Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het boek van Siman den Javaan - Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid
Author: Dekker, E. F. E Douwes
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het boek van Siman den Javaan - Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                     HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN

            EEN ROMAN VAN RIJST, DIVIDEND EN MENSCHELIJKHEID


                                  DOOR

                         E. F. E. DOUWES DEKKER

               Redacteur aan het Bataviaansch Nieuwsblad.



                     AMERSFOORT--P. M. WINK--1908.



De auteur stelt er prijs op, te verklaren dat elk détail in zijn
verhaal, hetwelk van invloed kan zijn op de strekking ervan, waar
is. Voor overdrijving heeft hij zich zorgvuldig gehoed. Hij zou
in staat zijn om, door het met hun waren naam aanduiden van vele
schuldigen, aan zijn pleidooi meerder kracht bij te zetten, doch
liet dit vooralsnog na, wijl men hem bij een eventueel rechtsgeding
stellig niet in de gelegenheid zou stellen, de waarheid van zijn
beschuldigingen in rechte te bewijzen.

De gegevens, welke hij bezit, zal hij gaarne ter beschikking stellen
van de regeering.



De vertaling der Javaansch-Maleische woorden kon niet door den auteur
zelf bezorgd worden. Mocht daarin dus, onverhoopt, een fout ingeslopen
zijn, zoo mag dit hem niet aangerekend worden.



HET BOEK VAN SIMAN DEN JAVAAN.


Pah Rekso rookte zwijgend zijn kaoengstrootje. [1] Droef staarden
zijn oude oogen over de sawahs: stoppelvelden, nu de oogst was
binnengehaald. Heel in de verte projecteerden zich de rustige bergen
tegen den klaren hemel, waaruit de zon reeds verdwenen was.

Zij zaten voor hun huisje, Pah Rekso en zijn twintigjarige zoon
Siman. Een armoedige woning was het, als de meeste woningen in de
desa [2] Tjidamar. De geheele desa was in waarheid niet meer dan een
gehucht, een van de vele in de afdeeling Warnaleutik. Rekso's vader,
hij was reeds lang dood, had Tjidamar nog gekend als een welvarend
dorp. Maar dat moest toch heel lang geleden zijn. Hoe oud hij zelf was,
wist Pah Rekso niet. In de desa houdt men zich niet met leeftijden
op. De klapperboom, dien zijn vader bij zijn geboorte geplant had,
was jaren geleden door den bliksem getroffen. De kruin was geheel
weggeslagen, en de slanke boom bijna tot aan den voet gespleten. Later
was de dorre, zwarte stam, die als wanhopig den hemel om erbarming
smeekte, door een hevigen windvlaag omgeworpen. Nog slechts een stronk,
geen el hoog meer, was blijven staan; en langzamerhand hadden de witte
mieren zich daarvan meester gemaakt. Dat was al wat er van Rekso's
leeftijdsmeter was overgebleven. Hij kon zich nog goed herinneren
dat zijn boom zes en veertig ringen had, toen hij door het hemelvuur
werd getroffen. Maar de tel der jaren was hem ontschoten. Als hij
zich niet vergiste, was er nog driemaal lebaran [3] geweest, daarna,
toen zijn oudste zoon stierf aan de cholera, daar heel ver weg in de
kotta [4]. Hij had het heel bij toeval vernomen.

Maar het kon ook wel vier jaren geleden geweest zijn, misschien
zelfs wel langer. Dat was zeker de tjilaka [5] geweest, die hem
door den goeroe [6] was voorspeld, toen Allah den klapperboom,
zijn levensgezel van de geboorte af, had uitgekozen tot trefpunt van
zijn bliksem. Dat moest wel. Hij was steeds op iets ergs voorbereid
geweest na dien luid krakenden donderslag. Maar toen er niets kwam,
niets buitengewoons, had hij zich in het hoofd gepraat, dat Onze
Lieve Heer zich wellicht vergist had in den boom. Dat kon best,
meende hij. De boomen stonden vaak dicht bijeen. Maar hij had zijn
onbewusten twijfel aan de goddelijke almacht toch weer moeten laten
varen; want, al had het ongeluk lang op zich laten wachten na die
daverende demonstratie van het Lot, eindelijk was toch Rekso's oudste
aan de vreeselijke ziekte bezweken.

Daarna waren weer vele, vele jaren heengegaan; Siman was nu bijna
volwassen, en tòen nog maar een kleine jongen, een botja angon
[7]. Vee was er echter niet meer. Pah Rekso herinnerde zich niet eens
meer hoeveel assistent-residenten in de afdeeling elkander in dien
tusschentijd hadden opgevolgd. De oude regent was overleden, en zijn
zoon, die zeer knap was, en te Batavia op een Hollandsche school was
geweest, jaren lang, was nu regent. Ja, het was een heele tijd geleden,
dat Tjidamar een welvarende desa was, waar een groote passar gehouden
werd op elken legi [8] en soms zelfs ééns in de tien dagen geslacht
werd. De velden moesten toen nog ruime oogsten opgebracht hebben, omdat
er geen doorloopend gebrek was aan water gelijk thans. En Rekso's vader
had vaak verteld dat in zijn tijd wel drie honderd gulden werd betaald
voor een bahoe [9] sawahgrond. Drie honderd gulden. 't Was een heele
som. Onlangs had Bapa Soei zijn sawahs, en dat waren nog heel goede
gronden voor Tjidamar, verhuurd aan de njai [10] van den toean commies
op de assistènan [11] en hij had maar zestig gulden gekregen per bahoe.

Niet dat de grond slechter was geworden. Hier in de Preanger was de
aarde een brave, trouwe moeder; maar het zat hem in de moeilijkheid
om water op de bergsawahs te krijgen. Hij herinnerde zich nog heel
vaag den tijd--toen was hij nog een botja angon, die zijns vaders
vee hoedde--dat in de Tjikanding-saät heel veel water was, meer dan
men vaak gebruiken kon. Nu was de Tjikanding droog; ook in de groote
Tjipalang was nauwelijks stroom meer en het was een heel verre weg,
dien het water, op een hoog gelegen punt afgetapt, moest afleggen door
een lange met den patjol [12] gemaakte leiding om Pah Rekso's veld te
bereiken. En onderweg was dan voor de aanliggende sawahs al veel water
gebruikt en het was een bitter schijntje dat op Pah Rekso's rijstveld
neersijpelde. Het was geen wonder dat de grond koppig was en weinig
gaf in ruil voor het weinige dat hij ontving. De padi [13] stond er
schraal, en was nauwelijks voldoende, in de goede jaren, om voor de
eigen voeding van het gezin te dienen. De beide laatste jaren was zij
ontoereikend gebleken. Droge moessons waren het geweest. En Pah Rekso
had zijn vrouws pending [14], toen haar giwangs [15], toen eindelijk
een mooie toessoek kondé [16] naar het pandhuis moeten brengen. Dat
hij van de laatste moest scheiden, had hem vooral zeer gedaan. Hij
had ze zijn vrouw gegeven een dag voor hun huwelijk. Ten was oud,
voor een vrouw uit de desa dan, ze had ruimschoots de moederweelde
mogen genieten; de tijd van het mooi-zijn was voorbij en de fraaie
haarnaald had ze ook in lang niet meer gedragen. Die werd bewaard in
het kastje onder het hoofdeind van het wrakkige, ruw-houten bed. Toch
waren de beide oudjes er zeer aan gehecht en het kostte dagen van
beraad en nachten van droef overleggen, alvorens besloten werd van
het kleinood te scheiden. Het was grof werk, uitheemsch fabrikaat
en bestond uit een ruw geslagen zilveren montuur en een slecht
geslepen grooten steen, met nog wel acht kleinere steentjes daarom
heen, waaraan een leek op het eerste oog kon zien, dat ze van het
zuiverste glas waren. Alleen de groote steen, een troebele Indische
robijn, onoordeelkundig bewerkt, had eenige, maar geringe waarde. De
Chineesche pandhuis-pachter wist natuurlijk van de levensomstandigheden
van het echtpaar Rekso af en wist de hem geboden gelegenheid te
gebruiken. Hij gaf vijf rijksdaalders aan Siman mede. Dat was een
teleurstelling voor de oudjes. Rekso had zelf niet willen gaan. Hij
had het, hoe weinig sentimenteel hij ook was, niet over zich kunnen
verkrijgen. En hij was blijde het ook niet gedaan te hebben, want
voor vijf rijksdaalders had hij de speld niet afgestaan en toch had
het geld er moeten zijn. Het was beter zoo. Ten had zuchtend het geld
van Siman in ontvangst genomen en Ipah, Simans vier jaar jonger zusje,
had later aan haar broer medegedeeld, dat ze moeder had zien schreien.

Ipah was een handig klein ding, dat Ten al aardig werk uit de hand kon
nemen. Zij paste voornamelijk op de twee jongsten van het nest van
acht, tweelingen, twee jongens, van nog geen vijf jaar. Ook Mariam,
die na Ipah het licht aanschouwde, was een flink meisje, één jaartje
jonger dan haar zuster en wel voor drie jaar coquetter. Ipah was een
leelijk kind, door de pokken geschonden; Mariam daarentegen, die al
wat vormen begon te krijgen, beloofde een desa-schoone van den eersten
rang te zullen worden. Van Djamin, den vijfde, een bengel van tien
jaar, en Djirah, die op Mariam geleek, was niet veel te zeggen. Na
Djirah was er in vijf jaren geen spruit gekomen. Rekso was voor de
desa laat gehuwd; Ten was ook heel veel jonger dan hij en bij de
geboorte van de tweelingen scheen het wel of de natuur haar verzuim
had willen goed maken in de mollige nakomertjes.

De tijden werden niet beter.

Pah Rekso was reeds naar de hoofdplaats geweest om den
assistent-resident, die een braaf man was, naar men zeide, te verzoeken
de padjeg [17] te verminderen. Maar, met welke goede voornemens hij
ook in de kotta was gekomen, toen hij er was, zonk hem de moed in
de schoenen. De ambtenaar kende hem immers niet; en hoe zou hij hem
dan zijn verzoek kunnen inwilligen? Dit echter was het niet dat hem
weerhield. Het was de voor den desaman onoverkomelijke beklemdheid
voor den Europeeschen ambtenaar, dien hij niet bij machte oordeelt de
toestanden bij den kleinen man te begrijpen, vóór wien zijn toch reeds
in voldoende mate aanwezige reserve hem den mond sluit, waar het gemoed
hem tot spreken aanzet. Maar Rekso deed als andere menschen, die zich
trachten te verontschuldigen bij zichzelven en de daad--een negatieve
in dit geval--goed praten met verstandsbetoog, dat wat laat komt. Neen,
zeide hij bij zichzelf, ik moet bij mijn hoofd, den assistent-wedana
[18] zijn. En dat was niet verkeerd gedacht, zeker niet. Het was de
aangewezen weg. Allicht zou ook de assistent-resident hem verwezen
hebben naar den assistent-wedana, omdat een ambtenaar zoo veel zaken
te doen heeft en rechtstreeks met de bevolking in zulke op zich zelf
staande gevallen als van Rekso niet kan in aanraking komen.

Maar de assistent-wedana van Tjidamar was iemand, die op weg was
half onbewust het leger der bedorven inlandsche ambtenaren met een
lid te versterken. Hij had landhonger en al was hij nog niet zoo
ver om de bevolking opzettelijk tot armoede te brengen--men wordt
niet opeens een misdadiger--hij begreep dat het ongeluk van Rekso
hem wellicht diens stuk sawahgrond [19] in handen zou doen vallen,
en het verzoek van Rekso bij hem gedaan om vermindering van belasting
... kwam niet hooger.

Dit wist Rekso niet. Hem trof slechts het negatief resultaat van het,
in zijn oogen toch billijke, verzoek. En dit resultaat versterkte
hem in zijn meening omtrent de nutteloosheid en doelloosheid van
Europeesche ambtenaren. Hij had berust, gelijk hij berust had
in allen tegenspoed. Hij had zijn padjeg betaald, met een zwaar
hart, dat is zoo, maar toch had hij betaald, omdat hij bang was
voor de gevangenis. Vele menschen, die niet betaalden wat zij aan
het gouvernement schuldig waren, had hij zien wegbrengen onder
politiegeleide en later had hij gehoord dat zij in de gevangenis
waren gezet. En als eenvoudig desaman had hij een kinderlijke angst
voor de boei.

Na de kommervolle dagen was weder een jaar verstreken, De oogst was
binnengehaald. Weer had de kleine bahoe sawah, die Pah Rekso zijn
bezit mocht noemen, al wat hem overgebleven was van de vier bahoes,
die zijn vader hem had nagelaten, niet veel opgebracht. Het was weer
het oude lied. Eerst walang-sangit, toen de hama mentek [20], half
als gevolg daarvan. De rijst die binnenkwam, was nagenoeg tot menir
[21] slechts te verstampen en lang niet voldoende voor de voeding van
het groote gezin. Artikelen om te verpanden waren er niet meer. Ja
toch: Pah Rekso had nog een kris, poesaka [22] van zijn vader. Het
was met schrik dat de gedachte zich van hem meester maakte dat hij
wellicht genoodzaakt zou zijn zich van die kris te scheiden. Hij
dacht met ontzetting aan het ongeluk, dat uit zoo'n heiligschennis
moest voortvloeien. En toch! als het moest; als er niets meer was;
als de laatste menir was verbruikt en men naar boschproducten zou
moeten zoeken.....

Pah Rekso vreesde voor het oogenblik, dat hem dwingen zou de poesaka
te verkoopen. Het is waar; er kon veel geld van gemaakt worden. Ver
buiten Tjidamar was het bekend dat Rekso's vader eens een tijger had
afgemaakt met die kris en de oude regent van Walirang had, toen hij
van het heldenstuk hoorde, een bod laten doen. Maar hij had de kris
niet gekregen. Neen, neen, ook Rekso kon haar niet te gelde maken.

Maar dan overviel hem weder de angst dat hij zou moeten, moeten om
den honger. Hij had de kris in gedachten reeds vermaakt aan Siman. Na
zijn dood zou zij het eigendom zijn van zijn zoon. Siman was een brave
jongen, die voor het werk niet schroomde. Hij zou het dierbare wapen
in eere weten te houden. En toen was hij op de gedachte gekomen om de
kris reeds bij zijn leven te schenken aan Siman, uit vrees voor zich
zelf. Hij voelde dat er een beroep gedaan zou worden op zijn sterkte,
en hij voelde ook, dat hij zou bezwijken. En zoo was het gekomen
op dien avond dat vader en zoon gezeten waren voor hun nederige
woning. Pah Rekso was naar binnen geweest en toen teruggekomen met
iets onder zijn baadje. Schichtig had hij om zich heen gekeken of
niemand hem bespiedde, als ging hij een misdaad begaan. Toen had
hij het pakje van onder zijn baadje te voorschijn gehaald. Het was
de kris, gewikkeld in een goor-witten doek. Met veneratie ontdeed
Pah Rekso haar van den doek. Siman had zwijgend, met een uitdrukking
van diepen eerbied in zijn klare oogen, toegekeken. De kris was nog
gewikkeld in een fijn matje van nipabladeren. Daar lag zij in als in
een rustbed. Het was een vrij gewone, weinig kostbare kris. Zij was
met eenige valsche steenen bezet. Pah Rekso trok het lemmet uit de
schee; zijn hand beefde. Hij voelde met zijn nagel langs het scherp.

"Siman," zeide de oude met heesche fluisterstem. "Je weet dat deze kris
een poesaka van je grootvader is. Je weet dat hiermede in het bosch
van Tjilempoe een groote tijger werd gedood ...? Ik wil jou dezen
kris geven, Siman; niet na mijn dood, maar nu, op dit oogenblik. Je
moet niet vragen, je moet aannemen. Maar op een belofte."

"Ik beloof u, vader."

"Nooit, nooit, versta je goed, mijn jongen, nooit mag je je van deze
poesaka scheiden. Ik kan dat mijzelf niet beloven, Siman. Jij bent
jong en hebt nog meer vertrouwen in het leven. Houd jij de kris. Ze
is een djimat [23]."

"Geef op, vader!" had de zoon geroepen. "Ik zweer hier op de
gelukzaligheid van grootvader, dat ik deze kris zal behouden."

Het was een eenvoudig tooneel; voor een dergelijken talisman-cultus
zou de beschaafde Westerling de schouders minachtend ophalen. Voor
deze beide eenvoudige menschen evenwel was de overgave van de kris
door den nog levenden vader een aandoenlijke gebeurtenis van groote
beteekenis: Pah Rekso had zijn zoon daarjuist een man verklaard.

Trots welde op in Siman's hart. Hij voelde zich in staat met
zijn djimat de wereld te veroveren. Hij geloofde nu niet meer aan
ellende. Hij klemde zijn hand om het wapen, als om zich te overtuigen
dat hij het werkelijk bezat. En hij zag in den schemer niet de scherpe
groef, die er plotseling om den mond zijns vaders was verschenen,
om niet meer te verdwijnen.



De maan was opgekomen. In de verte klonken de weemoedige, kwijnende
tonen van een soeling. [24] Rekso's oogen boorden, starend, in de
bleek-verlichte lucht.

"Zoo gaat het niet langer, Siman. Wij hebben niet meer om van te leven,
binnenkort. En wat dan?"



Het is ons gewoonlijk een behoefde te verklaren dat de inlander
zorgeloos is, dat hij niet maalt om armoe, en bij gebrek teert op de
buren. Dit is een soort verontschuldiging voor ons gebrek aan kennis
van de inlandsche huishouding en aan zin tot hulpverschaffing. Die
zucht tot geestelijke zelfreiniging wil gemeenlijk ook niet weten dat
"de buren" wel eens niet in staat konden zijn op zich te laten teren.



Siman was nog te jong gelukkig, om diep te beseffen dat kommer in
aantocht was. Zag hij niet elken nieuwen dag de lachende natuur om zich
heen; las hij niet in het groen van bosch en beemd groote beloften? En
liet hij al eens het hoofd hangen, dan was een blik in de groote,
donkere kijkers van Djiah voldoende om hem weder op te beuren.

"Is het wezenlijk zoo erg, vader?" vroeg hij. "Ik kan toch gaan werken,
in de kotta. Ik weet van Karta dat men in de stad geld kan verdienen,
als men werken wil ..."

Maar de oude weerde hem af.

Neen, van de kotta moest hij als desaman niets hebben.

Hij dacht even aan het lot van zijn oudste. God gave dat het niet
noodig zou zijn! Beiden verdiepten zich weder in hunne gedachten. Rekso
bepeinsde de middelen om voor den komenden planttijd aan zaadpadi te
komen en vond ze niet. Siman overlegde of hij op de kawedanan [25]
niet wat kon bijverdienen; hij kon ook hout kappen in het bosch om te
verkoopen te Walirang. En in den overmoed der jeugd, die niet opgeeft,
omknelde hij werktuigelijk grootvaders kris.

"Wij zouden kunnen wegtrekken van Tjidamar ..." opperde Pah Rekso.

Even trof Siman een schok van plotselingen schrik. Weggaan? Van
Tjidamar heengaan, waar Djiah was? En waarheen zou men gaan? Het zou
overal wel hetzelfde zijn. En hier was de grond toch rijk; als men
slechts voldoende water op de sawahs kon krijgen.

"Waarom wilde u weg, vader? Hier bent u geboren, en daar ginds kunt u
de kambodja [26] zien, waar grootvader begraven ligt. Wij allen zijn
hier geboren. Zullen wij dan niet hier sterven? Het is niet goed,
vader, het land te verlaten, dat ons zag geboren worden."

De innige gehechtheid van den Javaan voor den grond, waar hij geboren
werd, dreef Siman tot strijd voor dien bodem. Zoo meende hij. In
waarheid kwam nog een groote factor in rekening: Djiah. Het was
schoon trouw te blijven aan zijn geboortegrond, omdat hij ook was de
geboortegrond van Djiah!

Maar de oude was koppig. Hij had al vaker aan de mogelijkheid gedacht,
dat de nood hem zou dwingen weg te trekken. En toen hij onlangs
over de Tjiboeroeng was geweest bij de desa Randoe-aloes, had hij
den stroom langs gekeken, die in eindeloos geklots zijn golven naar
het noorden voortjoeg. Gaf de rivier hem den weg niet aan? Hoog in
de lucht had een eenzame koentoel een schreeuw gegeven, en toen
Rekso opkeek, zag hij den reiger noordwaards vliegen met groote,
rustige wiekslagen. Rekso twijfelde niet of de vogel had met dien
eenen schreeuw zijn aandacht willen trekken. De toevalligheid had
hem getroffen, en was hem bijgebleven. Zou hij niet wijs doen om de
teekenen te gehoorzamen? Hij dacht traag, maar daardoor ook wisselde
hij niet dan zeer moeilijk van gedachten.

Daar ver in het noorden, aan gene zijde van de donkere silhouet der
bergen, hield het gouvernementsgebied op. Daar waren de particuliere
landen Alas Bamboe en Telatiga, en meer naar het westen strekten zich
de groote Seboeroengan- en Tjimanis-landen uit, zoo had hij vernomen
van den schrijver van den regent, die een neef was van zijn vrouw. Daar
op die particuliere landen, had de djoeroetoelis [27] gezegd, werd
geen padjeg gevraagd; maar dat geloofde Rekso toch niet. Hij kon zich
niet denken een land, waar geen belasting werd geheven. Wel moest
een vijfde gedeelte van den oogst worden afgestaan aan den landheer;
en ook moesten, evenals in Warnaleutik, heerendiensten worden verricht.

"Het wordt koud, Siman," zeide Rekso opstaande, "en de maan is al hoog
geklommen. Morgen is het weer een zware dag. Laten wij gaan rusten."

Zwijgend gevolgd door Siman, ging de oude de hut binnen. Deze bestond
uit twee vertrekjes, door een bamboezen wand gescheiden. In het voorste
sliepen de ouders en de twee kleinsten. In het tweede vertrekje trad
men door een niet af te sluiten opening in den wand, waarvoor een goor,
roodachtig, verkleurd gordijntje hing. Hier sliepen Siman, zijn zusjes
en Djamin. Door een deur tegenover het gordijn in den achterwand kwam
men onder den emper [28], waarvan een deel, afgeschoten door een stuk
kadjang [29], dienst deed als keuken. Dat was de geheele woning, in
het geheel nog geen veertig vierkante meters oppervlakte beslaande,
waar negen paar longen moesten ademen. Rekso en Siman kwamen zich
bij moeder Ten en de beide oudste meisjes onder den emper voegen. Zij
wachtten geduldig, zwijgend, tot Ten hun wat rijst had opgeschept op
een pisangblad; een kleine hoeveelheid sambal djeroek [30] en een
sajoer [31] van reboeng [32], meer voor den smaak dan als voedsel,
voltooiden het maal. Rekso en Siman kregen elk nog een stukje visch. De
twee zusjes waren aan het kibbelen. Ipah was jaloersch op de mooie
Mariam en zij, het werkzame huismoedertje, kon van de jongere niet
velen dat ze lui en gemakzuchtig was.

Het eenvoudige maal was spoedig afgeloopen. Rekso stak een strootje op;
hij zette zich op de bamboezen zitbank, sloeg de armen om de omhoog
getrokken knieën en verzonk weer in gedachten. Terwijl Siman de geit
in den anderen hoek van den emper wat versch voeder in den stok gaf,
waarvoor het dier uit erkentelijkheid zacht mekkerde en zich tegen
hem aanwreef, wierp de jonge man steelsche blikken op zijn vader. Hij
wist wat er bij den oude omging en dat verontrustte hem.

In de verte huilde een hond tegen de maan, die door de wolken
joeg. Even loeide een buffel in de kraal. De beide meisjes hadden
zich reeds op haar tikar [33] uitgestrekt. Ook moeder Ten had zich
te rusten gelegd. Eindelijk ging ook Rekso naar binnen.

"Laten we maar gaan slapen," zeide hij als nachtgroet.

Siman sloot de deur van den emper, legde zich neer op de mat in den
hoek naast Djamin, die hoorbaar ademhaalde, vleide het hoofd op het
gore, grauwe kussen en trok den sarong om zich heen. Lang kon hij
den slaap niet vatten. Hij dacht er over, wat hij doen moest als zij
toch Tjidamar zouden verlaten en Djiah achterbleef. Hij hoorde Rekso
eenige woorden wisselen met zijn moeder. Als hij het hoofd oplichtte
kon hij langs het gordijntje hen zien liggen. Och, wat zou het:
voor de oudere kinderen, ook voor Djamin, bestonden geen sexueele
geheimen meer. Hun hinderde de aanwezigheid van vader en moeder niet,
en deze behoefden zich om hen evenmin in acht te nemen.

Buiten loeide de wind.



Vroeg was Siman reeds op. Binnen sliep men nog, toen hij de geit haar
vrijheid gaf en zich in het beekje wiesch. Toen schepte hij zich wat
rijst op, die er nog stond van gisteravond en ontbeet met sambal
als toespijs. Uit de kamer nam hij zijn patjol en begaf zich naar
de sawah. De leiding moest noodig uitgediept worden. Er was al weer
minder water en wat er nog was, had nauw kracht genoeg om de sawah
te bereiken.

Voor de woning van Djiah's vader vertraagde hij den tred. Juist
opende zich de deur en verscheen Pah Ran op den drempel. Hij wenkte
Siman en voegde zich bij hem. Samen togen zij verder. Pah Ran's sawah
lag nabij die van Pah Rekso. Zij was nog kleiner dan Rekso's sawah,
maar lager en daardoor met het oog op het water beter gelegen. Ook
was Pah Ran bezitter van een buffel.

Beide mannen waren spoedig aan het werk. Met eentonige regelmaat
sloeg Simans patjol in de bedding der leiding. Het was nog vroeg,
toch zweette hij reeds in de frissche morgenkoelte.

Wij meenen dat de Javaan lui is en den arbeid vreest en wij beoordeelen
hem naar onze goedkoope huisbedienden. Maar als de blanke nog in diepen
slaap ligt, trekt de Javaan, man, vrouw en kind, reeds zwaar beladen
passarwaarts; dan is hij reeds aan den arbeid op tegalan [34] of sawah.



Siman had in het laatste half uurtje telkens opgekeken naar Pah Ran,
dien hij onvermoeid bezig zag met het snijden der merang, [35] welke
als mest dient op de sawah's. Hij wilde met hem spreken. Maar de
gelegenheid was nog niet gunstig.

Eindelijk zag hij Pah Ran op de galangan [36] neerhurken om zijn arit
[37] aan te zetten op den slijpsteen. Hij zette zijn patjol neer en
ging op den ander toe.

"Ik wou wel met u spreken, Pah Ran," begon hij. De ander keek rustig
op. Hij wist dat Djiah, zijn dochter, en Siman het met elkander eens
waren. Hij had geen bezwaar. Hij hield veel van den flinken knaap,
die iets ernstigs over zich had, al kon hij bij tijden toonen ook een
goed deel luchthartigheid, het privilegie der jeugd, te bezitten. Pah
Rekso bezat nog minder dan hij, dat is zoo, maar mariages de raison
zijn zeldzaam in de desa. En hij hield zeer veel van zijn Djiah,
zijn eenig kind, en zou haar niet gaarne verdriet doen. Zoo meende
Pah Ran niet anders dan een verklaring en een aanzoek te vernemen
van Siman en hij was wel verrast door de vraag van den jongen man:

"Zeg, Pah Ran, kunt ge mij zeggen, waarom er in de Tjikanding-Saät
geen water meer is?"

"Ja, dat kan ik je wel zeggen, maar waarom vraag je dat?" antwoordde
hij.

"Omdat ik gehoord heb, dat het water uit de Saät gestolen is."

"Dat is ook zoo, Siman. Dat is zoo. Ze hebben het van ons gestolen,
lang, heel lang geleden. Ik weet het van mijn vader. Die heeft het
ons vaak genoeg verteld."

"Maar ik begrijp niet, Pah Ran ..."

"Kijk, Siman, je weet dat bij de desa Tjisanoer in de Tjikanding een
groote steenen dam is gelegd, niet waar? Vandaar loopt het water
van de Tjikanding in een leiding op het land Alas Bamboe. Je moet
je dat goed voorstellen, Siman. Vroeger ging de Tjikanding langs
de grens van het district Tjioedik en dan verder naar het oosten,
naar het district Tampo. Maar door dien dam bij Tjisanoer werd al
het water afgesneden. En nu weet je ook zeker wel dat er een oude
dam is in de droge bedding van de Tjikanding bij Bandar. Vroeger,
zoo heeft mijn vader verteld, werd daaruit het water afgetapt voor
de bevloeiing van onze sawahs. Dat kan nu niet meer."

"Maar is het niet mogelijk om het water van de Tjipalang op onze
sawahs te brengen?"

"Neen, dat water is alleen voor de oostelijke sawahs te
gebruiken. Vroeger was dat anders. Maar de landeigenaren van Telatiga
hebben een dam gebouwd in de Tjipalang dicht bij Langoe en het water
naar het noorden geleid. De Tjipalang heeft nu alleen water als er
bandjir [38] is en de Tjipalang-leiding als het ware overloopt."

"Dus, Pah Ran, als ik u goed begrijp, is het ook ons water dat nu
naar de particuliere landen wordt afgevoerd?"

"Juist. Daar is nu water genoeg, maar wij hebben altijd gebrek."

"Is dat al lang geleden?"

"Al heel lang, Siman. Mijn vader was toen nog jong. Vroeger waren Alas
Bamboe en Telatiga één land, weet je. En toen is het gescheiden in
tweeën, en toen hebben ze ook de leidingen gegraven voor het water,
waarop ook wij, lieden van Warnaleutik, recht hadden."

"Maar dan, Pah Ran, de regent moet dat toch gemerkt hebben, dien
diefstal, en de assistent-resident ...

"Of er toen een assistent-resident was, weet ik niet, mijn jongen. De
regent heeft er natuurlijk kennis van gedragen. Maar je weet hoe het
gaat, Siman: de landheeren zijn machtig, en alleen Mohameds paradijs
ontsluit men niet met goudstukken. Het geeft zoo'n soesah, Siman,
als je eerlijk bent. Heeft niet die brave controleur Meyer--het
zal nu wel tien jaren geleden zijn, Djiah was nog geen vijf jaar,
geloof ik--zijn hoofd gestooten toen hij poogde om het onrecht te
herstellen? Er is toen een commissie geweest, omdat de controleur
geklaagd had. De toean assistent van Telatiga en de toean assistent
van Warnaleutik, onze kandjeng regent [39] en ook de regent van
Telatiga, en de controleur zijn toen te Tjisanoer geweest en hebben
dien diefstal onderzocht. En ook de toean besar [40] van Alas Bamboe
was er bij en een toean ziender [41]. Daar is toen veel gelogen,
Siman. En de machtige landheeren hebben het weer gewonnen, alles bleef
als vroeger; alleen werd de goede controleur overgeplaatst .... Ja,
ja, je hebt geen oentoeng [42] als je het onrecht niet kunt dulden."

De oude zweeg. Siman dacht over het gehoorde na.

"En dus daarom," zeide hij na een wijle, "mislukt nog altijd een
groot gedeelte van den oogst in ons district Tjioedik. En is dat ook
de reden van de mislukking van de padi in het district Tampo?"

"Niet geheel, Siman. Want de landheer van Alas Bamboe heeft eigenlijk
slechts het voorbeeld gevolgd van dien van Telatiga, die voorgegaan
was met waterroof uit de Tjipalang. Het voordeel van dien roof was
niet gering, en wat deze deed met de Tjipalang, heeft hij met de
Tjikanding gedaan. Dat heb ik je al verteld."

Weer trad een pauze in.

Toen nam Pah Ran zijn arit weer op. "Je moet er maar niet over tobben;
dat maakt je ontevreden, en dat dient tot niets." Hij wilde zich weer
aan den arbeid begeven.

"Pah Ran, is daar nu niets aan te doen? Kunnen wij dat water nooit
meer terugkrijgen?"

Er lag iets smeekends in de stem van den jongen man, waardoor Pah Ran
hem met aandacht opnam. Zou de jongen verkeerde denkbeelden koesteren
en ontevreden worden?

"Niets, Siman. Er is niets aan te doen. Wij zijn maar arme
desamenschen, en de landheeren hebben veel kwassa [43] en veel
geld. Maar wat wilde jij dan, Siman?" vervolgde hij bezorgd.

"Ik wou dat ik toch dat water op onze sawahs kon krijgen, Pah Ran. De
padi kan niet zonder water blijven ... Wij zouden dien dam kunnen
afbreken ..."

"Doe geen dwaasheden, Siman. Zoo iets wordt dadelijk gemerkt. En
weet je wat er dan op staat? Eerst de gevangenis en dan veroordeeling
... wegens waterdiefstal," zeide Pah Ran schamper.

"Maar dat kan niet. Wij stelen niet, Pah Ran; wij nemen alleen terug
wat ons ontstolen is ... dat is toch geen diefstal ...!"

"Je bent nog erg jong en naïef, Siman."

"Maar het moet, Pah Ran, het mòet, anders moeten wij weg ...!" Het
was de angstkreet van een, die geen uitweg weet.

Pah Ran stond als van den bliksem getroffen. Weg? Moest Siman weg?! Was
de jongen gek geworden?

"Wie moeten weg?"

"Wij, Pah Ran, vader, moeder en ik, wij allen."

"Waarom?"

"Omdat er niets meer is om van te leven."

"Maar dan kunnen jullie toch bij ons komen. Ik heb te veel voor mij
en Djiah."

"Dat kan niet, Pah Ran, we zijn met ons negenen. Ik dank u."

"En waar wil je dan heen?"

"Vader wou naar het noorden. Ik weet zelf niet waarheen."

Weer stokte het gesprek; te veel gedachten verdrongen zich bij
beiden. Siman stond met een zucht op en verwijderde zich.

Pah Ran keek hem nog lang na, hoofdschuddend.



Vergeefs trachtte bij dien avond Pah Rekso er toe te brengen zijn
plan te laten varen. De oude was koppig en de tegenstand, dien hij
bij de zijnen ontmoette, maakte hem kregel. Hij nam zich daarom voor,
om eerder dan zijn aanvankelijk plan was, te vertrekken.

"Morgen zoek ik een kooper voor mijn grond!" zeide hij
vastbesloten. Dat was zijn laatste woord.

Siman vergezelde Pah Ran en Djiah, die meegekomen was, naar huis. Het
drietal was in zeer gedrukte stemming. Bij Siman kwam het niet op
tot zijn vader te zeggen dat hij blijven zou, om Djiah; zij vroeg
het hem niet. En toch, als hij het fijne profiel van de jonge maagd
en haar ranke lijf beschouwde, gevoelde hij, dat hij in staat zou
zijn om den eerbied jegens zijn vader op te zeggen. Maar dan nog,
wat zou het geven? Hij zou niets bezitten en het streed met zijn eer
eerst te moeten leven door de goedheid van Pah Ran en hem dan zijn
dochter tot vrouw te vragen, ook al wist hij dat Pah Ran hem het een
zoo graag als het ander gunde.

Kon Pah Ran niet mee? waagde Djiah te veronderstellen. Maar haar
vader schudde het hoofd. Hier had hij het goed, wie kon zeggen wat
hem elders wachtte? En dan, hij was hier te Tjidamar geboren. Neen,
het zou verkeerd zijn weg te gaan.

Het was een treurig afscheid tusschen Djiah en Siman voor de woning van
Pah Ran. "Ik ben bang, Siman, als je weggaat," fluisterde Djiah. "Saïd
Alaidroes vervolgt mij overal. En als hij vader nu eens geld, veel
geld bood, Siman; vader is arm, en ik ben maar een meisje ..."

Siman balde de vuist en zijn hand zocht de greep van de kris, die
hij sedert den avond te voren bij zich had gestoken, omdat hij haar
een djimat dacht. Alaidroes, die Arabier, die desa-hyena! Hij had hem
al geruimen tijd in het oog, omdat hij Djiah niet met rust liet. Die
gemeene woekeraar was rijk. Hij kon veel geld bieden aan Pah Ran. En
wat kon hij zelf, hij, Siman, daartegenover stellen? En als hij weg
was, zou Alaidroes de handen vrij hebben. Nu nam hij zich in acht
voor den ontembaren, krachtigen, jongen Soendanees, in wiens blikken
hij meer dan eens haat en vijandschap had gezien.

Neen, hij moest niet gescheiden worden van Djiah; hij moest haar
beschermer zijn.

In zijn kamertje strekte hij zich moedeloos op zijn leger uit. Weer
duurde het lang voordat hij den slaap kon vatten.



De gamelan liet de geliefde oedjan'mas [44] hooren. De panajagan [45]
was zijn instrument volkomen meester, en bespeelde het met vaardigheid;
virtuositeit zou men het met billijkheid mogen noemen. Wel, in de
geheele desa Gatok was geen beter gamelanslager te vinden; ja, men kon
gerust beweren dat in de geheele afdeeling Herea van het particuliere
land Alas Bamboe--de "klassieke afdeeling Herea" noemden de Europeesche
opzichters haar om den Griekschen klank van den naam--geen beteren
panajagan kon worden gevonden. Onverstoorbaar hield hij maat, niet
af te leiden door de vroolijke drukte om hem heen, de lachende
menschenmenigte, de vele tientallen brandende olieglaasjes. En de
overige leden van het orkest stonden hem onberispelijk bij. De kromong
[46] accompagneerde in den middentoon, de kendang [47] zorgde voor
den doffen maatslag; de melodie werd gevolgd door de tweesnarige rebab
[48]. De hoogere tonen werden evenmin vergeten. Met een vaardigheid,
van langdurige oefening getuigende, viel de man aan de ketoek met
den regelmaat van een uurwerk in, de kempoel deed hooger, de bendeh
[49] de hoogste tonen hooren. De twee go-ongs [50] en de kleinere,
schellere sarons [51] wisselden elkander aldoor rythmisch af.

Op een afstand heeft deze muziek, de oedjan'mas, zelfs voor Europeesche
ooren iets melodieus en weemoedigs, dat week stemt.

De Javaan is een vriend van den weemoed; zelfs op zijn vroolijkste
feesten wenscht hij de lagoe blenderan [52] of de oedjan'mas. Veel
minder heeft hij op met de lawaaierige giroh [53].

Er was groot feest in de woning van den koewoe [54]. Voor op het
erf stond een eerepoort met een rood-wit-blauw doek en eenige
klapperbladeren versierd; en wel vijftig flikkerende en walmende
olielichtjes in ruwe glaasjes maakten een alleraardigst effect. Er
waren zelfs lampions hier en daar, en in de pendopo [55] van de woning
brandden wel vier petroleumlampen, terwijl buiten aan de stijlen nog
al meer illuminatie was aangebracht. Het was een bruiloftsfeest, nog
op de echt-prettige manier, met open tafel voor ieder voorbijganger,
voor ieder die op bezoek wilde komen. Op het erf en rond de pendopo
zag het zwart van het volk. Zulke mooie feesten had men in lang
niet bijgewoond; het was een eenige gelegenheid! Mannen, vrouwen en
kinderen verdrongen zich om naar den demang [56] te zien, die om zijn
fijn tandakken [57], geheel in stijl, bekend was.

Maar ik zal niet uitweiden over het tandakken, noch over de elegante
bayadère, een mooie jonge vrouw--een verdorven vrouw tevens,
een die nergens achting vindt onder haar landgenooten. De kunst
miskend! Zij is een straatdeerne van de minst eischende soort. Ik
zal u niet vertellen van het bruiloftsfeest zelf, dat al uren aan de
gang was--Indische lezers hebben die dingen meer gezien, en anderen
kunnen een beschrijving van zulk een feest, zonder dronkenschap,
zonder lawaai, zonder liederlijkheid, elders zeker beter vinden. Het
was een feest, ingetogen als het volkskarakter, maar toch een van
vroolijke, prettige drukte, waarover nog dagen werd nagepraat in
Gatok. Eerst ver na twaalven werden bruid en bruidegom in optocht
weggeleid, zooals het oud gebruik wil. En de schuchtere, bedeesde
maagd, met de boré [58] op het gelaat, de strak gedraaide kondé [59]
met melatti en kralen versierd--waarlijk het is Djiah, de dochter van
Pah Ran van Tjidamar. En naast haar loopt haar echtgenoot, trotsch op
zijn mooie bruid, Siman. Wat is hij mooi uitgedost met zijn glimmende,
korte zwarte jas, en de keurig gevouwen sarong! Achter uit den gordel
steekt het gevest van de kris van zijn grootvader, zijn djimat.

Zij treden de kleine woning binnen, waar zij voortaan hun leven zullen
slijten naast elkander. Een deel van de muziek is meegetrokken en
verscheurt de lucht thans voor de gesloten deur met helsche fanfares,
waarbij de jeugd vooral op luidruchtige wijze van de heerschende
vroolijkheid getuigt. Ruwe, toch niet kwaadgemeende kwinkslagen worden,
maar niet luide, gehoord onder de ouderen, waarvan er menigeen Siman
om zijn lief vrouwtje benijdt. Dan kan het huwelijk als ingewijd
beschouwd worden en trekt het geleide weer terug naar het feesthuis,
aan het andere einde van de desa.

Siman en Djiah kunnen nog lang de zachte klanken hooren van de gamelan,
nu en dan verbroken door een hol klinkenden slag van go-ong of saron,
wijdend het afscheid van Djiah van haar meisjesjaren.

In de binnengalerij van de woning van het desahoofd zaten, terwijl het
feest nog in vollen gang was--het zou zeker niet voor het hanekraaien
eindigen--op een rustbank Pah Rekso en Pah Ran genoegelijk te
keuvelen. De zoon van den koewoe hield hun gezelschap. Mah Ten was
voor een uurtje naar huis teruggekeerd; de slaap overmande haar. Hun
woning stond zeer nabij die van het jonge paar, maar was te klein en
te onaanzienlijk om er een feest in te geven, en de koewoe had hun
bereidwillig zijn huis, het grootste in de desa, aangeboden. Van het
aanbod was gretig gebruik gemaakt.

Siman en Djiah moesten een schitterende bruiloft hebben, dat was
uitgemaakt. En waarom ook niet? Men was rijk nu!

Ja, de beide oudjes hadden geld, al was er nu niet bar veel meer
van over na de kapitale fuif. De geschiedenis van hun wedervaren in
de laatste drie maanden was heel eenvoudig. Pah Rekso had zijn sawah
verkocht aan een buurman. Hij had wel begrepen dat de assistent-wedana
er achter zat; trouwens de buurman was een familielid van des wedana's
vrouw. Maar het kon hem après tout niet schelen. Hij had het geld
contant ontvangen. Meer vroeg hij niet. De geit had ook een kooper
gevonden. En wat er meer was werd meegenomen. Toch was het een heele
onderneming geweest voor het gezin. Ze waren nog nooit verder dan de
kotta geweest en nu zouden ze dagen en dagen onderweg moeten zijn. En
dat, beladen met het huisgerei: een gendi [60] en een kleine paso
[61], een paar pannetjes, een tjobek. [62] De tempajan [63] hadden ze
wel achter moeten laten en ook het bed. Dat was te oud en te slecht
om nog verkocht te kunnen worden.

Te vergeefs hadden Rekso, Siman en Djiah bij Pah Ran aangedrongen
mede te gaan. De oude was zelfs voor de tranen van zijn dochter niet
bezweken. Djiah was diep bedroefd. Haar lief gezichtje stond bedrukt
en ze lachte niet meer. Ook Siman zag de toekomst donker in.

Een dag of drie voor het vertrek echter was Pah Ran op ongelegen
tijd--men was bezig met de toebereidselen voor een slametan, [64]
om oentoeng [65] te hebben op de reis--in de woning van Pah Rekso
gekomen. Zijn gezicht stond donker.

"Zeg, buurman, heb je gehoord dat de landrente verhoogd wordt?" barstte
hij uit.

De ander keek verwonderd en met schrik op. De gewoonte deed hem er
een oogenblik niet aan denken dat de verzwaarde belasting hèm niet
zou treffen.

"Is het waar?" vroeg hij.

"Ja de djoeroetoelis heeft het mij zelf verteld. Hij heeft de printah
[66] gelezen, zegt hij."

"En onlangs zijn de desadiensten al verzwaard. Het gouvernement
schijnt wel arm te zijn, tegenwoordig."

"Ja. Het heeft geld noodig om nieuwe soldaten te werven, want er zijn
wel duizend doodgeschoten in den prang Atjeh. [67] Maar dat weet ik
niet, Pah Rekso, ik heb het maar van hooren zeggen. Wat ik wel weet,
is dat het een schandaal is."

De brave wist niet dat er van zulk een verhooging der landrente geen
sprake was. Wel had de nieuwe landvoogd--dat er een nieuwe toean
besar was, ook daarvan wist men in de desa Tjidamar niets af,--een
circulaire doen rondzenden aan de hoofden van gewestelijk bestuur om
beter te zorgen voor de inning der door de bevolking verschuldigde
belastingen. De opdracht had den weg afgelegd van de residenten tot de
inlandsche bestuursambtenaren en dezen gaven in den meest practischen
vorm aan het bevel uitvoering. Het kwam er immers maar op aan dat er
meer geld binnenkwam; welnu, de eenige weg om een resultaat te kunnen
aanwijzen, was: de belasting te verhoogen. Veel behoefde het niet te
zijn. Bleef de ambtenaar in gebreke door meerdere opbrengst te wijzen
op meer activiteit, het zou hem allicht slecht worden aangerekend.

En aan de andere zijde was die eigenmachtige belastingverhooging niet
te controleeren. Wat lag meer voor de hand dan zich te beroepen op
meerdere draagkracht der bevolking? Het was dwaasheid zich moedwillig
het ongenoegen van de hooggeplaatste ambtenaren op den hals te halen.

"Schandaal of niet," merkte Pah Rekso droog-wijsgeerig op, "je zult
moeten betalen."

"Ik moet niets. Ik doe het eenvoudig niet!" voer de jongere driftig
uit.

Rekso zweeg. Wat zou hij op die driftige woorden zeggen? Maar Pah
Ran zag aan zijn houding dat Rekso hem dwaas vond. 't Ergerde hem. En
in zijn toorn liet hij zich verleiden tot het doen van een gelofte,
welke hij later verplicht was op geheel andere wijze na te komen dan
hij bedoeld had:

"God hoort mij: eer zal ik het graf mijns vaders met mijn handen
omwoelen, dan een cent meer te betalen."

Het klonk plechtig. De aanwezigen waren onder den indruk en lang nog
na het vertrek van Pah Ran waren de achtergeblevenen te zeer beklemd
om te kunnen spreken.

Die gelofte was een dwaasheid en had tot gevolg dat Pah Ran weg
moest trekken, wilde hij haar gestand doen. Want een strijd tusschen
den assistent-wedana en Pah Ran moest wel in het voordeel van den
eerste uitvallen. Pah Ran had zich nu juist regelrecht in de soesah
gewerkt. Hij met zijn koppigen aard dacht natuurlijk niet aan het
verbreken der gedane gelofte, gesteld al dat hij den moed bezeten had
om het gevaar, daaraan verbonden, te trotseeren. Bovendien zou hij zich
te zeer moeten schamen voor hen, die zijn gelofte hadden gehoord. Hij
moest dus weg. En daar dit natuurlijk bekend werd, speculeerde de
assistent-wedana er op zijn stukje sawah goedkoop in handen te krijgen,
wat hem na lang loven en bieden gelukte. Het vertrek van het gezin
Rekso was in verband met het hiervoor medegedeelde uitgesteld, want Pah
Ran zou nu mee trekken naar het noorden. Twee menschen waren gelukkig
bij dezen loop van zaken: Siman en Djiah. Dat laat zich denken!

Toen was de groote dag van het vertrek aangebroken. Pah Ran had
zijn buffel, een jong, sterk dier, niet verkocht. Met Pah Rekso
had hij een pedatti [68] gekocht en die zou de karbouw trekken. Dat
gaf inderdaad een groot gemak. De kinderen en de meisjes zouden bij
beurten kunnen plaats nemen in het voertuig, en op die manier zou
men beter en vlugger vooruitkomen.

De teekenen waren gunstig toen de reis begon. Siman en Djiah waren
haast den ganschen dag samen; rustte zij al voorttrekkende uit in de
pedatti, dan liep Siman er naast en wisselde van tijd tot tijd een blik
met haar. 's Avonds werd rijst gekookt voor den geheelen volgenden dag
en de nacht werd doorgebracht door een deel der vrouwen in de pedatti,
zoo goed en zoo kwaad als het ging op de boenkoesans [69] en pakken,
de anderen sliepen, evenals de drie mannen en Djanim, onder de kar. Men
kwam natuurlijk langzaam vooruit, want de karbouw moest gespaard worden
voor de hitte. Dus trok men in den vroegen morgen om vier uur reeds
op weg. Om tien uur 's morgens moest het trekdier rust gegund worden,
om de warmte. En eerst tegen vier uur 's middags brak men weer op,
om 's avonds om acht uur uiterlijk af te spannen.

De weg was moeilijk te vinden, maar nauw meer dan een voetpad,
en vaak moest met parang [70] en golok [71] den doorgang voor de
pedatti verbreed worden. Langs den Goenoeng Andjoer ging men in
noordoostelijke richting door ijl bosch naar Tjisanoer. Van hier
uit kon men gedurende een heele poos de Tjikanding-leiding volgen,
die naar wij zagen, door het water van de Tjikanding gevoed wordt
doordat de rivier bij Tjisanoer is afgedamd.

Den eersten dag kwam men niet verder dan het armoedige boschgehuchtje
Passanggrahan Tjikanding, waar de nacht werd doorgebracht. Den
volgenden dag was men in het zwaardere bosch, maar de weg was nog
wel te volgen. Het was een lange trek, dien tweeden dag. Bij Pondok
Boeroeng kampeerde men. De drie volgende nachten moest men zich in
het dichte bosch opschieten. Er werden groote vuren ontstoken om
de wilde dieren verre te houden. Den laatsten dag vooral had men
een vermoeiende reis op den drassigen bodem, waar de wielen vaak in
wegzonken; terwijl door het dichte struikgewas over groote afstanden
de weg moest worden gebaand. In den nacht eerst werd de desa Dojang
bereikt, waar de eerste sawahs de eentonigheid van het woud braken. Na
nog een stuk bosch doorgetrokken te zijn, ontplooide zich voor de oogen
der reizigers de uitgestrekte laagvlakte; zoo ver het oog ging, zag men
de sawahs. Water was er overal! Aan dit kostelijk vocht scheen nergens
gebrek te zijn. In den vooravond was men in de groote desa Tjikoedoeng.

Hier werd de groote rust genomen. Pah Rekso en Pah Ran gingen op
kondschap uit. Veel vernamen de vreemdelingen niet, wijl zij niet
nieuwsgierig waren naar iets anders dan naar de mogelijkheid om
gronden te krijgen en hoe dat geschieden moest. De koewoe gaf den
mannen den raad naar Herea te gaan. De grond was daar zeer goed,
zeide hij, en zuidelijk van de desa Gatok, aan den grooten weg, was
grond te krijgen, ruim drie bahoes, had hij gehoord. De erfpachter
was onlangs overleden zonder kinderen. En als men er vlug bij was,
zou men dien grond wel kunnen pachten. Het ging heel gemakkelijk:
men moest door het desahoofd maar aan den toean ziender doen weten
dat men den grond wel wilde hebben.

En zoo waren de reizigers, na twee dagen oponthoud in de desa
Tjikoedoeng, nog verder oostwaarts over het land Alas Bamboe getrokken,
langs den grooten weg. De desa Gatok was een groote dagmarsch verder
gelegen, nabij de grens van het land en de naburige particuliere
landerij Telatiga.

Het was vlot achter elkander gegaan. Men had den koewoe, het
dorpshoofd, een douceur gegeven voor de vele kosten, die hij verzekerde
te moeten maken, en die inderdaad daarin bestonden dat hij naar den
opzichter ging in de desa Herea en dien mededeelde dat hij den grond,
die indertijd aan Pah Merdja had toebehoord, aan nieuwe opgezetenen
had afgestaan. Hij kwam terug met de ingevulde contract-formulieren,
welke nog slechts door Pah Ran en Pah Rekso behoefden te worden
geteekend. Dezen konden evenwel schrijven noch lezen. Pah Rekso,
die voorzichtig was, wenschte den inhoud van het contract te kennen,
alvorens te teekenen. De koewoe verstond eenigszins de kunst van
schrijven; in lezen was hij evenwel geen meester. Hij nam echter een
houding aan als las hij den inhoud door en deelde hem bij gedeelten
mede, wat hij wist dat het contract bevatte. Zij hadden zich te
onderwerpen aan de bestaande bepalingen, neergelegd in het Reglement
op de particuliere Landerijen van 1856, zij hadden den landeigenaar
het 1/5 gedeelte van den oogst af te staan en eenmaal 's weeks in
heerendienst arbeid te verrichten.

"Zijn er geen andere belastingen?" had Pah Rekso gevraagd, en de
koewoe had verklaard van niet. Rekso had evenwel nog bezwaar om
te teekenen. Een soort instinct waarschuwde hem dat het dorpshoofd
een handlanger was van den landeigenaar, en hij voelde hem als een
vijand. Het desahoofd nam genoegen met het verzoek van Pah Rekso om
hem het papier achter te laten.

"Maar talm er nu niet mee," had de koewoe nog gezegd, "want de gronden
kunnen elken dag aan een ander geschonken worden, zoolang jij geen
erfpachter bent."

Rekso beloofde over twee dagen te zullen terugkomen.

De sawahs besloegen bij elkander nog geen anderhalven bahoe, maar ze
waren goed gelegen en konden vrij gemakkelijk bevloeid worden. Graag
had Pah Ran een grooter stuk gehad, maar Rekso had hem onder het oog
gehouden dat zij de eerste jaren toch nog geen uitgestrekteren akker
zouden kunnen exploiteeren en dat men zijn aanplant langzamerhand
wel zou kunnen uitbreiden. Gescheiden werd het stuk niet, althans
niet officieel. Hoewel er nooit over gesproken was, zoo had men als
het ware bij afspraak reeds uitgemaakt dat Siman en Djiah man en
vrouw zouden worden en als dat gebeurde, kwam alle grond toch in één
hand. Waarvoor zou men dan zich de moeite en de kosten van afmeting
en scheiding op den hals halen?

Dien avond ging Pah Rekso naar den penghoeloe, [72] wien hij verzocht
hem den inhoud van het contract mede te deelen. De penghoeloe was een
klein oud mannetje met sluwe vossenoogjes, iemand, die het, in weerwil
van de vele geschenken, welke hij aannam, goed met de bevolking meende,
wat hem trouwens zijn eigen belang voorschreef. Toch stond ook hij
onder den invloed van den landheer, van wien hij een soort wisselvallig
salaris trok, wat hem evenwel niet belette revolutionair te zijn,
althans tegenover zijn intieme vrienden. Hij was veel te sluw om met
zijn politieke beginselen te koop te loopen. De man genoot een roep
van groote knapheid. Hij kon even vlot lezen als spreken, zeide men.

Rekso vernam van hem den geheelen inhoud van het contract, die hem erg
onschuldig toescheen. Hij dankte den penghoeloe en vergat de douceur
niet. Den volgenden dag teekenden hij en Pah Ran met een kruisje het
contract, welke handteekeningen door den koewoe en den penghoeloe
werden gelegitimeerd. Het dorpshoofd had nieuwe kosten te maken en
dus meenden de beide immigranten hem opnieuw met een kleinigheid te
moeten schadeloos stellen.

Den dag daarop waren Pah Rekso en Pah Ran in het bezit van een
duplicaat van de acte van erfpacht, waar ze wel niets van begrepen,
maar dat zij, domme desalieden, met een kolossalen eerbied voor al
wat papier is, een veilige plaats gaven in hun woning.

Zij waren erfpachters. Wat waren zij trotsch en hoe maakten de jongeren
zich illusies over de toekomst! Met een kinderlijk genoegen werd het
duplicaat-contract telkens open- en toegevouwen. Men had er behoefte
aan zichzelf nog eens en nog eens te overtuigen van zijn bezit.

Dit bestond, gelijk wij zeiden, uit een stuk sawahgrond van nog geen
anderhalven bahoe oppervlak. Het lag vrij gunstig. Een primitieve
leiding bracht uit de nabij gelegen Tjikoentoel het water op
de sawahs. In den westmoeson was er voldoende bevloeiing. En dit
voordeel hadden de nieuwe erfpachters dat zij, althans in normale
tijden, geen vrees voor bandjirs behoefden te koesteren. Hoe het in
een droog jaar zou gaan? Och, Rekso en Ran waren Javanen en dachten
dus geen moeson vooruit.

Het district Herea, waar zij zich hadden neergezet, stond niet bekend
als het beste der vier, waarin het groote land Alas Bamboe verdeeld
was. De gronden zijn er poreus en bezitten de eigenschap niet het water
vast te houden. En een zeer groot deel van het district is dan ook
hoofdzakelijk aangewezen op de regens. In de Tjikanding-leiding, in het
boschgedeelte, is een dam gelegd nog slechts enkele jaren geleden. Deze
dam heeft ten doel het waterpeil te verhoogen en het kostelijk nat
voor de rijstvelden kan zich daardoor in kleinere leidingen over een
naar verhouding toch nog geringe oppervlakte verdeelen. Zoo wordt
het noordwestelijk gedeelte van Herea en het westelijk gedeelte van
het aangrenzende district Sikarang geïrrigeerd. Op een wijze dan,
die op den naam irrigeeren eigenlijk geen aanspraak mag maken.

De practische blik, dien de domme Javaan toch op het stuk van zijn
landbouw bezit, was de beide nieuwe kolonisten van nut geweest. Zij
hadden nabij hun desa, anderhalve paal noordelijker, een setoe [73]
gezien. En zoo terloops hadden zij van gedachten gewisseld over de
mogelijkheid om het heuvelwater daaruit desnoods voor hun velden te
benutten. Zij geloofden evenwel niet dat het noodig zou zijn, want
de Tjikoentoel, hoe kleine kreek ook, niet veel meer dan een sloot,
zou toch ongetwijfeld nog langer water bevatten dan de setoe, die,
met heuvel- en boschwater gevoed, in den drogen tijd wel dienst zou
weigeren, eerder nog dan de Tjikoentoel.

Maar, gelijk wij zeiden, verder dachten Pah Rekso en Pah Ran niet.

Den eersten tijd van hun vestiging hadden zij op het eind van de desa
een woning opgezet, want een leege hut, die zij hadden mogen betrekken
en die ook aan den overleden sawahbezitter had toebehoord, was veel
te klein om hen allen te bergen. Het ging natuurlijk wel tijdelijk:
men wist zich te behelpen, maar als Siman en Djiah gehuwd waren,
dan moesten de jongelui ook goed geïnstalleerd zijn. De nieuwe hut,
van ruwbewerkte balken, bamboe en atap [74] opgetrokken, was er
binnen een week. Drie paar handen werkten er met ijver aan en zelfs
Djamin kon al goeden dienst doen bij het werk met het kloppen der
sasaks. [75] De vriendelijke kleine hut, uit twee afdeelingen en
een emper voor en achter bestaande, was nabij de vrij groote woning
der oudjes gelegen. Pah Ran, die wel van een grapje hield, had Djiah
gevraagd waar ze nu wel zou slapen, in het westelijke of het oostelijke
vertrekje? En toen zijn aardige dochter er zich lachend van afmaakte
met een: "Ach, weet ik het!" had hij met een veelbeteekenend lachje
geraden de oostelijke kamer te kiezen, want 's middags stond de zon
op den westkant en het westelijke vertrek bleef dus voor een goed
deel van den avond het warmste. En, had hij er bijgevoegd, vooral
des nachts zullen jullie de warmte best kunnen missen.

Pah Ran hield van zulke aardigheden, ruw en laag bij den grond,
maar kwaad waren die grappen nooit bedoeld.

Toen de hut er stond, moest een slametan gegeven worden. Om de kwade
geesten te verbannen. Siman en Djiah waren zeer in hun schik met
hun aanstaand kluisje en konden nauw van den tijd van het huwelijk
afwachten, niet alleen om de woning evenwel. Siman had haar vooruit
maar betrokken; er was nog wel geld over om een ruime baleh [76]
te koopen, noodzakelijk meubel, en Djiah had er zelf een klamboe
[77] voor genaaid. Ook ander onmisbaar huisraad was aangekocht en
het keukengerei.

Men was er natuurlijk niet afgekomen zonder de noodige douceurs en
fooien. De koewoe moest vergunning geven voor het bouwen, voor het
houtkappen, voor het halen van kali-steen en grint uit de Tjikoentoel;
hij moest hen inschrijven in registers, zoo beweerde hij, hij moest
den toean ziender om dit vragen en van dat kennis geven. En voor al
die goede diensten moest natuurlijk betaald worden. De koewoe trok
dapper partij van de onbekendheid der nieuwelingen met de plaatselijke
toestanden, en dezen begrepen wel dat zij meer moesten afschuiven dan
van hen rechtens gevorderd mocht worden. Maar wat konden zij er tegen
doen? Zij waren geheel onbekend, wisten heg noch steg, en dan, overal
is de kleine man de dupe van het meer geslepen hoofd, dat een soort
bezoldiging ontvangt van den landheer, en daarvoor zijne medewerking
moet verleenen bij de inning van tjoeké [78] en van padjeg. [79] Waar
zouden Pah Rekso en Pah Ran dan moeten klagen? Bij den opzichter, die
hen niet kende en den koewoe noodig had? Bij den assistent-resident,
die dagen en dagen ver weg woonde, wààr was hun zelfs niet bekend,
en die van dergelijke zaken geen kennis kon nemen? Er viel immer
niets te bewijzen?

En dus schoot er niets anders op over dan te geven wat gevraagd
werd. Het was overigens niet veel: nu eens een kwartje, dan weer
een halve gulden; meer dan dat nooit. Zeker, zij hadden zich kunnen
verzetten tegen dergelijke knevelarij. Buren hadden hen wel reeds
ingelicht dat zij niet voor al wat de koewoe hun in rekening bracht
debiteur waren. Maar de koewoe had hun het gebruik van zijn woning
voor het huwelijksfeest toegezegd en het instinct van den onderdrukte
weerhield de lieden van verzet. Dat zou tot niets leiden; het gaf veel
soesah; het dorpshoofd zou hen nog heel wat slimmer het leven kunnen
verbitteren en op het eind was hij dan toch nog de sterkste. Neen,
de kolonisten dachten eenvoudig niet aan verzet.

Overigens bekommerden zij zich met de zorgeloosheid van den Javaan
niet veel om de geringe onrechtmatige belasting, die van hen geheven
werd, zoolang er nog genoeg in de kous was.

Van het voorschot, dat hun was gegeven, negen gulden, en dat zij
natuurlijk hadden aangenomen--daarvoor waren zij inlanders--hadden
zij den noodigen voorraad zaadpadi ingeslagen in de desa Herea in
het noorden, de standplaats van den opzichter, en toen de sawahs
bewerkt waren, de grond voldoende had uitgezuurd en er genoeg water
op de velden was gebracht, waren moeder Ten en de meisjes aan het
werk getogen en hadden in de plantgaten de padi neergelegd. Het
weer was gunstig, de padi kiemde krachtig uit en reeds begon een
licht zachtgroen dons zich mijlen en mijlen ver over het land uit
te spreiden.

Groen, zoover 't oog reikte, groen in alle nuances: het zware donkere
van het boomloof in de desa's, die hier en daar als gezaaid lagen in
de vlakte van teer groen, waarin weer struiken van donkerder tint een
streep trokken als aanwijzing van leiding of riviertje. De galangans
[80] teekenden de figuren in dit heerlijk tapijt van groen, waarboven
de helder blauwe hemel zich in schitterende strakheid spande. Maar
de menschen, die dit tapijt geweven hadden, zagen niet het schoone
van dat hun zoo bekende landschap. Zij berekenden het aantal picols
[81] padi per bahoe, naar den stand van het gewas. En daar deden
zij wel aan. Zij kunnen van natuurschoon niet leven: de tjoeké moet
opgebracht worden. Dat is nummer één.

Zoo stonden de zaken, toen Siman en Djiah een paar werden en er
bruiloft werd gevierd in de desa Gatok. Voordeelig was het feest
niet geweest. Wel hadden de meeste bezoekers in den koperen schaal
zilvergeld doen glijden, meer of minder, al naar het de beurs paste,
maar daarvan moest welstaanshalve een deel worden afgedragen aan
het dorpshoofd voor het gebruik der woning; en dan, wat er besteed
was aan gamelan en dansmeiden, aan siroop en kwee-kwee, [82] en aan
geschenken voor de vrouwen, die voor den opschik der bruid hadden
gezorgd, had een groot gat in de beurs geslagen.

Pah Rekso en Pah Ran, die op de baleh-baleh hun strootje zaten te
rooken en, de herinneringen ophalend, de gebeurtenissen der laatste
maanden nagingen, hadden geen spijt van den stap, dien zij deden,
toen zij besloten Tjidamar te verlaten.

Laat, heel laat, legden zij zich ter ruste. Zij zouden morgen een
dagje vrijaf nemen.

Toen zij voor hun woning waren gekomen, waar Mah Ten en de kinderen
reeds ter ruste lagen, wees Pah Ran voor het naar binnen gaan over
zijn schouder naar de woning van Siman en Djiah, waar in het vertrek
op het oosten een zwakke lichtschijn viel door den bamboewand.

"Zouden ze al slapen?" vroeg hij met een trek van den mond.

"Goede kinderen," antwoordde Rekso rustig. "Allah zal ze zegenen."



Het particuliere land Alas Bamboe is een zeer groot land, een der
grootste landerijen op Java. De eigenaren hebben er een maatschappij
van gemaakt met een aandeelen-kapitaal van drie millioen gulden. Het
kapitaal kon heel veel grooter zijn, want het land is er groot
genoeg voor. Het beslaat tezamen ruim 180.000 bahoes en zou geheel
in cultuur gebracht kunnen zijn, als de eigenaren wat meer energie
en voortvarendheid hadden gehad, en voor de bevolking wat meer
... hart. Thans is ongeveer het achtste gedeelte van het uitgestrekte
gebied, welhaast een groote provincie van Nederland gelijk,
bebouwd. De rest is wildernis. Vruchtbare grond ligt er bedolven,
duizenden en duizenden bahoes, onder een tapijt van woudmos. In de
bosschen in het zuiden verstoren slechts nu en dan de bijlslag van
een eenzamen houthakker en de roep der vogels de rust van eeuwen. In
het noorden schakelen zich de moerassen aan elkander. Daar verzamelt
de kustbewoner de bladeren van de traté [83], kostelooze lading,
die elders tegen weinige centen van de hand gedaan wordt.

Alas Bamboe, althans het bebouwde gedeelte, ligt zeer laag. De
standplaats van den administrateur, Sikarang, in de gelijknamige
afdeeling, ruim zeven Java-palen het binnenland in, ligt nauw acht
voet boven zeepeil. Wij zagen hiervoor reeds dat de bodem voornamelijk
bestaat uit poreuze zeeklei; hij slaat in den oostmoeson hier en daar
zelfs zout uit. Dat is ook de reden, waarom er op den verbouw van
palawidja [84] niet te rekenen is. Rijst is het product, waarop de
bevolking is aangewezen. Zij moet rijst verbouwen om in het leven
te blijven. En als bij misoogsten dit bestaansmiddel ontbreekt,
dan--vreeselijke consequentie--moet zij onverbiddelijk honger
lijden, meer of minder. Neen, toch is er een middel om aan deze harde
noodzakelijkheid--in de lachende natuur van Java!--te ontkomen. Men
kan uitwijken, vluchten voor het nare spook van den honger en zijn
heil zoeken op anderen grond, buiten Alas Bamboe. Maar deze stap is
moeilijk. Immers, wanneer de nood eindelijk tot emigreeren dwingt,
dan is reeds veel ellende geleden. Van waar moeten dan de middelen
komen om uit te wijken? En gelukt het al, wat dan zal men elders
vinden? In gunstig geval onbebouwden grond. Maar die zal eerst over
een jaar het zweet van den arbeid loonen met de vruchten van den
oogst. En in dat jaar blijft de maag om voedsel vragen.

Toch, er is nog een ander middel om den honger te bestrijden. Een
eenvoudig middel. De grond moet gesterkt worden, zoodat misoogsten niet
meer voorkomen. De slechte factoren in de natuur moeten geneutraliseerd
worden door de kunst des menschen. Irrigatie zij daar waar de droogte
zich doet gelden, opdat de bodem aan de opgezetenen in harde dagen
voldoende voedsel geve om blijder tijd tegemoet te gaan. Natuurlijk
hebben de landeigenaren gezorgd voor een irrigatie-stelsel, beter dan
de regeering haar andere onderdanen schenken kan. Niemand kan echter
van een zaak verlangen, dat zij het belang van anderen dient vóór
haar eigen. Men kan dan ook niet verwachten dat de landeigenaar het
land vruchtbaarder maakt en irrigeert, uitsluitend ten behoeve van de
inlanders. De stelling moet deze zijn: Het eigen belang der eigenaren,
die uit grooter oogst grooter contingent tjoeké trekken, en welk belang
door een misoogst allerminst gediend wordt, heeft de landeigenaren
doen zorgen voor een systeem van irrigatie, zoo deugdelijk ...

Een oogenblik. Het had zoo kunnen zijn. Helaas; het is zoo niet. En
de fout zit niet in gebrek aan fondsen om over te gaan tot verhooging
van de capaciteit langs dezen weg, gelijk elders op particuliere
landerijen en door de Indische regeering met schijn van excuus wordt
aangevoerd. Neen, het grappige in dit bijzonder geval is, dat er
... te veel winsten zijn gemaakt tot dusver. Men taalt niet om wat
meer, en van de eigenaren, die daar ver weg in de lichtstad Parijs of
in het vrouwenrijke Weenen hun gelden verteren in lachende minne en
bruisenden wijn, kan toch waarlijk niet verwacht worden dat zij, in den
genotsroes, zich de hersenen zullen pijnigen met zorgende gedachten
voor de werkers, wier moeizame arbeid hun orgieën betaalt? Dat zou
inderdaad onbillijk zijn.

Niet waar? En zoo is het dan dat de eenige levensbron voor Alas Bamboe
is de kleine leiding der Tjikanding, gevoed met het, aan een andere
bevolking, dat zijn: andere zwoegers, ontstolen water. De Tjikanding
is evenwel slechts een onbeduidend stroompje, waarvan de benedenloop
in den natten moeson zelfs niet is na te speuren, wijl zijn water zich
al maar verdeelt over de sawahs en het zelf ophoudt te bestaan, zich
verliezende in de reuzenvlakte. Anderen natuurlijken watertoevoer voor
de vlijtige landbouwers op Alas Bamboe moet men niet zoeken, tenzij
men de door heuvelwater gevoede beken en kreken, of de zijtakken der
Tjikanding voor deugdelijke waterwegen wil houden, wat zij niet zijn.

De geringe watertoevoer is natuurlijk onvoldoende voor het gansche
land Alas Bamboe. Slechts de beide afdeelingen Sikarang en Herea
hebben het geringe genot van dezen waterzegen. In de andere, grootste
en minst bebouwde, afdeelingen, Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, wacht
de opgezetene op de genade des hemels voor zijn velden. Zonder regen
op goede tijden, lijdt hij honger ... Dit is het akelig axioma van
Alas Bamboe.

En toch, het kon zoo anders zijn!

De ruim drie duizend bahoes in het district Goenoeng Lawang, de ruim
zeven duizend bahoes van het daarvan oostelijk gelegen district Alas
Bamboe, en de overige twaalfduizend bahoes van de beide andere nog meer
oostelijk gelegen districten, welke thans reeds bebouwd zijn met rijst,
en vele, vele duizenden bahoes nog maagdelijke grond zouden doelmatig
en ruimschoots geïrrigeerd kunnen worden door een enkele groote rivier,
die in den zuidoostelijken hoek van de landerij haar bruine golven
voortstuwt naar den stroom, die de grens vormt met de Peboeroengan-
en Tjimanis-landen: de Tjikoembang. Maar de eigenaren hebben tot dusver
niet noodig geacht het water dezer rivier ten nutte der bevolking aan
te wenden. Ik zeide het reeds hiervoor: er komt genoeg geld binnen
in de zakken der eigenaren en het altruïsme gaat gewoonlijk juist zoo
ver, tot waar het nadeel voor eigen beurs begint. Bovendien, zoo voert
men aan, de beide districten Goenoeng Lawang en Alas Bamboe, die dan
volgens de "onrecht-aanbrengers" zoo waterarm zijn, worden gescheiden
door een rivier, de Tjilawedok. Dit is volkomen juist. Alleen wordt
er niet bij gevoegd dat deze rivier een nietig stroompje is, dat,
even nadat het in de bebouwde vlakte is getreden, doodbloedt.

Buiten den dam in de Tjikanding, waaromtrent reeds het een en ander
gezegd is, bestaan geen kunstmatige waterwerken. Althans de beide
setoes in het district Herea, door de opgezetenen ten eigen behoeve
ingedamde kommen, kan men moeilijk aanhalen als een bewijs van de
goede zorgen der eigenaren. In de andere districten is van kunstmatige
irrigatie, buiten de primitieve leidingen der ingenieuze landbouwers
zelf, in het geheel geen sprake. Daar is het in concreto dat men
Gods water over Gods akker laat vloeien, en een geluk is het voor de
inlanders dat de grond vruchtbaarder is in de westelijke districten
en vetter, en dat hij daardoor het water langer weet vast te houden.

Dit is dan wat er omtrent de gesteldheid van het land Alas Bamboe
valt op te merken. Ik kan mij onthouden van verdere misprijzing der
landeigenaren, dunkt mij. De toestand, als hierboven geschilderd,
spreekt voldoende voor zich zelf. Slechte regenjaren zijn rampjaren
en wreken zich geducht op het product. In de maanden December,
Januari en Februari komt de padi in den grond. Geoogst wordt van Mei
tot Augustus. Maar wat men elders op het groene Java kan waarnemen:
dat de tijd tusschen oogst en nieuwen aanplant benut wordt om tol
te heffen van den geduldigen bodem in den vorm van tweede gewassen,
dat is op Alas Bamboe, en ook op het aangrenzende land Telatiga,
meestentijds niet mogelijk. Om de droogte. De riviertjes weigeren in
die maanden den dienst, zelfs de levensader, de Tjikanding, droogt
dan bijna uit. En de verbouw van palawidja-gewassen, zooveel hij nog
bestaat, verdient den naam kultuur niet. Hij is geheel onbeteekenend.

Indische journalisten hebben meer dan eens de toestanden op de
beide landerijen op de kaak gesteld en aangedrongen op onderzoek en
verbetering. Daar evenwel over Insulinde de Hollandsche vlag wappert,
valt op onderzoek en verbetering niet te rekenen, en de strijd der
naïeve journalisten was weinig meer dan de kamp van ridder Quichote
tegen de windmolens van Montiel. Het resultaat was, gelukkig voor
de publicisten, minder onfortuinlijk dan het voor hun klassieken
voorganger was. Werd deze in zijn dwaze maar vermetele poging de reuzen
te verslaan door de wieken van den molen op de vlakte neergekwakt:
de koenheid der journalisten om te durven wijzen op misstanden werd
niet beloond met gevangenisstraf als gevolg van een aanklacht wegens
"laster". De wetten in dit land zijn er uitsluitend voor de schelmen,
en er worden hier geen rechters gevonden, die den moed hebben te
handelen en recht te spreken in afwijking van de wet. Het moet voor
de dagbladschrijvers hard geweest zijn, te ervaren dat zij hun "straf"
ontliepen door de goedertierenheid van de eigenaren zelf.



Het was eenige maanden verder. In de desa Gatok ging het leven voort,
met al de kleine ongeriefelijkheden van het bestaan. Pah Rekso was
ernstig ziek geweest. Een zware longaandoening had zijn krachten
gesloopt. Zij hadden in een langdurige zware bui op het veld moeten
wezen, hij, Pah Ran en Siman. Het had al dagen lang bijna onafgebroken
geregend; het water werd een kruis. De sawahs met het jonge gewas
stonden blank. De zware drop knakte de halmen. Met bezorgdheid hadden
de landbouwers de gevolgen berekend. De afvoer was gebrekkig, en steeds
meer en meer water wierp de hemel omlaag. Den derden dag moest raad
geschaft worden, wilde men niet den geheelen oogst aan vernieling
blootstellen. Het veld der nieuwe opgezetenen was door een smalle
strook sawah van den desagenoot Rakiman van de Tjikoentoel gescheiden
en vormde een hooger terras. Het was zaak het overvloedige water af te
leiden, over Rakimans grond naar de kleine rivier, die reeds geducht
gezwollen was. De buurman had geen bezwaar; hij begreep zijn belang,
want ook het water op zijn sawah zou hij daardoor kunnen loozen.

Met groote van bamboe gevlochten hoeden op het hoofd, het bovenlijf
naakt, waren toen de drie mannen in den neerplassenden regen en den
gierenden wind aan het werk gegaan.

Het rijstveld helde naar het zuiden af; het was dus zaak aan de
zuidzijde langs den galangan een voor te slaan. De patjols drongen in
de weeke modder, die op zij uit, zoover mogelijk in de sawah, werd neer
geworpen. Op den galangan kon zij niet worden neergelegd; daar zou de
regen haar weer wegspoelen. Een goed uur hadden de mannen aan dezen
voor gewerkt, nadat de galangan was doorgebroken. In een breeden,
bruinen modderstroom viel het water af in de sawah van Rakiman, om
hierover de Tjikoentoel te bereiken. Ook de galangan, die Rakimans
sawah van het lager gelegen riviertje scheidde, had doorgebroken
moeten worden. Maar hiermede was het werk niet afgeloopen. Het bleek
dat de drainage aan de zuid onvoldoende was; langs den oostkant moest
noodig nog een weg voor het water worden geslagen. En met nieuwen
moed werden de patjols in de klei gedreven. Het water spatte de
landbouwers in 't gezicht; de regen doorweekte hen. De donder ratelde
rusteloos; het licht was niet van den hemel. En steeds weer gierden
en floten de windvlagen over de vlakte en deed de mannen rillen van
verkleuming. Ruim drie uren waren zij bezig geweest, voordat het werk
gedaan kon heeten. Zij hadden voldoening van den arbeid. Waar zij
den blik heen wendden, zagen zij ondergeloopen rijstvelden; slechts
die met voldoende helling, een nadeel bij normale weergesteldheid,
en welke van beter te regelen afvoerwegen voorzien waren, hadden geen
inundatie te vreezen.

Van Ten en Djiah hadden de mannen een warmen kop zwarte koffie
gehad. Toen waren zij weer opgeknapt en bijeengezeten spraken zij
over den gedanen arbeid.

"Het is hier toch ook niet alles even mooi," merkte Pah Ran op. "Als
de landheer wilde, zouden wij nooit behoeven te vreezen voor te veel
of te weinig water."

"Och, de landheer kan daar maar weinig toe of af doen. Hij is een
boedjang, [85] evenals wij: hij krijgt ook zijn printahs van de
eigenaren," wierp Rekso tegen.

"Maar waarom kan het gouvernement niet gelasten dat er beter gezorgd
wordt voor de rijstvelden?" vroeg Siman.

