnde, kiezen vijf Heemraden, door den Schout te beëedigen:
deze stellen keuren op de dijken, sluizen, wateringen en wegen."--

Zeer rampspoedig was voor het eiland Texel het jaar 1522, toen het door
de Geldersche Friezen tweemalen zeer zwaar gebrandschat werd. Deze
woeste, op roof en buit verhitte, benden, landden hier in den zomer
van bovengenoemd jaar, met eene vloot van 20 sterk bemande schepen,
tweemaal aan. De eerste reis vorderden zij eene brandschatting van
8000 Filipsguldens (ongeveer f 40,000, van onze munt.)

Hiermede echter nog niet voldaan, eischten zij spoedig daarop eene
tweede brandschatting van 10,000 Filipsguldens (bijna f 50,000.)

Doch niet alleen, dat die van Texel van vreemden overlast te lijden
hadden, ook hunne eigene overheid trachtte hen, in 1525, met zwaardere
lasten te drukken:

Immers lezen wij in eene oude oorkonde, Anno 1525, het volgende:


    "In dit jaar wilde men die van Texel, de nobelen voor molen-, wind-
    en lammertienden, die zij à 50 Stuivers gewoon waren te betalen,
    tegen 85 St. berekenen, en dan nog wel met den achterstand van
    vroegere jaren."--


Deze verhooging van belasting is echter niet in werking gebragt,
aangezien wij lezen:


    "doch hun dat kwijtgescholden, en het regt verleend om ten eeuwigen
    dage te kunnen betalen, de nobel tegen 50 st.;--

    "de wind-, molen- en lammertienden bedroeg des f 250 's jaars,
    op Meidag te betalen, zijnde de Meijlanden (waarschijnlijk
    de Miendlanden) voor lang daar af, en aan de Grafelijkheid
    getrokken;"--Iets lager staat: "dat die van Texel worden
    gegund, geoctroijeerd en geaccordeerd, in eeuwigen erfpacht, die
    windmolens, metten winde, alzoo die ter tijd stonden binnen die
    voorschreven stede van Texel,--die jaarlixe lammertienden aldaar,
    en die Meijlanden binnen derzelver stede gelegen: uitgenomen den
    Waal,--den Holleweg--die Lijmculen--Langewaal en dat Hooiland,
    gelegen aan de Oostzijde van dat hoppe, langs an Zegendijk,
    die den Rentmeester van 's Graven wege doet verpachten." [24]


In Maart 1571 deden de Watergeuzen eene landing op Texel, en bedreven
er veel moedwil en schade. Zoo verbrandden zij er het huis van den
Schout en eene kerk, waarschijnlijk de kerk van het dorp den Westen,
en namen bovendien nog eene vloot van meer dan 30 schepen weg.

Dan niet slechts had Texel in den loop der tijden door toedoen
van menschen veel schade te lijden, ook het water, dien algemeenen
en met reden, zoo algemeen gevreesden vijand van Hollands kusten,
benadeelde menigmalen dit belangrijke eiland. Vooral waren het de
hooge en geduchte watervloeden van de jaren 1625, 1628 en 1629,
die ook hier veel schade veroorzaakten. Den 3den November van het
jaar 1638 strandden er op de kusten van dit eiland 85 zeeschepen,
met eenen zuidwestelijken storm.--Den 18den December 1660 bleven er
van de 155 schepen, 38 voor anker liggen, de overigen strandden of
kapten bij tijds hunne kabels. Op het einde van 1683 kwamen eenige
oorlogschepen uit Zweden hier voor gaats, en werden door eenen zwaren
storm overvallen; daarbij strandden: de Hollandia, van 84 stukken en
450 koppen, het volk gered; de Woerden, van 72 stukken en 350 koppen,
waarvan 58 gered, de Tijdverdrijf, van 54 stukken en 230 koppen,
waarvan 15 gered, de Prins te paard, van 54 stukken en 230 koppen,
allen verdronken; de Leeuwin, van 54 stukken en 230 koppen, allen
gered; de Gouda, van 42 stukken en 175 koppen, grootendeels gered,
alsmede nog twee oorlogschepen van Enkhuizen en Hoorn en verscheidene
koopvaarders.--

Omstreeks eene eeuw later, stelden de Engelschen vele, doch gelukkig
vruchtelooze pogingen in het werk, om eene landing op dit Eiland te
beproeven. In Julij 1672 namelijk, vertoonde zich eene Engelsche vloot,
van 60 zeilen, voor den Helder, met het plan om in Noord-Holland
eene landing te doen, en alzoo Amsterdam van de Noordzijde te
bedreigen. Zeker was zoodanige onderneming op dien oogenblik ligter
ten uitvoer te brengen, dan een paar maanden vroeger, want onze vloot
was door gedwongen afdanking zoo schaars van volk en krijgsvoorraad
voorzien, dat zij, naar het oordeel van De Ruiter zelven, niet meer
tegen den vijand bestand was. Doch, was onze vloot buiten staat om te
strijden, ditmaal namen de elementen voor ons den strijd op. Op den
dag, welken tot de voorgenomen landing op Texel bestemd was, verhief
zich een hevige storm uit het zuidwesten, (anderen zeggen noordwesten)
die gedurende drie weken bleef woeden, twee vijandelijke schepen deed
stranden, vele andere zwaar beschadigde, en de geheele vloot van de
kust deed afdrijven.

Volgens eene latere, vrij algemeen verspreide, en bijna algemeen
geloofde volksoverlevering, zoude de mislukking der voorgenomene
landing veroorzaakt zijn geworden door eene dubbele ebbe (een niet
geheel ongewoon verschijnsel op onze kusten) gevolgd door eenen
noordwesten storm.--

In 1756 had in de nabijheid van Texel een voorval plaats, dat zeer
veel opziens baarde.

Een Duinkerksche kaper, die zich tot uitoefening van zijne kwade
praktijk van een Zeeuwsche poon of Goereesche vischschuit bediende,
hield op eenen Engelschen koopvaarder aan, die van New-York naar
Amsterdam gedestineerd was, en digt bij het Nieuwe Diep ten anker
lag; en dewijl men volstrekt geen vermoeden had op kaperij in eene
onzijdige haven, en vooral niet van de zijde eener Zeeuwsche poon of
vischschuit, viel den kaper de bemagtiging zeer ligt. De kaper zeilde
daarop met het prijsgemaakte schip naar zee, en riep den zoogenoemden
praaischipper in het voorbijzeilen toe: "Ik weet wel, dat Frankrijk
en Holland het eens zijn." [25]

Weldra echter leverde de Engelsche gezant over dit feit zijne klagten
bij de Algemeene Staten in, waarbij de prijs in denzelfden toestand,
als waarin hij genomen was, werd terug geëischt. De Staten gaven
aanstonds aan dien eisch gehoor, en gelasteden hunnen afgezant aan
het Fransche hof, Lestevenon van Berkenrode, daaromtrent bij de
Fransche regering te onderhandelen, hetwelk, echter niet zonder veel
moeite, ten gevolge had, dat het prijsgemaakte schip met zijne lading
teruggegeven, en daarmede aan den eisch van het Engelsche Gouvernement
voldaan werd.--

In December 1789 hadden er op Texel vele woelingen plaats, ter oorzake
eener aanstelling van de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier,
waarbij Mr. Gerrit Buijskens, tot Schout en Dijkgraaf van Texel en
Baljuw van Eijerland benoemd was. Genoemde Buijskens, in September 1786
door de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier tot voormelde
waardigheden aangesteld, had zich in deze betrekking met allen lof
van zijnen pligt gekweten, en was, ofschoon der patriotische zijde
toegedaan, in dezelve gebleven, en op het einde van Wintermaand
1787 weder derwaarts gereisd. De heffe des volks uit de gemeente
Oostereind,--waarschijnlijk aangemoedigd door de Burgemeesters van
de Waal en Oostereind, welke hem als zoodanig weigerden te erkennen,
aangezet door zekeren Lammert Dijke, kwam, vereenigd met die van het
Oude Schild, en aangevoerd door den schipper van 's Lands schuit met
eenige roeijers op den Burg, van welke plaats Buijskens de Regenten
op het Raadhuis deed vergaderen, ten einde naar tijdsomstandigheden
een besluit te nemen. Dan, zoodra had echter de zaamgevloeide en niets
dan oproer en geweld in den zin hebbende volkshoop dit niet vernomen,
of men bezettede den Burg, benevens het huis van den Schout, en sloot
alle toegangen zoodanig af, dat men er niet dan met het grootste
gevaar uit konde komen. De zaak verkreeg nu een ernstiger aanzien;
was het tot hiertoe bij razen, vloeken, schelden en dreigen gebleven,
thans kwam het tot dadelijkheden.--Men hieuw met den sabel, men perste
geld af, en besloot eindelijk met het openloopen van de huisdeur,
waardoor Buijskens eindelijk genoodzaakt werd te besluiten tot de
afzegging van de voorgenome vergadering der Regenten.--

Dit geweldig rumoer hield aan tot des avonds zes uren, toen vier
personen, welke zich Afgevaardigden of Gecommitteerden van de
oproerige volksmenigte noemden, ten huize van Buijskens kwamen, en
hem uitnoodigden, zich met hen naar hunne principalen te begeven,
verklarende, dat zij, in geval hij zulks mogt weigeren, niet voor
het behoud van zijn leven en van dat zijner echtgenoot en woning,
te kunnen instaan. Buijskens, door den nood gedwongen, gaf gehoor
aan hunne uitnoodiging, en volgde deze zoogenaamde Gecommitteerden
naar de herberg De Vergulde Kikkert, alwaar hij voor eene vergadering
van 25 man werd gebragt, waarin de reeds genoemde Lammert Dijke het
woord voerde. Deze vroeg hem, op wiens bevel en waartoe hij thans
op Texel was gekomen.--Het antwoord van Buijskens, dat hij begreep
desaangaande aan niemand verantwoording verschuldigd te zijn, dan
aan Hun. Edel Mog., deed, zoo als trouwens te verwachten was, niets
af. Evenmin het vertoonen van het besluit der Gecommitteerde Raden,
waarbij hij in zijne waardigheid was aangesteld. Het opgeruide volk
kwam niet tot bedaren, noch verstond reden, vóór dat hij beloofd had,
binnen den tijd van drie etmalen Texel te verlaten, en zijn ontslag
te verzoeken.--Buijskens begaf zich dien ten gevolge naar Amsterdam,
van waar hij aan Gecommitteerden Raden van het Noorderkwartier,
een breedvoerig verslag van het voorgevallene toezond.--Dit had ten
gevolge, dat deze eene bezending naar Texel afvaardigden, die het
gehouden gedrag der Texelaars ten zeerste afkeurde, doch het geraden
vond, om, "uit overweging van de volstrekte onmogelijkheid, om hem,
Buijskens, in zijnen post te doen voortgaan, zonder het eiland,
zoowel als zijn persoon, aan verregaande gevolgen bloot te stellen,
en omdat hij uit overtuiging daarvan zijn ambt geresigneerd had,"
Buijskens van zijn ambt ontsloeg, waarmede de bewegingen ophielden.--

Ook gedurende de komst en overheersching der Franschen hier te lande,
was Texel meermalen getuige van vrij levendige bewegingen.

Dit eiland, dat bij den aanvang van het jaar 1795, door het
menigvuldige ijs, op de reede, gedurende eenen geruimen tijd, alle
regtstreeksche gemeenschap met den vasten wal moest derven, verkreeg
eerst op het einde van Januarij des volgenden jaars, 1796, kennis van
de komst der Franschen aan den Helder;--en, alhoewel de Texelaars
voor verreweg het meerendeel, bekend stonden, als sterk verknocht
aan het doorluchtig Vorsten Huis van Oranje-Nassau, ontbrak het
hier, evenmin als elders, aan andersgezinden of patriotten. Groote
en luidruchtige vreugde heerschte er bij deze laatsten, toen zij
vernamen, "de Franschen zijn tot ons overgekomen", nu zal het zijn:
Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, en even als op andere plaatsen,
werden ook hier, op alle dorpen van het eiland, vrijheidsboomen
geplant. De onderscheidene gemeenten kwamen te zamen, en verkozen
hunne eigene volksvertegenwoordigers en regeringsleden. De Schout,
Cornelis Theodorus Elout, een man, die in de algemeene achting
der eilanders deelde, werd door de burgerij uitgenoodigd om aan
het bestuur te blijven, terwijl de Secretaris, Cornelis Maronier,
zijnen sedert 1787 verlaten post weder aanvaardde.--Eenige Fransche
krijgsgevangenen, die zich sedert November op dit eiland bevonden,
herkregen door dezen zamenloop van omstandigheden hunne vrijheid, en
deelden met hun gansche hart in de vreugde der Patriotsche burgers van
Texel. Deze nu vrijgelaten Fransche krijgslieden werkten zeer mede tot
het behoud der goede orde, rust en eensgezindheid der burgerij, terwijl
de Chef de Brigade Cantagnelle, inzonderheid door zijne welwillende
raadgevingen, de nieuw verkozene volksvertegenwoordigers bijstand bood.

Toen daarop in 1799, tijdens de landing van de Engelschen en Russen in
Noord-Holland, de geringe magt, welke zich te dien tijde hier bevond,
en die uit omstreeks een 60 tal manschappen bestond, in het laatst van
Augustus Texel verlaten had, werd het den 29sten dier maand door de
Engelschen, namens den Koning van Engeland en den Prins van Oranje,
in bezit genomen. Alle openbare gebouwen werden in beslag genomen
en ingerigt tot kazernering van een korps, dat zamengesteld werd uit
overloopers en vrijwillige zeelieden, terwijl tevens de burgerij met
de inkwartiering van nog andere troepen belast werd.

Door dezen zamenloop van omstandigheden werd de toestand van Texel's
inwoners steeds hagchelijker, aangezien in de behoeften, welke thans
grooter dan gewoonlijk waren, bij gebrek van toevoer, niet kon worden
voorzien; hier kwam nog bij, dat de Engelschen alles opkochten en naar
hunne vloot verzonden. Hierdoor ontstond welhaast zulk eene schaarschte
van levensmiddelen, dat er den 15den September geene erwten, rogge noch
boter, en slechts voor zes dagen gort aanwezig was. En, ofschoon men
op de klagten daarover wel eenige maatregelen tot wering van gevreesd
gebrek nam, zoo werden de Texelaars niettemin in de volgende maand
genoodzaakt, den Engelschen 840,000 ponden kaas te leveren. Dan,
weldra waren de Texelaars van dezen overlast bevrijd, daar de vijand
reeds in November ons vaderland, en dus ook Texel, ontruimde.

Ook onder het Fransche bestuur had Texel, boven vele andere plaatsen,
zwaar te lijden. De handel, die milde bron van welvaart, ook voor dit
eiland, was ten eenemale gestremd, terwijl het, boven de willekeurige
opschrijving voor de krijgsdienst, nog genoodzaakt werd tot levering
van 120 kustbewaarders, onder Fransche bevelhebbers, wier ongehoorden
dwang vele huisgezinnen tot den bedelstaf bragt.

Ook hier pleegden de douanen schandelijke afpersingen en kwellingen,
terwijl de meesten der, van tijd tot tijd elkander aflossende,
plaatskommandanten, maires, enz., zich door mishandeling,
onregtvaardigheid, ja door allerhande verdrukking, als geessels
der menschheid deden kennen. Geen wonder voorzeker, dat de brave en
vaderlandslievende Texelaars, welke ook hier sedert lang met ongeduld
den slavenketen dier ondragelijke overheersching torschten, op het
eerste gerucht van der Franschen aftogt uit Amsterdam, en de aldaar
en elders ontstane bewegingen, zich ook hier gelden deden. Op den
18den October wapperde dan ook Hollands driekleur van den kerktoren
te Oostereind. De Fransche adelaars werden van de huizen der beambten
weggenomen; algemeen heerschte vrolijkheid en leven, zonder dat eenige
baldadigheid hunne hartelijke en uitbundige vreugde onteerde. Dan,
weldra werd Texel's burgerij, door de strenge maatregelen van den aan
den Helder bevelvoerenden Admiraal Verhuell tegen deze vreugdefeiten
genomen, genoodzaakt, om Hollands vlag weder te strijken, en de
herstelling der weggenomen Fransche standaards toe te laten, waarop
eene gedwongene rust ontstond, die tot den 4den December voortduurde,
toen het door den evengenoemden Admiraal bevolen vertrek van eenige
gewapende schepen, welke tegenover het Oude- en Nieuwe Schild
gestationneerd waren, andermaal de gelegenheid openstelde, om tot de
hervatting van het bevrijdingswerk over te gaan. Spoedig had zich dan
ook te Oostereind en te Nieuwe Schild, een korps van tachtig schutters
gevormd, welke zich op de best mogelijke wijze van wapenen voorzien
had. Deze vaderlandslievende menigte, heesch andermaal, op beide
voormelde plaatsen, de Hollandsche vlag, en trok vervolgens naar het
Oude Schild, alwaar men bij hunnen komst mede de vlag van den kerktoren
deed wapperen. Na hier eenige versterking te hebben bekomen, trokken
zij naar de Schans en hadden den moed, om deze sterkte, welke door
eene talrijke bezetting, onder het bevel van een Fransch officier,
verdedigd werd, en bezet was met het noodige geschut, ter overgave
te eischen.--Hierop kwam de sergeant, Willem Lourens, aan het hoofd
van 27 man aan den buitenpost, welke door het afschieten der geweren
in de lucht en het geroep van "Oranje boven!" het teeken des vredes
en der verbroedering gaven.

Men ondernam echter thans geen verderen aanval op de Schans, maar
trok naar den Burg, om ook dáár de vlag der onafhankelijkheid van den
kerktoren te doen wapperen.--De zaak erlangde echter den volgenden dag
een gewigtiger aanzien. Op den Hoogen berg kwam namelijk een korps van
ongeveer acht honderd man bijeen, voorzien van allerhande wapentuig,
en gezind, om op dezen dag de bevrijding van Texel te voltooijen. Dit
vorderde echter de inneming eener sterkte die, zoo door bezetting als
geschut en proviand, zeer wel ter verdediging was toegerust. Men had
echter besloten, ook tot dit uiterste te komen, doch overlegde tevens
daarbij, dat het raadzaam ware, de plaatselijke regering hiervan
vooraf kennis te geven. Deze werkte dit voornemen zeer in de hand,
en had zich bereids bezig gehouden met het beramen van maatregelen,
ter ondersteuning van dit heldhaftig voornemen. Zij deed het voorstel,
om eerst den weg van onderhandeling te beproeven, hetwelk algemeen
werd goedgekeurd.

Nu begaven zich eenige gemagtigden naar het fort, welke daar
binnengelaten werden en met den Franschen kommandant in onderhandeling
traden, hetgeen ten gevolge had, dat des namiddags ten 5 ure een
verdrag getroffen werd, waarbij men bepaalde, dat een detachement
schutters de kleine poort inhouden, en de bezetting den volgenden
morgen met krijgseer zoude uittrekken, om terstond op daartoe
geschikte vaartuigen vervoerd te worden. Dit verdrag werd algemeen
en met vreugdegejuich goedgekeurd, waarop elk in vrede en rust
huiswaarts keerde.

Dan, niet lang duurde deze rust, naardien men ontdekt had,
dat de Plaatsmajoor toebereidselen maakte om het fort te laten
springen. Kapitein Van Breeningen nam daarop het moedig besluit, om
zich van dien trouwelooze te verzekeren, en bragt, zoodra het voornemen
van den Plaatsmajoor ruchtbaar werd, alles in den nacht op de been,
waarop, na eene nieuwe raadpleging van de overheid met de hoofden van
den opstand, geoordeeld werd, dat het verdrag geschonden was. Zij,
die de vorige bezending hadden uitgemaakt, werden nu andermaal naar
den Franschen bevelhebber afgevaardigd, en eischten nu de overgave der
sterkte, op genade of ongenade, daarbij voegende, dat weigering of
draling door eenen oogenblikkelijken storm zoude gevolgd worden. De
bevelhebber de wettigheid der vordering erkennende, waarbij hij
tevens zijn leedwezen te kennen gaf over hetgeen thans gebeurd was,
gaf zich daarop, onder betuiging dat hij zijn vertrouwen stelde op eene
edelmoedige behandeling, met de bezetting als krijsgevangenen over,
aan welk vertrouwen ook beantwoord werd, door hem, op zijn woord van
eer, te ontslaan.

De bezetting van het fort door de schutters, en de ontwapening en
inscheping van alle Fransche en andere vreemde krijgstroepen nam
dadelijk eenen aanvang, terwijl de Plaatsmajoor, die zich in zijne
dolzinnige woede steeds weêrbarstig aan alles en jegens allen betoonde,
geboeid aan boord werd gebragt. Deze krijgsgevangenen werden alsnu
terstond met vaartuigen, waarop eene gewapende wacht was geplaatst,
naar Amsterdam getransporteerd, alwaar zij aan den Admiraal Verdooren
werden overgeleverd.

Texel, nu geheel van vijandelijke magt bevrijd zijnde, nam Kapitein
Van Breeningen, op dringend verlangen der burgers, het opperbevel
op zich. De overgeblevene krijgslieden, aan wier keus, vertrek van
Texel, of trouw aan het vorstelijk huis van Oranje-Nassau, was gelaten,
schaarden zich volgaarne onder zijne bevelen. De onderscheidene punten
van defensie werden daarop van de noodige bezetting voorzien, terwijl
men elkander trouw zwoer tot in den dood, zoo men van de zijde van
den Helder weder met nieuwen dwang bedreigd mogt worden. Spoedig
daarop ontving men van Amsterdam de noodige wapenen en ammunitie,
waardoor men in staat werd gesteld, om, na verloop van eenige weinige
dagen, vijf kompagnieën, te zamen uitmakende een korps van ongeveer
achthonderd man, wel uitgerust en volledig gewapend, op te rigten. De
Heer Ahlé, die zich bij het geheele bevrijdingswerk door beleid en
moed, meer dan gunstig had onderscheiden, nam, als Luitenant-Kolonel,
het bevel op zich over dit battaljon, terwijl de gewapende burgermagt
gedurende 5 maanden met de meeste bereidvaardigheid het eiland bleef
bewaken, tegenover eenen magtigen vijand, die, eerst na verloop van
dien tijd zijne geduchte positie verliet. Spoedig daarna keerde de
oude orde van zaken terug en werd op Texel niet weder verstoord.



Een ander en nog magtiger vijand echter, verontrustte in 1825 dit
eiland, op eene andere wijze.

