Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Atheensch Jongensleven
Author: Kuiper, Koenraad
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Atheensch Jongensleven" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                         ATHEENSCH JONGENSLEVEN

                                  DOOR

                             DR. K. KUIPER
             HOOGLEERAAR AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM



                      NIEUWE ONVERANDERDE UITGAAF

                  HAARLEM--H. D. TJEENK WILLINK & ZOON
                                  1922



VOORBERICHT.


Dit boekje dankt zijn ontstaan oorspronkelijk aan een op aandrang van
belangstellenden opgevat plan tot herdruk van een tweetal studiën over
Oud-grieksche Opvoeding en Onderwijs door mij in 1901 gepubliceerd
in Onze Eeuw. Terwijl ik namelijk met het oog op eene nieuwe uitgave
deze artikelen herlas, werd de wensch in mij levendig, mijne uit den
aard der zaak fragmentarische schets liever geheel om te werken en,
met behoud van hetgeen ongewijzigd kon blijven, haar uit te breiden tot
eene teekening van het Atheensche jongensleven in zijn geheel, volledig
voor zoover onze gebrekkige kennis der Oudheid dit mogelijk maakt.

Het spreekt van zelf dat mijn werk, opzettelijk in populairen vorm
geschreven, niet de pretensie heeft, aan mijne vakgenooten iets nieuws
te vertellen. Ik heb mij onder het schrijven steeds voorgesteld,
dat ik het genoegen had mij te richten tot den wijderen kring van
allen, die belangstellen in de knapen van het oude Athene en het
moderne Nederland.


    Amsterdam, Augustus 1911.

    K. KUIPER.



INLEIDING.


Onder de bevallige voortbrengselen der Attische vazenkunst zijn
er weinige die zóózeer tot algemeene bekendheid zijn gekomen als
de sierlijke schotels, amphoren en schalen, die in kleine, vlug
geteekende tafreelen het schoolleven en het spel der Grieksche
jongens van twaalf tot achttien jaar in beeld brengen. Niet alleen
de vaardigheid echter, welke des meesters hand leidde bij 't griffen
dier slanke jongenslichamen, is het die ons vasthoudt voor de vitrines
van het Louvre, de Londensche verzameling, of het Atheensche Museum,
het is bovendien de verrassing over het feit dat deze schilders ons
het boek der jeugd te lezen geven, waar wij in de rij onzer zorgvuldig
geraadpleegde klassieke schrijvers tevergeefs naar zoeken. Tooneeltjes
als op deze vazen, stil schrijvende knapen, jonge ernstige leerlingen
die, met ontzag opziende tot hun onderwijzer, de woorden naspellen
welke hij hun heeft voorgezegd of de snaren der lier grijpen met eerste
angstige poging om die juist zoo te doen trillen als de citharist het
hun heeft getoond; worstelscholen waarin zij dartelend leeren springen,
speerwerpen, vechten--slechts de plastiek geeft ons dit alles in één
oogopslag te zien, terwijl wij bij de schrijvers van den klassieken
tijd zeer zorgvuldig moeten uitkijken teneinde uit velerlei, als
ter loops gegeven, toespelingen of opmerkingen ons een eenigszins
uitvoerig beeld te vormen van het leven der jeugd.

Deze leemte in de literaire overlevering van de oudheid is er eene
uit velen; ook gevoelen wij haar niet altijd even sterk. Wie in
de Grieksche tragedie verdieping en verbreeding zoekt van eigen
gemoedsleven, wie bij Herodotus of Thucydides de fundamenten
nagaat waarop onze moderne historiographie berust, kortom wie in
de voortbrengselen van den Helleenschen geest zoekt naar de kiemen
onzer geestelijke en bepaaldelijk literaire cultuur, wordt in zijn
onderzoek niet in groote mate door zoodanige lacunes belemmerd. Maar
niet zoodra gaat onze eigene belangstelling, door zoodanig onderzoek
van literairen aard geprikkeld, òf de weetlust der leerlingen die wij
willen inwijden in de klassieke oudheid, nu ook eens de vraag stellen:
"hoe leefden nu eigenlijk die oude Hellenen?" of onze wetenschap
blijkt vaak op verrassende wijze ontoereikend.

En dat is nu niet alleen het geval met vraagstukken die minder voor de
hand liggen; niet alleen blijven wij te dikwijls het antwoord schuldig
als men ons bijvoorbeeld vraagt naar oud-grieksche ziekenverpleging,
naar armenzorg, naar het lot van afgewerkte daglooners en slaven;
zelfs in hare mededeelingen over den kinderleeftijd, die in onze
moderne literatuur een zoo vruchtbaar veld voor de fijnste en meest
liefdevolle observatie is geworden, is de Helleensche literatuur in
haren bloeitijd zoo spaarzaam, dat het samengaren daarvan ons doet
denken aan het ontcijferen eener half vergane inscriptie.

Intusschen, zulk een ontcijferen heeft zijne aantrekkelijkheid, en
het onderzoek is de inspanning waard. Het spreekt immers van zelf dat
de meer geprezen dan gelezen werken der Grieksche schrijvers slechts
voor ons kunnen leven, indien de menschen daarin beschreven minder
ver van ons afstaan, indien wij weten waarmede zij zich voedden en
zich kleedden, indien wij weten hoe zij hunne dooden begroeven, en
hunne vrouwen trouwden, indien wij hun leed kennen en hun blijdschap,
indien ze voor ons oog gaan en zitten, spreken en lachen als levende
menschen, niet als vreemde figuren die opzettelijk door lang vergeten
schrijvers zijn uitgedacht, om in eene moeilijk verstaanbare taal
sententiën van klassieke wijsheid over te gieten in onze ooren.

En wie des Grieken leven wil verstaan, die moet ook zijn kinderleven
kennen. Dat in het kind de man schuilt is altijd waar, maar
dubbel waar is het bij een volk dat in die mate als het Helleensche
kinderlijke naieveteit mengt in zijne aangeboren uitgeslapenheid van
geest. En dubbel geldt die zelfde waarheid ook daarom bij de Grieken,
omdat--al moet men in de literatuur der Hellenen het kind als het
ware opzettelijk zoeken--het kroost eene uiterst gewichtige plaats
bekleedt in het familie- en staatsleven.

Familieleven: het woord zelf heeft, zooals in de volgende bladzijden
telkens duidelijk zal blijken, voor Grieken, althans voor Atheners
van den bloeitijd, een geheel anderen klank dan voor ons. Vèr
van onze opvatting, en ver ook daar beneden, ligt de voorstelling
die de Atheners, in doorsnee genomen, zich van het samenleven der
echtgenooten vormen. De innigheid van het gemeenschapsgevoel dat Hector
en Andromache bezielt herhaalt zich in de Atheensche maatschappij
niet dikwijls. Het Atheensche huwelijk doet de echtgenooten meest
veeleer naast dan met of voor elkander leven; en wij moeten gelooven
dat de toestand in de vierde eeuw wel in vele gezinnen zoo was als
Demosthenes dien weergeeft in eene vaak aangehaalde zinsnede van eene
zijner oraties, al kan die uitspraak niet hebben beantwoord aan de
overtuiging van de hoogststaanden onder zijn gehoor. "Immers mijne
Heeren", zoo zegt daar Demosthenes met de kalmte waarmede men feiten
pleegt te constateeren: "Immers, voor ons genot hebben wij de hetaeren
tot onzen dienst, voor de dagelijksche behoeften van ons lichaam onze
maîtresses; doch onze vrouwen hebben wij om ons wettige kinderen uit
haar te verwekken en om tevens eene vertrouwde zorg voor ons huis
te bezitten."

Met schrik en verbazing leest men zulk eene zinsnede, en het kan
niet anders of menigeen vraagt zich af, of de kennismaking met een
volk dat er dergelijke beginselen op nahoudt niet beter achterwege
bleve. Maar vergeten wij niet dat Demosthenes hier aan zijnen
client eene uitspraak op de lippen legt die bestemd is de banale
levensopvatting van dezen eenen man weer te geven, niet eene door
alle Atheners beaamde uiting. Toch mag die verzachtende overweging,
die wij door velerlei feiten zullen gestaafd vinden, ons niet blind
maken voor de strekking der laatste woorden. Want door deze is de
beteekenis van het Atheensche huwelijk inderdaad juist omschreven. Het
huwelijk is voor den Athener het instituut tot voortzetting van zijn
geslacht. Om, ter wille van, het kind wordt het huwelijk gesloten. Maar
om die zelfde reden eischt de Grieksche Staat de huwelijksverbintenis
en heeft ook in Hellas de godsdienst den geheimzinnigen drang tot
levensbehoud, aan alle schepselen ingeplant en door de beschaving
als een harer machtigste hulpmiddelen aanvaard, van de vroegste
cultuurperioden af in bescherming genomen. De familie, het geslacht,
dat zijn begrippen voor eenen Helleen van diepere beteekenis dan voor
zeer vele leden onzer moderne, individualistische maatschappij. Niet
uit individuen--meent Aristoteles--doch uit huisgezinnen is de
oorspronkelijke staatsgemeenschap samengevoegd; maar dit is eene
samenvoeging uit op zich zelf zelfstandige deelen. De herinnering nu
aan hunne alleroudste zelfstandige afgescheidenheid heeft de cultus
steeds bewaard: elke oud-Grieksche familie heeft haar eigen heilige
gebruiken, haar eigen eeredienst, haar eigene goden, dus ook--want
in vele gevallen is dat bijkans hetzelfde--hare eigene dooden. Ook
toen de tijden reeds lang voorbij waren, in welke eene ten deele
althans uit vrees en angst ontsproten vereering der afgestorvenen
de Myceensche vorsten had gedrongen voor hunne gestorven voorgangers
graven te bouwen, ruim en kostbaar alsof het vorstelijke paleiskamers
waren, handhaafde zich in piëteit het oude gebruik van de herdenking
der gestorven vaderen en bleef een vage doch hechte voorstelling
in de harten leven, dat de doode de vereering zijner nazaten niet
kan ontberen, dat de gestadige lafenis hunner lijkoffers voor hem
onmisbaar is. En deze geloofsvoorstelling zet haren stempel op de
verhouding tusschen ouders en kinderen ook in het oude Athene. Zwaar
drukt op den geloovigen Griek de angst om kinderloos uit het leven
heen te gaan. De Helleen noemt daarom niet slechts gaarne in zijne
poëzie de kinderen "een erfdeel des Heeren", en roemt een oppassend
kroost "schooner bloei dan een akker kan dragen", maar de gedachte
is hem in het hart vastgeworteld, dat hij niet gelukkig kan zijn,
zoo hij niet bij zijn scheiden uit dit leven de geheimenissen van
den voorvaderlijken eeredienst kan overgeven in de handen van een
nakomeling, en dat hij alleen dan gerust kan wezen, wanneer hij aan
zijne zijde de trouwe stem hoort van eenen zoon, die--gelijk hij zelf
dat eens voor zijnen vader heeft gedaan--al datgene bezorgen zal wat
zijne schim zal behoeven in de duisternis van haar eenzaam graf.

Naarmate de Grieksche, met name de Atheensche, maatschappij in haren
voortgang op den weg eener consequent democratische ontwikkeling de
patriarchale afscheiding en zelfstandigheid der oude geslachten meer
en meer uitwischte, moesten geloofsovertuigingen als de hierboven
geschetste wel verzwakken. In de dagen van Pericles althans zou
het niet gemakkelijk zijn geweest--indien men overeenkomstig het
heerschend staatsbeginsel bij meerderheid van stemmen ook over dit
vraagstuk hadde beslist--eene meerderheid onder de Atheensche burgers
te vinden die op zóó ouderwetsche gronden de begeerlijkheid van
nakroost zou hebben erkend. En toch, zelfs Plato, die in dit opzicht,
gelijk in zoovele andere, gebroken had met het overgeleverde geloof
der vaderen, handhaaft niettemin het allervoornaamste element van de
oude geloofsovertuiging in zijne eigene beschouwing.

"Op deze wijze--zegt hij in het Symposion--blijft het sterflijke in
leven, niet doordat het, gelijk de Godheid zelve, altijd hetzelfde
blijkt; maar doordat hetgeen heengaat en veroudert een ander jong
wezen van dien aard als het zelf was in zijne plaats achterlaat. Er is
derhalve geenerlei reden om ons te verbazen, wanneer we zien hoezeer
elk wezen van nature in eere houdt al wat uit hetzelve is gesproten:
dit is een streven naar onsterflijkheid en naar onvergankelijke
gelukzaligheid, dat elken sterveling vergezelt".

Overigens ligt het in den aard der zaak, dat het besef van de heilige
beteekenis der verwantschap met voor- en nageslacht duidelijker aan den
dag treedt in de voorname en met erflijk landbezit bedeelde familiën
dan bij arme handwerkslui en nooddruftige zwervers. Zoo was het reeds
in de dagen van Homerus. Een vorst als Glaukos vermag, wanneer Diomedes
hem tegemoet treedt met de vraag: "Wie zijt Gij toch wel onder de
sterflijke menschen?" zonder veel moeite zijn stamboom op te noemen
tot Zeus toe; doch van den volksman Thersites noemt ons de dichter
niet eens den vader. Toch is, zoover ons weten van de oud-Grieksche
samenleving reikt, het familiebewustzijn zeer sterk. Vorst Diomedes
kan zich voor hem die roekeloos zou wagen Goden te bevechten geene
zwaardere straf denken dan deze, dat denzulken bij zijnen terugkeer
uit den oorlog geene kinderen stamelend den vadernaam zullen geven. En
de boerendichter Hesiodus ziet hierin den grootsten zegen der vromen,
dat hunne vrouwen hun "kinderen schenken op de vaders gelijkend".

Al ontbreekt dan ook--zooals om vele redenen begrijpelijk is--in de
Grieksche literatuur iedere opzettelijke beschrijving van huiselijk
leven en kinderbestaan, toch weet elkeen, die met die letterkunde
vertrouwd is, hoe sterk zich het huisgezin bij hen doet gelden. Reeds
de homerische zangen vloeien over van spreuken en voorbeelden, die
den zegen van het huiselijk leven verheffen: vluchtiger, naar den aard
van het heldendicht, in de Ilias, hetzij in het korte tafreel, zacht
glanzend als een lentemiddag, dat ons Hector met den kleinen Astyanax
op den arm schildert, hetzij in de hartverscheurende figuur der oude
smartenmoeder Hekabe, vergeefs op Trojes muren haren lievelingszoon
Hector bezwerend den dreigenden aanval van Achilles te ontwijken;
doch uitvoeriger in de Odyssee. Er is geen sprekender bewijs voor de
overtuigdheid waarmee de Odysseedichter den lof van het familiegeluk
bezingt dan het zesde boek, het Phaeakenlied; geen tweede figuur zóó
huismoederlijk teeder, zoo wakker oplettend en zoo trouw als koningin
Arete; geen dochter zoo charmant als Nausikaa, wanneer zij haren
vader om den muilezelwagen vraagt--kortom geen gezin, zoo opgewekt
in vertrouwelijk en gemeenzaam geluk, als Alcinoüs' bloeiend kroost.



Een Atheensch burger uit den bloeitijd der Attische democratie moet
zich evenwel tegenover die homerische tafereelen van huislijk leven min
of meer als een vreemdeling hebben gevoeld. Hekabe, Andromache, Arete,
het tooneel toont hem zulke huismoeders, den titel "machtige moeder",
waarmede Homerus zoo gaarne zijne Vorstinnen aanduidde, waardig,
doch in zijn eigen huislijk leven vindt hij die niet terug. Alleen
als hij naar Sparta gaat, zal hij ze vinden als machtige deelgenooten
in de vaderlijke heerschappij. Maar dáár vindt hij integendeel niet,
als te huis, eene familie. Het is hem of te Sparta het gezin in den
Staat verdwijnt. In grootere mate ziet hij in zijn eigen vaderland de
traditie van de beteekenis der familie-afkomst ontwikkeld. De gedachte
dat de staat niet maar eenvoudig een complex is van individuen, maar
zich vormt uit de familiën, daar immers deze zich samenvoegen tot
geslachten, de geslachten straks phratriën vormen en de phratriën
eindelijk de vier Ionische stammen hebben gevormd, deze gedachte
bleef zich in Attica handhaven, ook toen de geslachtsgenooten reeds
lang niet meer in staat waren hunne onderlinge familierelatie aan te
wijzen en tevens de gewijzigde staatsinrichting van het Athene dat wij
kennen, het onmiddellijk verband tusschen afstamming en burgerschap
had weggenomen. Want niets anders dan de onwrikbare overtuiging dat
op het familieverband het waarachtige Athenerschap berust, kan oorzaak
zijn geweest, dat tot de hoogste staatsambten bij voortduring slechts
die Atheners werden toegelaten, die op bevredigende wijze het volgende
vragenregister konden beantwoorden: "Wie is uw vader, wie uwe moeder,
tot welk district behoort gijlieden, wie is uws vaders vader, wie
de vader uwer moeder? Hebt gij deel aan den eeredienst van Apollo
Patroïos, den beschermgod der geslachten, en van Zeus Herkeios, die
de familiën beschermt? Waar zijn de heiligdommen gelegen, waarin uw
geslacht die Goden vereert? Hebt gij een erfelijk graf, en zoo ja,
waar? Behandelt gij uwe ouders zooals het behoort?--en betaalt gij
belasting in die klasse die voor dit ambt is vereischt?"

Beter dan een lang betoog, kan zulk een formulier, ook om de
eigenaardige naieveteit waarmee de vragen zijn gesteld, ons overtuigen,
dat een ernstig vader te Athene bezield was met het bewustzijn dat
hij in zijnen zoon zijn eigen burgerschap van de vaderstad, die hij
met bijna godsdienstige vereering liefhad, voortzette, en dat hij
voor dien zoon verantwoordelijk was tegenover den staat zoowel als
tegenover de goden van vaderland en familie.

Op dit feit moet eenige nadruk worden gelegd. Onze eigene christelijke
beschaving toch heeft in onze verhouding tot onze kinderen een element
van teederheid gebracht, dat wij ten deele althans bij de oudere
Grieken vergeefs zoeken.--Ten deele. Want wie in de literatuur der
Grieken geen vreemdeling is, weet wel, op hoe welsprekende wijze
hunne poëzie getuigt van eene liefde der ouders voor hun kinderen
die, zij moge dan van de onze verschillen, zeker niet minder innig
is. Dit door eene bloemlezing van dichterplaatsen te bewijzen is
een onnoodige en weinig aantrekkelijke taak. Maar meermalen is reeds
door kundige handen bijeengebracht wat op het kinderleven der Grieken
betrekking heeft. Zulk eene poging op het voetspoor van anderen te
herhalen is geen nutteloos werk; want al kennen wij het Grieksche
volk als eenvoudig en kinderlievend, hunne literatuur betracht,
zooals reeds gezegd werd, ten opzichte van de kinderen een groote
soberheid, en deze maakt een zeker verschil van inzichten omtrent
allerlei punten mogelijk. Polemiek omtrent dergelijke punten is
door den aard van de schets die hier gegeven wordt uitgesloten. In
populairen vorm een beeld van het Atheensche jongensleven te geven
is uitsluitend het doel dezer bladzijden. Natuurlijk wordt daarbij
niet gestreefd naar systematische volledigheid. Deze zou aan deze
schetsen den eisch stellen dien men met recht stelt aan een leerboek
der Oudheden. Dergelijke leerboeken zijn er verscheidene en daaronder
zeer voortreffelijke. Wie ze van nabij kent vindt in dit boekje zeker
weinig nieuws, want ons aller bronnen zijn dezelfde. Voorts--wie eene
teekening van het geheele Grieksche knapenvolk geeft, schiet licht
zijn doel voorbij. Eene beschrijving van oud Grieksch jongensleven
geldig voor geheel Griekenland is onbestaanbaar. Oud-Hellas is niet
één staat, doch een agglomeraat van sterk verschillende elementen. De
Spartaan, naar den eisch van Lycurgus tot een stoer en gehoorzaam
krijgsman opgegroeid, heeft een andere opleiding achter den rug dan
de Athener in wiens oogen hij een halve barbaar is: de Arcadische
boer met zijn breed accent en zijn zware taal, zal het zoetvloeiende
Ionisch van den Milesischen zeeman nauwelijks als de taal van een
stamgenoot erkennen. Maar al wat die staten vereenigt, al wat hen
tot Grieken maakt, vinden wij in Athene terug: de Atheensche jongen
heeft de zekerste kansen op onze belangstelling.

Ook voor eene beschrijving die niet streeft naar schematische
regelmatigheid is hier de weg als het ware voorgeschreven. Een jongen
is thuis, op school, of op straat, en van de Atheensche jongens zullen
wij dus het leven in huis, op de school en in de stad naspeuren. Het
zal aan de duidelijkheid der schildering ten goede komen, indien
wij de grenzen door die indeeling gesteld van tijd tot tijd mogen
overschrijden, en bovendien nu en dan mogen vergeten dat jongelieden
van achttien jaar geen jongens meer zijn, terwijl waarschijnlijk het
gevaar voor eentonigheid vermindert door eenige vrijheid van beweging
aan de jongens te gunnen in de keuze van het tooneel van hun vreugd en
leed. Dat eindelijk van het recht tot excursen, aan schrijvers over
een dergelijk onderwerp meestal toegestaan, in deze beschrijvingen
met groote vrijmoedigheid wordt gebruik gemaakt zal niemand wraken,
die bedenkt hoever het Athene der vijfde en vierde eeuw vóór Christus
afstaat van de twintigste eeuw onzer jaartelling.



I


Wie het Grieksche jongensleven wil beschrijven, bedoelt in hoofdzaak
eene schets te geven van het leven, de rechten, de uitspanningen en de
opvoeding van jonge Atheensche burgers van goeden huize, d. w. z. van
erkende zonen uit een wettig Atheensch huwelijk. Ziedaar eene beperking
die belangrijker is dan zij schijnt. Groot is te Athene het aantal
onwettige kinderen; want al verheft ook de staatkundige wijsbegeerte de
instelling des huwelijks als fundament van den staat zeer hoog, en al
waakt ook elk burger die de traditiën van zijne familie eerbiedigt er
ernstig voor, dat zijn geslacht niet uitsterft, toch kan reeds hetgeen
in de eerste bladzijden over het Grieksche familieleven werd gezegd
bewijzen, hoe weinig de Atheners "van goeden huize" eene voorstelling
hadden van hetgeen wij onder huwelijkstrouw verstaan. De omgang van
Pericles en Aspasia is beroemd, doch niet omdat die eene uitzondering
was. Men behoeft in de biographieën der voornaamste staatslieden
en kunstenaars van Athene slechts korten tijd te bladeren om eene
geheele verzameling dergelijke liaisons bijeen te brengen. En er
is geene reden deze verhalen op rekening van latere, op schandaal
beluste anecdotenvertellers te plaatsen; de bekendste redenaars, de
kalmste philosophen, de ernstigste politici komen er zonder een zweem
van schroom voor uit, dat zij elders dan aan hun huiselijken haard
verpoozing plegen te zoeken van hunne inspanning, dat zij naast de
vrouw, wettiglijk en onder ontvangst van den contractueel bepaalden
bruidschat gehuwd, eene "vriendin" hebben. Den kinderen, uit deze
laatste verbintenis geboren, verbiedt de vader het gebruik van den
vadernaam ten zijnen opzichte niet, ook voor hunne opvoeding zal hij
meestentijds wel behoorlijk hebben zorg gedragen; de smaad verder, in
onze maatschappij aan den bastaardnaam verbonden, zal deze onwettige
kinderen te minder hebben getroffen, omdat eenerzijds de zeer enge
bepalingen aangaande volkomen wettigen Atheenschen echt het aangaan
van wat wij een vrij huwelijk noemen zouden zeer in de hand werkte,
en het concubinaat alzoo in velerlei meer en minder eervolle gradatiën
voorkwam, terwijl andererzijds de Atheensche wetten de gelegenheden tot
legitimatie van uit concubinaat geboren kinderen verre van schaarsch
maakten. Met dit al was deze onzekerheid der huwelijksverhoudingen,
gepaard aan eene buitengemeene frequentie van echtscheiding, een
oorzaak van veel onzekerheid. Hoe groote verwarring, hoeveel bedrog
en misleiding en hoeveel ernstige misstand hiervan het gevolg waren,
kan alleen ten volle begrijpen wie de pleidooien, in familie- en
vooral in erfrechtprocessen gehouden leest, die ons van de hand der
Attische redenaars, met name van Isaeus, zijn overgebleven.

Een gelukskind in vergelijking van vele zijner natuurgenooten, mag dan
ook het knaapje heeten welks geboorte aan de belangstellenden wordt
kond gedaan door een olijftak aan de deur van zijns vaders woning. Zijn
eerste geluk is, dat hij als jongen in de wereld komt. Indien niet
een tak aan de deur was gehecht, doch een wollen lint--symbool, naar
latere schrijvers gaarne aannemen van den arbeid die de eere der
vrouwen is--indien dus was aangezegd dat er een meisje was geboren,
wie weet, of dan de vader niet zou hebben gebruik gemaakt van het
hem door de oude landswet toegekende recht, en het kleintje dat hem
voor de voeten was gelegd eenvoudigweg had afgewezen. Dat inderdaad
een volk waarvan wij met reden ook de innerlijke beschaving en de
fijnheid van zeden plegen te bewonderen, zelfs in zijn hoogsten
bloei een zoo barbaarsch gebruik toeliet kan ons verbazen, maar
betwijfelen mogen wij het niet. Het onderscheid tusschen dit gebruik
en de overbekende hardvochtigheid der Spartanen, die hun niet geheel
welgeschapen zuigelingen eenvoudig naar het Taygetosgebergte brachten,
was hierin gelegen, dat te Sparta de staat, te Athene de vader over
de aanneming besliste. En nu wordt wel is waar in de redevoeringen
en geschiedboeken der Atheensche schrijvers slechts zelden van
zulk een verstooting melding gemaakt; maar in verscheidene uit het
Grieksch vertaalde comedies van Terentius, en in menig blijspel van
Menander is de geheele intrige samengeknoopt met de geschiedenis van
te vondeling gelegde meisjes, niet altijd juist kinderen uit eene
verbintenis die verborgen moest blijven. En wil men de voorstelling,
door de blijspeldichters gegeven, beschouwen als aan 't werkelijke
leven ontleend, dan is maar al te dikwijls zulk eene vondelinge
tot haar eigen ongeluk geëxploiteerd door hare pleegouders. Ter
gedeeltelijke verontschuldiging van den vader die haar verstiet,
mag misschien hierbij worden gevoegd, dat althans in de comedies de
herkenningsteekenen zelden of nooit ontbreken. Een lint, een bul, een
kleinood hebben de ouders vaak aan de kleine vondelingen omgehangen,
om het lot een kansje te geven, indien soms verandering in hunne
finantieele omstandigheden hunne waardeering van den kinderzegen
mocht wijzigen en zij het nu verstooten kind zouden willen terugzoeken.

Maar het is geen meisje, doch een jongen, en een in zijns vaders huis
welkome jongen, die onze aandacht vraagt. Van zijne huisgenooten heeft
hij reeds sinds, ja vóór zijne geboorte de aandacht in beslag genomen,
en wel die aandachtige zorg die het sterk religieus gekleurde karakter
der Grieksche kinderverpleging met zich brengt. Het oud-helleensche
volksgeloof is vol van angst. Daemonische wezens loeren op al de
paden van het menschelijk leven: één misgreep, één verzuim kan verderf
brengen. En even als het sterfbed voor hen die het naderen nog gansch
andere gevaren brengt dan die van ritueele onreinheid, evenzoo wekt
de ure der geboorte angst. Men vreest de geheimzinnige machten die in
de ure der geboorte het leven van moeder en kind in de handen dragen,
men denkt zich het kraambed omringd door daemonen, en er is een niet
geringe kans dat van die daemonen enkelen den kleinen knaap op zijnen
levensweg zullen blijven vergezellen, indien men een enkele van de
door oud gebruik geheiligde usantiën uit het oog mocht verliezen. Maar
talrijk als die gevaren, zijn gelukkig ook de uitreddingen, en de
namen van Goden en Godinnen, wier aanroeping zegen brengt.

Hoevele van al die gebruiken nu in eene beschaafde Atheensche familie
van de vijfde eeuw nog in eere werden gehouden, weten wij natuurlijk
nog minder dan wij dit omtrent ons eigen vaderland en zelfs onze
vaderstad weten. Mij dunkt, zelfs in heel "verlichte" gezinnen zullen
de meeste leden der huishouding toch wel vermeden hebben om in de
nabijheid van de kamer waar de groote gebeurtenis werd verwacht, te
gaan zitten met gekruiste beenen, of met samengevouwen handen; dit was
toch zeker en vast--zelfs voor een "ongeloovig" mensch--dat zulk eene
houding de Eileithyiën, de godinnen der geboorte, hinderde in haren
arbeid. En als dan, niet gestoord door zulke booze invloeden, het kind
verschenen was, is er zeker menige tooverformule gefluisterd, waarvan
de vader niets heeft bemerkt, en die niet tot zijne kennis kwam. Want
in de meeste gevallen woont de Atheensche vader de plechtige intrede
van zijn zoontje in het leven waarschijnlijk niet bij. Zoo als het in
moderne romans vaak in strijd met de werkelijkheid wordt voorgesteld:
de aanstaande vader in eene aangrenzende kamer zenuwachtig op en neer
wandelend en door de hulpvaardige ingewijden zorgvuldig op een afstand
gehouden--zoo was het inderdaad regel te Athene. Behalve de traditie,
die het kraambed uitsluitend met vrouwelijken bijstand omgaf en ook
zelfs, behoudens zeer kritieke gevallen, geen manlijken vroedmeester
daarbij riep, werkte daartoe de levenswijze in het Atheensche huwelijk
en in overeenstemming daarmee de verdeeling der Atheensche burgerwoning
mede. Reeds deze bevordert eene scheiding tusschen man en vrouw. Nu
eens op de eerste verdieping, dan weer, als nl. de levensomstandigheden
der echtgenooten wat ruimer zijn, of hun zaken het hun mogelijk
maken buiten de stad te wonen, in het achterhuis, heeft de vrouw hare
gynaikonitis, hare "vrouwenwoning", en al overdrijft men eenigszins
door dat een sérail te noemen, gelijk ons zal blijken wanneer wij
over de eerste kinderjaren van den Atheenschen knaap, die voor een
groot deel dáár worden doorgebracht, gaan spreken, de gedachte aan
zulk een oostersch verblijf wordt toch wel bij ons opgewekt, wanneer
wij bedenken hoe streng de afgeslotenheid van dat gedeelte der woning
was, hoe ver het er van af is dat wij de kamer waar een Atheensche
huisvrouw woont met onze huiskamer zouden kunnen vergelijken. Een
tafreel in den trant van een Hollandsch theetafeltooneeltje, waar de
vrienden van den vader des huizes en de studiegenooten van de zoons
vertrouwelijk zitten te praten met de moeder en de dochters van het
gezin, is te Athene in fatsoenlijke kringen ondenkbaar. In eene van
Lysias' redevoeringen roemt de pleiter zijne nichtjes die bij hem
in huis wonen om hare zedigheid, en hij wijst er met nadruk op dat
ze zóó fatsoenlijk waren, dat ze zich zelfs geneerden, als een der
manlijke huisgenooten haar aangezicht te zien kreeg.

De beteekenis dier afgeslotenheid van het moedervertrek zal ons later
blijken: ook de kraamkamer, zooal niet ontoegankelijk voor den vader,
heeft dien ten gevolge voor den Atheenschen echtgenoot een geheel
ander karakter gehad dan voor ons, Hollandsche vaders: een gaarne
bezocht heiligdom, waar wij de machtige baker met eerbied en stil
ontzag aanstaren terwijl zij heerscht over alles wat ons eigendom
is, met overtuigd en zachtzinnig despotisme. Natuurlijk heeft
echter Athene wel bakers bezeten. De Atheensche kraamkamer heeft
zelfs eene vroedvrouw. "Moedertje" of "Grootmoeder"--Maia noemt het
Attische spraakgebruik deze nuttige dame, die wat haar mag hebben
ontbroken aan obstetrische kennis (er zijn geen statistieken van
kindersterfte in de oudheid!) vergoedde door volledige ervaring van
alle "moeilijke gevallen" in de buurt, en door eene soliede kennis
van al de geheimzinnige wetten, ook nu nog niet geheel uitgestorven,
welke het doen en laten eener gehoorzame kraamvrouw plegen te regelen.

Wij behoeven deze Maia niet op hare schreden te volgen. We laten haar
rustig hare vloekafwerende kruiden kauwen, we laten haar zorg dragen
dat de huisdeur met pek worde besmeerd om de daemonen af te weren;
straks als ze alles ver heeft gehouden wat de moeder kon schaden en
bij gesloten deur het knaapje geboren is, laten wij haar het kind
baden in het--natuurlijk heilige--bad, water met olie. Dan zwachtelt
zij het jongske, voorloopig in wat stijver banden misschien dan
ons voor hem gezond lijkt, en het oogenblik is daar, dat hij zijne
intrede doet in het leven van zijn vader. De Maia legt het knaapje
neer voor diens voeten; dat is niet als bij ons een "presenteeren"
van 't kindje, naar vast bakertarief met eene goede fooi beloond,
maar in werkelijkheid eene vraag. "Aanvaardt gij mij als uw kind?" zoo
schijnt het jongetje te vragen, neergelegd op de aarde die zijn eerste
en opperste moeder is. En thans--in ons geval--beurt hem natuurlijk
de vader op en aanvaardt hem. Deed hij dat niet, zoo zou dit boekje
ongeschreven blijven.



