Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3)
Author: Capelle, J. van de
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3)" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                                  HET
                        BELEG EN DE VERDEDIGING
                                  VAN
                                HAARLEM,
                             in 1572-1573.

                                  DOOR
                           J. van de CAPELLE.

                              TWEEDE DEEL.

                                HAARLEM.
                             J. P. NOBELS.



EERSTE HOOFDSTUK.


Ongeveer een paar honderd schreden kon de, als Spanjaard vermomde
vluchtelinge voortgegaan zijn, toen haar op eens de aanroep eener
vijandelijke schildwacht dicht in hare nabijheid als een doodvonnis
in de ooren klonk.

Wanneer Venavides drie dagen vroeger gezegd had: »geene schildwacht
zal u verder op dezen weg tot hinderpaal zijn,« dan had hij de
waarheid gezegd.

Maar twee dagen geleden had er in het uitzetten van posten gedurende
den nacht eene verandering plaats gehad. Don Frederik had in het begin
des jaars een aanvang laten maken met het graven van eene vaart,
nog heden het langs het kerkhof loopend Spaansch Vaartje geheeten,
ofschoon minder breed dan toen, doch nog altijd dienende, om bij hoogen
waterstand het water in het Spaarne uit te malen. Het moest strekken
om van het Huis Ter Kleef gemeenschap te hebben met het Spaarne,
en het ontlastte zich achterom het Huis Ter Kleef in den Delft. Op
ongeveer zeventig schreden van de tegenwoordige boerenhofstede
van R. W. Nelis, waarlangs het Spaansch Vaartje loopt, nabij den
zoogenaamden toenmaligen doolhof, had men een voetpad, dat naar de
Zandpoort geleidde. Daar had don Frederik een paar schildwachten
laten uitzetten, zonder dat zulks aan al zijne officieren bekend was,
eene handeling, tot zijn karakter behoorende en evenmin vreemd aan
den hertog, zijn vader. Dit voetpad naar de Zandpoort moest Magdalena
inslaan, dewijl zij onmisbaar verloren ware geweest, zoo zij haren weg
stadswaarts had willen nemen. Geenszins zulks vermoedende, klonk de
aanroep haar te vreeselijker in het oor; en de dichte nabijheid der
stem werd veroorzaakt, doordien de schildwacht achter de manteling
van eenig laag geboomte stond, dat, hoewel door den winter verdord,
nochtans dicht genoeg was om eene wacht aan anderer blik te onttrekken.

IJlings terug te wijken of weerstand te bieden, waren de twee
gedachten, die Magdalena even snel aangrepen; doch beide ware
vruchteloos of een nog onvermijdelijker verderf geweest. Den
hinderpaal voorbij te snellen, was onmogelijk; want die hinderpaal
was een slagboom; een oogenblikkelijke alarm, een schot, weergalmend
geschreeuw, zou schielijk anderen hebben doen aannaderen, en--van
verschillende zijden achtervolgd, ware de vlucht haar ten eenenmale
ondoenlijk geweest.

--»Vader in den Hemel, help, red mij!« was hare stille bede: en ter
zelfder tijd al hare vrouwelijke koenheid en tegenwoordigheid van
geest verzamelende, stond zij stil en antwoordde koelberaden, doch
niet zonder inwendige siddering:

--»Capitan!«--

--»Het wachtwoord!« zeide nu de schildwacht, terwijl hij, met de
lont tegen de pan, Magdalena zoo dicht naderde, dat beiden geen twee
schreden van elkander af stonden; en Magdalena, ofschoon ze zijne
woorden niet verstond, maar des te beter begreep, antwoordt onverwijld:

--»Valencia!«

Dan, de volgende woorden en de beweging van den soldaat deden
haar oogenblikkelijk zien, dat hare tegenwoordigheid van geest te
vergeefs, dat het lot haar vijandig was. Het is waar, wel had eens
in den Vlaamschen oorlog een krijgsman het wachtwoord geraden en was
daardoor geslaagd in het overrompelen van den vijand. Doch dit was
eene zeldzaamheid geweest. Eenmaal moge het geluk in zulke gevallen
de vriendelijke hand uitstrekken--duizendmaal blijft de hand kil en
onbewegelijk nederhangen.

--»Hoe, zegt gij?« vroeg de soldaat, op den toon van iemand die een
antwoord niet duidelijk verstaat.

En Magdalena bemerkende, dat hij haar niet goed gehoord, en zij het
bedoelde woord niet had, zeide nu:

--»Cuença.«

--»Gij kent het woord niet, en ik ken u niet,« sprak de Spanjaard,
in zijn landstaal, terwijl hij den loop van zijn musket dichter bij
Magdalena's borst bracht. »Wie zijt gij? een Hollander--een rebel:
gij zijt mijn gevangene.«

Ofschoon Magdalena het Spaansch niet verstond, begreep zij maar
al te zeer den zin der woorden, die een donderslag voor haar
waren. Plotselijk werd de liefelijke toekomst, die zij reeds gedroomd
had, met een sluier overtogen en elk aanminnig beeld, dat reeds voor
haar ziel zweefde, nam eene spookachtige gedaante aan. Nu dreigde de
moed haar te ontzinken, alle kracht van haar te wijken en zij sloeg
het oog naar den Hemel, als de eenige plaats van waar nog redding
kon komen. Onbewegelijk hield de soldaat den loop van zijn geweer op
hare borst gericht als eene schrikinboezemende waarschuwing, dat hij,
bij de minste poging tot ontvluchten, de brandende lont op de geopende
pan zou neerslaan, en het was wellicht die dreigende houding, welke
haar kracht gaf om nog staande te blijven.

--»Wie zijt gij?« herhaalde de schildwacht, die met zich zelven
in strijd scheen, hoe hij het zou aanleggen om op zijne gevangene
de overmacht te behouden; want er zou nog ruim een halfuur moeten
verloopen eer hij afgelost werd, en ofschoon hij wel zag, met geen
gevaarlijken persoon te doen te hebben, vermoedde hij echter nog niet,
dat de zoogenaamde capitan eene vrouw was.

--»Bij San-Jago! gij zijt een Hollander, een muiter,« sprak hij nu,
toen zij niet antwoordde, met een gebroken Hollandschen tongval. »Gij
zijt geen capitan; gij hebt u vermomd.«

Magdalena thans hoorende, dat de soldaat een weinig van hare landstaal
verstond, greep plotseling weer moed. Levendig besefte zij, dat alle
weerstand of de geringste poging om te ontvluchten ijdel zou zijn. Maar
nog eene flauwe hoop schemerde haar door den nacht tegemoet.