"Alsof het op de landen van het gouvernement zoo mooi is," viel zijn
schoonvader uit. "Je bent nu zeker al vergeten hoe prachtig ons water
geregeld was in Tjidamar. Het gouvernement, wel ja! Dat vraagt alleen,
maar geeft niets, evenals de bedelaars op lebaran."

"Ik heb gehoord," zei Rekso, de kalmste en meest wijsgeerige van
hen allen, "dat de landheer ons wel wil helpen, maar niet kan,
omdat er geen geld is. Dat wil zeggen, geld zal men natuurlijk wel
hebben, want het land moet erg groot zijn en dus wordt er veel tjoeké
ontvangen, maar de eigenaren willen niets afzonderen voor de irrigatie,
begrijp je?"

"Hoe weet je dat zoo, Pah?" werd hem door Siman gevraagd.

"Ik heb het van den koewoe gehoord, mijn jongen. Deze toean besar moet
voorgesteld hebben om leidingen aan te leggen uit de Tjikoembang--die
rivier ligt hier ver vandaan, in het district Goenoeng Lawang, waar
precies weet ik niet. Maar het zou heel veel geld kosten, misschien
wel tienduizend gulden. En nu zegt de koewoe dat de landeigenaren er
geen ooren naar hebben."

Pah Rekso wist er niet veel van, maar in de desa vraagt men niet naar
betere inlichtingen. De zaak zat eenigszins anders. Ruim twintig
jaar geleden had de toenmalige administrateur van het land Alas
Bamboe een ingenieur ter hoofdplaats van het gewest verzocht een
ontwerp te maken van een irrigatiestelsel voor de meest daaraan
behoefte hebbende districten, door aftapping van bevloeiingswater
uit de Tjikoembang. De ingenieur stelde een grondig onderzoek in
en maakte een uitgewerkt ontwerp op. Dit is evenwel nimmer van het
papier losgekomen. Later is door een anderen administrateur,--deze
werd door den koewoe bedoeld--den heer Nederman, de directie te
Batavia weder op de kwestie gewezen. De directie deinsde natuurlijk
voor de kosten terug en weigerde, even natuurlijk, het werk te doen
uitvoeren. Er was drie en een halve ton mede gemoeid, en men wenschte
er zelfs geen duizend gulden aan te besteden. Het kon van de gemiddelde
winst van ruim twee ton gouds per jaar niet af. De gevolgen van deze
... kortzichtigheid--zoo zal ik het noemen--blijven natuurlijk niet
uit. Men kan gerustelijk beweren, zonder vrees voor overdrijving,
dat in Zuid-Herea, waar de magere gronden nooit een goed product
geven, elk jaar in meerdere of mindere mate honger wordt geleden;
dat daar elk jaar lieden zijn, die eens per dag eten, eens in de twee
dagen misschien. Hoe een groot deel van de bevolking er dan leeft,
zal later wel blijken.



Dien avond ging men vroeg ter ruste: den volgenden morgen wachtte
weer werk, als het niet ophield met regenen. Pah Rekso voelde zich
niet goed. Hij had een zware koude gevat, maar met de zorgeloosheid
van den inlander wijdde hij daaraan slechts matige aandacht. Drie
dagen later echter werd hij geplaagd door een beklemming op de borst
en pijn in de longen. Hij begon te hoesten en te kuchen en moest
aanvallen van voorbijgaande benauwdheid verduren. Nog achtte men de
ziekte niet erg. Eerst toen hij na een week begon bloed te spuwen,
maakte zijn omgeving zich ongerust. Een groote maand lang was Pah Rekso
niet tot werken in staat. Toen hij zich eindelijk hersteld waande,
zag hij er uit als een geest. Zijn gelaat was ingevallen, zijn oogen
stonden flets, diep in de kassen. Hij kuchte nog steeds. Rekso zelf
begreep zeer goed welke ziekte hij had: de tering, waartegen ook in
de desa geen kruid gewassen is en die menigvuldiger voorkomt onder
de inlanders dan men oppervlakkig wel meent.

Ook zijn gezin en de anderen beseften wat die droge kuch beduidde. Zij
schikten zich in het onvermijdelijke. Het stond geschreven. Allah wilde
het. Alleen Ten klaagde. Waarom had men ook Tjidamar en de bergen
verlaten? Het was een straf van Allah, die niet wil dat de menschen
het land verlaten, waarin hij hen heeft doen geboren worden. Siman
volgde met groote bezorgdheid de vorderingen der sloopende ziekte,
waarvan hij de schuld wierp op de landeigenaren, die weigerden de
bevolking irrigatie te schenken.

De veldarbeid kwam thans geheel ten laste van Pah Ran en Siman. Zij
hadden er de handen vol aan. Wel had Pah Rekso zich aangeboden
voor diverse werkzaamheden, maar daar wilden de anderen niet van
hooren. Later, zeiden zij, later, als hij weer geheel hersteld was,
kon hij weer mee naar het veld. Maar niemand was er, die geloofde
dat dit nog zou gebeuren.



De regens hadden opgehouden. Het weder was gunstig en de oogst liet
zich goed aanzien. Het liep nu tegen Mei. Laat in Juni, dus berekende
Siman, zouden zij den eersten oogst binnenhalen, die beloofde
mede te vallen. Hij bouwde zich luchtkasteelen, de jonge man. Zij
zouden de rijst van hun petahs [86] verkoopen en er inferieure voor
terugkoopen, want zij voor zich behoefden geen rijst van zes gulden
de picol te hebben. Er zou dan een kleine winst op overschieten en
met het goed geborgen geld, dat er nog was, kon men allicht zich een
buffel aanschaffen, zonder dat de geheele kas werd uitgeput--want er
zouden nog andere uitgaven bestreden moeten worden. Djiah toch was
zwanger en de bevalling werd verwacht tegen Juli. Het kwam wel niet
zeer gelegen, want zeer waarschijnlijk zou men dan nog niet met den
oogst gereed zijn, maar daar was natuurlijk niets aan te doen.

Siman en Djiah beiden wenschten een jongen: dat gaf dadelijk meer
aanzien en oentoeng. Een jongen was altijd oentoeng. Een meisje
gaf meer last dan pleizier en was niet zoo vroeg voor het werk
geschikt. Siman had al eens aan de doekoen [87] gevraagd of zij niet
kon zeggen of het een jongen of een meisje zou zijn en de wijze vrouw
had hem naar verschillende zaken gevraagd om au fait te zijn. Met welke
maan ze getrouwd waren, en of Djiah dadelijk zwanger was geworden,
en nog tal van intieme dingen. Zij was Djiah ook komen opzoeken
om naar den omvang van den buik de kansen op een mannelijk kind
te berekenen. Zij had om koffie gevraagd en daarover druk gebeden
gepreveld, waarna Djiah ze in eenen had moeten uitdrinken, nadat
de doekoen haar den buik en den rug had betast en gepidjit. [88]
Zij had Djiah opgedragen te zorgen niet in den maneschijn te loopen,
want dat zou onvermijdelijk een meisje ten gevolge hebben. Toen de
wijze vrouw heenging, zeide zij nog, elken vijfden dag menjan [89]
te branden en gaf nog wel twintig andere aanbevelingen meer. Nu
was ze gedekt. Werd het geen jongen, welnu dan zou ze zich kunnen
beroepen op het een of andere verzuim. Want geen mensch zou hebben
kunnen onthouden en nakomen wat Mah Itam allemaal had voorgeschreven.

En zoo was er dan reden tot vreugde in het gezin. Alleen de toestand
van Pah Rekso wekte steeds meer bezorgdheid. De man teerde zichtbaar
uit. Zijn bezigheden thuis bestonden in het maken van vogelkooitjes
en het vlechten van manden, hetgeen hij de kleine Djirah nu ook had
geleerd. De anderen schikten zich in den toestand en de ouderliefde,
bij den Javaan zoo ontwikkeld, omringde den ongelukkige met kleine
gerieven.

Djamin deed voorloopig niet veel. Tot ingespannen veldarbeid was
hij nog niet in staat. Trouwens, nu er slechts gewacht werd op den
snijtijd, was er niet veel werk meer op de velden. De regentijd
was normaal verloopen en afgewisseld door het schoonste zonneweer,
dat de aren deed zwellen door de rijpende vrucht. Siman, die in den
geest reeds den karbouw op zijn erfje zag, had Djamin reeds den rol
van botja angon toegedacht.

Toen brak de panèn [90] aan, de eerste oogsttijd voor de nieuwe
kolonisten; zij waren vol goeden moed, want de halmen bogen onder
het gewicht.



Heeft een van mijn lezers wel eens den panèn meegemaakt op het
land te midden van het volk? Welk een vroolijken aanblik hebben
dan de velden, als het goudgeel van het graan doorspikkeld is van
de roode, blauwe, groene en witte vlekken der vrouwenbaadjes; als
heel het landschap in volle rijpheid leeft en trilt. De anè-anè,
het kleine mesje, verborgen in de handpalm der snijdsters, klikt
en klikt tegen de halmen. De wind suist door de strak-heete lucht
en ritselt in de padi. Over het land welft zich een helderblauwe
hemel. De snijdsters zingen al maar voort onder het werk, soli en
koren in droefgeestige modulatie. De jongeren lachen en dollen en
verzuimen het werk niet. Stap voor stap schrijden zij voorwaarts;
wat van de aren valt uit de linkerhand, wordt bijeengezocht door de
lezers, knapen en meisjes. De koperen zon met haar schroeiende stralen
deert het volk niet. Vaak zijn zij van verre gekomen, en zij, die heden
hier aan den arbeid zijn, zullen voor een deel althans, morgen elders,
wat zoeken te verdienen met den oogst. Des avonds is er rameh [91]
in de desa. Dan speelt de gamelan. Het zweet der dampende lijven is
weggewasschen aan bron of leiding, de kondeh is, vet van klapperolie,
in stevige wrong gedraaid; de mooie badjoes worden ten pronk gedragen
door de meisjes. Men snoept de helft van het schamel snijloon weg aan
de vele wandelende winkeltjes, welker eenige illuminatie bestaat in
een walmend oliefleschje. Dan is het een goede tijd voor de jongelui,
want er zijn lieve bekjes onder de verre geburen.

Niet alzoo is de panèn op Alas Bamboe en het was een groote
teleurstelling voor Siman en Djiah en de beide meisjes, Ipah en Mariam,
vooral, dat er van rameh en gamelan niet veel te merken was. Dat was in
de Preanger, zelfs in het armoedige Warnaleutik, toch anders geweest.

De ouderen hadden den anderen geest, die op Alas Bamboe onder
het landvolk heerschte, wel opgemerkt. Men was hier passiever,
gedrukter. De stemming was zoo'n heel andere als daar ver weg in het
zuiden over de bergen, dat zij waarlijk een soort van heimwee kregen
naar de vervallen kluis in Tjidamar.

Zij begrepen nog niet dat de panèn op Alas Bamboe de aanvang is van
een periode van veel leed. Zij kenden dat leed nog niet en geloofden
ook niet de droeve verhalen van knevelarij en afpersing, hun door de
desalieden gedaan. Dat moest wel overdreven zijn.

Reeds maanden geleden hadden Pah Rekso, Pah Ran en Siman de vrijwillige
overeenkomst, waarbij zij zich verbonden hun contingent tjoeké te
leveren in rijst, geteekend en zij hadden in hun domheid gemeend den
landheer nog te moeten prijzen dat hij zoo goed was hen daartoe in
staat te stellen. Zij toch meenden voor zich daar voordeel in te zien.

Hun sawahs waren niet onder die, welke door den landheer gerekend
werden te behooren tot de "goede gronden", waarvan het product wordt
getaxeerd--door den landheer--op 6 1/4 kattie [92] per roede of 31
1/4 picols natte padi per bahoe, maar daar stond tegenover dat zij
weer minder tjoeké zouden behoeven te betalen. En nu hadden zij
bovendien de stille hoop dat zij meer van den grond zouden kunnen
maken dan de taxatie en in dat geval zouden zij bij het teekenen der
"vrijwillige overeenkomst", waarbij het te leveren contingent vooruit
werd uitgemaakt, in het voordeel zijn.

Desagenooten beweerden wel dat die vrijwillige overeenkomsten
afgedwongen werden, maar Pah Rekso en de zijnen, die daarvan voor
hen zelven nog niets gemerkt hadden, waren geneigd hun zegslieden te
houden voor aarts-mopperaars, menschen, zooals men die overal vindt
en wien niets naar den zin gemaakt kan worden.

Op zekeren avond echter was Pah Ran thuis gekomen met een
verontrustende mededeeling. Hij was op bezoek geweest bij een
desagenoot en daar had hij toevallig een djoeroetoelis van den
opzichter van het district Herea ontmoet. Men was in druk gesprek
geraakt; Mas [93] Prawira bleek een onderhoudend prater, die meer
wist, veel meer, dan de desalieden om hem heen: hij kon lezen en
schrijven, was jong en minder conservatief dan zijn omgeving. Hij had
een aangenaam uiterlijk, wat hem door de meisjes als een deugd werd
aangerekend. Nu, een Don Juan was Prawira niet, al mocht hij graag
in mooie oogen kijken.

Hij werd gaarne gezien in de woning van zijn neef Djeni, in Gatok,
wiens vrouw overal met hem blufte. Het was maar goed dat zij niet
de minste bekoorlijkheid meer bezat, anders was de vriendschap van
Djeni voor zijn heer neef wellicht ras bekoeld. Nu was er geen gevaar.

Prawira nu had aan zijn hoorders rare dingen verteld. Hij had hun
met een gewichtig air gevraagd of zij zich nog herinnerden den
landraadspresident te Telatiga, mr. Hazelaar?

Djeni had verklaard van niet, waarop Prawira zijn geheugen had
gescherpt door te herinneren aan verscheidene strafzaken van lieden,
die zij beiden kenden. Ja, toen was bij Djeni de herinnering levendig
geworden.

Nu dan, had Prawira gezegd, mr. Hazelaar, die zoo vaak bewezen had
het wèl te meenen met de lieden, wier ondeugden hij geroepen was te
bestraffen, had een boekje geschreven in het Maleisch, waarin hij
uitlegde welke verplichtingen de opgezetenen hadden na te komen,
maar ook welke rechten zij bezaten.

De nieuwsgierigheid was geprikkeld. Vooral Pah Ran, die nog vreemdeling
was om zoo te zeggen, had veel belangstelling getoond. Hij had nog
nooit eenige rechten bezeten, was zich deze althans nooit bewust
geweest, gesteld dat zij bestaan hadden of nog bestonden.

En Prawira had hun, zoo goed als hem mogelijk was, uitgelegd dat
de landheeren veel meer van hen vorderden, aan tjoeké voornamelijk,
dan waarop zij aanspraak konden maken. Hoe dat alles verband hield
met de bepalingen van een zeker reglement, dat er bestond voor de
particuliere landen, wist Prawira echter niet te zeggen, maar hij was
toch overtuigend genoeg geweest om bij Pah Ran, die nog al spoedig
onder een indruk kwam, een gevoel van wantrouwen te doen opkomen,
dat hem nu niet zoo spoedig verliet.

Hij deelde aan Pah Rekso mede, nog gebrekkiger dan Prawira hem
had ingelicht, wat hij vernomen had. Pah Rekso was bedachtzaam en
voorzichtig. Hij had Pah Ran kalm aangehoord en hem verzocht Mas
Prawira bij hen te noodigen. Hij wilde gaarne meer van de zaak weten.

Den volgende avond was Prawira bij hen. De jonge man werd hupsch
ontvangen en het was niet aller aandacht ontgaan dat hij zeer getroffen
was door de schoonheid van Mariam, die zich extra-mooi had uitgedost,
nadat zij Pah Ran zoo terloops had uitgehoord over Prawira.

Mariam was mooi. Ze was nu een bloeiende maagd geworden met een,
voor een Soendaneesche, zelfs zeer regelmatig gezichtje, in koelit
langsep [94] tint. Een zware kondé, zonder tjemara's, [95] prijkte
met een zilveren naald. Zij was slank en lenig; haar bewegingen
waren gracieus. Een licht zwellende boezem, kleine, teere handen en
voeten--het was een verschijning als van een radènajoe [96] en daar
Mariam zeer goed wist dat ze mooi was, streefde zij er steeds naar
op het voordeeligst uit te komen.

Prawira nam zich dadelijk voor het gezin Rekso méér te bezoeken en
zorgde ervoor bij deze menschen een goeden indruk na te laten. Hij
sneed wat op over zijn positie en zijn inkomen, dat hij, het
verdubbelende, op vijftien gulden in de maand bracht. Hij sprak met
een tikje minachting over dingen, waar de anderen niet dan met zekeren
eerbied van plachten te gewagen.

En toen het op het behandelen van zaken aankwam, waar Rekso telkens
op aandrong, zeide hij dat hij bij zijn neef Djeni in een koffer nog
papieren had, die hij wel even kon gaan halen.

Dit was nu maar bluf, want al wat hij had was een staat van
tjoeké-aanslag, dien hij had moeten overschrijven en waarvan hij een
afschrift meer had gemaakt; eigenlijk zonder dat hij wist, waarvoor
het dienstig kon zijn. Dit papier stak hij in een jasje van hem. De
"koffer", waarmede hij gebluft had, bestond natuurlijk alleen maar
in zijn verbeelding.

Toen hij weg was om zijn papieren te gaan halen, zeide Pah Ran tot
Pah Rekso: "Wel, hoe vind je 'm?" en om kritiek te voorkomen voegde
hij er haastig aan toe: "Hij weet heel wat!"

"Dat schijnt zoo," antwoordde Rekso ontwijkend.

"Onze Mariam schijnt het hem al dadelijk aangedaan te hebben," zeide
Siman lachend. "Pas maar op je dochter, vader."

Mariam was boos.

"Ach, wat," zei ze, "jij ziet altijd dingen, die een ander niet ziet."

"Daar zou ik rijk mee kunnen worden," antwoordde haar broer
grinnikend. "Maar het is toch heusch waar, hoor. Ik zag het aan
zijn oogen."

"Ik ook, Siman," klonk het schelle stemmetje van een der
tweeling-zusjes. Het was een welkome afleiding voor Mariam. Op de
zusjes kon ze rustig lostrekken.

"Stil jij, kétèh [97]," snauwde zij vinnig. "Wacht jij je tijd
maar af!"

De kleine droop af. Dadelijk daarop werd de aandacht afgeleid door
Prawira, die weer binnentrad. Mariam's booze trek om de mondhoeken was
als bij tooverslag verdwenen. Zij voelde dat Prawira een blik op haar
wierp. Daarop vouwde hij een papiertje met streepen en cijfers open,
en streek het vlak op de ruwgetimmerde tafel van geel nangkahout.

De drie mannen keken er naar met wezenlooze blikken van niet-begrijpen
en Siman gevoelde wrevel bij zich opkomen over zijn domheid, die hem
belette al die teekens op het papier te verstaan. Als hij ook eens
lezen en schrijven kon als Prawira! Toen zij nog te Tjidamar woonden,
had hij de school te Walirang wel willen bezoeken, maar de afstand
was te groot om dagelijksch schoolbezoek mogelijk te maken.

"Kunnen jullie dit lezen?" vroeg Prawira, zeker van het ontkennende
antwoord, terwijl hij bewondering trachtte te lezen in Mariams donkere
kijkers. Maar het coquette nest deed hem dat pleizier niet.

"Neen," antwoordde Pah Rekso.

"Ja, zie je," zeide de schrijver weer, "je moet je nu goed herinneren
wat er in de vrijwillige overeenkomst staat. Jullie hebt toch zoo'n
overeenkomst gesloten met den landheer?"

"Neen," zei Rekso, "wel met den opzichter."

"Nou ja, dat is hetzelfde. Teekenen moet je toch, wil je het nu niet,
dan dwingen ze je het volgende jaar."

"Waarachtig niet!" viel Pah Ran in. "Ze kunnen ons niet dwingen!"

Prawira keek hem schamper aan. "Men kan wel zien," zeide hij,
"dat jullie niet lang op het land bent. Geloof me, ze dwingen je,
en de bestuursambtenaren van kandjeng gouvernement [98] doen daaraan
mee. Ja, ja, schud het hoofd maar niet. Ik ken die dingen al zoo lang."

"Maar, om verder te gaan," vervolgde hij, "je weet dat er een bepaling
is in de overeenkomst, de vierde geloof ik ... ah, daar heb je het
ding!" viel hij zichzelf in de rede, het contract uit de hand van
Pah Ran nemende, die het was gaan halen. Hij sloeg de bladzijde om
en las een poosje.

Toen vervolgde hij: "Juist, zie je, artikel vier. Luister!"

En met eentonige stem, half spellend, las hij, heel langzaam: "Van
sawahs, waarvan de opbrengst minder bedraagt dan 6 1/4 kattie natte
padi per Rijnlandsche roede, tot en met een opbrengst van 4 1/2 kattie
natte padi per Rijnlandsche roede wordt tjoeké-rijst betaald en wel
veertig kattie voor elken picol natte padi."

"Nu moet je goed opletten," ging hij voort, "wat deze tjoeké-staat
vertelt." Hij legde de beteekenis van den hierachter curiositeitshalve
opgenomen staat aan zijn hoorders uit.

"Kijk nu eens hier," zei Prawira en hij legde zijn vinger op het eerste
getal in de vierde kolom; "de landheer heeft dus 2191,10 picols rijst
getrokken van ruim 1484 bahoes ..."

"Hoe weet je dat, Mas?" viel Siman hem in de rede.


AANSLAG der Tjoeké-heffing op het Particuliere Land Alas Bamboe in 19..

===============+======================+=====================+======================+======================+============+============
               | Goedgeslagde sawa's  |Minder goed geslaagde|  Slecht geslaagde    |                      |            |   Totaal
               |    boven 6-1/4       |     sawa's van      |     sawa's van       |        TOTAAL        |  Mislukte  |  bewerkte
               |  kattie per roede    |    6-1/4--4-1/2 k.  |  minder dan 4-1/2 k. |                      |   sawa's   |   sawa's
               |                      |      per roede      |     per roede        |                      |            |
  DISTRICTEN   +------------+---------+------------+--------+------------+---------+------------+---------+------------+------------
               |   Aantal   | Tjoeké  |   Aantal   | Tjoeké |   Aantal   | Tjoeké  |   Aantal   | Tjoeké  |   Aantal   |   Aantal
               +-----+------+ aanslag +-----+------+ aanslag+-----+------+ aanslag +-----+------+ aanslag +-----+------+-----+------
               |bouws|roeden|         |bouws|roeden|        |bouws|roeden|         |bouws|roeden|         |bouws|roeden|bouws|roeden
---------------+-----+------+-----+---+-----+------+----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+------
Sikarang       | 1607|   211| 4018| 55| 1484|   414|2191| 10| 3954|331   | 4443| 13| 7046|   456|10652| 78| 1153|   228| 8200|  178
Herea          | 1162|    64| 2905| 32|  980|   148|1479| 90| 1679| 75   | 1927| 32| 3821|   287| 6312| 54|  703|    71| 4524|  358
Alas Bamboe    |  893|    62| 2232| 80|  785|    76|1744| 99| 4522|362   | 4376| 75| 6201|    --| 8354| 54| 1000|   491| 7201|  491
Goenoeng Lawang| 1038|   248| 2596| 24|  239|   325| 524| 17| 1511|440   | 1445| 06| 2790|    13| 4565| 47|  235|   416| 3025|  459
---------------+-----+------+-----+---+-----+------+----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+---+-----+------+-----+------
               | 4701|    85|11752| 91| 3489|   463|5940| 16|11668|208   |12192| 26|19859|   256|29885| 33| 3093|   206|22952|  456
===============+=====+======+=====+===+=====+======+====+===+=====+======+=====+===+=====+======+=====+===+=====+======+=====+======


"Neen, die is goed," antwoordde Prawira. "Het staat er immers vlak
naast. Hier kijk maar, links, waar ik nu mijn vinger houd, staat
dat de sawahs te zamen 1484 bahoes en nog 414 roeden groot waren en
daarvan is geheven 2191 picols en tien kattie rijst. Begrijp je?"

"Ja, nu wel," zei Siman.

"Nu, goed. Je contract zegt, niet waar, dat je van zulke sawahs,
die niet minder dan vier en een halve en niet meer dan zes en een
kwart kattie per roede opbrengen moet leveren tjoeké in rijst van
veertig katties per picol natte padi. Is het niet zoo?"

"Ja, dat is zoo," zeide Rekso.

"Dus die 2191,10 picols rijst zijn genomen uit twee en een half maal
zooveel picols natte padi, begrijp jullie wel?"

"Nou, erg goed niet," zei Pah Ran ietwat benepen. Het leek zoo dom om
het niet te begrijpen, Prawira scheen het heel duidelijk te vinden. De
uitlegger zuchtte en begon weer met het gewichtige vraagstuk hoeveel
picols natte padi geweest waren een zekere hoeveelheid rijst, waarvan
veertig katties gewonnen werden uit één picol. Het gelukte hem ten
slotte den anderen een, zij het nog wat vaag, begrip te geven van
dit wonder der mathematiek.

"Dus," vervolgde hij, "die 2191,10 picols rijst zijn geweest ..."

Hij cijferde een poosje met een stompje potlood, dat hij uit zijn
jaszak had opgediept, op den achterkant van zijn papier. Het ging
langzaam, maar hij kwam er toch zonder fout uit.

... "Vijfduizend vier honderd zeven en zeventig picols en vijf en
zeventig kattie natte padi."

"Dat kan wel," zeide Siman, "ik heb het uit 't hoofd nagerekend,
maar ik ben nog niet klaar, het zijn zulke groote getallen."

"Doe maar geen verdere moeite," antwoordde Prawira blufferig, "ik
heb het becijferd. Zoo is het goed. En dus," vervolgde hij, "hebben
die 1484 bahoes zooveel padi geleverd aan tjoeké. En die bedraagt,
of moet bedragen, het vijfde deel van den oogst. Nu kan je zelf wel
uitrekenen hoeveel dat per bahoe en per roede is."

"Doe jij het maar," drong Pah Rekso, die een machtig respect kreeg
voor de kennis van zijn bezoeker.

Deze zat heel lang te peuteren over het eenvoudige sommetje. Het stukje
potlood moest telkens met de lippen bevochtigd worden. De eenvoudige
lieden waren natuurlijk nooit uit dien staat wijs geworden, gesteld
al dat zij lezen en schrijven gekund hadden, en zij beschouwden Mas
Prawira als een phenomeen. Deze zat intusschen te zweeten over zijn
deelsommetje. Eindelijk was hij er.

"Nou, weet je wat die sawahs dan gemiddeld opgebracht hebben?"

Hij keek triomfantelijk rond in gezichten, die een uitdrukking van
angstige verwachting hadden. Toen nam hij, tartend, een slokje van
het koud geworden kopje zwart koffie-afkooksel.

"Niet zes en een kwart kattie en ook niet vier en een halve kattie,
maar een beetje meer dan drie en een halve kattie natte padi per
roede."

"Dus dat is nog niet eens achttien en een halve picol per bahoe!" viel
Siman uit, na een indrukwekkend zwijgen.

"Ja, dat is zoo, geloof ik," verklaarde de rekenmeester.

"Maar dat is bijna misoogst!" brak Pah Ran los. "Dat kan niet, je
zal wel fout gerekend hebben."

Prawira was op zijn teenen getrapt.

"Doe jij het dan maar beter," wierp hij er stuursch tegen.

Prawira had werkelijk goed gerekend. De opbrengst van de "minder
goed geslaagde sawahs" van Sikarang had precies 3,69 kattie bedragen,
volgens dien staat.

"Maar," zeide Siman schuchter en hij was bevreesd voor de conclusie,
die hij zelf trok, "er zijn natuurlijk stukken geweest die veel meer
dan dat hebben opgebracht, want jij, Mas, hebt maar een gemiddelde
berekend; en als dat zoo is, dan zijn er ook sawahs geweest die minder,
en andere, die heel wat minder hebben opgebracht ...."

De anderen zwegen. Alleen Prawira knikte.

Toen barstte Pah Ran uit: "Maar dat is laag, dat is gemeen ...!"

"Och, wel neen," zeide Prawira schamper, "dat komt elk jaar voor. Het
is maar knevelarij, zoo heet het in het reglement, zegt het boekje
van mijnheer Hazelaar. En je merkt het niet, begrijp je. Er wordt hier
een beetje gestolen, en daar nog wat; maar altijd kleine beetjes. En
nu heb ik dat nagerekend, maar anders merk je het niet eens. Maar
zoo kun je alles narekenen, dan zul je telkens zien dat de landheer
altijd meer vraagt dan waarop hij recht heeft."

"Maar," zei Rekso, "het kan toch ook wel zijn dat de landheeren te
laag getaxeerd hebben?"

Prawira lachte spottend.

"Dat behoef je niet te denken, Pah. Dat doen die blanda's [99]
niet. Wat raakt het hun of jij en anderen kreveeren van den
honger? Neen, Pah Rekso, in filantropie doen ze hier niet. Een
particulier land is er niet als liefdadige instelling. En je weet nog
lang niet alles, jullie nieuwelingen. Jullie denkt er niet aan, dat
van het aandeel van den landheer nog geen vijfde deel is afgetrokken
wegens de indroging van de natte padi. Jullie denkt er niet aan,
als je die vrijwillige overeenkomsten sluit, dat je ook nog een zesde
deel van je padi moet geven voor stamploon."

Prawira wond zich op. Hij was au fond een goede knaap en
revolutionair gezind en het ergerde hem, dat zijn landgenooten zoo
werden geschoren. Hij kon dit nagaan, en hem liet het niet, als de
meesten, lauw.

"Jullie zijn toch ook stomme kerels; eigenlijk verdienden jullie
niet beter. Wat drommel, waarom teekenen jullie ook die vrijwillige
overeenkomsten? Je moet weigeren. Alleen padi leveren en bij weging
en anders niet. En als jullie nu maar eensgezind zijt en allemaal
zoo doet dan kan de assistent-resident je ook niets maken."

Prawira wist echter, gelijk nog blijken zal, ook niet alles, bij lange
niet. Zoo is het verhoudingscijfer voor de verkrijging van rijst uit
padi, waar de normale coëfficient op O,54 gesteld moet worden, veel
te hoog genomen. En een berekening, op papier, van veertig katties
rijst per picol natte padi met 20 % breuk is absurd hoog.

Er was een gedrukte stemming gekomen over de aanwezigen; buiten
hoorde men het fladderen der tjodots [100] in den manggaboom en in de
verte blaatte klagelijk een geit. In het kleine vertrekje walmde het
flikkerende olielichtje. Het was reeds vrij laat. De vrouwen waren
successievelijk verdwenen en hadden zich ter ruste gelegd.

"Ik wou je nog wat vragen," zei Pah Rekso tot Prawira, die een strootje
gerold had; "je weet dat onze overeenkomsten worden ingeschreven op het
kantoor van den assistent-resident, ten minste dat is mij gezegd door
den koewoe. Die kan de dingen, die jij me vertelt, toch ook wel weten?"

"Hij zou het kunnen weten, ja meer: hij zou het moeten weten,
maar die kandjeng daar te Telatiga weet niets. Hij teekent de
overeenkomsten maar raak weg, geloof ik. Anders zou hij toch niet
overeenkomsten teekenen voor het land Telatiga, waarbij uitgegaan
wordt van een maatstaf van 33 katties rijst per picol natte padi,
terwijl hier 40 katties wordt geëischt? De assistent-resident is geen
goed bestuursman. Hij doet te weinig, hij houdt niet van soesah. Hij
wil het altijd seneng [101] hebben, en dat kan toch niet als je
assistent-resident bent."



De inconsequentie bij het registreeren van de overeenkomsten met de
opgezetenen van Alas Bamboe en Telatiga gesloten, heeft ook anderen
dan Prawira getroffen. Zij zal den lezer evenzeer treffen, wanneer
hij zich de moeite wenscht te geven op die basis na te rekenen, zich
houdende aan den hiervòòr medegedeelden staat dat in 19 .. aldus de
opgezetenen van een vierde gedeelte van den gecultiveerden grond op het
land Alas Bamboe voor ruim vierhonderd picols rijst werden bestolen!



Het was al heel laat toen Prawira opstapte, met het vaste voornemen
weerom te komen. Om Mariam.



Het was midden Juni. Fel blakerde de zon de gouden velden. Reeds was
men overal in den omtrek aan het oogsten. Weldra zou ook de dag daar
zijn, dat Mah Ten en de meisjes de sawahs zouden ingaan. Drie dagen
geleden had Pah Ran aan den koewoe kennis gegeven, dat zij weldra
de padi zouden snijden. En den volgenden avond was Sastrawidjaja,
de mantri-tjoeké, bij hen geweest.

Zoo'n mantri-tjoeké is een ondergeschikte van den landheer, die er
voor te zorgen heeft dat het aandeel van den eigenaar, het vijfde
gedeelte, bij den oogst ook werkelijk wordt afgezonderd. Dit werk is
niet gemakkelijk, al lijkt het zoo eenvoudig dat men van elke vijf
bossen padi er één voor den landeigenaar op zijde zet, en hiervan
aanteekening houdt. Het kost heel wat tijd in de eerste plaats en
het vordert groote oplettendheid. Immers, de landbouwer betaalt even
ongaarne belasting als de meeste andere menschen en met anderen heeft
hij gemeen de zucht om aan de verplichting tot betalen te ontkomen,
als hem dat maar even mogelijk is. Hij zal zijn best doen om de
minstwaardige padi als tjoeké af te staan, of minder te leveren dan
het vijfde gedeelte van zijn product. Er zijn tal van middelen, die er
alle op berekend zijn voor den toepasser voordeel af te werpen. Voor
den mantri is het zaak de toepassing te verijdelen. In gevallen van
twijfel aan de goede trouw van den landbouwer, van oneenigheid, van
onzekerheid, e. d. zal de mantri de gesneden padi wegen, om langs
dezen weg het aandeel des eigenaars vast te stellen.

Aan den anderen kant is de aanwezigheid van den mantri voor den
landbouwer hinderlijk, vaak hatelijk. Zijn zij geen vrienden, dan
maakt de eerste het den opgezetene lastig, kiest de beste bossen
uit. De mantri staat gemeenlijk in ontwikkeling een trapje hooger, kan
lezen en schrijven, en beschikt over een gezag, voortkomend uit zijn
meerderheid en geschraagd door het gezag van den landheer, die achter
hem staat. En ook zonder dat eenige animositeit behoeft te bestaan,
is de mantri, uit welbegrepen eigenbelang, er op uit, zooveel mogelijk
te requireeren. Dat geeft natuurlijk om kleinigheden vaak wrijving.

Er zit voorts nog meer vast aan die tjoekélevering, wanneer de landman
zich bij "vrijwillige overeenkomst" gebonden heeft. Het eerste artikel
van die overeenkomst bepaalt n.l. dat de sawah-opbrengst bij het
rijpen der padi bepaald zal worden naar den maatstaf van het gewicht
der gesneden padi van één enkele vierkante Rijnlandsche roede. Wat dit
zeggen wil, zouden de bestuursambtenaren moeten begrijpen, wanneer
zij niet al hun tijd wijdden aan het opmaken van staten en stukken,
om daaruit te doen blijken, hoe goed het in hun gewest, afdeeling
of district gaat. Daardoor ontgaat het hun, dat het hun plicht is
te weigeren de vrijwillige overeenkomsten tusschen landheeren en
opgezetenen op de landen Alas Bamboe en Telatiga te registreeren.

Het gewas toch van een sawah staat niet overal even goed en,
is het bezit van den landbouwer uitgestrekt, dan vooral zal
de gewichtsbepaling over één vierkante Rijnlandsche roede hem
ernstig benadeelen. Want de erfpachter maakt geen deel uit van de
met die gewichtsbepaling belaste commissie en de landheer wel, bij
delegatie. De commissie bestaat, volgens datzelfde eerste artikel der
vrijwillige overeenkomst, uit den mantri-tjoeké, een bezoldigd dienaar
van den landheer, en twee leden van het desabestuur. En daar ook de
laatsten slechts voordeel hebben te wachten van de goede gezindheid
der landheeren, is het niet meer dan menschelijk en begrijpelijk,
dat de vierkante Rijnlandsche roede, welke aangewezen zal worden voor
de gewichtsbepaling, niet ligt in het slechtste gedeelte van den
sawah, noch ook een gemiddelde opbrengst zal vertegenwoordigen. Er
zal een gewicht bepaald worden, dat den landman tot een abnormale
tjoekélevering zal verplichten, maar daar is dan niets aan te doen,
want de bezitter heeft zich immers gewapend met de "vrijwillige
overeenkomst", in domheid en onwetendheid door den erfpachter
geteekend.

Prawira's berekening heeft reeds laten zien welke inbreuk gemaakt
wordt op de wettelijke bepaling, dat slechts het vijfde gedeelte van
het product als grondbelasting wordt ingenomen, maar de landheer kan
ongestraft elke andere bepaling van het reglement van 1836 overtreden
en meer nog: hij kan in zulke gevallen steeds rekenen op den steun
van bestuursambtenaren, die, bepalingsslaven, slechts rekening houden
met letters en geschreven woorden; hij kan, mochten de opgezetenen
hulp inroepen van Buitenzorg, rekenen op de passiviteit van een
Gouverneur-Generaal, die het schoone bevel der Koningin om vòòr alles
een beschermer te zijn der inlandsche bevolking, niet telt, wetend
dat deze lastgeving slechts een frase is geworden en zijn gebiedster
hem nimmer ter verantwoording zal roepen, vragend:

"Hebt gij gedaan, wat Ik u bevolen had?"

Op het land Alas Bamboe, dus had Rekso, vóór het teekenen der
overeenkomst van den penghoeloe vernomen, moet een halve kattie tjoeké
rijst worden opgebracht als de opbrengst der aangewezen roede zes en
een vierde kattie natte padi of meer bedraagt. Deze limiet bedraagt
op het land Telatiga zeven en een halve kattie.

Waarom de assistent-resident van Telatiga, die de overeenkomsten van
beide landen registreert, niet vordert dat eenzelfde maatstaf worde
aangelegd, is een vraag, die door velen der minder onontwikkelde
opgezetenen meer dan eens wordt gesteld. Waarom hij niet volstrekt
weigert die overeenkomsten te registreeren, waar hij mòet weten dat
zelfs een grens van zeven en een halve kattie nog te eng is? Dit is
de vraag, die ik mij stel. Het antwoord is gemakkelijk te geven. Het
luidt voor beider vragen: de assistent-resident is gedekt doordat de
opgezetenen zelf de overeenkomsten teekenen.

Hij is gedekt! Dat is het, dat is de groote vloek van deze schoone
landen. De ambtenaar verzaakt zijn plicht, verloochent zijn roeping,
en wat nog erger is van regeeringsoogpunt: hij benadeelt het land. Maar
hij zorgt gedekt te zijn; hij waakt er voor dat niet hem, maar anderen,
gemeenlijk hen, die onder hem staan, blaam zal treffen; hij berekent
vooruit de middelen, welke hem zullen in staat stellen de schuld
van wat er verkeerd liep, te wentelen op anderer schouders. En de
belooning voor zijn plichtverzekering vindt hij in handhaving in zijn
gezag, dat hij misbruikte. Er zou veel minder verkeerd zijn in Indië,
wanneer er slechter ambtenaren waren!

Het vierde artikel der vrijwillige overeenkomst is reeds uit de
mededeeling van Prawira bekend. Daarbij worden de grenzen bepaald
tusschen vier en een halve en zeven en een vierde kattie natte padi
per roede voor een opbrengst van veertig kattie's rijst per picol
natte padi. Deze belasting is zwaarder dan die in het tweede artikel
genoemd voor een opbrengst van zes en een vierde en meer kattie natte
padi per roede. Dit schijnt niet het geval te zijn, maar ìs zoo.

En het is niet meer dan natuurlijk dat de landeigenaren, geraffineerd
sluw, in de bepaling der overeenkomst, een voorstelling hebben weten
te geven, welke de waarheid bedekt. Immers de productie van een zeer
groot deel der rijstvelden beweegt zich tusschen die beide grenzen
en het was dus zaak die productie vooral te treffen door een zware
belasting, wilde men een nog redelijke inkomst hebben. Dit kan blijken
uit de getalverhoudingen van den hiervoor vermelden tjoeké-staat,
die reeds een zeer verkeerd beeld geeft van den waren stand van
zaken, gelijk Prawira aantoonde en die bovendien een groot aantal
sawahs vermeldt als goed geslaagd, welke dien naam niet verdienden,
doch waarvan de opbrengst getaxeerd werd.

Maar er zijn sawahs, die een product leveren van minder dan vier en
een halve kattie per roede. Hiervan wordt goedgunstig een belasting
geheven, op papier, naar verkiezing des landbouwers in padi of
rijst. Dit is niet waar, want wie zich den tijd wil gunnen den
tjoeké-staat na te rekenen, zal ontwaren dat zulke mislukte sawahs
voorkomen in de rubriek der in het vorige artikel bedoelde rijstvelden.

Het was noodig wat langer stil te staan bij den inhoud dier vrijwillige
overeenkomsten: zij spelen zulk een groote rol in dit verhaal, zij
zijn oorzaak van zooveel leed, dat zij daarom reeds verdienden in
haar geheel te worden weergegeven, wat echter deze bladzijden niet
aantrekkelijker zou maken.



Sastrawidjaja, de mantri-tjoeké, was dan op dien avond in de woning
van Pah Rekso en Pah Ran geweest. Hij was er beleefd ontvangen. Sastra
was een oud man, die jaren lang reeds in den dienst der landheeren
was. Hij had er velen gekend, en bezat om zijn stalen geheugen en zijn
nauwkeurigheid bij de opzichters van Herea grooten invloed; wie met
hem oneenigheid kreeg, behoefde op gelijk niet te rekenen. Sastra
was zich zeer goed van zijn onmisbaarheid bewust en hij maakte,
autocraat als hij was, van zijn macht behoorlijk gebruik.

De desabesturen waren zijn werktuigen, want het kostte hem weinig
moeite, met behulp der opzichters, die zoo op hem vertrouwden,
degenen, die zijn vrienden niet waren of wilden zijn, het leven zeer
onaangenaam te maken. Het was dus geen wonder dat Sastra de reputatie
genoot een uitmuntend aanslager der tjoeké te zijn. Inderdaad was dit
zoo; maar dat de oude zijn landgenooten benadeelde om zijn meester
welgevallig te zijn, durfde niemand hem verwijten. Sastra was zeer
kwalijknemend. Onvriendelijkheid en stugheid namen hem onmiddellijk
tegen de menschen in. En zoo trachtte men het hem steeds naar den
zin te maken en hem in het gevlei te komen. Hij was in Herea de
heerscher en had er meer ontzag dan de opzichter, waarvan hij wist
te profiteeren. Als de meeste inlanders, die een zekere macht hebben
verworven, was hij despoot. Hij liet zich "smeren," zonder zich
daarvoor tot iets te verbinden. Hij bezat drie vrouwen, gold voor
een kapitalist, was een don Juan en een vrek.

In de woning van Rekso had hij zich met het air van den meester
een kopje koffie laten brengen, en met een gewichtig gezicht een
aanteekeningboekje voor den dag gehaald, waarin hij de namen van Pah
Rekso, Pah Ran en Siman had opgeschreven.

"Hoeveel sawah hebben jullie?" vroeg hij.

"Een bahoe en tweehonderd vier en veertig roeden," antwoordde Pah Ran.

"Nu, ik zal maar opschrijven: anderhalve bahoe; dat is gemakkelijker
voor de berekening," besliste de mantri-tjoeké.

"Ja, maar, kang [102], met je verlof," merkte Pah Ran op, "dat is
toch nadeelig voor ons."

"Och wat, dat kan hoogstens maar enkele katties schelen, en bovendien,
ik zal er rekening mee houden, en ze later van de tjoeké aftrekken."

De anderen zwegen. Er was toch niets aan te doen.

"En," vervolgde Sastra, "wil je dat wij wegen bij proefsnit, of reken
je de opbrengst op meer dan 6 1/4 kattie?"

"Neen," zeide Pah Ran haastig, "zooveel krijgen we nooit. Misschien
4 3/4, hoogstens vijf kattie."

Pah Rekso kreeg een hoestbui; hij stond, de keel schrapend, op en
begaf zich naar buiten, om een bloederige fluim uit te spuwen.

"Wat heb jij, Pah?" vroeg Sastra, maar deelneming was in de vraag
niet te vinden.

Pah Rekso legde de hand op de borst.

"Hier is het niet goed, mantri; de regens hebben me de longen
bedorven." Hij kuchte weer. "En nu komt er ook bloed."

"Zoo! Is de doekoen [103] er bij?"

"Ja, nu en dan. Het geeft natuurlijk niets."

Ipah vulde het kopje van den mantri nog eens, en zette een grof glas
zonder voet op tafel, waarin kaoeng-strootjes.

"Is dat je dochter?" vroeg Sastra op de vertrekkende deern wijzende,
aan Pah Ran.

"Neen, dat is Ipah, het oudste meisje van hem daar," antwoordde de
aangesprokene. "Ik heb maar een dochter; die is getrouwd met Siman,
hier."

"Hm. Maar à propos van de tjoeké ..." Sastra dronk langzaam een
teug van de zwarte koffie. Toen nam hij een strootje uit het glas
op tafel, tikte tegen het blad, blies er in, en stak het bedaard
aan. "Je begrijpt dat wij bij proefsnit moeten bepalen. Nu heb ik
gehoord dat, in het oosten, bij de rantja [104], je padi heel mooi
staat. De koewoe heeft verteld, dat jullie er goed voor hebt gezorgd
dat het water niet op het veld bleef. Dat is ferm. Maar nu kunnen
wij dáár een roede snijden ..."

Hij zeide den laatsten zin langzaam, met veel nadruk op elk woord.

"En dan?" vroeg Siman gretig, toen de ander ophield.

"Wel, zie je, de opbrengst daar is zeker meer dan zes en een kwart
kattie en je zou dus drie en driekwart picol tjoeké-rijst moeten
opbrengen."

"Maar," kon Siman zich niet bedwingen op te merken, "dat is niet overal
zoo op de sawah. Om de noord staat ze erg schraal. Daar is hama oeret
[105] geweest. En ook op de andere stukken kunnen we nauwelijks op vier
kattie rekenen. Er was hama poetik door de vele regens van het jaar."

"Ja, maar dat geeft je niets. De landheer mag zelf aanwijzen, welk
stuk voor de tjoeké moet worden gesneden."

"Maar er zijn toch ook nog de leden van het bestuur van de desa;
die kunnen toch ook wat zeggen?" verweerde zich Pah Ran.

"Jullie bent hier nog niet lang," zeide Sastra kalm. "Pah Djaja en
Marto van het bestuur moeten wel doen wat de landheer wil, begrijp
je. En ik ben in dienst van den landheer. Als ik niet veel tjoeké
binnen breng, word ik ontslagen. Hoe graag ik jullie ook zou helpen,
ik moet wel het beste stuk laten snijden," huichelde de mantri.

"Maar, kang," klaagde Pah Ran, "dat is toch verschrikkelijk,
dat is toch niet zooals het moet? Wij kunnen bij den kandjeng
assistent-resident klagen."

"Doe dat maar niet," zeide de ander, "het zou een vergeefsche reis
zijn, want hij onderzoekt de klacht niet eens. Dat hebben er al
zooveel gedaan, geklaagd. Maar het gaf ze niets. De toean assistent
zeide: jullie hebt immers zelf geteekend? En daaraan heeft hij toch
ook gelijk."

"Er is dus niets aan te doen."

"Misschien wel, maar daar heb ik veel soesah mee; ik zou het voor
jullie, omdat je nog vreemd bent, wel willen doen, maar dan moet ik
den landheer toch eigenlijk misleiden. Ja, het geeft veel soesah."

De wenk werd begrepen.

Er heerschte zwijgen, slechts onderbroken door het kuchen van Pah
Rekso. De anderen zaten te berekenen hoeveel de welwillendheid van
Sastra hun zou kosten, met blikken van verstandhouding elkander
aankijkende. Sastra slurpte loerend zijn koffie en stak een nieuw
strootje op. Eindelijk zeide Pah Ran:

"Kijk eens, Sastra, wij willen natuurlijk niet dat je kosten voor
ons maakt. Wij zijn je heel dankbaar voor je hulp, maar je moet ons
veroorlooven dat wij de kosten, die je daarvoor maakt, vergoeden."

"Goed," zeide Sastra, "dat verrekenen we wel na den oogst. Dus geen
proefsnit. Ik zal dan maar opschrijven dat de oogst geschat is op
vier en een halve kattie."

Zoo deed hij.

"Snijdt dan maar," vervolgde hij, het notitieboekje in den zak van
zijn zwart jasje stekend. "En breng dan maar de tjoeké-rijst naar
het pakhuis te Herea."

Daarmede stapte Sastrawidjaja op. Met een korten groet verliet hij
de woning.

"Wij hebben toch nog oentoeng," zeide Siman.

Maar zijn oude vader schudde het hoofd. "Ja, jongen, je hebt nu een
beetje oentoeng; dat wil zeggen je zoudt meer hebben moeten opbrengen,
wanneer de mantri zich niet liet omkoopen. Maar ik ben bang, dat
wij niet de twee en twintig en een halve picol padi zullen oogsten
per bahoe, waarop de opbrengst nu geschat is. Ik ken den groei hier
nog niet, maar hij lijkt mij arm. En de vele regens zullen geen goed
gedaan hebben. In Tjidamar is het anders. Wat de regen er bederven zou,
maakt de grond weer goed. Ik ben bang, dat vele aren dood zullen zijn."

"Kom vader, u maakt u veel te bezorgd. Wij zullen een goed product
krijgen, daar ben ik zeker van. Wij kunnen op wel dertig picols
padi rekenen, van het geheele stuk, bedoel ik, na aftrek van tjoeké,
stamploon, enz. En als we daar dan twaalf picols mooie witte rijst
van krijgen, dan hebben we ruim zeventig gulden te wachten. Nog niet
eens de palawidja meegerekend. Het volgende jaar kunnen we dan een
stukje sawah meer er bij halen, een halve bahoe dacht ik. Dan hebben
we net twee bahoes. Kom, vader, het hoofd niet laten hangen; het zal
best gaan."

De oude was evenwel niet op te beuren.

"Palawidja, zeg je? Daarvan komt hier in Gatok niets terecht. Te
veel zout in den grond, zeggen ze hier, en geen water. Neen, het
gaat verkeerd. En het is mijn schuld. Wij hadden in Tjidamar moeten
blijven."

Pah Rekso had weer een van zijn zwaarmoedige buien, die in den laatsten
tijd menigvuldiger dan ooit voorkwamen.

"Wij zijn dom geweest," zeide hij, "erg dom, dat we die vrijwillige
overeenkomst hebben geteekend. Als wij het niet gedaan hadden, zouden
wij padi hebben kunnen leveren."

"Nou ja, Pah," viel Pah Ran in, "dat is nu gebeurd en het geeft
niets er nu nog over te zeuren. En bovendien, het scheen ons toen
toe voordeeliger te zijn."

"Ja ja, het scheen zoo," antwoordde de oude koppig. "Dat zou ook een
bewijs zijn van onze domheid, als we niet gedwongen waren geweest om
te teekenen."

"Maar, Rekso," zeide zijn compagnon, die niet wilde toegeven, "nu
praat je toch maar wat. Wij hebben die overeenkomst toch vrijwillig
geteekend!"

"Je bent nog dommer dan ik, Ran. Dat had ik niet gedacht. Herinner
je je dan niet meer, dat wij voorschot hebben gekregen om zaadpadi
te koopen? Negen gulden hebben we gekregen. Dat moet je ook nog
terugbetalen aan den landheer. Noem je dat geen dwingen?"

"Wel neen, natuurlijk niet. Wij hadden zelf nog wel geld, om zaadpadi
te koopen. Dat hebben wij natuurlijk niet gedaan, toen wij voorschot
konden krijgen. Maar bovendien: van Tan Boen Ho hadden wij óók padi
kunnen krijgen."

"Zeker, maar voor de anderhalve picol padi, die wij noodig
hadden, zouden wij anderhalve picol rijst moeten teruggeven,
goede tjoekérijst. Alsof dat dan niet nog veel bezwarender is! Niet
gedwongen?! Pjoe! [106] de toean ziender heeft ons niet voor niets
gezegd dat we voorschot konden krijgen als wij teekenden. De landheer
moet er wel voordeel van hebben, als hij ons met voorschot helpt. Voor
niets helpt niemand. En dan met zooveel, met negen gulden! Aan vijf
gulden hadden wij ruim genoeg gehad."

"Maar vader," protesteerde Siman, "dat is toch onbillijk. Wij hadden
het toch niet behoeven aan te nemen?"

"We hadden toch onkosten met je trouwen, jongen; je huisje was ook
nog heelemaal niet ingericht. En Djiah mocht toch waarachtig wel een
slendang [107] hebben, en het plantloon kon er ook mee betaald worden."

"Nou ja," zei Pah Ran, "maar wij hebben toch ook andere voordeelen
gehad. Wij behoeven geen tuinhuur te betalen, heeft de toean ziender
gezegd, geen tjoeké van de katjang [108] en andere palawidja."

"Juist," barstte Pah Rekso kuchend los, "dat is het. Dat is het wat
ik dwingen noem. Ze hebben ons met allerlei moois gepaaid, toen we
nog vreemd waren als een karbouw in een nieuwe kraal. Wij hebben
gedacht dat het heel wat moois was, die vrijstelling van tuinhuur,
en die vrijstelling van vischtjoeké bij de aftapping van setoes. Wat
voor vrijstelling is er nog meer? O, ja, we mogen vrij visschen in
de rawahs [109] en de rantja's [110], en ook mogen wij visschen in
de waterleidingen. Het is prachtig. Maar het visschen is bijna niet
te controleeren en de palawidja mislukt hier elk jaar, dus van tjoeké
daarvan zijn wij van zelf al vrijgesteld. Ik begrijp niet dat jullie
dan niet inziet, dat wij feitelijk gedwongen zijn om te teekenen,
als een kind, dat met een koekje gedwongen wordt om obat [111] in
te nemen."

De oude zweeg, geërgerd. Ook de anderen spraken niet. Maar al zijn
grieven kwamen zoo allengs bij Rekso op. Hij had meer tijd dan de
anderen. Hij werkte niet, zat den ganschen dag alleen en bracht zoo
uren door, waarin hij kon zitten piekeren en peinzen over zaken,
waar hij met zijn verstand niet bij kon.

"De landheer, die nekt je, als je niet teekent. Prawira heeft goed
praten dat we het volgend jaar niet moeten teekenen. Wat is er met
Karta gebeurd van de desa Tjikoedoeng?--Zijn vrouw is onlangs bevallen
van het vierde kind, weer een meisje. Karta heeft wel tjilaka. Karta
heeft niet geteekend. En toen hij langs de leiding liep, sprong een
ikan gaboes [112] uit het water vóór hem in het gras. Karta raapte
de visch op en dat zag de koewoe, die hem zoo slecht gezind is,
omdat Karta hem niet genoodigd heeft op de sedekah [113], het vorige
jaar. En door toedoen van den koewoe is Karta toen op de politierol
gestraft ... De landheer maakt het je met alles moeilijk, alle macht
is bij hem."



Den volgenden dag had de oogst-sedekah plaats in de woning van
Pah Rekso. Mah Ten, Djiah en de beide meisjes waren druk aan het
werk geweest. Veel kosten had men er niet voor gemaakt. Er was
nasi koening [114] en tal van sambalans [115], gebak, wadjik [116]
en assamkoekjes [117]. Rekso had het voorvaderlijk gebruik om voor
den oogst den zegen van den Allerhoogste af te smeeken niet willen
verwaarloozen. Hij kon niet gelooven dat uit zulke veronachtzaming
geen onheil zou voortvloeien en hij voor zich keurde het af, dat in
de desa sedekahs zoo zeldzaam zijn, dat de sawahbezitters slechts
zelden den penghoeloe verzoeken het oogstgebed uit te spreken over
de panèn. Hij wilde niet afwijken van den ouden adat [118], ook al
kostte het hem wat geld aan de sedekah en aan den penghoeloe.

Den dag daarop was men met het snijden begonnen.

Mah Ten, Ipah en Mariam, zelfs Djiah, die dagelijks hare bevalling
wachtte, bijgestaan door nog een tiental vrouwen, waren het
veld ingegaan. Djirah en nog andere kleuters hielpen mee met het
arenlezen. Ook in enkele naburige sawahs waren de vrouwen aan het werk.

Het was brandend heet, maar daarom verstomde de zang der snijdsters
niet.

Men vorderde goed. Uren en uren zonder rustpoos werkten de vrouwen
voort. Het aantal schoven groeide. Het zweet parelde de werksters op
het gelaat. Rusteloos ging de anè-anè door de halmen.

Ver over eenen eindelijk werd verpoosd. Reeds waren uit de desa
de kinderen gekomen met het schrale middagmaal van moeder en
zuster. Andere vrouwen hadden haar kostje zelf reeds meegenomen. Hier
en daar op de galangans werd een vuurtje ontstoken om een visch
te bakken. De rook steeg loodrecht omhoog: geen zuchtje trok over
de velden.

Mah Ten, de meisjes, Djiah en de andere snijdsters zaten bijeen
om en naast de galangan, droge rijst met een ikan sepat [119]
verschalkend. In een kommetje was lekkere sajor lodé [120], waaruit
met graagte werd geschept. Djanim had den karbouw vandaag wat vroeger
naar huis gedreven en hem een soendoeng [121] vol gras en bladeren
voorgezet.

Daarop had hij het maal voor de vrouwen naar de sawah gebracht. Heel
gewichtig zat hij op eenigen afstand met de handen om de knieën een
strootje te rooken. Djiah pikte dapper mede met de vrouwen.

"Zeg 'reis, Djiah," merkte een der snijdsters op tusschen twee smakken,
"het moet vandaag of morgen toch gebeuren, geloof ik."

"Het kind moest er al zijn, heeft de doekoen gezegd," antwoordde Djiah.

"Nou maar, jij durft hoor; als je niet oppast wordt het nog hier op
de sawah geboren."

"Dat is niets hoor, een anak sawah [122] wordt een goede tani [123],"
was de wijsgeerige opmerking van een oudje.

Djiah was overmoedig.

"Kun je begrijpen," zei ze, "ik houd hem op."

"Wat zegt de doekoen? Is het een jongen of een meisje?"

"Natuurlijk een jongen," lachte Ten schelmsch, "Siman verlangde er
erg naar getrouwd te zijn."

Algemeen gelach.

"Nou mah," verweerde zich het aanstaand moedertje, "ik zou nou maar
niets zeggen. Jouw oudste en je tweede waren ook jongens."

Maar Ten was met het antwoord dadelijk gereed:

"Je kunt me nog wel de baas zijn met twee jongens tegelijk!"

Maar na de boert kwam het werk weer.

Tegen vier uur 's middags was ruim de helft van de padi gesneden
en stond in bossen op het land. Men ging huiswaarts. Het was een
zware dagtaak geweest. Met het water der Tjikoentoel wiesch men zich
gelaat en bovenlijf, de vrouwen ongegeneerd den boezem ontblootend;
de meisjes hadden zedig de sarong onder de oksels vastgemaakt.

Thuis klaagde Djiah over pijn in de lenden. Siman maakte zich ongerust.

"Zal ik Mah Itam halen?" vroeg hij bezorgd. Maar zijn jonge vrouwtje
lachte hem uit.

"Welneen, zoover is het nog niet. Maar ik heb te lang gestaan. Morgen
zal ik liever de bossen binden."

"Zou je nog wel gaan, morgen?" vroeg Siman.

"Zeker, hoor. Ik kan nog best mijn werk doen."

Den volgenden dag ging Djiah ook naar het veld en bepaalde zich tot
het aaneenbinden der schoven, maar lang hield zij dat toch niet meer
vol en na den maaltijd moest zij gaan liggen. Zij kreunde zoo hevig,
dat Djirah bevreesd om haar moeder riep.

"Mah, mah, kom toch. Djiah is ziek."

Ten keek om, zag haar schoondochter krimpen en wentelen, begreep
dadelijk wat er gebeurde en ijlde naar haar toe, enkele vrouwen
wenkende haar bij te staan.

"Djirah, gauw naar huis," riep ze haar dochtertje toe. "Laat Siman
en Pah Ran komen met een baleh, en zeg Mah Itam, dat ze dadelijk komt!"

De gloeiende zon brandde fel op de struiklooze vlakte. Mah Ten knielde
neer, en Ipah hield haar hoofddoek boven Djiah's gelaat om dit te
beschutten tegen de doordringende zonnestralen. Ten keek spiedend
over de vlakte. Het liep nu tegen vieren en nog was van de mannen of
van Mah Itam niets te bespeuren.

Als ze er niet spoedig waren, zou de bevalling afgeloopen zijn zonder
hulp der wijze vrouw.

Eindelijk verscheen in de verte Mah Itam. Langzaam kwam zij nader.

Ze kwam nog op tijd.

Ten brandde van verlangen om te weten waar de baleh bleef, maar durfde
de aandacht der doekoen niet af te leiden door vragen.

Mah Itam, al prevelende, nam 'n drinknap, vulde die uit 'n nabijstaande
gendi [124] met water, wierp er 'n dubbeltje in en hield ze Djiah te
drinken voor. Deze dronk half onbewust, in diep ontzag voor de kennis
der vroedvrouw.

"Bapah-moe 'ntenni [125], bapah-moe 'ntenni," zeide zij hoog ernstig
tot 't ter wereld komende menschje.

Zij was 'n Javaansche.

Als werd er gehoor gegeven aan deze aansporing, werd 't volgende
oogenblik 't knaapje geboren, dat met geschrei 't eerste levenslicht
begroette.

"Heb ik 't niet gezegd," zeide Mah Itam triomfantelijk, terwijl zij
teekenen van bewondering las in de oogen der haar omringende vrouwen.

"Wat is er?" werd van 'n naburige sawah geroepen.

"Djiah is daar juist bevallen!" riep Mariam terug.

"Loh! [126] Op de sawah! Wat is 't?"

"Een jongen!"

"Slamat! [127] Oentoeng temen! [128]" klonk het hartelijk weerom.

Toen de kleine in de beek gereinigd was, kwamen eindelijk Pah Ran en
Siman met de baleh aan. Zij waren aan het visschen, toen Djirah was
gekomen. Vandaar hun lang uitblijven. Djiah was na een half uurtje
weer in zoover hersteld, dat zij zich, gesteund door Ten en Ipah,
in de Tjikoentoel kon wasschen. Toen wilde zij naar huis loopen, maar
daartegen verzetten zich de mannen. En de spotternij der vrouwen kon
hen van hun plan niet afbrengen. Djiah moest met den zuigeling op de
baleh plaatsnemen en werd naar huis gedragen.

Dien nacht bleef de zorgzame Ten bij haar schoondochter. Den volgenden
dag was Djiah weer op de been.

Siman was een gelukkig vader. Hij kon zich maar niet voorstellen,
dat die kleine, mollige Rekso nu zìjn jongen was. En als hij alleen
dacht te zijn, zou men hem hebben kunnen verrassen in een alleenspraak
tot den kleinen vent, waarbij hij dezen tallooze lieve naampjes gaf.



Het beschot van den oogst was tegengevallen. Pah Rekso had gelijk
gehad. De hama poetik had meer nadeel gedaan dan aanvankelijk vermoed
was en de regen was schuld aan veel vooze aren. En zoo kwam het dat
men nog geen dertig picols padi binnenhaalde.

Daar moest het snijloon nog af; het vijfde gedeelte van den snit, naar
het landsgebruik, en van de rest zou weer het vijfde gedeelte ongeveer
aan indroging verloren gaan. Nu hadden echter Ten, Djiah, en de beide
meisjes medegesneden en daardoor kwam men er met een snijloon van
slechts drie en een halve picol af, wijl de huurarbeidsters zooveel
minder hadden gesneden.

Na de indroging te velde kon men op ruim een en twintig picols droge
padi rekenen. Daarvan zou dan af moeten aan tjoeké veertig kattie
mooie rijst voor elken vijfden picol natte padi, die geoogst was.

Siman had na een half uur rekenen uitgevonden, dat zij alzoo twee
picols en veertig kattie goede rijst van één vijfde breuk zouden moeten
opbrengen. Van de tien en een halve picol rijst, die zij uit de een
en twintig picols droge padi zouden winnen, bleven er alzoo ongeveer
acht over. Het resultaat was niet mooi. Neen, dat was het niet. En met
een soort beklemming dacht hij er aan dat Sastra nog zijn "onkosten"
vergoed moest hebben, dat er nog stamploon betaald zou moeten worden,
dat de penghoeloe nog een aandeel in den oogst bezat.

Met een bedrukt gemoed was hij de woning van zijn vader binnengetreden.

Hij vond er Prawira, die weer eens om de eene of andere reden verlof
had gekregen van den opzichter. Dat gebeurde heel vaak in den laatsten
tijd. Telkens loog Prawira den opzichter voor dat er een familielid
van hem overleden was, het gewone verhaal.

Rekso lag in het afgeschoten vertrekje op de baleh. De oude was in
't geheel niet goed. Het bloedspuwen was zeer veel erger geworden
en telkens was hij genoodzaakt het bed te houden. Mah Ten was in de
keuken bezig en in het middenvertrek der woning vond Siman alleen
Prawira op den balehrand zitten, in gezelschap van de mooie Mariam,
die echter, zooals de dorpsétiquette voorschrijft, op goeden afstand
van den gast zat. Het scheen wel of Siman beiden verrast had in een
ernstig gesprek, althans dat maakte hij op uit de zichtbare verwarring
van Prawira. Aan Mariam was niets te merken.

"Hoe is het met vader, Mariam?" vroeg de binnentredende, na een korten
groet aan Prawira.

"Niet goed, Siman, niet goed. Ach God, wij hebben toch soesah met hem."

"Ja, meisje, er komt nog meer." Daarop vervolgde hij tot Prawira:
"Zeg, het komt mooi gelegen dat ik je hier tref. Ik heb je te spreken,
maar liever moet de oude het niet hooren. Weet je wat, ga met me
mee. Bij mij kunnen we beter praten."

Erg veel genoegen had Prawira er niet in, maar hij kon de uitnoodiging
toch moeilijk weigeren en na een blik van verstandhouding met zijn
gastvrouw, die Siman niet ontging, volgde hij den jongen man naar
buiten.

Simans gemoed was vol bitterheid en hij kon niet wachten tot ze thuis
waren, om zijn medgezel deelgenoot te maken van zijn vrees.

"Wij zitten in de soesah, Prawira. Je moet me helpen."

"Als ik kan, graag, Siman. Maar geld heb ik zelf niet."

"Niet met geld. Je bent knapper dan wij, Prawira, je hebt veel geleerd
en weet meer dan wij. Je moet ons raad geven. Maar hier zijn wij bij
mij thuis, ga naar binnen."

Prawira trad binnen en begroette Djiah, die naast het slapend jongske
zat te naaien, bij het oogbedervend walmend licht van de palita [129].

Toen zij gezeten waren, vervolgde Siman zijn gesprek.

"Ik wou je vragen voor mij na te rekenen of wij niet te veel betalen
moeten aan tjoeké. Kijk, wij hebben bijna dertig picols padi geoogst."

"Ja, dat beteekent niets. Al hadt je de helft binnengehaald," zei
Prawira dadelijk op een toon van gezag. "Je hebt de overeenkomst
geteekend, niet waar, en je hebt met de taxatie van dien schurk van een
Sastra genoegen genomen, welnu, dan moet je leveren wat afgemaakt is."

"Ja maar, Prawira, de landheer vraagt rijst en geen padi, dus hij
heeft geen stamploon te betalen en dan, de padi droogt in en daar
wordt ook geen rekening mee gehouden."

"Dat weet ik wel, Siman, dat weet ik heel goed. Maar daar geven ze
daarginds," en met zijn duim wees Prawira over zijn schouder naar
het noorden--"niets om."

"Maar dan krijgen ze toch meer dan een vijfde, en dat mag toch niet;
wij behoeven toch niet meer op te brengen, dan waartoe wij verplicht
zijn?"

"Jullie hebt een fout begaan, eerst door te teekenen en later heb je
weer een fout begaan door met de taxatie genoegen te nemen. En nu is
er niets aan te doen, niets. Wou je soms naar den assistent-resident
gaan? Daar krijg je toch geen gelijk. Voor ons, kleine lui, hebben
de blanda's geen recht, weet je. Wie het geld heeft, heeft het
recht. Maar hoeveel moet je nu opbrengen? De taxatie was vier en
een halve kattie per roe, niet? Dat is dus twee en twintig en een
halve picol per bahoe, dus drie en dertig picol en vijf en zeventig
kattie voor de anderhalve bahoe, die jullie hebt. Daarvan moet je
dus aan tjoeké opbrengen, het vijfde deel, dat is zes picol en vijf
en zeventig kattie, of veertig kattie rijst per picol, niet waar,
dat is dus twee picol en zeventig kattie rijst."

"Ik kreeg maar twee picol en veertig kattie", merkte Siman op, die
aandachtig geluisterd had. "Maar Sastra kreeg ook dezelfde uitkomst
als jij. "Maar wij krijgen slechts tien en een halve picol rijst in
handen, zonder stamploon, draagloon en andere onkosten. Dan krijgt
de landheer toch veel meer dan een vijfde deel?"

"Wel ja, zonder de onkosten krijgt hij al ruim een vierde deel van je
product. En nu wil ik je niet verontrusten, zie je, maar als je denkt
dat je daarmede van de soesah af bent, dan toon je de toestanden hier
niet te kennen."

"Wat is er dan nog meer?" vroeg de ander angstig.

"Wel in de eerste plaats dat stampen. De vrouwen kunnen dat natuurlijk
wel. Maar tusschen stampen en stampen is een groot verschil. De
rijst voor den landheer moet erg grof zijn, er mag nog geen tiende
deel kleine korrel bij wezen. En dat vereischt een handigheid en een
routine bij het stampen, die jullie niet kunt hebben. Als Mah Ten en
de meisjes en hier Djiah, gingen stampen, zou je al je padi bedorven
krijgen, voor de tjoekérijst namelijk."

"Och kom," viel Djiah in, "dacht je, dat wij het niet even goed kunnen
als de anderen?"

"Neen, heusch niet, Djiah, heusch niet. Want weet je wat het geval
is? In jullie contract staat, dat je een vijfde deel gebroken korrel
mag hebben, maar dat is niet waar, dat is een leugen, want als je
zulke rijst brengt, dan wordt die geweigerd."

De beide anderen zwegen in angstige spanning, toen Prawira ophield. Hij
vervolgde:

"Het is niet om jullie iets op de mouw te spelden. Wat zou ik er aan
hebben? Maar het gebeurt dagelijks, kan ik zeggen. Als je rijst levert
met meer dan tien kattie kleine korrel op een picol, kijken ze zuur;
is er meer dan twaalf kattie, dan wordt de rijst niet ontvangen. Daar
heb je nu Mordi, hier van de desa, jullie kent hem wel. Ik was in
het pakhuis om op te schrijven, toen hij de tjoeké kwam leveren. De
opzichter heeft tegen hem gevloekt. "Wil jij mij bedriegen? Die rijst
is veel te fijn," zei hij. Ik heb de rijst toevallig ook gezien. Ze
was heel mooi. En zooveel kon zelfs ik wel zien, dat er meer dan
vier vijfde deel mooie gave korrel was. Wat kon Mordi doen? Hij ging
weer weg met zijn rijst. En hij heeft de tjoekérijst moeten koopen,
God weet voor hoeveel. Maar het moet een heele som geweest zijn,
want er was bijna geen gebroken korrel bij. Geloof mij, Siman, je
moet je rijst veel mooier leveren dan in je contract staat."

"Maar, dat is verschrikkelijk!" riep Siman, die niets dan zorgen te
gemoet zag.

"Wat kan je er aan doen? Daarom, laat liever je padi stampen door
vrouwen, die het elk jaar doen. Die weten, hoe ze verlangd wordt door
den landheer."

"En wat kost het stampen hier?"

"Op elke zes kattie èèn, d. w. z. tot gewone witte rijst, maar je
kunt naar verhouding ook geld geven."

"Zonder eten?" vroeg Djiah.

"Natuurlijk wèl, twee maal daags."

"En als ze tjoekérijst moeten stampen?"

"Dan betaal je nog vijf en twintig cents voor elke picol."

"Dus voor onze tjoeké moeten we aan stamploon betalen ...?" Djiah
dorst den zin niet afmaken.

Prawira vulde hem aan:

"Vijf en veertig kattie rijst, zeven en zestig en een halve cent en
de kost."

Het gesprek werd onderbroken door den kleinen Rekso, die de borst
vroeg. Djiah nam den kleinen man op, maakte de onderste speld van de
kabaja los en hield hem ongegeneerd den tepel der welgevulde borst
voor. Gulzig dronk de kleine.

Siman zeide niets. Prawira stak een strootje op.

"Weet je wat", zeide hij, "ik zal een goed woord voor je doen bij den
opzichter. En kom jij dan zelf ook of Pah Ran, om te vragen de tjoeké
te verminderen, omdat het beschot zoo slecht is uitgevallen. Maar of
het wat baten zal?"

"Misschien kan ik wat verdienen," zeide Djiah schuchter.

De beide mannen keken haar tegelijk aan en in Simans oogen blonk iets
van erkentelijkheid.

"Dat kan zeker," zei Prawira, "in het pakhuis te Herea bijv. is nu
wel wat te doen; van 't jaar is veel padi binnengekomen. Als je wilt,
kan ik wel vragen aan den opzichter of hij je gebruiken kan."

"Ja, doe dat," klonk het zacht uit Djiah's mond, toen plotseling
Siman ruw inviel:

"Neen, ik wil niet. Ik wil niet. Praat er niet meer over, want je
zou mij boos maken."

Toen vervolgde hij: "Ga jij morgen weer terug naar Herea?"

"Ja," antwoordde Prawira.

"Dan ga ik met je mee. Misschien wil de opzichter ons wel helpen."



In de opzichterswoning te Herea was een vroolijk gezelschap bijeen. Het
was een nederige woning, waar de geëmployeerde Van Affelen in
huisde. Op een gecementeerden vloer verhief zich het van bilik [130]
opgetrokken huis, dat uit drie gesloten vertrekjes, een kantoortje,
een slaapkamer, een eetkamertje en een open voorgalerij bestond. Het
was er een rommel, zooals gewoonlijk in jongelui's huishoudentjes. In
de voorgalerij stond een zwarthouten ronde tafel, op het blad waarvan
tal van jeneverkringen plekten. Rond de tafel zaten vier mannen,
de drie jongeren ietwat angeheitert, achter de bitterglaasjes. Het
liep tegen etenstijd. Op de voor deze bijzondere gelegenheid met een
hagelwit laken gedekte tafel dampte reeds de warme rijst.

Van Affelen voelde zich wel gewichtig als gastheer. Het was de eerste
maal dat "de baas" hem de eer aandeed bij hem te rijsttafelen. Het
trof wel toevallig samen dat ook De Leeuw van het district Alas Bamboe
en Zevenaer, de collega van Sikarang, bij Van Affelen waren. Hij
had hun een uitnoodiging gezonden dezen dag bij hem door te brengen,
ter eere van zijn verjaarfeest. De baas, Nederman, was op tournee en,
te Herea aangekomen, vond hij het clubje jongelui bijeen. Nederman was
voor zijn employé's geen kwaad chef. Hij zelf was liever lui dan moe
en een licht kon hij bezwaarlijk genoemd worden. Zijn superioriteit
op het land ontleende hij uitsluitend aan het in zijn handen gesteld
gezag. Nederman kende slechts één streven: de tevredenheid der
eigenaren te verwerven door groote opbrengst. Hoe die verkregen werd,
kon hem weinig schelen. Hij wist wel dat de eigenaren hem nimmer om
verantwoording zouden vragen, waarom de winsten zoo ruim waren. Als
de tjoeké dus geregeld en ruim binnenkwam, was Nederman tevreden. Aan
lectuur of aanspraak had hij geen behoefte; zijn onwetendheid was
daarvoor te groot en geen zucht naar kennis verleende degelijkheid
aan zijn karakter. Hij had slechts één hartstocht: meiden. Hij
was getrouwd, dat is waar, maar zijn vrouw was weinig meer dan een
huishoudster, dochter van een Chineesche, in ontwikkeling met haar
moeder gelijkstaande. De "njonja besar", werd ze spottend genoemd. Maar
dit huwelijk belette hem niet om jonge meiden op de besaran [131]
te brengen, voor een nacht of voor langer. Mevrouw bleef bij hem,
omdat ze het goed had en wachtte er wel voor zijn ontstemming op te
wekken door een naijver, dien zij trouwens had moeten huichelen. Zij
wist heel goed dat Nederman zich niet ontzag in tal van desa's de
gastvrijheid der koewoe's te misbruiken door hun woningen te beschouwen
als plaatsen van rendez-vous. Maar wat deerde het haar? Zij had een
veel te gemakkelijk bestaan, bij haar blanken echtgenoot, dan dat zij
dit in de waagschaal zou stellen door hem onaangenaam te zijn. Waar
het prestige bleef van den administrateur, bij employé's en bevolking,
vrage men niet.

Zevenaer, de "jonker", zooals hij genoemd werd, omdat hij door de
landeigenaren, die een jonkerkliek vormden, als presenthaasje was
uitgestuurd, was een heel gewoon type van een gansche categorie
Hollandsche jongelieden in Indië, een boemelaar, met weinig liefde
voor het nieuwe vaderland, waar hij gedurig op schold; een van de
velen, die "aan de zuip" raken en door een geheel verkeerd begrepen
wilden echt in den loop der jaren "totaal naar den bliksem" gaan.

De Leeuw was een Indische jongen, zeer bruin van kleur, driftig
en opvliegend; een van die Indo's, gesproten uit den echt van een
blanken vader en een Javaansche moeder, en later door den vader
erkend. Hij bezat de meeste ondeugden van zijn soortgenooten, maar
had in hooge mate de deugden van het ras zijner moeder: gastvrijheid,
behulpzaamheid, vriendelijkheid. Van zijn vader had hij een dorst
naar kennis meegekregen, te meer voelbaar, waar hij slechts weinig
geleerd had. De Leeuw kon uitmuntend met het volk omgaan, welks taal
hij vloeiend sprak, dat hij begreep en dat hem begreep.

Van Affelen eindelijk, de "nieuweling", was eerst een maand of zes
in zijn afdeeling, maar had zich reeds ontpopt als een streber. Hij
zou en moest carrière maken, was despoot en hardvochtig.

"Nog een bittertje, meneer Nederman?" vroeg hij met zijn nog niet
vergrokte stem.

"Dankje."

"Kom, neemt u er nog een? Niet? Nou, een halfje dan."

Met schonk hij in, een halfje, dat meer op heel dan op drie kwart leek.

"De bitter is puik. Oranje. Vindt u 'm niet goed?"

"Hij is heel goed," zei Zevenaer effen, terwijl hij zich bediende. "Het
is hier een goed land!"

Men lachte.

De Leeuw stak een sigaar op.

Zevenaer stond op. Hij wilde blijkbaar speechen. Men zou het ten
minste hebben kunnen opmaken uit zijn gewichtig gezicht en uit het
tikken aan zijn glas.