De daad van aanneming door den vader vindt hare eerste bekrachtiging
in het feest der Amphidromiën, dat--als alles naar wensch gaat--op
den vijfden dag wordt gevierd. Onafscheidelijk aan den godsdienst
verbonden als alle oud-Atheensche familieplechtigheden, is de
handeling der Amphidromiën natuurlijk ook symbolisch. In snellen
gang, als wilde zij het laatste gevaar dat van den kant der daemonen
nog dreigt, afweren, draagt de Maia in naam der moeder, of anders
deze zelve, den kleinen jongen om 't huiselijk haardvuur heen. Zij
doet dat na zelve door besprenkeling eene symbolische reiniging te
hebben ontvangen en draagt door de handeling van den rondgang den
jonggeborene op aan de godheid die het huisaltaar met al die daarop
offeren beschermt. Zoo wordt de knaap eng verbonden aan het huis
zijns vaders, het heilig vuur zal ook zijne toekomst beschermen, de
familie neemt hem aan. En het is noodig dat deze opname in den kring
van het geslacht ook nog door een bepaalde daad wordt betuigd. De
familieleden worden uitgenoodigd om den dag door een feestmaal
te komen vieren; zij brengen dan kleine geschenken mee, somtijds
voor het doopkindje een rammelaar, een amuletje of iets dergelijks,
soms--en dit is waarschijnlijk de oudste gewoonte--andere, in waarheid
voor 't kind zelf weinig genietbare, geschenken: vischjes of andere
kleinigheden voor tafel. Deze laatste kleine gaven bewaren beter het
oude karakter van de familiegeschenken: zij spreken duidelijk uit dat
de leden van 't geslacht, zooals ze bijdragen tot zijn lustratiemaal,
hem hunnen steun en bijstand voor de toekomst verzekeren en hem
erkennen. En in zekeren zin zal wellicht later hunne aanwezigheid
op dit feest hem van grooten dienst kunnen zijn. In eene stad waar
geen betrouwbaar register van den burgerlijken stand is, en ieder
kwaadwillige met eenige kans van slagen zijnen vijand in een proces
wegens onrechtmatige uitoefening der burgerrechten kan aanklagen,
redt wellicht den bedreigde de verklaring van neven of nichten dat
zij indertijd zijne Amphidromiën hebben meegevierd.

Nu is hij dan werkelijk zijn vaders zoon. Maar hoe zal hij heeten? Dit
wordt spoedig beslist; in ieder geval vóór of op den tienden
dag. Natuurlijk kan men Amphidromiën en naamgeving vereenigen; maar
een ouderwetsch en royaal Athener scheidt de beide dagen en gevoelt
waarschijnlijk op den tweeden dag meer dan op den eersten zijne
rechten als vader. Hem komt het recht toe--al kan hij goedgunstig
zijne vrouw raadplegen!--om zijnen zoon een' naam te geven. Wie
denken mocht dat dit eene zaak van niet zoo heel groot gewicht is,
kent de oude Grieken weinig. Het is niet uitsluitend familietrots
of liefde tot de eigene ouders, die daarin beslist. Wel is waar
heerschen ook hier gaandeweg gewoonte en traditie, die grootvaders
naam op de kleinkinderen doen overgaan. Ook een Grieksch vader heeft
dus de ontroering gekend, waarmede een onzer aan zijn hulpeloos klein
kind den naam toevertrouwt, die hem als zijns eigenen vaders naam
heilig is en dierbaar. Maar de oudste Grieken--en daarvan is altijd
iets gebleven--hechtten ook aan den naam om de beteekenis zelve. Hoe
zou een volk, dat in de namen zijner goden zulk eene diepte van
zin, van geloof, hoop en vrees legde, niet tot in het angstvallige
zorgvuldig zijn geweest in het benoemen zijner kinderen! In den
ouden tijd althans leidt hen daarbij de overtuiging dat in den naam
zelf eene kracht ligt, een magisch vermogen tot afweer van het kwade,
eene stellige belofte van zegen van de zijde der godheid wier naam in
den kindernaam wordt gevlochten. En ook als die voorstelling verzwakt,
blijft in den naam een erfelijk geschenk van den grootvader, den vorst,
den verwant, den vriend of beschermer, eens door dien zelfden naam
gesierd of gewapend. Zoo tint soms de naam een geheel geslacht, ook,
en niet het minst, in de gewijzigde opvatting zijner beteekenis en
macht. Namen, uitgaande op hippos (paard) oudtijds gekozen met stille,
half verheffende, half beangstigende herinnering aan de rossen van den
Doodsgod, Hades, soms ook met trots gedragen, omdat zij de herkomst
van het vorstelijke geslacht uit Pluto zelf verkondigden, wisselen van
kleur, als reeksen van riddergeslachten daarmee de toespeling op den
rijkdom hunner stoeterijen verbinden. Zoo ook namen als Pheidon, die
oudtijds in volleren vorm den vorst roemden die zijne kracht spaart
(Pheidocrates) of die zijn volk ontziet (Pheidileos), maar straks
in den boerenstand overgenomen de deugd der spaarzaamheid roemen,
welke de zoon eens zuinigen boers reeds door den naam alleen hoopt
op zijn kind over te brengen. En vaak tracht men den stamvorm van
een naam van vader op kind te bewaren: Sophilos noemt zijnen zoon
weer Sophocles. Zoo blijft de belofte der wijsheid (sophia) verzekerd.

Natuurlijk is ook in deze zaak allerlei onregelmatige willekeur. De
boer Strepsiades, in Aristophanes' Wolken had gaarne zijn zoontje
Pheidon genoemd of Pheidonides. Maar zijn vrouw, die eene voorname
dame is, dweept met een' naam waarin Hippos voorkomt, en zoo komt
het door transactie tot Pheidippides. Het feit dat dit een werkelijk
bestaande naam is zou, als wij het toch niet reeds van elders wisten,
al genoeg zijn om te bewijzen dat zulk eene samenvoeging van namen
uit twee families verre van zeldzaam was. Bovendien, ook afslijting en
sleur doen hier hun werk. Hoe zou anders zoo menigmaal een ongunstige
naam een' wijs en edel man hebben aangeduid! Aeschylus' naam is niets
anders dan een smalend verkleinwoord om een "leelijk mannetje" aan te
duiden, en zeer respectabele Grieken hebben een gelukkig leven geleid
onder namen als "de Roode", "Krombeen", de "Schele" enz. Ook heeft
plebeïsch welbehagen aan plastische, duidelijk stempelende namen in
menige familie waarschijnlijk door bijnamen de oude waardiger namen
verdreven. Er behoeft maar eens een vader te zijn die plaagziek aan
zijn kleinen jongen met den mopneus den naam Simos geeft of voor
een reeks van geslachten is die naam regel geworden: eerst Simos,
dan Simon, dan Simias of Simonides, straks Simylos: zooals grootvader
heet mag immers de kleinzoon ook heeten.

En zoo zal het in Athene's bloeitijd wel niet veel zijn gebeurd dat
met dezelfde onafhankelijkheid voor de verlangens van grootouders die
sommigen onzer beweegt hun kinderen Roderich of Isolde te noemen in
plaats van Jan naar den grootvader of Keetje naar de grootmoeder, een
Atheensch burger plotseling besloot zijn kind nu maar eens Diphilos
of Apollophanes te noemen en niet Simon of Mikkylos naar zijnen
grootvader. En zoo iets is voor den knaap volstrekt niet hinderlijk;
maar wel valt het te betwijfelen of Cimon, de zoon van Miltiades,
een heel grooten dienst aan zijn eigen zoon bewees toen hij hem,
als een hulde aan het bevriende Sparta, den naam van Lakedaimonios
gaf. Na Cimons dood, toen de betrekkingen tusschen Athene en Sparta
gaandeweg uiterst koel werden, zal de jonge man heel wat last van
zijn naam gehad hebben.--Dan is het beter een trouwen vriend of een
gestorven broeder te eeren door diens naam aan den jongen te geven.



De naamgevingsdag is een plechtige dag, dien men met een offer siert;
maar de jonge zoon moet ook erkend zijn als jong Athener. Ras breidt
zich, na het feest van den tienden dag, om den knaap de kring uit
die hem vereenigt met hen die van éénen stam met hem zijn. Hier
is een duidelijk verschil merkbaar tusschen onzen modernen staat
en den antieken. Oneindig gebrekkiger in hare organisatie dan
onze hedendaagsche gemeente, is toch de oude polis hechter door
de zorgvuldige wijze waarop zich hare concentrische cirkels ineen
voegen. De familie in het geslacht, het geslacht in de phratria. Het is
niet genoeg dus, dat naast den vader ook de ooms het knaapje gezien
en dus erkend hebben, ook het geslacht--zoo hij van adel is--en
de phratria moeten hem erkennen, of althans door zijne presentatie
aanzegging krijgen van het feit dat hij er is.

Met een enkel woord dient hier de beteekenis dier phratriën voor het
burgerschap van den jongen Athener in het licht te worden gesteld. De
phratriën zijn oude, op de vroegste stamindeelingen berustende
groepen van geslachten. Zij bewaren de traditie der samenvoeging van
den Atheenschen staat uit familiën, en ook later toen de onderlinge
verwantschap der phrateres door bloedsbetrekking reeds lang niet meer
naspeurlijk was, bleven de genooten van een en dezelfde phratria zich
beschouwen als allen te zamen afstammende van eenen stam-vader. Drie
phratriën te zamen vormden eene oude phyle (stam), vier phylen te zamen
waren het die het gansche echt-Atheensche volk in zijnen oudsten vorm
uitmaakten. Die traditie en die volksindeeling bleven zich in alles
wat met familierecht samenhing handhaven, ook toen in het laatst
der zesde eeuw eene geheel nieuwe politieke regeling het adellijke
en niet adellijke Athene op meer democratischen grondslag verdeelde,
geordend naar districten. Bij alle verklaring van antieke toestanden
is in het gebruik van moderne termen een zeker gevaar; maar denkt
men alle vrijheid van keuze, elk richtingsverschil in godsdienstzaken
dat onze kerkelijke gemeente kenmerkt weg, en legt men niet in alle
bijzonderheden nadruk op het religieuze element, dan zou men de
phratriën zeer wel met onze gemeenten kunnen vergelijken. Want de
phratrië heeft haren eeredienst van Zeus Herkeios en Apollo Patroïos,
zij heeft hare geregelde offerfeesten, heiligdommen en bezittingen
en ook hare vaste bijeenkomsten. Zonder eigenlijk politiek karakter
te bezitten vormt zij den band tusschen familiën en staat en sluit de
kleinere groepen der burgerij te zamen in kringen die eene zekere mate
van onderlinge belangstelling en onderlinge bekendheid waarborgen. Wie
trouwt, stelt onder feestelijke gebruiken zijne phrateres daarvan in
kennis, wie een zoon heeft gekregen doet evenzoo, terwijl hij later
die kennisgeving door een plechtig offer op den gemeentedag bevestigt
en eindelijk, als de zoon meerderjarig wordt, hem op solemneele wijze
bij de phratria zal inleiden, hetgeen eene eerste schrede zal zijn
voor de vervulling van de wettelijke formaliteiten die hem dan het
volkomen onbeperkte burgerrecht zullen verzekeren als lid van den
Atheenschen Staat.

Want vooreerst is de kleine jongen nog niet anders dan een
candidaat-lid, een ridder-expectant. Na de eerste voorloopige
kennisgeving in de phratria neemt noch deze noch ook de staat,
bij wien--in tegenstelling met het vaste gebruik in onze moderne
maatschappij--geenerlei aangifte van zijne geboorte is geschied,
veel notitie van hem. Zijn vaderland, zijn staat, is de kinderkamer,
dus in de meeste gevallen het vrouwenvertrek. Daar heerscht zijne
moeder als koningin, krachtig bijgestaan en ook wel eens overheerscht
door het ministerie van de slavin die eerst zijne min is geweest en
straks zijne kindermeid zal worden.

Na hetgeen hierboven reeds met een enkel woord is gezegd over de
afgesloten levenswijze der Grieksche, en bepaaldelijk der Atheensche
vrouwen, zal het niemand verwonderen dat op dat "koningschap der moeder
in het vrouwenvertrek" nog al eens iets is afgedongen. De vraag,
hoe eigenlijk de positie der getrouwde vrouw te Athene moet worden
beschouwd is te veel omvattend om die hier in hare geheele beteekenis
te behandelen. Zooveel echter als noodig is om ons eene voorstelling
er van te maken, wat eene moeder uit den beschaafden stand voor hare
kinderen kon zijn, mag hier wel in het midden worden gebracht.

Erkend moet worden dat de Staat als zoodanig te Athene ten opzichte
van de vrouw, met uitzondering van een zekere bescherming harer zeer
beperkte finantieele rechten, vrij wel alles verzuimd heeft, wat te
verzuimen viel. Voor een ietwat heftig feminist van onzen tijd is
er aanleiding uit zijne lectuur deze conclusie te trekken: "In de
beschaafdste stad van het antieke Griekenland laat de welgestelde
burger met goedvinden van overheid en medeburgers de moeder zijner
wettige kinderen een slavenleven leiden."

Die conclusie schijnt mij onjuist, maar zij laat zich begrijpen. Want
vooreerst is in politieke niet slechts, doch ook in juridische
zaken de positie der Atheensche huismoeder en vrouw die van wèl
omschrevene onmondigheid. De vrouw kan in een proces niet als getuige
worden gehoord, zij is niet bevoegd te beschikken over iets dat meer
waard is dan één schepel graan; en het is dan ook een van de eerste
répresaille-maatregelen die de vrouwen in Aristophanes' bekende comedie
"het Vrouwenparlement" tegen hare mannen nemen, dat zij deze laatste
wetsbepaling op de onttroonde heeren toepasselijk verklaren. Voorts
staat, omdat de vrouwengeest te zwak is tot zelfbestuur, de vrouw
levenslang onder voogdij: eerst van haar vader, dan, als deze sterft,
van haar naasten bloedverwant. Haar voogd is haar oom, haar broer,
haar neef; als ze trouwt, haar man, als zij weduwe is, haar zoon. Zij
stemt niet, zij legateert niet, ja zij erft niet anders dan om als
erfdochter het bevel te volgen van den naast-berechtigden bloedverwant,
zoo die haar huwen wil om of de eigendommen te winnen vastgehecht aan
haar persoon, of die over te brengen op de wettige zonen die uit dit
huwelijk zullen worden geboren.

De lijst dezer onbevoegdheden behoeft niet te worden uitgebreid. Zij
zijn alle uitvloeisels van eene in recht, staatkunde en oeconomische
verhouding streng gehandhaafde overtuiging: dat de man de volle en
onverdeelde heerschappij behoort te voeren, dat hij--zooals Plutarchus
het niet zonder zelfbehagen uitdrukt--"moet heerschen over de vrouw
gelijk de ziel heerscht over het lichaam."

Toch mogen wij bij den indruk van volstrekte inferioriteit der vrouw,
dien ons deze en dergelijke feiten geven, niet blijven staan, al
erkennen wij ook dat bij zulk eene verhouding, die de vrouw--ook
door hare onvoldoende opvoeding--in zooveel opzichten maakt tot
de mindere van haren echtgenoot, en haar zoo weinig in staat stelt
zijne ernstigste gedachten te verstaan, bezwaarlijk in het Atheensche
gezin die geest kan hebben geleefd, die wij in ons familieleven een
opvoedingselement van de hoogste waarde achten: onderlinge liefdevolle
toewijding, gegrondvest op volkomen sympathie in het hoogste. Maar
twee zaken mogen wij niet uit het oog verliezen. Vooreerst deze, dat
daargelaten alle politieke en sociale rechten, en daargelaten alle
theoretische bespiegeling de natuurlijke orde van zaken aan iedere
huisvrouw op haar eigen gebied, en dat is niet eng, toch steeds
eene macht verzekert, die de alleenheerschappij nabij komt. Tot
op zekere hoogte zal ook wel bij de Atheners de suprematie van den
Heer en Meester alleen in theorie hebben bestaan. In menig Atheensch
huisgezin zal wel gegolden hebben hetgeen eens Diophantus, de zoon van
Themistocles, aangaande zijne ouders getuigde: "Wat mij behaagt--zoo
verklaarde deze als jongen--dat accepteeren Athene's burgers in
hun volksvergadering. Want al wat ik wil, wil mijne moeder ook,
en wat mijne moeder wil dat wil mijn vader, en wat mijn vader wil,
dat willen alle Atheners".

"Maar--zal men zeggen--deze soort van heerschappij is niet anders
dan de tyrannie van een zorgzame huishoudster of eene talentvolle
keukenmeid; en Aristophanes' comedies doen ons de Atheensche
huisvrouwen niet veel anders zien, dan als huishoudsters en wel als
zulke, voor wie hare mannen--heerschers in de volksvergadering--een
heilzame vrees koesteren."

Ongetwijfeld, en nog erger! Maar de gechargeerde figuren van
Aristophanes' blijspelen, opzettelijk grof geteekende karikaturen
van vrouwen uit den kleinen burgerstand, behoeven de modellen niet
te zijn naar welke wij de moeders teekenen, die de eerste jeugd
van onze Atheensche knaapjes zullen hebben te leiden. Krachtig
waarschuwt ons tegen eenzijdigheid van voorstelling in dezen het
Attische drama. Indien waarlijk èn de positie der Atheensche vrouwen
zoo inférieur, èn hare zedelijke ontwikkeling zoo laag bij den grond
ware geweest als het uit Aristophanes' comedies zou kunnen schijnen,
nooit hadden de Atheners de fiere figuur eener Antigone, eener Electra,
de edele zelfopoffering eener Iphigenia, de trouwe liefde eener
Alcestis kunnen waardeeren. Het allerminst zeker deze laatste. De
samenleving van man en vrouw kan niet zoo uiterst elementair zijn
geweest, noch de gemoedsontwikkeling der laatste zoo heel gebrekkig
in eene wereld die de geboorte kon geven aan dit merkwaardige drama,
aan deze treffende vrouwenfiguur.

Alcestis den dood aanvaardende om haren echtgenoot te redden,
en toch zich ten volle bewust, hoe weinig de egoïst voor wien zij
het leven laat, eigenlijk zulk een offer waard is: ongetwijfeld,
ook de dichter heeft haar zoo gezien, en zijne toeschouwers hebben
haar zoo begrepen. Voor hen sprak Euripides geen onverstaanbare taal
toen hij dìt zeide: "Geen lavender troost is er in ramp en ziekte dan
het bijzijn eener vrouw. Zij verzacht de heftigheid van onzen toorn,
zij doet onze ziel opstaan uit de moedeloosheid".

De vraag, hoe dan de Atheensche moeders, zeggen wij de moeder van
Sophocles, of die van Plato, ongeveer kunnen zijn geweest, is zoo
belangrijk, dat naast deze onmiskenbaar uit het leven gegrepen
woorden van Euripides moet worden gesteld wat Xenophon--zeker, zoo
al een romanticus toch geen poëtisch dweper--in twee tafereelen
ter kenschetsing van zijne wenschen heeft geteekend. Xenophon,
een moralist, die voor de diepere wijsgeerige vraagstukken, in den
kring der Socratische school onderzocht, niet philosofisch genoeg
van aanleg was, heeft juist hierom een eigenaardige persoonlijke
beteekenis. Hij inventeert minder dan hij refereert. Hij geeft ons dus
door zijne schetsen een tamelijk betrouwbaar, en door de bevallige
gemakkelijkheid van zijn zuiveren stijl ook meestal een onopgesmukt
verslag van wat men in die Socratische kringen aangaande ethische
vraagpunten van den dag, en met name dan ook aangaande de beteekenis
en de waarde van het vrouwenleven ongeveer placht te overleggen.

Novellistisch heeft hij dat gedaan in de geschiedenis van Panthea,
eene episode in de Cyropaedie ingelascht, ten deele wel is waar om
ook door dit voorbeeld het ideaal van manlijke zelfbeheersching
en eerbiedige kuischheid in de persoon van den grooten Cyrus te
teekenen, ten deele voorts om door eene schertsende verdichting de
theoretici te bespotten, die beweerden dat men de liefde--als een'
teug wijn--naar willekeur kon aanvaarden of afwijzen; maar in hoofdzaak
toch belangrijk om de zeer treffende figuur van Panthea zelve. Wanneer
Cyrus de jonge vrouw, in afwezigheid van haren man buitgemaakt en
aan hem ten geschenke aangeboden, toevertrouwt aan Araspes, een' man
die zich zelven vrij en tegenover erotische aandoeningen gepantserd
acht dan geschiedt natuurlijk het onvermijdelijke; maar niet dit is
het opmerkelijke, belangrijk is dat het op, naar men meenen zou, zoo
weinig Grieksche wijze geschiedt. Natuurlijk: Araspes wordt verliefd;
maar Xenophon heeft al het mogelijke gedaan om aan die verliefdheid den
zinlijken grondslag te ontnemen. Hare schoonheid wekt niet dadelijk
zijn onstuimig begeeren. Eerst nadat hij dagen lang haar in de
lieftalligheid van haren stillen arbeid heeft waargenomen, die aan 't
geheele voorkomen van zijne tent zulk een geheel nieuwen gemoedelijken
glans verleent, eerst wanneer hij haren edelen aard heeft leeren
kennen die zich in de vindingrijkheid van honderd kleine zorgen voor
zijn gemak en voor zijn welvaren openbaart, wordt hem de hartstocht te
sterk en moet Panthea--tot zijne bittere beschaming!--de bescherming
van Cyrus tegen zijn geweld inroepen. Maar wanneer dan Cyrus met den
zachtsten takt den jongen lijder ontheven heeft van de taak die te
zwaar voor hem was gebleken, en het schrandere overleg van Panthea
heeft weten te bewerken dat haar man Abradatas de zijde der vijanden
verlaat om zich vrijwillig onder de vanen van Cyrus te plaatsen,
dan laat de schrijver met een voor die dagen verrassend talent van
romantische verbeelding het volle licht vallen op zijne heldin. Als
Abradatas aan 's konings zijde zal gaan strijden, verrast zij hem met
eene schitterende wapenrusting, heimelijk op zijne maat vervaardigd en
bekostigd uit haar eigen tooi. "Panthea", zegt Abradatas, "hebt gij
daartoe uw kostbaarste sieraden gebruikt?" "Niet mijn kostbaarste",
is haar antwoord, "mijn kostbaarste tooi zijt gij!"--Dan legt zij hem
de wapenrusting om, bij 't vastgespen haar tranen verbergend in een
zachten lach. En zij spoort hem aan tot dapperheid met dezen laatsten
eed: "Zoo waarlijk helpe mij God, Abradatas! liever wil ik onder de
aarde rusten aan uwe zijde, geëerd door den glans van uw moedigen
dood, dan ik zou wenschen met u in leven te blijven, geschandvlekt
door de herinnering aan uwe smadelijke redding!"

Het naspel van deze novelle, Panthea's stille zorg voor den
gesneuvelde, en hare voorbereiding tot den zelfmoord die haar met
hem zal vereenigen, moeten wij hier voorbij gaan. Het is genoeg,
even op de figuur dezer Panthea te wijzen, om de vraag te stellen en
daardoor tevens te beantwoorden: Zou Xenophon zóó eenvoudig en met zoo
volstrekte onthouding van alle effectbejag deze schets hebben kunnen
schrijven, indien hij niet ook in zijne eigene omgeving had gezien,
hoezeer ook bij geringe opvoeding het vrouwelijk gemoed door teeren
takt mannenverstand evenaart? De wonderlijke bekoring die uitgaat
van Panthea's woorden, zoo ongezocht vrouwelijk en zoo verrassend
in hunne kortheid, moet Xenophon toch wel elders dan in zijn eigen
verbeelding alleen hebben vernomen!

Maar de romantische schets van Panthea is op eigenaardige wijze door
Xenophon aangevuld door eene minder idealistische teekening. In een
van zijne kleine economische vertoogen laat hij zekeren Ischomachus
verhalen hoe hij zijne vrouw heeft opgevoed tot eene plaats, harer
waardig. "Zie--zegt Ischomachus--toen ik haar kreeg was ze nog geen
zestien jaar en had ze niets geleerd dan dit: zoo weinig mogelijk
te zien, te hooren en te vragen. En toen ik dus zeide dat ik haar
beter wilde onderrichten, had ik groote moeite om hare schuwheid te
overwinnen en haar te overtuigen, dat wij niet waren te zamen gebracht
door eenig toeval of eenige berekening, maar door mijne overtuiging
dat wij juist bijzonder voor elkaar geschikt waren en daarom het
best in staat zouden zijn samen te werken aan de welvaart van ons
huis, en straks van ons gezin.--Maar mijn jonge vrouw antwoordde
mij hoofdschuddend: ""Wat kan ik aan dit alles doen? Zedig en kuisch
zijn--ziedaar alles wat ik heb geleerd.""--Er was voor Ischomachus heel
wat takt noodig om in deze al te bescheidene dochter van Atheensche
ouders het geloof in de kracht der vrouw wakker te maken, en Xenophon
heeft van de daarbij gevolgde methode eene beschrijving gegeven,
die aan de fijne omzichtigheid van een' hedendaagsch romancier doet
denken. Kenmerkend echter voor het vraagstuk dat aanleiding geeft,
juist hier van Panthea en van Ischomachus' echtgenoote melding te
maken, is vooral het einde van het aangehaalde gesprek. "Voor ons
beiden", zegt Ischomachus, "heeft God eene schoone taak bestemd:
voor mij den krijg met zijne koude en zijne ontbering, het stadsleven
met zijne zorgen; want dat zijn de dingen die de geest van den man
begeert en die zijn lichaam verduurt. Maar aan u, vrouwen, gaf hij
het teedere geduld en de vindingrijke liefde, die voor de opvoeding
onzer jonge kinderen noodig zijn."

Reeds een menschenleeftijd vóór Xenophon had Euripides in verschillende
zijner tragediën juist ditzelfde vraagstuk aan de orde gesteld, en
niet slechts het verschil tusschen moederzorg en vaderliefde treffend
geteekend, doch vooral, zooals in zijne Medea, op de gevaren gewezen,
uit een door gebrek aan opvoeding en gelijkstelling stelsellooze
ontwikkeling van de vrouwelijke geestesgaven te verwachten. Zonder
twijfel was dus in de periode van snelle oeconomische ontwikkeling
en verandering, die met den Peloponnesischen oorlog parallel gaat,
ook ten opzichte van de positie der vrouw eene zekere evolutie
van inzichten aan het werk, en zoo ontleenen wij met recht aan de
schets die Xenophon hier geeft van een--zij het dan ook door hem
verdicht--huisgezin uit den eenvoudigen stand eenig vertrouwen in de
bekwaamheid en bevoegdheid der Atheensche moeders; welsprekender dan te
voren worden ons dan de fijn geteekende tafreelen op sommige Attische
vazen, waar wij naast eene zoogende moeder een ernstig schoon man
zien staan, leunend op zijn staf in die houding van waardige gratie,
die de vazenschilders zoo gaarne aan de basreliefs van het Parthenon
ontleenen. En opmerkzamer geworden, zien wij dan op den achtergrond
van menigen Platonischen dialoog en van menige oratie der Attische
redenaars het tafreel van een rustig binnenvertrek met eene geliefde
en geëerde huismoeder opkomen, al vergeten wij ook niet, dat er nog
eeuwen zullen verloopen vóór Plutarchus zal getuigen: "Dit is het
schoonste huwelijk, waarin de man het verstaat de onderwijzer zijner
vrouw te zijn in het edelste en schoonste wat hij zelf heeft geleerd."



Het heeft er allen schijn van, dat wij ter wille van de Atheensche
moeders de zoontjes vergeten en het bekende woord van Pericles
verwaarloozen, die zeide, dat "de roem eener brave vrouw hierin is
gelegen, dat zij zoo weinig mogelijk van zich doet spreken." De
uitvoerige toelichting van de wijze op welke door de dichters en
philosofen over de rechten en eigenschappen der getrouwde vrouw
wordt gesproken, was echter gewenscht om te voorkomen dat wij
hare rol als moeder al te veel van die onzer moeders verschillend
denken. Wederom: tusschen de kleine burgervrouwen uit Aristophanes'
comedies, rondsollend met hare zuigelingen overal waar ze maar eenige
aanleiding vinden om ongestraft buitenshuis te komen, en de moeder
van Nicias of van Pericles moeten wij onderscheid maken, maar toch
zijn zeker in de eerste levensjaren de ervaringen van beider soort
kinderen wel ongeveer gelijk geweest. Veel kunnen we als van zelf
sprekend voorbijgaan; het is langdradig werk den kleinen knaap van
dag tot dag te volgen. Een Atheensch jongetje heeft niet anders de
kunst van het loopen en van allerlei andere òf behoorlijke òf nuttige
zaken geleerd dan een jonge Hollander. De Grieksche moeders zijn
het evengoed als de moderne oneens geweest over de vraag, of men de
kinderen stijf of los moet inspelden; met dat vraagstuk van hygiëne
bemoeit zich zelfs de philosofie. Ook bewoog de twijfel omtrent
het juiste oogenblik om met vast voedsel te beginnen de antieke
moederwereld ernstig genoeg, al hadden zij practisch minder met de
vraag uit te staan, omdat, ondanks het protest van vele theoretici
over de opvoeding, de Atheensche dames, veel meer dan in onze wereld
pleegt te gebeuren, eene min in dienst namen. En er zijn daar zeker,
zoo goed als te Amsterdam of te Brussel, vaders die, omdat de moeder
niet veel naar 't kind omkijkt, de taak van de "droge min" moeten
vervullen. Strepsiades, de boer bij Aristophanes, de man die met een
dame boven zijn stand is getrouwd, kan getuigen hoe trouw hij met de
melkkroes kwam aanloopen als zijn jongen "bru" riep, dat blijkbaar bij
onderlinge overeenkomst tusschen vader en zoon drinken beteekende. Maar
in geregelde burgerhuishoudingen heeft men een slavin als min en òf
dezelfde òf eene andere als kindermeid. Daardoor blijft een groot
deel van de eerste opvoeding feitelijk in handen van slavinnen. De
verhouding, die tusschen deze trophoi en hare voedsterlingen in het
latere leven bleef bestaan, is merkwaardig. Wel idealiseert de Attische
tragedie die relatie, want de trophoi zijn steeds slavinnen en dus
meestentijds de minderen van de Atheensche moeders in beschaving. Maar
zij moeten toch wel iets méér dan onze bakers, iets anders dan onze
bonnes zijn geweest. In de rijke verzameling grafschriften, die ons
in de bloemlezingen der oudheid is bewaard gebleven, zijn enkele van
de innigste en teederste gedichten gewijd aan getrouwe voedsters. Ook
is het niet geheel zonder beteekenis, dat de Grieksche theoretici
de ouders van goeden huize zoo nadrukkelijk vermanen om toch bij de
keuze der trophos niet alleen te letten op eene zuivere uitspraak
van het Grieksch, doch ook hierop, dat de voedster de moeder moge
helpen om aan de kinderen beter voedsel te geven dan te vinden was
in de schadelijke logens van allerlei verdichte sprookjes.

Deze vermaning stelt de trophoi inderdaad min of meer naast de moeder
in het rijk van de kinderkamer. Voor het overige is in vele opzichten
de dampkring van die wereld eeuwenlang dezelfde gebleven: het is--ook
de vazenschilders en de dramatici leeren ons dit--de wereld van de
rammelaars en de kleppers, het is het rijk van de wiegeliedjes, waarin
zich zinledig gerijmel met den naieven weerklank van eeuwenoude mythen
vereenigt tot dat wonderbaar roerend gezang, dat ieder betoovert,
die ooit kind is geweest. In de Atheensche kinderkamer heeft, niet
minder dan bij ons, menig jong oog gestraald bij 't hooren van dat
onveranderlijke "daar was er eens". Door den Atheenschen hof heeft de
fabel haar weg genomen, op de lange reis die van Aesopus naar Phaedrus
en van Phaedrus naar Lafontaine voert. In de Atheensche kinderwereld
heeft het verhaal van den braven Hendrik zijn taak verricht, maar ook
de boeman, en "het paard dat stoute jongens bijt". Menig kinderoog
heeft daar angstig de duisternis ingestaard, wachtend of Gello ook
verschijnen zou, die na den dood harer eigene kinderen rondsluipt om
anderen kinderen het bloed uit te zuigen, of anders de vreeslijke
Lamia, die nooit slaapt, doch als ze moe is hare oogen een poos in
den zak steekt.