--»Ik ben uit Haarlem,« zeide zij, »en diep rampzalig, zoo gij mij
gevangenhoudt. Ik ben ontvlucht uit het Huis Ter Kleef, waar uw
bevelhebber mij gevangen hield. Wees mij tot hulp, en eene groote
rijkdom zal uw loon wezen.«

--»Dat liegt gij,« zeide de soldaat in gebroken doch tamelijk
verstaanbaar Hollandsch, »daar, uit dat huis gevlucht, waar gij
gevangen waart?.... dat is onmogelijk. Wie zijt gij dan? Bij de
heilige moeder Gods.... gij spreekt met eene vrouwenstem, gij capitan,
zonder baard....«

--»Ik wil mij niet redden door logentaal, soldenier!« zeide Magdalena,
»ik ben eene vrouw, en van deftigen staat. Mij naar Haarlem begevende,
werd ik overvallen, en hoewel niets euvels gebrouwen hebbende, in dit
huis bewaard: het geluk was mij gunstig ter ontkoming en nu bid ik u,
stort mij in geen dieper leed: ik zal uwe hulp vergelden door eene
wichtige som, door al den schat, dien ik heb.«

--»Als gij die Eefvrouwe (edelvrouw) zijt,« sprak de schildwacht,
»dan ontkomt gij mij niet, al gaaft gij mij een paar honderd kronen;
want bij mijne ziel! zoo ik verraden werd, zou señor Frederik mij voor
die kronen duizend dooden doen sterven. Ik weet, onder wat vaandel
ik dien.«

--»Die som zal ik u geven, soldenier!« hernam zij, »en gij hebt niet
te schromen, dat gij komen zult in ongelegenheid. Wie toch zou uw
verrader zijn?«

--»Twee honderd kronen!« mompelde de soldaat, »het is eene stevige som
in dezen tijd, maar om er mijn kop aan te wagen....« En hij peinsde
eenige seconden, eer hij hoorbaar antwoordde.

--»Verraden, zegt gij? verraadt tegenwoordig de broeder den broeder
niet? En zijt gij geene Hollandsche? Gij Hollanders haat de Spanjaards
als de pest. Wat zou u terughouden, als gij in veiligheid waart,
om señor Frederik te doen weten, hoe gij hem verschalkt en zijne
schildwacht omgekocht hebt? Neen, ik laat u niet gaan, ik ken mijn
plicht.«

--»Foei!« sprak Magdalena, »wie zou zoo snood wezen, te verraden,
wie hem redt? Daar leeft een God, die het zou straffen: en bij dien
God zweer ik, u nimmer te zullen verraden, door woord, of schrift,
of het minste gebaar.«

--»Neen! ik laat u niet gaan,« zeide de Spanjaard, terwijl hij den loop
van zijn musket nog eene handbreed dichter bij hare borst bracht,
als om meer kracht aan zijn woorden bij te zetten: de geringste
verdachte beweging en--het ware met haar leven gedaan.

--»Voor zoo groot eene som niet, onder zoo een eed?« vroeg Magdalena,
zich alle geweld aandoende om haren moed te behouden, »waardoor
verdiende de Hollander, dat gij zoo zwart van hem denkt? Het
vinnigst vuur van oorlog kan hem zoo laag niet doen wezen. Hoor mij,
soldenier! wees edel en doe mij niet vallen in diepen afgrond.«

--»Ik kan niet, want al word ik niet verraden door u.... toch ontging
ik den strop niet: gij kunt niet uit dat huis vluchten, of gij moet
dezen weg gaan, waar men posten heeft uitgezet, en schoon ik wel kans
zou zien, om u van hier in veiligheid te brengen, moest gij toch mij,
als de eerste schildwacht, voorbij; »gij hebt geslapen of gij zijt
omgekocht,« zou men mij tegemoet voeren, en bij Spanje's patroon! eer
het middag werd, zouden aan de galg de raven mij de oogen uitpikken.«

--»Peins toch, peins op een middel of gij u niet dekken kunt voor
straffe!« smeekte Magdalena.

--»Daar is er geen.«

--»Er moet toch nog een ander pad ter uitredding wezen.«

--»Neen! alle zijn met schildwachten bezet.«

--En nu stonden beiden weder een oogenblik zwijgend tegenover
elkander. Wel bleef het niet uit Magdalena's gedachten, hoe de
Spanjaard het toch zou kunnen wagen, haar de vrijheid te bezorgen,
wijl hij toch spoedig afgelost worden en het altijd moeilijk te
bewijzen zou zijn, op welk uur zij ontvlucht was. Doch te midden van
het dreigendst gevaar verloochende zij haar edel hart niet. Zij wilde
niet, dat een onschuldige, schoon dan ook een Spanjaard, voor haar
den dood zou ondergaan: zij wilde hare vrijheid niet ten prijs van
iemands verderf, die aan hare vlucht geen zweem van medeplichtigheid
hebben zou, en zij uitte die gedachte dan ook niet, schoon haar de
bangste toekomst voor den geest zweefde. Dan, zij behoefde zulks niet
te uiten. De soldaat, hoezeer ook weigerende haar behulpzaam te zijn,
berekende toch alles wat uit zijne handelwijze zou kunnen voortvloeien:
pijnbank, dood, geldelijke belooning; eer en misschien ook voordeel,
wanneer hij haar niet liet ontkomen, ofschoon dit laatste alsdan
nimmer zoo aanzienlijk zijn zou. Eer en voordeel! dat zijn machtige
kampvechters tegen hem, bij wien de schaal van het laatste zwaarder
is dan die van het eerste. Ook hier sloeg de balans tot het laatste
over, te meer, omdat dit zekerder scheen; doch het voordeel moest nog
grooter worden, en dat kon het alleen, door het gevaar nog zwarter
voor te stellen, dan het was; want dit toch had hij reeds gewogen
en getoetst, dat het gevaar minder groot voor hem was dan de hoop,
om den strop te ontgaan: eenmaal uit het Huis Ter Kleef zijnde, stond
toch nog de weg naar het huis Brederode ter ontvluchting open, en,
zoo al niet, waarom zou dan die vlucht hebben plaats gehad, juist in
den tijd, dat hij zich op dien post had bevonden?