Neêrland's gevreesde nabuur, de Noordzee, sloeg bij den stormvloed van
Februarij onderscheidene gaten in den Zuiderdijk, zoodat de polder
het Grie overstroomde, waardoor ook de binnendijk bezweek en al het
land ondervloeide. Een groot geluk evenwel was het voor de eilanders,
dat de meesten hunner in de op heuvels gebouwde woningen konde blijven,
waardoor ook het meeste vee behouden bleef. Ook voer de reddingsboot,
ofschoon met groot gevaar verzeld, gedurig af en aan. Eens, in den
nacht, te digt aan de dijkbreuk gekomen zijnde, werd zij door den
stroom, veroorzaakt door de eb, bijna naar buiten medegesleept. Met
inspanning van vereenigde krachten redde men zich ter naauwernood
tegen den binnenkant van den dijk. Een andere keer werd zij door eene
onweêrsbui en hoos beloopen, die de boot het onderst boven wierp,
en vijf der manschappen overstelpte, zonder dat echter iemand hunner
het leven verloor.

Ook de andere zeedijk, digt bij het Oude Schild gelegen, dreigde te
zullen bezwijken, doch werd met veel krachtsinspanning bewaard.



DERDE HOOFDSTUK.

DE DORPEN, GEHUCHTEN EN BUURTSCHAPPEN OP TEXEL.


1. Het Oude Schild of Schil.

Dit dorp ligt aan de Oostkust van het eiland, op ongeveer 3/4 uur
afstand van de hoofdplaats Den Burg.

De naam wordt op verschillende wijzen geschreven, n. l. Schild of
Schil. Welke van deze twee de ware zij, valt niet gemakkelijk te
bepalen. Hoogst waarschijnlijk zal het wel dien van Schil zijn,
van wege de groote menigte van onderscheidene soorten van kleine
schelpvisch, welke de zee in eene hier liggende kreek aanspoelt, en
alhier den naam van Schil draagt. De officiëele naam echter is Oude
Schild. Deze plaats is zijn ontstaan en bloei verschuldigd aan de,
bij den aanvang der 17e eeuw, sterk toenemende scheepvaart. Te dien
tijde, kwamen de grootste koopvaardij- en oorlogschepen geregeld voor
deze plaats ten anker, voorzagen er zich doorgaans van levensmiddelen
en andere behoeften, en verspreidden er langs dien weg veel leven
en welvaart. Van daar dan ook, dat het Oude Schild toenmaals de
verblijfplaats was van de zoogenaamde slik- of binnenloodsen, welke
de schepen van de reede over de Zuiderzee naar Amsterdam moesten
loodsen. Die bloei duurde tot het begin dezer eeuw, toen de haven van
het Nieuwe-Diep van meerdere beteekenis, en, door den aanleg van groote
en zeer doelmatig ingerigte rijkswerven, in korten tijd verbazend
uitgebreid werd. Hierbij kwam kort daarna de openstelling van het
groot Noord-Hollandsch Kanaal, hetwelk van toen af eene regtstreeksche
gemeenschap tusschen Amsterdam en de Noordzee daarstelde. De naar
en van de hoofdstad bevrachte zeeschepen, welke zich vroeger hadden
moeten vergenoegen met de zeer gevaarlijke legplaats ter reede van
Het Oude Schild, verkozen nu de veilige haven van het Nieuwe-Diep. De
daarop gevolgde organisatie van het loodswezen, in 1835, bragt mede
zeer veel toe tot het verval dezer plaats. Deze toch had ten gevolge,
dat een aanzienlijk gedeelte der bevolking naar elders, inzonderheid
naar het Nieuwe-Diep, verhuisde, zoodat het Oude Schild op 1 Januarij
1855 slechts 853 inwoners telde, tegen 15 à 1600 in 1828.

De aanzienlijkste woningen zijn gesloopt, terwijl met de zeevaart, de
meeste en grootste hulpbronnen van bestaan in het niet zijn geraakt.--

Welligt, dat thans door den even bekwamen als ijvervollen onderwijzer,
T. R. Zwaal, welke hier eene school voor de zeevaartkunde heeft
opgerigt, den grond wordt gelegd voor hernieuwden bloei. Sedert de
oprigting daarvan, hebben 120 personen van dat onderwijs gebruik
gemaakt, van welke thans reeds 6 den rang van scheepsgezagvoerder
hebben verkregen, en 66 dien van stuurman.

De bloei dezer school neemt jaarlijks toe. Het tegenwoordig
getal leerlingen bedraagt 20, waarvan 14 uit de gemeente en 6 van
elders.--Het nut dezer school voor deze gemeente is zeer groot, en de
pogingen van den Heer Zwaal, hebben alle aanspraak op eene eervolle
vermelding en krachtige aanmoediging.

De Hervormde Gemeente telt hier ruim 500 zielen, waar onder ongeveer
300 ledematen. Antonius Dambrugge of Danburg was hier de eerste
leeraar. Hij kwam hier in 1650 en overleed den 11 Junij 1681.--De
niet groote Hervormde kerk werd omstreeks het midden der 17e eeuw
gebouwd. Zij heeft aan de eene zijde een kruiswerk, en prijkt met een'
houten toren. Zij bezit geen orgel.

Volgens eene volksoverlevering werden aan deze kerk twee lichtkroonen
vereerd door de Admiralen Tromp en De Ruiter. Men vindt er althans de
wapens op van beide genoemde Vlootvoogden, benevens de jaartallen 1677
en 1678.--De bewijzen voor de waarheid dezer overlevering, schijnen
te hebben bestaan; doch zijn in de archieven der kerk niet te vinden.

Sedert 1835 bezit Het Oude Schild een eigen R. K. kerk en Pastoor,
welke eerste eigenlijk eene uitbreiding is van de reeds voor vele
jaren alhier bestaan hebbende kapel. Deze kerk is toegewijd aan Onze
Lieve Vrouw en den H. Martinus. De R. K. gemeente telt hier ruim 240
zielen, waaronder 150 communikanten.--

In het logement de Zeven Provinciën, wijst men den vreemdeling nog de
zoogenaamde de Ruiters kamer aan, waarin de zeeheld M. A. de Ruiter
meermalen overnacht heeft.--Niet ver van daar is het Distributie
kantoor der brievenposterij voor het gansche eiland geplaatst.--

De stoomboot, welke een regtstreeks verkeer daarstelt tusschen Texel,
het Nieuwe Diep en Harlingen, en tevens belast is met de posterij,
waarvoor vroeger twee postschuiten gebezigd werden, heeft in de haven
van Het Oude Schild, hare gewone landing- en afvaartplaats.--Deze haven
ligt ten Oosten van het Dorp, en werd in 1778, op eene vlakte van ruim
twee bunders aangelegd, ten gebruike van het weleer te Oude Schild te
huis behoorende aanzienlijk getal loodsbooten en andere vaartuigen,
behalve nog voor vele kleine koopvaardijschepen, die hier in hunnen
zoogenaamden winterlaag liggen. Als verkenningsteeken brandt op het
oostelijkste havenhoofd een lampvuur. In 1836 vorderde deze haven eene
nieuwe uitdieping, aangezien deze ligplaats, vooral door de toenmaals
meer en meer toenemende panharingvisscherij, en het debiet daarvan,
meer van algemeen belang was geworden.--Diensvolgens werd in genoemd
jaar eene Rijksen Provinciale subsidie verleend van ongeveer f 8000,
waardoor de voorgenomene uitdieping werd tot stand gebragt.--Dan, alles
door de groote verplaatsing der loodsen naar het Nieuwe Diep veranderd
zijnde, en deze haven, door hare thans overtollige ruimte, een al te
kostbaar onderhoud vereischende, heeft men in 1844 de oppervlakte,
door het leggen van eenen wierdam, teruggebragt op 1 1/5 bunder.

De openbare school, welke onder de leiding van bovengenoemden Heer
Zwaal staat, wordt gemiddeld door 120 kinderen bezocht. Op geringen
afstand, zuidwestelijk van het Oude Schild, ligt het fort de Oude
Schans. Hetzelve werd in 1572 aangelegd, en in 1812, op den last van
Napoleon I, in zijnen tegenwoordigen toestand gebragt. Het heeft eene
onregelmatige vijfhoekige gedaante, is voorzien van aarden wallen,
omringd door eene gracht, en heeft, naar de zijde van het hooge
terrein, een ravelijn met gracht, benevens eenen bedekten weg en eene
voorgracht, en is voor het overige door kadijken, met voorliggende
uitwaterings-slooten, in den zeedijk ingesloten. Dit fort bezit twee
toegangen, eene steenen kazerne voor honderd manschappen, met een
paviljoen voor officieren, benevens een gemetseld, doch niet bomvrij
kruidmagazijn, geschikt tot berging van 3000 lb kruid, twee ruime
regenbakken en twee zuivere welputten.--Even buiten deze sterkte,
vindt men in den zeedijk eene inundatiesluis, zijnde een gemetselde
duiker, tot lozing van het water der grachten in de zee, en twee
gemetselde duikers, in de Oost- en Westkadijken, tot ontlasting van
het landswater in de grachten.--Met dit verdedigingspunt staan in
verband eene redoute en eene lunette, beide beneden den zeedijk. De
eerste, aangelegd in 1811 en 1812, 900 ellen ten westen van het fort,
bestaat uit een gesloten en ongeflankeerden vijfhoek; de lunette ligt
ongeveer 700 passen oostwaarts van het fort, is ook ongeflankeerd
en open in de keel. Genoemde werken zijn opgeworpen van aarde,
zonder gebouwen, en omringd door grachten.--Al deze werken vormen te
zamen eene versterkte legerplaats of kamp, oorspronkelijk strekkende,
zoowel tot het beletten eener landing,--waartoe ook nog eene batterij
heeft bestaan, westwaarts van de redoute op den Hoornschen Zeedijk,
het Horntje geheeten,--als ook ter bestrijking van de reede.

Het geheel ondiep worden van het daar langs strekkende vaarwater,
heeft nogthans het gewigt dezer positie doen ophouden. Tegenwoordig
is er dan ook nog slechts eene kleine barak, welke door een' oppasser
bewaakt wordt.

Tien minuten gaans ten noorden van het Oude Schild, 1000 el regts
van het Schilpad, dat den wandelaar naar den Burg leidt, vindt men de
zoogenaamde Weezenwaterputten, bestaande uit eene wel, welke aan den
voet van eenen uitgestrekten heuvel ligt, en altoos milden voorraad
geeft van zeer helder en zoet drinkwater. Sedert 1600 voorzagen zich
al onze oorlog- en koopvaardijschepen, voor de uitreize, van dit
water, waardoor het Algemeen Weeshuis van Texel, als eigenaar, een
ruim inkomen genoot. Sedert de verlegging van de scheepvaart naar het
Nieuwe Diep, heeft deze water-proviandering grootendeels opgehouden,
en het is te voorzien, dat zulks eerlang geheel zal ophouden.

Links van deze putten, ligt de buitenplaats Brakenstein met een fraai
uitzigt. De heerenhuizing is tegenwoordig onbewoond. De hofstede
wordt door eenen landman bewoond. Voor eenige jaren stond aan de
andere zijde van het Schildpad, het buitengoed Rozenhout, dat in 1740
door den Heer Roozenboom werd aangelegd. Het is thans geamoveerd en
vervangen door de hofstede de Weezenplaats, welke tot de bezittingen
van het Weeshuis op Texel behoort.

Op nagenoeg 1/4 uur ten westen van de voornoemde putten; en aan den
tegenoverliggenden voet van denzelfden heuvel, is eene kolk van zoet
water, reeds door zekeren Dirk Burger van Schoorl, in de Chronijk
van Medemblik vermeld. Het is opmerkelijk, dat deze kolk, zelfs bij
de langdurigste droogte, niet vermindert, noch bij de aanhoudendste
regen vermeerdert.

De Hooge berg of heuvel, welke men tusschen Het Oude Schild en den
Burg vindt, had voor 1481 eene aanzienlijker hoogte. In gemeld jaar
werd hij meer gelijk gemaakt en tot een kerkhof aangelegd, waarop,
volgens sommigen, eene kapel werd gebouwd, welke den 1sten November
des jaars 1482 aan St. Catharina werd toegewijd. Sedert twee en
een halve eeuw is die kapel niet meer in wezen.--In het laatste
gedeelte der voorgaande eeuw, zijn daar ter plaatse twee koperen
kerkkandelaars gevonden, welke in een daarliggend dijkje verscholen
waren.--Van den top dezer hoogte, heeft men het fraaiste gezigt
over het geheele eiland. Vroeger lagen er op deze hoogte een paar
boerengehuchten, waarvan thans echter niet meer dan een paar woningen
overig zijn. Ter plaatse waar men in Het Oude Schild, het binnenpad
(het Schildpad) inslaat, dat naar den Burg strekt, ligt eene kleine
buurt, de Jeneverbuurt geheeten; van waar deze naam zijnen oorsprong
ontleent, heb ik niet kunnen gewaar worden. Welligt dat hier eenige
herbergen hebben gestaan, waarin de manschappen, welke hier voor de
schepen water kwamen halen, zich van verversching hebben voorzien.--



2. De Burg of Burgt.

De Burg of Burgt, de voornaamste plaats op het Eiland Texel,
was, blijkens privilegie van 26 Maart 1414, reeds voor eeuwen, de
hoofdplaats van het eiland.--

De stichter van dezen Burg was, zoo men wil, de Romeinsche Veldheer
Drusus, waarvan het bewijs nog aanwezig is, zoo in den naam der
plaats zelven, als in de grafheuvels en andere oudheden, welken,
in deze streken gevonden, van het verblijf der Romeinen in dezen
omtrek getuigen.

In vroegeren tijd, schijnt de Burg omgeven te zijn geweest met wallen,
schansen en poorten, een en ander ingesloten door eene breede gracht,
van welke thans nog eene ondiepe, den Binnenburg gedeeltelijk
omringende sloot, is overgebleven. [26]

De kom van het tegenwoordige dorp De Burg, waarbij men twee korenmolens
en eene pelmolen, en waarin men twee grutterijen heeft, telt thans
272 huizen, bewoond door 1359 zielen, terwijl daarenboven nog ruim 50
boerenplaatsen met ongeveer 260 bewoners, tot zijn gebied behooren.--

De ligging van dit dorp, ten Noorden op 4, ten Westen op 2 uren,
en ten Oosten en Zuiden op 1 uur afstand van de zee verwijderd,
is aan alle zijden regt bevallig te noemen, en inzonderheid is het
voorkomen van Den Burg, aan den kant van het Schild-pad, allezins
fraai, aangezien de smaakvolle woningen bevallig onder het lommer
van hoogopgaand geboomte verscholen liggen. Het dorp is regelmatig
aangelegd, bijna in den vorm van eenen cirkel, waarvan de kerk der
Hervormden het middelpunt uitmaakt. Dit gebouw, op het hoogste gedeelte
van Den Burg gelegen, is, ofschoon reeds zeer oud, echter nog zeer
hecht en van zwaar metselwerk voorzien. Het heeft een koor waarvan,
volgens eene aanteekening, in 1470 de eerste grondslagen gelegd werden,
en dat omstreeks 1481 volbouwd werd. In 1539 viel de spits van den
toren in, die eerst in 1604 van steen weder werd opgetrokken. Het
geheele gebouw is, binnenwerks, lang 34.25 Ned. ellen, en heeft
bij eene breedte van 18, eene hoogte van 21 ellen.--Haar inwendig
gedeelte prijkt met eenen fraai bewerkten predikstoel en een schoon,
welluidend orgel.--Vroeger hingen er vele wapenborden in van het oude
geslacht der Neijenburgen, terwijl de daaraangebragte versierselen
betrekking hadden op zeeofficieren, die in de zeeslagen van 1666,
en daaraanvolgende jaren, gesneuveld, en hier begraven zijn.--Naast
den predikstoel hangt een bord, waarop het volgende geschreven staat:


                                Dit Bort
            is aan deese kerk verëerd tot een gedagtenis aan
       Lijsbet de Bruijn, vroedvrouw, overleden alhier MIC[C]CCI.
                       Hier rust zij die 27 jaar
                  Haar dienst nam trouwelijk hier waar
            En drie jaar buiten, tot God Haar door de dood.
        Tot droefheid van mans en vrouwen, weer 't huis ontboot.
               Lijsbeth Jans heeft gehaald 1765 kinderen.


terwijl op eene zerk dit zonderlinge grafschrift staat uitgehouwen:


    Wie dat A. H. D. dit graf beschouwt, en denkt op de uitverkooren,
    wat dat dit voorbeeld is, dat niemand kan ontgaan, de geessel
    van Gods roe deed ons van D' dood ontslaan, doen Christus voor
    ons leed door Dirk van Hagendoorn.


De kerk vroeger zonder zoldering of verwulf, werd in 1851 van een
houten plafond voorzien. De toren heeft, met de spits, eene hoogte van
ruim 37 ellen. Van den omgang heeft men een zeer schoon gezigt over
het geheele eiland.--Volgens een oud handschrift, was de kerk vóór
de Hervorming gewijd aan den H. Johannes den Dooper, doch volgens
eene andere oorkonde, welke meer met de waarheid schijnt overeen te
komen, en afkomstig is van den 60e Bisschop van Utrecht, Georgius
van Egmond, wordt gezegd, dat zij op den naam van Paus Sixtus is
ingewijd. In later tijd, en bepaaldelijk ten tijde van Filips den
Goede, Hertog van Bourgondië, is zij met Onze Lieve Vrouwe Kapittel
te 's Gravenhage vereenigd. Er was een altaar in van St. Anna, en
een St. Anna's Gilde, alsmede een altaar van St. Jacobus, waaraan
eene vikarij was verbonden, welke door de Graven van Holland begeven
werd.--Gemelde vikarij was belast met twee missen per week, en bragt
jaarlijks 16 rijnguldens op.--Deze kerk daarna, ter oorzake van
bloedstorting, onder het interdict vervallen zijnde, werd daarvan,
door de reeds genoemden Georgius van Egmond, bij eenen openen brief
ontheven. In dezen brief gaf hij aan de hoofdlieden van St. Anna's
Gilde en van de kerk aan den Burg, verlof, om in die kerk de misse
op eenen gewijden draagsteen te doen lezen.--

De Roomsch-gezinden, welke hier ruim 460 in getal zijn, maken, met die
van de Koog en de Waal, eene gemeente uit. Zij bezitten hier eene zeer
nette kerk, welke aan den H. Johannes den Dooper is toegewijd; staande
aan de westzijde van het dorp. Het orgel is in 1840 vernieuwd.--

Vroeger stond op eenigen afstand van het dorp, op de eigenlijke hoogte
van den zoogenoemden Hoogen berg, eene kapel, welke, naar men wil,
tot het Klooster der Tempelieren behoord heeft.--Dit gevoelen wordt
echter wederlegd door anderen, die de plaats van dat Klooster elders
aanwijzen, namelijk in den polder Gerritsland. Deze kapel is later
tot een woonhuis of herberg ingerigt, en diende tot een baken in de
Zuiderzee. De tand des tijds heeft echter ook op dit gebouw zijnen
vernielenden invloed zoo zeer uitgeoefend, dat daarvan in 1800 zelfs
geen spoor meer overig was.

De Doopsgezinde gemeente, welke op Texel 450 leden telt, is vereenigd
met die van Waal en Oostereind. Zij heeft hier eene ruime kerk;
doch zonder orgel of toren.--

Het vroegere Raadhuis aan Den Burg, een ouderwetsch en zeer bekrompen
gebouw, welks stichting van het jaar 1611 dagteekent, is in 1841 door
een ander gebouw vervangen, dat als Raadhuis allezins doelmatig kan
genoemd worden. Inzonderheid trekt de zoogenaamde Raadzaal de aandacht,
zoowel door hare ruimte, als door hare smaakvolle versiering.--Men
vindt in een der vertrekken twee levensgroote portretten van de
Nederlandsche vlootvoogden De Ruiter en Tromp. In de nabijheid van
het Raadhuis staat eene, sedert 1836 herbouwde, overdekte vischmarkt.--

In de nabijheid der Hervormde Kerk, in het Zuidoostelijk deel van het
dorp, stond vroeger een Nonnenklooster, waarbij een kerkje, toegewijd
aan de H. Agnes. Dit klooster, in 1572 door de bewoneressen verlaten
zijnde, werd door Prins Willem I aan het eiland Texel afgestaan, om het
tot een Algemeen Weeshuis in te rigten; waartoe het nog dient.--In de
archieven van dat gesticht bevindt zich nog een geschrift, waarbij
de overgifte van meergemeld gebouw beschreven staat, en tevens
een naïf verhaal bevat van de rampspoedige reis der twee Texelsche
burgemeesteren, in 1573 naar Delft, aan den Prins gecommitteerd, om
het St. Agnieten Klooster, gelegen binnen Den Burg, tot een Weeshuis
te verzoeken.

De bekwame en ijverige Archivarius Dr. P. Scheltema, maakt ook
melding van dat stuk, in de Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis en
Oudheidkunde, deel IX, alwaar wij het volgende lezen:

"Het Huis op het Eiland Texel, hetwelk eertijds gebouwd was door de
Gravin van Holland, genaamd Vrouw Jacoba, plagt na haren dood bewoond
te worden door den Schout van Texel. In het jaar, toen men schreef
1571, is er een groot oproer gerezen in den lande van Holland,
te weten, tusschen de twee partijen die genoemd worden, de eene
partij, de Papisten, en de andere, de Geuzen. Dit was ter oorzake
van de religie.--De Geuzen hebben met vier en dertig oorlogschepen
alhier in het Marsdiep gelegen, en zijn met hunne magt aan land
gekomen. Zij hebben tegen die van den Burg gevochten, en de burgers
moesten de vlugt nemen. Toen werd het voorzegde huis verbrand. Na
dien tijd was er een officier, genaamd Jacob de Koning, van Haarlem,
die in den Haag, aan de kamer van de rekeningen in Holland verzocht,
om zijne woonplaats te mogen hebben, in het klooster aan den Burg,
hetgeen hem bij provisie vergund werd. Wanneer de burgemeesteren van
Texel dit vernamen, is daarop vergaderd het oude en nieuwe geregt,
in den jare toen men schreef 1573. Eendragtelijk is besloten en
geordonneerd, dat men de twee burgemeesteren zou committeren, om
te trekken naar den Prins van Oranje, als toen zijnde Stadhouder
van Holland, bij afwezigheid van den Graaf van Holland, Koning van
Spanje, genaamd Philippus, den zoon van den Keizer Carolus Quintus,
ten einde het voorzegde klooster te mogen verkrijgen tot een weeshuis,
zoo ook de renten daarvan. Derhalve zijn de twee onderschreven mannen
daartoe gecommitteerd.

