Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Aladdin en de wonderlamp - (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Author: Unknown
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Aladdin en de wonderlamp - (Verhaal uit de duizend en een nacht)" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           WERELD BIBLIOTHEEK
                      ONDER LEIDING VAN L. SIMONS


                        ALADDIN EN DE WONDERLAMP
                 (VERHAAL UIT DE DUIZEND EN EEN NACHT)


                   IN HET NEDERLANDSCH VERTAALD DOOR
                 J. W. GERHARD, MET 24 ILLUSTRATIES VAN
                            SIDNEY H. HEATH


                           UITGEGEVEN VOOR DE
               MIJ. VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR DOOR
                        G. SCHREUDERS AMSTERDAM



ALADDIN EN DE WONDERLAMP.


In een zeer rijke en groote hoofdstad van China, welker naam ik mij op
't oogenblik niet herinner, leefde een kleermaker, Moestafa genaamd,
die zich van andere menschenkinderen door niets anders onderscheidde
dan door zijn beroep. Deze kleermaker Moestafa was zeer arm, en zijn
arbeid bracht hem nauwelijks zooveel op, dat hij, zijn vrouw en een
zoon, dien God hun geschonken had, daarvan leven konden.

De opvoeding van dezen zoon, die Aladdin [1] heette, was zeer
verwaarloosd geworden, zoodat hij allerhande slechte neigingen
aangenomen had. Hij was boosaardig, eigenzinnig en ongehoorzaam jegens
vader en moeder. Nauwelijks was hij den kinderschoenen ontwassen,
of zijn ouders konden hem niet meer in huis houden. Hij ging reeds
's morgens vroeg de deur uit, en deed den ganschen dag niets, dan
op straten en pleinen met kleine dagdieven spelen, die jonger waren
dan hij.

Toen hij den leeftijd bereikt had, dat hij een handwerk moest leeren,
nam zijn vader, die niet in staat was, hem een ander te laten leeren
dan het zijne, hem bij zich op het werk, en begon hem in het hanteeren
van den naald te onderrichten. Maar alles was vergeefsch: noch goede
woorden, noch bedreigingen van den vader vermochten den wispelturigen
zin van den zoon te veranderen. Hij kon het niet zoover brengen,
dat hij zijn gedachten bijeen hield en vlijtig en aanhoudend aan den
arbeid bleef, zooals hij het wenschte. Nauwelijks had Moestafa hem den
rug toegekeerd, of Aladdin snapte weg en liet zich den heelen dag niet
meer zien. De vader tuchtigde hem, maar Aladdin was onverbeterlijk,
en Moestafa moest hem ten laatste tot zijn groote droefheid maar
aan zijn lichtzinnig leven overlaten. Dit veroorzaakte hem groot
harteleed, en de kommer daarover, dat hij zijn zoon niet tot zijn
plicht terugroepen kon, bezorgde hem een hardnekkige ziekte, waaraan
hij na eenige maanden stierf.

Daar Aladdin's moeder zag, dat haar zoon niet van plan was, zijns
vaders ambacht te leeren, zoo sloot zij de werkplaats, en maakte
al het gereedschap te gelde, om zoowel daarvan als van het weinige,
dat zij met boomwolspinnen verdiende, met haar zoon te kunnen leven.

Aladdin, die thans niet meer door vrees voor zijn vader binnen de
perken gehouden werd, bekommerde zich zoo weinig om zijn moeder, dat
hij zelfs de onbeschaamdheid had, haar bij de geringste vermaningen
te dreigen, en werd voortdurend lichtzinniger. Hij zocht nog meer
dan vroeger jongelieden van zijn leeftijd op, en speelde met hen
voortdurend nog hartstochtelijker dan tot nu toe. Dezen levenswandel
zette hij tot in zijn vijftiende jaar voort, zonder voor iets anders
zin te hebben, en zonder te bedenken, wat eens uit hem worden moest.

Op zekeren dag, toen hij als naar gewoonte met een troepje
schooljongens op een vrije plaats speelde, ging er een vreemdeling
voorbij die staan bleef en naar hem keek. Deze vreemde was een
beroemd toovenaar, en de geschiedschrijvers, die dit verhaal voor
ons opgeschreven hebben, noemen hem den Afrikaanschen toovenaar. Wij
willen hem eveneens met dezen naam aanduiden, en des te liever, daar
hij werkelijk uit Afrika geboortig en eerst sedert twee dagen hier
aangekomen was.

't Zij nu, dat de Afrikaansche toovenaar, die veel van de gelaatkunde
afwist, in Aladdin's gezicht iets opmerkte, dat tot uitvoering van
het plan, 'twelk hem hierheen gevoerd had, zeer dienstig leek,
't zij dat hij een anderen grond mocht hebben, genoeg, hij won
inlichtingen in, zonder dat het iemand opviel, naar zijne familie,
zijn stand en zijn neigingen. Toen hij van alles, wat hij wenschte,
behoorlijk op de hoogte was, ging hij op het jongemensch toe, nam
hem eenige passen van zijn kameraden af terzijde, en vroeg hem:
"Mijn zoon, is jouw vader niet de kleermaker Moestafa?"

"Ja, beste heer," antwoordde Aladdin, "maar hij is reeds lang dood."

Bij deze woorden viel de Afrikaansche toovenaar Aladdin om den hals,
omarmde hem en kuste hem al zuchtend herhaalde malen met tranen in
de oogen. Aladdin zag deze tranen en vroeg, waarom hij weende.

"Ach mijn zoon," riep de Afrikaansche toovenaar, "hoe zou ik mij kunnen
goed houden? Ik ben je oom, en uw vader was mijn geliefde broeder. Ik
ben reeds vele jaren op reis, en in het oogenblik, dat ik hier kom,
vol hoop, hem terug te zien en door mijn terugkomst te verblijden,
zeg je mij, dat hij dood is! Ik verzeker je, dat het mij bitter leed
doet, mij beroofd te zien van den troost, dien ik verwachtte. Wat
mijn droefheid alleen nog een weinig verzachten kan, is, dat ik,
voor zoover ik mij herinner, zijn trekken op jouw gezicht terugvind,
en ik zie, dat ik mij niet vergist heb, toen ik mij tot je wendde."

Hij vroeg hierop Aladdin, terwijl hij zijn beurs te voorschijn
trok, waar zijn moeder woonde. Aladdin lichtte hem terstond in en de
Afrikaansche toovenaar gaf hem tegelijk een handvol klein geld met de
woorden: "Mijn jongen, ga spoedig naar je moeder, groet haar van mij en
zeg haar, dat ik, voor zoover de tijd het mij veroorlooft, haar morgen
bezoeken zal, om mij den troost te verschaffen, de plek te zien, waar
mijn lieve broeder zoo lang geleefd en zijn dagen geëindigd heeft."

Zoodra de Afrikaansche toovenaar den neef, dien hij zich zooeven
zelf bezorgd had, verlaten had, liep Aladdin, vol vreugde over het
ontvangen geld, dat zijn oom hem geschonken had, naar zijn moeder.

"Moedertje", zeide hij bij 't binnentreden, "zeg mij asjeblieft,
of ik een oom heb."

"Neen, mijn jongen," antwoordde de moeder, "je hebt geen oom, noch
van je vaders kant noch van mijn kant."

"En toch", ging Aladdin voort, "heb ik zooeven een man gezien, die
zich voor mijn oom van vaders zijde uitgaf en verzekerde, dat hij een
broer van vader was. Hij heeft zelfs geweend en mij omhelsd, toen ik
hem vertelde, dat mijn vader dood was. Ten bewijze, dat ik de waarheid
spreek," voegde hij er bij, terwijl hij het ontvangen geld toonde,
"zie eens, wat hij mij geschonken heeft. Hij heeft mij bovendien
opgedragen, u uit zijn naam te groeten en u te zeggen, dat hij,
wanneer hij tijd heeft, morgen bij u zijn opwachting zal maken, om
het huis te zien, waar vader geleefd heeft en waar hij gestorven is."

"Mijn zoon", antwoordde de moeder, "het is waar, je vader had een
broeder, maar die is reeds lang dood en ik heb hem nooit hooren zeggen,
dat hij nog een anderen had."

Daarmee werd het gesprek over den Afrikaanschen toovenaar afgebroken.

Den volgenden dag naderde deze Aladdin voor de tweede maal, toen
hij op een ander plein in de stad met andere kinderen speelde. Hij
omarmde hem, als daags te voren, en drukte hem twee goudstukken in de
hand, met de woorden: "Mijn zoon, breng dit aan je moeder, zeg haar,
dat ik haar vanavond zal komen bezoeken, en zij moet daarvoor iets
koopen voor het avondmaal, opdat wij te zamen eten kunnen. Maar zeg
mij nu eerst, hoe ik het huis vinden kan."

Aladdin duidde 't hem uit, en de Afrikaansche toovenaar liet hem gaan.

Aladdin bracht de twee goudstukken aan zijn moeder, en zeide haar, wat
zijn oom van plan was te doen. Zij vertrok, om het geld te besteden,
kwam met goeden mondvoorraad terug, en daar het haar aan een groot
deel van 't noodige tafelgereedschap ontbrak, leende zij dat bij hare
buurvrouwen. Zij besteedde den heelen dag aan de voorbereiding van
het maal en 's avonds, toen alles gereed was, zeide zij tot Aladdin:
"Mijn zoon, je oom weet wellicht ons huis niet te vinden, ga hem
tegemoet, en breng hem hierheen, wanneer je hem ziet."

Ofschoon Aladdin den Afrikaanschen toovenaar het huis had uitgeduid,
wilde hij zich toch juist verwijderen, toen men aan de deur
klopte. Aladdin opende en herkende den Afrikaan, die met verscheidene
wijnflesschen en vruchten van allerlei soort binnentrad.

Nadat de Afrikaansche toovenaar dit alles aan Aladdin overhandigd had,
begroette hij zijn moeder en verzocht haar, hem de plek op de sofa te
wijzen, waar zijn broer gewoonlijk zat. Zij wees hem dien. Nu wierp
hij zich terstond op den grond neer, kuste de plek verscheidene malen
en riep met tranen in de oogen uit: "Arme broeder, hoe ongelukkig
voor mij, dat ik niet tijdig genoeg gekomen ben, om je voor je dood
nog eenmaal te omarmen!"

Hoe Aladdin's moeder hem daarom ook verzocht, hij wilde toch niet op
deze plaats gaan zitten.

"Neen", zeide hij, "ik zal wel oppassen, maar veroorloof mij, dat ik
daar tegenover plaats neem, opdat ik, wanneer mij ook al het genoegen
ontzegd is, hem persoonlijk als vader uwer mij zoo dierbare familie
te zien, mij ten minste inbeelden kan, dat hij daar nog zit."

Aladdin's moeder drong nu niet verder bij hem aan, maar liet hem
plaats nemen, waar hij wilde.

Toen de Afrikaansche toovenaar plaats genomen had, waar 't hem
behaagde, ving hij een gesprek met Aladdin's moeder aan.

"Lieve zuster", zeide hij tot haar, "verwonder je niet, dat je mij
gedurende al den tijd, dat je met mijn broeder, zaliger gedachtenis,
gehuwd was, nooit gezien hebt. Het is nu al veertig jaar geleden,
dat ik dit land, dat zoowel mijn geboortegrond als die van mijn
zaligen broeder is, heb verlaten. Sedert heb ik reizen gedaan naar
Indië, Perzië, Arabië, Syrië en Egypte, mij in de mooiste steden
dezer landen opgehouden, en ben toen naar Afrika vertrokken, waar ik
langen tijd verbleef. Daar het echter den mensch aangeboren is, zijn
geboortegrond, zoowel als zijn ouders en gezellen der jeugd ook in de
verste gewesten nooit uit 't geheugen te verliezen, zoo heeft ook mij
een zoo geweldig verlangen aangegrepen, mijn vaderland weder te zien
en mijn geliefden broeder te omarmen, thans, nu ik nog kracht en moed
voor zoo'n verren tocht in mij voelde, dat ik zonder verder uitstel
mijn toebereidselen nam, en mij op weg begaf. Ik zeg je niets van den
duur der reis, noch van de hindernissen, die mij in den weg kwamen,
noch van de vermoeienissen en ontberingen, die ik te overwinnen had,
eer ik hier aankwam. Ik zeg je alleen, dat mij op al mijn reizen
niets zoo diep gekrenkt en bedroefd heeft, als het bericht van den
dood eens broeders, dien ik steeds met echt broederlijke vriendschap
bemind had. Ik ontdekte eenige trekken van hem op het gezicht van mijn
neef, jouw zoon, en dit maakte, dat ik hem uit alle overige kinderen,
waarmee hij speelde, herkende. Hij heeft je wellicht verteld, hoezeer
het treurige bericht van den dood mijns broeders mij aangreep. Doch,
wat God doet, is welgedaan; ik troost mij, hem in zijn zoon terug te
vinden, die zoo'n opvallende gelijkenis met hem heeft."

Toen de Afrikaansche toovenaar zag, dat Aladdin's moeder bij de
herinnering aan haar man geroerd werd en opnieuw zich bedroefde,
brak hij het gesprek af, wendde zich tot Aladdin, en vroeg hem naar
zijn naam.

"Ik heet Aladdin", antwoordde deze.

"Welnu, Aladdin", ging de toovenaar voort, "wat voert gij uit? Versta
je ook een ambacht?"

Bij deze vraag sloeg Aladdin zijn oogen neer en werd verlegen. Zijn
moeder echter nam nu het woord en zeide, "Aladdin is een deugniet. Zijn
vader heeft, zoolang hij leefde, al 't mogelijke gedaan, om hem zijn
ambacht te leeren; maar hij kon zijn doel niet bereiken, en sedert hij
dood is, zwerft die jongen, ondanks al mijn dagelijksche vermaningen,
den ganschen dag op de straten rond en speelt met kinderen, zooals gij
gezien hebt, zonder te bedenken, dat hij geen kind meer is; wanneer
gij hem derhalve niet beschaamd en hij zich uwe vermaning niet ten
nutte maakt, dan geef ik alle hoop op, dat er nog ooit iets goeds uit
hem wordt. Hij weet, dat zijn vader geen vermogen heeft nagelaten,
en ziet zelf, dat ik met den heelen dag boomwol spinnen nauwelijks
het brood voor ons beiden verdienen kan. Ik ben besloten, de volgende
dagen eens de deur voor hem gesloten te houden en hem weg te zenden;
dan moet hij zijn onderhoud maar ergens anders zoeken."

Toen Aladdin's moeder onder vele tranen aldus gesproken had, zeide de
Afrikaansche toovenaar tot den jongen: "Dat is niet goed, mijn neef;
gij moet er aan denken, je zelf voort te helpen en je levensonderhoud
te verdienen. Er zijn immers zoovele beroepen in de wereld; denk er
eens over, of er niet één onder is, waarvoor je meer neiging gevoelt,
dan voor de andere. Wellicht bevalt alleen dat van je vader je niet
en zou je meer plezier in een ander vinden; verberg mij je wenschen
hieromtrent niet, ik wil immers alleen je eigen best."

Toen hij zag, dat Aladdin niets antwoordde, ging hij voort: "Bevalt
het je soms heelemaal niet, een handwerk te leeren en wil je een
aanzienlijk man worden, zoo wil ik voor je een winkel met kostbare
stoffen en fijne linnen goederen inrichten; je kunt dan deze waren
verkoopen, met het geld, dat je daarvoor ontvangt, weer den inkoop
van nieuwe waren bestrijden en op deze wijze een behoorlijk bestaan
vinden. Vraag jezelf nu af, en zeg mij openhartig, wat je denkt. Je
zult mij steeds bereid vinden, mijn belofte na te komen."

Dit aanbod streelde Aladdin zeer; elk handwerk verfoeide hij, en des
te meer, wijl hij opgemerkt had, dat zulke winkels, waarvan zijn oom
gesproken had, steeds aardig en sterk bezocht en de kooplieden goed
gekleed en zeer geacht waren.