--»Zoo ik den weg had genomen naar het huis Brederode,« zeide
Magdalena, »dan toch zou ik hier niet gestuit zijn, schoon ik dan
ook op onzekere baan ware gegaan.«

--»Onmogelijk!« sprak de Spanjaard, hoezeer wetende dat de veldzijde
naar dien kant wel te begaan was zonder op schildwachten te stuiten,
»geen vijftig schreden ver, of gij waart een veldpost in den mond
geloopen.«

--»Rest u dan geen middel, om mij tot hulp te wezen?« vroeg Magdalena
op smeekenden toon, »zonder dat gij of een uwer makkers in leed
komt? Och! peins er aan, wat lot mij toeft, zoo ik weder in de macht
val, die ik ontvlucht ben. De tijd vordert spoed: al wat ik bezit,
is het uwe; red mij slechts, red mij.«

--»Welaan!« zeide nu de Spanjaard, »ik waag er den kop aan, omdat
ik misschien Salamanca toch niet meer zal wederzien: ik zal de
soldateneer met den voet schoppen, u in veiligheid brengen en daarmede
zal ik mij zoeken te redden, dat niemand mijn post is voorbijgegaan,
wien het wachtwoord onbekend was. Maar de som, waarvoor ik het waag,
moet grooter zijn; tweehonderd is niet genoeg.«

--»Vorder, spreek, ik heb kleinooden van waarde bij mij,« zeide
Magdalena, »en wat gij meer wilt, zweer ik, dat u geworden zal,
zoo gij daartoe een middel aanwijst.«

En nu wilde zij hare kostbare gouden keten te voorschijn halen, terwijl
de Spanjaard echter nog scheen te aarzelen, toen er plotselijk bij
het Huis Ter Kleef een schot viel, hetwelk bijna tegelijkertijd door
een zelfden knal werd opgevolgd.

--»Dat is onraad! vervloekt! dat geldt u,« riep nu op eens de soldaat.

--»Mij?.... Almachtige God!« riep Magdalena sidderend, als trof dat
schot haar, »red mij, red mij, of het is te laat.«

--»Te laat is het nu reeds!« zeide de schildwacht, »men heeft uwe
vlucht ontdekt; dat is zeker en gewis.« En terwijl hij het laatste
woord uitte, klonken twee, drie schoten op verschillende afstanden,
vermengd met een luid geroep en geschreeuw, dat door de stilte van
den nacht een akeligen toon gaf en door de echo's van het veld niet
minder akelig teruggekaatst werd.

--»Dan ben ik verloren!« riep zij, terwijl ook reeds de naastbijzijnde
schildwacht zijn geweer afschoot en eenige verwarde stemmen plotselijk
naderbij kwamen.

Vergeefs deed de ongelukkige vrouw andermaal eene poging om zich
staande te houden; vruchteloos beproefde zij moedig te blijven:
hare krachten ontzonken haar. En geen wonder! Magdalena, hoe fier,
hoe kloek, was echter eene vrouw. Haar gevoel was, vooral op dien dag,
met te onafgebroken schokken aangerand. Het licht was opgegaan voor
haren geest, doch door schaduwen beneveld geworden. Die schaduwen waren
weder verdwenen en door een helderder licht vervangen geworden. Maar te
midden van dat licht had zich eensklaps eene duistere wolk vertoond, en
een bliksemstraal was er uitgeschoten. Die straal had haar getroffen,
al hare leden verlamd en het op eens donkerder voor haar doen worden
dan ooit; het bewustzijn was haar ontvloden.



Hetzij Frederik, in weerwil van Magdalena's eed, twijfelde, dat zij den
moed niet zou hebben, de haar bedreigende folteringen den volgenden
dag af te wachten, hetzij eenig wantrouwen, waarvan hij zich zelven
geen grond wist te geven, eensklaps in hem opgerezen was, of dat
hij wellicht door andere taal haar tot eenig besluit wilde nopen,
althans voordat hij zich ter slaap begaf, voelde hij zich gedrongen,
andermaal naar haar verblijf te gaan, en men kan zich zijne verbazing,
zijn schrik, zijne woede voorstellen, toen hij de vroegere bidcel
ledig vond. Driftig en sidderend van gramschap en teleurstelling,
was hij onderscheidene malen het vertrek, als het ware, doorgevlogen,
zonder vermoeden op te vatten over de wijze harer ontkoming. Hij zag
daar het vrouwengewaad, waarvan zij zich ontdaan had, verspreid op den
grond liggen, en in zijne verbittering schopte hij het verachtelijk
met den voet. Toen had hij met forsche stem haren naam geroepen, doch
niemand had geantwoord. Daarna had hij andermaal als een razende de cel
doorgezocht, geschreeuwd, getierd en gevloekt, doch haar niet gevonden,
wier ontvluchting hij geheel onmogelijk waande. Op zijn geroep waren
vervolgens Marco en de suppoost toegeschoten. De laatste was bij
het hooren van het gebeurde eensklaps zoozeer door angst en schrik
aangegrepen geworden, dat hij op don Frederik's onstuimige vragen
niet kon antwoorden, en zijne tong letterlijk als verstomd was. Marco
poogde te vergeefs de woede van zijn neef te beteugelen; deze luisterde
niet meer, en zonder dat men nog het middel der ontvluchting vermoed
had, was er in dat gedeelte van het Huis Ter Kleef een hevig rumoer
ontstaan. Op Frederik's bevel ijlde Marco aanstonds naar buiten, om
de wachten van het gebeurde te onderrichten en, zoo mogelijk nog de
verdere vlucht te verhinderen. In een oogenblik had zich dat bevel
langs de gansche linie van schildwachten herhaald: schoten knalden
als het gewone teeken van onraad, en men zou gewaand hebben, dat
er plotseling een uitval van de belegerden plaats greep, en dat de
Spanjaards aan verschillende kanten overrompeld werden. Verscheidene,
bijna de meeste officieren, waren toen insgelijks naar buiten gesneld,
en onder hen bevond zich ook Venavides, die zich echter geenszins
beangste, wijl hij niet twijfelde of Magdalena zou reeds lang in
veiligheid zijn.

Eenige minuten had rondom het Huis Ter Kleef reeds die ongewone
beweging voortgeduurd, en boven aller stem klonk die van don
Frederik uit; want niet slechts, dat hij in Magdalena's gevangenschap
grootelijks belang had gesteld, er was hem nu ook ten hoogste aan
gelegen om den schuldige te kennen, die in hare vlucht de hand had
geleend, en dezen zwoer hij, bij ontdekking, de zwaarste straf.

Intusschen waren een anspessado en drie soldaten bij de schildwacht
gekomen. Daar hadden zij den vermomden Spanjaard bewusteloos
gevonden, en in korte woorden had de schildwacht hun het gebeurde
medegedeeld. Een der soldaten had hem toen afgelost, en onder de
hoogste verbazing, doch geene mindere vreugd tevens, dat zij de
vluchtelinge in handen hadden, keerden zij van die plaats naar het
Huis Ter Kleef terug, Magdalena gezamenlijk dragende, zonder dat deze
eenig besef had van hetgeen er met haar plaats greep.

--»De vogel is gevangen!« riep de anspessado, eenige schreden
vooruitsnellende naar het voorplein, waar zich Frederik met de meeste
officieren bevond, nog altijd lucht gevende aan zijne gramschap,
onder dreigingen tegen den onbekenden handdadige van het feit.