Alstoen was er een groote oorlog in Holland, zoodat de eene stad
tegen andere opstond, en het eene dorp tegen het andere, alzoo was
in dien tijd de stad Haarlem vijandig tegen het eiland Texel.

De Haarlemmers hadden hunne vrijbuiters liggen bij Zandvoort, voor
het duin. Deze voeren met kagen en schuiten op zee, om de schepen te
nemen, die uit het Marsdiep naar de Maas voeren. Om deze vrijbuiters
te vermijden, zijn de voorschreven mannen met een galjoot zoo verre
van het strand afgevaren, dat wij slechts even de duinen boven het
water mogten zien toppen.

Wanneer wij omtrent Zandvoort waren, zoo is er een Schip uit zee
gekomen, naar ons toehoudende. Bij ons gekomen, bleek het een
vrijbuiter te zijn.

"Op het Schip stond de kapitein met een slagzwaard, het zwaaijende
met beide handen. Hij riep met luider stemme, dat wij onze zeilen
zouden strijken, en liet met bassen en roeren door de zeilen en de
schuit schieten, zoodat de laatste lek werd, en het water er door heen
liep. Toen dacht hij ons te overzeilen. Een man uit ons schip riep:
"Voor wien zullen wij strijken, voor den Prins van Oranje of voor
den Duc d'Alba?" De kapitein antwoordde: "Ik weet van Prins, noch van
Duc d'Alba, strijk!" In onze schuit was de vrouw des schrijvers van
den graaf van der Marck; deze riep uit: "Schipper, strijk, want ik
ben geschoten!" Ik, Hendrik Albertsz, zat ter zijde van die vrouw,
en het water liep van het schieten tusschen ons beiden door de schuit.

Achter werd bij den man, die aan het roer stond, een stuk uit het
boord geschoten. Wanneer de vrijbuiter ons zoo na kwam, riepen wij
allen te gelijk: "Schipper, strijk!" en toen streek onze schipper
het zeil. Daarop leiden zij bij ons aan boord en overvielen ons met
rapieren in de hand en met rondassen voor de borst. Ons slaande, zeiden
zij: "Fluks over in ons schip!" Allen moesten wij te gelijk over,
niet wetende, in wiens handen wij waren. Ik Hendrik voorschreven,
kreeg een' slag met een rapier op mijn schouder, zoodat ik meende,
mijn' arm kwijt te wezen, doch tot mijn geluk had men mij met het
plat geslagen. Toen waren wij al te zamen gevangen. Wij waren vier
of vijfentwintig personen sterk, en moesten allen in het vooronder
van het oorlogschip. Bij het overklimmen viel er een man over boord,
het was een brievendrager van des Prinsen broeder, graaf Lodewijk,
die met brieven uit Duitschland van Nassau kwam. Als wij hen gebeden
hadden, dat zij hem bergen zouden, kregen zij hem vast aan een
touwtje, waarmede hij opgehaald werd, maar zijne brieven wierpen
zij in zee. "Daarover moet God zich erbarmen," zeide de bode, "daar
hangen landen en luiden aan!" De voorzegde schrijversvrouw gevraagd
zijnde, of zij gekwetst was, antwoordde: "Ik ben geschoten door mijne
kleederen, doch niet gekwetst." Terwijl wij nu als gevangen waren
in het donker van het schip, zoo kwam er door een luikje, hetwelk
zoo groot was, dat er juist eene hand door kon, eene stem, zeggende:
"Is er ook iemand van de gevangenen, die geld heeft, deze geve het
aan mij, want ik ben een gevangen man, even als gij zijt; gij zult
allen straks geplunderd worden. Ik ben een schipper uit Waterland,
zij zijn met mijn schip weggezeild; en als gij mede geplunderd
zijt, zal ik met ulieden aan land varen." Maar niemand van ons
gaf hem zijn geld, hem niet betrouwende, en denkende, dat hij een
vrijbuiter was. Toen deed hij het luikje weder toe, en ging van ons
weg. Kort daarop werd er een groot luik open gedaan, en men zeide
tot ons: "Laat een van de gevangenen voorkomen!" doch elk vreesde
om de eerste te zijn. Eindelijk ging er een van de voorsten, die
geplunderd en doorzocht werd. Daarna moest er weder een ander komen,
tot den laatsten toe. Niemand mogt iets behouden, dan de noodigste
kleederen. Al wat los was, namen zij ons af, tot mantels, hoeden en
linnen toe. Echter behielden wij tot ons geluk onze brieven, daar wij
blijde over waren, wegens de zaken beroerende het klooster, hetwelk
wij tot een weeshuis wilden verkrijgen, en nog meer andere brieven
van 's lands zaken. Toen wij geplunderd waren, moesten wij weder in
de lekke schuit. Wij stopten de lekken zoo goed mogelijk, en maakten
de schuit weder zeilreê. Zij lieten ons daarop drijven, zonder dat
wij iets behouden hadden. De zeeroover kwam vervolgens nog eens naar
ons toe zeilen. Wij hadden eenen man in onze schuit, die de kapitein
van het schip kende. Hij zeide, dat het een Engelsche zeeroover was,
kapitein Jonge Jan Grijsveld. Alzoo kwam dezelfde zeeroover met zijnen
voorsteven naar de zijde van onze schuit zeilen, zoodat wij niet anders
dachten, of hij zou ons overzeild hebben. Waarop wij overluid riepen;
"Heer! in uwe handen bevelen wij onzen geest." Toen met den steven
bij onze schuit komende, leide hij zijn roer over en schampte van de
schuit af, al stootende en rakende. De roovers zwaaiden met de hoeden,
tot schimp en spot over hunnen geroofden buit, en wij bedankten hen,
dat zij ons nog gegund hadden het leven te behouden. Daarna voeren
zij van ons af. Vervolgens kwam er eene krabbeschuit uit de Maas,
welke hij straks weder aan boord klampte, deze doende gelijk hij ons
gedaan had. Later voer hij uit ons gezigt.

Voortzeilende zagen wij weder een oorlogschip en daarbij komende
bevonden wij het een boeijer te zijn. Daarop stond weder een
kapitein met een slagzwaard te schermen. Wij voeren naar hem toe,
denkende, dat wij nu toch niet meer konden verliezen, dan alleen het
leven. Het schip liet een vaandel waaijen, zijnde een prinsenvlag;
het was dus van de vrienden. Het kwam uit de Maas. Wij vertelden aan
den kapitein ons avontuur en ongeluk, hem verder wijzende den koers,
dien de vrijbuiter genomen had.

Het oorlogschip ging terstond derwaarts, doch kreeg hem niet. Wanneer
wij voortzeilden, zoo kwam er een zwaar onweder op van donder
en bliksem, regen en wind. Daar de duistere nacht op handen was,
moesten wij dus het naaste land of strand kiezen. Door en door nat
van den zwaren regen en het overslaande zeewater, landden wij op eene
onbekende plaats. Echter was er onder de manschappen een bode van
Jonkheer Sonoij, die aan de duinen bemerkte, dat men niet verre van
Ter Heide was, en zeide, dat aldaar eenige visschers-huisjes stonden,
waarin wij den nacht konden doorbrengen. Voortloopende ontmoetten wij
eenige visschers, verjaagd door de Spaansche soldaten. Zij waren ook
door hen van alles beroofd, en vermogten alzoo niet ons te helpen,
daar twee naakten elkander niet kunnen dekken. Wij zochten toen
wat helm en rijs, maakten vuur, om ons te droogen en wat te warmen,
tot het dag werd, en hielden wacht tegen de Spanjaarden.

's Morgens gingen wij langs het strand naar Scheveningen. Daar komende,
vonden wij er vele wachters, gesteld zijnde tegen de Spanjaarden. Bij
onze aankomst werd er over onze manschap alarm in het dorp geroepen,
doch wanneer wij naderbij gekomen waren, zonden die van Scheveningen
twee mannen naar ons, en wij desgelijks twee naar hen. Zij vernamen
toen, dat wij geene vijanden waren, maar vrienden. Wij vertelden hun
onze passagie, zoo als die door ons bevorens gemeld is, en gingen toen
verder naar den Haag, waar wij aan kennissen, welke wij aantroffen,
geld ter leen vroegen; doch het werd ons afgeslagen. Van daar gaande
naar Delft, vonden wij de Staten van Holland. Wij gingen bij den
Secretaris van deze, Koenraad de Regteren, en verhaalden hem het
voorgevallene. Hij heeft ons geleend twaalf guldens. Ook schreef hij
ons een request, dat wij overgaven aan den Prins van Oranje, rakende
het verzoek van het klooster, om het te hebben tot een weeshuis,
hetgeen ons is vergund, blijkens de apostille en het octrooi, daartoe
verkregen. Doch vermits de Prins te Dordrecht was, hebben wij hem
zoo verre moeten volgen, keerende van daar weder naar Delft terug,
tot het werk zijn volle beslag verkreeg. Ziende evenwel dat ons op
nieuw geld ontbrak, zijn wij overeengekomen, dat Kemp Albertsz. naar
huis zou gaan, om nog eenig geld te halen; terwijl ik nog twee of drie
dagen te Delft moest vertoeven, om nader bescheid te bekomen; hetwelk
klaar zijnde, zoude ik verder naar den Briel gaan. Later uit mijne
herberg op de markt komende, ontmoette ik weder Kemp Albertsz. Als
ik hem mijne verwondering daarover te kennen gaf, verklaarde hij mij,
niet te kunnen vertrekken, wegens het ongestadige weder. Toen gingen
wij te zamen naar den Briel. Als wij daar gekomen waren, was ons
geldje verteerd op éénen stuiver na.

Wij gingen daarop de stad in, om, was het mogelijk, nog eenig geld
te leenen, maar het werd ons weder geweigerd. Aldus ongetroost naar
het Hoofd wandelende door het gladde slijk, moest ik een smal houten
bruggetje over, waarvan ik door de gladdigheid afviel.

Naakt en koud, zonder geld of pand, waagde ik het evenwel in de herberg
te gaan. Terwijl ik mij daar zat te droogen, kwam er een schip van
Rotterdam aan, geladen met turf, waarvan de schipper een Texelaar
was, wonende te Oosterend, genaamd St. Anna. Zeer waren wij verblijd,
omdat hiermede voor ons ontzet kwam.

Wij voeren toen met hem naar Texel, hebbende in alles onzen wensch
verkregen. Nooit zal God de zijnen verlaten, die naar het goede
trachten en op Hem vertrouwen.--Zoo is dan het weeshuis verkregen,
den 15 September in het jaar 1573, blijkende bij het request en de
apostille, gegeven ter ordonnantie van den Prins van Oranje en de
raden, neffens hem wezende. In kennisse der waarheid, zoo hebben wij
Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz. het stuk beiden onderteekend,
den 5 Januarij 1585, nieuwe stijl."

Het was onderteekend met het merk van Kemp Albertsz. en Hendrik
Albertsz, geboren aan Den Burg op Texel."

De in dat Weeshuis opgenomen kinderen, gingen hier, tot na de Revolutie
in 1795, half groen en half zwart gekleed, en van daar nog het oude
spreekwoord:


                "Groen en zwart
                Is Texel in het hart."


Naar men wil, zou dit gebouw omstreeks het jaar 1203, gedurende
eenigen tijd tot gevangenis hebben gestrekt aan de rampspoedige
Gravin Ada. [27] Nog heden vertoont men er haar portret in olieverw,
dat waarschijnlijk reeds vóór twee (?) eeuwen werd vervaardigd. In
eenen aan het Weeshuis ten Oosten belendende, en door Regenten van
dit gesticht in 1830 aan eenen partikulier verkochten schuur, geleid
men den vreemdeling in het Zuidelijke gedeelte daarvan, langs eene,
deels vervallen, steenen wenteltrap van zeven treden, door eene zware
eikendeur, in een onderaardsch gewelf, dat bij eene lengte van 4.86
ellen, eene hoogte van 2.15 ellen en eene breedte van 4.19 ellen
heeft. Dit ongevloerd en van roode moppen stevig gebouwde gewelf, zou
de eigenlijke gevangenis van Ada geweest zijn. Meer waarschijnlijk
echter is het, dat dit gewelf voormaals tot eene kloostergevangenis
heeft gestrekt; althans, eenige in den muur bevestigde, zware ijzeren
krammen, pleiten voor deze onderstelling.

Behalve het opgenoemde, heeft men aan Den Burg, achter het Raadhuis,
een smaakvol aangelegd plantsoen van jonge boomen, dat, als algemeene
wandelplaats, door de bewoners van Den Burg in den zomer veel wordt
bezocht. Aan de Westzijde van het dorp staat een ruim gebouw, met
het opschrift: Gesticht van Weldadigheid, dat bepaaldelijk ingerigt
is tot opneming en verzorging van kranken en behoeftigen, tot geene
kerkelijke armbedeeling van het eiland behoorende, of hun domicilie
van onderstand elders hebbende, in welk laatste opzigt vooral, deze
liefdadige inrigting meermalen van uitstekende dienst is geweest. Ook
plagt er een Gasthuis te zijn, waarin reizende landloopers drie
dagen verblijf konden houden. Dit is later tot een Oud Mannen- en
Vrouwenhuis voor Gereformeerde Ledematen ingerigt, en stond aan het
einde van de tegenwoordige Gasthuisstraat.--Nog bestaan hier vier
zoogenoemde Afdeelingen Armenkamers, zijnde liefdadige gestichten,
met het doel, om daarin een zeker aantal oude lieden van beiderlei
kunne, om niet huisvesting, brandstof en andere ondersteuning te
verschaffen; welke Armenkamers zeer waarschijnlijk overblijfsels zijn
van een vroeger hier bestaand hebbend Heilige Geesthuis. [28] Voorts
bestaat er eene Afdeeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen,
in 1822 opgerigt, en thans ongeveer 40 leden tellende,--eene Afdeeling
van het Zendeling-genootschap;--eene Subcommissie der Maatschappij
van Weldadigheid met 40 leden;--eene Afdeeling van het Nederlandsch
Bijbel- en Tractaatgenootschap; een Zanggezelschap; als ook eene Bank
van Leening.--

Ten behoeve van het openbaar onderwijs bestaat hier eene zeer goed
ingerigte lagere school, welke gemiddeld door 185 leerlingen wordt
bezocht, benevens een Fransche school, die thans ruim 30 leerlingen
telt.



3. Het Horntje.

Het Horntje was vroeger een gehucht in de nabijheid van het dorp
den Hoorn, gelegen op de Z. W. punt van het eiland. Van tijd tot tijd
afgespoeld en gesleten, staat er nu nog slechts ééne bouwmanswoning. In
het begin dezer eeuw stond hier nog een zoogenaamd Lazaret, of
Quarantaine inrigting, doch deze is sedert lang in den Oceaan
bedolven. Voor omstreeks 150 jaren waren de hier liggende duinen,
de hoogste van Texel.--In de vorige eeuw werd een zanddijk gelegd,
welke echter, door den hoogen vloed van den 27sten November 1776,
geheel weggeslagen, doch later weder hersteld werd.

Tusschen de voorschreven duinen en de Hors, lag vroeger eene kil of
kreek, welke bij noodweer, den schepen tot eene veilige ligplaats
verstrekte. De Amsterdamsche kooplieden vooral, stelden in het behoud
dier kil het grootste belang, en besteedden jaarlijks aanzienlijke
sommen, om de Hors des zomers met rijs en stroo te doen bekrammen, en
daardoor de kil diep te houden; doch hunne pogingen waren te vergeefs;
want één stormgetijde in het najaar, sleepte menigmaal den geheelen
arbeid weg, zoodat men ten laatste van de verdere bekramming heeft
afgezien, waardoor die kil nu genoegzaam geheel droog geworden of
verzand is.--In de nabijheid van het Horntje stond vroeger eene hut,
welke tot woning verstrekte voor die lieden, welke de smelt vingen,
een vischje dienende tot aas voor den kabeljaauw.



4. Hoorn of den Hoorn.

Hoorn, Den Hoorn, of In Den Hoorn, een dorp, geheel in de lengte
gebouwd en op een uur afstand van den Burg gelegen, stond vroeger
onder het aanzienlijke dorp Den Westen, welke combinatie, gelijk
sommigen willen, alleen betrekking had op het kerkelijke, naardien
Den Hoorn toen slechts eene kapel bezat. Maar sedert Den Westen
bijna geheel vervallen, en de kerk, (waarvan men de grondslagen nog
aanwijst) geslecht is, heeft men alle kerkelijke goederen aan Den
Hoorn getrokken. Tot 1838 mogt dit dorp, na Den Burg, het grootste
der Texelsche dorpen heeten. De toen plaats hebbende organisatie van
het loodswezen, deed deze plaats zeer in verval geraken, welk verval
nog dagelijks toeneemt, zoodat het dorp Den Hoorn, met Den Westen
vereenigd, niet meer dan 167 woningen, en 828 inwoners telt, welke
zich hoofdzakelijk op landbouw en veeteelt toeleggen.--Tegenwoordig
strekt Den Hoorn nog tot verblijfplaats aan de bemanning van vier
Buitengewone Loodsschuiten van Texel, welke aldaar, met eenen
Onder-Commissaris van het loodswezen, woonachtig zijn.--

De gemeente welke voor het meerendeel uit Hervormden bestaat, waarvan
men er hier 560, waaronder 260 ledematen, telt, maken eene gemeente
uit, welke tot den Ring Den Burg op Texel behoort.--

Nadat den Hoorn eerst bediend was door den predikant van het geheele
eiland, verbleef het bij Den Burg tot aan 1619, toen het een eigen
predikant bekwam in Willem Barents, die echter in het volgende jaar
reeds overleed. Gedurende de dienst van Aris Goossen, te Burg en Hoorn,
welke in 1599 beroepen en in 1624 Emeritus werd, is Den Hoorn derhalve
van Den Burg gescheiden.--De Hervormde kerk was vroeger eene kapel,
welke later eene parochiekerk werd. Deze kerk is een klein, doch
betrekkelijk hoog gebouw zonder orgel, doch versierd met eenen spitsen
toren, welke tot baak in zee dient, en daarom door het Departement
van Marine onderhouden wordt.

De gemeente der Doopsgezinden alhier, staat geheel op zich zelve,
en telt ongeveer 60 ledematen, met een eigen leeraar en een klein
bedehuis, dat aan den ingang van het dorp staat.

De Roomschgezinden, die hier bijna evenveel communicanten tellen,
zijn kerkelijk vereenigd met die gemeente aan Den Burg.

Het aantal leerlingen der openbare school bedraagt 90 à 100.

In 1744, toen Den Hoorn zich in eene algemeene welvaart mogt
verheugen, werd er een gasthuis voor onvermogenden gesticht, terwijl
Mejufvrouw Aaltje de Keijzer, weduwe van den Predikant dezer gemeente
Hendrik Schutte, in 1839, een huis en tuin vermaakt heeft, om tot
predikantswoning te dienen.

Vooral is Den Hoorn bekend als de geboorteplaats van den beroemden
dichter en romanschrijver Loosjes, die hier den 15 Mei 1761 het
levenslicht aanschouwde.--

In de nabijheid van Den Hoorn plagten vroeger twee bedijkte polders te
zijn, de Binnen- en Buitenkuil genoemd, waarvan de eerste nog bestaat;
terwijl de laatste reeds lang vernietigd is.--

Zuidwaarts van daar, stond oudtijds nog een dorp, den Ouden Hoorn
genoemd; dit dorp is echter reeds in 1398 door de Friezen verbrand.--



5. Het voormalige dorp Den Westen.

Weinige zijn de overblijfsels van dit oudtijds zoo schoone dorp,
dat thans vereenigd is met Den Hoorn.

De overgebleven groote en hooge Westertoren, waarvan in 1710 de spits
is afgeslagen, en de weinige, hier en daar verspreid staande, huizen,
doen ons vooronderstellen, dat Den Westen vroeger een der voornaamste
dorpen van het eiland moet geweest zijn.

Men zegt, dat bij eene landing der Watergeuzen, in het begin van
Maart 1571, het huis van den schout en de kerk zouden verbrand zijn;
ook dat het dorp Den Westen, door de Spanjaarden verbrand zoude
zijn, waarvoor echter geen andere grond van waarschijnlijkheid is,
dan dat er voorheen, omtrent Den Hors, een inham is geweest, het
Spanjaardsgat genoemd. In 1514 was hier zekeren pastoor Willem van
Alkmaar, die hier een huis benevens 18 morgen en 22 perceelen lands
in eigendom bezat; en ofschoon hij in zijne pastorij niet woonde,
trok hij nog 66 Rijnguldens 's jaars.

Niet verre van den Westertoren ligt het eenige gewijde kerkhof
van Texel.

Op den 31 December telde men hier slechts 15 huizen met 84 bewoners.



6. De Koog.

Dit plaatsje, 1 1/4 ure van Den Burg verwijderd, telt tegenwoordig
slechts een 17-tal huizen, bewoond door ruim 70 menschen. Het
ligt in eenen lossen zandgrond, is onbestraat, en zonder boom of
heester.--Volgens hetgene mij verhaald werd, was dit dorpje weleer
eene zeer bloeijende plaats, alwaar zich vele menschen gevestigd
hadden, die zich van de toen aldaar uitgebreide visscherij
onderhielden. Inzonderheid bloeide dit dorpje, toen de groote
visscherij of walvischvangst haren hoogsten top bereikt had, toen
een aanzienlijk getal commandeurs van de Groenlandsvaarders hier hun
verblijf hielden, en leven en welvaart over dit dorp verspreidden;
ja, men zegt, dat de Koog vroeger zelfs de hoofdplaats des eilands
moet geweest zijn, 't geen echter te betwijfelen is, aangezien Den
Burg, oudtijds versterkt en met poorten voorzien, meer tot verblijf
der regering, en dus tot hoofdplaats, geschikt was.--

Dan, wat daarvan ook zijn moge, het afnemen door de zee, van
uitgestrekte buitenlanden of uiterwaarden, ten N. W. van De Koog,
het verval of verplaatsen der visscherij en scheepvaart, enz. heeft
deze plaats bijna geheel doen verdwijnen; en het is alleen aan de
overgeblevene kerk, den rang van dorp nog te danken, daar het, na de
zeer belangrijke afneming in de laatste 50 of 60 jaren, naauwelijks
op den naam van gehucht aanspraak zoude kunnen maken.

Aan De Koog is zelfs geen spoor meer overig van de visscherij en
zeevaart, vroeger zijne mildvloeijende bronnen.

