Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: God redde Nederland - gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum - van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 - Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)
Author: Kuiper, Jan
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "God redde Nederland - gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum - van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 - Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Onderstreepte tekst als =onderstreept=.             |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder  |
  | spatie, met/zonder koppelteken, met/zonder hoofdletter.        |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



GOD REDDE NEDERLAND



                               GOD REDDE
                               NEDERLAND


                             GEDENKSCHRIFT

                 BIJ GELEGENHEID VAN HET HONDERD-JARIG
                   JUBILEUM VAN NEDERLAND'S HERKREGEN
                       ONAFHANKELIJK VOLKSBESTAAN
                      (30 NOV. 1813-30 NOV. 1913)

                   AAN ZIJNE LANDGENOOTEN AANGEBODEN

                                  DOOR

                               J. KUIPER

                                     te Leeuwarden.


                 NIJVERDALSCHE DRUKKERIJ EN UITGEVERIJ.
                            NIJVERDAL—1913.



[Illustratie: GEDENKNAALD EN VUURTOREN TE SCHEVENINGEN.]



VOORBERICHT.


Op de gedenknaald te Scheveningen lezen wij aan de eene zijde: „God
redde Nederland!” Onze Vaderen schreven dus de bevrijding van ons
Vaderland in 1813 niet aan eigen dapperheid en beleid, maar alleen aan
GOD toe, die den dwingeland Napoleon in eigen strikken had doen vallen
en aan het verdrukte Nederland onder een Vorst uit het geliefde Stamhuis
van Oranje weer een nieuw tijdperk opende van ontwikkeling, vrijheid en
voorspoed.

Den 30 Nov. 1913 zal het 100 jaar geleden zijn, dat de Prins van Oranje
te Scheveningen weer aan land stapte. Indien dit historische feit niet
had plaats gehad, dan zou Neerland's volk op dit oogenblik niet die
eervolle plaats innemen, die het thans onder de natiën inneemt. Daarom
past ons _dankbaarheid_. Zal echter die dankbaarheid wel gevestigd en
gemeend zijn, dan moeten wij ons niet slechts herinneren, hoe groot onze
vernedering geweest is, maar moeten wij ook nagaan, wat wij als volk
door Gods genade op het oogenblik mogen zijn. Daarom hebben wij gemeend,
ons gedenkschrift niet slechts te moeten beginnen bij 30 Nov. 1813, maar
bij de inlijving van ons land bij Frankrijk en te moeten doorzetten tot
op den tegenwoordigen tijd.

Joel I: 3 lezen wij: „Vertelt uwen kinderen daarvan en laat het uwe
kinderen hunnen kinderen vertellen en derzelver kinderen aan een ander
geslacht.” In gehoorzaamheid aan dit Schriftwoord bied ik dit Geschrift
aan mijne landgenooten aan. De Heere gebiede er Zijnen over, opdat het
bij klein en groot dankbaarheid jegens God en liefde voor ons land en
Vorstenhuis moge wekken.

                                                        J. KUIPER.

  LEEUWARDEN, Januari 1913.



INHOUD.


HOOFDSTUK I. Nederland achter Napoleons zegekar.

HOOFDSTUK II. In diepten van ellende.—De terechtstelling van „Frans met
     de Kruk”.

HOOFDSTUK III. Wat nog aan Napoleons geluk ontbrak.—Daendels en Jansens
     op Java.—De Engelschen ontnemen ons Java.

HOOFDSTUK IV. Hendrik Doeff op Decima.

HOOFDSTUK V. Willem Bilderdijk.—Jan Frederik Helmers.

HOOFDSTUK VI. Napoleon's bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op
     een vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem op audiëntie.—Hoe
     Napoleon reisde.

HOOFDSTUK VII. Napoleons tocht naar Rusland.

HOOFDSTUK VIII. De krijgsbedrijven der Hollanders in
     Rusland.—Hollandsche pontonniers met hun bevelhebber, Kapitein
     Benthien.

HOOFDSTUK IX. Krijgsbedrijven der Hollanders in Spanje (De Kapiteins
     Everts en Schindler.—Generaal Chassé en Prins Willem van
     Oranje.)—De zoon van Willem V bij Lützen.—Napoleons veldtocht
     in Duitschland en zijne nederlaag bij Leipzig.

HOOFDSTUK X. De samenzwering van G. K. van Hogendorp, de Graaf van
     Limburg Styrum en Van der Duyn van Maasdam in den Haag.—Kozakken
     en Pruisen in ons land.—Roelof Schenkel neemt een Fransch schip
     bij Zoutkamp.—In den Haag en te Rotterdam.

HOOFDSTUK XI. Barend Ponstijn en Anton Reinhard Falck te
     Amsterdam.—Omwenteling aldaar.—Omwenteling in Den Haag.

HOOFDSTUK XII. Een voorloopig Bestuur over ons land.—De strijd om
     Papendrecht en Dordrecht.

HOOFDSTUK XIII. Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van
     Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze
     macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.

HOOFDSTUK XIV. Fagel en de Perponcher naar Londen.—De prins van Oranje
     stapt te Scheveningen aan wal.

HOOFDSTUK XV. De vroegere lotgevallen van Koning Willem I.—De strijd
     in Zeeland, om Breda, Den Helder (Verhuell), Deventer, Coevorden
     en Delfzijl.—België aan de Franschen ontrukt.

HOOFDSTUK XVI. De financiën geregeld.—Een Landstorm
     opgericht.—'s-Hertogenbosch en Gorinchem aan de Franschen
     ontrukt.—De nieuwe Grondwet.—Willem I te Amsterdam als Koning
     gekroond.

HOOFDSTUK XVII. Napoleon naar Elba verbannen.—Lodewijk XVIII Koning van
     Frankrijk.—De strijd om Bergen op Zoom en Den Helder.

HOOFDSTUK XVIII. Beleg van Naarden.—Delfzijl in onze
     macht.—Geweldenarijen der Franschen op Walcheren en in
     Zeeland.—Nederland, van vijanden gezuiverd, wordt met België
     tot één Koninkrijk vereenigd.

HOOFDSTUK XIX. Napoleon keert van Elba terug.—Krijgsbedrijven in
     België.—Quatre-Bras en Ligny.

HOOFDSTUK XX. De strijd bij Quatre-Bras.

HOOFDSTUK XXI. De slag bij Waterloo.

HOOFDSTUK XXII. Het vereenigd Koninkrijk.—Wij krijgen onze koloniën
     terug.

HOOFDSTUK XXIII. De Algerijnsche zeeroovers getuchtigd.—Opstanden op
     Sumatra en Java.—Maatregelen van Koning Willem ter bevordering van
     ontwikkeling en welvaart.—Ontevredenheid der Belgen.

HOOFDSTUK XXIV. De Belgen staan tegen Willem I op.—Zelfopoffering van
     J. C. J. van Speyk.—Tiendaagsche veldtocht.

HOOFDSTUK XXV. Frankrijk en Engeland leggen beslag op onze schepen.—De
     Franschen bombardeeren Antwerpen's Citadel.—Willem I teekent in
     1839 de 34 artikelen.—Het Reveil.

HOOFDSTUK XXVI. Willem I doet afstand van de regeering.—Zijn zoon
     Willem II volgt hem op.—Vrijwillige geldleening onder Minister van
     Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en Groen van Prinsterer.

HOOFDSTUK XXVII. Koning Willem III.—Onze Koloniën.

HOOFDSTUK XXVIII. Zeden en toestanden in de 19e eeuw.—Belangrijke
     waterwerken.—De overstrooming van 1861.

HOOFDSTUK XXIX. Dood van Koning Willem III.—Regentschap van Koningin
     Emma.—Expeditie naar Lombok.—Troonsbestijging en huwelijk
     van Koningin Wilhelmina.—Geboorte van prinses Juliana.



HOOFDSTUK I.

Nederland achter Napoleons zegekar.


Zoo was dan Nederland bij Frankrijk ingelijfd. Wat Lodewijk XIV niet was
mogen gelukken, had Napoleon nu bereikt. Bij dekreet van 9 Juli 1810 gaf
de groote Keizer als beweegredenen dier inlijving op:

1º. dat de vereeniging van België met Frankrijk de onafhankelijkheid van
Holland voor een groot deel reeds had opgeheven;

2º. dat Holland, wel beschouwd, niets meer was dan een aanhangsel van
Frankrijk, een aanslibbing der groote rivieren en dus een Fransche
provincie behoorde te wezen;

3º. dat Holland, onder vele belastingen en een zware schuld zuchtende,
de inlijving bij Frankrijk als eene verlossing behoorde te beschouwen.

Generaal Krayenhoff, onder Koning Lodewijk Napoleon minister van Oorlog,
wilde op verlangen van zijn vorst, Amsterdam nog tegen Keizer Napoleon
verdedigen, doch toen Koning Lodewijk vrijwillig afstand van den troon
deed, werden alle verdedigingsplannen gestaakt, terwijl Krayenhoff zijn
ontslag kreeg.

[Illustratie: NAPOLEON BONAPARTE IN ZIJN JONGE JAREN.]

Inderdaad, in zooverre sprak het decreet waarheid: met 's lands
geldmiddelen was het droevig gesteld. De ambtenaren konden niet betaald
worden, de renten der gesloten leeningen konden niet worden uitgekeerd.
Door de inlijving werd dit alles echter niet verbeterd. Napoleon begon
met de Staatsschulden slechts voor _een derde deel_ te erkennen. Door
deze _tiërceering_ (gelijk men het noemde) kregen de bezitters van
Staatsschuldbrieven slechts een derde deel der hun toekomende rente
uitbetaald, waardoor vele kleine renteniers met hunne huisgezinnen tot
armoede werden gebracht. De inkomsten van Godshuizen en liefdadige
instellingen werden besnoeid, taal en zeden verguisd, de gezellige
bijeenkomsten door politiemaatregelen beperkt. Geen uitstapje naar een
bloedverwant, vriend of handelsmakker kon men ondernemen, zonder van een
pas voorzien te zijn; geen kramer kon een douaan bewegen (zonder hem een
belooning te geven), om zijne waren na te zien, wanneer het kantoor over
een half uur of een kwartier gesloten zou worden. Duizenden, die het
vroeger goed hadden, werden nu tot armoede gebracht.

Alleen de sloopers hadden druk werk en verdienden goed geld. Van 1810
tot 1813 werden alleen in den Haag 644 huizen afgebroken, die door geen
andere werden vervangen. Te Amsterdam ging de bevolking in die drie
jaren met 27.000 personen achteruit. Ook Delft en Haarlem gingen in
zielenaantal zeer achteruit. Te Haarlem werden meer dan 500 huizen voor
afbraak verkocht. En zoo ging het ook met tal van buitenverblijven of
lusthoven aan den kant van de Vecht, van den Amstel en van de trekvaart
naar Haarlem, of staande onder Amstelveen, Sloten of Diemen. Gedurende
anderhalve eeuw waren ze als zoovele getuigen van de weelde der rijke
Amsterdamsche kooplieden en fabrikanten geweest, die er des zomers het
woelige stadsleven ontvloden, om er te genieten van de schoone natuur.
Tal dezer lusthoven gingen in andere handen over, die er weiland of
tuingrond van maakten. De dijk- en polderwerken, zoowel als de geheele
waterstaat werden in die mate verwaarloosd, dat de veiligheid der lage
landen in de waagschaal werd gesteld. De kweekschool voor zeevaart te
Amsterdam moest al hare bezittingen in 's lands kas storten.

Ten einde de oude namen zooveel mogelijk te doen verdwijnen, werd ons
land verdeeld in _Departementen_, die de volgende namen ontvingen:
1º. Departement van de monden van den IJsel, 2º. van den Rijn, 3º.
van de Maas, 4º. van den Boven IJsel, 5º. van de Schelde, 6º. van de
Wester-Eems, 7º. van de Zuiderzee, 8º. Friesland, welk departement
alleen zijn naam behield.

[Illustratie: LEBRUN, HERTOG VAN PLAISANCE.]

Friesland en Corsica met eenige eilandjes in den archipel zijn de eenige
landen, die „sedert de dagen der Romeinen niet van naam zijn veranderd.”

Volgens Keizerlijk Besluit van 13 Dec. 1811 vormde Holland met de
Hanze-Steden, Oldenburg en een deel van Westfalen 10 Departementen, die
twee gerechtshoven hadden (een te Hamburg en een in den Haag) en die 31
afgevaardigden naar het wetgevend lichaam te Parijs zonden.

Het Keizerrijk telde nu 130 Departementen met 42 millioen inwoners. Alle
koningen en vorsten op het vasteland waren, vrijwillig of gedwongen,
Napoleons bondgenooten en allen, zijne bloedverwanten als de overigen,
behandelde hij uit de hoogte.

[Illustratie: GRAAF DE CELLES.]

Een groot gedeelte van het Fransche volk was met het bestuur van
Napoleon wel ingenomen. De verwarring van vroeger, de ellende en
gruwelen van het schrikbewind hadden opgehouden en voor de stoffelijke
welvaart der ingezetenen werd veel gedaan. Ongeveer 600 millioen gulden
was sedert Napoleons kroning in de oude Departementen aan kanalen,
wegen, zeehavens, aan het droogmaken van moerassen, aan kerken,
armhuizen, nuttige inrichtingen en paleizen uitgegeven, terwijl het
fabriekswezen, voor vele takken althans, in een bloeienden staat
verkeerde. Daarbij verblindde Napoleon door den roem en luister, die
zijn naam omstraalden, velen der op glorie zoo verzotte Franschen.
De heerschappij, door Napoleon over vreemde volkeren uitgeoefend,
streelde de nationale ijdelheid, bood gelegenheid tot het aanstellen
van duizenden ambtenaren en vergrootte de hoop, om fortuin te maken.
Ontzaglijke winsten werden door 's Keizers willekeur verkregen, want
Napoleon zorgde, dat zijne troepen, die de buitenlandsche Staten
bezetten, door zijn vrijwillige of gedwongen bondgenooten werden
onderhouden en betaald. Ook eigende hij zich de helft, of ten minste
een groot deel der domeinen van de wingewesten en vasal-staten toe.
Alleen uit het Koninkrijk Westfalen trok hij op deze wijze jaarlijks 2½
millioen francs en uit het Groothertogdom Warschau meer dan het dubbele.
De Parijzenaars zagen hunne stad versieren niet alleen met keizerlijke
instellingen, maar daarnevens met de bijeengebrachte kunstschatten en
zeldzaamheden uit Brussel, Antwerpen, Luik, Gent, Amsterdam, den Haag,
het Loo, Rome, Venetië, Berlijn, Keulen en tal van andere steden. Zij
zagen, hoe de gekroonde Hoofden, niettegenstaande dien roof, hun Keizer
als hun opperhoofd huldigden.

[Illustratie: BARON DE STASSART.]

Lebrun, prins van het Fransche rijk, hertog van Plaisance, werd door
Napoleon tot Gouveneur-generaal over ons land aangesteld. In weerwil van
zijn weidschen titel bezat hij toch slechts een schaduw van gezag. Hij
was een grijsaard, die ons juk niet verzwaarde en hier gaarne veel goeds
wilde verrichten.

Over ieder Departement werd een prefect aangesteld; deze prefecten
bezaten in het land de eigenlijke macht. De Celles was prefect te
Amsterdam. Hij handelde gestreng, zonder verschooning of verzachting,
zonder sporen van menschelijkheid of zedelijkheid. De prefect in den
Haag, De Stassart, was een bekwaam man, die echter een ijverig en trouw
dienaar was van den geweldenaar, op harde wijze diens bevelen uitvoerde
en daarom bij het volk zeer gehaat was. De Celles en De Stassart waren
beiden Belgen.



HOOFDSTUK II.

     In diepten van ellende.—De terechtstelling van „Frans met de
     kruk”.


Bij Keizerlijk Besluit van 18 Oct. 1810 werd hier de Conscriptie, of
gedwongen opschrijving voor den krijgsdienst (zoowel voor de zee- als
voor de landmacht), ingevoerd. Dit Decreet was vooral zoo hatelijk in
het oog van òns volk, dat steeds met minachting op den krijgsdienst had
ter neder gezien en het krijgvoeren gaarne aan huurlegers overliet. En
nu werden onze jongelingen verplicht, om de wapenen te hanteeren, niet
in dienst van eigen land en volk, maar in dienst van een uitheemschen
dwingeland, wiens heerschzucht jaarlijks duizenden slachtoffers
vorderde.

Bij hetzelfde Decreet van 1810 werd een „_Ridderorde der Reünie_” (of
Vereeniging) ingesteld, ter vervanging van de Orde der Unie. Bovendien
werden hier Fransche wetten en Decreten (700 à 800 in getal) ingevoerd,
die waren afgeschaft of gewijzigd, terwijl ook het Fransche wetboek
(_Code Napoleon_) en de Fransche wetpleging voor Nederland geldig
werden verklaard. De lichtzijde hiervan was, dat hier een algemeene
rechtsbedeeling gevestigd werd, doch voor die lichtzijde had men toen
geen oog.

Doordat wij onze meeste koloniën misten en geen handel met Engeland
mochten drijven, waren de koloniale waren ontzettend duur, zoodat velen
inplaats van koffie met suiker, cichorei met stroop dronken. Ook begon
men in dezen tijd suiker uit beetwortels te vervaardigen. Particulieren
mochten geen handel meer in tabak drijven. De tabakshandel was een
monopolie van den Staat geworden. De tabak, die men bij de zoogenaamde
Regie verkreeg, was duur en slecht.

Fransche Spionnen waarden in allerlei gedaante rond, teneinde gemeenzame
gesprekken af te luisteren. Elk dubbelzinnig woord werd ten kwade
uitgelegd, als bedoelde men het Fransche bestuur. Van Overheidswege
werd hier een „_Statistique personelle_” op na gehouden, dat wil zeggen
een opgave aangaande notabele personen in betrekking tot hun vermogen,
denkwijze, relatie's enz. Geen boek of geschrift mocht hier worden
uitgegeven, of het moest eerst naar Parijs worden gezonden, waar het
door de Censuur moest worden onderzocht. Elk woord, elke uitdrukking,
die den Franschen niet aangenaam was, werd steeds geschrapt. Boven elke
Courant prijkte de Adelaar, het Keizerlijke wapen. Naast de Hollandsche
tekst moest steeds een Fransche vertaling er van worden opgenomen. Ook
de openbare acten en andere stukken werden niet uitgegeven, dan met
Fransche vertaling. In alle scholen moest de Fransche taal onderwezen
worden en de schoolboeken moesten tevens een Fransche vertaling der
Hollandsche lesjes bevatten. De Hoogescholen te Harderwijk, Franeker
en Utrecht werden opgeheven en de inkomsten der andere, alsmede die
der Latijnsche scholen verminderd. Aan het gunstig verslag, dat de
Fransche geleerden Cuvier en Noël over het Lager Onderwijs in ons land
uitbrachten, hadden wij het te danken, dat dat Onderwijs gehandhaafd
bleef.

[Illustratie: NAPOLEON I.]

Natuurlijk moest dit alles ontevredenheid en wrevel wekken. Reeds twee
en een halve maand na de inlijving van Holland bij Frankrijk, den 20
Sept. 1810, openbaarde zich die geest in Amsterdam in een verzet bij het
opsporen van geheime bewaarplaatsen van koloniale waren. Het gold toen
slechts het verzet van enkelen, maar luider deed dit verzet zich hooren,
toen in April 1811 de eerste Hollandsche lotelingen aan de armen hunner
ouders en verdere betrekkingen werden ontrukt. Doch wat vermocht een
betrekkelijk geringe volksmenigte tegen Napoleons talrijke legerscharen?
Een enkel woord reeds kon het leven kosten. De onvoorzichtige
uitdrukking van een schamel en gebrekkig koopman, Frans Stargard
(bijgenaamd „Frans met de kruk”), die een visch kerfde, tot de
omstanders: „Ik wou, dat ik Napje zoo onder handen had”, kostte den
ongelukkige het leven. „Frans met de Kruk” werd met twee lotgenooten op
het Funen te Amsterdam doodgeschoten. Niettemin hoorde men in Februari
1813 Hollandsche militairen te Utrecht „_Oranje boven_” roepen en op de
trom het „_Wilhelmus_” slaan en in April vonden onstuimige tooneelen van
verzet plaats in den Hoekschen waard, in Rijnland (waar Leiden een tijd
lang in hevige beroering was), te 's-Gravenhage, in de Zaanstreek, te
Maassluis en elders, uitingen van vrijheidszucht, die met bloedige
vonnissen eindigden. Hoe meer Napoleon onze nationaliteit trachtte uit
te roeien, hoe dieper ze wortelen schoot. Hoewel wij den volksnaam
verloren hadden, ontwaakte het volkskarakter, wat zelfs op het
gebied der letterkunde te bespeuren was. Zoo bezong Helmers in zijn:
„_Hollandsche Natie_” den roem van ons land tijdens het bloeitijdperk;
zoo zinspeelde Wiselius in het treurspel Polydorus op de tyrannie van
Napoleon: zoo voorspelde Bilderdijk in schoone verzen de herstelling van
Neerlands onafhankelijkheid. De gedichten van Tollens, Kinker, Spandaw,
Staring, Van Walré, Klijn en anderen werden gretig gekocht, wel een
bewijs, dat niet alleen de Nederlandsche taal, maar ook de Nederlandsche
poëzie gewaardeerd werden. Als prozaschrijver was Van der Palm zeer
gezocht.



HOOFDSTUK III.

     Wat nog aan Napoleons geluk ontbrak.—Daendels en Jansens op
     Java.—De Engelschen ontnemen ons Java.


Eén geluk ontbrak aan Napoleons grootheid; zijn huwelijk met Josephine
de Beauharnais bleef kinderloos. Daarom liet hij zich den 16 Dec. 1809
van deze vrouw scheiden en huwde hij den 11 April 1810 met de dochter
van Keizer Frans van Oostenrijk, de Aartshertogin Maria Louise, die hem
den 20 Maart 1811 een zoon schonk, wien men den titel van „Koning van
Rome” gaf.

[Illustratie: KEIZERIN MARIA LOUISE.]

Ofschoon Josephine in vroegere tijden, toen zij Napoleon, den krijgsman
zonder vermogen en vooruitzichten, huwde, de voornaamste aanleiding
gegeven had tot de rol, die hij later speelde, en ofschoon hij waarlijk
van haar hield,—liefde en dankbaarheid zwegen beide in de ziel van den
dwingeland, voor heerschzucht, voor Staatsbelang en voor wat hij zijn
plicht jegens Frankrijk noemde—hij dreef de scheiding van Josephine in
weerwil van alles door.

Brittannië bleef den Corsicaan nog tarten. Het vernielde Napoleons
scheepsmacht, ondersteunde de Portugeezen en Spanjaarden in hun strijd
voor de onafhankelijkheid, vernielde de Fransche zeemacht en maakte zich
meester van alle Fransche en Hollandsche Koloniën in Oost en West.

Ook Paus Pius VII nam een kloeke houding tegen den geweldenaar aan.
Hij deed Napoleon in den ban op grond, dat deze tegen hem en de
R. Kath. Kerk vele gewelddadigheden had gedaan. Napoleon dreef hier
schijnbaar den spot mee, maar hij begreep toch, dat vele harten daardoor
van hem vervreemd werden. Daarom meende hij, ter bevestiging zijner
heerschappij, steeds oorlog noodig te hebben, om daardoor de onderworpen
volkeren ontzag in te boezemen en om de Franschen door zijn roem te
verblinden. En daaruit is ook het Decreet te verklaren, waarbij hij
in Frankrijk bevoegd verklaard werd, verdachte personen, zonder vorm
van proces, in de gevangenis te werpen; en vandaar ook in 1811 het
Lijfstraffelijk Wetboek, waarvan bijna de helft betrekking had op
misdrijven tegen den Staat en het openbaar gezag.

[Illustratie: Inzegening van het huwelijk van Napoleon met aartshertogin
              Maria Louise, 2 April 1810.]

Bij de vele rampen, die ons troffen, kwam nog, dat onze laatste
volksplantingen verloren gingen. Nadat de Engelschen den 17 Febr. 1811
Amboina veroverd hadden, richtten zij zich tegen Java. Op Java was
Daendels Gouverneur-generaal geweest en hij, de groote vrijheidskraaier,
had er, als een Napoleon in miniatuur, met de grootste willekeur
geheerscht. Zoo vernietigde hij op Java met één pennestreek alle
bijzondere voorrechten. Hij dwong de arme inboorlingen hem behulpzaam
te zijn in het aanleggen van wegen, honderden uren lang, het stichten
van forten midden in zee, het aanleggen van havens in de ongezondste
streken. Hadden wij steeds de Inlandsche Vorsten, als leenmannen,
met ontzag en eerbied behandeld, Daendels bejegende hen echter met
willekeur. Zoo nam hij gewelddadig van Bantam bezit en liet hij den
sultan van dat rijk verbannen. De Sultan van Djokjakarta zette hij onder
gezochte voorwendsels af en plunderde hij uit. Zonder vorm van proces
velde hij doodvonnissen: hij vernietigde de uitspraken van het Hof
van Indië en toen de leden van dat Hof daartegen protesteerden, zette
hij ze eenvoudig af en verving ze door anderen. Was de O.-Indische
Compagnie steeds met inschikkelijkheid opgetreden, Daendels meende een
hoogmoedige, oorlogszuchtige staatkunde te moeten voeren. Hij stoorde
zich niet aan gesloten overeenkomsten; goede trouw was bij hem niet te
vinden. Het politiewezen wilde hij in zijn persoon vertegenwoordigd
hebben en onder een ophef van groote woorden voerde hij een waar
schrikbewind, dat enkel ellende verspreidde en schatten verslond.
Gelukkig werd Daendels in 1810 door Napoleon teruggeroepen en vervangen
door Jansens, die de Kaapkolonie zoo dapper verdedigd had. In den korten
tijd, dat hij Gouverneur-Generaal was, kon hij echter niet herstellen,
wat zijn voorganger in de war had gestuurd.

Toen Lord Minto, Gouverneur-Generaal van Engelsch Indië, vernomen had,
dat de Franschen eenige schepen hadden uitgerust, om bezit van Java te
nemen, zond ook hij, om dit te voorkomen, zijne zeemacht naar Batavia.
Den 4 Aug. 1811 landden de Engelschen ten Westen van Batavia, veroverden
die stad, alsmede onze verschansingen te Weltevreden en onzen post te
Meester Cornelis, in weerwil dat deze post door Daendels met groote
kosten zeer versterkt was. Jansens moest nu naar Oost-Java zich
terugtrekken, waar hij door de Engelschen bij Samarang verslagen werd.
De Inlandsche vorsten, nog vertoornd over de wijze, waarop zij door
Daendels behandeld waren geworden, kozen nu de zijde der Engelschen,
zoodat Jansens genoodzaakt was, zich en zijn troepen bij verdrag aan de
Engelschen over te geven.

De Engelschen, in het bezit van Java zijnde, eigenden zich nu ook de
koloniale waren toe, die in de magazijnen opgestapeld lagen, waardoor
zij aan vele Nederlanders groot verlies toebrachten en ook onzen Staat
gevoelig troffen.

Alleen Hendrik Doeff wist Decima voor ons te behouden. Dat kleine eiland
was daardoor het eenige plekje op den aardbodem, waar in dien tijd de
Nederlandsche vlag nog wapperde. Hoe dat toeging, zullen wij in een
volgend Hoofdstuk zien.



HOOFDSTUK IV.

     Hendrik Doeff op Decima.


Hendrik Doeff was in 1799 naar Japan vertrokken, waar hij in 1803 door
onze regeering als opvolger van Willem Wardenaar tot Gouverneur van het
eiland Decima werd aangesteld, en wel, zooals gewoonlijk, voor den tijd
van vijf jaren. In 1808, toen zijn tijd om was, verwachtte hij een
Hollandsch schip uit Batavia, om hem af te lossen. Inplaats daarvan
verscheen echter een Engelsch schip onder Hollandsche vlag. Doeff zond
een paar zijner ambtenaren er heen om te informeeren, wat het zenden van
dit schip beteekende, doch de bevelhebber liet de twee ambtenaren
gevangen nemen. Door tusschenkomst van den gouverneur van Nangazaki
werden deze ambtenaren later weer in vrijheid gesteld.

In 1809 kreeg Doeff wel eenig bericht van Java, doch van zijn post werd
hij niet afgelost. Het eiland Decima is 600 voet lang en 220 voet breed
en Doeff had er slechts zes of zeven Hollanders bij zich, zoodat het
leven voor hem er zeer eentonig was. In Aug. 1813 verschenen er weer
twee schepen voor Decima. In zijn verwachting, dat het Hollandsche
vaartuigen zouden zijn, werd Doeff echter wreed teleurgesteld. Het waren
Engelsche vaartuigen, door Raffles afgezonden. Aan boord er van bevond
zich de Oud-Gouverneur van Decima, Wardenaar, die aan Doeff liet weten,
dat de Nederlanders Decima aan Engeland hadden afgestaan, waarom hij,
Wardenaar, eischte, dat Doeff zich aan hem, als Commissaris der
Engelsche regeering, zou onderwerpen. Doeff liet zich echter niet met
leugenachtige verhalen om den tuin leiden en weigerde de overgave van
het eiland. Men beloofde hem nu belooning en bevordering, doch hij wilde
van geen onderwerping aan Engeland weten. Deze standvastigheid en trouw
moet vooral hierom in Doeff gewaardeerd worden, omdat hij op Decima als
in ballingschap leefde, en er van alle geriefelijkheden en gezelligheid
der maatschappij was verstoken, terwijl, als hij op de aanbiedingen der
Engelschen ingegaan was, hij een leven van weelde en gemak had kunnen
krijgen.

[Illustratie: HENDRIK DOEFF.]

Het onderhandelen eindelijk moede, dreigde Doeff, het Japansche Bestuur
in de zaak te mengen, als Wardenaar niet spoedig aftrok. Zelfs wist
hij dezen en den met hem gekomen Engelschen Commissaris zóó beangst
te maken, „dat zij de afdoening bewerkten eener schuld van over de
f 100.000, die het kantoor ten gevolge van het stilstaan des handels,
op zich geladen had.”

In 1814 beproefde Raffles nog eenmaal, Decima voor Engeland te winnen,
doch Doeff, die intusschen van de bevrijding van Nederland en den val
van Napoleon gehoord had, was nu nog minder bereid, zich aan Engeland te
onderwerpen, dan ooit te voren.

Eerst den 6 Dec. 1816 kwamen Hollandsche schepen te Decima, die Doeff
van zijn post verlosten. Doeff heeft toen nog twee jaar op Batavia
doorgebracht, waarna hij met den Commissaris-Generaal Elout naar het
vaderland terugkeerde.



HOOFDSTUK V.

     Willem Bilderdijk en Jan Frederik Helmers.


Een vurige Oranjeklant was Willem Bilderdijk. Deze merkwaardige man werd
in 1756 te Amsterdam geboren.

[Illustratie: WILLEM BILDERDIJK.]

Zijn vader, een geneesheer, onderwees hem in 't lezen, schrijven,
rekenen, het Italiaansch boekhouden en in de verschillende talen, zoo
oude als nieuwe. In uren van uitspanning hanteerde hij bij afwisseling
de dichtlier, de teekenpen en de etsnaald. Een ongelukkig letsel, zijn
voet toegebracht, toen hij nauwelijks zes jaren oud was, noodzaakte
hem meestal, zijne kamer te houden. Dit legde waarschijnlijk den grond
tot die somberheid, welke ook later bij hem uitkwam, maar ook tot
die veelvuldige kennis en rijke wetenschap, die wij bewonderen. In
1780 begaf hij zich naar Leiden ter beoefening der rechtsgeleerde
en andere wetenschappen en werd twee jaar later tot doctor in de
rechten bevorderd. Hij vestigde zich te 's-Gravenhage en verkreeg een
uitgebreide practijk. Een Rotterdamsche vischvrouw, Kaatje Mossel
genaamd, die zeer Oranjegezind was en van beleediging der overheid was
beschuldigd, werd door hem vrijgepleit. Evenals zijn vader betoonde hij
in die dagen van verdeeldheid een innige liefde voor het huis van Oranje
en trad meer dan eens op als moedige verdediger der Prinsgezinden. In
1784 huwde hij met de schoone jonkvrouwe Rebekka Catharina Woesthoven.
In 1795 moest hij een eed van trouw aan het nieuwe revolutionaire
bewind afleggen. Hij weigerde dit. Hierom werd hij in 1795 als een
„gemeen sujet” niet slechts uit den Haag, maar zelfs uit de geheele
Bataafsche Republiek gebannen. Hij begaf zich toen eerst naar Engeland,
en later naar Brunswijk, waar hij tien kommervolle jaren sleet. Te
Londen leerde hij de 20-jarige Katharina Wilhelmina Schweickhardt
kennen, die hij Italiaansche les moest geven. Daar zijne vrouw hem niet
in den vreemde wilde volgen, liet hij zich in 1802 van haar scheiden en
huwde later met Katharina Wilhelmina, die hem 30 jaar trouw ter zijde
stond.

In Londen kon Bilderdijk niet zijn brood verdienen, waarom hij naar
Brunswijk trok. De Hertog kende hem hier een vast inkomen toe. Doch ook
in dit gastvrije oord gevoelde hij zich ontevreden en van de „domme
Duitschers” gevoelde hij afkeer. Hij vergat hierbij echter, dat zijn
tweede vrouw ook van Duitsche afkomst was. Acht jaren van zorg en kommer
bracht hij in Brunswijk door, daar hij van zijne inkomsten en 't geen
hij met onderwijzen en schrijven er bij verdiende, niet leven kon.

„Twee jaren achtereen” schrijft hij, „leefde ik van droog brood en water
(zelfs geen bier) en zonder vuur. In het strengst van den winter geen
hout in huis hebbend, ging ik uit, wanneer ik het niet langer uithouden
kon; liep de stad twee of drie malen rond, kwam warm weer thuis en ging
mijn college's weer opstellen.”

Bilderdijk verloor te Brunswijk drie kinderen. Zijne vrouw en hij waren
vaak ziek. Hij moest vaak opium gebruiken en liet soms in drie weken
tijds zich zeven aderlatingen doen. Alles bezag de dichter van den
sombersten kant en het aanzienlijke jaargeld, dat hij in Brunswijk
genoot, evenmin als de vele vrienden, die hij er vond, waardeerde hij er
naar behooren.

[Illustratie: JAN FREDERIK HELMERS.]

In 1806 naar 't Vaderland teruggekeerd, werd hij door zijne vrienden,
waartoe ook de raadpensionaris R. J. Schimmelpenninck behoorde, met open
armen ontvangen. Later zorgde de kunstlievende Koning Lodewijk, die van
hem het Nederlandsch leerde, mildelijk voor zijn onderhoud. Hij vestigde
zijn verblijf te Leiden, doch de ramp, welke de stad in 1807 trof,
deed hem eerst naar 's Hage, toen naar Katwijk en eindelijk naar
Amsterdam verhuizen, waar hij lid werd van 't Kon. Nederl. Instituut.
Ten voordeele van de slachtoffers van de ramp te Leiden gaf hij zijn
„_Ziekte der geleerden_” uit. De zuivere winst bedroeg 1400 gld. In den
Haag onderwees hij Koning Lodewijk in de Hollandsche taal. In weerwil
van het aanzienlijke jaargeld, dat Koning Lodewijk hem toekende, werd te
Amsterdam door de schuldeischers op zijn boedel beslag gelegd en deze
ten verkoop opgeschreven. Van de inlijving van ons Vaderland in het
Fransche rijk moest vooral Bilderdijk het noodlottige gevoelen. Zijn
pensioen werd ingetrokken en alleen de edelmoedige en kiesche bijstand
van trouwe vrienden lenigde zijn moeilijke omstandigheden. Onze
verlossing van het Fransche juk schonk hem in 1813 ook verademing.
Hij werd benoemd tot auditeur-militair te Amsterdam, doch werd weldra
door den Koning eervol ontslagen en met een jaarwedde begiftigd. Voor
de derde maal verkoos hij Leiden tot zijne woonplaats, waar hij aan
eenige jongelieden zijne uitvoerige aanteekingen op de Vaderlandsche
geschiedenis meedeelde. Onaangename omstandigheden drongen hem in 1827
zijn geliefd Leiden te verlaten en Haarlem tot zijne woonplaats te
kiezen, waar hij in 1831 overleed.