Behoudens kleine wijzigingen is deze kinderwereld in hoofdzaak wel
overal aan zich zelve gelijk. Het Atheensche binnenhuis onderscheidt
zich echter zeer bepaald van onze moderne woning door eene vereeniging
van eigenschappen die bij ons zich meer over verschillende standen
verdeelt. Eensdeels is de Grieksche vrouw natuurlijk door het feit, dat
alles of althans een groot deel van de kleeding voor haar en haar gezin
"homespun" is, veel regelmatiger aan den arbeid dan bij ons vrouwen van
den hoogeren stand; ook eischt de keuken met alle bijbehoorende zaken,
vooral de wijnkelder, in haar huis haar voortdurend toezicht. Zoo is
de uitdrukking, dat zij troont in haar vertrek, minder overdrachtelijk
dan het schijnt. Maar naast die arbeidzaamheid, onmisbare eigenschap
in eene maatschappij waar nog zooveel van de eigen zorg der meesteres
afhangt, heeft zij eene geduldige opmerkzaamheid voor haar toilet,
die in de oogen van menige ouderwetsche huismoeder, ook van onze
hoogere standen, zeer afkeurenswaardig zou zijn. Dit brengt nu
eenmaal de naar Oostersche zeden zweemende mode te Athene mede. Zorgen
voor een uitgewerkt kapsel, verzorgen van de huid met verschillende
schoonheidsmiddelen, uitermate vindingrijke attentie in het omleggen
en plooien van haar gewaad, dat zich niet door het maaksel maar bijna
uitsluitend door de kleurenkeus en door de schakeering en drapeering
van dat harer buurvrouw onderscheidt, ziedaar wat hare werkzaamheden
zijn en wat ook haar zoontje, zoolang zij hem nog toestaat zelfs
tot in haar toiletkamer achter haar aan te dribbelen, ijverig zal
kunnen waarnemen. Overigens, al is die vrouwenwoning voor hem in
zijn kinderjaren tot hij naar school gaat zijn vaste verblijf, ook
later zal zij tot op zekere hoogte zijne huiskamer blijven, waar hij
welkom is als hij thuis komt uit school--mits hij niet "overal met
zijne handen aanzit." Zoo gaat het althans Lysis, den levendigen
veertien- of vijftien-jarigen knaap naar wien Plato zijn dialoog
over de vriendschap heeft benoemd. "Als je thuis komt bij je moeder,
Lysis", zoo vraagt Socrates dezen, "dan laat je moeder je toch zeker,
om te maken dat je gelukkig ben, alles doen wat je wil? Als ze aan
't spinnen is of aan 't weven, dan mag je toch zeker met alle genoegen
de spoel of den kam of wat er verder van weefgedoe aanwezig is, in je
handen nemen?" Toen begon Lysis te lachen en hij zeide: "Dat lijkt
er niets naar, Socrates! Moeder verhindert mij dat niet slechts,
maar ik zou klappen krijgen, als ik die dingen aanraakte!" Maar
daarnaast stelt Socrates ons Lysis voor, als zijn vader en moeder
wat te lezen of te schrijven hebben: dan hebben ze hem noodig en ze
roepen hem. Zeker toch ook allicht in moeders kamer?

Deze tafreelen zou men kunnen vermeerderen. Maar daardoor zou hoogstens
worden bevestigd, dat in vele opzichten de wereld, waarin de Atheensche
knaap zijne eerste kinderjaren doorbrengt, van de onze niet veel
verschilt. Wie echter wat verder zoekt, vindt toch nog wel bijzondere
karaktertrekken. Denken wij aan de dagelijksche omgeving in welke deze
jonge Athener de indrukken zijner kinderjaren, beslissend voor zijn
leven, ontvangt, dan treden twee zaken duidelijk op den voorgrond:
èn zijn schoonheidsgevoel èn zijn religieuze vatbaarheid moeten in
dezen kring gemakkelijk zijn ontwikkeld en gevoed. De jongen behoeft
juist niet in een van die kleine paleizen te zijn opgevoed, die bij de
stijgende weelde van de vijfde en vierde eeuw binnen Athene begonnen
te verrijzen; de voorhof waarin hij het eerst heeft leeren loopen,
behoeft geen fontein in het midden, geene kostbare zuilenrijen in den
omtrek te hebben gehad, wat hij daar ziet van dag tot dag heeft zeker
niet nagelaten in de genoemde twee opzichten richting te geven aan
zijn gemoed en verstand: in het huis van zijn vader heerschen vaste
religieuze gewoonten, en daar heerscht Helleensche schoonheidszin.

De oud-grieksche goden vinden welbehagen in den eeredienst, hun
openlijk en van staatswege gebracht in de steeds rijker en kostbaarder
opgebouwde tempels, maar noch zij noch hunne vereerders vergeten het
daarom ooit, dat de eigenlijke plek van intieme aanbidding de huislijke
haard is, waar in geregelden offerdienst het trouw verbond tusschen het
geslacht en zijn beschermheer telkens wordt vernieuwd. Daar moet ook
de kleine Athener het eerst zijne goden leeren kennen. In de spitse
pyramide-vormige zuil of in het vierkante altaar, dat vóór het huis
op straat staat, leert zijne moeder hem alras Apollo te vereeren;
hij behoeft nog niet zoo heel oud te zijn om haar te verstaan, als zij
hem zegt dat Apollo de Afweerder van het booze is, en dat inderdaad,
indien dat altaar van ouden en vreemdsoortigen vorm daar niet stond,
het booze gemakkelijker binnen zou sluipen in huis. Dan zal zij hem
vertellen dat die krachtige god, Zoon van Zeus en blondgelokte trots
van zijne moeder Leto, ook hem beschermen wil, want dat hij zich
gaarne ziet aangeroepen als Voeder der knapen; maar dat hij ook de
Vaderen van zijn geslacht voor rampen heeft bewaard en daarom zijne
hulde zal vragen als hij groot is geworden, als zijnde de God die
Schutsheer is der Geslachten. Naast Apollo Patroïos leert zij hem
dan Zeus Herkeios, den Oppergod des gezins, kennen. Met den kleinen
jongen aan de hand staat zij er bij, wanneer de vader zijn dagelijksch
offer brengt op het altaar van Zeus Herkeios in den hof. Soms ziet hij
er wierook offeren, dan weer worden er vruchten gewijd; een enkelen
keer--maar dat is zeldzaam--is hij er getuige van dat er een dier wordt
geslacht. Hoe nauwkeurig prent hij zich dan, toeziende met het scherpe
waarnemingsvermogen van een kind, de streng in acht genomen ritueele
bijzonderheden van het brandoffer in het geheugen, hoe aandachtig
volgt hij den kok of zijnen vader in al hunne bewegingen. Zou hij
zich ook al in zijne naieveteit een beetje verbaasd hebben, dat
het beste den God onthouden wordt, en dat de groote Zeus zich laat
tevredenstellen met die gedeelten van het geslachte dier, die hem
zelf het minst begeerlijk schijnen: de schenkelbotten en wat vet?

Dat Prometheus het eerst de menschen heeft geleerd, aldus de goden
met een schijnportie tevreden te stellen, zal zijne moeder, al kent
zij de sage uit Hesiodus, hem waarschijnlijk vooreerst nog wel niet
vertellen. Maar overigens, als hij zijne oogen openhoudt en zijn
mond tot vragen bereid heeft, is het ongelooflijk hoe snel hij de
mythologie van zijn volk, die in de kunst en het maatschappelijk
leven van Hellas alle lagen van cultuur geheel doortrekt, kan
leeren verstaan. Onze verbeelding gaat te ver, wanneer we ons den
kleinen knaap voorstellen "aan moeders schoot luisterend naar de
gewijde geschiedenis"; minder nog is hier sprake van een soort van
catechetisch onderricht in bepaalde hetzij confessioneele hetzij
moderne richting; over een dergelijk onderwijs spreekt nooit een
van al die oude dichters, die in zoo treffende verzen den teederen
omgang der Grieksche moeders met hare kinderen gedenken. Maar Plato's
uitvoerige polemiek tegen het "poëtisch onderwijs" der kinderen toont
wel duidelijk, dat men daarin vrij ver placht te gaan. In een toon
van groote verbittering richt Plato zich tegen dat onderricht in de
kinderkamer. Hij erkent, dat het kinderlijk verstand, daar het immers
den stevigen kost der verstandelijke waarheid nog niet kan verdragen,
het licht verteerbare voedsel der verdichting noodig heeft. Maar dat
hiertoe de mythologie zooals de vaderen die hebben overgeleverd--eene
aaneenschakeling van verhalen vol logen en bedrog, vol echtbreuk,
doodslag en verraad--wordt gebruikt, dàt noemt hij verderflijk.

De nadrukkelijke wijze waarop Plato dezen strijd bij herhaling heeft
gevoerd, sluit allen twijfel aan zijne gegrondheid uit. Inderdaad,
ook wat in de fabelleer aanstootelijk was naar Plato's meening en
naar de onze, moet zoo'n kleine Athener al zeer vlug hebben leeren
kennen. De handspiegels in de zoo gaarne bezochte toiletkamer
van zijne moeder moeten hem van Aphrodite's hartsgeheimen, van de
geschiedenissen van Danaë en van Leda naar onzen smaak spoedig meer
dan genoeg hebben verteld. Men zou kunnen opmerken dat ook onze
kinderen jaren lang de Venus van Milo kunnen voorbijgaan zonder
te bemerken dat zij meer dan half naakt is. Maar het is hier de
menigte der voorstellingen die aandacht trekt! Telkens weer krijgt
hij een schotel, een kan, een drinkbeker of schaal in handen, die
hem met onomwonden duidelijkheid eene bladzijde uit de chronique
scandaleuse der Olympiërs verklaart! Zouden alle Atheners zoo wijs
zijn geweest dat ze--voor zich zelven en hunne eigene zedelijkheid
blijkens den overstelpenden overvloed van lichtzinnige voorstellingen
onbedacht--zorgvuldig uit de handen hunner kinderen hebben gehouden wat
de "zinnelijkheid der jeugd" kon prikkelen? Het valt te betwijfelen;
maar wie hierin--terecht--eene schaduwzijde van den mythologischen
kunstzin der Grieken ziet, die vergete toch niet, ook op de lichtzijde
te letten. Bij het dagelijks opmerkzaam bezien van al die beelden,
die voor hem staan als in een opengeslagen prentenboek van de hoogste
waarde, leert het oog van den kleinen medeburger van Phidias zich
gewennen aan de schoonheid die eene der levensvoorwaarden is van
het Atheensche volk: de sierlijke lijnen van het vrouwengewaad, in
steeds afwisselende bevalligheid gedrapeerd om de statige gestalte
van Demeter, den vluggen chiton golvend langs de slanke schouders
van Artemis, de door zoo eenvoudige middelen verkregen gratie,
de voorname, in majesteit getemperde handbewegingen der godinnen,
de edele wilskracht van een rustenden Zeus, de boeiende houding van
den citherspelenden Apollo, de lieftalligheid der zingende muzen,
kortom iedere actie van het leven, opgeheven tot eene daad van
Olympische schoonheid, iedere lijn van het menschelijk lichaam
gegrepen in de vlucht der bekoorlijkste beweging. Op de zalfdoos
zijner moeder herhaalt zich, als eene verheerlijking van die zorgen
waarvan hij, toen hij nog héél klein was, vaak getuige mocht zijn,
het toilet van Aphrodite, in de offerscènes op de drinkkannen en
schalen herkent hij in schoonen vorm de gestalte van zijnen in vroom
dankgebed plengenden vader, en gelijk zijne ouders waken dat slechts
zuiver Attische klanken zijn oor naderen, daar zij weten dat "leert
kreupelgaan al wie in 't huis van een manke woont", zoo heeft ook
hun schoonheidszin zorg gedragen dat zooveel mogelijk slechts het
schoone voor zijne oogen komt.

Natuurlijk is het aldus niet altijd en overal. Achteloosheid, gebrek
aan smaak en armoedige slordigheid zullen ook te Athene wel hebben
bestaan. Maar groote overdrijving ligt er toch niet in de hierboven
gegeven voorstelling. De ontzaglijke menigte scherven van voorwerpen
voor dagelijksch gebruik, ook de fragmenten van bronzen en koperen
huisraad, in de laatste halve eeuw uit Attica's bodem te voorschijn
gekomen, doen ons steeds levendiger beseffen, dat Pericles geen
woord te veel heeft gezegd toen hij de Atheners roemde, omdat zij "de
schoonheid in eenvoud betrachtten": dit is de groote kracht van dit
volk geweest--en niemand die de Atheensche musea met aandacht heeft
bestudeerd, zal zulks ontkennen--dat het in de kleine voorwerpen des
dagelijkschen levens, in die dingen die ook voor kleine beurzen te
bereiken waren, is bezield geworden door denzelfden kunstzin die hun
zekere gids was bij de groote scheppingen der Attische kunst.



Het kinderleven, hierboven in vluchtige trekken geschetst, was
inderdaad in hoofdzaak een leven "onder moeders vleugelen". Natuurlijk
bleef in de werkelijkheid de vader niet zoo op den achtergrond als
uit onze schets zou kunnen worden opgemaakt. Maar indien wij naar
hetgeen wij door de oude schrijvers van hem weten zijn verschijnen in
de kinderkamer zouden moeten teekenen--en alleen daarnaar--dan zou de
schilderij door theorie grauwer worden dan goed of juist is. We weten
natuurlijk uit de dichters (als men ook daarvoor bewijzen verlangt)
dat de Atheensche vaders hun jongens lief hadden. Lezen wij de
Grieksche wijsgeeren er op na, dan moest die liefde zijn eene "liefde
met verstand"; dan zijn de vaders het eens geweest met Isocrates,
dat van de opvoeding de vrucht zoet is, maar de wortel bitter, en
vinden zij dat de jongen zulks niet te vroeg merken kan. Zij komen
gaarne controleeren of de jongen al geleerd heeft pijn te verdragen,
of de eerbied, die het beginsel der wijsheid is, al goed bij hem
begint wortel te schieten, en overtuigd dat nooit zal kunnen bevelen
wie niet heeft geleerd te gehoorzamen, onderzoeken zij streng hoe
het met de gehoorzaamheid staat.

Zou de figuur van dezen vader wel geheel in de Grieksche kinderkamer
passen? Zij is samengevoegd uit de dogmatische uitspraken en door
verscheidene nieuwe beschrijvers van de Atheensche educatie met zorg
en nauwkeuriger dan hier geschied is, nageteekend. Maar ongetwijfeld
is zij te somber. Gestrengheid doet--althans later--in het leven van
dezen Atheenschen knaap hare rechten wel gelden, doch voorloopig mogen
wij vertrouwen op den indruk dien ons zijn kinderkamer gaf: een indruk
van intiemen eenvoud. Het leven in deze huislijke omgeving schijnt
juist op dien grond zeer geschikt om hem voor te bereiden voor eene
opvoeding, welker hoofddoel is de kalokagathia, d. i. de vatbaarheid
van den geest en het gemoed voor de waardeering van hetgeen schoon is
en goed. Daartoe nu rekenen de Grieksche theoretici over de opvoeding,
naast het onderwijs, zeer bepaald ook het spel.

Zochten wij in onze schets streng de grenslijnen te bewaren die èn
de leeftijden èn de spelen scheidt, dan behoorde in dit hoofdstuk
alleen over de spelen der kinderkamer te worden gesproken. Wij zouden
dan zeer kort kunnen zijn. Want de Grieksche literatuur, die zooveel
grooter aandacht aan de volwassenen dan aan de kinderen wijdt, zwijgt
bijkans aangaande het eerste kinderspel; en waren de vazen er niet,
men zou over de verknochtheid van Atheensche jongens aan een kapot
paardje, en de liefde der meisjes voor een pop zonder beenen, of de
vriendschap die een hondje aan zijnen jongen baas verbindt, alleen
naar analogie kunnen spreken. Of neen, om van de theoretici te zwijgen,
die over het nut van den hoepel en den tol philosofeeren, en terstond
de spelen zóó willen gekozen zien dat men bespeurt waartoe de knaap
aanleg heeft!--geheel gaat de literatuur die spelen niet voorbij. Het
is wederom de praatzieke Strepsiades, die van zijn bedorven jongen
weet te vertellen hoe knap hij was om huisjes van klei en paardjes
van klei te boetseeren. En dezelfde brave vader zegt later vol
verwijt tot zijn zoon: "Toen je nog zóó, zóó klein was, heb ik van
mijn presentiegeld je op de kermis een klein wagentje gekocht". Maar
deze uitspraak staat zoo zeer op zich zelf, dat ze als een unicum
van de eene beschrijving in de andere wordt overgenomen, en er geen
boek over Grieksche antiquiteiten wordt geschreven, of deze woorden
staan er in. Echter de plastische getuigenissen zijn iets minder
schaarsch, en op hunne autoriteit mogen wij dus verzekeren, dat,
zoo goed als onze kleine jongens paardje spelen, kermisje spelen,
begrafenis of kerkje spelen, ook de Atheensche kinderen in hun hof
of daarbuiten het leven der groote menschen hebben nagedaan.

Dat spreekt eigenlijk van zelf, vooral bij de Grieken, die gaarne
spelen en hun kinderen graag zien spelen. Als een jongen zich afzondert
en gaarne de eenzaamheid zoekt, dan schudden ook de Atheensche vaders
het hoofd. Themistocles maakte door zulk een in zich zelven gekeerd,
vroegrijp leven zijnen paedagoog dikwijls genoeg ongerust. Wat
wonder? Het was niet natuurlijk dat een jongen, in plaats van te
kaatsen of te knikkeren, enkele uitverkoren volgelingen in een hoekje
trok en aanklachten of verdedigingsredenen voor dit verbaasde publiek
improviseerde. Zoo iets is ook in Grieksche oogen ongewoon. Naar
Helleensche opvatting staat het spel onder de onmiddellijke bescherming
der Goden; dit bewijst o.a. het volgende korte verhaal van Plutarchus:
"Eens", zoo luidt het ongeveer, "bedreigde eene aardbeving de stad
Sparta. Onbewust van het naderend gevaar zijn de knapen aan het oefenen
in de palaestra, en de ouderen kijken toe bij hun spel. Daar verschijnt
op eens een verdwaalde haas in het perk, en zijne komst is het sein
voor een wedloop. Voort jagen de rappe jongens den zwerver achterna;
het perk door, het perk uit. Maar nauwlijks is met het haasje de
jongenstroep, flikkerend in het licht, uit de palaestra verdwenen,
of de aarde begint grommend te dreunen, de muren waggelen, 't gebouw
stort in; doch de spelende knapen, Gods gunstelingen, zijn gered."

Zoo is er dus alle reden om in onze beschrijving den knaap niet
dadelijk van de kinderkamer naar school te brengen. In het Grieksche
jongensleven--in hoofdzaak een openlucht-leven--wordt minstens
evenveel gespeeld als geleerd. Ook is het spel daar meer algemeen,
minder afgescheiden naar standen geweest, dan in onze steden, althans
nu, het geval is.

In de kinderjaren zal de moeder toch niet altijd angstvallig gewaakt
hebben dat haar zoontje niet met de kinderen der slavinnen, zelfs
niet met die van zijne voedster in aanraking kwam? De verhouding der
Atheners tot hun dienstpersoneel maakt dat onaannemelijk. De slaven
en slavinnen, althans die niet aangekocht doch in huis geboren
zijn, en die door deelname aan het huislijke offer inderdaad tot
het familieverband behooren, staan daartoe met hun heeren in een te
nauwe relatie, en de slavinnen werken dagelijks aan 't spinnewiel of
't weefgetouw met haar meesteres: hoe kon het dan anders dan dat ook
de kinderen samen speelden? Ook wanneer de knapen ouder geworden
zijn teekent zich het standsverschil nog niet dadelijk zoo scherp
af. Natuurlijk heeft de eene jongen fijner chiton en beter gekleurd
himation aan dan de ander; maar tot op een vrij geringen vermogenstrap
blijven al deze kinderen vrije Atheensche burgers, zich aan elkaar
gelijk gevoelend. De grond van die gelijkheid is dat ze meerendeels
vaders hebben die geen handwerk verrichten. De Atheners en in het
algemeen de Grieken zien met eenige geringschatting neer op die
medeburgers, die van het schoenmaken een gebogen rug of van ander
"zittend werk" een enge borst krijgen; een fabriek te hebben--zooals
de vader van Lysias--is al minder erg: dan laat men zijn slaven voor
zich werken. Maar zelf schoenmaker of timmerman te worden, of een
winkel te gaan houden, waar men zelf en niet door slaven nering deed,
dat zou zeker beteekenen een slagboom te leggen tusschen zijn eigene
kinderen en die van anderen.

Het is waarschijnlijk, dat--nog daargelaten het verschil van
"fatsoenlijkheid" ook bij ons nog tusschen het eene handwerk en
het andere, of den eenen winkel en den anderen gevoeld--ook hierin
de Atheners in 't laatst der vijfde eeuw niet allen meer gelijk
dachten. Herodotus zegt, als hij meedeelt dat ook de Aegyptenaars
de krijgerskaste zooveel hooger stellen dan de handwerkers-kaste,
dat wellicht de Grieken ook dit inzicht van de Aegyptenaren hebben
overgenomen. Blijkbaar vindt hij dus de opvatting zelve niet de
natuurlijkste zaak van de wereld; en te Athene zelf moet wel de
democratie wijziging der publieke opinie hebben te weeg gebracht,
toen eenmaal de presentiegelden voor de volksvergadering het aan
alle handwerkslieden en winkeliers mogelijk hadden gemaakt aan 't
geheele staatsbedrijf deel te nemen zonder financieele schade voor hun
eigen bedrijf. In ieder geval maakte het slavenbezit, al hief dit het
standsverschil niet op, het minder noodzakelijk dat de armere jongens
dadelijk voor het ambacht werden opgeleid; en zoo kunnen wij gerust,
zonder aan de historische waarschijnlijkheid te kort te doen, ons de
jongensspeelplaats vrij "gemengd" voorstellen.

Ook in den manlijken leeftijd bleef het spel algemeen. Bewegingsspel
gold ten allen tijde bij de Atheners als een zeer aanbevelenswaardige
uitspanning, op hygiënische gronden niet alleen, maar ook uit moreele
aanleiding. De overtuiging was bij hen levendig, dat een strijdbaar
volk, om weerbaar te blijven, zijne agiliteit, zoo onmisbaar in
de taktiek der oude infanteriegevechten, steeds moet oefenen;
en die oefening werd te Athene vergemakkelijkt door het groote
aantal der van staatswege onderhouden speelplaatsen en openbare
baden. Aristophanes ziet er dan ook Socrates weinig vriendelijk om
aan, dat hij, in plaats van met de jonge Atheners in hun gymnasium
te balslaan, hen op eene bank in de schaduw lokt om met hen--nog
wel te vergeefs--al debatteerend een antwoord te zoeken op de vraag:
wat nu eigenlijk die ingetogenheid is, die geldt als het hoofddoel
van hunne opvoeding. Ja zoozeer denkt zich de Griek het spel zelfs
bij volwassen mannen als zeer begeerlijk deel van eene natuurlijke
levenswijze, dat ook de dichter die zich droomend verdiept in de
geneugten der Elyseesche velden en de vazenschilder, die eerbiedig
de oorden der eeuwige vreugde afbeeldt in zijne kleine tafereelen,
hun schilderij vullen met spelende mannen.

Wat aangaande die spelen verdient te worden verteld, heeft op
de kinderjaren maar weinig betrekking. Wij hebben natuurlijk het
recht, wanneer de schrijvers zwijgen, ook hier aan onze verbeelding
eenigermate vrij spel te laten. De Atheensche knaapjes--ook al zijn het
jonge Heeren--behoeven wij niet zoo angstvallig alsof het meisjes waren
opgesloten te houden binnenshuis. Zij hebben ook wel met jongens "uit
de buurt" gespeeld, koninkje b.v., zooals in het altijd weer boeiend
verhaal van Herodotus de kleine Cyrus als herdersknaap dat deed met
de jongens van zijn dorp. En de kleine jongens, die wij op vazen even
of oneven zien spelen met noten in de hand, of die zich opwinden met
het raadspelletje dat de Italianen Morra noemen, spelen toch zeker
een straatspelletje. Maar speciaal Atheensch is dit alles niet: die
spelen zijn altijd hetzelfde geweest. Wie zoekt naar echt-Grieksche
spelen vindt voorzeker nergens zooveel verscheidenheid als in het
balspel. Den onuitputtelijken rijkdom van bevallige bewegingen aan
het balwerpen en balvangen eigen, hebben de Grieken nooit opgehouden
te bezingen, sinds Homerus de scène schiep die eeuwig zal bekoren:
Nausicaa met hare gespelen aan 't strand van Scheria. Welk een beeld
van levensblijheid rijst voor onze oogen, als we den jongen Sophocles
ons voorstellen, zelf in zijn drama Nausicaa de hoofdrol vervullend
en aan duizenden zijner medeburgers de vaardigheid van zijn spel,
tegelijk met de voorname slankheid van zijn jonge lichaam, openbarend!

In groote afwisseling, van kinderlijk balkaatsen af tot woest foot-ball
toe, leeren nu de Atheensche jongens de verschillende balspelen en zij
blijven die beoefenen hun heele leven door, in lichteren of zwaarderen
vorm naar gelang van leeftijd en lichaamskrachten. De Staat bevordert
en steunt die oefeningen, en zij behooren tot de opvoeding. De
Atheensche gymnastiekscholen of palaestra's hebben vaak afzonderlijke
sphaeristeria (balplaatsen), en zelfs op de tamelijk enge ruimte van
de Acropolis is een afzonderlijke sphaeristra afgemuurd voor de jonge
meisjes van voornamen huize, uitgekozen tot de eervolle functie van
Errhephoren bij de godin Athena. Wat ons uit de beschrijvingen het best
bekend is, ziet meestal op samenspel van jonge mannen of jongelingen
en komt, zooals begrijpelijk is, in vele opzichten overeen met onze
moderne spelen. Van deze balspelen voor een geheel troepje tezamen,
zijn de meest bekende het spel op de krijtstreep en het grijpbal
(phaininda). Het eerste is zeer geschikt om door kinderen te worden
gespeeld en werd--immers het heet ook allegaar--wellicht door jongens
en meisjes te zamen gespeeld; het tweede is een levendig, soms woest,
spel voor groote jongens, of jonge mannen.

Het spel op de krijtstreep heeft in zijn aanleg iets van lawntennis. Op
het speelveld trekt men in 't midden eene krijtstreep en op deze
wordt de bal--een niet te kleine, helder en levendig gekleurde en
met paardehaar gestopte bal--neergelegd. Achter de beide partijen, in
welke zich de medespelers hebben verdeeld, die zich nu aan weerszijden
van de middenstreep scharen, trekt men daarop ter afsluiting van
de beide "kasteelen" twee lijnen parallel met de middenstreep, en
't spel kan beginnen. De voorspeler van de partij die het eerst aan
de beurt is, neemt den bal van de streep en tracht dien zoo over de
hoofden van de tegenspelers heen te werpen dat hij neerkomt aan gene
zijde van de achtergrens, terwijl dezen er op uit zijn den bal op te
vangen, in zijne vaart te stuiten en zoo ver mogelijk op de andere
zijde van de middenstreep tegen den grond te jagen. Wie gaarne bij
de beschrijving van een oud spel denkt aan iets wat hij zelf heeft
medegespeeld noemt hier beurtelings de namen van kastie, kaatsspel,
lawntennis--maar, om achtereenvolgens ieder van die vergelijkingen
weer op te geven. Want een scherp onderscheid tusschen het antieke
spel en de genoemde of soortgelijke nieuwe spelen is gelegen in
den sloteisch: al vangend en werpend de tegenspeler zoowel als den
bal over de achtergrens van de tegenpartij te drijven. Niet alleen
verliest dus die partij één punt, die den bal over haar hoofd laat
vliegen, zoodat hij over de achterlijn neerkomt, doch ook degene die,
om hem te grijpen, achter de grenslijn moet terugwijken. En om hierin
de taak eenigszins gelijkmatig te verdeelen, zal men den bal wel niet
al te licht hebben gemaakt; hoe gemakkelijk zou het anders geweest
zijn om aan de tegenpartij den strijd en de overwinning onmogelijk
te maken door den bal hemelhoog te gooien.

Op allerlei wijze brachten de Grieksche jongens afwisseling in dit
spel. Soms waren ze ieder bij beurten op de rij balwerper, soms lieten
zij het aan het toeval over, wie den bal zou grijpen en daarmee het
noodige doen. Men kon voorts bij 't begin het lot laten beslissen wie
't eerst zou mogen werpen, of ook deze beslissing laten afhangen van
een voorafgaanden wedloop naar de middenstreep. En zoo kunnen we ons
nog vele variaties denken, mits we maar in het oog houden, dat er
onderscheid moet worden gemaakt tusschen het spel van de streep en
het Grijpbal, dat naar den aanvang van een zijner vormen ook wel heet
"Laat den bal eens kijken".

Dit spel zou men, eer dan het vorige, met ons voetbal kunnen
vergelijken, indien het niet wat dwaas was aan het voetbal te
herinneren bij een spel dat geheel met de handen en volstrekt niet
met de voeten werd gespeeld. Dit zeer levendige spel begint aldus,
dat een der spelers (die zonder twijfel bij dit spel ook in twee
partijen waren verdeeld) een schijnworp doet, "den bal laat kijken"
aan een van de tegenpartij, d.i. den schijn aanneemt als of hij
hem aan dezen zal toewerpen en hem dan daarop snel naar een ander
(of misschien ook wel eens juist om de verwarring te vermeerderen
naar dezen) werpt. Het zal na een paar gelukkige herhalingen van deze
inleiding niet lang hebben geduurd, of de bal raakte den grond. En dan
wordt het een jagen en rennen, een stooten en grijpen en ravotten dat
aan het onstuimigste Rugby herinnert. In een fragment van een verloren
blijspel staan eenige regels ter beschrijving van de levendigheid
waarmee dit spel werd gespeeld: "Hij nam den bal--zoo heet het daar
ongeveer--en had er pleizier in, dien aan den een te presenteeren,
doch den ander te ontwijken... één drukt hij weg, een ander beurt hij
overeind. En luid klinken de commando's: "Buiten om; den langen weg;
langs hem heen; over zijn hoofd; beneden langs; naar boven; sla kort
terug; weer op je plaats"".

Deze reeks van bevelen is juist duidelijk genoeg om ons te doen
gevoelen dat we ook van dit spel de finesses niet kennen; doch zooveel
zien we er althans wel uit, dat het niet een taak voor kleine jongens
was worstelend mee te tasten naar den bal, die--zooals een Grieksch
schrijver het uitdrukte--"gelijk een wilde deern huppelt van den
een naar den anderen man, zonder één oogenblik op de zelfde plaats
te blijven". Dit balspel is mannenwerk. Mij dunkt, als Alexander de
Groote in zijn legerkamp den krijgsmantel aflegde en zich liet zalven
om met zijne edelknapen aan 't balslaan te gaan, dan gold het zulk een
"grijpbal".

Maar naast deze forsche oefeningen stonden verscheiden balspelen
die meer vroegen naar bevallige behendigheid dan naar kracht. Van
dien aard waren de spelen door de luchthartige Phaeaken ter eere
van hun gast Odysseus uitgevoerd. Toen vorst Alkinoos aan Halios en
Laodamas opdroeg eene proeve van hunne danskunst te geven--zoo verhaalt
Homerus--"namen zij den schoonen purperen bal, een kunstwerk van den
vaardigen Polybos. Toen wierp de een, den nek achterwaarts buigend,
den bal hoog naar de schauwige wolken, en de ander hoog opspringend
greep dien, aleer nog zijne voeten den grond weer hadden bereikt".

Geen Athener kon deze boeiende beschrijving lezen, geen Atheensche
jongen haar voor het eerst door een ouderen vriend hooren voorlezen,
als op het tafereeltje ons in eene schoone drinkschaal bewaard, of hij
voelde dat hier zijn "luchtbal" (ourania) werd beschreven. Vooral dat
"achterwaarts buigen van den nek" is hem zeer familiaar. Hij heeft dit
spel van zijn eerste jeugd af gespeeld, soms met twee, soms met drie
of meerderen. Maar dit is een van die spelen die tevens leeren zijn,
en nooit hebben zijne leermeesters verzuimd er op te letten dat hij
het hoofd bevallig wenden zou en den hals sierlijk buigen onder het
werpen, dat hij springen zou met slanke gratie en neerkomen licht en
veerkrachtig. Het ouraniaspel kan men op iederen leeftijd spelen,
maar voor de naakte jongenslichamen is het een van de geschiktste
oefeningen in bevallige vlugheid.

Waartoe de reeks uit te putten? Er zijn nog zoovele balspelen die men
noemen kan. Jongens en meisjes--vooral meisjes--kaatsen gaarne met den
bal tegen den grond of ze werpen dien tegen den muur; en zij kunnen dat
zoo noodig in hun eentje doen. Maar Grieksche kinderen vinden ook een
spel eerst echt, als er een element van wedijver in is. En zoo geldt
bij vele dezer spelen: wie 't wint is Koning. En wie 't verliest? Die
is Ezel. Hem mag de koning bevelen wat hij wil; en dìt is zoo goed als
zeker, dat de reeks van bevelen zal eindigen met een lastgeving aan
den Ezel om zijn Koning op den rug te nemen en rond te rijden. Legt
hij daarbij zijnen Ezel de handen op de oogen, dan ontwikkelt zich
daaruit een van de tallooze blindemanspelletjes, die de Atheensche
kinderen kennen. Aan werkelijke blindemanspelletjes zoowel als aan
zulke, waarbij het blinddoeken of oogensluiten alleen tot inleiding
voor een ander spel dient, zijn de Grieken zeer rijk. Kenmerkend
onderscheiden zich die spelen eigenlijk voornamelijk alleen hierdoor,
dat het karakter van openluchtspelen er duidelijker bij op den
voorgrond treedt. Bij het eigenlijke blindemanspelletje "de Vlieg"
(mosca ceca zeggen de Italianen) laat men niet--zooals binnenskamers
bij ons--den geblinddoekte vrij ronddwalen. De Grieksche kinderen
omgeven den blindeman in een kring. Zoodra hij geblinddoekt is, begint
hij te zingen: "ik ga op vliegen jagen" en steekt de handen uit om een
uit den kring te pakken. Maar de anderen zingen terug: "wel jagen;
maar niet vangen", en ze slaan hem--als plagende bromvliegen--met
hunne riempjes, tot hij een van hen grijpt.