"Ben je mal, Jonker," riep De Leeuw, "wou jij speechen, man? Dat doen
we niet met bitter. Wacht maar, aan tafel krijg je bourgogne. Dan
kun je vertellen wat je te zeggen hebt."

"Ik wou toch wel even op de gezondheid van onzen vriendelijken en
zeer geacht ...."

"Ho stop, geen speech, man, geen speech. Hou je toet nu maar."

"Maar apropos, wat denken jullie van de rijsttafel? Ik krijg
honger!" viel de baas in. "Dan kan Zevenaer zijn hart luchten."

Van Affelen was al opgestaan.

"We kunnen onmiddellijk aan tafel gaan, mijnheer. Mag ik u voorgaan?"

Door het "kantoor" kwam men in de eetkamer.

"'t Rommeltje wel hier, zeg, Van Affelen," merkte De Leeuw op;
"'t Is er bij mij nog mooier."

"Dat komt," zei Zevenaer, "dat komt omdat Af nog niet getrouwd is,
zie je. Met de vrouw des huizes komt de orde."

"Dat zien we bij jou," viel De Leeuw schamper uit, maar de opmerking
ging verloren door het stoelengeschuifel.

"Wilt u aan het hoofd plaats nemen, mijnheer Nederman?"

De jongen bracht de rijst rond, eerst bij Zevenaer.

"Halo, Soerja, toean besar doeloe! [132]" stoof Van Affelen op.

Zevenaer, die aan het opscheppen was, hield op.

"Och wel neen," viel Nederman in, "maak nu toch geen complimenten."

"Waarachtig wel. Houd me ten goede, mijnheer; maar anders leert de
lummel het nooit."

"Och, leg nu niet te hannessen," riep De Leeuw. "Allo vooruit. Kom
maar met den wijn. 't Is wat moois, er staat, potdori, nog niks op
tafel. Hier, jongos, anggoer, bawah anggoer. [133] Bedienen kunnen
we ons zelf wel," en hij nam de jongen de rijstschaal uit de hand.

Soerja was al heelemaal den kop kwijt.

"A propos, Van Affelen, wat hoor ik, wou je gaan trouwen? En wie is
het slachtoffer?"

"Trouwen, ben je gek, ik denk er niet aan."

"Zevenaer beweert het toch."

"Nou ja, trouwen, trouwen. Dat moet je nu niet al te ideaal
opvatten. Hij trouwt over de puthaak. Ze zijn bij mij al aan het
zoeken, op de afdeeling, naar een njonja ziender."

"Verrek!" schold Van Affelen, wat nijdig om het gelach. "Ik zal er
een van jou nemen! Merci."

"De keus kan toch niet moeilijk zijn," merkte Nederman op.

"Neen, zeker niet, mijnheer, zeker niet. Er zijn hier vriendinnetjes
genoeg."

"En je zult er toe komen, Affelen, het gaat op den duur toch niet
zonder. Je boel verwaarloost en ze stelen je het eten onder je neus
weg, als zoo'n noodzakelijk meubel niet in huis is."

"Oh, maar ik heb er ook niets tegen. Ze mogen zeggen wat ze willen,
ik vind het concubinaat nog zoo'n slechte uitvinding niet. Zoo'n
menagère houdt den rommel in orde, en bevalt ze je niet, dan gaat ze
de laan uit."

De glazen werden ingeschonken.

"Nou, Jonker, nou kun je speechen. Vooruit, verslik je niet en maak
het kort." Zevenaer stond op.

"Mijnheeren, 't is met aandoening ...."

De Leeuw barstte in lachen uit. "Wat zegt-ie,
aandoening? Hahaha! Aandoening, die is verdomd goed. Ga door, kerel,
ga door, maar niet zoo grappig, als je blieft."

Zevenaer bleef onverstoord.

"... met aandoening, dat ik hier een dronk instel op onzen gullen
gastheer. Ik zal jullie maar sparen de gewone heilwenschen, zie je,
maar ik wou toch wel opmerken, dat het in den huize Van Affelen,
hoe zal ik het zeggen, nog veel aangenamer, neen lieflijker, juist:
lieflijker, dat is het woord, zou zijn, wanneer de sylphiden-gestalte
van een schoone fee ..."

... "Liefde-rijker, bedoel je, Jonker," viel De Leeuw den spreker in
de rede, die vervolgde:

... "door deze vriendelijke woning zweefde en die van onzen
gemeenschappelijken vriend De Leeuw er buiten bleef."

"Bravo, bravo," lachte Nederman, die de mop binnen zijn bereik en
dus alleraardigst vond.

"Schei maar uit, Jonker, schei maar uit," viel de gastheer in, die
kregelig werd over de hardnekkigheid van de lui op dit chapiter.

Zevenaer bleef koppig op zijn stuk.

"En daarom zal ik drinken op de spoedige blijde inkomste van een
donkergelokte, naar klapperolie riekende, eegade in deze nederige
kluis en van een sleep van spruiten ...."

De redenaar werd overstemd door het onbehouwen gelach van Nederman,
door de bravo's en andere uitroepen van instemming van De Leeuw en
door de schimpwoorden van Van Affelen.

"Ad fundum, ad fundum!" riep Nederman en gaf het voorbeeld.

Toen het rumoer bedaard was, zeide hij, en op dit gebied kon hij
meepraten:

"Afgezien van de sleepende spruiten van Zevenaer, kun je er toch
niet te vroeg toe overgaan (om een menagère in huis te nemen, bedoel
ik). Dat geeft je in de eerste plaats meer gezag bij de bevolking,
zie je, ze houden je dan niet meer voor groen. En het is voor je
gezondheid ook veel beter."

Van Affelen was het natuurlijk dadelijk met zijn chef eens. Bij
deze was het een ware zucht, zeer begrijpelijk overigens, zijn
ondergeschikten tot de zelfde lage moraal, die hij op sexueel gebied
huldigde, omlaag te trekken. Van Affelen zou daarvoor een willig sujet
zijn: die deed alles, wat hem bij "den baas" in een goed blaadje kon
doen komen.

De Leeuw zorgde er voor dat de glazen weer gevuld werden, waarvoor
een tweede flesch aangesproken moest worden.

Gaandeweg kwam 't gesprek op de bevolking en op de wijze, waarop De
Leeuw er mee wist om te gaan.

"Ja," zei Van Affelen, "het is om jaloersch te worden zooals jij met
de lui kunt omgaan."

"Och, dat is geen verdienste, man. Dat komt van zelf, als je ze maar
niet trapt, zooals gewoonlijk regel is bij de blanda's. Wat bliksem,
die lui hebben ook gevoel in hun bast, zie je, en als je ze eens
bedondert, heb je 't voor altijd bij ze verbruid."

"Nou ja, maar daarmee alleen kom je er niet. Jij spreekt de taal als
ze zelf, dat is ook een groot voordeel."

"Dat leer je ook ... Nog eens inschenken, mijnheer Nederman?"

"Dank je. Maar hoe lang bennen jullie van plan nog te blijven? Ik moet
nog van avond thuis zijn. Dus, Affelen, je zult me moeten toestaan
dat ik dadelijk na het eten opstap."

"Zeker, mijnheer, natuurlijk. Het spijt me wel, anders."

De maaltijd was spoedig afgeloopen. Soerja bracht sigaretten, toen
de koffie rondgediend was.

Erg vlotte het gesprek niet meer. Zevenaer, die anders luidruchtig
genoeg was, had de stemming verloren. En toen Nederman in zijn bendy
[134] weggereden was, zat men eigenlijk wat met den tijd verlegen. Er
kwam een zacht regentje opzetten en De Leeuw merkte op dat "de oude
daar in zijn spulletje lol van kon hebben."

"Je kunt er donder op zeggen dat-ie in Benda blijft hangen. Daar
heeft hij nog een vriendinnetje zitten, Sarinten heet ze, een snol
als een paard, zeggen ze, maar een knap loeder."

"Zeg, De Leeuw," zeide Van Affelen, "het is toch waarlijk
bewonderenswaard, kerel, hoe jij met het volk één bent. Jij weet,
geloof ik, wat er hier op het heele land gebeurt."

"Ja, ik ben een gevaarlijk mensch, Van Affelen. Zoo weet ik
bijvoorbeeld dat jij een van de dochters van Sastra, den mantri-tjoeké
van je afdeeling, in je huis wilt hebben, als snaar, en dat de oude je
te slim is en kwasi weigert om zijn prestige. Die Djiëm is getrouwd
geweest, maar weer gescheiden. Dus bang voor een manspersoon hoeft
ze niet te zijn. Geef den oude vijf en twintig pop en je krijgt in
plaats van één dochter er twee. Hij heeft er zat."

Van Affelen had even gebloosd, bij de woorden van De Leeuw, en Zevenaer
had geh'md.

"Apropos, Van Affelen, van dien Sastra: houd dien smeerlap in de
gaten als ik je raden mag. Van Braam, en voor hem, Mulder, en voor
dien ... kom, hoe heet-ie ook weer, Van de ... Van der ... Van de Pol,
juist Van de Pol, liepen allemaal met hem weg. Nou, de kerel is best
voor zijn werk, daar niet van, maar dat is van ons standpunt, zie
je, van het standpunt van den landeigenaar, die hoe meer hoe liever
sleept. Maar het is een hond voor het volk. Hij snijdt ze om een
onverwacht groote hoeveelheid tjoeké binnen te brengen. En let op:
hij zal je gezegd hebben, dat van het jaar de padi slecht staat ..."

"Waarachtig, het is sterk!"

"Welneen, dat zegt hij elk jaar. Je voorgangers geloofden den vent
door dik en dun. Enfin, het had dit voor, dat het dan altijd een
meevaller is voor den baas. Je zult dus meer binnenhalen dan je
verwacht, daar kun je zeker van zijn. Maar, en dat is het mooiste
van de heele geschiedenis, dan bedondert hij je feitelijk tòch nog."

"Hoe zoo?"

"Wel, hij geeft jou minder op dan hij bij de bevolking opschrijft,
bij de tani's [135] namelijk die van de lastige weging op het land
afzien. Nou, dat weet het volk natuurlijk niet. En als hij zich dan
later laat omkoopen, om vermindering te geven, dan heeft hij er geen
stap voor te verzetten, want hij heeft dan al minder opgegeven. Zoo
snijdt het mes van twee kanten, begrijp je?"

"Wat een gannef! Maar er is, geloof ik, niet veel aan te doen."

"Wel zeker. Wat ik je daar verteld heb, is speciaal een praktijk van
Sastra. Maar een van mijn mantri's probeerde zich op dezelfde manier
gemakkelijk gezag te verzekeren bij het volk. Ik had hem in de gaten,
door mijn huishoudster, ik donderde hem er uit en noteer nu zelf
de tjoeké."

"Dat geeft je dan toch een hoop soesah."

"Nou ja, maar de bevolking vaart er wel bij. En nou ben ik misschien
erg rood, hé, maar in mijn oog gaat het volk voor."

"Ja," zei Zevenaer, "De Leeuw, jij komt nooit vooruit, dat heb ik
je al meer gezegd. Je bent veel te goed voor de kerels. Van boven
vragen ze om rijst, rijst, rijst, hoe meer hoe beter. Humaniteit best,
daar kan mee geparadeerd worden, maar rijst vòòr alles."

Van Affelen wilde wel meer weten van De Leeuw. Hij had zich al dadelijk
voorgenomen, Sastra tot elken prijs te handhaven. Hij was nog jong,
pur sang Hollander, die niet veel voelde voor land of volk, wiens
eenige zucht was vooruit te komen, hoe sneller hoe liever. Hij had
begrepen dat Sastra hem daarin kon helpen. En van den in ervaring
zoo rijken ouderen collega kon hij nog heel veel leeren.

"Dus jij zoudt me raden dien ouden Sastra zijn congé te geven?"

"Hoe eer hoe beter. Het volk zal er je in stilte dankbaar voor
zijn. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar mij doet het altijd
lol als de lui van je zeggen: nou, die vent is nog zoo bar niet,
als hij er uitziet."

"Jawel, jawel dat is prachtig, maar jij drijft de goedheid wel wat
ver," meende Zevenaer. "En nu ben ik wel geen volkskenner, maar
dat weet ik wel, dat die bruine broeders je goedheid vergelden met
tallooze akals [136] om je te belazeren."

"Zeker, dat doen ze mij óók, als ze kunnen. En dat zouden wij in
hun plaats ook doen. Of zouden wij het lollig vinden aan alle kanten
geschoren te worden."

"Nou, het is maar een vijfde," suste Van Affelen.

"Een vijfde? Man, man, wat zal jij je oogen nog den kost moeten
geven! Een vijfde? Ik beweer: door de bank zoo iets als de
helft. Waar ter wereld moet je vijftig procent inkomstenbelasting
betalen? ... Verdomde sigaar! 't Ding trekt niet ... Daar, marsch! Geef
me eens een ander."

De Leeuw kauwde de punt van zijn sigaar af, greep naar een doosje
lucifers, dat op de tafel lag en stak er den brand in.

"Geloof me," zeide hij, een rookwolk uitpuffend, "de boel is hier rot,
ínrot. 't Bestuur bemoeit er zich niet mee. Komen de lui klagen,
ze worden met een kluitje in het riet gestuurd. Een kennis van
me, een krantenmensch, heeft eens een heele brochure volgepend,
waarin hij vertelt dat de gé-gé [137] zijn plicht niet doet. Het
was een kras stukje. Er werd verwezen naar een artikel van het
regeerings-reglement, waarin gezegd wordt dat zijn eerste plicht is,
te zorgen dat de bevolking geen onrecht wordt aangedaan. Artikel 54,
geloof ik, neen 55. Heeft het wat gegeven? Kun je begrijpen."

Hij zweeg even.

"Daar op Buitenzorg geven ze hormatcirculaires [138] uit en
proclamaties tegen de concubientjes. Dat laatste is vooral prachtig. De
linkerhandjes recipiereeren tegenwoordig in de residentswoningen,
bij de raden van Indië en in andere paleizen. De boel is rot, man,
geloof me, rot. Dáár, soedah! [139] Schenk nog eens in, ik lust nog
wel een wijntje."

"Ik geloof, dat ik het artikel ook gelezen heb," zei de Jonker. "Ik
heb er een overdrukje van thuis gekregen. Goed ingelicht is de man,
ten minste op de meeste punten; maar geen wonder. Ik heb hem zelf
ingelicht, en, naar hij me schreef, ook de vorige administrateur
van Telatiga."

"Heb jij hem ingelicht?" vroeg Van Affelen verrast.

"Welja, waarom niet? Verdomme, de man deed er toch geen kwaad mee?"

"Maar dan heb je den baas toch eigenlijk belazerd," zei Zevenaer,
"want toen hij jou, Van Braam en mij gevraagd heeft of wij er iets
mee uit te staan hadden, zei je van neen."

"Zeker, ik heb hem voorgelogen. 't Is niet mooi van me misschien,
maar enfijn, ik heb het gedaan. Ze wouen hem vervolgen op Batavia,
vertelde de baas, en of wij dus materiaal wilden verzamelen om aan
te toonen dat hij lasterde."

"Nou, en heb jij iets gevonden?"

"Neen, jij?"

"Ook niet."

"Dus hij overdreef niet?" vroeg Van Affelen.

"Welnee, man; hij wist nog niet half genoeg."

"En is hij vervolgd? Dat gaat hier makkelijk genoeg, hoor ik, zoo'n
persdelictje."

"Nee, vervolgd is hij niet, ze hebben er maar van afgezien, zie
je. Als je in stront roert, gaat het stinken."

"Laat me het toch eens lezen."

"Best, bij gelegenheid."

"Een ding is toch zeker overdreven, geloof ik," zei Zevenaer weer. "Die
meer dan twintig procent breuk. Er is wel iets meer, nou ja, maar dat
kun je niet altijd afpassen. En de lui zelf brengen de rijst mooier
dan ze moeten."

"Wat is dat voor een kwestie?" vroeg Van Affelen.

Zevenaer legde uit:

"In het artikel wordt gezegd dat de bevolking gedwongen wordt om
tjoekérijst op te brengen met 89 tot 90 procent grof."

"Nou, dat is toch niet waar."

"Niet waar!" stoof De Leeuw op. "Het is van a tot z waar. Hoe hij er
aan komt, weet ik niet, ik heb hem op dit punt niet ingelicht, maar
waar is het, dat bezweer ik je. In de vrijwillige overeenkomst heet
het dat er 20 procent breuk mag zijn, he? Volgens van ouds door de
bevolking geleverd, zoo staat er. Dat is verdomd hypocritisch gezegd,
weet je. Want als je zegt 20 procent, zooals een beetje verder in het
contract staat, dan heb je een getal, waaraan je kunt vasthouden. Maar
wat is nou: als van ouds geleverd? Dat is niks. Dan kan je alles
weigeren, al brengen ze je honderd procent grof."

"Jawel, goed, maar gebeurt dit? Daar komt het maar op aan."

"Ja, dat gebeurt. Elk jaar gebeurt het. Als de rijst door de
sorteermachine is, dan blijkt er maar zestien procent breuk te zijn,
op zijn hoogst, begrijp je, op zijn hoogst. En de machine maakt nog
altijd vier, vijf tot zes procent breuk.

"Dus, dat wil zeggen, dat ..."

"Dat zestien min vijf nog altijd elf is. En dat het volk dus met
rijst van elf procent breuk komt, dat wil het zeggen."

"Goed, maar dat komt misschien omdat het volk de grens van breuk niet
kent, en zoodoende uit vrees maar mooiere rijst levert dan het moet."

"Nonsens, rats, de bevolking mòet, omdat mindere kwaliteit geweigerd
wordt. Je kunt de cijfers vinden in de registers van de gesorteerde
rijst. Dat is contractbreuk, begrijp je goed. Elk jaar. En
contractbreuk is strafbaar ... behalve wanneer de opgezetenen de
dupe zijn."

"Neen maar waarom klagen de lui niet? De assistent-resident ..."

"Och wat, Jonker, laten we mekaar nou geen Mietje noemen, zeg. Die
Van Dam is een vent om er een op toe te geven. Goddomme, leg de
overeenkomsten van Telatiga en van hier nu eens naast elkaar. Telatiga
rekent de grens van goedgeslaagd op zeven en dertig en een halve
picol. Dat is te laag, beweer ik. Maar goed. Hier is de taxatie nog
zes en een kwart picol lager. Dat berust op niets. Nou zou je zeggen,
als Van Dam die twee overeenkomsten ziet--we werken toch onder gelijke
omstandigheden!--dan zegt hij: dat deugt niet. Er is minstens één
van de twee niet goed. Nou."

"Ja, hij registreert beide."

"Juist, hij registreert alles, wat voor zijn pooten komt. Want hij
is gedekt, omdat de bevolking vrijwillig teekent."

"Nou ja," merkte Van Affelen op, "wij weten allemaal wel dat de
assistent-resident geen flauw benul heeft van de finesses van ons
bedrijf ..."

"Nou, wat doet hij hier dan? Het hoofdbedrijf in de afdeeling, in
het heele gewest. God beter 't, wat heb je aan zoo'n knul, als hij
niet weet waar ie zijn poot onder zet?"

"Goed, maar als ambtenaar is zijn standpunt begrijpelijk, al toont
het weinig karakter, weinig fut. De lui hebben vrijwillig geteekend,
zegt hij ..."

"Maar, kerel, dat is gelogen. Er wordt niet vrijwillig geteekend."

"Niet? Wat is dat nou, wij dwingen ze toch niet!"

"Wij dwingen ze wèl, moreel namelijk. Wij paaien ze met beloften,
vrij visschen, geen tuinhuur, voorschot, enz.; wij bedreigen hen met
straffen als ze niet teekenen. Wat een wonder dat ze dan teekenen. Van
een reglement weten de meesten niet. En dan, weet je wat zoo verdomd
gemeen is? Het breukgemiddelde is veel te hoog."

"Niet te veel willen bewijzen, De Leeuw. Qui prouve trop, ne prouve
rien. Er zijn stampproeven, die dat gemiddelde hebben vastgesteld."

"Als ik niet te lang op het land was, zou je me nu mat hebben,
Jonker. Maar nou heb je me niet, man. Ik wou je wel vragen of je
begrijpt waarvoor die stampproeven hier, zoowel als op Telatiga,
zijn genomen, hoeveel jaar geleden weet ik niet? Waarvoor is die
standaard-stampproef genomen?"

"Om vast te stellen, de rijstcoëfficient en de breukverhouding."

"Juist. Nu ben jij landheer hé, en ik tani? Ik moet jou rijst
leveren. Andere inkomsten trek je niet, of ook zonder dat, wat zal
jij nu doen: tevreden zijn met een picol, als je twee kunt krijgen
met allen schijn van recht?"

"Een domme vraag: natuurlijk twee picol opeischen."

"Die vraag is zoo dom niet, als je denkt. Maar enfin. Dus je begrijpt
wel, dat die stampproef werd genomen onder buitengewoon gunstige
omstandigheden, niet waar, dat de nadeelige factoren zijn vermeden,
dat men eerst met de hoogst mogelijke uitkomsten tevreden was. Dat
is toch logisch, niet?"

"Zeker."

"Nou. Ik heb zelf die stampproef gecontroleerd. Je kunt me dus
gelooven, trouwens je kunt het nagaan ook, als ik je zeg dat wel geen
uitgezochte padi werd verstampt, dat zou te dol zijn, maar padi, die
niet van weersinvloeden te lijden had gehad, die uitmuntend stond in
het algemeen, en weinig breuk zou geven. Een vrij groote hoeveelheid
van die padi werd verstampt, onder ons toezicht. Dat stampen ging
uiterst voorzichtig. Nou het resultaat was, in vergelijking met wat
als tjoeké wordt ontvangen, alles behalve schitterend. Omgeslagen
over één picol kregen wij drie en vijftig kattie rijst."

"Dat is nog mooi."

"En in de witte rijst was acht en veertig en een half grof. Jammer,
dat ik zoo'n standaard-staatje niet bij de hand heb, het is wel
interessant."

"Misschien kan ik je helpen," zei Van Affelen. "Ik heb eens op de
besaran een stampproef-staat overgeschreven. Misschien is het die,
welke je bedoelt. Je kon nooit weten. Ik kon hem eens noodig hebben."

Van Affelen stond op en zocht op zijn schrijftafel naar een
notitieboekje. Na eenig zoeken had hij het. Uit de portefeuillekap
van het boekje werd een toegevouwen papiertje geproduceerd. Affelen
vouwde het open en reikte het De Leeuw toe. Deze keek er even naar.

"Ja," zeide hij, "dit is het. Nou kijk eens hier. Verstampt: 1 picol,
soort: meest verbouwde, dedek 9 kattie, merang 9 kattie, doppen 27,
niet wit grof 29 kattie, fijn 24 kattie; wit grof 25 1/2, fijn 27
1/2; dus procent rijst 53; verlies 2 kattie. Nou de breukverhouding
in procenten: niet-wit, eerste soort 54 1/2, tweede soort 45 1/2;
wit, eerste soort 48 1/2, tweede soort 51 1/2. Dit is dus je
standaard-verstampingsproef. En nu kun je zelf zien hoe het volk
bedonderd wordt. Want hun rijst is voor 88 procent grof, de rest
gebroken. De normale breukcoëfficient is 51 1/2, ze moeten leveren
met twaalf procent. Zie je, dat is toch verdomd vuil ..."

"Nou ja, je kunt je daar nu wel over opwinden," zeide Van Affelen,
wat spijtig, omdat door den harden vuistslag van De Leeuw op tafel
een der glazen was omgevallen en den inhoud gedeeltelijk over zijn,
Affelen's, pantalon had uitgestort. "Maar het is grauwe theorie, dat
wil zeggen, ik zeg het verkeerd; als je dat zoo uitlegt, dan lijkt
het wel of de lui hier worden uitgezogen tot op den laatsten druppel
bloed, terwijl 't in waarheid nu niet zoo bar is. De kerels hebben
ten minste nog bloed genoeg in d'r body om te blijven voorthappen."

De Leeuw haalde zijn schouders op, maar Zevenaer viel uit:

"Nou ben je toch verbazend kortzichtig, Affelen. In dergelijke dingen
bestaat geen theorie, dat laat zich toch begrijpen, hé? Je betaalt of
betaalt niet. Een andere keus is er niet. Of liever, er is heelemaal
geen keus voor de zwarten. Als ze niet leveren willen naar den wil van
den landheer, dan gaan ze er af of ze worden ge"rold". [140] Er blijft
alzoo niets anders te doen dan Steuer zahlen und 's Maul halten ..."

De Leeuw schoot opeens uit zijn slof:

"Affelen wil geen theorie, hè? Goed. Ik zal hem practijk
geven. Potdomme, zooveel als-ie wil. Ik heb een oppassenden kerel in
Kerep, Marto, 'n ouwe kerel, vrouw en een schuif jongen; de man heeft
250 roeden sawah. Nou, ik zal je zijn jaarbalans optellen. Meerekenen
als je blieft."

De Leeuw haalde een potloodje voor den dag en krabbelde achter op
de stampproef.

"Bewerking twee honderd vijftig roeden à vijf en twintig cent voor
de tien maakt zes gulden en een kwartje. Aankoop zaadpadi, een halve
picol, meer is niet noodig, één en een kwart, dat is samen drie
ringgits [141]. Nou plantloon. Twaalf vrouwen, stel, een dubbeltje
daags en de kost, dat is niet te royaal, twee veertig, samen negen
negentig. Een douceurtje voor den mantri-tjoeké, kan niet missen,
stali [142]; samen tien vijftien. Snijloon; ja dan moeten we de
productie hebben. Dus dat in petto. Drogen en aan bossen binden
... Neen dat gaat niet. We moeten toch de productie hebben. Dus,
onthouden, lui. Wat hadden we ..."

"Tien gulden vijftien."

"Juist, tien gulden vijftien. Bij een doorsnee-productie van vijf
en twintig picol, geeft hem zijn stukje sawah twaalf en een half
nat. Snijloon een vijfde, maakt tien; uitdroging twintig procent,
is twee picol. Rest acht picol droog. Dus acht picols. Drogen en
aan bossen binden acht dubbeltjes, maakt tien vijftien plus tachtig,
is tien gulden vijf en negentig, niet?"

"Ja, all right, ik volg. Maar à propos, je rekent alles uit. Wat
duivel, hij kan toch zelf wel zijn oogst behandelen!"

"'t Kan wel, maar het gebeurt niet, jò, dan komt er geen oentoeng ..."

"Nonsens, daar behoeft geen rekening mee gehouden te worden," viel
Van Affelen uit.

"Je kunt om den adat lachen of spotten; je vroeg om practijk. Nou, ik
geef je practijk. Volgt draagloon naar de loemboeng [143] acht gobangs
[144]: twintig cent; dat is elf gulden vijftien. Nou stamploon. Acht
picol à vier en vijftig procent geeft ... vijftig is vier, vier maal
twee-en-dertig ... geeft vier picol twee en dertig kattie. Neem nu aan,
tegen vijftig procent breuk, geeft twee, zestien grof à zes vijftig
... (na korte berekening) ... veertien gulden en vier cent. Dan nog
twee zestien fijn à vier pop, acht vier en zestig. Totaal twee en
twintig acht en zestig. Onthouden hoor. Waar waren wij daareven?"

"Bij het stamploon."

"Ah juist, een zesde van vier picol twee en dertig is twee en zeventig
kattie, maakt"--De Leeuw cijferde weer--, "berekend tegen de prijzen
van daarnet--drie zestig, plus elf gulden zestien, niet waar? is
veertien zes en zestig."

"Zes en zeventig."

"Ah ja, natuurlijk, veertien gulden zes en zeventig. Djakat [145] een
tiende is drie en veertig kattie, dat maakt twee gulden zestien. In
totaal alweer zestien gulden twee en negentig ..."

"God, wat zijn jullie vervelend! Schei nou toch uit met dat gecijfer,"
zeide Zevenaer geeuwend.

"Het is voor de inlanders nog veel vervelender altijd maar weer
te moeten betalen," antwoordde De Leeuw droogjes. "Maar ik zal Van
Affelen eerst doodslaan met de practijk. Niemand dwingt jou om te
luisteren. Draagloon naar het pakhuis, Van Affelen, zeven paal,
laten wij zeggen een kwartje. Tel maar weer op: zeventien gulden
zeventien. Nou de tjoeké. Volgens artikel vier van de vrijwillige
overeenkomst, een vijfde of twee en een halve picol nat à veertig
katties in een picol, waarvan acht en tachtig procent grof tegen zes
vijftig ... wacht, dat is een langere berekening, geef me een ander
stukje papier."

Van Affelen scheurde een velletje uit zijn zakboekje en reikte het
den ander over. Hijzelf zat ingespannen te luisteren en was een en
al aandacht.

"Dat maakt vijf gulden twee en zeventig, en twaalf procent fijn à
vier pop, acht en veertig cents, totaal zes en twintig. Dat is dus met
dat van daarnet, drie en twintig gulden zeven en dertig. Nou reken ik
niet: witstampen, waakloon gedurende vijf maanden op het veld, sedekah
voor den oogst. Maar één ding is nog vergeten. Het voorschot. Dat
neemt natuurlijke elke inlander aan als het hem aangeboden wordt. Hij
krijgt voor tweehonderd vijftig roe, drie pop, na den oogst terug met
twintig percent rente voor zes maanden, is zestig cent. Zijn uitgaven
zijn dus in totaal: drie en twintig gulden zeven en negentig cents,
rond vier en twintig gulden. En daar tegenover staat een verdienste
van twee en twintig gulden zeventig. Marto heeft dus verlies: een
gulden dertig verlies."

"Ja," zei Van Affelen, "er schijnt niets tegen te zeggen."

"En nou vraag ik je of je begrijpt, wat dat zeggen wil: verlies te
lijden als je het heele seizoen gewerkt hebt, als je je arbeid,
je zweet gegeven hebt om een goed stukje grond vruchtdragend te
maken. Alles wat de stakker deed, het water van zijn sawah houden,
het spitten, ploegen, planten, zijn heele denken gedurende dien tijd,
zijn vreugde als de padi opkwam en de aren zwollen, de blijdschap bij
den oogst, dat alles weg, weg en erger, hij heeft schuld, hij is armer
dan hij begon. Verdomme, Van Affelen, we zijn eigenlijk lammelingen,
dat we er aan meedoen, zeg, die stakkers zoo te villen ..."

"Nou, nou, word niet sentimenteel, De Leeuw, we moeten allemaal leven."

"Ja, dat houdt me hier. Wie kan mij nou gebruiken? Ik heb alleen
verstand van padi. Anders ging ik weg. Als ik zulke buien heb en me
veroorloof me in te denken in den ellendigen toestand van zoo'n Marto,
dan kan me de heele santekraam ook niks verdommen. En zoo zijn er veel
als die Marto, heel veel, het is bijna normaal zoo. Daar heb je dan
de practijk, Van Affelen, en erken dat ze verrot is, verrot, verrot!"

De Leeuw sloeg met de vuist op de tafel. Toen, als om nare gedachten
te verdrijven, stond hij op, rekte zich uit en zeide: "Kom, Zevenaer
heeft gelijk, wij zijn vervelend, wat kan ons après tout zoo'n inlander
schelen? Ik ga mandiën [146]. Als het licht op is, leggen we zeker
een ombertje, he?"

"Idealist," bromde Van Affelen, toen De Leeuw zich verwijderde,
en dat woord, op dien toon, had de beteekenis van een schimp.

"Goed, een idealist, ik ben het anders niet met je eens," zeide
Zevenaer, "maar een nobele kerel. Beter dan wij."

"Och kom, ik wist niet dat jij sentimenteele buien had, Jonker. Maar,
wat bliksem, wat De Leeuw wil, zijn herschenschimmen ..."

"Wat?"

"Nou, die rechtvaardigheid. 'n Prachtig beginsel, maar je vreet er
niet van. Onze maatschappij ..."

"Neen onze maatschappij houdt weinig rekening met mooie beginsels; dat
is zoo. Reden om met de maatschappij in denken en doen te verschillen."

"Prachtig, maar ik verkies in het leven te blijven, met of zonder
gemoraliseer,--Soerja, pasang lampoe! [147]--De schemering maakt je
tot een moralist, Jonker. Ik wist niet dat dàt mogelijk was, en ik
houd niet van inkeeringen."



Het liep tegen vier uur 's middags, den dag daarop, dat Prawira,
vergezeld van Siman, het erf van de employés-woning te Herea
opkwam. Van Affelen was nog niet thuis en Prawira zeide tot zijn
jongen metgezel te wachten bij de stoep. De ziender zou wel spoedig
thuis zijn; het was wonder dat hij er nog niet was. Prawira zelf zou
zich maar verwijderen. Het was niet goed, zeide hij, dat de opzichter
hen samen zag, en Siman kon zijn woord toch zeker zelf goed genoeg
doen. Hij, Prawira, zou later nog wel een woordje zeggen als het
noodig was. Siman begreep eigenlijk niet, waarin het kwaad stak als
men hem in het gezelschap van den ander vond, en hij was ook wel
bevreesd met zijn verzoek voor den employé te komen. Maar Prawira
ging en dus bleef hij alleen.

Gehurkt, diep in gedachten omtrent de wijze, waarop hij zijn verzoek
zou moeten inkleeden, wachtte hij. Zelfs merkte hij niet dat Van
Affelen aankwam. Eerst toen de bendy het erf opreed, keek hij op,
ter sluiks den Europeaan opnemend.

Van Affelen was in een slechte luim. Hij meende reden te hebben nijdig
te zijn op het volk, omdat Pah Roesmi gepoogd had hem om den tuin te
leiden met de tjoeké-rijst, die afgekeurd was, en die hij opnieuw
aanbood, na eenige dagen, in gave zakken, alsof hij, Van Affelen,
den toeleg niet zou doorzien. Die poging tot bedrog was verkeerd van
Pah Roesmi, maar Siman had er geen schuld aan en hem trof slechts
de booze bui van den blanke, zonder dat hij er, door het kennen der
oorzaak, reden tot verontschuldiging voor kon vinden.

"Wat mot jij?" snauwde Van Affelen, terwijl hij de leidsels naar
achteren wierp.

Siman was bedremmeld en zweeg. Zijn vooruit klaargemaakte rede bleef
hem op de tong.

"Wie ben jij? Kun je niet antwoorden?" Van Affelen werd driftig.

"Ik ben Siman, meester, van de desa Gatok."

"Nou, en wat wil je?"

"Mijn padi is gesneden, meester, en ik zal de tjoeké moeten afleveren."

"Verder?"

"Het is zoo bezwarend, meester ..."

"O, het oude liedje! Je wilt vermindering hebben van de tjoeké, he?"

"Ja, meester, mijn vrouw ..."

"Heb je taxatie gehad?"

"Ja, meester."

"Wie heeft getaxeerd?"

"Mantri Sastrawidjaja."

"Was je tevreden?"

"Ja, meester, maar de ..."

"Dat kan me niets schelen. Je krijgt geen vermindering, begrepen? Ik
ken dat gezanik. Allemaal leugens. Te lui om te werken, maar om te
vreten niet, hé? En nou is er zeker een tante of een grootje van je
dood, en moet je geld hebben? Geen kwestie van!"

Siman waagde nog een poging:

"Meester, ik lieg niet. Er is niemand dood, maar mijn vrouw is pas
bevallen ..."

"Daar ben je niet te lui voor, hé?--om kinderen te maken. Alloh,
vort! Je krijgt geen cent vermindering."

Van Affelen stapte zijn kamer in.

Siman stond op, langzaam. De laatste beleediging had hem dieper
getroffen dan de geheele hondsche bejegening. Er gloeide opeens een
heftige wraakzucht bij hem op. Een blik van diepen haat volgde den
blanke. Toen was de jonge Soendanees zich weer meester.

Buiten wachtte Prawira hem op. Siman deelde hem slechts mede, dat
zijn verzoek geweigerd was. Hoe dit geschied was, verzweeg hij,
uit schaamte. De ander schreef zijn bedruktheid en dofheid toe aan
de teleurstelling der weigering--waaraan Siman op dat oogenblik niet
eens meer dacht.

"Je hadt ook weg moeten gaan," zeide Prawira. "Ik zag aan zijn gezicht
al dadelijk dat hij in een slechte luim was."

Lang bleef Siman niet te Herea. Hij gebruikte een kleine verversching
bij Prawira en vertrok alleen naar Gatok. Het was al eenige uren
nacht, toen hij bij zijn vrouw kwam. Ze sliep reeds, maar ontwaakte
bij zijn komst.

"En?" vroeg ze, maar het antwoord las zij reeds op Siman's somber
gelaat:

"Hij heeft geweigerd."

Djiah zuchtte.



Sastra zat, de beenen kruiselings onder het lijf, voor Van Affelen,
die notities van hem overnam. Toen dit afgeloopen was, draaide de
blanke zich op zijn stoel om.

"Zeg, Sastra, wie is die Siman van Gatok?"

"Een nieuweling, meester. U weet wel, ze zijn hier het vorig jaar
gekomen. Hij heeft nog een ouden vader, die nu de tering heeft."

"Wat zijn dat voor lui; lastige menschen?"

"Neen, meester, integendeel, zij zijn zeer gewillig."

"Zoo, h'm. Hij heeft me gisteren gevraagd om vermindering van tjoeké."

"Ja, meester."

"Ik heb natuurlijk moeten weigeren."

"Het beschot is tegengevallen, meester; de oude ligt ziek, en Simans
vrouw is onlangs bevallen."

"Kan er niets aan doen. Is het een groot gezin?"

"Ja, meester, de oude Rekso, Mah Ten, zes kinderen, buiten Siman."

"Zoo, nou, ik zal 's kijken als ik dien kant uitkom. Maar nou wat
anders: Waar is je dochter nu, Sastra?"

De mantri boog het hoofd wat dieper, om een blik van vreugde te
verbergen. De oude had dadelijk begrepen wat Van Affelen bedoelde. Er
was reeds meer van deze aangelegenheden sprake geweest. Hij wilde
niets liever dan Djiëm geïnstalleerd zien als huishoudster bij den
opzichter. Dat kon hem in zijn positie slechts voordeel brengen. Maar
het was zaak hiervan niets te laten blijken.

"Welke bedoelt u, meester?" vroeg hij achteloos.

"Djiëm."

"Djiëm is te Telatiga."

"Zoo. Wanneer komt ze weer op het land?"

"Ik geloof niet meer, meester. Ze wil huishoudster worden bij een
blanda in de kotta."

De man loog. Djiëm zat thuis.

"Zoo. Ik dacht dat jij daar bezwaar tegen hadt?"

"Ja, meester, dat heb ik ook. Maar ik ben een oud man. En de kinderen
zijn reeds volwassen."

"Nou, waarvoor moet ze dan naar Telatiga? Ze weet toch dat ik jou
aangeboden heb haar hier te brengen?"

"Daar kan ze misschien meer verdienen, meester."

Sastra loerde naar Van Affelen. Zijn kleine oogjes glinsterden.

De Europeaan stond op, opende een geldkistje, dat in de slaapkamer op
een gemetseld muurtje vastgeschroefd was. Hij haalde er twee bankjes
van tien en een van vijf uit en kwam bij den mantri terug.

"Laat Djiëm halen," zeide hij, "en zeg haar dat zij dit geld kan
krijgen en nog meer, als ze huishoudster hier op de zienderan [148]
wil worden. Versta-je?"

"Ik zal het doen, meester, omdat u het gelast."

"Goed, en maak een beetje haast als je blieft."

Drie dagen later was Djiëm als njai geïnstalleerd. Zij was een ferme
deern met een brutalen oogopslag, die er haar toean wel onder zou
krijgen. Haar welkomstgroet was niet zeer vriendelijk geweest. Als
ze zwanger werd, ging ze de laan uit, had Van Affelen gezegd. Maar
Djiëm had zich vast voorgenomen, als ze eerst dien blanda maar goed
aan zich gehecht had, hem nog vaster te binden door kinderen van hem
te krijgen. Van het geld, dat Van Affelen aan haar vader gegeven had,
had ze maar weinig in handen gekregen. Maar zij zou zichzelf wel een
spaarpot weten te maken. En zij begon aldra met haar jongere zuster
in een warong [149] te zetten in de desa Herea. De bevolking zou
daar de inkoopen doen, dat was duidelijk, want natuurlijk zou men
meenen, daardoor bij den opzichter in het gevlei te komen. Onder
zulke omstandigheden is concurrentie voor andere neringdoenden zeer
moeilijk. Met het gevolg dat de prijzen worden opgedreven ... ten
detrimente der bevolking.

Zoo gaat het veelal in de binnenlanden en zoo ging het ook te Herea.

En gelijk dan ook meestal het geval is, de bevolking voelt dat zij
getroffen wordt, maar verzet zich daartegen niet. Het Javanenvolk
is deemoedig, het deemoedigste ter wereld. En zeer diep moeten
gezagsmisbruik en knevelarij doordringen, voordat het stille verdragen
tot morren, het morren tot muiten wordt. De inwoners van Herea lieten
zich knevelen ...

Van Affelen merkte er niet veel van, en, deed hij het al, het zou hem
te veel zelfoverwinning gekost hebben, zich vóór het volk, waar hij
niets voor voelde, te plaatsen tegenover Djiëm. Hij hechtte zich steeds
meer aan zijn huishoudster. Djiëm paarde aan verleidelijkheid van
lichaam voldoende mate van sluwheid om haar toean aan zich te binden
door levendig houden van zijn begeerte naar haar. Haar berekening
faalde niet. Van Affelen, die in dit opzicht niet boven de middelmaat
stond, kwam steeds meer onder den wilsinvloed der Javaansche.

Het feit dat de jonge Hollander met Djiëm leefde, had iets
immoreels. Dit immoreele lag niet in de eerste plaats in hun verhouding
tot elkaar, want waarom zou het concubinaat lager staan dan de meeste
huwelijken? In toewijding, gehechtheid, zorg voor persoon en eigendom
van den man, ja zelfs in liefde, behoeft de Javaansche niet onder te
doen voor haar blanke zuster. Ligt hierin niet het moreele van het
samenleven van man en vrouw? Is het wel een eisch der moraal--of alleen
maar van fatsoen?--dat we ons van overheidswege laten autoriseeren
om iets blonds, bruins of zwarts te maken tot levensgezellin?

Het immoreele van hun samenleven lag in hun verhouding tot het
volk. Want Sastrawidjaja had terecht begrepen, dat zijn invloed zou
groeien met den duur van zijn dochters verblijf in de woning van
den opzichter!

Zoo was het.

En Sastra ging voort in het klein het voorbeeld zijner kapitalistische
patroons te volgen: de bevolking der afdeeling Herea werd meer dan
ooit gekneveld.

Ter eere van Van Affelen zij hier verklaard, dat hij te onbekwaam
was voor zijn taak, te onbekend met het volk, te veel geabsorbeerd
door de zucht naar carrière-maken, dan dat hij van die uitzuiging
veel zou bemerkt hebben. Het volk kwam bij hem zich niet beklagen,
zooals bij De Leeuw, wanneer de desalieden konden verwachten dat hun
gang naar de zienderan van Alas Bamboe onopgemerkt zou blijven. In
De Leeuw stelden zij vertrouwen.



Het was weer een maand verder.

Bedruktheid heerschte in een tweetal woningen van de desa Gatok: met
Pah Rekso ging het hard achteruit. De oude kon de baleh niet meer
verlaten. Hij kuchte voortdurend en de ingeteerde borst piepte met
naar geluid. Het einde kon zich niet lang meer laten wachten.

De misère kwam er weer zeer ongelukkig tusschen. De tjoeké
was opgebracht. Pah Ran en Siman hadden zelf de vracht naar het
pakhuis gedragen om loon uit te winnen. De rijst was gelukkig goed
bevonden; dubbele verheugenis voor dien dag, want de opzichter was
weer zeer ontstemd geweest en heel wat tjoeké-rijst was door hem
afgekeurd. Ten onrechte. Maar de getroffenen hadden zwijgend dat
onrecht geduld. Buiten eerst, onder elkander, had men gemokt over
die benadeeling. En Pah Ran en Siman begrepen dat hun rijst zeer
mooi geweest was van korrel, daar hun geen enkele opmerking gemaakt
was. Neen waarlijk, Prawira had gelijk gehad, zóó stampen zouden Djiah,
Ipah en Mariam niet gekund hebben.

Te Bodjong Kawoeng hadden zij hun zaadpadi besteld voor den volgenden
planttijd. Wel hadden zij die zaadpadi kunnen inkoopen in Gatok
zelf, van Tio Ang Sioe, en wel hadden zij dus met de padi weer een
aanmerkelijken afstand af moeten leggen, maar beiden hadden dit toch
verkieselijker gevonden. Er was reden voor.

Tio Ang Sioe toch was een zoon van den administrateur, een onecht
kind, verwekt bij een Chineesche vrouw. Nederman had, toen hij de
administratie van het particuliere land Alas Bamboe in handen nam--hij
was er langzaam aan oudste employé geworden--een zeer geschikt baantje
voor zijn zoon gevonden. Hij wilde hem liefst wat ver uit de buurt
hebben en stelde hem aan als padileverancier te Gatok. Tio Ang Sioe
leverde zaadpadi aan het land en het land gaf het uit aan de bevolking,
die er behoefte aan had. Er kwam hooge rente op, hooger zelfs dan Tan
Boen Ho te Telatiga bedong. Maar dat scheen wel billijk. Immers, de
transportkosten van Telatiga naar het land behoefden den prijs niet te
drukken. Gemeenlijk werd die zaadpadi in tjoeké-rijst terugbetaald. En
Tan Boen Ho berekende een picol tjoeké-rijst tegen een picol zaadpadi,
dat is dus ver meer dan honderd procent ... De onderneming nu betaalde
aan den Chineeschen zoon des administrateurs meer per picol zaadpadi
dan de prijs was: voor elken picol kreeg Tio Ang Sioe drie gulden. Daar
zat een aardige winst in en Nederman behoefde zich niet ongerust te
maken over benadeeling van de onderneming, want--het was immers de
bevolking aan wie de padi weer werd geleverd, die aldus zijn zoon
aan een ruim bestaan hielp?

Tio Ang Sioe zou echter geen zoon van zijn moeder geweest zijn,
wanneer hij niet getracht had zijn zoo gemakkelijk gewonnen inkomsten
te vergrooten. En het lag voor de hand, dat hij minderwaardige padi
opkocht voor de levering aan zijn natuurlijken vader. Die zaadpadi was
echter te slecht om te planten. En de Javaan werd er de dupe van ...



Toen Siman en Pah Ran 's avonds laat thuis kwamen, lag Pah Rekso
te sterven.

Mah Ten ondersteunde het hoofd van haar man. Tranen stonden
in haar oogen. Zij begreep wat er ging gebeuren met pijnigende
juistheid. De oude ging weg van haar en de kinderen, na die lange
jaren van samen leven en samen lijden. Mariam en Ipah en de jongere
kinderen schreiden. Djiah stond wat verder af het treurig tooneel
in diepe gedachten gade te slaan. Het was geen koudheid des harten,
die haar deed becijferen, op dat oogenblik, hoeveel dit sterven weer
zou kosten. Och neen, het was de benauwende greep van het gebrek,
dat in zijn druk steeds en immer de herinnering aan zich levendig
houdt. Mah Itam, er bij geroepen, wreef den zieltogende, onder het
prevelen van gebedenformulieren, over de lenden. Rekso rochelde reeds,
bloedschuim stond hem op den mond en door het rochelen heen zocht de
adem fluitend zich een uitweg naar buiten. Het was een allertreurigst
tooneel. Het olielampje op de ruwhouten tafel wierp dan hier, dan
daarheen de zwarte dansende schaduwen dier menschen op de bamboewanden,
en teekende donkere vlekken op de aangezichten.

Djamin zat buiten.

Toen Siman en Pah Ran aankwamen, snelde de knaap hun tegemoet.

"Vader is stervende," hijgde hij fluisterend, "de tjilepoek [150]
heeft al tweemaal geroepen."

Maar diep in den nacht eerst was het afgeloopen. Pah Rekso had even
voor zijn dood een oogenblik van bewustzijn gehad.

"Jullie moet weg van Alas Bamboe. Hier is tjilaka [151] ..." waren
zijn laatste woorden. In een hevige bloedgolf bleef hij. Toen begonnen
de vrouwen luide te jammeren. Mah Ten vloekte het oogenblik dat zij
waren weggegaan van Soemedang. Het was de straf van Allah. Ze hadden er
moeten blijven, dan was Pah Rekso niet gestorven. Nu kwam er nog veel
meer tjilaka. Ze moesten maar weg, weg van hier. Rekso had het gezegd
en stervenden kunnen méér zien. Men moest hem gelooven. Weg, weg ...!

Toen de morgen gloorde, zat Ten nog steeds op de baleh. Denken deed ze
eigenlijk niet. In haar oogen lag die weemoedige blik van gemartelde
berusting, die niet vreemd is onder de inlanders, welke met de blanken
in aanraking zijn geweest. Vooral treft die gelaatsuitdruk ons voor
de inlandsche rechtbanken.

De penghoeloe was er al vroeg geweest; na hem kwamen de
klaagvrouwen. Djamin had het ondernomen naar Bodjong Kawoeng te gaan,
waar Prawira's vader woonde. Prawira moest gewaarschuwd worden, had
Mariam tot hem gezegd. Hij was nu zoo vriend van den huize geworden,
dat de begrafenis moeilijk kon plaats hebben, zonder dat hem van het
overlijden van Pah Rekso was kennis gegeven. Laat in den namiddag
was Prawira gekomen op een paard, dat hij van den loerah [152] van
Herea had geleend.

Den volgenden morgen werd Rekso begraven. Het was een heel eenvoudige
plechtigheid. Het lijk, dat na gewasschen te zijn in een wit laken
was gewikkeld, werd op een eenvoudige bamboezen baar, overdekt met een
sarong, naar de kleine, vriendelijke begraafplaats gedragen onder de
kambodja's, waar den dag te voren een ondiepe kuil was gegraven. Een
houten paaltje wees het hoofdeinde aan; een kleiner de plaats van de
voeten van den doode.

De kuil was dicht; men ging huiswaarts. Prawira en Pah Ran gingen naar
het sterfhuis door, toen Siman, bij zijn huisje gekomen, daar binnen
ging. Een liefelijk tooneel zag hij daar: Djiah gaf den kleinen Rekso
de borst.

De kleuter was nu twee maanden oud ongeveer en groeide krachtig
op. Siman was zijn grootste vriend, tegen wien hij kon kraaien van
plezier. Ook nu weer trok de kleine onder het gretig zuigen het mondje
tot een lach. Maar Siman had vandaag geen zin tot vroolijkheid en
spel. Hij zette zich naast zijn bloeiend vrouwtje neer en zonk in
sombere gedachten. Djiah wist welke zorg nog bij zijn smart kwam en
vroeg niets. Siman zelf verbrak het zwijgen.

"Het voorschot moet nog betaald worden," zeide hij als tot zichzelf.

"Hoeveel is het?" vroeg Djiah schuchter.

"Ik weet het niet precies. Er komt natuurlijk rente op, maar dat kan
toch zoo veel niet zijn."

"Waarom niet betaald, toen jij en vader te Herea waren om de tjoeké
te leveren? Nu moet er weer iemand heen."

"Toen hadden wij het geld nog niet ..."

"En nu dan wel?" vroeg zij uiterst verwonderd. De vraagster ging bij
zich zelf te rade, waar Siman de middelen gevonden kon hebben ...

"Wij zullen de karbouw verkoopen," zei Siman zacht.

Stil van schrik, keek Djiah een oogenblik haar man aan. Deze waagde
zich niet aan dien blik. Toen keerde Djiah zich af; haar oogen waren
vochtig. Zij legde den kleinen Rekso, die ingeslapen was bij zijn
gewichtige levenstaak, in zijn geïmproviseerde wieg, een doek aan
twee touwen vastgeknoopt, bij wijze van schommel.

"Wanneer moet je betalen?" vroeg ze weer.

"Hoe eer hoe beter. Morgen."

"En de katjang [153] dan? We zijn toch al zoo laat. Als jullie
nog langer wachten met spitten en planten, komen we te laat in het
seizoen."

"Ja, dat is zoo. Maar Pah Ran of ik zullen toch moeten gaan."

Djiah kreeg een idee. Maar ze wist dat Siman het niet goed zou keuren
en deelde hem haar plan dus niet mede.

"Prawira gaat immers morgen naar Herea terug?" vroeg ze.

"Ja."

"Nu, dan zal ik met hem meegaan. Zorgen jullie dan voor de
katjang. Ik ben zoo bang dat we niet tijdig gereed zullen zijn met
de palawidja. Het is beter dat ik de buffel ga verkoopen. O, je hoeft
niet te vreezen, dat ik geen goeden prijs zal krijgen, en Prawira zal
mij wel helpen. Het treft juist goed, morgen is groote passerdag te
Bodjong Kawoeng. Allicht slaag ik daar al."

Siman was nog te bedrukt door de gebeurtenissen der laatste dagen, en
ook lachte hem het plan van Djiah wel toe. Ze was een ferme meid, die
zich niet zou laten beetnemen. Bovendien was het wel mogelijk dat zij
met meer volharding den prijs zou handhaven dan hij of Pah Ran. Want
zij wist niet dat men er zoo krap voorstond en zou dus niet behoeven te
strijden tegen de neiging in godsnaam wat minder geld thuis te brengen,
als er maar geld was, contant geld, dat men betasten kon. Van het
verkoopen der geoogste rijst was geen sprake. Die hadden zij met het
zoo groote gezin zelf noodig. Na eenige discussie stemde hij dus toe.

Djiah spoedde zich naar Mah Ten, wie zij de schikking mededeelde. De
goede vrouw verkeerde nog in zulk een stemming van moedeloosheid,
dat ze alles goed vond. Ook Djiah's vader liet zich overhalen. Hij
moest toegeven dat zijn dochter gelijk had: men had al veel tijd
onbenut voorbij laten gaan en er diende thans begonnen te worden met
de uitplanting der katjang.

Prawira beloofde Djiah met raad en daad bij te staan. Misschien
dat zijn vader de karbouw wel zou koopen. Onlangs nog had hij zijn
voornemen te kennen gegeven een der oudere buffels te verkoopen,
om zich een jonger, krachtiger dier aan te schaffen.

En zoo was het dan, dat heel vroeg in den morgen, nog voor het eerste
ochtendgloren, Djiah en Prawira met de buffel marktwaarts gingen. De
kleine Rekso was gedeponeerd bij Ipah. Heden zou hij zich wel moeten
tevreden stellen met de flesch.

Met loomen tred volgde de karbouw. Het was als wist het dier, dat het
van meester ging veranderen. Zij was ongeveer twee maanden voor de
panèn gedekt en men kon dus met het oog daarop wat hoogeren prijs
bedingen. Vijf en veertig gulden, zoo was uitgemaakt, moest zij
minstens opbrengen.

Tegen tienen was men te Bodjong Kawoeng. Djiah was niet vermoeid,
want zij had den ganschen weg te paard gezeten. Prawira had haar
natuurlijk het rijpaard afgestaan en Djiah had, met de beenen voor
langs het picolzadel, als een man gereden. Men hield stil bij de woning
van Prawira's vader. Het was erg levendig te Bodjong Kawoeng. Het was
de groote passerdag en van mijlen uit den omtrek, dagreizen ver zelfs,
waren de lieden gekomen. Djiah hoopte dat ze slagen zou.

Prawira's vader was niet tehuis. Ook hem zou men vinden op de
passer, zeide zijn vrouw. Haar verzoek om even te blijven zitten,
werd vriendelijk afgeslagen door Djiah, die haast had. Straks zou
men weerkomen. Eerst de zaken.

Prawira's vader werd spoedig gevonden. Hij zelf had geen buffel meer
noodig. Het trof slecht. Hij had er juist een gekocht, ingeruild
juister, tegen een der zijne, met vier rijksdaalders toe. Maar Pah
Wirio, de loerah, wilde beesten hebben. Hij zou hem hier halen.

Djiah bleef met haar buffel staan. Ze had honger, maar wilde niet
weg. Er kon een kooper komen. Prawira ging dus heen om wat ketan
[154] of rijst te koopen.

Hij was nog niet weerom, toen een net gekleede inlander op haar
toekwam. Hij bekeek de buffel van voor en op zijde en zeide toen
langzaam:

"Wil je haar verkoopen?"

"Ja."

"Ze is al wat oud," begon hij, terwijl hij met de hand over de
schoften ging.

Djiah antwoordde niet.

Na een lange poos werd een bod genoemd:

"Vijf en dertig gulden?"

"Zestig!"

De ander schrok.

"Daarop durf ik niet te bieden," zei hij en deed of hij wegging.

"Ze is bezet," prees Djiah haar waar aan, "vier maanden ver; en nog
jong is ze. Hoeveel bied je?"

De ander bukte zich, betastte de uiers, en schudde het hoofd.

"Vijftien rijksdaalders; meer is ze niet waard."

Djiah zag Prawira komen en kreeg meer moed. Er was toch nog eenige
durf noodig, had ze gemerkt, zoo openlijk de waar aan den man te
brengen. Nu hield ze prijs.

Prawira kwam haar te hulp. Hij wist niet wat Djiah gevraagd had,
maar begon dadelijk met veel welsprekendheid de goede eigenschappen
van het dier op te sommen. De ander had wel lust in de buffel, maar
de gevraagde prijs was hem te hoog. Men moest wat laten vallen. Op
dit oogenblik had Djiah gelegenheid Prawira toe te fluisteren, dat
ze zestig gulden gevraagd had. "Laat maar wat vallen," zeide ze.

Maar Prawira liet niets vallen. Hij bleef koppig, geen gulden
minder. De kooper werd blijkbaar afgeschrikt en Djiah maakte zich reeds
ongerust dat hij heen zou gaan. Hij had veertig geboden; meer wilde
hij, naar het scheen, niet geven. Maar Prawira gaf niet toe. Djiah
begreep er niets van.

Toch had Prawira reden voor zijn handelwijze. Hij had op eenigen
afstand zijn vader gezien tusschen de menigte; hij kwam hun richting
uit met een ander, de loerah waarschijnlijk. Prawira had goed gezien
en vond het beter zich op eenigen afstand op te stellen. Het was
wenschelijk dat de loerah niet begreep dat hij en zijn vader reden
hadden tot aanprijzen. En het was ook als toevallig dat Prawira's
vader Pah Wirio naar Djiah's buffel bracht.

"Dit is een goed dier," zeide hij.

Dezelfde scène van bekijken en betasten.

"Hoeveel moet je er voor hebben, vrouwtje?" vroeg Pah Wirio.

"Zestig."

"Ik geef een ringgit meer," bood de eerste bieder, die nog niet
heengegaan was.

Als toevallig kwam Prawira van voren op de groep toe.

"Moet u de buffel koopen, vader?" vroeg hij, een blik van
verstandhouding met hem wisselend.

"Neen, hier de loerah."

"Ik heb het beest reeds gezien. Goed dier, maar zestig is te veel. Of
hoeveel vraagt ze?"

"Ja, zestig."

"Ze is bezet," zei Djiah zenuwachtig, "maar soedah, ik geef haar
voor minder."

"Vijf en veertig," zei de loerah kalm.

"Zeg vijf en vijftig," antwoordde de verkoopster.

"Heeft ze al gejongd?"

"Ééns, een stier, dezen keer krijgt ze dus een koekalf; want ze is
gedekt drie maanden na de geboorte van het eerste kalf."

"Kan ze ploegen?"

"Wij hebben haar altijd gebruikt op het veld."

De andere bieder wilde tegen den loerah niet opbieden. Hij had de
buffel gaarne gehad, maar er waren nog meer dieren op de markt en
het kon hem slechts kwaad doen den loerah tegen zich te krijgen.

"Ik geef een ringgit meer," zeide Pah Wirio.

Djiah stond besluiteloos.

De loerah zag het pleit gewonnen. Hij deed alsof hij heen wou
gaan. En Djiah was nog niet handig genoeg in het verkoopen en liet
zich misleiden door deze manoeuvre.

"Goed, neem haar dan maar," zeide zij en gaf het touw den loerah in
de hand. Deze wenkte een dessagenoot.

"Och, Taman, breng jij deze karbouw in mijn kraal, wil je?"

De aangesprokene, een jonge snuiter, voldeed aan het verzoek en
verwijderde zich met het dier, dat, zich de vliegen van de flanken
slaande, met tragen tred heenstapte. De loerah telde negentien
rijksdaalders in Djiah's handen neer, en verwijderde zich na een
korten groet met Prawira's vader.

Verheugd ging Djiah met Prawira mede.

Zij had een rijksdaalder meer gekregen, dan waar op gerekend was. Dat
was een heele schat.



Een uur later was zij weer op pad naar Herea. Prawira vergezelde haar,
naast het paard stappend.

Zij moest niet dadelijk naar den opzichter gaan, zeide hij, nadat hij
had vernomen, wat haar naar Herea dreef. Djiah wilde namelijk zien
of zij niet wat kon verdienen. Wel had Siman zich daartegen verzet,
maar de omstandigheden waren thans veranderd. Er was geld noodig. En
als hij nu voor een voldongen feit werd gesteld, zou hij allicht
toegeven. Bij Van Affelen, had Prawira gezegd, zou zij evenwel niet
terecht kunnen. Want waar zou zij werk kunnen vinden? Alleen in het
pakhuis. En dat was nog heel toevallig, want gewoonlijk werkten daar
geen vrouwen. Van het jaar was het anders, wijl er een vrij groote
hoeveelheid tjoeké-padi was ingekomen. En daar had Kario, de mandoer,
alles te zeggen. De opzichter ging geheel af op het oordeel van
Kario. Die mandoer was een flink arbeider, die naar volle tevredenheid
van den opzichter werkte. Djiah moest hem om arbeid vragen. Als hij
wilde, wilde de opzichter ook.

Het was een goede raad, dien Djiah dan ook volgde. Te Herea gekomen,
begaf zij zich dadelijk naar de woning van Kario.

Deze was een nog vrij jonge man van gunstig voorkomen. Toen Djiah hem
schuchter de reden van haar komst mededeelde, had hij haar aandachtig
en lang aangekeken. Als Djiah had kunnen vermoeden, welke gedachten hem
door het hoofd gingen, toen hij de jonge vrouw met haar verleidelijk
figuur, haar mollige vormen en haar bekoorlijk gezichtje zoo oplettend
beschouwde, had zij zeker al haar voornemens laten varen. Maar zij
zag niets, want zij had de oogen neergeslagen.

Na haar gevraagd te hebben wie ze was en waar ze vandaan kwam,
zeide Kario, dat hij haar wel werk kon geven. Ze moest maar in het
pakhuis komen.

Djiah beloofde overmorgen te zullen terug zijn; zij vroeg niet naar
het loon, dat zij ontvangen zou, niet naar den arbeid, die haar
wachtte. Zij was te verheugd in haar succes en ook al was dit niet
het geval geweest, dan nog zou het de vraag geweest zijn of zij den
moed gehad zou hebben ernaar te informeeren. Van Prawira vernam zij
echter, dat zij op een verdienste van vijf tot tien cent daags zou
kunnen rekenen.

In de middaguren kwam zij op de zienderan om het voorschot en de
rente daarop te betalen.

Van Affelen zat in slaapbroek en kabaai in de voorgalerij, toen Djiah
kwam. Zij hurkte op de stoep en deelde hem mede dat zij het voorschot
kwam terugbetalen. Van Affelen was in een goede luim; hij was altijd
in een goede luim in gezelschap van mooie, jonge vrouwen.

Lachend zeide hij:

"Maar dan moet ik toch eerst weten wie je bent?"

"Ik ben de vrouw van Siman, van de desa Gatok, meester."

"Siman ... , Siman ... dien ken ik niet. Of ja toch--wacht eens. Is
hij niet onlangs hier geweest om vermindering te vragen van de tjoeké?"

"Ja, meester."

"Ah juist. En ben jij zijn vrouw; nou, je ziet er lief uit, hoor ..."

"Ik kwam het voorschot betalen, meester."

"Jawel, jawel, dat heeft zoo'n haast niet. Ik dacht dat jullie zoo'n
soesah hadt," vervolgde hij ietwat ironisch, zich voelend in de idee,
dat hij toch gelijk gehad had, toen hij Siman zijn verzoek weigerde. Ze
hadden hem dus weer willen misleiden ...

"Dat is ook zoo, meester."

"Je schijnt nu dan toch geld te hebben."

"We hebben de karbouw verkocht."

Djiah boog het hoofd, toen ze dit zachtkens zeide, bij de droeve
herinnering aan de scheiding van het trouwe dier.

"Zoo, h'm ... En jij bent dus onlangs bevallen? Men kan het je wel
aanzien."

Djiah begreep de onkiesche woordspeling en hief het hoofdje niet op.

Van Affelen stond op om zijn voorschotboek te halen, dat hij na eenig
zoeken vond.

"Zeg 'r 's," vervolgde hij bij zijn terugkomst uit het nevenvertrek,
"hoe is het met den oude; ik bedoel den vader van je man? Sastra
heeft me gezegd dat hij zoo ziek was?"

"Hij is dood, meester."

"Dood? Zoo. Dat kan toch zoo lang niet geleden zijn?"

"Hij is gisteren begraven ..."

"H'm."

Van Affelen was niet op zijn gemak. Waarom niet, zou hij moeilijk
zelf hebben kunnen zeggen. Was het omdat hij Siman vermindering van
den tjoeké-aanslag had geweigerd? Dit zou een bewijs geweest zijn
dat zijn hart nog niet voor alle edeler aandoeningen gesloten was.

Hij zocht in zijn boekje naar de desa Gatok en volgde daarop met den
vinger de namen der voorschot-houders. Maar hij vond geen Siman.

"Pah Rekso heeft het voorschot ontvangen", zeide Djiah.

De Europeaan keek op en zag haar opeens vlak in de oogen, die
bedeesd werden neergeslagen. Op dat oogenblik vond Van Affelen zijn
huishoudster zeer hinderlijk. Hij zou haar eens verlof geven, naar
Telatiga bijvoorbeeld.

"Dat hadt je wel eerder kunnen zeggen", merkte hij op, maar er was
geen zweem van ergernis in den toon van zijn stem. Toen zocht hij weer.

"Ah, hier is het. Pah Rekso, negen gulden. Daar komt een gulden
tachtig cent bij voor de rente".

Zij haalde haar katoenen zakje te voorschijn en nam er vier
rijksdaalders en een gulden uit.

Van Affelen vond het lastig dat zij geen gepast geld bij zich had. Hij
moest weer opstaan en haalde uit de geldkist twee dubbeltjes, die
hij haar gaf.

Djiah stond op en groette. De blanke gaf den groet terug met
zekere weekheid in zijn stem, die de Javaansche zeer onaangenaam
aandeed. Ze was blij dat ze weg kon en overdacht dat ze toch veel
had moeten betalen aan rente. Van de berekening dier rente begreep
zij natuurlijk niets.



Djiah wist ook niet dat op het land Telatiga van 1884 tot 1901 een
winst gekweekt was van ruim f 252.000--dit althans was de opgave voor
het patentrecht, en het bedrag kan dus hooger geweest zijn--uit de
rente op in voorschot gegeven gelden, tot een bedrag van slechts f
704.608,30. En ook al had zij dit geweten, dan nog zou zij in haar
eenvoud niet hebben kunnen berekenen hoe groot de gebruikelijke
rentekoers was. Djiah wist niet, dat bovendien de maat, waarmede de
tjoeké gemeten werd een kleinere hoeveelheid aangaf dan inderdaad
afgemeten was. Zij toch had geen inzage gehad van een brief van den
administrateur van het land Telatiga aan een der eigenaren, d.d. 31
Maart 1902, meldend dat de "tjoeké-rijst ontvangen werd met de geijkte
rijstmaat, die gewogen zes katties meer opleverde dan een picol van
125 Amsterdamsche ponden."

Het is zoo veel niet, meent ge, zes kattie, zes honderdste deelen
van een picol. Maar dit bedrog heeft jaren en jaren geduurd; er zijn
zeer vele landbouwers, tienduizenden, en honderdduizenden picols
rijst werden als tjoeké ontvangen. Men zou dus langs eenvoudigen
weg van vermenigvuldiging kunnen komen tot een uitkomst. Maar
ik heb nog een beter bewijs van het bedrag: de erkenning van den
administrateur. "Het teveel," zoo heet het in dienzelfden brief,
"bedroeg 23847,19 picols". Ik heb den tijd er niet voor, de rekening
heeft iets stuitends ook, na te gaan of dit opgegeven aantal van
de bevolking gestolen picols rijst juist is. Ik wil aannemen dat er
inderdaad niet méér gestolen is, zoover nog nagegaan kan worden, dan
23847 picols. Tegen zes gulden de picol .... Neen, ik wil niet rekenen.

Djiah wist dit alles niet. Ook niet dat op het land Alas Bamboe
de misdaad nog verder gedreven werd; dat daar door de hoogere
rijstprijzen, de zwaardere heffingen en het meten met valsche maten
de diefstal nog zwaarder drukte en de rente op het voorschot er nog
meer dan zes en dertig procent in tien maanden bedroeg ...

Als zij dit alles geweten had, zou zij eerder verheugd zijn
geweest, dat Van Affelen met een renteheffing van slechts 20 procent
genoegen had genomen, omdat Djiah zoo mooie oogen had. Het geval was
exceptioneel ...



Laat in den namiddag was Djiah weer te Gatok. Daar wachtte haar een
teleurstelling. Siman was slechts zeer weinig opgeschoten met den
katjang-aanplant. Zijn schuld was dit niet. Pah Ran toch had hem niet
kunnen bijstaan, want die had in heerendienst moeten uitkomen. Het was
een tegenvaller geweest, en niet voor hen alleen, doch voor velen in
de desa Gatok, die hun heerendienstplicht reeds hadden volbracht en
meenden voor dagen weder daarvan vrij te zijn. Wel was hun medegedeeld
dat deze extrabeurt in mindering zou komen van het totaal aantal dagen,
die zij in onbetaalden arbeid zouden moeten "wijden" aan het belang
der eigenaars, maar zulk een belofte heeft geen de minste beteekenis
voor den desaman. Er is immers niet één onder hen, die aanteekening
houdt van zijn heerendienst-arbeid; en gesteld overigens dat iemand
zijn rechten zou verdedigen, zijn klacht zou van geenerlei invloed
zijn. En zoo was men sedert lang gewend geraakt aan een belasting
van meer dan twee en vijftig dagen arbeids zonder loon in het jaar.

Dertig man van de desa Gatok waren dien morgen opgeroepen om
mede te werken aan de verharding van een weg van Tji-Empoek naar
Karang-Tengah. Tji-Empoek lag elf paal beoosten Gatok en de lieden
hadden dien langen weg moeten afleggen, voordat zij op het werk
kwamen. Daar waren reeds velen bezig met het opstapelen van karangs
[155] en het ophalen van grind uit de naastbijzijnde rantja. Zeer velen
hunner hadden, evenmin als de desalieden van Gatok, eenig belang bij
dien weg, wat er den arbeid niet populairder op maakte.

Toen Djiah dan thuis kwam, was haar vader nog niet terug. Eerst
een uur later kwam hij. Niet dan na zes uur des namiddags hadden
de heerendienstplichtigen mogen heengaan. Wel was dit in strijd met
de bepalingen van het reglement op den heerendienstplicht, maar het
reglement is er in hoofdzaak voor de eigenaren en er is geen voorbeeld
van, dat een eigenaar gestraft is geworden wegens machtsmisbruik of
knevelarij ... Dat gaat heel moeilijk in Indië.

Den volgenden dag zou Siman moeten uitkomen, in een andere ploeg
van dertig man. En het aanplanten van palawidja zou er op die manier
onder lijden. Er was toch niet vooruit te zien hoe lang nog aan den
weg tusschen Tji-Empoek en Karang-Tengah gearbeid zou moeten worden;
en ook wist men niet of de eigenaren daarna niet nog andere werken
zouden wenschen te doen uitvoeren in onbetaalden dienst. Afgesproken
werd daarom dat morgen aan den dag Pah Ran, geholpen door Ipah en
Djamin, de katjang in den grond zou brengen. Er was maar een kleine
uitgestrektheid te beplanten, want men had zich voorgesteld de rest
te bebouwen met djagong [156], die reeds was ingekocht.

Djiah kon daaraan niet helpen; zij zou aan het werk gaan in het
pakhuis te Herea. Het had haar veel overredingskunst gekost Siman
er toe te bewegen zijn toestemming te geven. Maar hij had ten slotte
moeten zwichten voor het finantiëele argument. Djiah zou den kleinen
Rekso meenemen. Zij was er zeker van dat zij den kleine wel bij zich
zou kunnen houden. hier of daar in een hoekje van het pakhuis. Hij
zou er rustig slapen. Lastig was hij niet, en op tijd zou hij zijn
voedsel kunnen krijgen. Eens in de week zou Djiah thuis komen. Eerst
had zij er over gedacht elken morgen naar Herea te gaan en 's avonds
weer naar huis terug te loopen. De kleine Rekso zou dan wel overdag
onder de hoede van een der meisjes kunnen zijn. Maar van dit plan
was zij toch teruggekomen: het zou op den duur te vermoeiend worden
dag aan dag veertien paal af te leggen.

Den volgenden morgen ging Siman op weg, knorrig en met bitterheid in
het gemoed. Zijn gereedschap, een patjol en een arit, moest hij zelf
meenemen. Ook dit is in strijd met de strekking van het reglement ...

Pah Ran was uitgetogen naar het veld. De arbeid was zwaar, want
de grond was droog en het was nu niet doenlijk om het water van
de Tjikoentoel op de sawahs te krijgen. Djamin droeg daarom in een
petroleumblik water aan, en Ipah plantte de boonen onder de bamboezen
kruislatten, waarlangs het loof omhoog zou kunnen klimmen. Pah Rans
patjol sloeg regelmatig in den harden kleigrond en maakte de groote
kluiten stuk. Nu en dan keek hij op over het veld, dat nog uit de
hand, met de patjol, bewerkt moest worden voor de djagong. Pah Ran
zuchtte. In geen dagen zouden hij en Siman gereed zijn met dien
arbeid. Gelukkig behoefde de bewerking niet intensief te zijn: maïs
is een dankbare plant; maar te werken onder de heete stralen van den
koperen zon, onder den wolkeloozen hemel, vorderde toch altijd nog
inspanning genoeg.

Den morgen daarop ging Djiah naar Herea. Den kleinen Rekso had zij
zich op den rug gebonden en een bundeltje kleeren was alle bagage
voor de week, die zij afwezig zou zijn.



Dien middag stond de katjang in den grond. Djamin had in opdracht
dagelijks den jongen aanplant te begieten. Hij behoefde de buffel
niet meer te hoeden en had dus wat tijd. De kleine man deed het werk,
dat hem toevertrouwd was, naar behooren en met een ernst, die besef
verried van de noodzakelijkheid van zijn arbeid.

Dagen achtereen waren Siman en Pah Ran bezig met de bewerking van
het djagong-veld. Een malsch regentje zou hun thans zeer te stade
zijn gekomen, want de grond werd met den dag harder. De hemel bleef
echter immer even strak. Geen wolkje beloofde water.

Toen kwam de groote heerendiensttijd voor Siman en Pah Ran, nog
vòòrdat de djagong in den grond gebracht was. Ongelukkiger kon het al
niet treffen en dus hadden zij getracht van den koewoe voorloopige
vrijstelling te krijgen. Over veertien dagen bijvoorbeeld zouden
zij zonder bezwaar kunnen uitkomen. Nu was het weliswaar mogelijk de
diensten af te koopen, maar waar zouden zij het geld daarvoor vandaan
gehaald hebben?

Den kleinen heerendienst, de senènan of krigan, afkoopen, zou desnoods
nog gaan, maar zich vrij te maken van den grooten heerendienst, dien
van een week arbeids aaneen, daartoe zou men rijk geweest moeten
zijn, rijker althans dan Siman en Ran waren. En hun armoede was
ook weer oorzaak, dat zij den koewoe niet hadden kunnen overhalen
hen voorloopig vrij te stellen. Niet dat deze hun zoo kwaad gezind
was, wel neen; maar het was zijn politiek doof te blijven voor een
verzoek, dat niet gesteund kon worden door zilver. Hij, de koewoe,
had het geheel in z'n hand de heerendienst-beurten der desalieden te
wijzigen, indien slechts het aantal onbetaalde diensten niet minder
werd. Maar het was in zijn eigen belang niet raadzaam een precedent
te scheppen, dat die wijziging kon plaats hebben zonder dat hem de
moeiten en kosten om daartoe verlof te krijgen van den opzichter
werden vergoed. Natuurlijk wist ieder dat de opzichter er zich niet
mede bemoeide en slechts naging of elke heerendienst-plichtige het
door hem verschuldigde aantal diensten had verricht, maar--de schijn
moest gered worden. Het moest niet kunnen gebeuren dat later klachten
werden ingebracht tegen hem, den koewoe, over meten met verschillende
maten. De getroffenen zouden tegen hem zijn.

Siman en Pah Ran konden dus aan den grooten heerendienst niet
ontkomen. En met een bezwaard hart gingen zij op weg, erover piekerende
dat de goede tijd voor den inbreng van de djagoeng voorbij ging,
terwijl zij ten bate van de eigenaren onbetaalden arbeid verrichtten.

Zij zouden een week wegblijven, want de arbeid die hen wachtte, de
herstelling van een grooten dam in het bosch, moest twee en twintig
palen van hun woning verricht worden. Twee en twintig palen! Die
afstand moest te voet afgelegd worden en dus behoorden zij reeds twee
dagen te voren op weg te gaan, want om zes uur des morgens moest men
op het werk zijn ... De reis heen en de reis terug, dat waren dus
vier dagen, voor den veldarbeid verloren.



Het gezelschap, dat op weg ging naar Gending, waar de dam gelegen
was, bestond uit achttien man, allen van Gatok. Een ploeg van twaalf
desalieden van Tjikoedoeng voegde zich later op den dag bij hen. Ook
die moesten naar Gending.

Den tweeden dag in den middag was men te bestemder plaatse. De
paar uren voor zonsondergang werden besteed aan het opzetten van
noodverblijven: een afdak van klapper- en bamboebladeren op een viertal
bamboestijlen, een mat op den bodem, ziedaar het verblijf voor een
week. Er heerschte geen prettige geest onder het volk. De gedachte
aan het werk, dat thuis wachtte, drukte de stemming van de zestig man,
die er waren, want ook van de desa's Tjimanoek en Kalapa Aloes waren
heerendienstplichtigen opgeroepen. Ook waren er een drietal mandoers
om toezicht te houden. Sastrawidjaja was een hunner.

Het weder was frisch dien avond. In het bosch gaven insecten een
concert, schel geaccompagneerd door het hoogstemmig gesjirp der
krekels in het gras. Boven om den top van een bloeienden doerènboom
hoorde men den vleugelslag van den kalong [157] of het smakkende
geluid van strijdvoerende tjodots [158]. Een zachte wind trok langs
de stammen en zijn gesuis vermengde zich met het murmelen van den
tot beek geworden stroom, die tegen den half vernielden steenen dam
klotste als wilde zij dit beletsel uit haar weg ruimen.