Toen Nederland bij Frankrijk ingelijfd was, zong Bilderdijk in
profetische verrukking:

            Ach de dagen
            Onzer plagen,
    Lieve broeders, gaan voorbij.
            Uit dit duister
            Rijst de luister
    Van een nieuwe heerschappij.

            'k Zie de kimmen
            Reeds ontglimmen
    Van een nieuw, een Godlijk licht!
            Op de randen
            Dezer stranden
    Straalt zijn glans mij in 't gezicht.

            'k Heb het vallen
            Van Uw wallen,
    Hollands Illium, voorspeld:
            'k Zag het blaken
            Van Uw daken,
    En Uw Hectors neergeveld.

            De ingewanden
            Voelde ik branden,
    En verteren in de vlam;
            'k Riep, ik weende,
            Ja, 'k versteende,
    Maar de dag des jammers kwam.

            Wat verschijne
            Wat verdwijne,
    't Hangt niet aan een los geval.
            In 't voorleden.
            Ligt het _heden_,
    In het _nu_, wat worden zal.

            Opgaan, blinken
            En verzinken
    Is het lot van iedren dag:
            En wij allen
            Moeten vallen:
    Wie zijn licht beschijnen mag.

            Of de kronen
            Luister toonen,
    Volken, Staten bloeiend staan,
            Langer stonde
            Duurt hun ronde,
    Maar hun avond spoedt toch aan.

            Doch de dampen
            Dezer rampen,
    Doch de nevels dezer nacht
            Zullen breken
            Bij 't ontsteken
    Van den dag, waarop zij wacht.

            Mocht mijn lippen
            Dat ontglippen,
    Wat mijn brekend oog hier ziet.
            Mocht ik 't zingen,
            En mij dringen,
    Door dit wemelend verschiet!

            Ja, zij zullen
            Zich vervullen,
    Deze tijden van geluk!
            Deez' ellenden
            Gaan volenden,
    En verpletterd wordt het juk.

            Holland leeft weer!
            Holland streeft weer,
    Met zijn afgelegde vlag,
            Door de boorden,
            Van het Noorden,
    Naar den ongeboren dag.

            Holland groeit wêer!
            Holland bloeit wêer!
    Hollands naam is weer hersteld!
    Holland uit zijn stof verrezen
    Zal opnieuw ons Holland wezen,
    Stervend heb ik 't u gezegd.

Deze klacht over Hollands ondergang en de profetie van Hollands herstel
werd natuurlijk door de Fransche Censuur verboden. Bilderdijk zong dan
ook terecht:

    „Het snoeimes der censuur heeft alles afgesneden,
    Wat vaderlandsche zucht of Hollands luister raakt.”

Ook de dichter Helmers gloeide van liefde voor het Oranjehuis.

In 1812 gaf hij een gedicht uit, getiteld: „_De Hollandsche Natie_”
waarin hij zong:

    „'t Was nacht; 'k zat eenmaal in het eikenbosch verloren;
    Geen wind beroerde 't loof, geen vogel deed zich hooren;
    Een stilte als die van 't graf hield mijnen geest gewekt;
    Een schrikbre duisternis had d' aardbol overdekt.
    De maan verdween, geen ster blonk aan de hemelbogen;
    'k Zag niets; de schepping was voor mij in 't niet vervlogen;
    't Scheen, dat ik in den nacht, die mij omsluimerd hield,
    Het eenigst wezen was, met denkenskracht bezield.
    Ik zag het menschdom als een worm in 't stof vertreden;
    Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel
    De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel.
    Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode vaderen!
    Een huivring greep mij aan! Het bloed stolde in mijn adren.
    Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot;
    Ik hoorde een flauw geluid, dat rees uit 's aardrijks schoot;
    Een flauwe scheemring scheen door 't duister heen te breken;
    't Was 't uur van middernacht; mijn geest- en denkkracht weken;
    Een licht rees uit den grond, beweegloos staarde ik 't aan.
    Hij stond—een schaduwbeeld onkenbaar; uit het duister
    Greep hij mij aan en sprak (het was een stil gefluister):
    „Neen, wanhoop niet aan 't lot, dat Nederland verwacht,
    „De deugd stierf nog niet weg van 't heilig voorgeslacht!
    „Neen, Neerland zal niet als een nachtgezicht verdwijnen:
    „De zon zal eenmaal weer in vollen luister schijnen!
    „Zing voor den tijdgenoot der oud'ren heldendaân,
    „En 't kroost leere op hun spoor in 't onweer vast te staan”!
    —  —  —  —  —  —  —  —  —  —  —  —  —  —  —  —
    Ja, 'k zal de heldendaân van 't voorgeslacht bezingen.”

De Censuur schrapte het gedeelte, waar de dichter het verval van
Amsterdam alzoo bezong:

    'k Waande in de toekomst mij verplaatst; mij dacht, ik dwaalde
    Door moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde,
    Geen rund zich hooren liet! Ach Neerland! 't was Uw grond
    Waarop ik, eenzaam en verlaten, mij bevond!
    Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde,
    Die 't heilig voorgeslacht aan Amstels zoomen bouwde;
    Helaas! Ik zocht vergeefs! Een ranke, kale hut,
    Nauw voor het buld'ren van den woesten storm beschut,
    Was alles, wat ik vond!—'k Zag naakte visschers dwalen,
    Waar eertijds feestmuziek klonk in de marmren zalen!
    Ik klauterde over 't puin; ik zwierf wanhopend rond,
    Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond!
    Ach! 'k vond geen graven meer.—Een grijsaard treedt mij nader.
    „Wie gij ook wezen moogt, ontdek me, ik smeek dit, vader!
    „Stond hier niet Amsterdam?” dus hef ik snikkende aan!
    „Men zegt, hier heeft voorheen een groote stad gestaan”,
    Is 't antwoord: „en dit puin, waaruit thans raven schreeuwen,
    „Was 't raadhuis eens dier stad in ver vervlogen eeuwen!
    „En gindsche bouwval, waarbij 't wild gedierte schuilt,
    „Die neergestorte spits, waarop de roerdomp huilt,
    „Was eens een tempel aan der vaadren God geheiligd.
    „Maar wij, door dam noch dijk voor 't woên der zee beveiligd,
    „Wij zwerven hongrend om op dees verlaten grond,
    „Schaarsch hoorend van de stad, die eertijds hier bestond!”

In zijn zang beschreef Helmers den Rijn in zijn boven- en middenloop
op verheven wijze, doch ging daarna verder:

    „Ach! zoek dien schoonen stroom nu weer bij Katwijks stranden.
    Wat vindt ge? Een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden;
    Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,
    Eer hij zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.
    De vreemdeling, die hem langs Coblenz' muur zag golven,
    Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven,
    Hij mijmert aan zijn zoom, met waggelende treên,
    Denkt aan het oud Carthaag! En gaat in weemoed heen.”

En nu vraagt de dichter:

    „Is, Neerland, dit Uw beeld? Moet uit die flauwe trekken
    Mijn hart, dat voor u gloeit, uw naadrend lot ontdekken?
    Klein waart gij als de Rijn bij Uw geboortestond,
    Nauw waardig, dat een volk zich vestigde op uw grond.
    Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen.
    Bij steden van arduin en tucht en welvaart wassen.
    Ge ontwrongt met jonglingsmoed u 's Ibers overmacht,
    En bliksemde op de zee met volle mannekracht.
    Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen,
    En hield, gelijk de Rijn, elk vreemdling opgetogen!
    Ach! zult gij als die stroom bezwijken in uw loop?
    De uitfluiting zijn der aard? De schandvlek van Euroop?
    Neen, neen! der vadren roem verspreidt te sterk een luister;
    En 't kroost van zulk een volk zink niet geheel in 't duister.
    Gij, die der volkren lot voor de eeuwigheid vermeldt,
    Geschiedkunde! open mij uw groot en leerzaam veld.
    O, Vaderland! 'k Zie daar uw naam onsterflijk pralen,
    En aller volken glans verduisterd door uw stralen,
    Op de eeuwige zuil des roems staat Neerlands naam gedrukt.
    Die naam, die heldennaam, wordt nooit daaruit gerukt.”

In zijn „_Fragment van een onuitgegeven Treurspel_” zong Helmers:

    „Het vonnis is geveld, uw lot beslist, Bataven!
    Leert nu gedwee in 't juk op 's vreemdlings wenken draven.
    De Ruyters nageslacht, der Trompen heldenteelt
    Wordt thans als rooversbuit door rooversklauw verdeeld.”

De Censuur verving echter „_Bataven_” door „_Grieken_”, „_De Ruyter_”
door „_Aristides_” en „_Trompen_” door „_Epaminondas_”, waardoor het
vers geheel van beteekenis veranderde, doch voor de Franschen zijn
bitterheid verloor.



HOOFDSTUK VI.

     Napoleons bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op een
     vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem op audiëntie.—Hoe
     Napoleon reisde.


In het jaar 1811 bracht Napoleon een bezoek aan Amsterdam. De
Keizer kwam den 29 Sept. 1811 te Antwerpen aan, reisde over Breda,
Hellevoetsluis, Gorinchem en Utrecht. Den 9 October 's middags half drie
deden de Keizer en de Keizerin hunne plechtige intrede in Amsterdam. In
het voorste gedeelte der stoet reed de Keizerin in een rijtuig, van 8
pages vergezeld; in het laatste gedeelte de Keizer te paard, gevolgd
van de „officieren van hoogstdeszelfs huis, van de maarschalken,
generaals, stafofficieren, rijdende vier aan vier.”

[Illustratie: REISKOETS VAN NAPOLEON.]

Toen de stoet de stadspoorten was genaderd, werden Keizer en Keizerin
onder het gebulder van het geschut en het luiden der klokken in de
hoofdstad ontvangen. Een dubbele rij Nationale gardes bezette de
straten, alwaar H. H. M. M. moesten doorgaan; alle huizen waren
met bloem-festoenen en vaandels versierd, wat een prachtig gezicht
opleverde. De geestelijken, wier kerken Z. M. voorbij ging, bevonden
zich in hun ambtsgewaad voor hunne bedehuizen geschaard. Orkesten,
die van afstand tot afstand geplaatst waren, verlevendigden het
belangrijkste tooneel, waarvan Amsterdam ooit getuige was. Een
ontzaglijke menigte vulde de straten; alle vensters waren bezet.
Het geroep van „Leve de Keizer! Leve de Keizerin!” hield haast niet
op en H. H. M. M. toonden hunne gevoeligheid voor de talrijke
huldebetuigingen door met vriendelijkheid te groeten.

Nauwelijks aan het paleis aangekomen, ontving H. M. de ministers en de
Staatslieden, waarna de prins-gouverneur de eer had, Z. M. de hooge
beambten, de officieren der land- en zeemacht, de algemeene regeering,
den algemeenen raad, de rechtbank der eerste instantie, de kamer van
koophandel, de maire met diens adjuncten en den municipalen raad, den
chef van de garde d'honneur, alsmede die der nationale garde en de
dienaren der onderscheidene godsdiensten voor te stellen.

Het weder, dat den geheelen voormiddag betrokken geweest was, bleef
des middags goed en niet dan nadat H. H. M. M. aan het paleis waren
aangekomen begon het te regenen.

[Illustratie: INTOCHT VAN NAPOLEON TE AMSTERDAM.]

Des avonds was de geheele stad geïllumineerd. Den volgenden dag
bezocht Napoleon in een sloep de scheepstimmerwerf en verscheidene
gedeelten van de haven.

Om één uur 's namiddags ontving H. M. de Keizerin de complimenten der
regeeringsmachten, die den vorigen dag aan den Keizer waren voorgesteld
geworden. De Keizerin beantwoordde met de grootste minzaamheid de
toespraken. Na de audiëntie begaf H. M. zich mede in een sloep naar de
werf.

Des avonds hadden de dames van de voornaamste beambten der stad de eer,
voorgesteld te worden. Wat de verlichting betreft, muntten het paleis
van den prins gouverneur-generaal en het hotel van den prefect uit.
Al de voornaamste gebouwen, de voornaamste bruggen binnen de stad
en verscheidene op de meest in het oog loopende plaatsen gestelde
decoratiën hadden de aangenaamste uitwerking. Overal, waar H. H. M. M.
verschenen, weerklonk uit tal van monden: „Leve onze doorluchtige
Souvereinen!” als (naar een ooggetuige verhaalt) „het gevoelen van
verknochtheid en de geestdrift der Hollanders.”

Te Amsterdam bezocht Napoleon ook in het Trippenhuis de verzameling van
schilderijen van onze Hollandsche meesters. Op den terugtocht ging de
Keizerlijke stoet door de Halssteeg, waar iemand van de stadsreiniging
juist bezig was, het vuil op te halen en met zijn kar den weg versperde.

„De Keizer, de Keizer!” riep men den man toe en beduidde hem, dat hij
maken moest, met zijn kar uit de steeg weg te komen.

Heel onnoozel vroeg de man, of er een dokter aankwam.

„Neen, geen dokter,” zei men, „maar Keizer Napoleon.”

De man antwoordde echter heel bedaard: „Ik heb order alleen voor een
dokter uit den weg te gaan.” En hij verwijderde zich eerst, toen hij
zijn arbeid verricht had, zoodat Napoleon, die zich anders door niets
liet tegenhouden, nu geruimen tijd wachten moest op—een stadsreiniger.
Deze werd des avonds op het stadhuis ontboden. De man beriep zich
terecht op zijne instructie. Toch werd hij bij wijze van straf zes weken
in zijne bediening geschorst.

Te Amsterdam vroeg ook generaal Krayenhoff den Keizer te spreken.
Krayenhoff had in 1810 Neerlands hoofdstad op last van Koning Lodewijk
Napoleon tegen den Keizer in staat van verdediging gebracht. Napoleon,
die dit wist, vroeg toornig:

„Zijt gij dat, Mijnheer Krayenhoff, die Amsterdam hadt willen
verdedigen.” En moedig antwoordde de generaal:

„Ja, Sire, en het zou u niet gelukt zijn er in te komen, indien ik zulks
niet gewild had!”

De Keizer, door dit onverschrokken antwoord getroffen, vroeg, hoe de
generaal het zou aangelegd hebben, om Amsterdam tegen hem, Napoleon,
te verdedigen. Krayenhoff ontvouwde nu zijn verdedigingsplannen en de
Keizer, die het vernuftige er van moest erkennen, herstelde Krayenhoff
in zijn vroegeren rang in den werkelijken dienst.

Den 11 October voer Napoleon in een sloep door de grachten van
Amsterdam, terwijl de Keizerin in een open rijtuig een tocht door de
stad maakte.

Ook woonden de vorstelijke personen eene voorstelling in den
Amsterdamschen Schouwburg bij; aan het verslag hiervan ontleenen wij het
volgende:

„Een ontzaglijke toevloed had zich gisteren naar den schouwburg begeven;
bij het verlangen, om de talenten van Talma en Mej. Duchesnois te
zien, voegde zich een veel vermogender, dan al de overige, dat, om het
gezicht van twee aanbiddelijke Souvereinen te genieten. De verwachting
van het publiek is geenszins teleurgesteld geworden; om half negen zijn
H. H. M. M. in de loge gekomen en nu bevond zich het schouwtooneel in
de zaal; het leverde een uitmuntend gezicht op, een talloos gezelschap
te zien, geheel opgerezen, lauriertakken in de hoogte schuddende en
deze eenparige vreugdekreet herhalende: „Leve de Keizer!” „Leve Maria
Louise!” Zoodra de geestdrift der aanschouwers toeliet, dat iets anders
dan hunne stemmen gehoord werd, hief het orkest de aria aan: „Où peut on
être mieux?”—Het gejuich van „Leve de Keizer!” barstte opnieuw los en
Z. M. boog zich over zijn loge en scheen door zijn toegenegen glimlach
te zeggen: „Voorwaar, ik ben te midden mijner kinderen!””

De couranten bevatten in ons land een paar dagen later het volgende
bericht:

„Een Commissaris van Politie, heden bij het aanbreken van den dag de
ronde doende, heeft bevonden, dat er verzen aan de deuren van het paleis
aangeplakt waren; hij kon met grond vermoeden, dat deze in een kwalijk
gezinden geest waren. De nacht is slechts aan heimelijke en misdadige
verrichtingen gunstig, doch hoe groot was zijne verwondering te
ontwaren, dat deze verzen een edele en verfijnde hulde aan Z. M.
inhielden.

„Ziehier dezelve:

„Op het Keizerlijk paleis te Amsterdam. (Het paleis spreekt):

    Triumf; ik, 't pronkstuk der gebouwen,
    Mag thans mijn waar geluk op 't allerhoogst aanschouwen,
    Want in mijn luistervollen staat
    Ben ik de zetel en de woning
    Des Franschen Keizers en des Italiaanschen Koning,
    Wiens hart voor de onderdanen slaat;
    Dus is mijn naam op 't hoogst gerezen!
    En 'k mag nu eerst met recht het achtste wonder wezen!”

Van uit Amsterdam maakten de vorstelijke personen verschillende
uitstapjes naar omliggende plaatsen en vertrokken 24 October weder.

Als een bewijs, hoe overdreven sommigen over Napoleon dachten, besluiten
wij hier met een uittreksel uit een brief uit Utrecht, den 9 Oct. 1811
geschreven:

„Voor het den grooten Napoleon behaagde zich binnen onze muren
te houden, aanschouwden wij in hem, den eersten der helden, het
verwonderingwekkendst genie, dat de wereld immer tot luister strekte;
maar verre was het van ons, eenig juist denkbeeld van zijne goedheid te
kunnen maken. Hij is onder ons verschenen als een vader te midden van
zijne kinderen, zonder geleide, zonder wachten, omringd en gedrongen
door de menigte, die onverzadelijk was, zijne gelaatstrekken te
beschouwen en hem hare liefde te bewijzen. Men wedijverde, wien het
gebeuren zou zijn rok, het dekkleed of wel de teugels van zijn paard aan
te raken, terwijl hij, alleen groetende met die minzaamheid, welke hem
zoo bijzonder eigen is, aldus de stad stapvoets doorreed, met niets
bekommerd, dan met de zorg, om allen voor gevaar te behoeden, die in
hunne geestvervoering zich voor hem nederwierpen en ofschoon zij hem
reeds gezien hadden, hem nogmaals wilden zien.

„Ik ben ooggetuige geweest, mijn vriend, van dat verrukkend tooneel;
dan, geen minder levendige aandoeningen hebben mijn ziel vervuld, toen
ik, toegelaten ten gehoor bij Z. M., met al de publieke ambtenaren hem
onze belangen heb hooren behandelen; geen der minste bijzonderheden van
bestuur te gering achtende en met een doorzicht, dat hem alleen eigen
is, klem gevende aan elk antwoord, dat hem op zijne vragen werd gegeven.

„Ik had den vader van het volk, den wetgever van het rijk bewonderd,
ik wilde ook den held volgen op de vlakte, waar zijne legerscharen
verzameld waren, maar hoe zou ik u de nieuwe aandoeningen kunnen
afmalen, die ik gevoelde: de geestdrift der soldaten, zoo dikwijls door
hem ter overwinning geleid, de vervoering van alle aanwezenden, op de
aankomst der Keizerin, vooral toen de troepen voorbij haar gedefileerd
hadden en elk soldaat hare trekken heeft kunnen bewonderen, die
mengeling van waardigheid en onveranderlijke welwillendheid, die haar de
lust en de liefde doen zijn van een volk, welks geluk zij vereeuwigd
heeft.”

En niet alleen in Nederland werd Napoleon zooveel eer bewezen, maar in
geheel Europa, Engeland uitgezonderd. Rust kende hij niet. De helft van
zijn tijd haast bracht hij op reis door.

Toch was de hulde, die men den Keizer in ons land bracht, niet enkel
geveinsdheid. Gelijk uit een versje onder een plaatje uit die dagen
blijkt, was men niet blind voor het vele, dat Napoleon ook voor ons land
heeft gedaan.

De krijgstochten van zijn leger voerden Napoleon door geheel Europa en
bijna overal verscheen het Fransche leger als heerscher en niet als
vreemde.

De meeste kasteelen waren hem bekend. Zijn staf, de officieren en
lakeien van zijn hofstoet vertrokken een dag eerder dan hun heer. Als 's
avonds dan de keizerlijke reiswagen in galop onder de poort doorreed,
stonden de fakkeldragers reeds bij de trap gereed.

Zijn eigen dienaren openden de deuren en alsof hij thuis was, ging
de kleine man in de grijze jas de trappen op, terwijl de werkelijke
bedienden van het paleis verbluft op zijde bleven staan, met brandende
kaarsen in de bevende handen. Door de lange rij van vertrekken ging hij
dan dadelijk naar zijn eigen kamers; zijn kamerdienaar ontdeed hem van
zijn kleeren en dadelijk sprong de Keizer in het wachtende, dampende
bad. Alles, wat tot zijne reisbenoodigdheden behoorde, was van kostbare
kwaliteit, en het moest netjes en precies op de bepaalde plaats liggen.

Zijn paarden waren uitstekende dieren, altijd zes, twee aan twee naast
elkander gespannen, ieder paar voorzien van een even bekwamen menner.

Om een afstand van 20 K.M. af te leggen, werd vier keer halt gehouden om
de paarden te verwisselen, zoodat hij met dezelfde paarden hoogstens 5
K.M. reed.

Het gewone rijtempo was een soort galop; men moet daarbij bedenken, dat
de straten en wegen, die toen bestonden, groote bezwaren leverden voor
het verkeer.

Van lezen of het bestudeeren der landkaarten kon gedurende den tocht
geen sprake zijn. Toch moest iedere halte voorzien zijn van boeken,
kaarten en schrijfmateriaal. Hij had echter gedurende zijn reis genoeg
te denken.

Als hij naar het Oosten reed, was zijn geest vervuld met zijn
veldtochten. Onderweg kwamen renboden hem tegemoet. Op bepaalde
plaatsen werd hij reeds opgewacht door Maarschalken, die met hem wilden
confereeren. Dag en nacht galoppeerde zijn wagen dan weder door steden
en dorpen, door bosch en veld. Donderend ratelde het rijtuig, met slijk
en modder bespat, soms midden in den nacht door de nauwe straatjes van
Duitsche steden, de lichtjes van den wagen flikkerden spookachtig door
de duisternis.

Frankrijk was voor Napoleon te eng; Europa was hem te eng; in de schaduw
der Pyramiden heeft hij gevochten. Alles beefde voor dezen man; alles
vleide hem; inderdaad werd hem afgodische eer bewezen.



HOOFDSTUK VII.

     Napoleons tocht naar Rusland.


Vroeger had Alexander, Keizer van Rusland, Napoleon bewonderd. Toen
Napoleon Oldenburg bij zijn rijk inlijfde, zette dit echter bij
Alexander kwaad bloed, daar de Groothertogin van Oldenburg eene zuster
van den Russischen Keizer was. Alexander weigerde langer zich aan het
Continentaal Stelsel te houden en begon weer handel te drijven met
Engeland. De Fransche Keizer besloot nu Rusland te tuchtigen. Hij
hoopte, na Rusland overwonnen te hebben, ook Turkije en Egypte aan zich
te onderwerpen, om vervolgens in Azië door te dringen, ten einde daar
Engeland in zijn koloniën aan te tasten.

Een ontzaglijke legermacht bracht Napoleon op de been, om zijn plannen
uit te voeren. In ons land moesten niet alleen de jongelingen opkomen,
die in 1811 aangeloot waren, maar ook de lichtingen der twee volgende
jaren. Groot was de droefheid, die dit in tal van huisgezinnen te weeg
bracht. Toen Napoleon den 9en Oct. 1811 met zijn echtgenoote een bezoek
aan Amsterdam bracht, had men hem luide toegejuicht, doch thans, nu hij
een driedubbele lichting onder de wapenen riep, werd hij hier nog meer
dan vroeger verwenscht en vervloekt.

Het „Groote Leger”, gelijk Napoleon het gaarne noemde, telde 600.000 man
en 150.000 paarden. Uit Nederland waren 15.000 man opgekomen, ingedeeld
in twee regimenten. Het ééne regiment behoorde tot een keurbende van
den Keizer, de „Oude Garde” genoemd, en bestond uit de meest geoefende
soldaten, die in beslissende oogenblikken vaak den doorslag hadden
gegeven. De helft der Hollandsche soldaten waren bij Fransche regimenten
ingedeeld, terwijl de andere helft onder het bevel van eigen officieren
stond. Onder de Hoofdofficieren bevonden zich twee Hollanders, n.l.
Daendels, die als Divisie-generaal onder Maarschalk Victor stond en
Matuschewitz, die als Generaal der Artillerie bij de afdeeling onder
Maarschalk Ney was ingedeeld.

Napoleon trok met het „Groote Leger” (uit Franschen, Italianen, Belgen,
Hollanders, Zwitsers, Polen, Duitschers en Oostenrijkers samengesteld)
den 23en Juni over de Njemen. Hevige plasregens belemmerden hem het
voorttrekken. Later werd het weer buitengewoon heet en droog en daar
de tocht ging door landstreken, waar bijna geen water was, werden de
troepen zeer door dorst gekweld. Drie maanden later was het leger reeds
tot op één derde versmolten en had dus al tweederde deel der krijgers
verloren. Het was nu zwakker dan het Russische leger, waartegen het
optrok. Aanvankelijk wilde de Czaar reeds bij de Duna aan de Franschen
slag leveren, doch hij besloot later, dit niet te doen. Het Russische
leger trok daarom dieper het binnenland in, alles achter zich
verwoestende, zoodat de Franschen, waar zij ook kwamen overal allen
voorraad uitgeput vonden. Van honger en gebrek kwamen hierdoor tal van
Franschen om en terwijl Napoleons leger van dag tot dag verminderde,
groeide dat der Russen voortdurend aan. Eindelijk, den 7 Sept. 1812,
kwam het bij Borodino (aan de Moskwa) tot een treffen. De Russen
werden verslagen en Napoleon won, doch zijn zegepraal was een
Pyrrhusoverwinning. Indien hij nog zoo'n slag won, dan was hij verloren,
want zijn gelederen waren door dezen slag zeer gedund. Van het Regiment
Hollandsche huzaren, dat tegen de batterijen der Russische achterhoede
moest inrijden, bleven slechts 46 man gespaard.

[Illustratie: SLAG BIJ BORODINO OF MOSKWA, 7 SEPT. 1812.]

Door de overwinning aan de Moskwa lag de weg voor Napoleon naar Moskou
open. Toen hij eindelijk in Ruslands hoofdstad aankwam, verscheen er
geen Magistraat, om hem te verwelkomen en om hem de sleutels der oude
Czarenstad aan te bieden. Niemand had zich bij zijn intocht in Moskou
vertoond dan eenige burgers, vreemdelingen van afkomst, die hem
aankondigden, dat Moskou door de Russen bestemd was, om voor de zaak des
vaderlands opgeofferd te worden, om in de vlammen op te gaan. Napoleon
wilde dit niet gelooven. En toch, hij had een zelfde schouwspel reeds
gezien te Smolensko, te Moshaisk, op bijna iedere plaats, die zijn leger
in Groot Rusland was doorgetrokken.

Spoedig ontdekte hij, dat het bericht van Moskou's aanstaande
vernieling, waarheid behelsde. Reeds dienzelfden 15 September stegen
vlammen in verschillende wijken ten hemel op en, ofschoon telkens
gebluscht, braken elk oogenblik nieuwe branden uit, tot den zesden dag
het werk der vernieling was volbracht. Negen tiende van Moskou lag in
puin.

In onbegrijpelijke verblinding weigerde Napoleon de stad te verlaten:
hij verwachtte dwaselijk, voorstellen van Keizer Alexander te zullen
ontvangen. Dag op dag verliep, maar de Russische Keizer bewaarde het
stilzwijgen. Een groote buit was door de Fransche soldaten in Moskou
vergaderd, doch aan deksel, schoeisel en aan voedsel leden allen gebrek.
Orde en tucht gingen verloren.

Eindelijk, den 19 Oct. 1812, gaf Napoleon bevel tot den terugtocht.
Doch na 18 dagen marsch vertoonde de Russische winter zich in al zijn
verschrikkingen. Men had slechts weinig levensmiddelen kunnen medenemen:
allen voorraad had de vijand zorgvuldig vernield. En nu maakten sneeuw
en ijs alles verward en onkenbaar. Geheele compagnieën stortten in
ondiepten, die zich tusschen de sneeuw onverwacht onder den voet
openden. Verbijsterd door den storm, die hun het ijs in het aangezicht
joeg, en de koude, die door gewaad en schoeisel drong, trokken de
krijgers voort, zonder te weten waar zij waren: vlakte en heuvels,
bosch en stroom, alles was in één witte lijkwâde getooid. Het was een
onmetelijk lijkkleed, waarin de natuur het wegsmeltende leger en de
gevallenen hulde. Van honderden bevroren de vingers aan geweer of
sabelgreep. Man en wapen verstijfden tot een onbewegelijken klomp.
Nog 1500 mijlen (bijna 300 uur) moest Napoleon afleggen, eer hij in
Frankrijk terug was. Op zijn heenreis was Napoleon met 150.000 man
Smolensko door getrokken en nu hij op zijn terugtocht er wederkwam,
beschikte hij nog over 25.000 weerbare mannen.



HOOFDSTUK VIII.

     De krijgsbedrijven der Hollanders in Rusland.—Hollandsche
     pontonniers met hun bevelhebber Kapitein Benthien.


Napoleon trok van Smolensko terug naar Krasnoi, steeds vervolgd
door de hoofdmacht der Russen onder Kutusow. Hij verwachtte nog drie
legercorpsen en daar hij vreesde, dat die door den vijand zouden worden
afgesneden, trachtte hij eene door hem genomen stelling te behouden.
Eén dier afdeelingen wist zich door den vijand heen te slaan, doch de
tweede, die onder bevel van Davoust stond, werd door de Russen zoodanig
bestookt, dat Lefèbre aan het Hollandsche regiment, hoewel dat reeds tot
op 500 man verminderd was, bevel gaf, de benarde afdeeling te hulp te
komen. Het Hollandsche regiment, aangevoerd door den overste George,
tastte nu de Russen moedig aan en wist ze zoolang bezig te houden,
dat Davoust zich bij de hoofdarmee kon aansluiten. George keerde nu
terug, doch van de 500 Hollanders waren er slechts 40 overgebleven. Het
Hollandsche regiment, vroeger door Napoleon „Hollands roem” genoemd,
_had opgehouden te bestaan_. Evenals dat bij den slag bij Borodino met
het Regiment Hollandsche Huzaren was geschied, werden de overgebleven
soldaten bij de andere regimenten ingedeeld.

[Illustratie: TERUGTOCHT DER „GROOTE ARMEE” UIT RUSLAND.]

Eenigen tijd later werd het 33e regiment Lichte Infanterie (vroeger
het derde Regiment Hollandsche jagers) onophoudelijk door de Russische
ruiters aangevallen. Door zich telkens in quarré te vormen, wisten de
Hollanders steeds de aanvallen der Russen af te slaan. Ten laatste
werden ze ook door het vijandelijke voetvolk met geschut bestookt,
zoodat eindelijk slechts 78 van de onzen overbleven, waarvan 53 nog
gewond waren.

Het Hollandsche regiment „Garde te paard” van Koning Lodewijk (bij het
„Groote Leger” als Regiment „Lanciers van de Garde” ingedeeld) werd
versterkt door 200 geharde strijders, die reeds in Spanje met roem
gestreden hadden. Telkens door de Russen bestookt, was te Wilna van
dit Regiment Lanciers nog een enkel peloton over onder bevel van een
luitenant.

Van de vier Hollandsche Corpsen, bij het „Groote Leger” ingedeeld,
heeft slechts één, tenminste in naam, den veldtocht doorstaan. Van
het Hollandsche voetvolk waren de meeste officieren en manschappen
reeds omgekomen, vóór Moskou bereikt was. Dat er nog iets van het
„Groote Leger” gered is, is hoofdzakelijk te danken aan de Hollandsche
pontonniers, inzonderheid aan hun aanvoerder Kapitein George Diederik
Benthien. Te Moskou reeds werd deze Kapitein wegens de belangrijke
diensten, aan het leger bewezen, door Napoleon vereerd met de Ridderorde
van het Legioen van eer. Den 19 Oct. 1812 werd in de straten van
Polotzk het legercorps van Oudinot door de Russen onder Wittgenstein
aangevallen. Aan Benthien werd opgedragen, de brug over de Duna,
waarover de Franschen zich terug moesten trekken, niet slechts te
verdedigen, maar ook af te breken, zoo spoedig de Franschen er over
waren, opdat de Russen hen niet konden volgen. Dit laatste was niet best
te volvoeren, daar het laatste regiment dat zich aan de brug vertoonde
en uit Zwitsers bestond, de Russische voorhoede onmiddellijk op de
hielen zat. Benthien had echter de brug zoo gemaakt, dat de deelen los
aan elkander zaten en telkens uit elkander konden genomen worden. Toen
dan ook de Zwitsers de sterk golvende en slingerende brug over gestormd
waren, rukte Benthien de brug los en een oogenblik later voerden de
snelvlietende wateren van de Duna de planken en ribben der brug met zich
mee, terwijl de Franschen zich veilig aan den linkeroever der rivier
konden verschansen.

[Illustratie: DE OVERTOCHT OVER DE BEREZINA.]