Hij verklaarde daarom den Afrikaanschen toovenaar, dat zijn neiging
meer naar deze zijde gericht was, dan naar elke andere, en dat hij
hem zijn heele leven lang dankbaar zou zijn voor de weldaad, die hij
hem bewijzen wilde.

"Daar dit beroep je aanstaat", antwoordde de Afrikaansche toovenaar,
"zal ik je morgen meenemen, en je zoo fraai en rijk laten kleeden,
als het een der eerste kooplieden in deze stad betaamt; overmorgen
willen wij er dan aan denken, zulk een winkel te huren, als ik in
gedachten heb."

Aladdin's moeder, die nog maar niet geloofd had, dat de Afrikaansche
toovenaar de broeder van haar man was, twijfelde er na zulke
schitterende beloften niet meer aan. Zij bedankte hem voor zijn goede
gezindheid, en nadat zij Aladdin vermaand had, zich de weldaden,
die zijn oom hem in 't vooruitzicht stelde, waardig te toonen, diende
zij het avondmaal op. Het gesprek tijdens den ganschen maaltijd liep
steeds over hetzelfde onderwerp, totdat eindelijk de toovenaar zei,
dat de nacht al ver verstreken was. Hij nam afscheid van moeder en
zoon en ging naar huis.

Den volgenden morgen verzuimde de Afrikaansche toovenaar niet, volgens
afspraak weer een bezoek bij de weduwe des kleermakers Moestafa te
brengen. Hij nam Aladdin met zich mede naar een grooten koopman, die
alleen gemaakte kleeren van alle mogelijke stoffen en voor menschen
van elken leeftijd en stand verkocht. Hij liet zich verscheidene
hiervan toonen, die voor Aladdin pasten, en nadat hij had uitgezocht,
wat hem het beste beviel en de andere, die niet zoo mooi waren, als
hij wenschte, op zij geschoven had, zei hij tot Aladdin: "Beste neef,
kies nu uit al deze kleeren dat uit, wat je het beste bevalt." Aladdin,
die over de mildheid zijns nieuwen ooms heelemaal verrukt was, koos
er een uit, en de toovenaar kocht het met alles, wat erbij behoorde,
tegen bare betaling, zonder af te dingen.

Toen Aladdin zich van het hoofd tot de voeten zoo prachtig gekleed
zag, bedankte hij zijn oom met de grootste hartelijkheid en de
toovenaar beloofde hem, hem ook voor 't vervolg niet te verlaten,
maar hem steeds bij zich te houden. Werkelijk bracht hij hem nu in de
drukste buurten der stad, vooral in die, waar de winkels der rijkste
kooplieden waren, en in de straat waarin de winkels met de mooiste
stoffen en het fijnste linnengoed zich bevonden, zeide hij tot Aladdin:
"Wijl je spoedig ook zulk een koopman zult zijn, als deze hier, is
het goed dat je hen bezoekt, opdat ze je leeren kennen." Hij wees hem
ook de prachtigste en grootste moskeeën en bracht hem in de "Chan"
[2] waar de vreemde kooplieden woonden, en naar alle plaatsen in
het paleis van den Sultan, waar men vrijen toegang had. Eindelijk
nadat zij te zamen de schoonste deelen der stad doorkruist hadden,
kwamen zij in de "Chan", waar de toovenaar woonde. Daar waren eenige
kooplieden met wie hij sedert zijn aankomst kennis gemaakt had, en
die hij opzettelijk uitgenoodigd had, om hen goed te onthalen en hen
zijn zoogenaamden neef voor te stellen.

Het gastmaal eindigde eerst in den laten avond. Aladdin wilde van zijn
oom afscheid nemen, om naar huis terug te keeren, maar de Afrikaansche
toovenaar wilde hem niet alleen laten gaan, en geleidde hem zelf tot
zijne moeder terug. Toen deze haar zoon in zulke prachtige kleeren
zag, was zij buiten zich zelven van vreugde, en hield maar niet op,
zegeningen over het hoofd des toovenaars af te smeeken, die voor haar
zoon zooveel geld uitgegeven had.

"Grootmoedige zwager", zeide zij tot hem, "ik weet niet hoezeer ik
u voor uw goedheid danken zal, maar dat weet ik, dat mijn zoon de
weldaden, die gij hem bewijst, niet verdient, en hij zou ze volkomen
onwaardig zijn, zoo hij niet dankbaar ware, en de goede bedoelingen
welke gij met hem hebt, hem een zoo schitterende zaak te geven, niet
beantwoordde. Ik voor mijn persoon," voegde zij er bij, "dank u van
ganscher harte en wensch u een lang leven om getuige te zijn van de
dankbaarheid van mijn zoon, die haar niet beter aan den dag kan leggen,
dan wanneer hij zich door uw goede raadgevingen leiden laat".

"Aladdin is een goede jongen," antwoordde de Afrikaansche toovenaar;
"hij luistert naar mij en ik geloof, dat wij iets flinks van hem maken
kunnen. Het doet mij slechts leed, dat ik al niet morgen mijn belofte
houden kan. Het is immers Vrijdag, waarop alle winkels gesloten zijn,
en men er niet aan behoeft te denken, er een te huren en van waren
te voorzien; want de kooplieden denken op dezen dag slechts aan
allerlei genietingen. Daarom zullen wij de zaak tot Zaterdag moeten
uitstellen. Overigens zal ik hem morgen weer meenemen en in de tuinen
laten wandelen, waar men gewoonlijk de groote wereld aantreft. Hij
heeft wellicht nog geen begrip van de genoegens, die men daar geniet;
tot nu toe was hij steeds nog maar met kinderen te zamen, thans moet
hij ook volwassen menschen zien".

De Afrikaansche toovenaar nam eindelijk afscheid van moeder en zoon
en vertrok. Aladdin echter, die reeds zoo uitermate blij was met
zijn mooie kleederen, verheugde zich bij voorbaat in de heerlijke
wandeling in de omgeving der stad. Inderdaad was hij nog nimmer
buiten de poort geweest en had hij nog nimmer de omstreken gezien,
die bijzonder mooi en bekoorlijk waren.

Den anderen morgen stond Aladdin zeer vroeg op en kleedde zich aan,
om klaar te zijn als zijn oom hem zou komen afhalen. Nadat hij, zooals
hij dacht, lang gewacht had, opende hij eindelijk vol ongeduld de deur
en ging naar buiten om te zien of hij er nog niet aankwam. Zoodra hij
hem bemerkte, zeide hij het aan zijn moeder, nam afscheid van haar,
sloot de deur en snelde hem tegemoet.

De Afrikaansche toovenaar verwelkomde Aladdin allervriendelijkst.

"Komaan, mijn beste jongen", zei hij met een lachend gezicht tot hem,
"vandaag zal ik je mooie dingen laten zien".

Hij voerde hem een poort uit, voorbij groote en mooie huizen, of
liever langs prachtige paleizen, waarvan elk een zeer mooien tuin
had, waarin men vrij mocht rondwandelen. Bij elk paleis dat zij
voorbij kwamen vroeg hij Aladdin, of het hem beviel, en Aladdin,
die hem gewoonlijk vóór was, zeide, zoodra hij weer een ander zag:
"Oh! lieve oom! dit is nog veel prachtiger dan alle vorige!"

Ondertusschen gingen zij steeds verder en de listige toovenaar,
die dit slechts deed, om het plan, dat hij in zijn hoofd had, te
kunnen uitvoeren, trad eindelijk een dezer tuinen in. Hij zette zich
neer naast een groot bekken, waarin door een bronzen leeuwenmuil
kristal-helder water stroomde, en hij hield zich vermoeid, opdat
Aladdin eveneens zou gaan uitrusten.

"Beste neef", zeide hij tot hem, "je zult wel even vermoeid zijn als
ik; laat ons hier wat gaan uitrusten, om nieuwe krachten te verzamelen;
wij zullen daarna met nieuwen moed onze wandeling kunnen voortzetten."

Toen zij zich gezet hadden, haalde de Afrikaansche toovenaar uit
een doos, die aan zijn gordel bevestigd was, koeken en allerlei
soorten van vruchten, die hij als mondvoorraad meegenomen had, en
spreidde alles op den rand van het bassin uit. Hij deelde een koek met
Aladdin, en uit de meegebrachte vruchten liet hij hem naar welgevallen
kiezen. Tijdens dit kleine maal maande hij zijn zoogenaamden neef aan,
zich los te maken van den omgang met kinderen, daarentegen zich aan te
sluiten bij wijze en verstandige mannen, naar dezen te luisteren en uit
hunne gesprekken leering te putten. "Spoedig", zei hij tot Aladdin,
"zul je een man zijn, gelijk zij, en je kunt je er niet vroeg genoeg
aan gewennen, naar hun voorbeeld verstandig te redeneeren."

Toen zij den kleinen maaltijd geëindigd hadden, stonden zij op en
zetten hun wandeling dwars door de tuinen voort, die van elkaar slechts
door smalle greppels gescheiden waren, welke de grens vormden, zonder
nochtans de verbinding te belemmeren. Het wederzijdsch vertrouwen, dat
de bewoners dezer stad jegens elkaar hadden, deed hen alle verdere
voorzorgsmaatregelen om booswillige benadeelingen te voorkomen,
als onnoodig beschouwen. Ongemerkt voerde de Afrikaansche toovenaar
Aladdin tamelijk ver buiten de tuinen en doorwandelde met hem de
vlakte, die hen langzamerhand in de nabijheid der bergen voerde.

Aladdin, die in zijn leven nog nooit zoo'n verren weg afgelegd had,
voelde zich door dezen marsch zeer vermoeid en zeide tegen den
Afrikaanschen toovenaar: "Waarheen gaan wij dan, lieve oom? Wij
hebben de tuinen reeds ver achter ons gelaten en ik zie niets meer
dan bergen. Wanneer wij nog langer zoo voortgaan, weet ik niet,
of ik nog kracht genoeg zal hebben, om naar de stad terug te keeren."

"Verlies den moed maar niet", antwoordde de valsche oom; "ik wil
je nog een anderen tuin laten zien, die alle, welke je tot nu toe
gezien hebt, verre overtreft; hij is slechts een paar schreden hier
vandaan, en wanneer wij eenmaal daar zijn, dan zul je zelf zeggen,
dat het je erg gespeten zou hebben, als je hem niet gezien had,
na er zoo dicht bij te zijn gekomen." Aladdin liet zich overreden,
en de toovenaar voerde hem nog zeer ver, terwijl hij hem met allerlei
aardige verhalen onderhield, om hem den weg minder vervelend en de
vermoeidheid dragelijker te maken.

Eindelijk kwamen zij tusschen twee bergen van middelmatige hoogte, die
tamelijk gelijk en slechts door een smal dal gescheiden waren. Dit was
't merkwaardige oord, waarheen de Afrikaansche toovenaar Aladdin had
willen brengen, om een groot plan met hem uit te voeren, ter wille
waarvan hij van het uiterste eindje van Afrika naar China gereisd was.

"Hier zijn we, waar wij wezen moeten", zeide hij tot Aladdin; "ik
zal je hier buitengewone dingen toonen, die alle overige stervelingen
onbekend zijn. Wanneer je ze gezien zult hebben, zul je er mij dankbaar
voor zijn, dat ik je tot getuige van zoovele wonderdingen gemaakt heb,
die behalve jij nog nooit iemand gezien heeft. Terwijl ik nu met het
staal vuur maak, leg je hier zooveel droge takjes op elkaar, als je
slechts vinden kunt, opdat wij een vuur kunnen aanmaken."

Er lag hier zooveel droog hout, dat Aladdin weldra een meer dan
voldoenden hoop ervan bijeen had, terwijl de toovenaar een zwavelstokje
aanstak. Hij maakte daarmee het vuur aan, en op het oogenblik, dat
het hout opvlamde, wierp de toovenaar er allerlei reukwerken op,
die hij reeds gereed had gehouden. Een dikke rook steeg omhoog,
dien hij nu eens dezen, dan weer genen kant uitwendde, terwijl hij
allerlei tooverwoorden uitsprak, waarvan Aladdin niets verstond.

Plotseling dreunde de aarde een beetje, opende zich voor den
toovenaar en Aladdin, en liet een steen te voorschijn komen, die
omstreeks anderhalve voet in 't vierkant, ongeveer een voet dik was,
en waterpas lag, met een in het midden vastgemaakten bronzen ring,
om hem daaraan op te tillen. Aladdin schrok hevig van alles, wat voor
zijn oogen gebeurde, en wilde op de vlucht gaan. Maar hij was voor
deze geheimzinnige handeling noodwendig en daarom hield de toovenaar
hem vast, schold hem duchtig uit en gaf hem een zoo harde oorvijg,
dat hij op den grond viel; het scheelde weinig, of hij had hem de
voorste tanden uitgeslagen en zijn mond bloedde hevig. Sidderend en
met tranen in de oogen riep de arme Aladdin: "Maar oom, wat heb ik
dan gedaan, dat gij mij zoo gruwzaam slaat?"

"Ik heb er mijn redenen voor", antwoordde de toovenaar. "Ik ben je
oom, die thans je vader's plaats bij je inneemt, en je mag mij in
niets tegenspreken. Maar", voegde hij er op wat zachteren toon bij,
"je behoeft niet bang te zijn, mijn zoon; ik verlang alleen, dat je
mij stipt gehoorzaamt, indien je je de groote voordeelen die ik je
schenken wil, wilt waardig maken en ze gebruiken".

Deze mooie beloften van den toovenaar stelden den verschrikten en
vertoornden Aladdin een beetje gerust, en toen de toovenaar hem weer
heel goed geluimd zag, ging hij voort: "Je hebt gezien, wat ik vermag
door de kracht van mijn reukwerk en de woorden, die ik sprak. Verneem
nu, dat hier onder dezen steen een schat verborgen ligt, die voor
jou bestemd is, en je eenmaal rijker zal maken, dan de grootste
koningen der aarde. Dit is zoo zeker waar, dat het geen mensch op de
gansche wereld buiten jou geoorloofd is, dezen steen aan te raken,
of op te tillen, om hier binnen te komen. Ja, ik zelf mag hem ook niet
aanraken of ook zelfs een voet in dit schatgewelf zetten, wanneer het
geopend zal zijn. Derhalve moet gij precies en punt voor punt doen,
wat ik zeg, zonder iets te verzuimen. Deze zaak is zoowel voor jou
als voor mij van groot belang."

Aladdin, immer nog vol verwondering over alles wat hij zag, en den
toovenaar van een schat hoorende spreken, die hem voor altijd gelukkig
maken zou, vergat alles wat er was voorgevallen.

"Welnu, lieve oom", zeide hij tot den toovenaar, terwijl hij opstond,
"wat moet ik doen? Beveel slechts, ik ben bereid te gehoorzamen."

"Het verheugt mij zeer, lieve kind", zeide de Afrikaansche toovenaar,
terwijl hij hem omarmde, "dat gij hiertoe besloten zijt. Kom hier,
grijp dezen ring en til den steen in de hoogte."

"Maar oom", antwoordde Aladdin, "ik ben te zwak, om hem op te tillen;
gij moet mij daarbij helpen."

"Neen", sprak de Afrikaansche toovenaar, "jij hebt mijn hulp niet
noodig en wij zouden beiden niets uitrichten, wanneer ik je hielp;
jij moet hem heelemaal alleen opheffen. Spreek slechts den naam van
je vader en van je grootvader uit, als je den ring in de hand neemt,
en til hem in de hoogte; je zult zien, dat hij zonder moeite zal
meegeven!"

Aladdin deed, zooals de toovenaar hem gezegd had, hief den steen met
gemak op en legde hem terzijde.

Toen de steen weggenomen was, zag hij een drie tot vier voet diep
hol met een kleine deur en een trap, om nog verder af te dalen.