De omgeving werd flauw verlicht door eenige vuurtjes, waarboven een
vischje werd gebraden. De onaangename, scherp doordringende geur
van het zengende vleesch vulde de ruimte. Langzaam rees, als een
bloedroode schijf, door een opening van het woud de maan boven de
zwijgende vlakte.

Een der lieden begon een pantoen [159] op monotone wijze, waaraan
door Pah Asriep een eind werd gemaakt.

"Het is nogal tijd om te zingen," zeide hij verwijtend. De ander zweeg.

Pah Asriep was een man, die zeker zijn vijftigste levensjaar reeds
bereikt had. Mager en tanig, reeds grijs, met een harden trek
om den ingevallen mond, had hij toch iets over zich, dat voor
hem innam. Iemand die meer dan anderen geleden had: dien indruk
maakte hij. Daaraan alléén echter dankte hij het ontzag niet,
dat hij te Kalapa Aloes genoot. Pah Asriep had een ilmoe [160]
voor het genezen van ziekten. Zijn kennis had een zeer zuivere en
gansch niet superhumane bron: hij was namelijk een kruidkundige
van ongewone talenten, en van zeer vele Indische planten en kruiden
had hij de geneeskrachtige eigenschappen leeren kennen, deels door
overlevering, door toepassing overigens. Hij genas dysenterie, hij
had een bladerenaftreksel voor den hoest; hij verdreef klieren met
een afkooksel van anijsachtige zaden, ja zelfs beroemde hij er zich
op een longontsteking te hebben genezen met een medicijn, uit batang
oepas bereid. Zijn reputatie was echter nog grooter dan zijn kunde,
geen wonder overigens in de desa. Ook in tal van andere zaken werd hem
om raad gevraagd. Pah Asriep was een uiterst streng geloovige, die al
de leefregels van den Koran in acht nam; hij kon lezen en schrijven,
kende goede en kwade voorteekenen en zijn ervaring scherpte steeds
zijn inzicht in zaken en toestanden. Het leed had hem echter verhard
en verbitterd. Hij stond nu geheel alleen op de wereld; alles was
hem door den dood ontrukt.

"Dit is een verdrietige tijd voor ons, Ramin," zeide hij tot den
jongen man, die in gezang zijn gemoed had gelucht, "het is niet goed
den mond te laten zingen, als het hart droef is. Ik voorspel een
zwaren tijd, want het jaar is droog. Alleen het hart van de kafirs
[161] zal nog droger zijn."

"Hoe bedoel je, Pah," vroeg een ander angstig, "zal de padi mislukken?"

"Ik wilde geen profeet van het booze zijn, Boedin, maar als er geen
regen komt om de aarde te drenken, zal de palawidja mislukken, nog meer
dan andere jaren, en er zullen ziekten komen in de padi. Zooals van het
jaar, was het nu zes oogsten geleden ook. En toen kwam er hongersnood."

"U hebt dus zoo'n hongersnood bijgewoond, Pah?" Het was Siman, die
de vraag deed. Iets onbestemds, onrustigs had zijn ziel bevangen.

"Acht maal, jonge man. Maar wie ben jij? Ik ken je nog niet. Ik zie
dat je van de Pasoendan komt, is dat zoo?"

"Ja, wij kwamen van Soemedang, een jaar geleden."

"Was het zoo slecht daarginds, dat je wegtrok?"

"Hier is het nog slechter, Pah."

De oude keek hem aandachtig aan. Toen knikte hij goedkeurend.

"Hoe heet je?"

"Siman."

"Nu luister, Siman: het wordt hier nog veel slechter. Je bent een
vreemdeling. Als je raad noodig hebt, vraag dan naar Pah Asriep van
Kalapa Aloes. Als ik nog niet dood ben, zal ik je helpen. Ik ben een
oud man, en ik heb veel gezien. Mijn grootvader woonde reeds in Kalapa
Aloes, voordat de compenie dit land verkocht."

"Is dat lang geleden, Pah?"

"Heel lang, want mijn vader heeft het land niet meer vrij gekend. Hij
heeft altijd tjoeké betaald, maar minder dan nu gevraagd wordt door
de eigenaren."

"Hoe was het vroeger met de heerendiensten?" vroeg Pah Ran, en wonder
was het niet dat hij deze vraag deed, waar zij allen op dat oogenblik
dubbel het drukkende gevoelden van die belasting in arbeid.

"Toen ik geboren werd, zoo heeft mijn vader verteld, waren er geen
heerendiensten, maar ik zelf heb ze altijd gedaan. Dit land was
verkocht, vrij van heerendienst, begrijp je; maar later hebben de
eigenaren het recht om arbeid te eischen zonder betaling van de
compenie gekocht. En nu maken zij er misbruik van."

"Hoe zoo?" vroeg Pah Ran weer.

Er had zich een kring om den oude gevormd. Men was nieuwsgierig te
vernemen wat hij vertellen zou. Het betrof hen allen; het betrof
hun rechten, die, mocht men Pah Asriep gelooven, geschonden werden
door de blanken. En waarom zou men hem niet gelooven? Hij was een
der oudste ingezetenen; zijn vader en grootvader waren op dit land
geboren, zij hadden er geleefd, zij waren er begraven. Zou hij dan
niet recht van spreken hebben?

"Er bestaat een reglement," begon de oude, "waarin onze rechten en onze
verplichtingen worden bepaald. Toen de compenie dit land verkocht,
heeft zij de opgezetenen niet willen prijsgeven aan den willekeur
van de eigenaren; toen heeft zij een reglement gemaakt. Maar het is
jammer dat men vergeet dat het reglement nog bestaat. De kandjeng
assistent-resident te Telatiga kent het niet en als wij klagen, krijgt
de eigenaar toch gelijk. En toch, wij zullen immers niet klagen als
wij niet gelooven in ons recht te zijn?"

Eentonig was zijn stem, maar daardoor juist paste zij in deze omgeving
van zwijgende natuur.

"Want zie, ik weet dat de eigenaren van ons mogen vorderen een dag
arbeids zonder loon in de week; en zij mogen slechts arbeid eischen van
hen, die reeds veertien jaren oud zijn. Zij, die reeds hun vijftigste
bereikt hebben, behoeven geen heerendiensten meer te verrichten. Maar
daar ziet ge Hariman slapen. Ik heb Hariman zien geboren worden;
dat was kort na den voorlaatsten hongersnood. En dat is nu juist
dertien oogsten geleden. De koewoe van Kalapa Aloes achtte hem sterk
genoeg voor den heerendienst. En ik zelf, ik weet niet hoe oud ik ben,
maar ik geloof dat ik ouder ben dan vijftig."

Pah Asriep had gelijk: hij wàs ouder dan vijftig. Vertelde hij niet
daarjuist, dat bij zijn geboorte op het land nog geen heerendienst
werd geheven?

Toch was het reeds meer dan een halve eeuw geleden dat aan de eigenaren
der beide landen het recht tot heffing dezer belasting werd geschonken.

"Maar dat is zoo erg niet. Erger is het als zieken worden gedwongen
om werk te doen. Is niet Pah Markam bewusteloos neergevallen van de
koorts, toen hij djattiboomen moest kappen in heerendienst? Erger
ook is het wanneer nog meer van ons gevorderd wordt dan waartoe
wij verplicht zijn. Dat maakt ontevreden, zonder dat men kan hopen
op wijziging van den toestand. En er wordt te veel werk onbetaald
verricht. Geschiedt niet alles tegenwoordig in heerendienst? Worden
niet bosschen geveld en landstreken ontgonnen in heerendienst;
is niet de zienderan van Goenoeng Lawang gebouwd door onbetaalde
arbeiders? Worden niet de rijstzakken geleverd zonder billijke
vergoeding; en is het nieuwe huisraad van den administrateur
niet van Telatiga aangebracht, gedragen door werkvolk, dat geen
belooning ontving? En zijn ook niet zonder loon gebleven de lieden
van Tjikoedoeng, die mooie metselsteenen leverden voor het pakhuis
te Herea? Neen, waarlijk, er wordt te veel werk ondernomen door de
eigenaren en de handen schieten te kort."

"Maar," waagde Karsiman, een der mandoers, op te merken, "ge vergeet,
Pah Asriep, dat vroeger veel minder heerendiensten werden gevorderd
dan thans ..."

"Zoo zegt men, Karsiman; inderdaad, zoo wordt gezegd. Ik weet daar
meer van dan gij, die de eigenaren verdedigt ..."

"Ik verdedig niemand, maar ge moet billijk zijn in uw oordeel ..."

"Ei, het treft mij, jonge man, dat gij mij dit zegt. In den dienst
der blanken is billijkheid een slechte eigenschap. Gij kent zeker nog
de jonge vrouw van Djaja van Tji Empoek, van Djaja, die verpletterd
werd onder een vallenden boom? Ook zij zal uw billijkheid ongetwijfeld
roemen."

Karsiman was een oogenblik bleek geworden. Hij had zich gaarne op den
oude geworpen en dezen getuchtigd voor zijn woorden. Maar moedig was
hij niet, en in deze omgeving vooral zou hij zijn daad hebben moeten
boeten. Pah Asriep zou kunnen rekenen op die allen om hem heen. Hun
bewondering voor den ouden man hield gelijken tred met den afkeer,
dien Karsiman hun inboezemde; ook al wisten de meesten niet waarop
de grijsaard doelde, zij beseften dat de mandoer openlijk van een
schurkenstreek werd beschuldigd en zij waren dadelijk bereid de partij
te kiezen van den beschuldiger.

Karsiman beheerschte zich. Hij wilde zijn figuur redden; de meesten
toch wisten niet ...

"Mijn schuld was het niet. Ik moest doen, wat ik deed."

"Djaja's vrouw is nu ook dood, Karsiman. Zij heeft zelfmoord gepleegd,
in een vlaag van waanzin, toen zij een blind kind ter wereld had
gebracht, en er geen korrel padi meer was in huis. Jij, Karsiman,
jij hebt haar de laatste padi ontnomen ..."

"Dat is gelogen," riep Karsiman.

"Gij weet dat ik nooit lieg, Karsiman," hernam de grijsaard,
tergend kalm.

Er ontstond eenig gemor en geschuifel onder de
aanwezigen. Sastrawidjaja trok Karsiman achteruit. "Ga maar weg,"
fluisterde hij den ander toe. "Ziet ge niet dat de oude kwaad wil?"

"Ik heb het vroeger weinig anders gekend," vervolgde Pah Asriep na een
wijle. "Er zijn tijden geweest, dat is zoo, dat de honderdduizenden
dagdiensten niet gebruikt konden worden door de beheerders, omdat
er geen werk was. En de registers zouden kunnen aantoonen, zegt men,
dat nog geen vierde gedeelte der diensten werden gevorderd, en dat men
gemiddeld slechts dertien dagen in het jaar uitkwam. Maar ik ben te
oud om mij hierdoor te laten beetnemen en ik durf verklaren, dat dit
slechts schijn is, en dat die schijn opzettelijk werd gewekt. Maar
dan nog: gesteld al dat het vroeger beter was, wat helpt dit ons
thans? Moeten wij niet gedurende een week uitkomen, met de belofte de
volgende zes weken vrij te zijn? En zijn wij vrij? Of wordt niet, als
deze week voorbij is, de kleine heerendienst van ons gevorderd? Moeten
wij niet geregeld zes tot zeven maanden eens in de week dienst doen
in senènan of krigan? En wie uwer heeft het wel eens nagerekend,
hoeveel arbeid u aldus onbetaald wordt opgelegd, welken wij niet
verplicht zijn te verrichten? Wie uwer kent voorts de bepalingen
van het reglement zoo goed, dat hij zal kunnen protesteeren tegen
werkzaamheden, welke uitdrukkelijk zijn verboden?"

"Behoeven wij dan niet alles te doen wat ons wordt opgedragen?" vroeg
er een.

"Neen, dat behoeven wij niet. Maar gewoonlijk gelooft men mij niet
als ik dit zeg. Ik ben oud en wel kan ik lezen, maar de goede menschen
hebben gelijk voorzichtig te zijn. Want klagen doet de klagers kwaad."

"En welke werken behoeven wij dan niet te doen?"

"Het is gemakkelijker op te noemen, waartoe wij wèl verplicht zijn. Het
reglement zegt dat de eigenaren gerechtigd zijn ons wegen te laten
herstellen in heerendienst, als dit noodig is, waterleidingen te
graven, of te herstellen, gras te snijden, grond om te ploegen,
wacht te doen. En niets meer."

"Dus wij behoeven geen hout te hakken, geen steenen te bakken, geen
woningen te bouwen, geen water te dragen, geen brieven te vervoeren
...?"

"Niets van dat alles. Dat is alles uitdrukkelijk verboden."

"Maar het gebeurt toch!"

"Natuurlijk."

"Pah Asriep, ik heb onlangs met vele anderen land moeten ontginnen in
heerendienst in Sikarang, omdat er een proef genomen zou worden met
ramih [162]," sprak Lontar, een vlugge knaap uit de desa Tjimanoet,
"Had ik mij dus daartegen moeten verzetten?"

"Neen, mijn jongen, dat hadt je niet. Want het geeft je slechts
soesah. Je wordt opgepakt en voor de rol gestraft wegens
dienstweigering. En er wordt niet bijgezegd, welken dienst je
weigerde te verrichten. Maar verboden is het ontginnen van gronden,
dat weet ik."

"En wij dan, Pah, die het nieuwe pakhuis te Herea hebben moeten
helpen bouwen?"

"Ook dat is verboden, Siman."

"Wij hebben moeten werken in het pakhuis bij de bereiding van de
tjoeké-rijst ..."

"Dat was onrechtmatig, want het is verboden."

"En ik, Pah Asriep, heb vaak den pesoeratan [163] moeten vervangen ..."

"Het is verboden."

"Ook dat wij, lieden van Tjikoedoeng, gansch in het zuiden, bij Pondok
Boeroeng, djatti-boomen hebben geveld, drie en dertig palen ver? Wij
hebben de balken moeten transporteeren tot Dojang toe. Vandaar hebben
andere heerendienstplichtigen voor het transport zorg gedragen."

"Zeker, ook dat is verboden. Maar de kandjeng assistent-resident tracht
aan dit houttransport een einde te maken, wat hem niet gelukt. Er
is nog veel, heel veel, dat verricht wordt in onbetaalden arbeid,
en niet verricht mag worden. Werkzaamheden in de huizen der blanken,
hoeden van vee, overbrengen van boodschappen, transporten, verzorging
van plantsoenen, alles, alles geschiedt in onbetaalden arbeid."

"Maar, Pah, is het dan niet verboden dat wij hier, in het bosch,
een week worden aangehouden voor de herstelling van den dam?"

"Die arbeid zelf is geoorloofd, Pah Ran. Herstellen van waterleidingen,
zei ik immers daarnet. En nu is dit wel geen leiding, maar dat komt er
zoo nauw niet op aan. Bovendien hebben de orang tani [164] er voordeel
van dat de dam hersteld wordt, is het niet? Maar wij moesten betaald
worden en dat gebeurt niet."

"Dus toch geen heerendienst?"

"Neen, ik zeg het verkeerd. De eigenaar is verplicht om ons twee
cents per paal te betalen voor elke paal meer dan vijf, die wij af
te leggen hebben van onze desa."

"Wij hebben dus recht op vier en dertig cents ..."

"Ja, voor elken dag werk."

"Ook voor de vier dagen dat wij onderweg zijn?"

"Neen; maar dat zit anders. De tijd, dien wij noodig hebben om op het
werk te komen, moet in den duur van den arbeid begrepen zijn. En zoo
komt het toch op hetzelfde neer."

"Maar wij, van Gatok en Tjikoedoeng, zijn vier dagen kwijt met reizen
en toch moeten wij hier zeven dagen blijven ..."

"Och, mijn jongen, het is nog erger dan je denkt. Wij krijgen geen
cent vergoed, wij hebben onkosten onderweg, wij hebben slecht eten, een
kattie rijst per hoofd. Wat doen wij daarmede zonder ingrediënten? Het
reglement spreekt van "behoorlijke voeding". Is daaruit iets anders te
verstaan, dan dat de eigenaar den menschen, die, in zijn dienst, niet
voor hun eigen voedsel kunnen zorgen, dit voedsel moet verstrekken,
dat is dus niet droge rijst alleen?"

"Toen wij werden opgeroepen, Pah, hebben wij den koewoe verzocht om
uitstel, omdat de djagong nog niet in den grond was, maar de koewoe
heeft geweigerd ..."

"Ja, Siman, ze durven veel. En het zijn de koewoe's, de mantri's,
de mandoers, die eigenlijk nog grooter vijanden van ons zijn. Want
zij kennen beter dan de blanken onze zorgen. Maar zij allen, allen
zijn omkoopbaar; zij allen zuigen ons mede uit, alsof het niet genoeg
is dat wij ons zweet en bloed moeten geven aan hen, die blanker van
huid zijn dan wij. Jullie hadt het recht, het recht, versta-je wel,
om te weigeren een week heerendienst te verrichten."

"Waarlijk?"

"Zeker, dat weet ik heel, heel beslist. Het reglement zegt dat wij
van elke week zes volle dagen voor ons zelf moeten hebben."

"En dus ..."

"Dus moet je zwijgen en dulden, want dat recht is er alleen op het
papier. Dus moet je elf dagen verzuimen vòòr je de djagong in den
grond kunt brengen."

"Maar--het kan in dien tijd te laat zijn."

"Dan moet je zwijgen en dulden. Allah wil het, dat het bruine volk
wordt verdrukt."

Hij zweeg, de armen gekruist om de opgetrokken knieën.

Toen voer hij plotseling uit, en er flikkerde een grimmige gloed in
zijn grauwe oogen:

"Maar er is een middel om onze soesah te vergeten: opium. Dat kun je
krijgen bij Tio Ang Sioe, den zoon van den landheer, te Gatok. Die
voert het openlijk binnen. Verslaaf-je aan opium! En dan, Siman,
dan ..." hij fluisterde: "is er nog een ander middel. Maar dat mag
ik je niet leeren.--Neen, neen, vraag niet.--Later, later misschien
... Wel te rusten."

Velen dier slaven peinsden dien nacht nog langen tijd over al wat zij
van den oude gehoord hadden. Het kwam hun voor als iets hèèl vreemds en
't was toch iets heel gewoons ...



Drie dagen later kwam Van Affelen op het werk kijken. Met de bendy was
hij tot Dojang gekomen, na onderweg verspannen te hebben. Te Dojang
was een rijpaard gestationeerd, waarmede de opzichter te Gendeng was
gekomen. Van Affelen was in het geheel niet tevreden over het werk;
hij vloekte op het volk, schold het voor lui, wijl de arbeid niet
opschoot; gaf op ruwen toon bevelen. De mandoers hadden een mauvaise
quart d' heure. Erkend moet worden dat er voor Van Affelen reden was
tot ontstemming. Inderdaad, het volk had nog weinig gedaan en Van
Affelen meende daarin bewijs te zien voor zijn stelling, dat de Javaan
lui en traag is. Hij vergat dat het onlogisch was, werklust en ijver
te verwachten van onbetaalde arbeiders. Bij een groot deel van dezen
droeg bovendien het zaad, door Pah Asriep in hun geest gestrooid, rijpe
vrucht. Zij waren ontevreden en Siman hoorde, meer dan hij tot dusver
had opgemerkt in zijn omgeving, lucht geven aan opgekropte bitterheid
van gemoed. Avond aan avond zat men om den oude heen, luisterende
naar zijn verhalen over den hongersnood, over de knevelarijen en
afpersingen, waaraan zich, volgens zijn bewering, de landeigenaren
schuldig maakten. Waarschijnlijk zou Pah Asriep niet alles hebben
kunnen verantwoorden, maar met voordacht loog hij niet. Wat hij zeide,
droeg het kenmerk uit diepe overtuiging voort te komen. En de anderen
dachten er niet aan te twijfelen aan de waarheid van zijn woorden. Zij
lieten zich medevoeren door hun eigen gedachten en deze waren niet van
dien aard, dat de beheerders der landen gerust geweest zouden zijn,
als zij den geest, die onder hen heerschte, gekend hadden.

Van Affelen leefde niet genoeg mede met het volk om zich de veranderde
stemming te kunnen verklaren. Hij schreef den onwil, de traagheid, die
welhaast op lijdelijk verzet begon te lijken, toe aan de impopulariteit
van den arbeid en meende met gestrengheid dien ongewenschten geest
te kunnen verdrijven. Met geen ander gevolg dan dat de ontstemming
groeide. Zelfs werd hier en daar, zij het niet luide, gemord. Voordat
Van Affelen dien namiddag vertrok, liet hij Pah Asriep bij zich
komen. Hij berispte den oude over zijn gedrag: hij als oudste diende
de anderen ten voorbeeld te zijn, in plaats van hen aan te sporen tot
verzet. Hij wenschte daar niet meer van te hooren en zou tot andere
maatregelen moeten overgaan, als er weer klachten bij hem binnenkwamen.

De grijsaard had zijn oogen niet neergeslagen bij Van Affelen's met
vloeken gekruide toespraak. Hij had niets geantwoord, en den blanke
slechts vast in de oogen gezien. Die blik hinderde Van Affelen en
het irriteerde hem dat de andere werklieden de gereedschappen lieten
rusten en het gesprek aandachtig volgden, geen gehoor gevende aan de
aansporing tot voortwerken van de mandoers.

"Kun je niet antwoorden, verdomme!" snauwde hij Pah Asriep toe.

"Ik ben over de vijftig jaar, en Hariman hier is nog geen veertien; wij
behoeven geen heerendienst te verrichten," was het rustige antwoord.

Van Affelen keek vreemd op; dit antwoord had hij zeker niet verwacht
en het trof hem dat de oude zoo'n rechtstreeksche beschuldiging waagde
uit te spreken.

Een antwoord had hij niet dadelijk gereed en hij ontweek daarom de
beschuldiging met een common place: hij zou het onderzoeken. Toen
reed hij weg.

Sastrawidjaja trad op Karsiman toe.

"Ik geloof dat je beter zult doen," zeide hij, "vandaag je rietje
niet bij je te hebben. Het volk is onrustig. Geef geen aanleiding
tot verzet."

Het was een verstandige raad, dien Karsiman opvolgde. Hij had steeds
een fijn rottinkje bij zich, niet om er mede te slaan, maar meer als
een distinctief van het mandoerschap.



Den avond van dien dag zat men weer laat bijéén. Van den weinigen
arbeid was men niet moede en in de onrustige stemming zocht men
afleiding in gesprek.

Boedin was het, die over de vrijwillige overeenkomsten begon te
spreken. Hij verklaarde die voor den volgenden oogst niet te zullen
teekenen en hij vond steun bij verscheidene anderen.

"Ik zal het ook niet doen," zeide Pah Asriep, "maar veel zal het ons
niet geven, want op andere wijze zal men ons wel weten te knijpen."

"Maar toch, met het oog op een te verwachten slechten oogst, moeten
wij padi leveren," meende Pah Ran, "want dan kan ons niet alleen de
goede rijst worden ontnomen. Dan moeten de eigenaren ook de mindere
soorten ontvangen."

"Dat is zoo; keuring in het pakhuis wordt dan niet doenlijk."

"Maar dan moeten wij ook geen taxatie aannemen."

"Natuurlijk niet. Van elke vijf bossen één voor den landheer."

"Er is nog een voordeel bij padi-levering," merkte Lontor op,
"de indroging. Vroeger moesten wij dat nadeel dragen."

"Dacht je dat de landheer dat niet kan voorkomen?" wierp Pah Asriep
tegen. "En wat dan, wanneer hij de padi liet wegen, dadelijk na den
snit, en bepaalde dat ze binnen twaalf uur in het pakhuis moest zijn
bezorgd? Dat zou voor tal van desa's onmogelijk zijn en dan, in het
pakhuis kan men immers met verzwaard gewicht wegen ..."

"Dat is zoo. Ons grootste voordeel bij padi-levering is, dat wij de
rijstkeuring ontwijken."

"Ja, en het stamploon niet behoeven te betalen."

"En het gewicht van de stelen bij den snit zal dan niet in ons nadeel
bij het padi-gewicht komen."

"Ook behoeven wij dan geen veertig katties rijst te verstampen uit
één picol natte padi."

"En als de korrel zwak is, of de rijst geel, zoodat wij geen witte
tjoeké-rijst kunnen leveren van het vijfde gedeelte gebroken korrel,
zullen wij geen goede rijst behoeven te koopen uit den verkoop van
onze mindere soorten."

"De tjoeké-rijst kost drie rijksdaalders en meer."

"En de gewone rijst maar vier gulden en een kwartje de picol."

"Maar als er misoogst komt, en wij toch niets missen kunnen, zouden
wij toch de tjoeké moeten opbrengen."

"En nu dan?"

"Nu zegt de overeenkomst, dat wij bij misoogst geen tjoeké behoeven
op te brengen."

"Alsof dat waar is! Ik heb van het jaar nog tjoeké moeten betalen
van een sawah, die nauw veertien picols opbracht."

"En wij hebben tjoeké moeten opbrengen, berekend tegen dertig
picols, terwijl het beschot op nog geen twee en twintig uitviel. En
vermindering hebben wij niet gehad."

"Ja, het zijn leugens in het contract."

"Ik teeken niet meer."

"Ik ook niet."

"Wij evenmin."

"En ik zal voortaan padi leveren."

"Ja, zonder taxatie."

"Ja, wij ook."

"Wij ook."

Er kwam eenige opwinding. De lieden spraken luide en de mandoers
knoopten in hun oor wat zij hoorden. Het was noodig den opzichter
te waarschuwen.

"Wij moeten zooveel mogelijk de menschen overhalen om geen rijst meer
te leveren," stelde er een voor.

Dit denkbeeld vond steun. Hoe algemeener de beweging, hoe meer kans
van slagen, oordeelde men.



Na een week gingen de heerendienstplichtigen huiswaarts; zij werden
door andere ploegen werkvolk vervangen.

Twee dagen later waren Siman en Pah Ran weer te Gatok. Dadelijk
daarna begonnen zij met het uitplanten der djagong. Het weder was
ongunstig. Het was droog en smoorheet. De katjang stond zoo dor en
schraaltjes dat geen hoop gekoesterd kon worden op eenig beschot. Toch
ging men voort met irrigeeren. Boven de rantja had men een bamboezen
stellage getimmerd om het water gemakkelijker te kunnen putten. Van de
stellage liep een primitieve leiding van doormidden gespleten bamboe
petoeng [165], waaruit de tusschenschotten bij de geledingen waren
verwijderd, naar den katjang-aanplant. Tweemaal daags werd deze aldus
begoten. Ondoenlijk was het de uitgestrektere djagoeng-beddingen op
dezelfde wijze van water te voorzien. Men moest zich verlaten op den
hemel. Maar regen bleef uit, dagen en weken. De maïs had met laatste
levenskracht wortel geschoten en werkte zich omhoog. Zij haastte zich
ontijdig met vruchtzetting en in den bodem had zij strijd te voeren
met de vernielende hama oeret, de engerling.

Het bleef droog.

De Tjikoentoel droogde geheel uit. Ook de katjang kon thans geen water
meer krijgen. De rupsen kwamen in den aanplant en dagelijks moesten
de ranken door de meisjes van deze plaag worden gezuiverd. Bij de
buren was het weinig anders. In de kedelé [166]-aanplant van Pah
Djenie hadden de rupsen groote verwoesting aangericht; aaltjes waren
gekomen in de ketella rambat [167] van Pah Roesmi. Men begon hier en
daar met het verbouwen van gadoe [168], als had men een voorgevoel
van komende zware tijden.

Het bleef droog. De setoes droogden in tot zwart-waterige poelen,
waaruit de gassen in bellen ontweken. Zelfs de kikkers hadden zich
uit deze schadelijke omgeving verwijderd. Alleen de mensch ging voort
met het inademen der miasmen ...

Het bleef droog. En de koortsen kwamen. In lichten graad eerst,
sporadisch. Toen meer, in verschillende desa's. De eerste slachtoffers
werden ten grave gedragen. Op de opzichters-standplaatsen werd
kinine verstrekt. Maar in de meeste desa's dacht men niet aan het
inroepen van hulp. En de ziekte werd kwaadaardig en sloeg over naar
den buik, als typheuse koorts. De sterfte werd grooter, voornamelijk
onder de kinderen. De kindersterfte is altijd groot, elk jaar, op de
particuliere landen Alas Bamboe en Telatiga. Maar dit jaar begon zij
de aandacht der beheerders te trekken. Die van Telatiga vestigde op
zijn beurt de aandacht van de hoofdadministratie te Batavia, de firma
Biederman en Van Lochem, op de kwestie: "Er is een verminderde toename
van de bevolking te constateeren," schreef hij voorzichtig, bedoelende:
afname. "Het percentage kinderen is buitengewoon gering. Van de ruim
154.000 opgezetenen der beide landen te zamen, zijn ruim 74000 of 48 %
van de mannelijke kunne. Er is doorloopend ruime kindersterfte. Van
daar het hooge percentage mannen."

En kort daarop schreef hij: "De afname der bevolking moet toegeschreven
worden aan sterfte, die vooral groot is onder de kinderen." Hij deed
het voorstel om "zoodra mogelijk voor elk district twee dokters djawa
[169] in dienst te nemen en elk district te voorzien van een apotheek."

De hoofdadministratie te Batavia ging dadelijk op het voorstel in:
na twee maanden ongeveer werd er voor korten tijd, tijdelijk, één
dokter djawa op Telatiga gedetacheerd.

Van Alas Bamboe kwamen geen voorstellen tot verstrekking van
geneeskundige hulp, al zou die dan, als op Telatiga, bestaan in
één tijdelijken dokter-djawa voor tachtig duizend opgezetenen. De
administrateur van Alas Bamboe stelde niets voor, de hoofdadministratie
van dit land te Batavia, de Nederlandsch-Indische Commercieele Bank
vroeg naar niets, zoolang er tjoekérijst werd opgebracht.



Ook de desa Gatok was niet gespaard. De dood had bij menigeen
aangeklopt en op het kleine kerkhofje waren er vele houten paaltjes
bijgekomen; meest op korten afstand van elkaar: het waren meest
kinderen, die als offers vielen.

Ook Djamin was door de koorts bezocht. Maar Mah Itam had hem in
het leven weten te houden, met bezweringen en zonder kinine. De
tweelingen waren bezweken. Zij waren altijd stumpertjes geweest,
deze nakomertjes. Nu lagen zij beiden naast vader. Mah Ten had ze een
voor een zelf naar het kerkhof gedragen. De vrouw was oud geworden
van verdriet en nachtwaken. Zij begon gebogen te gaan, alsof ze reeds
een nènèh [170] was.

Toch was het eigenlijk een uitkomst, dat ze heengegaan waren, de
kleintjes. Er waren nu weer twee monden minder te voeden ....



De droogte hield nog steeds aan; nu reeds maanden lang. Bijna allerwege
was de palawidja mislukt.

Ook de katjang van Siman en Pah Ran was geheel ten gronde gegaan. Men
had den geheelen aanplant aan de rupsen prijsgegeven. De djagong was
nauwelijks het oogsten waard. De arbeid zou niet loonend zijn. Toch
moest het gebeuren, want de velden moesten gereed gemaakt worden voor
de padi.

"Waarvoor zouden wij eigenlijk nog padi planten," had Siman in een
mismoedige bui tegen Pah Ran uitgeroepen. "Het gaat natuurlijk weer
denzelfden weg uit als dit jaar; Pah Asriep had gelijk: de palawidja
is mislukt. En nu is Djiah alweer zwanger. Zouden wij niet liever
werk zoeken, hier of daar, als toekang [171] of als boedjang?" [172]

"Wij moeten de sawahs bebouwen," antwoordde Pah Ran, "wij móeten. De
landheer heeft te veel kwassa. Hij zou ons zeker het land afzetten."

Pah Ran had volkomen gelijk. Al kon hij niet weten dat de wet den
landeigenaar in bescherming neemt tegen "kwaadwillige" erfpachters,
hij vermoedde het.

En inderdaad, artikel 5 van het reglement op de particuliere landerijen
bedreigt den erfpachter, die zijn velden braak laat liggen, met verkoop
van zijn erfpachtsrecht. En is dit geschied, dan geeft artikel 22 van
dat reglement den eigenaar de macht den van zijn rechten beroofden
pachter het land af te zetten.

En waar zouden zij heen moeten, als dat gebeurde, nu hun kleine
vermogen uit den verkoop van den buffel was ingeteerd door ziekten
en begrafenis? ...



Het was in dezen tijd ongeveer dat uit Telatiga berichten kwamen over
een weigering van heerendienstplichtigen om onbetaalden arbeid te
verrichten of de diensten af te koopen. Te Gatok kreeg men niet dan een
onjuist beeld van de verwikkelingen, die met levendige belangstelling
worden gevolgd. Overdreven verhalen van een botsing tusschen volk en
opzichters hadden een ongewone spanning veroorzaakt. Men gevoelde dat
de strijd, die ginds gevoerd werd, beslissend was voor allen. Aller
belang werd daarginds op Telatiga behartigd door de weigeraars. En
zooveel solidariteitsgevoel was er bij de lieden nog wel, dat men op
middelen peinsde om die voorvechters ginds te steunen. Maar hoe?

De eerste regenbuien waren gevallen.

Met nieuwe hoop had men de velden omgeploegd, en wie geen buffels
bezat, had met de patjol den grond omgespit. Thans moest een weekje
nog gewacht worden, om den bodem tot uitzuren gelegenheid te geven:
dan zouden de vrouwen kunnen beginnen met planten.

Siman was reeds naar Bodjong Kawoeng geweest om de bestelde zaadpadi
af te halen. Die lag thans in huis, wachtende op het oogenblik dat
zij getuigenis zou moeten afleggen van haar kiemkracht.

Er kwam weer nieuwe moed in de harten van velen. Och, een inlander is
zoo zorgeloos, en het leed is gauw vergeten bij blijder toekomst. Ipah
was ten huwelijk gevraagd, ja waarlijk, het leelijke, pokdalige
meisje had nog vóór de mooie Mariam een vrijer gevonden, die het
ernstig meende. Hij was een eenvoudige landman, niet jong meer, en
weduwnaar. Maar hij had toch goed begrepen dat Ipah, het ijverige
huismoedertje, een betere vrouw zou zijn dan haar mooie zuster. Pah
Ijang, zoo heette hij, had een kleine sawah en wat vee. Schitterend
was de partij voor Ipah niet, maar zij had geen pretenties en had hem
dankbaar aangenomen, beseffende dat het toch de roeping der vrouw is,
gehuwd en moeder te zijn. Na den oogst zouden zij trouwen; van den
adat wilde zij niet afwijken.

Op zekeren avond werd Siman door een zeer onverwachten bezoeker
verrast: Pah Asriep stond voor hem.

"He, Pah, dat doet mij pleizier," zeide Siman, die den oude vaak
in vriendelijkheid had herdacht, na de week van gemeenschappelijken
arbeid te Gending.

"Ja, het doet ook mij pleizier dat ik je weer zie, Siman, en toch is
het geen aangename taak, die me hier in Gatok brengt, en nog verder."

"Hoe zoo?" vroeg de ander belangstellend.

"Ik ga door naar Telatiga, en hierlangs komende, wilde ik je komen
begroeten. Men heeft mij dadelijk je woning gewezen. Maar ik dacht,
dat je getrouwd waart?"

"Dat is ook zoo, Pah, maar mijn vrouw werkt te Herea in het pakhuis,"
antwoordde Siman en een sombere trek kwam even over zijn gezicht. "Er
is geen geld genoeg en nu is zij aan het werk. Eens in de week komt
ze thuis met de verdienste. Ze krijgt nu tien centen daags."

"Zoo. En hoe staat het hier bij jullie in Gatok?"

"Niet goed, Pah, niet goed. De palawidja--je hebt het wel voorspeld--is
geheel mislukt door de droogte. Over een paar dagen moet de padi in
den grond. En gij, Pah, waarvoor ga je eigenlijk naar Telatiga?"

"Ik wilde den kandjeng assistent-resident spreken, mijn jongen;
ik wil klagen, al geloof ik zelf niet dat het wat helpen zal."

"Klagen, waarover? Over de heerendiensten?"

"Niet zoozeer daarover. Ik voorzie moeilijkheden met de levering
van de tjoeké in padi, begrijp je. Ik heb een groote sawah, Siman,
bijna drie bahoes. Grootvader had nog een veel grooter stuk, maar wij
hebben in de hongerjaren telkens wat moeten verkoopen. En de landheer
kan vooral de rijkeren veel kwaad doen. Toch wil ik geen rijst meer
leveren. En dan wilde ik ook klagen over de heerendiensten."

"Je hebt natuurlijk ook gehoord van de lieden van Telatiga, die
geweigerd hebben?"

"Ja, zeker, en nu geloof ik dat het een geschikte tijd is om te
klagen. Er zijn nog twee anderen uit Kalapa Aloes, die met mij
meegaan. Zij zijn nu bij een kennis hier te Gatok."

"Ik zou wel lust hebben om mee te gaan." Siman gevoelde waarlijk
de lust bij zich opkomen den assistent-resident zijn grieven voor
te leggen.

Hij was naïef genoeg te gelooven dat de bestuursambtenaar slechts
zijn grieven had te kennen om ze weg te nemen. Aan zijn goeden wil
twijfelde Siman niet; hij was onbekend met de werkelijke toestanden.

"Doe dat," spoorde Pah Asriep hem aan, "je kunt hier nu toch gemist
worden. En hoe meer menschen klagen, hoe beter voor allen."

Pah Asriep bleef dien nacht in Simans woning over. Den volgenden
dag toog Siman met hem en de twee desagenooten mede naar Telatiga;
Pah Ran zou het werk tehuis wel alleen afkunnen. Voor eenige maanden
was men nu toch van den heerendienst af.

Het was een lange reis, naar de hoofdplaats. Drie dagen was men
onderweg. Siman kwam in een geheel vreemde omgeving. Telatiga is
wel een binnenplaatsje, maar toch bood de kota in dezen tijd van het
jaar nog een levendigen aanblik. Groote prauwen, beladen met zakken
fijne export-rijst, lagen op de rivier, wachtende op het oogenblik van
vertrek naar zee, ruim twaalf paal de rivier af, waar de stoomschepen
bleven liggen. Siman kon zich niet voorstellen, hoe groot die schepen
toch wel waren, dat zij de groote Tji Boeroeng, die toch zoo diep en
zoo breed was, niet konden opvaren. En zoo was er veel vreemds om hem
heen. Hij zag Chineezen en Europeanen toezicht houden op den afscheep
der rijst. En telkens als een der prauwen volgeladen was, maakte zij
plaats voor een andere. Het was allemaal rijst die verscheept werd,
witte, grofkorrelige tjoeké-rijst, de eene zak na den ander. Wat werd
er toch een massa opgebracht door de bevolking, overdacht Siman. Waar
bleef die rijst allemaal? Ging alles naar Batavia? Waar lag Batavia
eigenlijk? En was Batavia ook zoo groot als Telatiga?

Dergelijke vragen deed hij aan een der politie-oppassers, die bij
de inlading toezicht hield en dien hij met zekeren schroom voor de
mooie uniform genaderd was. De oppasser lachte hem uit over zijn
domheid. Batavia was wel duizendmaal zoo groot als Telatiga, zeide
hij, en er waren heel veel soldaten, en ook was er veel politie; aldus
trachtende een beeld op te hangen van Nederlands koloniale grootheid.

Siman en zijn metgezellen hadden den tijd. Zij wachtten op den
assistent-resident, die nu bezig was met het onderzoek van een perkara,
[173] vertelde een andere politieoppasser, die voor het kantoor op een
bank zat. Welke perkara? vroeg Siman nieuwsgierig. De ander, gevleid
door den titel "kang", waarmede de desaman hem aansprak, wilde van
zijn wijsheid blijkgeven. Het waren de Arabieren van Sapekan, die
geen heerendienst wilden doen.

"Sapekan? waar ligt dat?" vroeg Siman.

"Aan de overzij van de rivier; op het land Telatiga."

Dat was een verrassing voor Siman en de anderen. Wat, het waren dus
geen inlanders, die den heerendienst weigerden, maar Arabieren? Dat
was een tegenvaller.

"Hebben alleen Arabieren geweigerd?" vroeg Siman.

"Neen, ook een hoop Chineezen, en ook inlanders, maar de Arabieren
zijn met de beweging begonnen. Ze hebben een request gestuurd aan den
toean besar te Bogor," vervolgde de oppasser gewichtig; maar hiervan
begrepen zijn toehoorders niet veel.

Op dit oogenblik ging de deur van het kantoor open en traden een
twintigtal druk pratende en gesticuleerende zonen Hadramants naar
buiten. Zij waren in opgewonden stemming en uit de gesprekken was
wel op te maken, dat zij zich in het geheel niet voldaan gevoelden
over het optreden van den assistent-resident.

De deur sloot zich weer achter de Arabieren.

Pah Asriep en de zijner wachtten weder.

Uit de kamer klonk het zwak geluid van een drukschel.

De politieoppasser stond op met een geeuw van het bankje en haastte
zich naar binnen.

Een oogenblik later verscheen hij weer en kwam op de wachtende
inlanders af.

"Vanwaar komen jullie?" vroeg hij.

"Van Alas Bamboe."

"Wat voor een perkara hebben jullie?"

"Het is geen perkara, kang; wij willen den kandjeng toean
assistent-resident spreken."

"Waarover?"

De anderen zwegen. Het zou onvoorzichtig zijn te veel te zeggen. Wat
had de vrager te maken met de reden hunner komst?

De oppasser begreep. Hij ging naar binnen, maar verscheen weer spoedig.

"Kandjeng toean assistent-resident laat zeggen dat hij vandaag geen
tijd heeft. Komt morgen terug."

Nieuwe teleurstelling.

"Maar, kang, zeg den kandjeng toean dat wij drie dagen ver gekomen
zijn om hem te spreken. Elke dag oponthoud kost ons weer geld,
en onze zaak is perloe [174]; de kandjeng toean kan veel soesah
voorkomen wanneer hij ons hoort."

"Het zal niet gaan, beste menschen. Nu is er politierol."

"Maar daarna dan?" drong Siman.

"Daarna, daarna? Die rol duurt zeker wel een uur vandaag, er zijn
veel zaken. Nu, dan is het al over éénen."

"Wij kunnen wel zoolang wachten."

"Ja, maar na de rol gaat de kandjeng toean naar huis om te eten;
en daarna komt hij niet meer op kantoor ..."

Het schelletje klonk weer en de oppasser ijlde heen.

De vier inlanders gingen moedeloos heen. Buiten gekomen, zagen zij
een oploop van volk; mannen, vrouwen en kinderen, vele Chineezen,
enkele Arabieren stonden voor een gesloten deur te wachten, waarboven
op een plankje te lezen stond: POLITIE.

"Kijk eens, Pah," riep Siman uit, "die Chinees daar is gebonden; er
staat een oppas bij. Wat zou hij gedaan hebben?--En daar is er nog
één, en nog één. En ook een orang Selam [175]. Ik tel er nu al acht,
waarvan zes Chineezen."

"Wat zou er gebeurd zijn?"

"Een diefstal, denk ik," merkte de oude op, "of een rampok [176]. De
menschen zijn erg opgewonden. Ik zal eens vragen."

Op dit oogenblik ging de deur open en de gevangenen werden door de
politieoppassers naar binnen geduwd. Hen volgden een twintigtal andere
lieden uit de menigte, de overigen bleven buiten.

"Wat gebeurt daar?" vroeg Pah Asriep aan een man van zekeren leeftijd,
terwijl hij met zijn duim naar de deur wees.

"Dat is de politierol."

"Is er gekampakt [177] of gestolen, of een moord misschien...?"

"Welneen, hoe denk je dat zoo?"

"Ik zag acht menschen, gebonden en bewaakt door de politie."

"O, als er iemand vermoord was, zouden de moordenaars niet gebonden
worden." De schampere toon van den spreker moest wel opvallen.

"Ik begrijp niet goed," begon Pah Asriep weer. "Ik ben hier vreemd,
weet je ..."

"Het zijn menschen van Waroe Lima, die den garok geweigerd hebben,
den heerendienst."

Het troepje verschrok.

"En worden die menschen zoo behandeld?"

"Ja, je ziet het."

"Maar Waroe Lima is immers een district van het land Telatiga ...?"

"Zeker, hoezoo?"

"De landheer heeft toch geen kwassa om de menschen zoo te behandelen?"

"Maar, beste man, men kan wel zien dat je hier vreemd bent. Het is
een prentah kasar [178] van den assistent-resident."

Pah Asriep meende een oogenblik dat de ander een loopje met hem nam;
maar dit was het geval niet, wat uit de gesprekken bleek, die de
vier opvingen.

Nabij de deur stond een netgekleede Chinees. Hij maakte den indruk van
een welvarend burgerman. Vrij gezet en glad geschoren, de haarvlecht
net onderhouden, was hij het type van den well-to-do Chineeschen
tokohouder in Indië. Hij had schoenen aan, en een grijs pakje over
de wijde kabaja. Het was Tan Boen Ho, de bekende rijsthandelaar van
Telatiga, die de bevolking voorschot op den oogst geeft en haar helpt,
al is zijn handel berekend op grove winst.

Een andere Chinees sprak hem aan.

"Heb je ook al te maken met deze roesoe, [179] Boen Ho?"

"Ach ja, mijn broer Ing Kiok, je kent hem wel, van Waroe Lima, is een
van de opgebrachten. Hij heeft altijd van zulke zaakjes. Hij is veel
te onrustig, veel te onrustig. Hij wordt nooit een goed handelaar. Ik
heb hem geplaatst te Waroe Lima om rijst op te koopen. En wat doet
hij? Hij weigert de bevelen op te volgen van den landheer. Hij doet mee
met zijn kornuiten; hij is weerspannig en toen is hij opgeroepen voor
de rol. Maar natuurlijk niet gekomen. Nu hebben ze hem gehaald. Het
geeft allemaal maar soesah. De tijden zijn toch al slecht. Ik heb
veel voorschot gegeven en de oogst wordt slecht. Pas op, wat ik je
zeg: de oogst wordt slecht. Als ze niet heelemaal mislukt. Ing Kiok
is nog te jong. Ik had hem nog wat thuis moeten houden."

"Ja, het is kwaad spelen met vuur," merkte de ander wijsgeerig op.

"Natuurlijk, natuurlijk, welnu blijf dan met je vingers van het vuur
af. Wat drommel, Ing Kiok had er niets mee noodig."

Hij zuchtte.

"Nou ja, Boen Ho, maar je moet toch ook bedenken dat het hard is
voor ons Chineezen om heerendiensten te doen. Het reglement zegt
heel beslist, dat wij niet heerendienstplichtig zijn. Het is toch
een leelijk ding om te moeten werken zonder loon."

"Jawel, jawel, maar men kan water in den wijn doen. Geld maakt
veel goed. En de landheer wil niets liever dan geld in afkoop van
de diensten."

"Dat staat dan toch nog te bezien."

"Welneen, dat is het niet. De landheer heeft zelf de lieden aangeboden,
de diensten af te koopen. Eerst vroeg hij zes en twintig gulden per
hoofd en per jaar, wat nog zoo onbillijk niet was: een halven gulden
per dag. De lui wilden er niet aan. Niet omdat de som te bezwarend
was, neen, enkel en alleen om oppositie te voeren. Dat is juist het
verkeerde. Men moet weten te geven en te nemen. Deze landheer is nog
zoo kwaad niet voor ons, handelaren. Nu wordt hij noodeloos verbitterd,
en het eenige gevolg is dat de handel er onder zal lijden. En het
is zuiver oppositie, anders niet. De landheer heeft van zijn goede
gezindheid voldoende blijk gegeven, dunkt mij, want later vroeg hij
maar twintig gulden, toen achttien, en nu kunnen de menschen van den
garok af voor vijftien gulden voor een heel jaar ..."

"Dat is erg vreemd."

"Vreemd, waarom vreemd? Dacht je dat een landheer ook niet liever
vrede en rust heeft op het land, dan altijd soesah en relletjes?"

"Zeker, maar als ik in mijn recht ben, dan onderhandel ik daar niet
over, zou ik zeggen."

"Nou ja, recht. Dat is zoo'n groot woord. In elk geval bewijst de
landheer dat hij nog zoo kwaad niet is. En dan, er moet nog blijken
dat de lieden in hun recht zijn. Als ze nu maar deden wat hij wilde,
waren ze van alle soesah af."

"En waar was het einde!"

"Och kom, het is nu al jaren zoo gegaan, en het ging goed."

"Boen Ho, Boen Ho, nu ben je toch niet billijk. Jij weet net zoo
goed als een ander dat het niet goed ging. Ze zeggen altijd dat wij,
Chineezen, het volk zoo uitzuigen, maar ik geloof toch niet dat jij
en ik evenveel rijst van de bevolking zouden kunnen binnenhalen,
als die daar ginds," en de spreker wees over de rivier.

"Wees jij maar voorzichtig. Wie veel praat, moet veel verantwoorden. En
een goed handelaar zorgt alleen dat de handel voor den wind gaat."

Er voegden zich anderen bij de beide Chineezen en het gesprek nam
nu een wending. Men liet de critiek varen en bepaalde zich tot de
feiten. Pah Asriep, Siman en de andere desalieden luisterden zwijgend
toe. Wat zij hoorden, wekte zeer hun belangstelling. Zij vernamen
zulke buitengewone dingen dat hun eenvoudige hersens alles nauw
konden bevatten.

"Hoe is de heele beweging toch begonnen?" vroeg een jonge Chineesche
handelaar. "Ik ben eergisteren eerst van Tegal teruggekomen. Ik weet
dus zoowat niets."

Tan Boen Ho nam het woord:

"Ik weet er heel wat van, door Ing Kiok natuurlijk. Die praat
tegenwoordig over niets anders. Ze zullen zijn mond wel sluiten in
de boei, vandaag of morgen. De Arabieren zijn begonnen. Je weet dat
mr. Hazelaar, de vorige president van den landraad, een Maleische
vertaling heeft gemaakt van het reglement op de particuliere
landerijen; daar heeft een procureur bamboe [180] mee gewerkt onder
de lui. Ze waren toch al ontevreden, die Arabieren, en de procureur
dacht dat hij er wel eenige zaakjes mee kon los krijgen. Hij was
natuurlijk vol ijver, om de lui er op te wijzen dat ze onrechtmatig
gedwongen werden om heerendienst te doen ..."

"En is dat niet zoo?"

"Weet ik het? Ik heb het reglement niet bestudeerd. Eerst hebben ze
toen een telegram gezonden naar Batavia, dat wil zeggen, ze waren
eerst op de politierol gestraft. Ze vroegen dan om hulp aan iemand,
die misschien wel eenigen invloed had, omdat hun protest--zooals zij
zeiden--geannuleerd was. Toen begonnen de Chineezen ook ..."

"Nadat de anderen gestraft waren?"

"Ja, het scheelde de lui in hun bol, blijkbaar. De weigerachtigen,
ook de Chineezen dus, werden gestraft met drie gulden boete of een
dag gevangenis. De zaak was heel en al trang [181]; ze moesten dienst
doen, vond de assistent-resident; ze weigerden, dus: boete."

"En ze hebben niet betaald?"

"Neen, zij ..."

"Natuurlijk niet," viel een ander in, "dan konden zij wel elken keer
betalen. Eens begonnen, moest natuurlijk doorgezet worden."

"Jullie moet me niet telkens in de rede vallen. Dan raak ik den draad
kwijt. Waar was ik nu ook weer?"

"Ze wilden niet betalen ..."

"Ah juist. Nou, toen gingen ze natuurlijk de boei in. Twintig
Arabieren, twee en twintig Chineezen van Lobening en zestig, geloof ik,
van Waroe Lima. Maar, als je nu denkt, dat de les onthouden was, mis
hoor! De volgende week werden ze weer opgeroepen voor de garok. [182]
De lui verdraaiden het, allemaal ..."

"Och kom?"

"Ja. De assistent-resident was woedend. Dat kun je zoo denken. Hij
zou ze tienmaal laten opkomen, al werd er tienmaal vol gehouden, zei
hij. Jullie begrijpt dat het bedrijf op die wijze heelemaal verlamd
zal worden. De rol wordt tweemaal 's weeks gehouden."

"Voor de lui van Waroe Lima beteekent dat ruïne."

"Dat zal waar wezen; vijf en twintig tot dertig paal het binnenland
in, tweemaal in de week, dat is aan reizen en verblijf al zes dagen."

"En is dat gebeurd?"

"Ja, dat is gebeurd."

"Astaga! [183] Dat is een heele roegi [184], hoor."

"Maar mag de assistent-resident dat nu wel doen?"

"Doe er wat tegen, als je kunt."

"Nou en wat deden de lui toen?"

"Ze telegrafeerden aan den toean besar te Bogor ..."

"Brani zijn ze."

"Waarom brani? Ik zou het ook doen."

"Het schijnt dan toch wel, dat ze gelijk hebben."

"Zijn jullie nu klaar, zeg? Wat telegrafeerden ze, Boen Ho?"

"Dat ze reeds in de gevangenis waren geworpen. Nou moet je weten dat
eenige dagen te voren de assistent-resident last had gegeven dat de
lui, die reeds meermalen waren gestraft en nog weigerden, meerdere
straf moesten krijgen ..."

"Gelast zeg je? Aan wien was dat gelast?"

"Aan den demang."

"Maar dat kan toch niet," zeide de vrager, die een vriend was van
den adjunct-djaksa [185]. "De demang kan geen straf opleggen."

"Het wordt toch gezegd. Maar hoe het zij, dit weet ik dan wel heel
zeker, dat de demang de weigeraars gebonden liet opbrengen, zooals
jullie daareven hebt gezien."

"Astaga! hoe is het mogelijk!"

"En het was een prentah kasar van den kandjeng--ten minste dat zegt
men," haastte zich de spreker er aan toe te voegen.

"En het mooiste is--ja dat moet jullie hooren--dat er later gebleken
is, dat de raadsman te Batavia het eerste telegram niet ontvangen
heeft ..."

"Hè?"

"En het antwoord was betaald!"

"Waarom is het dan niet bezorgd?"

"Wie zal dat zeggen? Het is mogelijk dat het verloren is geraakt. Maar
het lijkt toch vreemd, dat juist dàt telegram weggeraakt is."

"Dan moeten ze protesteeren."

"En dan?"

"Dan krijg je ten minste je geld terug."

"Nou ja, maar de bedoeling was toch dat het telegram werd weggezonden
..."

"Sstt, sstt!"

De deur der politiekamer ging open. Het dertigtal opgeroepenen kwam
naar buiten, niet meer gebonden. Ze waren erg opgewonden, praatten
druk. De buitenstaanders omringden hen en overstelpten hen met vragen.

De gestraften riepen dat ze niet betalen wilden; dat men hen maar
weer moest opsluiten; dat de assistent-resident geen recht had hen
te straffen, want dat de zaak voor den landraad behoorde.

Twee politieoppassers dreven de menschen uiteen en na een kwartiertje
was het rustig voor het kantoor.

Pah Asriep en zijn metgezellen gingen langzaam heen, om wat te eten
aan een warong. Zij waren moe van de vele indrukken, die zij opgedaan
hadden.



Den volgenden morgen reeds vroeg waren zij weder voor het
assistent-residentiekantoor. Het was nog geen half negen, en de
assistent-resident kwam gewoonlijk niet voor tienen op bureau, maar
dat wisten zij natuurlijk niet en zij hadden verzuimd te informeeren,
op welk uur zij den volgenden morgen aanwezig moesten zijn. Ruim twee
uren hadden zij gewacht, toen de assistent-resident verscheen, gevolgd
door twee politieoppassers. Het was een weinig opmerkelijk persoon;
hij had een van die gezichten, welke men dagelijks ontmoet en dadelijk
weer vergeet. Er sprak niets uit dat gelaat, zelfs geen barschheid of
berekening; het droeg den stempel van volmaakte onbeduidendheid. Maar
hij had de bestuurspet op met breed-zilveren rand en voor dit blinkend
distinctief heeft de inlander ontzag. Zij betuigden de pet meer hulde
dan de Zwitsers den hoed van Gesler: zij hurkten dadelijk neer, toen
zij haar zagen aankomen. De assistent-resident scheen de lieden niet
op te merken. Hij stapte zijn kantoor binnen, waarvan de deur zich
achter hem sloot.

De vier buiten wachtten, een half uur, een uur. Toen vatte Pah Asriep
moed. Hij vreesde dat zij ook dezen dag niet gehoord zouden worden,
als zij nog langer zouden wachten. Het liep tegen twaalven. Hij
naderde daarom den oppasser, die op zijn bankje zat te dutten.

Of hij hen niet kon aandienen?

De oppasser had er weinig lust in. Het was een andere, dan die er
gisteren zat. Misschien ook wilde hij voor zichzelf gezag kweeken
uit de marteling van dat wachten.

Maar Pah Asriep was diplomatiek.

"O, het mag zeker niet," merkte hij op. "Nou, als je niet durft,
laat dan maar."

De oppasser was nu wel verplicht te toonen, dat hij wèl durfde. Hij
stond op en ging binnen. Na een oogenblik verscheen hij weer.

"Volgt mij maar," zeide hij.

Beschroomd traden de vier binnen en hurkten voor de schrijftafel
neer. De kandjeng lag achterover in zijn stoel, spelende met zijn
zwaar gouden horlogeketting. Er lag nu een trekje van goedigheid over
zijn gelaat.

"Zijn dit de lieden van Alas Bamboe?" vroeg hij den oppasser.

Buigende en de handen tegen elkander naar het gelaat opheffende,
antwoordde deze:

"Noon inggeh, kandjeng [186]."

"Goed, ga dan maar naar buiten."

Toen de deur zich gesloten had, vroeg de assistent-resident welwillend:

"Wat komen jullie hier doen?"

Het antwoord bleef uit. Vòòr dit oogenblik hadden Asriep en zijn
gezellen een klinkende rede opgesteld in den geest, een rede,
waarin zij alle grieven en klachten hadden samengevat, maar het
was toch nog iets anders om nu, in tegenwoordigheid van den hoogen
bestuursambtenaar, vaardig te zijn met het woord.

"Komen jullie om een perkara?"

"Neen, kandjeng," zeide Asriep.

"Om te klagen, dan?"

"Ja, kandjeng."

"Waarover?"

Weer zwegen de inlanders.

"Ik geloof dat ik het begrijp. Jullie behoeft niet bevreesd te zijn;
ik krijg dikwijls klachten te hooren. Maar haast je een beetje,
want ik heb het druk."

"Wij kwamen om te klagen, kandjeng, maar ook omdat wij u wilden
waarschuwen voor komende moeilijkheden."

De kandjeng werd onrustig. Moeilijkheden had hij altijd zeer
onaangenaam gevonden. Hij hield heelemaal niet van moeilijkheden. Als
de zaken maar marcheerden, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en er
kwamen geen lastige inspecties en geen perkara's, dan voelde hij zich
erg seneng te Telatiga.

Moeilijkheden! De gedachte alleen stemde hem al onprettig.

"Wat is er dan weer?" vroeg hij, ietwat korzelig.

"Wij willen de vrijwillige overeenkomsten niet meer teekenen,
kandjeng".

"Wat is dat nu weer? Waarom niet? Die contracten zijn heel goed. Ik
registreer ze, en je kunt je er dus altijd op beroepen. Jullie zijn
erg dom, je kunt het niet beter wenschen. Als je niet teekent, moet
je tuinhuur betalen, en je moogt niet vrij visschen en hout halen en
dan krijg je taxatie, en als die dan te hoog is ...?"

"Wij willen geen rijst meer leveren, kandjeng."

"Geen rijst meer leveren? En wat dan? Padi?"

"Ja, kandjeng."

"Maar, menschen, je bent niet goed wijs! Dan moet je immers veel
meer opbrengen!"

"Toch niet, kandjeng."

"Och, maar dat is dwaasheid. Doe dat toch niet. Je moogt dat niet
doen. Daar geef je den landheer heel wat soesah mee. En mij ook. Ja
zeker, mij ook. Natuurlijk, er komen relletjes, en perkara's, en dan
moet ik zeker maar elken keer naar Alas Bamboe, om den boel weer in
orde te maken, he? Welzeker! Lieve jongens zijn jullie--Nou, maar ik
raad het je héél sterk af. Je krijgt er maar niets dan displezier
en verdriet van. Wees toch niet zoo dom.--Het is dom, het is erg
dom. En als er dan soesah is, dan komen jullie natuurlijk weer bij
mij soebatten ..."

"Ja, kandjeng, u zult ons wel helpen."

"Helpen, helpen! Het is wat moois; eerst den boel op stelten zetten
en dan hulp vragen."

De assistent-resident was in zijn emotie opgestaan en ijsbeerde de
kamer op en neer, demonstreerende dat het erg dom was om padi te
willen leveren in plaats van rijst.

De vier desalieden zwegen, zij begonnen intuïtief te begrijpen, dat
de assistent-resident niet de persoon was, die hen zou bijstaan als
zijn bijstand ingeroepen zou worden. En met de geslotenheid van den
Javaan, zwegen zij, waar hun geen steun wachtte.

Na eenige oogenblikken wendde de bestuursman zich weer tot de
inlanders.

"Van welke desa, en welk district zijn jullie?"

"Wij drieën zijn van Kalapa Aloes, hij hier is van de desa Gatok,
district Herea, kandjeng," antwoordde Pah Asriep.

De heer Van Dam maakte eenige aanteekeningen.

"Jullie wildet nog klagen; zeker over de rijstlevering?"

"Neen, kandjeng."

"Waarover dan?"

"Over den garok, kandjeng."

"Zoo, wat is daarmee?"

"Ik ben al meer dan vijftig jaar, kandjeng, en er zijn nog vele
anderen, die even oud en ouder zijn dan ik; wij allen moeten nog
werken in heerendienst. En ook zijn er nog jonge lieden, kinderen
bijna, die nog geen veertien jaar zijn en heerendienst moeten doen."

"Zoo. Hoe weet je, dat je al vijftig jaar bent?"

"Ik denk van wel, kandjeng."

"En is dat alles?"

"Neen, kandjeng, wij moeten ook te veel dienst doen ..."

"Vertel eens, hoe gij dat weet."

"Er is de groote garok, kandjeng, van een heele week. Den laatsten
keer zijn wij te Gending geweest, een week lang. Gending ligt twee en
twintig paal van Gatok, kandjeng, en achttien van Kalapa Aloes.--En
dan is er de kleine heerendienst, de krigan."

"Hoe lang?"

"Zeven of acht maanden, kandjeng."

"Nou, dat is dan toch altijd nog geen twee en vijftig dagen in
een jaar!"

"De garok, de groote heerendienst, komt meermalen, kandjeng."

"Hoeveel maal?"

"Dat weet ik niet precies, kandjeng."

"Maar hoe kan je dan zeggen, dat je te veel dienst doet! Jullie
klaagt maar raak. Ik zal maar naar Telatiga gaan, denk je zeker,
he? De assistent-resident zal wel helpen?"

"Ja, kandjeng."

Siman kreeg opeens moed.

"Het eten is ook niet goed, kandjeng."

"Krijgen jullie dan geen kattie rijst per man?"

"Jawel, kandjeng."

"Nou dan, de landheer behoeft niet meer te geven."

"Ja, kandjeng."

"Ja, jullie zegt maar: ja, kandjeng, ja kandjeng, maar de klachten
komen eigenlijk op niets neer."

De heer Van Dam werd waarlijk boos. De brave man meende volmaakt in
zijn recht te zijn. Hij voelde niet dat zijn korzelige bejegening reden
was, dat de menschen niet praatten, niet alles zeiden wat zij op het
gemoed hadden. De desa-man is als een slak. Bij den minsten tegenstand
trekt hij, bedeesd, zijn voelhorens in. Men moet hem tegemoetkomen,
door vriendelijkheid en welwillendheid zijn natuurlijken schroom
overwinnen en zijn vertrouwen wekken. Heeft hij dat vertrouwen niet,
dan zwijgt hij en duldt nog liever dan zich te compromitteeren door
het uiten van niet begrepen grieven.

En zoo ging het hier ook. De assistent-resident vernam niets van wat
hij toch zeker had behooren te vernemen. Hij zelf was daaraan schuld.

Voor Pah Asriep, Siman en de beide anderen was de tocht naar Telatiga
dus een vergeefsche geweest, wat het klagen betreft. Maar geheel
zonder nut was de reis toch niet gebleven. Zij hadden veel geleerd,
wat hun tot dusver onbekend was. En bovenal hadden zij wel zeer goed
begrepen dat het reglement op de particuliere landerijen--bij hen
slechts bekend als het reglement--ook hun rechten vaststelde. Wat hun
verplichtingen betreft, och, het was niet noodig deze te kennen. De
eigenaren zouden wel zorgen, dat zij gèèn hunner verplichtingen
verzuimden. Maar hun rèchten! Zij hàdden dus rechten. Zij hadden
het recht diensten of opbrengst te weigeren, wanneer de heffing
daarvan niet was veroorloofd door den wetgever. Maar welke waren die
rechten? Het was zaak voor hen die te leeren kennen. Maar hoe? Ze
stonden in een boekje. Maar al waren zij in het bezit hiervan, zouden
zij dan geen uitleg behoeven? Pah Asriep, hooge uitzondering, kon
weliswaar lezen, maar zou zijn kennis voldoende zijn tot begrip van
het gelezene? Hij twijfelde er zelf aan. Toch moest men vòòr alles in
het bezit komen van zoo'n boekje. En Siman meende dat het beste adres
daarvoor zou zijn, een van de lieden van Waroelima. Die hadden zich
verzet, steunend op hun rechten, welke zij dan toch wel kennen zouden.

Er werd besloten dien dag te besteden aan het zoeken van een exemplaar
van het boekje van Mr. Hagelaar, met het reglement in het Maleisch
gedrukt.

Pah Asriep had een idee. Hij zou Tan Boen Ho in den arm nemen. Wellicht
zou hij Tan Ing Kiok bij hem ontmoeten en die zou hem toch zeker wel
op den weg kunnen helpen.

Tan Boen Ho was geen kwade vent. Plooibaarheid, vriendelijkheid
en goedmoedigheid hadden hem vooruitgebracht in zaken. Hij hielp
graag. Behulpzaamheid was een kapitaal, dat, uitgezet, zijn rente
opbracht. En toen Pah Asriep hem naar zijn broeder gevraagd had en het
verzoek, dat hij Ing Kiok wilde doen, bekend gemaakt had, was Boen Ho
wel eerst begonnen met te trachten op welwillende wijze de lieden te
overtuigen van hun dwaasheid om zich tegen de bestaande machten te
verzetten, maar hij was toch geëindigd met Ing Kiok te doen roepen,
die bij een buurman was.

Ing Kiok was niet dom, hij zag in de inwilliging van Pah Asrieps
verzoek een middel om propaganda te maken voor hun zaak. Hoe meer
ontevredenheid, hoe liever; hoe meer uitbreiding der jonge beweging,
hoe beter. Maar hijzelf bezat het reglement niet. Toch zou hij er
aan weten te komen. De griffier van den landraad was natuurlijk een
goede sobat [187] van Tan Boen Ho, natuurlijk, want Tan Boen Ho was
van ieder een goede sobat, dien hij wel eens noodig had, of wel eens
noodig zou kunnen hebben. En de griffier had nog verscheidene van die
reglementen. Ing Kiok putte zich uit in welwillendheid. Ze moesten
morgen maar weer eens terug komen. Hij zou zelf dien middag nog naar
den griffier gaan en dan zou hij het reglement morgen wel hebben.

Pah Asriep en zijn gezellen waren wàt in hun nopjes met het goede
resultaat van hun pogingen, maar dat ze nu alweer langer te Telatiga
zouden moeten vertoeven, was hun toch niet aangenaam. Hoe weinig
ook, het verblijf aldaar kostte geld. Toch zouden zij zich in het
onvermijdelijke schikken, want hun leek het bezit van zoo'n boekje
een panacee voor al hun leed. Zij konden natuurlijk niet weten, dat,
in spijt van alle codificatie hunner rechten, deze met voeten getreden
worden. Zij konden niet weten dat het voor ambtenaren een kwaad ding
is hoogerop "lastig" gevonden te worden en dat het voor hen dus van
minder gewicht is ontevredenheid te wekken bij de bevolking, die
lang duldt alvorens haar leed te uiten, dan aanleiding te geven tot
klachten bij de Europeesche ingezetenen. Zij konden ten slotte niet
weten dat de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië ongestraft
den eersten hem opgelegden plicht verzaakt, den plicht namelijk,
de bevolking te beschermen voor willekeur, van wien ook.



Dienzelfden avond had het gewone partijtje ten huize van den
assistent-resident plaats. In de voorgalerij waren alle lichten op,
en de ruime woning bood met die illuminatie een vriendelijken aanblik.

Aan het speeltafeltje zaten de vier heeren in eenvoudige witte
Atjeh-jassen: de heer Van Dam, dokter Bottenman, mr. Van Wetten,
de landraadspresident, en de ontvanger Haalman.

De jurist was met den bestuursman in druk dispuut, zeer ten ongerieve
van de anderen, want Van Wetten speelde toch reeds onoplettend. Men
had het natuurlijk over den tegenwoordigen roerigen goest onder het
volk, over het weigeren van heerendiensten.

Van Wetten had volgehouden dat de lieden ten onrechte ter politierol
werden gestraft. De assistent-resident had niet willen toegeven.

"Je kunt nu wel komen aandragen met alle mogelijke rechtsgeleerdheid,
Van Wetten, maar je praat het niet bij me omver dat, waar zulke
geschillen tusschen landheer en opgezetene nu reeds jaar en dag ter
politierol zijn beslecht, er dan toch zeker wel eens een pientere
kop op de idee zou gekomen zijn dat dit in strijd was met de wet."

Van Wetten gaf, en onderwijl betoogde hij dat dit een opvatting was,
die hij niet kon deelen. Wat drommel, als de sleur de menschen deed
inslapen, dan was er reden te meer om eens aan te toonen dat men al
maar door op den verkeerden weg bleef.

"Wat doet u, mijnheer Van Dam?"

"O, moet ik het zeggen ...? Pas ... Dus jij zoudt meenen dat zulke
geschillen voor den landraad moesten worden berecht? ... Hoeveel is
er over? Zes? Goed, geef maar op ... Wie danst voor?"

"Altijd, die het vraagt."

"Ik geloof heel zeker, mijnheer Van Dam, dat mijn stelling uitmuntend
te verdedigen is. De bepalingen, zegt men, zijn onduidelijk, maar
ik heb dat tot nu toe niet kunnen inzien. En nu geloof ik er wel
wat van te weten, want in den laatsten tijd heb ik mij heel veel
beziggehouden met deze kwestie. Alle geschil spruit voort uit de
beteekenis, die men hecht--en verkeerdelijk hecht--aan den term:
"alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortkomende rechten ..."

"Neen, dokter, hangen doet u. Manille, ponto, als je blieft."

"Ja, het was te jong. Toch een aardig spel!"

Bottenman betaalde, verdubbelde den pot voor den verloren sans-prendre
en Van Dam gaf.

"Ik beroep mij maar op artikel 59 van het reglement," nam de
assistent-resident het gesprek weer op onder het afgeven. "Het
plaatselijk bestuur zal kennis nemen ... allemaal negen? ..."

"Pas."

"Een vraagje."

"Wacht's even," zei Van Wetten. "Potdori, het zou er één kunnen
zijn. Wat denkt u er van, mijnheer Van Dam?"

"Nou, ik heb zulke wel zien verliezen. En het potje is vet."

"H'm. Of ze 't bennen, dan maar."

"Al waren ze 't," zeide de ontvanger.

"Vijf."

"Mij drie."

"Vijf over? Kan ze niet gebruiken. Vier maar en zien."

Basta viel open.

"Wat een boffert," zei de dokter spijtig.

Het spel werd gespeeld en Van Wetten lette goed op. Hij hield echter
vast aan het gesprek als een terriër aan een kluif en de volgende
gift nam hij te baat om weer te beginnen.

"Ja, dat artikel 59 zou je op een dwaalspoor kunnen brengen."

"Wel neen, het is heel duidelijk: "Het plaatselijk bestuur zal
kennis nemen van alle geschillen tusschen de landeigenaren en hun
opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige rechten of
verplichtingen, en zal, bij al dien partijen niet in der minne kunnen
worden bevredigd, enzoovoort, in de zaak beslissen. Zoo staat het er
precies ..."

"Komaan praesis, een kaart of een takkebos. Ik zou het dispuut nu
maar tot aan tafel verschuiven, want het partijtje lijdt er onder,"
merkte de dokter ietwat korzelig op. Bottenman was een hartstochtelijk
ombreur en kon onoplettendheid maar slecht verdragen.

Het was gelukkig gauw etenstijd. Er was een logeetje, een onbeduidend
dametje, dochter van een suiker-administrateur en al een paar jaar
op de mannenjacht. Mevrouw de assistent-residentsche had haar een
uitstekende partij toegedacht: Van Wetten. En daar Lientje hem een
"mooie man" gevonden had, was mevrouw Van Dam in den geest al op
de bruiloft geweest. Van Wetten zelf wist van den strik, dien men
hem spande, niets af. Hij was wat meer ten eten gevraagd bij de Van
Dams in den laatsten tijd, en hij had moeten musiceeren met Lientje,
"die zoo verrukkelijk piano speelde," maar overigens had hij weinig
aandacht aan het meisje gegeven, dat toch wel een lief snoetje had
met haar zwarte krullen en uitlokkende oogen.

Natuurlijk zat hij nu naast Lientje. Aan de andere zijde, aan het hoofd
van de tafel, troonde Van Dam. En dien avond had mevrouw Van Dam heel
wat gemoedsonrust te verduren, want Van Wetten had alléén woorden voor
zijn buurman. Lientje moest zich behelpen met Bottenman, een ouden
vrijer, die heel weinig zorg besteedde aan zijn uiterlijk en ook in
ander opzicht geen man van de wereld genoemd kon worden. Voor Lientje
was het heele dineetje een faillure. En daar hadden de opgezetenen
van het particuliere land Telatiga schuld aan, want Van Wetten was
op zijn stokpaardje en kwam er voorloopig niet af. Hij praatte zich
geheel in vuur en vergat zelfs den goeden wijn eer aan te doen--wat
hem niet vaak overkwam.

"Dat artikel 59 van u, mijnheer Van Dam, is krachteloos gemaakt."

"Hè, en waardoor dan?"

"Door het regeeringsreglement."

"Dat begrijp ik niet."

"Het regeeringsreglement is van jongeren datum niet waar, van
'55. Welnu, artikel 78 R. R., eerste alinea, verklaart--luistert u
goed?--dat alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende
rechten bij uitsluiting behooren tot de kennis van de rechterlijke
macht. Daarom is dat artikel 59 van u krachteloos."

"Met je verlof, maar rechten uit eigendom voortspruitende zijn toch
geen ..."

"Dat zijn ze wel, mijnheer, dat zijn ze wel! De eigenaar heeft
het land in eigendom, niet waar? Ik laat daar dat hier van een
dominium plenum geen sprake is. Volledig eigendomsrecht is er
niet, dat heeft mr. Sibenius Trip, oud-president der beide hoven,
voldoende aangetoond. De eigenaren bezitten een dominium directum. De
opgezetenen verwerven dan ook door bebouwing enz. zakelijke rechten op
den grond. Maar, zooals ik zeg, dat laat ik daar. Uit den eigendom
echter spruiten rechten voort, en wel in de allereerste plaats,
versta me goed, in de allereerste plaats het recht om heerendiensten
te vorderen en een zeker tantième van de voortbrengselen."

"Verder?"

"Wel, mij dunkt dus, dat, waar artikel 78 regeerings-reglement spreekt
van "rechten uit den eigendom voortspruitend," er niet anders kan
bedoeld zijn, in de allereerste plaats alweer, dan die rechten van
tjoeké- en garokheffing. Als dus over die rechten twist gevoerd
wordt, zal uitsluitend de rechterlijke macht bevoegd zijn daarin te
beslissen. En dus ..."

"En dus doe ik iets onwettigs met de lui, die heerendienst weigeren,
op de rol te straffen?"

"Naar mijn overtuiging, ja. U handelt daardoor in strijd met de
bepalingen. Evenwel, er zijn mitigeerende omstandigheden ..."

"Ah, er zijn dus verzachtende omstandigheden, gelukkig!"

"Ja, dat de sleur zoo langzamerhand deze onwettigheid schijnt te gaan
wettigen. Anders geen."

"Maar dan, Van Wetten, een vraag."

"Ja?"

"Het reglement op de particuliere landerijen is een algemeene
verordening, niet waar?"

"Ja, zeker."

"Best. Maar dan zou ik wel willen wijzen op artikel 82, eerste alinea,
van hetzelfde regeerings-reglement, dat jij aanhaalt. Dat artikel zegt:
de zaken, welke uit haren aard of krachtens algemeene verordeningen
ter beslissing staan van het administratief gezag, blijven daaraan
onderworpen. En dus, zeg ik op mijn beurt, mijnheer de rechtsgeleerde,
en dus is artikel 78 regeerings-reglement van geen kracht."

Het weinig levendig gesprek der anderen was allengs geheel verstomd en
ook zij hadden, schoon zwijgend, deelgenomen aan het opgewekt debat
tusschen Van Dam en Van Wetten. De triomf van den assistent-resident
was door den dokter begroet met een vroolijk: "Habet, Van Wetten!"

De ontvanger viel dadelijk bij. "Prosit!" riep hij en hij nam zijn
glas op. Van Dam lachte zegepralend. Van Wetten maakte evenwel niet
den indruk van een verwonneling. Een fijn, sarcastisch lachje trok
om zijn lippen. Hij keek de anderen aan en zei:

"Wel, mijnheer Van Dam, ik begreep waar u heen wilde en liet u
dus spreken. Maar zoo spoedig als u wel denkt, hebt u me toch niet
vast, geloof ik. Natuurlijk ken ik uw artikel 82 ook wel, maar dit
mooie artikel is, jammer genoeg voor u, sedert 1857 niet meer van
toepassing."

"Dat is sterk! Ik weet van geen wet, die het regeerings-reglement op
die wijze besnoeid heeft. Volgens mij is het reglement op het beleid
der regeering de handleiding voor al onzen arbeid."

"Dit is ook zoo, zeker, of beter: dit behoorde zoo te zijn,
want natuurlijk houdt men de hand niet aan de bepalingen van dat
reglement. En ook is er geen enkele wet, die een wijziging, als door
mij bedoeld, vaststelt ..."

"Welnu dan."

"... maar het reglement zelf bepaalt het."

"Och kom, jullie juristen leest altijd meer in de wet dan wij; dat
is trouwens jullie beroep."

"Ik dank u voor uw goede meening over ons, mijnheer Van Dam, maar
wat ik nu bedoel, kan ieder openlijk en duidelijk zien staan. Als
dames het regeerings-reglement lazen, zouden zij de bepaling zonder
eenigen twijfel gevonden hebben."

"Van Wetten spreekt in raadselen," merkte Bottenman op.

Van Wetten stelde zijn triumf uit om er des te meer van te genieten.

"Dames kijken immers altijd achter in het boek voordat zij beginnen te
lezen,"--de geestigheid viel heelemaal in het water; niemand vond haar
aardig. Alleen Leentje vond haar "flauw"--"en," vervolgde Van Wetten
"de laatste alinea van het laatste artikel van het regeerings-reglement
zegt dat artikel 82 maar twee jaar van kracht zal zijn."