Nog verdienstelijker maakte Benthien zich bij den overtocht over de
Berezina. Daar de oevers dezer rivier zeer moerassig zijn, was het
moeilijk, een geschikte plaats voor den overtocht te vinden. Bij het
dorp Studianka meenden de Franschen den overtocht te moeten wagen. Ze
telden 30.000 strijdbare mannen en bovendien nog 60.000 ongewapenden,
terwijl ze voorzien waren van een groot aantal vaartuigen. Ongelukkig
hadden ze tegen den raad van Benthien in, de laatste pontons verbrand,
wijl ze de daarvoor gespannen paarden noodig hadden, om de kanonnen te
trekken. Benthien liet daarom de houten huizen van Studianka afbreken,
waarvan hij schragen en twee houten bruggen maakte. Twee dagen van
ongeloofelijke inspanning gingen daarmee heen. Om de schragen in de
rivier te bevestigen moesten de pontonniers in het water en daarbij
zakten zij soms tot den hals toe in den modder, terwijl de scherpe
ijsschotsen, die de rivier afdreven, den arbeid zeer belemmerden.
Tot overmaat van ramp kon men geen balken en planken krijgen, die de
vereischte lengte hadden, om voor het bouwen der brug te dienen, terwijl
men de deelen met hennep, hooi en boomschors aan elkander moest hechten.
Toch waren de twee bruggen in twee uren tijds voltooid. Terstond
liet Napoleon er 7000 man overtrekken, teneinde de Russen onder
Tschitschakou, die hem van de overzijde bestookten, terug te drijven. De
Franschen behaalden de overwinning, hoofdzakelijk tengevolge der heftige
wijze, waarop de Hollandsche kurassiers onder kolonel A. D. Trip den
vijand aanvielen. Nu de weg hierdoor vrij geworden was, trokken de
overige Franschen ook over de bruggen. Alleen bleef Maarschalk Victor
met 4300 weerbare strijders aan den linkeroever, teneinde een talrijke
menigte van ongewapenden, zieken, gewonden, paarden, kanonnen en
voertuigen te beschermen en den overtocht over de Berezina mogelijk te
maken. Daar Wittgenstein met driedubbele overmacht Maarschalk Victor
bestookte, beval Napoleon aan Daendels, naar den linkeroever terug te
keeren, teneinde den overtocht te dekken. Victor, nu door Daendels
ondersteund, wist den geheelen dag den vijand tegen te houden,
terwijl intusschen de weerlooze hoop de bruggen overtrok. Het was
een schrikkelijk schouwspel, die ordelooze en onafzienbare menigte
vluchtelingen, zieken, gewonden, vrouwen, kinderen, gedrongen tusschen
paarden, wagens en kanonnen, elkander verdringend, terugstootend,
vertrappend, om maar het eerst buiten het bereik van den vijand te zijn,
terwijl de Russen niet ophielden kogels en granaten in die vluchtende
menigte te schieten. Tegen den avond eindigde van beide zijden het
schieten. Opdat nu ook Victor en zijne manschappen de brug bereiken
konden, legden 160 pontonniers en sapeurs een loopgraaf van opgestapelde
lijken aan, waartusschen de soldaten voor de aanvallen van den vijand
beveiligd waren. Toen zij den overkant bereikt hadden, werd de brug in
brand gestoken. Toch bleven er nog 5000 man aan den linkeroever, die
niet in staat waren te vluchten of niet de wagens met levensmiddelen
wilden verlaten. Voor zoover zij niet door de speren der Kozakken van
het leven werden beroofd, werden ze door de Russen in harde
krijgsgevangenschap gevoerd.

Van de 160 pontonniers waren ten laatste slechts 40 overgebleven en van
dezen hebben niet meer dan 7 het vaderland terug gezien.

Bij het overtrekken van één der bruggen, door de genie over de Berezina
geslagen, bezweek de brug. Vruchteloos schreeuwden de voorsten aan
hunne achter hen opdringende makkers toe, om terug te keeren. Niemand
luisterde naar die stemmen. Men drong vooruit en stortte zijne
voorgangers in de diepte, tusschen de bulderende ijsschotsen, om
een oogenblik later in denzelfden afgrond gedrongen te worden.

Van de 15000 man, waarmee Napoleon Wilna binnentrok, droegen nog slechts
600 de wapens.



HOOFDSTUK IX.

     Krijgsbedrijven der Hollanders in Spanje. (De Kapiteins Everts en
     Schindler.—Generaal Chassé en Prins Willem van Oranje.)—De zoon
     van Willem V bij Lützen.—Napoleons veldtocht in Duitschland en
     zijn nederlaag bij Leipzig.


Van de 15000 Hollanders, die met Napoleon naar Rusland waren getrokken,
kwamen slechts 600 in het vaderland terug. Was daarom de droefheid in
ons land groot bij de gedachte aan zoovele landgenooten, die zulk een
droevigen dood in de sneeuwvelden van Rusland gevonden hadden, toch was
er ook blijdschap bij het vernemen van de geweldige nederlaag, die de
dwingeland in Rusland geleden had. En niet alleen in het Noorden was het
hem tegengeloopen, ook in het Zuiden, in Spanje, keerde de krijgskans
zich tegen hem. Reeds in het begin van 1812 hadden de Engelschen in
Spanje Ciudad-Rodrigo vermeesterd, terwijl zij later den slag bij
Salamanka wonnen, waardoor geheel Zuidelijk Spanje van de Franschen
bevrijd werd en Koning Jozef (broeder van Napoleon) uit Madrid moest
vluchten.

Evenals in Rusland gedroegen de Hollanders zich ook in Spanje dapper.
Zoo b.v. werd Kapitein Everts opgedragen, om met 100 man Voltigeurs op
de grenzen van Portugal levensmiddelen en gijzelaars in ontvangst te
nemen. Op het kerkhof van het dorp Maganez werd hij echter aangevallen
door 1000 Spanjaarden (waaronder 300 ruiters). Den geheelen dag
wederstond hij dezen aanval en eerst nadat hij 300 zijner vijanden had
doen vallen en van zijn eigen mannen 33 waren gesneuveld, aanvaardde hij
den terugtocht, dien hij behouden volbracht.

Kapitein Schindler werd bij Celada del Cameno met 120 man voetvolk door
een 7 keer sterkere ruiterbende aangevallen. Na een hevig gevecht van
drie uur kwam hij behouden weer in Celada terug.

Generaal Chassé wist zich in Spanje vooral geducht en roemrijk te maken
door zijne aanvallen met het bajonet, zoodat hij den bijnaam ontving van
„Generaal Bajonet”.

Doch vooral een andere Hollander, die in de gelederen der Franschen in
Spanje streed, werd met roem aldaar overladen; wij bedoelen Prins Willem
van Oranje, de oudste kleinzoon van Stadhouder Willem V. Toen hij in
1795 met zijn grootvader Holland verliet, was hij een kind van twee
jaren. Hij genoot in Engeland zijne opvoeding en oefende zich nu in
Spanje onder Wellington in de krijgskunst. Al spoedig bleek, dat hij
zich zijner voorvaderen Willem van Oranje, Maurits en Frederik Hendrik
waardig maakte. Vele waren de diensten, die hij den hertog van
Wellington bewees en bij de inneming van Ciudad-Rodrigo trok hij aan
het hoofd der bestormers de vesting binnen.

Te Smorgonie, in Litthauen, verliet Napoleon den 5 Dec. 1811 de
overblijfselen van zijn leger en bezorgd, om bij een gevreesden afval
van Pruisen, teruggehouden te worden, liet hij zich door een Poolschen
Jood in een slede door Polen, Silezië en Saksen naar den Rijn brengen.
Uit dankbaarheid voor de bewezen diensten liet hij den Jood, die hem in
de slede gevaren had, doodschieten. Van den Rijn trok hij naar Parijs,
waar hij in den nacht van 18 op 19 Dec. 1812 als een vluchteling
aankwam.

Pruisen, dat de eerste bondgenoot van Napoleon geweest was, keerde zich,
gelijk Napoleon al gevreesd had, om en verbond zich met Rusland. Koning
Frederik Wilhelm III van Pruisen sloot zich in Februari 1813 bij Keizer
Alexander van Rusland aan en begon een strijd op leven en dood. 's
Konings wapenroep vond weerklank bij alle Duitsche stammen. Weldra
voegde een nieuwe bondgenoot zich bij hen. Napoleons vroegere
krijgsmakker Bernadotte, nu, onder den naam van Karel Jan, Kroonprins
van Zweden, had zijn oude betrekking met den Keizer verbroken. Zweden
sloot nu met Rusland en Engeland een verbond, waardoor de Russische
krijgsmacht met 30.000 man versterkt werd. Van den Njemen tot den Rijn
greep nu alles naar de wapenen, terwijl de Engelschen de Franschen uit
Spanje drongen.

Napoleon eischte intusschen van den Senaat opnieuw 500.000 man, „om
de eer der groote natie te redden”. En de Senaat gehoorzaamde. Weldra
kwamen weer 180.000 Fransche jongelingen onder de wapenen, n.l.
10.000 man garde d'honneur te paard, 80.000 man uit den eersten ban
der nationale garde en 90.000 man uit de conscriptie van 1814.

Het decreet betreffende de gardes d'honneurs behelsde, dat tot hunne
regimenten zouden _toegelaten_ worden jongelieden van 18, 19 tot 30
jaar, zonen, kleinzonen, of neven van leden van het legioen van eer,
ridders, baronnen, graven, municipale raden, voorname ambtenaren en
eigenerfden van elk departement. Het _toelaten_ werd in werkelijkheid
eene op afschuwelijke wijze uitgevoerde _dwang_. O. a. werden de
ouders, die weigerden hunne zonen af te staan, onder militair geleide
als gevangenen naar Parijs gevoerd.

Napoleon stond weldra weer met een leger van 166.000 soldaten en 350
kanonnen aan de oevers der Elbe. Drie maanden later was deze krijgsmacht
reeds aangegroeid tot een leger van 311.000 man, waaronder 45.000
ruiters en 1000 kanonnen. Niet meer ter verdediging, maar tot den aanval
was hij gereed.

Ook ons vaderland had weder scharen jongelingen aan den dwingeland
moeten afstaan. Zelfs een deel der schutterijen (toen „nationale garde”
genoemd) moest mee, om tegen de verbonden mogendheden te strijden. Den 5
April 1813 werd bij Decreet ook de vorming van een „garde d'honneur” of
eerewacht van 10.000 man in ons land gelast. Nevenbedoeling van Napoleon
met dit decreet was, om in de jongelingen, die deze eerewacht vormden,
gijzelaars te hebben voor de trouw hunner ouders en familie. Deze
maatregel wekte hier echter groote verbittering en verontwaardiging,
daar deze jongelingen reeds voor groote sommen plaatsvervangers hadden
gesteld, toen ze vroeger aangeloot waren, zoodat zij geacht konden
worden reeds aan den dienstplicht te hebben voldaan. Op wreede wijze
werd het decreet ten uitvoer gelegd, vooral te Amsterdam door den
hardvochtigen De Celles. Er waren echter jongelingen, die niet wilden
opkomen en met geweld uit hunne woningen moesten worden gevoerd. Ja,
sommigen hunner bleven in den vreemde elken krijgsdienst weigeren en
verkozen de gevangenis boven het vechten voor den dwingeland.

[Illustratie: HET VERTREK DER „GARDE D'HONNEUR” VAN AMSTERDAM BUITEN
              DE WEESPERPOORT.]

Weldra was de veldtocht weer geopend en behaalde Napoleon den 2 Mei 1813
bij Lützen de overwinning op de mogendheden. In dezen slag maakte de
Hollandsche kolonel Trip zich bijzonder verdienstelijk. Kolonel Trip,
die reeds in Spanje beroemd was geworden door de wijze, waarop hij er
de artillerie bestuurde, voerde te Lützen bevel over twee batterijen,
die hij ten westen van het dorp Kaja in een goed gekozen stelling had
gebracht. Een stafofficier beval hem echter, een andere stelling te
kiezen. „Goed,” antwoordde Trip, „maar vertel dan eerst, dat het mijn
geschut is, die aan de vijandelijke ruiterij het oprukken belet.”—Trip
bleef zijne stelling behouden en toen weldra de artillerie der Garde
zich bij hem aansloot, vernielde hij de vijandelijke gelederen. De
„Jonge Garde” (de nieuwe keurbende van Napoleon) rukte voort en de
zegepraal werd bevochten door de ontzaglijke vuurlijn, waaraan de
batterijen van Trip ten grondslag hadden gestrekt.

In dezen slag bij Lützen streed ook aan de zijde van Blücher de
16-jarige Willem Frederik Karel mede, de zoon van onzen vroegeren
stadhouder Willem V. Voor het eerst nam hij hier aan het krijgsgewoel
deel. Weinig kon hij bij Lützen vermoeden, dat hij bij Waterloo nog
eens, en wel als hoofd der Nederlandsche Artillerie, onder Blücher zou
strijden.

Den 21 Mei 1813 behaalde Napoleon ook de zege bij Bautzen. Den 1 Juni
stelde nu de Keizer van Oostenrijk aan beide partijen een wapenstilstand
van twee maanden voor, ten einde tot een vergelijk tusschen de partijen
te komen. Den 11 Juli bood de Oostenrijksche vorst te Praag nogmaals
zijn gewapende bemiddeling aan; toen hij zag, dat zijne pogingen op den
onwil van Napoleon afstuitten, verbond zich Oostenrijk met Rusland,
Engeland en Pruisen en verklaarde aan Napoleon den oorlog.

In Spanje ging het den Franschen niet voorspoedig. Den 21 Juni werden
zij door de Engelschen onder Wellington bij Vittoria verslagen. Aan de
zijde van Wellington streed daar mede de Erfprins van Oranje met moed en
doorzicht.

[Illustratie: INTOCHT DER GEALLIEERDEN IN LEIPZIG, 15 OCT. 1813.]

Nu Napoleon ook Oostenrijk tegen zich had, leed hij de eene nederlaag
na de andere. Zijne legers werden den 23 Aug. bij Grootbeeren,
den 30 Aug. bij Culm en den 6 Sept. bij Dennewitz verslagen. Het
hoofdtreffen had echter bij Leipzig plaats, waar van 15 tot 19 Oct. „de
_Drie-Keizersslag_” geleverd werd. Napoleon deed hier met 170.000 man
tegenover een 300.000 man sterken vijand wonderen van dapperheid en
overdekte zich met roem. Toch leed hij een verpletterende nederlaag en
kwam hij met slechts 70.000 man in Frankrijk terug. Beieren, Wurtemburg
en Baden, die vroeger om zijn gunst gebedeld hadden, vielen nu Napoleon
af; de verdreven vorstenhuizen van Hannover en Keur-Hessen werden
hersteld. In Spanje hielden de Franschen nog slechts Barcelona en
een paar forten bezet; overigens hadden ze dat geheele land moeten
ontruimen, ja, Wellington trok met zijn leger de Pyreneën over, terwijl
Russen, Duitschers en Oostenrijkers in het Oosten tegen Frankrijk
optrokken.

Met groote verschooning behandelden de verbonden Mogendheden overigens
Napoleon. Zij boden hem het behoud van zijn Keizerrijk aan, zoo hij den
Rijn als grens van zijn rijk wilde erkennen. Napoleon weigerde, waarom
de Verbondenen na lang weifelen 1 Januari 1814 den Rijn overtrokken.
Weder herhaalden zij hun aanbod, doch nu onder de uitdrukkelijke
voorwaarde, dat Frankrijk binnen de grenzen zou blijven, die het in
1792 bezat. Napoleon verwierp beide voorslagen. Hij wilde het Fransche
Keizerrijk behouden, zooals hij het door list en geweld had gevormd.



HOOFDSTUK X.

     De samenzwering van G. K. v. Hogendorp, de Graaf van Limburg
     Styrum en Van der Duyn v. Maasdam in den Haag.—Kozakken en
     Pruisen in ons land.—Roelof Schenkel neemt een Fransch schip bij
     Zoutkamp.—In den Haag en te Rotterdam.


Na Napoleons nederlaag bij Leipzig ontwaakte bij velen in Nederland de
hoop, dat ons land weer bevrijd kon worden van de Fransche heerschappij.
Evenwel, men begreep, dat het niet gemakkelijk zou gaan, want niet
alleen was Napoleons macht nog groot, maar hij hechtte ook groot
gewicht aan het bezit van ons land; zelfs had hij aan Rutger Jan
Schimmelpenninck verklaard, dat hij Holland liever aan de zee wilde
prijsgeven, dan het weer af te staan.

De vroegere Patriotten waren door de gebeurtenissen der laatste jaren
van hun revolutionaire beginselen vrijwel bekeerd. Toch waren het niet
zij, maar de vroegere Prinsgezinden, die de bevrijding van het Fransche
juk van ons land bewerkt hebben, al werden zij door de vroegere
Patriotten flink gesteund. Reeds sinds geruimen tijd hadden aanzienlijke
Prinsgezinden, zooals Gijsbert Karel van Hogendorp, F. v. d. Duyn van
Maasdam, Leopold, Graaf van Limburg Styrum, O. Repelaar van Driel,
F. I. de Jonge en F. D. Changuion, verschillende geheime bijeenkomsten
gehouden, ten einde te overleggen, hoe de prins van Oranje hier in zijne
waardigheid kon hersteld en wij van de Fransche heerschappij bevrijd
konden worden. Wat zij beoogden, deelden zij slechts aan hen mee, op
wier medewerking zij rekenen konden, o. a. aan Mr. Joan Cornelis van der
Hoop te Amsterdam, J. F. van Hogendorp te Rotterdam en Baron Bentinck
van Buckhorst te Zwolle.

Voor 1795 was Mr. J. C. van der Hoop advocaat Fiscaal bij de
admiraliteit van Amsterdam geweest. In 1795 was hij niet slechts als
zoodanig afgezet, maar ook uit Amsterdam naar den Haag gevoerd en daar 4
maanden gevangen gehouden. Na zijne invrijheidsstelling mocht hij zich
gedurende drie jaren niet buiten Amsterdam begeven. Tot 1813 leidde hij
een ambteloos leven.

[Illustratie: GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP.]

Bentinck stond na 1795 in briefwisseling met onzen vroegeren stadhouder
Willem V. De Fransche politie onderschepte echter een brief, zoodat hij
gevangen werd gezet en alleen door tusschenkomst van Schimmelpenninck
zijn vrijheid terug kreeg.

[Illustratie: Mr. JOAN CORNELIS V. D. HOOP.]

Na den slag bij Leipzig besloten de verbondenen hun kring uit te
breiden. Ieder van hen nam op zich vier vrienden te zoeken, die, zonder
wederzijdsche afspraak, ja zonder elkander te kennen, beloofden bij de
eerste oproeping op te komen en blindelings de aanwijzingen van den
leider te volgen. Ieder dezer vier vrienden moest zich op gelijke
wijze de medewerking van andere vier personen verzekeren. Teneinde de
achterdochtige politie niet op het spoor der samenzwering te brengen,
werd aan geen der nieuw aangeworvenen meer meegedeeld dan het groote
doel der verbintenis. Men noemde geen naam en deed niets schriftelijks.
Mocht er dus een verrader onder de bondgenooten schuilen, dan kon hij
alleen den man, die hem tot het bondgenootschap bewogen had, verraden.
Weldra omvatte het bondgenootschap 400 leden, die in oprechtheid de zaak
van den prins waren toegedaan.

De Graaf van Limburg Styrum had zich bovendien de medewerking verzekerd
van den heer Pronk te Scheveningen, die aldaar zeer veel invloed onder
de visschersbevolking had. Hij nam aan, bij de eerste oproeping 50 man
te leveren.

Ook gelukte het den Graaf van Limburg Styrum de geheele Nationale Garde
in den Haag, 300 man sterk, voor de zaak des lands te winnen. Kolonel
J. van Oldenbarneveld (Witte Tullingh bijgenaamd), bevelhebber dier
Garde, ging met zooveel beleid te werk, dat hij tot op het laatst het
vertrouwen van den prefect wist te behouden. Een Detachement vreemde
Jagers, meest uit Pruisen bestaande, en in Franschen dienst zijnde,
beloofde den opstand, zoo die mocht uitbreken, niet tegen te werken,
doch wilde zich verder tot niets verbinden.

[Illustratie: VAN DER DUYN VAN MAASDAM.]

Intusschen nam de Pruisische Generaal Bulow Munster in, terwijl de
Kozakken Aurich in Oost-Friesland bezetten. De Russische Generaal
Wintzingerode trok tegen Bremen op, terwijl hij prins Narischkin met een
afdeeling Kozakken naar ons land zond. Weldra vertoonden de Kozakken
zich te Meppel en Hoogeveen. De Fransche ambtenaren verlieten nu
Groningen en de Prefect in die stad met de aldaar liggende Zwitsers
volgden dat voorbeeld, terwijl er de kantoren der Douanen gesloten
werden. De orde te Groningen werd nu gehandhaafd door den Maire Jullens
en de kolonel Busch van de Gewapende Burgerwacht, terwijl de Nationale
Garde er de Fransche kokarde aflei. Den 16 Nov. 1813 trok nu eene
afdeeling Kozakken onder Baron Rosin Groningerland binnen. Hij vaardigde
een proclamatie uit, waarbij hij de Raden der Prefectuur aanmaande,
het bestuur van het Departement op zich te nemen en allen ambtenaren
gelastte, hun functiën op den ouden voet te blijven waarnemen.

[Illustratie: L. GRAAF VAN LIMBURG STYRUM.]

Toen de Franschen Groningen verlieten, hadden ze alle in de kassen
aanwezige gelden in een schip gebracht, waarmee zij door het Reitdiep
naar zee trachtten te ontkomen. Eene afdeeling Russen zette hen
achterna, om hun de buit afhandig te maken, doch zonder resultaat. Een
negental schippersgasten wisten echter in een sloep nabij den „Rooden
Haan” (drie uren van Groningen) het Fransche schip te achterhalen, dat
bemand was met 32 gewapende douanen, die 28 vrouwen en kinderen bij zich
hadden. Ze hadden 80.000 gld. bij zich. De schippers zetten de Franschen
tot bij Zoutkamp achterna, doch waagden niet zulk een overmacht aan te
vallen. Zij hoopten echter bij Zoutkamp hulp van Kozakken te vinden.
Toen ze hierin teleurgesteld werden, besloten ze toch tot den aanval
over te gaan. Terwijl de douanen in het ruim van het schip waren, sprong
Roelof Schenkel op hun schip over. Met het pistool in de eene en een
zwaard in de andere hand, opende hij het luik en eischte de overgave der
douanen. Dezen, door schrik overmand en niet wetende, hoe talrijk de
aanvallers waren, voldeden aan dezen eisch, gaven hunne wapenen en geld
over en lieten zich als weerlooze lammeren naar Groningen brengen.
Schenkel en zijn gezellen, inplaats, dat zij met geld en schip er
vandoor gingen, gaven echter alles belangeloos aan Rosin, den aanvoerder
der Kozakken te Groningen, over.

Den 18 Nov. verlieten de Franschen Appingedam. Zij namen er een grooten
voorraad uit mee en vestigden zich te Delfzijl. Bij de nadering der
Kozakken trokken de Franschen zich onverwijld uit Friesland terug.

Toen de Prefect der Monden van den IJsel de nadering der Bondgenooten
vernam, stuurde hij de in de kassen aanwezige gelden naar Amsterdam,
doch zelf bleef hij op zijn post. Den 12 Nov. 1813 namen de Kozakken te
Zwolle twee poorten, terwijl zij Kampen, dat verdedigd werd door een
honderdtal Franschen, beschoten. De burgerij van Kampen koos de zijde
der Russen, maakte zich meester van den Franschen Commandant, nam de
wacht aan de Vischpoort gevangen en liet de Kozakken binnen, door de
brug over den IJsel neder te laten. De Fransche bezetting werd nu
gevangen genomen.

Midden December hadden de Franschen in de vier provinciën Groningen,
Friesland, Overijsel en Drente nog slechts drie vestingen bezet, n.l.
Delfzijl, Koevorden en Deventer. Het Noorden verwachtte echter uit
Holland waarborgen der pas herkregen vrijheid.

In Den Haag werd het gerucht verspreid, dat Napoleon was gevangen
genomen. De leiders van het verbond vertrouwden echter het gerucht
niet, en dit was ook maar goed, want het bleek weldra, dat het valsch
was. Later begeerde het volk in Den Haag, dat de bekende vroegere
Burgemeester Slicher, een vurig Oranjegezinde, weer aan het hoofd der
Gemeente zou worden geplaatst, doch daar de leiders der samenverbondenen
het oogenblik nog niet rijp achtten, werd aan de begeerte van het volk
niet voldaan.

De Stassart, de gisting onder het volk bespeurende en wel inziende,
dat hij een opstand niet kon bedwingen, verzocht zelf eenige Haagsche
ingezetenen, een Provisioneel Bestuur te vormen, dat de gemeenschap met
het Fransche bewind moest onderhouden. In zoover hij bij de verbondenen
aanklopte, ontving hij overal een weigerend antwoord. Hij begon nu te
vermoeden, wat men van plan was en hij was van zin, hen gevangen te
nemen, doch hij liet dit voornemen varen, uit vrees, dat hij daardoor
den opstand zou verhaasten.

Den 13 Nov. werden in verschillende winkels te Rotterdam reeds
Oranjestrikken te koop aangeboden, die echter door de politie werden in
beslag genomen. De tooneelspeler Rozenveld waagde het zelfs met een rood
lint om den hoed op het tooneel te verschijnen. Het volk juichte hem
toe, doch des nachts werd hij door de politie opgelicht en naar Breda
gevoerd, hoewel hij bewees, datzelfde roode lint steeds in de toen
door hem vervulde rol gedragen te hebben. Ook vond men te Rotterdam op
zekeren morgen het Erasmusbeeld versierd met een Oranjestrik en het
navolgende tweeregelig versje:

    Durft niemand nog Oranje dragen.
    Ik durf mijn grijzen kop wel wagen.



HOOFDSTUK XI.

     Barend Ponstijn en Anton Reinhard Falck te
     Amsterdam.—Omwenteling aldaar.—Omwenteling in Den Haag.


De bezetting te Amsterdam bestond uit een strafbataillon van 800 man,
eenige veteranen, benevens de gewapende douanen. Den 15 Nov. trok
Generaal Molitor met zijn troepen uit Amsterdam naar Utrecht, om zich
bij het hoofdleger in Gelderland te voegen. Pas waren de Franschen
Amsterdam uit of Barend Ponstijn ontplooide op de Nieuwe Brug te
Amsterdam de Oranjevlag, vroolijk omstuwd door honderden burgers, die
zich allen in een oogwenk met de geliefde Oranjekleur tooiden. Het volk
liep te hoop en plunderde, onder het geroep van: „Oranje Boven!” de
wachthuizen der gehate Douanen, terwijl men spotprenten op de Douanen
uitgaf. Vervolgens rukte men de uithangborden, die met den Keizerlijken
adelaar voorzien waren, naar beneden en wilde men de pakhuizen der
Douanen en de rijkstabakfabriek plunderen en vernielen. De Nationale
Garde, in allerijl onder de wapenen gekomen, wist echter door het beleid
van Anton Reinhard Falck, één harer kapiteins, dit laatste te
verhinderen.

[Illustratie: _zoek maar uit, zoek maar uit zes Douanen voor een duit_

              ANONIEME SPOTPRENT OP DE DOUANEN.]

Deze Anton Reinhard Falck was onder het Staatsbewind
Gezantschaps-Secretaris te Madrid geweest, terwijl hij onder Koning
Lodewijk de betrekking bekleed had van Secretaris-Generaal bij het
Departement van Marine. Toen Holland bij Frankrijk werd ingelijfd,
weigerde hij eenig ambt te bekleeden, ja wilde hij de ridderorde der
Reünie niet aannemen. Nadat hij zich bij de verbondenen had aangesloten,
begreep hij, dat hij het vaderland nog van dienst kon zijn, en liet hij
zich in den zomer van 1813 eene benoeming tot Kapitein der Nationale
Garde welgevallen. Nog voor Molitor vertrokken was, wist hij zijn
mede-officieren en zelfs Kolonel van Brienen voor de zaak der
verbondenen te winnen. Doch vooral op den genoemden 15 November maakte
hij zich verdienstelijk. Hij ried den Prins van Plaisance, den prefect
en velen der overige achtergebleven Fransche ambtenaren aan, de stad te
verlaten, daar hij voor de veiligheid van hun persoon en goederen niet
kon instaan. Men volgde zijn raad op en toen ook zij Amsterdam ontvlucht
waren, kreeg de volksbeweging nieuwe kracht. Den 16 Nov. begon het volk
de wachthuizen, o.a. dat op de Nieuwe Brug te Amsterdam, te verbranden
en plunderde het 't huis van den Ontvanger der personeele belasting op
de Prinsengracht, en de huizen van den Wapencommandant en der Politie op
de oude Turfmarkt. De Nationale Garde kon verdere baldadigheden slechts
voorkomen, door krachtig op te treden, zoodat ze zelfs ten laatste
op de menigte moest schieten. Het was een toestand van verwarring en
regeeringloosheid, die in Amsterdam heerschte. De Maire was te Parijs,
om daar opnieuw in naam der derde hoofdstad van het rijk, trouw aan
Napoleon te zweren; de politie had weinig gezag en om dat weinige gezag
te handhaven, beschikte zij over te weinig hulpmiddelen, vooral doordat
het Hoofdbestuur de stad verlaten had. Falck begreep, zou er een eind
aan de verwarring komen, dat er een voorloopig bewind moest zijn. Hij
trachtte de leden der Municipaliteit te bewegen met nog eenige andere
aanzienlijken zich voor Oranje te verklaren, doch dezen durfden dat
nog niet aan uit vrees voor een mogelijken terugkeer der Franschen.
Eindelijk wist hij van kolonel Van Brienen gedaan te krijgen, dat
deze 24 der aanzienlijkste burgers opriep, om een voorloopig Bestuur
te vormen. Van deze 24 gaven 20 aan de oproeping gehoor. In de
Vroedschapskamer wees Falck de opgekomenen op een verzoek, door den
prins van Plaisance aan den gewezen Hoofdofficier David Willem Elias en
door den prefect aan Van Brienen gedaan, om te zorgen voor de handhaving
der orde in Amsterdam. 17 personen verklaarden zich nu bereid, in het
Bestuur zitting te nemen, dat ten slotte aldus was samengesteld:

[Illustratie: HET VERBRANDEN DER DOUANENHUISJES BIJ DE NIEUWE BRUG TE
              AMSTERDAM.]

Mr. J. C. v. der Hoop, Voorzitter, Mr. P. A. van Boetzelaer, Mr. D. W.
Elias, P. P. Charlé, W. Boreel, Mr. C. van der Oudermeulen, Mr. J. van
Loon Jansz., Mr. D. J. van Lennep, H. van Slingelandt, G. ten Sande,
A. Mendes de Leon, J. A. Willink, J. J. Moy, Mr. P. A. Brugmans, Mr.
J. D. Meyer, Mr. J. S. van de Poll en Mr. A. A. Deutz van Assendelft,
allen vurige Oranjegezinden, die ook vroeger deel van het Stads- of
Staatsbestuur hadden uitgemaakt.

Op verzoek van Falck had de Adjunct-Maire Charlé, die zich met het
eigenlijk bestuur der stad had belast, afstand van dit bestuur gedaan.
Hij begeerde echter en verkreeg dan ook een schriftelijk bewijs, door
Van Brienen en eenige andere Officieren geteekend, dat de Officieren
der Nationale Garde hem voor ontslagen hielden.

Het nieuwe Bestuur werd te Amsterdam met ingenomenheid begroet, vooral,
omdat de leden er van gunstig bij het volk bekend stonden en men er
mannen onder vond, van verschillende godsdienstige belijdenis. Bij
fakkellicht, door een gedeelte der Burgerwacht begeleid, deed het
nieuwe Bestuur een rondgang door de stad, door het volk overal luide
toegejuicht. Onder bevel van W. Willink werd een vrijwillige ruiterbende
van 300 man opgericht en deze, geholpen door vele patrouilles van
gewapende burgers, deden nu alles, om de rust te herstellen. Vooral
Van der Hoop werkte kalmeerend op de menigte. Hij ging des nachts de
wijnhuizen rond en sprak tot het aldaar samengeschoolde volk: „Wat wilt
gij meer, mannen! De oude regeering is immers hersteld.” En op zijne
aanmaning gingen allen naar huis.

Wat te Amsterdam had plaats gevonden, werd al spoedig in Den Haag bekend
gemaakt. Toen aldaar de verbondenen hoorden, dat De Stassart voornemens
was, Den Haag te verlaten, begrepen zij, dat het tijdstip daar was, om
handelend op te treden. Den 17 Nov. 1813 ging de Graaf van Limburg
Styrum met de Oranje-kokarde op den hoed van het huis van Van Hogendorp
naar dat van Slicher, waarop deze eveneens de Oranje-kokarde op den hoed
deed en met Van Styrum naar den Adjunct-Maire Faber van Riemsdijk ging,
om te trachten een voorloopig stadsbestuur te verkrijgen. Toen nu ook
de zonen van Van Hogendorp met de Oranje-kokarde op den hoed zich op
straat vertoonden, geraakte het volk in beweging en hield het geroep
van „Oranje boven!” haast niet op. Ten huize van Van Styrum kwamen
nog dienzelfden dag de verbondenen te zamen, die twee proclamatie's
vaststelden, beide door Van der Duyn van Maasdam, Repelaer en Changuion
en de Graven G. K. en J. F. van Hogendorp geteekend en wel _namens de
oude Regenten_. Bij de eene proclamatie werd Van Styrum gemachtigd,
als voorloopig (provisioneel) Gouverneur van den Haag voor den prins
van Oranje op te treden. De andere proclamatie riep op 18 Nov. eene
vergadering der Regenten van 1794 bijeen.

't Hoen en Bachman, die vóór 1795 Burgemeesters van den Haag geweest
waren, begaven zich nu met Slicher naar het Stadhuis, waar zij hun
vroegere ambten weder aanvaardden. De Oranjevlag werd op den toren
geplaatst, en bij proclamatie van den nieuwen Gouverneur werd het
optreden van het voorloopig Bestuur aan het volk bekend gemaakt. De
Nationale Garde, die zich ook voor den prins verklaarde, trok nu met
vliegende vaandels, slaande trom en onder het spelen van het Wilhelmus
door de stad.

En dit alles geschiedde, terwijl in den Haag zich nog een Regiment
vreemde Jagers en 100 Douaniers, allen goed gewapend en twee achtponders
tot hun beschikking hebbende, bevonden. De bevelhebber dezer troepen,
Generaal Bouvier, door schrik als verlamd, deed niets om den opstand
te onderdrukken en verschanste zich met zijne krijgslieden op het
Binnenhof. Hier liet hij zelfs toe, dat de Nationale Garde uit het daar
aanwezige depôt en dus als het ware onder zijne oogen, zich van wapenen
voorzag.

In Den Haag had men hoop, dat men hulp van de verbonden Mogendheden zou
ontvangen. Het was dus met groote teleurstelling, dat men het bericht
ontving, dat Generaal Bulow bevel had ontvangen, den IJsel niet over te
steken. Baron Bentinck, die dit bericht in Den Haag overbracht, ried
er daarom den bondgenooten aan, nog geen beslissende stappen te doen.
Evenwel, die raad kwam te laat, want de beslissende stap was reeds
gedaan. Van Styrum deed daarom al het mogelijke, om den moed der burgers
aan te wakkeren en den Franschen schrik aan te jagen. Hij liet het
Binnenhof door de burgerwacht omzetten, terwijl hij gewapende ruiters
onophoudelijk er om heen liet draven. De meeste burgers brachten den
nacht op de straat door, terwijl de straten verlicht bleven. Door al
deze maatregelen bevreesd geworden, vroeg Generaal Bouvier aan Van
Styrum den volgenden dag vrijen aftocht voor zich zelf en zijn troepen,
wat hem gaarne werd toegestaan. Vele vrijwilligers boden zich nu aan,
die bij gebrek aan andere wapenen met pieken werden gewapend. De heer
Pronk te Scheveningen zond een aantal pinken in zee, ten einde de
Engelsche vloot op te zoeken, om die met de omwenteling in kennis te
stellen.



HOOFDSTUK XII.

     Een voorloopig Bestuur over ons land.—De strijd om Papendrecht
     en Dordrecht.


Den 18 Nov. 1813 werden zij, die vóór 1793 Lid der Staten geweest waren,
uitgenoodigd, ten huize van Van Hogendorp in Den Haag te komen. Daar
vergaderd zijnde, werd hun verzocht, het Bestuur van het land op zich te
nemen. Zij durfden aan dit verzoek niet voldoen, daar zij òf bevreesd
waren voor een mogelijken terugkeer der Franschen, òf omdat zij niet in
het Bestuur wilden zitten, zonder daartoe door den Prins uitdrukkelijk
te zijn gemachtigd, òf omdat zij meenden, dat het Bestuur niet eenzijdig
uit Prinsgezinden moest zijn samengesteld, maar ook enkele der vroegere
Patriotten onder zijn leden moest tellen.