Dit is een gewoon blindemanspel, maar de Atheensche kinderen kennen
eene reeks van spelletjes, die met blinddoeken beginnen, doch
waarbij het spel na die inleiding verandert. Grootendeels zijn dit
spelen waarbij het op handigheid van beweging, scherp opletten, vlug
raden aankomt. Maar van de meeste dier spelen zijn ons beschrijvingen
overgebleven zóó duister... alsof een van de Atheensche jongens zelf,
met de bekende ongeschiktheid van kleine spelers om hun spel uit te
leggen, die beschrijving had opgesteld. Die allen te ontwarren, is niet
de taak van deze schets. We noemen er enkele, die van onze moderne
spelen zich min of meer onderscheiden. Merkwaardig is bijvoorbeeld
het spel dat de Grieken "de Pot" noemen. Waarschijnlijk werd dit aldus
gespeeld. Een zit in 't midden: hij heet "de Pot". Snel in een kring
om hem heen rondloopend, trekken de anderen hem aan zijn haar en zijne
kleeren, zij geven hem een tik of knijpen hem, maar zij blijven in
snelle beweging rondgaan, want hij, dien de middenman, ronddraaiend
op zijn plaats als een pot op de schijf van den pottebakker, grijpt,
die moet in diens plaats gaan zitten.

Ook dit spel heeft weer zijne variaties. Soms b. v. is er een
wezenlijke pot in 't spel. De jongen die daarop moet passen houdt den
pot aan den rand vast, terwijl hij daarbij rondloopt. De anderen draven
in een kring om hem heen en geven hem klappen, terwijl zij roepen:
"Wie past op den pot?"--"Ik, Midas", antwoordt hij en tracht wie hem
slaat, met den voet aan te raken; wat natuurlijk niet heel gemakkelijk
is, omdat hij den pot niet mag loslaten.

Dit Potspel zal wel onder de spelen voor kleine jongens behooren. Het
is een vrij kalm vermaak, en vooral Pot of potbeschermer te zijn was
een zoet, wel wat vervelend werkje. Natuurlijk kunnen ook grooteren
het daarom wel gespeeld hebben; want het heeft veel van het door
iederen leeftijd gespeelde kollabisme, een soort van blindeman,
waarbij de jongens den geblinddoekte slaan en hem daarna laten raden
("profeteeren"), wie het is die hem geslagen heeft.

Terloops zij hier opgemerkt dat, juist als in onzen tijd, klappen
geven bij al deze kinderspelen schering en inslag was. Zoo bijv. ook
bij de oud-Grieksche manier van ons "zakdoekje-leggen". Niet alleen
toch moet de jongen die niet heeft bemerkt dat het "eindje touw"
bij hem is neergeworpen, op zijne beurt het touwtje leggen; maar hij
moet eerst den kring rond en krijgt bij die gelegenheid van elk der
spelers een tik. Merkt hij het wel, dan springt hij op en loopt den
legger achterna om dien, zoo hij hem grijpen kan een klap te geven. En
ook in die aftikmethoden hebben ze weer allerlei afwisseling.

Oud zijn natuurlijk al deze spelen, niet in de laatste plaats diegene
waarbij òf een naam wordt genoemd òf een deuntje wordt gezongen,
voor de kinderen zelf niet recht meer begrijpelijk. Waarom zij den
potbeschermer Midas noemden--toch zeker wel een andere Midas dan de
koning met zijn ezelsooren--dat wisten zij geen van allen. En of de
pot, dien Midas moest beschermen, iets te maken had met de schildpad
(chelone) in de meisjes-editie van dit zelfde spel, was hun zeker
evenmin bekend als ons. "Ongeveer gelijk aan 't chytra (pot) spel"
heet bij de Grieksche geleerden dat meisjesspel. Meer weten wij er dus
niet van, maar aan ons fantaseerend gissen van oude herkomst opent
het een ruim veld, alleen reeds omdat het een van die eigenaardig
geheimzinnige refreinspelen is. De meisjes huppelen om de eene die in
't midden zit heen en roepen op zingenden toon haar toe:


    Zeg, schille-schildpad, wat doe jij in 't midden daar?


Deze antwoordt:


    Ik wikkel wollen garen en Milesisch draad.


Dan de anderen weer:


    Wat heeft je zoon misdreven, dat hij 't leven liet?


En zij:


    Hij heeft zich op een sneeuwwit paard in zee gestort.


Sneeuwwit--leukos--zoo heet ook de rots, de Leukadische, van welke
zich, in de legende der dichters, Sappho, verteerd door ongelukkige
liefde voor den schoonen Phaon in de zee stortte. Wie zal zeggen
welke banden die legende met het meisjesspel der Atheensche kinderen
vereenigde? Oude cultusgebruiken en ritueele dansen schuilen niet
zelden in zulk een kinderspel weg.

De spelencatalogus die nog zou te bespreken zijn, is lang, want
de Grieksche kinderen hebben in de bewegingsspelen eene groote
vindingrijkheid gehad, vooral in die combinatie van blindemanspel
met krijgertje en verstoppertje, die naast de handigheid de vlugheid
oefenen. Men mag zonder twijfel in dezen rijkdom ook wel de leidende
hand van ouders of paedagogen erkennen; het spel is een onderwerp
van studie, voor philosofen zelfs als Plato en Aristoteles, en het
was te verwachten dat vele hunner hoorders in eigen kring toepasten
wat ze van hen over goed spel hadden gehoord.

Of die philosophische waardeering van het spel naar zijnen physieken
of ethischen invloed aan de jongens zelf de meest aanbevelenswaardige
methode scheen, mag misschien betwijfeld worden. Zeker zijn bij
de jongens sommige spelen in eere juist omdat zij kracht of moed of
karakter eischen, en wanneer Plato zegt, dat er een aantal spelen zijn
die jongens overal van zelf beginnen te spelen zoodra ze bij elkaar
zijn, dan heeft hij waarschijnlijk ook wel aan zulke soorten van
spel gedacht. Probeeren wie de sterkste is in zijne handen of in zijn
nek is daartoe een begin; eene waardeering van hoogere eigenschappen
ligt er aan ten grondslag, als de jongens probeeren wie het langst
onder allerlei plaagzieke of pijnlijke aanvallen stil kan blijven
staan. Al deze spelen dragen met elkander een karakter van oefening
en inspanning, waardoor ze ook bij ouders en voogden in aanzien zijn:
ze gelden als opvoedend.

Maar als Plato spreekt van "natuurlijk opkomende" spelen, dan is
daarbij die reeks van "spelletjes" niet te vergeten die met den
winlust, met het hazard samenhangen. "De Lydiërs", zegt Herodotus
ergens, "beweren dat de Grieken van hen de meeste hunner spelen hebben
geleerd, het bikkelspel, het balspel en andere dergelijke. Zij hadden
namelijk zelf die spelen uitgevonden bij een hongersnood, om zoodoende
zich zelven er toe te brengen slechts om den anderen dag te eten. Bij
't spel--hoopten ze--zouden zij den maaltijd wel vergeten. Maar
onder deze uitvindingen rekenen de Lydiërs het dobbelspel niet. De
dobbelsteenen aanvaarden zij niet als Lydisch".--Het is niet
onwaarschijnlijk dat de Lydische zegslieden van Herodotus--of ook
de historicus zelf--door deze laatste zinsnede een vonnis over de
dobbelsteenen heeft willen vellen. De meeste Grieken denken over de
teerling niet zoo streng, en rekenen het eene verdienste van Palamedes
dat hij zulk een voortreflijk uitspanningsmiddel voor matrozen, die
òp zijn van 't roeien, heeft uitgedacht. Maar--de dobbelsteen is voor
den man; de knaap mag met koten spelen.

Van de koten, de astragaloi zou men, als een Grieksche jongen gekleed
was gelijk een Hollandsche, kunnen zeggen dat hij ze altijd in zijn zak
had. In elk geval kennen wij de Grieken niet zonder bikkels, en kent
geen onzer die Homerus gelezen heeft ze niet. Wie denkt niet aan de
nachtelijke verschijning van den gestorven Patroclus? Naast Achilles'
leger aan 't zeestrand staat de schim, smeekend om de begrafenis, opdat
niet langer de dooden haar weren uit de plaats der eeuwige rust. En
dan zegt de doode: "Geef mij uw hand, Achilles, en zweer me--want ook
uw dood is nabij--dat gij zorg zult dragen, dat uw gebeente en het
mijne in ééne lijkbus rusten. Wij willen in den dood vereenigd zijn
zooals wij dat waren in het leven. Van jongs af! Weet gij het nog,
hoe mijn vader Menoitios mij bracht aan het hof van uw vader Peleus,
ter bescherming omdat ik had moeten vluchten? Immers ik had een
anderen knaap dood geslagen in mijne woede, "driftig over de koten."

Het is een droevig tafreel dat bovenaan staat in de geschiedenis
van het bikkelspel bij de Grieken, en wie het leest kan nooit laten
zich weer af te vragen: Wat zou hij gespeeld hebben met "den zoon
van Amphidamas", die arme Patroclus, wiens geheele houding van
ernst tegenover Achilles door deze geschiedenis zoo treffend wordt
toegelicht? Zou hij geraden hebben (geknobeld)? En zouden ze het
toen over "even of oneven" oneens zijn geworden? Of zouden ze gewoon
hebben gebikkeld? Het tweede spel is meer waard dan het eerste en
geeft zeker niet minder aanleiding tot heftigen twist.

De Atheensche jongens en ook de meisjes spelen dit kotenspel bijzonder
graag. Ze werpen de koten uit de hand, juist als bij ons de kinderen
plachten, maar zij gebruiken er naar 't schijnt geen stuiter bij,
zooals onze meisjes doen. De koten hebben natuurlijk zeker waarde
naar de wijze waarop zij vallen: iedere zij, de platte vlakken,
het bolle en het holle zijvlak hebben hun eigen getal, en al is de
getallencombinatie, daar de smalle zijden van zelf niet meerekenen,
minder groot dan bij den dobbelsteen, afwisseling is er genoeg in het
spel, dat uit den aard op verschillende wijze kan worden gespeeld en,
veel meer dan het dobbelen, ook voor kinderen geoorloofd wordt geacht.

Zoowel dat dobbelspel als de andere hiermee verwante spelen der
Atheensche jongens hebben zoo groote overeenkomst met onze spelen,
dat het volkomen overbodig is er lang bij stil te staan. Maar wel
moet iets worden gezegd over het schervenspel.

Met scherven spelen de Atheensche jongens op allerlei manier, en ze
houden dat lang na den kinderleeftijd vol. Ze vinden zich niet licht
te deftig om platte "zeilsteentjes" zoo over het water te keilen dat
ze drie of vier malen opspringen; noch zijn ze lang in hun eigen
schatting te jong om mee te doen, als de scherven "in 't kuiltje"
moeten worden gegooid. De allerjongsten zijn van zelf uitgesloten,
als er geld bij te pas komt; dan wordt echter de variëteit zelve van
't spel levendiger. Want er is precisie en behendigheid toe noodig
om een muntstukje, dat in een kring is gelegd, juist zóó met de
geworpen scherf te raken dat het kantelt en op zijne keerzij komt
te liggen, en dan weer een andermaal het zoo te treffen dat het uit
den cirkel wijkt. Mannen spelen dat en groote jongens--men denke
alleen maar aan het benoodigde kapitaal in koper!--Maar op iederen
leeftijd kan men opgooien met scherfjes of met bikkels. Hoe gaarne
teekenen de vazenschilders de gracieuze Attische meisjes bezig met dat
spel. Bevallig is de slanke arm uitgestoken, met de fijne handpalm. Met
eene vlugge beweging zijn de drie of zelfs vijf kleine steentjes uit
het holle der hand opgeworpen en nu is de kunst "alle vijf" te vangen
op den rug der hand. Tollen met de munt op den nagel van den duim is
daarnaast een geliefd kunstje, en niet minder het eigenlijke tolspel.

Terecht is daarbij meer dan de bedaarde en eentonige priktol de
drijftol in eere. De lustige drijftol was reeds voor de vorsten, voor
welke Homerus zong, een familiaar speeltuig. Hoe zou anders de oude
zanger er toe gekomen zijn van Hector te verhalen dat hij, getroffen
door een steen, "ronddraaide als een drijftol?"--De vergelijking is
drastisch en zij vond navolging. Callimachus maakt er van gebruik,
terwijl hij de jongens met hun drijftol laat spelen "op den breeden
driesprong"; maar Vergilius teekent in een van die keurig verzorgde
pericopen waarin hij de oude homerische beeldspraken uitwerkt tot
tafreeltjes van de meest verzorgde détailkunst, de jongens met hun
vliegenden drijftol "in de ruime atria". Onze Atheensche knapen
zullen wel niet zooveel "ruime atria" tot hunne beschikking hebben
gehad als de voorname senatorenzonen die aan Vergilius voor oogen
stonden. Het Atheensche tolspel denken we ons waarschijnlijk te recht
grootendeels op straat, zoo goed als het "bok, bok, sta vast" en het
lijntje trekken.

Het zal ook wel meestentijds in de open ruimte van een marktplein
zijn geweest, dat de Atheensche knapen zich samenschikten voor hunne
wedkampen van kwartels en hanen, imitatie van de speelwoede hunner
vaders en oudere broers. Een lievelingskwartel te fokken ergens
thuis in een hoekje van de binnenplaats, welk Atheensch vader zou
het zijn zoontje niet hebben vergund, even goed als hij hem den
kleinen keffenden spits gunde die op zoovele Atheensche reliëfs,
zelfs op grafmonumenten, de metgezel der knapen en jongelingen
is.--Maar meestal is het een Atheenschen jongen niet genoeg een'
vogel op te kweeken of enkele tamme kunstjes te leeren. Zijn ideaal
is hem te dresseeren dat het een goede vechtvogel wordt; dan draagt
hij hem rond en toont hem aan zijne vrienden en hij houdt hem bij
zich onder zijn overkleed. Alcibiades droeg zijn lievelingsvogel
nog bij zich, toen hij al volwassen was en zich reeds mengde in de
politiek; hij kwam er mee in de volksvergadering. En toen hij eens,
bij een voorstel om eene vrijwillige oorlogsbelasting te heffen,
zijne royale instemming wilde betuigen en onder den luiden uitroep
"ik doe ook mee" zijne beide armen omhoog hief, vergat hij dat
hij een kwartel onder zijn kleed had, en de vogel vloog weg. Toen
vergat het souvereine volk van Athene zijne staatsbeslommeringen,
allen stoven den lieveling van hun lieveling achterna. En de man
die den vogel greep en aan Alcibiades terug bracht, heeft daardoor
een naam in de wereldgeschiedenis gekregen: hij heette Antiochus,
en Alcibiades heeft altijd goed voor hem gezorgd.

Deze anecdote, door Plutarchus verhaald om te bewijzen hoe verzot
de Atheners op Alcibiades waren, kan tevens ten bewijze strekken
hoezeer zij van kwartels en kemphanen hielden. En hoe zouden zij
niet! Van staatswege werden er immers wel hanegevechten gehouden,
en de eere-zetel van den Dionysospriester in het groote theater van
Athene, de hoogste eereplaats in den geheelen schouwburg, is op den
zijwand versierd met een zeer geestig gebeeldhouwde afbeelding van
een paar vechtlustige kemphanen. Zoo zullen dus Atheensche vaders
er minder bezwaar tegen gehad hebben dan bij moderne ouders het
geval zou zijn, dat hun jongens kwartelwedstrijden houden. Eerst
gaat dat vrij eenvoudig. De concurrenten trekken een kring op den
grond, zetten daar hunne kwartels in, en nu begint de wedstrijd:
elk der beide jongens mag, natuurlijk met inachtneming van zekere
stipt voorgeschreven wetten, met zijn middenvinger den kwartel van de
tegenpartij op den kop tikken, ja zelfs hem plukharen, en de kwartel
die dan het eerst met den kop in de veeren wegwijkt uit den cirkel
heeft het verloren en wisselt van eigenaar. Maar dit spel is voor
vogels en jongens beiden niet meer dan eene inleiding. Knapen van
meer ervaring en vogels van meer training hebben prikkelender spel
noodig. Dan vechten de kwartels zelf met elkaar, aangehitst door het
schreeuwen en drijven hunner meesters, en als de vogels, wild door
't gesis en geschreeuw, elkaar de vederen uitrukken, ja misschien
de oogen uitpikken--wel dan geniet het Atheensche jongenspubliek
met even groot enthousiasme als in het Dionysostheater hunne vaders
wanneer de hanen vechten "met echte sporen".

Ook bij de Atheners rees wel eens twijfel of zulke hanengevechten
wel zoo heel heilzaam voor hun jongens waren. Maar als een of
ander zedemeester hen kwam vragen, of dit nu een schouwspel was,
Marathonstrijders en hun kleinzoons waardig, dan hadden zij toch
hun antwoord klaar. "Wanneer mijn jongen--zoo zeiden ze dan--die
kleine vogels ziet plukken en bijten om de overwinning, tot ze er
half dood bij neertuimelen, dan zal hij duidelijk leeren gevoelen,
hoe schandelijk het wezen zou minder te zijn dan zoo'n kleine kwartel,
en ooit een strijd op te geven omdat men een paar onnoozele wonden
heeft opgeloopen.

Niet alleen vaders uit de oudheid denken er zoo over. Maar in de
Atheensche beschouwing valt bijzondere nadruk op het denkbeeld van
den wedijver. Dat al die spelen voor grooter en kleiner jongens de
eerzucht prikkelen is onmiskenbaar en den Atheenschen ouders is dat
zeer naar den zin. Want in het spel zien zij gaarne eene inleiding
voor de schoolopvoeding. Het kinderspel moet de aandacht wekken, de
leden rap maken, de wilskracht stalen. Vangt daarmede het spelende
kind aan, de jongen zal het voortzetten; de Atheensche scholier zal
alleen de kalokagathia die den Attischen burger stempelt bereiken,
als met de oefening van zijnen geest die van het lichaam gepaard gaat.

Zoo voert iedere spelbeschrijving, die niet uitsluitend aan den hier
herhaaldelijk genoemden grammatischen catalogus van kinderspelen is
ontleend, doch ook steunt op hetgeen de schrijvers er ons over zeggen,
ons weer terug naar de theorie. Bij alle onthouding van staatswege zijn
de Grieken toch altijd zeer vasthoudende opvoeders geweest; ook het
spel bespreken zij bijna nooit anders dan als een van de middelen tot
educatie. Onze schets heeft dat niet gedaan; wij hebben voornamelijk
gevraagd: "waarmede hielden de jongens zich bezig?" en daarbij geene
volledigheid gezocht. Stelde niet de leeftijd, dien wij bespraken,
grenzen aan de beschrijving, dan zou hier naast een enkel woord over
triktrak en damspel ook nog met eenige uitvoerigheid van het beroemde
kottabosspel moeten worden gewag gemaakt. Maar een tafelspel, hierin
bestaande dat de gasten wedijveren wie uit beker of schaal met de
meeste vaardigheid en gratie door eene rappe polsbeweging (niet met
een plompen zwaai) een klein restje wijn--niet een plas!--zóó kan
opwerpen naar een hooger opgesteld bekken, dat met een voorgeschreven
welluidenden klank de wijn in het metalen bekken valt--zoo'n spel is
opwindend en pleizierig--wie zal het tegenspreken?--maar geen spel voor
jongens. Hoogstens zullen dezen zich in mik-zekerheid kunnen oefenen
door voorbereidende exercitiën met water. Daar ze geen symposion
houden en dus geen bekers, nemen zij een teug water in den mond, en
passen zoo een vorm van kottabos toe, die nog altijd--ook bij onze
straatjongens--in de mode is.



II


Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine
Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op
eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een
vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der
Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende
zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra
hij--op zijn zevende jaar--naar school gaat. Als zijn ouders het
eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn' weg een vertrouwde slaaf
van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is de paedagoog. Zijne
figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap,
die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de
moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk
een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.

De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men
voor eenen slaaf die een' jongen naar school brengt zou verwachten,
en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren
tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer
uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het
overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den
voorgrond gekomen. Immers agoge beteekent niet slechts "geleide", maar
ook "leiding", en in de oude tijden was dan ook--vooral in vorstelijke
kringen--de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van
den jongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het
zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de
latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren
aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de
herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en
eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan
aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die
aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar
het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de
aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:


    Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zien
    met eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,


die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes
geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden
van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele
aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij
staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf
alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van
beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe
te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?

Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens
vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse
geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar
hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de
verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren
oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden
was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk
de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen
had gekend; want de Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in
duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof
van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel,
doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover
Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus
heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En
Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst
gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen--maar
straks leert hij hem ook:


    èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.


Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een
knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man
is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding
staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij
zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat
mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den
idealen paedagoog vereeuwigd.

Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij
dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen
omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe
aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk
eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme
zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon
Adrastus, wien, als hij aan Croesus' hof opname en reiniging van
schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus' zoon wordt toevertrouwd.

Ofschoon dus in die oudere tijden--tijden van voortdurenden onderlingen
roof--het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan
die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft
ons het epos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat
de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.

In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor
de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich
getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen
geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de
voor- en tegenstanders van het "Laconisme". Het is de moeite waard
te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk
in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde
van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de
regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf
zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers
aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te
zien. Hij heeft de bevoegdheid om--onafhankelijk van het oordeel
der ouders--de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te
controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij
de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze
heeft "allen weerbaar". Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen
dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een
soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen
wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens
toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke
moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomos afwezig, dan
is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in
zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.

Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te
zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire
tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden
toegepast. Er is zonder twijfel tusschen Spartaansch en Atheensch
jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat
in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn
geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot
hun uiterlijk optreden.

Er is een Grieksch woord, eukosmia, dat door het Hollandsche "fatsoen"
of "ordentelijkheid" slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die
eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den
mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan
de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar
hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de
kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat
hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks;
hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem
een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch
tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden
paedagoog, die--met de schoolboeken en de lier van den "jongenheer"
in de hand--achter hem aanwandelt.

Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons
niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of
Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar
die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat
de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur
blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize,
en--al geeft hij meer den indruk van tot den "staf" des jongen
deftigen Atheners te behooren--blijft zorgen voor hetgeen hem in den
ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op
toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want
straatslijpen is uit den booze.

Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid
van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in
hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn
ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier
weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over
het Grieksche knapenleven: "waar is bij dit alles de vader?" Wandelde
dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem
de namen te doen lezen van hen--zijn eigen voorvaders misschien--daar
begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor
't vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half
begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel,
de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij
niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een
nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur,
doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?

Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou
ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch
vader zijn' jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij
zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar
sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan
zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar
de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en
met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar
dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt
is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat
men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat
hij "zediglijk en ingetogen" schuin overstak over het plein, en een
eventueele boodschap aan zijn vader, die daar "over staatsbelangen"
delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja,
de spreker in eene van Lysias' redevoeringen gaat zoover, dat zijne
woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene
parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter
zijne eigene deugdzaamheid aldus: "Wat mij aangaat, ik ben nu dertig
jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij
een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt,
maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven
zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof."

Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In
de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door
de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de
leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De
staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast
de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid
van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen
verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge
geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan 't bikkelen,
een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich
lang-uit vóór het span op den grond te werpen?

In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van
Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen
van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons
nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens:
troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten
der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,--ja,
dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen
tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg
uitging, spoedig door een zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling
van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch
die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden
voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong
man aangaande zijne eigene jeugd: "Mijn vriend en ik zijn van onze
jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest,
dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers
plachten te gaan". Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge
vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van
een onafscheidelijk tweetal paedagogen.

Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten,
waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen
of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel
voorbereiding en werkelijke training noodig dat de "choreeg", d.i. de
vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd
op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker
mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd
zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens
inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te
eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch
aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een "choreeg" behalve
aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?

Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige,
zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende
paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord
de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht,
zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele
relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding,
die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attische
vazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.

Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde
de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen
dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders
hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een
nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins
in Plato's dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een
afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène
van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde
en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche
jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige,
door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees
om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling
en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer
niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het
dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder
moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid
bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van
gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling
"als twee daemonen" de paedagogen van Lysis en Menexenus met de
jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te
gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de
jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide
geleiders een hoogen toon aan, en "in een taal die nu juist niet
het zuiverst Attisch was" staan ze Socrates te woord op eene wijze,
die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra
beker hebben gevierd.

Plato's kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneer men
bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks
beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten
aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen
gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit
hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat
Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die
hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap
zegt. "Menexenos", zoo zegt hij, "er is één ding waarnaar ik al van
jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben
ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten,
een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch
al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht
begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis,
en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat
gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht,
reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs
mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden."

De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein
dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk
aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met
gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een
denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om
de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen
te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne
voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van
den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is
het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman
op straat mee te geven, niet uitgesleten, vermoedelijk is zijne rol
wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de
Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten
en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen,
de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege
komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht
op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht
en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in
eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het
Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het
Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden
wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het
oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, de eukosmia, der
schoolgaande knapen--en ook der meisjes--die de offers voor hun welzijn
bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen
grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.

Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op
dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de
staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en
opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling
wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is,
en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn,
in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit
eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de
burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat
in het eerste tijdperk van zijn' bloeitijd zelden in die opvoeding
ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram,
staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens
met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheensche
staat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te
doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato's Crito, waar
de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen
tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem
op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van
zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in:
"Socrates", zoo zeggen zij, "hebben wij niet het huwelijk tusschen
uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt
gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit
ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding
der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de
opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen
onderrichten?"-- Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene
hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van
onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen
hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen
dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag
immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen
door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs
de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de "Ridders"
van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere
schaamtelooze doortraptheid, de "man of the street" die er zich
op beroemt "op de markt te zijn opgegroeid", moet bekennen dat hij
"helaas" een beetje lezen heeft geleerd.

Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het
onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens
de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van
het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee
kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden of zeven inkomen
in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen
wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden
(op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan
als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder
geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.

Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van
staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs
niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte
inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties
bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den
prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra
worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens
hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En
dan--in de derde eeuw--vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen
die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger
van Teos--niet ver van Ephesus--aan zijne stad een kapitaal van 34000
drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers
in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus,
een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver
(ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10%
berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen
der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in
het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde
leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt
uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend,
zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand
voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen
koning 18000 Attische drachmen had ontvangen ter bestrijding van de
onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk
ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed
van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst
van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen
worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze
toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste
eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van 't onderwijs
en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel
was geworden. Maar dat in Athene's bloeitijd de staat den burgers dezen
plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens
een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal
van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners
in 480 bij de nadering van Xerxes' leger hunne stad ontruimden,
zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun
vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en
Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen
van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld
uit te betalen.--Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of
het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de
Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg:
de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig
van de Atheensche ouders over.

Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat--met uitzondering
wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking--het aantal
burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens
rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de "gealimenteerden",
de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene
subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld
eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk is daarmee
niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het
groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren;
de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost
kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk
moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven
der Atheensche maatschappij niet slechts het "straatslijpen" maar
ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon
dus de "manteldieven" en de "beurzensnijders", die 's nachts en in
de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden,
hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in
de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het
zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen
wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene
eene talrijke politie.

Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij
voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we
er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die "zoon der markt op
straat gewonnen en geronnen", lezen had geleerd, al was 't ook maar
"een beetje en heel slecht".



Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar
school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de
"armelui's kinderen", gelijk zij er ook langer blijven. De democratie
heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot
onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in
Aristophanes' Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn
allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. 't Goedkoopst komt
men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen
lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om--voor een paar
dubbeltjes--de kinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren,
zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit
Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen,
en gelijk--naar een meer betrouwbare overlevering--Epicurus het
als jongen deed "ter assistentie van zijn vader".--Maar vermogende
Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet
voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden
georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar
reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag
te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel
op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de
vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er
naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district
samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:


    "in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel".


Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn
geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens
den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de
kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar
in dat aantal niets ongewoons.

Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine
jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn
wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en
gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls
door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij
zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten;
de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine
klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze "voor het front" moeten
komen. Een Pompejaansch fresco, bij jong en oud bekend om de levendige
afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in
een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet
veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige
ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen,
een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen:
"zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen"? De grens tusschen
werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de
"fatsoenlijke" school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander
voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines--zooals
Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert--als kweekeling
van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht,
"de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend".

Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het
onderwijs staatszorg begon te worden, en in 't bijzonder door de
instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan
voor het "voortgezet onderwijs", lichten inscripties en monumenten
ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard,
getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in
vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige
bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud
van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een
munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen,
met name die te Pergamum. Het gymnasium--oorspronkelijk slechts eene
openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum
overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld
een geheel gebouwencomplex--is aldaar een schoolgebouw, over drie
terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijk
zien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij
ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele
jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker
muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn
uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken
aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.

Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen:
tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de
eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo
heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd
of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede
families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig
geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn,
in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne
dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger
lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon's Hellenica,
welke magische kracht er uitging van het woord "schoolkameraden",
waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos
de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?

Schoolkameraden--dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten
van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze
onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een
onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer
bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der
hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze
regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de
oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor
besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600
drachmen betalen, te Milete uit het fonds van Eudemus 30 drachmen
in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient
opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt
uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke
periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart
daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus
laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades,
waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning
Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de
hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers
en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen
met den smalenden toon van Demosthenes' woord tegen Aeschines:
"Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een
schoolmeestertje". En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines'
vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes,
alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan
't schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die
menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten
(lagere onderwijzers) vormden.

Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders
met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden
waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing
van het karige schoolgeld.

Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den
"zuren dertigsten" van de maand een of andere jongen ter school
komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich
gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan
hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun
zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester
zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een
burger zooals Theophrastus er een in zijn geestig boekje teekent als
type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader
die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar
de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree
binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als
een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari
stuurt hij zijne jongens in 't geheel niet naar school. "Er is met al
de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch
niet komt". Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk:
"zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te
doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de
jongens een cadeautje te laten geven".

Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo'n Atheensch
knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn
onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op
nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche
jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester
spreken is meer dat ons aanmoedigt om--met matiging van de rhetorische
charge--geloof te schenken aan de schildering die Libanius--zij het
dan ook voor een veel lateren tijd--van den schoolmeester geeft: "Als
een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en
angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.--Nu
moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar
gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld,
onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!"

De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de
vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische
vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens
op Duris' vazen staan niet krom van angst, maar bevallig en rechtop
voor hunnen meester.

Het knaapje dat wij op Duris' scholen voor zijnen grammatist zien
staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd
geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te
debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der
leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters
schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te
verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato
Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding,
al doet de sofist dat, dank zij Plato's ironische teekening, wat
heel deftig. "Van kindsbeen af, het heele leven door--zoo zegt
Protagoras--leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een
jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en
zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk
mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en
aanwijzend "dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig" en "dit
is mooi en dat is leelijk", en "dit is vroom en dat is goddeloos", en
eindelijk "dit moet je doen, en dat moet je niet doen". En volgt hij
nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als
een tak die aan 't scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen
met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem
naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters
er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze
lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers
houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen
heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn
schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van
buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen
en lofprijzingen van edele mannen van het voorgeslacht, opdat de
jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En
de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens
ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen,
en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen,
geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl
ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat
rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van
aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En
opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in
oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van
onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester".

Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig,
dat de oude leer dat "veelweterij geen verstand geeft", in de dagen
van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het
woord van Isocrates: "niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe
men zijne ooren opent, is de vraag" naar de meening van vele zijner
tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende
eischen der praktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van
't alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor
hem een ander theoretisch dilemma--al zal hij het niet formuleeren
zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens
de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden,
de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men
de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het
grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid
van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den
leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester,
dat Xenophon--sprekend over de discipline der Spartaansche troepen
die hij op hun tocht naar Azië vergezelde--om recht duidelijk te doen
gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: "de troep had
tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover
hun meester."--Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van
Menander: "des leerlinge eerste les is houd-je-mond" zijn de Grieken
het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek
zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend "meester,
waarom?" zou--vrees ik--op een Grieksche school niet veel succes
hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te
luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.

Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest,
is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf
spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den
kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze
eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht
maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens
het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.