De weinige inwoners, welke zich thans hoofdzakelijk op de veeteelt,
en bepaaldelijk op de schapenfokkerij toeleggen, leven zeer
eenvoudig. Jammer maar, dat de gesteldheid van den grond in deze
streek, zoo schraal en door gebrek aan behoorlijke waterleiding zoo
ongezond, of, zoo als men hier zegt ongans, is. Vooral noordwaarts
van hier, op het zoogenaamde Koogerveld, vindt men moergronden met
pollen en spichtig gras.

Het Kooger kerkje is een vrij net, doch klein steenen gebouw, voorzien
van een houten koepeltorentje en uurwerk.

De eerste leeraar welke hier het predikambt bekleedde, was Petrus
Serooskerke, die hier in 1632 beroepen werd, en in 1637 overleed.--Na
den dood van den predikant Henricus Lambertus Glasvoort, die op den 7
October 1808 overleed, zijn de Hervormden gecombineerd met de Waal. De
Roomschgezinden behooren tot de gemeente van Den Burg, terwijl de
weinige Doopsgezinden, mede tot die van Den Burg behooren.--Het aantal
leerlingen der openbare school aldaar, bedraagt gemiddeld 30 kinderen,
zoo van het dorpje zelf, als van het omliggende veld.--

Oude lieden weten, bij overlevering, dat de Koog zich heeft uitgestrekt
tot de oude kerk, welke echter, blijkens de afbraak en het kerkhof,
slechts klein moet zijn geweest.

De visschers geven den naam van Noord-Koog aan eene plaats in de
Zuiderzee, Z. Z. O. van De Koog gelegen, waar men, naar men zegt,
nog heden eenen weg van duifsteen vindt. Dezelve ligt ééne mijl van
den Texelschen wal af, en is, naar gissing, 3/4 mijl lang. Deze plaats
wordt ook wel de Straat genoemd.--



7. Oostereind.

Dit dorp, ook wel Oosterend of Oosteinde genoemd, ligt 1 1/2 uur
N. N. O. van Den Burg. Het heeft, omgeven door veel houtgewas en
net aangelegde tuinen, geen onbevallig voorkomen, en bevatte, op 1
Januarij 1856, ruim 500 inwoners en 160 huizen.

Het is wel bebouwd, heeft de oostelijkste ligging, en is na Den Burg,
de grootste plaats des eilands; behoorende daartoe ook het gehucht,
Het Nieuwe Schild.

Oestervisscherij, veeteelt, en eenigen landbouw, maken de hoofdmiddelen
van het bestaan der inwoners uit. De Hervormden, het grootste
gedeelte der bewoners, maken eene gemeente uit, welke tot den ring
Burg op Texel, behoort. De eerste predikant, die hier het leeraarsambt
bekleedde was Wessel Verruhert, in 1666 daar bevestigd, en in 1702
overleden. Vóór de Reformatie was de kerk toegewijd aan St. Martinus,
en werd begeven door de Graven van Holland. Over deze begeving ontstond
weleer twist tusschen den Stadhouder der Graven en den onderpastoor
van Haarlem, welke laatste beweerde, de pastorij verkregen te hebben
van den Heer van IJsselstein, als Stadhouder van Holland, terwijl de
aanstelling gehaald moest worden bij den Aartsdiaken der Utrechtsche
kerk.--Deze pastorij was toen belast met eene laste van zestig of
zeventig Rijnsche guldens, (f 80 à f 90); doch de pastoor die er zijn
verblijf hield, genoot daarvan niet meer dan vier pond groot (f 4.).

Ook het kosteraat werd door de Graven begeven en had een half morgen,
dat gemiddeld eene som van drie Rijnsche guldens (f 4,20), opbragt. De
kerk is een groot kruisgebouw, welks muren meerendeels van duifsteen
zijn opgetrokken, en welks ouden zwaren duifsteenen toren, die sedert
onheugelijke jaren van zijnen spits beroofd was, afgebroken en van gele
steen herbouwd is. Volgens eene overlevering, waarvan ook melding wordt
gemaakt in de Chronijk van Medemblik, moet in die kerk een beeld van
den Heiligen Nicolaas gestaan hebben, hetwelk zoo groot van omvang
was, dat de muur der kerk moest worden doorgebroken, om het er uit
te halen.--Dit beeld zou daarna op het kerkhof verbrand zijn geworden.

Verreweg het grootste gedeelte der huizen staat in eenen wijden kring
om de kerk gebouwd, en langs het kerkhof, dat met een muur omgeven
is, staat eene rij opgaande lindeboomen, welke de kom van het dorp
zeer versieren.

De leden der Doopsgezinde kerk, welke hier verblijf houden, behooren
tot de gemeente Burg- Waal- en Oostereind terwijl de R. K. tot de
gemeente aan Den Burg behooren.



8. Het Nieuwe Schild.

Dit gehucht, kerkelijk vereenigd met het dorp Oostereind, en van daar
1/2 uur verwijderd, werd vroeger hoofdzakelijk door loodsen bewoond,
die algemeen bekend stonden voor zeer ijverige, bekwame en koene
zeelieden, wier woonplaats hier zeer geschikt gelegen was om de
schepen te loodsen, die van Amsterdam kwamen en op den Vlieter lagen.

In dit gehucht, dat weleer een 50 tal woningen telde, zijn er thans
niet meer dan 4, te zamen bewoond door 35 zielen. De opkomst van het
Nieuwe Diep, welke eerst eene gedeeltelijke, en daarna eene algeheele
verplaatsing van den loodsmansstand ten gevolge had, was oorzaak van
het verval van deze plaats, die hare eerste opkomst te danken had aan
de overbevolking van het oude Schild. Oostwaarts van dit gehucht is in
1844 eene nieuwe haven aangelegd voor oestersvisschers, voornamelijk
bekostigd door Rijks- Provinciale- en Gemeente-subsidiën.--Bij
deze haven, die thans echter weder in verval is geraakt, is onlangs
eene ijzeren baak opgerigt ten dienste van de schepen, die, uit de
Zuiderzee komende, deze plaats passeeren.--Vroeger bestond hier eene
kleine helling om de loodsschuiten te herstellen, alsmede een gebouw
op steenen voet, hetwelk gebezigd werd als Magazijn, ter berging van
goederen, als ook van gereedschappen en bouwstoffen ter herstelling
van de dijken en zeeweringen.



9. Oost.

Even als het Nieuwe Schild, behoort ook het gehucht Oost, dat vroeger
Om de Oost werd geheeten, tot het dorp Oostereind. Waarschijnlijk
ontleent het dezen naam van wege zijne ligging op de Oostpunt van het
eiland. Het bestaat uit omstreeks 40 woningen en telt 268 inwoners,
welke deels in visscherij, deels in landbouw en veeteelt, hun bestaan
vinden. [29]--



10. De Cocksdorp.

Dit dorp, op het nu met Texel vereenigde Eijerland aangelegd, en aldus
genoemd naar wijlen den Heer J. J. de Cock, van Rotterdam, ligt 2 3/4
uur N. O. van den Burg, nabij de Roggesloot, op eenen zandgrond. Het
telde ten jare 1841 een 20-tal woningen met 120 bewoners; behalve de
school, die toen door 40 à 50 leerlingen werd bezocht, benevens eene
met vlas overdekte koren- en pelmolen, eene wagenmakerij, smederij
en broodbakkerij.

Sedert heeft deze plaats vele uitbreiding ondergaan, zoodat men er
thans 53 huizen en eene bevolking van 276 zielen telt; bevattende de
geheele polder Eijerland 140 huizen met 1000 bewoners.--Door deze
uitbreiding wordt de bovengenoemde school thans door 120 kinderen
bezocht, terwijl er in 1853, door het Gemeentebestuur van Texel,
eene tweede school en onderwijzerswoning in het zuidelijk deel van
den polder is gesticht, die gemiddeld 100 leerlingen telt.

De Hervormden, die tot de gemeente Eijerland behooren, hebben hier eene
kleine kerk en pastorie, welke beiden in 1839 zijn gebouwd. De eerste
is voorzien van eenen kleinen naaldtoren, terwijl den 19 Maart 1842,
eene particuliere woning, na tot een bedehuis voor de R. K. te zijn
ingerigt, ingewijd is en bediend wordt door pastoor G. van den Bosch.

De eerste leeraar, die bij de Herv. gemeente het leeraarsambt heeft
bediend, is Pieter Haesebroek, die in 1841 herwaarts beroepen is.

De net aangelegde begraafplaats ligt dáár, waar de dorpsweg zich door
eene bevallige kromming met den postweg vereenigt.--Vroeger stond
hier een groot steenen magazijn, dat thans is veranderd in eene
bouwmanswoning, Dijkzigt geheeten.

Men heeft te Cocksdorp ook eene Afdeeling der Maatschappij,
t. N. V. 't. A. dat in 1837 is opgerigt, terwijl er eene jaarmarkt
gehouden wordt op den tweeden Pinksterdag.

De bewoners vinden hun bestaan, deels in den landbouw, en deels
in de schelpvisscherij. Vele duizende kubiek ellen schelpen worden
jaarlijks door hen van de zandbanken, tusschen Texel en Vlieland,
gehaald, die naar verschillende oorden in ons vaderland, meerendeels
voor de kalkbranderijen en ook voor het aanleggen en onderhouden van
kunstwegen, vervoerd worden.



11. De Waal.

Ofschoon de tijd der stichting van dit dorpje niet met zekerheid te
bepalen is, zoo is het niet te min hoogst waarschijnlijk, dat het van
zeer ouden oorsprong is. De Hervormde kerk, die aan de Noordzijde nog
grootendeels uit duifsteen bestaat, en op eene aanmerkelijke hoogte
gelegen is, pleit o.i. voor eene oude stichting.--Ook de Doopsgezinden
hebben hier eene kerk, waarvan echter het in- of uitwendige niets
bijzonders oplevert.

Landbouw en veeteelt maken het hoofdbedrijf der 131 inwoners uit, die
hier in 32 huizen wonen en te zamen een 36tal huisgezinnen uitmaken. De
openbare school wordt gemiddeld door 40 leerlingen bezocht.

In het laatste gedeelte der vorige eeuw, werd alhier, beoosten het
dorp, eene tumulus of oude Romeinsche begraafplaats gevonden, waarvan
wij bereids gesproken hebben. [30]

Behalve de beschrevene plaatsen, zijn er nog eenige weinig beteekenende
buurtschappen op Texel, waarvan eigenlijk geene bijzonderheden zijn
mede te deelen. Het aantal huizen en bewoners is opgenomen in de
Staat van Bevolking, welke wij op bladz. 11 gegeven hebben.

Deze buurtschappen zijn:


   1. Zevenhuizen,    Noordwaarts gelegen van Oostereind.
   2. Harkenbuurt,    Z.O.waarts  gelegen van Oostereind.
   3. Spang,          N.O.waarts  gelegen van de Waal.
   4. Molenbuurt,     Noordelijk  gelegen van de Waal.
   5. Burgen,         Noordelijk  gelegen van de Waal.
   6. Dijkmanshuizen, Noordwaarts gelegen van het O. Schild.
   7. Zuidhaffel,     Oostwaarts  gelegen van den Burg.
   8. Westergeest,    en
   9. De Hooge Berg,  waarvan wij bereids gesproken
                      hebben, bij het O. Schild.



VIERDE HOOFDSTUK.

DE VOORNAAMSTE TEXELSCHE POLDERS.


1. De Prins-Hendrik-Polder.

Deze polder ligt in den Z. O. hoek van het eiland, en werd reeds ten
jare 1769, onder den naam van Polder Hoorn en Burg, ingedijkt. Deze
bedijking moest echter reeds spoedig zoodanig gewijzigd worden, dat
het middengedeelte van den dijk veelmeer binnenwaarts moest verlegd
worden, omdat door eene inbraak, eene groote diepte was veroorzaakt.

Ook in 1776 leed deze polder veel van stormvloeden, en werd in 1796
geheel geïnundeerd, en der baren prijs gelaten.--

Vóór dien tijd was hij hoogst waarschijnlijk voorzien van
eene uitwateringsluis, en werd droog gehouden door twee kleine
watermolens. Voorts bevonden er zich twee kapitale gebouwen, nabij den
Griedijk, waarvan de sporen lang zigtbaar zijn gebleven, en waarvan
het grootste den naam draagt van het Heerenhuis. Ook nabij de duinen,
is, in het huis Hooren en Burg, een overblijfsel van dien poldernaam
bewaard gebleven. De eigenaar van dit gebouw, dat door eenen dijk tegen
stormvloeden werd beveiligd, kocht in 1823, een gedeelte van de daarbij
liggende domaniale goederen, welke, liggende op eene hoogte van 0,70 el
boven vol zee, met elken stormvloed onderliepen. Er tierde echter eene
soort van fijn gras op, dat uitnemend voor schapenweide geschikt was.

Genoemde polder was door drie wegen doorsneden, onderling op gelijken
afstand van elkander verwijderd; terwijl een dwarsweg midden door
den polder, van den Griedijk naar den buitendijk, was opgeworpen;
met de verdere indeelingen van dezen polder, was hij in 264 percelen
gesplitst, waarvan een vierde tot bouw-, en het overige tot weiland,
vooral voor schapen, werd gebruikt. De tarwe, inzonderheid, die er
geteeld werd, was uitmuntend.--De bebouwde gronden grensden aan het
Hoorner Nieuwland, het Grie en het Weezenspijk.--

In 1846 werd aan den Heer P. Langeveld, C. S., te Texel, concessie
verleend tot wederindijking van voornoemde gronden, en wel, onder
den naam van Prins Hendrik Polder. Na getroffen overeenkomsten met
den aangrenzenden eigenaar D. de Graaf, het dijkskollegie van Texel en
andere besturen, werd eene maatschappij met 60 aandeelen opgerigt. Naar
het plan van den bekwamen opzigter en landmeter, P. van der Sterr,
werd de sluis aangenomen door J. van Haaften & Co. van Sliedrecht,
voor eene som van f 16,600, welke in September 1847 voltooid was. Met
het begin van 1847 werd eenen aanvang gemaakt met het leggen van den
dijk, die niet publiek werd aanbesteed, maar door concessionarissen
en deelhebbers, met een genoegzaam aantal werklieden gemaakt zoude
worden. Gebrek aan rijs, en andere bijkomende omstandigheden, werkten
echter zoodanig tegen, dat de dijk niet vóór den winter gereed konde
zijn, dien dan ook in dit barre getijde, groote schade werd toegebragt
door elken buitengewonen vloed en harden wind. Daarom besloot men
de verdere voltooijing van den dijk, ter lengte van 3522 el, aan te
besteden, ten gevolge waarvan de aanneming geschiedde door A. Visser,
Pz. en Co., van Sliedrecht, om denzelven vóór of op 1 Augustus 1848 te
voltooijen. Medio Julij echter was de dijk reeds voltooid, opgenomen
en goedgekeurd.

In het begin van 1848, werden er 42 aandeelen aangekocht door
Z. K. H. Prins Alexander der Nederlanden; terwijl de overige aandeelen
werden vertegenwoordigd door Jhr. P. A. Reuchlin, te Tiel.

Het verdere beheer en toezigt over de werken van verkaveling, bemaling
en voltooijing, werd vervolgens opgedragen aan den Ingenieur van den
Waterstaat Jhr. J. Ortt van Schonauwen [31], door wien het bouwen van
eenen vijzelwatermolen, en andere werken werd aanbesteed.--Daarna werd
de polder opgemeten, in kaart gebragt, en het op de kaart voorgestelde
plan van verkaveling goedgekeurd; welke verkaveling den 20 September
1848 werd aanbesteed.--

Reeds bevorens, in Maart, was de opbouw eener boerderij aanbesteed
geworden, welke werken allen, uitgezonderd een gering gedeelte der
verkaveling, in den loop deszelfden jaars werden voltooid; terwijl
men in het begin van 1849, het ingesloten water, reeds tot 0,20 el
beneden het laagste land, had uitgemalen.--

De bedijking van den Prins Hendrik-polder, had echter vier der
duikersluisjes, welke in de dijken der omliggende polders tot
uitwatering dienden, ingesloten en buiten effect gesteld, waardoor
men dus genoodzaakt werd om sluizen te bouwen in den dijk des nieuwen
polders.--Diensvolgens besloot men, ééne sluis met drie openingen daar
te stellen, om door gezamenlijke uitstrooming, buiten beter diepte
te kunnen behouden. De grootste of noordelijke dezer openingen dient
alsnu tot ontlasting van het water uit de oude landen van Texel,
dat voor de Zuidhaffeldersluis gelegen in den Texelschen zeedijk,
nabij de Redoute wordt aangevoerd; de middelste opening dient
regtstreeks tot uitwatering van den Prins Hendrik-polder zelven,
terwijl eindelijk de derde of zuidelijke opening tot lozing van het
water in de polders Hoorner-Nieuwland en Buitendijk dient.--Midden door
den polder heeft men eenen hoofdweg gelegd ter breedte van 9 ellen,
benevens twee kruiswegen, welke den eersten regthoekig snijden, en
strekkende tot naaste communicatie met de sluis en den gemeenteweg,
tusschen de dorpen den Burg en den Hoorn, terwijl de hoofdweg eene zeer
geschikte gelegenheid aanbiedt tot vervoer van goederen en gewassen,
van en naar den beschelpten Texelschen zeedijk, en verder van en naar
de haven van het eiland.

De polder is verdeeld in 22 kavels, ieder van 20 bunders, uitgenomen
de eerste en laatste kavel, welke eene kleinere oppervlakte hebben;
iedere kavel is weder verdeeld in 3 of 4 onderdeelen.

De oppervlakte van den Prins-Hendrik-polder is vrij effen en vlak. Het
hoogste gedeelte vindt men langs de dijken van het Hoorner-Nieuwland,
de Grie en het Weezenspijk. De geheele oppervlakte beslaat 430 bunders;
de eene helft klei-, de andere zandgrond.

Door de bedijking van den genoemden polder, zijn ook de landen
van wijlen D. de Graaf, ter grootte van ongeveer 60 bunders,
ingesloten. Deze waren in 1848 reeds grootendeels bebouwd met tarwe,
winter-koolzaad, rogge en garst, welke gewassen eenen voordeeligen
oogst hebben opgeleverd. Ook buiten den dijk van den polder, aan
het Horntje, bezat genoemde D. de Graaf eenige landerijen, groot 16
bunders, welke mede in 1848 bedijkt zijn, waarbij voor een gedeelte
gebruik is gemaakt van den nog overgebleven dijk van 1769.

Behalve de landhoeve, die voor rekening van Z. K. H. Prins Hendrik in
1848 op Kavel No. 19 werd gebouwd, liet Jhr. P. A. Reuchlin, op Kavel
No. 20, mede eene aanzienlijke boerderij zetten, terwijl er mede in dit
jaar, ook op de landerijen van D. de Graaf, eene bouwhoeve is gesticht.

Aldus erlangde Texel, door de bedijking van den Prins-Hendrik-polder,
eene belangrijke aanwinst, naardien daardoor bijna 530 bunders lands
aan de zee ontwoekerd zijn.



2. Eijerland,

Aldus genoemd naar het verbazend groot aantal eijeren, dat hier
in vroegere jaren gevonden werd [32], was vroeger een afzonderlijk
eiland. Thans maakt het, vereenigd met Texel, waarmede het nu verbonden
is, het grootste van de reeks eilanden uit, welke zich van Hollands
Noordelijken uithoek tot naar den mond der Elve, uitstrekken en die
de overblijfselen uitmaken van den aaneengeschakelden duinzoom, die
oudtijds ook aan onze Noordkust, de binnenlanden tegen de woede van
den Oceaan gedekt heeft. Weleer bestond het Eijerland uit de van ouds
bekende Duinkom, gevormd door diluvische of oorspronkelijke gronden,
(waarop het geheel op zich zelf staande Eijerlandshuis [33] gevonden
wordt), en het tusschen dit Eijerland en Texel gelegene Buitenveld,
zijnde een aangeslibte grond.

Dit buitenveld bestond uit onbegroesde zandvlakten en begroesde
kweldergronden, waaruit zich oostwaarts eene menigte natuurlijke
kreken, hier zwennen of slufters genoemd, ontlastten, en waarvan de
zuidelijkste of de Hoogezands-kil, benevens de Noordelijkste of de
botrijke Roggesloot, de voornaamste waren.

Vóór ongeveer twee eeuwen spoelde het Noordzeewater, bij spring-
en stormgetijden, over deze door de aanslibbing der zee, opgehoogde
tusschenruimte, waarover het zich eenen weg naar den boezem der
Zuiderzee baande. Dit veranderde echter in de jaren 1629 en 1630,
toen Oud-Eijerland, door het opwerpen van eenen zanddam over die
vlakte, met het eiland Texel werd verbonden. Deze dam, welke thans
onder de benaming van Zanddijk bekend staat, vertoont zich nu als
eene duinketen, welke zich, ter hoogte van 18 tot 25 ellen, in eene
regte lijn uitstrekt van Maikeduin, noordelijk van de Koogerduinen,
tot voorbij Zanddijkshuis aan Oosterduin, over eene lengte van ongeveer
4700 ellen. Tot welke hoogte deze zanddijk oorspronkelijk opgeworpen
zij, is niet bekend; dit echter is zeker, dat hij zijne tegenwoordige
hoogte erlangd heeft, zoo door natuurlijke opstuiving, als door
kunstmatige helmbeplanting, welke nog heden ten dage, op last der
provinciale overheid, jaarlijks met de meeste zorg wordt onderhouden.

Door den aanleg van den voorschreven zanddijk, werd hier veel
buitenland aangewonnen, waarop in 1649 de Gecommiteerde Raden van het
Noorderkwartier eene groote landmanswoning lieten bouwen, welke sedert
dien tijd met het aangewonnen buitenland, waarop veel vee werd geweid,
afzonderlijk van het Eijerland verhuurd werd. Te dien tijde, werden
er op dit eiland vele konijnen en veel gevogelte gevonden. Er woonde
toenmaals een kastelein, naar wien het Eijerlandsche Huis nog wel het
huis van den kastelein genoemd wordt, en bij wiens woning toen slechts
twee boerenhuizen of schaapskooijen stonden. Op kleinen afstand van
des kasteleins woning, was eene vrij hooge kaap of steng, van waar
men een vrij en ruim uitzigt over den Oceaan had.--De meeuweneijeren
waren er ten eenenmale ontelbaar, en werden ingezameld van Mei tot
24 Junij, door en onder het opzigt van den kastelein, die daartoe bij
uitsluiting het regt bezat, en gemiddeld 7 à 8 helpers noodig had. Zij
werden òf op Texel verkocht, òf, en voornamelijk, naar Amsterdam en
elders verzonden; ook werden zij wel als een welsmakend geschenk naar
elders overgemaakt. Deze eijeroogst leverde den kastelein, behalve
zijn gewoon jaargeld, een ruim inkomen op, hetwelk door de opbrengst
der konijnen nog aanmerkelijk werd verhoogd.