--»Wat!« riepen eenige der bevelhebbers den anspessado als uit één mond
toe, en tegelijk werden diens woorden aan Frederik herhaald, terwijl
ook de soldaten met de bewustelooze vrouw inmiddels naderkwamen.

--»Vervloekt, wie hier den spot drijft!« zeide Frederik, »men heeft
haar gevangen?«

--»Zoo waarachtig als ik leef, señor!« zeide Marco, op wiens gezicht
men eene duivelsche vreugd zou gezien hebben, wanneer de duisternis
van den nacht dit had vergund; »daar is zij.«

--»Waar is de veldheer?« vroeg de anspessado.

--»Hier!« klonk het.

--»Señor!« sprak nu deze, terwijl hij naderkwam, en links en rechts
door officieren omringd, »de vluchteling is in handen;--aan de
schildwacht Gonzales al de eer!«

--»Dan zal hij beloond worden! Waar is hij?« Te gelijker tijd bracht
men eene toorts aan, die nu haar schijnsel op de geheele groep
wierp en aller verwondering tot de hoogste verbazing deed klimmen,
toen men in den bewusteloozen en gewaanden Spanjaard de trekken van
Magdalena herkende.

--»Zij is dood!« liet zich uit sommiger mond hooren.

--»Dat is een Spanjaard zooals wij!« hoorde men van eene andere zijde.

--»Wat klucht moet dat wezen?« riepen eenigen, en de Spaansche moedwil
en spotlust verloochende zich ook thans niet.

--»Stilte! ik beveel het,« zeide Frederik met eene zware stem, »hier
geen spot! en geen raadsel is deze zaak. Ik doorgrond haar; ik heb
haar doorzien. Onder het leger des konings schuilen verraders. De
dood aan den schuldige, eere voor den ontdekker van het verraad.«

--»Señor!« zeide Marco, terwijl zijn valsch oog iemand scheen te
zoeken, »dat is het gewaad van een Spanjaard; daar zou men hem spoedig
door kunnen ontdekken.«

De man, dien Marco zocht en tegen wien eensklaps zijn argwaan was
opgerezen, bevond zich op dat oogenblik achter Romero en De Auecia;
en die man was don Pedro de Venavides. Te edel en te groot om een
huichelaar te zijn, schreef de noodzakelijkheid toch Venavides voor,
dat hij allen schijn van zich moest weren. Bijna verplet stond hij
daar; want zulk eene rampzalige uitkomst had hij niet verwacht. Wat
moest hij thans niet vreezen? Een nog ijselijker lot over haar,
die hij gered had, eene schandelijke verguizing van zich zelven,
zoo Magdalena eens zwak genoeg zijn mocht, hem als haren redder te
vernoemen.... zoo Frederik haar eens de vrijheid mocht aanbieden,
wanneer ze den man--de oorzaak harer vlucht kenbaar maakte. En dat
zulk eene handeling was te verwachten, daartoe--al kende hij ook al
de plooien en groeven van dat karakter nog niet--daartoe kende hij
den zoon van Alva genoeg.

--»Dood!....« zeide Frederik, met eene schimpende verachting in
zijn stem. »Neen, die duif is niet dood, al heeft de havik haar in
den klauw gehad! Zij zal weer bijkomen, en scherper klauwen zullen
haar aangrijpen. Señor Marco! laat haar in de kooi terugbrengen; dat
vrouwengewaad, dat ik verschopt heb, zal dien mom weer vervangen. Zij
worde streng bewaakt. Gij zult er mij borg voor zijn.«

Eene buiging, met een veelbeteekenenden satanslach vergezeld, was
het antwoord. De bewustelooze werd naar de bidcel teruggevoerd.

--»Blijf!« zeide Frederik tot den schildwacht, die zich verwijderen
wilde.

Deze gehoorzaamde.

--»Hoe is uw naam?«

--»Lorenzo Gonzales, señor!«

--»Gij hebt haar gevat?«

--»Ja, señor! hij--ik meen zij, wist het woord niet.«

--»Wel gedaan: dat bewijst, dat gij een Spanjaard zijt, dat gij uw
plicht kent. Wie was bij haar?«

--»Zij was alleen.«

--»Van welken kant naderde zij?«

--»Van den boomgaard, señor!«

--»Hoe laat?«

--»Nu ruim een uur geleden.«

--»Ha! men wist dus niet, dat langs dien weg posten uitgezet waren?«

--»En zij liet zich grijpen, zonder wederstand?« vroeg hij verder,
»men heeft niet getracht, u, door omkooping een schurk te doen worden?«

--»Dat zou ik meenen, señor!« antwoordde de soldaat, »bidden en
smeeken, dat een steenklomp er bij gehuild zou hebben: »vijfhonderd
kronen zou het mij in den zak gejaagd hebben. Maar bij Onze Lieve
Vrouw! ik ben een Spanjaard van Salamanca.«

--»Is dat geene logentaal?« vroeg Frederik scherp.

--»'k Zweer het bij de heilige moeder Gods!« was het onbeschaamde
antwoord.

--»Dan geloof ik,« zeide Frederik, »en daarom zult gij van nu af
anspessado zijn. Gij kunt gaan.«

Dat was de Castiliaan, die ter handhaving van de eere Gods Nederland
kwam teisteren, voor wien een eed bij de vlekkelooze moeder van
Christus nog minder was dan eene waterbel.

--»Bij God en den koning, señores! dat herhaal ik, «zeide nu Frederik,
»dat er onder het leger van den hertog verraders schuilen. Daar zijn
er, die heulen met de rebellen, dat zweer ik. Die vrouw kon niet
vluchten, zoo de eene of andere ellendeling haar de hand niet geleend
had. Maar ik zal hem uitvorschen, zoo waarachtig als ik Maestro del
Campo ben, en al ware hij een ridder, al ware hij een prins, hij zal
den strop niet ontgaan.«

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met trotsche schreden en
met dreigende gebaren. De officieren verspreidden zich vervolgens
insgelijks; doch ofschoon nog een groot gedeelte van den nacht
voorbijging met gesprekken over het gebeurde en gissingen wie
Magdalena's medehelper zijn mocht, bleef voor allen, slechts één
uitgezonderd, het raadsel onopgelost.



TWEEDE HOOFDSTUK.


                        Wie kan, wie durft ooit Haarlem naadren,
                        En voelt niet, dat zijn boezem trilt?
                        Hier hebben Holland's groote Vaadren
                        Hun dierbaar hartebloed gespild;
                        Hier stierven zij, om 't ware leven,
                        De vrijheid, aan hun kroost te geven.