[Illustratie: SAMENKOMST VAN VAN HOGENDORP, VAN DER DUYN VAN MAASDAM,
              J. M. KEMPER, F. D. CHANGUION, DE GRAAF VAN LIMBURG STYRUM
              EN FANNIUS SCHOLTEN OP 20 NOV. 1813.]

Dat de oude Statenleden weigerden, in het Bestuur van het land zitting
te nemen, werkte op het volk ontmoedigend, wijl dat er uit opmaakte, dat
de oude Regenten zelf weinig hoop koesterden op een volledig herstel
van onze onafhankelijkheid. Ook gingen door deze weigering twee dagen
verloren, die men zoo nuttig had kunnen gebruiken. Toch gaven de
gebeurtenissen aan de verbondenen weldra nieuwen moed. Het werd toch
in den Haag bekend, dat Luitenant Ampt, die met zijn kanonneerboot te
Rotterdam lag, de zaak van Oranje had omhelsd. Hij wilde zelfs met
behulp der matrozen en van het werkvolk, de werf te Rotterdam in het
bezit nemen. En den 19 Nov. waren de Pruisische jagers, onder bevel van
Bouvier in Den Haag teruggekeerd, om de zaak der verbondenen te steunen.
Met de Franschen uit Den Haag vertrokken, waren ze tegen dezen in verzet
gekomen, hadden kanonnen vernageld en vele douanen gewond en waren thans
in Den Haag een onwaardeerbare steun voor de verbondenen. Ook wekte het
in Den Haag zeer den moed op, dat in Rotterdam een voorloopig Bestuur
gevormd was met J. F. Hogendorp aan het hoofd, dat dit te Leiden was
gebeurd onder den Maire Heldewier, terwijl ook Haarlem en Edam het
Fransche juk hadden afgeschud.

Zou echter de onafhankelijkheid van ons land verzekerd worden, dan was
het noodzakelijk, dat een Prins uit het Stamhuis van Oranje zich aan
het hoofd der beweging zette. Daar men niet wist, waar de Prins zich
bevond, reisden Jacob Fagel (broeder van den vroegeren Griffier) en de
Perponcher (vroeger de trouwe strijdmakker van wijlen Prins Frederik)
naar Engeland en Kapitein Wauthier naar Duitschland, teneinde den Prins
te zoeken.

[Illustratie: AANVAARDING VAN HET HOOG BEWIND IN NAAM V. D. PRINS VAN
              ORANJE, 21 NOV. 1813, TEN HUIZE VAN GIJSB. KAREL V.
              HOGENDORP.]

Teneinde tot een voorloopig Bestuur van het land te komen, werd er den
20 Nov. 1813 bij Van Hogendorp wederom een vergadering gehouden. Er
werd een brief voorgelezen van De Stassart, door dezen uit Gorinchem
geschreven, waarin hij meldde, dat hij met een sterke strijdmacht in Den
Haag terug zou komen, en dan straffen zou, die zich bleef verzetten,
doch vergiffenis beloofde aan wie zich nu nog onderwierp. In plaats, dat
dit schrijven ontmoedigend werkte, zag men er een bewijs van zwakheid in
van De Stassart en werd er de moed door verlevendigd. Dit was evenzoo
het geval met het bericht, dat de Franschen Gouda hadden ontruimd en
ook daar een voorloopig bestuur was ingesteld. Men besloot daarom tot
krachtig optreden. Van der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp
aanvaardden het voorloopig Bestuur van het land; Falck wilde men de
betrekking van Algemeen Secretaris toevertrouwen, doch daar hij te
Amsterdam niet kon gemist worden, liet Changuion zich deze functie
welgevallen. Prof. Kemper, die in Leiden reeds veel voor de zaak des
lands had gedaan en Fannius Scholten wilden trachten, de besturen der
overige Hollandsche steden voor de zaak des lands te winnen.

[Illustratie: FRANÇOIS DANIEL CHANGUION.]

Bij proclamatie van 21 Nov. werd aan het volk van de samenstelling van
dit voorloopig Bestuur mededeeling gedaan, terwijl bij proclamatie van
22 Nov. het volk ontslagen werd van den eed, aan Napoleon gedaan, en elk
een muiter werd genoemd, die nog aan het Fransche Bestuur gehoorzaamde
en ieder weerbaar man te wapen werd geroepen, om de Franschen te
bestrijden. Eene afdeeling krijgslieden onder bevel van Baron Sweertz
de Landas moest de Franschen, die in Gorinchem gelegerd waren, in het
oog houden, terwijl eene andere afdeeling onder bevel van generaal C. F.
de Jonge Zuid-Holland beschermen moest tegen een aanval der Franschen
uit Utrecht. Beide afdeelingen te zamen waren echter nog geen 1000 man
sterk. Gelukkig werd de afdeeling Sweertz de Landas te Rotterdam met 300
vrijwilligers versterkt. Ook had ondertusschen Ampt te Rotterdam de werf
genomen. Hij zond nu twee kanonneerbooten de Maas op, die een vaartuig
wisten te bemachtigen, voor het Fransche garnizoen in Gorinchem bestemd
en beladen met 80.000 pond buskruit en 40.000 patronen, welke voorraad
terstond naar Den Haag werd gezonden.

[Illustratie: HET BESCHIETEN VAN DORDT DOOR DE FRANSCHEN.]

De Franschen hadden Dordrecht verlaten, waarna er de burgers terstond de
Hollandsche vlag op den toren zetten. 400 Douanen, met een zesponder en
een mortier gewapend, bezetten echter Papendrecht en eischten nu ook
Dordrecht weer voor Frankrijk op. Toen ze deze stad met houwitsers en
kanonskogels beschoten, lieten de Dordrechtenaars de Franschen binnen,
die terstond 200.000 gld. eischten voor levensmiddelen ten behoeve der
Fransche bezetting in Gorinchem, doch zich niet aan wanordelijkheden
schuldig maakten. Toen de Franschen echter hoorden, dat de Hollandsche
bezetting van Rotterdam zou pogen, Dordrecht te hernemen, verlieten de
Franschen de stad weder. Werkelijk namen den 23 Nov. 100 vrijwilligers
van de afdeeling onder Sweertz de Landas te Rotterdam Papendrecht en
trokken toen voor een deel Dordrecht in. Twee kanonneerbooten onder
bevel van Van Ampt legerden zich des nachts tusschen Dordrecht en
Papendrecht. Den 24 Nov. verdreef echter een Fransche bende de
vrijwilligers uit Papendrecht en begon toen met haar geschut Dordrecht
te beschieten. Eén der kanonneerbooten zocht weldra haar heil in
de vlucht, doch de andere hield twee uren lang den strijd vol, tot
eindelijk al het kruit en de kogels op waren. Toen men het laatste schot
zou doen, vroeg iemand, in het bedienen van het geschut zeer bekwaam, om
dit laatste schot te mogen richten. Na bekomen verlof deed hij met de
laatste kardoes een koevoet in het kanon en richtte toen het schot zoo
juist, dat hij zeven Franschen deed sneuvelen. De vijand, door schrik
overmand, sloeg op de vlucht en—Dordrecht bleef voor ons behouden. De
Dordrechtenaars, in vereeniging met de Rotterdammers, zetten nu gewapend
de Franschen na en namen eenigen dezer gevangen. Toen de gemeenschap
tusschen Rotterdam en Dordrecht was hersteld, kwamen er van alle zijden
zooveel vrijwilligers opdagen, dat de vijand het niet waagde, zich weer
in deze streken te vertoonen.



HOOFDSTUK XIII.

     Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van
     Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze
     macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.


Generaal De Jonge wist Leiden en Bodegraven voor den Prins te bewaren,
terwijl een 100-tal vrijwilligers Donderdam beveiligden. Een Haagsch
vrijwilliger, Adams geheeten, stelde zich aan 't hoofd van een bende
boeren en wist de batterij van de Buitensluis aan het Hollandsch diep
te bemachtigen. Deze batterij bestond uit twaalf achttienponders, meer
geschut, dan de verbondenen tot dusver bezeten hadden.

In Amsterdam vreesde men nog, dat Molitor met zijne troepen terug zou
keeren, waarom Van Brienen altijd nog met Molitor in briefwisseling
stond en het provisioneel Bestuur van die stad nog niet openlijk de
zijde van Oranje durfde kiezen, hoewel Van der Duyn, Kemper en Fannius
Scholten alle moeite hadden gedaan, om dat Bestuur tot een meer beslist
optreden te bewegen.

De Bondgenooten hadden Van Assen naar Friesland en Groningen gezonden,
teneinde die gewesten over te halen, de zijde van den Prins te kiezen.
Zij bevonden, dat de inwoners dier gewesten Prinsgezind genoeg waren,
doch dat de Besturen er nog niet met beslistheid tegen de Franschen
durfden optreden, wijl ze op de hulp van slechts 400 à 500 Kozakken
konden rekenen. Van Assen verzocht den aanvoerder der Russen, prins
Lapupkin, om hulp voor de omwenteling in Holland en deze beloofde
onmiddellijk eenige ruiters naar Holland te zenden.

Den 24 Nov. zond prins Lapupkin Majoor Marklay met 200 Kozakken naar
Amsterdam. Daar Naarden en Utrecht nog in de macht der Franschen waren,
trok deze afdeeling Russen over Hilversum, 's-Graveland, Weesp, de
Uitermeersche Schans (die door de Franschen verlaten was) en verscheen
eindelijk voor de Muiderpoort te Amsterdam.

Te Amsterdam wekten de Kozakken de nieuwsgierigheid in hooge mate op.
En waarlijk, deze zonen van Tartarije en de Krim boden een bont en
zonderling schouwspel aan.

[Illustratie: MR. FANNIUS SCHOLTEN.]

„De een b.v. droeg, bij een Chineesche muts, een overjas met kragen, die
misschien aan dezen of genen Franschen overste behoord had; een ander
was in een buitgemaakte huzaren-monteering uitgedost, waarover een witte
mantel golfde; een derde had een Poolsche jas en een grenadiersmuts
op het hoofd; sommigen waren met sabels, anderen met degens of dolken
gewapend, doch allen met pistolen en ellenlange speeren.”

[Illustratie: KOZAKKENWACHT.]

In het gebruiken van voedsel waren de Russen niet kieskeurig;
smeerkaarsen en klare boter aten ze alsof het niets was. In ons
land kon men ze het best trakteeren met pannekoeken en brandewijn. De
Amsterdammers zagen hoog tegen deze woeste strijders op en geloofden,
dat één Kozak wel tien Franschen kon staan. Een gevolg hiervan was, dat
Amsterdam zijn weifelende houding liet varen. Door invloed van Falck
werd nog den 24 Nov. van de pui van het paleis op den Dam aan het volk
bekend gemaakt, dat Amsterdam de zijde der Franschen verlaten en die van
den Prins gekozen had, terwijl men de Hollandsche vlag van de torens
liet wapperen. Krayenhoff, die voor 19 jaar door de Patriotten te
Amsterdam aan het hoofd van het Bestuur werd geplaatst, teneinde het
gezag der Franschen er te vestigen, werd nu tot Gouverneur van Amsterdam
aangesteld, teneinde het gezag van den Prins er te vestigen, terwijl aan
Verdooren de regeling der zeezaken werd opgedragen.

De Franschen te Gorinchem hadden 1500 man versterking uit Antwerpen
ontvangen en dit gaf De Stassart den moed, een brief naar Den Haag te
zenden, waarin hij de „rebellen” in die stad en te Rotterdam aanried,
een deputatie naar hem te sturen, teneinde Napoleons wraak af te wenden.
Natuurlijk werd het schrijven van den prefect in Den Haag met verachting
ontvangen en hooghartig beantwoord, zoodat De Stassart de gedachte moest
krijgen, dat men in Den Haag over een grootere macht beschikte, dan
werkelijk het geval was.

[Illustratie: BARON KRAYENHOFF.]

De Fransche bezetting van Woerden bestond uit slechts 28 man. Dit gaf
generaal de Jonge en Kolonel Tullingh den moed, aan het hoofd der
Nationale (nu Oranje) Garde derwaarts te trekken en de stad voor den
Prins te bezetten. De 28 Franschen trokken zich in Utrecht terug.
Terstond werd in Woerden de Hollandsche vlag op den toren gezet, doch de
vrijwilligers verzuimden, de bruggen op te halen, de poorten te sluiten
en verder Woerden in staat van tegenweer te stellen.

De Franschen, te Utrecht de Hollandsche vlag van den toren te Woerden
ziende wapperen, besloten Woerden te overvallen. Midden in den nacht
verschenen ze voor Woerden. Ze verdreven Luitenant Mirandolle uit het
fort Oranje, die zich nu met zijn 24 vrijwilligers bij de bezetting van
Woerden aansloot. De Franschen waren ondertusschen in de stad gedrongen
en de Hagenaars, nu van binnen en van buiten aangevallen, kozen de
vlucht. Kolonel Tullingh werd door bajonetsteken en sabelhouwen gewond
en als krijgsgevangene naar Parijs gevoerd. Na den val van Napoleon
mocht hij naar ons land terugkeeren.

De Franschen, die Woerden overvielen, waren zoogenaamde Pupillen, zijnde
weezen, die men voor den krijgsdienst had opgeleid. Zonder ouders of
nastaande familie, dus zonder met de maatschappij in nauwe betrekking te
staan, gaven ze om hun leven weinig of niets en was medelijden met hun
slachtoffers hun vreemd. Toen zij zagen, dat zij van Woerden meester
waren, begonnen zij er op barbaarsche wijze te rooven, te plunderen en
te moorden. Vijf en twintig inwoners van het stadje, waaronder vrouwen
en kinderen, beroofden zij van het leven, terwijl vijftig anderen min of
meer zwaar gewond werden. En het treurigste was, dat deze moordtooneelen
geheel doelloos plaats hadden, want drie dagen later ontruimden de
bandieten uit eigen beweging Woerden, met medeneming van een grooten
buit.

[Illustratie: HET GERUST VERBLIJF VAN MEVR. KEMPER TE LEIDEN BEHOUDT
              DEN MOED DER GEWAPENDE BURGERIJ.]

De berichten van hetgeen te Woerden was gebeurd, werden overal in ons
land met schrik en ontzetting ontvangen. Te Leiden durfden de burgers de
stad, uit vrees, dat de Franschen hun dit euvel zouden duiden, niet in
staat van verdediging stellen, en wilden geen geschut of vrijwilligers
binnenlaten. Velen wilden zelfs de stad verlaten, doch Mevrouw Kemper,
wier man niet te huis was, ried hun dit af en zei: „Ware er gevaar,
zoude ik hier gerust met mijne kinderen blijven?”—Haar moedige houding
boezemde den burgers weer moed in. Gelukkig werd de gezonken moed door
twee betere tijdingen weer opgebeurd.

Tusschen Amsterdam en Haarlem lag een fort, dat door de Franschen bezet
was en dat de verbinding tusschen die steden belemmerde. Het gelukte den
Kozakken, de Franschen uit dit fort te verdrijven en het voor den Prins
in bezit te nemen.

De Kozakken hadden reeds een paar keer gepoogd, doch tevergeefs,
de Fransche bezetting, meest uit Douanen bestaande, uit Zutphen te
verdrijven. Den 24 Nov. werd Zutphen belegerd door 4000 Pruisische
ruiters en jagers. De Duitschers werden door de inwoners van Zutphen
geholpen en de Maire Op ten Noort wist den Franschen bevelhebber te
bewegen, Zutphen aan de Pruisen over te geven. Terstond werd nu de
Hollandsche vlag op den toren geplaatst, een bal aan de Pruisische
officieren gegeven en in de straten geïllumineerd. Een Algemeen Bestuur
werd ingesteld, dat Zutphen voor den prins moest bewaren.

In weerwil van deze twee moedgevende gebeurtenissen, bleef men toch in
Holland nog met zorg de toekomst tegemoet zien, daar Molitor te Utrecht
nog 4 à 5000 man, allen goed gewapend, tot zijn beschikking had. Molitor
was echter zelf te zeer op zijn hoede, dan dat hij aanvallend durfde
optreden. Een tuinier toch te Oudshoorn, Mens genaamd, had brieven laten
schrijven en aan verschillende personen bezorgen, waarin hij vermeldde,
dat de Engelschen te Scheveningen geland waren en dat 3000 Russen
aanrukten, om ons te hulp te komen. Deze brieven, te Woerden in handen
der Franschen gevallen, hebben niet weinig er toe bijgedragen, dat
dezen de stad verlieten. En ook Molitor liet er zich door bang maken.
Ook meende Molitor, toen hij hoorde, dat een bekwaam krijgsoverste
als Krayenhoff de verdediging van Amsterdam op zich had genomen, dat
Amsterdam over meer middelen ter verdediging kon beschikken, dan
werkelijk het geval was. Bovendien wist hij niet, wat de verbonden
Mogendheden beoogden, zoodat hij Gelderland, dat hij beschermen moest,
niet durfde verlaten.

Wat het meest in ons land den moed verlevendigde, was het heuglijke
feit, dat Van Hogendorp den 27 Nov. een eigenhandigen brief van den
Prins van Oranje ontving, waarin de Prins beloofde, spoedig over te
komen en dat Engeland hulp zou verleenen. Terstond liet men dezen brief
drukken en door het geheele land verspreiden, waardoor ook Friesland en
Groningen moed vatten en zich voor den Prins verklaarden.

Kapitein Wauthier, die in Duitschland den Prins moest zoeken, ontmoette
den 22 Nov. te Munster den Pruisischen Generaal Van Bulow, dien hij op
de hoogte bracht van hetgeen in Holland plaats greep. Vervolgens bezocht
Wauthier het hoofdkwartier der Gealliëerden te Frankfort, waar hij
bemerkte, dat de verbonden mogendheden de provinciën ten Westen van
den IJsel als bevriende mogendheid beschouwden.

De verbondenden in Den Haag zonden hun agent Van der Hoeven naar
het Oosten van ons land. Te Nijkerk wist hij den Kozakkenhoofdman
Marklay te bewegen, zich naar Amsterdam te begeven. Prins Narischkin,
opperbevelhebber der Russische voorhoede, die zich te Zwolle bevond, had
Bentinck reeds tot Gouverneur van Overijsel aangesteld. Hij gaf aan Van
der Hoeven paspoorten, teneinde het hoofdkwartier van den kroonprins van
Zweden te kunnen bezoeken, en beloofde ook naar Amsterdam te zullen
trekken.

Van der Hoeven zocht ook den kroonprins van Zweden op, die aan de
omwenteling in Holland zooveel waarde hechtte, dat hij van der Hoeven
een officier mede gaf met last aan Generaal Wintzingerode, om den
IJsel over te rukken. Gelukkig behoefde deze last niet meer uitgevoerd
te worden, want Molitor had Utrecht reeds verlaten. Hij had vier
aanzienlijke ingezetenen van Utrecht als gijzelaars mee naar Parijs
genomen, en wel de heeren Ram, Singendonck, Buddingh, en de Perponcher
van Wolphaartsdijk. Dezen werden te Parijs in een gewone gevangenis
geworpen. Op voorspraak van Lodewijk Napoleon herkregen ze in het begin
van 1814 hun vrijheid en mochten ze naar hunne woningen terugkeeren.

Molitor had Utrecht in de beste orde verlaten en geen gewelddadigheden
gepleegd. Terstond na zijn vertrek verklaarde de stad zich voor den
Prins. Den 29 Nov. trok prins Narischkin met 2000 Kozakken Utrecht
binnen met Kolonel v. d. Bosch, den Adjudant van Krayenhoff, die, met
toestemming van den Russischen bevelhebber, Utrecht voor den Prins in
bezit nam.

Den 28 Nov., toen Molitor Utrecht verliet, had Schwartsman,
vroeger consul van Spanje, die op last van Graaf van Styrum met een
visscherspink op de Noordzee kruiste, om de Engelsche vloot te zoeken,
eindelijk deze gevonden op de banken van Hollesley-baai. Op Schwartsmans
verzoek zond de Engelsche Vice-admiraal Ferrier terstond drie
oorlogsschepen naar Scheveningen, die daar een aantal zeesoldaten aan
wal zetten. De tijding hiervan werd door het geheele land met blijdschap
vernomen en werkte vooral in Amsterdam zeer geruststellend. Ook ontving
men de verzekering, dat behalve de 1200 Kozakken, die Utrecht binnen
getrokken waren, nog meer Russisch krijgsvolk te wachten was.

Aan Van Bulow had men een onderschepten brief van den prefect van
Coblenz aan De Celles gezonden, waarin de treurige toestand van het
Fransche leger in ons land werd geschilderd. Dit deed Van Bulow
besluiten, tegen zijn last in, den IJsel over te steken.

Den 18 Nov. had de bezetting van Doesburg, uit Jagers bestaande, deze
stad aan de Pruisen overgeleverd. Den 22 Nov. wisten de Franschen de
stad te hernemen, doch denzelfden dag werd hun Doesburg weer ontnomen,
helaas ten koste van een vrij groot aantal mannen. De Fransche Generaal
Amey te Arnhem deed nogmaals een poging, om Doesburg in zijn macht te
krijgen, doch den 24 Nov. werden zijne krijgslieden reeds te Velp door
de Pruisen met zwaar verlies teruggeslagen.

Wij beproefden nu Arnhem onze zijde te doen kiezen. De Fransche
bezetting in die stad werd echter door den Maarschalk Macdonald, hertog
van Tarente, die te Nijmegen zijn hoofdkwartier had, met eene afdeeling
krijgslieden versterkt, zoodat ze nu 3400 man telde. Den 30 Nov. waagden
de Gealliëerden de stad te bestormen en het gelukte hun, na een hevig
gevecht, Arnhem in hun macht te krijgen.

Den 19 Nov. was Den Briel door de aldaar gelegerde Fransche bezetting
in staat van beleg verklaard. De Gemeenteraad zond nu in stilte vier
zijner leden naar Den Haag, om te vernemen, of verlossing aanstaande
was en op hulp kon gerekend worden. In Den Haag kon men den Brielschen
afgevaardigden voor het oogenblik weinig moed geven, waarom men in
Den Briel besloot, zich aan het Fransche Bestuur te onderwerpen. Voor
de dorpen om Den Briel, die reeds de Oranjevlag van den toren lieten
wapperen, was dit mede een groote teleurstelling. De Franschen
haalden overal die vlaggen naar beneden en legden al deze dorpen een
brandschatting op. Ze namen overal den Maire en andere notabelen als
gijzelaars mee. Gelukkig deserteerden er vele soldaten van de Fransche
bezetting, die uit zoogenaamde „_Etrangers_” bestond. Toen er in één
nacht weer 50 soldaten verdwenen, vatte de Maire Heeneman weer moed
en zond den predikant Pauw in stilte naar Den Haag. Dominé Pauw kreeg
van Van Hogendorp de schriftelijke machtiging, om in Den Briel de
omwenteling door te zetten. Voor dat doel kon men er over krijgsvolk,
magazijnen en geld beschikken. In Den Briel wist men nu Holssourt,
Kapitein der Etrangers, voor de zaak van Oranje te winnen. Holssourt
beloofde, te zullen trachten, ook de onder hem staande officieren onze
zijde te doen kiezen. Besloten werd, om te pogen den volgenden dag de
bezetting in opstand te brengen. Ongelukkig werd de samenzwering
verraden. Holssourt werd gevangen naar Antwerpen gevoerd, de Maire
Heeneman moest Den Briel verlaten, terwijl het huis van Dominé Pauw
omsingeld werd. Gelukkig wist hij door de tuinen te ontvluchten en zich
twee dagen bij een bakker schuil te houden, tot hij veilig uit Den Briel
wist te ontkomen. Toch gaf men in de stad den moed niet op. Dokter de
Lang plakte eene proclamatie van den Pruisischen Generaal Blücher aan
de Kazerne der Etrangers (die meest Pruisen waren) aan, waarin alle
Pruisische soldaten met zware straffen werden bedreigd, die in dienst
der Franschen bleven. Zoo zij zich in Den Haag bij de verbondenen
aansloten, werden hun allerlei beloften gedaan.

Deze proclamatie werkte. Toen de Onder-prefect met een paar Fransche
Officieren naar Hellevoetsluis was, om een 50-tal marine-soldaten van
daar naar Den Briel te geleiden, overweldigden de Etrangers de wacht en
kozen de zijde der verbondenen. De Onder-prefect, uit Hellevoetsluis
teruggekeerd, liet de trouw gebleven bezetting op de markt voor de
hoofdwacht aan 't stadhuis post vatten, waar hij terstond de kanonnen
liet laden en zoo de stad in bedwang hield. Een Nationale Garde, die
een brief moest overbrengen, werd helaas het slachtoffer van deze
verdediging. Een uur lang duurde deze toestand, toen Nikolaas den
Broeder, die in een der dorpjes bij Den Briel woonde, den raad gaf,
zich tegen de Franschen te verdedigen. De Magazijnmeester Lux, die nog
altijd met den vroegeren Maire Heeneman correspondeerde, stelde zich
aan de spits van eenige manschappen, waarmee hij naar de kazerne der
kustkanonniers trok, die, allen Hollanders zijnde, zich ook allen bij
hem voegden. Nadat men nu de poorten overrompeld had, trok men met twee
stukken geschut naar de markt. Bij het gevecht, dat nu volgde, werden
eenige burgers gekwetst. Lux wist echter het stadhuis van achteren
binnen te rukken, waarna hij de Franschen uit de vensters van den
voorgevel beschoot. Dezen moesten nu hun geschut verlaten en een
schuilplaats in de hoofdwacht zoeken, waarna ze zich weldra aan de
Hollanders moesten overgeven. Twee Franschen en drie burgers waren
gesneuveld en vele anderen waren gewond. De Onder-prefect en de
Franschen werden gevangen naar Den Haag gevoerd, terwijl de Mariniers,
die aan de Zuidpoort aanklopten, weer naar Hellevoetsluis terugkeerden,
toen ze vernamen, dat de stad de zijde van den Prins gekozen had.



HOOFDSTUK XIV.

     Fagel en De Perponcher naar Londen.—De Prins van Oranje stapt te
     Scheveningen aan wal.


Den 1 Dec. 1813 bemachtigde Benkendorf met zijn Kozakken, door
Amsterdamsche vrijwilligers geholpen, het stadje Muiden. Men hoopte, dat
nu ook Naarden kon genomen worden, doch hierin werd men teleurgesteld.
Eerst eenige maanden later kon men Naarden voor Oranje herwinnen.

[Illustratie: DE PRINS VAN ORANJE IN 1808.]

Den 21 November, een Zondag, waren Fagel en De Perponcher te Londen
aangekomen. Toen zij er vertelden, wat in Holland plaats vond, ontstond
er groote vreugde. Men tooide zich met Oranje en hield maaltijden ter
eere der Hollandsche omwenteling. Gelukkig trof men er ook den prins
van Oranje aan. Deze was terstond genegen, naar Holland over te
steken, ten einde er zich aan het hoofd der beweging te stellen en de
onafhankelijkheid van ons land tot een voldongen feit te maken. De
Engelsche regeering stond hem voor zijn doel het fregat „_The Warrior_”
met nog een oorlogsbodem af, waarmee de prins den 26 Nov. 1813 in zee
stak. Ten gevolge van tegenwind duurde de reis vier dagen, zoodat
de prins eerst den 30 Nov. 1813 voor Scheveningen kon ankeren. De
Perponcher was reeds in het vaderland vooruit gereisd, ten einde zich
op de hoogte te stellen van hetgeen na zijn vertrek naar Engeland in
ons land was voorgevallen en om tevens te vernemen, of het geraden was,
dat de Prins te Scheveningen voet aan wal zette. Vol verlangen, om den
vaderlandschen grond weer te betreden, wachtte de prins het rapport van
de Perponcher niet af, maar liet zich, nog voor dezen teruggekeerd was,
door een visschersschuit aan wal zetten. Daar de schuit niet geheel aan
wal kon komen, moest de Prins van de schuit op een wagen over stappen.

Aan het strand werd de vorst verwelkomd door de Leden van het Algemeen
Bestuur en den Graaf van Limburg Styrum, terwijl de Engelsche
oorlogsschepen ter eere dezer heuglijke gebeurtenis saluutschoten
losten. Een talrijke schare uit Scheveningen, Den Haag en andere
plaatsen van ons land stond aan het strand geschaard, om getuige te
zijn van het zeldzame schouwspel.

Op de plaats, waar de Prins den 30 Nov. 1813 te Scheveningen aan wal
stapte, is 50 jaar later een gedenknaald onthuld, waarop aan de eene
zijde te lezen staat:

                         „GOD REDDE NEDERLAND”

en aan de drie andere zijden:

                      30 Nov. 1813.–24 Augs. 1865.

                          „HET DANKBARE VOLK”.

Aan land gekomen, stapte de Prins in een open rijtuig, waarin Van Styrum
gezeten was en reed onder het gejubel der menigte naar 's-Gravenhage,
waar de vorst bij Van Styrum zijn intrek nam. Een ieder, die wilde,
mocht daar den vorst verwelkomen en de hand drukken. Gelukkiger
ontmoeting na jaren heeft wellicht nimmer plaats gehad, dan die van den
Prins van Oranje en het Nederlandsche volk op 30 Nov. 1813.

[Illustratie: LANDING VAN DEN PRINS TE SCHEVENINGEN.]

De vorst wilde reeds den 30 Nov. naar Amsterdam vertrekken, doch
hem werd dit afgeraden. De Russische generaal Benkendorf was met 2400
man en 6 kanonnen over de Zuiderzee naar Den Haag getrokken, na vooraf,
gelijk wij zagen, Muiden bemachtigd te hebben. In Den Haag bevonden
zich nu ook de Engelsche minister Lord Clancarty en de Pruisische
generaal Bulow. Den 1 Dec. hielden nu de Prins, Lord Clancarty, Von
Bulow en Benkendorf krijgsraad, waarin de militaire operatiën werden
vastgesteld en de Prins een proclamatie uitvaardigde, waarin hij
verklaarde:

     „Al het verledene te vergeten en te vergeven” en hij het
     Nederlandsche Volk opriep, „om zich met hem ter bevestiging
     der onafhankelijkheid te vereenigen.”

Toen deze proclamatie te Amsterdam werd bekend gemaakt, vaardigde
Fannius Scholten er ook eene uit, waarin deze verklaarde, dat wij in den
Prins van Oranje niet „Willem den zesden” huldigden, van wien wij niet
wisten, wat wij van hem verwachten moesten, maar „Willem den Eersten”,
die evenals de vroegere Willem I, ons volk bevrijden zou van vreemde
heerschappij.

Napoleon toonde zich woedend, toen hij den afval van Holland vernam. Hij
dreigde het land aan den Oceaan prijs te geven, zond den bekwamen Carnot
naar Antwerpen, om de belegering dier vesting te leiden en eischte van
zijn troepen in België en de Nederlanden, om stand te houden.

Intusschen verklaarde Prins Willem van Oranje te Amsterdam de hem
aangeboden Souvereiniteit aan te nemen onder den waarborg eener
Constitutie, die de volksvrijheid tegen misbruik van gezag in toekomende
tijden zou beveiligen. Den 1en December 1813 werd de Prins nu te
Amsterdam tot Souverein vorst van Nederland uitgeroepen.

In weerwil van de lijdelijke houding van verschillende stedelijke en
gewestelijke besturen was dan toch, dank zij het kloeke en doortastende
optreden van enkele moedige mannen, de omwenteling in ons land tot
stand gekomen en daardoor aan de verbonden mogendheden een veldslag
uitgewonnen. Ook was daardoor de gemeenschap met Engeland hersteld en
aan de Gealliëerden de toegang tot Frankrijk aan de vlakke en dus minst
verdedigbare zijde gebaand.



HOOFDSTUK XV.

     De vroegere lotgevallen van Koning Willem I.—De strijd in
     Zeeland, om Breda, den Helder (Verhuell), Deventer, Coevorden en
     Delfzijl.—België aan de Franschen ontrukt.


De Prins van Oranje, den 30 Nov. 1813 te Scheveningen geland, was de
zoon van Stadhouder Willem V. In 1795 had hij met zijn vader de wijk
moeten nemen naar Engeland. In 1799 landde de Prins met de Engelschen
en Russen bij Den Helder, doch moest met dezen spoedig ons land weer
verlaten. In 1806 stierf zijn vader, Willem V, en kort daarop ontnam
Napoleon hem zijn erflanden in Duitschland en voegde ze bij het
Groot-Hertogdom Berg. Toen de Prins nog in 1806 als Generaal in
Pruisischen dienst trad, verklaarde Napoleon hem tot vijand van het
Fransche rijk en ontnam hem ook het vorstendom Fulda. Na een tijdlang in
Fransche krijgsgevangenschap doorgebracht te hebben, trok hij zich in
Engeland in afzondering terug.

In ons land wist men, dat de Prins leefde, doch waar, en welk karakter
en geaardheid hij bezat, daarvan wist men hier niets. Zelfs wist men
niet, hoe hij zich in de veldslagen bij Landrecies en Fleures roemrijk
onderscheiden had, hoewel men wel op de hoogte was van de heldendaden
door zijn zoon, den Erfprins, in Spanje verricht.

Nog maar weinige uren had de Prins in Den Haag vertoefd, of de
aanzienlijke mannen, die hem omringden, verklaarden, dat zij in den
Prins den man zagen, die het vervallen vaderland weer tot eer en aanzien
kon brengen. Een ander klopte den vorst goedmoedig op den schouder,
zeggende: „Wees maar niet bekommerd, Uwe Hoogheid; als de taak u te
zwaar is, dan zijn wij er ook nog, om het werk voor u te doen.” De Prins
was er echter de man niet naar, om het werk aan anderen over te laten.
Hij was begaafd met een sterk geheugen, bovendien werkzaam, onvermoeid
en van een zelfstandig karakter, zoodat, als hij omtrent iets eene
meening of overtuiging had, hij daaromtrent niet spoedig tot andere
gedachten kon gebracht worden. Hij was echter vriendelijk, mild en
altijd bereid, hulp te verleenen, waar die noodig bleek te zijn.

De Prins was alleen gekomen, doch den 8 Dec. 1813 voegde zich zijn zoon
prins Frederik bij hem en den 19 Dec. zijn andere zoon, de erfprins van
Oranje, die in Spanje onder Wellington diende, doch terstond besloot,
naar ons land over te komen, toen hij hoorde, wat hier gebeurd was. De
Erfprins werd terstond door zijn vader tot Generaal der Infanterie en
tot Inspecteur-Generaal van het leger aangesteld, terwijl Prins Frederik
zich bij het leger onder Generaal Bulow voegde.

Ondertusschen bleven de Franschen nog verschillende plaatsen van ons
land bezet houden en de eerste zorg der nieuwe regeering was, ze vandaar
te verdrijven.

Gelijk wij zagen, bevrijdde Den Briel zichzelf. Hiermede niet tevreden,
sloegen de Brielenaren zelfs het beleg om Hellevoetsluis. Na drie dagen
kregen ze hulp van 50 Engelsche mariniers. De Fransche bezetting verliet
nu Hellevoetsluis en trok naar Willemstad. De eilanden Voorne en Putten
waren hiermee van de Franschen bevrijd.