Tegenwoordig begrijpt men onder de benaming Eijerland zoowel het
voormalige Buitenveld als Oud Eijerland. Dit tegenwoordig Eijerland
strekt zich in eene N. N. O. rigting van Texel uit, en grenst
Noordwaarts aan het Eijerlandsche Gat, waardoor het van het eiland
Vlieland is gescheiden; Oostwaarts van de laagwaterlijn tot langs de
palen van den Noorder-Zeedijk van Texel; Zuidwaarts aan de limitpalen,
langs den Ruigendijk, welke vroeger de polders Oosterend, Waal en Burg,
als ook het Koogerveld, tegen overstrooming beveiligden, en Westwaarts
aan de Noordzee, waarin, ten Noordwesten van het Eijerlandshuis,
de gevaarlijke Eijerlandsche gronden liggen.

Het gansche Eijerland, dat het thans Noordelijk gedeelte van het Eiland
Texel uitmaakt, beslaat eene oppervlakte van 8000 bunders, waarvan
de Noordelijke en Westelijke stranden en duinen, ter grootte van
2200 bunders, aan de provincie behoorden, terwijl de overige, zijnde
domaniale gronden, die door nummerpalen afgedeeld en begrensd waren,
volgens den kadastralen legger, eene grondvlakte van 5807 bunders,
98 [] roeden en 83 [] ellen besloegen, en waarvan 2565 bunders
kwelderlanden waren, die tot weide gebezigd werden.--Bij eene latere
hermeting, werd Eijerland's oppervlakte groot bevonden te zijn 5852
bunders, 98 [] roeden en 91 [] ellen.--Genoemde kweldergronden werden
in vroegeren tijd met de oostelijke slikken en aanwassen door het
Domeinbestuur verpacht. De laatste verpachting in drie percelen, zoo
als dit steeds vroeger plaats greep, door de Permanente Commissie van
het Amortisatie-Sijndikaat, werd gehouden den 24sten Januarij 1833.
De toen verpachtte percelen waren:

1. Het Eijerlandshuis, met binnengronden en duinen, benevens een
gedeelte van het Buitenveld, groot ongeveer 180 bunders;--

2. Het Zanddijkshuis, grenzende noordwaarts aan het vorige perceel,
van den Zwarten paal in de Oosterduinen, langs de groote Zwen
naar Waltherduin, en zuidwaarts palende aan het hier na te melden
3e perceel (Kwelderbeek), bij paal b, onder den Zanddijk, groot
p.m. 1022 bunders;--

3. Kwelderbeek, groot 1363 bunders, dat Noordwaarts paalde aan
paal b en de Scheid-zwen, liggende Noordelijk van de Oosterbollen of
Directiekeet; Zuidwaarts aan de palen bij den Ruigendijk en paal 12 bij
den kwelder Maikenduin. Dirkje Maikeduin en de vallei de Nederlanden,
als ongans beschouwd wordende, werden afzonderlijk gebruikt, vermits
bij de voorwaarden van verpachting bepaald was geworden, dat de
Koogerduinen, Slufterbollen en andere deelen, alleen met getuurde
schapen en geen ander vee beweid mogten worden.

Deze perceelen werden voor den tijd van zes jaren verpacht, t. w.

Eijerlandshuis voor f 980. Op welk perceel de pachter in het laatste
zijner pachtjaren weidde 220 schapen, 35 runderen en 7 paarden,
welke laatsten gebezigd werden, zoo ter binnenhaling van het hooi,
als ten dienste der strandvonderij.

Zanddijkshuis, met Zanddijkshoe aan den Noordkant van de Roggesloot, en
een herdersstulp bij de Doodemansbollen, zuidwaarts van de Roggesloot,
voor f 1340. De pachter weidde hier 800 schapen, eenige koeijen en
paarden, benevens eenig jong vee.

Kwelderbeek, met de herderswoning op de Oosterbollen, aan den slufter
van dien naam, voor f 2140, hier werden geweid 1230 schapen, 6 paarden
en 20 runderen.

Het toenmalig zielental dezer drie pachthoeven, waarbij twee
herdershuishoudingen, bedroeg ongeveer een 30tal personen. Deze vijf
gezinnen erlangden hun bestaan in de schapenteelt, het zoeken van
eijeren, de konijnenjagt [34] en de strandvonderij.

Reeds vroeg echter was het denkbeeld ter bedijking van het Buitenveld
geopperd. Zoo vormde o. a. Leendert den Berger, woonachtig op het
buitengoed Brakenstein, tusschen het Oude Schild en De Burg, reeds
in 1573 het plan daartoe; tegen dit plan werd echter, vooral door
de Provinciale staten van Friesland, geijverd.--Eerst in 1835 kwam
het ontwerp ter bedijking van Eijerland, op eene uitgebreide schaal,
tot stand, ten gevolge van een, door vier personen, aan den Koning
daartoe gerigt verzoek. Den 21sten Februarij van dat jaar werd
het geheele Eijerland, tegen eene koopsom van f 90,000, te betalen
in 12 jaarlijksche termijnen, met eene interest van 2 1/2 % voor
het onbetaalde, te rekenen met 1 Januarij 1835, in vollen eigendom
overgedragen aan de H. H. Paulus Langeveld Kzn. te Giessendam, Willem
Langeveld Kzn. te Hardinxveld, Marcellus Leendert Plooster, te Ameide
en Tienhoven, alle aannemers van publieke werken, en Nicolaas Josephus
de Cock, Handelaar te Rotterdam.

De eigendomsoverdragt had plaats, als tiendvrije eigendom, op den
voet als Eijerland en het Buitenveld door het Rijk bezeten waren, en
onder de gewone voorwaarden van eigendomsovergang, met het regt van
visscherij en jagt.--Volgens contract, waren de koopers verpligt, de
gekochte en daartoe geschikte gronden, binnen den tijd van 8 jaren te
bedijken. Vooraf echter moesten de plannen dier bedijking ingezonden
worden aan, en goedgekeurd door het Ministerie van Binnenlandsche
Zaken, terwijl de koopers zich tevens moesten onderwerpen aan alle
verordeningen, welke opzigtens het bedijken, toen bestonden, of nog
gemaakt mogten worden; voorts werd bepaald, dat de koopers de duinen
op de domaniale gronden, door helmbeplanting moesten onderhouden,
terwijl het Rijk zich het regt voorbehield van overpaden voor wagens,
paarden en personen naar de door aanslibbing nog te verkrijgene
gronden, buiten de limiet van het verkochte land, en dat wel zonder
eenig bezwaar of onderhoud voor den Staat, voorts eene vaart op de te
graven kanalen, zonder eenige betaling of tegemoetkoming van tollen,
vaarten, bruggen, enz.

Inzonderheid waren er bij het koopcontract bepalingen vastgesteld, ten
opzigte van den van oudsher bestaande postrid, naar het Eijerlandshuis
en de gemeenschap met de postschuit van Vlieland, als ook van den
bijstand, zoowel aan den postillon als aan de schippers te verleenen.

Nadat de overdragt op deze wijze haar beslag had erlangd, werd er
door de respective koopers, in verband met andere geassociëerden,
eene Maatschappij opgerigt, welken den naam van Societeit van Eigendom
van Eijerland heeft, welke hare werkzaamheden onder het onmiddelijk
beheer, der drie eerstgenoemde Heeren, als deskundigen geadsisteerd
door een viertal deelhebbers, aanvaardden en al aanstonds het plan
ter bedijking ontwierp.--Dit plan werd in den verbazend korten tijd
van circa 20 weken, (van medio April, tot het begin van September,)
geheel voor eigen rekening, met 1500 werklieden ten uitvoer gebragt;
en weldra zag men eene oppervlakte van 3165 bunders land, door
eenen dijk van 11.122 1/2 el lengte, tegen de overstrooming der zee
gewaarborgd. Deze dijk werd aan Woltherduin begonnen, en strekt zich
van daar, in 10 regte lijnen, tot aan den Ruigendijk uit.--De lengte
dier lijnen is echter zeer verschillend; zoo is b. v. de eerste
1608, en de 9de 283 ellen lang, terwijl de dijkshoogte gemiddeld
3.50 el boven vol zee verheven is.--De dijk is voorzien van twee
steenen duikersluizen. Beiden hebben denzelfden inhoud, alhoewel de
Noordelijkste, alwaar de dijk het zwaarste is, de grootste lengte
heeft, beiden zijn 2 ellen breed en diep. De bodem van den drempel
ligt 2.37 ellen onder volzee, of 2.86 ellen onder terrein.

Van deze sluis, welke het eerste stroomde, en die daartoe dan ook
eene veel betere ligging heeft dan die der Hoogezands-kil, werd de
dam, in September doorgestoken en het water ingelaten door den Heer
Marten Douwes Teenstra, Directeur van Landbouw, die tevens met de
indeeling en het cultiveren van den Eijerlandschenpolder belast was.

Te gelijk met het leggen van den dijk, werd, aan de binnenzijde er
van, een kanaal gegraven van 20 ellen == terrein breed, en 12 ellen
in den bodem. Dit kanaal leverde het grootste gedeelte der, tot het
maken van den dijk, benoodigde specie op.

Over het geheel is Eijerlands bodem een vrij gelijk terrein, dat
gemiddeld 0,50 el, boven volzee gelegen is, uitgenomen eenige begroeide
zandvlakten. Deze zandvlakten zijn, van den Ruigendijk afkomende,
op Texel bekend, als: het Lammerbults-zand, dat ten westen van den
Meeuwenbol ligt; de Bolletjes (gebroken land met bollen), Koebultszand,
Arm der Hoogezandskil en Oosterduin-zand, bij Zanddijkshuis; terwijl
de voornaamste kreken, welke allen in het Dijkskanaal uitloopen,
van die zelfde zijde afkomende, zijn: De Ruigendijks-zwen; de Breg-
of Kwelder-zwen; de Kabeljaauwslufter; de Hoogezands-kil, de Kruisbalg;
de Huisjeskreek of Oosterbollen-zwen; de Scheid-zwen; de Rogge-sloot;
de Kleine-Zwen en de Groote-Zwen of Wolther-duins-kil.

De indijking nu volbragt zijnde, ging men al dadelijk tot de
ontginning over, en reeds in Augustus en September 1835, werden er
op 6 kavels land, te zamen ter grootte van 26 1/2 bunders, proeven
genomen met winterkoolzaad; den 12den Augustus werd de eerste akker,
door den directeur van Landbouw, den reeds genoemden Heer Teenstra,
met koolzaad bezaaid. Deze proefstukken lagen langs het kanaal, en
bepaaldelijk het Noordelijkste op den Noorderhoek van de Groote Zwen
bij Woltherduin, terwijl de overigen afgezonderd van elkander, tot
aan den Ruigendijk lagen. Men droeg zorg de bezaaide stukken lands,
door het opwerpen van aarden dammen of dijkjes, hier tuinen genoemd,
tegen het indringen van vee, te beschutten; en ofschoon het gezaaide
veel door droogte leed, en later bovendien nog, ten gevolge van het
niet in tijds afstroomen der sluizen, door het hooge binnenwater
voor het meerendeel verloren geraakte, zoo leverde het echter nog
343 mudden zaad op, waarvan het Zuidelijkste stuk het meest rendeerde.

In den nazomer van 1835, en gedurende den daaraanvolgenden winter,
werd Eijerland door wegen, slooten, togten en greppen ingedeeld. Tot
basis dier indeeling nam men den Zanddijk, terwijl men op evenwijdigen
afstand van dezen, twee strekkende wegen afgroef. De Oostelijkste,
welke het naast aan den nieuwen dijk ligt, en Hoofdweg wordt geheeten,
heeft eene breedte van 14 ellen. Ter wederzijde loopt eene sloot van
5 ellen breedte, op eene diepte van 1 1/2 en 1/2 el in den bodem;
voorts aan elke zijde eenen berm van 1 el en 1/2 el talud, terwijl
de kruin eene breedte van 11 ellen heeft, met eene tonrondte van
0.90 el boven terrein. Deze Hoofdweg strekt zich van den Ruigendijk,
of limietweg, in eene regte lijn, 7447 1/2 ellen uit, tot dáár waar
hij tegen de tweede dijklinie stuit.

De Postweg, welke 1280 ellen westelijker ligt, is gelegen tusschen
slooten van 2 ellen, waarvan de Oostelijke later tot 5 ellen is
verbreed, en heeft eene breedte van 10 ellen. Ook de dwarsslooten
hebben diezelfde breedte, en zijn insgelijks palende aan slooten
van 2 ellen breed.--Door de twee genoemde strekkende hoofd- en vier
dwarswegen is Eijerland regelmatig verdeeld in sectiën van 200 bunders
ieder; elke sectie bevat 10 gelijke perceelen, elk ter grootte dus
van 20 bunders, welke in metjes, van éénen bunder elk, door greppen,
ter breedte en diepte van 1/2 el zijn afgedeeld.--Diensvolgens hebben
op Eijerland de bunders eenen langwerpig vier hoekigen vorm. Die,
tusschen de Roggesloot en Eijerlands-huis, zijn 250 ellen lang en 40
ellen breed, en die, tusschen de Roggesloot en Ruigendijk, zijn 312
1/2 bij 32 ellen.--

De hooi- en weilanden bij Eijerlandshuis, reeds vroeger met slooten
doorschoten, heeft men in den ouden vorm gelaten. Deze, zich hier
bevallig voordoende duinkom, heeft aan de tegenovergestelde zijde,
gevaarlijke N. W. loopende buitengronden, welke eene hoogst gevaarlijke
offerbank voor de zeelieden uitmaken, en als zoodanig ook op de
zeekaarten aangeteekend zijn.

De Noordelijkste uithoek van Eijerland, welke sterk vooruitspringt,
draagt den naam van het Engelsche kerkhof, ter oorzake van de
menigte schipbreukelingen, welke hier den dood vonden en begraven
werden. Geen wonder, dat men van Engelsche zeelieden, bij het spreken
over Eijerland, meermalen hoort zeggen: Damm Egg Island! [35]

In het jaar 1836, werd de ontginning der gronden met meerder kracht
doorgezet; terwijl daarbij tevens de veeteelt, door den aankoop van
runderen en schapen zeer werd uitgebreid.

De oogst van de, in de Lente van genoemd jaar, aan den grond
toevertrouwde zaden, welke bestonden uit 62 1/2 bunders zomergarst,
78 bunders zomerkoolzaad, 15 bunders haver, 4 bunders maartegarst,
10 bunders aardappelen, 2 bunders meekrap, benevens 2 bunders
paardenboonen, was, ten gevolge van het buitengewoon drooge en schrale
jaargetijde, gansch niet voordeelig.

Evenwel werd de landbouw, ondanks den aanvankelijken tegenspoed,
met ijver doorgezet en uitgebreid, zoodat reeds in Julij, Augustus
en September, 817 bunders alleen met winterkoolzaad (waaronder 47
bunders met wit bloeijend) werden bezaaid. Van andere graansoorten
zaaide men minder, namelijk 5 bunders garst, 5 bunders tarwe en 4
bunders rogge.--Eene groote hinderpaal bij de bebouwing, bestaat in
den ongelijksoortigen grond.

Het hoogere gedeelte van Eijerland, dat uit geel zand, plantenvezelen
en een weinig klei bestaat, bevat eene aanmerkelijke menigte
schadelijke insecten, waarbij vooral wordt opgemerkt een', het
koolzaad zeer benadeelend, gebronsd schaaldiertje, met zes pooten,
en ter grootte bijna als een graankorrel. Bijna overal op Eijerland
is de grond zandig en ligt, zelfs in de beste gedeelten, waar men,
ter diepte van 1/2 el, eene bruinachtige, door dierlijke gelei
eenigzins vette, bovenkorst vindt, zooals tusschen den Ruigendijk en
de Hoogezands-kil. Voor het overige bestaat de grond grootendeels
uit zand, doorgroeid en gemengd met eenig humus of teelaarde,
plantenvezelen en eene geringe hoeveelheid klei; zoodat het niet anders
kan, of zelfs de beste gronden van den Eijerlandschen polder, zullen al
spoedig met eene vette bemesting ondersteund moeten worden.--Uitgenomen
deze voor bebouwing vatbare streken, welke echter slechts 1/5 van
Eijerland beslaan, is het overige te zandig en te dunbodemig om de
kosten der bebouwing goed te kunnen maken, al vergadert men de mest
ook op Eijerland zelf, en al vermeerdert men die door stalvoedering
en graanbemesting; althans zal dit nog eene reeks van jaren het geval
moeten zijn.

Op sommige plaatsen van den Eijerlandschen polder, treft men een
grof en geelachtig zand aan, met eenen broek- of moerachtigen
bovengrond, welks bovenste gedeelte of bovenvilt, eene donker
bruine kleur heeft, en uit welken taaijen aardlaag een water
van dezelfde kleur sijpelt. Deze gronden, welke, aangezien zij
ongeschikt voor schapenweiden zijn, tot hooilanden worden gebezigd,
liggen bij Eijerlandshuis, in den duinkom bij Moesbergen; bij
de Kleine of Oosterduinen, langs den Zanddijk, en vooral ook bij
Maikeduin. Vroeger staken de toenmalige bewoners van Eijerland uit
deze aardsoort eene soort van turf, tot eigen gebruik. Het gemis aan
behoorlijke waterloozing uit deze gronden, deed voorheen, een voor
de schapen, zeer nadeelig grasgewas ontstaan, waardoor deze dieren
ongans werden; eene andere schapenziekte, [36] wordt aan het drinken
van het poelwater geweten.

Eene groote oorzaak, voor de schraal- en dorheid van den Eijerlandschen
polder, meent men te moeten toeschrijven aan zijne ligging in
de nabijheid der zee, door het zeewater, om verder afgelegene
kweldergronden eene vettere en meer vruchtbare slib en klei aanvoert,
omdat deze langer daarin hangen blijft dan de zooveel zwaardere
zanddeelen.

De hoogere zandbollen, welke mede dor en zeer onvruchtbaar zijn,
vindt men veelvuldig tusschen de Hoogezandskil en de Roggesloot.

Beter dan de landbouw aanvankelijk op Eijerland mogt slagen, ging
het met de schapenteelt, welke tak van nijverheid, op Texel in het
algemeen, schijnt te huis te behooren. De Societeit van Eigendom van
Eijerland had reeds in 1836, 2454 vliezen wol afgeleverd, welke, na op
de schapen te zijn gewasschen, (waardoor de wol p. m. 30 % in gewigt
verliest,) een netto gewigt van 6794 kilo opleverden, welke hoeveelheid
eene som van f 11379.95 opbragt, zijnde het kilo verkocht ad f 1,675.

Daarbij viel ook de hooibouw zeer ten genoege der Societeit uit,
naardien er omtrent het midden van October, reeds 780 voeren hooi,
te zamen wegende 546,000 kilo, benevens meer dan 200 voeren ruigte
en biezen, gereden waren.

Zes jaren later heeft men bij Maikeduin eene eendenkooi aangelegd.

Eindelijk ging in 1841 de Societeit van eigendom van Eijerland
uit elkander, waarna Eijerland, door verdeeling en door verkoop
bij percelen, thans den eigendom van onderscheidene particulieren
is geworden. De landbouw wordt in Eijerland, door afwisselende
bebouwing der gronden, steeds geregeld voortgezet, en levert op de
beste gedeelten voortdurend goede resultaten.



3. De Eendragt-polder.

Deze polder, die ten oosten van het Eijerland ligt, waaraan
hij onmiddelijk paalt, is in 1846 ingedijkt geworden door de
H. H. S. Keyser, P. Kuyper en P. den Bleyker, en bevat eene oppervlakte
van 240 bunders land, die gedeeltelijk bebouwd doch meerendeels beweid
worden. Men vindt daarin thans 9 huizen, bewoond door 9 huisgezinnen,
uitmakende 26 zielen. De omringdijk, welks buiten-talud, met graszoden
is bekleed, heeft eene kruinshoogte van 10 voeten boven gewoon volzee.



4. Het Grie.

Deze polder, die volgens de kadastrale ligging eene oppervlakte van
21 bunders schatbaar land beslaat, wordt begrensd t. O. door de zee,
en t. N. en t. W. aan het overige Texel.

Het land in dezen polder, waarop geene boerderij is, wordt uitsluitend
tot hooiland gebezigd. Door de lage ligging wordt het grootste gedeelte
gedurende het wintersaisoen, door het regenwater overstroomd, van
welk overtollig water, deze polder door een kleinen duiker, naar
binnen in den Texelschen polders ontlast wordt.

Deze polder stond tot het noodlottige jaar 1825 onder eigen
administratie. Nadat op den 2e en 3e Februarij van dat jaar, bijna
de geheele dijk der Texelsche polders, door de hooge stortvloeden
bezweken, en Het Grie zelf, alzoo geheel onder water gezet was,
is het onder de algemeene administratie opgenomen en sedert dien
tijd verbleven.



5. De Kattenpolder.

Deze polder ligt in het Zuidelijk gedeelte van Texel en heeft zijnen
naam ontleend van zekeren Maarten Kat, herbergier aan den Hoorn,
en eerste ontwerper van het plan ter bedijking van dien polder.

Een gewezen koekbakker van Utrecht, begon de indijking, welke later
in 1776 en 1777, door eenige bijzondere personen werd voltooid,
nadat evenwel twee doorbraken, waarvan de laatste plaats had, toen
reeds het polderhuis en eenige boerenwoningen gebouwd waren, deze
onderneming zeer hadden tegengewerkt.

Genoemde polder beslaat eene grondvlakte van bijna 700 morgen lands,
Rijnlandsche maat, alsmede den inham, die er vroeger van boven de
Schans tot aan het Horntje bestond, en waarin zich voorheen een groot
gedeelte waters van de reede ontlastte, eer het, door het Texelsche
gat, in zee stortte. Deze polder was voor omstreeks twee eeuwen,
maar over een veel kleiner bestek, nog eens ingedijkt geweest.



6. Waal en Burg.

Ten opzigte van den polder Waal- en Burg, vond ik in een oud
handschrift van wijlen den voormaligen Doopsgezinden predikant
H. Veenstra, op Texel, het volgende aangeteekend:

"Waal en Burg, uit Slijklanden en aanworpen bestaande, werd door vrouwe
Margaretha van Bourgondië, volgens haren brief van den 12den Mei 1436,
gegeven aan Daniel van Nijewaal, haar Secretaris, en Jan van Noirde
zamen, en aan derzelver Erven, om binnen 16 jaren te bedijken: vrij
van alles, uitgenomen de tienden, na de eerste tien jaren.