                                                                Helmers.


Nauwelijks was de Vrijdagmorgen van den zestienden Januari aangebroken,
of in don Frederik's legerplaats heerschte een luidruchtig gewoel. Wel
had dit iederen ganschen dag plaats, doch het was altijd op te merken,
wanneer er, behalve het telkens wederkeerend krijgsgejoel, nog iets
buitengewoons gebeurde of tegemoet werd gezien, en vooral wanneer
Vallos, een lange Spanjaard, zich in de nabijheid der schansen
vertoonde en de soldaten grijnzend toelachte.

Dit was ook thans het geval: doch het hatelijke wezen, dat wij den
lezer voor oogen moeten stellen, scheen den soldaten thans meer te
willen schenken dan dien bekenden grijnzenden lach, hoe veelbeteekenend
reeds op zich zelven; heden had hij ook woorden voor hen veil,
waarvan een enkel reeds genoeg was om al de overige, al hadde hij
die niet geuit, te doen raden, en dat ééne woord was: »de galg!«

Wat een Vargas in den bloedraad was, kon Vallos in het leger genoemd
worden. Men stelle zich een man voor, die behalve de helroode kleur van
zijn haar, al het afschuwelijke van een beul in zich vereenigde. Dien
ijskouden satanslach om zijne lippen; die opgezette wangen, als
de zichtbare getuigen zijner schier onafgebrokene dronkenschap;
die oogen, een helschen glans om zich heen spreidende en toch als
eene ijsschots rustende op het slachtoffer, dat in zijne handen was
gesteld--bewijzende, hoe hij onder het martelen, nog spotten kon en
voor eeuwig verdoemd rekende, hen, welke als ketters de eeuwigheid
ingingen; die lange gestalte, zich steeds verheffende boven de prooi,
welke zij aangreep; en die zekerheid in zijne houding, dat de aan hem
overgeleverde te vergeefs trachten zou, den dood om te koopen. En
dan naast deze gestalte dien verschrikkelijken dog, een tweeden
Cerberus uit de fabelleer,--dien hoogpootigen, langharigen hond,
wiens tong eene handbreed uit den muil hing; die naar de oogen zijns
meesters omzag als een slaaf naar den heer, welke dood en leven in
zijne hand heeft; die op het eerste teeken, met de woede van een
tijger zou aanvliegen op dengene, dien zijn meester hem aanwees, en
die den kloeksten Spanjaard als een kind zou hebben doen sidderen,
wanneer hij hem op eene eenzame plaats ontmoet had,--dien hond,
welke het bloed dronk, dat Vallos vergoot, en aan die monsters deed
denken, welke de ongelukkige Mexicanen verscheurden. Zoo stelle men
zich Vallos voor oogen, als den meest geschikten man om te folteren,
die zelf reeds in zijne vroegste jeugd, op de markt van Madrid onder
scherprechtershanden was geweest,--die in losgelatene drift zijn eigen
broeder had vermoord, en op wien de vlek der eerloosheid kleefde,
doch die nog eerlijk genoeg werd gekeurd voor de legerbenden van Alva,
omdat hij voor het ambt van beul zoo uitmuntend geschikt was.

Eenige minuten lang had Vallos, nu bij de eene dan bij de andere
verschansing doorgebracht en menigen soldaat doen lachen en huiveren
tevens over 't verhaal der zonderlinge rechtspleging, waarvan zij
dien dag getuigen zouden zijn, toen men een twintigtal met speren en
musketten gewapende Spanjaarden van het Huis Ter Kleef zag naderen
en de richting nemen naar de verschansing tegenover de Kruispoort,
waar eenigen reeds met het krieken van den dag eene hooge galg hadden
opgericht. In het midden dier gewapenden zag men drie gevangenen,
zwaar geboeid, van welke twee de blijken droegen, dat zij reeds
geruimen tijd gebrek en ellende hadden verduurd. Het waren de twee
hoplieden Baptist van Trier en Johan Kellenaar, welke bij Lumey's
mislukking tot Haarlem's ontzet, op den twaalfden December, in 's
vijands handen waren geraakt. Vergeefs had de graaf Lumey voor Van
Trier twee duizend kronen en de vrijheid van negentien Spaansche
krijgsgevangenen tot losgeld geboden; want Van Trier was niet
slechts een ervaren en onverschrokken krijgsman, maar stond ook in
blakende gunst bij Lumey. Doch het was den Spanjaard niet onbekend,
dat Van Trier, niet minder dan Lumey zelf, al wat Spanjaard was, den
doodelijksten haat toedroeg en geene genade gaf, wanneer een vijand in
zijne handen viel. Ofschoon in mindere mate, was dit ook met Kellenaar
het geval, en daarom had Frederik besloten, hen op eene wreedaardige
wijze om te brengen, terwijl ieder verwonderd was, dat hij hen nog
zoolang gevangen had gehouden. De andere was Phillippus de Koning, een
hopman, welke in den nacht van den tienden Januari met de twee duizend
soldaten van Boisot tot Haarlem's ontzet afgezonden, doch verdwaald
geraakt en in de macht des Spanjaards gevallen was. Ook dezen knelden
zware koorden, als het bewijs, dat men niet voornemens was, hem de
geringste kans tot ontvluchting te geven. Maar men zou zich bedriegen,
zoo men dat drietal gevangenen zich voorstelde met den doodsangst en de
verplettering op het gelaat. Zooals zij daar stonden, leverden allen
het bewijs, hoe de Nederlander van die dagen niet slechts dapper was
in den strijd, maar ook moedig, ook onverschrokken bij den hardsten
dood. Zie Van Trier! Hoe vermagerd en bleek wegens het gebrek en de
doorgeworstelde dagen in een gevangenhok--toch heeft lijden en smart
den heldentrek niet van zijn gelaat gewischt. Dreigend was voorheen
zijn oogopslag; dreigend is hij nog, en de forschheid, de ruwheid, die
er mede gepaard was, schijnt nog toegenomen met den aangroei van zijn
knevelbaard, die ordeloos en lang op zijne borst nederhangt. Schoon
thans ouder schijnende, heeft hij nog slechts dertig jaren bereikt,
en die dertig lente's zullen afgesneden worden. Dat weet hij; hij
weet, dat er geene genade voor hem zijn zal, en echter ziet hij de
gewapenden dreigend aan, als wilde hij zeggen: »vandaag zal ik vrij
zijn, en beef, Spanjaard! mijne vijf laatste levensjaren waren aan uwe
vernieling gewijd, maar van nu af zal ik de verderfengel voor u zijn.«