"Daar wil ik me dan toch eerst van overtuigen," zeide Van Dam, en met
een ruk schoof hij zijn stoel achteruit, liet zijn servet vallen en
verdween in het kantoortje. Hij kwam terug met een regeerings-almanak,
eerste deel, en zocht naar het regeerings-reglement. Toen las
hij: "artikel 132, tweede alinea: Bepalingen, voorkomende in de
verordeningen, vermeld in de eerste zinsnede van artikel 82, die in
strijd zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van artikel 78,
behouden slechts kracht gedurende twee jaren na het inwerking treden
van dit reglement ..."--"Waarachtig, hij schijnt gelijk te hebben. Het
is sterk."

"Och wel neen; het is integendeel zeer duidelijk dat de wetgever
niet op twee gedachten heeft willen hinken en geen tweesoortige
rechtspleging heeft willen in het leven roepen. Of alles voor de
justitie, òf alles voor den politierechter. En, met alle respect
voor de bestuursambtenaren, kan men niet anders zeggen dan dat de
wetgever een goede keus gedaan heeft, door de laatsten prijs te
geven. Dat men maling heeft gehad aan de bepalingen, is de schuld
van den wetgever niet."

"Maar," merkte de assistent-resident verslagen op, "waarom vestigt
ge er de aandacht niet op? Mij dunkt, het is toch een kwestie van
beteekenis en ge schijnt volkomen gelijk te hebben."

"Weet je wat er het eenige gevolg van zou zijn?"

"Nu?"

"Dat ik een hoop schrijverij kreeg, om toe te lichten, enzoovoorts en
dat ik tijd tekort zou komen om alle snertzaakjes te behandelen. Neen,
ik vind het best, zooals het is."

Deze uitspraak wekte geen verbazing in dien kring. Het kwam bij
geen hunner op dat Van Wetten toch eigenlijk zijn plicht niet deed,
door zijn meening, die, naar het scheen, met een beroep op de wet
gehandhaafd kon worden, niet bekend te maken, om zoodoende een
niet geoorloofden toestand veranderd te krijgen. Welneen. Men vond
hem ongetwijfeld erg handig, wat Lientje dan ook onder woorden
bracht. Zij had heel weinig van het gesprokene begrepen en Van
Wetten alleen erg vervelend gevonden, al paste zij er wel voor op
dit te zeggen. Integendeel, zij had nog lof voor hem: "Nou, u is erg
pienter hoor!"

Het spijt mij voor Van Wetten, hier te moeten verklaren dat hij zich
gestreeld voelde door den lof, al kan ik als verzachtende omstandigheid
aanvoeren dat het complimentje vergezeld ging van een veelzeggenden
lonk uit Lientjes donkere kijkers.

De heer Van Dam vond de kwestie zeer interessant; meer dan men van
hem verwacht zou hebben.

"Het is toch frappant," zei hij. "Nu moet je weten dat ik in het eerst
zelf huiverig was om de kerels te straffen. Dat noemden de landheeren
onwil van me. Toch was die onwil alleen een gevolg van medelijden
met de stakkers. Ze moeten hier genoeg schot en lot betalen."

Het was wel eigenaardig uit Van Dam's mond een klacht te vernemen
over het lot van den Javaan, waar hij zelf aan de bestendiging
van dat lot meewerkte uit vrees voor soesah; waar hij zelf de
afgedwongen overeenkomsten registreerde en niet naging of er ook
te veel geëischt werd van het volk; waar hij zelf de lieden deed
binden, als misdadigers, wanneer zij, zich beroepende op hun recht,
protesteerden tegen knevelarij ....

"Hebt gij dan aan het verlangen der landheeren toegegeven?" vroeg
de dokter.

"Moeten toegeven, dokter. De bestraffing voor de rol werd mij door
den procureur-generaal gelast. Zie je, dat is toch wel kras, hè,
Van Wetten?"

"Dat is het. Maar tusschen ons gezegd en gezwegen, de tegenwoordige
P. G. is een prul van een vent, dat is herhaaldelijk wel gebleken."

Alweer kwam het niet bij het gezelschap op zich er over te verbazen
dat den zoo ongunstig beoordeelden ambtenaar dan toch een post van
groot gewicht was toevertrouwd, die hem in staat stelde veel onrecht
te begaan.

"Wie is de tegenwoordige procureur-generaal?" informeerde de ontvanger.

"Mr. Van Vlissingen."

"Feitelijk heeft hij u dan toch aangezet tot onwettige handelingen,"
begon Van Wetten weer.

"Daar moet hij dan zelf ook maar de verantwoordelijkheid voor dragen,"
haastte zich Van Dam te verklaren.

"Natuurlijk, natuurlijk."

"Niet waar, het is toch onwettig, dat u zich ingelaten hebt met de
twisten over den garok, want art. 81 R. R. is uitdrukkelijk genoeg:
alle tusschenkomst van de regeering inzake van justitie, niet bij dit
reglement toegestaan, is verboden. En het was dan ook--onvermijdelijke
consequentie--onwettig, dat de lui gebonden werden opgebracht."

De assistent-resident meende in de laatste woorden van Van
Wetten critiek te moeten hooren op zijn optreden. Dit was hem
onaangenaam. Dadelijk toch ging het door zijn brein: dat binden zou
hem last kunnen veroorzaken. En hij nam zich voor in het vervolg dien
harden maatregel niet meer te doen toepassen.

"Maar hoe kwam de procureur-generaal er toe, u opdracht te geven? Was
er dan geklaagd?"

"In zooverre dat de beide landheeren mij gevraagd hadden om den
procureur-generaal te verzoeken een beslissing te nemen in de
kwestie der heerendienstplichtigen. Die kwestie liep over dit punt:
waren de lieden, in verband met de bepaling van artikel 26 van
het reglement, verplicht tot het verrichten van heerendiensten,
ja dan neen? Mij dacht van niet, want sub c van dat artikel wordt
verklaard dat naar den adat, de volksgewoonten, de lieden worden
vrijgesteld, die nog nooit heerendienst hebben gedaan. En dit was
toch het geval met de Chineezen van Waroe-Lima en Lobening en met
de Arabieren. Nu, de procureur-generaal dacht er blijkbaar anders
over, want hij telegrafeerde terug dat ze wel heerendienst moesten
verrichten. Later is nog een circulaire gekomen, waarin deze beslissing
werd bevestigd. Ik heb ze toen wel moeten straffen."

"Ja, beroerd genoeg voor de kerels."

"En het mooiste is nog, dat de procureur-generaal in die circulaire
zegt dat ze moeten werken tegen een kattie rijst per hoofd en per
dag. Nu, je begrijpt dat de landheeren daar dadelijk profijt van
trokken. Vroeger kregen de heerendienstplichtigen rijst met sajoer
en een vischje. Dat is nou uit ...."

"Maar wat drommel," viel de dokter uit, "als de procureur-generaal
zoo slecht op de hoogte is, wat heeft-ie dan circulaires te schrijven!"

"Ja, wat zal je er aan doen!"

Het gesprek kwam nu op ander terrein, en spoedig daarna waren de
heeren weer aan de speeltafel. Van Wetten was er nu beter bij.

In de binnengalerij zaten mevrouw Van Dam en Lientje. De laatste
had zich verveeld en mevrouw was heelemaal niet te spreken over Van
Wetten, dien ze erg ongezellig vond, wijl hij niet had meegewerkt aan
het welslagen van haar plannen. Maar ze sprak haar wrevel niet uit,
beaamde zelfs den lof van Lientje, die hem "zoo knap" vond.



Toen Pah Asriep en Siman den volgenden morgen van Ing Kiok terugkeerden
met een boekje van Mr. Hazelaar, op verscheidene punten reeds ingelicht
door den jongen Chinees, zagen zij opnieuw een oploop van volk voor
het assistent-residentiekantoor, meest inlanders dit maal.

Er waren lieden van Lobening opgevat. En nieuwsgierigen vernamen
dat er honderd en acht geweigerd hadden in den garok ketjil [188]
uit te komen, verklarende dat zij reeds meer dan 52 dagen van het
jaar heerendiensten hadden verricht. Er was weder politierol.

Acht en twintig inlanders werden dien dag veroordeeld tot drie dagen
gevangenisstraf. De zaak bleek zeer trang en de assistent-resident
verdiende een pluimpje voor zijn snel "recht" ...

Dienzelfden dag ging een telegrafisch protest aan den
gouverneur-generaal in zee. Gelukkig begreep de landvoogd dat er
ernstiger zaken waren dan deze ...



Djiah had in het pakhuis te Herea een zwaren arbeid, dien zij deelde
met een tiental andere vrouwen. Het werk bestond in het stampen van de
padi en het nawannen van de rijst. Men zal zich herinneren dat er dat
jaar reeds hier en daar padi was geleverd in plaats van rijst. Ware
dit niet het geval geweest, dan zouden vrouwen in het pakhuis geen
arbeid hebben gevonden. Het werk was zeer vermoeiend. Te zeven uur
kwamen de vrouwen binnen, om twaalf hadden zij een half uur schafttijd,
om vijf uur des middags waren ze vrij. De loonen varieerden tusschen
vijf en vijftien cents per dag.

Een der oudere vrouwen was, hoewel niet daartoe aangesteld, zoo
iets als opzichteres over de anderen. Kario hield toezicht in het
pakhuis. Kario was een ijverig werkman, die, zoo jong als hij was,
gezag kon doen gelden onder zijn werksters. 'Mboh [189] Sima stond hem
daarbij flink ter zijde. Niet dat de vrouwen noodig hadden telkens aan
haar plichten te worden herinnerd, och neen, maar toezicht moest er
zijn. Het werk moest snel geschieden, want de machine rustte niet en
werkte elken dag voort, sorteerende de vele honderden picols rijst
die binnenkwamen. Twee vrouwen zorgden voortdurend voor nieuwen
toevoer. Ook dit was was wat nieuws. Vroeger waren mannen met deze
werkzaamheden belast, maar vrouwen waren nog goedkooper. Vier anderen
haalden de gesorteerde rijst weg. Dit werk was veel zwaarder dan het
wannen, toch werd niet meer dan tien cents per dagtaak aan elk der
vrouwen betaald. Daarom was er veel afgunst onder de werksters op Djiah
en een andere wanster, Satima, omdat buiten 'mboh Sima slechts zij
beiden het maximum salaris bekwamen van vijftien cents. Djiah vooral
trof die afgunst; zij toch was het kortst aan het werk. Zij was ook
niet begonnen op vijf cents, maar had dadelijk twee en een halven
cent meer bekomen, en tien dagen later reeds was haar salaris door
Kario verhoogd tot tien cents. Inderdaad had Kario hierin alles te
zeggen, want Van Affelen, die begreep hoeveel hij aan den werkzamen
man had, liet hem geheel baas in het pakhuis. Djiah vermoedde dat
zij haar hooger salaris te danken had aan de omstandigheid, dat zij
bij 'mboh Sima inwoonde de week, die zij te Herea bleef. 'Mboh Sima
was een tante van Kario en zij had zeker een goed woordje gedaan bij
den mandoer. Ook woonde Djiah zoover weg en zij had dus meer kosten
dan een ander. Want telkens als zij huiswaarts ging, gaf zij haar
kostvrouw een dubbeltje voor het inwonen. Voor den kost zorgde zij
zelf. De kleine Rekso ging iederen morgen mede naar het pakhuis,
werd op tijd gelaafd aan de moederborst en sliep overigens op een
hoop gonnizakken in de afdeeling, waar weer andere vrouwen bezig
waren met het dichtnaaien der voor de verzending gereed gemaakte
zakken rijst. Hier werd meer betaald. De loonen liepen voor deze
vrouwen tot zeventien en een halven cent daags en Djiah had al eens
aan 'mboh Sima gevraagd of zij niet daar aan het werk kon komen. Zij
zou die twee en een halven cent daags mèèr zoo best kunnen gebruiken!

De andere vrouwen in haar eigen afdeeling, meest meisjes, waren van
een vrij lichtzinnig slag, dat had Djiah al spoedig gemerkt. Haar
gesprekken wezen dat wel uit. Vooral de mollige, stevige Satima was
een ondeugd. Wel, ze maakte er ook geen geheim van, dat ze precies wist
waar Abraham de mosterd haalde. Men wist van haar te vertellen dat ze
in den Oosthoek een tlèdèk [190] was geweest en erg veel geld verdiend
had, niet zoozeer met het dansen, als wel met wat daarna komt. Satima
sprak over die dingen zelf niet. Het was nergens noodig voor. En
evenmin vertelde ze haar gezellinnen dat ze mandoer Kario heelemaal
had weten in te palmen, dat Kario heel vaak des nachts bij haar kwam
en dat zij daaraan haar hoog salaris had te danken en daaraan alleen,
want voor den arbeid was zij vrijwel de minste. Zooals reeds gezegd,
Kario was een don Juan en daarin ligt de verklaring dat de vrouwen in
het pakhuis meest jong en mooi waren. En in haar eigen belang moesten
zij wat toeschietelijk zijn. Trouwens in de desa's neemt men het zoo
nauw niet met de zedelijkheid, of, om het juister uit te drukken,
met onze begrippen van zedelijkheid.

De andere vrouwen hadden het land aan Djiah. Eerstens omdat zij
meer verdiende dan de meesten, dan wijl zij een vreemdelinge was,
de eenige, die niet in Herea thuis hoorde, en ten slotte wijl men
haar om haar fijn gezichtje en lief figuurtje benijdde, want al heeft
de vrouwelijke afgunst in de desa zich niet zoo sterk ontwikkeld als
in onze zeer beschaafde en zeer brave westersche maatschappij, die
ondeugd bestaat er niettemin. Onder elkander beschouwden de vrouwen
als vaststaand, dat Kario ook in Djiah's gunsten deelde. En de gewone
zinspelingen op die veronderstelde verhouding had Djiah ook moeten
hooren. Ze had echter altijd gezwegen. Maar ze vreesde toch avances
van Kario, die haar vaak zoo zonderling kon aankijken.

'Mboh Sima alleen hield van de stille, bescheiden vrouw. En aan de
oude had Djiah eens haar bezorgdheid geklaagd, toen Kario haar op
een middag had aangeboden een kopje koffie bij zijn vrouw te komen
drinken. Djiah had zich verontschuldigd, want openlijk weigeren durfde
ze niet. Thuis gekomen had ze 'mboh Sima haar vrees toevertrouwd:

"Ik ben bang, 'mboh, dat Kario iets slechts van mij wil." En ze
motiveerde haar onrust.

'Mboh Sima had eens gelachen.

"Kleine dwaas. Als ik in mijn tijd preutsch was geweest zou ik nou geen
eigen huisje met een tuintje hebben. Er steekt toch weinig kwaad in,
vind ik. De mannen nemen wel twee en meer vrouwen, waarom zouden wij
niet ..."

"Maar, 'mboh, en de adat dan!"

"Nou ja, de adat. Weet je, de adat verzet er zich pas tegen, als je
zoo dom bent om het te laten merken. Maar je moet zooiets niet laten
merken. En dan is er toch weinig ergs in."

Ik zeide immers dat men in de desa een andere zedelijkheid huldigt
in dit opzicht en de eerste gedachte van Djiah, die toch volstrekt
geen slecht schepseltje was en zich voor geen geld met een blanke zou
afgeven, betrof niet het onvoegzame van den echtbreuk, maar den adat,
die, door mannen uitgedacht zich er tegen verzette. Ook de tweede
gedachte gold niet den immoreelen kant der kwestie, maar haar man.

"Als Siman er van wist, zou hij mij vermoorden ..."

"Natuurlijk, daar zou hij ook schoon gelijk aan hebben. Neen,
in zulke zaken moet je den man er buiten laten," lachte de oudere
vrouw, terwijl zij de stoomende rijst in den koekoesan [191] van den
koperen dandang [192] haalde. Djiah volgde, in gedachten verzonken,
haar bewegingen. Het zag er hier toch maar wàt netjes uit, bij
'mboh Sima! Daar was de zwaar koperen dandang. Die moest geld gekost
hebben. Zij bediende zich thuis maar van een blikken ... Wat zag die
zwart. Zoo'n blikken kreeg je nooit meer schoon van het roet ... Een
koperen was toch veel meer waard ... Maar och, zij had geen geld
... Ze zou zoo iets wel nooit kunnen aanschaffen ...

Nu stond 'mboh Sima bij een klein hoektafeltje, netjes geverfd. Er
lag een verschoten kleedje op en op het kleedje stond een vergulde
lamp ... Ja, waarlijk een petroleumlamp. Zoo dadelijk zou ze haar wel
opsteken ... en dan was het er zoo gezellig, in het binnenvertrekje
... Zij, thuis, moesten zich altijd behelpen met een palita ... die
walmde zoo, en dan rook alles naar roet ... Als zij ook eens zoo'n
heldere lamp konden hebben, hè ... Maar er was geen geld ...

Ze schrikte op uit haar mijmering door den stem van 'mboh Sima,
die als het ware haar gedachten geraden had:

"Is het nog altijd zoo armoedig bij jullie, Djiah?"

"Ach god, ja, 'mboh. Heb ik je al verteld dat de katjang mislukt is,
en de djagong ook? Die is nauwelijks goed voor veevoeder. En Mah Ten
is weer ziek geweest, en de doekoen moest weer betaald worden. En
nu wil Ipah al gauw gaan trouwen, en wij helpen haar natuurlijk
met haar inkoopen.--Ach ja," zei ze zuchtend, "wij inlanders hebben
altijd soesah."

"Kon je nu maar wat meer verdienen, hè? Als je nu bij het zakkennaaien
kon komen te werken. Ik zou Kario het toch wel eens kunnen vragen. Hij
zal het voor mij misschien wel doen.--Dat zou wel mooi zijn, vindt
je niet? Een gobang [193] per dag meer."

"Och ja, 'mboh, doe je het, toe?" vleide Djiah.



Een dag of wat later kwam 'mboh Sima thuis met de blijde boodschap,
dat Kario niet ongenegen was Djiah te helpen. Hij had medelijden met
het arme vrouwtje, met wier kommervolle huiselijke omstandigheden hij
bekend was. En de gelegenheid deed zich voor, want een van de vrouwen
in de afdeeling, waar de zakken werden dichtgenaaid, ging heen en
Djiah zou haar kunnen vervangen. Kario zou het haar wel mededeelen,
wanneer zij kon invallen. Djiah verheugde zich zeer over deze blijde
tijding. En eerder dan zij dacht kreeg zij het postje.

Op een avond was zij bezig den kleinen Rekso in slaap te wiegen. De
mollige kleine vent had het wat in den buik en was huilerig en
lastig. In haar kamertje zat de jonge vrouw op de balé en suste
den kleine met lieve naampjes, hem heen en weer wiegende. Maar de
dwingeland was niet in slaap te brengen. Dan maar het probate middel
beproefd: Rekso werd aan de borst gelegd. Hij huilde nog wel even,
maar spoedig daarop begon hij zich te laven.

"Ik ga even weg, Djiah," zeide 'mboh Sima, haar hoofd naar binnen
stekend. "De koe van Pah Marto heeft gekalfd. Hij heeft bepaald
oentoeng, het is een koekalf, het vorige jaar ook al.--Ik moet toch
even gaan kijken."

"Goed, 'mboh, ik zal wel op je wachten," antwoordde Djiah en ze
strekte zich met den kleinen dorstigen Rekso op de balé uit.

Nog was 'mboh Sima niet lang weg of Djiah hoorde de deur weer opengaan
en stappen in het vertrekje. Zij verwonderde er zich nog over dat
de vrouw zoo gauw weer terug was (want Pah Marto woonde heel aan
het andere einde van de desa), toen in de deuropening opeens een
mannengestalte zich vertoonde. Djiah schrok, richtte zich plotseling
op, waardoor de kleine het weer op een dreinen zette, en trok haar
sarong over de bloote borsten op.

De man in de deuropening had de verleidelijke figuur der vrouw evenwel
reeds gezien.

Het was Kario.

"Wees niet bang, Djiah," zeide hij. "Ik kwam binnen en vond niemand. En
toevallig zag ik de kamer in; ik wist niet dat jij hier was."

De man was volkomen oprecht.

Djiah had een kleur gekregen en in haar verlegenheid trachtte zij
slechts den kleine te sussen.

Toen trad Kario de kamer binnen en zette zich op de balé neer.

Djiah voelde plotseling een grooten angst over zich komen over deze
schending der étiquette. Wat wilde Kario toch? Gelukkig was de kleine
nu stil. Hij sliep en voorzichtig legde Djiah hem in zijn hangwiegje.

Toen keerde zij zich met den rug naar Kario, maakte snel haar sarong
vast en speldde de kabaja dicht.

"Willen wij buiten zitten," vroeg Djiah en ze ging reeds naar de deur,
"'mboh Sima komt dadelijk thuis."

Kario deed alsof hij haar niet gehoord had en zeide, zonder van het
rustbed op te staan:

"Ik kwam je eigenlijk maar vertellen, Djiah dat je morgen reeds
over kunt gaan, als je wilt. Djena heb ik vandaag voor het laatst
uitbetaald."

De hoop op meer verdienste was zoo groot bij Djiah, dat zij zich
zelfs in deze pijnlijke positie niet bedwingen kon.

"Is het waar, kang? Ik dank u."

"Maar je weet, Djiah, dat ik het in mijn macht heb om je weer te
ontslaan?"

"Zeker, kang, maar waarom ..."

"Waarom ben jij altijd zoo stug tegen mij, Djiah? Ik heb je toch
nooit kwaad gedaan?"

Djiah stond geheel verschrikt. Nu wist ze wat Kario wilde. Ze was
zoo bang, zoo bang. Waarvoor wist ze niet. Maar afkeer voor Kario
gevoelde zij niet.

De jonge man was opgestaan en had haar zacht bij de pols gegrepen,
terwijl hij met de andere hand de deur toeduwde.

De arme Djiah kon van schrik niet spreken en liet zich willoos naar
de balé trekken. Toen echter trachtte zij zich los te maken uit de
hand van den mandoer.

"Niet doen, Kario, niet doen," hijgde zij, "'mboh Sima komt dadelijk
thuis."

"Ik heb 'mboh Sima uitgestuurd, lieve Djiah," loog Kario en hij sloeg
zijn arm om haar heen, terwijl zijn heete adem Djiah in den hals
brandde. Hij dwong de vrouw neer te zitten. Maar zij verzette zich:

"Ik wil niet, Kario, ik wil niet. Ik ben immers getrouwd, Kario. Er
zijn veel mooiere vrouwen dan ik. Ik wil niet ... ik wil niet ..."

"Er is geen zoo mooi als jij, Djiah," fluisterde de verleider, die
zich handtastelijkheden begon te veroorloven.

"Ik wil niet," hijgde de vrouw.

"Ben ik dan niet goed voor je, Djiah? Ik kan je dadelijk ontslaan als
ik wil. Maar ik help je, morgen kun je al weer meer verdienen. Waarom
zou je mij tegen je stemmen--thuis heb je bijna niet te eten, mijn
lief ..."

De waarheid van zijn woorden trof haar met snijdende scherpte. En zijn
bedreiging nam reusachtige proporties aan. Zij dacht er niet aan dat
ze misschien ook elders wat kon verdienen; slechts het schrikbeeld
van ontslag uit het pakhuis, het verlies van de een gulden vijf cents
in de zes dagen, schemerde voor haar oogen.

"Dat moet je niet doen, Kario!" kreet zij. De mandoer begreep de
juiste snaar aangeraakt te hebben.

"Ik zal het wel doen als je niet lief bent," dreigde hij.

Hij had het gewonnen.

"Maar Siman, mijn man ..." zuchtte zij.

"Siman weet niets ..."



Voordat 'mboh Sima terug was, had Kario zich reeds verwijderd. Toen de
oude vrouw haar woning weer binnentrad, had Djiah zich reeds geheel
hersteld van de doorgestane emotie. In haar oedit [194] voelde zij
den halven gulden, dien Kario haar gegeven had: "Koop maar wat moois
voor je, lieveling," had hij haar toegefluisterd.

Zij had het geld aangenomen. Waarom niet?

Begreep zij, die gevallen was uit vrees voor geldgebrek, dat zij haar
daad slechter kleurde door betaling te ontvangen?



Sedert was Kario meer gekomen. Hij scheen te weten, wanneer 'mboh
Sima niet thuis was, dacht Djiah. Maar zij begreep nog niet dat de
oude vrouw door haar neef was ingewijd in hetgeen er in haar woning
geschiedde. Djiah gevoelde zich niet meer angstig of verschrikt. Zij
gaf zich aan Kario, geheel zonder toeneiging voor den man, die van zijn
gezag misbruik maakte op zoo lage wijze. Eerst kwam Kario bij haar als
'mboh Sima afwezig was. Maar och, de oude vrouw liet spoedig blijken
dat zij kennis droeg van de verhouding en het mag tot haar eer gezegd
worden dat zij het erg laf vond van Kario, maar er Djiah niet minder
om genegen was. En Kario kwam toen ook bij zijn onvrijwillige minnares
als de oude vrouw thuis was. En in het pakhuis wist men weldra ook
alles. Vooral Satima was gebeten op Djiah, want Kario gaf meer om
de reine Soendaneesche dan om haar, de volleerde boeleerster. Djiah
nam den toestand als een beschikking des hemels. Zij was zich geen
kwaad bewust.

En wie, die het volk van Indië kent in zijn zeden en gewoonten,
zijn begrippen van moraal, zal die meening niet deelen?



Intusschen hadden de grootere inkomsten van Djiah--want Kario was
voor haar altijd mild--wel eenige verwondering gewekt bij Siman, en
telkens als Djiah na een week te Gatok kwam, moest zij een leugentje
verzinnen om die meerdere ontvangst te verklaren. Argwaan koesterde
Siman niet. Hij nam voor goede munt aan de uitlegging van zijn vrouw,
dat zij in haar vrijen tijd tjoekérijst verstampte voor de desalieden
te Herea en had waarlijk respect voor zijn vrouwtje, dat er zich zoo
dapper doorheen sloeg.



Het was een regenachtige avond, toen Pah Asriep en zijn metgezellen
eindelijk te Herea kwamen. Zij waren niet over Herea gegaan toen zij de
reis maakten naar Telatiga. Maar Siman had Djiah willen opzoeken. Zij
zou juist den volgenden dag vrijaf hebben; dan konden zij samen naar
Gatok verder gaan.

Het was laat, over negenen reeds. Druilerig siepelde de regen nog
na. De hemel was zwaar bewolkt en geen ster schitterde aan het donker
zwerk. Siman klopte aan bij de woning van 'mboh Sima. De anderen waren
in een warong achtergebleven. De oude vrouw deed open en herkende
Siman, die reeds een paar maal tijdens een oponthoud te Herea, zijn
vrouw had opgezocht. De vrouw schrikte zichtbaar.

"Schrik niet, moedertje," zeide Siman vroolijk, "waar is Djiah?"

De oude had zich al van den schrik hersteld.

"Je hebt me waarlijk doen schrikken; natuurlijk, ik dacht dat je te
Gatok was. Hoe kom je zoo op eens hier?"

"Ik kom van Telatiga, weet je, een heele reis," blufte hij.

"Van Telatiga? Wat heb je daar uitgevoerd?"

"Ik ben gaan klagen bij den assistent-resident," was het
kwasi-nonchalante antwoord. "Maar waar is Djiah toch?"

"Astaga, zijn jullie gaan klagen! En heeft het wat geholpen? Waarover
hebben jullie geklaagd?"

"Over de heerendiensten en over de rijstlevering, en nog over een heele
boel meer. Geholpen heeft het niet. Neen, de assistent-resident durft
niet, zie je, moedertje, de landeigenaren hebben te veel kwassa. Maar
zeg, mah, waar is Djiah? Ze is toch nog altijd bij je? Is ze niet
thuis?"

"Neen."

"Is ze niet thuis? Op dit uur? Wat drommel, waar is ze dan heen?"

De oude zat op heete kolen. Zij wist dat Djiah bij Kario was. Dat
gebeurde in den laatsten tijd meer, telkens wanneer Kario zijn vrouw
had weggezonden, hier of daarheen, was Djiah 's nachts bij hem. Ze
kwam dan vaak heel laat thuis. Een geheelen nacht bleef ze nooit:
dat zou te opvallend zijn. Het trof dan toch ook bepaald ongelukkig,
dat Siman juist van avond moest komen.

"Ik weet niet; ze zei daareven, dat ze wat moest halen bij een vriendin
van haar?" loog de oude.

"Wat moest halen? Dat had ze dan toch ook wel morgen kunnen doen?"

"Neen, ze was aan het naaien van een hemdje voor Rekso en toen had ze
geen garen meer, zie je,--nou, en ik heb ook niets in huis, hé--en
toen zeg ik zoo, ga maar eens vragen, hier of daar. Ja, zegt ze,
ik zal Satima vragen. Ze had al terug kunnen zijn. Zeker, ze had al
terug kunnen zijn, maar ik denk, de regen zal haar opgehouden hebben."

Bij Siman was argwaan gewekt, maar de leugens van 'mboh Sima hadden
hem weer gerust gesteld.

"Slaapt de kleine?" vroeg hij.

'Mboh Sima nam dadelijk deze afleiding te baat.

"Ja, hij slaapt, de lieve vent. Och, het is toch zoo'n aardig kereltje,
dat weet je niet half. Hij is altijd zoo zoet, heelemaal niet lastig,
en hij huilt bijna nooit. Je moet hem eens zien. Het is een pracht
van een jongen, hoor!"

Siman voelde zich gevleid. Hij ging mee naar de kamer en schoof de
voorgehangen sarong op zijde om lachend naar zijn eersten spruit te
zien. Het jongetje lag met gebalde vuistjes te slapen.

"Wil je niet wat eten, Siman? Ik heb nog wat rijst met visch."

Siman had honger en nam de uitnoodiging aan. Onder het eten kwam zijn
ongerustheid over het lange uitblijven van Djiah weer op.

Hij stond op en zeide tot 'mboh Sima:

"Het heeft nu toch heelemaal opgehouden met regenen. Waar blijft mijn
vrouw toch? Waar woont die Satima, mah? Ik wil eens gaan kijken of
ze daar is."

"Wat een gekheid!" riep de oude verschrikt. "Ze zal nu wel dadelijk
thuis zijn. En als je 'r gaat zoeken, loopen jullie elkander mis en
dan maken jullie je beiden noodeloos ongerust. Drink eens een kopje
warme koffie; hè, dat zal smaken met dit koude weer."

Maar Siman vond het aandringen der oude lastig en verklaarde toch maar
te zullen gaan. Met veel moeite kwam hij te weten, waar Satima woonde.

Snel liep hij naar de aangeduide woning, waar Satima en een andere
jonge deern samenleefden en een bedrijf uitoefenden, dat niet nader
omschreven behoeft te worden. Er brandde nog licht.

Siman klopte en uit een der kamers kwam een vrouwenstem:

"Wie is daar?"

"Woont hier misschien ook Satima?" was de wedervraag.

De bamboezen deur ging krakend open, en in het licht verscheen een
vrouwelijke gestalte. Het gelaat was dik gebedakt [195]; om den hals
droeg de vrouw een bloedkoralen-ketting, reusachtige oorknoppen met
valsche steenen hingen in de ooren. De mollige armen waren bloot;
een stijve koetang [196] met kantjes hield de weerspannige borsten
in bedwang.

"Ik ben Satima," zeide zij, "wat wil je en wie ben je?"

"Is je vriendin Djiah hier ook?"

"Mijn vriendin Djiah! Neen, die moet je ergens anders zoeken."

"Waarzoo dan?"

"Kom maar binnen, dan zal ik het je zeggen," en meteen greep ze Siman
bij den arm en trok hem naar binnen, de deur achter zich toehalend.

"Wat wou jij nou van die magere Djiah?" vroeg ze, haar arm vrijpostig
op zijn schouders leggend, "Buiten is het koud, en hier is het
warm. Wees niet mal."

Siman huiverde even. Was deze deern de vriendin zijner vrouw? Dat
kon niet. Hij zou zich vergist hebben in het huis. Domkop, waarom
had hij ook niet beter uitgekeken?

"Waar woont Satima?"

"Zeg, ben jij wijs, lekkere jongen? Ik heb je toch gezegd dat ik
Satima ben."

"Maar ik bedoel, die in het pakhuis werkt?"

"Juist, die ben ik."

"Ken jij Djiah dan?"

"Natuurlijk ken ik haar."

"'Mboh Sima zei dat ze bij jou was om een klosje garen te halen."

Satima lachte luid op.

"Ze heeft wel wat anders te doen, zeg, dan klosjes garen te zoeken!" Ze
lachte weer. "Die mop is goed!"

Siman werd driftig. Hij was de deur alweer uitgestapt maar keerde
zich op de laatste woorden van Satima nijdig om:

"Wat bedoel je daarmee, slet? Pas op, of ..."

"Scheldt jij die mooie Djiah voor slet. Ben je wel wijs, man. Ik ben
niet getrouwd!" Meteen sloeg ze de deur dicht.

Het was Siman, als had men hem voor het hoofd geslagen. Wat had dat
gemeene schepsel bedoeld? Ze loog, natuurlijk. Ze loog. 'Mboh Sima
had gezegd, dat Djiah misschien ook bij Soeninten kon zijn. Zeker,
natuurlijk zou ze daar zijn. Maar hij had vergeten te vragen waar
die woonde. Wacht, dat kon hij nog wel doen. En van buiten riep hij:

"Zeg, Satima, waar woont Soeninten?"

"Daar hoef je 'r niet te zoeken. Als je toch zoeken wilt, zoek dan
maar om de west."

En meteen ging binnen het licht uit.

Een vreeselijke gedachte kwam opeens bij Siman op. Zou Djiah
.... Maar neen, dat was niet waar. Wie het zei, loog; hij zou hem
kunnen vermoorden! En toch--ze bracht in den laatsten tijd veel geld
thuis. En laatst had ze een mooie pending meegebracht. Die moest
geld gekost hebben. Wat had ze toen ook weer gezegd? ... Dat ze het
sieraad voor een prikje gekocht had bij een dagang [197] .... Maar,
dat was waar. Hij zou er een eed op hebben kunnen doen. Ze logen,
die Djiah slecht zouden noemen.

Driftig ging Siman heen. Hij had haast en liep onwillekeurig naar het
westen, de richting, die Satima hem aangegeven had. Maar een doel had
hij niet. Hij kwam aan een kruispunt. Een vrij aanzienlijke woning
stond links van hem. Een groote doerianboom verhief zich vlak voor
het huis, zwermen tjodots vlogen om den fraaien kruin; een sterke
bloesemgeur vulde de lucht. Siman bedacht zich. Welken kant zou hij
uitgaan. Zou hij nog wel verder zoeken? Maar waar? Het was nutteloos,
doelloos. Hij wist immers heg noch steg. En ook kon hij toch niet in
elke woning vragen of zijn vrouw daar was ....

Hij ging terug naar het huisje van 'mboh Sima. Misschien was Djiah
nu al thuis. Hij was gek, dacht hij. Wat was er nu voor reden om zich
zoo op te winden?

Hij werd kalmer en toen hij voor de woning van 'mboh Sima stond,
was zijn drift verdwenen. Slechts onrust kwelde hem. Hij stiet de
deur open en met blijdschap zag hij zijn vrouw met 'mboh Sima aan
het tafeltje zitten.

Zij kwam dadelijk op hem toe, vriendelijk.

"Ik hoor van 'mboh, dat je mij gezocht hebt, Siman; waarom niet
gewacht? Ik was juist even uitgegaan. En toen ik thuis kwam, zei 'mboh,
dat je net weg was ... Waar kom je vandaan, zeg? ... En heb je Rekso
al gezien, hij is zoo'n zoete, lieve jongen ...? En wat wordt hij dik,
hè ...?"

Het was Siman niet ontgaan dat Djiah zeer bleek en ontdaan zag. Ook
was hem de gejaagdheid in haar spreken opgevallen. En plotseling
greep het spook van den argwaan hem opnieuw bij de keel. Het dreigde
hem te verstikken. Een schemer trok voor zijn oogen.

"Waar ben je geweest?" kreet hij in woede.

Djiah verschrok van zijn gelaatsuitdrukking. Zij aarzelde, kon zoo
spoedig geen leugen verzinnen; ach God, ze was zoo weinig gewoon
te liegen!

"Ik moest ergens heen" ... stamelde ze.

"Waarheen, waarvoor?"

"Ach, Allah, vergeving, Siman, vergeving, wees niet boos ...."

"Vergeving? Vergeving!? Waarvoor?"

'Mboh Sima wilde de situatie redden.

"Ik heb je immers gezegd, Siman, dat ze ...." begon de oude. Maar
woedend viel Siman uit:

"Zwijg jij. Jullie liegt me voor. Jullie liegt .... Waar ben jij
geweest zeg, hè, zeg op ..... waar ben je geweest!!" Heftig schudde
hij de jonge vrouw door elkander.

Djiah verging van ontzettenden angst en verijdelde daardoor het pogen
der oude vrouw. Ze wilde liever bekennen, dan nog langer die marteling
doorstaan. Alles liever, dan ....

"Ik ben niet slecht, Siman ..... ach, geloof me toch ... Siman .. ik
ben niet slecht .." Ze wierp zich op den grond voor haar echtgenoot,
omvatte zijn knieën, maar Siman was meedoogenloos. Hij rukte haar
ruw weer op de been en snauwde haar toe:

"Als je het niet gedaan hebt ... vrouw ... waarvoor vraag je dan
vergiffenis? Jij liegt ..... vervloekte h...."

"Neen ... neen ... Siman, zeg dat niet ... zeg het niet ... Allah,
Allah, Siman, Siman ... vervloek me niet ..."

Ze huilde, ze snikte, wentelde zich over den grond; de lange haren
waren losgeraakt de kabaja was opengescheurd ... Die wanhoop van haar
was voor hem een vreeselijke openbaring, die door zijn gemartelde
hersenen flitste: Ze was schuldig ... ze was schuldig! Hij dreigde
te bezwijken, hij wankelde,--maar zijn mannentrots was te sterk,
de beleediging te zwaar:

"Een hoer ben je!" schreeuwde hij, "... een hoer ... vervloekt zij
je ... vervloekt de vrouw, die je baarde ... vervloekt je kind ...!"

"Het is jouw kind, Siman ... het is jouw kind!" jammerde de
ongelukkige.

"Je liegt ... je liegt ...!" Het schuim kwam Siman om den mond. Een
hartstochtelijke begeerte maakte zich van hem meester: de vrucht, die
zij bij zich omdroeg, uit dat lichaam te trappen ... te trappen. Het
was niet zijn kind! ... Het was een kind van een ander ...

"Wie is het! ... wie is het? Zeg op of ik vermoord je!"

Hij viel op haar neer, sloeg haar met de vuisten in het gezicht,
wurgde haar bijna ...

"Vergeving ... Siman," reutelde Djiah, "ik zou ontslagen worden
... Siman ... geloof me toch ... Siman ... ik móest ... Oh, Allah
hoort mij ... ik moest ... ik móest."

"Wie is het ...?"

"Er is geen eten genoeg ... voor ons niet ... voor Rekso niet ... Siman
... als ik niet blijf werken ... ik moest ... Allah weet ... ik wilde
niet ..."

"Zeg op, vrouw ... wie is het?"

Het was nauw meer een menschelijk geluid, dat uit zijn borst
ontsnapte. Hij gilde. 'Mboh Sima was naar buiten geloopen ... ze bleef
luisteren aan de deur. Als Siman zich maar niet vergat ... Och God,
wat was Djiah toch dom ... kassian! [198]

Binnen huilde Siman:

"Zeg op ... zeg op! ..."

"Kario," snikte Djiah.

Een oogenblik was Siman als verlamd, nu hij den roover van zijn eer
hoorde noemen. Toch had hij dien naam willen vernemen. Waarom? Waarom
wilde hij zijn vijand kennen? Hij wist het niet.--Ja toch, hij wist
het wel ... Wraak, wraak wilde hij ....

En hij trapte tegen de roerlooze vrouw, die slet, die ellendige;
hij trapte haar op den buik ... met opzet, woedend ... hij wilde
doodtrappen dat vervloekte kind, waarvan ze zwanger was ... hij trapte
... drie, viermaal ...

Djiah kreunde, toen stiet ze plotseling een hartverscheurenden kreet
uit en bleef bewegenloos liggen, buiten kennis.

Siman was weggehold, zonder hoofddoek. Waarheen? Hij wist niet ...

Wat wilde hij? Toen opeens verzamelden zich zijn gedachten: ze
brachten hem het beeld van zijn doodsvijand voor oogen. Hij kende den
ellendeling van vroeger. En toen wist hij wat hij wilde: hem dooden.

Hij wist de woning van Kario te vinden, aan het kruispunt. Het was
kenbaar aan den doerenboom.

Daar was het huis ... er brandde nog licht ... de deur was nog niet
afgesloten.

Siman rende de nachtronde voorbij ... zonder te letten op hun roep
... zonder te bemerken dat men hem volgde ... Hij wierp de deur
open ... Kario lag op de baleh, rookend. En eerst toen Siman dien
man zag, dacht hij aan zijn kris, poesaka van zijn vader, die nu
zijn eer zou wreken. Voordat Kario begreep wat er ging gebeuren,
lag de woesteling op hem ... De kris ging omhoog, en diep plantte
zij zich in den schouder van Kario. Siman was te verblind om juist
te treffen. De getroffene worstelde tegen, om hulp roepend ... Weer
ging de kris omhoog ... weer trof zij slecht ... De derde maal voelde
Siman dat iets zijn arm tegenhield .... Hij zette zijn tanden in den
hals van den mandoer ... beet ....

Met groote moeite trok de ronde hem van zijn slachtoffer af. Voordat
hij het wist, was Siman geboeid. Hij voelde de touwen in zijn polsen
schrijnen. Een groote volksmenigte was in de woning gedrongen. De
roep van Kario: "Toelong ... amok [199]...!" had velen gewekt.

Siman hoorde een geroezemoes van stemmen om zich heen. Hij zag het
bloedende lichaam van Kario, waaruit alle leven verdwenen leek. In
den mond had hij nog een bloedsmaak, tusschen z'n tanden zaten nog
stukjes vleesch ....

Een gevoel van berusting, van kalmte kwam over hem ... Zijn wraak
was gekoeld.

Men bracht hem weg. Hij zag Pah Asriep, die hem met groote deernis
beschouwde, hoofdschuddend in niet begrijpen. Men voerde hem
voor den opzichter, die last gaf hem dien nacht bij den demang te
huisvesten. Morgen zou men hem opsturen naar Telatiga.

"Wie is het?" vroeg Van Affelen aan het hoofd der ronde, die hem
meegedeeld had wat hij wist.

"Siman van Gatok, doro," [200] luidde het antwoord.

"En wat is nu weer de oorzaak?"

"Koerang priksa, doro." [201]



Drie maanden reeds zat Siman preventief in de gevangenis te
Telatiga. Hij vond het een vreeselijke tijd. En toch, de meeste
preventief gevangenen in Indië wachten langer op de berechting hunner
zaak. Wat maakt het ook uit, nietwaar? Voor een inlander! Een inlander
voelt niet als wij, al eet en drinkt hij als wij, beweegt hij zich
als wij. Zijn gevoel is anders; hij heeft anders lief, lijdt minder
dan wij; zijn gemoedsleven is ruwer. Hem deert het niet te leven in
onzekerheid over het lot van vrouw of kind .... Zoo denkt men. En
ten onrechte. Ten onrechte ook haast de justitie in Indië zich niet
met het berechten van eenvoudige strafzaken.

En voor Siman leek de zaak eenvoudig genoeg. Hij had een medemensch
vermoord--op zijn beurt zou hij gedood worden. Siman dacht niet na over
de ruwheid van het menschelijk rechtsbegrip, dat een leven voor een
leven eischt. Hij, natuurkind, zou de idee der lynchwet zelf gebillijkt
hebben als hij er over nagedacht had. Alleen vond hij het wachten nu
grooter straf dan het vonnis, hoe dit ook luiden mocht. Met de door ons
nooit begrepen grootheid van ziel, die den Aziaat met in het avondland
onbekende waardigheid doet berusten in het onvermijdelijke, had hij
zich voorbereid op den dood op het schavot. Hij bedacht niet eens hoe
hij zich verdedigen zou. Ja, hij wist niet eens dat hem de gelegenheid
tot verdediging geboden zou worden. Ons Recht kende hij niet, en hij
zou het ook niet begrepen hebben, gesteld dat hij het gekend had.

Vaak dacht hij in de lange, eenzame uren aan Djiah en haar beeld kwam
hem voor den geest als het beeld van een engel. Het deed hem zoo innig
leed niets van haar te vernemen, noch ook van Rekso, noch ook van de
anderen in Gatok. Telatiga was ver weg. Wie zou hem tijding brengen
van Gatok? Pah Ran? Maar Pah Ran zou gebeten zijn op hem wegens de
ruwe behandeling van zijn dochter. Zouden ze de middelen hebben om te
leven? Het regende nu vaak--zou de padi mooi staan? Kwam er niet te
veel water op de sawahs? En als dit wel zoo was, zou Pah Ran dan alleen
het werk afkunnen? Pah Roesmi, Ipahs verloofde, zou hem kunnen helpen.

Dan dwaalden zijn gedachten weer af naar Djiah. Hij zag haar weer
voor zich liggen, het gelaat verwrongen van doodsangst en smart, haar
mooie gezichtje, dat hij had geslagen met zijn harde mannenvuisten. O,
hij was slecht geweest, voorzeker, hij had haar niet behoeven te
mishandelen. Zij was toch eigenlijk niet schuldig geweest. Gedwongen
was ze; uit vrees voor geldverlies had ze 't gedaan.

Maar hij, die Kario ... Nog balde hij de vuisten als hij dacht aan
dien ellendeling en hij dankte Allah, dat het hem gegeven was geweest
zijn vijand te dooden ... En dan berustte hij weer ... Om even later
weer te denken aan den kleinen Rekso, die weldra geen vader meer zou
hebben. Maar daarover tobde Siman niet lang. Zijn moeder zou Rekso
wel zeggen, later, als hij ouder en grooter werd, waarom zijn vader
gestorven was en hoe; en zijn dood zou hem eeren in het oog van zijn
zoon ... En het andere kind ...

Siman had langen tijd gehad in de gevangenis. Hij was tot rust
gekomen, hij had begrepen dat het zijn kind was; dat Djiah niet
gelogen had. Hij kon het nu weten, bij kalm nadenken .... Maar,
zou hij dat tweede kind van hem niet hebben doodgetrapt ... in den
schoot der moeder? ... Folterende onzekerheid! ...

Dan proefde hij weer het bloed van Kario in den mond ... en
berustte. Allah had het gewild.

Als hij maar niet veroordeeld werd tot dwangarbeid! ... Dat was zijn
schrikbeeld. Uit zijn tralievenster had hij de dwangarbeiders aan
het werk gezien. Er waren groote misdadigers onder, inbrekers, die
het goed van anderen hadden gestolen, roovers, die tijdens het rooven
moordenaars hadden moeten worden; een was er, die zijn vrouw en twee
kinderen had vermoord, om een kleinigheid, in een huiselijken twist
... Dagelijks zag Siman hen in hun bruine gevangeniskleeding. Ook hem
was zoo'n uitrusting bezorgd, omdat hij slechts zijn broek en zijn
gescheurd baadje aan had, toen men hem arresteerde. Geld om zich
andere kleederen aan te schaffen had hij niet. Den avond van zijn
arrestatie, toen hij gebonden lag in de boei bij de demangswoning te
Herea, had een politieman hem gefouilleerd en hem alles afgenomen,
ook zijn geldzakje. Er was nog bijna drie gulden in aan zilver en
koper. Hij had het niet weergezien. Maar aan die bruine kleeding
wilde hij niet wennen. Hij droeg ze niet. Slechts een hoofddoek had
hij omgedaan ... Die schande ... als men hem slechts daarvoor spaarde
... Die gevangeniskleeding vond hij vreeselijk.

De man, die zijn vrouw en kinderen vermoord had, was tot twintig jaar
veroordeeld ... Tot twintig jaar! Hoe lang het wel was, Siman kon er
zich slechts een vaag idee van vormen; maar het moest toch oneindig
lang zijn ... Twintig jaar zou die man dwangarbeid moeten doen als
een slaaf. Twintig jaar!

Hij zou sterven in dien tijd van ellende. Ze mochten hem niet
veroordeelen tot dwangarbeid ... ze mòchten niet. Hij had immers
iemand vermoord? Welnu, dan moest hij ook hangen ...

Hangen! Eens had hij--hij was nog een knaap--een moordenaar zien
hangen te Soemedang op de aloon-aloon. [202] Het was een vreeselijk
gezicht. En langen tijd was hij er nog naar van geweest. Hij
begreep eigenlijk niet waarom zoo iets altijd in het openbaar moest
geschieden. Als afschrikwekkend voorbeeld? Maar dan had het bij hem
toch niet gebaat. Hij had heelemaal niet aan dat voorval te Soemedang
gedacht, toen hij naar de woning van Kario was gerend en toen hij Kario
zijn kris in de borst had gestooten. En ook nu was het denkbeeld van de
galg hem niet zoo erg hinderlijk. Er was immers niet aan te ontkomen?

Als hij nog maar eens Djiah zou mogen zien, en den kleinen Rekso,
om hun vergiffenis te vragen. Dan zou hij rustig heengaan: zijn
geweten was zuiver. Hij had in eigen oog niets slechts gedaan. Hij
had moeten doen als hij deed. Zijn eer had hem bevolen. Allah zou
goedertierend zijn.

Als hij ze nog slechts ééns mocht terugzien, Djiah en Rekso ... één
keer nog maar ...



Toen kwam eindelijk de rechtsdag.

In het landraadsgebouw zaten de president, Mr. Van Wetten, in deftige
toga, de griffier en de inlandsche leden. Den getuigen waren banken
aangewezen.

Door twee oppassers geleid kwam de gevangene. Hij had zijn
gescheurd baadje aan, dat hij droeg op den avond van den aanslag op
Kario. Bedeesd en angstig kwam hij nader, langs de getuigen.

Plotseling verschrok hij heftig. Een doodelijke bleekheid overtrok
zijn gelaat; de oogen dreigden uit de kassen te treden; in ontzetting
vertrok zich zijn mond ... Daar, op de voorste rij der getuigen,
vermagerd en met ingevallen gelaat, zat Kario. Droomde hij of was
het waarheid, was dat Kario, de mandoer? Kario, dien hij vermoord
had, Kario, de ellendeling, die hem zijn eer ontroofd had? Het
kon niet, het was een visioen. Een der oppassers gaf hem een duw
om voort te gaan. Toen zag hij in den hals van Kario, rechts, een
groot litteeken ... Hij was het! Een onzinnige haat beving hem, hij
wilde zich op den mandoer werpen, maar de beide wakers grepen hem
vast. Er kwam eenige consternatie onder de aanwezigen. Kario deinsde
angstig achteruit. Maar de schok was te heftig, te plotseling voor
Siman. Zijn spieren verslapten, zijn hoofd zakte, zijn oogen werden
vochtig ... Allah was tegen hem. Het stond geschreven!

Van Wetten had den man doen plaats nemen op een houten
bankje, kalmeerde hem. De jonge man had de zeldzame gave van
menschenkennis. Ook had een innig medelijden met den armen beklaagde
hem bevangen, toen hij de stukken doorwerkte. Thans zag hij den jongen
Soendanees voor zich, een aanklagende lijdenstrek op het gelaat. En
hij had de beide oppassers een wenk gegeven zich te verwijderen.

Toen richtte hij het woord tot den beklaagde, die opschrikte uit de
overpeinzing, waar Djiah toch zijn zou? Zou zij dan geen getuigenis
af te leggen hebben? Wel had hij Pah Ran gezien en Sastrawidjaja en
velen, die hem onbekend waren.

De voorzitter herhaalde zijn vraag: Hoe hij heette?

Siman was niet bevreesd. Hem kwelde geen schuldbewustheid. Slechts
smart had hij gevoeld, toen hij Kario herkend had.

Hij deelde mede naar waarheid, wat hij gedaan had en trilde even
van hartstocht, toen hij de verzekering gaf dat het zijn doel was
geweest Kario te dooden. Hij bekende gedaan te hebben wat hem ten
laste gelegd werd.

De getuigen konden slechts verklaren wat ons reeds bekend is. Kario
alleen trachtte de schuld van den beklaagde te verzwaren. Hij ontkende
zich te hebben schuldig gemaakt aan iets, waarin Siman grond gevonden
kon hebben hem naar naar het leven staan. De vrouw van beklaagde
had zich vrijwillig aan hem gegeven, hij had nooit eenige pressie op
haar uitgeoefend.

De voorzitter moest hem herinneren aan den door hem afgelegden eed en
aan de straf, welke meineed bedreigt. Hij las voor de verklaring, voor
den demang gegeven. Maar Kario bleef moedwil zijnerzijds ontkennen.

Toen wendde de voorzitter zich tot Siman. Met van haat gloeiende
oogen, had deze den getuige aangestaard. Een vurige hoop leefde in
hem op, dat hij niet ter dood gebracht zou worden. Hij wilde jaren
gevangenisstraf dragen, als hij daarna maar weer een korten tijd op
vrije voeten mocht zijn. Hij zwoer op dat oogenblik bij zichzelf dat
hij van zijn vrijheid geen ander gebruik zou maken dan om Kario te
dooden. Hij zou dan kalm overleggen, zijn aanslag rustig berekenen,
en hij zou niet missen ...

"Hij liegt!" siste hij op de vraag van Van Wetten.

"Je houdt dus vol bij je verklaring?"

"Ja, kandjeng; vraag mijn vrouw."

"Uw vrouw ...?"

Er lag zulk een verbazing op het gelaat van den blanke, dat een
ontzetting over Siman kwam. Wat beteekende die verbazing bij den
voorzitter? Zou Djiah ...? Hij waagde het niet die gedachte te
voltooien.

Van Wetten boog het hoofd onder den starren blik van den beklaagde. Het
was als ware hij de schuldige.

Hij vroeg niet verder en schorste de zitting om te beraadslagen met de
overige leden. Toen riep hij Pah Ran en droeg hem op een boodschap over
te brengen aan den gevangene. Maar hij weifelde en riep den man, die
zich reeds langzaam verwijderde, terug. Het ging niet, het was tegen
den vorm een getuige een onderhoud te doen hebben met den beklaagde,
voordat de eisch gesteld was.

Hij ontbood een oppasser en gelastte hem den gevangene weer voor
te brengen.

Siman verscheen.

Lang staarde de voorzitter den beklaagde aan; hij streed zichtbaar
met een groote aandoening. En de taak was moeilijk voor hem, omdat
hij hart had, omdat hij voor zich gevoelde de diepte van het leed, dat
zijn woorden dien eenvoudigen inlander zoo dadelijk zouden berokkenen.

Van Wetten stond als ambtenaar misschien niet boven het gemiddeld peil,
maar hij was een goed mensch.

Zacht klonk zijn stem:

"Heb je wel eens iets gehoord van Gatok, toen je in de gevangenis
was, Siman?"

"Neen, kandjeng."

"Nooit eens iets gehoord? Heeft nooit eens iemand je in al dien
tijd opgezocht?"

"Neen, kandjeng."

Van Wetten zweeg.

"Heb je kinderen, Siman?"

"Ja, kandjeng, één."

"En is er nog familie van je in Gatok?"

"Ja, kandjeng."

"Dus bij die zou je vrouw dan kunnen zijn?"

"Ik denk het wel, kandjeng."

Weer zweeg Van Wetten. De inlander beschouwde hem aandachtig. Wat
hàd de blanke toch?

"Je vrouw is ziek geweest, Siman."

Siman zweeg.

"Heel zwaar ziek, ja, heel zwaar."

Nog zweeg Siman en maakte het den voorzitter daardoor niet
gemakkelijker. Hij staroogde slechts. Begon hij te vermoeden ....?

"Ga maar zitten op die bank, Siman."

Alweer hokte Van Wetten.

"Zij is--niet beter geworden ...."

Toen wist Siman het. Hij schokte; angstig keek hij den ambtenaar
aan. Hij las het vonnis in diens oogen, en, met bovenmenschelijke
inspanning haast zich beheerschend, vroeg hij zacht, toonloos:

"Dood?"

Van Wetten knikte. Spreken zou hij niet gekund hebben, op dat
oogenblik.

"Dood," herhaalde Siman bij zich zelf.

Hij zat daar stil, inééngebogen, bewegingloos. Langzaam verwijderde Van
Wetten zich en nam een teug uit het glas water op de tafel. Het gelaat
van den Soendanees stond strak en onbewegelijk. Toch ging een wereld
van gedachten door zijn ziel. Ze was dus dood. Hoe? Waaraan?--Hij
wist het, hij wist het. Hij, hij had haar gedood. Hij, die haar
liefhad. Nooit had hij geweten hoe lief hij haar had.--Nu was ze
heen. Hij zou haar gelaat nooit weer zien ...



Wel tien minuten waren heen gegaan, voordat Van Wetten de leden van
den raad, die in de pendopo wachtten, een wenk gaf om zich weder
te zetten. Toen werden de getuigen weer binnen geroepen en sprak
de voorzitter het vonnis uit: Zes maanden gevangenisstraf, onder
aanneming van zeer verzachtende omstandigheden.

Siman verstond maar half en vaag.

Harder vonnis velde zijn geweten: hij had zijn vrouw gedood.



Dien avond bezocht Pah Ran, daartoe door Van Wetten aangezet, den
gevangene in de boei.

Siman zat roerloos op den dunnen stroozak, die den vloer niet zachter
maakte.

Toen zijn schoonvader binnenkwam, lichtte hij het hoofd op.

"Waaraan is ze overleden, Pah?" vroeg hij zacht.

"Ik weet het niet, mijn jongen. Drie dagen nadat jij weg was, heeft
ze een miskraam gehad; toen is ze ziek gebleven. En twee maanden
later was ze dood--het zat in den onderbuik; kanker geloof ik."

Het laatste sprankje hoop vlood heen. Siman hoorde weer zijn geweten
vonnissen: hij was haar moordenaar ....

Pah Ran sprak over vele zaken: hoe het in Gatok was; hoe de padi
stond; dat Mah Ten zoo oud werd; hij sprak over de zusjes, over de
heerendiensten, over de slechte vooruitzichten met het gewas, over de
weigering van reeds vele opgezetenen om de vrijwillige overeenkomsten
te teekenen, over zijn eigen weigering, over den kleinen Rekso, die
uitmuntend verzorgd werd door Ipah; hij sprong van den hak op den tak;
hij zocht in alles afleiding voor Siman--het baatte niet.

Siman bleef stom, al maar starend op den grond, op een plekje tusschen
zijn voeten, het hoofd in de handen. Pah Ran ging weer heen.



Er was te Gatok en op het geheele land Alas Bamboe veel gebeurd
tijdens Simans afwezigheid.

Toen Djiah begraven was, op het kleine kerkhofje, was de woning van
Siman onbewoond gebleven. Hij en Djiah hadden zooveel zorg besteed
om het kleine nieuwe huis een net voorkomen te geven. Siman had het
erfje steeds schoon gehouden van onkruid. De katèsboomen achter
waren al aardig opgeschoten. Op zijde, aan den zonkant, had hij
pisang geplant. En reeds hadden de boomen vrucht gedragen en hadden
tal van anaks [203] den aanplant uitgebreid. Maar nu geraakte de
woning in verval. Het erf stond dik van het onkruid, een lawoe [204]
werkte zich langs een der deurposten omhoog. Voor den pisangtuin
werd nauwelijks zorg gedragen. Pah Ran had er waarlijk geen tijd
voor en met de typeerende onverschilligheid van den inlander liet
hij alles maar groeien zooals het wilde. De oude pisangboomen bleven
nutteloos doorgroeien, rotten weg en vielen om, in hun val jongere
generaties vernielend. In de woning lekte het en het water bedierf
de bamboezen sparren.

Wel hadden de bewoners der andere woning ook van deze bezit kunnen
nemen, maar, afgezien van het feit dat de eene mannelijke bewoner
moeilijk in beide woningen tegelijk kon huizen, en het toch niet
aanging een of meer van de meisjes alleen Simans huisje te doen
betrekken, zouden zij er ongetwijfeld eenig bezwaar tegen gehad hebben
den nacht door te brengen in een verblijf, waar nog kort geleden een
doode uitgedragen was.

Ook met Pah Ran had een geduchte verandering plaats gegrepen na
den dood van zijn dochter. Hij was zeer neerslachtig en in zichzelf
gekeerd, sprak weinig en hield zich een groot deel van den dag bezig
met den kleinen Rekso, voor wien hij dubbele belangstelling en dubbele
genegenheid begon te gevoelen. En overigens zat hij zijn botte hersens
suf te denken op middelen om hun aller positie te verbeteren. Het
verdroot hem dat er zoo weinig voor hen was om van te leven. En wat
baatte het hem al of hij het voorbeeld volgde van de velen om hem heen
en zich begon te oefenen in hongerlijden? Hij kon vaak terugdenken aan
den tijd, dat zij het in het Soemedangsche, nou ja, wel niet breed
hadden, maar toch nooit bepaald honger hadden geleden. De Pasoendan
[205] waren zooveel vruchtbaarder en ook al viel de rijstoogst eens
tegen, de bijproducten maakten toch meest het gebrek weer goed.

Hier was het anders. En daar ver weg, zuidelijk van de bergen, zou
men hem niet geloofd hebben, wanneer hij had verteld dat de lieden
aan deze zijde dier bergen zich na den oogst stelselmatig oefenden in
hongerlijden. En toch was dit zoo. Hij, Pah Ran, kon het getuigen, uit
ervaring nu. Kort na den oogst begint men in de armere streken van de
beide landen Alas Bamboe en Telatiga zich te gewennen aan éénmaal eten
per dag. En als dat een poos goed gaat, en de vooruitzichten van het te
veld staand gewas worden weer slechter, zooals elk jaar 't geval is,
dan eet men slechts eens in de twee dagen. In hongerjaren geeft ook
dit systematisch hongeren niet veel. Want al duurt het wat langer,
voordat de beschikbare voeding ingeteerd is, dat oogenblik kòmt toch.

Ook op Alas Bamboe en op Telatiga was veel veranderd. Er was een geest
van onrust en verbittering over het volk gekomen en de traditioneele
onverschilligheid voor het materieele bestaan was geweken. Er werd
veel geklaagd; men duldde niet meer in stilte. Men gaf uiting aan de
grieven, die men had. Natuurlijk nog slechts onder elkander. Maar
toch, men spràk er reeds over. Dat is immer een slecht teeken. Het
verraadt toch dat de gedachten gaan over zaken en dingen, die liever
ongedacht moesten blijven; wat ook veel aangenamer zou zijn voor de
eigenaren. Denkende slaven doen hun arbeid veel minder goed.

En vooral thans kwam die ontevredenheid onder het volk zeer
ongelegen. Er was veel werk te doen.

Eenige talangs [206] moesten noodig aangelegd worden, wilde de tjoeké
over een groot deel van het district Herea nog binnenkomen; want daar
had de droogte nu reeds groote schade gedaan aan het gewas, niet alleen
direct, maar ook en vooral doordat ze de vermenigvuldiging van zoo vele
schadelijke insecten, vijanden van den landman, bevorderde. De muizen
hadden zich alweer op tal van plaatsen vertoond; de hama soendep of
padiboorder fleurde heelemaal op, bij de hitte. Op tallooze sawahs was
de gevreesde hama dedet geconstateerd, stagnatie in den groei, en het
liet zich aanzien dat, behalve de hama mendong, ook de walang sangit
acte de présence zou geven, als de regens nu niet spoedig kwamen.

Ja, het was zeer noodig dat wat beter voor de irrigatie gezorgd
werd. Dit kon niet anders geschieden dan in heerendienst. Niet waar,
het is duidelijk dat een ondernemer, die over gedwongen arbeidskrachten
kan beschikken, niet noodeloos geld uitgeeft voor arbeidsloon? Vooral
niet, waar toch ongestraft de bepalingen omtrent het recht tot heffing
van die arbeidsbelasting mogen worden overschreden, onder sanctie
van den procureur-generaal te Batavia. En daarom was het heel en
al ongewenscht, dat de bevolking ontevreden werd. In hun dwaasheid
zouden die zwarten nog heel wat soesah kunnen veroorzaken.

Onder de Europeesche regeerders dier beide landen was het geenszins
onopgemerkt gebleven dat de bevolking zich begon te veroorloven te
denken over haar lot.

Nederman had al eens mededeelingen ontvangen van zijn geëmployeerden,
die erop wezen.

Op zekeren avond zat hij in zijn bureau gebogen over een rapport van
De Leeuw, dat hij juist had ontvangen en dat hem zeer onaangenaam
gestemd had.

De Leeuw had een overzicht gegeven van den toestand zijner afdeeling,
die niet de slechtste was van de vier, waarin het land verdeeld is.

Er is nog wel wat uit dit rapport te leeren, vandaar dat ik er de
lezers kennis van laat nemen:


    Ingevolge Uw schrijven d.d. 25 October, schreef De Leeuw,
    breng ik hieronder verslag uit omtrent den algemeenen toestand
    der bevolking, speciaal in verband met de beschikbare
    voedingsmiddelen in de districten Alas Bamboe en Goenoeng
    Lawang en vang ik aan met een terugblik op de drie voorgaande
    jaren wat Alas Bamboe aangaat. In die drie jaren dan heeft het
    aantal zielen respectievelijk bedragen: 22919, 20116 en 19912,
    wat een belangrijken teruggang aantoont, terwijl dit district
    opleverde aan rijst, approximatief en respectievelijk, 19.929.72,
    22.497.04 en 26.342.60 picols. Omgeslagen over het aantal zielen,
    geeft dit per hoofd 0.86, 1.11 en 1.32 picols rijst. Deze cijfers
    zijn verkregen na aftrek van het aandeel in de tjoeké. Van die
    hoeveelheden voedsel had de bevolking dus moeten bestaan van het
    einde van den snijtijd af, gerekend op einde September/October,
    tot het begin daarvan d.i. Juni van het volgende jaar, (daarbij
    niet meegerekend wat zij vanwege het land in voorschot ontvangt
    in padi en geld, hetgeen zij terug heeft te betalen). Men zou
    hierdoor tot de conclusie komen, dat die bevolking 8 maanden lang
    van dat quantum had moeten leven, hetgeen natuurlijk in strijd is
    met de werkelijkheid. Maar op welke wijze voorziet zij dan in hare
    levensbehoeften? Deze vraag moet zich onwillekeurig opdoen. En
    ze is niet moeilijk te beantwoorden; de Chinees is er goed voor.

    De hier gebruikelijke weg is, dat de kleine man geld leent van
    den Chinees onder oogstverband. Voor f 1.-- moet hij 1 picol
    padi of voor f 2.50 3 picols padi teruggeven; of hij verpandt
    zijn karbouw, die b.v. een waarde heeft van f 35.-- voor f 10.--,
    waarvoor hij een bewijs teekent, aangevende dat hij f 17.50 heeft
    ontvangen in leen. Ja, ook zijn huis gaat er aan. Van den karbouw
    ziet hij natuurlijk niet veel terug, want die wordt gewoonlijk
    het eigendom van den Chinees, daar hij in gebreke blijft, mòet
    blijven, het geleende terug te geven.

    De nadeelen van dergelijke transacties laten zich nooit direct
    gevoelen, maar eerst na eenige jaren, en vooral wanneer misoogsten
    hebben plaats gehad, zooals in de drie vorige jaren. Dan eerst
    komen de rampen van zulke systemen in al hare naaktheid aan
    het licht.

    De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven, want, doordat zulke
    abnormale toestanden werden gecreëerd, moest de bevolking wel
    verloopen en de veestapel verminderen. Dat gaandeweg zoo'n
    bevolking wegkwijnt, behoeft geen nader betoog, evenmin als dat
    het heilig streven moet zijn, die bevolking weer op te heffen
    uit haren treurigen toestand.

    Op welke wijze moet daarin voorzien worden? Ook deze vraag is,
    dunkt mij, niet moeilijk te beantwoorden. Men late de bevolking
    werken tegen betaling.

    Er moet veel en vaak gelegenheid worden gegeven aan reliefworks te
    arbeiden, echter niet op de wijze, als dat vroeger ging; dan toch
    moet het succes, dat men voor het daarvoor besteede geld mocht
    verwachten, uitblijven. Men moet bij het in het leven roepen van
    zulke werken letten op:

    1e de noodzakelijkheid daarvan,

    2e op een goede regeling, en op de vorderingen, dat is: er moet
    toezicht zijn,

    3e op het blijvend belang der aan te brengen veranderingen.

    De districten Alas Bamboe en Goenoeng Lawang hebben in geen 15
    jaar zulke werken gehad en ik geloof speciaal Uwe aandacht daarop
    te moeten vestigen. Verder mogen wij niet verzuimen bijzondere
    aandacht te wijden aan den veestapel.

    Zooals duidelijk uit de rapporten der districtshoofden blijkt, is
    die aanzienlijk gedund, en het verdient zeer sterk aanbeveling,
    vanwege het land karbouwen op te koopen en die aan de bevolking
    in gebruik te geven. De hoofden der districten en de desahoofden
    worden alsdan voor goede verzorging, behandeling en gebruik
    aansprakelijk gesteld.

    De huur van een karbouw is thans f 5.-- of 5 picols padi. Wij
    zouden kunnen verhuren bijv. tegen 1 1/2 picol rijst of zooiets.

    De bevolking mòet geholpen worden, want zij lijdt gebrek. In de
    meeste desa's voedt zij zich met rijst en bladeren, 1/3 rijst
    en 2/3 bladeren. Het komt reeds weder voor, dat sommigen om den
    anderen dag eten. Dit heet dan een goed jaar!

    Wanneer het land nog een goede hoeveelheid rijst had, zou
    het zeker aanbeveling verdienen, die aan de bevolking te
    verstrekken. Evenwel, er is, houdt U het mij ten goede, zeer
    onverantwoordelijk gehandeld, wijl alle rijst van de hand is
    gezet. Het gevolg zal zijn dat, mocht het land thans rijst willen
    opkoopen van de diverse handelaren, grof geld betaald zal moeten
    worden.

    Ik hoop hiermede U voldoende omtrent den algemeenen toestand te
    hebben ingelicht.


"Och, die De Leeuw," bromde Nederman voor zich heen, "die man heeft
altijd van die ultra-filantropische neigingen. Een goed employé,
maar te veel hart, te week--ja, dat is het, te week."

Maar toch hinderde hem het rapport. Het had hem onaangenaam gestemd,
niet wijl hij zich voorstelde het leed, dat de bevolking moest lijden,
maar wijl hij met wrevel bedacht dat al die misère het land op kosten
en de eigenaren in slechten luim zou brengen.

Hij troostte zich evenwel met de gedachte dat De Leeuw wel overdreven
zou hebben, al was hij daar nu niet àl te gerust op. Intusschen,
Nederman was een blijmoedig mensch. Een uur later had hij zich door
een stevige whisky-soda weder in zijn humeur gebracht.

Hij was bovendien op een niet onaardig idee gekomen. De ontevredenen
onder de bevolking, dat stond bij hem vast, moesten gestraft worden,
opdat dit voorbeeld afschrikwekkend zou werken op anderen, die zich
wellicht bij hen zouden willen aansluiten. Hij had in zijn langjarige
practijk meermalen de vruchten gezien van zulk een politiek. De
Javaan laat zich heel spoedig ontmoedigen. En uiterst moeilijk
is hij er toe te brengen zich in soesah te begeven, met de hoop
slechts--want zekerheid bezit hij daaromtrent niet: zekerheid van
bezit, goederen of eigendom, noch ook van persoon of positie bestáát
in Indië voor den inboorling--op verbetering van de verhouding
tusschen hem en den Europeeschen exploitant. Hoe moest Nederman
het nu aanleggen om degenen, die het slechte voorbeeld gaven aan
toekomstige andere ontevredenen, voor hun pogen gestraft te krijgen,
duidelijk waarneembaar voor die anderen? Indien hij zich van de
medewerking der bestuursambtenaren daartoe kon verzekeren, zou dat
prachtig zijn. Maar hoe? Moedwillig zou de assistent-resident zich er
zeker niet toe leenen; want met een grijns gaf Nederman zichzelf toe,
dat Van Dam wel een "beroerling" was als afdeelingsbestuurder, maar
geen slecht mensch. Hij zou de bevolking niet moedwillig vexeeren,
alleen om den landheer welgevallig te zijn. Intusschen zou men met
succes op zijn vrees voor soesah en zijn gemakzucht kunnen werken,
bedacht Nederman. Indien hij hem daarbij nog kon overtuigen van zijn
goed recht in de eerste plaats, en verder dat hij slechts in het
belang der bevolking handelde--dan zou de zaak gewonnen zijn.

Maar alweer: hoe?

Met die rijstlevering zou het wel gaan. Dan hier, dan daar, dan in deze
desa, dan weer in gindsch district, begonnen de landbouwers te weigeren
de vrijwillige overeenkomsten te teekenen. Zij wilden padi leveren,
naar gewicht. Nu, Nederman was veel te sluw om niet reeds lang begrepen
te hebben dat Van Dam in het geheel geen inzicht had in de finesses en
détails van het rijst-bedrijf. Weshalve hij het geen moeilijke taak
achtte, den assistent-resident er van te overtuigen dat het belang
der bevolking zèlf medebracht rijst en geen padi te leveren. En dan
zou een prentah aloes [207] voldoende zijn om de bevolking weer op
het rechte pad te brengen en de nog niet verdoolden er op te houden:
dat wil zeggen op het pad, dat voor de eigenaren naar de jaarwinsten
voerde. Maar dan? Met die heerendiensten ...?

En intusschen wist Nederman zeer wel, dat reeds thans, dan van hier,
dan van ginds, groepjes opgezetenen er de lange reis naar Telatiga
voor over hadden gehad om bij den assistent-resident te klagen over
den zeer verzwaarden druk der heerendiensten, over onrechtmatige
product heffing en over andere overtredingen van het reglement. Daar
moest een eind aan gemaakt worden. Die klagers moesten gestraft worden.

Een idée! Nederman was bij uitzondering actief: hij werkte de gedachte
uit. En daarna deed hij door een zijner bedienden den koewoe van
Sikarang ontbieden.

Het was reeds laat in den nacht, over tienen, toen Madja, de koewoe, in
een zwart jasje en een donkere sarong gekleed, op de stoep verscheen.

Madja was iemand, die met vele anderen de eer genoot Nederman bij
voorkomende gelegenheden van dienst te mogen zijn in galante avonturen
en, als al die anderen, had ook hij natuurlijk het vertrouwen van zijn
baas, en maakte hij ten eigen bate misbruik van dit, hem overigens
weinig tot eer strekkend, vertrouwen.

"Ah, zoo! Madja, ben jij daar. Kom hier in mijn kantoor. Ik heb
ernstige dingen met je te bepraten."

De Javaan, die gemeend had dat er weer een beroep gedaan zou worden op
zijn bereidwilligheid, was zeer verbaasd over deze inleiding. Ernstige
dingen! Wat zou dat kunnen zijn?

Hij schoof het kantoor binnen en bleef in silo-houding [208] zitten
voor de schrijftafel in het halfduister.

"Madja," begon Nederman, "je hebt zeker ook wel gemerkt dat de lui
hier ontevreden zijn op het land, hé? Vooral in den laatsten tijd. Nou
wou ik van jou weten waar dat aan ligt?"

Madja zweeg.

"Ben ik misschien te streng voor ze? Natuurlijk moeten ze hun tjoeké
betalen en de heerendiensten verrichten. Dat begrijp je zelf wel. Maar
waar ligt het dan aan?"

"De oogstvooruitzichten zijn slecht, 'n doro." [209]

"H'm, ja. Maar dat is de schuld van toean Allah!" spotte Nederman.

"De heerendiensten zijn zwaar, 'n doro."

"Nou ja, maar 't is toch in het eigen belang van de menschen. Ik laat
die irrigatiewerken toch aanleggen, opdat ze water op de velden zullen
krijgen. Of moet ik soms zelf met een siraman [210] loopen?"

Nederman was blijkbaar in een goede bui. Madja overwoog dat hij heden
avond wel vrijuit kon spreken.

"Er worden ook menschen geprest voor de garok, die te oud zijn."

"Zoo? Nou ja, een enkele."

"Ze zeggen, dat de voeding niet voldoende is."

"Een kattie rijst. Verdomme, dat vreten ze hier soms in geen twee
dagen."

"En de afstand, 'n doro; ze zeggen dat ze vaak meer moeten afleggen
dan geoorloofd is, en dat ze daardoor heel veel langer moeten werken."

"Praatjes! Vroeger wisten ze van die dingen geen zier. Nu zijn ze
opeens zoo wijs. Wat duivel, hoe komen ze toch aan al die wijsheid?"

"Er is hier een procureur bamboe geweest, 'n doro, en ook moet er
een geweest zijn in Herea. Die menschen stoken de wong tani [211]
op om te klagen. Want zij moeten van zulke perkara's leven."

"Ja, dat verdomde volk is het. Als zoo'n kerel weer op het land komt,
dan waarschuw je mij onmiddellijk. Ik zou wel's willen zien, wie hier
een voet op Alas Bamboe zet zonder mijn toestemming. En die kerels
zijn het zeker ook, die de lui opstoken om geen rijstcontracten
te teekenen?"

"Voor een deel wel, 'n doro. Maar de meesten weigeren, omdat zij de
rijst te mooi moeten leveren. En velen zeggen ook, dat ze te veel
moeten leveren."

"H'm." Nederman voelde heel goed waar de koewoe op doelde: op de
knevelarij van den landheer. En het was hem onaangenaam te moeten
ontwaren, dat de man hem dit zoo, wel is waar bedektelijk, dorst
toevoegen.

"Madja, die klagers moeten gestraft worden. Die menschen geven een
hoop soesah en bederven de goede lieden. Er moet een voorbeeld gesteld
worden, waarachtig, in het eigen belang van de lui. Maar hoe? Als ik
ze straf, dan komt er perkara, want het gouvernement staat het niet
toe. Ze begrijpen niet, dat het voor de lui zelf goed is."

Madja zweeg.

"En ook de menschen, die geen rijstcontracten willen teekenen. Ik
ben waarlijk te goed voor ze. Nou denken ze mij te plagen met padi
te leveren. Alsof ze daar niet zelf veel slechter mee weg zijn. Dan
moeten ze veel te veel opbrengen. Neen, dat gaat niet. Ik ben geen
bloedzuiger. Ze moeten rijst leveren, arme kerels. Maar breng ze dat
nu maar eens aan 't verstand!"

Nederman was op dit oogenblik waarlijk in de meening dat hij een
braaf mensch was. Madja zweeg nog steeds. De handen in den schoot,
het hoofd gebogen, scheen hij het geheel eens met zijn meester. Toch
trok heel even een lachje om zijn mond.

Daar hij bleef zwijgen, vervolgde Nederman:

"Zie je, Madja, je kent de lui voldoende. Als ze zien dat de mopperaars
en de klagers door tjilaka worden getroffen, zeggen ze: het is niet
goed wat zij doen ...?"