"Mijn zoon", sprak thans de Afrikaansche toovenaar tot Aladdin,
"let nu goed op alles wat ik je ga zeggen. Daal in dit hol af en
wanneer je beneden op de laatste trede gekomen bent, dan zul je een
open deur zien, die je in een groote gewelfde ruimte zal voeren,
welke in drie groote, op elkaar volgende zalen verdeeld is. In elk
daarvan zal je rechts en links vier bronzen vazen, zoo groot als
tobben, vol goud en zilver zien staan; maar zorg er wel voor, er
niets van aan te raken. Eer je de eerste zaal binnentreedt, til je
je mantel op en sluit hem eng om je lichaam. Wanneer je daar binnen
bent, ga dan zonder je op te houden, recht door naar de tweede,
en vandaar, eveneens zonder stil te staan, naar de derde zaal. Pas
voor alles op, niet te dicht bij de wanden te komen, of ze zelfs met
je kleeren aan te raken; want in dat geval zou je op de plaats dood
blijven. Daarom heb ik je gezegd, je mantel dicht tegen je aan te
drukken. Aan het einde der derde zaal is een deur, die je in een met
prachtige en rijk beladen vruchtboomen beplanten tuin voeren zal. Ga
dan steeds rechtuit, en dwars door den tuin zal een weg je naar een
trap van vijftig treden voeren, langs welke je op een terras klimmen
kunt. Zoodra je boven op het terras gekomen bent, zul je een nis voor
je zien en daarin een brandende lamp. Neem deze lamp op, blusch haar
uit, gooi de pit benevens de brandbare vloeistof op den grond, stop
haar dan tusschen je kleeren op de borst, en breng ze mij. Vrees niet,
je kleeren daardoor vuil te maken, want de vloeistof is geen olie, en
de lamp zal terstond droog zijn, zoodra je haar leeggegoten hebt. Heb
je trek in de vruchten in den tuin, dan kun je er gerust van nemen
zooveel ge lust; dit is je niet verboden."

Zoo sprekende, trok de Afrikaansche toovenaar een ring van zijn vinger,
en stak hem aan den vinger van Aladdin.

"Dit", zeide hij, "is uw voorbehoedmiddel tegen alle ongeluk, dat je
zou kunnen treffen, indien gij slechts stipt alle voorschriften in acht
neemt. En ga nu, mijn zoon", voegde hij er bij, "daal onbevreesd den
trap af. Dan hebben wij beiden voor ons gansche leven geld als water."

Aladdin sprong met lichten voet het hol in en ging den trap af. Hij
vond de drie zalen, die hem de Afrikaansche toovenaar beschreven
had, en ging er uiterst behoedzaam doorheen, wijl hij anders
vreesde te moeten sterven, indien hij niet precies deed, wat hem
was voorgeschreven. Zonder uit te rusten, ging hij den tuin door,
klom naar het terras op, nam de brandende lamp uit de nis, gooide de
pit en de brandbare vloeistof op den grond, en toen hij haar droog
zag, zooals de toovenaar hem gezegd had, verborg hij haar op zijn
borst en daalde den trap weer af. In den tuin verwijlde hij bij 't
aanschouwen der vruchten, die hij voorheen slechts in 't voorbijgaan
gezien had. De boomen in dezen tuin droegen alle zeer buitengewone
vruchten, en wel ieder weer van een andere soort. Men zag er witte,
helglinsterende en als kristal doorzichtige; roode, deels donker,
deels hel; groene, blauwe, violette, gele, en zoo van alle mogelijke
kleuren. De witte waren parelen, de helglinsterende en doorzichtige
diamanten, de donkerroode robijnen, de groene smaragden, de blauwe
turkooizen, de violette amethysten, de gele saffieren enz. En deze
vruchten waren alle zoo groot en volkomen, dat men op de gansche wereld
niets dergelijks gezien heeft. Aladdin, die hare waarde niet kende was
om den aanblik dezer vruchten, die niet naar zijn smaak waren, weinig
verheugd; vijgen, druiven en andere edele fruitsoorten, die in China
inheemsch zijn, waren hem liever geweest. Hij had echter ook nog niet
den leeftijd bereikt, dat men van zulke zaken veel verstand heeft,
en zoo verbeeldde hij zich, dat deze vruchten slechts geschilderde
glazen waren, en verder geen waarde hadden. Trots dat alles wekte
de verscheidenheid der mooie kleuren en de buitengewone grootte
en schoonheid van elke vrucht, de begeerte bij hem op, van iedere
soort eenige te plukken. Hij nam daarom van elke kleur verscheidene,
vulde daarmee zijn beide zakken en twee heel nieuwe tasschen, die
de toovenaar tegelijk met de kleeren, die hij hem geschonken had,
gekocht had, opdat hij niets anders dan nieuwe zaken hebben zou;
en daar de beide tasschen geen plaats meer vonden in zijn zakken,
die reeds geheel vol waren, maakte hij ze aan zijn gordel vast,
aan elke zijde één. Ook stopte hij nog enkele vruchten in de vouwen
van zijn gordel, die van blauwe zijde en dubbel gevoerd was; en borg
voorts nog ettelijke op zijn borst tusschen zijn kleed en het hemd.

Nadat hij zich zoo, zonder het te weten, met rijkdommen beladen
had, keerde Aladdin snel door de drie zalen weer terug, om den
Afrikaanschen toovenaar niet te lang te laten wachten; hij ging met
dezelfde behoedzaamheid als de eerste maal, klom weer op, waar hij
eerst was afgedaald en vertoonde zich aan den ingang van het hol, waar
de Afrikaan hem met ongeduld wachtte. Zoodra Aladdin hem zag, riep hij
hem toe: "Lieve oom, ik bid u, geef mij een hand, en help mij eruit."

"Mijn zoon", antwoordde hem de Afrikaansche toovenaar, "geef mij
eerst de lamp; ze kan je hinderlijk zijn."

"O neen, beste oom, ze hindert mij volstrekt niet", zeide Aladdin;
"ik zal ze u geven, zoodra ik boven ben."

De Afrikaansche toovenaar stond er op, dat Aladdin hem eerst de
lamp zou overhandigen, eer hij hem uit het hol hielp, en Aladdin,
die de lamp met alle vruchten, die hij bij zich gestoken had,
verpakt had, weigerde volstrekt, ze hem te geven, eer hij uit het
hol was. Toen geraakte de Afrikaansche toovenaar, van ergernis over
de weerspannigheid van den jongen Aladdin in een vreeselijke woede,
wierp eenig reukwerk op het vuur, dat hij zorgvuldig onderhouden had,
en nauwelijks had hij twee tooverwoorden gesproken, of de steen, die
als deksel voor de opening van het hol diende ging van zelf, benevens
de aarde daarover, op zijn vorige plaats terug, zoodat alles weer in
denzelfden toestand kwam als vóor de aankomst van den Afrikaanschen
toovenaar en Aladdin.



De Afrikaansche toovenaar was inderdaad geen broeder van den kleermaker
Moestafa, waarvoor hij zich uitgegeven had, en derhalve ook niet
Aladdin's oom. Hij was werkelijk geboortig uit Afrika, en daar Afrika
een land is, waar men meer dan ergens anders op tooverij verzot is,
zoo had hij zich van zijn jeugd af daarop toegelegd, en nadat hij zich
ongeveer 40 jaar lang met tooneelkunsten, met de punteerkunst, [3]
met reukoffers en met de lectuur van tooverboeken had bezig gehouden,
was hij eindelijk tot de ontdekking gekomen, dat er in de wereld een
tooverlamp was, welker bezit hem machtiger dan alle koningen der aarde
maken zou, indien hij haar in zijn bezit kon brengen. Door een laatste
proef met de punteerkunst had hij gevonden, dat deze lamp zich op een
onderaardsche plaats midden in China bevond, en wel in de streek en
met al de omstandigheden die ons reeds bekend zijn. In het vast geloof
aan de waarheid zijner ontdekking was hij, zooals gezegd is, van het
uiterste einde van Afrika gereisd en na een langen, moeitevollen tocht
in de stad gekomen, welke in de nabijheid van zijn schat lag. Maar
ofschoon de lamp zich zeer zeker op die bewuste plaats bevond, was
't hem toch niet veroorloofd, haar zelf te halen of persoonlijk in
het onderaardsche verblijf te treden, waar zij te vinden was. Een
ander moest er in afdalen, haar halen en hem overhandigen. Daarom had
hij zich tot Aladdin gewend dien hij voor een onbeduidenden jonkman
hield, zeer geschikt, hem den noodigen dienst te bewijzen; daarbij
was hij vast besloten, zoodra hij de lamp in handen zou hebben, het
laatste reeds genoemde reukoffer te doen, de twee tooverwoorden uit
te spreken, die de reeds bovengenoemde werking zouden hebben, om zoo
den armen Aladdin aan zijn hebzucht en zijn boosheid op te offeren, en
geen getuige meer in hem achter te laten. De oorvijg dien hij Aladdin
gaf, en het gezag dat hij zich op hem aangematigd had, moesten dezen
er alleen aan gewennen hem te vreezen en hem stipt te gehoorzamen,
opdat hij hem de beroemde tooverlamp terstond zou overhandigen,
zoodra hij het verlangde.

Intusschen gebeurde juist het tegendeel van dat, wat hij beoogd
had. Bovendien haastte de boosaardige zich alleen daarom zoo zeer,
den armen Aladdin in het verderf te storten, wijl hij vreesde, wanneer
hij nog langer met hem twistte, dat wellicht deze of gene het hooren
kon, en zijne belangrijke geheimen openbaren.

Toen de Afrikaansche toovenaar zich in zijn stoutste en schoonste
verwachtingen voor immer teleurgesteld zag, bleef hem niets anders
over dan naar Afrika terug te keeren, 't geen hij dan denzelfden
dag ook deed. Hij maakte een omweg om niet meer de stad aan te doen,
welke hij met Aladdin verlaten had; want hij moest werkelijk vreezen,
dat meerdere personen die hem met dezen jongen hadden zien heengaan,
het nu vreemd zouden vinden, hem thans alleen terug te zien komen.

Naar alle waarschijnlijkheid was Aladdin verloren. Maar hij, die hem in
't verderf poogde te storten, had er niet aan gedacht, dat hij hem zelf
een ring aan den vinger gestoken had, die tot zijn redding dienen kon.

En werkelijk werd Aladdin, door dezen ring, welks kracht hij niet
kende, gered, en het is te verwonderen, dat dit verlies, te zamen
met dat der lamp, den toovenaar niet in de grootste wanhoop gestort
heeft; maar toovenaars zijn zoo zeer aan tegenspoeden en aan het niet
verwezenlijken hunner wenschen gewoon, dat zij, zoo lang zij leven,
niet ophouden zich te verblijden met luchtkasteelen en hersenschimmen.

Aladdin, die na zoovele liefkoozingen en geschenken op deze slechtheid
van zijn zoogenaamden oom in 't geheel niet verdacht was, bevond
zich in een ontsteltenis, die zich gemakkelijker denken, dan met
woorden beschrijven laat. Toen hij zich zoo opeens levend begraven
zag, riep hij duizendmaal zijn oom bij den naam en verklaarde, dat
hij hem de lamp gaarne zou geven; maar zijn roepen was tevergeefs,
hij kon niet meer gehoord worden en moest alzoo in zwarte duisternis
blijven. Eindelijk, nadat hij zijn tranen gedroogd had, klom hij weer
langs den trap van het hol naar omlaag, om in den tuin, waardoor hij
reeds gekomen was, en in het heldere daglicht te geraken. Maar de
muur, die zich voor hem door tooverij geopend had, had zich intusschen
door een nieuwe tooverij weer gesloten en bijeen gevoegd. Hij poogde
meermalen rechts en links vooruit te komen, zonder nochtans een deur
te vinden. Nu begon hij opnieuw te huilen en te snikken en zette zich
eindelijk op de treden van het hol neer, zonder hoop, ooit weer het
daglicht te zien, maar integendeel met de treurige zekerheid uit de
duisternis, waarin hij zich thans bevond, in die van een spoedigen
dood over te gaan.

Twee dagen bleef Aladdin in dezen toestand zonder te eten of
te drinken. Eindelijk op den derden dag, toen hij zijn dood als
onvermijdelijk beschouwde, hief hij de gevouwen handen omhoog en
riep met volle gelatenheid in Gods wil uit: "Er is geen kracht en
geen macht dan bij God den allerhoogsten en grootsten!"

Terwijl hij zoo de handen gevouwen had, wreef hij, zonder er bij
te denken, tegen den ring, dien hem de Afrikaansche toovenaar aan
den vinger gestoken had en welks kracht hij nog niet kende. Weldra
steeg voor hem een geest als uit de aarde, van ongehoorde grootte
en schrikwekkend uiterlijk, die met zijn hoofd den bovenrand van 't
hoogste gewelf aanraakte en sprak de volgende woorden tot Aladdin:
"Wat wilt gij? Ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als de
slaaf van al degenen, die den ring aan den vinger hebben, zoowel ik
als de andere slaven van den ring."

Op elken anderen tijd en bij iedere andere gelegenheid zou Aladdin,
die aan dergelijke verschijningen niet gewoon was, bij den aanblik
eener zoo buitengewone gestalte door schrik zijn aangegrepen, zoodat
hij de spraak verloren zou hebben. Thans echter, nu hij alleen aan
het gevaar dacht, waarin hij zweefde, antwoordde hij zonder schroom:
"Wie gij ook zijn moogt, verlos mij uit dit oord, indien het in uw
macht staat." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de aarde
opende zich, en hij bevond zich buiten het hol, juist op de plaats,
waarheen de toovenaar hem gevoerd had.

Men zal het niet bevreemdend vinden, dat Aladdin, die zoolang in de
diepste duisternis gebleven was, in het eerst het daglicht nauwelijks
verdragen kon. Eerst langzamerhand gewende hij zich er aan, en toen
hij rondkeek, was hij zeer verbaasd, geen opening in de aarde te zien;
het was hem onbegrijpelijk, op welke wijze hij zoo ineens uit haren
schoot te voorschijn was gekomen. Slechts aan de plek, waar het hout
verbrand was geworden, herkende hij de plaats weer, waaronder het hol
zich bevond. Toen hij zich hierop naar de stad toekeerde, zag hij
haar te midden der haar omringende tuinen, en herkende ook den weg
langs welken hem de Afrikaansche toovenaar hierheen gevoerd had. Hij
wandelde dienzelfden weg weer terug en dankte God, dat hij zich nog
eens op de aarde terugzag, nadat hij reeds de hoop opgegeven had,
meer daarop terug te komen. Zoo bereikte hij de stad en sleepte zich
met veel moeite voort tot aan zijn woning. Toen hij in de kamer zijner
moeder trad, viel hij uit vreugde over het wederzien, verbonden met
de door zijn driedaagsch vasten veroorzaakte zwakte, in een onmacht,
die eenigen tijd duurde. Zijn moeder, die hem reeds als verloren of als
dood beweend had, liet het thans, nu zij hem in dezen toestand zag,
aan geen oppassen en aan geen middel ontbreken, om hem weder in 't
leven terug te brengen. Eindelijk kwam hij weer bij, en zijn eerste
woorden waren: "Lieve moeder, geef mij asjeblieft vóór alles wat
eten; ik heb sedert drie dagen nog niets over de lippen gehad." Zijn
moeder bracht hem, wat zij juist had, zette 't hem voor en zeide:
"Beste jongen, eet niet te haastig, want het kan je schaden; eet
heel langzaam en op je gemak, en neem je wel in acht, hoe hongerig je
ook bent. Ik verlang niet eens, dat je al tegen mij zult spreken. Je
hebt immers nog tijd genoeg, mij je lotgevallen te vertellen, wanneer
je weer heelemaal hersteld bent. Na de groote droefheid, waarin ik
sinds Vrijdag verkeerd heb, en na de onzeggelijke moeite, die ik mij
gegeven heb, om onderzoek naar je te doen, toen het nacht werd en je
niet naar huis kwam, ben ik volkomen tevreden, je maar weer te zien."