En Kellenaar!.... Ook hij schijnt ouder, ofschoon hij nog jonger
is; want ook zijn ongeschoren baard hangt verward op zijne borst;
ook zijn aangezicht is ingevallen en muurbleek, en bij hem komt dit
te meer uit, wijl hij een rank en tenger jongeling is, geenszins
verradende, hoe die tengere hand in onderscheidene vroegere gevechten
zoo menigen Spanjaard gedood heeft. In Delft aan eene geliefde uit
den deftig-gegoeden burgerstand verbonden; ontgloeid van liefde voor
zijn land en voor eene aangebedene bruid, zal die tweevoudige liefde
thans met zijn leven uitgebluscht worden. Nog zoo jong, eene zoo
rijke toekomst in het verschiet, en--al dat aanstaand geluk op eens
te zullen derven. Die gedachte is wreed, is zielverscheurend. Toch
ziet hij den dood niet angstig tegemoet; men ontwaart slechts in een
pijnlijken trek om zijn mond, dat het hem grieft, daar weerloos te
staan, geboeid te zijn met den schandkoord van den booswicht; dat
hij niet eervol sterven zal met het staal in de vuist.

Maar wie daar, als krijgsman, niet de geringste menschelijke zwakheid
verried, was Philippus de Koning. Men stelle zich iemand voor van zes
en dertig jaren, dien leeftijd, waarin bij den man, de krachten van
lichaam en geest de hoogste ontwikkeling hebben bereikt. Zijn gelaat
is noch ingevallen, noch bleek; de weinige dagen, die hij slechts
gevangen was, hebben den stempel der ontbering nog niet op zijn
aangezicht gedrukt. Dat aangezicht is schoon; een zachte blos smelt
met de bruine, mannelijke verf en het goudgele haar ineen. Binnen
Gouda's muren treurt zijne vrouw over het lot, dat hem wacht;
binnen Gouda schreien twee jeugdige kinderen, niet om den dood,
die hunnen vader toeft; want zij zijn er nog onbewust van, maar zij
schreien, omdat zij hunne moeder zien schreien; omdat zij haar nu
en dan wanhopend de oogen ten hemel zien slaan. Dat weet De Koning
wel niet, maar toch vermoedt hij het, en zijne ziel wordt bij dat
vermoeden vaneengereten, maar op dat mannelijk gelaat is er geen zweem
van te lezen; zijne sterke ziel wil zijn vijand geen oogenblik den
triomf gunnen, dat hij hem lijden doet. Want zie dien stouten mond,
vast gesloten, stom als het graf, het onwrikbaar besluit dragende,
dat geene smart hem openen, dat hij hem slechts ontsluiten zal, ter
verachting zijns vijands. En dan dat oog! Zoo bliksemend en toch zoo
donker, zoo hoogmoedig en zoo versmadend, zoo onverschrokken en met
zooveel minachting om zich heen starende; dat oog, zooveel levendiger
dan de duidelijkste taal sprekende: »beulen! ik braveer u te midden
van den dood! gij kunt mij moorden, maar mijn haat, mijn moed niet
uitblusschen. Mijn krijgsdoel tot Haarlem's ontzet is verijdeld,
maar na mij zal een ander het doen; niet ongewroken zal ik sterven
en dat doet mij vol hope, vol troost zijn.«

Ginds naderen vier andere Spanjaarden, met don Frederik bij hen,
en zij, die zich in hun midden bevindt, is niet geboeid.

Het is Magdalena. Den vorigen avond in hare gevangenis teruggevoerd,
was zij spoedig tot haar bewustzijn wedergekeerd. Zij had zich toen
in het bijzijn eener vrouw en van eene schildwacht bevonden; want zoo
verre had de hatelijke Marco de kieschheid niet met voeten getreden,
dat hij haar in haren toestand de hulp eener vrouw onttrok. Toen had
zij een zichtbaarder besef gekregen van het lot, dat haar wachtte,
doch met het terugkeeren van haar bewustzijn scheen ook haar moed
weder hersteld: want van dat oogenblik af was geene enkele klacht haar
ontgaan; zij scheen te gelatener, te fierder, naarmate de toekomst
donkerder voor haar geworden was. Nadat haar suppoost bij al de
heiligen der kerk gezworen had, niet medeplichtig aan hare vlucht te
zijn geweest, hadden Frederik en Marco de bidcel scherper onderzocht
en toen eerst had de laatste het opgereten behangsel en vervolgens de
geheime deur ontdekt. Toen hadden zij ook den nauwen gang onderzocht,
en ook de in Venavides' vertrek uitkomende deur was hun niet verborgen
gebleven. Dit had Marco's argwaan bijna tot zekerheid doen rijzen, en
hij had niet verzuimd, den neef zijn vermoeden mede te deelen. Maar
Frederik, ofschoon niet zelden de ooren neigende tot de woorden van
zijn neef en gunsteling, was echter de man niet, om door hem zijn
verstand te laten beheerschen of benevelen. Hoezeer ook hij niet vrij
bleef van het vermoeden van Venavides' medeplichtigheid, meende hij
nog geenszins de zekerheid te hebben, wijl Magdalena's ontdekking
dezer deur en hare vlucht er door, zeer wel zonder Venavides'
tusschenkomst konden plaats hebben gehad. Echter twijfelde hij niet,
wanneer er schuld op hem kleefde, of ze zou dan ook wel aan het licht
komen. Het eerste wat hij intusschen deed, was een scherp ondervragen
van Magdalena zelve; doch vergeefs waren list en bedreiging om haar
iets te doen bekennen, dat zij besloten had, met zich in het graf
te nemen, en toen niets baatte, had hij de bidcel verlaten met de
bedreiging, dat hem dien dag de middelen niet zouden ontbreken,
om hare hardnekkigheid te doen buigen.

Terwijl nu de gevangenen daar stonden, en ook zij naderde, die de
getuige van een tooneel zijn zou, waardoor al de verschrikkingen
van den oorlog nog te donkerder werden, schoolden de soldaten meer
en meer op één punt samen. Hier zag men een paar priesters, welke in
hun geestelijk gewaad, en met het heilig kruis in de hand, zich naar
de strafplaats begaven; daar eenige glippers, of verraders, terwijl
zich weer wat verder eenig geschreeuw liet hooren, dat maar al te zeer
getuigde, hoe de wreede Spanjaard zich over een schouwspel verheugde,
dat hen gold, van wie zij dagelijks afbreuk ondervonden.

--»Eerwaarde vader in Christus!« zeide don Frederik tot een der
geestelijken, met al den eerbied, welken hij veinsde, dezen toe te
dragen, »zijn uur is gekomen: dat hij niet sterve zonder den troost,
waarop de heilige godsdienst hem aanspraak geeft!«

Nu begaf zich de priester tot Johan Kellenaar, van wien men wist,
dat hij de roomsche godsdienst beleed.