"Zij verkregen niet alleen verlof om altijd wateringen, sluizen
en geulen te mogen leggen, dààr hun gadelijkst dunken zoude, maar
ook eenen Dijkgraaf te stellen over hunnen nieuwen dijk. Deze gift
werd, ten verzoeke van vrouwe Margaretha, door Hertog Filips van
Bourgondië, als Graaf van Holland, op den 2den Augustus deszelven jaars
bevestigd. Dit geschiedde vervolgens mede door Keizer Maximiliaan,
op den 4den Augustus 1488, ten verzoeke van Cornelis Crusink, toen
Schout van Texel, en Houtvester van Holland, benevens anderen, als
erf- en regthebbenden van Daniel van Nijewaal en Jan van Noirde. De
Keizer verbeterde deze gifte met een stukje lands genaamd Harde
Cogge, onder een erfpacht van f 6.--Hij bepaalde de koorntienden,
na den vrijdom der eerste 10 jaren, op eene erfpacht van f 15, en
gaf de Ambachts-Heerlijkheid, met den Ambachtsgevolgen uit, voor
eene dergelijke erfpacht van f 6; zoodat de Erfpacht in het geheel
f 27 'sjaars beliep. Maximiliaan behield echter aan zich zelven, of,
aan het Schouten-Ambt van Texel, de kennisse in 't voordeel van alle
boeten en breuken, crimineel of civiel, van welke zuivere afkomste,
alleen één derde zou komen aan de verzoekers (Requestranten) in dezen.

"De latere herdijking geschiedde volgens twee octrooijen van
vrijdom door 'sLands Staten, in dien jare gegeven. De onderneming,
hoewel eerst ongelukkig, had eindelijk eenen goeden uitslag; maar de
onkosten, die eerst op f 28.000 begroot waren, beliepen, toen het werk
voltooid was, f 130.000, gelijk blijkt uit een octrooi van den 6den
Julij 1619.--In den jare 1743 is, bij een nieuw octrooi, de vrijdom
weder verlengd.--Burgemeesteren van Texel, hebben in den jare 1616,
volgens uitspraak der Gecommitteerden in den Haag, op zich genomen,
het onderhoud van 200 Texelsche Roeden in den Walenburger dijk,
gelijk die toen was, en drie jaren later bewilligden zij, dat de
sluizen in Walenburg, op gemeene kosten zouden onderhouden worden. De
Polder werd in 1620, door den landmeeter Jan Pietersz. Douw gemeten,
en 733 morgen, 397 Roeden, Rijnlandsche maat groot bevonden."--



VIJFDE HOOFDSTUK.

IETS OVER DE VOORMALIGE GEWOONTEN, ENZ. DER TEXELAARS.


In vroegere tijden schijnt men op Texel veelal de kleederdragt gevolgd
te hebben, die elders in ons vaderland, vooral onder de landbouwende
klasse, in zwang was.

In de 11de eeuw, droegen de mannen zoowel korte als lange broeken,
eene soort van wambuis (wammes), een' plat ronden hoed, klompen of
hoozen, en, bij feestelijkheden, puntschoenen. De vrouwen kleedden zich
met een laag om den hals uitgesneden jak, waaraan de rok met koperen
haakjes was vastgehecht, en eene muts (mopmus) die op de schouders
nederhing, en waarover zij, buitenshuis een' zwarten kaper zetteden,
welke laatste thans niet meer in gebruik is.

Later werd de kleeding ook gebezigd als een zigtbaar kenteeken van de
meerdere of mindere fortuin dezer Eilanders. De rijksten waren toen
kenbaar aan eene, aan de voorzijde opgetoomde, en aan den achterkant,
nederhangende slipmuts, die aan het boveneinde in eene punt uitliep,
waaraan eenen, op den rug nederhangenden staart, verbonden was. De
rok sloot naauw om het lijf, en werd met eene rij knoopen van den
hals tot onder toe gesloten. Voorts een korte, doch ruime broek,
boven de knieën vastgehecht, benevens hoozen en puntschoenen.

Der vrouwen kleeding was niet onbevallig, doch min of meer stijf. Een
geribt mutsje, dat niet al het hoofdhaar bedekte, eene japon, die
van boven over de borst, en van onderen opensloeg, op dat het fraai
gestikte keurslijf en den sierlijk gewerkten rok, te meer zouden
uitkomen, benevens gekleurde kousen en schoenen, welke laatsten door
kruisbanden werden vastgebonden, maakten toen het gewaad eener niet
onbemiddelde burgervrouw uit.

In de 14de eeuw hadden de landlieden eene zeer eenvoudige kleeding,
bestaande in een kort naauwsluitend buis, een' langen broek, en
schoenen, wier punten bijna een half voet lang waren. De korte broek
bleef evenwel ook nu nog in gebruik, terwijl het hoofdhaar kort
afgesneden en het hoofd met een klein rond hoedje bedekt werd.

Van tijd tot tijd, toen de beschaving meer veld won, en, als een
natuurlijk gevolg, meer behoeften kweekte, maakte de kleederdragt
der onderscheidene standen, daartoe gedwongen door de Mode, telkens
weder plaats voor andere, (niet altijd smaakvoller) kleedij, tot
dat eindelijk die der 16de eeuw, hier lang heeft stand gehouden;
doch eindelijk op hare beurt, door de latere en hedendaagsche is
verdrongen.--Een boer uit dien tijd, droeg een' gekleurd' hemdrok
of wambuis, daarover een overrok, bovenjak genoemd; eenen ruimen
flodderbroek, een rond, laag gebold hoedje met breeden rand, en
puntschoenen met striklinten of gespen.--De boerin, wier hoofd
vroeger met een linnen mutsje was bedekt, droeg toen een kapsel,
versierd met een' zilveren of gouden haarnaald. Het jakje, vroeger
algemeen van sarge, bestond nu uit zijde of laken, en prijkte met eenen
leggenden of ook staanden, gepluisden kraag [37], die tot vóór op de
borst nederhing. De scharlaken bovenrok, was omboord met gewerkt geel
zijden passement. De kousen waren gekleurd; meestal bruin of blaauw
gespikkeld, en de schoenen, even als die der mannen met striklinten of
gespen vastgemaakt.--Voorts zij hierbij aangemerkt, dat de kleur der
linten, of die der andere kleedingstukken, het leggen der strikken,
enz. de onderkenningsteekenen waren, tusschen gehuwden, ongehuwden
en weduwen.

Bij feesten, of op hoogtijden, bestond de kleeding, zoo van mannen
als vrouwen, uit zwarte stoffen.

Maaltijden, die dikwerf den naam van braspartijen verdienden,
waren aan de orde van den dag. Bij elk feest werd ruim gegeten
en gedronken.--Gedurende, en ook na deze maaltijden, dronk men
Haarlemsch, Delftsch of Hamburger bier, alsook onderscheidene
wijnsoorten, voorts hippocras en de thans weinig of niet bekende
malvezij, azoijs, enz. Inzonderheid werden de kruiden-wijnen, na den
maaltijd, warm gedronken, ter bevordering eener goede spijsvertering,
welke dan ook hoogst noodig schijnt te zijn geweest.

In de 16de eeuw vorderde het gebruik, dat men bij den maaltijd drie
plegtige bekers dronk: één, ter eere Gods, één, ter eere van de
H. Maagd, en één, ter eere van de H. Engelen; welk drietal bekers,
het klaverblad werd genoemd, en waarvan het rijmpje: "Drie glaasjes
zijn drie teugen", enz. zijn oorsprong ontleende. Ook moest hij,
die eenen beker zou ledigen, tot zijnen tafelbuur zeggen: "Wacht
heil"! waarop deze dan antwoordde: "Drink heil"! terwijl men, vooral
bij zeer plegtige maaltijden, niet vergeten zoude om de Schaal van
Nivelle te drinken.

De voornaamste gelegenheden, waarbij men die maaltijden hield, waren
vooral de huwlijksplegtigheden, waarbij de wederzijdsche verwanten
en vrienden mildelijk werden onthaald. Daarbij werden raadsels
opgegeven, en vermaakte men zich met onderscheidene spelen, terwijl
zang en dans vooral niet werden vergeten, evenmin als het uitbrengen
van toasten, die meestal betrekking hadden op eenen gelukkigen en
vruchtbaren echt. De huwelijken werden meestal door een' Geestelijke
voltrokken. Deze nam van de hand des Bruidegoms een' ring, dien hij
aan den voorsten vinger van de regterhand der Bruid stak, waarbij
de Bruidegom zeide: "Met dezen ring geve ik u mijn' mannelijken
trouw". Daarna nam de Geestelijke ook van de hand der Bruid een' ring,
dien hij aan den voorsten vinger van de regterhand des Bruidegoms
stak, waarbij de Bruid zeide: "Ik beloof u mijn' trouw te zullen
onderhouden". Zulk een paar, werd een door den heiligen echt vereenigd
paar genoemd, ter onderscheiding van zulke huwlijksvereeniging, welke,
zonder kerkelijk of wereldlijk gezag gesloten zijnde, een getrouwd paar
werd geheeten. Wanneer eene vrouw moeder was geworden, vierde men deze
gebeurtenis almede met eenen maaltijd, waarop al de bevriende geburen
werden genoodigd; terwijl zulks mede plaats vond, als het kind gedoopt
(gekerstend) was, en de kraamvrouw haren kerkgang deed. De maaltijd,
welke bij die gelegenheid gehouden werd, heette het Begankenismaal. De
doopplegtigheid werd, vooral door de meer gegoeden, met veel statie
gevierd. De doopeling werd (zoo als dit nog op het eiland Marken plaats
heeft) met linnen windsels omwonden, en, naar gelang van het meerder of
minder vermogen der ouders, met een fraai en kostbaar doopkleed (sprei)
bedekt, naar de kerk gedragen. Vooruit gingen eenige bloedverwanten,
elk met eene waskaars in de hand; deze werden gevolgd door een persoon,
die eenen overdekten en met zout gevulden schotel droeg; dan volgde
de vader en de doopheffer. Na afloop der plegtigheid keerde men in
dezelfde orde weder huiswaarts, waar een wel voorziene disch hen
wachtte. Het overige van den dag werd in gulle vrolijkheid gesleten.

Ook bij begrafenissen hield men maaltijden; doch in stede van dáár
elkander op eene voegzame wijze bezig te houden met de overdenking van
de broosheid des levens, gaf men zich bij zulke gelegenheden, die toch
uit haren aard treurig zijn, over aan buitensporige overdaad. Van
alle oude gewoonten zijn de zoogenaamde doodmalen het langst in
gebruik gebleven. De dragers werden veelal in eene herberg onthaald,
waarbij het doorgaans vrij ruw toeging.

Bij de begrafenissen plaatste men, na de ter aarde bestelling van het
lijk, een houten kruis op het graf, dat daarop gedurende twee dagen
staan bleef. De kerken dienden vrij algemeen tot begraafplaatsen,
terwijl de graven doorgaans of overwulfd of met een zerk overdekt
werden, waarop de naam en, bij aanzienlijken, ook het familiewapen of
eigendomsmerk werd gebeiteld. Na de Hervorming zijn deze gebruiken
grootendeels verdwenen. [38] Nog na de 16de eeuw, bestond hier de
gewoonte om den eersten Meidag op eene vrolijke wijze te vieren. Men
onthaalde elkander op eene soort van kruidenwijn, Meidrank geheeten;
er werden Meiboomen geplant, om welken men hand aan hand danste en
onderscheidene liederen zong: in één woord, de wederkomst der Lente,
baarde allerwege de luidruchtigste vreugd.

Ook bekleedde oudtijds het beulingmaal eene der voornaamste plaatsen
onder de eigenaardige gewoonten der Texelaars. Ziehier, wat een
ooggetuige daarvan verhaalde.



"Eens was ik met mijn vriend en verder gezelschap door den boer van
het landgoed te beuling verzocht, hij ontving ons, zittende in een
lederen armstoel. Hij stond niet op, maar zijn stoel verschuivende,
zeide hij aan de dames: "ik zou je deuze stoel wel geven, maar mij
dunkt, hij staat mij het best." "Wij zetten ons daarop aan tafel. Het
eerste geregt bestond in een opgehoopten schotel met boterhammen
zonder meer; het tweede, in eenige kluiven spek, en daarover drie
gebraden eendvogels. Dit werd gevolgd door een schotel met gort,
gemengd met stroop, varkensbloed en wat reuzel, aan dobbelsteentjes
gesneden en in de pan gebakken, en daarover een schotel van dezelfde
eetwaren in darmen gestopt, en op den rooster gebraden; hierop volgde
een ontzaggelijke bak met rijstenbrij, die, zoo als verhaald werd, des
ochtends ten vier uren reeds van het vuur genomen was, en vervolgens
in het hooi had staan meuken. Het nageregt was wederom boterhammen,
die, gemaakt van platte beschuit en tarwebrood, dominéesstukken
genoemd werden.--Zoodanige maaltijd wordt bij deze Eilanders voor eene
vrolijke uitspanning gehouden, doch na den eten vertelde de boer mij,
met aandoening, dat men nu niet meer zoo vrolijk was, als in voorleden
tijden; ja, Mijnheer! zeide onze gastheer, dan aten wij ons zoo rond,
dat wij in het veld op den rug moesten gaan leggen, met den mond open,
om adem te scheppen, zoo als mij dikmaals gebeurd is."

(Men bedenke dat de tijd, waarvan die boer sprak, nu reeds meer dan
twee eeuwen verleden is.)

Deze beuling-partijen bestaan hier nog, hoezeer het vieren derzelven
niet buitensporig (zoo als van ouds) genoemd kan worden. Zij
bestaan alleen in het opdisschen van de zoogenaamde Beuling-Gort,
zamengesteld uit gort, stroop, rozijnen, kluitjes varkens-reuzel en
vet, met een weinig varkensbloed en nagelgruis er in, en voorts van de
beuling, welke uit die zelfde deelen zamengesteld, in schoongemaakte
varkensdarmen gestopt is, en die, na gekookt en in stroo gemeukt
te zijn, wordt opgedischt.--Ook in dit opzigt heeft de meerdere
beschaving der Texelaren het hare toegebragt, om het belagchelijke
van de van ouds bestaan hebbende beulingsfeesten, welke in zwelgerijen
ontaardden, weg te nemen.

Ook was men gewoon elkander op Vastenavond feestelijk te onthalen, en
den Vastenavondstijd in gulle vreugd te slijten. Dat gebruik houdt nog
steeds, ofschoon op eene andere wijze, stand, inzonderheid bij de R. K.

Bij het bouwen van kerken en andere Godshuizen, werden onderscheidene
geschenken gegeven, hoofdzakelijk bestaande in gezaagde eikenhouten
planken, wagenschotten geheeten, of ook wel in geschilderde glazen of
koperen kerksieraden, als kroonen, zandloopers, enz.--Geschilderde
glazen, waren vooral voorname geschenken, die door zoogenaamde
glasmalen gevolgd werden.

Tijdens de 14de eeuw werd hier, gelijk elders, eene belasting geheven
welke den naam van Schot droeg. Deze benaming bleef op Texel lang
in gebruik. Het Schot was eene belasting op inkomsten, bezittingen
en personen, welke bij hoofdelijken omslag geheven werd door de
Schepenen en Raden, die bij meerderheid van stemmen der Schotgevende
of Schotdragende burgers werden gekozen, en die men Schotgaarders
en Schotzetters heette; terwijl de omslag zelf, Schotzetting werd
genoemd.--In deze Schotzetting werden om de drie, vijf of zeven
jaren, de noodige veranderingen gebragt, terwijl de inning derzelve
niet zelden van ergelijke tooneelen verzeld ging. Geestelijken en
onvermogenden waren er van verschoond. [39]

De woningen op Texel bestonden vóór de 14de eeuw meestal uit twee
vertrekken, waarvan het eene deels tot woning, deels tot stalling
diende; terwijl het andere tot bergplaats voor hooi en anderen voorraad
strekte. Later werden zij derwijze veranderd, dat de stalling voor het
vee afgeschoten werd van dat gedeelte der huizing, dat nu uit twee
of meer woonvertrekken bestond. Voorts werd door het aanbrengen van
vensters in de voorgevels, het uitzigt op de straat bezorgd, iets,
waardoor de woningen niet alleen een fraaijer aanzien verkregen, maar
ook luchtiger, vrolijker en gezonder werden.--Het groote voorhuis der
14de eeuw, werd nu vervangen door zijkamers of zoogenaamde kantoortjes,
waaruit men het uitzigt op de straat had. De houten gebouwen werden
sedert de 16de eeuw meest door steenen huizen vervangen, en ook in
het huisraad begon toen meer smaak te heerschen. Porcelein en vooral
Delftsch aardewerk; smaakvolle gebeeldhouwde kasten, tafels, kisten
en andere gemakken, benevens net gewerkt geweven behangsel, tapijten,
enz. leverden allen als om strijd de bewijzen op, dat de smaak door
toenemende beschaving en welvaart, meer gekuischt en veredeld werd.

Ook ten opzigte der soorten van spijzen, en de wijze van bereiding,
oefende de loop der tijden zijnen beschavenden invloed uit. Eenige
weinige soorten van groenten en vruchten, rund- en varkensvleesch,
benevens een dronk bier maakten in de 8e eeuw de gewone spijzen der
morgen-, middag- en avondmalen uit. Later, in de 9de eeuw, leerde
men ook den Rijn- en Moezelwijn kennen, terwijl men sedert de 11de
en 12de eeuw veelvuldig gebruik maakte van onderscheidene bieren. De
13de en 14de eeuw, kenteekende zich ook door eene vermeerdering van
spijzen. Wild en tam gevogelte, hazen, konijnen en hertenvleesch,
walvisch- en robbenspek, en vooral walvischtong, behoorden tot de
lekkernijen; alle hier bekende zee- en riviervisch, bevers en ander
klein wild, werden met onderscheidene groenten en eijeren, algemeen
gebruikt.--De zoogenaamde delices besloegen, vooral sedert de 15de
eeuw, eene voorname plaats op ieder gastmaal. Buiten- en Inlandsche
aard- en boomvruchten, benevens onderscheidene soorten van gebak,
werden toen reeds bij het dessert rondgediend, zoodat een en ander
de duidelijkste sporen oplevert, dat ook in dit opzigt, de meerdere
beschaving in den lande, aan de onderscheidene gebruiken en gewoonten
der Texelaars den weg van ontwikkeling en vooruitgang aanwees. [40]



ZESDE HOOFDSTUK.

DE BEVOLKING VAN TEXEL.


Godsdienst. Taal. Beschaving. Kleeding. Huishouding. Gewoonten.
Vermaken.

Blijkens onze opgave op bl. 7 bevinden zich onder de totale bevolking
van dit eiland 3768 Ned. Herv., 1218 R. K., 102 Doopsgez., 13 Israël.,
5 Lut. en 3 Remonstr. De voornaamste gezindheden worden dus op Texel
vertegenwoordigd.--Vergelijken wij met deze opgave de verdeeling,
zoo als die voor ruim eene halve eeuw was, dan vinden wij, dat het
zielental van het R. K. gedeelte der bevolking, zeer verminderd is,
naardien die kerk hier vroeger meer dan 1500 Communicanten telde. Ook
waren er toen geene Lutheranen.

De Roomschgezinden hadden hier vroeger slechts één Pastoor wien een
Kapelaan was toegevoegd, die om de 14 dagen op de andere dorpen
beurtelings de mis ging bedienen, hetgeen in bijzondere huizen
plaats had. Zij bezaten slechts ééne kerk, die aan den Burg stond,
en waarbij de Geestelijke woonde, die hier een zeer ruim inkomen
had. Tegenwoordig zijn zij in het bezit van drie Bedehuizen, die door
even zoo veel Pastoors bediend worden, en maken thans de Statie van
Burg--de Cocksdorp--en het Oude Schild uit; terwijl de gemeenten van
den Burg en het Oude Schild eene eigene begraafplaats hebben.

De Hervormden zijn verdeeld onder zes bijzondere gemeenten,
n. l. den Burg, de Cocksdorp, Oostereind, het Oude Schild, den
Hoorn en Waal-en-Koog, en hebben 7 kerken, die bediend worden door
6 Predikanten.

Vóór 1795 genoten de Herv. Predikanten op Texel weinig
landstraktement. Het grootste gedeelte van hun inkomen werd gevonden
door of uit eenen omslag over de landerijen, toen bekend onder de
benaming van Binnenlandsche Kolters, terwijl de Herv. kerken octrooijen
bezaten op dranken, turf, enz.

De Doopsgezinden, die voorheen met de namen van Friezen en
Waterlanders, of ook met die van fijnen en groven onderscheiden werden,
vormden twee partijen, welke zich in de tweede helft der 18de eeuw met
elkander verbroederd hebben, zoodat de vroegere onderscheidingsnamen
allengs zijn verloren gegaan. Dit gedeelte der bevolking heeft een
viertal nette kerkgebouwen, en wordt in zijne eeredienst voorgegaan
door 2 predikanten. De Doopsgezinden van Waal-en-Burg en Oostereind
vormen ééne Gemeente; die van den Hoorn maken mede eene Gemeente
uit. Zij die, behalve de genoemde, andere gezindheden zijn toegedaan,
behooren tot Gemeenten, buiten het eiland.

Ofschoon op eene betrekkelijk kleine oppervlakte levende, zoo heerscht
nogthans op Texel, ten opzigte van godsdienstige verdraagzaamheid,
onder de bewoners de beste harmonie. Partijzucht in dezen, hebben
wij althans niet kunnen bespeuren en iedereen, om het even welk
kerkgenootschap hij zij toegedaan, geniet dezelfde achting; terwijl
voorrang om godsdienstige beginselen, hier geheel uitgesloten en
vreemd is.

Voorheen bestonden er op Texel drie Parochiekerken, t. w. aan den Burg,
te Oostereind en in het voormalige dorp den Westen, de overige waren
slechts onbeduidende kapellen.