Nederman eindigde plotseling en keek den Javaan uitvorschend aan. Op
diens gelaat echter vertrok geen spier. Hij was zichzelf volkomen
meester. De administrateur kneep in nijd den pennehouder stuk,
waarmee hij had zitten spelen.

"Ik moet die lieden kennen, Madja. Jij moet mij hun namen opgeven. Je
hebt spionnen genoeg. En je kunt ze ook wel wat geld beloven, dat krijg
je wel van me terug. En dan, eh ..."--Nederman weifelde.--"Madja,
ik kan dit alles nu wel met jou bespreken, zie je. Jij begrijpt dat
ik alleen het goede bedoel met de menschen. Maar de meeste koewoe's
zijn domme desalieden. Breng jij hun dus maar over ... wat ik, eh
... wensch, begrepen?"

"Inggeh, 'n doro."

"Het is geen bevel, geen prentah, zie je. Ik verzoek alleen."

Madja had den blanke uitmuntend begrepen, zoo goed als deze het maar
wenschen kon. Reeds den volgenden dag begon het spionnenwerk. En
weldra had de administrateur een heel lijstje bijéén, dat haast
elken dag groeide. Het bevatte de namen van de lieden, die waren gaan
klagen te Telatiga of op andere wijze van hun ontevredenheid hadden
blijk gegeven. En dat waren er zeer velen. De administrateur van het
land Telatiga moest dan ook schrijven aan de eigenaren: "Dagelijks
bijna trekken hier bij tientallen opgezetenen van Alas Bamboe naar
de hoofdplaats om te klagen. Mijn opgezetenen hebben zich tot nog
toe rustig gehouden."



De karbouw van Bapa [212] Kanidio van de desa Tjoeroeg was plotseling
gestorven toen de oude op reis was naar Telatiga. En in de sawah van
Sastrasemita van de desa Agoeng was veel padi gestolen, in den nacht
nadat Sastra openlijk had verklaard geen rijst te zullen leveren. Nog
grooter ongeluk had Wangsadiredja van Palasari getroffen. Wangsa
had geweigerd heerendienst te verrichten, zich beroepend op zijn
leeftijd. Den volgenden nacht ontstond plotseling brand in zijn
woning. Nog was de oorzaak niet opgespoord. De brand was spoedig
gebluscht, maar toch was ook Mah Djaja's huis mede verbrand.

Madja en zijn lieden hadden Nederman uitmuntend begrepen. Maar deze
had zich vergist in het resultaat van zijn vernuftig plan. Want ook
de opgezetenen begrepen dat de tjilaka geen bovennatuurlijke oorzaak
had en de verbittering steeg.

Steeds meer lieden weigerden de vrijwillige overeenkomsten te teekenen;
men waakte op de velden en men deed wachtdiensten bij buffelkraal en
woning des nachts.

Een enkele maal ontving een spion van het verbitterde volk het loon
zijner lage diensten, en de tjilaka verminderde wel. Maar toch bleef
het Judasloon bespieders trekken.

In dezen tijd ongeveer was het, dat Pah Ran thuis had medegedeeld
naar Telatiga te willen gaan om te klagen. Men raadde het hem af,
men smeekte hem, liever te dulden. De oude was koppig als een ezel:
hij zou en hij moest naar Telatiga. En hij ging. Zijn klachten waren
gegrond, bewijzen had hij, dat de landheer meer diensten eischte van
de opgezetenen dan waar hij recht op had, en meer tjoeké vorderde dan
het 1/5 bedroeg. Bewijzen had hij bij stukken en brokken verzameld
en hij kon zich beroepen op het getuigenis van zeer velen. Enkelen
dezer waren met hem mede getogen naar Telatiga, de anderen hadden zich
verbonden om tijdens hun afwezigheid te waken over hun haard en goed.

Te Telatiga waren Pah Ran en de zijnen op den raad van Pah Asriep niet
weer naar den assistent-resident gegaan, maar zij hadden zich tot
den president van den landraad gewend. En deze had wel nota genomen
van hun klachten, die hij genotuleerd had. Laat in den avond waren
de lieden bij hem gekomen en uren waren zij bij hem geweest, terwijl
de ambtenaar een proces-verbaal van de klachten opmaakte.

Het scheen de klagers, dat zij ditmaal succes zouden hebben.



"Neen, mijnheer Nederman, het gaat zoo niet. Ik mag me uitputten
in betoogen, het geeft me geen lor. De lui weigeren en blijven
weigeren. Ik heb er nu al een paar honderd, die van het jaar geen
rijst willen leveren."

Van Affelen zag geen uitweg meer en was bij zijn chef verslag komen
brengen van het mislukken zijner pogingen.

Nederman ijsbeerde in zijn kantoor op en neer. Hij was gansch niet
in stemming. In den laatsten tijd was de soesah niet van de lucht.

"Bij De Leeuw gaat het dan toch wel!" barstte hij opeens uit. "Hij weet
zijn menschen toch wel te bepraten om de overeenkomsten te teekenen."

"Zooals hij dat doet, kan ik het ook, mijnheer," verdedigde de
employé zich.

"Hoe bedoel je?"

"Wel, De Leeuw is in de eerste plaats een Indo, in wien de lui al
dadelijk meer vertrouwen hebben. En dan, hij is te zacht voor het
volk. Hij laat zich door hen ringelooren. Zijn taxaties zijn altijd te
laag. Vergelijk u het aantal beplante bouws maar eens met de tjoeké in
zijn afdeeling. En hij schenkt ze tjoeké kwijt bij de minste klacht
dat het beschot is tegengevallen. Als ik op Alas Bamboe was, zou ik
veel meer rijst binnenkrijgen ..."

"Wel mogelijk, Van Affelen, maar ik geloof het niet. Evenals in Herea
zou je het moeten afleggen. Daar behoef je je nu niet al te zeer over
op te winden. Het ligt niet zoozeer aan jou, als wel aan den geest,
die er tegenwoordig onder het volk is. Daar doe je niets tegen. En
alleen een kerel als De Leeuw kan zoo met het volk omgaan, dat het
in toom gehouden wordt."

Geen van beiden begreep, dat ook zij op hetzelfde resultaat zouden
kunnen wijzen, wanneer zij slechts rechtvaardig wilden zijn. Als
er niet meer gevorderd werd van de bevolking dan hetgeen zij moest
opbrengen, dan zou het in die eenvoudigen van geest niet opkomen zich
te verzetten.

"Maar goed, wat dan? Wat denk jij er van?"

"Ik zou zeggen: laten wij diplomatiek zijn. Laten wij hun openlijk
eenige concessies doen om de gemoederen wat tot bedaren te doen
komen. Het verlies voor de eigenaren kan wel op andere wijze worden
goedgemaakt, denk ik."

"Zoo, hoe dan?"

"In de pakhuizen. Maar hoe minder u daarvan weet ..."

"Je bent wel handig, Van Affelen, en misschien ook erg politiek. Maar,
jongen, die dingen zijn gevaarlijk. Je bent nog niet lang genoeg op het
land, om je rekenschap te kunnen geven van de lessen der geschiedenis,
Van Affelen."

"Ik beken dat ik niet recht vat, waar u op doelt, mijnheer."

"Ik bedoel de volwassen picols."

"Hoe zegt u: de volwassen picols?"

"Ja, die van 106 katties."

"Ik begrijp niet ..."

"Kijk eens, Van Affelen, een goede vijf-en-veertig jaar geleden werd
hier en ook op Telatiga de rijstheffing ingevoerd. Toen werd de tjoeké
niet gewogen, maar gemeten. Nou, door de een of andere onnauwkeurigheid
zal ik maar zeggen, was het gewicht van een zoo picol gemeten rijst
zes katties meer dan een picol van 125 pond. Later is de tjoeké altijd
gewogen. Maar men had de datjins [213] gelijk gemaakt aan het gewicht,
volgens de oude maat verkregen, begrijp je wel? Een picol was dus
zes katties te zwaar."

"Maar dan zijn er toch altijd overwichten verkregen?"

"Natuurlijk, natuurlijk, maar och hoe gaat dat, hé? De eigenaren
hebben van het bedrijf geen flauw benul. Och, als die lui hun
winst maar binnen krijgen, hoe meer hoe liever, dan wordt er verder
niets gevraagd. Vooral vroeger niet. En dan, die overwichten werden
behoorlijk verantwoord. Ik zou je nog wel oude, gele staten kunnen
laten zien, met onder aan de bemerkingen: overwichten zooveel,
overwichten zooveel!"

Van Affelen lachte.

"Die lui waren slimmer dan ik. Overwichten verantwoorden bij
rijstbereiding, dat lap ik 'm niet. Onderwicht ja, natuurlijk, er
is altijd onderwicht, uit den aard der zaak; bij de bereiding gaat
wat verloren."

"Ja, het was vrij stom. Maar verantwoorden is nog niet verklaren,
hé? Enfin, in '87 heeft de administrateur van Telatiga daar een eind
aan gemaakt. En toen zijn wij jaren later gevolgd."

"Intusschen zal er aardig wat overwicht geweest zijn in al dien tijd."

"Een slordige zestigduizend picols, geloof ik. Dat is te zeggen; van
'56 af."

"Een half millioen waarde, ongeveer."

"Ja, om en bij."

"Maar, u zei daar net: het was gevaarlijk?"

"Nou, het heeft een haar gescheeld, of wij waren er bij geweest als
muizen. Stel je voor, dat ik naar de Bank te Batavia een paar gantangs
[214] zend, met verzoek om bij een zekeren Chinees, die meer geleverd
had, nog een paar van die dingen te bestellen. En wat doen ze me daar,
die domooren? Het merk van den ijkmeester was er niet op, hé? Nou, daar
sturen ze me die dingen naar het ijkkantoor. Kun je je voorstellen! De
poppen aan het dansen! De ijkmeester legt beslag op de bullen. Maakt
er een zaak van. Jongens, een heele consternatie. Dadelijk nieuwe
maten besteld, met ijktjap."

"En hoe is de perkara afgeloopen?"

"Getoetoept." [215]

"Dat gaat hier nog al makkelijk in Indië."

"Och ja."

"Maar, ziet u, zoo'n verkeerde maat kun je ook niet loochenen. Dat
is dadelijk een corpus delicti. Maar het kan wel anders. Terwijl je
weegt, even de pink omlaag. Nou dat geeft de balans een onmerkbaar
zetje. Of een groote spijker aan de datjins. Dat geeft dadelijk groot
verschil. Niet waar, product van afstand en gewicht ..."

"Ja, pas maar op, pas maar op! En erg mooi kan ik het nu ook niet
juist vinden."

"Mooi, mooi! Waarom zouden de lui ons een loer mogen draaien en
waarom zouden wij dan niet daarop gewapend mogen zijn? Neen, mijnheer
Nederman, ik doe niet aan sentimentaliteit. Daar eet je niet van. Ziet
u, en daarom zeg ik, geef ze openlijk eenige concessies."

"Welke?"

"Laat 's kijken. U kunt de levering van gonnizakken vrijschenken. Dat
is bovendien erg mooi, want die filantropen met een gevulde maag,
zeggen immers dat dat ook niet mag?"

"Nou, eigenlijk hebben ze dan toch gelijk, hè?"

"Erg veel beteekent die concessie wel niet, maar de lui zullen,
dunkt mij zoo, de daad apprecieeren."

"Ja, dat is zoo. Nou, ik heb geen bezwaar; voor mijn part kunnen ze
die zakken dan aan het land verkoopen. Op Telatiga gebeurt dat al
eenige jaren, zooals je weet."



Die gonnizakken-levering was eigenlijk voor de bevolking een directe
belasting, te hatelijker wijl zij geheel onrechtmatig geheven werd. De
opgezetenen waren namelijk verplicht de vezels te verzamelen in
de bosschen van Zuid-Alas Bamboe. Nog voor eenige jaren hadden
ook de opgezetenen van Telatiga het recht om daar gonnivezels
te verzamelen. Dit recht was in de acte van scheiding der beide
landen gestipuleerd. Als de vezels thuis gebracht werden, moesten
de zakken door de vrouwen geweven worden. Daarna werden zij aan het
land geleverd, waarvoor 33 cents te goed gedaan werd. Maar zij, die
niet in de gelegenheid waren vezels in te zamelen, en dat waren de
meesten, kochten de zakken op tegen een doorsneeprijs van f 0.39 à
f 0.40. Er werd dus verlies geleden. Toch duldde de bevolking ook
deze knevelarij, omdat zij zooveel duldt en verdraagt. Zij duldde
deze belasting nu reeds ruim een halve eeuw.



"Toch geloof ik, Van Affelen, dat je wel zult doen om je niet te veel
illusies te maken van de uitwerking van dergelijke concessies. Je kunt
desnoods nog vrijstelling geven van vischtjoeké ook. Maar heusch,
het zal weinig geven. Neen, wij moeten dat anders aanpakken, geloof
me, anders voorzie ik dat we van het jaar voor driekwart padi in de
pakhuizen krijgen."

"Maar dan nog, mijnheer Nederman, is dat zoo in het nadeel van
het land? Het zou de moeite loonen, dunkt mij, dat nog eens te
becijferen. Ik heb me wel laten vertellen ..."

"Dat becijferen kun je veilig nalaten, man. Dat is al lang en breed
overwogen, van alle kanten bekeken en bezien. Wacht 's, ik heb er nog
wel correspondentie over met de eigenaren. Dat kan ik nog wel vinden,
denk ik."

De administrateur opende een boekenkast, zocht een oogenblikje en
haalde onder een stapel papieren een bundel oude, geel geworden
brieven voor den dag.

"Juist. Hierin zal ik nog wel het een en ander kunnen vinden."

Hij sloeg het boek open. "Ja, nu moet je weten, dat aan het slot
van al dat gewrijf en geschrijf een der eigenaren zoo naïef was op
te merken dat de bevolking dan toch eigenlijk werd benadeeld. Ja,
stel je 's voor, we zouden hier aan filantropie doen! 't Gevolg zou
niet anders zijn dan dat diezelfde naïeve mijnheer een scheeven snuit
zou trekken als de winst kleiner werd."

Hij bladerde weer even, terwijl Van Affelen de wijsgeerige opmerking
maakte dat de meeste menschen eerst weldadig zijn als ze een volle
beurs hebben.

"Hier heb je al iets: 4 Juli 18 ., een brief van de Bank aan den
administrateur: "In overleg met de firma Biederman en Van Lochem--je
weet dat zijn de hoofdadministrateurs van Telatiga--en naar aanleiding
van door genoemde firma ontvangen inlichtingen, moet erkend worden,
dat, waar bij beschadigde velden de rijstlevering in het nadeel der
bevolking is, enzoovoorts ..." en hier, veertien dagen later, 19
Juli: "de rijstlevering is dus alleen voordeelig voor de bevolking,
wanneer de opbrengst per bouw aan natte padi ongeveer 325 picols of
meer bedraagt ..." Het is niet eens waar ook."

Hij bladerde nog een poosje.

"Neen, meer vind ik niet, maar dat is uit den aard der zaak. In mijn
copieboek vinden we meer."

Uit een lade van de schrijftafel haalde Nederman een half uiteen
hangend copieboek te voorschijn. Er waren losse bladeren in, ezelsooren
en scheuren en het boek droeg niet de sporen van een zorgvuldige
behandeling. Het scheen wel of Nederman meermalen de betrekkelijke
passages onder de oogen had gehad, althans hij vond zeer spoedig de
plaats waar ze stonden.

"Je moet zoo verdomd voorzichtig zijn met je uitlatingen tegenover
de eigenaren. Vandaar dat ik die rommel zoo'n beetje bij mekaar
gelegd heb. Brieven van mijn voorgangers over de kwestie, nota's,
en nog meer paperassen. Zeg je ze, dat er te veel geheven wordt,
dan heet het al gauw: nou, we kunnen wel een beteren administrateur
krijgen. Als je den schijn maar redt, zie je. De bedoeling is:
voortgaan op den ouden voet, maar verklaren dat je in het belang
van de bevolking werkt.--Ja, ja, 't is maar een weet. Ik heb dan ook
zelden ronduit gesproken, dat is veiliger. Hier: 25 Nov. 18 .. laat
's kijken: "ik ben de eerste," schreef ik, "om te erkennen dat een
heffing van 1/5 der padi-opbrengst of 1/10 der bruto-rijstopbrengst
van sawahs een zware heffing is. Willen de eigenaren, nou ja, enz.""

Hij sloeg een bladzijde om.

"Hier heb je een tjoeké-staat. Zoo'n ding lijkt verbazend
onschuldig. Maar als er eens een gerechtelijk onderzoek komt, dan
kunnen die tjoeké-staten, registers en boeken de eigenaren nog heel wat
kwaad doen.--Hier heb je een brief, nog van recenten datum, 4 Maart
19 .. , die de hoofdadministratie weinig plezier gedaan heeft. Ik
schrijf hier: "de oningewijde zou hieruit--uit dien tjoeké-staat
namelijk--opmaken, dat de heffing mild is. Dit nu is een verkeerde
voorstelling, want de heffing bedraagt meer dan 1/5, terwijl tevens het
stamploon niet hier bij is inbegrepen, zonder buitendien in rekening
te brengen prijzen en verschil in gebroken korrel."

"Jezus," zei Van Affelen, "zoo'n erkentenis is nog al gevaarlijk."

"Ja, maar er is later een beroep op te doen. Wij hebben het dan
al gezegd, zie je.--O, en hier is een ander vermakelijk ding. Die
eigenaren hebben niet het minste benul van het reglement. Je weet
van de weigering van Arabieren en Chineezen op Telatiga om grondhuur
te betalen, hé? Dat moet je nog weten; 't is nog van jouw tijd. (Van
Affelen knikte.) Nou, daar schrijft me een van die heeren uit Holland,
dat als die dingen ook hier gebeuren, ik het best zou doen er
onmiddellijk een civiele zaak van te maken. Ja, die is goed. Ik heb
geantwoord: "... daar zij bekend zijn gesteld met de bedoeling van
het reglement dat erfpachters van sawahs geen grondhuur behoeven te
betalen, hebben zij geweigerd verder die belasting te voldoen. Wijl
de menschen in hun recht zijn, kunnen zij civiel-rechterlijk niet
vervolgd worden."

"Wat is dat?" vroeg Van Affelen, wijzende op een blad vol berekeningen,
waarboven stond: "Rijstheffing op Telatiga," met een dikke roode
streep er onder.

"Dat is de nota van den administrateur van Telatiga aan de
eigenaren. Ik was toen eens bij hem en hij liet mij de berekening zien,
die ik toen meegenomen heb om te zien of wij ook op resultaten konden
wijzen voor Alas Bamboe. Daar moet nog een brief over zijn--wacht's,
ja, hier is hij, dato: 31 Maart 19 .. aan de eigenaren. Je kunt snappen
dat ze nijdig waren, toen die nota met berekening van te veel geheven
tjoeké inkwam. Ik merkte het dan ook uit het antwoord. Het was nog al
kribbig. Nou, ik schreef maar weer terug,--hier is het: "ik heb mij
de moeite getroost te berekenen, dat sedert 1870 de bevolking circa 7
ton meer heeft opgebracht dan zij moest op Telatiga, en nog heel wat
meer op Alas Bamboe, enz."--Welja, hé, als het hard tegen hard gaat
... Nou, en hier heb je dan die padilevering; de berekening ervan,
in dezelfde nota; nou moet je maar eens luisteren, dan zul je wel
tot andere gedachten komen dan daarnet.--Ze hadden mij gewezen op
een uiteenzetting van een van mijn voorgangers. Alsof dat nou bewijs
is! "Zeker, schrijf ik, in 1886 is berekend dat padilevering meer
product in rijst leveren zou dan rijstlevering. Doch hiermede wordt
nog volstrekt niet aangetoond dat de rijstlevering billijk is." Dan
komen een hoop cijfers, waarin ik dit aantoon. Dat zal ik maar
overslaan. Maar hier: "Padilevering zou volgens eenvoudige berekening
oogenschijnlijk voordeeliger zijn voor de eigenaren, dat is, wanneer
slechts rekening wordt gehouden met de hoeveelheid rijst. Immers
nemen wij het oogstjaar 19 .. Berekend tegen 335 kattie rijst per
picol padi--maar dit is nog te bezwarend, Van Affelen, en je weet
dat de verhouding door ons geëischt nog veel ongunstiger is voor de
lui,--zouden wij hebben binnen gekregen 35457,18 picol tjoekérijst en
86302,80 picol padi. Door de rijst zou een waarde vertegenwoordigd
zijn, tegen f 195 per kojang [216], van f 256079,80. Uit de padi
heet men 54 procent rijst te krijgen, hiervan 70 procent eerste en 30
procent tweede soort, bij eigen bewerking.--Je weet dat wij tot 87, 88
en 89 procent eerste soort eischen, hé?--Dat is zooveel picols tweede
soort, totaal 46603,51 picol rijst. Eerste en tweede soort gemengd
kost f 185 per kojang van 27 picols, dat maakt dus een waarde van f
 319319,25; maar waarvan het maalloon à f 0,10 per picol nog afmoet
of f 8630,28. Rest dus f 310688,97. Dat zou dus met padilevering een
voordeel opleveren van f 54629,12."

"Zeker, dat zou het dunkt mij toch ook," viel Van Affelen in de rede.

"Nou, het is zoo niet. Want die berekening deugt niet, zie je. Of
juister, er worden verschillende factoren in genegeerd. Ik heb het
ze duidelijk genoeg gemaakt. In de eerste plaats hebben we geen
pakhuisruimte als padi wordt ingeleverd. 't Transport wordt veel
duurder door het grooter kwantum." ...

"Ja, dat is waar."

"Een fabriek wordt noodig, en dus uitbreiding van personeel."

"Ja, dat is ook waar."

"Met de vrijwillige overeenkomsten komen natuurlijk klachten nog
steeds voor, maar wij hebben de macht in handen. En bij padiheffing
zijn wij verplicht om ook ketan [217] en padi-tjiré [218] te ontvangen,
niet waar?"

"Ja, nu kunnen wij daar de lui zelf mee laten zitten."

"Nou, dat is nog zoo erg niet. Ze vreten het toch. Maar voor den
export is ze niet te gebruiken."

"Ja, daar heb ik niet zoo gauw aan gedacht."

"Juist, en dan moet je niet vergeten, dat, als we niet in de kwaliteit
van de te leveren padi door de kerels bedot willen worden, van elken
sawahbezitter bij den proefsnit de padisoort genoteerd moet worden. In
regenachtige jaren krijg je uit die padi veel breuk of vooze korrel,
in droge jaren veel schrale bossen."

"Ja, ja, dat is zoo."

"En nog iets: het voornaamste punt. Bij padilevering zijn wij verplicht
de padi te ontvangen, zooals het uitvalt. Bij rijstlevering heeft
keuring plaats van het geleverde."

"Waarachtig, mijnheer Nederman, dat is een cardinaal punt!"

"O, zoo!"

"Ja, en ik moet erkennen, dat ik nog geen machinaal bereide rijst
heb gezien, die mooier was dan de rijst, door de bevolking geleverd."

"Natuurlijk niet, dat haalt niet bij elkaar. En dan zeg, laten we
mekaar nou geen Mietje noemen. Maar Van Bern, van Telatiga, heeft
onlangs aangetoond in een gedrukte nota dat de practijk ook een
woordje te vertellen heeft. De bevolking van Telatiga, rekent hij
uit--en er is geen speld tusschen te steken--brengt per jaar bijna
zes en twintig duizend pop te veel op. Nou, hier op Alas Bamboe is
het nog wel een beetje meer ook."

"De eigenaren waren niet erg tevreden met Van Bern, heb ik gehoord. Hij
was er toch al een heelen tijd, op Telatiga."

"Ja, ik geloof zooiets van dertig jaar, waarvan vijftien of nog
langer als administrateur. Maar als je de de lui dan gaat dreigen
met publiciteit ..."

"Wat zegt u?"

"Ja, dat heeft hij gedaan. Wel, hij was de slechtste niet, en
kende zijn menschen door en door. Maar toen kwam er eens wat met de
eigenaren; hij wou meer salaris hebben, geloof ik, en toen hij het niet
kreeg, begon hij te dreigen. Nou, de rest laat zich denken. Ik geloof
tenminste zeker dat dàt de eigenlijke reden is van zijn ontslag."

"Och kom?"

"Ja, hij zei ze, dat ze er dankbaar voor mochten zijn dat de klagers
en de krantenmenschen--die zitten overal met hun neus in--niet
bekend waren met de werkelijke wijze van rijstheffing en de nadeelige
factoren ervan voor de bevolking, en dat ze daarom tot dusver nog op
geen andere onbillijkheden konden wijzen, dan dat de heffing niet in
overeenstemming is met artikel 11 van het reglement."

"Maar, ik zou zoo denken, dat een beschuldiging tegen de eigenaren
dan toch ook op den administrateur terugvalt."

"Pardon, dat ben ik niet met je eens. Die rijstheffing bestond al jaren
voor 1837 en is geen maaksel van den tegenwoordigen administrateur. Die
heffing werd door de eigenaren vastgesteld, in elk geval goedgekeurd
en gehandhaafd. Wat is nu een administrateur? Niets meer dan de
gemachtigde van de eigenaren. Hij ontvangt de tjoeké, namens de
eigenaren; namens de eigenaren voert hij de administratie volgens
hùn inzichten. En dus worden die administrateurs, om het nou eens te
zeggen in dezelfde woorden, die Van Bern gebruikte, door de eigenaren
geplaatst in een rijstcomplot. En dan moeten die daarvan dan ook
maar de verantwoordelijkheid dragen. En nog iets, het lijkt mij nu
heelemaal niet in het belang van de eigenaren om den administrateur
op zijn aandeel in dat rijstcomplot te beknibbelen."

"Neen, dat is het zeker niet."

"Het gebeurt toch en nog slimmer: ze hebben Van Bern beschuldigd de
heffing te hebben verzwaard. Dat is ongerijmd. Van Bern heeft juist
de onbillijkheid van de rijstheffing aangetoond en een mildere
voorgesteld. Ik kan me dan ook best voorstellen dat hem de gal
overliep. Nou en toen heeft hij ze gedreigd: ontsla me maar, maar ik
zal een boekje van jullie opendoen."

"Is die bedreiging dus openlijk uitgesproken?"

"Waarachtig. En in antwoord kwam de vraag van een van de eigenaren:
"Waarom vragen wij niet integraal 2 1/2 picol rijst eerste soort per
bouw, zooals vroeger?" Waaraan je dus kunt zien, dat het vroeger nog
een beetje erger was, met minder irrigatie en meer inkomsten. Maar wij
dwalen af. We hadden het over die rijstheffing. Nou, ik dank je er voor
om padi te ontvangen. Weet je wat, ik ga overmorgen naar Telatiga. We
moeten tot een oplossing komen. Het is daar al niet anders dan hier."

Van Affelen en Nederman bleven nog een heele poos samen praten. Eerst
zeer laat ging de employé heen. Hij bleef den nacht bij Zevenaer over
en den volgenden morgen vroeg vertrok hij weer naar Herea.



Siman was reeds gewoon geraakt aan de gevangenisomgeving. Na zijn
veroordeeling was hem een andere cel aangewezen, dien hij deelde met
een lotgenoot, veroordeeld tot drie maanden wegens een vechtpartij,
waarbij de ander een oog kwijt geraakt was. Sarpan, zoo heette Simans
celgenoot, was een brutale duivel, en behoorde tot een categorie
menschen, waarmede de eenvoudige desaman nog niet in aanraking was
geweest. Sarpan was het type van den boaja [219], die in de steden
leeft van bedrog, oplichterij en diefstal, die niet werken wil, maar
teert op zijn medemenschen. Hij was een nog jonge kerel met een vrij
gunstig uiterlijk en had een diepen indruk gemaakt op Siman. De jonge
Soendanees keek waarlijk met ontzag tegen hem op en luisterde met
groote aandacht naar de voor drievierde verzonnen verhalen, welke de
ander hem opdischte. Die verhalen openden een geheel ongekende wereld
voor hem. Een wereld van weelde, waarin volop de middelen te vinden
waren om zich een onbekommerd bestaan te verzekeren, een wereld van
avonturen, die prikkelend werkten op de gedachten van den binnenlander,
een wereld van genot en pleizier, onbekend aan millioenen. Sarpan kon
's avonds onder het rooken van een kaoeng-strootje, dat hij, tegen
het strenge verbod in, natuurlijk wel had weten machtig te worden,
heele verhalen doen van zijn avonturen, die hem reeds vaak met de
rechters in aanraking hadden gebracht; maar telkens was hij er weer
doorheen geslipt. Een paar keeren was hij op heeterdaad gesnapt, en
daarom had hij nu ook voor een onbeduidende kloppartij drie maanden
gekregen. Ze wilden zich nu eens wreken op hem, omdat hij ze meest te
slim af was. Sarpan sprak altijd met groote geringschatting over de
justitie, over de bestuursambtenaren en over allerlei andere dingen,
waarvoor andere menschen diep ontzag plegen te hebben. De politie
deed je niets, zeide hij, als je maar zorgde dat je een gevulden
buidel had, om ze oogen en ooren dicht te stoppen. Nou, en gebrek aan
geld had hij hoogst zelden. Zijn laatste veroordeeling was bepaald
kluchtig geweest. Hij was twee dagen in de gevangenis, toen hij zich
loskocht. Alleen had hij zich moeten verbinden om elken avond terug te
komen. 's Morgens heel vroeg ging hij er alweer uit. Hij was toen voor
de politierol gestraft. Aan die geschiktheid om zich overal tusschen
uit te draaien had hij zijn bijnaam van Si-Lindoeng [220] te danken,
onder welken hij het meest bekend was. Och, het was maar de manier,
waarop je zulke dingen aanvatte, hé?

Hij ging, zelfs in de gevangenis, met eenigen zwier gekleed, werkte
overdag zoo goed als niets en had een air over zich van luchthartigheid
en neerbuigendheid jegens de bewakers, waar Siman jaloersch van was. De
avonduren kortte hij met zijn verhalen, waarin hij ferm opsneed over
zijn geluk bij de vrouwen.

Siman leerde weinig goeds van hem. Maar och, de gevangenis is de
plaats niet, waar goede eigenschappen worden ontwikkeld!

Toen Si-Lindoeng heenging, na drie maanden, had Siman nog twee maanden
voor den boeg. Een week ongeveer bleef hij alleen in zijn cel,
die hem toescheen nog te weerklinken van de spot- en minneliedjes
van Si-Lindoeng. Daarin was deze een baas geweest. Siman had den
lotgenoot de gebeurtenissen medegedeeld, welke hem in de gevangenis
hadden gebracht en de ander had hem een beetje spottend aangezien,
onderwijl opmerkend dat Siman een volgenden keer wel wat handiger zou
zijn. Hij had overigens wel deelneming getoond met Siman en in die
drie maanden waren beiden, in dat donkere, vochtige gevangenislokaal,
bepaald goede vrienden geworden.

"Als je later 's soesah hebt, zoek je mij maar op, hoor. Ik zal je
wel helpen. Vraag maar naar Si-Lindoeng; iedereen kent Si-Lindoeng
op Sapekan."

Na een groote week was een andere celgenoot gekomen, een stille
kerel, van wien Siman niet kon te weten komen, wat hij eigenlijk had
misdreven. Maar in enkele buien van woede vloekte de nieuwe tegen de
rechters en de menschen, tegen de toestanden en tegen alles, waarmede
zijn gedachten zich bezighielden. Toen deze ongure gast in de cel
kwam, werd Siman getroffen door een onaangenamen geur, die het vertrek
vulde, een inzoete lucht, die je hoofdpijn bezorgde. Zij kwam van den
medegevangene. En later begreep Siman dat de man een opiumschuiver was.

Deze gevangene bleef maar heel kort en werd vervangen door een
zakkenroller met een gemeene tronie. Ook die ging weer spoedig heen,
en na hem kwamen nog een tweetal lieden, welke geweigerd hadden
heerendienst te verrichten, recidivisten. Die allen gingen weer
heen, vóór Siman. Hij telde de dagen, die hem nog scheidden van
zijn invrijheidstelling. Het pijnigde hem dat hij nog steeds zijn
wraak niet kon koelen. Heimwee naar huis kwelde hem niet. Och neen,
Djiah was er niet en de kleine Rekso zou wel goed bezorgd zijn. Wel
verlangde hij zeer naar den kleinen jongen en stelde hij zich voor,
hoe groot die reeds zou zijn. Zoo lang al had hij hem niet gezien. Het
was al bijna een jaar geleden, dat hij gearresteerd werd.

Over dag was hij werkzaam in de timmerafdeeling. Alle gevangenen
moesten werken en Siman, die niet lui was, had genoegen in den arbeid,
welke hem vaak de kwellende gedachten aan huis verdreef. Maar beter
werd Siman in dat jaar niet. Integendeel. Hij had al den tijd er over
te denken hoe hij zijn wraakplannen zou volvoeren, wanneer hij maar
eerst weder vrij was. Neen, bij God, hij zou niet weer missen!



Nederman was een dag lang bij Versnoek geweest, den administrateur van
Telatiga. Lang en breed hadden de waardige mannen geconfereerd. En men
was tot het besluit gekomen gezamenlijk naar den assistent-resident
te gaan om dezen te verzoeken hen te steunen tegen de opgezetenen.

Versnoek was zeeofficier geweest; misschien een goed officier--dit
weet ik niet. Maar als administrateur over een land met een
bevolking van zeventig à tachtig duizend zielen was hij niet op zijn
plaats. Bovendien had hij het al zeer slecht getroffen. Toen hij de
administratie van zijn voorganger overnam, was zich reeds een geest
van verzet beginnen te openbaren, ook op het land Telatiga. Hij was
toen zoo tactloos geweest, den oudsten opzichter zijn afscheid te
geven en toen, nadat ook de mantri's, die onder dezen gewerkt hadden,
ontslagen waren en ontevredenheid stookten onder het volk, tegen hun
vervangers voornamelijk, die niets anders waren dan spionnen van den
administrateur,--toen zij bewerkten dat de onrustige geest onder
de opgezetenen zich begon te uiten in daden, was een gegageerd
onderofficier van de marechaussee, een Duitscher, benoemd tot
opzichter. Die zou er wel orde onder houden. De man kreeg bedektelijk
te verstaan dat van hem verwacht werd dat hij rust en orde zou weten
te handhaven. Ook bij marine en leger waren onhandelbare sujetten, die
men tòch klein kreeg. Zoo noodig moest à la Atjeh worden opgetreden.

Maar zulk "energiek" optreden kan in verschillende streken van
den Archipel verschillende uitwerking hebben. En op Telatiga was
het resultaat anders dan Versnoek gewenscht had. Hiervan droeg hij
evenwel voorloopig nog geen kennis en hij leefde in den waan dat hij
den juisten weg had ingeslagen, wijl in den laatsten tijd minder van
strubbelingen met de bevolking werd vernomen.

Wij menschen staan altijd klaar met goeden raad aan anderen, wanneer
wij met het geven daarvan onze eigenliefde kunnen streelen.

"U moest dien De Leeuw bij u daar op Alas Bamboe wegdoen, mijnheer
Nederman," had Versnoek zijn gast geraden. "U weet niet half, welk
een kwaden invloed het op de bevolking heeft als het vergelijkingen
gaat maken tusschen den employé en den baas. Ik heb mij om die
reden genoodzaakt gezien hier Muller bij me te ontslaan. De man
was niet kwaad voor zijn werk, och neen, en zelfs had hij heel veel
kwassa bij het volk, maar hij was te lankmoedig, te gemakkelijk, te
goed. Hij liet zich al heel gauw bedotten door een beroerden snuit
en wat gejank. Nou, dat gaat niet, ziet u. De lui zijn dan al gauw
klaar met vergelijkingen. De baas is hardvochtig, maar de ziender,
daar kun je mee opschieten. En het gevolg is dat ze meer gaan voelen
voor den laatste en uit lust tot weerspannigheid, want iets anders
bezielt de lui niet, den administrateur pesten en sarren, wat ons nu
niet bepaald het leven veraangenaamt."

"Je kon wel 's gelijk hebben, Versnoek." Nederman herinnerde zich,
dat hij zelf De Leeuw "te week" vond, en zijn gedachte van Versnoek's
intelligentie was een zeer gunstige.

"Ja zeker, het is zoo. Ik zeg maar: ik ben de baas en de employé's doen
nu precies zoo als ik het wil of anders kan ik ze niet gebruiken. Sic
volo, sic jubeo."

Die Latijnsche kranigheid kwam er expresselijk achter, omdat Versnoek
heel goed wist dat Nederman's taal- en letterkundige ontwikkeling
niet heel ver ging. Hij kon zich bij dezen man dus al heel goedkoop
een reputatie van buitengewone kennis verwerven.

Nederman zei weinig terug. Hij was moe van de lange reis en den
drukken dag.

Den volgenden dag waren beiden bij den assistent-resident in diens
woning te Telatiga. Men kon daar meer op zijn gemak praten dan op het
kantoor, meende de heer Van Dam. En zoo zaten zij daar in de luchtige,
gezellige voorgalerij der ruime assistent-residentswoning, achter
een stevige whisky-en-soda, een geurige havana in den mond. O, zij
gevoelden zich zeer op hun gemak; het lichaam eischte in het geheel
niets; materieele zorgen kenden zij niet; zoo dadelijk zouden zij de
maag, voordat die nog knorde, kunnen bevredigen aan den welvoorzienen
disch des heeren Van Dam, die hen genood had bij hem het middagmaal te
nuttigen. Zoo, voldaan naar alle behoeften van het fysiek, zouden zij
maatregelen beramen om de bevolking te noodzaken hen niet te plagen
met zorgen des geestes.

Maar toch, wanneer Versnoek en Nederman gerekend hadden op groote
toegevendheid en bereidwilligheid bij den ambtenaar om mede te
gaan met hun plannen, dan hadden zij zich vergist. Van Dam, het is
misschien reeds meer gezegd, maar herhaling kan, waar zijn deugden
zoo weinige waren, zeker geen kwaad--Van Dam was geen slecht mensch,
die er op uit zou zijn medemenschen te kwellen. Integendeel, en hij
hield zichzelf voor een zeer goed ambtenaar, die werkelijk hart had
voor de bevolking. En zelfs was die neiging zoover gegaan dat hij,
met de wetenschap zich eenige soesah te veroorzaken, geweigerd had de
weigerachtige heerendienstplichtigen te tuchtigen. Elders is ook dit
reeds medegedeeld en men weet dus dat de politierechter, op last van
den procureur-generaal te Batavia, tot tuchtigen heeft mòeten overgaan.

Nu scheen het wel of Van Dam bij intuïtie begreep dat een dringender
reden dan bloot hoffelijkheidsbetoon de beide landheeren naar zijn
woning had doen komen. En hij voelde als 't ware dat men hem zou
trachten te overrompelen. Hoe echter zich te verschansen, waar hij
niet vermoeden kon van welke zijde de aanval dreigde?

"We komen met een ernstige zending, mijnheer Van Dam!" begon Versnoek,
"en het is hoofdzakelijk in uw belang, waarachtig in uw belang,
dat u ons bij u ziet."

"In mijn belang?"

"Ja, ja in uw belang," viel Nederman in.

"Wij komen u namelijk waarschuwen ..."

"Zoo, waarschuwen? Waarvoor?"

"Er gaat een heel moeilijke tijd voor u aanbreken, mijnheer Van Dam,
waarin ... waarin ...--hoe zal ik 't zeggen--waarin u zult staan
voor gebeurtenissen en toestanden, die heel wat beleid, ja, heel wat
bestuursbeleid zullen vorderen."

"Dat is een heel raadselachtige en ernstige inleiding," lachte de
assistent-resident, gemaakt vroolijk. "En waar slaat dat nu allemaal
op?"

"Dat zult u dadelijk hooren."

"De lui weigeren om met den volgenden oogst rijst te leveren," vulde
Nederman ongeduldig aan.

"O, daar weet ik alles van!"

"Zoo? weet u dat?"

"Ja, er zijn reeds verscheidene opgezetenen bij mij geweest om me te
waarschuwen, dat ze de vrijwillige overeenkomsten niet meer zullen
teekenen."

"Dat is sterk. Komen die lui u dat te voren reeds vertellen?"

Nederman hield zich, als wist hij hier niet van.

"Ja."

"En wie zijn de kerels, weet u dat misschien ook?"

"Ja, ik heb ze natuurlijk genoteerd."

"Mag ik dat lijstje bij gelegenheid eens van u inzien?" vroeg Nederman
met een bijbedoeling.

"Wel ja, daar heb ik geen bezwaar tegen. Maar u ziet dus dat ik van
de plannen der bevolking weet."

"En wat denkt u te doen?"

"Niets. Wat zou ik kunnen doen? Als ze volharden in hun dwaze plannen,
moeten u en ik ons daarbij wel nederleggen."

"Daarin ben ik 't toch niet met u eens, mijnheer Van Dam," viel
Versnoek in, terwijl hij een teug nam van de whisky-soda. "Ziet u
eens. U kent ons lang genoeg om te weten dat wij geen bloedzuigers
der bevolking zijn, niet waar? Indien maar eenigszins mogelijk helpen
wij ze, dan 's met dit, dan 's met dat; vischtjoeké, tuinhuur, niet
waar? Enfin, dat weet u net zoo goed als wij. In de laatste jaren is
de heffing verminderd en, men mag nou toch zeggen wat men wil, maar
die heffing is mild: 1/5, en als er een beetje reden voor is, krijgen
ze nog vermindering ook. Trouwens het is een practisch oeconomisch
beginsel, dat wij de lui niet boven draagkracht belasten. Gaat het de
bevolking goed, dan gaat het ons ook goed. En daarbij, gesteld eens
dat wij dit beginsel uit het oog verloren, dan is u daar om er voor
te waken dat de bevolking niet gevexeerd wordt."

"Ja, ja, dat is zoo," beaamde Nederman, "en het is zonder
eenige vleierij gezegd, mijnheer Van Dam, ik heb verscheidene
assistent-residenten gekend, maar de bevolking mag dankbaar zijn dat
u over ze waakt. U bent stipt rechtvaardig en u draagt de lui een
goed hart toe ..."

"Juist, mijnheer Van Dam, en behalve een goed hart nog een goede
dosis gezond verstand, en nog meer op het laatste dan op het eerste
komen wij een beroep doen. In uw belang in de eerste plaats, omdat
wij het zeer ongaarne zouden zien, dat u, van wien wij telkens de
meest ondubbelzinnige blijken van welwillendheid hebben ondervonden,
nu de dupe zou worden, door soesah, lastige perkara's, noodeloos
gewrijf en geschrijf en god-weet-wat-niet-al-meer, van ... eh ... van
conflicten tusschen landheeren en opgezetenen. In de tweede plaats
in het belang van de bevolking. De inlander is net een groot kind
en als hij zich nou in zijn hoofd gehaald heeft dat dìt goed is
en dàt niet, dan moet men over meer beleid, overredingsvermogen,
taal- en menschenkennis beschikken, dan wij bezitten, om ze te
overtuigen van het verkeerde. Dat kunt u, maar dat kunnen wij
niet. En in de derde plaats komt ons eigen belang ook nog een
woordje meespreken, of juister, het belang van de eigenaren, dat
wij dan moeten behartigen. Want ziet u eens: als de bevolking padi
levert, dan vervalt ze van zelf in veel zwaardere heffing, dat is
duidelijk. Vandaar dan ook dat wij rijst vragen, alweer om ze niet te
zwaar te treffen. Nou, en nu zult u zeggen, dan brengt je belang toch
mee om padi te ontvangen, als ze dat zelf komen leveren--dat is alleen
maar waar voor een of twee jaren. Want als we een beetje verder kijken,
wat zien we dan? De bevolking bemerkt natuurlijk al spoedig dat ze
meer opbrengt dan vroeger. Ze gaan niet na, dat ze zelf de schuld
zijn van den toestand, welneen, maar ze worden ontevreden. Er komt
volksverloop, minder zorg wordt er besteed aan het product en het slot
van het liedje is dat wij met een betrekkelijk grootere hoeveelheid
rijst in het begin bedrogen uitkomen op den duur. De wijsheid gebiedt
hier om met het mindere tevreden te zijn. En als de bevolking toch méér
wil leveren, dan moeten die groote kinderen maar gedwongen worden om
het voor hen voordeeligste te kiezen, al was het dan tegen hun zin in."

Versnoek had gepoogd met overtuiging te spreken. Hij was welbespraakt,
gevat en diplomatiek.

Daarbij had hij een paar sterke bondgenooten, n.l. de onkunde van den
assistent-resident wat het bedrijf in zijn afdeeling, het hoofdbedrijf,
betreft en de vatbaarheid van den heer Van Dam voor vleierij. Toch was
Van Dam niet zoo naïef te gelooven dat eerst in de derde plaats het
belang van den landheer gold en dat ethische gevoelens zijn bezoekers
tot hem gebracht hadden.

"Maar ik zou u toch wel de opmerking willen maken, mijnheer Versnoek,
dat naar het mij voorkomt, de bevolking nog zoo ongelijk niet heeft,
als ze ..."

"Als ze padi levert, bedoelt u? Wel, mijnheer Van Dam, daarin vergist
u zich toch zeer sterk. Hoewel, ik geef dadelijk toe, dat het voor
outsiders altijd een buitengewoon moeilijke zaak is juist de waarde
van dit punt,--de heffing van padi of rijst, bedoel ik--te schatten,
laat staan te berekenen. Indien u er belang in stelde, zou ik u met
cijfers kunnen aantoonen met hoeveel de bevolking in het voordeel is
bij rijstlevering."

"Nou, daar houd ik mij voor aanbevolen."

"Ik heb er mij niet op geprepareerd, ziet u, anders zou ik mij
gewapend hebben met stukken en paperassen. Maar wat in het vat is
verzuurt niet."

"O, ik kan je wel een handje helpen, collega," zeide Nederman. "Nog
eergisteren had ik het erover met een van de employés. Ik behandel
die dingen graag met de jongens. Daar leeren ze van. Want over het
algemeen loopen ze wat hard van stal. En dan is het maar: hoe meer
tjoeké hoe beter. Ziet u, dan pleeg ik te remmen. Wat bliksem, die
arme zwarten zijn ook menschen."

"Natuurlijk, natuurlijk."

"Nou, Van Affelen had het er ook over dat padi voordeeliger zou zijn
voor de lui. Maar dat is niet waar. We hebben rekening te houden met
de hoeveelheid rijst, hé? Want de lui moeten hun padi ook tot rijst
maken. Nou in 19.. hebben wij binnengekregen ruim vijf en dertig
duizend picol rijst. Dat zou geweest zijn--ik ken de getallen nog uit
het hoofd--als wij padi hadden gevraagd, ruim zes en tachtig duizend
picol padi. Dit omgezet in rijst, eerste en tweede soort, zou het niet
onaardige voordeeltje voor ons hebben opgeleverd van ruim een halve
ton; stamploon, maalloon, etc. etc. afgetrokken, dus schoone winst."

"H'm." De assistent-resident was wat bang voor cijfers: hij was een
leek, zijn bezoekers deskundigen.

Zou dus waarlijk padi-levering zooveel nadeeliger zijn voor de
bevolking? Het kwam hem vreemd voor. Zouden ze zoo'n voordeeltje van
vijftig mille maar hebben laten schieten? Het klonk ongelooflijk!

"Maar nu houdt u ook geen rekening met een hoop factoren," zeide hij,
zich groot houdend.

"Neen, neen, er is met alles rekening gehouden, met de meerdere
transportkosten, met het gewicht van de padi, hè, nou dat is een
voornaam ding ..."

"Als je blieft," vulde Versnoek aan. "De rijstlevering belet vexatie,
maar met padilevering, gesteld 's dat een Europeaan zich daartoe
zou willen leenen, met padilevering kan je eenvoudig laten wegen,
waar het gewas het best staat. Dan zou een hoop schelen op het
geheel. En dat kan niet belet worden. De geteekende overeenkomsten
daarentegen worden door u geregistreerd en als wij daarvan afweken,
gesteld dat we het deden, zou dat als contractbreuk worden aangemerkt;
zeer terecht overigens, zeer terecht, ik geef 't dadelijk toe."

"En de keuring, Versnoek, vergeet die niet. Hoe gaat dat, mijnheer Van
Dam? Daar wordt genoteerd wat voor soort padi, wat voor qualiteit. Nou
en in de pakhuizen wordt streng rekening gehouden met die factoren,
altijd in het belang van de bevolking. En dat is dan natuurlijk uit
met padilevering. Want dan geldt eenvoudig de regel: zooveel oogst;
1/5 afleveren in de pakhuizen. Als je blieft. En nu zeggen we: nou ja,
jullie moogt wel wat minder mooie korrel brengen. Er is veel regen
geweest van het jaar."

Zelfs Versnoek zweeg bij deze leugenachtige voorstelling van
zaken. Die Nederman durfde! Maar Van Dam wist te weinig van al die
zaken om den spreker op z'n valschheden te wijzen. Hij wist van al die
factoren niets af. En het was wel jammer dat hij het gesprek tusschen
Nederman en Van Affelen van eenige dagen te voren niet had bijgewoond:
toen Nederman klaar en duidelijk bewezen had dat padi-levering zoo
nadeelig was voor het land. Al kon hij zich nu niet verklaren waaròm de
landheeren een zich oogenschijnlijk zoo gemakkelijk te bezorgen winst
prijs gaven, hij begon over te hellen tot de meening dat padi-levering
nadeelig was voor de bevolking en dat deze dit niet inzag.

"Dat is nu wel allemaal waar", zeide hij, "maar nu houdt u toch geen
rekening met het feit dat u de rijst berekent tegen 54 procent van
de padi."

"Ja zeker, maar ..."

"Nou, die coëfficient is toch te hoog, niet waar?" Het was een
stroohalm, waar hij zich aan vastklampte, maar zeker voor hem de
zwakste.

"Te hoog? Welneen, mijnheer Van Dam, wel neen. Te laag, bedoelt u,
te laag." Triomfantelijk haalde Nederman uit een portefeuille in
een binnenzak een toegevouwen papier voor den dag. Hij reikte het den
ambtenaar over, met de woorden: "Hier hebt u een paar stampproeven. Die
heb ik altijd met andere paperassen bij me."

Hij paste er wel voor te verklaren dat hij, als bij intuïtie, nog even
voor zijn vertrek het velletje uit zijn zakboekje had gescheurd. Men
kon niet weten--het zou eens noodig kunnen zijn.

De assistent-resident keek het papier in. Het bevatte het hier naast
afgedrukte staatje.


STAMPPROEF van padi van Alas Bamboe.

================+===========================+==========================+=========+=========+=========
                |                           |      Verkregen rijst     |         |         |
Hoeveelheid padi|                           +-----+---------+----------+  Dedek  | Merang  | Totaal
                |          SOORT            |grof |  fijn   |  totaal  |(zemelen)| (stroo) |
-------+--------+                           |-----+--+------+---+------+--+------+--+------+--+------
 picol | kattie |                           |p.|k.|p.|  k.  |p. |k.    |p.|k.    |p.|k.    |p.|k.
-------+--------+---------------------------+--+--+--+------+---+------+--+------+--+------+--+------
   1   |   --   |Glewang (mindere kwaliteit)|--|30|--|26    |-- |56    |--|29-1/2|--|12    |--|97-1/2
   1   |   --   |Idjoean (mindere kwaliteit)|--|28|--|31-1/2|-- |59-1/2|--|29    |--|09-1/2|--|98
-------+--------+---------------------------+--+--+--+------+---+------+--+------+--+------+--+------
       Gemiddeld|                           |--|29|--|28-3/4|-- |57-3/4|--|29-1/4|--|10-3/4|--|97-3/4
================+===========================+==+==+==+======+===+======+==+======+==+======+==+======



STAMPPROEF van padi van Sikarang.

================+===========================+================================+=========+=========+=========
                |                           |         Verkregen rijst        |         |         |
Hoeveelheid padi|                           +---------+----------+-----------+  Dedek  | Merang  | Totaal
                |          SOORT            |  grof   |  fijn    |   totaal  |(zemelen)| (stroo) |
-------+--------+                           |---------+--+-------+--+--------+--+------+--+------+--+------
 picol | kattie |                           |p.|k.    |p.|  k.   |p.|k.      |p.|k.    |p.|k.    |p.|k.
-------+--------+---------------------------+--+------+--+-------+--+--------+--+------+--+------+--+------
   1   |   --   |          Ossok            |--|36    |--|26-1/2 |--|62-1/2  |--|28    |--|07-1/2|--|98
   1   |   --   |            ,,             |--|35-1/2|--|27     |--|62-1/2  |--|27    |--|08    |--|97-1/2
   1   |   --   |         Idjoean           |--|42-1/2|--|18     |--|60-1/2  |--|28-1/2|--|09    |--|98
   1   |   --   |            ,,             |--|34    |--|27     |--|61      |--|29    |--|08    |--|98
   1   |   --   |         Glewang           |--|41    |--|19     |--|60      |--|28-1/2|--|09    |--|97-1/2
   1   |   --   |            ,,             |--|42    |--|17     |--|59      |--|29    |--|09-1/2|--|97-1/2
-------+--------+---------------------------+--+------+--+-------+--+--------+--+------+--+------+--+------
       Gemiddeld|                           |--|38-1/2|--|22-5/12|--|60-11/12|--|28-1/3|--|08-1/2|--|97-3/4
================+===========================+==+======+==+=======+==+========+==+======+==+======+==+======


"Wel, het is duidelijk niet waar? Bij minder kwaliteit glewang en
idjoean krijgen wij nog 57 3/4 kattie, bij betere kwaliteiten zelfs
bijna 61. Wij brengen de bevolking in rekening niet meer dan 54
procent. Nou, dat is dunkt mij dan toch al het zuiverste bewijs dat
wij er niet op uit zijn, de lui te villen."

Hij wisselde een snellen blik met Versnoek. Van Dam zat nog steeds
met aandacht in het papier te turen. Het was dus toch waar? Wel,
kijk, het deed hem pleizier! Er was dus toch niet zooveel baatzucht
als steeds werd afgeschilderd, niet het minst door sensatie-lievende
persorganen. Gelukkig; hij zou nu kunnen rekenen op medewerking bij
de landheeren om de bevolking op haar eigen belang te wijzen. Maar
toch, hij begreep eigenlijk nog niet goed, waarom de eigenaren dan
toch geen padi vroegen. Vroeger moest dat wel het geval geweest
zijn. Och kom, het zou wel zijn zooals Versnoek gezegd had. De
practijk had ze wijsgemaakt, had ze geleerd de belasting niet te
zwaar te doen drukken. Ja ja, dat was het. Volksverloop is een naar
ding. En per slot van zaken zouden ze bedrogen uitgekomen zijn. Maar
de assistent-resident wist niet dat de stampproeven waardeloos waren,
wijl zij genomen waren bij meest zorgvuldige stamping om schitterende
resultaten te verkrijgen; hij kon dus niet vermoeden dat deze kleine
hoeveelheden wel degelijk uitgezochte padi een valsch beeld gaven
van den voornaamsten factor bij de rijstwinning; hij begreep niet
dat met zulke staatjes, aantoonende dat men zestig en meer procent
rijst kon verkrijgen van 36,7 % breuk bijv., gewoekerd werd; hij kon
de valschheid niet bespeuren in de opzettelijke leugens omtrent de
winning, hem daarnet van beide zijden op de mouw gespeld; hem was
het niet bekend dat van 1887 tot 1898, gedurende twaalf jaren dus,
op Telatiga de padi niet meer dan nauw 54 % rijst leverde van de
verhouding 32 % grof en 68 % fijn, geheel andere cijfers, naar men
ziet, dan die hem uit eenige stampproeven van 8 picols uitgezochte padi
werden opgedrongen; hij kon dus niet vragen met welk recht--buiten
dat steunen op de "vrijwilligheid" der overeenkomst--de landheeren
tjoekérijst eischen van slechts 20 % breuk in naam, van 16 tot 11 %
inderdaad. Dit alles wist de assistent-resident niet, al had hij het
kunnen, al had hij het moeten weten.



"H'm," zeide hij, "alles goed en wel; maar de geschiedenis spreekt toch
een heel andere taal. Daar heb je bijvoorbeeld de oud-resident Smith,
die noemde den toestand op de particuliere landen in sommige opzichten
erger dan slavernij. Hij heeft er nog een brochure over geschreven,
geloof ik."

"Jawel, jawel, dat is zoo. Hij toonde aan dat de landheeren in plaats
van 1/5 aan padi, 1/10 en meer in rijst eischten. Maar die oude heer
sprak van de veertiger jaren, mijnheer Van Dam, al langer dan een
halve eeuw geleden. Hij kan best gelijk gehad hebben--wie wie zal
het controleeren?--maar wat hij toen zeide, kan toch moeilijk op
toestanden van thans toepasselijk verklaard worden."

"Nou, maar oud-resident Kan dan? Die is niet van tempo doeloe. [221]
En Kan is in zijn open brief aan de Kamer lang niet malsch geweest
hoor; potstausend neen. Hij heeft de landheeren van niets meer of
minder beschuldigd, dan van meer dan dubbel zooveel tjoeké te eischen
dan waarop zij wettig aanspraak konden maken."

"En wat heeft het gegeven?" vroeg Versnoek, ietwat schamper.

"Gegeven? Neen, gegeven heeft het niets, maar er werd een onderzoek
ingesteld naar de gegrondheid van de beschuldigingen van vexaties
van de opgezetenen door het vorderen van heerendiensten en het doen
van heffingen in strijd met de wet."

"Nou ja, een onderzoek; dat is ons ook bekend," zeide Nederman,
"maar u vergist u dat Kan daartoe den stoot gegeven heeft. Zijn
pamflet kwam eerst daarnà in het licht."

"Zeker," viel Versnoek bij, "en de uitslag van het onderzoek heeft
wel bewezen dat al die beschuldigingen laster waren."

"Dat is wel wat bout gezegd," meende Van Dam.

"Er is toch geen vervolging uit voortgevloeid?"

"Neen, dat niet; maar de beschuldigingen zijn wel degelijk juist
bevonden."

"Toch wel kras, dat er dan geen straf gevolgd is," merkte Versnoek
ongeloovig op. Hij had zich eigenlijk nooit druk gemaakt om wat er
vroeger gebeurd of niet gebeurd was, en kende dus ook de historie op
dit punt niet anders dan terloops.

"O, dat zal ik u wel vertellen. Eerstens is het wel degelijk Kan
geweest, die op een onderzoek heeft aangedrongen. En dat onderzoek werd
toen gelast door den gouverneur-generaal. De toenmalige hoofdinspecteur
der cultures heeft daarop alle beschuldigingen van Kan waar gemaakt. En
een gerechtelijke vervolging werd toen wel degelijk gelast. Er is
twee jaar later, meen ik, weer van afgezien. Maar waarom? Omdat het
bestuur aan de verbodsbepaling van het overtreden artikel 11 van het
reglement zelf niet de hand had gehouden."

"A la bonne heure!" riep Versnoek uit. "Neen, die is goed! Daar hebben
de bestuursambtenaren dan de landeigenaren een grooten dienst mede
bewezen. De overweging van dat besluit is overigens magnifiek."

"Cynisch is een beter woord, vind ik."

"Maar dat slaat ook al niet op den huidigen toestand, mijnheer Van
Dam. Integendeel, wij komen hier juist bij u om u te verzoeken met uw
invloed de bevolking van haar dwaze voornemens terug te houden. Mij
dunkt, dat pleit dan toch eer vòòr dan tegen ons!"

"O, zeker, zeker; de toestanden zijn dan ook zeer ten goede
veranderd. Maar houdt u mij ten goede, mijne heeren, goed kan die
toestand toch nog altijd niet genoemd worden ..."

"Wij streven er naar, mijnheer Van Dam, om hem in de eerste plaats
niet te verslechteren. Dat is al een heele stap in de goede richting,
dunkt mij. Strijd tusschen kapitaal en arbeid is er altijd, zal er wel
altijd zijn, zoolang kapitaal en arbeid bestaan. Kijk maar om u heen;
overal, overal ziet u conflicten tusschen werkgevers en werknemers. Dat
is eenmaal onvermijdelijk, een economische strijdvraag, waarop het
antwoord wel nimmer gegeven zal kunnen worden,--het bevredigend
antwoord ten minste. Ik zou met eenige hoop op goeden uitslag de
stelling kunnen verdedigen: zonder belangenstrijd geen industrieele
ontwikkeling, al klinkt het wat paradoxaal, en al zullen de meeste
economisten dit wel niet met mij eens zijn. Maar, zooals ik zeg,
wij streven naar verbetering, en u zult ons niet alleen altijd
bereid vinden u te steunen in uwe pogingen om betere verhoudingen
in het leven te roepen, maar wij komen u nu zelfs verzoeken om uwe
medewerking daartoe."

"O, daar kunt u op rekenen; daartoe ben ik èn als mensch èn als
ambtenaar ten allen tijde bereid. En dan ligt me al dadelijk iets op
het hart. Ik zou graag zien dat de bepalingen in de overeenkomsten
op de beide landen conform gemaakt werden, in de productiebepaling
van de velden, bedoel ik. Op Telatiga neemt u een grens aan van 37,5
picol padi voor geslaagde sawahs en op Alas Bamboe is 31,5 picol ..."

Nederman viel den spreker in de rede.

"En een kwart, mijnheer Van Dam, en een kwart maar, en, ziet u, daar
zijn verschillende redenen voor. In de eerste plaats is de bodem op
Alas Bamboe zooveel vruchtbaarder; bij gelijke bewerking geeft de grond
er meer beschot dan op Telatiga. Dit is wel de hoofdreden. En dan,
zooals dat heet, hè--de toestand is een historische,--'t is nu zoowat
adat geworden. Wat de deur dicht doet, is, dat uit den tjoeké-aanslag
wel blijkt dat altijd ten voordeele der bevolking wordt beslist. Sawahs
van een beschot boven de grens van goed geslaagd en minder geslaagd
worden nìet met de maximum-opbrengst belast. En daardoor komt het in
de practijk toch eigenlijk op hetzelfde neer."

Versnoek keek zijn collega weer even aan. Waarlijk die Nederman
durfde! Hij wist zeker het best dat bijv. onder slecht geslaagde
sawahs ook die gerekend werden, welke misoogst hadden opgeleverd. Ja,
uitsluitend zulks zelfs. Want de gemiddelde opbrengst van die slecht
geslaagde velden bedraagt, volgens den staat van den tjoeké-aanslag
zelf, iets meer dan 2 1/4 kattie natte padi per roede. En dit
beteekent: misoogst. En zoo zal men vinden voor de "minder goed
geslaagde sawahs" een opbrengst van nauw 4 kattie natte padi per
roede. Die sawahs konden dus niet vallen onder artikel vier der
vrijwillige overeenkomst. En ook wist Nederman dat de grensbepaling
van 31 1/4 picol padi op niets berustte en dat op Telatiga, bij wat
minder slecht geïrrigeerde gronden, een aanzienlijk hoogere limiet
gesteld is. Nederman wist dat 0.40 picol rijst gevorderd wordt voor
1 picol natte padi van minder goed geslaagde sawahs van 22.5 picol
per bouw. Het "minder goede" ligt niet uitsluitend in de kwantiteit;
neen, meest altijd is ook de kwaliteit van het product niet te
loven. Nederman wist dat op Telatiga van sawahs met een opbrengst
van 27 1/2 picol natte padi--de grens tusschen geslaagd en niet
geslaagd product--slechts 0.33 picol rijst voor 1 picol padi werd
gevraagd. Hij wist dat dit eerst onlangs daarop was teruggebracht,
nadat door den vorigen landheer was aangetoond dat een heffing van
0.37 picol te zwaar was.

Ten slotte ook was het Nederman wel bekend dat een picol natte padi
zelden meer opbrengt dan 0.40 picol rijst, grof en fijn dooreen,
dat de heffing van 0.40 picol grofkorrelige rijst, als op Telatiga
plaats heeft van goed geslaagd product, zeer zwaar is en dat op Alas
Bamboe dit van minder goed en slecht geslaagd product geëischt wordt.

Dit alles had ook de assistent-resident kunnen weten. Hij wist het
evenwel niet en voelde dus niet het onware van Nedermans woorden.

"Weet u wat de toestand in deze afdeeling zoo lastig maakt? Dat de
lui altijd klagen over "dwang" bij de teekening van de vrijwillige
overeenkomsten. Niet eens of tweemaal, maar constant door. Het is den
menschen niet in het hoofd te praten dat zij toch ongedwongen bij mij
komen om de overeenkomsten te laten registreeren. Neen, zeggen zij,
tevoren zijn zij al bewerkt. Ze moeten wel. Maar argumenten kunnen
zij niet aanvoeren. Wordt daar dan eens wijs uit."

"Och, dat moet u niet verwonderen, mijnheer Van Dam," zeide
Versnoek. "Waar geen grieven zijn, daar moeten ze gemaakt worden. En
dat gebeurt voornamelijk door de raddraaiers, luie kerels, die niet
werken, geleerde proletariërs, die A. B. C. kunnen schrijven en dan
desa-eminenties zijn, van die kwade elementen, welke men overal
aantreft en tegen wien wij blanken eigenlijk veel te zachtmoedig
optreden. Die lui zeggen aan de anderen: zeg maar, dat je gedwongen
wordt om te teekenen, dat mag niet en dan krijg je wel gelijk. Nou,
het tamme vee doet dat, maar den eersten den besten keer dat
u wat dieper in de zaak doordringt en wilt weten wèlke dan die
dwang is, blijven de motieven tot de beschuldiging weg, eenvoudig
omdat die er niet zijn. Het is ook dwaasheid. Waarmede kunnen
wij de lui dan wel dwingen? U zelf registreert de overeenkomsten
in hun tegenwoordigheid. Onze bemoeienis gaat niet verder dan
de vraag: wil je de overeenkomst of taxatie bij proefsnit? Een
van die krantenschrijvers heeft gezegd: er wordt moreele dwang
uitgeoefend. Moreele dwang? Nonsens! Wat is moreele dwang? Weet ù
wat dat is? Je dwingt ze of je dwingt ze niet, zeg ik maar. Dreigen
wij ze met gevangenis, boete of doodstraf? Het is belachelijk!"

Versnoek dronk zijn glas leeg, dat, na noodiging van den gastheer,
opnieuw gevuld werd door den huisbediende.

"Met dat al," zeide de assistent-resident, "heb ik er de soesah
van. Voor jaren al begonnen de lui te klagen over dwang, met het gevolg
dat er een besluit geslagen werd met de opdracht aan den resident te
zorgen voor naleving van het reglement."

"Dat is nog al gek. Er wordt toch een reglement uitgevaardigd om
het op te volgen? Aansporingen om te zorgen dat dit gebeurt is een
beetje--bizar, zou ik zeggen."

"Ja, dat is zoo. En het fraaist is, dat bijzonderlijk de nadruk wordt
gelegd op het registreeren der overeenkomsten. Alsof dat niet altijd
gebeurt! Die algemeene secretarie schrijft ook maar wat neer, voor
vorst en vaderland weg."

"Hebt u het besluit bij de hand?"

"Ik denk wel, dat ik het uittreksel nog kan vinden."

Meteen stond Van Dam op en begaf zich in zijn kantoor. Het duurde
een heele poos voordat hij terug was. Het stuk lag blijkbaar niet
voor de hand.

Versnoek had alleen om inzage van het besluit gevraagd om Van Dam
even weg te hebben.

Snel wisselde hij gedurende de afwezigheid van den gastheer eenige
woorden met Nederman.

"We moeten in deze richting werken; hij zal er wel toe te brengen
zijn. Maar wanneer kunt u hem ontvangen?"

"Deze week, als je wilt. Laat maar even weten, dan zorg ik thuis
te zijn."

"All right!"

Van Dam kwam terug.

"Hier hebt u het. Dwaasheid!"

Versnoek las, voor den vorm met voorgewende aandacht:


No. 39.

Extract uit het Register der besluiten van den Gouverneur-Generaal
van Nederlandsch-Indië.


Buitenzorg .....


Gelezen:

I enz.

II enz.

Is goedgevonden en verstaan:

Eerstelijk, enz.

Ten tweede: Den Resident van ...... op te dragen om zooveel noodig
toe te zien, dat aan de naleving van de artikelen 7 en volgende van
het reglement op de particuliere landerijen, gelegen ten Westen der
rivier Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19), bepaaldelijk ook voor
zooveel betreft de registratie en goedkeuring door het Bestuur der
overeenkomsten tusschen de landheeren en de opgezetenen omtrent de
heffingen op de rijstvelden (art. 11, alinea 2), stiptelijk de hand
worde gehouden.

Extract enz.

Accordeert met voors. register.


De Gouvernements-Secretaris

......


"Het is mooi. En," vroeg hij wat sarcastisch, "heeft dit besluit
geholpen?"

"Och, wel neen. Integendeel: de lui begonnen te requestreeren, zooals
de heeren wel weten zullen."

"O, ja, alles bekend. Requesten aan den gé-gé, deputaties zelfs,
die bij mijnheer Kan zijn geweest, te Batavia. Als die ons maar kwaad
kon doen ..."

"Het is mij intusschen niet recht duidelijk, wie de lui op het goede
spoor heeft gebracht. Want wat wist de desaman nu eigenlijk van Kan,
of dat hij te Batavia te vinden was?"

"Hebt u dan niet gehoord van dien raden Djakaria?"

"Djakaria, neen."

"Die is mantri of zooiets geweest hier op de landen. 'n Echte
onruststoker, die zich in het hoofd gehaald heeft dat hij de lui
moest helpen. Die kerel woonde te Batavia en heeft de deputaties
den weg gewezen. Ten minste, dat werd mij uit Batavia geschreven,"
zeide Versnoek. "Gelukkig dat de autoriteiten zoo leep waren, zich
aan dien belachelijken nonsens niet gelegen te laten liggen."

"Neen al die ophitserij en pasangans [222] hebben de lui geen stap
verder gebracht. Trouwens, de grieven waren maar vermeende."

"Maar, mijnheer Van Dam, om nu niet af te dwalen: wij willen u
verzoeken een bezoek te brengen op de landen."

"Waarvoor dat?"

"Och, kijk, in de eerste plaats zou u het bezoek als een inspectie
kunnen beschouwen. Dat kan nooit kwaad. Er zou eens gevraagd kunnen
worden of u wel eens de landen bezoekt, niet waar? Maar ook zouden wij
u willen verzoeken om uw invloed aan te wenden ten einde de menschen te
overtuigen dat ze verkeerd doen met te volharden bij padi-levering. Als
u dan nog eenige inlandsche hoofden wildet mede ...."

"Neen, maar dat kan ik niet doen. Wel, neen, dat gaat niet. Men zou
mij van buiten deze inmenging euvel kunnen duiden. Ik heb er immers
niets mede te maken? Ik registreer alleen de overeenkomsten. Verder
gaat mijn bemoeienis niet. Neen, dat kan niet!"

Van Dam schrok er van. Stel je eens voor als daar eens een verkeerde
voorstelling van werd gegeven! En hij was heel beslist in zijn
weigering.

De anderen begrepen dat zij op dit punt niet te zeer moesten
aandringen, wilden zij geen argwaan omtrent de ware bedoeling van
hun verzoek wekken.

"Ja, dat is waar," haastte zich Versnoek te antwoorden. "Daar dacht
ik zoo gauw niet aan. U hebt gelijk, u hebt volkomen gelijk."

"Nietwaar?"

"Zeker, zeker. Enfin, dan moeten ze het maar zelf brouwen. Wij kunnen
niet meer doen dan we doen. Maar u wilt toch zeker wel een kijkje
nemen, want ik voorzie moeilijkheden en dan is het een geruststelling
voor ons, ook tegenover de eigenaren, ziet u, wanneer wij naar u
kunnen verwijzen in de verklaring, dat de wijziging der toestanden
niet is te wijten aan slechte administratie of vexaties onzerzijds."

"O, zeker, dat wil ik u graag beloven. Ik was toch reeds van plan u
te verzoeken mij bij u te ontvangen."

"Mooi, dat klopt dus prachtig. En mogen wij u dan de volgende week,
laten we zeggen Woensdag, verwachten?"

"Woensdag, neen dat zal niet kunnen. Laat 's kijken: Wat dunkt u
van Vrijdag?"

"Uitmuntend, het komt er voor ons op den dag niet aan. En zorgt u
dan maar niet voor reisgelegenheid. Ik zal u het rijtuig wel hierheen
sturen en mijnheer Nederman zal dan wel verder zorgen."

"Natuurlijk," zei Nederman.

"Ook goed. Dat is dus afgesproken."

"Maar dan is er nog iets. We moeten op alles voorbereid zijn, ziet
u. En als de lui nou halsstarrig blijven bij den wensch om padi te
leveren, dan moeten wij daarop rekenen. En het is noodig dat wij dan
het aandeel padi van den landheer op het veld wegen. Anders is elke
contrôle onmogelijk."

"Dat is begrijpelijk."

"Juist, en al zijn wij volkomen in ons recht daarmede, dit recht
wordt ons niet uitdrukkelijk verleend in het reglement en natuurlijk
zal men ons betichten van onwettige handelingen als we niet meer doen
dan wat de wetgever natuurlijk bedoeld moet hebben. U zoudt ons daarom
zeer verplichten met ons te machtigen de padi te wegen."

"H'm."

Van Dam zweeg en dacht na. Instinctief begreep hij dat hij aan het
verzoek niet moest voldoen. De inkleeding kwam hem verdacht voor. Maar
de drijfveer kon hij gissen noch raden.

"H'm. Ik geloof niet dat dit in mijn bevoegdheid ligt, mijnheeren."

"Niet?"

"Neen, ik zou u raden u te wenden tot den procureur-generaal. Dit is
een justitie-zaak, ziet u, en competeert mij, bestuursman, niet."

"Maar het heeft toch absoluut geen beteekenis?"

"Neen, dat is wel mogelijk. Maar het gaat hier toch om een
wetsuitlegging, hé? en daar houd ik mij liefst buiten. Waarlijk ik
zou in uw plaats mij tot den procureur-generaal wenden."

Verder aandringen der bezoekers baatte niet. Van Dam wenschte zich
niet in een wespennest te steken.



In den namiddag reden Nederman en Versnoek weer naar huis, na den
rijken maaltijd bij Van Dam alle eer te hebben bewezen.

Dien avond en ook den volgenden dag bleef Nederman de gast van
Versnoek. Dien tijd hebben zij benut met ongeveer gelijkluidende
brieven te schrijven aan de hoofdadministraties te Batavia, de
Nederlandsch-Indische Commercieele Bank en de firma Biederman en Van
Lochem, waarin werd aangedrongen van den procureur-generaal machtiging
te erlangen tot weging van de padi bij den snit.



Siman was vrij. Vrij om weer te gaan waarheen hij wenschte, vrij om
zich te bewegen gelijk hij verkoos, om te doen en te laten wat hij
wilde. Vrij om zijn wraak te koelen, een wraak, in de eenzame uren van
zijn gevangenschap uitgegroeid tot een allesbeheerschenden hartstocht.

Dien morgen was de cipier hem komen mededeelen, dat hij kon gaan. En
niet langer dan noodig was, had hij nog vertoefd te Telatiga. Hij
ging weer gekleed in zijn oude plunje, die hij versteld had, en in
zijn gordelband had hij het weinige geld, dat hem werd uitgereikt
als zijn verdienste met gedwongen arbeid tijdens den gevangenistijd.

Hij was heen gestapt, voort naar het westen, al maar naar het westen,
naar Alas Bamboe, naar Herea, naar Kario! Hij dacht in de eerste uren
van zijn vrijheid niet aan eten of andere lafenis, niet aan rust. Hij
liep maar voort, uur na uur.

Achter hem klapte een zweep en rolde een rijtuig: hij hoorde het
niet. Eerst door een ruwen schreeuw van den koetsier schrok hij op
en deed een sprong zijwaarts. Rakelings vlogen de wielen langs hem
heen; de twee vurige Sandelwoods, schichtig geworden, trokken aan
de teugels. Uit den wagen werd hem een scheldwoord naar het hoofd
geslingerd:

"Minggir, asoe!"

Het was Nederman, die van Sapekan terug reed naar Alas Bamboe.

"Hond!" Ja, zoo was hij gescholden. Een schrijnende pijn ging Siman
door het gemoed. Hij, een hond! Die blanke daar had hem een hond
durven noemen! Wist die beul, die uitzuiger, dan dat hij uit de
gevangenis kwam? Zou hij hem herkend hebben? Hij, die Europeaan,
was ook schuld aan zijn leed, hij, die zijn ondergeschikten dwong om
de bevolking te bedriegen en te bestelen. Zie, hoe schraal de sawahs
weder stonden. Door de droogte! Dat was hier op Telatiga. Hoe zou
het op Alas Bamboe zijn? En te Gatok? Hoe zou hij zijn oude moeder
weer vinden en de zusjes, en zijn kleinen, lieven jongen? Wat zou
die gegroeid zijn ...

En nog langen tijd peinsde hij zijn hersens moede, hoe het wederzien
zijn zou? En de tijd, die hem nog scheidde van dat wederzien,
leek hem langer dan de tien maanden, die hij in de gevangenis had
doorgebracht. En toch weer, hoe zag hij op tegen de ontmoeting ...



Een onprettige verrassing wachtte Nederman bij zijn thuiskomst, wat
hem dubbel onaangenaam stemde waar hij, moede door den langen rit in
den wagen en gekweld door zorgwekkende gedachten, naar een oogenblik
van verpoozing had verlangd. Het eerste, wat hij op zijn bureau zag
liggen, was een brief van De Leeuw. "Spoed" stond er met groote,
ronde letters op.

Nederman had bitter weinig lust om zich nu weer met zaken te
occupeeren, maar hij begreep wel dat De Leeuw inderdaad dringende
mededeelingen zou hebben. Hij opende de enveloppe en las. Aan zijn
gelaatsuitdrukking was wel te zien dat het nieuws hem weinig aangenaam
was. Het was dringend nieuws, dat De Leeuw mededeelde. En aan den
datum zag de administrateur, dat de brief reeds twee dagen op zijn
schrijftafel had gelegen, hetgeen door Karto, den huisjongen, ook
werd bevestigd. De Leeuw, wetende dat de administrateur van het land
was, had op schrift gesteld wat hij mondeling had willen behandelen,
teneinde zijn chef zoo spoedig mogelijk te kunnen inlichten. En
waarlijk, er was haast bij! De lieden van de desa Tegal Ombo hadden
gezamenlijk geweigerd de vrijwillige overeenkomsten te teekenen: zij
wilden padi leveren, niets anders dan padi, geen korrel rijst. De
Leeuw, die vernomen had dat groote ontevredenheid onder het volk
heerschte, had het noodig geoordeeld zich in de desa te vertoonen. Daar
had hij de lieden voor zich doen verzamelen en van de oudsten van
het dorp had hij vernomen waarom het ging. De aanleidende oorzaak
van de plotselinge verbittering was weer de heerendienst geweest. De
opgezetenen hadden weer meerdere en langere dagdiensten verricht dan
waartoe zij rechtens verplicht waren. Enkelen hunner hadden geweigerd
aan de prentah van den koewoe om uit te komen te voldoen en deze
had toen een drietal doen opbrengen naar Sikarang, zooals steeds met
weigerachtigen geschiedde. De koewoe wist niet dat de administrateur
zich te Telatiga bevond; anders zou hij met de opzending wel gewacht
hebben. Die arrestatie nu had kwaad bloed gezet.