In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters
te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet
opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd,
dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan,
en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus
de Spa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in
overeenstemming met de praktijk aanbevolen: "Eerst"--zegt deze--"moet
de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam".--Zouden niet
ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te
leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius
was, had een hardleerschen en onwilligen zoon, zijn onuitputtelijke
rijkdom veroorloofde hem--en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon
hij zulks doen zonder den schijn van parvenu's-bluf--aan dien zoon
vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter
vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie
zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende
ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen: ar,
bar, ger, er ber, ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden,
en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad "B met een A = BA"
leerden, weten wij uit literaire overlevering.

Zoowel bij het spellen als straks bij 't latere lezen heeft de
schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het
knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat
hij misschien lispelt, 't zij van nature, 't zij door 't voorbeeld
van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt
omdat een ander voornaam lion met slappe lippen spreekt, kan hij ook
van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is
sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad
is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000
metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen
hooren thuis de heldere Atheensche a wellicht op zijn Ionisch als è,
of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren
hen uit, zoo dikwijls als ze "plat pratend", met een breede Dorische
a voor den dag komen, waar een Athener ee zou zeggen. En een menigte
andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven
worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote
verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg
mogelijk--en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de
geheimen der pas "ontdekte" grammatica--moest de meester hem oefenen in
nauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door
de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel
onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het
Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en
rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig
afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een
"barbaar". Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der
buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes'
klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!--En
aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl
bekende "dat zegt men zoo niet" vast. Want ook in het woordgebruik
moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van
de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar
Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische
rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten
laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner
oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo
iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij
dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes
zegt: "Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord
dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u
ten overvloede thans nog bewijzen."

Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men
beide vakken van onderwijs met één zelfden naam "Grammata" (letters)
aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen
tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten,
een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook--dit spreekt van
zelf--geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het
oude Athene scholen heeft gekend--en dit is zeker sinds Solons dagen
het geval--in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het
schrijven zou zijn gedoceerd. Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds
de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de
kunst van 't schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór
onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend:
de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654-617)
op zijn tocht naar 't Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet
allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller
namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel
in Nubië, voegen er met trots aan toe: "Onze namen zijn geschreven
door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos", welke
verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes
is nagekrast.--Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin),
die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche
mannen--jongere en oudere--over het algemeen vrij vaardig met de
stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner
letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.

Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds
het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en
die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der
schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen
te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden,
netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit
alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene
oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de
schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont;
doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de
wijding een godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker
aan 't werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding
en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld
met eigen hand, zij het dan ook met eene hand die de roerpin vaster
bestierde dan de schrijfstift.

En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt
geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de
uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van
alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen,
noodzakelijk. In Perikles' dagen moet wel het aantal analfabeten te
Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering,
die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende
boer, die aan Aristides verzocht om den naam "Aristides" op zijn
verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon,
zal zelfs toenmaals--in 't begin der vijfde eeuw--wel eene uitzondering
zijn geweest.

Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl
ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone
zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van 't eerst
af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het
dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten,
te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte
van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn
gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men
ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te
brengen door examens en prijsuitdeelingen;--van weldoeners, prijzen en
overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds
hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling
uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart
in een aardig klein epigram de herinnering aan een jongen, die bij
den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan
tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift
raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes
of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken
dat de meester niet "heel goed" heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel
in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het
schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden:
"om mooi te schrijven hebben wij onze slaven".

En toch--al zijn de resultaten gering--hoe doen ze hun best, meester
en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het
wastafeltje ter hand genomen en terwijl 't knaapje--in eerbiedige
houding en den ernst des oogenbliks beseffend--staat te wachten, trekt
hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar,
verticaal opdat ze ook--naar Attischen schoonheidseisch--goed onder
elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters
trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren
schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die
ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van
hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft
met inkt.

Hoe Atheensche schoolmeesters hun' jongens schrijven hebben geleerd
verhaalt ons begrijpelijkerwijze geen schrijver. Maar van het
Atheensche schoolschrift--mag men aannemen--is de afstand niet al
te groot tot de Alexandrijnsche praktijk. Een deel van de oefeningen
waarmee de scherven en papyri uit Aegypte ons hebben vertrouwd gemaakt,
hebben de Atheensche jongens ook wel doorgemaakt: zij hebben ook
het alfabet van voren naar achteren zoowel als van achteren naar
voren geschreven, straks sylben òf nageschreven òf, ter oefening
in de woordvoering meteen, zelf bedacht. Een poos later kwam dan
het schoonschrift naar copij. Hoe steken soms op de wastafeltjes, in
Aegypte gevonden, bij het fraaie vaste schrift van den onderwijzer de
beverige hanepooten af dier jongenshanden, meer bekwaam tot mikken
van een "zeilsteen" dan tot correct overschrijven! De smaak der
onderwijzers is in de keus der exempels al even wisselend als in
onzen tijd. Sommigen verwachten blijkbaar paedagogisch voordeel uit
de keus van wijze lessen, korte puntige dichterspreuken, vermaningen
voor 't leven. Anderen meenen dat de jongens liever een fabeltje, een
anecdote, misschien wel een grappig spreekwoord zullen naschrijven. Ook
ontbreken de aanteekeningen niet die zulk werk levendig maken. Zelfs
wie zijn leven lang met Grieksche boeken omgaat voelt een geheel
nieuwe gewaarwording, als hij op zulk een wastafeltje naast elkaar
ziet staan eene opwekking van den schoolmeester: "Je best doen!" en
een ongevraagd antwoord van den jongen "Hangen zal-ie". En zou iemand
zonder aarzeling een houten tafeltje in de hand kunnen nemen, waarop
viermaal onder elkaar geschreven staat: "Doe je best, kereltje, anders
krijg je klappen". Viermaal! Hoeveel regels zou het strafwerk hebben
bedragen waarvan dit het restant was?



De Aegyptische vondsten, waaraan deze laatste feiten zijn ontleend,
spreken van een veel uitgebreider lagere-school-onderricht dan
het Atheensche. Conjugeeren, declineeren, ontleden, zijn dingen
die in de Atheensche scholen--althans in de lagere--nog niet
thuis behooren. Daarom rijst de vraag: kan lezen en schrijven den
geheelen dag van de kleine schooljongens hebben gevuld? En was er
den geheelen dag school? In eene oude wet van Solon was bepaald,
dat de scholen noch vóór zonsopgang geopend mochten worden, noch
na zonsondergang open mochten blijven. Dat zou van een geweldigen
schooldag getuigen, een schooldag echter, voor de kleine jongens
reeds hierom niet waarschijnlijk, omdat zij niet zooals de grooteren
afwisseling in hun dagtaak hebben door het beurtelings bezoek van
den grammatist, den citharist, en den gymnastiekleeraar. Wij moeten
daarom, dunkt me--zonder één algemeen geldenden regel te zoeken
of zelfs te onderstellen--vooreerst bedenken dat de school van de
allerkleinste jongens wel dikwijls in haar karakter bewaarschool zal
zijn nabijgekomen, en daarnaast, dat de methode van onderricht vanzelf
de lessen tot een soort van privaat onderricht maakte, waardoor de
voortdurende aanwezigheid van alle knapen te gelijkertijd nauwlijks
noodig was en door een stelsel van groep-onderwijs kon worden
vervangen. Het laatste komt allicht waarschijnlijk voor aan ieder
die bedenkt dat er toch zoo iets als klassenindeeling moet hebben
bestaan. Ook maakt die onderstelling de aanwezigheid van de paedagogen
in het bijvertrek eener aanzienlijke school begrijpelijker. Zij konden
zorgen dat de jongens in die talrijke tusschenkwartiertjes elkaar
niet te vlug de eukosmia afleerden, hun met zooveel moeite bijgebracht.

Ten opzichte van de vragen betreffende opklimming van klas tot klas,
en in verband daarmee de verdeeling der leerstof over bepaalde
termijnen, hetzij in vrije afwisseling, hetzij naar een vasten
rooster, tasten wij geheel in het duister; ja, zooals het meer gaat,
heeft hier 't geen nieuw ontdekt is de vragen vermenigvuldigd. Ook
mogen wij wat te Milete of te Teos in de tweede eeuw vóór Christus
gebeurde niet tot regel in het Athene der vierde eeuw verheffen,
veel minder nog de bewijzen dat het grammaticale onderricht op de
scholen der derde eeuw na Christus uitvoerig en systematisch was,
toepasselijk verklaren op den bloeitijd der Atheensche republiek, dus
op eene periode van acht eeuwen vroeger. Wel blijkt uit die latere
schoolvondsten het conservatisme der Grieken. De spelmethoden zijn
dezelfde gebleven: de jongetjes in de Aegyptische dorpen hebben twee
eeuwen na het begin onzer jaartelling denzelfden weg bewandeld als de
kleine Atheners: in één zelfde schoolschrift van houten tafeltjes,
in een Aegyptisch graf gevonden, staan eerst de monosylben die 't
jongetje zelf in alfabetische volgorde heeft moeten vinden--bij de x,
die in 't Grieksch op de n volgt, heeft zijne vindingrijkheid hem even
in den steek gelaten,--dan de woorden van twee en drie lettergrepen,
straks de spreukzinnen en de spreukmatige verzen, en eindelijk, na de
versus memoriales, geheele stukken fabel op verzen. Dat laatste is
een vingerwijzing naar een gewoonte, die ook in de oude Atheensche
school bekend was. De fabel is èn in dat schrijfboek en op andere
tafeltjes die wij bezitten uit het hoofd opgeschreven. De jongens
moeten nl. verzen van buiten kennen, hoe eer en hoe meer hoe liever;
in de Grieksche school werd oneindig veel meer op het geheugen gebouwd
dan in onzen tijd, die van geheugensbelasting oordeelsverstomping
verwacht. Men kan er zeker van zijn dat de kleine jongens die we op de
vazen zoo braaf vóór hun leermeesters zien staan, klaarblijkelijk aan
't opzeggen van hun pensum, thuis als hun vader gasten heeft, hunne
kunst zullen hebben te vertoonen, en ook dat zij in hun gewillig en
door oefening versterkt geheugen heele stukken Ilias en Odyssee, als
een goeden schat voor het leven, bewaren. Het zal niet zoo moeilijk
gevallen zijn een clubje Atheensche jongens bij elkaar te brengen die
samen de geheele Ilias naar rhapsodentrant kunnen declameeren. Zegt
niet een van de aanliggenden in Xenophons Symposion, dat zijn vader
hem de beide gedichten van Homerus heeft laten van buiten leeren?

Men heeft dikwijls Homerus den Bijbel der Grieken genoemd, en
natuurlijk gaat die vergelijking mank. Maar zij kan toch worden
gebruikt om twee dingen duidelijk te doen uitkomen. De eigenaardige
voortreflijkheid van de oud-hollandsche bijbelvastheid heeft haar
parallel in de Homerus-vastheid der Grieksche jeugd. Zij voedt
eene levendige overeenstemming in het beeldenrijke en van vlugge
toespelingen vervulde gebruik eener gemeenschappelijke taal, die
niet zonder meer de taal van heden of gisteren is. Zoo goed als er
verschil van voorstelling en waardeering is in de beide uitdrukkingen:
"rijk als Salomo" en "rijk als Carnegie", zoo goed als het iets
anders is iemand een Phariseeër te schelden dan hem eenvoudig een
huichelaar te noemen, zoo goed opent het voor den Atheenschen knaap
eene andere wereld wanneer men hem zegt dat iemand een Thersites
is, dan dat men hem Cleon wijst. En het tweede is dit: de vraag
of het Oude Testament stichtelijk en het Nieuwe begrijpelijk voor
kinderen is, placht men in vele Nederlandsche gezinnen eertijds
eenvoudigweg te beantwoorden door de gansche Schrift in hun bijzijn
voor te lezen. Zoo plaagden zich--als men Plato in zijne polemiek mag
gelooven--vele ouders of voogden te Athene ook niet met de quaestie
of inderdaad de wrok van Achilles en de aanleiding daartoe bijzonder
geschikt was om onder de aandacht te worden gebracht van achtjarige
jongens. Welke intusschen de schaduwzijde dezer methode zij geweest,
zij had één groot voordeel. Homerus is voor Athene altijd gebleven
een nationaal dichter in den vollen zin. Zijn taal, zijn frischheid,
zijne nooit uitgeputte verbeelding werken door in het gedachtenleven
van alle Atheners. Van hoevele Nederlanders die een "completen" Vondel
bezitten geldt iets dergelijks? Bij Homerus bleef het niet. In Plato's
dialogen althans, zoowel als in toespelingen bij de comediedichters,
zijn bewijzen genoeg te vinden dat gaandeweg die schoollectuur een
groot deel der poëzie omvatte welke ons bewaard bleef. Ons treft in
dit alles naast de moralizeerende strekking het feit, dat bijna alles
wat men den knapen voorlegde mannenkost is. Niet alleen de ernstige
bezwaren door Plato herhaaldelijk tegen de mythologische gedichten te
berde gebracht deelen wij, maar vooral een ander bezwaar: hoe--vragen
wij--konden deze knapen, zelfs al waren het geen jongens van acht,
maar van tien of twaalf, Solons Elegieën of Hesiodus' Vermaningen
of--erger nog--Theognis' bedenkelijke politieke moraal begrijpen?

De vraag blijft onopgelost, vooral omdat wij zoo weinig weten van
de indeeling der onderwijsstof. Intusschen, naast deze lectuur zal
wel spoedig het rekenonderwijs zijn gevolgd. Een goed Athener is
noodzakelijkerwijs een goed rekenaar, want de groothandel is voor de
voornamere burgers, de kleine venterij voor de eenvoudiger lieden
de voorname bron van inkomsten. Het behoeft dus niet eerst Plato
te zijn geweest, wiens invloed de arithmetiek en dan de geometrie
onder de schoolvakken verhief. Zeker, bij hem vindt men het eerst
den eisch gesteld dat naast de zoogenaamde musische ontwikkeling,
d.i. naast het literaire onderricht en de straks te bespreken muziek,
die het gemoed en den smaak vormen, de strenge studie der mathematische
vakken als kostelijk middel om de knapen te voeren tot zelfstandige
geestesontwikkeling, in de scholen zou worden opgenomen; doch aan
dezen theoretischen eisch is de practische voorafgegaan. De jongen
moet kunnen rekenen, om als man straks zijn kasboek te kunnen houden.

Het rekenen is voor den Griekschen jongen zeer zeker eene ingewikkelde
zaak geweest. Ze zullen wel begonnen zijn met de mechanisch en
half zingend geleerde wetten van het eenmaal een en tweemaal twee;
doch hoever ze op onze moderne manier geholpen zijn door tafels van
vermenigvuldiging, is onbekend. Het eigenlijke rekenen leeren zij
natuurlijk uit het hoofd. Reeds de karigheid zelve waarmee de Griek in
't algemeen gebruik maakt van het hulpmiddel van het schrift, maakt
dit waarschijnlijk. Maar zij hebben een ander hulpmiddel, en wel een
heel oud. Is niet het tientallig stelsel een gevolg van het feit dat
de mensch tien vingers heeft? In de Odyssee reeds zien we hoe men van
die vingers, de tweemaal vijf, tot aftellen gebruik maakte. God Proteus
telt, als hij over zijne robben inspectie houdt op zijne vingers na,
of 't vereischte aantal aanwezig is, en de dichter noemt dat aftellen:
"afvijven." Zoo doet ook in een bekend verhaal bij Herodotus koning
Aristo van Sparta, die, nagaande hoevele maanden hij getrouwd is,
"op zijne vingers de maanden narekent." Maar bij zoo eenvoudig op de
toppen tellen--hoogstens tot tien--blijft de rekenkunst der Grieken
niet staan. Door buigen en strekken der geledingen, door aan den
halven vinger een andere waarde dan aan den geheelen toe te kennen,
en door allerlei wendingen die wij niet meer kennen, hebben de Grieken
het er toe gebracht, zoo noodig alle getallen tot tienduizend toe
uit te drukken. Althans zoo verhalen latere schrijvers; bij de oude
Atheners geschiedt wellicht zulk "op de vingers narekenen" alleen bij
zeer globale berekeningen. In de Wespen van Aristophanes wil een zoon
zijn kortzichtigen vader aan 't verstand brengen, dat de inkomsten van
Athene voor een groot gedeelte worden verdonkeremaand door hen die aan
't laadje zitten en dat 't Volk in alle gevalle er niet genoeg van
geniet. "Reken maar eens op je vingers na", zoo zegt hij, "globaal
genomen zijn onze staatsinkomsten 2000 talenten.--Trek daar nu eens
de jaarlijksche rechtersoldij voor zesduizend rechters van af... dat
is dus notabene maar honderd vijftig talenten." De berekening die
de vader heeft moeten doen--niet met rekenschijfjes, maar op zijn
vingers--bestaat dus vooreerst in eene vermenigvuldiging. Hij weet
dat een rechter een halve drachme presentiegeld geniet en dat men op
ongeveer driehonderd zittingdagen in het jaar kan rekenen. Dus rekenen
zoon en vader "op de vingers" de vermenigvuldigingssom uit 1/2 ×
300 × 6000 = 900.000 drachmen, en zij deelen dit product door 6000
omdat er zooveel drachmen gaan in een talent. Zoo komen zij tot 150.

Met dit al is het een eenvoudige rekensom met ronde getallen, die
de proceshatende zoon in de Wespen aan zijnen vader opgeeft. Bij
uitvoeriger berekeningen moest onvermijdelijk dit vingerrekenen tot
verwarring leiden; bovendien dwingt de minste aarzeling over eigen
juist tellen, ja iedere stoornis, den rekenaar zijn geheele manipulatie
op nieuw te beginnen. Heeft dus bij den kleinhandel en bij den inkoop
van vruchten en groenten op de markt deze computatie op de vingers
groot practisch nut, toch grijpt de Athener, zoodra de verrekening
gecompliceerder wordt, ongetwijfeld graag naar zijn rekenbord, abakos,
zooals in eene comedie van den blijspel-dichter Alexis een kok zelfs
doet als hij, thuis gekomen van de markt, al zijn kleine en groote
inkoopen nauwkeurig bij elkaar wil oprekenen. Dit rekenbord is een
uitermate eenvoudig ingericht hulpmiddel. Het is verdeeld in een
aantal kolommen, voor de eenheden, de tientallen, de honderdtallen
en de duizendtallen, met beweegbare schijfjes voor het noteeren. Men
schuift bij iedere notitie zooveel schijfjes naar de andere zij der
kolom, als men eenheden, en tientallen, wil noteeren. Wordt in de
eerste kolom daarbij het tiental bereikt, dan zet men in de kolom
der tientallen een schijfje aan, en schuift de tien eenheden naar
hun eerste plaats terug. Of anders--wat nog eenvoudiger is--men
werkt met losse steentjes. Dan is de bak zoo verdeeld dat in iedere
kolom een steentje aan de rechterzij neergelegd één, tien, honderd
enz. telt, doch aan de linkerzij vijf maal zoo veel. Dat intusschen
alle vermenigvuldiging (behalve dan die met vijf) bij het gebruik
van het bord toch weer, zoo goed als de deeling, uit het hoofd of op
andere wijze moet geschieden, valt licht te begrijpen. Amusant zijn
allicht deze oefeningen niet geweest. En dat de Atheensche jeugd er
zoo over dacht kan men uit Plato's woorden opmaken. De jongens kunnen,
zoo zegt hij ongeveer--in zijne Leges--ons zelf den weg wijzen om het
rekenonderricht boeiender te maken, door de manier van aftellen bij
hun spelen. En de Aegyptenaars--zoo fantazeert hij verder--wisten het
rekenen tot een spel te maken. De meester nam b.v. een mand met zestig
appels en droeg de knapen op, die eerst onder twee, dan onder drie, dan
onder vier, onder vijf, en zes jongens te verdeelen. Of hij fingeerde
een jongenswedstrijd b.v. van negen jongens en stelde de vraag:
"als nu ieder van u negenen met de andere acht moet vechten--hoeveel
wedstrijden krijgen we dan?"--Men ziet, geleidelijk voert Plato's
Egyptenaar de jongens van de gewone deeling naar de ontbinding in
factoren, ja zelfs naar de geheimen der combinaties en permutaties.

Maar het is heel wat moeilijker taak die onderwijzer en leerlingen
wacht, wanneer straks de jongens--nadat ze de verschillende manieren
hebben geleerd waarop de Grieken hunne letters gebruiken om getalwaarde
aan te geven--op schrift moeten leeren vermenigvuldigen en deelen. Voor
ons is het niet zoo héél moeilijk, een kind duidelijk te maken, dat
men, om b.v. 35 met 4 te vermenigvuldigen, eenvoudig weg mag zeggen:
4 × 5 = 20; 0, 'k onthoud er 2, 4 × 3 = 12, + 2 = 14. Som 140.--Maar
voor den Athener, die geene afzonderlijke cijfers heeft, en zijn
letter-cijferschrift niet met het decimale stelsel in overeenstemming
heeft gebracht, is dat onmogelijk. Heeft een Griek 265 te schrijven
dan schrijft hij dat in drie letterteekens sigma (= 200), ksi (= 60),
e (= 5); moet hij nu 265 met 265 vermenigvuldigen dan dient hij den
volgenden langen weg te gaan: 200 × 200 = 40000, 200 × 60 = 12000,
200 × 5 = 1000; 60 × 200 = 12000, 60 × 60 = 3600, 60 × 5 = 300; 5 ×
200 = 1000, 5 × 60 = 300, 5 × 5 = 25, om ten slotte met of zonder
abacus al deze producten te arrangeeren en op te tellen en daarna met
de daartoe bestemde letters aan te duiden.--Dat eindelijk, bij het
deelen dezelfde weg andersom moet worden afgelegd, spreekt van zelf. Om
bijv. het hier boven verkregen product (70.225) weer te deelen door
265 moet de knaap eerst, juist zooals bij ons geschiedt, tastenderwijze
vragen hoeveel maal een getal dat dichter bij de drie honderd dan bij
de tweehonderd staat in de zeventig duizend zou zijn begrepen; hij
maakt daarna zijn eerste multiplicatie, trekt het verkregen veelvoud
van 265 af van de zeventig duizend en voegt het restant bij de nog
niet behandelde 225. Die bewerkingen zijn dor, doch niet moeilijk;
en al moeten zij dikwijls herhaald worden, de onderwijzer kan ze
varieeren. Want tegelijkertijd met deze grootere rekensommen moet
de practische oefening den jongens de voor het dagelijksche leven
onmisbare zekerheid geven in de toepassing der stelsels van munten,
maten en gewichten. Slechts onze oudere tijdgenooten herinneren
zich nog de pijnlijke kwelling eener rekensom, die òf met een
valschen schijn van gezelligen anecdotischen verhaaltrant begon:
"een boer kocht op de markt drie last, vijftien mud en vier kop
graan tegen..." òf eenvoudig norsch beval: "Herleid in cijfers van
het decimale muntstelsel x daalders, y schellingen, z stooters." Wij
zijn aan die kwellingen ontkomen; de Atheensche jongens nooit. Zij
hebben moeten leeren en practisch ervaren, dat er zes obolen in een
drachme gaan, dat een mina honderd drachmen geldt en zestig mina's
een talent heeten. Maar daarmee is de Atheensche jongen nog niet
klaar. Hij dient ook te begrijpen dat de muntwaarde in de naburige
staten niet steeds aan die van zijne moederstad gelijk is. Want van
de verafgelegen landen kan hij dat terloops vernemen. Als hij uit
de Anabasis van Xenophon hoort voorlezen, dat Cyrus, de Perzische
kroonpretendent, zeer ingenomen was met den Spartaanschen commandant
Clearchus en dezen eene schenking deed van duizend dareiken, dan kan
hij volstaan met de wetenschap,--en die heeft hij voor het vragen--dat
een dareikos gelijkstaat met twintig attische drachmen en dus het
geschenk aan Clearchus 200 mina's (c. f 9000) bedroeg. Maar hoeveel
ingewikkelder wordt de zaak, wanneer hij de vraag onder de oogen
moet zien, met welke talenten, met Euboeïsche of met Aeginetische,
hij in een bepaald geval te doen heeft. Hier kan de onderwijzer--of
de vader--de theorie door de aanschouwing te hulp komen. Allereerst
laat hij hem een Attisch tetradrachmon zien en leert hem meteen zich
te verlustigen in den fijnen omtrek van den welgesneden, ofschoon
archaïsch gehouden Athena-kop bekroond met den Attischen helm en
versierd met oorring en halsband. Dan legt hij een drachme daarnaast,
gelijk in beeld maar kleiner en fijner, en hij keert de munten om,
opdat de jongen ze onderkenne ook door den stadsuil met den olijfkrans,
den maansikkel en de zuiver gesneden Atheensche letters. Maar naast die
fijne muntjes--rechtmatige trots der stempelkunst--geeft hij dan den
knaap een Aeginetisch dedrachmon of stater in de hand, gestempeld met
de zwaar gesneden Aegina-schildpad, plomp van vorm en op de keerzij
weinig gracieus versierd door een ingeslagen quadraat, dat door
diagonalen in driehoeken is verdeeld. Laat hij nu den jongen kiezen,
welke drachme hij begeeren zou, tien tegen een dat een jong Athenertje
gretig grijpt naar het fijne Athena-kopje. Dan legt de schoolmeester,
om hem de harde les te leeren dat in financieele operaties het mooiste
niet altijd het voordeeligste is, beide muntjes op de weegschaal
en wijst hem dat de Attische drachmen slechts 4 1/4 gram wegen en
de Aeginetische didrachmen 12 1/4. En als dan de jongen tot het
inzicht is gekomen dat in het muntwezen de zwaarte hoofdzakelijk de
waarde bepaalt, dan is hij niet ver meer af van de beantwoording
dezer vraag: "Indien inderdaad Solon de schuldenlast van de arme
debiteurs uwer overgrootvaders heeft verlicht door te bepalen dat de
schulden in Aeginetische drachmen aangegaan, zouden worden afbetaald
in Euboeïsch-Attische drachmen, onder tijdelijke gelijkstelling van
de Aeginetische en de Attische drachme, hoeveel ten honderd hebben
dan uwe overgrootvaders daarbij verloren?--En wanneer zijn vader hem
vertelt, dat een vet schaap 15 drachmen doet, terwijl in Solons dagen
een schaap voor ééne drachme te krijgen was, dan zal hij thans met
inzicht kunnen vragen: "dan toch zeker een Aeginetische drachme?"

En dan de maten voor droge en natte waren! Het waren niet alleen
maar de graankooperskinderen of de jongens van een olijvenboer,
die behoorlijk moesten weten dat een metreet wijn (38 à 39 liter)
twaalf choës inhield en de chous twaalf cotylae, terwijl daarentegen
de medimnos rogge (51-58 liter) 288 cotylae--van kleiner inhoud
dan de cotylae voor natte waren--bevatte. Niet alle jongens zullen
misschien geplaagd zijn met herleidingen van het oudere tot het
jongere matensysteem der Atheners. Of de Grieksche schoolmeesters
dit nauwkeurig onderwezen, weten we niet; maar in eene stad die
hare burgers met het oog op hunne rechten en plichten indeelde in
vermogensklassen begrensd door het aantal schepels of kannen graan,
olie of wijn, jaarlijks uit hun eigen landerijen gewonnen, was het toch
wel te verwachten dat een jongen wiens vader tot de eerste klasse,
die der Pentakosiomedimnen, behoorde, niet al te laat zou leeren wat
nu eigenlijk een medimne was.

Volledig kan eene schets van het Atheensche jongens- en schoolleven
alleen dan eenigermate zijn, indien zij afziet van al te nauwkeurig
uiteenhouden der perioden. Telkens dringt zich bij ons onderzoek
naar den inhoud van het Atheensche onderwijs de vraag aan ons op:
"werd dit of dat vak reeds in de vijfde of vierde, of eerst in de
derde eeuw "op het programma" gebracht?" Juist wanneer we met het
oog op den bloeitijd der Atheensche republiek die vraag stellen,
blijven wij vaak in het onzekere. Hoe gaarne zouden wij weten of
Alcibiades, Nicias, Cleon, Aristophanes als jongens reeds mathesis
hebben geleerd! De vraag of ze al konden worteltrekken, laat ons
koel--maar de mathesis! Ten opzichte van de begeerlijkheid der
meetkunde als factor in de opvoeding heerschte in de dagen van
Plato vrij groote verdeeldheid. "Slechts voor hen die de geometrie
verstaan staat de deur van mijne school open" zeide deze wijsgeer,
en ieder zal toegeven dat ook door deze geopende deur zij die niet
ingewijd zijn in de wetten van het eigenlijk mathematisch denken, den
binnenhof der platonische philosophie nauwlijks kunnen bereiken. Maar
zoo beschouwd ziet Plato's uitspraak op mannen, niet op jongens. Dan
ligt waarschijnlijk nog meer bewijskracht in den practischen, op
den toon van een protest gestelden eisch van Xenophon, die zeide:
"laat een jongen zooveel mathesis leeren als hij later noodig heeft
om na te gaan, of men hem bij den verkoop van een stuk land ook
bedriegt." Uit die woorden blijkt namelijk dat Xenophon menschen
kende, die de knapen in de theoretische mathesis wilden onderwijzen
en tevens, dat ook hij reeds een betamelijke kennis van geometrie
voor zijne knapen als eisch stelde. En zoo mogen wij zeker rekening
houden met eene zeer beroemde plaats in een van Plato's dialogen,
den Meno. In eene passage, die zonder twijfel door Plato ook met de
bedoeling is geschreven om daarin een proeve van de uitnemendheid
der deductieve methode in de didactiek te geven, laat Socrates, ten
einde het bewijs te leveren dat het onderricht in wetenschappen als
de mathematische niet zoozeer het bijbrengen van nieuwe kennis beoogt
als wel het tot bewustzijn roepen van de in den geest sluimerende
aangeboren begrippen, een jongen Griekschen slaaf tot zich brengen en,
door zijne vragen duidelijk te stellen, dezen geheel uit zich zelven
komen tot de erkenning dat de inhoud van een quadraat of een rechthoek
gelijk is aan het produkt van de lengte zijner zijden. Vergelijkt men
nu de eenvoudige voorstelling van feiten, in dezen dialoog gegeven, met
de wijze waarop in een andere samenspraak van Plato, den Theaetetus,
twee jongelieden door Socrates worden geprezen om de scherpzinnigheid
waarmede zij het karakter van rationeele en wortelgrootheden door
mathematische voorstelling aan elkander hebben duidelijk gemaakt, dan
vindt men alle aanleiding om aan te nemen dat in den tijd van Plato
wel het elementaire onderricht in de geometrie vrij algemeen in het
schoolonderwijs was opgenomen doch dat de theorie der hoogere wiskunde
nog buiten den horizon der lagere school lag. En dat is eigenlijk
ook op feitelijke gronden niet meer dan natuurlijk. Er moest wel is
waar nog eene eeuw verloopen vóór Euclides in zijne voortreflijke
Elementa methodisch den leergang door de planimetrie vaststelde;
doch lang vóór Euclides zijn beroemde woord sprak tot Ptolemaeus
"de mathesis kent geen afzonderlijken weg voor Koningen", hadden
anderen getracht voor de schooljeugd dien weg door de beginselen der
meetkunde in leerboeken te effenen.

Gaarne zouden wij ons omtrent den inhoud dier leerboeken, alsook
omtrent den omvang der mathematische kennis bij leermeesters en
leerlingen in de stad van Pericles eene voorstelling willen vormen,
duidelijker dan die welke berust op algemeene indrukken. Het spreekt
van zelf dat bouwplannen als de streng schematische bouw van den
Piraeus, door den Milesischen architect Hippodamos in opdracht van
Pericles ondernomen, zoowel als het geheele ontwerp van de groote
verbouwingen op de Acropolis, allereerst de zorgvuldig geconstrueerde
Propylaeën, bij de bouwmeesters eene diepgaande mathematische kennis
naast groote technische ervaring veronderstellen; doch ook bij hunne
lastgevers? En ook bij hen om wie het ons eigenlijk te doen is,
bij de Atheensche jongens? Wat wisten die eigenlijk van theorie?

In zulke vragen kunnen wij slechts tastend den weg vinden, maar
wij mogen daarbij rekening houden met den onmiskenbaren aanleg der
Grieken voor mathematische studie, en met hunne belangstelling in
de mathesis. Over de herkomst dier wetenschap dachten ze gaarne na,
en Herodotus heeft zeker kunnen zijn van de belangstelling zijner
toehoorders toen hij dienaangaande het volgende meedeelde in zijn
hoofdstukken over Aegypte: "Volgens het verhaal van de priesters die
mij inlichtingen gaven, had indertijd Koning Sesostris het geheele
land van Aegypte onder de burgers verdeeld, elk een vierkant stuk
toekennend; hieruit had hij zijne staatsinkomsten gevonden, door voor
te schrijven dat elk een vaste bijdrage per jaar voor zijn land zou
betalen. Zoo dikwijls nu de Nijl een stuk van zulk een perceel land
had weggespoeld, wendde de eigenaar zich tot den Koning en verhaalde
wat er geschied was; en dan zond deze inspecteurs, om na te meten
hoeveel kleiner het land was geworden, opdat de eigenaar in het
vervolg een evenredig geringer deel in de belasting zou betalen. Het
komt mij voor dat dit de oorsprong moet zijn van de geometrie, en
dat later die wetenschap van Aegypte uit in Hellas is overgekomen,
in tegenstelling met den zonnewijzer en de indeeling des jaars in
twaalf maanden; want die hebben de Grieken van de Babyloniërs."