Over het geheel wordt op Texel, ook bij den landbouwenden stand,
de Hollandsche taal vrij zuiver gesproken, ofschoon de uitspraak,
en vooral die der vrouwen, wel iets teemends heeft, terwijl men bij
de bewoners ook iets van het Friesche provincialisme waarneemt, en er
tevens het Zeeuwsche huus voor huis, mien voor mijn, piep voor pijp,
nou voor nu; enz. gehoord wordt. Bij het meer beschaafde deel der
Texelaars worden bovengenoemde opmerkingen echter niet waargenomen,
maar bespeurt men integendeel eene zuiverheid van uitspraak,
die elders, in het gemeene leven, schaars wordt gehoord. Vooral
is dit het geval in hunne gesprekken met vreemdelingen, waarin zij
zich voor plaatselijke uitdrukkingen, en alléén op Texel inheemsche
uitdrukkingen, zorgvuldig wachten.--In hun onderling verkeer echter,
bezigen zij somtijds eenige woorden die minder algemeen verstaan
worden of in gebruik zijn.--Eenige der voornaamsten zijn de volgende:

Vertrouwelijk met eenen vreemdeling sprekende, noemen zij dezen paai,
[41] terwijl zij in hunne gesprekken met kinderen, deze wel eens
slep heeten, welke benaming als sleepen wordt uitgesproken, en eene
verkorting aanduidt van het woord bijslaap.

Over het algemeen is de gewone volkstaal op Texel, vrij wel gelijk
aan de gewone plattelandstaal der Noord-Hollanders.--Zoo wordt ook
op Texel, de aa in paard, schaap, enz., meermaals met ee verwisseld;
zoo ook de scherplange ee met ie, in been, steen, enz. de zachtlange
o met eu, in zoon, en meer anderen. Overigens hebben hier in de taal
de volgende afwijkingen plaats:

De korte a wordt meest als ao uitgesproken, even als in de Engelsche
woorden small, to walk; enz.

De ee in het woord meester als ei.

Zoo als wij boven reeds aanmerkten, heeft de ij in de meeste woorden
de klank van ie, en de ui dien van u.

Hieromtrent bestaan echter eenige uitzonderingen, zoo zegt men,
b.v. Trijn; maar in het verkleinwoord Trientje, de woorden bui, zuid,
lui en anderen, behouden hunnen natuurlijken klank; daarentegen zegt
men in de onderscheidene zamenstellingen Sud--Sud--Oost, enz. De
medeklinkers worden vrij scherp uitgesproken. De z en v, veelal
verwisseld met de s en f; de h wordt overal uitgesproken, en niet
misplaatst dan vóór de woorden eend en oven, waarvoor men hier heend en
hoven zegt; terwijl behalve de reeds opgegevene, nog de volgende als
eigendommelijke woorden, in aanmerking komen: Buitje voor kraamkind,
mogelijk afkomstig van het Engelsche boy; Soggie voor een lammetje,
dat van de moeder verstooten, kunstmatig opgekweekt moet worden,
(potlam); Schet voor een jong rund; Huis weer voor heusch waar;
Boet voor schuurtje; Kladdig voor morsig; Jot voor hek, (afsluiting
in het land); Stek voor schutting; Treroop voor leidzeel of teugel;
Meike voor meisje: Nuwelik voor wonderlijk; Koesen voor Kousen;
Skeepen voor Schapen; Kil verkorting van Cornelisje; Kees en Krilles
verkorting van Cornelis; enz.

Andere uitdrukkingen, zoo als geef mien Kap of Muts voor geef mijn
hoed; Slep voor slaapkameraad; Taat en Mem voor vader en moeder,
zijn reeds lang buiten gebruik, immers bij het jongere geslacht;
hier of daar zal er mogelijk nog wel een bestevaer of besje zijn,
die het spraakgebruik hunner jeugd nog in eere houden, omdat hunne
taten en memmen, hun zóó leerden spreken.

Is het waar, dat de taal eens volks het ware kenmerk is van zijne
beschaving, dan zal ook de wijze van uitdrukken, die men bij
deze Eilanders waarneemt, een gunstig bewijs leveren voor hunne
beschaving. De geringste handwerksman of sjouwer, (uitzonderingen
zullen er wel altijd te vinden zijn) weet zich beleefd en geregeld
uit te drukken; zijne antwoorden kenmerken een goed ontwikkeld gezond
verstand dat, zoo ten gevolge van gedurigen omgang met vreemdelingen,
als door de meerdere gemeenschap met naburige streken dan vroeger
plaats had, veelzijdig is beschaafd geworden. Een plomp ja of nee;
of hoogstens ja--nee meneer! zal hier niet worden gehoord; in
één woord, wij aarzelen niet te verklaren, dat de Texelsche lagere
volksklasse, in dit opzigt, als een voorbeeld mag worden voorgesteld
aan een groot gedeelte van de platteland bewoners der provincie
Noord-Holland. Onvermoeide werkzaamheid en een open oog voor de
vorderingen die er ten opzigte van landbouw, nijverheid, enz. plaats
grijpen, kenmerken over het algemeen deze beschaafde Eilanders,
waarvan men, ook ten aanzien van het misbruik van sterken drank, dat
elders zoo velen van den weg van welvaart en vooruitgang terughoudt,
gunstige getuigenis kan afleggen; behoudens eenige uitzonderingen, die
men trouwens wel overal zal kunnen uitvinden. In den regel echter,
is matigheid ook te dezen aanzien, eene der prijzenswaardigste
eigenschappen der Texelaars.

Omtrent hunne huishouding, alsmede van de inrigting hunner woningen,
valt niets bijzonders te zeggen; terwijl de algemeen bekende
Noord-Hollandsche zindelijkheid ook hier gevonden wordt.

Vriendelijk en voorkomend jegens vreemdelingen, behartigt de
Texelaar nog steeds de wetten der gulle gastvrijheid, en ofschoon
de landbouwende stand zich minder hecht aan de koude en lastige
etiquetten, die den uiterlijk beschaafden stedeling doen kennen,
deelt hij op gulle wijze van zijnen overvloed mede.

De vroegere eigenlijke Texelsche kleederdragt, waarvan het laag om den
hals uitgesneden jak met langen schoot der vrouwen overig is gebleven,
heeft vrij algemeen plaats gemaakt voor de gewone Noord-Hollandsche
[42]. Het gouden of zilveren oorijzer is ook hier het nationale
hoofdsieraad der vrouwen, die overigens in hare kleeding een zeer
goeden smaak ten toon spreiden, en onder welke men er velen opmerkt,
die alle aanspraak op schoonheid mogen maken.--Zij zijn zeer blank
en zacht bloozend, terwijl de bevallige vriendelijkheid, die uit
veler oogen straalt, gepaard met eene betamelijke ongedwongenheid,
nog verhoogd wordt door eene even bevallige houding, welke een in
der daad beminnelijk geheel vormt.

In vroegeren tijd, sponnen, weefden en bleekten de vrouwen en
meisjes haar eigen linnen, waartoe het vlas op het Eiland zelf werd
geteeld. "Geen jonge dochter", dus vinden wij aangeteekend, "ging ten
trouw, welke geen linnen van haar eigen spinsel in overvloed hadt,
zoo wel tot haar lijf, als voor tafel en bed. De Weeverstraat aan den
Burg, had haar naam bekoomen van dat ambacht, hetwelke aldaar door
veelen geoeffent wierdt".--Thans is hier van deze voorvaderlijke
gewoonte niets meer overig. De zoogenaamde meerdere beschaving,
welke ook hier met den tijd gelijken tred houdt, verbande het nuttig
spinnewiel, dat eens een der voornaamste huisgeraden onzer eenvoudige
doch waardige Voorvaderen uitmaakte. Het spinnen maakte plaats voor
tal van handwerken die, hoe kunstig en hoe geestig ook bedacht, dit
toch met elkander gemeen hebben, dat zij voldoening aan modezucht en
pronkziekte, als het hoofddoel aanwijzen, waarnaar het streven onzer
schoonen zich uitstrekt; terwijl het spinnewiel, dat eenmaal zelfs de
dochters van eenen Karel den Groote zich niet schaamden, der vlijtige
huismoeder en zedige maagd een' schat van het kostelijkste linnen deed
bekomen, in stede waarvan men zich thans toelegt op de verkrijging
van gefestonneerde kantjes, geborduurde strooken, gehaakte mutsjes,
en wat er meer van dien aard zij, die hunne vermeende waarde, dank
zij het productief en beschaafd Parijs, slechts ééne maand behouden!

Hoe weinig Texel zich ook van de overige deelen onzes Vaderlands,
in gewoonten, enz. onderscheidt, zoo zijn er toch enkele bijzondere
gewoonten, of gebruiken, die elders niet in zwang zijn. Datgene,
wat hen nog te dezen aanzien onderscheidt, willen wij kortelijk
aanstippen en daarbij, voor zooveel wij zulks nog niet hebben gedaan,
eenen blik werpen op hetgene daaromtrent vroeger was op te merken. [43]
Bij geboorte- en huwlijksfeesten, wordt ook op Texel, gelijk schier
overal in ons Vaderland, het uitsteken van vlaggen, het groenmaken,
het schieten, het onthalen van buren en vrienden op brandewijn met
suiker en rozijnen, niet vergeten; terwijl de zoogenaamde bruidstranen,
als ook de bruiloft zelve, op de gewone wijzen gevierd worden.

Bij begrafenissen wordt voor dat het lijk wordt uitgedragen, iets
voorgelezen; bij de Protestanten eenige hoofdstukken uit den Bijbel,
Psalmen, Evangelische gezangen of uitgezochte liederen, bij de
Roomschgezinden eene soort van meditatie over den dood. Vervolgens
wordt het lijk, onder klokgelui, ten grave gedragen en vroeger meer
dan nu, door vrouwen zoo wel als door mannen vergezeld. De vrouwen,
welke tot de naaste aanverwanten behooren en het lijk volgen, zijn
bij die gelegenheid nog met een' huik van zwart laken bedekt. Na de
terugkomst in het sterfhuis, wordt thee of koffij met brood voorgezet,
al naar de tijd zulks opgeeft. Van overdadige dood- of lijkmalen,
zoo als die voorheen plaats hadden, hoort men thans niet meer.

Het hier aangevoerde, bevat al hetgeen wat nog van Texel's voormalige
gewoonten overbleef. In vroegere tijden was het te dezen opzigte
geheel anders. Bij trouwplegtigheden was men gewoon om, verzeld van
de speelgenooten, het eiland rond te rijden en op de onderscheidene
dorpen te pleisteren, en alhoewel dit nog niet geheel en al in
vergetelheid is geraakt, zoo kan men het nogthans niet meer met den
naam van gewoonte bestempelen.

Bij sterfgevallen kwamen er vroeger zoo vele geburen en bekenden aan
het sterfhuis, als maar eenigzins mogelijk was; en vooral was dit het
geval, bij het zoogenaamde kisten: ja, het schijnt zelfs, dat men in
der tijd misbruik hebbe gemaakt van de gelegenheid om zich aan het
sterfhuis eens regt te goed te kunnen doen. Althans wij vinden, dat
"bij eene keure van Keizer Karel V, op zwaare boete verboden wierdt,
niet verder dan den vijfden buur ter weder- en aen de overzijde
te noodigen."



Onder de vermaken die op Texel in gebruik zijn, noemen wij voornamelijk
de Kermis, het St. Nicolaasfeest en de Meijblits.

De eerste wordt hier gelijk schier overal, op eene vrolijke en
luidruchtige wijze gevierd. De kramen en spellen, wier aantal in
vroegeren tijd echter veel aanzienlijker was, staan allen aan den
Burg, voornamelijk op de Groene plaats, en mogen zich doorgaans in
een ruim debiet en druk bezoek verheugen.

Het spelerijden maakt mede een voornaam gedeelte der kermisvreugd
uit. De jonge lieden rijden, veelal bij paren, het gansche eiland rond,
en vormen dikwijls eenen vrij aanzienlijken wagentrein. De dorpen
die zij doorrijden, verstrekken hun als zoovele pleisterplaatsen,
waar zij, hier iets langer, dáár iets korter, vertoeven, tot dat de
avond hen aan den Burg brengt. En alhoewel het daar dan lustig en
onbezorgd te keer gaat, en menigen langhals den nek gebroken wordt,
hoort men nogthans nooit dat deze gulle kermisvreugd door twist of
dronkenschap ontsierd wordt. Integendeel heerscht daar dan onderling
den meest gewenschten vrede en eene algemeene opgeruimdheid. Aan zang
en dans, begeleid door één of meer vioolspelers, ontbreekt het daarbij
niet. Ook het St. Nicolaasfeest is voor Texel's opkomend geslacht eene
milde bron van vreugde. Alsdan ziet men des avonds op de straat en in
de herbergen eene volmaakte maskerade, die niet zelden, aan den Burg,
uit vijftig en meer jonge lieden bestaat en, in waarheid, men moet
zich dikwerf verwonderen over de keuze en vinding der verschillende
costumen; ja, men ziet er menig masker, dat een bal masqué geene
oneer zoude aandoen. In de meeste huizen hebben zij dan ook vrij
entrée; zij laten zich eens bezien, en zoo men hun een glas wijn
of punch, of een kop chocolade presenteert, zijn zij doorgaans zoo
vrij daarvan te profiteren. De meeste burgers zetten dan ook licht
voor hunne ramen, en zoo het weder niet al te koud of ongunstig is,
is het tot middernacht vol leven en beweging op de straat.

Voorts heeft men hier nog de zoogenoemde Meiblits of het Meivuren. Op
het einde der maand April trekt de Schooljeugd bij troepjes door het
dorp, zingende:


    "Hooi! heb je geen strooi?
    Heb je geen oude manden?
    We zullen de Meijerblits branden;
    Hekken en stekken, joten en palen,
    Als je niet geeft, dan zullen we ze halen;
    Boer! wil jij het laten staan
    Hekken en stekken aan enden slaan."


Onder het zingen, of liever balken van die ballade, (?) verzamelen zij
langs de huizen al wat maar brandbaar is; brengen dien voorraad hier
of daar op eene veilige plaats, en verbranden dien buiten het dorp
op den avond van den 30sten April, waarbij het dan aan de noodige
drukte geenszins ontbreekt.

Voorheen hadden de Texelsche jongens de gewoonte om in den zomer het
jonge riet uit te plukken, en met het ondereinde van het riet een
balletje, waarop die plant zit, te schillen, met welke bolletjes
zij langs de straat, te koop liepen, roepende: hanekollen en
rietspieren! Die bolletjes bevatten een zoet sap, hetwelk er wordt
uitgekaauwd.

Behalve de opgenoemde vermaken, sprak men vroeger op Texel nog van
Zuuppot, Kriek en Queesten. [44]

Door de eerste wordt eene zamenkomst van jongelieden verstaan, die den
tijd korten met gemeenschappelijk en vrolijk gezang, dat afgewisseld
wordt door het gebruik (matig) van koffij of brandewijn met suiker.

De Kriek is mede een gezelschap van jonge lieden, dat meestal het
grootste gedeelte van den nacht duurt, en mogelijk zijn naam ontleent
van het krieken van den dag. Zoodanige bijeenkomsten hebben van tijd
tot tijd plaats, nu eens bij dit, dan weder bij een ander meisje. De
jongelingen komen er ongenoodigd, als het hun goeddunkt, en rooken
er hunne pijp; er wordt gepraat, gedanst en gezongen, terwijl de
zangstukjes wel eens verzeld gaan van zoogenoemde pluggendansjes,
waarbij de meisjes weinig meer dan eene huppelende beweging maken. Een
glaasje wijn of andere versnapering wordt bij zulke gelegenheden
geenszins vergeten, zonder daarbij echter de grenzen der matigheid
te overschrijden.

Het vrijen der jongelieden eindelijk, (vroeger Queesten genoemd) is
niet, of althans zeer weinig onderscheiden van de gewone vrijaadje der
Noord-Hollandsche landlieden, dat hoofdzakelijk bij avond en nacht
plaats vindt. De verliefde jongman gaat ook hier dikwerf uren ver,
zonder wind of weêr te ontzien, en vaak door dik en dun, naar het
voorwerp zijner liefde. De vrijster wacht hem, vooral in de eerste
weken der kennismaking, (zoo haar den jongman bevalt) aan het open
venster; maar de liefde, die trouwens meerdere gemeenzaamheid kweekt,
de natuur en de nacht openen den vrijer welhaast eenen vrijen en
verderen toegang, en--och! is het in dezen niet eveneens gelegen
in hutten als in paleizen?--Immers, het onderscheid bestaat slechts
daarin, dat het vrijen hier gepaard gaat met den goeden trouw, die
pleit voor reinen eenvoud van zeden!

Gelijk elders in ons Vaderland, zoo ook hier, biedt de winter, bij
sterk ijs, veelvuldige gelegenheid aan tot de gewone Vaderlandsche
ijsvermaken.



ZEVENDE HOOFDSTUK. [45]

AANTEEKENINGEN EN BIJVOEGSELS.


1. De onderscheidene wilde vogelsoorten zijn sedert de laatste jaren
niet vermenigvuldigd, eerder verminderd.--(vergelijk bl. 17.)

2. De uitgestrektheid der wei- of graslanden bedraagt p. m. 6000,
die der hooilanden 4000 bunders. De gemiddelde opbrengst is 5 wagens
of 3650 kilo per bunder. Gelijk elders, zoo ook op Texel, bereikt
de koop- en huurwaarde der landerijen thans eene buitensporige,
nimmer gekende hoogte. De koopwaarde der landerijen is tegenwoordig
van de beste soorten het dubbel, en van de mindere gronden het drie-,
vier- en vijfdubbel der vroegere prijzen. De algemeene begeerte naar
grondbezit is zóó sterk en zóó groot, dat vele landerijen, welke men
vóór 25 jaren de lasten naauwelijks waardig achtte, en in publieke
veiling met slechts eenige weinige guldens per bunder werden betaald,
thans f 400 à f 600 opbrengen. De reden dezer verhoogde prijzen
moet alleen worden toegeschreven aan de gunstige resultaten welke
de veefokkerij op dit eiland thans oplevert. Daarenboven schatten
de landlieden de innerlijke waarde van den grond veel hooger dan te
voren, en over het geheel leggen deze zich thans meer dan ooit toe,
om, zoo door mestbereiding als bearbeiding, den grond te verbeteren.

De mestspecie wordt verkregen door de eigen mestputten der landbouwers
en veehouders waarin men de koe- en paardenmest verzamelt. Ter
verkrijging van meerdere mestspecie, worden de mestputten van tijd
tot tijd met aardspecie aangevuld en met de mest vermengd. Aanvoer
van mestspecie heeft zelden plaats.--(Vergelijk bl. 19.)

3. Boter en kaas worden hier niet ter markt gebragt. Deze producten
dienen meerendeels tot eigen gebruik van den boer, die echter het
niet benoodigde aan de burgers verkoopt.--De bereiding der groene
kaas wordt jaarlijks minder, en over het algemeen worden de schapen,
na het afnemen der lammeren, in stede van ze te melken, drooggemaakt,
ten einde ze daardoor te eerder vet te kunnen weiden, iets, dat
bij den tegenwoordigen handel op Engeland, meerdere winsten afwerpt
dan de melkerij. Even min als boter en kaas, worden hier granen en
aardappelen ter markt gebragt. Deze vruchten worden bij den boer zelf
aan huis opgekocht.--(Vergelijk bl. 20.)

4. De zoogenaamde Miend- en heidegronden, voornamelijk gelegen langs de
duinen tusschen den Westen en de Koog, hebben eene oppervlakte van ruim
300 bunders. Het minvermogende gedeelte der bevolking heeft van die
gronden steeds een belangrijk voordeel weten te trekken. Des zomers
steken zij daarop plaggen die, gedroogd zijnde, hun tot brandstof
verstrekken, terwijl zij des winters mede van de heide als brandstof
gebruik maken. Sedert het ontstaan der aardappelziekte, hebben vele
behoeftige eilanders grootere en kleinere gedeelten dier Miendgronden
afgeheind en tot de aardappelcultuur geschikt gemaakt, hetgeen steeds
vrij gunstige resultaten heeft opgeleverd.--Vroeger waren er in deze
streek twee groote kolken, waarin zich veel watervogels onthielden,
door verstuiving is er een gedempt.--(Vergelijk bl. 24.)

5. Gerritsland is één van de 28 vereenigde Texelsche polders; zoo ook
het Weezenspijk, dat aan het Weeshuis behoort. Ook Hoorn-en-Burg is
een van de Texelsche polders, die in 1768 door eenige particulieren
werden ingedijkt, doch reeds in 1792 verdronk, en sedert dien tijd
niet weder drooggemaakt is.--(Vergelijk bl. 25.)

6. Boomkweekerijen zijn hier niet. Elzen-, Essen- en Berken-hakhout
groeit over het geheel voordeelig. Alles te samen genomen, zullen er
ongeveer 50 bunders met deze houtsoorten bezet zijn. Eiken of ander
hakhout en dennenbosschen vindt men op Texel niet.--De vruchtboomen
tieren over het algemeen vrij goed; eigenlijke boomgaarden zijn er
echter niet.--(Vergelijk bl. 25.)

7. Aangaande de Sturiërs, vinden wij, bij Dr. Arend het volgende:
(Nadat hij omtrent de woonplaats van eenige andere volksstammen het
een en ander heeft medegedeeld, zegt hij:) "Minder bepaald kan de
ligging der Marezaten en Sturiërs, genen welligt van Kattichen, dezen
van Frieschen oorsprong, aangewezen worden. De Sturiërs moeten het
tegenwoordige eiland Texel, een gedeelte van het land dat naderhand
Zuiderzee geworden is, tot aan Stavoren, welke naam van hen wordt
afgeleid, bezet hebben.--(Vergelijk bl. 25.)

8. "Het groote Kreilerwoud strekte zich uit van tusschen
Enkhuizen en Medemblik tot aan de Noordzee en het eiland
Texel." (Arend. Algem. Gesch. des Vad.) Hij ontleende dit aan
H. Soeteboom, Saenlants-Arcadia, B. II pag. 117. Doch Eikelenberg
houdt daarentegen deze Noord-Hollandsche bosschen even als het
Kreilerwoud (aan welks bestaan ook andere geleerden van naam twijfelen)
"zoo ooit de vorige eeuwen" (zegt Eikelenberg) "een bosch te Kreil
hebben gezien," voor rietbosschen, (?) en zegt met Nannius, "Tacitus
gedenkt Holland nooit als een boschachtig, dikmaals als een poelachtig
land."--(Vergelijk bl. 25.)