Aladdin volgde den raad zijner moeder, at langzaam en kalm, en
dronk evenzoo. Toen hij klaar was zeide hij: "Lieve moeder, ik kon u
eigenlijk bittere verwijten doen, dat ge mij zonder eenige bedenking
aan een man toevertrouwd hebt, die het plan had, mij in 't verderf te
storten, en op dit oogenblik er vast van overtuigd is, dat ik niet
meer in leven ben, of tenminste elk oogenblik sterven kan; doch gij
hebt geloofd, dat het mijn oom was, en ik geloofde dit ook. Hoe hadden
wij ook anders kunnen denken van een man, die mij met liefkoozingen
en geschenken overlaadde en mij zulke schitterende beloften deed. Gij
moet echter weten, lieve moeder, dat hij een verrader, een booswicht,
een schurk is. Hij heeft mij alleen daarom zooveel geschenken en
beloften gegeven, wijl hij mij in 't verderf wilde storten, zonder
dat gij noch ik in staat waren, de oorzaak te raden. Ik van mijn
kant kan verzekeren, dat ik hem nimmer de minste reden gegeven heb,
mij te mishandelen. U zult dit zelf kunnen beoordeelen uit 't juiste
verhaal dat ik u thans van alles vertellen zal, wat van onze scheiding
of tot de uitvoering van zijn heilloos plan voorgevallen is."

Aladdin begon zijn moeder te vertellen, wat er met hem sedert Vrijdag
gebeurd was; waar de toovenaar hem afgehaald had, om de paleizen en
tuinen buiten de stad met hem te bezien; verder, wat hem onderweg tot
aan de plaats tusschen de twee bergen, waar de groote tooverij gebeuren
zou, overkomen was, en hoe tengevolge van een reukwerk, dat in 't vuur
geworpen werd en eenige tooverwoorden de aarde zich oogenblikkelijk
geopend had, en de ingang van een hol zichtbaar geworden was, dat
naar een onmetelijken schat gevoerd had. Ook de oorvijg vergat hij
niet, en de manier, waarop de toovenaar, nadat hij weer wat kalm
geworden was, hem door groote beloften en door de schenking van een
ring overgehaald had, in het hol af te dalen. Daarna vertelde hij
uitvoerig, wat hij op zijn heen- en terugweg in de drie groote zalen,
in den tuin en op het terras gezien en hoe hij daar de lamp gehaald
had. Tegelijkertijd haalde hij haar uit zijn boezem te voorschijn en
toonde haar aan zijn moeder, benevens de doorzichtige en bontgekleurde
vruchten, die hij op zijn terugweg in den tuin afgeplukt had. Ook
gaf hij haar de twee volle buidels, waarom zij echter weinig gaf. En
toch waren deze vruchten edelgesteenten, welker flonkerende glans bij
het schijnsel der lamp, dat de kamer verlichtte, op hun groote waarde
opmerkzaam had moeten maken; maar Aladdin's moeder had van dergelijke
dingen even weinig verstand als haar zoon. Zij was in groote armoede
opgegroeid en haar man was niet vermogend genoeg geweest, haar zulke
kostbaarheden te schenken; ook bij haar buurvrouwen en vriendinnen
had zij nooit zulke zaken gezien. Geen wonder alzoo, dat zij ze voor
waardelooze dingen aanzag, die hoogstens daarvoor goed waren, de oogen
te verlustigen door de verscheidenheid hunner kleuren; vandaar ook,
dat Aladdin ze weglegde achter een der kussens van de sofa, waarop
hij zat. Hij voltooide daarna het verhaal zijner avonturen, en zeide,
hoe hij weer uit het hol had willen komen, hoe de toovenaar de lamp
opgeëischt had, en hoe daarna, op zijn weigering door het reukwerk,
dat de toovenaar in het nog brandende vuur geworpen had, en eenige
daarbij gesproken woorden, de opening van het hol zich oogenblikkelijk
weer gesloten had. Niet zonder tranen kon hij haar den ongelukkigen
toestand schilderen, waarin hij zich bevonden had, toen hij zich
in het fatale hol levend begraven zag, tot het oogenblik, dat hij
tengevolge van de aanraking met den ring, welks eigenschappen hij nog
niet gekend had, weer te voorschijn en om zoo te zeggen voor de tweede
maal op de wereld gekomen was. Toen hij zijn vertelling geëindigd had,
zeide hij tot zijn moeder: "Het overige behoef ik u niet te vertellen,
het is u bekend. Gij ziet thans welke avonturen en gevaren ik sedert
onze scheiding beleefd heb."

Aladdin's moeder had geduldig deze wonderbare en zeldzame, tevens
echter voor een moeder, die haar zoon trots al zijn gebreken teeder
liefheeft, zoo droevige geschiedenis aangehoord.

Alleen bij de roerendste gedeelten, waar de boosheid van den
Afrikaanschen toovenaar zoo duidelijk aan 't daglicht kwam, kon zij
haar afschuw niet verbergen. Thans echter, nu Aladdin geëindigd had,
liet zij zich in duizend smaadwoorden tegen den bedrieger uit; zij
noemde hem een verrader, een schurk, een onmensch, een sluipmoordenaar,
leugenaar, toovenaar, een vijand en verderver van het menschelijk
geslacht. "Ja, mijn zoon", voegde zij er bij, "het is een toovenaar, en
de toovenaars zijn een ware pest der menschheid; zij hebben, dank zij
hun toovenarijen en hekserijen, verkeer met de booze geesten. God zij
geloofd, die verhoed heeft, dat zijn vreeselijke slechtheid haar doel
bij je bereikte. Gij zijt hem voor de genade, die hij je bewezen heeft,
grooten dank schuldig; je dood ware onvermijdelijk geweest, wanneer
je je zijner niet herinnerd, en hem om hulp aangeroepen hadt." Zoo
sprak zij nog veel meer, om haar afschuw over het verraad van den
toovenaar uit te drukken. Eindelijk echter bemerkte zij, dat Aladdin,
die sedert drie dagen niet geslapen had, de rust noodig behoefde; zij
bracht hem daarom te bed en legde zich spoedig daarop eveneens neder.

Aladdin, die in het onderaardsch verblijf, waar hij moorddadigerwijze
begraven geweest was, geen rust genoten had, sliep den ganschen nacht
vast en ontwaakte den volgenden morgen eerst zeer laat. Hij stond op,
en het eerste, dat hij tot zijn moeder zeide, was, dat hij honger had,
en dat zij hem geen grooter genoegen kon doen, dan wanneer zij hem
een ontbijt gaf.

"Ach, beste jongen", antwoordde zij, "ik heb ook geen enkelen
hap brood; je hebt gisteravond 't weinige dat nog in huis was,
opgegeten. Maar heb slechts even geduld, dan zal ik spoedig iets
brengen. Ik heb wat boomwol gesponnen, dat wil ik verkoopen om brood
en iets voor het middagmaal aan te schaffen."

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "bewaar uw wol voor een anderen
keer en geef mij de lamp, die ik gisteren meebracht. Ik wil haar
verkoopen, en wellicht krijg ik er zooveel voor, dat wij ontbijt
en middageten, en misschien nog zelfs iets voor den avond er voor
koopen kunnen."

Aladdin's moeder haalde de lamp en zeide tot haar zoon: "Daar heb je
ze, ze is echter vuil. Ik zal haar eerst wat oppoetsen, dan zal ze nog
wel wat meer waard zijn." Zij nam water en fijn zand om haar blank
te maken, maar nauwelijks was zij begonnen de lamp te wrijven, toen
oogenblikkelijk in tegenwoordigheid van haar zoon een afschuwelijke
geest van reusachtige grootte voor haar verscheen en met donderende
stem tot haar sprak: "Wat wilt gij? Ik ben bereid, u te gehoorzamen als
uw slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben,
zoowel ik als de andere slaven der lamp."

Aladdin's moeder was niet in staat te antwoorden. Haar oogen konden de
afschuwelijke en verschrikkelijke gestalte van den geest niet verdragen
en zij was al bij zijn eerste woorden van angst in onmacht gevallen.

Aladdin daarentegen, die reeds in het hol een dergelijke verschijning
gezien had, raapte snel, zonder den tijd of de bezinning te verliezen,
de lamp op, en antwoordde in plaats van zijn moeder op vasten toon:

"Ik heb honger, breng mij wat te eten."

De geest verdween, maar kwam in een oogenblik weer terug met een
groote zilveren schaal op het hoofd, waarin zich twaalf gedekte
schotels van hetzelfde metaal, vol met de uitgezochtste spijzen,
benevens zes brooden van het fijnste meel bevonden, en twee flesschen
met den kostelijksten wijn, benevens twee zilveren drinkschalen in
de hand. Hij plaatste alles te zamen op de sofa en verdween terstond.

Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin's moeder nog niet
tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal
verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was,
haar water in 't gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen;
maar 't zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren,
't zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets
toe bijdroeg, in 't kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.

"Lieve moeder", zeide Aladdin tot haar, "er gebeurt verder niets meer,
sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken en
tevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke
spijzen niet koud laten worden, maar eten."

Aladdin's moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal,
de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de
twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit
alle schotels opsteeg.

"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "waar komt deze overvloed vandaan,
en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht
de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons thans aan tafel
zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik
beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben."

Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak,
als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene
tafel bevonden hadden.

Onder den maaltijd kon Aladdin's moeder niet ophouden, de schaal en
de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed
wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon
was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen
de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering
bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.

Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen
te nuttigen, zaten op 't uur van 't middagmaal nog aan tafel. De
heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en
daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen,
wanneer zij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van
tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was,
bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar
ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.

Toen Aladdin's moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was
gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats
en zeide tot hem: "Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn
nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult."

Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht
tusschen den geest en hem voorgevallen was.

Aladdin's moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal
van haar zoon en de verschijning van den geest.

"Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?" vroeg
zij. "Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand
van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is
deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot
mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het
schattenhol verschenen is?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "de geest, die aan u verschenen
is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige
gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken
en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en
behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren,
dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik
aan den vinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide,
dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof
echter niet, dat u 't gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in
onmacht viel, zoodra hij begon te spreken."

"Wat!" riep Aladdin's moeder, "dus je lamp is schuld, dat deze
verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot
jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en
verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder
laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar
aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien
ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels
en onze profeet heeft het gezegd."

"Met uw verlof, lieve moeder", antwoordde Aladdin, "zal ik er thans
wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn,
te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet,
wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet
ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt
u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche
oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre
en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer
wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en
zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik,
zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende
de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets
van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toeval ons haar
geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke
gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen
niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten
uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan,
als ik haar noodig heb, wijl gij zulk 'n grooten angst voor de geesten
hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder
dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of
niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me
dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste
behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal
een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien,
en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!" Daar Aladdin's opmerking zeer
juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.

"Lieve zoon", zeide zij tot hem, "je kunt doen, wat je voor goed
houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik
verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit
meer met je daarover spreken zal."

Den volgenden dag, na 't avondeten, was er van al de heerlijke spijzen,
die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang
wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden
morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om
hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem
even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.

De koopman, een sluwe en doortrapte kerel, onderzocht hem, en daar
hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin,
wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en
nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel
't best zou weten wat 't ding waard was, en dat hij zich heelemaal op
zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid
door Aladdin's openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde
zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk
uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de
werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam
't geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand
hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde
winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat
hij Aladdin's volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel
niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in
verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets
van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel,
en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.

Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan,
kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker
voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan
zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige
levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.

Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht
achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor
den eersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige
minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een
goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten
schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote
schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde
haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen
moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen;
deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien
goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.

Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven
der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij
aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen
toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij
bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere
menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor
de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam
naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos
ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven
hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.

Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn
toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op,
welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het
zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond
verscheen weer dezelfde geest, die zich reeds eenmaal vertoond had;
wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder,
sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger:
"Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en
als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik,
als de andere slaven der lamp."

Aladdin antwoordde hem: "Ik heb honger; breng mij te eten." De
geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een
zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en
verdween weder.

Aladdin's moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende,
met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis
te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed
bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp
bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich
aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er
de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.

Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld
meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman,
dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij
voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig
en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte
hem, en riep hem toe, binnen te treden.

"Mijn zoon", zeide hij toen tot Aladdin, "ik heb je reeds verscheidene
malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien
koopman opzoeken en spoedig daarna met leege handen terugkomen. Dat
heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen
keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel
een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag,
en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je
dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien,
wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste
waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan
wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen."

In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde
Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem
den goudsmid. De grijsaard, die op 't eerste gezicht al zag, dat hij
van 't fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan
den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin
vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man
hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.

"Ha! die schurk!" riep de goudsmid uit. "Mijn zoon", voegde hij erbij,
"wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken;
maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel,
die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden
is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft."

De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin
de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij
hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig
goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.

"Daar heb je", zeide hij, "het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer
je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van
onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is,
dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op
het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en
daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk."

Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij
hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo'n groot voordeel getrokken
had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de
schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar
't gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke
geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar
hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten,
zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde
Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen
en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te
schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets
meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere
leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin
voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had,
lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van
het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.

In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te
zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels
der voornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen,
kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan
hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand
alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij
de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten,
welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets
dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare
edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten
van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar
hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en
mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij
in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had,
een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig
genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet,
en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk
te danken, tot hetwelk wij hem in 't vervolg onzer geschiedenis zullen
zien opklimmen.

Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met
luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel
en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest,
totdat de prinses Bedroelboedoer [4], de dochter van den sultan,
die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn. [5]

Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses
ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende
opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem
echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar
weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn
nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel,
dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het
badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht
tot aangezicht zien moest.

Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij
beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon,
zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot
aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter
haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam
zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk
was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist
op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met
ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit
zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de
schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord,
dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook
nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer
zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.

Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de
onjuistheid in van zijn tot nog toe gekoesterde meening, dat
alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere
gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje
de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses
ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij
had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en
zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond,
rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende
lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk
en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo
zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw
waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze
volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze
houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied
inboezemde.

Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos
geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het
heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn
hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning,
en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was,
en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar
bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den
rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te
verlaten en zich te verwijderen.

Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet
zoo verbergen, dat zijn moeder er niets van merkte. Zij was zeer
verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en
vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich
onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich
op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten,
voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses
Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het
avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was,
plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar
zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg,
zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote
moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding
veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer
terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat
het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te
krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak
van deze buitengewone verandering mede te deelen.

Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan
toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en
Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in 't minst tevreden gesteld
te hebben.

Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en
bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht
hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen,
dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn
moeder, die tegenover hem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het
volgende gesprek aanving.

"Lieve moeder", zeide hij tot haar, "ik wil thans het stilzwijgen
verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen
heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar
zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog
voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet
ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan,
dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.

"Het is", ging Aladdin voort, "in deze buurt niet bekend geworden,
en zoo kan u 't ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter
van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het,
toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit,
dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis
begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar
in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik
niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid,
haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur
van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor
het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur
geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk
zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij
voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn
onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge,
moeder, dat is de oorzaak van den toestand, waarin gij mij gisteren
gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond
niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet
beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt,
zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses
Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben,
haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken."

Aladdin's moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met
groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van
plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij
niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin
wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide
tot hem:

"Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat
je zulke dingen zeggen kunt?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik kan u verzekeren, dat ik niet
waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren
gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal
me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit
vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen."