Korporaal Lorenz lag met een aantal kustkanonniers op Goeree. Hij trok
met zijne mannen naar Ooltgensplaat, waar hij den Franschen Generaal
Rostolan bij de borst vatte en gevangen nam, waarop de Fransche
bezetting de wapens nederlegde. De Franschen te Willemstad poogden de
plaats te hernemen, doch de Luitenant-Ingenieur Van Ingen sloeg hen
met verlies terug en wist Ooltgensplaat voor den prins te behouden.

De Franschen konden zich echter ook niet te Willemstad staande houden.
Nadat ze er de oorlogsvaartuigen in den grond geboord hadden, trokken
ze, met achterlating van 200.000 pond buskruit en 132 kanonnen (die
wij buit maakten) naar Bergen op Zoom. Wij brachten de gezonken
oorlogsvaartuigen weer boven water en wisten ze te herstellen en voor
het gebruik geschikt te maken.

De Engelsche vloot, uit 10 linieschepen, 9 fregatten en 6 brikken
bestaande, kwam ons te hulp, om Zeeland van de Franschen te zuiveren. De
Fransche Generaal Gilly te Zierikzee gaf aan De Jonge, die vóór 1795 te
Zierikzee regent geweest was, bevel, om zich naar Rijssel te begeven.
Het volk verzette er zich tegen, en De Jonge verschool zich, doch liet
overal vertellen, dat hij werkelijk naar Rijssel was vertrokken.

Te Bruinisse en Oosterland kwam ook beweging. Op verzoek van een
invloedrijk ingezetene aldaar, De Brauw, zond de Opperbevelhebber der
Engelsche vloot aldaar eenige vaartuigen heen en deze, door de burgers
gesteund, noodzaakten den Franschen generaal, niet alleen Bruinisse
en Oosterland, maar ook Zierikzee te ontruimen, en zich met zijn volk
te Tholen terug te trekken. Weldra moesten de Franschen niet alleen
Tholen, maar ook Noord- en Zuid-Beveland verlaten. Alleen het fort Bath
hielden zij bezet.

Den 2 Dec. 1813 verdreven de Kozakken de Franschen uit Vianen. Generaal
Bulow en Prins Frederik kwamen met Pruisisch krijgsvolk in de Betuwe. De
Franschen moesten nu Bommel, het fort Crêvecoeur en het fort St. Andries
ontruimen, evenals spoedig daarna Woudrichem, Loevenstein, Heusden en
Geertruidenberg. Vooral voor de Kozakken waren de Franschen bang. Toen
Narischkin met zijne Russen tegen Breda oprukte, wachtten de Franschen
zijn komst niet af, doch verlieten in allerijl de stad. Hierover was
Napoleon zoo boos, dat hij den Franschen generaal, die te Antwerpen het
opperbevel had, afzette en terstond bevel gaf, te trachten Breda te
hernemen. Den 20 Dec. 1813 sloegen nu de Franschen het beleg om Breda
met een krijgsmacht van 5000 à 6000 man. In de stad had men slechts over
4 stukken geschut te beschikken. De belegerden kregen echter weldra
oorlogsvoorraad uit Willemstad, en toen een afdeeling Kozakken hen te
hulp kwam, moesten de Franschen na een driedaagsch beleg weer aftrekken.

Gelijk wij zagen, was Muiden in onze macht gekomen, doch 2000 Franschen
hielden nog altijd Naarden bezet. Dezen plunderden de omstreken dier
stad zooveel mogelijk. Uit Weesp roofden ze lakens, dekens, hemden,
kousen, ketels, pannen, enz., uit de dorpen vee en levensvoorraad. Om
deze rooverijen te keer te gaan vormde Krayenhoff eene afdeeling
vrijwilligers, die onder bevel werd gesteld van Kolonel Van den Bosch en
van 8 stukken geschut werd voorzien. Door ruiterij versterkt, kruiste
deze afdeeling nu steeds in het Gooi om. Ook bezette de Amsterdamsche
schutterij de steden Muiden en Weesp. Onze krijgsmacht was echter te
zwak, om aanvallend tegen Naarden op te treden. Ook in Gorinchem hadden
de Franschen zich duchtig versterkt. De Gealliëerden trachtten, doch
tevergeefs, de Franschen uit die stad te verdrijven.

Het machtigst echter waren de Franschen in den Helder, waar zij vijf
forten hadden aangelegd, n.l. La Salle, Morland, Du Gommier, Valga en
l'Ecluse. Hun bezetting, 1000 man sterk, beschikte over 350 stukken
geschut en eene vloot van 9 linieschepen, 5 fregatten en eenige kleinere
schepen en stond onder bevel van Verhuell. Deze achtte zich wegens zijn
eed aan Napoleon verplicht, Den Helder voor de Franschen te behouden.
Daar hij op de Hollandsche matrozen en officieren niet rekenen kon, had
hij de eersten naar huis gezonden en de laatsten laten vertrekken. Te
Alkmaar wist hij aan geld uit de Landskas te komen.

Aan Generaal De Jonge werd opgedragen, Den Helder aan de Franschen te
ontrukken. Deze vestigde zich te Alkmaar, waar hij aan het hoofd stond
van eene afdeeling vrijwilligers en van eenige soldaten en kanonniers
uit Medemblik. Een Compagnie rustbewaarders nam op het eiland Texel twee
officieren en 20 Etrangers gevangen. Ze werden bij de krijgsmacht van De
Jonge gevoegd, die echter over nog te weinig krijgslieden beschikte, om
met hoop op goed gevolg den Helder aan te tasten. Verdooren zond daarom
een gezantschap van zee-officieren uit Amsterdam naar Verhuell, teneinde
dezen te bewegen, Den Helder over te geven. Verhuell wilde echter het
gezantschap niet ontvangen, zoodat alles bij het oude bleef. Verhuell
leverde echter 1200 à 1300 Spaansche krijgsgevangenen aan ons uit,
vooreerst, omdat hij een opstand van hen vreesde en ten andere, om van
hun onderhoud ontslagen te zijn.

De prefect en de Fransche ambtenaren hadden 's-Hertogenbosch verlaten.
Toch bleef de stad in handen van den vijand. De Fransche soldaten, uit
andere plaatsen verdreven, trokken zich hier samen. Den 12 Dec. 1813
vestigde Molitor zijn hoofdkwartier in 's-Hertogenbosch en organiseerde
er zijn krijgsmacht. Hij verliet echter de stad spoedig weer en liet er
slechts 300 mariniers en eenige veteranen achter. Deze krijgsmacht werd
spoedig versterkt met 700 man van de Fransche bezetting uit Loevenstein
en Woudrichem. Den 19 Dec. sloegen de Gealliëerden het beleg om Den
Bosch en veroverden de forten Izabella en St. Antonie, doch zetten het
beleg met geen genoegzame kracht door.

Generaal Baron Van Schiner bewaarde met eene bezetting van 800 Pupillen
en 40 kustkanonniers de stad Deventer voor de Franschen. Toen hij den
26 Nov. 1813 de tuinhuizen buiten de stad liet verbranden, omdat ze de
werking van het geschut belemmerden, werd zijn werkvolk verrast door de
Kozakken. Dezen waren bijna ook in de stad gedrongen, doch de Kapitein
der Ingenieurs, die reeds een sabelhouw ontving, wist nog bijtijds de
poorten van Deventer te doen sluiten. De Fransche bezetting werd nog
versterkt met 800 man uit Wezel. De Gealliëerden sloegen nu het beleg om
Deventer, waardoor de burgers dier stad veel schade leden.

De Kozakken eischten ook Coevorden op. De Fransche bezetting, hierdoor
op haar hoede geworden, organiseerde rooftochten naar de omliggende
dorpen, o.a. naar Dalen, waar drie dagen aaneen geplunderd werd. De
Kozakken kwamen echter telkens tusschenbeide en dreven de Franschen uit
Dalen terug. Toen de Franschen den vierden dag weer een uitval deden,
ontstond er een geregeld gevecht tusschen hen en een 100-tal Kozakken,
die gesteund werden door eene afdeeling vrijwilligers onder Kapitein
van den Hoja Kymmel. De Franschen, die 300 man sterk waren en in het
bezit waren van twee kanonnen, verbrandden in Dalen twee boerenwoningen
en moesten toen terugtrekken. Twaalf dagen later roofden ze uit
Hardenberg een 200-tal runderen, zonder dat de Kozakken er iets aan
konden doen.

[Illustratie: HET VERBRANDEN DER WONINGEN EN TUINHUIZEN OVER DEN IJSEL
              BIJ DEVENTER DOOR DE FRANSCHEN, 26 NOV. 1813.]

Delfzijl werd nog steeds bezet door 1400 Franschen, die herhaaldelijk
plundertochten ondernamen naar Appingedam, Holwierde, Bierum, Spijk enz.
Dit ging zelfs den Onder-Prefect Alberdan en den Maire van Appingedam,
Cleveringa, te erg, die den Russischen bevelhebber Rosin verzochten, de
dorpen tegen de Franschen te beschermen, aan welk verzoek Rosin terstond
bereid was te voldoen. De Fransche bevelhebber, hiervan onderricht, zond
aan den onder-officier der Kanonniers te Zoutkamp bevel, om zich met
zijne manschappen en krijgsvoorraad bij hem te Delfzijl te voegen.
De bode, die dit bevel moest overbrengen, stelde er den Kolonel der
Nationale Garde te Groningen, Busch, mee in kennis. Busch zond nu
onmiddellijk eenige burgerkanonniers naar Zoutkamp, die de krijgslieden
aldaar bewogen, de zijde van het vaderland te kiezen, terwijl de
krijgsvoorraad en het geschut te Zoutkamp naar Groningen werd gezonden.
De Fransche bevelhebber te Delfzijl had intusschen Luitenant Edeling met
een kanonneerboot naar Zoutkamp gezonden om de krijgsmacht en voorraad
vandaar naar Delfzijl te brengen, doch ook Edeling koos onze zijde. Hij
werd nu door den Russischen bevelhebber naar Helgoland gezonden om daar
1500 geweren van de Engelschen in ontvangst te nemen. Ook maakten wij
ons meester van een post te Oostmahorn, terwijl het te Harlingen
aanwezige geschut mede naar Groningen werd gebracht.

In Groningen had men op deze wijze 20 kanonnen bijeen gekregen. Teneinde
Delfzijl te bestoken, zond Rosin 400 man met 2 veldstukjes en eenige
kanonniers naar Appingedam, terwijl Busch eenige dagen later met 400 man
van de Nationale Garde, een aantal burgerkanonniers en 4 veldstukjes
mede derwaarts trok. Ook de Russische Kolonel Prins Lapoutchin trok
mee, ten einde te zorgen, dat de Russische en Hollandsche krijgsmacht
eenstemmig tegen Delfzijl mocht optreden. De vereenigde krijgsmacht te
Appingedam bleek echter onvoldoende, om iets van belang tegen Delfzijl
te ondernemen, waarom men een landstorm oprichtte van 2000 man, die
de dorpen tegen de uitvallen der Franschen moest beschermen, terwijl
de Nationale Garde tevens met nieuwe manschappen werd versterkt. Drie
Engelsche brikken begonnen Delfzijl van de zeezijde te bestoken.
Tevens voegden 2000 Pruisen met 20 kanonnen zich bij onze legermacht te
Appingedam, terwijl eene Compagnie scherpschutters, 100 man, onder bevel
van Schmalen, een gewezen officier, de gewichtigste posten bezette. Het
gelukte Busch door middel van gedrukte bekendmakingen aan de Hollanders
onder de Fransche bezetting van Delfzijl te doen weten, dat de Prins van
Oranje tot Koning van Nederland was verheven, en wij Napoleon als Keizer
hadden afgezworen. Dit had ten gevolge, dat ruim 300 Nederlandsche en
zelfs ook vreemde soldaten en ruiters Delfzijl ontvluchtten en met
paarden en al tot ons over kwamen. Zelfs wisten drie kanonneerbooten
uit de haven van Delfzijl te ontkomen. Na de Fransche vlag voor de
Nederlandsche driekleur verwisseld te hebben zetten ze koers naar Emden.

       *       *       *       *       *

Napoleon benoemde den 30 Nov. 1813 den Graaf De Caen tot
Opperbevelhebber der 60.000 man, waarover hij toen nog in België en de
Nederlanden kon beschikken, om daarmede België te behouden en Nederland
te heroveren. Schijnbaar koel en onverschillig, vernam hij, dat de
Verbondenen voortrukten, maar de opstand der Hollanders wekte zijn
toorn. Meermalen gaf hij zijn voornemen te kennen, om liever het land
aan den Oceaan prijs te geven, dan het ooit af te staan. Toen hij dit
ook aan Rutger Jan Schimmelpenninck te kennen gaf, die als lid van den
Senaat te Parijs vertoefde, antwoordde deze: „Sire, ik hoop, dat een
dergelijke gebeurtenis nimmer tot de geschiedenis van uwe regeering zal
behooren.”

Napoleons toorn was ten top gestegen, toen hij de ontruiming van
Willemstad, Breda en Geertruidenberg vernam. Onmiddellijk riep hij De
Caen terug, gaf hem arrest, en benoemde een krijgsraad, om hem te
vonnissen. Aan Rampon, die toen nog Gorinchem bezet hield, schreef
hij: „Bewaar dezen sleutel tot het hart van Holland met inspanning van
alle krachten. Steek de dijken door, omring u door overstroomingen en
ijsdammen. Ge kunt op een spoedig ontzet rekenen.”—En werkelijk zond
Napoleon belangrijke afdeelingen troepen naar Brussel, Lille en Trier,
terwijl hij op het einde van December 1813 den Generaal Graaf Maison
het opperste krijgsbevel in de Belgische en Hollandsche departementen
opdroeg.

Het was den Pruisischen Majoor Von Colomb reeds gelukt, de Belgische
grenzen over te trekken, en vier dagen later Leuven te bereiken. Toen
echter zag hij zich gedrongen, om terug te keeren, teneinde Breda tegen
een aanval van den Generaal Roquet te dekken.

Eerst na het aftrekken van den Generaal Macdonald, die wel uit Coblenz
hulptroepen had ontvangen, doch geen kans zag, om zich aan de Waal
te handhaven, gelukte het den Pruisen en Russen, weder voorwaarts te
dringen, terwijl de Engelschen de Schelde opzeilden. Roermond zag de
Verbondenen den 17 Januari 1814 binnen zijne muren. Bij Luik werd den
24 Januari een hevig gevecht geleverd, dat de Franschen tot een verder
terugtrekken noopte. Vooruit drongen nu de Bondgenootschappelijke
troepen. Zij bereikten Brussel den 1 Febr. Meermalen werd met
verbittering gestreden, inzonderheid bij Sweneghens, op den 7 en 31
Maart 1814. Bij de laatste ontmoeting handhaafde de Fransche ruiterij
weder den roem van hare voortreffelijkheid.

Niettemin zag de Generaal Maison zich ten slotte gedrongen naar Lille
(Rijssel) terug te trekken. De Franschen bleven zich echter handhaven in
de vestingen Antwerpen, Ostende en Luxemburg.



HOOFDSTUK XVI.

     De finantiën geregeld.—Een Landstorm opgericht.—'s-Hertogenbosch
     en Gorinchem aan de Franschen ontrukt.—De nieuwe Grondwet.—Willem
     I te Amsterdam als Koning gekroond.


Zou Nederland zijne onafhankelijkheid kunnen handhaven, dan moest
het kunnen beschikken over een goed voorziene oorlogskas en over
een voldoende krijgsmacht. Teneinde aan geld te komen, werd er een
vrijwillige leening uitgeschreven, die 1400 duizend gulden opbracht,
inderdaad een aanzienlijke som als men let op den verarmden toestand van
het land. Amsterdam droeg o.a. 100 duizend gulden bij en Arnhem 17000
gulden.

En om een voldoende krijgsmacht te verkrijgen, werd er een Landstorm
opgericht van weerbare mannen tusschen 17 en 50 jaar oud, die met pieken
gewapend werden. Een deel ervan, bestaande uit 16.000 man voetvolk en
4000 man artillerie, werd gebruikt, om den vijand van den vaderlandschen
grond te verdrijven, terwijl het andere deel als schutterij in de steden
dienst moest doen.

Zoolang Koning Willem I nog geen Staatsraad bezat, beraadslaagde
hij toch twee keer 's weeks met eenige bekwame Staatslieden over de
aangelegenheden van het land. In het belang van ons zeewezen liet de
Vorst terstond de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam weer
openen, welke school door Napoleon was opgeheven geworden, terwijl
hij aan een Commissaris-Generaal opdroeg te onderzoeken, wat er tot
bevordering van het Zeewezen kon gedaan worden. Ook schafte hij het
Fransche belastingstelsel af en voerde het vroeger hier bestaande weer
in, terwijl hij tevens de bepaling van Napoleon op het Hooger Onderwijs
buiten werking stelde en een Commissie met de taak belastte, om een
algemeen Ontwerp in betrekking tot het Hooger Onderwijs te maken.

Den 21 Dec. 1813 droeg Willem I aan een Commissie, bestaande uit vurige
Oranjeklanten zooals Van der Duyn van Maasdam en Van Hogendorp, zoowel
als uit vroegere Patriotten, als Van Maanen of uit mannen als Roëll,
die onder Koning Lodewijk een hooge betrekking hadden bekleed, het
samenstellen van een Grondwet op. Van deze Commissie werd Van Hogendorp
voorzitter, terwijl Falck werd benoemd tot Secretaris van Staat en
Changuion tot Commissaris-Generaal bij de Britsche hulptroepen. Ook
met het Buitenland knoopten wij weer betrekkingen aan. Zoo zonden wij
Hendrik Fagel, de vroegere Griffier, als afgezant naar Engeland, terwijl
Engeland Lord Clancarty als zijn afgezant bij ons Hof aanwees.

Intusschen had de Fransche Maarschalk Macdonald zijn hoofdkwartier van
Nijmegen naar Kleef verlegd. En toen nu ook Generaal Exculman met zijn
Fransche krijgsmacht uit Nijmegen naar Venloo vertrok, was Nijmegen en
hiermee geheel Gelderland van Franschen gezuiverd.

[Illustratie: KONING WILLEM I.]

De Fransche Commandant te 's Hertogenbosch verbitterde in die stad
velen, door de gedwongen heffing eener door hem uitgeschreven
belasting. 240 inwoners sloten een verbond, om alles in het werk te
stellen ten einde 's Hertogenbosch van de Fransche heerschappij te
verlossen. Zij drongen per plakkaat bij de burgerij er op aan, de
belasting niet te betalen. De Commandant ontbond nu de schutterij,
stelde het innen der belasting acht dagen uit, doch dreigde een ieder
met zware straffen, die weigerde te betalen. De samengezworenen
hadden zich intusschen met de Pruisen in verbinding gesteld. Met den
Pruisischen generaal Hobe maakten ze de afspraak, dat deze den 26 Jan.
's morgens, als de toren van Vucht 4 uur zou slaan, van twee zijden de
stad zou aanvallen. De Commandant had er echter bericht van gekregen en
riep de bezetting onder de wapenen. De toren van Vucht ging evenwel een
half uur na en toen de aanval 's morgens 4 uur niet geschiedde, dacht
de Fransche Commandant, dat er niets van kwam en liet de bezetting
weer aftrekken. Weldra echter daagden de Pruisische ruiters op, die
de bewoners van Vucht tot gidsen hadden. Daar de grachten van 's
Hertogenbosch toegevroren waren, viel het den Pruisen gemakkelijk,
de wallen bij de Vuchterpoort te beklimmen en het Bastion Oranje te
vermeesteren. De samengezworenen in de stad hadden intusschen de
Fransche wacht bij de Hinthamerpoort overrompeld en die voor de Pruisen
geopend. De Fransche bezetting trok zich nu in het fort terug, doch geen
kans ziende, zich tegen de Pruisen staande te houden, gaven zij zich
bij verdrag over. De officieren kregen vrijen aftocht, doch moesten
zich verbinden, binnen het jaar niet tegen de verbonden Mogendheden
te strijden. De Fransche soldaten hield men in Den Bosch gevangen. In
naam van Willem I namen nu Bowier, die vóór 1794 Pensionaris der stad
was geweest en Verheyen, als Commissarissen-generaal, bezit van 's
Hertogenbosch.

Ten einde Gorinchem in ons bezit te krijgen, werd deze stad den 22 Jan.
1814 uit zeven batterijen tegelijk beschoten, waarbij tot groote schade
der ingezetenen 16 huizen vernield werden en 7 zwaar beschadigd. Men
eischte nu de vesting op, en toen daar een weigerend antwoord op kwam,
werd Gorinchem den 24 Jan. wederom beschoten, waarbij de kerk, het
tuighuis en het hospitaal (waarin veel zieken verpleegd werden), zwaar
werden beschadigd. De Maire van Gorinchem verzocht Generaal Zielinsky,
de stad niet meer te beschieten, doch Zielinsky kon hieraan niet
voldoen. Nog vijf maal liet de Generaal de stad beschieten. Den laatsten
keer vlogen drie kruitkisten in Gorinchem in de lucht, waardoor velen
gedood of gewond werden. De aangerichte schade werd op 100.000 gulden
berekend. Den 4 Febr. 1814 teekende de Fransche Commandant een verdrag,
waarbij hij de stad overgaf. De bezetting werd met krijgsmanseer
behandeld en gevangen naar Pruisen gevoerd.

Intusschen was de Commissie met een Ontwerp van Grondwet gereed gekomen.
Men besloot hierover geen algemeene volksstemming toe te laten, maar
het ontwerp door 600 Notabele Nederlanders te laten beoordeelen. Er
werd daarom eene lijst opgemaakt van 600 personen, die door stand,
middelen en verdiensten uitmuntten, welke lijst gedurende acht dagen
in elk Kanton of Vrederecht ter inzage werd gelegd, met verzoek, om
de bedenkingen, die men tegen de op de lijst geplaatste personen
mocht hebben, op te geven. Toen er nagenoeg geen bedenkingen werden
ingebracht, werden de op de lijst geplaatste 600 Notabelen den 29 Maart
1814 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam tezamen geroepen. Slechts 474
gaven aan die oproeping gehoor, terwijl 126 Notabelen om verschillende
redenen niet opkwamen. Koning Willem I opende deze vergadering met eene
toespraak, waarna Van Maanen, Voorzitter van het Hooge Gerechtshof, de
beginselen ontvouwde, naar welke de nieuwe Grondwet ontworpen was.

De nieuwe Grondwet bepaalde omtrent den vorst:

Opvolging bij erfrecht en eerstgeboorte, recht van vrede en oorlog,
opperbestuur over de geldmiddelen, beschikking over zee- en landmacht.

De Souvereine rechten, die vroeger de Staten bezeten hadden, werden
nu aan den Vorst opgedragen. In plaats der Departementen kregen wij 9
provinciën. Ter handhaving der Volksvrijheid en tot waarborg van een
richtig beheer zou eene vergadering van de Staten-Generaal, uit 55 en
door de Provinciale Staten voor drie jaren benoemde leden bestaande,
alle buitengewone uitgaven toestaan of weigeren en, evenals de Vorst,
wetten voordragen of afstemmen. Verder zou er een Raad van State zijn,
een Algemeene Rekenkamer, een onafhankelijke rechtsmacht, Algemeene
Wetboeken, gelijke bescherming voor de bestaande Godsdiensten, doch de
Vorst moest lid zijn van de Ned. Herv. Kerk. De land- en zeemacht zou
uit vrijwilligers bestaan en bij gebrek aan dezen uit lotelingen.

De nieuwe Grondwet was op revolutionaire leest geschoeid. Toch werd ze
door de vergadering van Notabelen met 448 tegen 26 stemmen goedgekeurd.
Den volgenden dag, 30 Maart 1814, werd nu de Vorst op plechtige wijze in
de Nieuwe Kerk te Amsterdam als Souverein Vorst van Nederland gekroond.



HOOFDSTUK XVII.

     Napoleon naar Elba verbannen.—Lodewijk XVIII Koning van
     Frankrijk.—De strijd om Bergen op Zoom en den Helder.


België was, gelijk wij zagen, door de wapenen der verbonden Mogendheden
uit de macht der Franschen verlost.

Napoleon wilde nu onderhandelen, doch de Mogendheden wilden niet.
Later behaalde hij eene overwinning bij Montmirail en nu vroegen de
Mogendheden, om te onderhandelen, doch thans weigerde de Keizer. De
legers der Gealliëerden onder Blücher en Schwartzenberg rukten nu op
Parijs aan, terwijl Wellington Bordeaux veroverde en de Oostenrijkers
Lyon namen. De Keizerin, de Groot-Waardigheidsbekleders van het rijk en
Jozef Bonaparte verlieten Parijs en den 30 Maart 1814 gaf Frankrijks
Hoofdstad zich aan de Bondgenooten over. Napoleons gemalin trok naar
Weenen, zonder haar man nog eenmaal gezien te hebben en vergat hem
spoedig geheel. De Keizer van Rusland en de Koning van Pruisen trokken
den 31 Maart 1814 Parijs binnen, doch verklaarden aan de Maire van die
stad, dat zij de rechten der Fransche natie wilden eerbiedigen. De
Vauvineux zette zich de witte kokarde op den hoed, ten teeken, dat hij
zich voor het oude Vorstenhuis, De Bourbons, verklaarde. Dit voorbeeld
werd in Parijs door velen gevolgd, en weldra klonk het overal: „Leve
de Koning!” De Senaat, vroeger het gewillige werktuig van Napoleon,
ontsloeg nu de soldaten van hun eed van getrouwheid, aan hem gedaan
en stelde over Parijs een Tusschenbestuur in. Napoleon bevond zich
te Fontainebleau en gaf bevel naar Parijs op te rukken, doch zijn
maarschalk Ney zei hem, dat zijn macht een eind genomen had, dat hij
geen recht meer had, aan het leger bevelen te geven en dat hij
verstandig deed, op billijke voorwaarden afstand van de regeering te
doen. Napoleon volgde dien raad op en deed afstand van de regeering ten
behoeve van zijn zoon. De Mogendheden wilden echter dien afstand niet
erkennen, waarom hij 11 April 1814 een afstand teekende „voor zijne
opvolgers”. De Mogendheden wezen Napoleon nu het eiland Elba als
afzonderlijk vorstendom tot verblijfplaats aan met een jaarlijks inkomen
van zes millioen francs. Nadat hij den 20 April afscheid genomen had van
de 3000 man der Garde, die hem getrouw waren gebleven, trok hij, door de
Generaals Bertrant en Drouot vergezeld, en door een behoorlijk geleide
omringd, naar Elba. De Fransche Senaat riep nu Lodewijk Stanislaus
Xaverius, oudsten broeder van den onthoofden Lodewijk XVI, onder
den naam van Lodewijk XVIII, tot Koning van Frankrijk uit, terwijl
Maarschalk Soult, die bij Toulouse nog altijd aan Wellington den weg
versperde, den aftocht koos. De regeering van Napoleon, als zijnde
door geweld op den troon gekomen, werd niet geteld. Men beschouwde de
Bourbons als onafgebroken te hebben geregeerd, zoodat na Lodewijk XVI
men diens zoon Lodewijk XVII als Koning beschouwde, terwijl nu Lodewijk
XVIII den Franschen troon beklom. De nieuwe Koning had de jaren zijner
ballingschap in Engeland door gebracht en aanvaardde den 31 Mei 1814 te
Parijs de regeering. Des daags te voren had hij met de Mogendheden een
algemeenen vrede gesloten, terwijl de landen, door Napoleon met geweld
aan Frankrijk gevoegd, weer aan Frankrijk werden ontnomen. Den 4 Juni
1814 gaf Lodewijk XVIII aan Frankrijk een grondwet, terwijl de vreemde
soldaten het Fransche grondgebied verlieten.

[Illustratie: INTOCHT VAN DE GEALLIEERDE VORSTEN TE PARIJS, 31 MAART
              1814.]

Ondertusschen deden wij in ons land ons best, om de Franschen uit de
door hen bezette plaatsen te verdringen. Een Engelsche afdeeling onder
Sir Thomas Graham belegerde Bergen op Zoom. Hierdoor ontstond er in
die stad een groote duurte van levensmiddelen, terwijl de Fransche
Commandant in die stad de burgerij bovendien nog 35000 francs afdwong.
Daar de Fransche bezetting niet sterk was en de felle vorst de
verdediging verhinderde, besloot Graham een aanval op de stad te doen.
De Franschen toch hadden den slag bij Montmirail gewonnen, waarop Von
Bulow terugtrok, zoodat Graham bevreesd was, dat de Franschen weer
voorwaarts zouden trekken en Antwerpen, Bergen op Zoom en Grave als
steunpunten zouden bezigen. Na de aandacht der Fransche bezetting
afgeleid te hebben door een schijnaanval op de Steenbergsche poort,
liet hij des nachts drie colonnes over de grachten van Bergen op Zoom
trekken, waarvan twee in de stad kwamen en verschillende bastions wisten
te bezetten. Een Fransch Adjudant wist echter de vluchtende bezetting
niet slechts weer tot staan te brengen, maar zelfs tot zulk een hevigen
tegen-aanval te bewegen, dat de Engelschen overhaast de bastions
verlieten en maakten, dat ze de stad weer uitkwamen. Zoo was dan deze
aanval mislukt, wat mede was veroorzaakt geworden door het sneuvelen
van verschillende Engelsche officieren, zoodat de Engelsche troepen hun
leiding misten en in verwarring kwamen.

Den 5 April 1814 ontving de Fransche bevelhebber van Bergen op Zoom
bericht van de verbanning van Napoleon. Hij verving toen de driekleurige
vlag en kokarde voor de witte vlag en kokarde der Bourbons, doch gaf de
stad niet over. Eerst toen Lodewijk XVIII het hem beval, kregen wij
Bergen op Zoom terug.

De Fransche bezetting van Grave maakte zich aan plundering der omstreken
schuldig en de Commandant der stad wilde zelfs zijne vijandelijkheden
niet staken toen men hem berichtte, dat Napoleon verbannen was. Eerst
toen hij hoorde, dat Venlo en Maastricht zich overgegeven hadden,
ontruimde hij Grave.

Generaal De Jonge deed al het mogelijke, om Den Helder weer aan ons te
brengen. Toen hij niet meer over de hulp der Kozakken kon beschikken,
richtte hij eene ruiterbende op van 78 man, die, met lansen gewapend,
aan de voorposten goede diensten bewezen. Voorts voegden zich nog 300
man van den Landstorm te Alkmaar bij hem. Uit het tuighuis te Medemblik
ontving hij twee twaalfponders en twee veldstukken, terwijl hem uit
Alkmaar een aanzienlijk getal geweren gezonden werd. De Jonge liet
nu aan Verhuell weten, dat Gorinchem en 's Hertogenbosch onze zijde
gekozen hadden en dat de Mogendheden in Frankrijk groote vorderingen
maakten, doch de admiraal wilde van geen toegeven weten. Zijne Fransche
onderbevelhebbers rieden hem aan, de vloot in brand te steken, de forten
in de lucht te laten vliegen, het Nieuwediep te versperren, den zeedijk
door te steken en te trachten met twee fregatten te ontvluchten, doch
ook hiervan wilde Verhuell niets weten. Daar eerst zijn Hollandsch
zeevolk, en later, de Nationale Garde hem had verlaten, beschikte hij
over slechts 1100 man en was zijne positie uiterst moeilijk. Bovendien
had hij met geldgebrek te kampen en daar hij geen gedwongen geldheffing
in Den Helder wilde uitschrijven, leende hij geld in Den Helder met
zijn eigen goederen tot onderpand. Daar hij aan de landzijde door onze
troepen was ingesloten en aan de zeezijde door de Engelschen, kon hij
geen bevelen uit Parijs ontvangen. En daar hij die toch zeer noodig had,
bood luitenant Rijk, een bekwaam zeeofficier, zich aan, naar Parijs te
gaan. Verhuell nam dat aanbod met dankbaarheid aan. Den 12 Febr. 1814
wist De Rijk, vermomd, in een visschersboot door de Engelsche vloot heen
te komen. Wel maakten de schipper en zijn knecht bezwaar, om verder te
varen, toen ze vernamen, dat zij naar Frankrijk moesten, doch De Rijk
wist hen toch tot doorvaren te bewegen. Den 15 Febr. landde De Rijk te
Duinkerken, vanwaar hij zich over Bologne naar Parijs begaf, waar hij
bij den minister van Marine werd toegelaten. Deze gaf hem 10.000 Francs
mee en zei, dat Verhuell naar bevind van zaken moest handelen.

De Rijk kwam onopgemerkt door de troepen der Mogendheden, die in
Frankrijk gelegerd waren, heen, stapte 13 Maart te Duinkerken weer in
zijn visschersboot, doch was genoodzaakt, te Ostende wegens stormweer
binnen te loopen, waar hij zich 10 dagen schuil hield, tot hij den 25
Maart behouden in Den Helder wederkeerde. Hier deelde hij aan Verhuell
mede, dat Napoleon overwinningen had behaald, zoodat Verhuell nog geen
vrijmoedigheid had, de vesting aan ons weder te geven. Eerst den 4 Mei
1814 liet hij de witte vlag hijschen, waarna hij ontslagen werd van zijn
eed, aan Napoleon gedaan en hij Den Helder ontruimde. Hij verzocht nu
Koning Willem I in Nederlandschen dienst te mogen treden, wat geweigerd
werd. Verhuell ging nu naar Parijs, waar hij Pair van Frankrijk werd en
in hoogen ouderdom overleed.



HOOFDSTUK XVIII.

     Beleg van Naarden.—Delfzijl in onze macht.—Geweldenarijen der
     Franschen op Walcheren en in Zeeland.—Nederland, van vijanden
     gezuiverd, wordt met België tot één Koninkrijk vereenigd.


Den 26 April 1814 was Deventer aan ons overgegaan en den 3 Mei
Coevorden, doch met Naarden ging het zoo gemakkelijk niet. De bezetting
van Naarden was 2000 man sterk, die herhaaldelijk uitvallen deed en dan
door plundering aan levensvoorraad wist te komen. Bovendien hief zij
van de vermogenden in Naarden een zware belasting, terwijl zij 200 armen
de stad uitdreef. Ook aan krijgsbehoeften had Naarden geen gebrek.
Herhaaldelijk liet Krayenhoff Naarden beschieten, doch hij was met zijn
macht van ongeoefende strijders niet tegen de bezetting opgewassen.
Eerst den 12 Mei gaf Generaal Quitard op last van Lodewijk XIV Naarden
aan ons terug.

Ook de Fransche bezetting van Delfzijl deed vele uitvallen, waarbij zij
tal van molens en boerderijen te Farmsum, Uitwierda en Birsum in brand
staken. Kolonel Busch, door Pruisen en Engelschen gesteund, wilde de
vesting aanvallen, doch Generaal Otto van Styrum gaf tegenbevel, waarop
de Engelschen en Pruisen aftrokken en het beleg alleen aan de Hollanders
overlieten. Men meldde den Franschen Commandant, dat Napoleon op Elba
zat en Lodewijk XVIII Koning van Frankrijk was geworden. Hij zond nu een
officier naar Parijs, die de waarheid hiervan bevestigde, waarop hij den
28 Mei 1814 de witte vlag liet opsteken en Delfzijl aan ons overgaf.