9. Eijerlandshuis of Eijerhuis was eene pachthoeve op het voormalig
eiland Eijerland, in het Noordelijkste gedeelte van hetzelve,
zeer bevallig tusschen duinen, in eenen duinkom gelegen. Vóór de
gedeeltelijke verbouwing in 1836-1837, las men in den gevel van dat
huis het jaartal 1650, dat door krom gebogen ankers gevormd werd. Dit
gebouw, dat door vergrooting en aanbouwing, onder zeven daken is
gebragt, heeft een kloosterachtig voorkomen. Binnengetreden, herinnert
men zich, op het gezigt van den ruimen keukenhaard, onwillekeurig,
hoe menig schipbreukeling, ter naauwernood den dood ontkomen, hier,
half verkleumd, en zijne omgekomene togtgenooten beweenende, zijne
natte kleeding, het eenige dat hem restte, zat te droogen.--Door de
ramen heeft men een schilderachtig gezigt: op den achtergrond ontwaart
men de duinen, op welker toppen de helmplanten door den wind, over
het steeds stuivende zand, worden heen en weder geslingerd; terwijl
nader aan den voorgrond, het vee, beschut door die hoogten, vreedzaam
graast, of rustig ligt te herkaauwen, een tooneel voorwaar! treffend
door de levendige tegenstelling van land en zee, van barre woestheid
en rustig veldbedrijf.--(Vergelijk bl. 95.)

10. Oosterbollen is een zandig gedeelte van den polder Eijerland,
Noordwaarts van Huisjeskreek nabij den polderdijk gelegen. In deze
zandvlakte, welke eene uitgestrektheid van 30 bunders heeft, staat
de directiekeet van den Directeur van Landbouw, die daarin, tijdens
de indijking, verblijf hield.--(Vergelijk bl. 95.)

11. Huisjeskreek of Oosterbollen-zwen is de naam van eene voormalige
kreek in Eijerland, welke vóór de bedijking, van den Duinkom afkomende,
zich met eene Oostelijke rigting in het Dijkskanaal ontlastte; doch
sedert met haar aanwezen, ook haren naam verloren heeft.--(Vergelijk
bl. 96.)

12. Ook de Kabeljaauwslufter was vóór de bedijking van Eijerland eene
kreek, welke zich Oostwaarts ontlastte.--(Vergelijk bl. 101.)

Indien wij wel onderrigt zijn, bestaat het plan om eenen grindweg op
Texel aan te leggen, loopende van den Burg over Waal-en-Burg en door
Eijerland tot aan de Cocksdorp.



En hiermede, Waarde Lezer! eindigen wij onzen arbeid. Gaat het u als
ons, dan zult ook gij moeten erkennen, dat het Eiland Texel, mede
een der belangrijkste gedeelten van Neêrland's Rijksgebied uitmaakt,
en dat deze plek van den Vaderlandschen bodem overwaardig is, meer
algemeen gekend te worden.



STAAT van de veranderingen aan het Strand en de Duinen langs de
Noordzee van het Horntje tot het Eijerland op het Eiland Texel.


---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
                                                      Van den 5den Junij 1850 tot den 24sten Junij 1854.
------------------------------------------++--------+------------------+-------------------+-------------------
                                          ||        |VOET VAN HET DUIN.|LIJN VAN HOOGWATER.|LIJN VAN LAAGWATER.
                 NAMEN                    ||        |                  |                   |         |
                                          ||        +--------+---------+---------+---------+---------+---------
                  DER                     ||        |        |         |         |         |         |
                                          || Lengte |Verloren|  Aange- |Verloren |  Aange- |Verloren |  Aange-
        Bekende Plaatsen.                 ||   in   |   in   |wonnen in|   in    |wonnen in|   in    |wonnen in
                                          || Ellen. | Ellen. |  Ellen. | Ellen.  |  Ellen. | Ellen.  |  Ellen.
------------------------------------------++--------+--------+---------+---------+---------+---------+---------
                                          ||        |        |         |         |         |         |
Het Hoornerstrand en duinen, van den      ||        |        |         |         |         |         |
  paal no. 6, tot den paal no. 11         ||  5000  |   ,,   |   4.82  |   ,,    |  93.20  |    ,,   | 112.00
                                          ||        |        |         |         |         |         |
Het Westerstrand en duinen, van den       ||        |        |         |         |         |         |
  paal no. 11, tot den paal no. 16        ||  5000  |  0.40  |   ,,    |   ,,    |  14.60  |    ,,   |   2.90
                                          ||        |        |         |         |         |         |
Het Koogerstrand en duinen, van den       ||        |        |         |         |         |         |
  paal no. 16, tot den paal no. 22        ||  6000  |   ,,   |   7.00  |   ,,    |  25.33  |    ,,   |  34.00
                                          ||        |        |         |         |         |         |
Het Strand achter den Zanddijk, van den   ||        |        |         |         |         |         |
  paal no. 22, tot den paal no. 27        ||  5000  |  0.00  |   0.00  |   1.90  |    ,,   |  23.00  |    ,,
                                          ||        |        |         |         |         |         |
Het Eijerlandsche Strand en duinen,       ||        |        |         |         |         |         |
  van den paal no. 27, tot den paal       ||        |        |         |         |         |         |
  no. 33.   462 el                        ||  6462  |   ,,   |   2.54  |    ,,   |  32.54  |    ,,   |  63.92
                                          ++--------+--------+---------+---------+---------+---------+---------
                                          ||        |        |         |         |         |         |
Over de geheele lengte van paal no. 6     ||        |        |         |         |         |         |
  op den Hors, tot den limietpaal no. 34, ||        |        |         |         |         |         |
  aan het Eijerland                       || 27462  |   ,,   |   3.61  |    ,,   |  35.30  |    ,,   |  40.18
------------------------------------------++--------+--------+---------+---------+---------+---------+---------
                                                    |        |         |         |         |         |
In de peilraaijen A, B, C, D, E, F, G en H aan het  |        |         |         |         |         |
  Horntje, van 1807 tot 1854                        |   ,,   |    ,,   | 283.12  |    ,,   | 172.12  |    ,,
                                                    |        |         |         |         |         |
Van het jaar 1836, tot 24 Junij 1854                | 76.62  |    ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,
                                                    |        |         |         |         |         |
Van 7 Junij 1853, tot 24 Junij 1854                 |   ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,
                                                    |        |         |         |         |         |
In de raaijen I, K, L en M in de Mok, of Z. W. zijde|        |         |         |         |         |
  van het Horntje: van 1852 tot 24 Junij 1854       |  2.70  |    ,,   |    ,,   |   #.40  |  22.40  |    ,,
                                                    |        |         |         |         |         |
Van 7 Junij 1853 tot 24 Junij 1854                  |   ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,   |    ,,
----------------------------------------------------+--------+---------+---------+---------+---------+---------


----------------------------------------------------------------------------------------------------------
                          Van den 6den Junij 1853 tot den 24sten Junij 1854.
-------------------+--------------------+--------------------+--------------------------------------------
 VOET VAN HET DUIN.| LIJN VAN HOOGWATER.| LIJN VAN LAAGWATER.|    GEMIDDELDE BREEDTE VAN HET STRAND.
---------+---------+----------+---------+----------+---------+-------------+-------------+----------------
 Verloren|  Aange- | Verloren |  Aange- | Verloren |  Aange- |Van den voet |Van de hoog- | Van den voet
    in   |wonnen in|    in    |wonnen in|    in    |wonnen in|van het duin |waterlijn tot|van het duin tot
  Ellen. |  Ellen. |  Ellen.  |  Ellen. |  Ellen.  |  Ellen. |tot de hoog- |den kant van |  den kant van
         |         |          |         |          |         | waterlijn,  | laagwater,  |   laagwater,
         |         |          |         |          |         |  in Ellen.  | in Ellen.   |    in Ellen.
---------+---------+----------+---------+----------+---------+-------------+-------------+----------------
    ,,   |   4.91  |   16.82  |    ,,   |   8.64   |    ,,   |   1146.36   |   146.82    |    1239.18
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |   1.90  |   8.50   |    ,,   |   0.60   |    ,,   |    319.60   |   143.40    |     463.00
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |   2.58  |   2.42   |    ,,   |     ,,   |   3.00  |    186.17   |   115.83    |     302.00
         |         |          |         |          |         |             |             |
   0.00  |   0.00  |   11.60  |    ,,   |     ,,   |   0.70  |   1476.10   |   107.80    |    1583.90
         |         |          |         |          |         |             |             |
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |     ,,  |     ,,   |   6.64  |   15.77  |    ,,   |    297.92   |   120.30    |     418.22
---------+---------+----------+---------+----------+---------+-------------+-------------+----------------
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |   2.20  |   5.90   |    ,,   |    4.52  |    ,,   |    685.23   |   126.83    |     812.06
---------+---------+----------+---------+----------+---------+-------------+-------------+----------------
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |     ,,  |     ,,   |    ,,   |     ,,   |    ,,   |      ,,     |      ,,     |       ,,
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |     ,,  |     ,,   |    ,,   |     ,,   |    ,,   |      ,,     |      ,,     |       ,,
         |         |          |         |          |         |             |             |
   2.00  |     ,,  |   3.12   |    ,,   |   45.00  |    ,,   |      4.82   |   186.37    |     191.19
         |         |          |         |          |         |             |             |
         |         |          |         |          |         |             |             |
    ,,   |     ,,  |     ,,   |    ,,   |     ,,   |    ,,   |      ,,     |      ,,     |       ,,
         |         |          |         |          |         |             |             |
   2.00  |     ,,  |     ,,   |   2.40  |   25.00  |    ,,   |    8.14     |   189.67    |     197.81
---------+---------+----------+---------+----------+---------+-------------+-------------+----------------


De beplanting der Duinen op Texel, waartoe helm en stroo gebezigd
worden, geschiedt over de gansche uitgestrektheid, bepaaldelijk ter
plaatse waar zulks noodig wordt geoordeeld.



AANTEEKENINGEN


[1] Het Eiland Marken en zijne bewoners; met 2 kaartjes, te Amsterdam,
bij Weijtingh & Van der Haart, 1854.

[2] Aanvankelijk hadden wij het plan gevormd, om een afzonderlijk
kaartje van de Texelsche Zeegaten bij het werkje te voegen.--Dan,
opmerkzaam gemaakt zijnde, dat het, met betrekking tot het eiland
zelf, doelmatiger zijn zoude, zoo beide kaarten (die van het Eiland
en die van de Zeegaten) op ééne kaart werden overgebragt, hebben wij
ons volgaarne de moeite getroost, om, in het belang van het werkje,
beide kaarten op eene grootere schaal over te brengen, en tot één
geheel te vereenigen.

[3] "Noorder-Haaks, zandbank in de Noordzee, vóór het Marsdiep,
Zuidwest van het eiland Texel, thans het Noordelijke gedeelte van de
Haaks uitmakende. Ten Noord-Oosten loopt het Noordergat, dat haar
van de Horst, of de Zuid-Westelijke punt van Texel, scheidt, ten
Zuiden werd zij vroeger door de Breede-Wei en het Zuidwestergat van de
Zuider-Haaks gescheiden; thans daarmede verbonden, wordt zij nog door
eene geul of sleuf, het Duikersgat geheeten, in tweeën gescheiden,
van welke het Zuidelijke gedeelte den Middenrug genoemd wordt."

"Zuider-Haaks, zandbank in de Noordzee, ten westen van den Helder,
waarvan zij door het Schulpegat gescheiden is, terwijl zij ten Noorden
thans met de Noorder-Haaks is vereenigd."

(Van der Aa. Aardr. Woordenboek, V deel, bl: 11.)

[4] De kleuren van Texel's vlag zijn ons verschillend opgegeven. Men
deelde mij onlangs mede dat dezelve oudtijds groen en rood zouden
geweest zijn.

[5] Naar men mij verhaalde, had zich de sterfte onder het hoornvee,
vóór 1789, slechts éénmaal op Texel vertoond. Een boer, die, naar
huis reizende, in het Zijperschuitje zich nedergezet had op een hoop
rundervellen, afkomstig van dezulken, die aan de besmetting gestorven
waren, en, zoodra hij te huis kwam, naar het veld gegaan was om
zijne beesten te melken, bragt de ziekte over, met dat gevolg, dat
niet alleen zijn' stal, maar ook vele andere stallen aan den Hoorn,
geheel uitstierven, zonder dat de ziekte zich evenwel verder over
het eiland verspreidde.

[6] Een groot verschil voorwaar met het jaar 1383, toen er op Texel
geene merriën mogten gehouden worden; zijnde men toen verpligt,
zich daarvan vóór Kersavond te ontdoen.--

[7] In 1854 werden er 1.400.000 oesters gevangen, die gemiddeld à f
10 per 1000 werden verkocht.

[8] De wiermaaijerij leverde hier in 1850: 170,000 lb wier, ter waarde
van f 10,000; in 1851: 120,000 lb, ter waarde van f 4,200; in 1852:
150,000 lb, ter waarde van f 8,250; en in 1853: 300,000 lb ter waarde
van f 19,000.

[9] Vooral levert de Schelpbank in het Eijerlandsche Gat eene gunstige
opbrengst.


                    leverde in 1853              In 1854
                    kub. el schelpen.            kub. el schelpen.

Het Oude Schild                  250                          400
Oosterend en Oost               3500                         2500
De Cocksdorp                    7600                         6000


[10] Zie de achter dit Werk gevoegde Staat van de veranderingen aan
het Strand en de Duinen, enz., overgenomen uit het Provinciaal Verslag
van Noord-Holland, over 1854.

[11] Sturiërs...... Zij hadden van voren tot grenspalen de Noordzee,
van achteren en aan beide zijden waren zij besloten door rivieren,
namelijk de Sala of IJsselstroom, die, eer Drusus den Rijn daarin
bragt, zich bij het eiland Texel ontlastte, en de Vliestroom. Verder
waren zij omringd van het Meer, hetwelk tusschen het eiland Flevo en
het verdere strand der Friezen lag, alsook door denzelfden Vliestroom,
wederom smaller geworden zijnde: zoodat het voornoemde eiland binnen
die palen begrepen was. Enz. (Van der Aa, Aardr. Woordenb.)

[12] Zie voorts Aanteekening, in het laatste Hoofdstuk van dit Werk.

[13] Zie ook: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, geschetst door
F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.

[14] Zie ook: Het Eiland Schiermonnikoog en zijne Bewoners, geschetst
door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.

[15] Volgens Dr. Acker-Stratingh, beter de Rekere. Zie 's mans beroemd
werk: Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands.

[16] Kerkelijke Oudheden van Noord-Holland, bl. 399, in de
aanteekeningen.

[17] Wanneer die landstreek, den naam van Graafschap hebbe aangenomen,
en welke personen het bestuur daarvoor in oude tijden (vóór Graaf Dirk
II) mogen gehad hebben, daarvan is mij, ondanks vele nasporingen tot
nog toe niets voorgekomen.

[18] Drechterland, is eene landstreek in Noord-Holland, in de nabijheid
en omgeving van Enkhuizen.

[19] Kennemerland, gedeelte der provincie Noord-Holland, tusschen de
Noordzee, Kalandsoog, het oude Westfriesland, benevens Amstelland en
Rijnland, gelegen.

[20] In 1422 komt voor eene quitantie van den pacht der windmolen
ad. 100 gouden Vrancrixe Kroonen.--

[21] Mr. Balthazar Huijdekoper, Schepen der stad Amsterdam, en bekend
door zijne dicht- en taalkundige werken, is mede Schout of Baljuw
van Texel geweest.

[22] Naar sommigen willen, behoorden bij de genoemde tienden ook de
koorntienden; de lammertienden gingen in op den 1en Mei.--

[23] Van die teruggave, zegt zeker schrijver, is nog een spreekwoord
op Texel afkomstig. "Nog heden," beweert hij, "zegt men op Texel,
wanneer een jongeling aan een meisje eene eeuwige liefde zweert,
als het maar geene Saxische eeuwigheid is, van drie jaren; omdat
de Hertog van Saxen de Privilegiën, enz. der Texelaars, die hij
voor eeuwig verbeurd verklaard had, reeds 3 jaren later terug
gaf.--Geloofwaardige Texelaars hebben mij echter verklaard, genoemd
spreekwoord nooit gehoord te hebben."--

[24] In 1562 bestond op Texel nog het gebruik, dat de Eigenaars en
Bruikers geen langer eigendom aan de landen hadden, dan van 1 Mei
tot den laatsten Julij, wordende na dien tijd alles gemeene weide.

[25] In 1779 liep de Amerikaansche Kaperkapitein Paul Jones met
twee Engelsche prijzen in Texel binnen. De prijzen werden, hoewel te
vergeefs, teruggevorderd; alleen gaf men den bevelvoerenden officier
ter reede van Texel in last, om zich met den kaper zoo min mogelijk in
te laten. Deze stoorde zich hieraan echter niet, maar bezocht zelfs
den schouwburg te Amsterdam, hetgeen zooveel opziens baarde, dat men
een straatliedje op hem maakte. Het bekende: "Dáár komt Pauwel Jones
aan," enz., ontleende daarvan zijnen oorsprong.

[26] Volgens algemeen gevoelen is het dorp Den Burg, weleer (1346)
door drie poorten afgesloten geweest, welke zouden gestaan hebben:
ééne in den Binnenburg bij het pijpje;--ééne tegen over het Weeshuis,
bij het huisje op de breg (brug); en ééne bij het logement de Zwaan.

[27] "Ada," dus lezen wij in een oud handschrift, "was de eenige
dochter van Dirk, volgens de groote Kronijk, de VIIde van dien naam;
de 14de Graaf van Holland; zij dan in rang de 15de Gravinne van
Holland. Zij trouwde tegen den zin van sommige Staten, en van haren
oom Willem, die, na haar, Graaf wierd. Zij werd door hem gevangen
genomen, en op Texel in eene onbeslotene gevangenis bewaard, alwaar
zij, na een jaar aldaar geweest te zijn, en nog geen 18 jaar oud,
overleed in den jare 1204: haar lijk werd naar Middelburg gebragt."

Terwijl wij in eene andere aanteekening vermeld vinden: "De Moeder
van Gravinne Ada, was de Gravinne Aleid. Deze had hare dochter
uitgehuwelijkt aan Lodewijk, Grave van Loon; zij werd op den Burgt te
Leiden, overwonnen en gevangen genomen, en viel haren Neef Willem van
Teijlingen in handen. Haar oom Willem, overwinnaar zijnde, zond zijne
nicht (Ada) naar Texel; doch deze gevangenis haar ondragelijk vallende,
zocht zij te ontkomen, waarom hij het besluit nam, haar naar Engeland
te zenden. Dit werd Graaf Willem I van vele Edelen en Landzaten,
kwalijk genomen, dat hij de Landsvrouwe in handen van vreemden stelde."

[28] In 1855 waren 42 personen in die Kamers opgenomen, aan welken,
behalve vrije woning, eene som van f 1200 voor onderstand is verstrekt,
geheel uit inkomsten van bezittingen verkregen.

[29] Tegenwoordig houden de bewoners van Oost zich ook met de
wiermaaijerij bezig.

[30] Zie bl. 41.

[31] Thans Hoofd-Ingenieur in de Provincie Utrecht.

[32] "Ongelooflijk," zegt zeker schrijver, die in het laatste gedeelte
der voorgaande eeuw dit gedeelte van Texel bezocht, "ongelooflijk
is het onnoemelijk getal van nesten en eijeren van allerlei soort,
welke men hier aantreft; men kan zich aan geene zijde wenden, zonder,
om zoo te spreken, twee of drie nesten onder de hand te hebben; maar
men vindt zich bijna in het geval van Don Quichot, bij het hol van
Montesinos; want men dient schier slag te leveren tegen de vogels,
zoodanig koomen die dieren aanstrijken op de roovers van hunne
eigendommen, en van de hoop van hun toekoomend geslagt."

[33] Eyerlandshuis is het noordelijkste der perceelen, waarin het
Eijerland vóór de bedijking verpacht werd.

[34] De eigenlijke uitsluitende duinmaaijerij was, bij besluit van
1 Augustus 1825, afgeschaft.

[35] Het kompas heeft hier eene miswijzing van 22°30' N. W. Nieuwe
en Volle maan, 9 uren hoog water.--

[36] Deze kwaal was eigenlijk eene soort van leverziekte, waarbij
zeker insect, als kleine botjes, zich in de lever zette. Elders
heerscht die ziekte ook, en meermalen hoorde ik die de bot noemen.

[37] Zoodanige kraag, behoort thans nog tot het zoogenaamde
Marker-Trouwpak.--

[38] Ook op het eiland Marken bestond deze gewoonte; als een
overblijfsel daarvan kunnen beschouwd worden, de eigendomsmerken die
de Markers nog heden op hunne klompen en op andere zaken snijden.--Ook
van de voorschreven kleederdragt vindt men op dit eiland nog vele
overblijfselen.

[39] Aangaande het zoogenaamde Abtskoorn, deelde men ons het volgende
mede:

Het Abtskoorn was eene belasting op sommige huizen aan den Burg, in
oude tijden geheven door de geestelijkheid, in welke tijden door de
Eigenaars dier huizen aan de Geestelijkheid jaarlijks moesten leveren
1, 2, 3, à 4 Loopen koren, naderhand werd voor ieder Loopen koren f
1.-- betaald, en was dit privilegie in het bezit van de Heeren Van
Brienen, welke Heeren echter sedert 25 à 30 jaren, dit regt, hetwelk
nu vervallen is, niet meer hebben gevorderd.

[40] Men zie ook, ten opzigte van Texel's vroegeren toestand,
zoo als die bepaaldelijk was bij den aanvang der 18de eeuw: Reizen
door een gedeelte van Europa, Klein-Azië, enz. gedaan door Johan
Ægidius van Egmond van der Nijenburg en Johannes Heijman, uitgegeven
door Johannes Wilhelmus Heijman, te Leiden bij Abraham Kallewier,
1757.--Welk werk mij goedgunstig ten gebruike werd afgestaan door
mijnen vriend, den Heer J. Visser, te Eiland Marken.

[41] Dit woord is zeer oud en wordt zelden meer gehoord.

[42] Men meene echter niet, dat de Texelsche Schoonen zich in zooverre
aan de anti-N.-H. kleedij gebonden achten, dat zij zich zouden bepalen
bij een jak en rok, waarvan de schoot of scheiding bijna tusschen de
schouders wordt gedragen.

[43] Wij merken hierbij aan dat Texel gedurende de laatste jaren,
ook ten gevolge van meerdere gemeenschap met den vasten wal, veel van
zijne eigendommelijkheid heeft verloren. Uit hetgene wij boven reeds
omtrent de Texelaars hebben medegedeeld, blijkt, dat zij in kleeding,
zeden, enz. niet meer van hunne naburen zijn onderscheiden.

[44] Zuuppot is een oud woord, 100 jaren geleden in gebruik, even
als het Queesten.

[45] Tijdens en na het afdrukken van het werk, gewerden mij nog eenige
opmerkingen Texel aangaande. Sommige derzelven kwamen tijdig genoeg,
om in den tekst te kunnen worden opgenomen. Anderen echter, ontving
ik daartoe te laat. Deze laatsten zijn het, die ik in dit zevende
hoofdstuk heb zamengevat.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Eiland Texel en Zijne Bewoners" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home