"Waarlijk mijn zoon," antwoordde de moeder zeer ernstig, "ik kan niet
nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij
ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je
het kan wagen, je verzoek te laten doen."

"Door niemand anders dan door uzelf," antwoordde de zoon zonder
bedenken.

"Door mij!" riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; "en aan den
sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk 'n onderneming in
te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen", voer zij voort, "dat je
de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan
op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste
kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere
afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan
sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering
te komen?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik heb u reeds gezegd, dat ik
alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet
ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden,
noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik
heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses
Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u
met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren,
wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male
het leven te schenken."

Aladdin's moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de
hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan
vasthield.

"Mijn zoon", zeide zij nogmaals tot hem, "ik ben je moeder en als een
goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat
verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig
was, voor jou de dochter van een onzer buren tot vrouw te begeeren,
die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als
jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles
doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen
of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te
bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het
eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van
te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en
je armoede te denken, wil je je op 't hoogste toppunt van het geluk
verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en
gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven
en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft,
want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je
maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat
mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen
opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je
zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had,
ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn
geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over
te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts
toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik
aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg
jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens
aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan
te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan,
wanneer men om gerechtigheid smeekt, en dat hij ze zijn onderdanen
gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook,
dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt,
zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar
verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient
te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat
heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor
heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk
een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig
bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts
den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn
majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den
mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man,
jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid
vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon,
waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan,
wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een
geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit
goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek
afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk
geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat,
dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben,
in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan
hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert,
dat je onmogelijk verkrijgen kunt."

Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van
zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij
haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk
het woord en sprak: "Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote
vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer
ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang,
bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de
noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te
verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht,
welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen,
wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven
kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij
u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik
ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor
de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat
als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.

"U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor
den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou
zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe,
dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft,
dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik
toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij
een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer
zeker veel vreugde zullen bereiden. Ik spreek namelijk van de steenen
in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor
gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik
zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die
slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb
ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven:
alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met
de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat,
en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is
waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag
zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn,
dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft
daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past;
breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als
wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken."

Aladdin's moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten
uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking,
welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden
glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en
zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden;
want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een
lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem
vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was
destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts
als speelgoed beschouwd en ze alleen om deze reden meegenomen zonder
eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.

Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden,
nam Aladdin weder het woord en zeide: "U heeft thans geen uitvlucht
meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij
geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u
zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal."

Ofschoon Aladdin's moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en
zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht
ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in
dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam
zij steeds weer op Aladdin's verzoek terug, dat door het geschenk
gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.

"Mijn zoon", sprak zij tot hem, "ik begrijp wel, dat je geschenk een
goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal;
maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik
van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.

"Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het
geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren
zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen,
dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en
je zult zien, dat het zoo uitkomt."

"Maar", liet zij erop volgen, "onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld
kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht
genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt,
dan zal toch zeer zeker de sultan zich vroolijk over mij maken en
mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn
uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn."

Aladdin's moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon
op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses
Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat
hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom
bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den
een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar
tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.

Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor
den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd
de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken
van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen
in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots
alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet
overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen,
dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.

"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "wanneer de sultan mij zoo
welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij
ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan
denkt naar je vermogen en je stand te vragen--en dat zal hij voor alles
wenschen te vernemen--zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons niet van te
voren om een zaak bekommeren, die wellicht heelemaal niet zal
voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en
welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat,
wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te
vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige
jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal."

Aladdin's moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat
de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten
kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar
gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van
hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan
te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide
tot haar: "In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan
hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen."

Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde
en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin's gemoed
vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw
op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten
spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis
gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en
de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting
van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.

Aladdin's moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de
met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een
dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen en sneeuwwitten, en toen
in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de
vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde
van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De
grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren
van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort
kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden,
was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was
bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang;
zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den
grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en
links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen,
op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend,
en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist,
tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan
stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terug naar zijn
kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en
leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die
wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat
zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in
't ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak
in een volgende zitting zou voorkomen.

Toen Aladdin's moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte
zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en
ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen
met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in 't eerst niet,
wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een
slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond
te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw,
die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw
begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid
van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en
oprechtheid aldus tot hem sprak: "Mijn zoon, ik heb den sultan gezien
en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht
tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was
te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik
medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld
hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op
't laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op
en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren,
die nog met hem wilden spreken. Ik was daarover zeer verheugd, want
ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van 't lange staan
buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren;
morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer
zoo druk."

Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin's boezem brandde, hij
moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich
met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien,
dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van
den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals
de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden,
moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra
het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.

Den volgenden morgen ging Aladdin's moeder weer even vroeg met haar
geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs,
want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts
om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer
terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar
zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar
ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met
even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs
dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting
tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.

Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting
in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: "Reeds
sinds eenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken
dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand
heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en
wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?"

De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter
het antwoord niet schuldig blijven. "Heer", zeide hij, "het is u
zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten
inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men
haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan
heeft, dat van even weinig belang is." De sultan was met dit antwoord
niet tevreden en zeide: "Wanneer deze vrouw in de volgende zitting
weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik
haar kan hooren." De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op
zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken,
als hij dit niet uitvoerde.

Aladdin's moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor
den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien
zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed,
alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op
den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk
bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.

De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de
sultan Aladdin's moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had
aangezien, roerde hem. "Opdat je het niet vergeet", zeide hij tot den
grootvizier, "daar staat weer de vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd
heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en
haar zaak in 't reine brengen."

Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te
zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.

De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin's moeder en gaf haar een
teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon,
waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te
gaan innemen.

Aladdin's moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den
sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met
haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en
bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen
zij opgestaan was, sprak hij tot haar: "Goede vrouw, ik zie je reeds
langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde,
bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?"

Aladdin's moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten
tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij:
"Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone
en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon
voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de
onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te
dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees
koester, het mijn sultan mee te deelen."

Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen,
zich uit de divan te verwijderen en hem met den grootvizier alleen te
laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.

Aladdin's moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den
sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te
moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid
voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel
vreezen moest.

"Groote koning", zeide zij, opnieuw het woord nemend, "ik waag ook
nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in 't minste
aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en
genade schenkt."

"Wat het ook zijn mag", antwoordde de sultan, "ik vergeef het je nu al,
en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!"

Nadat Aladdin's moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij
den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde,
vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses
Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik
ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe
zij hem alles onder 't oog gebracht had, om hem van een hartstocht
af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in
de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, "inplaats van
naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn
verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan
en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer
ik weigeren zou tot u te gaan en voor hem om de hand der prinses te
vragen. Desniettemin heeft het mij 'n zeer groote zelfoverwinning
gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal,
groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te
willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis
na te streven."

De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en
goedheid aan, zonder in 't minste toorn en tegenzin te verraden,
of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede
vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen
doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste
haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen,
onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.

Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans
te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke,
kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel
allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn
verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef
zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was,
nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich
zelven van vreugde: "Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!" Nadat hij alle
steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en
naar hun meest in 't oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde
hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem:
"Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele
wereld niets kostbaarders en meer volmaakts vinden kan." De vizier
was eveneens geheel betooverd.

"Welnu", ging de sultan voort, "wat zeg je van dit geschenk? Is het
de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen
prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?"

Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De
sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat
hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij,
en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone
geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde
hem daarom en fluisterde hem in het oor: "Heer, ik moet bekennen,
dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie
maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop,
dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor
dezen tijd haar een veel kostbaarder geschenk vereeren kan, dan deze
Aladdin, dien gij heelemaal niet kent."

Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier
onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde
te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van
zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin's moeder en zeide
tegen haar: "Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik
toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat
ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan,
voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden
gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug."

Aladdin's moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als
zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand
toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van
een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten,
een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder
zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op:
ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede,
wijl haar gezicht van vreugde straalde.

"Ach, lieve moeder!" riep hij haar tegemoet, "mag ik hopen of moet
ik uit wanhoop sterven?"

Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en
zeide toen tot hem:

"Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je
terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken,
maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben."

Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen
had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij
genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk
tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk
gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij
voegde er aan toe: "uit 't heele gedrag van den sultan kon ik afleiden,
dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed
gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. "Ik had daarop
des te minder gerekend", ging zij voort, "als de grootvizier hem even
te voren iets in 't oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij
hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde,
wilde afbrengen."

Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste
aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite,
welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige
uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem
bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie
maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met
geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat
hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting
van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar
zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen
zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte,
dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen,
en toen zij in de stad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd
was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en
maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het
van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan
den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid,
zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk
versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet
omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht,
wat dit alles beteekende.

"Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?" gaf deze haar ten antwoord;
"weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond
trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal
spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet,
hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de
plechtigheid gebeuren zal."

Aladdin's moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis,
dat zij bijna buiten adem aankwam. "Ach!" riep zij haar zoon tegemoet,
die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid
was, "alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van
den sultan, maar er komt niets van."

Aladdin schrok hevig en antwoordde: "Lieve moeder, waarom zou de
sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?"

"Hedenavond nog", antwoordde zijn moeder, "trouwt de zoon van den
grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis." Zij vertelde
hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig
alle bizonderheden mee, dat hij er niet meer aan twijfelen kon. Bij
deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander
dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte
de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan
de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met
groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van
dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: "Lieve moeder, de
zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig,
als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u
intusschen voor het avondeten."

Aladdin's moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde
maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te
verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij
op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning
van den geest, die zijn moeder zoo 'n grooten schrik op 't lijf
had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als
vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: "Wat wil je? Ik
ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die
de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp."

"Luister", zei Aladdin, "je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo
dikwijls ik 't noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van
veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner
dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij
beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van
echter zijn woord te houden, huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór
afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb 't
zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou,
dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben,
wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt."

"Mijn gebieder", antwoordde de geest, "ik zal gehoorzamen. Heb je
nog iets anders te bevelen?"

"Voor 't oogenblik niet", antwoordde Aladdin en de geest verdween.

Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als
altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje
over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal
niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn
moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen
niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de
uitvoering van zijn bevel.

Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde
pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses
getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden
tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon
van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der
slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der
prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde
zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van
de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De
laatste, die naar buiten ging, sloot de deur achter zich toe.

Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf
der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters,
tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en
in een oogenblik op Aladdin's kamer bracht.

Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus:
"Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in 't geheim gemak,
en kom morgen vroeg even voor 't aanbreken van den dag weer terug."

Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op,
bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat
hij hem een geur had toegeademd, die hij van 't hoofd tot de voeten
bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.

Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar
gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: "Vrees niets,
geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde
is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo
zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied,
dien ik u verschuldigd ben.--Wanneer ik", ging hij voort, "gedwongen
geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen,
dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik
wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan,
uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen."

De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde
niet goed naar Aladdin's woorden en was niet in staat, hem iets
te antwoorden. De schrik en de verbazing over dit plotselinge en
onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat
Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich
eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep
heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven
nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht,
en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest
den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk
begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.

Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven,
om den geest op te roepen. Hij kwam op 't aangewezen uur weer terug
en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: "Hier ben ik,
wat hebt gij mij te bevelen?"

"Ga", antwoordde Aladdin, "haal den zoon van den grootvizier hier,
leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan
op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen."

De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den
jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een
oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit
hij het gehaald had.

Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door
den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte
had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden
zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maar namen alleen
de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van 't eene oord naar
't andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen,
zooals licht te denken is.

Nauwelijks had de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet,
of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te
wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de
kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen,
stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het
voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.

De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar 's lands
gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg
haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter
opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in
een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen
blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij
sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen
antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam
het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen
grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der
sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden
en hoe zij hem ontvangen had.

De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker
nog vermoeid was na de lange feesten. "Ik wil nu zelf naar haar
toegaan", voegde zij er bij, "en het zou me zeer verwonderen, als
zij mij evenzoo ontving."

Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der
prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte
haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet
alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing
een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte,
dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.

"Lieve dochter", zeide de sultane tot haar, "hoe komt het toch, dat gij
al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je
toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken
het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid."

Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen
zucht.

"Ach, mijn zeer vereerde moeder", riep zij, "vergeef mij, wanneer ik
het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden
nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn
schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken." Zij
schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond
nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in
een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij
zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te
weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest,
die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar
gesproken had. 's Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven
en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.

"Dit alles", voegde zij erbij, "was nauwelijks geschied, toen
de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer
terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te
antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij
mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven
zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen
toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind."

De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan,
wilde het echter niet gelooven.

"Lieve dochter", sprak zij tot haar, "je hebt er wel aan gedaan,
dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op,
er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een
zottin houden, als men je zoo hoorde spreken."

"Vereerenswaardige moeder", antwoordde de prinses, "ik verzeker u,
dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn
gemaal; hij zal u 't zelfde vertellen."

"Ik zal er hem naar vragen," antwoordde de sultane, "maar ook,
wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog
altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten
uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door
zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven,
en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog
meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de
pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij
en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan je
zooëven gesproken hebt." Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses,
en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden,
begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar
dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig
te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen,
om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen;
deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd
gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.

"Mijn lieve zoon", zeide de sultane tot hem, "zeg mij toch eens,
heb je je dezelfde inbeelding in 't hoofd gehaald, als je vrouw?"

"Heerscheres", antwoordde de zoon van den grootvizier, "zou ik eerst
mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?"

"Ik ben al tevreden", zeide de sultane, "en behoef niets meer te weten;
jij bent verstandiger dan je vrouw."

De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de
sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd,
om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en
vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar
de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk
op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend
daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen
bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in,
niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag,
moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.

Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed
onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden,
trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen
naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de
nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen,
en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan,
waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.

De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste
maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en
onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer
ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin's bevel den
volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam
toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer
van het paleis, waaruit hij het gehaald had.

De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij
prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe
zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo
slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer,
om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier,
die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde,
dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig
op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.

De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen
en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: "Nu,
mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als
gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht
hebt?"

De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog
veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde
er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen
zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar
vol toorn en met getrokken sabel toe: "Wanneer je mij niet bekent,
wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!"

De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden
sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel,
brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: "Geliefde
vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd
heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de
plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen
en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen
nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel."

Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde,
vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige
nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd
werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de
woorden: "Wanneer gij ook maar in 't minst aan mijn verhaal twijfelt,
dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik
ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal,
als ik."

De sultan deelde den diepen kommer, waarin de prinses door een zoo
zonderling avontuur gebracht moest worden.

"Lieve dochter", sprak hij tot haar, "het was zeer verkeerd van je, dat
je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt,
die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet
uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je
integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij
een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts
uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven
verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen
zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe."

Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den
grootvizier roepen.

"Vizier," zeide hij tot hem, "heb je je zoon al gezien en heeft hij
je niets verteld?"

Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had,
vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer
vernomen had. "Ik twijfel niet", zeide hij ten laatste "dat mijn
dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij
zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem,
wat er waars aan de zaak is."

De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee,
wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets
verbergen moest en zeggen, of alles waar was.

"Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader", antwoordde de
zoon. "Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar
al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling, die ik
in 't bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is
namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht,
zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen
woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met
alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de
ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog
getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene
plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch
mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer
ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in
een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats
te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik
eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u
niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en
kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses,
mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid
koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen,
dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des
sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge
verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een
onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet,
of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk
toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als
voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke
u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultan
te verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt."

Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had,
zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch,
daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden,
niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld
aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf
zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te
brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was;
zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de
sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer
geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het
paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in
de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil
ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou
blootgesteld blijven.

Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn
verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen
had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis
en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken,
en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en
vermakelijkheden op.

Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes
aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak
van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den
grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar
hun eigen huis had zien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en
verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag,
dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met
zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het
huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had
hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen,
om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de
geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden
Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte
op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding
van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.



Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de
sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer
bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij
verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar
het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.

Aladdin's moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd
had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde
plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen,
of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel
als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg
hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden:
"Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden
geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen,
gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord."

De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en
herkende eveneens Aladdin's moeder. Terstond riep hij den overste
der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.

Aladdin's moeder naderde den voet van den troon en wierp zich
neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij
begeerde.

"Groote koning", antwoordde zij, "ik verschijn ten tweeden male voor uw
aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren,
dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat
ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig,
dat gij u de zaak moogt herinneren."

De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts
daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn
van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt
niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de
armoede van Aladdin's moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor
hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans
in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij
zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de
prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer
lage afkomst zijn moest.

De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te
zeggen.

"Heer", antwoordde hij hem, "ik meen, dat er een onfeilbaar middel
bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin,
zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet
slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn
rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen
toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel
zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk
overwogen heeft."

De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich
tot Aladdin's moeder en zeide na even nagedacht te hebben tot haar:

"Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en
ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner
dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen,
zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn,
zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij
mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden
gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit
zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden,
die door veertig andere buitengemeene schoone en op 't prachtvolst
aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de
voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter,
te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord."

Aladdin's moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan
neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze
verlangen van haar zoon. "Waarachtig", zeide zij, "waar zal hij zoo
vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan
halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche
gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen
te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de
sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd
en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn."

Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen
troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen
hem: "Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aan een huwelijk met
prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig
ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de
grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten
gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je
thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder 't oog had gebracht,
dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht,
zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht
met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord,
dat ik je thans zal mededeelen."

Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan
haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de
verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. "Mijn
zoon", sprak zij ten slotte, "hij verwacht een antwoord; maar onder
ons gezegd", ging zij lachend voort, "ik geloof, dat hij lang zal
moeten wachten."

"Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt", antwoordde Aladdin,
"en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde
eischen 't mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer
te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht,
of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke
prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt
is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen
aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen,
moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan."

Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin
de lamp en wreef haar. Terstond verscheen de geest, en vroeg met
de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij
bereid was hem te bedienen.

Aladdin sprak tot hem: "De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter,
tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen
van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den
tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder
verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte
slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde,
slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo
spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden
kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit." De geest zei,
dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.

Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van
veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van
gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen,
diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre
overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was
met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven, zoowel de blanke
als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis,
dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het
tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was,
en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde,
dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.

Toen Aladdin's moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich
zeer, dat zij zooveel menschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de
eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij
den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit
niet toe.

"Lieve moeder", sprak hij tot haar, "wij hebben thans geen tijd te
verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan
den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk
benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt,
opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte
verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn
schoonzoon te worden."

Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de
deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een
blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg,
te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten
slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig
op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit
geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.

Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin's woning,
of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog
alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren,
wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde,
om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding
der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met
edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden
te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De
pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid, de
schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun
feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de
glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste
harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan
hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en
in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de
toeschouwers in zoo'n groote verbazing en bewondering, dat zij niet
moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te
zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest
blijven staan op de plaats, waar hij was.

Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te
komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen
en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van
de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De
dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van
dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor
een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem,
om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest
vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: "Wij
zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is."

Zoo kwam de eerste slaaf aan 't hoofd van den geheelen stoet op 't
tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans
tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der
verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter
ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen, die
Aladdin's geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen
hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends
te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was
armelijk in vergelijking bij die van Aladdin's afgezanten. Daar men
den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven,
ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den
ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar
binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij
allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven
cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij
droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder
en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden
tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en
de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen,
waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.

Ondertusschen naderde Aladdin's moeder den voet van den troon, wierp
zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: "Heer, mijn zoon Aladdin
weet zeer goed, dat het geschenk, 'twelk hij u zendt, ver beneden
blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij,
dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het
niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij
er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt,
na te komen."

De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin's moeder met
opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertig
gouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste,
schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven,
die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht
hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast
geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van
dus den groet van Aladdin's moeder te beantwoorden, keerde hij zich
tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele
rijkdommen mochten gekomen zijn.

"Welnu, vizier", zeide hij luid tot hem, "wat denk je van hem, wie 't
ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt,
zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig,
mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?"

Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een
onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon
des sultans worden zou, zoo waagde hij 't toch niet, zijn meening
te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin's geschenk
meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij
antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak:
"Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een
zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt,
onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog
veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche
wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses,
uwe dochter, kon opwegen." De heeren van het hof, die de zitting
bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen te kennen, dat zij
evenzoo dachten als de grootvizier.

De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht
niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om
zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke
rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan
had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden,
de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze
de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter
wenschte. Om daarom Aladdin's moeder volkomen te bevredigen, zeide
hij tot haar: "Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem
verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt,
om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te
meer zal hij mij plezier doen."

Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen
sport van het geluk te zien, snelde Aladdin's moeder naar huis; de
sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op
en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en
naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij
zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit
bevel werd terstond uitgevoerd.

Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men
liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan,
die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld
had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de
tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijn
verhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd
had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin's moeder met
een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.

"Mijn zoon", zeide zij tot hem, "ge hebt alle reden om tevreden te
zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet,
wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid
laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat
je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om
je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor
op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die
hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb,
ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik
mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met
ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen."

Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich
alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn
moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die
hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen
had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn
oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den
dag. "Geest", zei Aladdin tot hem, "ik heb je geroepen, opdat je me
aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil
ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit
een vorst gedragen heeft." Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest
maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hief hem op en droeg
hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd
was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige,
ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een
matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende
wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle
warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders,
dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose
geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger
geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat
hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in
plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al
verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd
waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde
ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij
zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg
de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald,
en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. "Ja", antwoordde Aladdin,
"ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en
snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek,
het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen
waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven
bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die,
welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg,
ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in
twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ook voor mijn moeder zes
slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed
moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk
een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig,
alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend
goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had;
ga, en haast je."

Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en
verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan
tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes
slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin's moeder,
in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles
aan Aladdin over.

Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder
gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in
handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun
tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het
volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den
eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk
schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan
haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken;
ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.

Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg
hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem
noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin
zich gereed, des sultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij
vaardigde een zijner slaven af--ik zal niet zeggen den schoonsten,
want zij waren allen gelijk--naar het paleis, met het bevel zich tot
den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de
eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf
kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom
dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.

Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in
de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren
een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo'n edele houding,
dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had
kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in
een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval
en bewondering door de lucht klonken, in 't bijzonder, toen de zes
slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en
links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen
niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de
goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers,
die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden
lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem
nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen,
herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd
gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne
gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder
andere eigenschappen ook die bezat, haren bezitter langzamerhand
alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe
hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men
schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den
overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds
een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk
droegen en begeleidden. In 't bijzonder werd ook het paard door kenners
bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder
zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee
het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan
hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand,
trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd,
want hij scheen beide waardig te zijn.

Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst
in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde
hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten
en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der
deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte,
liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of
audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er
zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet
verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der
zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde
hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.

Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke
en prachtige kleeding, zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als
in 't bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en
zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij
van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn
verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan
en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin
zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk
omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem
nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong
hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats
te nemen.

Hierop nam Aladdin het woord en sprak: "Heer, ik neem de eer, welke
gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen;
veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik
uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet,
hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid
van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door 't een of
ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik,
dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid
te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op
te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst
verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote
koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou,
wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien."

"Mijn zoon", antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde,
"gij zoudt mij onrecht doen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan
de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij
voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het
heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel
het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten."

Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de
lucht van het geschal der hobo's en pauken; tegelijkertijd voerde de
sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal
opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier
en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang
en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen
voortdurend op Aladdin gevestigd hield--want het deed hem buitengewoon
veel genoegen, hem aan te zien--bracht het gesprek op verschillende
onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek
ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan
volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den
aanvang van hem gekregen had.

Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad
roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen
prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en
op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met
Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des
grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe
verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne
en zinrijke opmerkingen, waarmede de jongeling het gesprek kruidde,
niet genoeg konden bewonderen.

Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid
had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en
de bruiloft nog heden vieren wilde. "Heer", antwoordde Aladdin, "hoe
ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen
omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot
ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig
haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om
een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting
te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat
het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde." "Mijn zoon", zei
de sultan, "kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor
mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht,
die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever
mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te
meten." Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam
afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf
aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.

Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet,
waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het
bijvalgeroep der massa's, die hem alle mogelijke heil en zegen
wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij
nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet
lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten
aan. "Geest", sprak Aladdin, "ik heb alle reden je stiptheid te roemen;
je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres,
gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit
liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan
den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in
den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar
toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat
waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus
der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen,
of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige
inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht
ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke
zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver
moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn,
zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat
onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten,
robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog
niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een
voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter
moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van
gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens,
voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor
elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht
van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, en een
behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet
ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend
aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel
als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses,
hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga,
en kom terug als je alles hebt gereed gebracht."

De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw
van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden
morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen
liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. "Heer",
sprak hij, "uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden
zijt." Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet
genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond
hij rijkdom, schoonheid en pracht; daarbij nog bedienden en slaven,
allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na
hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door
den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele
stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen,
die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk
een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar
buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den
schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen,
en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten,
die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.

Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei
voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen,
lagen opgehoopt.

Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal
tot zaal en in 't bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters
in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij
ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen,
zei hij tot den geest:

"Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk
van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar
iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet
aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis
tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses
bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben,
opdat zij daarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan
komt."--"Ik kom in een oogwenk terug", sprak de geest en verdween. Een
poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld,
zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu
weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort
van des sultans paleis geopend werd.

De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar
nu Aladdin's prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad,
waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot
aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen
liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht;
maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke
paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde
zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier,
die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde,
was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den
sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. "Vizier",
antwoordde de sultan, "waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je
weet zoo goed als ik, dat het 't paleis is, dat Aladdin naar ik hem
in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter,
heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven
heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo
korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en
ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan
doen. Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder
doorloopt, als je van tooverij spreekt." Intusschen werd het tijd
ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.

Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had
weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan
te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op,
om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam,
onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar
het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat
zij kwam om de eer te hebben de prinses 's avonds naar haar paleis te
begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als
sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong
om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren
en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren
bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om
er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet
die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk
naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen
dag aan den sultan had voorgesteld.

Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin's
moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de
trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de
hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van
het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, en in een oogenblik
weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding
meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten,
draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad
te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in
groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat
van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering,
daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking
kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet
begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis
aanschouwden, waar zij daags te voren noch den grond hadden zien
leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin's moeder werd in het
paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de
kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag,
ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats
nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met
de schoonste juweelen van Aladdin's geschenk sierden, deed zij voor
Aladdins' moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan,
die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen
te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin
betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin's moeder had reeds
meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had
haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds
een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken,
dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die
haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien,
was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag
als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten
even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.

Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit
afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij
omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken,
maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht
aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin's moeder en achter haar honderd
slavinnen in de prachtigste kleeding. Verschillende muziekkorpsen,
die van de aankomst van Aladdin's moeder onafgebroken tot nu toe
gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden
honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun
oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan,
die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen,
verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der
beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht
op de heerlijkste manier verhielp.

In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis
haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts
kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar
muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin's paleis
hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk,
vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein
dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele
stad en nog wijd in den omtrek.

Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met
licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde
vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin's moeder had haar reeds
haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was,
aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo
mooi, dat zij geheel betooverd werd.

"Dierbare prinses", zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad
en haar vol eerbied begroette, "mocht ik het ongeluk hebben, u door
mijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke
prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan
moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer
bevalligheid, maar niet aan mij."--"Prins", antwoordde de prinses,
"--want als zoodanig verschijnt gij voor mij--ik gehoorzaam den wil
mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem
zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben." Aladdin was ten hoogste
verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet
de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet
gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder
en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen
verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal
was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke
spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk
bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook
de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren
met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd,
zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: "Prins, tot
nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn,
dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt
mij, dat ik mij vergist heb."--"Prinses", antwoordde Aladdin, terwijl
hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, "ik neem deze
beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel,
wat ik ervan te denken heb."

Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moeder zetten zich nu aan
tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en
tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde
onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was
als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan,
nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze
zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor
uitgezocht had.

Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats
van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar
de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot
traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid
dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.

Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de
toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de
hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten
te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het
geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de
prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar
het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar
zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins
dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.

Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin
met prinses Bedroelboedoer.

Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte, kwamen zijn
kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet
minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop
liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf
zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen,
achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De
sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal;
hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval
het ochtendmaal op te dragen. "Heer", sprak Aladdin, "ik smeek u,
mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij
de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw
hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken." De
sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de
weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging
dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de
grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten
gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.

Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer
verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg
zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek
dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem
echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij
de versieringen daarvan, en in 't bijzonder de met de grootste en
heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters
beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk
staan bleef. Eindelijk sprak hij tot den grootvizier, die naast hem
stond: "Is 't mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij
mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe
niets geweten heb?" "Mijn heer en vorst", antwoordde de grootvizier,
"gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als
uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe,
een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze
plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel
voltooid was." "Dat herinner ik mij heel goed", antwoordde de sultan,
"maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder
zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden
inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar
de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd
zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen."

De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig
tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie
en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat
men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. "Vizier", sprak
hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te
wijken, "ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op
deze plaats onvoltooid is gebleven." "Heer", antwoordde de grootvizier,
"Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd,
dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich
denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo
spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden."

Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven,
trad intusschen weer binnen. "Mijn zoon", sprak de sultan, "dit is de
bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar
over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster
hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd,
of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad,
aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?"--"Heer",
antwoordde Aladdin, "het tralievenster is om geheel andere reden
zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd,
en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik
wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis
te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen,
opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan."--"Als gij het
met dit doel gedaan hebt", antwoordde de sultan, "dan ben ik u
daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen
geven". Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en
de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.

De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in
die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal
gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving
den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij
met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed,
met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter
goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal
met de prinses, zijn dochter, met Aladdin en met den grootvizier. De
overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend,
die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk
en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei
hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder
bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen,
schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten
versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij
zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken
en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.

Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers
en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in
de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide
zien. "Ik heb u laten komen", zei hij, "opdat gij dit venster zoudt
voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt
deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid
te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn."

De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters
zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld
hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij
weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. "Heer, wij
zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen;
maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben
samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten, als voor een
zoo omvangrijken arbeid noodig zijn."--"Ik heb er zelf eenige", zei
de sultan, "en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis,
dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt."

Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn
edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in 't
bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten
ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon
bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar
in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk
gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog
van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het
venster klaar.

Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit
venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er
niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid
op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit
elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten
terug te geven.

Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken
lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden
zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te
voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen
de geest. "Geest", sprak Aladdin, "ik had bevolen, een der vier en
twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt
dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan
de overige gelijk zoudt maken." De geest verdween en Aladdin ging
uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het
tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.

Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden
in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste
juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en
zei uit aller naam tot hem: "Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe
lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen,
dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen
Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat
wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des
grootviziers edelgesteenten terug te brengen." De sultan vroeg of
Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit
ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit
geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele
zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van
Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met
de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin
ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om
den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.

De sultan liet Aladdin niet den tijd, zich te beklagen dat hij hem
zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht
maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: "Mijn zoon, ik kom
zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal,
als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten."