Het eiland Walcheren bleef ook nog lang in het bezit van den vijand.
Bij het begin der omwenteling verbood de prefect van Walcheren alle
correspondentie met de andere streken van ons land, terwijl hij tal
van personen als gijzelaars naar Vlissingen, of zelfs naar Parijs
liet brengen, o.a. de Rechter A. C. van Citters en de Oud-Baljuw van
Middelburg J. J. de Bruin. De Franschen beroofden de inwoners zooveel
zij konden, o.a. ontnamen zij hun in Nov. 1813 220 paarden, terwijl zij
800 arbeiders dwongen, aan hun vestingwerken te arbeiden. Van December
1813 tot Maart 1814 moesten 100 voerlieden met hun paarden en wagens
gratis voor de Franschen allerlei goederen vervoeren. De bovengenoemde
800 arbeiders ontvingen elke week 2100 francs, welke som door 100 der
meest gegoede inwoners bijeengebracht moest worden. Toen de drie
kooplieden Serlé, Andriessen en Meyners weigerden tot deze som bij te
dragen, werden hunne goederen gerechtelijk verkocht. Nog voor het einde
van Maart 1814 werd in drie termijnen de geheele belasting over 1814
ingevorderd. De Franschen wilden op deze wijze aan 400.000 francs zien
te komen. Daar de belasting minder dan 400.000 francs opbracht, moesten
een 30-tal vermogende ingezetenen uit hun particuliere kas dit tekort
aanvullen. Tegen betalen van bons, die later konden worden ingeleverd,
moesten de ingezetenen voor de vestingen levensmiddelen en andere
benoodigdheden verstrekken. Vele leveranciers ontvingen echter geen
bons. Den 11 Febr. 1814 beval de Gouverneur Gilly, dat de inwoners al
hun geweren moesten inleveren. Een officier met 40 man moest dit bevel
in de dorpen St. Laurens en Brigdamme uitvoeren. Toen hij echter te St.
Laurens kwam, begon men de klok te luiden, welk voorbeeld in de andere
dorpen gevolgd werd. Boeren en burgers, met stokken, vorken enz.
gewapend, daagden nu uit Serooskerke en andere plaatsen op en dreven den
officier met zijne mannen naar Middelburg terug. De boeren waagden het
zelfs, in deze stad binnen te dringen, doch ze werden daar zóó hevig
beschoten, dat ze met achterlating van één doode en eenige gekwetsten de
vlucht moesten nemen. 19 landlieden werden gevangen genomen. Ook eenige
ingezetenen van Middelburg, de predikant van Serooskerke en de Maires
van Brigdamme en Aagtekerke werden gegrepen, doch na verhoor weer
vrijgelaten. De Maire van Buttinge werd van zijn ambt ontzet en eenigen
tijd gevangen gehouden, omdat men hem verdacht, dat hij den tegenstand
had aangemoedigd.

Gouverneur Gilly poogde ook Noord-Beveland in zijne macht te krijgen,
doch de 60 man, die hij daarheen zond, werden gevangen genomen en op
Engelsche schepen gebracht. Na eerst eene batterij op Zuid-Beveland tot
twee keer toe vernield te hebben, deed Gilly met 500 man eene poging,
om Zuid-Beveland in zijne macht te krijgen. De Engelsche bezetting te
Borselen en de gewapende Landstorm op Zuid-Beveland dreven echter de
Franschen terug, terwijl hun kort daarop de gemeenschap met het Fort
Bath geheel werd afgesneden. Toen de Franschen hoorden van Napoleons
verbanning naar Elba, heschen ze te Middelburg de witte vlag. De
afpersingen op Walcheren bleven echter tot 6 Mei aanhouden, toen
eindelijk de Fransche Generaal d' Arboville overkwam, aan wien de
ontruiming van Walcheren was opgedragen.

[Illustratie: HET CONGRES TE WEENEN.]

Thans was geheel ons land van vijanden gezuiverd en wij konden ons
geheel wijden aan de regeling onzer binnenlandsche aangelegenheden.
De belastingen lieten wij onveranderd. Alleen schaften wij het
Tabaksmonopolie af. In een buitengewone vergadering der Staten-Generaal
van Mei 1814 werd naast een werkelijke ook een _uitgestelde_ schuld
vastgesteld, ter herleving van het 2/3 gedeelte, dat men onder Napoleon
door de tiërceering verloren had. Ons crediet herleefde en onze effecten
stegen in waarde. Handel en scheepvaart begonnen te bloeien.

Het Congres, door de Groote Mogendheden te Weenen gehouden, oordeelde,
dat het voor de rust van Europa beter was, als België en Nederland
onder één scepter vereenigd werden. Immers, waren beide landen één, dan
konden ze beter een aanval afweren van het altijd woelige Frankrijk,
dan wanneer ze gescheiden waren. Nadat den 11 Febr. 1814 de Groote
Mogendheden over België een Provisioneel Bestuur hadden ingesteld en
later een Tusschen-Bestuur van Willem I, droeg het Congres van Weenen
den 15 Aug. aan genoemden Vorst het oppergebied over al de Nederlanden
op met den Koningstitel en dat wel ter schadeloosstelling voor zijn
Nassausche erflanden Dillenburg, Sieg, Siegen, Dietz en Hadamar en het
Groot Hertogdom Luxemburg.

Oostenrijk had voor 1795 België bezeten. Ter vergoeding daarvoor kreeg
het Lombardije en Venetië, welke landen dichter bij zijn grenzen en
daardoor gemakkelijker te besturen waren dan België.



HOOFDSTUK XIX.

     Napoleon keert van Elba terug.—Krijgsbedrijven in
     België.—Quatre Bras en Ligny.


Den 16 Maart 1815 begaf Willem I zich naar de vergadering der
Staten-Generaal te 's-Gravenhage, waar hij de gronden ontvouwde, die
tot de Vereeniging van Nederland met België hadden geleid. Met gemengde
gevoelens ontvingen de Staten der Noordelijke gewesten hem. Zij noemden
de vereeniging van alle Nederlanden een treffende gebeurtenis.

Van de vereeniging van België met Nederland (van het herstel dus van het
oude Nederland, gelijk het in de dagen van Karel V was), verwachtte men
de volgende voordeelen:

1º. Er werd een vaste voormuur tegen Frankrijk gevormd.

2º. Als Mogendheid van den tweeden rang zou het Vereenigd Koninkrijk
niet slechts bloeien door den handel van het Noorden, maar ook door de
industrie van het Zuiden en door den landbouw van beiden.

Men zag evenwel voorbij, dat de verschillende bronnen van bestaan van
beide landen ook verschil van belangen schiepen, waardoor twist en
tweedracht kon ontstaan, waarbij nog kwam, dat beide landen verschillend
waren niet slechts in taal, maar ook in godsdienst, wat mede een bron
van oneenigheid kon worden.

Een eerste verplichting, die de vereeniging ons oplegde, was eene
uitkeering van twee millioen pond sterling of 24 millioen gulden aan
Engeland voor den opbouw van vestingen aan de Fransche grenzen;
bovendien moesten wij aan Engeland afstaan: in West-Indië Berbice,
Demerary en Essequebo en in Zuid-Afrika de Kaapkolonie. Ook talmde
Engeland, om ons de overige koloniën terug te geven.

[Illustratie: NAPOLEON VERLAAT OP 26 FEBR. 1815 HET EILAND ELBA.]

Terwijl het Congres te Weenen bezig was, de verwarde Europeesche zaken
te regelen, werd ineens de mare bekend, dat Napoleon, vertrouwende op
de gehechtheid zijner soldaten en op de onverschilligheid der Franschen
ten opzichte van het stamhuis van Bourbon, den 1 Maart 1814 met 1500
soldaten te Cannes in Frankrijk was geland. Lodewijk XVIII zond
verschillende troepen-afdeelingen tegen hem af, doch die kozen allen
zijn zijde, zoodat Napoleons krijgsmacht vermeerderde naarmate hij
dichter bij Parijs kwam. Op 't laatst was zijn tocht een triumftocht,
zoodat Lodewijk XVIII het geraden achtte, Parijs te verlaten en eene
schuilplaats te Gent te zoeken. Reeds den 20 Maart 1814 deed Napoleon
zijn intocht te Parijs.

Toen het Congres te Weenen hiervan kennis kreeg, besloot het terstond
tot een algemeen Verbond tegen den dwingeland en tot het bijeenroepen
van een krijgsmacht van een millioen soldaten. Ook Napoleon zat niet
stil. Hij beproefde alle diplomatische hulpmiddelen, om den naderenden
storm te verwinnen. Zijne agenten bij de buitenlandsche machten leden
echter schipbreuk in hunne pogingen en 's Keizers hoop, om door zijne
gemalin het Oostenrijksche hof te zijnen gunste te stemmen, kon
onmogelijk slagen, daar Maria Louise zich reeds een ander man tot
levensgezel had verkozen.

Door snel optreden hoopte Napoleon de Mogendheden te voorkomen. Reeds
na twee maanden beschikte hij weer over een leger van 180.000 man,
gereed tot den veldtocht.

Koning Willem I riep ook de Nederlanders te wapen. Hij vormde twee
legers, die hij onder bevel zijner twee zonen stelde, het eene leger
40.000 man sterk, om de grenzen van België te dekken en het andere,
30.000 man, meest Zuid-Nederlanders, dat als Nationale Militie dienst
moest doen.

Napoleon evenwel begeerde vrede en vroeg aan de Mogendheden om vrede,
doch die wilden er niet van weten. Wel wetend, dat België het tooneel
van den strijd zou worden, rukte Blücher met 117.000 man Pruisen de
Zuidelijke Nederlanden binnen en nam, met Namen tot hoofdpunt, positie
tusschen Luik, Hoei, Charleroi en Dinant. De prins van Oranje voerde
bovendien in België nog bevel over 20.000 Engelschen en Hannoveranen,
terwijl den 4 April 1815 de Hertog van Wellington te Brussel aankwam
waar hij het opperbevel aanvaardde over een leger van 91.228 man uit
Engelschen, Duitschers en Nederlanders bestaande. Onder zijn opperbevel
werd de Prins van Oranje gesteld over een afdeeling Engelschen en
Nederlanders, terwijl Prins Frederik onder de bevelen van den Engelschen
Luitenant-Generaal Lord Hill aan het hoofd werd gesteld 10.000 man.

Onder den Prins van Oranje die met het eerste legercorps stond tusschen
Gemappes, Enghien en Birche, dienden Generaal de Perponcher, de vriend
van den te Padua overleden Prins Frederik en Chassé, die nog in 1814 een
trouw krijgsmakker van Napoleon was geweest. Het tweede legercorps onder
Lord Hill had positie gekozen te Ath en Oudenaarde. Sir Thomas Picton
voerde rondom Brussel de reserve hiervan aan. Lord Uxbridge stond aan
het hoofd der ruiterij. Generaal Collaert, bekend uit zijn moedig gedrag
bij Castricum, stond met de Nederlandsche ruiterij, die eene afdeeling
vormden van de ruiterij onder Lord Uxbridge, bij Bergen.

De Hertog van Wellington verwachtte nog geen inval van Napoleon in
België en dacht er zelfs over, den Keizer voor te zijn en in Frankrijk
te vallen. Zijne hoofdofficieren dachten ook nog aan geen gevaar, zoodat
zij zelfs den 15 Juni eene uitnoodiging tot een feestpartij bij de
Hertogin van Richmond aannamen. Des nachts even vóór 12 uur werd den
Hertog van Wellington, die mede op het feest was, bericht dat Napoleon
met 130.000 man de Belgische grenzen was overgetrokken en Charleroi
reeds had genomen. Terstond was de feestpret uit. Vele officieren gunden
zich geen tijd, hun feestgewaad af te leggen en stegen met zijden broek
en kousen te paard. Wellington nam alles kalm op. Oogenblikkelijk gaf
hij zijne bevelen en vóór het den volgenden morgen 8 uur was, waren
soldaten, kanonnen en voertuigen al op weg naar het oorlogsterrein.

De Prins van Oranje, die ook op het bal was, was mede half in
feestgewaad, te paard gesprongen en bevond zich des nachts twee uur
reeds in zijn hoofdkwartier te Braine le Comte. Het was den 16 Juni 1815
des morgens 6 uur dat hij met zijne troepen aan den viersprong Quatre
Bras (zijnde een kruispunt der wegen van Brussel naar Charleroi, en van
Nivelles naar Namen) aankwam. Hier vond de Prins den Hertog van Saksen
Weimar, kolonel van het Regiment Oranje-Nassau, die den vorigen dag
Quatre Bras reeds bezet had. Kapitein Bijleveld, die het bevel had over
een batterij artillerie, was met een bataljon Nassauers bij het dorp
Frasnes (een uur van Quatre Bras) den 15 Juni door de Fransche ruiterij
aangevallen, maar had zich al strijdende in de beste orde en zonder
verlies naar Quatre Bras terug getrokken, waar hij zich bij den Hertog
van Saksen Weimar voegde. Generaal de Perponcher bevond zich te
Nivelles, waar hij bevel ontving van den Hertog van Wellington, om
de troepen bij Nivelles te vereenigen. Had de Perponcher dit bevel
uitgevoerd, dan had ook Saksen Weimar naar Nivelles moeten komen en dan
was Quatre Bras onbezet geweest. Dit mocht echter volgens zijn inzicht
volstrekt niet geschieden en daar hij wel wist, dat Wellington zijn
bevel gegeven had, voor deze wist, dat Napoleon Charleroi had bezet,
waagde hij het, tegen Wellingtons bevel in te gaan en gaf hij last,
inzonderheid de stelling Quatre Bras te verdedigen. Toen de Prins van
Oranje zich des morgens bij hem voegde, zag deze spoedig in, dat de
Perponcher met oordeel gehandeld had en versterkte de stelling Quatre
Bras nog meer.

Het plan van Napoleon was, eene vereeniging van de Pruisische en
Engelsche troepen te voorkomen, want als hij ze afzonderlijk aanviel,
had hij meer kans om te overwinnen. Hij zond daarom Maarschalk Grouchy
naar Sombref, ten einde aldaar Blücher tegen te houden en Maarschalk Ney
naar Quatre Bras. Grouchy kon echter niet verder dan tot Fleuris en Ney
niet verder dan tot Frasnes komen. Ney voerde het bevel over Napoleons
linkervleugel, sterk 47.450 man en 116 kanonnen; Grouchy voerde den
rechter vleugel aan, sterk 38.000 man en 112 kanonnen, terwijl Napoleon
zelf den middeltocht als reserve aanvoerde, sterk 28.880 man en 112
kanonnen.

Met die reserve wilde Napoleon dien vleugel te hulp komen, die steun
noodig had, opdat hij eindelijk met geheel zijn macht Brussel kon
innemen, vanwaar hij zijne vijanden afzonderlijk hoopte aan te vallen.
Bij Fleuris stuitte Grouchy echter op een leger van 90.000 Pruisen onder
Blücher, zoodat doordringen daar niet mogelijk was. Napoleon gaf daarom
aan Ney bevel, om den vijand te verdrijven, zich dan naar Sombref te
begeven, ten einde daar de Pruisen in de rechterflank aan te vallen.

Evenwel, Napoleon kon gemakkelijker bevelen, dan Ney uitvoeren. Bij
Quatre Bras stuitte Ney, naar wij zagen, op de legermacht onder den
Prins van Oranje, en deze wist den indruk bij Ney te wekken, dat
des Prinsen troepen talrijker waren, dan ze feitelijk waren. Ook
Wellington voegde zich des morgens 11 uur bij den Prins en hij keurde de
maatregelen goed, die deze en De Perponcher genomen hadden. Wellington
begaf zich daarna naar Sombref, waar hij bij een molen tusschen Bry en
Ligny eene ontmoeting met Blücher had. Beide veldheeren kwamen overeen,
dat Blücher bij Ligny den Franschen slag zou leveren en dat Wellington
over Quatre Bras hem te hulp zou komen. Die belofte kon echter
Wellington niet houden, wegens den strijd, dien hij zelf te Quatre Bras
te voeren had en het gevolg hiervan was—dat Blücher bij Ligny verslagen
werd. Dit zou de laatste overwinning zijn, door Napoleon behaald.



HOOFDSTUK XX.

     De strijd bij Quatre Bras.


Bij Quatre Bras groeide de legermacht van Maarschalk Ney langzamerhand
aan tot 15.750 man infanterie, 1865 ruiters en 38 kanonnen; de Prins
stond hiertegenover met slechts 6832 man voetvolk, 16 kanonnen en eenige
ruiters.

Ney wierp zich met al zijn macht op een Compagnie onzer jagers,
dat wijken moest. Generaal Bachelu viel nu met zijne Divisie onzen
linkervleugel aan, waarop de kapitein Bijleveld zich oostelijk terug
trok en Kapitein Stievenaar naar de zijde van het bosch van Bossu, waar
hij door een houwitser doodelijk getroffen werd.

De Nassauers wisten de Fransche lanciers, die onze Tweede Brigade
aanvielen, aanvankelijk af te weren, doch deze kregen hulp van het
Fransche voetvolk, zoodat onze positie hachelijk werd. Saksen Weimar met
de sabel in de vuist drong nu met de zijnen voorwaarts en dreef den
vijand weer naar den rand van het bosch. Hier werd hij echter op zulk
een hevig geschutvuur onthaald, dat hij weer terug moest trekken, tot de
Prins van Oranje hem met twee in reserve staande bataljons te hulp kwam,
waardoor de vijand belet werd, verder in het bosch door te dringen.

Intusschen verdedigde Overste Westenberg, hoewel hij het bevel
voerde over jonge en ongeoefende soldaten, met goed succes de hoeve
Germioncourt tegen een verwoeden aanval der Franschen. De vijand begon
nu echter de hoeve onder het geschutvuur te nemen, waarop de Prins van
Oranje, met den hoed zwaaiend, aan onze troepen de kanonnen aanwees,
die het meest verwoesting aanrichtten en die daarom genomen moesten
worden. De troepen waren echter voor deze taak niet berekend. De Prins
had het alleen aan zijn paard te danken, dat hij niet in de handen
van den vijand viel, waartusschen hij was geraakt. Zijn adjudant,
Otto van Styrum, werd evenwel gewond. En ten laatste moesten wij de
hoeve Germioncourt in handen der Franschen laten en naar Quatre Bras
terugtrekken. Wel kwam uit Nivelles een Brigade Nederlandsche Kavallerie
(Dragonders, Huzaren en rijdende Artillerie) te hulp, doch deze viel te
weifelend en met te weinig overleg aan, zoodat ze met verlies van vele
officieren en soldaten werd terug geslagen.

[Illustratie: SLAG BIJ QUATRE BRAS (16 JUNI 1815).]

Streden de Nederlanders bij Quatre Bras niet met succes, toch lag hun
verdienste vooral hierin, dat zij den overmachtigen vijand tegenhielden,
tot de Engelschen tot den strijd gereed waren. 's Middags 4 uur keerde
Wellington van het Pruisische leger terug en nam terstond te Quatre
Bras het opperbevel over de troepen op zich. Ook verschenen Picton
en de Hertog van Brunswijk met hun Divisies op het strijdtooneel. De
Nederlandsche troepen hadden 's nachts geen rust gehad en den geheelen
dag gestreden, zoodat zij vermoeid en afgemat waren. Toch bleven ze
moedig en onvermoeid den strijd voortzetten. Zelfs gelukte het Kapitein
Gey met zijn rijdende artillerie vier kanonnen van de voetbatterij, die
de Franschen genomen hadden, te hernemen.

De Franschen kregen echter ook versterking. Napoleons broeder Jerôme
kwam met de reserve hun te hulp. De Hertog van Brunswijk sneuvelde en
zijne troepen, die den straatweg bezet hielden, moesten die ontruimen.
Ook Saksen-Weimar moest het bosch van Bossu aan den vijand prijs geven
en naar Hautain-le-Val trekken. Aan den linkervleugel verloor een
regiment Bergschotten de helft zijner manschappen, een vaandel en tot
drie keer toe zijn aanvoerder. De Fransche Kurassiers onder Kellerman,
Hertog van Valmy, dreven de Nederlandsche ruiterij tot Quatre Bras
terug.

Gelukkig werd onze linkervleugel versterkt door een Brigade
Hannoveranen, terwijl twee versche Brigaden Engelschen zich bij
Saksen-Weimar aansloten, die nu het bosch van Bossu opnieuw veroverden
en bezet hielden. Wellington heroverde de hoeve Germioncourt en aan den
linkervleugel moesten de Franschen al de door hen behaalde voordeelen
weer prijsgeven terwijl hun in het centrum door nieuw aangebracht
geschut het voortdringen werd belet. Toen Ney 's avonds 10 uur zijne
troepen naar de zijde van Frasnes deed terugtrekken, was de strijd bij
Quatre Bras geëindigd. Wij hadden er 567 man aan gesneuvelden en
gekwetsten verloren.

Den volgenden morgen, 17 Juni, kreeg Wellington bericht, dat Blücher bij
Ligny verslagen was geworden. Hij besloot daarom van Quatre Bras terug
te trekken, ten einde eene stelling te betrekken, die niet zoo ver van
de Pruisen verwijderd was. Hiervan zond hij Blücher bericht en deelde
dezen tevens mee dat hij een slag met de Franschen zou aanvaarden, als
hij verzekerd kon zijn van de hulp van twee Pruisische legerkorpsen.
De 70-jarige Blücher antwoordde, dat hij niet met twee legerkorpsen,
maar met geheel zijn leger te hulp zou komen, onder voorwaarde echter,
dat als Napoleon den 18 Juni den aanval niet waagde, Wellington moest
aanvallen.

Op Zaterdagmorgen 17 Juni 1815, 's voormiddags 10 uur, begon
Wellington van Quatre Bras terug te trekken, waarbij nog herhaaldelijk
geschermutseld werd tusschen de Engelsche achterhoede en de Fransche
voorposten. Intusschen was Napoleon zelf nu ook te Quatre Bras
aangekomen. Indien hij terstond den aanval begonnen was, dan had hij
veel kans op een overwinning gehad, want de verbonden troepen waren op
den terugtocht en dus ontmoedigd, terwijl Blücher ons nu niet te hulp
kon komen. 't Zij hij zijn soldaten rust wilde geven, 't zij hij niet
meer over de vroegere veerkracht beschikte, hij liet het thans niet tot
een slag komen.

In den namiddag, toen Wellington zijn terugtocht volbracht had, begon
het geweldig te regenen, waardoor het den Franschen onmogelijk werd,
ons nog verder te vervolgen. De regen hield ook den geheelen nacht aan
en doorweekte den bodem zoozeer, dat ook den volgenden dag van een
veldslag geen sprake scheen te kunnen zijn, hoewel Napoleon des avonds
tegenover Wellingtons stellingen positie gekozen had.



HOOFDSTUK XXI.

     De slag bij Waterloo.


Wellington sloeg zijn hoofdkwartier op te Waterloo, een dorp, gelegen
ten Zuiden van Brussel aan den uitgang van het bosch van Soniën. De weg
van Waterloo naar het gehucht Mont St. Jean is steeds hellend en heeft
ter halverwege een zijtak naar Nivelles. Ten Zuiden van Mont St. Jean
stond op een hoogte de herberg La Belle Alliance, ten Westen ligt het
stadje Braine-la-Leud en ten Oosten het dorpje Ohain. Twee belangrijke
punten in den slag bij Waterloo zijn het kasteel Goumont of Hougoumont,
bestaande uit een heerenhuis, hoeve en tuin, omringd door dikke muren,
waarnaast een boschje en een boomgaard, 1000 schreden van de stelling
van den rechtervleugel gelegen en de hoeve La Haye Sainte, rechts van
den straatweg gelegen en 500 schreden van den kruin der hoogte van Mont
St. Jean. Bij deze hoeve was een groentetuin en een boomgaard, beide aan
de zijde van den weg door een muur en aan de andere zijden door dichte
heggen begrensd.

Ten Oosten der herberg La Belle Alliance ligt in de laagte het dorp
Planchenoit. Tusschen genoemde herberg en de stelling van Mont St. Jean
ligt een terrein, dat ten Westen begrensd wordt door den rijweg naar
Nivelles, ten Oosten door het gehucht Smohain, de hoeven Papelotte en
La Haye en het kasteel Frichemont.

[Illustratie: SLAG BIJ WATERLOO, 18 JUNI 1815.]

De beide legers, die hier een strijd op leven en dood zouden beginnen,
waren ongeveer even talrijk, tusschen de 65.000 en 70.000 man sterk. Bij
Wellingtons leger waren 12000 à 13000 ruiters en 200 kanonnen, terwijl
Napoleon over 15000 ruiters en 246 kanonnen beschikte. Aan den slag
namen 18.000 Nederlanders deel, meest jonge, ongeoefende soldaten;
slechts enkelen hunner waren in den krijg geharde veteranen, die in
Duitschland en Spanje hadden gestreden.

De Prins van Oranje voerde bij Waterloo de eerste linie met 7 batterijen
aan. Met uitzondering van de ruiterij onder Collaert, die Nederlanders
waren, had de Prins enkel het bevel over vreemden. Wellington stelde 39
Bataljons in de eerste linie op den heuvelrug van Mont St. Jean, terwijl
de overige Bataljons in de tweede en derde linie achter die hoogte of
meer zijwaarts gelegerd waren. Lord Hill, die het bevel had over den
rechter vleugel, stond met vijf Bataljons rechts van den straatweg
naar Nivelles. Onder hem voerde Chassé eene afdeeling aan. Een zijner
Brigades hield Braine-la-Leud bezet. Picton voerde, met Smohain, La Haye
en Frichemont in het gezicht, den linkervleugel aan. De uiterste punt
hiervan stond onder bevel van Saksen Weimar, terwijl de Brigade van
Bylandt zich meer in het midden bevond. De artillerie werd gevormd door
de rijdende Batterij van Bijleveld, en twee Engelsche voetbatterijen.

Den nacht van Zaterdag 17 op Zondag 18 Juni regende het onophoudelijk.
Eerst Zondagmorgen 10 uur hield de regen op. Napoleon hield nu eerst
nog eene wapenschouwing over zijne troepen, om zoo de zijnen tot den
strijd aan te vuren, niet beseffende dat hij (die de meeste zijner
overwinningen overigens aan den spoed zijner wapenen te danken had) op
deze wijze kostbaren tijd deed verloren gaan, daar hij zoodoende aan
Blücher, dien hij verslagen waande, tijd gaf, om Wellington ter hulpe
te snellen.

Na de wapenschouwing plaatste Napoleon zich op een hoogte achter La
Belle Alliance, vanwaar hij het geheele slagveld kon overzien. 5 minuten
over half twaalf viel het eerste schot en—de slag bij Waterloo was
begonnen. Bij Hougoumont lag Kapitein Busgen met een Bataljon Nassauers
gelegerd en zes Bataljons Franschen vielen hem daar aan, in de hoop
Hougoumont te kunnen bezetten. Busgen, door eenige troepen van de
Engelsche Garde versterkt, stelde zich dapper te weer, boom voor boom
werd verdedigd en boschje en tuin nu eens genomen en dan weer heroverd.
De strijdende scharen werden telkens door nieuwe troepen en meer geschut
versterkt en zetten met verbitterde woede den strijd voort.

Napoleon liet uit 74 kanonnen een uur lang het Centrum en den
linkervleugel van Wellingtons leger beschieten waarna hij d' Erlon
beval met vier Divisiën van het eerste Fransche legercorps, tot den
aanval over te gaan. Wellington had het Centrum van zijn leger meer
achterwaarts laten trekken, om zich voor het Fransche geschutvuur te
beveiligen. Bylandt met zijn Brigade stond aan den rand van een hollen
weg en ten gevolge van het geschutvuur had hij veel mannen verloren,
zoodat hij den aanval van den vijand niet kon doorstaan, en, evenals de
Engelsche Brigaden, terug moest wijken. De Franschen kregen hierdoor
gelegenheid, steeds meer vooruit te dringen, totdat het Picton gelukte,
hen tot staan te brengen, eerst door een hevig bataljonsvuur, daarna
door een bajonetaanval. Jammer, dat Picton zelf in dezen strijd
sneuvelde.

Majoor Baring werd met eenige Compagnieën Hannoveranen door een der
Brigades van d' Erlon aan de rechterzijde van Hougoumont en bij de
pachthoeve La Haye Sainte aangevallen, welken aanval hij niet kon
doorstaan, zoodat hij in de gebouwen dekking moest zoeken. Gelukkig
kreeg hij hulp van Lord Somerset, die met zijne Brigade Dragonders de
Fransche Kurassiers terugdrong, en Ponsonby, die met zijne ruiterij het
vijandelijke voetvolk onder d' Erlon deed wijken. Van onze zijde werden
gewond Kolonel van Zuylen, Van Bylandt en Westenberg (die bij Quatre
Bras zoo dapper gestreden had), terwijl aan Perponcher twee paarden
onder het lijf werden doodgeschoten. De vijand liet twee adelaren in
onze handen, doch toen de Engelschen den vijand verder vervolgden,
sneuvelde hun aanvoerder Ponsonby en werden zij terug geslagen, terwijl
van de Nederlanders hierbij vielen een Luitenant uit het Huis der
Harens (die in Spanje ook reeds zoo roemrijk gestreden had), Ritmeester
Kreitzig en Pallandt tot Eerde.

's Middags half vier hadden de Franschen nog geen enkel voordeel
behaald. De Engelsche garde sloeg, tusschen puinhoopen, vlammen en
lijken in, alle aanvallen op den post Hougoumont af, terwijl ook
Saksen-Weimar zich in zijn stelling wist te handhaven.

Baring met zijne Hannoveranen had tot nog toe den gewichtigen post van
het Centrum, La Haye Sainte, voor ons weten te behouden. Om half vier
werd hij echter door een overmachtigen vijand aangevallen. Nadat tal van
zijne mannen gevallen waren en zijn kruit en kogels verschoten waren,
was hij genoodzaakt zich terug te trekken en La Haye Sainte in handen
van den vijand te laten. Ney viel telkens Hougoumont aan, doch de
Brigade van Hachet sloeg hem tot elf keer toe terug. De Prins van
Oranje bleef moedig op zijn post, om bevelen uit te deelen en Generaal
Trip verdreef de Fransche Kurassiers en nam een aantal van hen gevangen.
Helaas sneuvelden hierbij een vierde onzer soldaten en bovendien de
oversten Caenegracht, Lechleitner, Generaal von Merlen en Majoor Bisdom.

's Avonds half 7 had Wellington reeds 18.000 man verloren, terwijl La
Haye Sainte door de Franschen genomen was. Toch had Ney het Centrum niet
kunnen verbreken, terwijl Saksen-Weimar nog steeds van geen wijken wist.
Helaas echter hadden ongeveer 18.000 soldaten van Wellingtons leger
zich in Brussel teruggetrokken, waar het gerucht verspreid werd, dat
de Hertog verslagen was. Bovendien waren vele onzer kanonnen verlaten
en zonder bediening en de meeste onzer Brigades uitgeput. En terwijl
Napoleon nog altijd zijn geduchte Oude Garde als reserve bewaarde,
beschikte Wellington over geen andere versche troepen meer dan de
Afdeeling van Chassé en enkele Engelsche Brigades. Toch bleef Wellington
moedig doorstrijden, vertrouwende, dat Blücher zijn belofte zou nakomen
en hem ter hulp zou snellen.

Na zijn nederlaag bij Ligny was Blücher naar Wavre teruggetrokken, waar
hij slechts enkele Bataljons achterliet, om met zijn overige troepen
Wellington ter hulp te komen. Door den aanhoudenden regen waren de
wegen echter haast onbegaanbaar geworden, zoodat Generaal Bulow eerst
's middags 4 uur met het 4e legercorps in het bosch van Frischemont
aankwam. Hier werd Bulow terstond in een strijd gewikkeld met het 6e
Fransche corps onder Mouton. Graaf van Labou-Grouchy, die Napoleon met
30.000 man te Wavre gelegerd had, viel bovendien Blücher's achterhoede
aan. Ten einde zijn rechtervleugel te beschermen en een nieuwen aanval
der Pruisen tegen te gaan, zond Napoleon bovendien nog 8 bataljons van
de Jonge en 2 van de Oude Garde op Bulow af, die nu terug moest trekken,
om versterking af te wachten. Blücher liet zich echter door al deze
aanvallen der Franschen niet weerhouden, om Wellington ter hulp te
snellen.

Enkele Fransche Regimenten, vreezende door de Pruisen in den rug
aangevallen te worden, begonnen terug te trekken. Napoleon, bemerkende,
dat hierdoor de aanval zijner troepen werd verzwakt, begreep, dat er
een einde aan den strijd moest komen, waarom hij aan de Garde, die hij
in reserve hield en die zoo menige overwinning bevochten had, beval,
aan den strijd deel te nemen. Maarschalk Ney aan het hoofd van vier
Bataljons der Jonge Garde, een linie Kurassiers en vier Batterijen
viel nu van La Haye Sainte het Centrum der Bondgenooten aan. De
Fransche ruiterij trok nu zich overal te zamen, terwijl d' Erlon een
voorwaartsche beweging naar Papelotte maakte en Generaal Reille opnieuw
Hougoumont aanviel.

Het Centrum der Bondgenooten had reeds veel geleden, zoodat, toen Ney
het met zijn versche troepen aanviel, het met zwaar verlies moest
terugtrekken.

De Prins van Oranje wilde dezen terugtocht voorkomen, snelde zonder
geleide naar twee Bataljons Nassauers, teneinde dezen de Franschen te
doen aanvallen en zoo mogelijk terug te dringen. Hij werd echter door
een kogel in zijn linkerschouder getroffen, zoodat hij van het paard
stortte. Hij poogde weder in het zadel te komen, doch door bloedverlies
werd hij bewusteloos. Gelukkig snelden een paar Adjudanten toe, die den
prins onder bedekking van eenige scherpschutters uit het strijdgewoel
naar het hoofdkwartier voerden. Tengevolge hiervan moesten de Nassauers
terugtrekken. Generaal Alten, die de Divisie aanvoerde, werd gewond,
terwijl van de Brigade-generaals Hachess mede gewond werd en Ompteda
sneuvelde. Zoo kwam het, dat de Fransche Garde meer en meer vorderingen
maakte. Wellington beval nu Maitland met de Engelsche Garde de Franschen
aan te vallen. Maitland bracht de Franschen daarop groote verliezen toe,
doch Ney beval nu de overgebleven reserve van de Oude Garde de Jonge ter
hulp te komen, waarop de Engelsche Garde teruggeslagen werd.

Terwijl de toestand van Wellingtons leger uiterst hachelijk was, werd
er krijgsmuziek gehoord van een naderend leger. Napoleon dacht, dat
Grouchy's leger er aan kwam, want het was Fransche muziek, die er
gespeeld werd. Tot zijne groote teleurstelling zag hij echter, dat
het niet Grouchy was, maar _Blücher_, die naderde.

Blücher, het krijgsgewoel overziende, zag, dat hij terstond moest
ingrijpen, wilde hij een nederlaag van Wellington voorkomen. Met het
bajonet op het geweer liet Blücher zonder verwijl in stormpas op het
Fransche korps onder d' Erlon aanvallen, terwijl hij aan de Oostzijde
van het slagveld een geweldig geschutvuur op den vijand liet openen.
Het korps van d' Erlon sloeg op de vlucht naar de zijde van Papelotte.

[Illustratie: GEBHARD LEBERECHT VON BLÜCHER.]