Atheensche belangstelling waarborgt nog geene instemming. Voor velen
zal misschien Herodotus' verklaring van het ontstaan der wiskunde
uit zoo practische oorzaken te nuchter rationalistisch zijn geweest,
voor anderen de verwijzing naar Aegypte te weinig streelend voor hun
vaderlandslievend gevoel. Zij zochten liever den oorsprong ook van
deze wetenschap in het eigen Helleensch, zij het dan ook mythisch,
verleden: zij wezen op Prometheus, den vader der menschelijke kennis,
en herhaalden diens fiere woord:


    Want God Prometheus bracht den menschen ied're kunst;


of anders, berustend in de traditie der Aegyptische herkomst--zooals
dat na den tijd van Herodotus en van Plato gaandeweg meer mode
werd--wisten zij toch aan zijn verhaal dit toe te voegen, dat het
in ieder geval een Griek, Thales de Milesiër, was geweest, die den
stempel van theoretische wetenschap, het karakter van redeneerend
zoekende kunst aan die geometrie had gegeven.

De strijd hier aangeduid, is voor ons onderwerp niet van groot
belang. Maar wèl is het de moeite waard, nu de namen van Thales en
Euclides zijn genoemd, zoo mogelijk met eenige zekerheid vast te
stellen, wàt, voordat Euclides in zijn leerboek de geheele stof
der planimetrie naar de lijnen eener streng doordachte methode
rangschikte, daarvan in het Grieksche onderwijs kan zijn bekend
geweest. Algemeen plegen de Grieksche schrijvers van lateren tijd reeds
de driehoeksmeting aan Thales' naam te verbinden. Thales--zoo verhaalde
men--heeft het eerst aangetoond dat de omtrek van een driehoek bekend
is, wanneer ééne zijde met de aangrenzende hoeken gegeven is. Want om
den afstand te bepalen waarop een schip in volle zee zich bevond van
't Milesisch strand, mat hij de hoeken waaronder hij dat schip zag,
eerst aan den voet, straks op den top van een' hoogen toren. En toen
hij later in Aegypte kennis maakte met de priesters, in practische
meetkunde zoo bekwaam, wees hij er dezen op, hoe gemakkelijk het is
de hoogte eener pyramide te meten, indien men eenmaal heeft opgemerkt
dat er één oogenblik op den dag is, waarop de stand der zon aan elk
voorwerp een schaduw geeft juist gelijk aan zijne lengte.

Het behoeft nauwlijks gezegd te worden, dat het trigonometrische
vraagstuk, door Thales opgesteld en opgelost, de grenzen der
planimetrie ver overschrijdt en het hoofdstuk over den driehoek voor
een goed deel als reeds bekend veronderstelt. Er is dan ook reden om
aan te nemen dat reeds in de "schets der geometrie" door Anaximander
uitgegeven, een leerboek aan de Grieken in de handen was gelegd,
dat de wijsgeerige onderzoekers verder bracht op hunnen weg. Op
vroegere waarnemingen steunde zonder twijfel ook Pythagoras, toen
hij de stelling poneerde en demonstreerde, dat in een rechthoekigen
driehoek het quadraat der hypotenusa gelijk is aan de som der quadraten
op de rechthoekzijden; maar wij zien toch sporen van geleidelijke
ontwikkeling der bewijsmethode, als ons wordt meegedeeld dat in de
Pythagoreïsche school het eerst is gevonden, hoe men door het trekken
eener hulplijn uit den top van een driehoek, evenwijdig met de basis,
gemakkelijk het bewijs kan leveren dat de drie hoeken van eenen
driehoek te zamen even groot zijn als twee rechte hoeken. Ongetwijfeld
wijst dit laatste feit op eene vrij uitgebreide behandeling van de
verschijnselen die zich kunnen voordoen, wanneer twee parallel-lijnen
gesneden worden door een derde lijn.--Zoo vindt men aanleiding om
betrekkelijk vroeg een min of meer regelmatig geordend onderwijs in de
mathesis voor de grootere jongens waarschijnlijk te achten. Alleen
bedenke men dat toenmaals nog niet zoo nauwkeurig als later de
mathesis geheel systematisch in vlakke en lichaamsmeetkunde, in
driehoeksmeting, in bolvormige driehoeksmeting, en wat dies meer zij,
was ingedeeld. Zonder twijfel heeft de Grieksche meetkunde, die zich
in ieder geval vrij nauw aansloot bij de eischen des dagelijkschen
levens, deze aansluiting gevoeld in eene min of meer incidenteele
ontwikkeling. Nu eens was het de kegel, dan weer de bol, nu eens de
cylinder, straks het platte cirkelvlak dat hunne aandacht vroeg: de
geheimen van parabels, hyperbels, ellipsen hebben reeds vroeg menigen
Helleenschen philosoof, niet in de laatste plaats de Pythagoreïsche
school, bezig gehouden. Doch daarnaast werd de elementaire studie in
hare vrije ontwikkeling, die telkens leidt tot het deduceeren van
nieuwe problemen uit de zooeven opgeloste, voortdurend belemmerd
door den elementairen toestand der instrumenten. Ieder onzer weet,
hoe suggestief voor gevolgenrijke constructies de passer is;
echter zullen wij moeten aannemen dat het aantal jongens die met
een passerdoos onder den arm te Athene naar school toe wandelden,
uiterst gering was. In de Wolken van Aristophanes buigt Socrates een
braadspit krom, om bij een in 't zand voor zijne leerlingen geteekend
meetkundig probleem een cirkel te kunnen trekken.

Het tafreel uit de Wolken is alweer eene persiflage en zegt ons
dus alleen, dat in de kringen waartoe Socrates naar de onjuiste
voorstelling van Aristophanes behoort, d.i. bij de intellectuels van
430-420, het mathematisch onderwijs in eere was. Veel leert ons dit
niet. De manier waarop in de zooeven aangehaalde plaats Herodotus
over de Egyptische landmetingen spreekt, is ook niet van dien aard,
dat men den indruk krijgt alsof hij van de berekening der door
afspoeling verklemde stukken zich een duidelijke voorstelling maakt,
of denkt dat zijne lezers zoo iets van hem verwachten. En zelfs al had
hij de constructie van dit probleem kunnen teekenen, wat bewijst dat
voor de jongens van Athene? Anaxagoras schreef in de gevangenis een
boekje over de quadratuur van den cirkel; is er iemand die dat voor
een schoolboekje houdt? Zeker niet. Wij zullen wel mogen zeggen dat in
het laatst der vijfde eeuw mathematisch onderwijs, op de lagere school
aan knapen gegeven, nog tot de uitzonderingen heeft behoord. Eerst
in de tweede helft der vierde eeuw behoorde de planimetrie tot het
algemeene programma, en tegelijk met de planimetrie een goed deel
van wat wij algebra noemen. Immers--om een enkel voorbeeld te noemen:
de welbekende formule (a + b)2 = a2 + 2 ab + b2 leerden de Grieksche
jongens niet, gelijk wij dat hebben geleerd, door eene berekening met
algemeene door letters aangegeven waarden; het werd hun omslachtig,
maar met onovertroffen duidelijkheid bijgebracht door het mathematisch
bewijs van de volgende stelling: Als een rechte lijn, op welk punt ook,
gedeeld wordt in twee deelen, dan zal het quadraat op de geheele lijn
gelijk in inhoud zijn aan de som der quadraten op hare beide deelen,
vermeerderd met het dubbele van den rechthoek door die beide deelen
als zijden gevormd.--

Onze beschrijving van het schoolleven heeft stilzwijgend den leerling,
wiens leven wij nagaan, doen groeien. De jongen die de "merkwaardige
producten" bestudeert is een ander dan het knaapje dat wij aan zijn
lees- en schrijfoefeningen zagen. Maar indien wij ons den eerstgenoemde
nog evenzeer als den laatste op de school van den grammatist mogen
denken, dan kunnen we die inrichting van lager onderwijs toch niet
verlaten om den knaap naar muziek- en gymnastiekschool te vergezellen,
zonder dat nog eens deze vraag in ons oprijst: "Is dat nu werkelijk
alles geweest wat een jong Athener bij den grammatist leerde? Om van al
het andere te zwijgen--leerde hij daar noch historie, noch geografie?"

Wanneer wij die vraag zoo bedoelen, dat wij willen weten of er op
de Atheensche scholen ook les werd gegeven in de geschiedenis en
aardrijkskunde, dan kan het antwoord kort en ontkennend zijn. Een
rooster van werkzaamheden met een vast aantal voor de verschillende
vakken uitgetrokken uren is trouwens in de Atheensche school, zooals
wij die kennen, eenvoudigweg ondenkbaar. Maar de lectuur geeft op
school gelegenheid tot velerlei uitbreiding. En nu is het wel zeker,
dat in de eerste periode van de vijfde eeuw nagenoeg alleen Homerus,
Hesiodus en sommige moralistische dichters op school werden geleerd
en gelezen; maar toen eens de half poëtische, half kroniekmatige
jaarboeken der oude logographen op den achtergrond waren gedrongen
door de boeiende Historiën van Herodotus, zouden toen de Atheensche
onderwijzers hebben nagelaten hun knapen uit dat kostbare boek de
wonderen van Aegypte, en de heldendaden hunner eigen vaderen te doen
kennen? Zou toen niet--bij wijlen althans--de vlakte van Ilias voor
't veld van Marathon, en Ithaka voor Salamis vergeten zijn? Zouden
de Atheensche schoolmeesters minder hebben willen zijn dan Oloros,
de vader van Thucydides, die zijn zoontje--volgens 't verhaal--meenam
naar de openbare voorlezing van 't Historiewerk door den schrijver
zelven? Men kan hierin niet veel verder gaan dan deze vragen te
stellen. Eenigszins kan tot hare bevestigende beantwoording de
overweging meewerken, dat althans de toeschouwers in den schouwburg
blijkbaar hun Herodotus al heel goed kenden toen Aristophanes in het
jaar 425 zijne medeburgers vermaakte door eene kostelijke parodie
der aanvangshoofdstukken van Herodotus' geschiedenis in zijn blijspel
de Acharniërs.

En wie eenmaal historie leest, die kan de geografie niet
missen. Atheensche jongens trouwens, levendig en opmerkzaam van aard,
en bewoners van een stad die, als ze even den burchtheuvel beklommen,
hun het halve Beneden-Griekenland in bonte verscheidenheid uitgespreid
toonde: eilanden, bochten, zeeengten, kapen, zoover het oog maar
reikte; Atheensche jongens, wier grootvaders bij Mykale hadden
gevochten, wier vaders zeilden naar Lesbos en Creta, die jaarlijks de
afgezanten van alle bondsstaten in de stad zagen komen--hoe hadden ze
anders dan landverkenners kunnen zijn! Zij hebben zeker niet in doffe
berusting de wonderreis van Odysseus gelezen, zeker niet van Scheria en
de Phaeaken, van de Charybdis en 't eiland van Aeolus hooren verhalen
zonder te willen weten "waar 't Westen was en waar het Oosten". Maar
al leerde hen de meester, dat de Olympus in Thessalië ligt en Mycenae
niet ver van Argos, en al wees hij hun de mogelijkheid aan dat
Achilles de waarheid sprak, toen hij in de vlakte van Troje zeide:
"Als de Goden mij gunstigen wind geven, dan zou ik binnen drie dagen
bij mijn vader thuis in Phthia kunnen zijn"--hoe kan een Atheensche
jongen zulke uitleggingen volgen zonder kaart?

Of dan in de "elementaire" school der Atheensche onderwijzers kaarten
hingen? Toen Aristagoras, de tiran van Milete, bij het voorbereiden
van den Ionischen opstand eene rondreis deed door Griekenland, bracht
hij eene wereldkaart mee, waarschijnlijk eene copie van de kaart, die
Hecataeus van Milete, Herodotus' voorganger in de geschiedbeschrijving,
had vervaardigd. Maar de woorden, in welke Herodotus dat feit
bericht, zijn wel geschikt om te doen zien, hoe nieuw toen de
cartografie nog was. "Aristagoras", zoo verhaalt Herodotus, "had
op zijne reis naar Sparta eene koperen tafel meegebracht, in welke
de omtrek der geheele aarde, met de gansche zee en alle rivieren was
gegraveerd."--Dat geschiedde in 499. En hoe het geschied is, kunnen we
ons nauwlijks meer voorstellen. Want daargelaten nog de onduidelijke
en onjuiste voorstelling aangaande den vorm der aardoppervlakte
die de Milesische voorgangers van Thales en Hecataeus in hunne
geografische teekeningen beheerschte, daargelaten de afwezigheid van
nagenoeg alle instrumenten, met uitzondering van den zonnewijzer,
om hen bij te staan in het bij benadering bepalen van verhoudingen en
afstanden, hoe jong, hoe schemerachtig en hoe onzeker was de factische
kennis dezer kloeke kaartteekenaars ondanks de uitgebreidheid der
Milesische handelsbetrekkingen! Mondelinge mededeeling was het
grootendeels, die hen moest leiden. Aan hun eigene schippers, koers
zettende naar de kusten der Zwarte Zee--waarheen lang vóór dien
tijd reeds de handelsijver of de weetgierigheid hunne vaderen had
gedreven,--moesten zij opdragen den afstand en den omvang van de Zwarte
Zee en de Caspische Zee op hun tochten voor hen na te gaan. Mondelinge
overlevering moest hun verhalen, hoe de Donau liep, en wat het einde
was van de "Sneeuwlanden" daarboven. Zeevaarders-autoriteit moest hun
teekenstift besturen om de kustenlijn aan gene zijde der straat van
Gibraltar te trekken. Aegyptische priesteronthulling lichtte hen in
over de bronnen van den Nijl en het land der Aethiopiërs. En als dan
al die berichten waren verzameld, dan moesten deze--in hunne opgaven
als gelijkwaardig gerekend, hoe ongelijk de betrouwbaarheid der
verslaggevers ook mocht zijn--worden uitgedrukt in eene teekening
van niet zeer groote afmeting, en zulks door mannen die van alle
mechanische hulpmiddelen tot trouwe reproductie verstoken waren.

En toch moet in de vijfde eeuw de cartografie bij de Grieken zeer
groote vorderingen hebben gemaakt. De landbeschrijvingen van Herodotus
getuigen van eenen zoo grooten vooruitgang, vergeleken bij hetgeen
zijn voorganger, Hecataeus van Milete, had gegeven, dat ondanks de
naieve bewoordingen waarin hij--wellicht opzettelijk, om in zijne
schets de locale kleur van Sparta te bewaren--over de "koperen tafel"
van Aristagoras spreekt, de lezer gedrongen wordt zich Herodotus voor
te stellen in het bezit van kaarten. En wanneer men--zooals dikwijls
is gedaan--eene schets op papier brengt van de bewoonde aarde zooals
Herodotus zich die dacht, dan is wel bij den eersten oogopslag veel
in die voorstelling zonderling, scheef, onjuist; maar het is toch al
een heel wat betere wereldkaart dan die van Hecataeus, en dus ook die
van den tyran Aristagoras, geweest was. En de vader der historie is
zich dat ook wel bewust. Hij moet lachen--zegt hij ergens--als hij
ziet hoe "sommige menschen", ofschoon zij van de uiterste streken
onzer aarde niets weten, kloekweg een aarde teekenen rond als een
cirkel met den Oceanus als kringstroom er om heen, en zich Azië niets
grooter voorstellen dan Europa.

Reeds het feit, dat de eeuw van Herodotus het tijdperk is van de ook
te Athene met onbeperkte belangstelling gevolgde onderzoekingsreizen
"om de Zuid" en naar Indië, wettigt de veronderstelling dat ook,
hoezeer daarover de schrijvers zwijgen, kaarten, in brons gegraveerd
of op papyrus geteekend, meer en meer in gebruik zijn gekomen. En de
éénige plaats die ons daarover enkele inlichtingen geeft, eene scène
uit Aristophanes' Wolken, brengt ons weer naar de school terug,
zij het ook naar eene school voor meer gevorderden, en naar eene
school, die alleen in Aristophanes' verbeelding bestaat, aangezien
niets zoover van Socrates' neiging en aanleg verwijderd was als in
een schooltje zittend wijsheid over te gieten in de hersenen van
daarvoor aangevoerde knapen of jongelingen.

Strepsiades,--de ons reeds lang bekende boer, die vroeger in goeden
doen was, doch door zijn huwelijk met een stadsdame boven zijn stand,
achteruitgeboerd heeft en na langzame doch zekere intering nu sinds
eenigen tijd hollend achteruit gaat door de verkwisting van zijn zoon,
mama's lieveling en een' held onder de jeunesse dorée--Strepsiades
heeft, ten einde raad, besloten bij Socrates les te gaan nemen in de
nieuwe sophistenwijsheid die wit zwart kan praten en hem in staat zal
stellen aan zijne schuldeischers logisch en syllogistisch te bewijzen,
dat zij geenerlei rechten op hem kunnen doen gelden.

Strepsiades nu is een hoogst onnoozel man. En ofschoon wij uit de
eerste scène der comedie weten, dat hij behoorlijk boek houdt en
rekenen kan, hij is toch ook een buitengewoon onwetend man. Zijne
verbazing over al wat hij ziet in de school van Socrates, is er op
berekend het publiek te doen lachen en hem als een domoor voor te
stellen. Het zou dus verkeerd zijn, uit zijne vragen af te leiden
dat te Athene de zaken, die hij blijkt niet te kennen, algemeen
onbekend waren.

Nadat hij over eenige niet nader aangeduide geometrische instrumenten
zijn onnoozele onwetendheid heeft gelucht, wijst de leerling, die
hem rondleidt in de school, hem op eene kaart.

Leerl. Zie, daar heb je een teekening van de geheele aarde. Daar
ligt Athene.

Streps. Och kom, wat zeg je? Daar geloof ik niets van: ik zie de
rechters niet eens zitten.

Leerl. Ik verzeker je toch, dat dit land hier werkelijk Attica is.

Streps. Zoo? Waar zijn dan de Cicynniërs, mijn districtgenooten.

Leerl. Die wonen op dit plekje. En hier is Euboea, dat, zooals je
zien kunt, heel lang gerekt langs ons land ligt.

Streps. Ja, ja. Zoo werd het door ons onder Pericles uitgerekt.--Maar
waar is Lacedaemon?

Leerl. Waar dat is?--Hier.

Streps. Zoo dichtbij? Zorg er vooral voor dat je dat weer een heel
eind ver van ons af brengt!

De gechargeerde onnoozelheid van dezen boer kan, naar mij voorkomt,
alleen dit bewijzen, dat aan zijn horizont noch geografie noch
cartografie zich tot nu toe hadden vertoond. Maar zijne grappen
zouden alle uitwerking gemist hebben, indien niet het Atheensche
publiek beter dan hij met de kaarten ware bekend geweest en deze,
zooals hier in de school van Socrates, ook in de Atheensche scholen in
het begin van den Peloponnesischen oorlog vaak aanwezig waren geweest.

Maar vooral moet hierbij één ding niet uit het oog worden verloren. Een
land dat niet op de wijze der moderne staten zijne knapenopvoeding
regelt door een goed ineengeschakeld stelsel van onderwijswetten,
heeft feitelijk elk decennium wijzigingen in zijn onderricht te
constateeren. Vooral in den Atheenschen staat, die tusschen het begin
van den Perzischen en het eind van den Peloponnesischen oorlog in
alle opzichten zijnen gezichtskring door verkeer met het buitenland
had uitgebreid en de materie zijner kunst en wetenschap onophoudelijk
had vermeerderd, bracht elk tiental jaren verandering. De principieele
uitbreiding van de leertijdgrens, die daarvan het gevolg was, zullen
wij later in haar geheelen omvang leeren kennen; thans is het genoeg
de beteekenis er van ook voor het elementaire onderwijs door eene
enkele opmerking toe te lichten.

Het onderwijs was, zooals wij reeds vroeger zagen, te Athene in den
tijd dien wij voornamelijk bespreken, geheel vrij. Ieder die wilde
mocht er zich aan wijden. En ofschoon nu inderdaad de positie van een
schoolmeester te Athene weinig geëerd was, zoo is het toch denkbaar
dat er onder hen die het elementaire onderwijs als broodwinning kozen,
enkelen waren, die door hun opvoedkundigen aanleg en hunne sympathie
voor de jongens tot die keuze waren gebracht. Voor zulke onderwijzers
nu was misschien geen vraag zoo boeiend en prikkelend als die van
de taal. In de vijfde eeuw namelijk heeft de taal der Grieken een
tweeledig beteekenisvol proces doorgemaakt: uit de vormen der poëzie,
die zelve ten gevolge van het conservatisme der dichters althans in
de epische en de elegische dichtsoort hoe langer hoe meer zich met
de herhaling van het oude begon te vreden te stellen, was een jong,
levenskrachtig en bloeiend proza geboren, en geen kundig onderwijzer
zal, zooals reeds boven werd opgemerkt, lang hebben geaarzeld, of
hij de jongens niet ook eens wat uit Herodotus in plaats van uit
Homerus zou laten lezen.--Maar hij kon ook weldra met de oude taak,
de knapen bij 't voorlezen te doen letten op eene zuivere uitspraak,
niet meer tevreden blijven: de grammatica had haren intocht gedaan,
en ofschoon men de grammaticale onderzoekingen van de sophisten, als
Protagoras en Prodikos, zeker liever onder de oogen van ontwikkelde
jonge mannen dan van kleine knapen bracht--er was toch in die nieuwe
wetenschap het een en ander dat in de praktijk ook tot de laagste
jongensklasse begon door te dringen. De belangrijkste grammaticale
ontdekkingen namelijk van Protagoras, althans diegene die het meest
bekend zijn gebleven, zijn zijne regels over 't geslacht en zijne
opmerkingen over de wijzen en tijden der werkwoorden. De eerstgenoemde
zijn wel geschikt om ons te doen zien, dat de Grieken even goed hunne
moeite en zorgen daarmee hadden als wij. Socrates althans maakt in de
Wolken den armen Strepsiades duizelig en suf door hem slag op slag
te overvallen met de vraag, waarom hij eene zeef vrouwelijk maakt,
doch een hoen zoowel manlijk als vrouwelijk, en geeft hem daarna een
even vermakelijk als vruchteloos lesje in de leer der manlijke en
vrouwelijke buigingsuitgangen.

De strekking van deze geheele scène is duidelijk. Niet zoozeer bepaalde
sofistenscholen bestrijdt hier de vechtlustige comediedichter, doch
eene nieuwigheid (een euvel volgens hem) die onder de volgelingen
der moderne, intellectualistische richting zich allerwege te Athene,
ook in het lager onderwijs, openbaarde.

De voordeelen, of nadeelen, van dit alles geniet de kleine knaap: niet
slechts bij den grammatist heeft zich zijne taak ongemerkt uitgebreid,
doch ook bij den citharist. De voortdurende aanwezigheid van dezen
in de trits der Atheensche opvoeders is een van de duidelijkst
sprekende bewijzen voor het groote verschil tusschen Grieksche en
moderne opvoeding.

Wanneer men de oud-Grieksche theoretici de stelling steeds weer ziet
poneeren of althans beamen, dat niets zoo geschikt is als de muziek
om de ziel van den knaap te vormen tot harmonischen eerbied voor de
deugd, ja zelfs, dat ingrijpende verandering in de muziek kans heeft
eene geheele bestaande staatsregeling omver te werpen, dan beseft men
licht, dat in de antieke wereld bij het gebruik van het woord muziek
aan iets anders moet zijn gedacht, dan alleen aan de kunst die wij met
dien naam aanduiden. Wat Solon op het oog had, toen hij de Atheensche
burgers zoo ernstig vermaande hunne kinderen, naast de gymnastiek,
ook de muziek te leeren, en wat wij op de teekeningen der vazen den
citharist aan zijn zeer oplettenden leerling zien onderwijzen, dat
is in de allereerste plaats een zeer eenvoudig accompagnement. Dàt
moet de jongen kennen, zoo goed als zijne poëzie. Een virtuoos
behoeft hij niet te worden, maar aan zijns vaders tafel moet hij
klaar staan om, als de vrienden het willen, een oud lied voor te
dragen;--moest hij althans, vóór de zonen van het geslacht dat na
Pericles opgroeide, hadden geleerd den neus op te trekken voor zulk
ouderwetsch geneurie. Bovendien, als de tijd gekomen is dat hij
zelf als jongeling mee aanligt, dan moet hij aan den nadisch, als
de liederencyclus van het oud-Grieksche Commersbuch wordt gezongen,
zonder aarzelen de lier, die hem wordt gebracht, kunnen aannemen en
zich zelven begeleiden bij 't liedje dat juist aan de beurt is.

Dit alles is nog maar weinig. Het zijn motieven, niet veel gewichtiger
dan die, welke ons b.v. overtuigen dat het gewenscht is om aan onze
kinderen danslessen te doen geven. Want voor het muziekonderricht
gelden bij ons gewichtiger bewijsredenen. Intusschen ontbreken deze
ook bij de Grieken niet, en zij zijn van tweeledigen aard. Een literair
argument, en een meer beslist muzikaal.

Vooreerst moet het onderricht in het lierspel den knapen de bekwaamheid
geven om lyrische poëzie te waardeeren. Lyrische liederen-poëzie
namelijk zonder lier, zooals wij die kennen, zou zulk een Atheensche
jongen zich niet gemakkelijk hebben voorgesteld. Dat er eens eene
lyriek zou bestaan, bestemd om voorgelezen, niet voorgezongen te
worden, om in stilte te worden genoten, niet met de ooren, doch met de
oogen, dat heeft noch die jongen noch zijn vader vermoed. De Grieken
van Pericles' tijd zijn niet enkel een volk van dichters, maar ook,
wat zij steeds geweest waren, een volk van zangers. Herders, roeiers,
maaiers, wachters, allen hadden hun liederen--helaas, dat alleen heel
flauw en gansch uit de verte, op den achtergrond der literaire poëzie,
daarvan een weerklank nog tot ons komt! Want de zang had in het leven
der oude Grieken een ruime plaats. Niet alleen zong de eentonige
welluidendheid van het wiegelied hun kinderen in slaap, zooals de
onze; ook in het klaaglied van den threnos brachten zij zingend hun
laatsten groet aan de lijkbaar. Menig Athener vond de welluidendste
uiting van zijnen rouw hierin, dat hij een citherspeler deed beitelen
op de grafzuil van een hem dierbaren afgestorvene. Het was derhalve
geen wonder, zoo niet slechts eene keur van letterkundig ontwikkelden,
maar alle burgers die de poëzie van hun volk liefhadden de overtuiging
huldigden, dat men den knaap slechts ten halve het leven leerde
verstaan, als men hem de lier niet in de hand gaf. Het gevoel voor
poëzie is bij de Grieken met muzikaal inzicht ten nauwste verbonden,
en dàt inzicht--zoo meenden althans ten tijde van Pericles nog de
meeste vaders--kan eenen jongen niet te vroeg worden gegeven. De
muzikale opvoeding moet in hem het besef doen rijpen, dat de toon
van zijn eenvoudig instrument aandeel heeft in de bekoring der
poëzie. Zijn spel moet het woord des dichters voorbereiden in het
praeludium en dragen in het accompagnement, en de klank der melodie,
door hem met aandacht bewaard, zal meehelpen om ook de gedachte van
den dichter zuiver en in den juisten vorm te bewaren.

Deze overtuiging huldigen ook zelfs die Staten van het oude Hellas
waar het literaire onderwijs overigens weinig in aanzien was. Te
Sparta bijv. hebben wetgevers en bestuurders het langen tijd ernstig
in twijfel getrokken, of het wel wenschelijk was de knapen, zonder
onderscheid, door leesonderwijs in de gelegenheid te stellen kennis
te maken met alles wat geschreven was: een goed soldaat immers heeft
aan mondelinge commando's genoeg. Toch heeft dat zelfde Sparta niet
slechts de elegische krijgsliederen van Tyrtaeus in eere gehouden,
maar bovendien werd geen feest van Apollo Karneios gevierd, of de
Spartaansche meisjes zongen in beurtreien de welluidende Partheniën
(jonkvrouw-zangen) van hunnen Alcman onder muzikale begeleiding. En
in deze functie der muziek, in de groote beteekenis van het snarenspel
bij de godsdienstige feesten lag de tweede gewichtige aanleiding voor
de zorgvuldige muzikale opvoeding der Atheensche knapen. Elk dezer
jongens weet, hoe eervolle eischen op de godenfeesten zullen kunnen
worden gesteld aan zijne bekwaamheid in het lierspel. In de verdere
bespreking van de Atheensche opvoeding zal ons dit duidelijk genoeg
blijken. Eerst moeten wij trachten ons van de schoolsche liermuziek
zelve eenigszins een denkbeeld te maken.

Een Grieksche, althans een Atheensche jongen zou zich zijne voorouders,
en de helden van zijn geslacht, of zelfs de heroën uit het epos dat
hij op school leest, niet goed kunnen voorstellen als menschen die
geen muziek verstonden. Toch maakte hij, te recht of ten onrechte het
oude afmetend naar zijn eigen tijd, onderscheid bij de scènes die
hij las. Wanneer hij hoorde, hoe bij het feestmaal der Vrijers van
Penelope de heraut placht binnen te komen en de kitharis in handen
placht te geven aan Phemios "die door den nood gedwongen zangersdienst
deed bij de Vrijers", of wanneer hij gedacht, hoe aan den maaltijd der
Phaeaken de heraut den welbeminden zanger binnengeleidde, Demodocus,
"dien de muze zeer lief had en wien zij de gave van het lied had
geschonken daar hij het licht der oogen moest derven", en hoe dan de
heraut zorgvuldig aan een pilaar waartegen Demodocus' stoel leunde, de
phorminx van den blinde boven diens hoofd ophing en hem deed gevoelen,
hoe hij die tastend met de hand zou kunnen vinden, dan wist onze jonge
Athener twee dingen, vooreerst dat hij in beide die scènes te doen
had met ongeveer dezelfde kunst waarvoor men hem zelven de muziek
wilde leeren. Niet dat hij dan even als Phemios en Demodocus epische
stukken, van het "Trojaansche paard" of van "Agamemnons twist", met
lier-accompagnement zal leeren voordragen: Homerus zingt men in zijn
tijd niet meer, zooals die Aoiden deden--die er al zingend ook nog
wel eens wat bij dichtten!--Homerus reciteert men op de wijze zooals
hij het de rhapsoden heeft zien doen, in fraaie feestkleedij, met een
krans op het hoofd en een staf in de hand, of zooals hij 't zelf doet,
desnoods den rhythmus aangevend met de hand. Maar overigens weet hij
dit zeer wel: bij deze oude Aoidenvoordrachten was evenmin sprake
van eigenlijk muzikale praestatie als in het onvergetelijke tooneel,
zoo levendig beschreven in het Negende boek der Ilias, wanneer laat in
den avond Achilles, in de eenzaamheid van zijn jongen wrok neerzit voor
zijne tent alleen met Patroclus, en, terwijl deze ernstig toeluistert,
bij den klank der phorminx zingt van de "daden der Vaderen".

De knaap, die dat gedenkt, weet ook wel hoe de oude phorminx er
uitziet. Hij heeft te dikwijls op drinkschalen en vazen de voorstelling
gezien van Achilles' leeruren bij Chiron "den uitnemendste aller
Centauren"; zou hij niet, als eens zijn verrassing over dien braven,
gebaarden leermeester met zijn goedaardige gezicht en zijn forsche,
bijna wilde paardenlichaam wat bedaard was, telkens weer met gespannen
aandacht hebben nagegaan, hoe de centaur de jonge vingers van Achilles
leidde over de snaren van het vier- of zevensnarig instrument?

Vier- of zevensnarig? Het is niet onwaarschijnlijk dat de Atheensche
jongen die vraag met evenveel onzekerheid heeft gedaan als wij. Want
zijn Homerus zegt het hem niet en de schilderingen op schalen,
voortbrengselen van de kunst zijner eigene tijden, hebben toch ook niet
de ware autoriteit; bovendien laten die schilders niet zelden op hunne
tafreelen evenzeer de snaren van de phorminx weg als b.v. de pees van
den boog.--Maar het allerminste wat wij van des knapen citharist mogen
verwachten is toch wel dat hij den jongen leert, hoe de instrumenten
er vroeger uitgezien hebben en ten zijnen tijde uitzien! Mij dunkt,
dat zal een Atheensch muziekmeester ongeveer aldus hebben gedaan:
"Vooreerst", zal hij hebben gezegd tot zijne leerlingen, "moet ge
bedenken dat, als Homerus van een citharis spreekt dit ongeveer het
zelfde is als onze lier, en dat er tusschen de citharis van Paris en
de phorminx van Achilles ook geen groot verschil kan geweest zijn. Wilt
ge weten, of die oude citharis ook in bouw met onze lier overeenstemt,
let dan maar eens op hoe juist op de lier in mijne hand toepaslijk is
wat in de Homerische Hermes-hymne wordt verteld van de wijze waarop
Hermes de lier heeft uitgevonden: hoe hij de schildpad grijpt en haar
schild openbreekt, hoe hij staafjes zet binnen in het rugschild, nadat
hij het vleesch daar geheel heeft uitgesneden, hoe daarover een stuk
huid wordt gespannen en dan in de openingen van dat zelfde schild twee
andere staven worden gestoken--in mijne lier zijn die van hoorn. Die
twee staven vereenigde Hermes door een juk, en van dat juk af spande
hij op zijn klankbodem de snaren uit darmen bereid.--"Hoevele?"--Ja,
in den Hymnus staat "zeven." Maar dat zal toch wel zijn omdat de
zanger van dezen hymnus zelf al een zevensnarige lier bezat. Wie het
eerst bij onze oudste vaderen de lierkunst heeft uitgevonden, hetzij
Apollo--zooals ook in de homerische hymnen wel wordt gezegd--hetzij
Hermes, die heeft geen zevensnarige lier gekend, maar een viersnarige!"