--»Mijn zoon!« sprak hij, door de soldaten, die eerbiedig plaats
maakten, heengaande en den jongeling op zijde komende, »deze dag zal
uw laatste zijn; de veldheer wil u de vertroostingen der heilige
kerk niet ontzeggen.« En hem dichter naderende, hield hij hem het
lijdensbeeld voor oogen. Kellenaar scheen bewogen te worden; want
ijverig in de leer van Rome opgevoed, had het woelig krijgsmansleven
de godsdienstige zaden in zijn gemoed nooit verstikt. Maar hij
werd geslingerd door eenige begrippen der nieuwe leer; hij werd ook
teruggehouden door de gedachten aan een priester van Alva; hij had
eerbied voor de geestelijken, maar voor dezen huiverde hij terug.

--»En toch, de dood wacht mij,« sprak hij, »ik ben een zondaar
geweest.... de troost van den godsdienst....«

Doch toen de priester hem het kruis nog dichter voor oogen hield,
kon hopman Van Trier zijne verbittering niet onderdrukken.

--»Kellenaar!« sprak hij, »zoudt gij afvallig zijn van uw woord? Denk
aan wat gij gezegd hebt, dat gij ten einde toe vastaard zoudt zijn.«

--»Ja, weg van mij, priester!« zeide nu de jongeling, met den
plotselijk aangroeienden moed van een wankelbare, wien door den
onbezwekene zijne belofte herinnerd wordt, »uwe hulp kan mij niet
baten of tot borg zijn; wijk van mij.«

--»Goddelooze! Wat wilt gij dien jongeling hinderlijk wezen in het
heil zijner ziel?« sprak nu de geestelijke, zich met verontwaardiging
tot Van Trier, wendende.

--»Wat ik wil!« barstte deze los, »ik wil hem vermanen, dat hij zich
niet door u laat behippen, dat hij sterve als een moedig man, zooals
hij geleefd heeft. Wat wilt gij daar met dat crucifix, waarmee gij
hem als een bloedzuiger te lijf valt? Scheer u voort met uw ellendig
propoost! Dat is nuttig tot niets.«

--»Heilige moeder Gods!« riep de priester, de handen vouwende en
de oogen ten hemel slaande, »wat gruwel! wat smaad. Het Kruis van
Christus te lasteren! een priester te hoonen!.... Soldaten! voert
dien heiligschender van hier.«

--»Wie kan u schenden, als gij een Sant zijt?« vroeg Van Trier,
rondom wien verscheidene soldaten een kruis maakten, terwijl anderen
de oogen op den anspessado sloegen, als deze een teeken zou geven, om
den lasteraar op den mond te slaan, »maar een Sant, bij mijn ziel! dat
zijt gij op verre na niet: gij zijt een slecht konterfeitsel van
een goed dienaar. Wijk, satan! want voor een brave borst zijt gij
stinkend kruid....«

Nog wilde Van Trier meer zeggen, toen op eens een tweetal vuisten
hem aangrepen en de beul Vallos hem een geweldigen slag toebracht,
onder den uitroep: »Vervloekte ketter! dat snoere u den mond.«

--»Neen, beul!« riep Van Trier, van pijn op de tanden knarsende en
vlammende blikken schietende, »om mij te doen zwijgen, moet gij mij
muilbanden of den adem verhinderen. Wat slaat gij, schandpest van
een soldaat! de strop en de palei--dat is uw werk; maar uwe hand zal
rotten, zoo ge mij nog eens slaat.«

--»Dan zal ik u muilbanden!« riep Vallos, en nu drukte hij de
linkerhand onstuimig op den mond des geboeiden hopmans. Maar ruwe
onverschilligheid, krijgsmansverbittering en gramschap gaven opeens
aan diens kaakspieren eene ongewone kracht. Nauwelijks lag Vallos
hand op den mond van Van Trier, of, terwijl diens oogen als in hunne
kassen omdraaiden, hij opende dien mond en--het gelukte hem, de pink
van Vallos tusschen zijne tanden te klemmen.

--»Hond!» riep de beul met een verschrikkelijken gil, de hand door
een ruk tot zich halende; maar terwijl hij dit deed, was het reeds
te laat. Evenals een stuk glas, tusschen eenen schroef gebracht, bij
de minste toedraaiing knapt, evenzoo kraakte het kraakachtig been;
bloedend haalde Vallos zijne hand tot zich; in den kleinsten vinger
stonden de tanden, en verachtelijk spuwde Van Trier, het uit de pink
gevloeide bloed voor de voeten van den Spanjaard, terwijl hij met
eene van woede sidderende stem uitriep:

--»Heb dat, schurk, tot eeuwige gedachtenis van mij!«

Ternauwernood echter had Van Trier deze woorden gesproken, of de hond
van Vallos toonde, hoe een dier trouw en zelfs de beschermer van
den verachtelijksten meester kan zijn; want eensklaps dof grommend
en de bloeddorstige tong in den muil terughalende, vloog hij op
Van Trier aan, sloeg de scherp genagelde pooten om diens hals en
scheen nu het teeken te verwachten, om den besprongene de tanden in
de keel te slaan. Dat was een ontzettend gezicht; die vervaarlijke
dog, aanvallende op een geboeid man,--deze blootgesteld, om op het
minste teeken verscheurd te worden. Maar het lag niet in Vallos'
plan, om dit teeken te geven.

--»Los, Carlos!« riep hij forsch, en de hond oogenblikkelijk
gehoorzamende, liet af van zijne prooi en kroop huilend en gedwee
voor de voeten zijns meesters, die alle geweld deed om de pijn te
verkroppen, terwijl hij brullend uitriep:

--»Die dood zou te zacht wezen. Vallos zal een andere beul voor
u zijn!«

--»Ik veracht u, soldaat zonder eer!« riep Van Trier, »of gij mij al
foltert, ik zal toonen, dat een geus de pijn weet te tarten. En een
geus ben ik, maar een eerlijke geus, die 't Spaansch gebroed haat
tot in den dood. Kellenaar!« riep hij tot dezen, toen de priester de
soldaten wenkte om eenige schreden van daar met hem te gaan, »houd
u kloek, en versmaad hem, die uwe ziel aan den duivel verkoopt.«

--»Mijn zoon!« zeide de geestelijke, »sluit uwe ooren voor dien
verworpen ketter, en hoor naar de woorden van Christus' dienaar. Hij
zal een bangen dood sterven, en zoo gij blijft volharden, wacht u een
gelijk lot. Biecht uwe zonden, en gij zult voorzeker door de moeder
Gods gebenedijd worden.«

--»Neen, neen!« sprak Kellenaar, »geen troost van uw mond kan mij
tot soulaas zijn. Weg, priester! er kleeft bloed aan u, en dat is
een gruwel voor God.«

--»Welaan dan, verstokte! zoo kome de verdoeming uwer ziel over
u zelven,« zeide de geestelijke, terwijl hij den jonkman den rug
toekeerde, »ik heb mijn plicht gedaan; soldaten! gij moogt den
uwen doen.«

En weder door het midden der gewapende en eerbiedig plaats makende
Spanjaarden heengaande, begaf hij zich naar don Frederik, die een
vijftig schreden van daar stond, door verscheidene zijner officieren
omringd.