Aladdin verborg den waren grond, namelijk dat de sultan niet rijk
genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar
om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen
dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar
hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien,
antwoordde: "Heer, 't is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien,
maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt."

De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid
was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere
vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist
te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden,
maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had,
dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden,
in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem
tusschen de oogen en op het voorhoofd. "Mijn zoon", zei hij vol
verwondering tot hem, "wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke
verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij
hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen,
des te meer bewonder ik u."

Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan
en antwoordde: "Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen
en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat
ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken."

De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder
Aladdin's begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar
zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hij met eigen oogen
aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem
niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel
in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin's paleis een
werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn
oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens
herhalen, maar de sultan zei: "Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld,
maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog
steeds niet vergeten zijt."

De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het
erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf
zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer
vanwaar hij Aladdin's paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen
erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.

Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde
zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in
deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van
tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde
hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds
enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis
te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer,
dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen,
en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam
en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken
uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis,
of hij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had
laten uitreiken.

Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens
op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer
verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen
even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk
hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer
dan bij Aladdin's hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf
zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel
zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid
de liefde van het geheele volk verworven had, en in 't algemeen meer
bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen
paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat,
die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid
van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren
dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht,
hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra
hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met
zulk een ijver in 't veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en
verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst
bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd
maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd
terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.



Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd,
toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld
had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel
hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het
onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling
lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als
grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante
gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen
in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa,
legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het
zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het
onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok
zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in
't oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij,
dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich
eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd
met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.

Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn
duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen
was, of het bloed steeg hem in 't gezicht. Vol woede sprak hij bij
zichzelven: "Die ellendige kleermakerszoon heeft aldus het geheim en
de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker
en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte
nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog
langer zijn geluk laat." Hij had zijn besluit spoedig genomen,
besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij
op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad,
van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn
paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam
en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin
gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde
zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht,
bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.

Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te
ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stad wandelde,
trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis
binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten,
en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats
genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte
hem dien over.

Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men
van Aladdin's paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had,
trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om
hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis
was, waarover men met zooveel roem sprak. "Vanwaar komt gij, mijn
vriend?" vroeg hem de aangesprokene. "Gij zijt zeker pas sinds kort
hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of
tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken." Men noemde Aladdin
namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. "Ik zeg
niet", ging de man voort, "dat het een der wonderen van de wereld is,
maar ik beweer veel eer, dat het 't eenige wonderwerk op de wereld
is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en
prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets
van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele
wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf
en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb."--"Vergeef mij mijn
onwetendheid", sprak de Afrikaansche toovenaar, "ik ben gisteren hier
aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen
van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij
was doorgedrongen, toen ik afreisde. Daar ik wegens een dringende
zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan
zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden,
of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders,
dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het
zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar
dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben,
mij den weg te wijzen."

De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem
met alle genoegen den weg naar Aladdin's paleis, en de Afrikaansche
toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen
en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er
niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om
het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin's
machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer
goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp,
wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol
ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel
van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug,
waar hij was afgestegen.

Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich
droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar
zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was,
haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al
zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten,
dat de lamp in Aladdin's paleis was, en was hij buiten zich zelven
van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. "Ik moet haar in
mijn bezit krijgen, die lamp", sprak hij, "en 't zal mij benieuwen,
of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot
zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen."

Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was
en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar
kwam dit op de volgende wijze te weten.

Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had,
waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder
voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een
zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden
behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin's paleis gezien
had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had,
wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen
ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: "Mijn nieuwsgierigheid
strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den
eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb."--"Dat zal niet
moeilijk wezen," antwoordde de eigenaar van de herberg, "want zoolang
hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid;
maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die
acht dagen duren zal."

Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van
den man en zei tot zichzelf: "Het oogenblik is gunstig, ik mag het
niet laten voorbijgaan." Hierop ging hij den winkel van een koopman
in lampen binnen, en zei tot hem: "Meester, ik wilde twaalf koperen
lampen hebben; kunt ge mij die leveren?" De lampenkoopman antwoordde,
dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen
geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur,
dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en
beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog
een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.

Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar
afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor
betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel
voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin's paleis
en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: "wie wil oude
lampen tegen nieuwe ruilen?" Toen de kleine kinderen die op het plein
speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen
staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers
lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. "Bij dezen man",
zeiden zij, "moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou
hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden." De Afrikaansche toovenaar
liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat
grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn
waar aan te bieden en luid te roepen. "Wie wil oude lampen tegen
nieuwe verruilen?" Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het
plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer,
die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van
den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen,
die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd,
niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden
om te zien wat al dat leven beduidde.

De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo
hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.

"Nu, dwaze meid", zei ze eindelijk, "zou je me niet zeggen, waarom
je zoo lacht?"--"Meesteres", antwoordde de slavin, steeds lachende,
"hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie,
gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar
tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van
de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen,
dat hij bijna niet voort kan komen."

Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: "Daar er van
oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt
heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet
kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de
prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de
gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven,
zonder iets toe te verlangen."

De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin
aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij
op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet
te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij
met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden,
noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid
opgemerkt. Behalve als hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij
zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te
prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles
goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd,
worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.

Prinses Bedroelboedoer, die van de groote waarde der lamp niets afwist,
en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over
sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet,
en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden,
haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de
trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den
Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij
kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: "Geef mij eene nieuwe voor
deze lamp hier."

De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp,
die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin's paleis van goud
en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den
bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte
hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De
bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe
lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook
de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret
over de domheid van den toovenaar.

De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder
zich langer in de nabijheid van Aladdin's paleis op te houden, maakte
hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten,
d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde
omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij
zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.

Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had,
ontsnapte hij door een weinig bezochte straat, en daar hij nu noch
de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand
met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop
sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der
stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij
eenige levensmiddelen inkocht.

Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen
plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige
oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog
aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter,
want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had,
rijkelijk schadeloos gesteld.

De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot
één uur 's nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde
hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar. Op dit bevel
verscheen de geest dadelijk. "Wat wilt gij?" vroeg hij; "ik ben bereid
u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in
de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp."--"Ik beveel u",
antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "dat gij oogenblikkelijk het
paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd
hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk
met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst." Zonder iets te
antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten
van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele
paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika
neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses
in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.

Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den
open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin's paleis te
aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek,
waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege
plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk
meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij
net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder,
de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij
alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide
openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat
hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn
oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had,
maar het thans niet meer te zien was; want het was hem onmogelijk te
begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin,
dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven,
met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos
verdwenen zou zijn. "Ik kan mij niet vergissen", zei hij tot zich zelf,
"het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch
nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men
daar toch een spoor van kunnen zien." Het ging zijn verstand te boven,
te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd
was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen
tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging
hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar
zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten,
terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd
werd, zoodat hij niet wist wat te doen.

De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een
haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat
Aladdin's paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachters
hadden het niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis
openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: "Heer, de haast
waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er
iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat
er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij
toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden."--"Ja",
antwoordde de sultan, "er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd,
dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin's
paleis?"--"Aladdin's paleis?" hernam de grootvizier zeer verbaasd,
"ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn
oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet
licht van plaats."--"Kijk eens naar buiten", antwoordde de sultan,
"en zeg mij dan, of gij het gezien hebt."

De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als
den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin's
paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te
ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. "Nu, hebt gij Aladdin's
paleis gezien?" vroeg deze.--"Heer", antwoordde de grootvizier, "gij
herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis,
welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen,
slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen
acht op slaan."

De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn,
als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. "Waar is hij", riep hij,
"die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan."--"Heer",
antwoordde de grootvizier, "hij heeft voor eenige dagen afscheid van
u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is,
want hij alleen kan het weten."--"Dat zou veel te mild voor hem zijn",
antwoordde de sultan: "Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat
zij hem in ketenen voor mij voeren." De grootvizier bracht den ruiters
het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij
zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij
vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad, op weg naar
huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot
verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om
hem dit te melden en naar huis te begeleiden.

Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom
deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en
reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af
was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en
zei: "Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan
het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor
hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als
wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven."

Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde
zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke
misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch
een zijner ruiters er iets van wisten.

Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de
ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei:
"Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat
ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans,
noch tegenover den staat." Men wierp hem dadelijk een dikken en
langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam,
zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer
aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene
uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder,
Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand,
werd hij de stad binnengeleid.

Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als
staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou
kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en
andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen,
en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten
aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel
zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten
blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van
den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om
dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in
beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich
nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo
kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op
een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten,
tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren
binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden,
om het volk terug te houden.

Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den
grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een
beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat
hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.

De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien
hij om den hals droeg af, spreidde terstond een leeren huid, die met
het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet
hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard,
beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht
flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen,
terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om
Aladdin het hoofd af te slaan.

Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters
overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat
eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds
een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening
te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf:
"Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk
te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te
zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen
hebben."--"Mijn paleis bestormd!" hernam de sultan, "wie durft zoo
iets onderstaan?"--"Heer", antwoordde de grootvizier, "werp slechts
een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt
gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen."

Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij
zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in
de scheede te steken, Aladdin's blinddoek af te nemen en hem vrij te
laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat
hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.

Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er
gebeurde, gaven zij hun voornemen op. Zij daalden snel af, ten
hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden,
het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze
verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op
het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden
het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht
liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn,
het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.

Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het
balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe:
"Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen
voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is."--"Wat die is,
schurk!" hernam de sultan; "weet gij het nog niet? Kom hierheen,
dan zal ik ze je toonen."

Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. "Volg mij", sprak
deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem
naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem:
"Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle
zijden en zeg mij wat ervan geworden is."

Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele
plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon
begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en
verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den
sultan met geen enkel woord kon antwoorden.

De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: "Zeg mij toch, waar het
paleis en mijn dochter zijn?" Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgen
en zeide: "Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis
dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het
verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts
dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb."

"Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen", antwoordde
de sultan. "Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij
teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd
afslaan."--"Heer", antwoordde Aladdin, "ik bid u, geef mij veertig
dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien
tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den
voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen
mee moogt handelen."--"Ik geef u die veertig dagen", antwoordde de
sultan; "maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade,
en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij
u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden."

Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen
toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over
de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet
waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan
hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren
geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een
onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij
hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij
zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost in te spreken, of hem
hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend
hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn
verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein
gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle
deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet
gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.

Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand
verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in
't bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden
gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie
dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen
wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten,
maar overigens kwam hij tot geen besluit.

Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de
stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had,
verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld
in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke
onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het
aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij
door vertwijfeling overmand. "Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?" zei
hij tot zich zelven. "In welke provincie, welk land, welk werelddeel
zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan
van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter,
ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden,
en aan de bittere smart die aan mijn hart knaagt." Reeds had hij het
besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als
goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed
verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij
aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen
en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig
afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen
zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden,
dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den
ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken
had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare
lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring
schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield,
en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het
onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar
hem had ingesloten. "Wat wilt gij?" vroeg de geest; "ik ben bereid u
te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring
aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring."

Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning
aangenaam verrast was, antwoordde: "Geest, red mij ten tweeden male
het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen,
of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde
teruggebracht."--"Wat gij hier verlangt", antwoordde de geest, "staat
niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u
daarvoor tot den slaaf van de lamp."--"Als dat zoo is," zei Aladdin,
"dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar
het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij
onder de vensters van prinses Bedroelboedoer." Nauwelijks had hij deze
woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar
een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad,
stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet
hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de
duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van
prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht
en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde
en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle
verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over
zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel
rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij
gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar
verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten
op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had,
overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van
den berg in.

Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer
aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom,
waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin
van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een
blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke
vreugde, dat hij nu weer de hoop kon voeden, er heer en meester van
te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.

Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder
haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou
ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na,
waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er
lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele
ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij
deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg
gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat
hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon
bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel
duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis
zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet
gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de
naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar,
zijn vijand, herinnerd.

Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was,
sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen
van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens
per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was;
zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet
gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was,
zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte
Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. De prinses, die
deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde
Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat
daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en
begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich
afspiegelde. "Om geen tijd te verliezen", zei de prinses tot hem,
"heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom
hier." Na deze woorden sloot zij het venster weder.

De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin
vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde
te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij
elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden,
eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en
gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na
een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken
kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij
zich neder, en Aladdin sprak: "Prinses, vóor wij over iets anders
spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf,
als om uw vereerden vader, den sultan, en in 't bijzonder om mijns
zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik,
voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op
de kroonlijst gezet heb."

"Ach, dierbare gemaal", antwoordde de prinses, "ik heb wel al gedacht,
dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij
ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben."--"Prinses,"
hernam Aladdin, "geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn
kant, want ik had de lamp zorgvuldiger moeten bewaren. Laat ons er
nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij
daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft
toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is."

Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke
omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan
hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de
verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land
bevonden had, 't zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit
laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar
door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.

"Prinses", onderbrak Aladdin haar, "ge hebt mij den schurk duidelijk
genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de
afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de
gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik
verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar
hij haar verborgen heeft."--"Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn
boezem verstopt", hernam de prinses, "dat kan ik vast zeggen, daar hij
haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft,
om zich er tegen mij op te verhoovaardigen."

"Geliefde mijns harten", zei Aladdin hierop, "vergeef mij, als ik
u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste
gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan 't hart ligt,
bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u
behandeld heeft."--"Sinds ik hier ben", antwoordde de prinses, "heeft
hij zich maar eens per dag aan mij vertoond, en ik ben overtuigd, dat
het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van
zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken,
die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn
woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft
hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te
zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had
u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij,
dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te
danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht
sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten,
zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen
als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft
het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de
hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld
gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid,
mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven."

"Prinses", onderbrak haar Aladdin, "ik koester het vertrouwen, dat gij
niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden,
om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe
moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag
terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt,
om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit,
verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen,
en geef 't bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet
lang laat wachten." De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou
opwachten en snel openen.

Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis
gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman,
die naar 't veld ging.

Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liep Aladdin snel
om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te
verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde
achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg
Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij
de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de
drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden
en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje
hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen,
ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman,
of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman,
die uit Aladdin's kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg
had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het
heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit
den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve
drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het
aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het
hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om
eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij
behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk
voor hem geopend, en zoo ging hij naar boven in de kamer van prinses
Bedroelboedoer. "Liefste", zoo sprak hij haar aan, "hoewel gij zulk
een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den
raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig
eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden,
en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden
u ooit weder te zien. "Volg alzoo mijn raad", voer Aladdin voort,
"tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche
toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet
echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem
een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er
nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel
verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle
moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te
overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch
te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal
dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn
terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen,
stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder,
zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het
schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn
te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als
dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar
hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het
poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen. Hij zal
dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren
en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij
hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht
gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd
u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen;
want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen
tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet."

Daarop antwoordde de prinses: "Ik beken dat het mij een groote
overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet
te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men
niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen
wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan
afhangt." Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en
bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door
met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime
deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet
alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit
ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar
ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde
teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der
smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had
zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo
bijzonder goed staat, in 't bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar
haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die
hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was die de oude lamp
tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was
hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid
voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij
had durven hopen, besloot zij Aladdin's wensch te volvoeren. Zoodra
hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel,
liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het
rijkste en bij haar voornemen 't best passende staatsiegewaad uit. Haar
gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten
bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen,
waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die
de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de
grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben,
indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste
paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden,
die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen
met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.

Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel
te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich
overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den
dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen,
ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.