Chassé had des middags den uitersten rechtervleugel laten oprukken,
om het Centrum te versterken. Toen hij den aanval der Pruisen op de
Fransche Garde zag, liet hij ook een zijner Brigaden met de Brigade
van Maitland op den vijand aanvallen. Bovendien kwam het Pruisische
legercorps onder Von Ziethen aan den linkervleugel Saksen-Weimar te
hulp, waarop zes Regimenten ruiterij de Franschen in de flank aanvielen.
Op bevel van Wellington werd er nu een algemeenen aanval op den vijand
gedaan en wel met het verrassend gevolg, dat de Bondgenooten La Haye
Sainte opnieuw veroverden en verder op La Belle Alliance aantrokken.
Op alle punten werden nu de Franschen op de vlucht geslagen en eer nog
de nacht gedaald was, was Wellington zeker van de overwinning en het
Fransche leger zoozeer uit elkander geslagen, dat niet één verstrooid
Bataljon meer bij elkander kon verzameld worden. En terwijl Napoleon
door zijne legerhoofden van het slagveld werd gedragen, zetten zijne
soldaten onafgebroken hun vlucht voort naar Beaumont en Philippeville.

Bij La Belle Alliance ontmoetten na den slag Wellington en Blücher
elkander en vol blijdschap over de schitterende overwinning, die zij
behaald hadden, vielen de twee veldheeren elkander om den hals.
Wellington keerde naar Waterloo terug, terwijl Blücher te Gemappes
overnachtte en zijn voorhoede naar Frasnes trok.

In den slag bij Waterloo verloren de Bondgenooten 24.600 man, waaronder
3400 Nederlanders, terwijl aan de zijde der Franschen 18000 man
gesneuveld waren, terwijl zij 7000 man als krijgsgevangenen in handen
der Bondgenooten moesten laten, die bovendien 200 kanonnen, de geheele
legertros en zelfs het reisrijtuig van Napoleon buit maakten.

Wellington droeg aan Prins Frederik, die het opperbevel over de
Nederlandsche troepen verkreeg, op, de vestingen aan de Westzijde der
Sambre te nemen, terwijl Blücher zou trachten die aan de Oostzijde
der Sambre te veroveren. Prins Frederik, hoewel toen nog slechts 18
jaren oud, veroverde weldra Quesnoy en Condé!

Den 22 Juni 1815 kwam Napoleon te Parijs als vluchteling aan, waar hij
bij niemand ondersteuning vond.

„Nog is het leger 80.000 man sterk; laten wij de overmoedigen straffen
en de eer van Frankrijk herstellen!” „Ga,” zeide hij tot Generaal
Becker, „ga naar het Voorloopig Bestuur en bied het uit mijn naam mijn
krachten aan. Zeg, dat ik als eenvoudig generaal aan het hoofd der
troepen, den hoon, Frankrijk aangedaan, wil wreken. Zeg, dat ik daarna
het commando wil nederleggen, om te Malmaison een afgezonderd leven te
leiden.”

Zoo smeekt de Keizer, die anders gewoon is te bevelen. Te vergeefs was
evenwel deze zending van Becker. Men wilde van Napoleons voorstel niets
hooren. Van allen verlaten, begaf hij zich aan boord van een Engelsch
oorlogsschip, de Bellerophon, zich zoo onder bescherming der Engelsche
wetten stellende. Kapitein Maitland ontving en behandelde Napoleon als
gast, ofschoon hij hem dadelijk als gevangene beschouwde. Men vergunde
den vluchteling niet meer aan land te stappen. Den 31 Juli 1815 werd
Napoleon op last der Mogendheden naar het eiland St. Helena verbannen,
midden in den Atlantischen Oceaan, waar hij in Mei 1821 overleed,
tengevolge van kanker in de maag.



HOOFDSTUK XXII.

     Het vereenigd Koninkrijk.—Wij krijgen onze koloniën terug.


Frankrijk, nu weder door de Mogendheden bezet, moest 700 millioen francs
oorlogsschatting betalen, waarvan 60 millioen francs aan Nederland kwam.
Bovendien moest Frankrijk de kosten dragen van het bezetten van 17
vestingen, die zijn grenzen bewaken moesten. Nederland kreeg de steden
Mariënburg en Philippeville en het Hertogdom Bouillon.

Door de overwinning bij Waterloo was er een nieuwe band gehecht
tusschen het Vorstenhuis van Oranje en de Nederlanders. De twee zonen
van Koning Willem I toch hadden zich bij Quatre Bras en Waterloo hoogst
verdienstelijk gemaakt en niet weinig er toe bijgedragen dat de zege
werd behaald. En ook de koning had getoond in de ure des gevaars
standvastig aan de zijde van zijn volk te staan en geen opofferingen
te groot te achten voor de veiligheid en vrijheid zijner onderdanen.

Daar het Weener Congres Nederland met België had vereenigd, moest de
Grondwet van 1814 gewijzigd en in overeenstemming met de behoeften
van het vereenigde Koninkrijk gebracht worden. Eene commissie voor
een deel uit Belgen bestaande, hield zich met deze herziening bezig.
Volgens deze herziene Grondwet zouden de Staten-Generaal uit twee Kamers
bestaan. De Eerste Kamer zou bestaan uit leden van de aanzienlijkste
en vermogendste klasse; de Tweede Kamer, waartoe Nederland en België
ieder 55 leden kozen, moest de burger- en volksklasse vertegenwoordigen.
De Koning behoefde niet meer den Hervormden godsdienst te belijden.
De zetel der regeering zou beurtelings Brussel en 's-Gravenhage zijn.
Om de 10 jaren zou er eene begrooting van de inkomsten en uitgaven
van den Staat voor de volgende 10 jaren worden gemaakt. Het Onderwijs
zou zich voortaan niet meer met de godsdienstige opleiding der jeugd
hebben te bemoeien. Er zou vrijheid van drukpers zijn. De Tweede Kamer
moest in het openbaar beraadslagen, opdat de kiezers, als lastgevers,
konden oordeelen, hoe hunne lasthebbers zich van hun taak kweten. De
regeering zou niet langer beschikking of inzage hebben met betrekking
der godsdienstige inrichtingen, ook niet van die gezindheden, welke
subsidie ontvangen.

In Nederland werd deze Grondwet door een dubbele vergadering der
Staten-Generaal met eenparige stemmen aangenomen; maar in België vond
zij, vooral bij de geestelijkheid, grooten tegenstand, omdat volgens
die Staatsregeling aan de Kerk niet den minsten invloed op den Staat
gegeven werd. Evenwel verklaarde de Koning, dat de wet was aangenomen;
waarop Willem I den 15 Sept. 1815 te Brussel plechtig als Koning werd
ingehuldigd.

Niettegenstaande die afkondiging bleven de bisschoppen in hun verzet
volharden. Zij gaven een manifest in 't licht, waarin zij den eed op de
nieuwe grondwet eene misdaad noemden, eene verklaring, welke door den
paus bekrachtigd werd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, waarover Willem I nu den scepter
voerde, bestond thans uit 17 provinciën, n.l. 1e. Noord-Brabant,
2e. Zuid-Brabant, 3e. Limburg, 4e. Gelderland, 5e. Luik, 6e.
Oost-Vlaanderen, 7e. West-Vlaanderen, 8e. Henegouwen, 9e. Holland,
10e. Zeeland 11e. Namen, 12e. Antwerpen, 13e. Utrecht, 14e. Friesland,
15e. Overijsel, 16e. Groningen, 17e. Drente.

Het Groot-Hertogdom Luxemburg bleef zijne betrekking tot den Duitschen
Bond behouden, hoewel het zijne afgevaardigden zond naar onze
Staten-Generaal.

Volgens het tractaat van 1814 moesten de Engelschen ons binnen
zes maanden weer in het bezit stellen van onze O. en W. Indische
bezittingen, doch ten gevolge van het vernieuwde optreden van Napoleon
kon dit eerst in 1815 geschieden. Den 11 Nov. 1815 vertrok een smaldeel
onder bevel van den Vice-Admiraal Van Braan naar West-Indië met de
Gouverneurs aan boord van Suriname, Curaçao, St. Eustatius, Saba en
St. Martin. Zonder tegenstreven gaven de Engelschen ons hier onze
bezittingen terug.

Tot Gouverneur-Generaal over O.-Indië werd benoemd Van der Capellen, die
met de Commissarissen-Generaal Elout en Buyskes in het begin van 1816
daarheen trok. De Engelsche Landvoogd Sir Stamford Raffles was niet
gezind, zoo maar voetstoots ons onze O. Indische bezittingen terug te
geven. Hij zei, dat hij uit Londen daartoe geen bevelen ontvangen had.
Eindelijk kreeg hij die bevelen en kwam O. Indië weer aan ons. Onze
koloniën aldaar waren door het tyrannieke beheer van Daendels en door
het Engelsche stelsel er niet op vooruit gegaan. Wij namen evenwel dat
Engelsche stelsel toch over, natuurlijk met enkele wijzigingen. Na zes
jaren ontvingen wij aan grondbelasting in O. Indië alleen reeds meer dan
2.200.000 gld.



HOOFDSTUK XXIII.

     De Algerijnsche zeeroovers getuchtigd.—Opstanden op Sumatra
     en Java.—Maatregelen van Koning Willem ter bevordering van
     ontwikkeling en welvaart.—Ontevredenheid der Belgen.


Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden had geen langer duur dan ruim 15
jaren. De scheepvaart op de Middellandsche zee werd in dien tijd door de
Algerijnsche zeeschuimers zeer onveilig gemaakt. Een Engelsche vloot
evenwel, onder bevel van lLrd Exmouth, vereenigd met een Nederlandsch
eskader onder den Vice-admiraal Van der Capellen, wist den 27 Augs. 1816
den trotschen Dey van Algiers zoodanig tot rede te brengen, dat hij aan
al de eischen der overwinnaars toegeven, ruim duizend Christenslaven in
vrijheid stellen en beloven moest, zich voortaan van alle zeerooverijen
te onthouden.

In onze Oost-Indische bezittingen werd de vrede van tijd tot tijd
verstoord. Zoo hadden aldaar twee hevige opstanden plaats, de eene in
1821 op het eiland Sumatra, waar de Sultan van Palembang door den
dapperen generaal-majoor De Kock verslagen en gevangen genomen werd en
de andere van 1825 tot 1830 op het eiland Java, waar in 1830 het hoofd
der muitelingen, Diepo Negro, insgelijks door onzen De Kock tot
onderwerping werd gebracht.

Vele waren intusschen de zegeningen, die het vereenigd Nederland
gedurende een 15-jarigen vrede onder het weldadig bestuur van Willem
I mocht genieten. In 1818 werd de _Maatschappij van Weldadigheid_
opgericht, vooral door invloed van den luitenant-generaal Johannes van
den Bosch. Deze Maatschappij stelde zich ten doel, om de heidegronden
in Drente en Overijsel door bedelaars en behoeftigen te doen ontginnen,
om daardoor de armoede te bestrijden. De _Koloniën van Weldadigheid_
(Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelmina'soord), die daaruit sinds 1813
ontstaan zijn, hebben uitgestrekte woeste velden in vruchtbaar land met
welvarende bewoners veranderd.

In 1824 kwam de _Handelmaatschappij_ tot stand, die zich ten doel
stelde, als Agent der Regeering, de Indische voortbrengselen, die
de inboorlingen van Ned. O.-Indië bij wijze van belasting voor ons
Gouvernement moesten aankweeken, in ontvangst te nemen, over te voeren
en in ons land te verkoopen. De Maatschappij begon met een kapitaal van
twaalf millioen gulden, waarvan Koning Willem I het grootste deel had
gestort.

De Koning stelde in 1816 de _Orde van den Ned. Leeuw_ in, om de
verdiensten van burgers en de _Militaire Willemsorde_ om die van
krijgslieden te eeren.

De _Ned. Bank_, die in 1814 tot stand kwam, had ten doel, de kooplieden
spoedig en tegen niet te hooge rente aan geld te helpen. Nog steeds
geniet deze Bank het volle vertrouwen van den handel. In 1820 werd ook
in Nederland het metrieke stelsel van maten en gewichten ingevoerd,
waardoor vele berekeningen werden gemakkelijk gemaakt.

Door allerlei middelen zocht Willem I de welvaart van ons land te
bevorderen. Zoo werden tijdens zijne regeering vele kanalen gegraven,
b.v. in 1825 het Noord-Hollandsch kanaal, waardoor geladen zeeschepen
onmiddellijk voor Amsterdam konden komen: verder het Voornsche- en
Zederik-kanaal, de Zuid-Willemsvaart, waarmee in 1825 een begin werd
gemaakt, enz. In Overijsel liet Baron van Dedem de Dedemsvaart graven,
welke van Hasselt uit het geheele Noorden van Overijsel doorsnijdt.

Ook voor het Onderwijs zorgde Willem I. Voor N. Nederland regelde
hij het Hooger Onderwijs bij een besluit van 2 Aug. 1815 en voor Z.
Nederland bij een besluit van 25 Sept. 1816. De Hoogescholen van Leiden,
Utrecht, Groningen en Leuven kwamen nu tot een nieuw leven, terwijl te
Gent en Luik mede academiën werden opgericht. De Hoogeschool te Franeker
en Harderwijk werden Doorluchtige Scholen. Die te Franeker werd in 1843
en die te Harderwijk reeds in 1817 opgeheven.

Toen België met Nederland werd vereenigd, waren er in België haast
geen lagere scholen. De koning bevorderde daarom in dat land het lager
onderwijs zooveel mogelijk en richtte er een paar normaalscholen op
ter opleiding van onderwijzers en stichtte er vele modelscholen, alles
op kosten van den Staat. In 1816 regelde de vorst de organisatie der
Protestantsche Kerkgenootschappen. Hierdoor werd echter later veel twist
en verwarring in het leven geroepen. In Utrecht riep de regeering eene
veeartsenijschool in het leven en te Seraing een groote en uitmuntende
fabriek van machines. In 1818 schafte zij op Engelands voorbeeld de
slavenhandel in onze koloniën af.

In 1830 werd de reeds genoemde Johannes van den Bosch tot
gouverneur-generaal benoemd. Deze voerde op Java het kultuurstelsel in,
waardoor de regeering in staat werd gesteld, spoedig en vele Indische
voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. De Koning verhief Van
den Bosch, die in 1833 in ons land wederkeerde en in 1844 stierf, in den
Gravenstand.

Tijdens België en Nederland één waren telde het vereenigd Koninkrijk
zes millioen inwoners. Het Noorden bracht een herlevenden handel
en winstbelovende koloniën aan en het Zuiden rijke steenkolen- en
ijzermijnen, vele fabrieken en vruchtbare korenvelden. België vond in
het Noorden eene markt voor zijne voortbrengselen en fabriekswezen en
Nederland kon hout en ijzer voor zijne schepen uit het Zuiden bekomen.
Toch konden op den duur die beide landen het niet met elkander vinden.
Ze waren ruim twee eeuwen van elkander gescheiden geweest en in dien
tijd waren de Belgen in taal en zeden meer de Franschen genaderd,
terwijl wij ons meer zelfstandig hadden ontwikkeld.

Bovendien was er tusschen de twee volken een groot verschil in
godsdienst: de Belgen waren over het algemeen R. Katholiek en wij waren
over het algemeen Protestantsch. Hierdoor en door zooveel meer ontstond
er al spoedig een zekere wrijving tusschen het Noorden en het Zuiden.
De Belgen meenden, dat hun land als een wingewest of toevoegsel van
Nederland werd behandeld en wij waren niet bij machte hun deze gedachte
te ontnemen. Zij vonden het onbillijk, dat bij het leger de meeste
officieren Noord Nederlanders waren en dat de regeeringsstukken in
het Hollandsch waren gesteld, daar in België de meeste bewoners
Fransch spraken. Ook waren de Belgen ontevreden over het betalen van
belasting voor het malen van graan en het slachten van vee, terwijl de
geestelijkheid in Zuid-Nederland oordeelde, dat de R. Kath. Kerk slechts
geduld werd, inplaats dat zij zooals men wenschte, de heerschende Kerk
was.

Bij besluit van 14 Juli 1825 werd te Leuven een _collegium
philosophicum_ geopend. De jonge lieden, die geestelijke wilden worden,
moesten nu hier studeeren en mochten niet meer de kleine Seminariën
bezoeken. Hierdoor werden de Belgen ten zeerste verbitterd. De
vrijzinnigen of liberalen vereenigden zich in 1828 met de ijverige R.
Katholieken, om de regeering te bestrijden. De Koning hief nu in 1829 de
verplichting op, om de lessen van het collegium bij te wonen, waardoor
de inrichting weldra geen enkelen leerling meer had. Ook trok de vorst
het besluit van 1819 in, waarbij de Hollandsche taal ook in de Vlaamsche
provinciën van België voor de uitsluitend geldende in openbare
aangelegenheden werd verklaard. Al deze verzoenende maatregelen mochten
echter niet baten.



HOOFDSTUK XXIV.

     De Belgen staan tegen Willem I op.—Zelfopoffering van J. C. J.
     van Speyk.—Tiendaagsche veldtocht.


In Juli had er in Frankrijk weder eene omwenteling plaats, waardoor de
Fransche Koning Karel X werd verdreven en vervangen werd door Lodewijk
Filips. Deze gebeurtenis was voor de Belgen het sein tot den opstand.
Den 26 Augs. 1830 ontstond er te Brussel bij het uitgaan van den
schouwburg oproer, dat door de schandelijkste tooneelen van moord en
plundering werd gekenmerkt.

Willem I, diep getroffen op het vernemen dezer treurige gebeurtenis,
zond terstond zijn beide zonen, den Prins van Oranje en Prins Frederik
naar Brussel om, indien mogelijk, den opstand te dempen. Den 23 Sept.
1830 deden zij een aanval op de Schaerbeeksche poort. De prinsen zagen
zich echter genoodzaakt, met gevaar van hun leven, het oproerige Brussel
weder te verlaten.

Intusschen breidde de opstand in de Belgische steden zich meer en meer
uit. Te Antwerpen werd den 27 Oct. 1830 den opstandelingen een gevoelige
les gelezen. Baron Chassé toch bombardeerde het oproerige Antwerpen uit
de naburige Citadel zoodanig dat de vijanden verplicht werden, al de
voorwaarden aan te nemen, welke de grijze Chassé hun voorschreef en
waarbij zij zich verbinden moesten, voortaan alle vijandelijkheden te
staken. De Belgen schonden echter gedurig deze overeenkomst. Dit bleek
onder anderen op den 5 Febr. 1831. De kanonneerboot No. 2, onder bevel
van den dapperen luitenant J. C. J. van Speyk, was door een zwaren storm
bij Antwerpen aan wal gedreven, waarop de Belgen zich eensklaps met een
groote overmacht op het gestrande vaartuig wierpen en eischten, dat de
bevelhebber zich zou overgeven. In plaats echter van aan dezen eisch te
voldoen, snelt Van Speyk naar beneden, steekt den brand in het kruit en
vliegt, als een tweede Klaassens, met vriend en vijand in de lucht.

[Illustratie: DE AANVAL DER NEDERLANDSCHE TROEPEN OP DE SCHAERBEEKSCHE
              POORT TE BRUSSEL.]

Deze heldhaftige zelfopoffering bezielde de geheele natie met een
heldenmoed, waarvan in den kort daarop volgenden tiendaagschen
veldtocht de schoonste blijken gegeven werden.

[Illustratie: J. C. J. VAN SPEYK.]

De Belgen toch dreven hun ondankbaarheid zoover, dat zij het stamhuis
van Oranje voor altijd van den troon uitsloten. Na langdurige
beraadslagingen hadden zij prins Leopold van Saksen Coburg tot hun
Koning verkozen. Willem I verklaarde echter, dat hij dien prins als
zijn vijand beschouwde en gewapenderhand zijne rechten verdedigen zou.

[Illustratie: SLAG BIJ HASSELT.]

Daarop stelde zich ons leger den 2 Aug. 1831 in beweging, onder
aanvoering van den Prins van Oranje en Prins Frederik en reeds op den 3
Aug. werd Turnhout ingenomen. Daarna werden achtereenvolgens bij Diest,
Bheringen, Hasselt en Bautersem slagen geleverd, waarbij de Belgen
overal de nederlaag leden en schandelijk vluchten moesten. Nu zette het
zegevierende leger zijn tocht naar Leuven voort. Het was op den weg
derwaarts, dat het paard van den Prins van Oranje, door een kogel
getroffen, dood ter aarde stortte. Hierop werden de Belgen, met prins
Leopold aan hun hoofd, zoodanig geslagen, dat alles verloren was, en
het Nederlandsche leger den 13 Aug. Leuven zegevierend binnentrok.
Na deze overwinning werd ons dapper leger eensklaps in zijn verdere
ondernemingen gestuit, daar, op verzoek van prins Leopold, een Fransch
leger van 50.000 man, onder den maarschalk Gerard, de Belgen te hulp
snelde. De Engelsche gezant Sir Robert verscheen in het hoofdkwartier
van den Prins om aan dezen dit bekend te maken. Deze Fransche hulp, door
Engeland dus goedgekeurd, stelde onze moedige krijgslieden zeer te leur,
daar zij op het punt stonden, ook België's hoofdstad in te nemen. Onze
moedige veldheer, de hertog van Saksen-Weimar, was reeds met zijne
dapperen Leuven voorbij gesneld en den weg naar Brussel ingeslagen,
alles voor zich doende vluchten,—toen een renbode, door den Prins van
Oranje afgezonden, hem den last gaf, van verdere vervolging af te zien.
Groot was zijn spijt, doch hij moest terugtrekken, daar de prins van
zijn vader bevel ontvangen had, geen strijd met de Franschen aan te
vangen. Dit toch had aanleiding kunnen geven tot een Europeeschen
oorlog. Zoo eindigde de tiendaagsche veldtocht, die altijd in onze
geschiedenis een eervolle plaats bekleeden zal.

Uit de kanonnen, die men in den tiendaagschen veldtocht veroverd had,
werden metalen kruisen gemaakt, die den soldaten als eereteeken werden
uitgereikt. Met een lintje op de borst vastgehecht, waren die kruisen
voor de oud-strijders een sieraad, dat ze niet voor goud zouden willen
geruild hebben.



HOOFDSTUK XXV.

     Frankrijk en Engeland leggen beslag op onze schepen.—De Franschen
     bombardeeren Antwerpen's Citadel.—Willem I teekent in 1839 de 34
     artikelen.—Het Reveil.


In Londen werd in dezen tijd een vergadering (Conferentie) van
gevolmachtigden der vijf groote mogendheden (Frankrijk, Engeland,
Rusland, Oostenrijk en Pruisen) gehouden. Deze bood thans een traktaat
van scheiding, bestaande uit 24 artikelen, aan, dat door België
aangenomen, doch door onzen Koning, evenals een vroeger uit 18 artikelen
bestaand traktaat, geweigerd werd. Toen Engeland en Frankrijk zagen,
dat onze Koning in zijne weigering bleef volharden, kwamen zij in 1832
overeen, het genoemde traktaat door dwangmiddelen ten uitvoer te leggen.
Dientengevolge werd, tegen alle recht, beslag (_embargo_) op onze
schepen gelegd, terwijl te gelijkertijd een Fransch leger van 70.000 man
in België rukte, om het kasteel bij Antwerpen in bezit te nemen. De
dappere Chassé bleef evenwel de overgave volstandig weigeren. En nu had
er gedurende 24 dagen een bombardement plaats, zooals er wellicht nooit
een aanschouwd werd. De Citadel was in de gedaante van een vijfhoek
voortreffelijk aangelegd. Eene afdeeling kanonneerbooten, onder Schout
bij nacht Koopman, belemmerde de Franschen aan de rivierzijde. Hoewel
steeds uit 14 batterijen een regen van kogels, bommen en houwitsers op
het kasteel neerplofte, waren de Franschen, die ten hoogste op 10
dagen wederstand gerekend hadden, na verloop van dien tijd nog niets
gevorderd. Eerst toen na 25 dagen beleg, van 30 Nov. tot 24 Dec., de
sterkte als tot een puinhoop was geschoten, de bomvrije gebouwen
vernield, de waterputten ingestort waren en een bres, 33 Meter breed, de
gracht had gevuld, bood Chassé de ontruiming aan. Omdat echter Gerard
ook nog de overgave van een paar andere forten eischte, waaraan Chassé
niet kon voldoen, moest de bezetting krijgsgevangen blijven. Koopman
verbrandde zijne vaartuigen liever, dan dat hij ze overgaf. Zulk een
standvastige moed boezemde zelfs den Franschen zoo groote hoogachting
voor onze krijgslieden in, dat zij die bij elke voorkomende gelegenheid
betuigden.

Na de vermeestering van de Citadel, welke den Franschen volgens hunne
eigene opgave 3700 dooden en 8000 gewonden gekost heeft, werd den 21
Mei 1833 te Londen eene overeenkomst getroffen, waarbij het embargo
opgeheven en onze krijgsgevangenen in Frankrijk vrijheid gegeven werd
naar hun vaderland terug te keeren, waar zij onder luide toejuichingen
verwelkomd werden. Ofschoon na deze laatste gebeurtenis alle
vijandelijkheden tusschen ons land en België een einde namen, bleven
echter de bestaande geschillen tot in 1839 voortduren, wanneer het
bovengenoemde tractaat van scheiding door Willem I aangenomen en de
vrede tusschen Nederland en België hersteld werd.

Door dezen strijd met België was ons land diep in schulden geraakt, die
2200 millioen gulden bedroegen, waarvan 40 millioen gulden rente betaald
moest worden.

[Illustratie: RUÏNE VAN DE KERK EN HET HUIS VAN CHASSÉ, IN DEN CITADEL
              VAN ANTWERPEN.]

Ongeloof en revolutie kregen in dezen tijd hoe langer hoe meer invloed
op ons volk. Gelukkig werd er in ons vaderland een geestelijke opwekking
bespeurd, het _reveil_ geheeten en mochten wij onder ons volk vele
helden des geloofs zien optreden, als de dichters Bilderdijk en Da
Costa, verder Groen van Prinsterer, Capadose en zoo velen meer. Vol
geestdrift zong Da Costa:

    „Zij zullen het niet hebben,
        Ons oude Nederland!
    Het bleef bij alle ellenden
        Gods en der Vaad'ren pand!
    Zij zullen het niet hebben,
        De goden van den tijd!
    Niet om hun erf te wezen,
        Heeft God het ons bevrijd.

    Met al hun schoone woorden,
        Met al hun stout geschreeuw,
    Zij zullen het niet hebben,
        De Goden dezer eeuw.
    Tenzij het woord des Zwijgers
        Moedwillig werd verzaakt:
    'k Heb met den Heer der Heeren
        Een vast verbond gemaakt”.



HOOFDSTUK XXVI.

     Willem I doet afstand van de regeering.—Zijn zoon Willem II
     volgt hem op.—Vrijwillige geldleening onder den Minister Van
     Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en Groen van Prinsterer.


Na den vrede met België verlangde ook Koning Willem I naar rust. De
groote en moeilijke staatszorgen, voornamelijk gedurende den Belgischen
opstand getorst en tamelijk hooge ouderdom, deden den vorst die rust als
gewenscht voorkomen. In 1840 nam hij dan ook het besluit, om ten behoeve
van zijnen dapperen oudsten zoon, afstand van de kroon te doen. Deze
vrijwillige afstand had plaats den 8 Oct. 1840. Op dienzelfden dag werd
de Prins van Oranje, onder den naam van Willem II, tot Koning der
Nederlanden uitgeroepen.

Alom mocht Willem II de ondubbelzinnigste blijken van vreugde bij de
ingezetenen wegens zijne troonbeklimming ontvangen. Niet lang echter
mocht zijn vader, die bij het nederleggen van de kroon den titel van
graaf van Nassau aangenomen had, de rust zijns ouderdoms smaken. Den 12
Dec. 1843 werd hij te Berlijn door een beroerte plotseling uit het leven
weggerukt, in den ouderdom van 71 jaar. Zijn stoffelijk overschot, over
zee naar het vaderland vervoerd, werd door zijn doorluchtige zonen
en kleinzonen den 2 Jan. 1844 met alle eer en plechtigheid in het
vorstelijk familiegraf te Delft ter aarde besteld.

Willem II, die als prins de Nederlanders tweemaal ter overwinning
had geleid, heeft slechts negen jaar mogen regeeren. Onder zijn
bewind begonnen de goede gevolgen, die de scheiding van België voor
onzen handel en zeevaart had, meer en meer te blijken. Ze werden
bevorderd door de opheffing der acte van Navigatie in Engeland
en vrijere scheepvaartwetten, die bij ons daarop volgden. De
winstgevende vrachtvaart herleefde en de toenemende vraag naar onze
grondvoortbrengselen opende ook voor den landbouw een tijdperk van
ongekende welvaart.

Den 28 Nov. 1840 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam ingehuldigd, begon
Willem II onder geen gunstige omstandigheden de regeering. De langdurige
oorlog met België deed het land onder den last der Staatsschuld zuchten,
terwijl de bestaande instellingen velen niet naar den zin waren. Nadat
reeds twee wetsontwerpen ter verbetering van 's lands geldmiddelen waren
afgekeurd, werd er in 1843 door den minister Van Hall een gedwongen
heffing op het inkomen van ieder burger voorgesteld, waarvan men zich
echter bevrijden kon door eene vrijwillige geldleening van 127 millioen
gulden tegen 3 % rente. Niemand dacht, dat deze leening zou tot stand
komen. Doch nu bleek het ook, hoezeer de natie aan haar Koning gehecht
was. Den 6 Maart 1844 was een ware feestdag, want het genoemde kapitaal
werd op weinig na volteekend; ieder, die iets had bij te dragen, nam
er deel in, terwijl het ontbrekende door den Koning uit eigen middelen
grootmoedig werd aangevuld. Door dit nationaal offer kreeg de regeering
nu de handen ruim en werd zij weldra in staat gesteld, om orde en
verbetering in de geldmiddelen van den Staat te brengen.

[Illustratie: KONING WILLEM II EN ZIJNE GEMALIN ANNA PAULONA MET HUNNE
              KINDEREN.]

Een treurige en onvoorziene ramp deed zich in 1846 zoo hier als elders
gevoelen, n.l. een vreeselijke ziekte onder de aardappelen, waardoor
de prijzen der andere levensmiddelen aanmerkelijk stegen. Op sommige
plaatsen in ons vaderland, vooral in Friesland en Groningen werd
hierdoor veel beweging en opschudding veroorzaakt. In weerwil van de
leniging der armoede door de Nederlandsche weldadigheid nam door dit
alles de landverhuizing naar Noord-Amerika, vooral in navolging van
Duitschland, hier zeer toe.

In Frankrijk brak in 1848 een nieuwe omwenteling uit. Lodewijk Filips,
sedert 1830 Koning der Franschen, moest evenals zijn voorganger Karel X,
den Franschen troon verlaten. De vrijheidskoorts, in Frankrijk begonnen,
verspreidde zich weldra door bijna geheel Europa. In alle Duitsche
Staten, in Oostenrijk, Pruisen, ook in Napels, Rome, Lombardije en
Denemarken stond het volk tegen zijn wettigen souverein op, hetgeen van
ontzettende moordtooneelen vergezeld ging. Hier te lande bleef het volk
rustig, hoewel er het nadeel der naburige ongeregeldheden diep gevoeld
werd door vele handelshuizen, die groote verliezen leden. Doch ook hier
lieten de kreten om herziening der grondwet zich al luider hooren. De
ministers zagen echter geen gevaar en bleven even lauw op den weg ter
verbetering als vroeger. Toen was het Willem II, die met krachtige
hand op eens de donkere toekomst in een helderen en blijden dag deed
verkeeren. Zonder langer op zijne ministers te wachten deed hij zelf
in Maart 1848 het volk de toezegging, dat de verlangde verbeteringen
in de grondwet met milde hand zouden geschonken worden. Luid werd deze
handelwijze des Konings geprezen. En terwijl in andere landen door
oproer en geweld de hervormingen werden afgeperst, kwam in ons land
de grondwetsherziening door samenwerking van vorst en volk tot stand.
Toch moet erkend worden, dat alle veranderingen, die hier werden
ingevoerd, nog geen verbeteringen waren, daar ze grootendeels in het
revolutiebeginsel waren geworteld. De geest der eeuw, waar Da Costa zoo
vol geestdrift tegen getuigde, werd ook hier telkens machtiger. Het
ongeloof zat bij ons op den troon en aan het geloof werd ook zelfs het
bescheidenste plaatsje misgund. Scholen _zonder_ den Bijbel werden b.v.
rijkelijk met staatsgeld ondersteund.

De Grondwet van 1848 behelsde o.a. de volgende bepalingen:

De Kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke
linie van het Huis Oranje. De Koning heeft de uitvoerende macht en deelt
de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel
over de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij
benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording
verschuldigd zijn aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen
het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en Tweede Kamer. De leden
der Eerste Kamer worden door de provinciale Staten benoemd uit de in
de directe belastingen hoogst aangeslagenen. De leden der Tweede Kamer
worden rechtstreeks door de burgers gekozen, die meerderjarig zijn en
aan zekere vereischten moeten voldoen. Zij hebben zitting voor vier
jaren. De Staatswetten worden namens den Koning door de ministers
aan de leden der Tweede Kamer voorgelegd. Deze hebben het recht
van _amendement_, d. w. z. zij mogen veranderingen in deze wetten
voorstellen; het recht van _initiatief_, d. w. z. zij mogen zelf een
wet voorstellen en het recht van interpellatie, d. w. z. zij mogen
inlichtingen aan een minister vragen omtrent diens handelingen en
gebeurtenissen, die in zijn departement zijn voorgevallen. De Eerste
Kamer heeft niet het recht van amendement, en moet alzoo de wet, gelijk
die aangeboden is, bij meerderheid van stemmen aannemen of verwerpen.
Wordt eene door de Tweede Kamer aangenomen wet ook door de Eerste Kamer
aangenomen, dan wordt die wet den Koning ter onderteekening aangeboden,
maar verkrijgt nog geen kracht van uitvoering, voordat de minister,
onder wiens departement de wet behoort, haar mede onderteekend heeft.
Zoo is ook geen Koninklijk Besluit geldig zonder zulk een ministeriëele
medeonderteekening (het _Contre-Seign_). Hierdoor wordt de minister
_verantwoordelijk_.

Alle ingezetenen van ons land hebben het recht van _petitie_, d.i. om
zich schriftelijk met verzoeken te zamen of afzonderlijk te wenden tot
de bevoegde macht. In Nederland bestaat vrijheid van godsdienst.

De staatsman J. R. Thorbecke had een belangrijk aandeel in de
samenstelling der nieuwe Grondwet en wilde daardoor onzen staat
verheffen „tot een vrij volk met een vrije regeering.” Omdat hij hierbij
echter te veel van de beginselen der revolutie uitging, werd hij steeds
bestreden door den uitnemenden Staatsman en historieschrijver Mr. G.
Groen v. Prinsterer. Thorbecke is driemaal 't hoofd van 't ministerie
geweest, te zamen acht jaar lang. Hij overleed in 1872, terwijl Groen
van Prinsterer in 1876 van ons werd weggenomen.



HOOFDSTUK XXVII.

     Koning Willem III.—Onze Koloniën.


In 1848 werd het tweede eeuwfeest van den Munsterschen vrede met luister
gevierd o.a. door de onthulling van het standbeeld van den grooten
grondlegger der Nederlandsche vrijheid, Prins Willem I, op het Plein te
's-Gravenhage.