Het is een hachelijke onderneming de fictie, alsof we een Atheenschen
citharist sprekend vermogen in te voeren, al te lang voort te
zetten. Hij heeft zijn' leerling allerlei te beduiden, dat wij hier
alleen uit de verte kunnen aanwijzen, daar wij ons op het gebied der
muzikale techniek, als onbevoegden, niet willen wagen. Vooreerst zal
toch de meester aan deze knapen wel hebben doen hooren, hoe eigenlijk
de toonschaal van de zevensnarige lier gelegen was. Hij zal hun
gewezen hebben dat de oude viersnarige lier met hare vier noten in
drieërlei aard kon zijn samengesteld, daar zij bij eene samenstelling
van snaren, welke ongeveer onze ef g a weergaven, een ander karakter
had dan wanneer het kleine interval (ef) in het midden lag (d ef g)
of op het eind (c d ef); hij zal hun hebben doen hooren, hoe die
eerste toongroep (de Dorische) tot ernstiger muziek zich leende dan
de tweede (de Phrygische) of de derde (de Lydische). Minder bezwaar
dan deze theoretische uiteenzetting zal 't hem gekost hebben den
jongens duidelijk te maken hoe schraal dit accompagnement was,
en hen te laten zien hoe--waarschijnlijk door de inventie van den
Lesbischen dichter-zanger Terpander--in de zevende eeuw de toonschaal
was uitgebreid door de vereeniging van twee tetrachorden-schalen,
zoodat men een zevensnarige tonenreeks op het instrument verkreeg
(ef g a bes c d).

Of nu hiermee de lier, die hij zijn leerling in de hand legde,
volkomen in overeenstemming was, weten wij niet; zelfs is ons onbekend,
in hoever deze kleine Atheensche jongens reeds hebben geleerd den
rijkdom der tonen te vermeerderen door met den vingerdruk de snaren te
verkorten, zooals bij ons vioolspel geschiedt. De vazenschilderingen
toonen ons wel duidelijk dat de meesters zoowel als de knapen
dikwijls met de vingers in plaats van met het zoogenaamde plectrum
(het staafje) de snaren aanraken, maar wanneer men let op de plaats
waar zij met den vinger de snaar beroeren, is het wel duidelijk dat
dit een eenvoudig tokkelen en niet een verkorten van de snaar is; het
is dus vingerspel naar den ouden trant, naast slaan met het plectrum
volgens de nieuwe manier.

Overigens vraagt het eigenlijke doel dezer oude liermuziek niet eene
zoo rijke modulatie van tonen. Eigenlijke instrumentale muziek is
bestemd voor de cither (kithara). De cither, die dus den ouden naam had
behouden waarmee in de homerische poëzie het eenvoudiger instrument
was aangeduid, is door haren bouw (haar houten klankbodem en hare
holle armen aan weerszijden van de snaren) die later in den afgeleiden
vorm van den psalter aan onze harp zou nabij komen, geschikter voor
klankvolle muziek; zij is in de handen van den virtuoos, hetzij hij
een lied zingt bij zijn muziek, hetzij hij zwijgend voordraagt, het
ware instrument voor de technische muzikale voordracht, en deze wordt
grootendeels overgelaten aan de musici van beroep, althans niet op
school onderwezen.



Ook hier--en in meerdere mate nog dan bij het literaire onderwijs--deed
zich in de bewegingsvolle tijden van den Peloponnesischen oorlog eene
zeer sterke wijziging van inzicht gevoelen. Een ouderwetsch man is
tevreden als zijn zoon een oud lied op de oude wijze zingt. De regels
van het vers aldus recitatief voordragend dat iedere sylbe goed wordt
verstaan, verheft hij, verdeelt hij en accentueert hij die voordracht
door het aanslaan van zijne lier, zoo vaak versbouw en zinsnede het
verlangen: zoo verduidelijkt zich de cadence, zoo zingt de jambe
helderder, zoo huppelen de dactylus en de anapaest vlugger.

Maar die voordracht zelve moest ondanks het protest der conservatieven
wel veranderen bij de ontzaglijke vlucht, die in de vijfde eeuw de
kunst zelve der in het openbaar gezongene poëzie had genomen. Er
ligt een wonderbaar snel afgelegde weg tusschen den statigen bouw
der voorname Pindarische strofen en de onrustige modulatiën van een
dithyrambendichter als Timotheos. Zelfs indien wij ons bepalen tot de
chorische lyriek van de drie groote tragici kan ons die snelheid van
ontwikkeling niet ontgaan. Welnu, indien de taak van den citharist
inderdaad niet alleen was om zijn jongen leerling te wijzen, hoe
hij aan tafel zijne lier moest gebruiken als hij op zijne beurt
ging zingen:


    In de myrten zal ik mijn zwaard verbergen
    Zooals Harmodios en Aristogeiton--


doch indien zijne propaedeuse den knaap tevens vatbaar moest maken om
als een verstandig toeschouwer toe te luisteren in den schouwburg, ja
zelfs misschien op zijne beurt mee te zingen in deze nieuwe koormuziek,
dan had ongetwijfeld de muziekleeraar van den Pericleïschen tijd
een vrij wat uitgebreider en moeilijker taak te vervullen dan zijn
collega van Aeschylus' dagen. Meer en meer had in die eeuw de muziek
geleerd, de rol haar oudtijds toebedeeld als al te bescheiden te
beschouwen. Alleen maar draagster van het woord te zijn en in haren
rhythmus zich te laten binden door zoo enge middelen als de slechts
tweevoudige afwisseling van lang en kort toeliet, dat was haar niet
genoeg: haar eisch was, zoo noodig de lettergreep niet slechts een
kwart-noot of een halve noot aan te houden, maar zelfs een heele
noot. En op dien zeer begrijpelijken eisch volgde weldra een tweede:
de toondichter vorderde voor zich het recht, het lied van den poëet
te behandelen naar dezelfde methode die in het operalibretto vóór de
dagen van Richard Wagner gold, en hij rekte en knipte en ontwrichtte
het woord, om te voldoen aan zijn tremolo's en alle verdere modulatiën.

Voor een jongen uit het allerlaatst van de vijfde eeuw was het dus
een vrij belangrijke vraag, welke richting in de muziek zijn vader
was toegedaan. Streng conservatief, zoodat hij van deze virtuositeit
dergelijke gevaren voor de zedelijke opvoeding van zijn zoon vreesde
als Plato, die al deze schijnbegeleiding uit den booze achtte en er
even ernstig tegen waarschuwde als tegen de zuiver instrumentale
muziek, in des wijsgeers oogen zoo verwerpelijk "omdat ze maar al
te licht ontaardt in de vage vertolking van duistere, droomerige
depressie of van zinlijke verbeelding"? Of flink geavanceerd als de
zoon van Strepsiades in het blijspel van Aristophanes, zoodat hij
zelfs Aeschylus ouderwetsch noemt en gezwollen? Het best zou hij het
zeker getroffen hebben, indien Aristophanes zelf zijn vader of zijn
leeraar was, want die zou hem hebben kunnen leeren de nieuwe muziek
tegelijk kunstmatig na te volgen en in hare overdrijving te bespotten.

Over een ander onderdeel van het onderwijs in de muziek, het
zangonderricht, kunnen we na 't geen over de cither is gezegd kort
zijn; de zang is namelijk met het lierspel geheel één. Maar kort
na de Perzische oorlogen kwam het fluitspel te Athene in de mode,
niet als technische begeleiding alleen door musici van beroep gegeven
bij offerplechtigheden, dansen en theatervertooningen, waar de fluit
wisselt met de harpbegeleiding, doch ook als liefhebberij voor gewone
burgers en weldra als vak van onderricht; en zoo ziet men dan ook
op verschillende schalen die schoolscènes weergeven den welbekenden
dubbelen aulos (die in den klank meer van onze clarinet dan van de
fluit had) in de handen van den Atheenschen jongen. Weldra stellen de
burgers van Athene er eene eer in, als hun naam wordt genoemd onder de
medewerkers in een Dionysisch koor van fluitspelers, en men vindt het
de moeite waard van eenen of anderen grooten staatsman te vertellen,
wie zijn meester--dan toch zeker zijn privaatonderwijzer--in het
fluitspelen was geweest.--Maar deze liefhebberij voor het fluitspel
is eene mode geweest en als zoodanig spoedig verdwenen. Misschien werd
de techniek, vooral bij het gelijk behandelen der beide fluiten, voor
dilettanten gaandeweg te zwaar, misschien dachten velen over de zaak
als Alcibiades, die zijnen leermeester het instrument voor de voeten
wierp dat den speler dwong een zoo leelijk gezicht te trekken en hem
bovendien verhinderde te praten onder het spel. In elk geval heeft
zeker omstreeks het einde van den Peloponnesischen oorlog de lier,
althans in de school het terrein, dat zij tijdelijk aan de fluit had
moeten afstaan, weer heroverd.



De vraag, of in deze afschaffing van een vrij jong leervak ook moet
worden gezien de practische uiting van eene veldwinnende vrees voor
overlading van het onderwijs, kan nauwelijks bevestigend worden
beantwoord. Het zal in eene volgende afdeeling van dit hoofdstuk
blijken dat integendeel in de eerste jaren van de vierde eeuw
de leeftijdsgrens voor het onderwijs tegelijk met zijne eischen
is gestegen; bovendien achtte men het gevaar voor schade, door de
geestelijke inspanning aan de gezondheid toegebracht, wel opgewogen
door de groote zorg aan de gymnastische oefening gewijd.

Bij de Atheners--zooals ook elders in Griekenland--is deze gymnastische
oefening der jeugd in haren eersten oorsprong natuurlijk niet het
gevolg eener theorie. Zonder twijfel: de "harmonische ontwikkeling van
lichaam en geest", het mens sana in corpore sano, hebben de Grieken
wel begeerd. Maar in hare geschiedenis was de eisch tot gymnastiek
deze, de jonge burgers te maken tot rappe krijgers, en tot schoone
medespelers in al de reiën, de dansen en de tournooien, die Grieksche
staten ter eere van hunne goden plachten te houden. Maar toen, bij
de ontwikkeling van den Staat in zijne onderscheidene standen, de
gymnastiek evenals het verdere onderwijs meer los werd gemaakt van hare
oorspronkelijke, practische bedoeling, toen stond begrijpelijkerwijze
meteen de deur open voor het gevaar dat de lichamelijke opvoeding
de overhand zou krijgen, dat de gymnastiek athletiek zou worden,
d.w.z. die eigenlijke athletiek welke menschen fokt die voor
niets anders leven dan voor enkele op zich zelf staande en onnutte
krachtpraestaties. Ook Plato heeft ze reeds gekend, de krachtmenschen
met gezwollen spierbundels en leege hersenen, de beroeps-worstelaars,
die leefden op een bepaald dieet, maar die in den oorlog het moesten
afleggen tegen den eersten den besten goed-geoefenden ephebe. Ja, lang
reeds vóór Plato was over de athletiek een met hartstochtelijkheid
gestreden twist uitgebroken. Hoe spot reeds de oude Xenophanes met
den man die vooraan zit aan den eeremaaltijd alleen omdat hij--of
misschien zijn paard--het vlugst heeft geloopen, terwijl hij zelf,
de wijsgeer-dichter, als een rondreizend zanger voor een kleine
gave zijn lied moet voordragen. Geheel anders daarentegen spreekt
Pindarus! Is niet de athleet door zijne hymnen verheerlijkt als de
roem en eer der stad die hem het leven schonk?

De Grieken zijn bespiegelend van aard en debatlustig, en zoo zou
zelfs eene vluchtige bloemlezing der beschouwingen vóór en tegen de
gymnastiek bij de Atheners, in den bloeitijd van het drama en met name
door Euripides, die zelf geen voorstander van de gymnische kunsten was,
ten tooneele gebracht, ons veel te ver voeren. Meer dan de lectuur van
zulke controverse meeningen zegt ons trouwens eene plaats uit Xenophons
Anabasis, die iederen oud-gymnasiast in de herinnering is gebleven,
en die bewijst hoezeer de lust tot het athletische spel den Grieken
in 't bloed zit. Toen Xenophons soldaten, het restje der welbekende
Tienduizend, na maanden van moeite en gevaar de langbegeerde zee
weerzagen, toen vielen zij niet slechts elkaar weenend in de armen,
maar zij bekrachtigden ook hunne vreugde door plechtige geloften
aan de goden, en zij vervulden die belofte door offers en door een
geregelden gymnischen Agon. Xenophon, dezen Agon vermeldend, vindt
het zelfs de moeite waard er bij aan te teekenen, wie als opperste
scheidsman daarbij heeft gefungeerd.

In de regelmatige toepassing der gymnastiek als deel van het lager
onderwijs hebben de Atheensche vaders zeker wel even goed als hunne
dichters en theoretici van tijd tot tijd geweifeld. De bittere vraag
van Euripides: "heeft ooit een man zijn vaderland gered omdat hij
een krans met zijne vuisten had veroverd?" bracht daartoe evengoed
het hare bij als de ervaring dat een zoon van niet al te vermogende
ouders datgene moest leeren wat hem, als hij volwassen zou geworden
zijn, kon beschermen tegen den honger. Maar toch mag men als
algemeene waarheid aannemen dat, voorzoover het onderwijs aangaat,
de gymnastiek nooit op den achtergrond is gedrongen. De Hellenen
hebben altijd met trots gevoeld, dat zij volstrekt niet alleen door
geestelijke voortreffelijkheid zich van de barbaren onderscheidden,
doch ook door die liefde voor lichamelijke inspanning die de
verstandelijke faculteiten schraagt en verfrischt. Men begaat geen
anachronisme, indien men tot toelichting van die meening Lucianus
citeert. De Anacharsis van den geestigen essayist van Samosata,
die door zijne eigene Syrische afkomst zoo bijzonder goed in staat
was het onderscheid tusschen Grieken en barbaren, zelfs toen in de
tweede eeuw onzer jaartelling nog bestaande, waar te nemen, bevat
een uitnemend geschreven gesprek tusschen Solon en zijn Scythischen
gastvriend Anacharsis. De Atheensche wetgever staat met Anacharsis te
kijken naar eene palaestra (een gymnastiekschool in de open lucht)
waar de jongens zich volgens de eischen der techniek oefenen in
het worstelen. "Hoe nu, Solon", roept Anacharsis, "zijn die jongens
gek? Zooeven wreven ze elkaar nog zoo vriendschappelijk met olie in, en
nu gooien ze elkaar in de modder, lichten elkaar beentje en 't scheelt
niet veel of de een zal den ander worgen! En die sukkel van een meester
staat er bij en lachend prijst hij den knaap die zijne kameraden het
hardst heeft aangepakt!"--Het kost Solon weinig moeite om aan den
Scythischen vreemdeling de beteekenis van het worstelen duidelijk
te maken. Trouwens, Lucianus was een veel te ervaren journalist om
in den breede uit te weiden over zaken die al zijne lezers evengoed
wisten als hij. Het "nut der gymnastiek" was een geliefdkoosd onderwerp
voor de schrijvers van dergelijke kleine schetsen als èn Lucianus èn
Philostratus gaarne publiceerden; en hoezéer in hun eigen tijd nog,
bepaaldelijk als hygiënische maatregel, de gymnastiek in eere was,
blijkt o.a. op merkwaardige wijze uit een paar losgescheurde bladen
van een "korte handleiding voor het technisch worstelen"--die enkele
jaren geleden in Aegypte zijn opgegraven, en die een reeks van korte
kommando's aan twee worstelende knapen behelzen.--Meer zorg echter
is door Lucianus aan de beantwoording van een tweede vraag van
Anacharsis besteed.

"Ik begrijp niet--zoo had de Scyth droogjes opgemerkt--waarom iemand,
als hij een olijfkrans wil hebben, niet eenvoudig een twijg van een
boom snijdt en zich die om het hoofd bindt zonder zich eerst daarvoor
in de maag te laten schoppen." Deze woorden van Anacharsis zien op
de poging door Solon gedaan om hem eerbied in te boezemen voor den
eereprijs die soms bij zulk een worstelstrijd het doel kon zijn, en
geven aan Solon gelegenheid om de belangrijke vraag naar de zedelijke
waarde van de eerzucht in Atheenschen, d.i. ook ten opzichte van de
educatie in gunstigen zin, te beantwoorden, en om daarnaast nog eens de
leer in het licht te stellen die Athene groot had gemaakt, n.l. deze,
dat door de juiste en evenredige staling van de lichaamskracht de
geestkracht wordt gesterkt en de overtuiging wordt gewekt dat het
ware evenwicht voor den mensch niet in de rust doch in de inspannende
beweging is gelegen.

In den goeden tijd is die leer het fundament der Atheensche
gymnastiek. Wat nu echter het onderwijs in die gymnastiek betreft, moet
men onderscheid maken tusschen twee soorten van gymnastiekinrichtingen:
de palaestrae en de gymnasia.

De kleine jongen die thuis door zijn balspel zijne vlugheid, en
wellicht bij de school door touwtrekken en dergelijke spelen zijne
spierkracht heeft geoefend, gaat daarna--omstreeks zijn tiende
jaar--gymnastiek leeren. Daartoe zendt zijn vader hem naar eene
palaestra. Zulk eene palaestra is eene particuliere gymnastiekschool,
als zoodanig niet per se voor het publiek toegankelijk. Wanneer
dus in het begin van Plato's Lysis de vrienden van Socrates hem op
straat aanroepen en vragen om mee te gaan naar een nieuw gebouwde
palaestra, welker deur openstaat en waar zij zonder verlof te vragen
binnenwandelen, dan volgt daaruit nog niet dat eene palaestra
eene publieke plaats is, of dat de Staat tot instandhouding dier
inrichtingen iets doet. De gymnastiekmeester (paidotribes) is de
eigenaar van zulk eene school en hij ontvangt, evenals de grammatist en
de citharist, schoolgeld voor zijn onderwijs. Dat dus--zooals Plato het
herhaaldelijk in zijne dialogen schildert--Socrates en de zijnen met de
grootste vrijheid in die scholen binnen gaan en met de jongens--toch
zeker in de pauze of na afloop van het onderwijs--zitten te praten,
is eenvoudig het gevolg van eene vaste gewoonte. De palaestra kan
worden gesloten, maar de paidotribes komt te gemoet aan de algemeene
begeerte der burgers om op hunne wandeling naar 't gymnastizeeren
te komen kijken; en hij heeft daar gelijk in, want zoo worden de
jongens geprikkeld om zich op hun best te vertoonen, en wordt in de
concurrentie het aanzien zijner school bevorderd.

De gymnasia daarentegen zijn geene particuliere inrichtingen
van onderwijs, maar groote, publieke gebouwen met niet al te
beperkt terrein. In den Hellenistischen tijd zijn het--zoo o.a. te
Perganum--ware sportpaleizen geworden, met leeszalen, badplaatsen enz.,
doch ook reeds te Athene in den bloeitijd dienden ze niet slechts als
oefenplaats voor al die talrijke spelen waarmee de volwassen Atheners
zich bezighouden, doch ook tot school voor de athleten van beroep;
voorts hielpen ze mee om te voorzien in de behoefte aan schaduwrijke
terreinen en koele zuilengangen, die in de zomerhitte voor eene stad
als Athene onmisbaar waren. De sophisten zijn er zeker van, daar
een gehoor voor hunne rhetorische pronkredenen bij elkaar te zullen
vinden; daar nestelen zich de philosofen in een hoekje, daar komen
ook de zakenmenschen elkaar zoeken, als zij hunne handelsvrienden
niet meer op de markt of in de openbare badplaatsen vinden.

Maar de schooljongen gaat naar de palaestra: natuurlijk vindt hij ook
hier, naar gelang van de offervaardigheid zijns vaders, eene fraaiere
of eenvoudiger inrichting. Maar op zijn minst is het toch altijd wel
een open plek gronds, versierd met een paar statuen, vooral met een
standbeeld van dien Hermes, den beschermer der athletiek, te wiens
eere jaarlijks de jonge gymnasten feestvieren en de paedagogen, zooals
we zagen, een beker extra drinken. En om de met fijn zand bestrooide
worstelplaats heen staan natuurlijk banken, voor de jongens om uit
te rusten, en voor Socrates en zijne vrienden om bij de oefening toe
te zien.

Alleenheerscher in deze school is nu de gymnastiekmeester. Paidotribes
heet hij met een bescheiden naam, want oorspronkelijk zal dat woord wel
doelen op het inwrijven met olie, dat aan het worstelen voorafgaat,
en dat hij als een deel der techniek ook aan de jongens moet leeren,
vóór ze het als in den Anacharsis van Lucianus elkander, of zich
zelven kunnen doen. Maar hij heeft alles te zeggen en zijn ambt
is een post van vertrouwen, niet ongeëerd, daar men hem somtijds,
als hygiënist, in éénen adem met den geneesheer noemt. Hij heeft te
beslissen, welke oefening voor ieder zijner leerlingen geschikt is,
wat de schoonheid kan bevorderen, wat te zwaar is voor het gestel van
den een, wat niet inspannend genoeg voor de gemakzucht van den ander,
en als teeken van zijne waardigheid draagt hij, staande in het midden
zijner knapen, een langen stok, die dienstig is om te dirigeeren als
ook--zoo 't noodig is--om duchtig te disciplineeren.

Eene deskundige beschrijving, die streng scheiding maakt tusschen de
werkzaamheden van palaestra en gymnasium is bezwaarlijk te geven, ook
omdat de paedotribe zonder twijfel bevoegd was zelf die grenzen min of
meer te wijzigen en misschien zelfs, van tijd tot tijd, voor bepaalde
oefeningen zijne leerlingen in een gymnasium te brengen, als de ruimte
in zijne palaestra te beperkt was--natuurlijk de oudere, want nog
veel meer dan in de school van den grammatist is bij den paedotribe,
in verband met de ontwikkeling van het knapenlichaam, indeeling in
groepen en klassikaal onderwijs eene zaak die van zelf spreekt.

Onze ouderwetsche dansmeesters noemden zich niet ongaarne "professeurs
de danse et de maintien". Dit laatste is zonder twijfel wel een
van de dingen geweest, waarmee dadelijk in de palaestra wordt
begonnen. Aristophanes, die in alles over achteruitgang klaagt,
vindt wel dat de paedotriben van zijn tijd er lang niet genoeg
meer op letten, dat de jongens die ze onder hunne leiding hebben
fatsoenlijker zitten, maar de afbeeldingen op de prijsvazen en
schotels stellen ons dienaangaande vrij gerust: zooals daar in
school en palaestra de jongens staan, zoo staat alleen wie 't geleerd
heeft. Maar marcheeren dan, en dansen? Hierover zwijgen, zooals zoo
vaak, onze literaire getuigenissen, en als op de keurige vazen een
sierlijke jongen of ephebe danst, staat er niet bij geschreven dat
hij het van zijn paedotribe heeft geleerd. Intusschen, de Atheners
zijn van ouds een dansend volk, al zijn ze niet allen zulke dansers
als die Hippokleides van wien Herodotus ons vertelt. Door den tyran
Clisthenes van Sicyon was Hippokleides uit vele mededingers tot
schoonzoon verkozen, en op merkwaardige wijze uitte hij zijne vreugde
hierover. "Aan het dessert"--, zoo vertelt Herodotus met die ironische
woordkeus, die zonder eene syllabe van afkeuring alles weet te zeggen
door onthouding--"boeide Hippokleides al de anderen zeer. Eindelijk
liet hij een fluitspeler komen en begon te dansen; en in zijn dansen
schepte hij zelf wel veel behagen, doch Clisthenes begon zich over
de zaak ongerust te maken. En toen nu in 't eind Hippokleides een
tafel liet aanschuiven en daarop eerst Laconische figuren vervolgens
Attische ging dansen, ja ten slotte boven op tafel op zijn hoofd ging
staan en met zijne voeten allerlei "handbewegingen" maakte, toen riep
Kleisthenes uit: "O Hippokleides, gij hebt uw huwelijk verdanst!"

Reeds alleen omdat de dans van Hippokleides niet beantwoordt aan
het allereerste voorschrift: dat alle onderricht in de palaestra
tot strekking hebben moet, welvoeglijkheid en voorname gratie te
kweeken, mogen wij er niet aan denken den paedotribe van Hippokleides
aansprakelijk te stellen voor den onwelvoeglijken dans van dezen. Maar
die "Attische dansfiguren", die kan Hippokleides toch licht in de
palaestra hebben geleerd. De waarschijnlijkheid van dansonderwijs toch
ontleenen wij aan de herhaalde afbeelding van beroepsfluitspelers
op palaestra-tafreelen--waar zij ook het springen door hun spel
verlevendigen--en de groote wenschelijkheid van zulk onderricht moet
ieder erkennen, die bedenkt bij hoevele feesten de hulp van jonge
dansers werd ingeroepen. Het is waar--voor eene dramatische vertooning,
bijv., waren die knapen maandenlang onder leiding van den man die het
koor zou leveren en besturen bijeen, en werden zij op zijne kosten
geoefend. Maar reeds deze regel van gemeenschappelijk instudeeren
veronderstelt eene algemeene geschiktheid die zeker nergens beter
dan bij de paedotribe kon worden verkregen.

Behalve bij dit dansonderricht gaat zeker de lijst van al hetgeen
in de palaestra werd onderwezen, in de meerderheid der gevallen
parallel met den rooster der vrije oefeningen eener hedendaagsche
gymnastiekschool. Ook zonder dat wij er uitvoerig verslag van geven,
zal men wel begrijpen dat het springen--de hoogsprong, de vèrsprong,
de sprong met halters--bij de Atheensche jongens in hooge eere was. Het
hardloopen ook: en al zal dit wel niet, of althans niet volledig, in de
gymnastiekschool zelf zijn geoefend, de paedotribe moet daartoe zijne
jongens zeker van tijd tot tijd in het stadium hebben gebracht. De
stadiumloop van ruim 180 meter is daarbij een eerste termijn. Maar
straks wordt de loop verdubbeld in den diaulos, waarbij de hardlooper
moet leeren in volle vaart zich te wenden, en eindelijk komt de
dolichos van zeven, tien en zelfs twintig stadiën. Meer dan een half
uur gaans! Hierbij is natuurlijk geen sprake meer van rennen. Het is
de kunst om in gelijkmatigen draf zijne geheele baan door te loopen en
dan niet hijgend en--zooals Plato zegt--met de ooren op de schouders
aan te komen. Niet voortdurend wordt daarbij, zooals bij den aanvang
zeker gebeurt, gezocht naar een harden, stevigen bodem. Neen, de kunst
is te leeren hardloopen zonder hinder van het terrein te ondervinden,
nu eens in 't mulle zand, dan weer op drassige landen, ook zeker niet
altijd naakt. Want voor de besten dezer jonge dravers zal er een tijd
aanbreken, dat ze zullen meedoen aan den wedloop in volle rusting
als zwaar gewapenden. Dan zullen ze zich burgers kunnen toonen dien
Atheenschen hardlooper Phidippides waardig, die binnen twee dagen
tijds het bericht van de overwinning bij Marathon overbracht van
Athene naar Sparta.

De groote discus zal aan deze jonge knapen waarschijnlijk nog niet
in handen zijn gegeven. Toch is er sprake van discus-wedstrijden
voor knapen, wellicht met een kleiner formaat van schijf. En deze
oefening zelve was voorzeker eene voortreflijke afwisseling na de
bovengenoemde exercitiën van de longen en de borstspieren. Sterk
worden de vingers door het vastknellen van de platte schijf, ruim de
borst, en lenig het schoudergewricht door het achterwaarts strekken
van den gespannen arm. En eindelijk, als de discuswerper met forsche
kracht den arm naar voren brengt en de schijf laat schieten, dan komen
plotseling de spieren van zijn geheele lichaam in werking, daar hij
moet verhoeden dat hij plat voorover valt, zijne schijf achterna.

Of het vuistgevecht ook al in deze jongensschool werd onderwezen is
onzeker; althans stellig niet de bij wedstrijden van volwassenen zoo
geliefde strijd van het pankration, combinatie van boksen en worstelen
die èn heftig èn gevaarlijk was en zeer zeker niet bevorderlijk voor
die bevallige lenigheid, welke voornamelijk in de palaestra werd
gezocht. Maar wel was ook reeds bij die jonge knapen het worstelen
in eere. Dit spel eischt den heelen man, niet slechts lichamelijk
doch ook geestelijk; want men moet zelfbeheersching hebben om
eerlijk te worstelen. Als een bewijs van Alcibiades' fierheid haalt
Plutarchus aan dat deze, als jongen in een worstelwedstrijd voelend
dat hij het onderspit ging delven, zijnen tegenstander in de hand
beet. "Foei Alcibiades", riep deze, "je bijt als een meisje."--"Neen,
als een leeuw," antwoordde Alcibiades.--Maar ik hoop hartelijk dat
de paedotribe dezen jongen leeuw bij zijne manen heeft gegrepen en
zijne koninklijke ooren heeft doen tintelen.

Met zorg en voorbereiding wordt het worstelspel ingestudeerd. Eerst
is het slechts een schijngevecht, waarin de meester figuur voor
figuur en greep voor greep aan zijne jongens leert, hen nauwkeurig
instrueert, welke manier van beentje-lichten mogelijk, of schadelijk,
of ongeoorloofd is, waar men zijne tegenpartij moet aangrijpen,
hoe zelf de voeten zetten en wat dies meer zij. En daarna komt de
echte worsteling, eerst tusschen leerlingen van den zelfden meester,
straks zeker in concurrentie met jongens uit een andere palaestra,
om te kijken wiens methode de beste is. Dan gaat men vechten, soms
in 't droge zand, soms--om de zaak nog moeilijker te maken--op een
opzettelijk losgehakt en met plassen water modderig gemaakt terrein. De
jongens zijn van te voren naakt uitgekleed en door eene kundige hand
goed ingewreven met olie, zoodat ze glad als alen zijn en dus zeer
moeilijk te grijpen. Worstelen ze nu in 't zand dan is natuurlijk
hun eerste gebaar, wanneer ze op elkaar zijn toegetreden, dat ze zich
bukken en elkaar met handen vol zand bestrooien. Is de grond modderig,
dan is dit hulpmiddel van zelf uitgesloten. Hierbij komt nog dat ze
zelf op den glibberigen bodem veel lichter uitglippen, en eindelijk,
als ze te zamen op den grond vallen, blijft door het slijk de voor
den tegenstander zoo lastige gladheid onverminderd bestaan.

Iedere rechtgeaarde worstelpartij heeft minstens twee perioden,
die natuurlijk door allerlei toevalligheden kunnen worden verkort of
gewijzigd. Eerst komen de knapen op elkaar af en grijpen elkaar bij
de polsen en met de gebogen koppen tegen elkaar staan ze te wringen,
te drukken, te dringen en te trekken tot een van beiden de kans schoon
ziet om zijn arm als een gordel om 't lijf van den ander te slaan en
hem te "werpen" of, als 't moet, met hem neer te storten. En dan wordt
op den grond de strijd voortgezet. Nu valt de een in 't zand, dan
ligt de ander onder, tot eindelijk tot driemaal toe de schouders van
een van beiden tegen den bodem gedrukt zijn en het pleit is beslecht.

Het heet, dat gewoonlijk voor den geheelen cursus door den paedotribe
een vaste som werd ontvangen. Niet zonder waarschijnlijkheid heeft
men op grond daarvan verondersteld, dat ook voor de "afgestudeerden"
de toegang tot deze worstelschool niet was gesloten. En dat lag in
den aard der zaak. Naar niets kijken de Atheners liever dan naar
die slanke worstelende jongens. Is het dan wonder dat ook die oudere
knapen nog eens mee komen doen in de palaestra, ofschoon zij eigenlijk
in het gymnasium te huis behooren? Daar moeten zij immers de leiding
missen van hun trouwen en beproefden leermeester, den paedotribe!