De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra
de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij
hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer
bekoorlijkheid, wees hem met de hand de eereplaats die hij zou innemen,
en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid,
die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.

Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone
oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich
getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding
en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij
hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op
hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk
op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat
de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij
wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet
had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord,
en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten
dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot
hem: "Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel
anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen,
als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij
een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid
en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud,
zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat
gij mij van Aladdin's lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het
karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd,
dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen
is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heele verdere leven om hem te
weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug
zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in
het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen
om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij
bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te
verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een
avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk
zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen
wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen,
den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij
zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn."

De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk
prinses Bedroelboedoer's gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had,
zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam
uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in
verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den
Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle
voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke
wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar
zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld
en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen,
als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken
anderen op de heele aarde overtrof. "Als mijn prinses het mij wil
vergunnen", voegde hij erbij, "dan wil ik er twee flesschen van halen
en oogenblikkelijk weer terug zijn."--"Het zou mij leed doen, als ik
u zooveel moeite veroorzaakte", zei de prinses, "gij zoudt wel iemand
kunnen sturen".--"Neen", antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "ik moet
noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van
dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen."--"Als
dat zoo is", zei de prinses, "ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe
langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer
te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel."

De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet
maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig
terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of
hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht
had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette,
en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander
aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe
zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem:
"Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen;
maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen
zullen smaken, als wij tezamen wat praten." De toovenaar beschouwde
deze keus der prinses als een nieuwe gunst.

Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te
drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot
hem: "Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo
kostelijken wijn gedronken."--"Bekoorlijke prinses", antwoordde hij,
"terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de hand hield, "mijn
wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid."--"Drink
op mijn gezondheid", zei de prinses, "dan zult gij zelf zien dat ik
hem beoordeelen kan." Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag
dan den beker aan, en zei: "Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit
vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik
mijn heele leven nog zoo'n voortreffelijken wijn niet gedronken heb."

Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf
eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar
vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht
had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken,
en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien
van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.

Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den
Afrikaanschen toovenaar: "Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder
minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China
verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders
gezondheid." Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien
zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in
ontvangst te nemen.

De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar
wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde,
dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich
voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met
den beker in de hand: "Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver
in de kunst, de liefde met alle mogelijke voorkomendheden te kruiden,
als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist,
voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit
zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken
en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets
meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt."

Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar
verveelde, viel hem in de rede en zei: "Laat ons nu drinken, later kunt
gij verder spreken." Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond,
raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche
toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde
zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn
hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij
nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den
rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich
verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.

De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de
geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren
was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal
tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op
hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar
in elkaar gezakt was.

Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen
toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol
vreugde met open armen tegemoet snelde, hield hij haar terug en zei:
"Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen
en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat,
terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China
terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt."

Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had,
sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar
toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld
was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef
haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. "Geest",
zei Aladdin, "ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres
die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar
China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het
vervoerd is." De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij
zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en
men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen
het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het
weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten;
dit alles was het werk van een paar oogenblikken.

Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei
tot haar: "Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne
morgen volmaakt zullen zijn." Daar de prinses haar avondmaaltijd
nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit
de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren
klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De
prinses en Aladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van
den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud
meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er
slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.

Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer
was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer
verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats
van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen,
zocht hij dat als 't ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen
's morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn
oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon
worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen
loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door
te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was,
nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem
voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin's paleis weer
op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het
morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij
was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart,
dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een
ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens
deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk
echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel
zeker Aladdin's paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu
na langen kommer en treurigheid van zijn hart meester. Hij keerde
ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou
voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem
als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin's paleis komen.

Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag
opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen
in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den
sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg
om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van
't paard stijgen. "Aladdin", sprak de sultan tot hem; "ik kan niet
met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd."

Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer,
die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het
opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China,
in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan
omhelsde zijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over
de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle
mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.

De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn
geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden
had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar
vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en
sprak: "Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens
u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof
u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd,
dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele
paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en
groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de
zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.

De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader,
gehoor te geven. "Heer", sprak zij tot hem, "als ik u zoo onveranderd
lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen
vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en
bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend
heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger
verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele
ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag;
ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot,
maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe
onschuldig ook, zonder twijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik
van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak
op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag
over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens
werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn
ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld;
ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige
wijze." Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen,
vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een
lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde,
en hoe zij hem voor den grap Aladdin's lamp, waarvan zij de geheime
kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het
paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den
Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten
hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had,
dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan
haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming,
en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de
herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin's komst had moeten verduren,
en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de
lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was,
doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan
den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden
wijn had toegediend. "Omtrent het overige", voegde zij erbij, "moge
Aladdin u inlichten."

Aladdin maakte zijn verhaal kort. "Toen men mij", zei hij, "de
geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en
twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het
poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar
een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en
bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter,
haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar
geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het
paleis te rooven. Zoo heb ik 't dan gedaan gekregen dat het paleis
weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de
prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere
waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij
zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is."

Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen
hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel
blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij
Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: "Mijn zoon, neem
mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde
was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij
liet verleiden, vergeven."--"Heer", antwoordde Aladdin, "ik heb niet
de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan,
wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der
menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij
eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen,
die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is,
dan zijn laatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft."

"Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt", antwoordde de
sultan, "en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken
vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hier vandaan
komt."

Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop
werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De
sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere
instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet
een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses
Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.



Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het
was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke
beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.

De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de
tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat
hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds
tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het
oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet
na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk
deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook
de hulp van den ander noodig had.

Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen
Aladdin's geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die
sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in
Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich
ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals
zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij
zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten,
trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle
afzonderlijke figuren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder
niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden
en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door
de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen,
gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man
van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.

Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn
broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten,
waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar
besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf
zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen,
woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich
onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden,
in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn
punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich
niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had,
bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.

Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de
stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst
onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor
de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de
meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er
gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen
den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen
zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigen geschiedenissen
bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de
deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld
afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze
vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn,
nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die
heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.

"Wat", zei de aangesprokene tot hem, "gij hebt deze vrouw nog nooit
gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten,
haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp
van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en
Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij
zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest
zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen."

De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg
alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden
was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter,
nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan
wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde,
om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij
uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij
haar 's avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich
de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven
genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men
lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijk bij groote hitte,
wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.

Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine
vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime,
de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad
bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur,
trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag
hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een
sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel
droeg en wekte haar.

Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij
het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij
zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde
toestooten en zei tot haar: "Als ge schreeuwt, of slechts het minste
gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op,
en doe wat ik u zeggen zal."

Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en
bevend op. "Vrees niet", sprak de toovenaar tot haar, "ik verlang
alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne." Zij ruilden
hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime's kleed had aangetrokken zei
hij: "Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat
de verf niet uitwischt." Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde,
zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger
zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: "Vrees niets; ik zweer
u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten." Fatime liet
hem toen in haar cel treden, stak haar lamp aan, nam een penseel en
een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het
gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare
geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare
hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich
op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk,
nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel
hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij
gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei:
"Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere." De
toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed
niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen
zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag,
dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten
naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.

Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime
verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis
door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag
van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand
hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord
staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin's
paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen,
sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.

Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig
door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijn
gebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die
nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen,
die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren,
bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij
ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken;
kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor
haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die
lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor-
noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin's
paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite
kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich
met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en
zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig
vensters hooren kon.

De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand
het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en 't haar mede te
deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een
venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die
de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn
te bevrijden.

De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord,
maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te
maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken,
zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het
wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De
prinses stemde toe en vaardigde dadelijk vier bedienden af met het
bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.

Zoodra de bedienden de poort van Aladdin's paleis uitkwamen en op
het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de
menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op
zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs
tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang
nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: "Heilige vrouw, de
prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons."--"De prinses bewijst
mij veel eer", antwoordde de zoogenaamde Fatime; "ik ben bereid te
gehoorzamen." Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds
den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.

Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart
verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de
prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks
wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar
begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige
en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van
groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren,
wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar
natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen
even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen,
die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.

Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de
prinses tot haar: "Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoone
gebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge
verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder." De gewaande Fatime
nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses
weder het woord en zei: "Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge
mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij
mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw
goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen."

"Prinses", zei hierop de pseudo-Fatime, "ik bid u, verlang
niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te
verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te
wenden."--"Dat behoeft u niet te verontrusten", hernam de prinses,
"ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een
uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even
rustig houden als in uw afzondering."

De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin's paleis te komen,
daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te
voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses
daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het
paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote
tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam
het aan. "Prinses", sprak hij tot haar, "hoe vast ook het besluit
van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar
genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil
en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven."

Op dit antwoord van den toovenaar stond de prinses op en zeide tot hem:
"Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen,
opdat gij er een kunt uitzoeken." Hij volgde prinses Bedroelboedoer en
koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd
waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei,
dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de
prinses een plezier te doen.

De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig
vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou
gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds
gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de
prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor
zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te
stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en
hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te
nemen, dat zij het hem toestond. "Goede vrouw", zeide zij tot hem,
"het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof
gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet
niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo
verbeterd] hebt."

De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na,
zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden
had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. "Mijn goede moeder",
zei de prinses tot haar, "ik ben zeer verheugd een heilige vrouw,
als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal
verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer
voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?"

De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog
toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts
noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de
heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden
blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: "Prinses, deze
zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen
komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat
de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan,
dat een enkel ding eraan ontbreekt."

"En wat dan, mijn goede moeder?" vroeg prinses Bedroelboedoer;
"ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook
altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als
er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen."

"Prinses", antwoordde de valsche Fatime, "vergeef mij, dat ik zoo vrij
ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen,
dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock
hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben,
en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn."

"Goede moeder", vroeg de prinses, "wat is dan die Rock voor een vogel,
en hoe kan men er een ei van krijgen?"

"Prinses", antwoordde de gewaande Fatime, "het is een vogel van
bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus
woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen
verschaffen."

Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals
zij meende, goeden raad, en sprak met haar nog over een menigte
andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met
Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij
was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit
zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin
kwam nog denzelfden dag 's avonds terug, toen de gewaande Fatime
juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer
begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar
juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem
echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. "Dierbare prinses",
sprak hij tot haar, "ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is
er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of
onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik
wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen."--"Het
is maar een kleinigheid", antwoordde de prinses, "en de zaak hindert
mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat
iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een
verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen,
ofschoon het niets van beteekenis is."

"Ik had", ging de prinses voort, "evenals gij, tot nu toe steeds
geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op
de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige
bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook
niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het
koepelgewelf een Rock-ei hing?"

"Prinses", antwoordde Aladdin, "zoodra gij vindt, dat er nog een
Rock-ei aan ontbreekt, dan vind ik het ook, en uit de haast waarmee
ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is,
wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen."

Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar
de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij
sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had,
overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef
haar. Dadelijk verscheen ook de geest. "Geest", sprak Aladdin hem aan,
"er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in
het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier
in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt."

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk
een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde
en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den
grond viel. "Wat, ellendeling!" zei de geest op een toon tot hem,
die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen,
"is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles
gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars
gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in
dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en
uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt
ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt
niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat
hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand,
dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw
paleis in de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord
heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven,
dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees
daarom wel op uw hoede." Met deze woorden verdween hij.

Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige
vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene
geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses
terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven
wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat
hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval
dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd,
vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij
voor haar een kamer had ingeruimd.

De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar:
"Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij
zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een
afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden
bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds
aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult
weigeren." Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche
Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk
greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter,
die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder
getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter
aarde stortte.

"Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?" riep de prinses vol
angst, "gij hebt de heilige vrouw gedood!"--"Neen, geliefde prinses",
antwoordde Aladdin met groote kalmte; "ik heb niet Fatime gedood,
maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was
voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet", ging hij voort,
terwijl hij hem onthulde, "heeft de echte Fatime geworgd en zich in
hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in 't kort, hij was
de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder." Aladdin
vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet
toen het lijk wegbrengen.

Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars
bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar
hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses
Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde
de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander
en lieten een beroemde nakomelingschap achter.



Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den
Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een
matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op
alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is
toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten
onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die,
van nederige afkomst zich tot de koninklijke waardigheid verheft,
en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze
zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze
ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf
kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en
weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het
waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle
regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige
te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den
diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben
gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven,
de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is,
te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.



AANTEEKENINGEN


[1] In 't Arabisch beteekent dit: adel van den godsdienst.

[2] "Chan" is in Turksche landen de naam voor een groot hôtel,
gewoonlijk voor kooplieden bestemd.

[3] Punteerkunst is een soort van waarzeggerij uit stippen of punten.

[4] In 't Arabisch: Maan der manen.

[5] Nog tegenwoordig is het den Perziërs verboden de vrouwen van den
koning op straat aan te zien.



              MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR
                           WERELDBIBLIOTHEEK
                      ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.


    PER NUMMER:

        Ingenaaid        20 Ct.
        Gecartonneerd    30 Ct.
        In linnen band   40 Ct.


    ABONNEMENT PER JAAR:

        20 nummers, in carton   f   5,20
        20 nummers, in linnen   f   7,50
        30 nummers, in carton   f   7,50
        30 nummers, in linnen   f   10,-


DE EERSTE NUMMERS VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK (TOT 1 JANUARI 1906).


No. 1 en 2.     Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart, door E. Bekker
                en A. Deken. Met portret en gravures. Inleiding en
                aanteekeningen van Prof. dr. L. Knappert.
No. 3.          Martelaren van Rusland, door Jules Michelet, vertaling
                van S. J. Bouberg Wilson.
No. 4.          Steunpilaren der Maatschappij, door H. Ibsen, vertaling
                van F. Kapteyn, inleiding van L. Simons.
No. 5 en 6.     Inleiding tot de Nieuwe Ned. Dichtkunst (1880-1900),
                door Albert Verwey, met aanhaling uit de voornaamste
                werken.
No. 7.          Aladdin en de Wonderlamp (voor jongeren), door J. W.
                Gerhard, met 24 illustraties van Sidney H. Heath.
No. 8.          De Geest van Japan, door Okakura--Yoshisaburo, met
                inleiding van George Meredith, uit het Engelsch door J.
                K. Rensburg.
No. 9.          Het Gevloekte Kind (novelle), door Hon. de Balzac,
                vertaald en met een inleiding voorzien door C. en M.
                Scharten--Antink.
No. 10 en 11.   Herinneringen van een Witten Olifant, door Judith
                Gautier, met platen van Mucha.
No. 12.         Het Yellowstone Park, geysers en warme bronnen, door
                Prof. Hugo de Vries, met 4 fototypiën naar foto's van
                Prof. Hovey van New-York.
No. 13.         Iwan de Onnoozele, en andere schetsen, door Graaf Leo
                Tolstoy, uit het Russisch vertaald door J. Brandt.
No. 14 en 15.   De Waterkindertjes, van Charles Kingsley, bewerkt door
                M. v. Eeden-van Vloten, met 10 illustraties van G. v.
                d. Wall-Perné.
No. 16.         Ali Baba en de veertig Dieven (voor jongeren), door J.
                W. Gerhard, met 25 illustraties van H. Granville Fell.
No. 17.         Een Kerstlied, van Charles Dickens uit het Engelsch
                door J. Kuylman.
No. 18.         Boven de Kracht, van Bjornstjerne Björnson, vertaald
                door Marg. Meijboom.
No. 19.         Het Mierenboek of de Opvoeding van Opvoeders, door
                Salzmann, met een voorrede en aanteekeningen van Dr. J.
                H. Gunning.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Aladdin en de wonderlamp - (Verhaal uit de duizend en een nacht)" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home