Tegal Ombo is een desa, juist op de grens van de beide districten Alas
Bamboe en Sikarang, en is bij laatstgenoemde afdeeling ingedeeld. De
rijstvelden liggen evenwel voor het grootste deel in het district Alas
Bamboe en het was wel vleiend voor De Leeuw dat de dorpelingen er op
aandrongen dat de weigerachtigen naar zijn standplaats, Oeroettan,
en niet naar Sikarang zouden worden gezonden. De Leeuw hoorde van een
en ander, schreef op een velletje van zijn zakboekje een kort briefje
aan Zevenaer te Sikarang, waarin hij hem ried de drie opgebrachten
weder in wijsheid te stellen, wijl het er allen schijn van had dat
zij onbillijk waren behandeld. Tevens meende hij Zevenaer den raad
te moeten geven zich in persoon met de kwestie te bemoeien, wijl
hier brandstof genoeg opgestapeld was om vlammen te veroorzaken. De
ontevredenheid moest weggenomen worden. Voor het aanbreken van den
dag nog werd De Leeuw, die weer naar Oeroettan teruggegaan was,
uit zijn slaap gewekt. Er was roesoe te Tegal Ombo, zeide men. De
koewoe was gevlucht; men had hem willen vermoorden. Dit nu was wel
niet waar, maar de koewoe had het toch veiliger geacht zich onder
de dadelijke hoede van De Leeuw te stellen, nadat hem de vijandige
gezindheid van zijn dorpsonderhoorigen op zeer duidelijke wijze was
gemanifesteerd. Met zijn geheele gezin was de koewoe in den nacht nog
naar Oeroettan gekomen. Hij dischte vreeselijke verhalen op, om zijn
eigen figuur te redden. Maar De Leeuw kende zijn volkje en bereidde
het laffe dorpshoofd een warme ontvangst. Als de toestand bedorven
moest worden, dan zeker was de vlucht van den koewoe daartoe de beste
manier. Maar De Leeuw geloofde nog zoo erg niet aan een roesoe.

Toch was er al kwaad genoeg gesticht. Toen De Leeuw voor de tweede
maal te Tegal Ombo kwam vond hij het huisraad in de woning van den
koewoe vernield en diens beide paarden doodgestoken. Hij bleef in de
desa om een voorloopig onderzoek in te stellen naar de daders van de
gepleegde baldadigheid. Later op den dag kwam Zevenaer.

Nauw was De Leeuw te Oeroettan terug of hij moest een deputatie van
desalieden te woord staan. Het waren menschen van Djampang Koelon,
de oudsten van het dorp. Zij kwamen den opziener mededeelen, dat zij
bezwaar maakten tegen den komenden oogst rijst te leveren als tjoeké;
hoofdzakelijk omdat zij te groot percentage van de padi in rijst
moesten opbrengen. De Leeuw maande hen aan, zich te bedenken; het
gaf hun geen oentoeng wanneer zij soesah veroorzaakten. Het baatte
niet. De vooruitzichten voor den komenden oogst waren zeer slecht,
te slecht. Dat wist De Leeuw, evenals hij wist, dat de klagers gelijk
hadden in hun klacht, dat ze te veel rijst moesten opbrengen.

Dit alles had De Leeuw in zijn brief aan den heer Nederman medegedeeld,
zoo kort als hem mogelijk was. Tevens had hij den chef in overweging
gegeven een ingesloten berekening voor de heffing van tjoeké-rijst op
strikt billijken grondslag in te zien. Als deze heffing werd toegepast,
zou, zoo meende de employé, bij genoegzame bekendmaking in de desa's,
veel soesah voorkomen kunnen worden, veel verbittering weggenomen.

Nederman keek de berekening in.

Zij zag er aldus uit:


    "Billijke Grondslag

    voor een berekening van het door de bevolking op te brengen
    contingent tjoeké-rijst per picol natte padi.

    Een picol natte padi levert bij indroging op   0.43 picol rijst.
    0.80 picol, leverende bij verstamping tegen
    54 %
    Hiervan af stamploon à 1/6                     0.07 picol rijst.
                                             Rest  0.36 picol rijst.
    Witstampen: extrabetaling f 0.25 p. p., 2 X
    eten aan de stampsters, maakt tezamen f 0.40
    p. p.; dat is voor 0.36 p. f 0.14.
    Marktwaarde: bij 50 % gebroken korrel f 5.--   0.03 picol rijst.
    p. p. De door den tjoeké-plichtige uit te
    geven f 0.14 vertegenwoordigt derhalve de
    waarde van
                                             Rest  0.33 picol rijst.
    Deze rijst bestaat dus uit (± 50 %) 0.17 p.
    grof en 0.16 p. fijn. De tjoeké-rijst heeft
    een verhouding van grof tot fijn als van 4 tot
    1. Derhalve in casu als van 17 tot ± 4,
                                         te zamen  0.21 picol.
    Blijft over fijne rijst 0.12 picol te          0.07 picol.
    gebruiken om in te ruilen tegen tjoekérijst.
    Marktwaarde van 0.12 picol fijn à f 3.50 p. p.
    = f 0.42. Marktwaarde tjoekérijst f 6.30 p.
    p., waarvan dus voor f 0.42 te krijgen is
    ongeveer
                                           Totaal  0.28 picol.

    Dat wil dus zeggen, dat de bevolking redelijker wijze niet meer dan
    28 katties tjoekérijst per picol natte padi behoeft te leveren."


"De berekening is prachtig, maar ik zal wel oppassen er in te
komen. Dank je. Wij vragen nu veertig kattie en het zou dus een verlies
beteekenen van een derde van den oogst. Jongens, ik zou de snuiten
van de eigenaren wel eens willen zien, als ik ze dat kwam vertellen;
neen, neen, alles goed en wel, De Leeuw heeft het grootste gelijk
van de wereld, maar mij krijgt hij er niet toe!"

En hij lachte even om de naïeviteit van zijn employé. De Leeuw werd
toch werkelijk lastig met zijn filantropie.

Nederman opende een brief van de hoofdadministrateuren Biederman en
Van Lochem, door de post in zijn afwezigheid gebracht.

"Dat is grappig," zeide hij, "dat zal ik De Leeuw eens vertellen."

De hoofdadministrateuren schreven "dat de ontvangers der export-rijst
over de qualiteit van het artikel begonnen te klagen, weshalve den
administrateur in overweging werd gegeven de rijst nog wat witter en
met minder percentage gebroken te doen leveren ..."



Siman was 's avonds laat te Gatok gekomen. Hij had zich schuil
gehouden, uit schaamte. Het denkbeeld pijnigde hem dat al zijn
dorpsgenooten hem met medelijden zouden nawijzen of met minachting
zouden bejegenen. Daarom had hij het duister afgewacht om Pah Ran en
de zijnen te ontmoeten.

Aarzelend, als met weerzin, kwam hij de desa in. Om niet het geheele
dorp door behoeven te gaan, was hij buitenom over de galangans naar
den zuidoostelijken ingang geloopen. Zijn huisje was bijna het laatste
aan die zijde van den dorpsweg.

Hij zag in het licht der maan den staat van verwildering en
verlatenheid, waarin nu de woning verkeerde, de woning, waar hij,
zoo trotsch en gelukkig, zijn lieve, teere Djiah als zijn vrouw had
ingeleid; waar zij korten tijd zoo gelukkig geweest waren; waar de
kleine Rekso geboren was ... Die gedachten wondden hem en gaven nieuwe
levendigheid aan zijn wraakzucht.

Toen kwam hij aan de woning van Pah Ran. Zouden de zusjes thuis
zijn en z'n oude moeder? Hij waagde het niet de bamboezen deur open
te duwen. Hij gluurde binnen door een reet, maar zag niets: in een
der kamertjes slechts brandde een lichtje. Maar het was doodstil,
en toch, hoorde hij niet snikken ...? Ja zeker, een vrouw schreide
zacht. Zou hij binnen gaan? En als Pah Ran en de zijnen daar eens
niet meer woonden? Maar waar zouden zij dan zijn? Waar zou hij zijn
kleinen jongen dan moeten zoeken?

En, in de aandrift om te weten, klopte hij.

"Ja," riep een gesmoorde stem, "ik kom."

En achter de deur vroeg een vrouw: "Wie ben je?"

"Woont Pah Ran hier?" vroeg Siman terug.

"Ja, maar wat wil je?"

Siman had nu Mariams stem herkend.

"Ik ben Siman, Mariam."

Met een ruk werd de deur opengetrokken. Siman zag het droef gelaat
van zijn mooi zusje, dat hem stil welkom heette.

"Ben je alleen thuis?"

"Neen, wij allen, alleen Djamin is er niet. Ben je nu vrij?"

"Ja, ik kom van Telatiga, regelrecht. Maar wat is er? Waarom huil je?"

"Moeder ... is ... stervende."

Siman zweeg.

Het was de straf des Heeren, die hem moest treffen, hem, omdat hij
ook Djiah ... Neen, niet denken, niet zeggen. Zijn oude arme moeder
... ging ze naar vader? Zou ze waarlijk sterven? En de kinderen
dan? Maar als zij hem zag, hem, Siman ...

Snel trad hij binnen; in het kamertje lag de oude vrouw op de harde
balé, stil als was zij reeds een doode. Ipah steunde het magere,
grijze hoofd in de handen, Djirah weende aan het voeteneinde. Pah
Ran stond wat achteraf. Het was zoo stil, dat Siman de muggen om zich
heen hoorde gonzen. De palita verlichtte slechts een kleine plek in het
vertrekje. De aanwezigen keken nauwelijks op, toen Siman binnentrad. De
stemming drukte hem. Hij keek rond, als zocht hij daar Rekso, zijn
jongen. Die sliep rustig in het kamertje daarnaast. Toen ging hij naar
de balé, knielde er bij neer, lei zijn hand op die der oude uitgeputte
moeder ... Hij schrok. Die hand was koud, ijskoud ... Hij keek op,
zag Ipah aan, verschrikt. Zij begreep, legde haar oor aan den mond
der moeder,--zacht en voorzichtig lei zij het hoofd neer op het gore
kussen. Toen luisterde zij naar den hartslag, schudde het hoofd ....

"Soedah matti" [223] zeide ze fluisterend.

Djirah begon luide te weenen.

De anderen bleven stom, buiten alleen schreide zachtjes Mariam. Toen
ontwaakte Rekso; dringend schreide de kleine man en Ipah, het
huismoedertje, nam hem op, suste hem, vergeefs echter. Siman nam hem
van haar over, drukte het hoofdje tegen zijn wang, aaide en suste;
de kleine bedaarde plotseling en lachte. Zou hij zijn vader herkend
hebben? Maar Siman had weinig gedachte voor hem; hij was bedrukt en
verstrooid. Dat was dus zijn thuiskomst ...

Hij lei den kleine weer in zijn wiegje, waar Rekso bleef doordreinen
en drensen. De anderen bleven achter in het keukentje bij elkander
zitten. Siman alleen was op de balé blijven zitten, zich overgevende
aan zijn gedachten. Eerst toen de geburen kwamen, door Pah Ran
gewaarschuwd, ging hij heen, naar buiten. Zij heetten hem welkom en
dat drukte hem. Het weerzien was zoo droevig ...



Van Wetten zat met een aflevering van het tijdschrift "Het Recht
in Nederlandsch-Indië" voor zich; hij had er in zitten lezen, lui
in een langen stoel uitgestrekt. Vriendelijk brandde de groote
kantoorlamp in het gezellige vertrekje. Een geurige sigaar lag,
op het punt van uitgaan, op het aschbakje. Van Wetten zat stil na
te denken over het gelezene. Het betrof de klachten van Pah Ran en
de anderen, die, nu maanden geleden, bij hem geweest waren. Hij had
die klachten geverbaliseerd; er waren, naar hem voldoende gebleken
was, onrechtmatige handelingen gepleegd door den administrateur van
Alas Bamboe, en met verwijzing naar artikel 37 van het reglement op
de particuliere landerijen, had Van Wetten het proces-verbaal der
klachten opgezonden aan den procureur-generaal.

Er was door dezen een onderzoek gelast. En het gevolg van dit onderzoek
was, dat tegen den administrateur bij requisitoir van den officier van
justitie te Batavia rechtsingang werd verzocht. Van Wetten had zich,
en niet alleen als rechter, zeer voor de zaak geïnteresseerd. Nu bracht
hem het tijdschrift de resultaten van de ingediende klachten, en het
was hem een zeer onaangename verrassing geweest te moeten vernemen,
dat, blijkens het artikel, zoowel door den raad van justitie te
Batavia als door het hooggerechtshof was uitgemaakt, dat tegen de
in artikel 37 vermelde handelingen in de thans vigeerende strafwet
geen bepaalde straffen zijn bedreigd, zoodat dit artikel niet meer
kan worden toegepast.

"Dat wil dus zeggen," bromde Van Wetten bij zich zelf, "dat de inlander
met een beroep op de wet niet gewapend is tegen knevelarij en misbruik
van gezag. Het is mooi."

Hij wilde dat artikel 37 dan toch nog wel eens inzien. En de zaak had
zoozeer zijn aandacht, dat hij uit zijn gemakkelijke houding opstond,
uit de boekenkast een deel van de rij Staatsbladen nam en aan zijn
schrijftafel nasloeg Staatsblad 1836 no. 19, artikel 37.

De sigaar was uitgegaan.

Het stond er duidelijk, meende Van Wetten: "Landeigenaren, die andere,
meerdere of hoogere opbrengst en diensten van hunne opgezetenen
vorderen dan bij dit reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan, of
die verzuimen om op den voet, bij hetzelve bepaald, ten opzichte
van hunne opgezetenen te handelen, zullen naar exigentie van zaken
door het plaatselijk bestuur op den voet, bij artikel 60 aangewezen,
bestraft, dan wel voor den rechter, terzake van knevelarij en misbruik
van gezag, vervolgd worden."

"Wat duivel, "ter zake van knevelarij en misbruik van gezag"--dat
laat toch geen twijfel?"

Hij nam het tijdschrift weer ter hand en herlas:

"De raad van justitie te Batavia verleende den verzochten rechtsingang
niet, wijl hij oordeelde dat de feiten niet vallen onder het bereik
der strafwet."

Tegen deze beslissingen was de officier van justitie in verzet gekomen.

"Goed, maar de overwegingen," mompelde Van Wetten weer.

De raad van justitie had den rechtsingang geweigerd op de volgende
gronden:


    dat die feiten opleveren het als eigenaar van een particulier land
    van de opgezetenen vorderen van andere en meerdere diensten dan
    bij stbl. 1836 no. 19 uitdrukkelijk zijn toegestaan; en art. 37
    van dat staatsblad bepaalt, dat zij die zich daaraan schuldig maken
    naar exigentie van zaken door het plaatselijk bestuur op den voet,
    bij art. 60 aangewezen, bestraft, dan wel voor den rechter terzake
    van knevelarij en misbruik van gezag vervolgd worden;

    dat art. 37 alzoo schept delicta sui generis en voor de daarop
    gestelde straffen verwijst, behalve naar genoemd art. 60, naar de
    gewone strafwetgeving omtrent "knevelarij en misbruik van gezag,"
    tegen ieder van welke misdrijven verschillende straffen zijn
    bedreigd, bij "knevelarij" afhangende van den ambtelijken rang
    van den schuldige en bij "misbruik van gezag" van het karakter
    der gepleegde handelingen;

    dat alzoo tegen de in meergenoemd art. 37 vermelde handelingen in
    de vigeerende strafwet geen bepaalde straffen bedreigd zijn, zoodat
    het artikel niet meer is toe te passen nu door het in werking
    treden van den in art. 26 der algemeene bepalingen van wetgeving en
    later in art. 88 van het Regeerings-Reglement afgekondigden regel,
    niemand tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld mag worden,
    dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien.

    De officier van justitie voerde tegen deze beslissing aan:

    1e. dat vermits in het vigeerend strafwetboek, tegen "knevelarij"
    en "misbruik van gezag" straffen zijn bedreigd, en er geen enkel
    bezwaar bestaat om die straffen toe te passen, indien in rechten
    het bewijs wordt geleverd dat de landeigenaar zich heeft schuldig
    gemaakt aan de feiten, in art. 37 bedoeld;

    2e. dat de rechter, die weigert dit artikel toe te passen, het
    voorschrift van art. 386 van het Wetboek van strafrecht voor
    Europeanen overtreedt.

    Het hof nu overwoog dat het O.M. zonder de alleszins juiste
    hoofdstelling van den raad aan te tasten "dat toepassing van
    genoemd art. 37 alleen dan mogelijk is wanneer in de vigeerende
    strafwetgeving "bepaalde" straffen tegen de daarin genoemde
    handelingen zijn bedreigd," verzuimt aan te geven welke straffen
    dan in elk concreet geval op hem, die zich aan de bedoelde
    handelingen schuldig maakt, moeten worden toegepast;

    dat immers gemeld art. 37 niet aangeeft wanneer de behandeling
    als "knevelarij" en wanneer zij als "misbruik van gezag" moet
    worden bestraft en dat, zelfs al zou men bij de meest rationeele
    uitlegging van het artikel willen aannemen, dat "knevelarij" ziet
    op het onrechtmatig vorderen van "opbrengsten" en "misbruik van
    gezag" op het onrechtmatig vorderen van diensten, een enkele blik
    op art. 124 tot en met 131 van het Strafwetboek voor Europeanen
    reeds doet zien, dat met geen mogelijkheid is uit te maken onder
    welke strafbepaling de geïncrimineerde feiten dan zouden vallen;

    dat al evenmin 's Raads stelling wordt omvergestooten door het
    argument dat in lagere stukken van wetgeving naar strafbepalingen
    in het Wetboek van strafrecht wordt verwezen, omdat de Raad
    niet beweert, dat de poenale sanctie niet in een ander stuk van
    wetgeving mag worden neergelegd dan waarin het strafbaar feit
    is omschreven, doch alleen dat naar die strafbepaling, wil zij
    niet in botsing komen met art. 88 van het regeerings-reglement,
    op zoodanige wijze moet zijn verwezen, dat omtrent de op het
    delict gestelde straf geen onzekerheid bestaat;

    dat de beslissing evenmin een overtreding kan zijn van art. 386
    van het Wetboek van strafrecht voor Europeanen, omdat slechts dan
    in strijd met dat art. zou worden gehandeld, wanneer de toepassing
    van de in dat artikel bedoelde wettelijke verbindende verordeningen
    werd geweigerd, terwijl die toepassing in verband tot de latere
    wetgeving mogelijk is, immers daarmede niet in strijd komt,
    hetgeen in casu op grond van het hierboven overwogene het geval is.

    Ten slotte overwoog het hof dat het betoog van den
    procureur-generaal, hetwelk ten doel heeft aan te toonen, dat
    ook zij die geen ambtenaar zijn, zich onder vigueur van het in
    1836 geldend strafrecht aan "knevelarij" konden schuldig maken,
    ter zake niet afdoet, omdat het in casu niet de vraag is of de in
    art. 37 genoemde handelingen inderdaad naar ons thans heerschend
    strafrecht de elementen van "knevelarij," dan wel van "misbruik
    van gezag" opleveren, doch alleen of de strafbepalingen, waarnaar
    dat artikel verwijst, nog toepassing kunnen vinden; een vraag
    welke het hof, met den raad, ontkennend beantwoordt.


"Erg mooi, prachtig, maar ketterij. Want de gepleegde knevelarij en
het gepleegde misbruik van gezag blijven ongestraft. En daar komt
het dan toch maar op aan, dunkt mij."

Van Wetten ergerde zich over deze theoretische nonsens, die geen
rechten waarborgt en onrecht sanctioneert. Hij sloeg in een teug zijn
bittertje naar binnen en beval den jongen het eten op te brengen.

"Waarachtig," zeide hij, het tijdschrift toe slaande, "het heet met
heel veel recht: "Het "Recht" in Indië." Maar hij kon het niet voor
zich houden. En na den eenvoudigen avondmaaltijd kwam hij bij den
assistent-resident oploopen.

De heer Van Dam had juist gedaan met eten en lag klimaat te schieten
in de voorgalerij.

Van Wetten viel met de deur in huis.

"Nou moet u toch eens deze juridische ketterij hooren, mijnheer
Van Dam."

En hij deed hem het heele relaas.

"Het lijkt wel erg gek," meende Van Dam.

"Gek? Dat is er heelemaal het woord niet voor; het is cynisch,
vind ik, om den durf te hebben je zoo ... zoo ... angstvallig te
houden aan de doode letter van de wet. Wâ-bliksem, zoo'n uitspraak is
gevaarlijk. Ze kunnen nu gaan knevelen naar hartelust, want ze staan
nu, zich beroepende op die prachtige uitspraak, buiten het bereik
van de strafwet. Dàt is 't. Neen, waarachtig, als ìk dat kluifje in
handen gehad had, zou het anders geloopen zijn, dat beloof ik u!"

"Ze doen tegenwoordig meer rare dingen, daar op Batavia; daar kan ik
ook van meepraten."

"Zoo, hoe dat?"

"Ik heb een circulaire ontvangen van den procureur-generaal; het
is een heele geschiedenis, en zonder inleiding zul je het niet goed
begrijpen."

Van Dam verhaalde van het bezoek van Nederman en Versnoek, maar
niet uitvoerig genoeg om Van Wetten gelegenheid te geven hem te
waarschuwen voor de onedele, baatzuchtige bedoelingen der landheeren,
die de rechterlijke ambtenaar zeker wel doorzien zou hebben.

"Maar ik ben nog altijd niet op de landen geweest. Het is nou ruim twee
weken geleden, maar telkens komt er wat tusschen. Enfin, deze week zal
ik er toch heengaan, denk ik, ook in verband met die circulaire van
den procureur-generaal. Nou, na wat ik er u van verteld heb, zult u
de strekking ervan beter begrijpen. Die landheeren hebben natuurlijk
naar Batavia geschreven en een van de vertegenwoordigers daar heeft
de belangen der eigenaren bepleit bij den procureur-generaal. En
nou lijkt het mij wel dat er gevaarlijke dingen in dat ding staan,
waar de bevolking weer de dupe van zal zijn.--Och, kijk 's, den
procureur-generaal is het natuurlijk niet kwalijk te nemen, hè,
dat hij van al die détails van het bedrijf geen kennis heeft, en ..."

"Mag ik die circulaire zien, of is ze geheim?"

"Welneen, was dat maar waar. Ik moet afschrift zenden aan de beide
landheeren--Wacht 's ... Oppas!"

"Kandjeng," haastte zich de oppasser te antwoorden.

"Ambil itoe portefeuille itam di atas medja toelis [224]!"

"Kandjeng."

De oppasser was schielijk terug. Van Dam sloeg de portefeuille
open. Boven op een stapeltje papieren lag de circulaire, die hij zijn
bezoeker toereikte. Deze las zeer aandachtig:


    No. 1638.

    Batavia ...

    Naar aanleiding van door den heer J. P. Paulette Vlaming, lid der
    firma Biederman & Van Lochem alhier, mij gevraagde inlichtingen
    omtrent de bevoegdheid van den eigenaar van een particuliere
    onderneming om het op het veld afgezonderde 1/5 aandeel voor
    den landheer in de opbrengst van door opgezetenen van zijn land
    bebouwden grond af te wegen, heb ik de eer UEd. G. mede te deelen:

    dat art. 28 juncto artikel 11 van Staatsblad 1836 No. 19 niet
    verbiedt dat de gemachtigde van den landheer het op het veld
    afgezonderde den landheer toekomend 1/5 aandeel in de opbrengst
    afweegt, teneinde bij de aflevering in de pakhuizen te kunnen
    constateeren of aan de bossen padi niets veranderd is;

    dat daarvoor dan ook niet de toestemming van den erfpachter
    wordt vereischt;

    dat deze weging niet met zich brengt het in ontvangst nemen der
    padi, daar dit ook reeds gezegd zou kunnen worden van het nemen van
    1 bos uit elk der op het veld uitgelegde rijen van 5 bossen padi;

    dat de landheer dus noch door het nemen van de hem toekomende
    bossen, noch door het afwegen dier genomen bossen geacht kan
    worden te zijn geworden bewaarder van het hem toekomende 1/5
    aandeel padi, totdat het den erfpachter behaagt, die padi naar
    de pakhuizen te vervoeren.


    De Procureur-Generaal
    bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië.
    VAN VLISSINGEN.


    Aan den
    Assistent-Resident
    Telatiga.


"Ik begrijp niet goed ..." begon Van Wetten.

"Begrijpt u niet?" Van Dam was blijde zijn helder inzicht te kunnen
demonstreeren. "Wat treft u hierin? Dit, niet waar: De padi wordt
op het veld gewogen. Wanneer, wordt niet bepaald en de landheer doet
het dus,--wel, wanneer denkt u?"

"Dat is dunkt mij het zelfde."

"Zeer zeker niet. De padi wordt gewogen dadelijk na den snit."

"Ik begrijp nog niet, wat hiervan het gevolg is."

"De indroging, Van Wetten, de indroging! Als de padi in het pakhuis
geleverd wordt, droog natuurlijk, want de landheer zal niet nat willen
ontvangen, dan heet het: nee, mannetje, ik heb meer gewogen dan je
brengt. Maar hier is toch geen bedrog gepleegd; het gewichtsverlies
komt door de indroging!"

"Ah, zoo; ja juist. Maar de lui leveren toch rijst."

"Nou en wat zou dat? Ik zal u eens wat zeggen. Deze circulaire is een
geducht wapen in de hand van den landheer. Want de belasting wordt
er met een vijfde ongeveer door verzwaard. En alleen die lui, die de
vrijwillige overeenkomsten teekenen, en volgens deze bijvoorbeeld
veertig katties opbrengen per picol natte padi, ontloopen die
verzwaring. De anderen, al leveren ze rijst, moeten die rijst dan toch
stampen uit droge padi, niet waar? En nu, weet je, geloof ik al dat er
een beweging onder de lui gaande is om alleen maar padi te leveren ..."

"Nu u me dit alles zegt, treft me een andere passage in de circulaire,
deze: dat de landheeren zonder toestemming van de erfpachters kunnen
laten wegen en dan toch niet geacht worden onmiddellijk na de weging
eigenaar te zijn geworden van de padi. Die passage is fnuikend voor
de bevolking. Dat begrijpt iedereen."

"Behalve dan de procureur-generaal, naar het schijnt ..." Van Dam
schrok zelf van dezen oneerbiedigen uitval en haastte zich er aan
te voegen: "Maar, zooals ik zei, hem kan men het eigenlijk niet
kwalijk nemen."

"Zoo, en wie dan wel?"

Van Dam antwoordde hier niet op. Wat zou hij hebben kunnen
antwoorden? Den heer Van Vlissingen was indertijd door een journalist
lauwheid en onverschilligheid verweten ten opzichte van de telegrafisch
tot hem gerichte klachten van de bevolking der particuliere
landen. Die publicist wist van het bestaan van bovenmedegedeelde
circulaire niet af; hij wist dus niet van de medeplichtigheid van
den procureur-generaal aan het vexeeren van de bevolking.



Drie dagen later schreef Versnoek een kattebelletje aan Nederman,
dat per specialen bode werd overgebracht. Het luidde:


    Waarde heer Nederman,

    Morgen, Zaterdag, komt Van Dam hier, blijft tot Maandag. Gaat
    dan door naar Alas Bamboe. Houd U geprepareerd.

    Wat zegt U van de circulaire van den P. G.? Fijn, wat? 1/5 meer
    op de markt!

    Vale!

    t. à. v.
    Versnoek.


De dood zijner moeder had Siman heel diep getroffen. Het gemoed van
den mystiek-aangelegden inlander zocht bovenaardsch verband tusschen
dat sterven op den dag van zijn terugkomst en de gebeurtenissen,
die volgen zouden.

Mah Ten was in allen eenvoud begraven. Nadat het lijk uit de woning
was gedragen, was er eenige moeilijkheid ontstaan omdat Pah Ran
weg wilde. Het was een soort étiquette, dit hem drong. Hij vond het
strijdig met den adat, samen te wonen met ongehuwde meisjes, ook al
bleef Siman bij hen. Intusschen wist hij niet waarheen te gaan en
voorloopig kon hij nog niet weg ook, want Siman was den dag na den
dood zijner moeder heengegaan, zeggende dat hij Pah Asriep wilde
opzoeken in Kalapa Aloes.

Dit nu was de waarheid niet geweest. Siman was naar Herea gegaan. Wat
hem dreef, behoeft geen nadere uitlegging: hij zocht Kario.

Maar zijn reis was vergeefsch geweest, want, waar hij den mandoer ook
zocht, hij vond hem niet. In 't pakhuis was een ander, dat had hij
terloops vernomen, en vragen durfde hij niet, uit vrees zijn plannen
te verraden door de vraag alleen. 'Mboh Sima had hij willen opzoeken,
maar ook zij was niet meer te Herea.

Een groote teleurstelling trof Siman. Hij zag het doel, waarvoor
hij nog leefde, onbereikbaar. Want wie zou hem kunnen zeggen, waar
Kario was? Had hij daarvoor zijn kris zoo scherp geslepen? Hij bleef
zoeken, wilde niet opgeven. Hij vertoonde zich op de passer: Kario
was er niet. Hij ging naar de woning van den mandoer, maar hij kon
duidelijk merken dat andere bewoners daar hun intrek genomen hadden.

Toen de avond viel, was hij nog even wijs. Op de passer was een
tandak-partij tot meerderen luister van het huwelijk van de dochter
van een Chineeschen tokohouder. Een jonge dansmeid stelde er haar
bekoorlijkheden half ten toon tusschen de walmende lichtjes der
olielampen. Een dichte drom menschen stond er om heen te genieten
en lachte om de grappen van den badoet [225]. Het schelle gezang
van de tlèdèk trok Simans aandacht, als vanzelf ging hij naar de
groep. Misschien ontmoette hij er een goede bekende, wien hij vragen
kon ...

Een oogenblik had hij staan kijken in een der achterste rijen, toen
hij zich voelde aanstooten. Hij keek om.

Een nog jonge vrouw, wat verlept, maar toch mooi, keek hem met twee
vurige oogen brutaal in het gezicht. Die oogen spraken duidelijk
genoeg: dezelfde taal, die zij reeds tot zoovelen, dien avond echter
nog vergeefs, gesproken hadden. Zij deed eenige stappen achteruit
en stond toen geheel buiten den lichtkring. Toen wenkte zij Siman,
die haar nog steeds aanzag, met de hand. Siman gaf gehoor.

"Vin-je tlèdèk mooi?" fluisterde de vrouw. Siman antwoordde niet.

"Ik weet wel wie je bent: Siman van Gatok," ging zij op denzelfden
toon, snel pratend, voort. "Je bent pas weer vrij, hè? Pas? Hoelang?"

"Twee dagen!" antwoordde Siman werktuigelijk.

"Wat doe je hier, te Herea?"

"Niets, maar wie ben jij?"

"Dat doet er niet toe. Ik zal het je wel zeggen, straks. Kom maar
eerst mee. Ik heb je veel te vertellen." Zij wilde hem meetrekken,
maar Siman volgde niet.

"Ben je in de gevangenis onbeleefd geworden, Siman? Je hebt om een
vrouw Kario willen vermoorden. Ik vraag je alleen om mee te gaan."

Ze drukte zich tegen hem aan, haar warme adem streek hem langs
het gelaat en bracht een rilling in zijn bloed. Hij voelde het nog
mollige lichaam tegen zich aan ... Een woeste begeerte ontwaakte. De
gevangenistijd was lang geweest ...

"Ga mee", hijgde hij, "ga mee," en hij trok de deern mee.

Ze stapten vlug voort. De weg was niet lang. In een armoedig huisje
stapte de vrouw binnen; Siman volgde haar niet.

"Ik ken dit huis. Wie ben je toch?"

"Kom eerst binnen. Je hebt me maar eens gezien, heel kort, daarom
herken je niet."

Ze had de deur gesloten en was op de balé gaan zitten, trok Siman
naast zich neer. Toen deed ze de klambi [226] uit. Ze stond in haar
strak gespannen koetang [227], de gevulde armen bloot.

Siman greep haar aan. Zij worstelde tegen.

"Eerst geld, geef op," hijgde zij.

Hij greep naar zijn gordel, gaf haar dien. Zij zocht naar het geld,
zes dubbeltjes. Meer was er niet. Nu, ze had meest minder gehad ....



Siman zat naast de deern op de balé.

"Zeg nou, wie ben je?"

"Satima."

"Satima? Satima? Ik weet niet ..."

"Den avond, dat je Kario gekrist hebt ..."

Maar hij herinnerde zich nog niet.

"Je bent een domkop. Waarom heb je hem niet doodgestoken, dien
smeerlap ...!"

"Heb je zoo het land aan hem?"

"Hij heeft mij er uitgezet, uit het pakhuis. Ik verdien niets meer,
ik heb elken dag honger. Als er geen man bij me slaapt, heb ik niets,
geen eten, geen kleeren. O, die ellendeling, die schurk, maar ik zal
me wreken, ik weet waar hij is ..."

"Waar is hij?" riep Siman en hij greep de vrouw ruw bij den pols.

"Zeg op, waar is hij?"

"Laat los, je doet me pijn, laat los!"

"Waar is hij?"

"Ik zal het je zeggen, maar laat los, adoe [228]!"

Siman liet los. Satima wreef zich den pols.

"Wat wil je doen?"

"Dat gaat je niet aan. Is hij hier, te Herea?"

"Neen, hij is ver weg. Ik weet niet waar ..."

"Je liegt, je weet het wel."

Satima vloog overeind om weg te komen, ze was bang voor de uitdrukking
van haat in de oogen van Siman, maar hij greep haar nog net bij tijds
bij de kondeh. Hij rukte haar omlaag, zij viel, dwars over zijn knieën.

"Satima, zeg het mij. Waarom wil je 't verzwijgen?"

"Ik heb zoo vaak geen geld; ik heb alles verpand, Siman, heb
medelijden," jammerde de slet. "Geef geld, Siman ... het is je veel
waard, ik weet wat je wilt doen, Siman, ik weet het ... ik weet het
... geef mij geld ..."

"Ik heb niets meer, ik heb alles gegeven." Hij liet haar los. Ze
stond op, naakt, het haar los. Toen ging ze liggen op de balé, trok
hem naar zich toe.

"Ik wil niet, zeg eerst waar hij is. Ik zal je later geld geven,
later, ik heb nu niets."

Zij zuchtte.

"Zal je 't me heusch geven, zal je dikwijls komen ...?"

"Ja, ja, ja, maar zeg op ... Je maakt me driftig ..."

"Op Telatiga is hij--op de besaran."

Een trek van vreugde ging over het gelaat van Siman.

"Te Sapekan--ik zal hem vinden."

Satima schoof naar hem toe.

"Neem drie dubbeltjes, Siman, ga naar den Chinees, de warong, bij
den grooten waringin--je weet wel--koop madat [229] voor mij ..."

"Hé? ... schuif jij ...?"

"Het doet de zorgen vergeten, Siman; ik heb veel soesah ..."

Siman kreeg medelijden met de ongelukkige.

"Moet je niet doen," zeide hij, "wat heb je er aan, het is slecht,
en je wordt er mager van en leelijk, en dan verdien je niets meer ..."

"Ik kan het niet laten, loop dan ... gauw, Siman, nu heb ik weer
geld ..."

"Ik wil niet, ga 't zelf halen."

"Zal je dan niet weggaan? Je kunt nu toch niet weg. Ik ben zoo bang,
buiten. Het is al laat. Maar niet weggaan, ik ben dadelijk terug."

Onder het spreken had ze zich aangekleed, de sarong boven de borsten
opgebonden, het zware, vette haar in een wrong bijeen geknoopt,
de klambi aangeschoten.

Toen snelde ze heen, door de begeerte van den opiumschuiver
voortgejaagd.

Siman bepeinsde wat haar gedrongen had hem te bidden en te smeeken
te blijven. Hij kon het niet gissen en legde zich neer op de balé,
de handen onder het hoofd, nadenkend.

Ze was spoedig terug, een klein pakje in de vuist geklemd.

"Ada [230]", fluisterde zij gejaagd, "ada."

Ze verdween in het eenige kamertje. Siman volgde haar. Ze lag op een
rustbank, stopte met beverige vingers een bolletje in de bamboezen
pijp, hield deze boven het olielampje, nam een langen teug. Zoo bleef
ze liggen, de oogen gesloten,--het was alsof ze sliep. Ze glimlachte,
er kwam iets rustigs over haar gelaat.

Siman beschouwde met afgunst dien trek van vrede. Het was toch
wel machtig, het opium. En waarom was het eigenlijk zoo slecht te
schuiven? Men deed er niemand kwaad mee. En waarom, als je zorgen
hadt, zou je die niet mogen bannen? Hij had geen vrouw meer! Zijn
jongen? ... Nou ja, maar hij kon immers rooken, nu en dan, als
de soesah hem kwelde. Natuurlijk moest je er niet aan verslaafd
raken. Maar zoo nu en dan; dat kon toch geen kwaad ... Zie nu daar die
Satima. Hoe lang lag ze daar nu al? En ze lachte maar. Het moest toch
wel heerlijk zijn, niet te denken ... Er was nog een bolletje over
... Satima had aan één genoeg gehad ... Zou hij eens probeeren ...?

Hij nam de pijp uit de hand der vrouw, deed het bolletje er in,
aarzelend. Toen nam hij blijkbaar plotseling een besluit, hield de
pijp boven de vlam, en zoog den rook op.

Een gevoel van misselijkheid beving hem dadelijk, hij wierp de pijp
weg, wilde braken. Hij werd duizelig, voelde zich allerellendigst
en ging liggen naast Satima. Al spoedig viel hij in een loodzwaren
slaap. Het opium had hem bedwelmd. Maar het waren geen aangename
visioenen, die voor hem opdoemden. Zijn fysiek protesteerde nog te
heftig tegen het gif.

Diep in den nacht ontwaakte Satima, loom en mat. Naast zich voelde
zij Siman. Die aanraking maakte haar wakker. Ha, hij was dus niet
weggegaan. Hij was er nog. Ze gleed de balé af, sloop zacht het vertrek
uit. De deur der woning stond voor nog open. Ze schrikte even, trok
haar dicht. Toen vond ze het baadje van Siman, op den grond,--ze
grabbelde in de zakken ...

"Niets," bromde ze spijtig. Ze doorzocht de twee geldzakjes in
den gordel. Er was niets meer in, ze had er alles uitgenomen. Hij
had dus niet gelogen. Dan had hij ook wel heen kunnen gaan. Zou ze
hem wekken? Och, waarvoor? ze zou hem laten liggen. Ze had nog een
bolletje--waar was het ook weer? O, ja, bij het nachtlichtje. Maar
ze vond het niet. Toen kreeg ze een ingeving, boog zich over den
slapende heen, snoof den adem op, die tusschen de halfgeopende lippen
ontweek ...

"Waarachtig, ik dacht het wel."

Ze dacht na. Siman wentelde zich onrustig op zijn leger.

"De eerste keer, hij is nog misselijk. Ik zal hem helpen--hij komt
wel terug." En ze begon hem te wrijven over de heupen, langs de dijen
in rhytmische, gelijkmatige bewegingen. De slapende werd rustiger,
een zware zucht ontsnapte hem, toen werd zijn slaap kalm en vredig,
en wellust-droomen kwamen over hem ...



Het was al laat dag, toen zij weer ontwaakte en Siman wekte. Hij
stond op, wreef zich het hoofd. Hij voelde zich nog loom, maar had
toch een vage herinnering aan oogenblikken van een zeker geluk,
door gedachtenloosheid. Toen herinnerde hij zich weer: hij had opium
geschoven.

Hij trok zijn kleederen aan. Satima kwam terug van de put, waar zij
zich gewasschen had. In een opwelling van teederheid en wellust drukte
hij de deern tegen zich aan.

"Ik kom weer, Satima, mijn hart; nu moet ik weg naar Gatok."

"Kom je gauw?"

"Ja, waar is mijn kris?"

"Hier ... wees voorzichtig ..."

"Geen nood,--ik zal niet missen. Maar je zwijgt, begrepen? Als je
praat, zal ik je dooden."

"Wees maar niet bang--ik haat hem."



Er was groote koempoelan [231] te Sikarang. De kandjeng toean
assistent-resident was gekomen. Daags te voren reeds was door alle
koewoes in het district den lieden, die geweigerd hadden de vrijwillige
overeenkomsten te teekenen en die den opzichters hadden doen weten dat
zij padi zouden leveren, aangezegd zich te verzamelen op de besaran,
om de prentahs van den kandjeng toean assistent te vernemen. En velen
waren te Sikarang gekomen, enkelen uit nieuwsgierigheid, de meesten
echter uit onrust. Want zij wilden weten, welk vexatie hun nù weder
te wachten stond.

Voor het landhuis hadden de lieden zich opgesteld, eenige
honderden. Ook de koewoes waren er en de opzichters van de
districten. Die zaten in de voorgalerij.

Toen kwam uit het landhuis de heer Nederman naar buiten; naast hem
ging de assistent-resident en achter die beiden werd de gestalte van
den boepati [232] van Telatiga zichtbaar. Angst voor de komende dingen
bezielde de honderden, die daar gehurkt nederzaten. De administrateur
stelde de employé's voor aan den assistent-resident en den boepati.

"Wat een volk, mijnheer Nederman," merkte de heer Van Dam op. "Dat
is tegen de afspraak. U weet dat ik u verklaard heb, niet de minste
pressie te willen uitoefenen op de plannen van het volk."

"Houd mij ten goede, waarde heer Van Dam. Dat het volk bijéén is, is
een heel toevallige omstandigheid. Ik ben gewoon zoo van tijd tot tijd
als ik iets te zeggen heb, het volk, alleen maar uit dit district,
bijeen te doen komen. Dat geeft wat plechtigs aan de vertooning,
ziet u, en dan blijft het wat langer bij. Het spijt mij zeer dat
zoo'n koempoelan toevallig moest plaats hebben tijdens uw aanwezigheid
hier. Maar Versnoek heeft mij uw komst eerst gisteren medegedeeld en
toen was het te laat om de koempoelan weer af te lasten. U zult mij
niet euvel duiden dat ik een oogenblikje den rol van gastheer verruil
tegen dien van administrateur, niet waar?"

"Oh, als de zaak zoo zit, dan heb ik geen bezwaar; ga gerust uw gang."

"Nou, dat heeft zoo'n haast niet. Laat ik u eerst welkom heeten,
hier te Alas Bamboe. Het is ons allen waarlijk een genoegen u in ons
midden te zien. En het is geen frase, mijnheer Van Dam, als ik u hier,
ongetwijfeld, ook namens de andere heeren, de verzekering geef dat
wij u gaarne nog vaak hier zullen begroeten."

"Daar gaat-ie!"

Een bediende had champagne voorgebracht. De glazen werden geleegd en
weer gevuld. En het gesprek werd algemeen.

Buiten zaten de inlanders nog steeds gehurkt. Opzettelijk: zij
moesten getuigen zijn van de plechtige ontvangst. Eindelijk kwam
de heer Nederman naar de stoep. Hij gaf een wenk aan de employé's,
die de geheele komedie natuurlijk heel goed begrepen. Zij kwamen bij
hem staan.

"Ziet u nou eens, mijnheer Van Dam," riep de administrateur zijn
gast toe, "of het volk van Alas Bamboe er welvarend uitziet. Ze
zitten allesbehalve sjofel in de plunje, zooals u ziet, en bepaald
hongerlijdersgezichten ziet u er toch ook niet onder."

Hij gaf een wenk aan de koewoes om naderbij te komen. Hurkend schoof de
menschendrom een pas of tien vooruit. Van Dam was uit hoffelijkheid
opgestaan en kwam achter Nederman staan om te voldoen aan zijn
uitnoodiging tot zien.

Hij begreep in zijn naïeviteit niet dat hij gebruikt werd als
onmisbare figurant in het drama; ook niet dat de toeschouwers daar,
die menschenmenigte, order hadden bekomen in feestdos te verschijnen.

Nederman deed, als gold het een gewone beleefdheid, een stap
achteruit. Hij stond nu tusschen den assistent-resident en den boepati
in. Toen begon hij het volk toe te spreken:

"Ik heb met leedwezen vernomen, dat gij allen, menschen van Sikarang,
geweigerd hebt om de vrijwillige overeenkomsten te teekenen en dat
gij volhardt in uwe weigering om de tjoeké in rijst op te brengen, en
dit verkiest te doen in padi. Ik kan en ik wil u ook niet dwingen om
te doen wat ik in uw belang zou wenschen; gij zijt geheel vrij. Gij
kunt dus padi leveren, gelijk gij verkiest. Maar de tijd is ver
achter ons, dat dit op Alas Bamboe geschiedde. Uw vaders waren niet
zoo stijfhoofdig en verblind als gij en zagen in, dat rijstlevering
voordeeliger was voor hen. En zoo zullen de gebruiken, die gij in
acht hebt te nemen bij padilevering, u niet meer bekend zijn. Daarom
heb ik u bij elkander doen komen omdat ik u deze gebruiken in
herinnering wil brengen, opdat gij, in uw eigen belang, geen soesah
zult ondervinden. Ten eerste dan zal de padi bij het snijden gewogen
worden, en ook wordt de tjoeké-padi gewogen in de pakhuizen, opdat ik
zal kunnen nagaan of gij wel levert wat gij schuldig zijt aan het land.

"Dan moet gij er voor zorg dragen dat op den dag zelf, dat
de padi wordt gesneden, het 1/5 gedeelte in de pakhuizen wordt
afgeleverd. Zooniet, dan zal ik verplicht zijn u te bestraffen. Wijl
nu eenige desa's verre gelegen zijn van de pakhuizen en ook met het
oog op den weg over zee van andere desa's, zullen de pakhuizen voor
die desa's tot één uur des nachts open blijven.--En anders heb ik
u niets te zeggen. Denkt na over hetgeen ik u hier medegedeeld heb,
en bedenkt wel hoe gij uw eigen belang het best zult dienen."

Op een wenk van den spreker dreven de dorpshoofden de inlanders uitéén.

Nog lang werd deze koempoelan in de desa's besproken. De
administrateur, zoo zeide men, had het bestuur vòòr zich. Als men nu,
na deze officieele proclamatie, nog weigerde te voldoen aan den wensch
van den landheer, zou men veel soesah hebben. En er waren er niet
velen meer, die het waagden bij hun weigering te volharden. Nederman
had prachtig munt geslagen uit de aanwezigheid der bestuursambtenaren
te Alas Bamboe. Hij was vergenoegd en toonde zich voor den verderen
duur van het verblijf van den heer Van Dam, een fideel en royaal
gastheer. De heer Van Dam bracht een zeer aangenamen indruk van zijn
uitstapje naar Telatiga mede terug.



Het liep mis met den oogst. Dat was duidelijk te bespeuren. En
overigens, wie dit niet vermocht in te zien, zou, als hij dààrvoor oog
had, aan tal van teekenen hebben kunnen bemerken, dat de bevolking niet
gerust was op de toekomst. De regens hadden den landman in den steek
gelaten en met de droogte hadden de insecten in het gewas gewoekerd,
geholpen door muizen en engerlingen. Er was stagnatie geweest in den
groei, hama dedet noemt de inlander dit.

En reeds was men overgegaan tot het planten van gadoe, 'n ruwe plant,
nauw eetbaar product leverend, maar die zelfs uit het woestijnzand
voedsel in zijn wortels zou kunnen trekken.

Toen eerst--te laat--waren de regens gekomen. Overmaat van ramp. Het
water kon toen niet dienstig meer zijn, ja erger: het schaadde. Er
kwam veel water; hier en daar werd de aanplant bedorven. En na de
wolkbreuken kwamen de walang sangits. Neen waarlijk, de oogst dreigde
zeer, zeer schraal te worden.

En, onbedriegelijk verschijnsel van komenden nood, de buffeldiefstallen
namen dagelijks toe.

De landen Alas Bamboe en Telatiga zijn berucht om de
buffeldiefstallen. Er is gebrek aan ploegvee in de geheele afdeeling
Telatiga, maar het wordt eerst recht voelbaar op de beide particuliere
landen. En gevolg van dit afwezig zijn van ploegvee is patjolbewerking
der sawahs voor een zeer groot deel.

Alles grijpt in elkander: gevolg van patjolbewerking is dat de
sawahs minder deugdelijk en intensief bearbeid worden bij grooter
tijdverlies. En de afdeeling is groot. Negentig duizend bouws zijn
er in cultuur gebracht; op die geheele uitgestrektheid wordt rijst
verbouwd.

De Koloniale Verslagen geven elk jaar een achteruitgang van den
veestapel aan, een achteruitgang van 34.5 procent in elf jaren
tijds! Het totaal buffelbezit der bevolking is van 41.000 stuks op
27.000 teruggeloopen. Deze achteruitgang is te wijten aan diefstal,
zelf een gevolg van voedselgebrek. De raderen grijpen onverbiddelijk in
elkaar. Verdrietig is het te constateeren, dat niet door veeziekten,
hoe treurig ook, noch door levendigen uitvoer, die winst geeft,
de veestapel aldus onrustbarend vermindert. Diefstal is de oorzaak,
onvoldoende bescherming van het bezit der bevolking, onvoldoende,
slecht georganiseerde, niet tegen haar taak opgewassen politie,
afwezigheid van wettelijke bepalingen, die den landheeren moesten
kunnen dwingen tot bescherming van have en goed de opgezetenen.

Verdrietig is het ook te weten, dat het bestuur zich den stand
van zaken wel bewust is: 't tegenovergestelde zou hoop geven
op eventueele verbetering. Die bewustheid manifesteerde zich,
maar met betreurenswaardige impotentie, nu eenige jaren geleden,
in het uitvaardigen van een bepaling, waarbij bevolen werd dat de
buffels van een desa in eenzelfde kraal moesten worden bewaakt tegen
dieven. De diefstal verminderde toen, dat is waar, maar het middel
bleek een lapmiddel en welhaast even noodlottig als de kwaal. Want de
desaman kon zijn dieren niet bij zich houden, hun verzorging kon hij
niet geheel op zich nemen; hij zag hoe de jongere en zwakkere dieren
leden door de sterkere; de paring vermocht hij niet meer te regelen,
en de geboorte van buffels kwam minder tot haar recht. De desaman
verkocht toen zijn vee...

En men kon of wilde niet inzien dat het mangelde aan de politie,
oordeelde dat de inlander, in zijn domheid, het oogenblikkelijk
geldelijk voordeel van den verkoop verkoos boven het productief bezit
van den buffel. Maar stelselmatig roerde men het punt niet aan dat
er te weinig weideplaatsen waren voor de buffels, van den tijd der
sawahbewerking tot den snijtijd. De buffeleigenaar was dan genoodzaakt
gras te snijden, wat tijd en arbeid kostte. En de sterfte onder de
slecht gevoede dieren nam toe: De desaman verkocht dus zijn vee,
niet uit hoop op dadelijk geldbezit, maar wijl hij vreesde spoedig
ook dat niet meer te zullen krijgen.

En zie, geldt dit al de voor de gansche uitgestrekte afdeeling,
schriller wordt het beeld, wanneer de particuliere landen op zich
zelf beschouwd worden. Op Telatiga nam de veestapel in negen jaren
af met 46 procent, in de volgende jaren was de achteruitgang nog
grooter. Op Alas Bamboe is nog geen twee derde gedeelte overgebleven
van den veestapel van vóór de veepest.

De buffeldiefstallen namen dus weer toe op Alas Bamboe en met deze de
houtdiefstallen. Ook dit is een veeg teeken. Het voorspelt eveneens
het aanbreken van slechte tijden. En het verschijnsel komt vaak voor.

Er zijn vele djatibosschen op de landen en in slechte--ja vaak ook in
normale tijden--is diefstal van hout regel. Over deze houtdiefstallen
is veel geschreven, en de ware oorzaak is vaak verbloemd. Men vreest
in slechte tijden zoo voor verbittering van het gebreklijdend volk dat
geen houtdieven met geweld worden aangehouden. Men laat ze vrij gaan,
en het misbruik is bijna tot adat vergroeid. Op klaarlichten dag,
in gansche karavanen, trekken de boschdieven met hun buit voorbij de
woningen der geëmployeerden: balken en stammen, het hout voor woningen,
stijlen en palen, gaan zoo in openlijk transport over den grooten weg
naar de afdeelingshoofdstad. Ook dit is een middel om in het leven
te blijven.

Een derde middel is emigratie. De Javaan is vruchtbaar. Java's
bevolking verdubbelt zich in dertig jaren tijds. Hoe komt het dan dat
daar op die landen het zielental vaak stationair blijft, ja, dat er
jaren zijn dat teruggang van het zielental is na te wijzen? Men huldigt
er geen Malthus-leer; en ook is het niet allèèn aan kindersterfte te
wijten, dat op volkstoename van beteekenis niet te wijzen is.

Het volk verloopt. De armsten beginnen bij oogstmislukking den exodus,
naar Tji-lamatang in de naburige residentie, waar veel vruchtbare
grond is en waar de belastingdruk, relatief gesproken, zeer licht is.

Wie nu, die Javaansche toestanden kent, zal gelooven dat geen dringende
oorzaken den Javaan nopen zijn woonplaats te verlaten, de desa, waar
hijzelf, zijn vader, en diens vader leefde, waar hij huwde, waar zijn
kinderen geboren werden? Ook aan gering verloop moet reeds groote
beteekenis worden toegekend. Het wijst onloochenbaar op verarming
van de bevolking. En zie, ik heb een lange lijst vòòr me, in drie
rubrieken verdeeld: het jaartal, het zielental, het aantal picols
tjoeké van het volgende jaar; een statistiek van beide landen. En
het is met wiskunstige zekerheid aan te toonen, ver terug, tot in het
begin der vorige eeuw, 1818, 1820, dat op verminderde tjoekéopbrengst
achteruitgang in bevolking volgt. Hoe minder opbrengst, hoe grooter
verloop, hoe nijpender nood. Er zijn jaren geweest dat de bevolking
verminderde met 5, 6, 8 en 10 procent. Er is een reeks van drie jaren
geweest, 1845--1848, gedurende welke de bevolking verminderde met
26 procent. En uit die statistiek kan ik de periodiek wederkeerende
hongerjaren aanwijzen, zoo dadelijk, zonder aarzelen of vrees voor
vergissing.



De tijd liet zich slecht aanzien op Alas Bamboe. Het was ook voor de
Europeanen geen geheim meer, dat een buitengewoon slecht jaar voor
de deur stond, slechter nog dan het jaar te voren, toen eenig gebrek,
slechter ook dan het jaar daarvoor, toen groot gebrek heerschte.

En weer was het De Leeuw, die zich, als oudste geëmployeerde, genoopt
voelde zijn chef den toestand bloot te leggen, opdat zoo noodig
maatregelen genomen konden worden in het belang van de bevolking.

Hij begreep dat het beter was schriftelijk verslag te doen. Dat bleef
bewaard, er kon naar verwezen worden zoo noodig.

Hier is het de plaats er naar te verwijzen; het zijn slechts grepen,
want het geheele rapport besloeg vele vellen schrift.


    "Er staat misoogst te wachten, hoofdzakelijk door watergebrek,
    het vroegtijdig ophouden van de regens en den slechten staat
    der Soemboel-batoeleiding, zoodat de sawahs in Zuid-Sikarang,
    welke door deze leiding bevloeid worden, onvoldoende of geen
    water kregen. Op de fouten van bedoeld waterwerk wees ik U den
    15en Februari van het vorige jaar reeds. Het loopende jaar, dat
    in den beginne zich goed liet aanzien, belooft thans evenmin een
    oogst van eenige beteekenis. Een hevige walangplaag heeft vooral
    Zuid-Sikarang en Herea geteisterd. De westerdistricten leden
    vooral van de droogte. Na de laatste achtereenvolgende misoogsten
    in een streek, waar de bevolking geheel van den rijstbouw leeft,
    waar geen ander middel van bestaan is, vermeen ik U niet meer
    behoeven te wijzen op den hachelijken toestand voor een groot
    deel der bevolking. Hetgeen zij bezat, is verbruikt of zal weldra
    verbruikt zijn voor de sawahs van den volgenden oogst.

    De hoeveelheid verstrekte voorschotten is te gering per
    landbouwer om ook maar eenigszins te helpen tot den aanstaanden
    oogsttijd. Weder-verstrekken van voorschotten acht ik niet goed,
    keur ik zelfs af, omdat de bevolking dan nog meer in schuld
    komt... M.i. moeten de vele slechte waterwerken in vrijen arbeid
    worden hersteld. Zoo is voor de bevolking gelegenheid wat te
    verdienen. Zij komt niet méér in schuld en de waterwerken komen
    er door in beteren staat. Momenteel heerscht in Sikarang en
    Herea reeds schaarschte, om geen ander woord te gebruiken. Velen
    verlieten reeds in October en November van het vorige jaar het
    land. Officieel is dit niet gerapporteerd en met cijfers is het
    ook moeilijk te bewijzen. Teekenend voor den toestand is het
    feit dat in den laatsten tijd de buffelverkoop weer zeer groot
    is. (Vide maandrapporten der districten.) Als het volk zijn
    ploegvee verkoopt, is de toestand hachelijk. Ik hoop dat hulp
    voor de bevolking niet zal uitblijven.

    De bevolking van Alas Bamboe gaat nog steeds hard achteruit. Telde
    zij vijf jaren geleden bijna 77.000 zielen, twee jaren daarna
    was zij tot 74.750 zielen verminderd; met de intrede van dit jaar
    telde zij nauw meer dan 71.000 zielen."


Nederman was zeer geprikkeld door dit ongevraagde rapport van De Leeuw.

"Vervelende vent", bromde hij, "ware ongeluksprofeet. En als hij zich
nu maar vergiste, maar neen--de kerel heeft altijd gelijk. Ik zal hem
's laten komen. Dan moet hij maar uitpakken over wat hij denkt dat
gedaan kan worden."

Hij schreef een kattebelletje aan zijn employé en gelastte dit naar
Oeroettan te brengen. Een desaman werd er mede belast: in heerendienst
natuurlijk.



Siman was zeven dagen weggeweest. Te Gatok wist men niet waarheen. Hij
was van Herea thuisgekomen, had zijn zuster om geld gevraagd,
nagenoeg het laatste dat er was, en was weer vertrokken. Men had hem
niets durven vragen. Siman was buitengewoon prikkelbaar, kon om een
kleinigheid opstuiven; voor het werk behoefde men voorloopig niet
op hem te rekenen. Veel arbeid was er trouwens niet. Men diende af
te wachten het magere beschot van den overslechten aanplant. Pah Ran
had wat gadoe in den grond gebracht en men begon zich weer te oefenen
in hongerlijden, of juister, men begon zich te oefenen nog meer tijd
dan tot dusver tusschen twee opvolgende maaltijden te laten verloopen.

Siman was naar Sapekan gegaan, op Telatiga. Maar zijn reis was
vergeefsch geweest. Kario was niet meer te Sapekan en men wist
hem ook niet op te geven waarheen de gewezen mandoer vertrokken
was. Teleurgesteld, moedeloos, zonder geld meer, was Siman te Gatok
teruggekomen. Nu moest hij het toeval maar overlaten zijn weg dien
van Kario te doen kruisen. Hij wilde de hoop niet opgeven den gehaten
vijand nog eens te ontmoeten. Het was het eenige wat hem op de been
hield. Maar te Gatok hield hij het niet uit. Hij verlangde naar Satima,
maar of het haar lichaam alleen was, dat hem bekoorde?...

Siman had na dien eersten keer nog eens en weer eens opium
geschoven. Hij begon er naar te verlangen. Maar voor zijn huisgenooten
schaamde hij zich nog. En bij Satima kon hij aan dubbele begeerte
voldoen. Hij ging naar Herea, waar hij leefde met Satima, en schuiven
kon. Maar zich vergiftigen is een duur genot. En hoe aan geld,
telkens weer aan meer geld te komen? Nog was niet alle gevoel in hem
gedood: hij bood zich aan als timmerman en hetgeen hij als gevangene
had moeten leeren, kwam hem nu te pas. Hij verdiende zeventien cent
per dagtaak. Satima verkocht zich, waar ze kon, om opium te kunnen
koopen; meer dan eens reeds had ze zich aangeboden aan den Chineeschen
opiumverkooper zelf ... voor opium. Maar steeds was grooter dosis
noodig om het genot te brengen en meer verdienen konden zij niet.

Op een nacht was Siman niet thuis gekomen. En ook den volgenden nacht
kwam hij niet bij Satima. Den derden nacht verscheen hij weer, gejaagd,
angstig. Maar hij had veel geld bij zich, bijna twintig gulden. En het
duurde niet heel lang of Satima wist dat hij de dief was geweest van
den karbouw van pah Arsad, waarover voor eenige dagen zooveel te doen
was geweest in de desa. Na dien tijd ging het gemakkelijker. Siman
werkte niet meer. Er was bovendien niet altijd werk, en werd hem al
door Van Affelen een of andere karwei opgedragen, dan deed hij het
werk met tegenzin: het bracht zoo weinig op. Men maakte meer met het
kappen van djatiboomen en het verkoopen daarvan op Telatiga. 's Nachts
had deze klandestiene handel in hout plaats. Siman ging er niet mee
naar de hoofdplaats: de afstand weerhield hem. Hij bracht het hout
even over de oostgrens van Alas Bamboe. Hij wist er een Chinees wonen,
die alle hout opkocht. Wel kreeg hij niet zooveel als hij te Telatiga
ontvangen zou hebben, maar hij kreeg het eerder. Dat was hoofdzaak. Als
hij geld had, kon hij weer geestelijken en zinnelijken wellust genieten
bij het opium en bij Satima.

Van Kario vernam hij niets meer. Ook had hij de energie verloren om te
zoeken. Er waren nu zelfs vaak oogenblikken, dat hij niet aan Kario
dacht. Zijn wraaklust zelfs begon te sluimeren onder den invloed van
de papaver.

Om hem heen werd de toestand steeds slimmer. Het armere volk begon
te trekken, naar het westen, voor een appel en een ei het nog
niet gesneden product te velde latende aan gelukkiger en rijker
desagenooten; buffeldiefstallen waren aan de orde van den nacht.

Toen brak de oogsttijd aan, een ìn-treurige tijd.



--"Nou, vooruit nu, ongeluksprofeet! Neem er je tijd nu voor om me
lang en breed te vertellen, wat je van de toekomst denkt, en wat je dan
noodig oordeelt om de vooruitzichten te verbeteren.--Je weet heel goed
dat ik apprecieer je kennis van de toestanden, je kijk op de dingen,
je tact om met de lui om te gaan. En ik wil je ook volstrekt niet
verbergen, dat je voortdurende waarschuwingen mij verontrusten. Ik
geloof niet dat je noodeloos zoudt alarmeeren, zie je, en..."

"Daar hebt u gelijk in, mijnheer Nederman."

Het was een zoele avond. De Leeuw, door Nederman ontboden, zat met
den administrateur in diens kantoor. Het was voor den employé niets
bijzonders, dat zijn chef hem raadpleegde. Reeds in den tijd, toen
Nederman oudste geëmployeerde was op Alas Bamboe, placht hij vaak het
advies te vragen van zijn jongeren collega, die zoo bewonderenswaardig
met de bevolking wist om te gaan. Toen Nederman tot administrateur was
benoemd, was er in den omgang wel minder vertrouwelijkheid gekomen,
maar het was toch heel vaak gebeurd dat, evenals dezen avond,
chef en ondergeschikte over zaken en toestanden op de onderneming
spraken. Nederman vertrouwde geheel op De Leeuw. Deze mocht ruw en
onbehouwen zijn, de opvoeding die hij genoten had, kon dan een zeer
elementaire zijn, De Leeuw paarde aan een goed hart een groote mate
van gezond verstand en een uitmuntend geheugen. Hij was een eerlijk,
nauwgezet geëmployeerde, op wien men zich verlaten kon, en Nederman
deed dit ook. Hij was eerlijk genoeg om voor zich zelf te bekennen dat
De Leeuw meer van de zaken afwist dan hij; in booze luimen ergerde hem
dit zeer, maar hij was gewoonlijk wel nuchter genoeg om te beseffen
dat hij er slechts bij verliezen kon, zich van den plichtvervullenden
jongen man te scheiden.

"Nu dan--wat denk jij van den oogst?"

"Niets."

"Hé?"

"Niets, mijnheer Nederman, niets. Als ik eigenaar was van Alas Bamboe,
dan zou ik op enkele uitzonderingen na, geen tjoeké willen ontvangen."

"Maar dat is immers dwaasheid, man! Het land is er toch in de eerste
plaats voor de eigenaren, dunkt mij."

"De lui zullen geen korrel kunnen missen."

"Kom, kom, dat zie je te donker in, veel te donker. Ik geloof ook wel
niet, dat we van het jaar op een mooien export behoeven te rekenen,
maar..."

"Wat ik u brom, over drie maanden heerscht er hier hongersnood,
nijpender dan die wij beiden van acht jaar geleden nog kennen."

"Wel neen, dat geloof ik niet."

"Ik ben elken dag op de sawahs, mijnheer Nederman. Het gewas staat
er om bij te huilen. Er komt ruw gemiddeld geen tien picol nat per
bouw af. Nou, daar blijft voor de bevolking zelf zoo goed als niets
van over, dat weet u. Twee maanden verder en alles is opgegeten. En
wat dan?"

"De palawidja."

"Als die dan al rijp is! En dan, ik ken de palawidja-oogsten van
Alas Bamboe. Dat geeft per hoofd geen week eten. Buiten denkt men
wel dat die palawidja een inkomst van beteekenis is voor de lui,
maar wij weten dat palawidja hier en daar op kleine schaal, en elders
heelemaal niet verbouwd wordt. Wij houden er geen aanteekening van,
omdat er niets van geheven wordt. En het loopt denzelfden kant uit,
mijnheer Nederman, als het vorig jaar, en het jaar daarvoor, alleen
nu een beetje erger. Dan krijgen wij weer onze "zware tijden,"
dat de bevolking zich voeden moet met klapperbast, boombladeren en
pisangstammen om het gevoel van honger weg te nemen, zooals meer dan
eens gerapporteerd is geworden."

"Maar meen je nou werkelijk, dat het verkeerd gaat?"

"Beslist, mijnheer Nederman! Met goeden wil en opofferingen is nog
veel leed te verzachten, maar te redden is dunkt mij de positie niet
meer. Trouwens, dat ligt niet in onze macht."

"Dus jij meent dat de bevolking reden had, om voortaan alleen
tjoeké-padi op te brengen?"

"Natuurlijk had zij daarin gelijk, mijnheer Nederman. Alleen geloof
ik dat u een andere oorzaak aanneemt dan ik. U gelooft waarschijnlijk
dat de slechte vooruitzichten de menschen er toe gebracht hebben ..."

"Ja zeker, enne de ... hoe zal ik het zeggen ..."

"Juist, mijnheer, dat is de reden, de onwettige, veel te zware
heffing. Komaan, wij weten allemaal wel dat er meer, veel meer gevraagd
wordt dan een vijfde. En vroeg of laat, met of zonder misoogst en
hongersnood, moest de bevolking tot het besef komen dat ze bedrogen
werd ..."

"Jongens, De Leeuw, je moet met die dingen niet te koop loopen,
man. Dat zou heel gevaarlijk zijn voor je carrière."

"Ah bah, carrière? Daar denk ik op zulke oogenblikken natuurlijk niet
aan.--Maar ziet u, daarom heb ik uitgerekend, dat we met goed fatsoen
niet meer mogen vragen dan 28 kattie per picol natte padi."

"Ja, de berekening is goed. Daar ontbreekt niets aan. Maar de
toepassing is eenvoudig onmogelijk."

"Dat is wel jammer, want ik weet heel zeker dat het zou inslaan bij
het volk. Gevoel voor billijkheid heeft het in hooge mate. En wat
wilt u dan doen om ze tegemoet te komen in den nood?"

"Ja, dat ìs het juist: Wat moeten we doen?"

Het gesprek stokte.

"Je hebt gesproken over het herstellen van irrigatiewerken in betaalden
dienst. Welke irrigatiewerken bedoel je?"

"Nou, kijkt u eens. Men zou er eindelijk toe kunnen overgaan om den
dam bij Koeripan te leggen."

"Daar noem je zoo iets. Je weet dat het voorstel geketst is; om de
kosten. De begrooting sloot met ruim een ton."

"Nou dan het plan-Haver, berekend voor de irrigatie van in totaal
9.000 bouws in de districten buiten Goenoeng Lawang."

"Ruim twee ton."

"Nou ja, die dingen kosten natuurlijk geld, maar ze werpen dan toch
rente af ook. Hoeveel zou het ook weer zijn? 6 1/3 procent, geloof
ik. Toch wel een aardige rente voor productieve werken, dunkt mij. Maar
natuurlijk is dit plan ook al verworpen. Ook zonder irrigatie zijn de
inkomsten ruim. Ja, hè? als wij eens Amerikanen waren! Hoe heette het
ook weer in den brief van de Bank? "Meer en meer wordt bij eigenaren
het besef levendig, dat welvaart en toename van bevolking nummer
één zijn ... punt van voortdurende zorg ... desnoods alle jaren
wat opofferen ..." Ja, ja het is mooi: meer en meer, voortdurend,
desnoods. Le style c'est l'homme. Met recht."

"Ja, ik geloof niet dat we met die irrigatiewerken ver komen. Er
zijn nog andere werken, maar allemaal hebben ze al even weinig kans
op uitvoering."

"In spijt van de winsten: in 1899 190 mille, toen 210 mille; ja er
zijn jaren geweest van twee en een halve ton, van ruim drie ton zelfs;
dat was in 1897."

"Ja, ja, ja,--maar staat tegenover dat er in 1901 maar 16, in 1902
maar 60 mille zijn gemaakt."

"Wel een bewijs van de ellende, die er geheerscht heeft. En dit
jaar wordt het nog slimmer.--Ja hé, als we dan nagaan twintig en
dertig jaren geleden, met de rijstprijzen van f 300 tot f 315 de
kojang. We halen tegenwoordig nauwelijks f 200. En contrôle was er
toen heelemaal niet."

"Dat wil zeggen--de vrijwillige overeenkomsten moeten dan toch door
den assistent-resident geregistreerd worden ..."

"Dat moest, zeker, maar het gebeurde niet. Sedert 1836 zijn er vijf
en zestig jaren voorbij gegaan voordat het gebeurde. Vroeger werden
die overeenkomsten gesloten met de desabesturen. 'n Mooie boel. Stel
u voor dat ik over den verkoop van uw barang [233] met Zevenaer aan
het bedisselen ging."

"Maar we dwalen af, De Leeuw; we dwalen altijd af als jij er bij
bent. Je bent veel te rood, De Leeuw, geloof me; in je eigen belang
zou ik je raden meer om je eigen beurs dan om die van anderen te
denken--het is erg beroerd, dat 't in de wereld zoo geschapen is,
zeker, toegegeven ... maar, hè, après tout, is het hemd dan toch nader
dan de rok. Enfin, ik heb je laten komen om met je te beraadslagen
wat er te doen is om eerstens de lui te helpen. Want geholpen moet
er worden, dat ben ik met je eens; en ook moeten wij er zorg voor
dragen dat de verbittering niet overslaat ..."

"Zeker, daar is kans op. Geen wonder trouwens, menschen in dien
toestand ..."

"Natuurlijk, natuurlijk. En al was het dan alleen het volksverloop. Dat
is ook een kwaad ding, 't gevolg is schrijverij met de eigenaren. Die
denken, geloof ik, dat wij de menschen aan het land kunnen
vastbinden. In de laatste drie jaren gaat het bevolkingscijfer toch
al achteruit: 74000 zielen met 23000 bouws; gemiddeld sawahbezit dus
van nog geen derde bouw. Op Telatiga is het nog minder."

"Nou, mijnheer Nederman, ik heb een heel program. Herstellen van
de irrigatiewerken is dus geschrapt. Dan kunnen wij beginnen met
voorschotten op den volgenden oogst te geven. Het geeft niet veel,
dat heb ik al gezegd, maar 't is iets, dan reliefworks; dat is om
ze te helpen, waarbij u dan ook kunt beginnen met minder te heffen
in tjoeké."

Nederman krabde zich achter het oor.

"Dat is een netelige kwestie. Als je daarmee voor de heeren komt,
is het donderen. Als wij wat minder heerendiensten vorderden ...?"

"Dat helpt in de eerste plaats ons. Een uitmuntend denkbeeld, mijnheer
Nederman. Maar durft u dat dan wel aan?"

"Ja, ik zal het moeten motiveeren. Hongersnood alleen, zal niet
gaan. Dat wil er bij de lui niet in ... maar wat dan?"

"Mag ik die kwestie motiveeren? Ik ben wel eens aan het nasnuffelen
geweest. Nou en ik heb daar zoo mijn eigen idee van, ziet u. Om het
ronduit te zeggen: al die diensten zijn onwettig."

"Hè?"

"Ja, ik weet heel zeker dat deze landen verkocht zijn vrij van
heerendienst en dus ..."

"Hm! De stelling lijkt me niet onaanvechtbaar. Maar dat is goed. Maak
jij de memorie dan maar op en stuur hem mij."

"Best. En dus kan ik beginnen met voorschotten ...?"

"Goed, maar met mate, met mate. Met een paar duizend pop doe je al
een heele hoop."

De Leeuw zeide niet dat hij van een andere meening was, en dat "een
paar duizend pop" voor eenige maanden, te verstrekken aan 71000 zielen,
een alleszins onvoldoende tegemoetkoming is. Hij meende al wat gewonnen
te hebben.

Den volgenden dag reeds liet De Leeuw in de desa's van zijn district
bekend maken dat hij tegen mindere dan de gebruikelijke rente--toch
tegen rente dus, want in rentelooze voorschotten had Nederman niet
durven happen--voorschot wilde geven, aan wie dat wenschte.

In den tijd van vijf maanden werd achtereenvolgens op het geheele
land, bij steeds klimmenden nood, ruim f 30,000 in voorschot aan de
bevolking verstrekt. Een schijntje ...



De oogst was binnengehaald, een complete misoogst. De tjoeké was
afgeleverd in de pakhuizen, onverminderd ... ja zelfs had men op beide
landen, gebruik makende van de circulaire van den procureur-generaal
de padi van hen, die weigerden rijst op te brengen, doen wegen op het
veld, gelijk beraamd was. Het waren er betrekkelijk weinigen geweest,
die padi leverden, maar de nadeelen daarvan voor het land waren
toch reeds voelbaar geweest. De pakhuisruimte dreigde te klein te
worden. Was het vorig jaar reeds een hoeveelheid padi binnengekomen,
meest in Herea, die dagelijksche onkosten aan stamploonen voor de
stampsters noodig maakten, thans moest een ongelijk veel grootere
hoeveelheid in de pakhuizen tot rijst worden verstampt. Dagelijks
gingen vrouwen het geld verdienen--vijf centen per dag voor het zware
werk--in de pakhuizen op het land.

En overigens was bij de tjoeké-heffing geen rekening gehouden met
de indroging der padi, noch met de rijstcoëfficient, het gewicht
der stelen bij den snit, het stamploon, noch met weersinvloeden,
ziekten en plagen in het gewas, die zwakke korrel veroorzaken, groot
breukprocent of geringe witheid; noch ook met de breukverhouding bij
zeer voorzichtige bewerking, of met den prijs der grofkorrelige rijst,
noch ook met dien van de fijnere rijst. Neen, met dat alles was geen
rekening gehouden, de tjoeké was onverminderd geheven, onverminderd ...

En de Honger deed zijn intrede op Alas Bamboe en Telatiga. De
houtdiefstallen werden menigvuldiger, en gansche karavanen trokken
naar de afdeelingshoofdplaats om aan de opkoopende Chineezen voor
weinig geld het gestolene af te zetten. En zij, die niet konden
kappen de zware stammen, noch ook na kapping deze zouden kunnen
bewerken, braken de stijlen uit de woningen, als ze er waren, om die
te verkoopen: den eenen balk na den ander. De huisjes verloren stut;
men steunde dak en wanden met bamboes. De woningen konden niet meer,
of niet goed meer, een veilige schuilplaats zijn voor de bewoners: wat
gaf het? Te stelen was er niet. Bij de rijkeren werd het vee gestolen;
hier en daar waren roofpartijen niet uitgebleven: Chineesche warongs
meest, die men plunderde.

Een zwerm van Chineesche agenten kwam in de desa's en bood geld--weinig
geld--voor den oogst van 't volgend jaar. Zij berekenden zware renten,
't is waar, maar het risico moest geneutraliseerd worden. Er konden
velen sterven in den komenden tijd, velen zouden het land ruimen,
wellicht stond ook voor het volgend jaar misoogst op het program;
dat waren factoren, waarmede rekening gehouden moest worden, en de
agenten der Chineesche opkoopers dreven de renten op, steeds hooger ...

De nood klom. Veediefstallen kwamen nacht aan nacht voor. Hier en daar
werden de dieren niet eens meer verkocht. Men slachtte hen om dadelijk
voedsel te hebben. Het land verstrekte meer voorschotten. En ook
waren reliefworks in het leven geroepen, op zoo geringe, pietluttige
schaal echter, dat zij weinig effect sorteerden. De bevolking begon
weer met het zoo vaak beproefde middel om den honger te stillen,
het middel, dat even vaak weer faalde. Men vulde de maag met de
fijne tot stopverfachtig deeg inkokende menier, de allerfijnste,
smerige brei leverend, opraapsel eigenlijk. En men kookte de menier
op met boombladen om het gevoel van honger weg te nemen, als had het
lichaam daar wat aan.

En nog steeg de nood. Ook de menier was verbruikt; pisangstammen, jonge
klappertoppen, boschknollen, nauw eetbaar, schadelijk de meesten,
kwamen ervoor in de plaats. De onrijpe palawidja, wat er dan nog
stond, werd uit den grond gehaald om te dienen als voedsel. Meer
voorschotten werden verstrekt, meerdere ondersteuningswerken in het
leven geroepen. Roof en diefstal werd gepleegd op helderen dag. Reeds
stierven er lieden door gebrek aan leeftocht ...

Immer steeg de nood. Het volksverloop begon. Als de huizen verkocht
waren, alle hout en al wat er meer te verkoopen viel, wat niet veel
was, trok men weg, het erf latend voor wat het was gemeenlijk, want
in dezen tijd waren de koopers schaarsch. Vele duizenden waren het,
die wegtrokken, de meesten naar het westen, weg van Alas Bamboe. En
die van Telatiga trokken naar de gouvernementslanden, gefolterd door
de heete stralen van de koperen zon, die droog het lijden aanzag.

Velen reeds stierven als het lichaam ten slotte uitgeput was door
nutteloos verteren van boombast, schors en bladeren, zwarte klei,
lempoeng [234], en jeukknollen. Men bedelde, men stal en roofde. Op
de hoofdplaats Telatiga hielpen Europeesche en Chineesche ingezetenen
zooveel zij konden: het was zoo bitter weinig.

Nog altijd breidde de ellende zich uit. Ouders verlieten hun kroost;
de zuigelingen stierven schreiend aan de ingedroogde borsten. Moeders
verkochten haar kinderen.