Omtrent het schoolleven der Atheensche knapen uit den bloeitijd der
stad brengt ons alzoo, blijkens het hierboven bijeengebrachte, eene
niet al te vluchtige bestudeering van de geschriften, inscripties en
vazen uit de oudheid bewaard wel eenigermate op de hoogte. Maar de
schijn zou kunnen worden gewekt, dat voor deze Atheensche jongens
inderdaad, in anderen zin dan van Alphen 't bedoelde, "het spelen
leeren" was geweest en hun geheele leven in de school en in de
palaestra voorbij ging. Toch was dit geenszins het geval. Terwijl aan
den eenen kant--zooals wij reeds herhaaldelijk zagen,--de persoonlijke
vrijheid om de uren buiten de school doorgebracht geheel in te richten
naar persoonlijke voorkeur, bij deze knapen veel beperkter was dan
in onzen tijd, namen zij, hetzij actief hetzij als toeschouwers, veel
meer dan in onze maatschappij aan schooljongens wordt vergund, deel aan
de openbare feesten en vooral aan de godsdienstige plechtigheden van
het volk. De zuinige vader uit Theophrastus' "Characteres", had niet
geheel ongelijk toen hij zeide dat zijn jongen in de maand Anthesterion
veel meer te zien kon krijgen buiten de school dan daarbinnen. Wij
voor ons betwijfelen wel of het zoo heel goed voor den knaap was,
dat alles te zien. Het anthesteriënfeest zelf heeft elementen genoeg
die misschien den jongen beoefenaar der onvolprezen "sophrosyne" weer
een aardig eindje op den weg dier deugd achteruit konden zetten. Het
begin was het minst hachelijk. Als aan den vooravond van dit lentefeest
in de familie de wijnvaten van 't vorige jaar worden open gemaakt, en
door heer en slaven feestelijk worden geprobeerd, dan heeft in ieder
geval de huisvader het in zijne hand gehad om de opgewondenheid door
en over den goed geslaagden wijn niet verder te laten komen dan hij
met de eukosmia in overeenstemming achtte. Maar in de volgende dagen
wordt de carnavals-vreugde in het openbaar gevierd bedenkelijker van
karakter. De publieke feestmalen door den tweeden Archont bij deze
gelegenheid aangericht, zijn voor die jongens, die door hun vaders
zijn meegenomen, verre van stichtelijk. Om nog te zwijgen van het
meer dan gemengde gezelschap dat bij die feestviering mee aanzat:
welken invloed moet het op zulk een' knaap hebben gehad, als hij
getuige mocht zijn dat zijn vader den prijs behaalde, die voor den
vlugsten en kloeksten tempelier was uitgeloofd? Of hoe moet het den
jongen hebben aangedaan, die immers ook zelf als een echt feestgenoot
den ganschen dag bekranst meeliep op straat, als hij heel de stad
vervuld zag van groote en kleine bacchanaliën?

Het Anthesterionfeest is er een uit velen, en mag daarom wel als
voorbeeld worden vermeld. Als we den zeer gevulden feestkalender
van Athene nagaan en voor ieder feest, waarbij zulks geoorloofd is,
de jongens meenemen--die natuurlijk tot den traagsten rekenaar toe
deze rekening wel in hun hoofd hebben--dan brengen wij hen vele dagen
op straat, en dikwijls in meer dan vroolijk gezelschap. Dit laatste
zullen in de vijfde eeuw vele vaders misschien niet zoo erg hebben
gevonden als wij: zelfs Plato oordeelt over "lichte dronkenschap"
minder streng dan onze tijdgenooten. Maar er is geen twijfel aan,
dat ten opzichte van de jongensvrijheid juist in Plato's dagen de
"moderne" opvattingen weer in discrediet kwamen, en te gelijk daarmee
een verschil van opvatting tusschen de aristocratische en de meer
democratische kringen ontstond.

Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige
plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding
was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen
werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren
hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht
die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt
overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij
met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.

Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en
openbare feesten. Wanneer er een oom of een broer trouwt, dan mag de
kleine jongen--en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is--naar
de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad
te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen,
laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger
werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt
hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij
nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald
priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal
van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van
Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met
mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt,
doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten
jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht--want meestal gold
zoo iets voor hooge eer,--in den cultus diensten tot bijstand van
den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot
welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor,
dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het
heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën
mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is
zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in
hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met
de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden
een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet
het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den
ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen
van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze
benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij
uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen,
hebben het zeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den
dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen
volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden
godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het
hen had geleerd, en eindelijk in een' tijd van veldwinnend rationalisme
diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene
meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.



III


Indien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der
schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog
voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs
is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben
opgenoemd leerde--afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen
met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven--toen
ter tijde een Atheensche knaap niet.

Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer
met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige
en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den
kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen
dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs
ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste
inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.

De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de
hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche
jongens in Plato's Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken
hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de
Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen
vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen
onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens
ook het model van deugdzame eukosmia, hun in de eerste hoofdstukken
van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is
zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als
uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene
onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te
heerschen.

Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder
duidelijk in 't licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die
aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne
opvatting was die van vele knapen en jongelingen.

Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad
met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot
Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met
kinderen gaat als met planten--van welke deze heereboer blijkbaar meer
ondervinding heeft dan van zoons--: "de grootste bezwaren vertoonen
zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is". Zoo is
het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de
opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen
voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord:
hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn' tijd zoo aan zijn
kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en
eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats
van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer
naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de
planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den
dag gekomen: hij wil knap worden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is
den vader niet recht duidelijk. "Ik denk haast"--zegt deze--"dat eenige
van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van
hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet
op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan den een of anderen Sophist
het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu,
om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees,
dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden."

Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de
veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik
bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie
der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten
te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een
meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist
voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van
het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen
met zulke leergierigen, wakker in 't vragen en onvermoeid in
't luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de
zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens
boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen,
de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd
is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal
als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij
wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid
met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit
gaat. In den "Laches" van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den
grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn' vriend Laches. Hij zegt
ongeveer het volgende: "Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben
de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als
wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat
te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als
Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel--ach, dan
hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen
ons daarover genoeg! En daarvan ligt de schuld bij onze vaders,
die ons maar in 't wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen
jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met
onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!"

Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan,
wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen
herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten
als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die "omdat er nu toch iets
gedaan moest worden" hun jongens schermen willen laten leeren! Ook
willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen
knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer
ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid,
door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare
opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet
alles wat de grammatist met zijn collega's hem leeren moest! Eerste en
voornaamste eisch van dat onderwijs was: "open hunne oogen". Welnu, de
oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien
had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting
van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor
hen die Athene's aangezicht hadden zien veranderen in den strijd
om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het
geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets
anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.

Dat "andere", men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten
de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen
als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is
besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral
de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van
de vijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De
polemiek, door Plato in zijnen "Staat" tegen de poëtisch-literaire
opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed
gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters;
maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs
het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de
manlijke kloeke wijsheid van Solon's elegieën en jamben, naast de
weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus'
opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet
wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen;
de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere
knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!

Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard
waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof
eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet
recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten,
althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude
programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig
naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere
mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting
van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!

Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij
gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien
we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde
eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: "moeten onze
kinderen niet leeren teekenen?" Voor de hand liggend schijnt die vraag
niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische
opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het
noch als algemeen opvoedingsmiddel, noch als onmisbare voorbereiding
voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen
hebben. Maar de Atheners kenden in Plato's dagen aan den invloed
van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer
zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest
kloppen van trots om 't geen zij bezaten en van hoop om 't geen zij
verwachtten, als zij Plato's pleidooi voor de schoonheid lazen. "Wat
dunkt u--zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der
Republiek--zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters
de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten,
of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor
waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit
ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid
is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren
en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers,
laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot
Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht
is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine
beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel
van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat
hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone,
die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en
welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een
gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun
gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide
een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid".

Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven,
in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in
de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet
voor doove ooren. De Atheners hebben in de vierde eeuw niet geaarzeld
om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den
aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs
op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid
der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder
het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het
schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer
en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader
die een' vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het
nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen
stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de
Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die
te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het
onderwijs interesseerden--dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen
"allen"--de vraag op de lippen: "hoe zullen onze knapen de tempels en
de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken,
kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van
schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling
liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden
daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van
hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te
benaderen met de punt van zijne teekenstift.

De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont
reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na
de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren,
dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef
heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind
van dien weg zien wij in de verte den eisch der enkyklios paideia,
de verbinding van het trivium (grammatica, rhetorica, dialectiek)
met het quadrivium (arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).

De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden
Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen
van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen
tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere
kleuren schildert. "Arme jongen," zoo roept hij, in eene boutade
die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe:
"Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te
slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap,
dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen
ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en
de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar,
straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En
door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je
bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten."

Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo
niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd
had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie
af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de
jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of
muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de
maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een
verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan,
die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel
als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe,
wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène
van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover
elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefde en
ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie,
aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list,
de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe
de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij
zulk eene voorstelling in de handen: "Ziedaar een dichter die weet
wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echte sophrosyne,
zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken
bij Socrates." En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om
"knap" te worden: "Naar de sophisten ga je niet."

Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder
gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij
een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de
lagere school eenvoudig "los" laten loopen. Dat was niet alleen een
eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor;
en met Theages' vader zei menigeen: "om het geld kan het me niet
schelen;" daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek
zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt
zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende
mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en
vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die
allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te
Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog
scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger
mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden;
maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.--Geweldig
bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar
kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk,
dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook
bij de keus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om
hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen
"de mannen van de straat", de gunstelingen van den Demos, op politiek
terrein de overwinning kon bezorgen.

Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?--Dat is eene vraag van
hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch
in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch
ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten
te hooren.

Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat
zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge,
rijke Athener--hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons
toch als type dienen--brandt van begeerte om den grooten Protagoras
te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in
Socrates' slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding
dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem
mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen,
onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar
resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de
"knapheid", die Protagoras als een "kleinhandelaar in geleerdheid"
te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert
op die wijze "knap" te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem
inderdaad wijsheid kan schenken.--De wijsgeer die alzoo de methode
van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel
beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten
van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne
begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom
doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen,
hoe hij die mannen der "parate kennis" beschouwt.--Wie het tooneel
van Socrates' en Hippocrates' intrede in den kring der gasten van
Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen,
vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet
van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen
zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner
stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus' schreden volgden geboeid door
de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias--die Hippias die alles
kon, zelfs zijne eigene schoenen maken--tronend op een hoogen zetel,
terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om
hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk
Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware
stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de
gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.

Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras
zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder
waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras,
soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus,
soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En
ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt,
gelijk ook het onderricht zelf der Platonische school, de oorzaak van
Plato's verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige
sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.

Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk,
deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is
het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist
antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates
hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders,
een weinig ontzet over de hooge prijzen--Prodicus vroeg f 25 voor een
korte private instructie in het juiste gebruik der woorden--hen op den
man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren
dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.

Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het
duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras:
"wij voeden knapen op tot mannen" d.i. "wij leeren hen politiek
inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring". Maar als de
mannen van Plato's richting zulk eene belofte hooren, dan trekken
zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: "Gelooft het niet
te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: "Ik geef aan de
jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en
daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat."

Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato's waarschuwing juist
een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder
toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had,
toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door
Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en
politieke bekwaamheid voor de som van f 250.--

In den grond der zaak echter voorzag zeker--ook reeds het feit dat
de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit--het
sophistenonderricht in eene "bestaande behoefte". En wat bij de groote
verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars
de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig
zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het
spreken. Protagoras' theologische scepsis en Prodicus' levensmoede
ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van
Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene
wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van
Prodicus te leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door
uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe
scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die
wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door
ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias--dat was het
wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere
woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.

Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het
gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die
sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij
zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht
des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode
van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die
juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding,
met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist
van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato's dialogen, waar
op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven
als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het
ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een' "Theages"
thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de
kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk
te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid,
dat dus voor de rhetoriek--wier terrein de kring der onbevoegden,
immers de volksvergadering, is--zaakkennis overbodig is, dat scherp
onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet
door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van
den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.

Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheid in zich,
dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog
valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias
en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al
te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij
zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde
vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de
eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de
utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den
Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.

Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet
tot zijn vader had gezegd: "ik wil knap", doch "ik wil wijs worden",
zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord:
"zend hem maar bij mij"?

Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring
van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in
zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad,
waar dan--om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der
dialectiek--voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer
zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato,
die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit
anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie
toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting
voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht,
bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng
aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf
legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw,
Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.

Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden, eene op
religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen
onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere
inrichting van onderwijs.

Maar eene school voor knapen was die Akademie--zooals wij haar
kennen--niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in
zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten
der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden,
uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks
een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar
volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten
corporatie of secte, bijna zou men zeggen "eene gemeente", vereenigd.

En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato's Akademie,
straks van Aristoteles' Peripatos, zich zeker van den beginne af
wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor
de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes,
jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden
uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat
aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te
Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui--voor welke gaandeweg
de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot
dien van eene geregelde voordracht--waren geene knapen, doch jonge
mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene
de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.

Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde
eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te
Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van
hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne
aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet
onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.

Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen
"volmaakten stilist" alleen reeds voldoende om hun de langwijligste
uren uit hunne worstelingen met het "moeilijke Grieksch" te binnen te
brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling
oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid
harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor
niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst
tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes' gespierden
hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar,
dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene
te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren,
weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo
langen adem wakker te maken.

Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver
ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste
plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam
fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem
voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid
geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees;
al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch
zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende
waarheid--de "onvruchtbare" bezigheid der mannen van de Akademie--noch
de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden--zoo meende
hij--Athene's jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht
naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene
propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.

Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De
welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal--alleen
nog niet tegenover de massa des volks--haren voornaamsten invloed
verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te
Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van
gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of
uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die
"vooruit" wilde, de in meer dan één zin "kostbare" leiding van den
grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd
voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van
Isocrates' onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school
vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische
studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij
als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.

In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders
dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato
zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van
het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid,
van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de
menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere
overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van
groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid
en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En
als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons
tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in
de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden--te eenzijdig
doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt--en eindelijk
om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij
die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch
programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar
beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus
den leermeester, die van de edelste kunst een onedel werktuig maakt,
en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat
voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan
loutere en waarachtige burgerdeugd.

Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen
van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische
vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de
afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding,
bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen
geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige
improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat
de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de
zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne
stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.

Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates
zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad,
en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te
trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en
zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking
zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen
onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen,
zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te
komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van
Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten
der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde
zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes,
het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen,
doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder,
het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch
zijne ooren en zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die
hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de
literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote
deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende
welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de
lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene's
heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door
hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.



Het is--alles bijeen genomen--geen wonder, dat in de vierde eeuw
zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden
naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een
nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet
zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene's
burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze,
dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke
aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig
en streng disciplineeren der aristocratische jongelingschap noodig
was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde
eeuw een stiptere regeling--en wel eene regeling van staatswege--van
het instituut der Ephebie.

Wie den naam "Epheben" hoort, denkt het eerst--en te recht--aan
die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende
ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische
paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de
fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge
soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en
wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid
dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige
versterking heeft noodig gehad. Maar tegen het eind der vierde eeuw,
d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag
verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling,
waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming
van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij
hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de
overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de
ephebie ter zijde te laten.

Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid
zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben
bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die
dienstplichtige jongelieden van 18-20 jaar, die door een onderricht
onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden
gevormd voor den hoogeren militairen dienst.

Zoo erkent dus--na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te
hebben verloren--de staat van Athene den achttienjarigen jongeling
als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.

Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis
der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep
doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) zien naderen. In
die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen,
om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat
jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en
ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den
beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten
het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde
dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet
reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne
voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit
thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te
maken, kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met
de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder
plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan
volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres,
en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met
zijnen vader voor de phratria het heilige offer dat koureion heet,
omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft
afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer
en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal,
stukken offervleesch gebracht.

Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een
religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het
Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware
iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts
de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.

Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van
het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders
bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische
gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners
in--toenmaals honderd--demen, woonden dus natuurlijk alle leden
van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van
een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de
leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en
ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale
belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd--en
onder eede gestemd--wordt nu ook over den aanstaanden burger in
den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder
welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië
reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans
zijnen vader persoonlijk; ze zijn er om zoo te zeggen bij geweest,
toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten,
in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?

Maar--wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet
in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als
Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee
bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot
tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van
alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat
er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding
was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke,
sociale en religieuze redenen zéér veel waard--ook wel een douceur
aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle
reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet
tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans
verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst
dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of
anderen man hoort verklaren: "Zie hier, dezen hebben de demoten op
eer en geweten verworpen als burger."

Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken
zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog
in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden
vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge
achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van
zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze;
het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: "tot de
knapen zal worden teruggezet". Maar minder dan zijn eigene positie
van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek
hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was,
de gedachte aan zijne toekomst vervullen. Nog weinige jaren en het
lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen
in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.

Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd;
zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het
volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van
Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed
met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel
wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.

Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het
eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook
wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan
de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden
zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na
twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak
van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne
zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk
is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve
rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten
plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes
hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames--en aanmatigend
als Duitsche Corpsbrüder "in Mütze und Kanonen"--op het tooneel
bracht. Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i. ieder in
die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij
zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie,
d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest
achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te
gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het
gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze
zaak als hoogst bevoegde geëerd, tien sophronisten of zedemeesters aan,
terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.

Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien-
tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke
oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling
niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de
Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer
ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen,
zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in
onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan
worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden
bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond,
de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de
herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan,
wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk
marmer.

Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting,
die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en
wenschen van achttienjarigen. En toch--wie in de kosmetenzaal van
het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te
kijken naar de rij van Attische kosmeten--zij 't dan ook grootendeels
uit lateren tijd--welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal
niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik
heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen,
paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche
jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden
leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen
hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen
in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het
huislijk leven met zijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig
vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van
jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend
zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem
van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de
namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen
jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij
dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend
huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog
gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.

Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben
en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware
gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando
was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten;
zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan
zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en--militair
gesproken--niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en
niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de
compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor
zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen
(d.i. 2/3 drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor
de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot
betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam
aan stam, eten.

Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften,
hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist
vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche
jongens--ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne
gewijd--van aanleg zeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van
Demosthenes' oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is
eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de
ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen
stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval,
en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een
merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in
een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe
regeling der ephebie voorafgingen.

"Het is nu twee jaar geleden", zoo laat Demosthenes den eischer
zijne lotgevallen verhalen, "dat ons regiment werd opgecommandeerd
om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon,
mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze--geenszins naar mijn
wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit
de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de
gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag
te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte
hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij
van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze
dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de
tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met
hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden
begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte
ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij
't vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden,
of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid,
of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of
onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er
natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over;
maar daar zij ons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden
te bedrijven, hebben we eindelijk--geenszins ik alleen zonder de
anderen, maar onze tafelgenooten en corps--de zaak voor den strateeg
gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet
alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens
hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te
schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien
zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en
na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en
veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de
strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen
aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar
leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld,
hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt...."

De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden,
hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker,
ze zullen onder 't luisteren naar deze schets van 't garnizoensleven
wel even zich aan 't genot der herdenking van eigen ondeugendheden
hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den
jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt,
wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis
misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen
ze tevens hebben gedacht: "met jonge mannen als de zoons van Konon
kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton
vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben
kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de
kern onzer jongelingschap verbeteren".

De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt
terstond na hunne benoeming, opent de ephebie op zeer karakteristiek
Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de
onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont
en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden,
heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in
plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad "langs
de heiligdommen der Goden". Alsof thans voor het eerst de omheining
wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van
het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten
overal rond. Natuurlijk wordt--in de vierde eeuw!--hier niet de schijn
gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën
hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit
der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het
Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te
nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias' tempel
te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun
jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker,
er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert,
niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan
langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën
hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die
nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite
"in de Tuinen" zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker
heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de
markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der
Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere
oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt
voorgesteld en wel als een stad "vol van de goden". Maar tevens,
terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs den tempel van
Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus
den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera--langs al die
plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen
op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook
dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de
goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: "Jonge Atheners,
ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland,
schooner in hare religie is er geene--beschermt haar en bewaart hare
eere!" Maar bovendien, het is hun alsof, op den dag zelven die hen in
zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten
hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden
die Athene hebben grootgemaakt.

De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het
best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven
krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates
of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen,
hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs,
dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den
schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen,
de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen
in het zwemmen en 't paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne
jonge levenskracht anders dan een lust?

Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar
de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum,
of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden
voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling
van al datgene, wat bevorderlijk is voor de euandria. Want eukosmia
en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners
in het uiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden:
euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge
mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en
eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is
van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige
verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere
beweging ontsiert.--Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de
oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring,
meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer
geliefde oefenspel met den korykos, den Romeinschen follis, den windbal
dien wij in het Engelsche sport als punchball kennen. Men hing in
de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de
eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel
eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van
toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.--De bal hangt
juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op,
werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij
komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of
door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en
tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig
toegepast geleidelijk ritardando van zijne vuist- en palmslagen juist
op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.

Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks
kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende
voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door
den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en
zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs
van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn
behandeld. In dezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn
zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten, in training
voor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer
beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen
met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel,
terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen,
maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.

Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar
hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der
epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen,
en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft
dat met nauwkeurig overleg geregeld. De "quaestie der gymnastiek"
is van Euripides' dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de
baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs
de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige
beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer
ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie
van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner
burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te
Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan
kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het
gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen,
het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden
tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd
gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het
is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan
worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!

Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijk
onderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het
belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze
jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden
klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle
waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen "uitkomen" in een
van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne
goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de
jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem
niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had
gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan
de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe
aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben,
zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig
en lenig zijn. Dan zal hij--misschien met gedeeltelijke inkorting of
wijziging van zijne militaire verplichtingen--worden aangewezen om
zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden
Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den
tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting
de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge
stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan
den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.

Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard
in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap
van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper
aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in 't eind toch niet
zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen
dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer
hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij
weet--want toen hij met zijnen vader in het Dionysustheater de
Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond--dat
het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer
heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God
Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de
symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van
het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch
wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de
fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar
het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het
huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort
te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar
in reinheid worden bewaard--en, voor zoover menschelijke aanraking
haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet--door contact met
het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder
kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid
zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.

Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling
aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van
houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze
nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen--uit iedere
phyle een--steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen
harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten
wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van
den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel
goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet
zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven
kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te
wachten die de brandende toorts overneemt. Uit vallen nu natuurlijk
al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend
gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank
zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben,
het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.

Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het
karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der
verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet
noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze
afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding
bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van
meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al
wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire
voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft
ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de
voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming
zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie
tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke
scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders
was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de
meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het
mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners
zich vrij geregeld te oefenen. Maar reeds het zwaardschermen bracht
verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat
onderwijs hadden gehad en dus den anderen van 't begin af de baas
waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het
belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het
niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms
aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al
is dat het geval, bij lange na niet alle epheben zijn financieel in
zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige
oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.

Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat
voornamer dan hun collega's welke maar voor den hoplitendienst
bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet
om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans
van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet
zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan
eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt
hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen
onberispelijke dressuur, staat het niet straf op 't commando pal, of
heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld
en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat
van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.

Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening
noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen
wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en
een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij
hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu
eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven,
zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet
zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak
zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun
rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij
laat hen galoppeeren in 't mulle zand en over de greppels of slooten
springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen
van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van
Xenophon over de ruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne
vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.

Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet
voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat
eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en
verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de
oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche
maaltijden--voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten--,
ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze
ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de
wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte
omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven
ten zuid-westen grenst.

De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der
reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige
punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de
Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen,
de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan
dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee
eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De
regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen
hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en
toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen
avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en
die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren
slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of
reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang
dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.

De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienst
afgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het
tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige
plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie
handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken
in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij
tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen
Atheenschen burger.

De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele
zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord "zitting"
is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat
de Atheners--die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel
ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande--ook in
hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij,
en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars
wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340
en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een
steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte,
waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de
plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten
de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat
voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd
dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige
zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene
andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er
is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde
de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit
van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers,
die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na
den dood der vaders de kosten van de opvoeding dezer knapen voor zijne
rekening genomen, en--althans in de oudere periode, toen de ephebie
nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde
was geworden--hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is
een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest,
dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die
kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch
als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf
den vijand tegemoet gingen--wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst
in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd--heeft de
verzekerdheid dat de Staat "zijne zonen als de herinnering aan zijn'
moed zou eeren" voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld
verlicht.

Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg
vullen--velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende
schouwspel bijzonder moet treffen--met groot welbehagen op de "Weezen"
die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij
van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude
Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer
fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze
weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij
zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een
"uitzet", een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting
als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting
gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia
treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit,
en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke
rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut
zijne stem en draagt de boodschap, "zoo treffend en zoo uitnemend van
kracht om ook anderen op te wekken tot dappere deugd" voor. "Hoort
mij aan, burgers van Athene", zoo zegt hij--en tot op de bovenste
rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem--"Uw volk heeft
deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd
om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag
hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle
wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun
verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting."

Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat
zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar
de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den
priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de
hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet
hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet
minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een
plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt
uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles
ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor
zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en
karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal
heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie
op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er
toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder
deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn
hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een
blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het
eererecht hem door zijn vader nagelaten.

Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt
onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het
volksparlement (de ecclesia) in de theaterruimte; en zoodra nu de
zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft
in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de
volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele
ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de
epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend;
het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning
van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren
in eene kwartwending rechts ("speerkant") en links ("schildkant") de
halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de
hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid
in beweging en snelheid in 't stilstaan, welke door de uitgebreide
infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan
het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege
worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt
erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van
Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten
diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.

In hunne volle wapenrusting--en dit is het laatste deel van de
drieledige plechtigheid--marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom
der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer
steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog
eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog
gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste "pelasgische"
nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap
verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros,
eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle
Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was,
en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijke grot, in plaats van
bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden
gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben
weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was
door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel
bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van
de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien
kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd
door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit
mandje--welke Atheensche knaap wist het niet!--had het kind met de
slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der
Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het
Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie
van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van
de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het
ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen
bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men
zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende,
luidde aldus: "Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken,
noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik
gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is
door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij
met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet
minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen
die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan
de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene
die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En
zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve
niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien
man tegengaan, zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige
instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij
Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone."

De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden
aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest
den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot
ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften
der tijden zich heeft gewijzigd--en wij weten dat dit het geval is
omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn--de godennamen duidelijk
de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed,
dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige
toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied
gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte
der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes
of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden
daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de
burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve,
en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën
van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.

De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer
definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde
van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op
het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische
ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende
slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het
kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een
enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne
militaire excursies als peripoloi, rondgaande troepen, en denken
aan hun spitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de
grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien
hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een
kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit
Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting,
onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich
daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig
te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron,
hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica's
zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad,
sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij
hun land en hebben Attica liefgekregen uit eigen gemeenschap met den
bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.

Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons
bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet
lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen
meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende
Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat
burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps
der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui,
met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een
staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies
meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt
ons--hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen--in een
geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van
onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek
volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door
den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblik
geven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.



Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.--"Waarom noode?" vraagt men
wellicht; "zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf
zóó wenschen als hij was?" Mij schijnt zulk een vergelijken altijd
onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het
verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst
doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als
die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert
de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing
te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet
geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen
niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven
schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als
eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne
"grafrede voor de gevallenen" teekent. Immers dit zijn wel de deugden
die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene
schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd
wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde
voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor
het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde
deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede,
die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen,
doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van
oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.



OVERZICHT VAN DEN INHOUD.


INLEIDING.

    Schaarschte der literaire gegevens over Grieksch kinderleven
    Grieksch familie- en geslachtsverband
    Beteekenis der verwantschap
    Oudere en nieuwere opvattingen
    Familie-verband en burgerschap
    Beperking van het onderwerp


EERSTE HOOFDSTUK.

    Wettige en onwettige kinderen te Athene
    Erkenningsvrijheid
    Geboorte-ritueel
    Afgescheidenheid der vrouwenwoning
    De kraamkamer en de min
    Amphidromiën en naamgeving
    Gewichtige beteekenis van den naam
    Inleiding in de phratriën, beteekenis van het phratriën-verband
    De vrouw in het Atheensche huwelijk
            in de tragedie
            en in Xenophons geschriften
    De taak van de moeder en de trophos
    Het Atheensche kind in de kinderkamer
    Eerste aesthetische en godsdienstige ontwikkeling
    Bescheiden rol van den vader in de kinderopvoeding
    Eerste kinderspelen
    Beteekenis van het spel bij de Grieken
    Gering standsverschil
    Algemeenheid van het spel
    Het balspel
            Spel op de krijtstreep
            Grijpbal
            Ourania
    Koning en Ezel
    Blindemanspelen
            De Vlieg
            De Pot
    Zakdoekjeleggen
    De schildpad (chelichelone)
    Hasardspelen, dobbelspel
    De koten (astragaloi), sinds Homerus bekend (Patroclus)
    Schervenspel
    Tollen
    Kwartels- en Hanen-gevechten
    Waardeering van wedijver en eerzucht


TWEEDE HOOFDSTUK.

    De knaap gaat naar school
    Zijn leidsman, de paedagoog
    Paedagogie in het heroïsche tijdperk
    Phoinix bij Homerus
    Adrastus bij Herodotus
    Dorische en Attische agoge
    De eukosmia en de vrije beweging op straat
    De knapen zonder hun paedagoog
    Gewijzigde beoordeeling der paedagogie: Plato's Lysis
    Uitbreiding der staatszorg in lateren en onthouding in
        vroegeren tijd
    Staatssubsidiën sinds de derde eeuw
    Algemeenheid van lager onderwijs
    Inrichting der scholen in vroeger en later tijd
    Levenspositie van den schoolmeester
    Theoretische grondbeginselen van zijn onderwijs
    Het eerste leesonderricht, tevens spreekonderricht
    Het schrijven
    Beperktheid der schrijfkunst
    Uitbreiding van 't schoonschrijven in lateren tijd
    Omvang van het lager onderricht en duur van den schooltijd
    Klassen- en groepen-onderwijs
    Opklimming van klas tot klas
    Uitbreiding van het leesonderwijs tot declamatie
    Beteekenis der Homerische poëzie in het Attische jongensleven
    Elementair rekenonderricht
    Het rekenen op de vingers en op den abacus
    Bezwaren der Grieksche multiplicatie en der herleidingen
    Bestudeering der stelsels van munten en maten
    Eerste ontwikkeling der mathesis
    Herkomst der mathematische wetenschap
    De inhoud der eerste leerboeken
    Geleidelijke systematiseering van het meetkundig onderwijs
    De historie in het lager onderwijs
    De geografie
    Eerste ontwikkeling der aardrijkskunde
    De kaart van Hecataeus
    Moeilijkheden in de eerste wetenschappelijke aardbeschrijving
    Herodotus en Hecataeus
    Kaarten in Atheensche scholen
    Uitbreiding van leertijd en leerstof
    De school van den citharist
    Antieke waardeering der muziek
    Lierspel en lyrische poëzie
    Literaire en religieuze argumenten voor het muzikaal onderwijs
    Beteekenis en praktijk van het schoolonderricht in de muziek
    Phorminx, citharis en cithara
    Het viersnarig en het zevensnarig instrument
    Uitbreiding der begeleidingstechniek
    Cither en fluit
    De gymnastiek
    Doel der gymnastische oefeningen
    Strijd over haar nut
    De gymnastiek bij Lucianus
    Palaestren en Gymnasiën
    De palaestra eene particuliere school
    De gymnasiën publieke inrichtingen
    De Gymnastiekmeester (paidotribes)
    Vakken van onderricht; het dansen, springen, hardloopen,
        discusworp, vuistgevecht en worsteling
    De jongens buiten de school
    Godsdienstige feesten


DERDE HOOFDSTUK.

    Wijzigingen in de opvoedkundige theorieën en in de wenschen der
        Attische jeugd
    Verlangen naar voortgezet onderwijs
    Uitbreiding van lectuur en grammatica
    Het teekenen als vak van propaedeuse
    Geleidelijke vorming der encyclopaedie
    Verschil van inzichten en van standsbehoeften in het Athene
        der vierde eeuw
    Beteekenis van het sophisten-onderricht
    Hoofddoel: de rhetoriek
    Hare bestrijding door Plato
    Plato's eigen onderwijs in de Akademie geen knapenonderricht
    De school van Isocrates
    Doel van zijn onderwijs in de philosophische rhetorica
    Zijne beteekenis als leermeester
    Practische resultaten
    De instelling der Ephebie
    Oudere en jongere Epheben
    Inleiding tot het burgerschap
    Vergadering van phratria en demos
    Onderzoek in den Raad
    Instelling van Sophronisten en Kosmeten
    Hunne verhouding tot de Epheben
    Noodzakelijkheid van hun toezicht tot verbetering der discipline
    Eerste rondgang der Epheben
    Oefeningen in het Gymnasion
    Deelname der Epheben aan de staatsfeesten
    Panathenaeën en Promeatheusfeest
    Scheiding der standen in de Ephebie
    Het ruitercorps
    Garnizoensdienst der Epheben
    Plechtigheden aan het eind van het eerste jaar
    Theaterzitting: huldiging der Weezen
    Volksvergadering ter inspectie van de Epheben
    Eedaflegging in den tempel van Aglauros
    Afscheid van de Ephebie
    Besluit





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Atheensch Jongensleven" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home