De regeering van Willem II was kort. In het begin van 1849 begaf de
vorst zich naar Tilburg, waar hij vele goederen bezat. Aldaar werd hij
door hevige koortsen aangetast, die na weinige dagen reeds een einde
aan zijn leven maakten, den 17 Maart 1849. Hij had slechts den ouderdom
van 56 jaren bereikt. Onder de algemeene droefheid des volks werd het
stoffelijk overschot van den held van Waterloo te Delft met meer dan
vorstelijke pracht ter aarde besteld. Weinige jaren daarna werd ter
eere van Willem II te 's-Gravenhage een standbeeld opgericht. De Prins
van Oranje bevond zich juist in het Noorden van Engeland, toen de
noodlottige tijding van den dood zijns vaders hem bericht werd. Na
weinige dagen keerde hij in het vaderland terug en aanvaardde hij
weldra, onder den naam van Willem III, de regeering en werd kort daarna
den 12 Mei 1849 te Amsterdam in de Nieuwe kerk plechtig als zoodanig
gehuldigd. Van het overlijden van Willem II en de troonsbestijging van
Willem III zong de dichter:

    „Daar zonk hij neder op zijn sponde,
    Daar gaf hij worst'lensmoe den geest;
    Zij God almachtig in die stonde
    Zijn Herder en zijn Licht geweest!
    De doodsklok dreunt, heel Neerland weent
    En om het Delfsche grafgesteent
    Pleegt het den Tweeden Willem rouw,
    Zweert het den Derden Willem trouw.”

De landbouw, die zenuw van den Staat, heeft door de bijzondere zorgen
van Willem III een mate van bloei en welvaart bereikt, die hij nooit te
voren gekend heeft. Daarmede staat tevens in verband de droogmaking van
het Haarlemmermeer, welke mede onder het bestuur van Willem III in 1853
haar beslag kreeg en waar thans het oog met welgevallen rust op die
duizenden vruchtbare akkers, waar vroeger niets anders dan de golven van
een verslindend meer aanschouwd werden.

In de Tweede Kamer drong vooral de predikant Van Hoëvell, die in Twente
tot lid dier Kamer gekozen was, op afschaffing der slavernij in onze
Overzeesche gewesten aan. In 1863 bereikte hij zijn doel. 120 millioen
gulden heeft onze regeering besteed, om in West-Indië een einde te maken
aan dien schandelijken toestand.

[Illustratie: KONING WILLEM III EN ZIJN GEMALIN, KONINGIN SOPHIE, MET
              HUN KINDEREN.]

Onze bezittingen op de Westkust van Afrika stonden wij in 1872 af aan
Engeland. Wij hadden de goede gezindheid der Britsche regeering noodig,
om in Oost-Indië met kracht op te kunnen treden. Bij traktaat van 1824
had Engeland zich verbonden, om onze handelingen op de O.-Indische
eilanden niet te bemoeilijken op voorwaarde, dat wij de zeerooverij in
de Indische wateren zouden keeren. Daarenboven bestond er bij onze
Indische ambtenaren een streven, om ons gezag steeds verder uit te
breiden. Zoo was na twee vergeefsche pogingen het eiland Bali door
generaal Michiels in 1849 onderworpen, het rijk Boni ('t Zuidelijk
deel van Celébes) cijnsbaar gemaakt door van Swieten in 1860, oorlog
tegen Japan gevoerd en slag geleverd in de Straat van Simonaski en
langzamerhand de geheele kuststreek van het groote en vruchtbare eiland
Sumatra in ons bezit gekomen, behalve het noordelijkste deel, Atjeh.
Dit rijk bemoeilijkte door zeerooverij den toegang tot de Straat van
Malakka, bij welker veiligheid de Engelschen groot belang hebben. De
Sultan tartte ons, door de winstgevende tabakscultuur in het aan Atjeh
schatplichtige Deli te belemmeren en weigerde aan onzen eisch, het
beletten der zeerooverij, te voldoen. Hierop verklaarde ons Indisch
gouvernement hem den oorlog en hoewel Engeland door een verdrag
verplicht was, Atjeh in den oorlog bij te staan, hield het zich onzijdig
op grond van bovengenoemd tractaat van 1824. De oorlog begon in 1873.
Het paleis van den Sultan (de Kraton Kotta-radja) werd veroverd door
generaal Van Swieten. In 1879 had Generaal Van der Heyden Atjeh in
zoover onderworpen, dat de gansche kustlijn in ons bezit was.

Sedert 1848 is door het vinden van ontzaglijke hoeveelheden goud en
zilver de waarde dezer edele metalen, die alleen van hunne zeldzaamheid
afhangt, zeer verminderd. Men drukt dit alles uit door te zeggen, dat
alles _duurder_ geworden is. Zeker moet men thans een dubbel gewicht aan
goud en zilver voor huis of grond of voedsel betalen, omdat sedert 1848
de voorraad geld, die onder de beschaafde natiën in omloop is, zoo
toeneemt.

Meer nog echter dan aan zilver en goud heeft ons volk behoefte aan de
vreeze des Heeren. De H. Schrift toch zegt:

„_Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle deze
dingen zullen u toegeworpen worden_”.



HOOFDSTUK XXVIII.

     Zeden en toestanden in de 19e eeuw.—Belangrijke Waterwerken.—De
     Overstrooming van 1861.


De 19e eeuw is in vele opzichten een eeuw van verlichting en vooruitgang
geweest. In het begin dier eeuw waren de steden nog vestingen. Ze waren
door grachten, wallen en muren omringd. Wilde men er binnen komen, dan
moest men eene brug over en eene poort door gaan. De voornaamste straten
werden des avonds door lantaarns die aan dwars over de straten gespannen
touwen waren opgehangen, slechts spaarzaam verlicht. De achterbuurten
moesten dit voorrecht geheel missen.

Van de meeste steden zijn thans de wallen geslecht en in sierlijke
plantsoenen herschapen. De muren zijn afgebroken en zelfs vele grachten
gedempt. De straten worden des avonds door gaslantaarns helder verlicht.
Meer en meer treft men zelfs electrische verlichting aan.

Ook in de huizen is veel veranderd. In plaats van het haardvuur van
vroeger, vindt men er nu overal kachels, waarin men steenkolen, cokes,
en turf stookt. Gebruikte men eerst steenen kachels, thans zijn ze alle
van ijzer. De woningen worden niet meer door kandelaars met brandende
vetkaarsen of door walmende met raapolie gevulde tuitlampjes verlicht,
maar door gas- of petroleumlampen, of hebben zelfs electrische
verlichting.

In het begin der 19e eeuw waren de dilligence of postwagen en de
trekschuit de meest gebruikte vervoermiddelen. De dilligence was een
groote koets, waarvan de wagenbak niet op veeren, maar op sterke riemen
rustte. Bovenop werden gewoonlijk de pakken en kisten der reizigers
geladen. De trekschuiten gingen geregeld van de eene plaats naar de
andere en werden door een paard getrokken.

[Illustratie: DE EERSTE STOOMBOOT OP HET Y VOOR AMSTERDAM.]

De postwagen vervoerde niet alleen brieven, maar nam ook wel personen en
goederen mee. Voorop zat de postiljon, die op zijn horen blies, als de
wagen voor het kantoor van den postmeester moest stilhouden. Postzegels
werden nog niet gebruikt. Wie een brief ontving, moest er steeds vracht
voor betalen. De postmeester ontving een vast salaris. Hij moest de
gelden, voor het brievenvervoer gebeurd, in 's rijks kas storten.

Onder Koning Willem I werden straat- en grintwegen aangelegd. Klei-,
zand- en veenwegen, die bij regenachtig weer erg modderig waren,
verbonden echter verreweg de meeste plaatsen.

In het begin der 19e eeuw droeg men nog veel kleeren van eigen geweefde
wollen of linnen stoffen. Het degelijke duffel of laken was als
kleedingsstof zeer in eere. In de meeste huizen vond men een spinnewiel,
waarmee in den wintertijd de wol der schapen of de draden van het door
de landlieden zelf verbouwde vlas tot garen werden verwerkt. De winkels
in de steden waren nog niet versierd met hooge en breede spiegelruiten.
Waterleidingen zoowel als watertorens waren nog onbekend.

Een verblijdend verschijnsel is het aantal uitvindingen, vooral op het
gebied van stoom en electriciteit in de 19e eeuw. In 1824 verscheen
de eerste stoomboot voor Amsterdam en nu doorkruisen vele honderden
zulke booten de binnenwateren en de snel in aantal toenemende kanalen
van ons land. In 1839 reed de eerste spoortrein van Amsterdam naar
Haarlem; nu is ons land met een uitgebreid net van spoorwegen overdekt en
reusachtige spoorbruggen gebouwd. Hierdoor en door goedkoope tramlijnen
is het mogelijk geworden, uit alle plaatsen van eenig belang in ons land
op éénen dag, b.v. naar Amsterdam en Utrecht te reizen.

[Illustratie: DILLIGENCE VAN DEN HAAG NAAR ROTTERDAM IN 1813.]

Ook het postwezen heeft in de laatste jaren een hooge vlucht genomen.
In 1870 werd het uniformport ingevoerd en van toen af is door de
invoering van postzegels, briefkaarten, postpakketten en postspaarbanken
de post een ware zegen voor ons volk geworden. In 1851 werd de
Rijkstelegraafdienst ingesteld en nu kan een ieder voor weinige centen
in enkele oogenblikken door het geheele land berichten verzonden
krijgen.

Tal van machines zijn uitgevonden, waardoor men veel sneller en vaak
veel netter kan werken dan weleer. Wat vroeger door menschenhanden werd
verricht, en heel veel, dat men toen niet kon doen, wordt thans door
middel van machines uitgevoerd. Sedert de stoom in gebruik gekomen is,
zijn in vele steden fabrieken gebouwd. Vooral Twente en de Meyery van
den Bosch in N. Brabant zijn fabrieksdistricten.

Door de telefoondraden zijn vele huizen en de steden met elkander
verbonden. Daardoor is het mogelijk, dat menschen, die ver van elkander
af wonen, in hunne woningen met elkander spreken.

De zware omnibussen van vroeger zijn meestal alle door de trams en
auto's verdrongen. En het rijwiel of de fiets doet meer en meer als
vervoermiddel dienst. Zelfs de vliegmachine en het luchtschip worden
middelen van vervoer.

Wat den landbouw betreft, de landbouwers en veehouders brengen meest
hun melk naar zuivelfabrieken, waar men door middel van machines op
uitnemende wijze boter en kaas uit de melk weet te halen. En waar men
vroeger alleen stalmest en straatvuil voor bemesting bezigde, daar koopt
men tegenwoordig vele balen kunstmest aan, om die over het land te
strooien.

[Illustratie: OPENING VAN DE EERSTE HOLLANDSCHE IJZEREN SPOORWEG 20
              SEPT. 1839.]

Werd van 1848 tot 1853 het Haarlemmermeer drooggemaakt, waardoor 15.000
H.A. grond op de golven werd veroverd, van 1863 tot 1876 is het IJ voor
Amsterdam vervangen door een kanaal, dwars door de duinen heen, met
zeesluizen, havenhoofden en lichttorens ver in zee, waardoor de zwaarst
beladen Oceaanbooten, die 9 Meter diepgang hebben, aan de Handelskade
te Amsterdam kunnen komen. Zoo ook is een nieuwe waterweg door den
Hoek van Holland naar Rotterdam gegraven, en Vlissingen tot een haven
gemaakt voor het wereldverkeer. De droogmaking van de Zuiderzee behoort
niet meer tot de onmogelijkheden. In 1883 werd te Amsterdam eene
wereldtentoonstelling gehouden, zooals er voor dien tijd nog slechts
te Londen, Parijs, Weenen en Philadelphia gehouden waren.

Bij dit alles verkeerde ons land in een gunstigen toestand. Door een
verstandig en zuinig beheer werd er sedert vele jaren veel meer door
de schatkist ontvangen, dan de uitgaven bedroegen, waardoor er zooveel
van 's Rijks schulden kon worden afgelost, dat wij in 1860 jaarlijks 9
millioen gulden minder rente behoefden te betalen dan tijdens de leening
van Van Hall in 1844.

Toch troffen ook rampen ons land. Pas was 1861 aangevangen, of de
treurmare werd vernomen, dat ten gevolge van zwaren ijsgang een
geweldige overstrooming in het land tusschen Maas en Waal, evenals in
den Bommelerwaard geheele dorpen en velden als in een zee veranderd had,
waardoor duizenden menschen huis en have ontvluchtten en op de daken
en hooge gebouwen of elders een veilige toevlucht zoeken moesten. Tot
overmaat van ramp had dit plaats gedurende een fellen vorst in het
midden der maand Januari, waardoor de ongelukkigen verkleumd van koude
en gekweld door den honger, niet dan een akeligen dood voor oogen
hadden, te meer, daar de vloed door de van boven telkens aandrijvende
ijsschotsen gestadig klom.

[Illustratie: HET EERSTE RIJWIEL.]

Was de nood groot, niet minder groot was de algemeene deelneming. Koning
Willem III was één der eersten, die zich naar de plaats des onheils
begaf. Overal nam hij de doeltreffendste maatregelen, om de ongelukkigen
te redden en een veilig dak te bezorgen. Veertien dagen bracht Z. M.
onder rustelooze inspanning en verachting van zijn eigen leven onder
deze ongelukkigen door en rustte niet, voor dat allen huisvesting en
doelmatige verzorging gevonden hadden. Toen eerst verliet de Koning
een oord vanwaar hem dankbare zegenbeden eener geredde menigte naar
de residentie volgden. Als in triumf werd de vorst te 's-Gravenhage
ingehaald. Ja, de geestdrift van het volk was wellicht grooter en
inniger, dan dat de vorst uit een beslissenden veldslag als overwinnaar
ware wedergekeerd.



HOOFDSTUK XXIX.

     Dood van Koning Willem III.—Regentschap van Koningin
     Emma.—Expeditie naar Lombok.—Troonsbestijging en huwelijk
     van Koningin Wilhelmina.—Geboorte van prinses Juliana.


Koning Willem III heeft ruim 40 jaar mogen regeeren. Zondag 23 Nov. 1890
overleed hij op het paleis het Loo. In Juni 1839 was hij gehuwd met
prinses Sophia Mathilde Wilhelmina van Wurtemburg, die den 3 Juni 1877
stierf. Nog meermalen zou de vorst in rouw worden gedompeld. Zoo moest
hij in 1879 door den dood verliezen zijn broeder prins Hendrik en zijn
oudsten zoon, onzen Kroonprins Willem; in 1881 zijn oom, prins Frederik
en in 1884 zijn laatsten zoon, prins Alexander. Zoo was dan Willem III
eindelijk de eenige, de laatste mannelijke spruit van 't oude Huis
Oranje-Nassau. Hoe droef moet het hem bij die gedachte te moede zijn
geweest. Gelukkig schonk de Heere God hem een rijke vertroosting in
zijn tweede gemalin, prinses Adelheid Emma Wilhelmina Theresia van
Waldeck-Pyrmont, met wie hij den 7 Jan. 1879 in het huwelijk trad. Uit
dit huwelijk werd hem den 31 Aug. 1880 eene dochter geboren, prinses
Wilhelmina Helena Maria Paulina. „En eerlang werd zij gedoopt in den
naam des Drieëenigen Gods. Ook aan haar werden beteekend en verzegeld
al de beloften van het verbond der genade, welke de God des verbonds
schenkt aan arme zondaars en zondaressen, om 't even, of zij in een
paleis wonen of in een krot.” Slechts een tiental jaren mocht het kleine
prinsesje zich in haar vader verheugen. Willem III toch overleed, gelijk
wij zeiden, den 23 Nov. 1890 en werd te Delft begraven. En de grijze
hofprediker Van Koetsveld mocht met recht bij de geopende groeve
spreken: „Zoo is dan ons Koningshuis uitgestorven, maar Gode zij dank,
niet geheel! Wat in een hoogeren zin de profeet van Davids huis zeide:
„Een rijske zal voortkomen uit den afgehouwen tronk en een scheut uit
zijne wortelen zal vrucht dragen,” is ook op ons vorstenhuis van
toepassing.

[Illustratie: H. M. KONINGIN EMMA.]

„Ons blijft de jeugdige Koningin, als prinses reeds de oogappel van ons
volk, dat nu met dubbelen nadruk bidt: „O God, bescherm, bewaar en leid
haar aan de hand eener vrome en wijze moeder; dat eens de spruit een
boom worde als vroeger.””

Willem III werd opgevolgd door zijne dochter, Koningin Wilhelmina, onder
regentschap van hare moeder, Koningin Emma. Het regentschap duurde acht
jaren en was voor Nederland een tijd van vrede en welvaart. In 1894 was
echter eene expeditie naar Lombok noodzakelijk, om de Sassaks tegen de
Baliërs te beschermen. Op dat eiland werden onze troepen door de Baliërs
verraderlijk overvallen, waarbij Generaal Van Ham en vele anderen
sneuvelden. Generaal Vetter wist evenwel dit verraad streng te straffen
en de Baliërs voor goed te onderwerpen.

God bekwaamde de Regentes en sterkte haar voor haar moeilijke taak en
nam de jeugdige Koningin in Zijn heilige hoede en bescherming. Den 31
Aug. 1898 werd Wilhelmina 18 jaren en was dus meerderjarig. Den 6
Sept. daaraanvolgende werd ze in de Nieuwe Kerk te Amsterdam plechtig
ingehuldigd en nam ze zelf de teugels van 't bewind in handen. Met den
dichter is het onze bede:

    „In gouden lett'ren zij 't geschreven,
      Bevestigd door des Heeren hand,
    Lang, lang moge _Wilhelmina_ leven
      Tot heil van 't lieve Vaderland.”

[Illustratie: HET KONINKLIJK GEZIN.]

En het lied van Da Costa, eenigszins gewijzigd, herhalen wij:

    „Heer behoud toch Wilhelmina!
    Schenk haar Uw gerechtigheid!
    Geef haar koningskracht in zachtheid,
    Bij oprechtheid wijs beleid!
    Overstort haar hoofd met zegen,
    In de vreeze van Uw Naam!
    Onder haar regeering blijve
    Tot aan 't uiterste der aard,
    't Plekje gronds bevoorrecht heeten,
    Steeds zoo wondervol bewaard;
    Bloeie wijsheid, kennis, godsvrucht,
    Die door liefde recht en plicht,
    De eerplaats heilige der grooten,
    En der mindren last verlicht.”

Den 7 Febr. 1901 trad Koningin Wilhelmina in het huwelijk met
Hertog Hendrik Wladimir Albrecht Ernst van Mecklenburg Schwerin. De
Prins-Gemaal, thans Prins Hendrik der Nederlanden geheeten, werd den
19 April 1876 geboren en deed met H. M. de Koningin den 5 Maart 1901
zijn plechtigen intocht in Amsterdam. Het vorstelijk paar werd er met
geestdrift ontvangen en allerwege toegejuicht.

    Dat God hun huw'lijk krone
    Met ongestoord geluk:
    Dat Hij zijn liefde toone
    Hen hoed' voor leed en druk.

Welnu God kroonde het huwelijk van het vorstelijk paar met overgroot
geluk, toen het den 30 April 1909 werd verblijd met de geboorte van
prinses Juliana. Niet slechts in het koninklijk paleis werd hierover
gejubeld, maar door geheel het land en spontaan gaf het volk zijn
blijdschap te kennen over de geboorte van het vorstelijk kind.



           =Voor uitdeelingen= hebben wij den prijs van dit
           werk nog aanmerkelijk verlaagd, n.l. bij 50 ex.
           à 40 cts., 100 ex. à 35 cts., 250 ex. à 30 cts.,
           500 ex. à 27½ cts., 1000 ex. à 25 cts.

           [Decoratieve illustratie]

           Aan H.H. Secretarissen van Feestcomité's zenden
           wij gaarne een exemplaar ter kennismaking.



  +---------------------------------------------------------+
  |                                                         |
  |              OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:               |
  |                                                         |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:   |
  |                                                         |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                            |
  |                                                         |
  |  B: bezoek aan Amsterdam. Hij moet wachten              |
  |  C: bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten              |
  |  B: vuilnisman.—Generaal Krayenhof bij hem              |
  |  C: vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem             |
  |  B: en Schindler.)—Generaal Chassé                      |
  |  C: en Schindler.—Generaal Chassé                       |
  |  B: Oranje.—De zoon van Willem V bij Lutzen.—           |
  |  C: Oranje.)—De zoon van Willem V bij Lützen.—          |
  |  B: Limburg Stirum en Van der Duin van                  |
  |  C: Limburg Styrum en Van der Duyn van                  |
  |  B: XI Barend Ponstijn en Anton Reinard                 |
  |  C: XI. Barend Ponstijn en Anton Reinhard               |
  |  B: te Amsterdam.—Krayenhof, Gouverneur van             |
  |  C: te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van            |
  |  B: XIV. Fagel en Perponcher naar Londen.—De            |
  |  C: XIV. Fagel en de Perponcher naar Londen.—De         |
  |  B: Den Helder (Verhuell). Deventer,                    |
  |  C: Den Helder (Verhuell), Deventer,                    |
  |  B: strijd om Bergcn op Zoom en                         |
  |  C: strijd om Bergen op Zoom en                         |
  |  B: Koning Willem III—Onze Koloniën.                    |
  |  C: Koning Willem III.—Onze Koloniën.                   |
  |  B: naar Lombok. Troonsbestijging                       |
  |  C: naar Lombok.—Troonsbestijging                       |
  |  B: Generaal Krayenhof, onder Koning                    |
  |  C: Generaal Krayenhoff, onder Koning                   |
  |  B: gestaakt, terwijl Krayenhof zijn                    |
  |  C: gestaakt, terwijl Krayenhoff zijn                   |
  |  B: Fansche vertaling. In alle scholen                  |
  |  C: Fransche vertaling. In alle scholen                 |
  |  B: Maar de dag des jammers kwam                        |
  |  C: Maar de dag des jammers kwam.                       |
  |  B: of Hollands luister raakt.                          |
  |  C: of Hollands luister raakt.”                         |
  |  B: van 't voorgeslacht bezingen.                       |
  |  C: van 't voorgeslacht bezingen.”                      |
  |  B: den Rijn in zijn boven en middenloop                |
  |  C: den Rijn in zijn boven- en middenloop               |
  |  B: „_Bataven_” door „_Grieken_” „_De                   |
  |  C: „_Bataven_” door „_Grieken_”, „_De                  |
  |  B: Krayenhof bij hem op audientie.—Hoe                 |
  |  C: Krayenhoff bij hem op :audiëntie.—Hoe               |
  |  B: ook generaal Krayenhof den Keizer te                |
  |  C: ook generaal Krayenhoff den Keizer te               |
  |  B: Krayenhof had in 1810 Neerlands                     |
  |  C: Krayenhoff had in 1810 Neerlands                    |
  |  B: Mijnheer Krayenhof, die Amsterdam hadt              |
  |  C: Mijnheer Krayenhoff, die Amsterdam hadt             |
  |  B: verdedigen. Krayenhof ontvouwde nu                  |
  |  C: verdedigen. Krayenhoff ontvouwde nu                 |
  |  B: er van moest erkennen, herstelde Krayenhof          |
  |  C: er van moest erkennen, herstelde Krayenhoff         |
  |  B: ik ben te midden mijner kinderen!”                  |
  |  C: ik ben te midden mijner kinderen!””                 |
  |  B: nu hij op zijn teruggtocht er wederkwam,            |
  |  C: nu hij op zijn terugtocht er wederkwam,             |
  |  B: ruiters aangevallen Door zich telkens               |
  |  C: ruiters aangevallen. Door zich telkens              |
  |  B: nog een enkel peleton over onder bevel              |
  |  C: nog een enkel peloton over onder bevel              |
  |  B: rukte Benthein de brug los en een                   |
  |  C: rukte Benthien de brug los en een                   |
  |  B: mee, om egen de verbonden mogendheden               |
  |  C: mee, om tegen de verbonden mogendheden              |
  |  B: en den 6 Sept. hij Dennewitz verslagen.             |
  |  C: en den 6 Sept. bij Dennewitz verslagen.             |
  |  B: van ons land; elfs had hij aan Rutger               |
  |  C: van ons land; zelfs had hij aan Rutger              |
  |  B: Maasdam. Leopold, Graaf van Limburg                 |
  |  C: Maasdam, Leopold, Graaf van Limburg                 |
  |  B: J van Oldenbarneveld (Witte                         |
  |  C: J. van Oldenbarneveld (Witte                        |
  |  B: L. GRAAF VAN LIMBURG STIRUM.                        |
  |  C: L. GRAAF VAN LIMBURG STYRUM.                        |
  |  B: Burgemeester Slichter, een vurig                    |
  |  C: Burgemeester Slicher, een vurig                     |
  |  B: Reunie niet aannemen. Nadat hij zich                |
  |  C: Reünie niet aannemen. Nadat hij zich                |
  |  B: achtergebleven Fransche ambtenarenaan, de           |
  |  C: achtergebleven Fransche ambtenaren aan, de          |
  |  B: P. P. Charle, W. Boreel, Mr. C. van der             |
  |  C: P. P. Charlé, W. Boreel, Mr. C. van der             |
  |  B: door Van der Duin van Maasdam, Repelaer             |
  |  C: door Van der Duyn van Maasdam, Repelaer             |
  |  B: ambten weder aanvaarden. De Oranjevlag              |
  |  C: ambten weder aanvaardden. De Oranjevlag             |
  |  B: VAN HOGENDORP, VAN DER DUIN VAN                     |
  |  C: VAN HOGENDORP, VAN DER DUYN VAN                     |
  |  B: J. A. CHANQUION, DE GRAAF VAN LIMBURG STIRUM        |
  |  C: F. D. CHANGUION, DE GRAAF VAN LIMBURG STYRUM        |
  |  B: optreden. Van der Duijn van Maasdam                 |
  |  C: optreden. Van der Duyn van Maasdam                  |
  |  B: afdeeling onder Sweerts de Landas te Rotterdam      |
  |  C: afdeeling onder Sweertz de Landas te Rotterdam      |
  |  B: te Amsterdam.—Krayenhof, Gouverneur van             |
  |  C: te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van            |
  |  B: Lapupkin om hulp voor de omwenteling                |
  |  C: Lapupkin, om hulp voor de omwenteling               |
  |  B: wapperen. Krayenhof, die voor 19 jaar               |
  |  C: wapperen. Krayenhoff, die voor 19 jaar              |
  |  B: Mogendheden beöogden, zoodat hij                    |
  |  C: Mogendheden beoogden, zoodat hij                    |
  |  B: hoofdkwartier der Geällieerden te                   |
  |  C: hoofdkwartier der Gealliëerden te                   |
  |  B: de Geällieerden de stad te bestormen                |
  |  C: de Gealliëerden de stad te bestormen                |
  |  B: Kapitien der Etrangers, voor de                     |
  |  C: Kapitein der Etrangers, voor de                     |
  |  B: Heenemans moest Den Briel verlaten,                 |
  |  C: Heeneman moest Den Briel verlaten,                  |
  |  B: van den Pruisischen Generaal Blucher aan            |
  |  C: van den Pruisischen Generaal Blücher aan            |
  |  B: VAN DEN PRINS TE SCHEVENINGEN                       |
  |  C: VAN DEN PRINS TE SCHEVENINGEN.                      |
  |  B: wilde reeds den 31 Nov. naar                        |
  |  C: wilde reeds den 30 Nov. naar                        |
  |  B: nu de Prins, Lord Chancarty, Von                    |
  |  C: nu de Prins, Lord Clancarty, Von                    |
  |  B: doch moest metdezen spoedig ons land                |
  |  C: doch moest met dezen spoedig ons land               |
  |  B: te gaan vormde Krayenhof eene afdeeling             |
  |  C: te gaan vormde Krayenhoff eene afdeeling            |
  |  B: hun onderhoud ontslagen te zijn,                    |
  |  C: hun onderhoud ontslagen te zijn.                    |
  |  B: koel en overschillig, vernam                        |
  |  C: koel en onverschillig, vernam                       |
  |  B: en Gorichem aan de Franschen                        |
  |  C: en Gorinchem aan de Franschen                       |
  |  B: Vorst opgedragen In plaats der Departementen        |
  |  C: Vorst opgedragen. In plaats der Departementen       |
  |  B: Gealliëerden onder Blucher en Schwartzenberg        |
  |  C: Gealliëerden onder Blücher en Schwartzenberg        |
  |  B: te komen Daar de belasting minder                   |
  |  C: te komen. Daar de belasting minder                  |
  |  B: Bondgenooten over. Napeleons gemalin trok naar      |
  |  C: Bondgenooten over. Napoleons gemalin trok naar      |
  |  B: Maire van Butlinge werd van                         |
  |  C: Maire van Buttinge werd van                         |
  |  B: Tusschen-Bestuur van Wilem I, droeg het             |
  |  C: Tusschen-Bestuur van Willem I, droeg het            |
  |  B: den 15 Aug, aan genoemden Vorst                     |
  |  C: den 15 Aug. aan genoemden Vorst                     |
  |  B: worden, rukte Blucher met 117.000                   |
  |  C: worden, rukte Blücher met 117.000                   |
  |  B: Luik, Hoei, Clarleroi en Dinant.                    |
  |  C: Luik, Hoei, Charleroi en Dinant.                    |
  |  B: Gemappe, Enghien en Birche,                         |
  |  C: Gemappes, Enghien en Birche,                        |
  |  B: ruiterij. Generaal Collaers, bekend                 |
  |  C: ruiterij. Generaal Collaert, bekend                 |
  |  B: einde aldaar Blucher tegen te houden                |
  |  C: einde aldaar Blücher tegen te houden                |
  |  B: Blucher, zoodat doordringen daar                    |
  |  C: Blücher, zoodat doordringen daar                    |
  |  B: ontmoeting met Blucher had. Beide                   |
  |  C: ontmoeting met Blücher had. Beide                   |
  |  B: dat Blucher bij Ligny den Franschen                 |
  |  C: dat Blücher bij Ligny den Franschen                 |
  |  B: was—dat Blucher bij                                 |
  |  C: was—dat Blücher bij                                 |
  |  B: Wellington bericht, dat Blucher bij                 |
  |  C: Wellington bericht, dat Blücher bij                 |
  |  B: Hiervan zond hij Blucher bericht                    |
  |  C: Hiervan zond hij Blücher bericht                    |
  |  B: 70-jarige Blucher antwoordde,                       |
  |  C: 70-jarige Blücher antwoordde,                       |
  |  B: ontmoedigd, terwijl Blucher ons nu                  |
  |  C: ontmoedigd, terwijl Blücher ons nu                  |
  |  B: Smohain, de hoeven Papelate en                      |
  |  C: Smohain, de hoeven Papelotte en                     |
  |  B: Batterij van Byleveld, en twee Engelsche            |
  |  C: Batterij van Bijleveld, en twee Engelsche           |
  |  B: Blucher, dien hij verslagen                         |
  |  C: Blücher, dien hij verslagen                         |
  |  B: zich op een hoogte achter Le                        |
  |  C: zich op een hoogte achter La                        |
  |  B: Bij Hougoumon lag Kapitein Busgen                   |
  |  C: Bij Hougoumont lag Kapitein Busgen                  |
  |  B: beveiligen. Bijland met zijn Brigade                |
  |  C: beveiligen. Bylandt met zijn Brigade                |
  |  B: Zuylen, Van Byland en Westenberg                    |
  |  C: Zuylen, Van Bylandt en Westenberg                   |
  |  B: vertrouwende, dat Blucher zijn belofte              |
  |  C: vertrouwende, dat Blücher zijn belofte              |
  |  B: Ligny was Blucher naar Wavre                        |
  |  C: Ligny was Blücher naar Wavre                        |
  |  B: had, viel bovendien Blucher's achterhoede           |
  |  C: had, viel bovendien Blücher's achterhoede           |
  |  B: beschermen en een nieuwen aanva                     |
  |  C: beschermen en een nieuwen aanval                    |
  |  B: af te wachten. Blucher liet zich echter             |
  |  C: af te wachten. Blücher liet zich echter             |
  |  B: reserve van de Oude garde de Jonge                  |
  |  C: reserve van de Oude Garde de Jonge                  |
  |  B: maar _Blucher_, die naderde.                        |
  |  C: maar Blücher_, die naderde.                         |
  |  B: Blucher, het krijgsgewoel                           |
  |  C: Blücher, het krijgsgewoel                           |
  |  B: geweer liet Blucher zonder verwijl                  |
  |  C: geweer liet Blücher zonder verwijl                  |
  |  B: GEBHARD LIEBERECHT VON BLUCHER.                     |
  |  C: GEBHARD LEBERECHT VON BLÜCHER.                      |
  |  B: den slag Wellington en Blucher                      |
  |  C: den slag Wellington en Blücher                      |
  |  B: terug, terwijl Blucher te Gemappes                  |
  |  C: terug, terwijl Blücher te Gemappes                  |
  |  B: terwijl Blucher zou trachten die                    |
  |  C: terwijl Blücher zou trachten die                    |
  |  B: West-Vlaanderen, 8e Henegouwen, 9e. Holland,        |
  |  C: West-Vlaanderen, 8e. Henegouwen, 9e. Holland,       |
  |  B: Landvoogd Sir Stamford Rafles was niet              |
  |  C: Landvoogd Sir Stamford Raffles was niet             |
  |  B: De Algarijnsche zeeroovers                          |
  |  C: De Algerijnsche zeeroovers                          |
  |  B: Algarijnsche zeeschuimers zeer onveilig             |
  |  C: Algerijnsche zeeschuimers zeer onveilig             |
  |  B: onder bevel van lord Exmouth, vereenigd met         |
  |  C: onder bevel van Lord Exmouth, vereenigd met         |
  |  B: Vice-admiraal Van der Cappelen, wist den            |
  |  C: Vice-admiraal Van der Capellen, wist den            |
  |  B: beslag op onze schepen. De                          |
  |  C: beslag op onze schepen.—De                          |
  |  B: overen, het genoemde traktaat                       |
  |  C: overeen, het genoemde traktaat                      |
  |  B: Hall. Grondwetsherziening.—Thorbecke en             |
  |  C: Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en             |
  |  B: geest der eeuw, waar Da Casta                       |
  |  C: geest der eeuw, waar Da Costa                       |
  |  B: HOOFDSTUK XXVII                                     |
  |  C: HOOFDSTUK XXVII.                                    |
  |  B: weigerde aan onzen eisch: het                       |
  |  C: weigerde aan onzen eisch, het                       |
  |  B: Amsterdam en Utrecht reizen.                        |
  |  C: Amsterdam en Utrecht te reizen.                     |
  |  B: DILICENCE VAN DEN HAAG NAAR                         |
  |  C: DILLIGENCE VAN DEN HAAG NAAR                        |
  |  B: auto's verdongen. En het rijwiel                    |
  |  C: auto's verdrongen. En het rijwiel                   |
  |  B: landbouwers en veehouhouders brengen                |
  |  C: landbouwers en veehouders brengen                   |
  |  B: Koning Koning Willem III.—Regentschap               |
  |  C: Koning Willem III.—Regentschap                      |
  |  B: naar Lombok. Troonsbestijging en                    |
  |  C: naar Lombok.—Troonsbestijging en                    |
  |  B: boom worde als vroeger.”                            |
  |  C: boom worde als vroeger.””                           |
  |  B: der mindren last verlicht.                          |
  |  C: der mindren last verlicht.”                         |
  |  B: Prins-Generaal, thans Prins Hendrik der             |
  |  C: Prins-Gemaal, thans Prins Hendrik der               |
  |  B: 500 ex. 27½ cts., 1000 ex.                          |
  |  C: 500 ex. à 27½ cts., 1000 ex.                        |
  |                                                         |
  +---------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "God redde Nederland - gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum - van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 - Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home