Siman had in dagen niet gegeten. En het opium, dat hij gestolen had te
Gatok van Tio Ang Sioe, Nedermans zoon, had niet voortdurend den honger
kunnen verdrijven. Hij woonde niet meer samen met Satima; elk moest
maar voor zichzelf zorgen. Op een nacht was hij weggegaan, toen Satima
in looden opiumslaap lag. Hij had haar koperen pending meegenomen,
een sarong en een toessoek-kondé van een paar dubbeltjes. Meer waarde
was er niet. Dat alles had hij voor vijftien centen verkocht te
Tjakoeng. Het geld was op en Siman had in dagen niet gegeten.--Dien
nacht stal hij een karbouw. Het was lichte maan en hij werd gesnapt
door een spion van den koewoe. Het gestolen dier moest in den steek
gelaten worden en met de uiterste inspanning slechts gelukte het hem,
zijn vervolgers te ontloopen.

Al maar voort rende hij, in een wanhopigen angst opnieuw te worden
gevat en opgesloten in de gevangenis. In den morgen eerst kwam hij tot
rust. Hij had de desa's gemeden; geen kieken, geen vrucht had hij weten
machtig te worden; zijn maag knorde van den honger; hij was uitgeput
van vermoeienis. Toen legde hij zich neer aan den kant van een slootje
om te slapen; maar de slaap bleef weg. De honger gaf geen kamp. Lang
reeds lag hij daar, overdenkend zijn ellende. Hoe vele dagen reeds was
hij niet te Gatok geweest. Hoe de toestand daar wel zou zijn? Maar lang
denken kon hij niet: zijn maag liet hem niet met rust. Hij kauwde op
een takje bajem [235], dat hij afgebroken had, en werktuigelijk slikte
hij het door; het smaakte afschuwelijk, zoo rauw. Als hij het maar
koken kon. Toen op eens zag hij aan den anderen kant van het slootje
een derkwak. Hij hunkerde er naar, den ranken watervogel te hebben om
hem te verslinden, om den honger te stillen ... hij nam een steen op,
en wilde naar het dier gooien. Maar hij hield den worp in. De vogel
had een klein vischje in den bek gevangen en verdween daarmede in
het riet van den oever. Siman hoorde het kirrend geluid van jonge
vogels. Hij kroop de sloot in, heel voorzichtig. Met luid geschreeuw
vloog opeens de derkwak op. Maar Siman liet zich niet storen: hij
zocht het nest met de jongen. Hij vond het ook. Drie kleine, nog
naakte vogels sjilpten van onbestemden angst. De Soendanees draaide
ze den hals om. Krijschend vloog de moeder om.

Nog half rauw verslond de hongerige den buit. Hij had zich niet
den tijd gegund te wachten totdat het kleine grasvuurtje de kleine,
tanige, onsmakelijke vogels voldoende had geroosterd.

Hoe weinig ook, het voedsel deed hem goed. Hij kon nu slapen. En hij
sliep ook, een korte poos.

Toen hij ontwaakte, was de zon op. In de verte zag de zwerver een
desa. Het kon slechts Kalapa Aloes zijn, berekende Siman. Hij kende
de omgeving. Hij was hier eens geweest. En plotseling dacht hij aan
Pah Asriep. Die woonde te Kalapa Aloes. Siman sprong op. Langzaam ging
hij naar de desa toe, over de galangans der rijstvelden. Hij kende den
weg in de desa en even later stond hij voor de deur van Pah Asrieps
woning. De oude deed open en herkende zijn jongen vriend dadelijk.

"Wat is er, Siman? Je ziet er bezorgd uit."

"Geef mij eerst eten, Pah; ik heb al in vijf dagen geen behoorlijk
voedsel gehad."

"Ik heb nog wel wat, kom mee."

Er was rijst met sambal. Meer niet. Siman at, groote brokken tegelijk
slikkend, ze telkens met een slok water doorspoelend. De oude keek
hem aandachtig aan. Toen zijn jonge gast voldaan was, zei hij:

"Je hebt veel soesah. Ik weet van veel, van Kario, van Djiah. Wat is
het nu?"

"Er is niets meer, Pah, geen oogst, geen voedsel. Ik weet niet wat
er te Gatok gebeurt--het is een harde tijd ..."

"Ja, ik heb reeds veel geholpen, maar de honger van honderd wordt door
één niet bezworen. Als de hongersnood nog lang duurt, ben ik een arm
man, even arm als de anderen.--'t Doet er niet toe; ik ben al oud,
heb kind noch kraai. Als ik dood ben, heb ik aan al mijn goederen
niets. En jij, wat doe jij?"

"Ik heb willen werken, timmeren kan ik. Maar nu heeft niemand mij
noodig. En mijn hand beeft in den laatsten tijd ..."

"Zoo jong reeds? Opium?"

"Ja, Pah."

De ander zweeg op deze zacht gegeven bekentenis. Hij keek Siman
meewarig aan, schudde het hoofd.

"Je hebt Kario niet meer ontmoet?"

"Neen, Pah. Maar, geloof me, ik heb hem gezocht--tot zelfs op
Telatiga."

"Je zult hem nog eens ontmoeten, Siman. Schuif geen opium meer. Opium
is slecht voor ons volk. Het maakt ons tot verachtelijke slaven
van den blanke. De moeder van je zoon is nog altijd niet gewroken,
Siman. En wraak is niet weggelegd voor den slaaf."

Siman boog zwijgend het hoofd.

"Je moet werken."

"Wat?"

"Aan de ondersteunings-werken te Sikarang, bijv."

"Ik ben te zwak. Nou gaat het niet meer."

"Het moet; zoek dan wat anders."

"Er is niets. Ik denk dat ik wegga. Ik kan visscher worden."

"Hoe ben je hier gekomen?"

"Je hadt het mij gezegd: kom, als je groote soesah hebt. Ik hèb groote
soesah, Pah."

"Kom je daarom alleen?"

"Ik werd vervolgd."

"Gestolen?"

"Ja, Pah."

Weer stokte het gesprek.

"Stelen is slecht, Siman. Al hebben zij, die je besteelt, meer dan
jij. Waak tegen diefstal, dat is beter. Dan ben je nuttig en je kunt
je voeden met het loon voor het waken."

"Moet ik spion worden, Pah? Dat meen je niet."

"Geen spion. Geef den armen menschen, die nemen van anderen, van wat
je zelf hebt. Dat is een goed werk; de koran gebiedt het."

Pah Asriep was altijd leerstellig en rechtzinnig geweest. En daarom
zeker de slechtste niet.

"Maar hoe kan ik dan zelf leven, Pah?"

"Je kunt je verhuren bij elken koewoe om nachtelijken dienst te
doen. Deze tijden zijn zeer onveilig en de bezitters zullen graag
wat betalen voor waakdiensten. Je hoeft de verdoolden, die stelen
uit gebrek, uit honger, niet op te brengen voor den koewoe. Je
moet slechts zorgen dat er niet gestolen wordt. Daarmede verdien je
het levensonderhoud voldoende ... Ik zeg dit omdat ik te doen heb
met je. Niet stelen, niet schuiven. Werken, totdat betere tijden
komen. Arbeid is nooit schandelijk."

De oude kon gelijk hebben, dacht Siman; hij peinsde er over na;
waarom zou hij den raad niet volgen? De arbeid was niet zwaar, hij
zou geen honger meer lijden ...



Van Affelen was in de desa Gatok op inspectie. Hij moest op de hoogte
blijven van den toestand en vooral Zuid-Herea was door den nood
geteisterd. De sterfte onder de bevolking was groot; meest onder de
kinderen, wier zwakke lichaampjes het hongeren minder verdroegen.

Hij kwam langs de woning van Pah Ran aan het einde van het dorpje. De
deur stond open. De oude Ran zag den employé. Aarzelend volgde hij
hem. Van Affelen bleef staan:

"Wat is er, Pah?"

Pah Ran hurkte, maakte de sembah [236].

"Wij hebben niets meer te eten, kandjeng doro, help ons! Al dagen
hebben wij niets meer gegeten, dan gadoe ... Mijn kleinkind ligt op
sterven ... help ons, kandjeng ... help ..."

Van Affelen was getroffen door den toon van smart. Hij zeide niets,
keerde op zijn schreden terug, ging de woning binnen. Ipah liep rond,
op en neer, den kleinen Rekso sussend. Het ventje snikte zachtjes,
nauw hoorbaar, krachteloos. 't Uitgeteerde lichaampje schokte van
koorts. Wanhopig zag Ipah 't aan. Op de balé zat Mariam, stom,
bewegingloos, een beeld van ellende.

Van Affelen werd aangedaan door dat tooneel voor zijn oogen. Hij
grabbelde in den zak; haalde wat klein zilvergeld te voorschijn,
dat hij Pah Ran gaf:

"Hier, gauw, koop eten."

Pah Ran dankte zelfs niet. Zoo snel zijn beenen het toelieten, rende
hij den weg op en even later was hij terug met rijst en wat boeboer
[237] voor Rekso. Hij zelf gaf het zachte kostje zijn kleinkind in
den mond. Maar de kleine was te zwak om te slobberen. Heel weinig
slechts kwam hem door het keelgat. Hij wentelde zich om en om,
kreunend van koorts en honger. Met onuitputtelijk geduld was Pah Ran
met hem bezig. Ipah en Mariam hadden zich verwijderd met de rijst
in het pisangblad. Spoedig was de jongere zuster terug, beduidde Pah
Ran naar den keuken te gaan, opdat ook hij zich te goed kon doen aan
de rijst. Zij nam hem de taak om Rekso te voeren uit de handen. Maar
ook zij slaagde niet. Toch eindelijk viel de kleine in een onrustige
sluimering. Mariam legde hem neer op zijn matrasje op den vloer.

Van Affelen kon zijn oogen niet van het meisje afwenden. Al had het
leed zijn stempel op haar gelaat gedrukt, de geheele verschijning van
het meisje, het fijne gezichtje met de vurige oogen, de halfgeopende
volle mond, de nog ronde vormen van die toch slanke gestalte--het
was een bekoorlijk beeld. Djiëm was juist weg ...

"Word mijn njai", fluisterde hij haar opeens in het oor, terwijl hij
zich tot haar bukte, waar zij nog bezig was met den kleinen zieke. "Dan
heb je nooit meer gebrek, alles volop, en je familie ook."

Mariam boog beschaamd het hoofdje. Geen verontwaardiging welde in
haar op; meer droefheid. Zij zweeg. Van Affelen, wat met z'n figuur
verlegen, ging heen.

Dienzelfden avond stierf de kleine Rekso van honger ...



Een week later ongeveer kwam Siman te Gatok. Slechts Ipah vond hij
thuis. Als dreef hem een voorgevoel viel hij dadelijk uit: "Waar
is Rekso?".

"Dood."

Siman wankelde achteruit, viel tegen den wand. Hij wreef zich met
de hand over de oogen, zweeg. Lang keek hij Ipah aan, wie het bang
te moede werd onder dien blik. Toen ging hij waggelend heen, zonder
een woord te zeggen.

Gebroken, geheel gedemoraliseerd door zijn bedrijf van de laatste
weken, strompelde hij weg, jammerlijk overblijfsel van vroegeren
jeugdigen overmoed, gezondheid en kracht. Ipah staarde hem na. Hij ging
den desaweg af. Een heele poos nog volgde Ipah hem met den blik. Toen
verloor zij haar broeder uit het oog. Zij weende niet. Haar oogen
hadden te veel geweend de laatste dagen, na den dood van hun aller
kleinen lieveling.

Siman liep steeds door, naar Herea. Hij was nu geheel down; hij dacht
aan niets anders dan zijn dooden jongen. Paal na paal legde hij af,
ten laatste niet meer denkend. Het warrelde hem in het hoofd; het
schemerde voor zijn oogen: zijn eenig kind, zijn Rekso, dood! En
hij had den kleinen jongen in het geheel niet meer gezien ... Dood
... zijn jongen ...

In zulk een toestand van martelend, tot waanzin voerend lijden bereikte
hij Herea. Hij was er in lang niet geweest. Zijn spionnendiensten te
Sikarang eischten bijna al zijn tijd. Siman was nu heel laag gezonken:
hij was een spion van den koewoe van Sikarang, een verrader van zijn
eigen volk. Het was er wel van gekomen. Pah Asrieps raad was goed
geweest voor een, die sterk was van geest als de oude zelf. Maar voor
iemand, die hongerde en verslaafd was aan opium, was de verleiding
der extra-belooningen voor het aanbrengen van vee- en houtdieven, van
anderen, die het voorschot niet gebruikt hadden om te doen wat zij
er mede doen moesten, n.l. nieuwe padi in den grond te brengen--was
die verleiding te groot geweest. Hij was steeds lager gezonken,
was nu een gemeene sluwe spion, gehaat door de anderen, die hem niet
openlijk aandurfden, wijl hij een gunsteling was van Madja, den koewoe.

En toch ook nu nog leed hij honger. Geld had hij niet meer. Het opium
kostte hem telkens meer en meer. Eerst daaraan, dan aan voedsel werd
zijn vrij ruim Judasloon besteed. Maar nu was het geld verbruikt;
opium bezat hij niet meer. Dubbel leed.

Zoo kwam hij bij Satima. De slet hield op haar manier van den jongen,
en nadat ze genoeg op hem gescholden had om het ontvreemden van haar
pending en sarong, was de vrede hersteld. Satima had bovendien een
bijzondere reden om Siman nu niet te boudeeren: zij had hem noodig
om haar wraak te koelen op ... Kario. En de gelegenheid was zelden
gunstiger geweest dan juist nu. Satima had hem gezien, Kario, hier
te Herea, niet later dan gisteren. Als Siman nu wilde, de kans was
zoo mooi .... Kario was teruggekomen, omdat hij op Telatiga geen werk
kon vinden en honger leed, hier had hij vermogende familie ...

Maar Siman, hoewel een oogenblik geprikkeld door den dorst naar wraak,
verviel weer in zijn indolentie.

"Ik heb ook honger ..."

"Je hebt net al wat ik nog had opgevreten."

"Het was nauwelijks genoeg."

"Vreetzak! Ben jij een man?--Bah! Denk om je eed ..."

"Eed, wat voor eed...?"

"Je hebt gezworen dat je hem zoudt dooden ..."

"Vroeger, nou ja, nu heb ik honger,--vandaag of morgen ga ik zelf
dood. Waarvoor zou ik hem opzoeken; als ik hem nou ineens zie, dat
is nog wat anders ..."

"Je bent een lafaard geworden, een spion ..."

"Scheld maar, hoor, scheld maar."

"Van mij heb je gevreten, al dien tijd--je pens is er rond van geweest;
opium schuif je. Dat kun je, maar als het er op aan komt, hè, dan ben
je een beroerling, een ... een ..." Satima stikte in haar woorden. Maar
het had geen uitwerking op Siman. Het leed had hem verstompt, niet
verbitterd, ten slotte. De zucht naar opium, naar geld, om geen honger
meer te hebben, nooit meer, was nu sterker dan het wraak-gevoel ....

"Jij bent nooit in een gevangenis geweest, Satima."

"Het zou me niets kunnen schelen. Als ik een man was, dan zou ik hem
dooden ..."

"Doe het maar!"

"Als jij niet durft, dan doe ik het."

Siman zweeg.

"Ik zal hem opzoeken, hem van nacht hier brengen ... net als dien
eenen avond, toen jij kwam ...."

"Dat lukt je nou niet meer; je vel is gerimpeld van het opium, je
vleesch is hard."

"Smeerlap, jij wil dat vleesch nog wel, hè?"

"Nou, probeer 't met hem."

"Bah, wat ben jij een ellendeling!--'t Kan je niks schelen hè, dat
hij met me slaapt ..."

"Wel nee, hij zou de eerste niet zijn ..."

"Net zoo min als bij Djiah!"

Toornig keek Siman haar aan. Eindelijk, dacht Satima, eindelijk heb ik
hem. Maar ze vergiste zich. Siman deed niets, verzonk in gedachten. En
even later, het was al donker, verliet hij de woning.

Hij slenterde de desa door, doelloos. Kon hij nu maar opium krijgen,
om de martelende gedachten te verdrijven, die Satima weer bij hem
opgewekt had! De oude wonden deden hem weer pijn. Hij liep te mijmeren:
Rekso zou zijn moedertje wel mededeelen, dat de verstoorder van hun
geluk, de schender van haar eer, de veroorzaker van haar dood, nog
steeds in leven was ...

Opeens ving Siman eenige woorden op, toen hij langs een troepje jonge
lieden ging. Het was Prawira, die gesproken had: "Ja, ik heb daarnet
vijfhonderd gulden gebracht aan den ziender, ... te weten dat de lui
crepeeren van honger ..."

Siman was haastig doorgeloopen. Hij schaamde zich voor Prawira, nu
hij een spion was, een vijand van het volk. Maar de woorden klonken
hem na in de ooren: vijfhonderd gulden, vijfhonderd. Welk een som! Als
hij die had ... als hij ze weghalen kon ... die stukken zilver ... Was
het zilver? ... Papier, misschien ... Dat was nog gemakkelijker ...

Hij slenterde door; de gedachte liet hem niet met rust: vijfhonderd
gulden ...

In de verte zag hij het licht der opzichterswoning. Hij ging er heen,
kijken; hurkte naast de pagger [238], aan den weg. Van Affelen lag op
een luierstoel in het kleine voorgalerijtje te lezen. Een bittertje
stond naast hem. Hij rookte.

Het begon te regenen, met fijne straaltjes. Siman voelde het
niet dadelijk, zoo verdiept was hij in de beschouwing van Van
Affelen. In de nevenkamer had hij door het raam een ledikant gezien: de
slaapkamer. Dus daar zou hij het geld wel geborgen hebben: vijfhonderd
gulden ...

Het was de krankzinnige zucht van den aan opium verslaafde, die hem
opdreef langs het erf met haastigen tred. Achter de bijgebouwen poosde
hij, zich schuttend voor den zachten regen onder het afdak. Van hier
uit verkende hij den omtrek. Het was stil; eenige krekels piepten. In
het door de bamboe-omwanding schijnend licht van het vuur in de keuken
zag hij een vrouw bezig. Hij gluurde door een reet: de keukenmeid
schepte eten op eenige schalen, die de huisjongen had gebracht. Zij
praatten samen, de spen [239] en de keukenmeid ... Siman zag de
dampende aardappelen, het malsche vleesch ... hij voelde dubbel zijn
honger ...

Zich nauw rekenschap gevend van wat hij deed, sloop Siman naar de
achtergalerij. De spen kwam uit de keuken--een hevige schrik beving den
indringer. Door een deur op zij drong hij snel de slaapkamer in, onder
het bed ... Het duurde lang voor zijn bonzend hart tot rust kwam. Hij
kromp van schrik ineen toen Van Affelen in de kamer kwam. Hij zag den
blanke plaats nemen aan de tafel. De maaltijd duurde niet lang. De
jongen ruimde het servies af, blies de lamp uit. Van Affelen ging weer
vòòr zitten lezen; de regen, die een oogenblik hard had doorgezet,
siepelde na.--Al die kleine bijzonderheden nam Siman met martelende
nauwkeurigheid waar. Zou hij niet heengaan, langs den weg, dien
hij gekomen was? ... Hij durfde zich niet verroeren ... Van Affelen
kwam weer in de achtergalerij, vloekte omdat hij in het donker tegen
een stoel stiet; toen hoorde Siman den sleutel van de achterdeur in
het slot knarsen.--Nu kon hij niet meer weg ... Hij wachtte een uur
en langer. Van Affelen zat nog steeds te lezen, lui liggend in den
langen rottan-stoel.



Plotseling keek hij op. Onhoorbaar was een ineengedoken gedaante tot
bij de stoep genaderd, waar zij neerhurkte buiten den lichtkring. Van
Affelen legde het boek op de tafel, richtte zich op, keek scherper:
het was een vrouw.

"Siapa? [240]" vroeg hij zacht. Een avontuur?

De hurkende gedaante antwoordde niet.

Van Affelen stond op, naderde de vrouw. Ze was doornat en huiverde van
koude. Haar gelaat, omlaag gebogen, werd overschaduwd door een doek,
dien zij over het hoofd geslagen had.

"Siapa kowee? [241]" fluisterde Van Affelen, zich bukkend, met nauw
bedwongen opgewondenheid.

"Mariam", klonk het gefluisterd terug.

Van Affelen herinnerde zich den naam niet.

"Dari mana, maoe apa [242]?"

"Dari Gatok [243] ..."

Gatok! Een intense vreugde doortrilde den blanke. Vol verwachting
herhaalde hij zijn vraag:

"Wat wil je?"

Mariam zweeg. Het wàs Mariam. Gevlucht van huis, toen Pah Ran
verdwenen was, weggegaan in stilte; niemand wist waarheen. Hij had
de drie meisjes achtergelaten, prijsgegeven aan ellende, gebrek
en honger. Alles was verteerd. Toen had Pah Roesmi zich ontfermd
over Ipah, die zijn bruid had kunnen zijn, als de tijden beter waren
geweest. Maar Pah Roesmi was zelf niet rijk en het was hem onmogelijk
om alle drie de meisjes te onderhouden. Djirah had een onderkomen
gevonden bij een rijken gebuur, wiens vrouw ziekelijk was. En Mariam
was weggevlucht van Gatok, dat haar te benauwd werd. Een groote angst
voor hongerlijden had haar voortgedreven. Waarheen, bedacht ze eerst
onderweg. Van Affelen zou haar wel helpen en wel bewust was ze zich,
tegen welken prijs ... Maar beter huishoudster bij een blanke, en
een weelderig bestaan, dan ellendig omkomen van den honger, zonder
schande ...

"Wat wil je hier?"

Van Affelen had haar aangeraakt, het hoofd omhoog getild. Droeve,
maar nog vurige oogen blonken hem tegen. Hij moest zich bedwingen ...

"Ik heb honger ... ik ben bang ... help mij ..."

"Kom binnen," hijgde de jonge man.

Maar Mariam aarzelde, keek naar de lamp.

Van Affelen begreep haar beschroomdheid, draaide de lamp heel laag;
zij dreigde uit te gaan. Toen nam hij haar bij de hand, trok haar
de kamer in, sloot de deur. Mariam was in een hoek neergehurkt,
het gezicht in de handen verborgen.

Van Affelen richtte haar op, wilde haar ontdoen van het natte
goed. Mariam verzette zich met de laatste kracht van maagdelijke
kuischheid.

"Eerst geld, ... je hebt het beloofd ... eerst geld, ik moet eten
... ik heb honger ... ik kom terug ..." Ze hijgde benauwd.

Van Affelen moest wel toegeven. Met koortsachtige haast opende hij
de geldkist, op het gemetselde muurtje vastgeschroefd, nam een bankje
uit een trommeltje, een groen papiertje van tien gulden. Mariam greep
het aan, hield het krampachtig in de vuist en wilde heengaan. Van
Affelen hield haar tegen, sloeg de armen om haar heen, kuste haar op
het klamme gezichtje ...

"Neen ... neen; ik kom terug ... ik wil eerst eten ..."

Maar Van Affelen wilde haar niet laten gaan; ze zou niet terugkomen,
vreesde hij.

"Je kunt hier eten,--kom mee ..."

En hij nam haar bij de hand, bleef haar vasthouden, als vreesde hij
dat ze plotseling zou verdwijnen. Hij opende de dispenskast: "Daar,
eet zooveel je wilt."

Hij zette de borden op de tafel, vleesch, rijst.

Mariam at, de hand in den rijstbak stekend, leunende tegen den
wand. Van Affelen had het nachtlampje op de tafel gezet, beschouwde in
het zwakke licht het meisje; hij kon zich nauwelijks meer bedwingen;
van ongeduld brandend, vatte hij haar aan, kuste haar, nog eens,
nog eens ... ze at door, gulzig smakkend ... Maar hij trok haar mee,
scheurde haar half de kleeren van het lijf, in wilden hartstocht ...

Zij worstelde tegen, heel zwak; ze had 't immers gewild?

"Mag ik ... bij je blijven ... als huishoudster? ik ben zoo bang."

Van Affelen beloofde alles ...



Siman was gedwongen getuige geweest van het geheele tooneel. Toen hij
zijn zuster de kamer zag binnenkomen, was plotseling de lust in hem
opgekomen, zich te vertoonen, Mariam te redden van haar lot. Maar
hij reageerde niet meer op impulsen. Zijn geestkracht was lang
reeds weg. De doorgestane ellende had alle gevoel van waardigheid,
van ridderlijkheid in hem gedood. De dorst naar het geld, door de
betrekkelijke veiligheid weer ontwaakt, en door het opengebleven
geldkistje--dat hem den weg zou ontsluiten naar het opium, slaaf die
hij was van dit verfoeilijk genotmiddel--was sterker prikkel voor
zijn bijna verdierlijkt gemoed, dan de schande, getuige te zijn van
de schending zijner zuster. Zoo diep gezonken was hij, dat hij met
ongeduld wachtte op het oogenblik dat Van Affelen en Mariam, uitgeput,
in elkanders armen zouden inslapen. Het geldkastje stond nog steeds
open ...

Maar uren gingen heen, voordat het rustig werd in het vertrek. Het was
lang na middernacht. Nog wachtte Siman een lange poos, voor hij zijn
schuilplaats verliet. Hij kroop naar de deur, draaide geruischloos den
sleutel om. Dan ging hij terug naar de geldkist. Ook het trommeltje
stond nog open; er lag papier en wat zilver in. Met haastige,
bevende handen ledigde de dief het. Op de teenen verwijderde hij
zich, zorgvuldig de deur achter zich dichtdrukkend. Onder het gaan
trapte hij op Mariams natte kleederen. In het bed lag zijn zuster,
naast van Affelen, zijn maîtresse ...



Weer vluchtte Siman weg van Herea. Steeds verder voerde hem zijn
vlucht. Hij moest een grooten afstand hebben tusschen zich en Herea. Al
maar naar het zuid-westen ging hij. Even voor het aanbreken van den
dag eerst zette hij zich neer op een galangan, een donkere stip op het
kale, grauwe land om zich heen. Hier telde hij den buit na: ruim vier
honderd en zeventig gulden. Het was hem een genot al dat geld bijéén
te zien. Nooit was hij zoo rijk geweest. Wat zou hij er mee doen? ...

Eerst opium, dan eten, veel en goed eten. Die gedachte dreef hem
voort. Met het eerste morgenkrieken was hij in de desa Tjakoeng. Aan
een stalletje, waar een oude vrouw voor eenige centen kleine pakjes
dampende rijst verkocht, zette hij zich neer. Hij at er zich zat. Toch
was de rijst weinig meer dan menier. Ze zag grauw van vuil. Siman
lette er niet op, spoelde het voedsel door met troebel water, hem
uit een gore gendie geschonken.

Maar nu stond hij voor een moeilijkheid. Opium wenschte hij. En
de vrouw vertelde hem dat hier in Tjakoeng geen opium te krijgen
was. In Gatok wel, bij Tio Ang Sioe. Maar dat vond Siman toch àl
te gevaarlijk. Tio Ang Sioe had hij eens bestolen, nog onlangs,
en vermoedelijk wist deze wel wie de dief was. Dan liever terug naar
Herea. Dom toch ook van hem, weg te loopen. Wie zou nu vermoeden op hèm
hebben? Hij had rustig in de desa moeten blijven, bij Satima. Zeker,
dat was het beste. Hij kon er zijn geld in niets-doen verteren. Welaan
ja, het was verreweg het beste! Ze zouden een gouden tijd hebben, hij
en Satima. Ze was toch nog een verduiveld knappe deern, en als hij haar
maar eerst in de kleeren had gezet, zou ze nog heel wat lijken. Later
konden ze naar Tjilamatang gaan. Hier was het toch altijd misère.

Welgemoed ging hij weer op weg. Hij voelde zich een heel ander mensch,
krachtig en opgewekt. Ja waarlijk, een deel van zijn geestkracht
kwam terug. Nu, met een gevulde maag en een buidel vol geld is het
ook zoo moeilijk niet de wereld van een zonniger zijde te bekijken!

Tegen den avond bereikte hij Herea. De desa was in rep en roer. Overal
werd de inbraak in de woning van den opzichter besproken. Siman toonde
zich zeer belangstellend en vernam dat de desa-politie, ook Van Affelen
zelf, aan het zoeken was, naar een spoor om eenige ketrangans [244]
te krijgen. Dien morgen eerst was de diefstal ontdekt. Van Affelen was
laat ontwaakt, maar had dadelijk het verlies gemerkt, omdat hij gelden
moest verstrekken aan den koewoe, die hem reeds buiten wachtte. Een
spoor van den dief was evenwel nergens gevonden.

Siman kwam bij Satima met een rijke hoeveelheid opium. Hij gaf haar
geld om goed eten te koopen. Satima keek verwonderd, maar vroeg niets.

Onderweg ontmoette zij weder--Kario.

De gewezen mandoer sprak haar aan, vroeg haar, waar zij nu
woonde. Satima snauwde hem af, schold hem uit. Onder het huiswaarts
keeren bedacht ze weer hoe Siman er toe te krijgen dien ellendeling
uit den weg te ruimen. Die vrouw was onverzoenlijk.

"Ik heb weer dien smeerlap van een Kario ontmoet."

Het waren haar eerste woorden tot Siman, toen zij thuiskwam. Siman
sprong op:

"Waar?" vroeg hij, driftig.

Satima keek hem verwonderd aan. Hoe was Siman nu in eens weer een en
al belangstelling? Ze begreep het verband niet dat er bestaat tusschen
een bevredigd fysiek en een sterken geest. Siman had geld, eten en
opium in overvloed: een deel van zijn geestkracht was weergekeerd.

Satima vertelde.

Siman zeide niet veel en trok er op uit. Waarlijk vond hij al dra den
gezochte. De aanblik van dat gehate gezicht wekte weder zijn wraaklust
op, in al zijn felheid. Hij omklemde het gevest van zijn kris. Maar
daar, op de passer, ging het niet. Dat zou roekeloos zijn. Hij wilde
niet weer missen ditmaal. Hoe hem dus weg te krijgen ...?

Siman dacht na. Satima moest helpen.

Hij ging snel terug naar huis.

"Satima, ik heb hem, maar je moet helpen. Troon hem mee, buiten op de
sawah bij het bruggetje.--Zeg, dat je daar woont ... ik zal er zijn."

Satima had er weinig lust in. Ze wilde niet betrokken worden in een
perkara. Maar Siman was al weg. En dus deed ze, wat haar gevraagd was.

Kario was reeds huiswaarts gekeerd. Maar Satima liep hem achterop.

"Sst! Kario!"

Hij bleef staan. De slet drukte zich tegen hem aan.

"Je bent een domme man; daareven sprak je me aan, en mijn man was
vlak bij me;--hij is zoo jaloersch, weet je--maar ga nu mee ..."

Kario liep in den val.

"Waarheen?"

"Niet naar huis. Mijn man is thuis; ga maar mee, 'mboh Inten woont
buiten, over de brug.--Wat ben je lang weggeweest, vent, ik heb erg
naar je verlangd ..."

"Zoo waarlijk?"

Kario voelde zich gevleid. Verliefd keuvelend voerde Satima hem,
met popelend hart, verder. Ze waren de desa reeds uit. De nacht was
donker. Satima speurde rond, ze zag Siman niet. Als hij zich bedacht
had ...

Nu waren ze op het bruggetje. Geen Siman ...

Toch was hij er. Achter een groot steenblok lag hij goed
verscholen. Nauw waren beiden over het bruggetje of met een sprong
viel hij Kario van achteren aan.

De man uitte een rauwen kreet. Simans kris was hem door den hals
diep in de longen gedrongen. Hij zakte inéén, zonder meer geluid te
geven. Satima, verschrikt, vloog terug naar de desa.

Siman bukte zich over zijn slachtoffer, dat nog zwak ademde. Zou
er nog leven in zijn, zou de man weer aan den dood ontkomen, om
tegen hem te getuigen voor den rechter ...? Siman zocht kalm de plek
uit van het hart. En langzaam dreef de moordenaar het staal in het
lillende vleesch.

Djiah was gewroken.

Kario's hulpkreet was evenwel gehoord door de desapatrouille en Siman
had den tijd tot vluchten verzuimd. Hij zag drie donkere gestalten
naderen, sprong op en zette het op een loopen, de sawahs over. Onder
luid geschreeuw snelde de patrouille hem na. In de desa sloeg de
titiran [245]. Het volk stroomde uit. Het werd een klopjacht, die
met Simans arrestatie eindigde.

Geboeid werd hij in grooten optocht naar den koewoe gebracht. Bittere
gedachten bestormden den moordenaar. Hij zag weer den avond van den
eersten aanslag op Kario. Ook toen had men hem geboeid, ook toen
was het volk te hoop geloopen, ook toen was hij voor den koewoe
gebracht. En de gevangenis was gevolgd, toen de veroordeeling en de
zes maanden gevangenisstraf. Zou hem dat weer wachten? Nu de wraak
gekoeld was, werd het vooruitzicht, opnieuw van zijn vrijheid beroofd
te worden, hem een marteling.

Hij werd opgesloten in het tijdelijk arrestantenhuis. Van Affelen
was naar Sikarang, op hem diende gewacht te worden, alvorens een
beslissing genomen kon worden.

Een boedjang van den koewoe bracht hem rijst met wat water, waar hij
niets aan had, wijl zijn handen hem op den rug gebonden waren. Toen
de bewaker wilde weggaan, riep Siman hem toe: "Vraag den koewoe,
of hij hier wil komen, ik heb belangrijke tijding, die zeer perloe is."

Hij had een idee. Had Sarpan, zijn lotgenoot in de gevangenis, niet
gezegd: met geld doe je alles, kun je ze allemaal omkoopen? Als je
maar geld hebt, krijg je geen tjilaka. Het was te beproeven. Hij was
nu rijk en den koewoe kende hij van vroeger als weinig scrupuleus.

De koewoe kwam.

"Wat wil je?"

"Weet je, waarom ik Kario gedood heb?--Is hij dood?"

"Ja, je hebt goed geraakt."

"En waarom heb ik 't gedaan?"

"Och, zeker die oude perkara; dom van je! Djiah is dood. Die kon je
niet meer helpen."

"Maar was het verkeerd, dat ik dien schurk doodde!"

"Natuurlijk, je hangt er voor."

"Dat is geen bewijs dat ik ongelijk had. Ik moest hem dooden: ik had
't gezworen."

"Is dat alles wat je te zeggen hebt?"

"Neen, Kang, luister eens. Je bent arm, dat weet ik; je hebt 'n groote
familie, die op jouw kosten leeft ..."

"Ja, en ...?"

"Ik kan je rijk maken."

"Jij? Wou je mij tot erfgenaam benoemen?"

"Neen, ik wil je geld geven, nu dadelijk, veel geld, zooveel als je
nooit bij elkaar gezien hebt."

"Hoeveel centen?"

"Tweehonderd gulden."

"Tweehonderd gulden?! Waar zou jij die vandaan halen? Zeg, denk je
soms dat ik gek ben? Ik heb wel wat anders te doen dan naar jouw
praatjes te luisteren, versta-je?"

De koewoe wilde heengaan.

"Blijf nog even; ik houd je heelemaal niet voor den gek. Ik spreek
in vollen ernst.--Je bent toch niet bang voor me, is het wel? Je
bent gewapend, ik niet, en vastgebonden.--Maak mijn linkerhand los,
dan zal ik je hier op de plaats tweehonderd gulden uittellen ..."

De koewoe keek Siman aan. Zou hij het nu meenen of was hij opeens gek
geworden? Siman zag de aarzeling. Er moest gebruik van gemaakt worden.

"Met tweehonderd gulden kun je een heelen lap sawah koopen. Dat maakt
je tot den rijksten tani van het heele district."

"Hoe kom je aan dat geld?"

"Dat is mijn zaak."

"Gestolen heb je 't natuurlijk."

"Wat doet dat er toe. Neem je 't aan?"

"En wat moet ik daarvoor doen?"

"Mij vrijlaten?"

"Ben je gek! Ik werd immers dadelijk ontslagen!"

"Ja, als je je laat snappen, maar dat is niet noodig. Maak één hand van
me los en laat de deur open; morgen zeg je dat ik uitgebroken ben. Jou
kan het niets schelen of ik hang.--Ik heb je vaak geholpen, dat weet
je. Het is een kleinigheid, die ik nou op mijn beurt van jou vraag ..."

"Wat je een kleinigheid noemt, als je blieft."

"Zeker, jij hebt er geen soesah van, alleen pleizier!"

"Maar ik geloof je niet, zie je. Zeg mij eerst hoe je aan dat geld
komt."

"Och, dat kan ik ook wel. Ik heb eergisteren avond ingebroken bij
den opzichter ..."

De koewoe keek Siman met groote oogen aan. Toen sloot hij langzaam
de deur.

"Voor tweehonderd doe ik het niet."

"Bedenk dat ik weg moet van het land, ik heb reisgeld noodig."

"Je hebt een heele boel meer. Vierhonderd moet ik hebben en anders
ga ik weg."

Siman overlegde. De liefde tot de vrijheid was te sterk.

"Goed."

De koewoe maakte zijn handen vrij. Siman knoopte zijn broek los. Op
het lijf droeg hij een gordel, waarin hij het gestolen geld geborgen
had. Hij telde de afkoopsom uit: veertig papiertjes van tien gulden.

De koewoe stak het geld in een binnenzakje van zijn jas.

"En als ik je nu niet vrij laat, en het geld houd?"

"Daar heb ik om gedacht. Het zou je niets geven. Want ik zou je
aanbrengen bij den opzichter en den rechter. Maar bovendien--je hebt
er geen voordeel bij."

Veel werd er tusschen beiden niet meer gesproken.

"Ga nu niet dadelijk weg. Over een uur bijv. Ik zal de waker laten
inrukken," fluisterde de koewoe. Buiten deed hij als sloot hij de
deur af, maar draaide den sleutel weer terug ook.

Het was voor Siman een gemakkelijke vlucht. Sarpan had gelijk gehad. Ze
waren allen omkoopbaar. Met geld deed je alles.

Den volgenden morgen rapporteerde de koewoe dat de gevangene ontvlucht
was. Hij toonde een verbroken slot; het was zijn schuld niet.

Van Affelen vloekte. Dat was al.



Nederman las met volle aandacht de memorie van De Leeuw inzake de
heerendiensten. Herhaaldelijk schudde hij het hoofd en meer dan eens
mompelde hij: "Verkeerd aangepakt, zoo gaat 't er zeker niet in."

Het schriftstuk is waard in zijn geheel te worden weergegeven. Het
luidde aldus:


    Motiveering van mijn meening dat de zeer zware heerendiensten
    onwettig worden geheven.

    "Ter voldoening aan een verzoek van den administrateur van Alas
    Bamboe, den heer N. Nederman, zal ik hieronder,--ter motiveering
    van mijne tegenover hem uitgesproken meening dat de op dit land
    geheven heerendiensten te zwaar zijn en dus in strijd met den geest
    en de bepalingen van het reglement van 1836, bovendien onwettiglijk
    worden gevorderd--ongereserveerd mij uitspreken over de toestanden
    op Alas Bamboe, te specialen opzichte van de heerendiensten.

    De betreffende artikelen systematisch volgende, stuit ik op de
    volgende, welhaast tot adat geworden, overtredingen van wettelijke
    bepalingen:

    Er wordt vaak meer gevorderd van de opgezetenen dan een dag arbeid
    in de week, en ook wordt niet één dag van elke week gevorderd,
    daarentegen vaak een reeks opvolgende dagen, zes of zeven of meer,
    welke gevolgd heeten te worden door evenzoovele weken vrij-af. Aan
    dit laatste wordt echter niet de hand gehouden.

    Er wordt geen voldoende voedsel verstrekt aan de
    heerendienstplichtigen.

    Ook personen, die beneden of boven de leeftijdsgrenzen zijn,
    worden vaak genoodzaakt heerendienst te verrichten.

    Het is wel eens gebeurd--niet in mijn afdeeling--dat zieken
    in tijden van gebrek aan werkkrachten tot het verrichten van
    heerendiensten werden gedwongen.

    Het komen en gaan van de opgezetenen van en naar hun woonplaats
    wordt nooit onder den arbeidsduur gerekend.

    Nooit wordt twee cents per paal boven de vijf paal afstands
    tusschen werk- en woonplaats te goed gedaan.

    De heerendienstplichtige moet zijn arbeid ook geven aan
    ondernemingen, voor uitsluitend profijt van den landeigenaar
    aangevangen.

    Overeenkomsten te dezen aanzien worden niet gesloten.

    Ik geloof niet dat ik ten opzichte van deze punten nadere
    toelichting behoef te geven. De toestand is als ik afschilderde
    en van geen eerlijk man, die weet dat ik de waarheid spreek,
    zal tegenspraak te verwachten zijn. Ik ben veertien jaren op
    het land werkzaam geweest en heb den tijd gehad om me heen te
    zien. In het bovenvermelde heb ik dus aangetoond dat te zware
    diensten worden gevorderd.

    Rest mijn inzicht te motiveeren, dat die diensten onwettig
    worden geheven.

    Hoe zijn de rechten van heerendienstheffing ontstaan? Omtrent de
    landen Alas Bamboe en Telatiga heb ik de volgende gegevens weten
    te vinden:

    In de koopakte dan, waarbij door het Engelsche tusschenbestuur
    het land Alas Bamboe aan den heer Henry Barker Melville werd
    verkocht d.d. 30 December 18.., staat uitdrukkelijk gestipuleerd
    dat niets anders verkocht was dan het recht tot belastingheffing
    tot het bedrag van 1/5 van het padigewas van de opgezetenen van
    het land, met bepaalde uitsluiting van alle heerendiensten en
    gedwongen leveringen.

    Bij de codificatie van de rechten en verplichtingen der eigenaren
    in 1836 zijn in art. 61 van het reglement op de particuliere
    landerijen de speciale voorwaarden van verkoop in stand gehouden.

    Bij gouvernements-besluit van den 1en October 18.. werd
    desalniettemin het recht van heerendienstheffing geschonken aan
    de eigenaren van Telatiga en Alas Bamboe (deze beide landen waren
    bij de acte van 26 October 18.. uit het land Alas Bamboe ontstaan.)

    De oud-resident J. Kan schreef omtrent de onwettigheid zijns
    inziens dezer gunstbetooning:

    "Bij art. 2 § 4 van de bekendmaking van November 18.., welk
    artikel in art. 61 van St.bld. 1836 no. 19 gehandhaafd is, waren
    de heerendiensten uitdrukkelijk afgeschaft. Sedert den afstand
    in 18.. en na de publicatie van 18.. waren zij ook nimmermeer
    gevorderd. In spijt daarvan evenwel werd vergund heerendiensten te
    vorderen en hiermede riep de regeering in het leven een belasting
    in arbeid ten behoeve van particulieren, in strijd met art. 60 van
    het toen vigeerende regeeringsreglement (Staatsblad 1836 no. 48)
    luidende: "Geene belastingen mogen voortaan in N. I. geheven
    worden, dan op een publicatie van den gouverneur-generaal na
    daartoe vooraf onder gewone omstandigheden verkregen te hebben
    de toestemming des konings."

    De regeeringsbeginselen, ook thans nog, eischen de goedkeuring
    van den koning op de invoering van nieuwe belastingen, wanneer
    geen voorafgaande machtiging daartoe is verleend.

    Tot de uitvaardiging van het besluit van .. Maart 18.. no. 10
    werd die goedkeuring des konings niet verkregen, toen niet en
    later niet. Zoodat bedoeld besluit nietig is naar den inhoud
    en onwettig naar den vorm, wijl het niet bij publicatie werd
    afgekondigd, zoodat zelfs de betrokken bestuursambtenaren er geen
    kennis van droegen. Bovendien zou een koninklijke goedkeuring van
    deze belasting ten behoeve van particulieren nooit verkregen zijn.

    Ook is volgens den heer Kan duidelijk dat hier een gunst bewezen
    werd aan de landeigenaren ten nadeele der ingezetenen, immers
    aan de eigenaren van de andere, gelijktijdig met die landen en op
    dezelfde voorwaarden, krachtens dezelfde bekendmaking, verkochte
    landerijen werd een gelijke gunst niet toegekend, toen niet en
    ook evenmin daarna.

    Een nog treffender bewijs van de onregelmatigheid, hierboven
    bedoeld, vond Kan in het feit: dat toen in 1857 de eigenaar van een
    der landen in het Semarangsche de Regeering verzocht heerendienst
    door de bevolking van zijn land te mogen doen verrichten, hem
    dit "op grond der verkoopvoorwaarden van 5 November 1812" werd
    geweigerd! Al evenzeer wijst op die onregelmatigheid de tot op
    dezen dag gehandhaafde clausule in alle acten van overschrijving,
    zoowel als in de openbare registers, in verband met de beide
    particuliere landen "dat de eigenaren van de bevolking geen
    heerendiensten mogen eischen."

    Men zou een ander, en wellicht het krachtigste bewijs van het
    feit dat gedurende ruim zestig jaar onrechtmatig heerendiensten
    werden gevorderd, kunnen vinden in het gouvernementsbesluit van den
    .. April 18.., waarin de regeering beslist erkent de onwettigheid
    van het heffen van heerendiensten op de beide bedoelde landen.

    Welnu, ik kan niet anders dan mij volkomen aansluiten bij de
    meening van den oud-resident Kan. Men zal mij allicht tegenwerpen
    dat het Polynesisch recht den souvereins-grondbezitter toekent
    het recht van de opgezetenen te vorderen een belasting in
    arbeid buiten een deel van de opbrengst der door die bevolking
    gecultiveerde gronden. Dat derhalve de koopers der particuliere
    landerijen een zeker adatsrecht kunnen doen gelden op de
    heffing van heerendiensten. Dat de regeering vòòr het Engelsche
    tusschenbestuur, en deze tusschenregeering zelf, te weinig waarde
    heeft gehecht aan het adatsrecht.

    Ik heb hierover nagedacht. Krachtens deze stelling zou de
    belasting in arbeid het karakter verliezen, dat de heer Kan
    haar overeenkomstig art. 60 van het regeerings-reglement van
    1836 toekent, en behoefde de verleening, jaren later, van dit
    belasting-recht, waarvan sedert den koop geen gebruik meer was
    gemaakt, niet te worden afgekondigd als bij bedoeld art. 60
    R. R. 1836 voorgeschreven, n.l. bij publicatie. Ten overvloede
    zou dan nog kunnen worden aangevoerd dat bij jarenlang bestaand
    gebruik dit daarom wordt geacht afgekondigd, d. i. wettig te zijn.

    De erkenning van de onwettigheid der heerendienstheffing,
    opgesloten in het raadselachtig gouvernementsbesluit van --
    April 18--, zou dan evenzeer als een gebrek aan rechtskennis bij
    de adviseurs der toenmalige regeering moeten worden aangemerkt.

    Dit alles schijnt logisch in elkander te sluiten.

    Echter heb ik een bedenking. Het wil mij--maar ik heb geen
    juridische opleiding gehad, en het is mogelijk dat ik daarom
    wat meer gevoel voor recht heb--het wil mij dan voorkomen dat
    bij deze argumenteering over het hoofd gezien wordt, dat door
    de rechtmatige beschikkers over den grond geenszins verzuimd is
    rekening te houden met het adatsrecht; dat zij integendeel bij
    het uit handen geven van den grond eens en voor al, het ontstaan
    van misbruiken uit een niet te controleeren rechtsmacht hebben
    willen voorkomen, weshalve bij den verkoop de uitdrukkelijke
    voorwaarde werd gesteld dat de grond vrij van heerendienst zou
    overgaan in andere handen. Van een tekortdoening in rechten kan
    onder deze omstandigheden geen sprake zijn, wijl de kooper geheel
    vrijwillig de voorwaarde aanvaardde. Het Engelsche tusschenbestuur
    heeft juist, zeer practisch, met het ondeugdelijke, tot velerlei
    misbruiken aanleiding gevende adatsrecht in dit bijzondere opzicht
    voor immer gebroken, waarvoor het nu nog lof verdient. Het
    heeft juist met één bepaling een eind gemaakt aan juridische
    sofisterijen van later. Is dit, mijn inzicht, juist--waarvan
    ik overtuigd ben--dan wordt nu reeds sedert ruim zestig jaren
    onwettelijk heerendiensten geheven op Alas Bamboe en Telatiga.

    Mij wil het daarom voorkomen voor eigenaren een plicht
    der menschelijkheid te zijn, aan het bestaande onrecht ten
    spoedigste een eind te maken. Ik wijs er bovendien op, dat
    de verbittering onder het volk tot gisting is overgegaan. En
    waarlijk geen wonder! Veiligheid van persoon of goed bestaat
    eenvoudig niet. Moreel is het stelselmatig gedemoraliseerde volk
    gedwongen te doen wat eigenaren wenschen, op poene van vergaan. Het
    voedselgebrek verdient reeds den naam van hongersnood. Klachten
    hebben niet het minste effect. Of weigerde niet in 18..--om het
    meest sprekende voorbeeld aan te halen--het bestuurshoofd der
    residentie de klachten aan te hooren, welke de bevolking eerst te
    Telatiga, later op zijn standplaats, waarheen een deputatie hem
    gevolgd was en waar de lieden creveerden aan koortsen, bij hem
    inbracht? Hoe begreep die hooge ambtenaar den plicht, hem opgelegd
    in art. 55 R. R. 2e al.: den inlander overal gelegenheid te geven
    vrijelijk klachten in te dienen? Natuurlijk is dit bestuurshoofd
    op zijn tijd beloond met het ridderkruis van den Nederlandschen
    Leeuw. Virtus nobilitat!

    Van dezen beschermer der bevolking hebben de eigenaren van Alas
    Bamboe en Telatiga geen menschelijkheid kunnen leeren. En in
    18.. werden zij straffeloos verklaard door een gouverneur-generaal,
    die zijn "eersten plicht" niet kende ...

    Ik dring zeer ernstig aan op prijsgeving, althans zeer groote
    verzachting, van het z.g. "recht" van eigenaren tot heffing van
    een belasting in arbeid.


        De opzichter van de districten
        Alas Bamboe en Goenoeng Malang
        van het land Alas Bamboe,
        DE LEEUW.


Nederman vouwde in gedachten het geschrift dicht.

"Ik zal het opzenden," mompelde hij. "Het is wel eens goed, dat hun
de waarheid gezegd wordt. Des te beter als ik het niet behoef te
doen. Om den drommel geen domoor, die De Leeuw!--maar het zal hem
een douw geven."



Het gàf hem een douw!

De hoofdadministrateuren waren ten zeerste ontstemd. Zij schreven
dat zij den eigenaren zeer zeker in kennis zouden stellen met
het schriftuur, komende van een werknemer, en dat op zijn minst de
betiteling van zeer eigenaardig verdiende. In den brief werd overigens
op zeer hoogen toon aan den employé te verstaan gegeven dat men in
den vervolge niet gediend zou zijn van uitingen van zijn overdreven
en ziekelijke filantropie en gaarne een wat meer te waardeeren vorm
van zijn werkzaamheden op het land zou zien.

De Leeuw was woedend. Zonder tijd van beraad--hij zou ook zeker niet op
zijn besluit zijn teruggekomen; daar was hij te koppig voor--schreef
hij Nederman dat hij zijn ontslag nam. Hij gaf den administrateur
veertien dagen tijd om een anderen employé te engageeren en zwichtte
voor geen overreding tot blijven, noch van den administrateur, noch
van de collega's.

"Wat dachten ze wel van 'm, verdomme ...!"

Hij ging heen, met de bedreiging van een open aanklacht tegen eigenaren
en hoofdadministrateuren in een dagblad, ten bate van het geknechte,
geestelijk gedegenereerde volk.

Hij hield woord. Een goede kennis van hem was journalist. Dien
lichtte hij in. Tegelijk kwamen uit Telatiga berichten in de
persorganen omtrent den nijpenden hongersnood. De publieke opinie
begon zich met het drama bezig te houden. Er werd aangedrongen op een
regeeringsonderzoek. Maar de weken verliepen en groeiden tot maanden
... De bevolking van Alas Bamboe en Telatiga creveerde van gebrek en
honger, of verliep naar de gouvernementslanden en het alarm der pers
bleef de stem van den roepende in de woestijn. De regeering bleef
zwijgen, als altijd.

Toen kwamen betere tijden. Langzaam, heel langzaam begonnen de landen
zich te herstellen van de doorgestane ellende. Toch heerschte nog
allerwege nijpend gebrek. Nog had een onderzoek veel rots aan het
licht kunnen brengen.

En de regeering besloot, bijna te laat, een hoofdambtenaar uit te
zenden om een officieel rapport uit te brengen over den nood. In
de keuze van haar dienaar was de regeering niet gelukkig. De
hoofdambtenaar was meer dan eens ... onbetrouwbaar gebleken, steeds
bezield van een geheel verkeerd begrepen esprit de corps.

Men wachtte het rapport af.



De regeeringscommissaris reed in snelle vaart per postwagen van
Telatiga over een gedeelte van het district Sikarang naar de woning
van den administrateur Nederman. Hij werd er met schuimende champagne
ontvangen. Eenige uren bracht hij in zeer opgeruimde stemming door in
de gastvrije woning, deed enkele vragen, teekende eenige inlichtingen
op, en verwijderde zich toen weder per postwagen. Het onderzoek
was zoo degelijk dat de regeeringscommissaris zelfs niet opmerkte
de opzettelijk zichtbaar te werk gestelde mannen en vrouwen in de
sawahs en langs den weg, dien de inspecteerende en rapporteerende
hoofdambtenaar zou afleggen. Deze lieden waren uitgezocht. Het lijkt
een sprookje: de meest welvarend uitziende menschen uit de desa's
hadden van het bestuur, door tusschenkomst van den controleur der
naaste contrôle-afdeeling, de prentah aloes ontvangen "zich te
kleeden als op lebaran"; de rest der kampongbevolking, de magere,
armoedige lieden "zich niet buiten de desa te vertoonen, aan den weg
des hoofdambtenaars."

De mystificatie, hoe grof ook, had geen effect: de hoofdambtenaar
stelde geen onderzoek in. Niets zag hij van hetgeen men hem had
willen laten zien, van wat hem als het ware werd voorgezet. Hoeveel
zal hij gezien hebben van hetgeen verborgen werd gehouden! Hoeveel
zal hij vernomen hebben uit den mond der desalieden, die hij niet
sprak! Trouwens, de mededeelingen van den administrateur waren
volmaakt voldoende. Zoo onderzoeken intègre, bekwame, hoogbezoldigde
hoofdambtenaren wel meer in Indië.

Het logenachtig rapport verscheen: de nood werd ontkend! Wel was
er een zware tijd geweest, maar het volk was weder aan den arbeid;
het product was weder in den grond. Hij, rapporteur, had streek
en bevolking gezien; bijzondere maatregelen waren niet noodig;
de landeigenaren waren de bevolking, waar noodig, krachtig te hulp
gekomen. De palawidja was goed geslaagd; hij produceerde er cijfers
van. Hoe kwam hij aan die cijfers, waar geen aanteekening gehouden
wordt van de tweede gewassen, wijl er niets van "geheven" wordt? Waren
die cijfers verzonnen of hem verstrekt door den administrateur?

Nuttelooze vragen. Het regeeringsgeweten was gesust. Daar was het om
te doen, niet waar?

De rapporteur schermde met groote getallen: de rijstproductie; nam
een rijstcoëfficient aan van 0,50, op niets berustend ... Wat deed
het er toe? Wie, die hem controleeren zou? Enkele persorganen! Nou
ja--maar officieel bestond de nood niet.



Een knipsel uit een der Java-bladen:


    J'accuse!--Over den welhaast geleden hongersnood op de particuliere
    landerijen Alas Bamboe en Telatiga bereiken ons, in spijt van
    de officieele ontkenning van zijn bestaan, nog zeer treurige
    berichten. Is het nog noodig deze berichten na onze uitvoerige
    mededeelingen van gisteren, eergisteren en vorige dagen, weken
    achtereen, mede te deelen? Wij gelooven niet; alle jobstijdingen
    zijn samen te vatten tot deze eene stelling, door machtiger pen
    dan deze der Indische regeering, der Nederlandsche natie in het
    aangezicht geslingerd: De Javaan wordt mishandeld!

    Hieronder onze akte van beschuldiging. Wij weten dat hier in Indië
    met de belachelijke wetten op de drukpers geen recht te krijgen is
    voor tienduizenden; dat artikel 282 e.v. van het drukpersreglement
    misdrijf in de hand werkt, en strijd tegen onrecht straft met
    vrijheidsberooving. Evenwel, wij doen een beroep op onze aanstaande
    rechters en noodigen hen uit een enkele maal den moed te hebben af
    te wijken van de geschreven wetten; te gelasten dat een onderzoek
    worde ingesteld naar de waarheid van wat wij zullen zeggen; ons te
    vergunnen te bewijzen de gegrondheid der door ons uit te spreken
    beschuldigingen. Wij kunnen bewijzen dat wij de waarheid dienen. Of
    wij mogen bewijzen, hangt van onze rechters af. Welnu, wij noodigen
    hierbij onze rechters uit den moed te hebben recht te doen.

    Het zij hier zonder hoogmoedige vergelijking gezegd: "Hier staan
    wij; wij kunnen niet anders."

    Wij beschuldigen de eigenaren van de particuliere landerijen Alas
    Bamboe en Telatiga, stellende hen verantwoordelijk voor het in
    hun naam gevoerde en door hen goedgekeurde beheer op genoemde
    landen, om het even of de rechtsgeleerden zullen glimlachen om
    deze beschuldigingen van het rechtsgevoel, om het even of de
    overtredingen, vergrijpen en misdrijven al dan niet vallen in de
    termen der geschreven strafwet, van:

    1e, overtreding van art. 10 van het Reglement op de particuliere
    landerijen bewesten de Tjimanoek (Staatsblad 1836 no. 19) wegens
    het als regel heffen van meer dan het een-vijfde gedeelte van
    de opbrengst;

    2e, overtreding van art. 11, 2e al. van v.z. Regl. wegens het
    doorloopend uitoefenen van moreelen dwang op de bevolking bij het
    sluiten van de "vrijwillige overeenkomsten" tusschen bevolking
    en eigenaren tot levering van tjoeké in rijst;

    3e, overtreding van art. 13 van vz. Regl. wegens het weigeren
    rekening te houden met de hoegrootheid van de opbrengst, bij
    mislukking van het gewas buiten de schuld des erfpachters;

    4e, overtreding van art. 26 van vz. Regl., wegens het niet
    verstrekken van behoorlijke voeding aan de heerendienstplichtigen;

    5e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het vorderen
    van meer dan één dag onbetaalden arbeid in de week;

    6e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. wegens het niet betalen
    van twee cents voor elken paal afstands boven den afstand van
    vijf palen tusschen de plaats der werkzaamheden en de woningen
    der heerendienstplichtigen;

    7e, overtreding van art. 26 van vz. Regl. paragraaf c wegens het
    vorderen van heerendiensten van hen, die volgens de inlandsche
    gewoonten (adat) vrij zijn van persoonlijken arbeid;

    8e, overtreding van artikel 26 van vz. Regl., laatste alinea,
    wegens het niet onder den onbetaalden arbeid rekenen van den tijd,
    benoodigd voor het komen en gaan van de heerendienstplichtigen
    van en naar hun woningen;

    9e, overtreding van artikel 29 van vz. Regl. wegens het bezigen
    der opgezetenen tot het verrichten van diensten, nadrukkelijk
    door bedoeld artikel verboden;

    10e, overtreding van artikel 32 vz. Regl., wegens het aanleggen
    en instandhouden van dammen en doorgravingen, het verleggen en
    verstoppen van bestaande rivieren, waarbij het gouvernement en
    gouvernementsonderdanen belang hebben, zonder vergunning, zelfs
    tegen het protest der plaatselijke autoriteiten in;

    11e, overtreding van artikel 40, eerste alinea van vz. Regl. wegens
    het tot stand brengen van alle zulke ondernemingen, welke de
    landeigenaren voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt,
    met de hulp der landsopgezetenen, zonder zich van die hulp door
    het aangaan van vrijwillige overeenkomsten te verzekeren;

    12e, het nemen van woekerrenten op de in geld of padi verstrekte
    voorschotten aan de bevolking;

    13e, het eischen van verpakkingsmateriaal (gonnizakken) tegen
    minder betaling dan door de opgezetenen vaak werd uitgegeven om
    dat onwettig geëischte materiaal in hun bezit te krijgen;

    14e, het meten en wegen met valsche maten en gewichten bij de
    ontvangst der heffing-contingenten padi of rijst, ten nadeele
    van de opgezetenen;

    15e, bedrog bij de ontvangst der sub. 14e bedoelde contingenten
    door verzwaring der, later geijkte, gewichten, dan wel door
    moedwillige onjuiste weging, ten nadeele der opgezetenen;

    16e, contractbreuk ten nadeele der bevolking door moedwillige
    overschrijding van de bevoegdheden, den eigenaren bij de
    vrijwillige overeenkomsten toegekend;

    17e, opzettelijke misleiding van een door de regeering uitgezonden
    ambtenaar, wien opgedragen was een onderzoek in te stellen naar
    de toestanden op de particuliere landerijen;



    alle welke feiten, herhaaldelijk of doorloopend gepleegd,
    daarstellen de misdrijven: kwade trouw, afpersing, diefstal,
    knevelarij en misbruik van gezag, strafbaar gesteld bij de
    ongeschreven wetten van het rechtsgevoel;

    onder aanteekening dat als zeer verzwarende omstandigheden moeten
    worden aangemerkt de bewustheid van het plegen dier misdrijven,
    blijkende deze immers uit de erkenningen en uit de op de landerijen
    aangehouden boeken, registers en statistieken.

    Wij hebben gesproken, belangeloos, zonder mandaat van, niet gekend
    zelfs door de duizenden daarginds, die nog steeds wachten op recht.

    Die lieden, uitgezogen, gekneveld, bedrogen, bestolen, mishandeld,
    vragen geen gunst, noch ook eischen zij vergelding voor hun
    pijnigers, al hebben zij tot eischen recht.

    Zij hopen slechts dat in den vervolge niet méér van hen gevorderd
    worde, dan waartoe zij verplicht zijn.

    Zij eischen niets, zij hopen en verzoeken ...

    De geestkracht, noodig om, bij bewustzijn van hun recht, ook
    te dwingen tot erkenning van dat recht ontvliedt den menschen,
    als de honger hun lichaam pijnigt.

    Lang reeds is dus de geestkracht van de bevolking daar ginds,
    honderd en vijftig duizend zielen, gevloden.

    Die honderd en vijftig duizend zielen doen jaar op jaar, en jaar op
    jaar te vergeefs, een beroep op het plichtsgevoel der ambtenaren.

    Hoe hebben de ambtenaren verantwoord, den smaad op hen als
    dienaren der Nederlandsch-Indische regeering geworpen, door ons,
    die streden met open vizier, ongestraft te hebben gelaten?

    Zij zwegen, en met hen de eigenaar ...

    Aan onze rechters van morgen de taak hen te dwingen tot spreken ter
    verdediging, hen te gelasten verantwoording te geven van hetgeen
    zij gedaan hebben met de bevolking, die hun werd toevertrouwd,
    die recht heeft op den grond, welken zij bebouwt en vruchtdragend
    maakt, en die in goede tijden het recht mist van elk levend
    schepsel: dat van verzadigd te zijn ...

    Moeten de feiten voor hen antwoorden, wanneer de tijd daar is,
    dat de bajonet op de geweerloopen gezet wordt om de "rust"
    te herstellen?


Opgejaagd, zonder verblijf, verdierlijkt door de ellende, verzwakt
naar het lichaam door gebrek, gedemoraliseerd naar den geest, gekweld
door zelfverwijt, had Siman rondgezworven. Zijn geld was hij kwijt. Op
zijn beurt had men hem bestolen; familieleden van Kario hadden hem
hardnekkig vervolgd; hij was uitgeweken, en weergekeerd, wijl hij
te zeer verlaagd was door gebrek, te zeer verstompt door opium, om
zich een nieuw bestaan te scheppen ginds. Zijn lichaam was uitgeput,
voedsel had hij in dagen niet genuttigd; de onmogelijkheid om opium
in handen te krijgen had hem een soort dilirium bezorgd; koortsen
sloopten zijn gestel ...

Hij had zich voortgesleept naar den boschrand, daar was hij
neergezegen, krachteloos, stervend ...

Daar hongerde hij dood.



De slechte gevolgen van den hongersnood werden voor de eigenaren
eenigszins goedgemaakt: de rijstprijzen stegen.



Tegen den redacteur van het blad, waarin de felle beschuldiging tegen
de eigenaars had gestaan, werd, op hun aanklacht, een strafgeding
aanhangig gemaakt. Hij had niets mogen bewijzen en werd veroordeeld
tot drie maanden gevangenisstraf wegens "laster" ...


                                 EINDE.



AANTEEKENINGEN


[1] kaoengstrootje, sigaret gerold van zeker soort blad.

[2] desa, dorp.

[3] lebaran, einde der vasten, tevens begin van 't nieuwe jaar der
Mohamedanen, dat steeds feestelijk gevierd wordt.

[4] kotta, stad.

[5] tjilaka, ongeluk.

[6] goeroe, godsdienstleeraar.

[7] botja angon, kleine veehoeder.

[8] legi, naam van een der 5 dagen van de Mohamedaansche week.

[9] bahoe, oppervlaktemaat.

[10] njai, huishoudster.

[11] assistènan, huis van den assistent-resident.

[12] patjol, spade.

[13] padi, 't Indische koren.

[14] pending, metalen buikband.

[15] giwangs, oorknoppen.

[16] toessoek kondé, haarspeld.

[17] padjeg, belasting.

[18] wedana, Javaansch bestuursambtenaar, tevens belast met
politiezaken.

[19] sawah, rijstveld.

[20] walang sangit, hama mentek, insecten, die schade aanrichten in
't te velde staand gewas.

[21] menir, inferieurste kwaliteit rijst door gebroken korrel.

[22] poesaka, erfstuk.

[23] djimat, talisman.

[24] soeling, fluit.

[25] kawedanan, woning van den wedana.

[26] kambodja, boomsoort, die bijna uitsluitend op Javaansche kerkhoven
geplant wordt.

[27] djoeroetoelis, schrijver.

[28] emper, afdak.

[29] kadjang, wand van gevlochten bamboe of van gedroogde palmbladeren.

[30] sambal djeroek, toespijs van Spaansche peper en citroen.

[31] sajoer, sausje.

[32] reboeng, bamboespruit, als ze pas boven den grond uitkomt en
nog eetbaar is.

[33] tikar, mat.

[34] tegalan, veld, weide.

[35] merang, stoppels van de padi.

[36] galangan, berm.

[37] arit, sikkelvormig grasmes.

[38] bandjir, overstrooming.

[39] kandjeng regent, Z.E. de regent. Kandjeng is 'n titel voor
hoogwaardigheidsbekleeders en staat gelijk met excellentie.

[40] toean besar, groote heer; in dit geval: de administrateur.

[41] toean ziender, opzichter.

[42] oentoeng, geluk, zegen.

[43] kwassa, macht.

[44] oedjan'mas, gouden regen ('n Javaansch lied).

[45] panajagan, gamelanslager, bespeler van 't Javaansche
muziekinstrument, de gamelan.

[46] ketoek, kromong, kempoel, ronde koperen bekkens van verschillende
grootte.

[47] kendang, trom.

[48] rebab, viool.

[49] bendeh, plat koperen bekken.

[50] go-ong, gong, koperen muziekinstrument.

[51] sarons, metalen staven, op koorden over 'n houten bak gespannen
en waarop met 'n hamer gespeeld wordt.

[52] lagoe blenderan, wijs die gespeeld wordt bij aankomst van
hooge gasten.

[53] giroh, krijgsmarsch.

[54] koewoe, dorpshoofd.

[55] pendopo, open galerij.

[56] demang, ondergeschikt Javaansch politiebeambte.

[57] tandakken, dansen.

[58] boré, geele verfstof, waarmee Javaansche mannen en vrouwen zich
bij feestelijke gelegenheden wel plegen te blanketten.

[59] kondé, haarwrong.

[60] gendi, aarden waterkruik.

[61] paso, aarden kom.

[62] tjobek, aarden bord.

[63] tempajan, martavaan, aarden watervat.

[64] slametan, feestmaal.

[65] oentoeng, geluk, zegen.

[66] printah, last; hier: bevelschrift.

[67] prang Atjeh, oorlog in Atjeh.

[68] pedatti, kar.

[69] boenkoesans, bundel.

[70] parang, hakbijl.

[71] golok, kapmes.

[72] penghoeloe, Mohamedaansche priester.

[73] setoe, stroompje, vijver, poel.

[74] atap, dakbedekking van kokosbladeren.

[75] sasaks, wanden van gevlochten bamboe.

[76] baleh, bank, bed.

[77] klamboe, gordijn.

[78] tjoeké, belasting aan den grondeigenaar, bestaande in 'n deel
van den oogst.

[79] padjeg, belasting.

[80] galangan, berm.

[81] picol, 60 K.G.

[82] kwee-kwee, gebak.

[83] traté, waterplant, waarvan de bladeren gebruikt worden om koopwaar
in te pakken.

[84] palawidja, tweede gewas, het gewas dat na afloop van den
rijstoogst op de velden verbouwd wordt.

[85] boedjang, ondergeschikte.

[86] petah, stuk sawahgrond.

[87] doekoen, vroedvrouw.

[88] pidjitten, masseeren.

[89] menjan, wierook.

[90] panèn, oogsttijd.

[91] rameh, vroolijkheid.

[92] kattie, 't honderdste gedeelte van 1 picol.

[93] Mas, titel, die ieder beschaafde Javaan, welke 'n
gouvernementsbetrekking bekleedt, met toestemming van 't hoogste
bestuurshoofd, voeren mag.

[94] koelit langsep duidt 'n kleur aan overeenkomende met die van de
schil van de langsep (Jav. vrucht).

[95] tjemara, hier: valsche haarvlecht.

[96] radènajoe, Javaansche vrouw van adellijke geboorte.

[97] kétèh, aap.

[98] kandjeng gouvernement, 't Gouvernement. 't Woord "kandjeng"
ervoor duidt eerbied aan.

[99] blanda's, Hollanders.

[100] tjodot, vleermuis.

[101] seneng, rustig, naar den zin.

[102] kang, oudere broer.

[103] doekoen, Javaansch dokter, ook wel: vroedvrouw.

[104] rantja, moerassig terrein, met hoog gras en klein struikgewas
begroeid.

[105] hama oeret en hama poetik zijn insecten, die schadelijk zijn
voor het gewas.

[106] Pjoe! uitroep van minachting.

[107] slendang, katoenen of zijden sjerp, die Javaansche vrouwen over
den schouder dragen als zij uitgaan.

[108] katjang, boonen.

[109] rawah, moeras.

[110] rantja, als voren.

[111] obat, medicijn.

[112] ikan gaboes, 'n soort visch.

[113] sedekah, feestmaal.

[114] nasi koening, gele rijst.

[115] sambalans, gekruide toespijzen bij de rijst.

[116] wadjik, 'n Javaansche taart.

[117] assamkoekjes, tamarindekoekjes.

[118] adat, gebruik, gewoonte, zede.

[119] ikan sepat, 'n soort visch.

[120] sajor lodé, 'n sausje, toespijs bij de rijst.

[121] soendoeng, 'n korf of haak van bamboe, waarin gras of ander
veevoeder geklemd wordt.

[122] anak sawah, letterlijk: kind van 't veld; kind, dat op 't veld
geboren werd.

[123] tani, landbouwer.

[124] gendi, aarden waterkruik.

[125] Bapah-moe 'ntenni, je vader wacht je.

[126] Loh, uitroep van verbazing.

[127] Slamat, gelukgewenscht.

[128] Oentoeng temen, groot geluk.

[129] palita, olielampje.

[130] bilik, gevlochten bamboe.

[131] besaran, administrateurswoning.

[132] Halo, Soerja, toean besar doeloe, Hallo, Soerja, eerst de
administrateur.

[133] jongos, anggoer, bawah anggoer, jongen, breng wijn.

[134] bendy, tweewielig rijtuig.

[135] tani's, boeren, landbouwers.

[136] akals, listen, streken.

[137] gé-gé, of G. G., Gouverneur-Generaal.

[138] hormatcirculaires, bedoeld worden de circulaires
over de afschaffing van eerbetoon van de Javanen aan de
overheidspersonen.--hormat, eerbetoon.

[139] soedah is 'n woord dat moeielijk in 't Hollandsch is over te
zetten. 't Kan beteekenen: "laat maar blijven" of "ik wil er niet
meer van hooren" of "genoeg daarover".

[140] ge"rold", voor de politierol gebracht.

[141] ringgit, rijksdaalder.

[142] stali, 'n kwartje.

[143] loemboeng, rijstschuur.

[144] gobang, halve stuiver.

[145] djakat, belasting aan de geestelijkheid.

[146] mandiën, 'n bad nemen.

[147] pasang lampoe, steek de lamp aan.

[148] zienderan, huis van den "ziender" (opzichter).

[149] warong, Javaansch kruidenierswinkeltje.

[150] tjilepoek, 'n uil, die volgens 't Javaansche bijgeloof onheil
voorspelt.

[151] tjilaka, ongeluk.

[152] loerah, dessahoofd.

[153] katjang, boonen.

[154] ketan, ook 'n graansoort, wat vetter en machtiger dan rijst.

[155] karangs, brokken koraalsteen.

[156] djagong of djagoeng, maïs.

[157] kalong, vliegende hond.

[158] tjodot, vleermuis.

[159] pantoen, volkswijze, melodie.

[160] ilmoe, kennis, kunde, gave.

[161] kafirs, ongeloovigen.

[162] ramih, vezelplant.

[163] pesoeratan, de man, die de brieven van de onderneming naar
't naaste postkantoor brengt en omgekeerd.

[164] orang tani, landbouwers.

[165] bamboe petoeng, zeker soort bamboe.

[166] kedelé, ook een soort boon, evenals de katjang.

[167] ketella rambat, knolplant, die zich over den grond uitbreidt.

[168] gadoe of gadoeng, knolgewas, dat veel in de bosschen groeit en
in tijd van hongersnood de bevolking tot voedsel dient.

[169] dokters djawa, Javaansche geneesheeren.

[170] nènèh, hier: oud besje; soms: grootmoeder.

[171] toekang, arbeider, werkman.

[172] boedjang, bediende, knecht.

[173] perkara, zaak.

[174] perloe, urgent, dringend, van belang.

[175] orang Selam, mohamedaan.

[176] rampok, roofpartij.

[177] gekampakt, afgeleid van 't woord kampak (bijl), beteekent met
'n bijl neerslaan.

[178] prentah kasar, strenge order, last, bevel.

[179] roesoe, wanordelijkheden.

[180] procureur bamboe, is iemand die niet gestudeerd heeft, maar zich
genoeg op de hoogte gesteld heeft van 't recht om den minderen man van
raad te dienen, ten einde er zijn eigen voordeel mee te doen, ja, zelfs
met dit doel de bevolking wijst op rechten, die zij kan doen gelden.

[181] trang, klaar, helder, duidelijk.

[182] garok, heerendienst.

[183] Astaga is 'n uitroep.

[184] roegi, verlies.

[185] djaksa, Javaansch politiehoofd.

[186] Noon inggeh, kandjeng, Ja, heer. (Hoog Javaansch).

[187] sobat, vriend.

[188] garok ketjil, kleine heerendienst.

[189] 'Mboh, zoo spreekt de Javaan 'n oudere vrouw aan. 't Woord
beteekent feitelijk: tante.

[190] tlèdèk, danseres.

[191] koekoesan, peperhuisvormige mand, waarin de rijst gestoomd wordt.

[192] dandang, pot van aarde of metaal, waarin de koekoesan past en
waarin 't water kookt, dat voor 't stoomen van de rijst noodig is.

[193] gobang, halve stuiver.

[194] oedit, buikband.

[195] gebedakt, geblanket.

[196] koetang, onderlijfje.

[197] dagang, koopman.

[198] kassian, uitroep van medelijden.

[199] Toelong ... amok, Help ... moord.

[200] doro, meester.

[201] Koerang priksa, doro. "Ik weet 't niet meester." Letterlijk:
"Ik heb 't niet onderzocht," wat in 't Maleisch beleefder gezegd is
dan: "Ik weet 't niet."

[202] aloon-aloon, groot plein, waarop meestal de regentswoning
uitziet.

[203] anaks, kinderen, in dit geval: jonge pisangboompjes, die om de
moederplant heen uit den grond opschieten.

[204] lawoe of laboe, klimplant, waaraan eetbare vruchten komen.

[205] Pasoendan, naam van een landstreek; 't woord heeft 'n meervoudig
begrip.

[206] talang, waterleiding.

[207] prentah aloes, zacht bevel.

[208] in silo-houding, in zittende houding, de beenen onder 't
lichaam gekruist.

[209] 'n doro of doro, afkorting van bendoro, meester.

[210] siraman, gieter.

[211] wong tani of orang tani, landbouwers.

[212] bapa, bij verkorting: pah, vader.

[213] datjin, unster.

[214] gantang, inhoudsmaat, waarvan er 10 in 'n picol gaan.

[215] toetoepen, in de doofpot stoppen.

[216] kojang, feitelijk 'n gewichtsmaat, ofschoon men toch spreekt van
'n prauw met 'n inhoud van 10 of 20 kojangs.

[217] ketan, 'n graansoort, die veel overeenkomst heeft met rijst,
en ook wel "kleefrijst" genoemd wordt.

[218] padi-tjiré, minderwaardige rijstsoort.

[219] boaja, (letterlijk: krokodil), leeglooper.

[220] lindoeng, aal.--si is 'n voorvoegsel.

[221] tempo doeloe, de oude tijd.

[222] pasangans, beteekent hetzelfde als ophitsing.

[223] Soedah matti, al dood.

[224] Ambil itoe portefeuille itam di atas medja toelis, Haal de
zwarte portefeuille op de schrijftafel.

[225] badoet, clown.

[226] klambi, lijfje, baadje.

[227] koetang, onderlijfje.

[228] adoe, uitroep van pijn.

[229] madat, opium.

[230] ada, in dit geval: hier is 't, ik heb 't.

[231] koempoelan, verzameling.

[232] boepati, regent.

[233] barang, goed, bezittingen, eigendommen.

[234] lempoeng, klei.

[235] bajem, eetbare plant, overeenkomend met spinazie.

[236] sembah, groet, waarbij de Javaan de beide handen met de palmen
tegen elkaar naar 't gezicht brengt.

[237] boeboer, pap.

[238] pagger, haag; ook wel: omheining van bamboe.

[239] spen, huisknecht.

[240] Siapa? Wie is daar?

[241] Siapa kowee? Wie ben je?

[242] Dari mana, maoe apa? Waar kom je vandaan, wat wil je?

[243] Dari Gatok. Ik kom van Gatok.

[244] ketrangans, ophelderingen, bewijzen.

[245] titiran, instrument van bamboe, waarmee men, door er op 'n
bepaalde manier op te slaan, in de desa bekend maakt, dat er 'n moord
gepleegd is en de moordenaar nog niet gevonden is, de desabewoners
uitnoodigende, naar hem te helpen zoeken. Ook andere signalen worden
op de titiran geslagen, b. v. "brand" en "verzamelen."





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het boek van Siman den Javaan - Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home