--»Hij versmaadt den troost en de hulp der Heilige Kerk!« sprak hij,
»zijn gemoed is niet te buigen, na de godslasterlijke woorden door den
ketter Van Trier gesproken. In den aanvang scheen hij zich te neigen;
doch thans is alles vergeefs.«

--»Dat hij dan sterve zonder dien troost, en in de ongenade van
St.-Peter valle!« sprak de veldheer, »wij hebben onzen plicht gedaan:
maar daar hij toch aan de alleen-zaligmakende Kerk behoort, zoo zal
hij den hardsten ketterdood niet ondergaan.«

--»Maar wat den heiligschender betreft,« zeide de priester, »om hem
kan onze Heer Christus niet verzoend worden dan door den geweldigsten
dood. Hij heeft de moeder Gods tot toorn verwekt. Hij heeft een
heiligen dienaar onteerd, over de soldaten des konings eene zee van
verachting uitgestort, en als een dolle hond gebeten, wie ter straffe
gesteld is over den muiter.«

--»Dat heeft mij de anspessado gemeld,« zeide Frederik, »ja, eerwaarde
vader! hoe meer zijn mond de heilige moeder Gods heeft gelasterd, te
zwaarder zal zijne straf zijn. Señor Marco!« zeide hij nu tot dezen,
»zeg aan Vallos, dat hij aanvange.«



Eenige minuten waren verloopen, en--nu had de wreede Castiliaan het oog
op een schouwspel, waarbij de Haarlemmers van den wal huiverden. Het
is waar, de roomsche godsdienst, die Kellenaar beleed, bevrijdde hem
van een harden dood: dra had men een einde aan zijn leven gemaakt; maar
die zelfde godsdienst mocht hem niet vrijwaren voor een hoon, waarbij
een eergevoelig krijgsman van verontwaardiging gloeide. Opgesleurd
hing hij daar aan het schandhout, met het hoofd naar omlaag, en eene
siddering bekruipt ons bij de gedachte, hoe menig Spaansch soldaat
dit spottend een schouwspel noemde, hetwelk hem in het leger voor
Haarlem nog niet was vertoond geworden.

En nauwelijks hing daar de jongeling, of eene rilling beving Van Trier,
toen op Vallos bevel, vier handlangers ook hem aangrepen, terwijl
Vallos met eene verwoede en van pijn bevende stem hem tegemoet voerde:

--»Ellendige ketter! uw dood zal niet zoo zacht zijn.«

Een schimpende blik was het antwoord op deze toespraak, zonder dat er
een zweem van des hopmans huivering op zijn gelaat te voorschijn kwam.

--»Gij zult daar hangen, totdat gij sterft,« zeide Vallos, »en als
de roofvogels niet op u aanvallen, dan leeft gij morgen en overmorgen
nog.«

Op een teeken van den beul strekten nu de handlangers zich naar den
hopman uit, om door zware koorden, ook zijne voeten te knevelen en er
den strik om te slaan, aan welken hij levend aan de galg zou worden
opgesleurd. Doch verbittering over den hoon, dien hij lijden zou,
ontstak het vuur der grimmigheid in zijn gemoed, en--eer de soldaten
hem nog aangrepen, deed hij een hunner door een krachtigen schop
ruggelings op den grond tuimelen, terwijl deze beweging met den
uitroep vergezeld ging:

--»Laat af, schurken! een eerlijk hopman met de hand aan te tasten:
wat wilt gij? doorboor mijn been, beul! en hang mij daaraan: maar weg
met die schandkoorden, die mij reeds de handen binden, omdat gij de
felheid van een wakker geus vreest.«

Maar door meer geweld besprongen, is iedere tegenstand verder
vruchteloos: weldra ligt hij op den grond geworpen, en zijn hevigste
pogingen kunnen niet verhinderen, dat de zware koorden zijne voeten
omknellen. Toch zwijgt hij niet; de ruwe mond, die vroeger, naar het
voorbeeld van den woesten grave Lumey, elken verdachten roomschgezinden
huisman deed beven; de mond, waarmede hij in zoovele vroegere gevechten
het: »leven de Geuzen! de dood aan den Spanjaard!« aanhief--die mond
kan ook thans niet stom zijn; tot het laatste oogenblik toe moet hij
getuigen, met wat gloeienden haat hij tegen de Spanjaards vervuld is.

--»Dat kunt gij, gespuis!« schreeuwt de overweldigde krijgsman, »gij
weet niet dan van hangen en stelen, omdat gij uit een rooversland
zijt: dat land stinkt van rakkers en henkers. Waagt het, geboefte! de
ruggen te ontblooten, en ik zweer, dat zij allen den geeselstriem of
't brandmerk dragen. Dat zijn me de soldeniers, die het volk van
Lumey zoo wakker afgeklopt heeft. Maakt dien arm eens los, en ik
zal u toonen, hoe 't mij nog niet mangelt aan kracht om 'tzelfde te
doen. Maar gij huivert er voor, voetknechten zonder eer! Tsa! gij
durft den kamp niet aan met Baptist van Trier....«

Maar wat baatte het den ongelukkige, zijne verbittering aldus lucht
te geven? Ook hij ondervond de waarheid van hetgeen Hooft schreef:
»De wraakgierigheid der gemisconteerden diende tot blaasbalg om
't vuur der Spaansche wreedheid te meer op te hitsen.« Met kracht
worden hem de voeten, waaraan men hem zal doen hangen, gebonden; ruw
en gewelddadig wordt hij de ladder opgesleurd, en--eenige seconden
later zagen Haarlem's verdedigers het schouwspel, waarvan zich ieder
al het verschrikkelijke kan voorstellen.

Doch wat men van den wal aanschouwde, dat zag de vrouwe Van
Duivenvoorde, dat zag Philippus de Koning van nabij; het tooneel
vertoonde zich bijna vlak voor hun oog. Eene vrouw zag het, zij, de
aanzienlijke, de moedige, de fiere, maar toch altijd de zwakke--de
vrouw. Geen geweld echter kon haar dwingen te zien; en haar oog sloot
zich dan ook. Wel hoorde zij het rumoer en spottend, ruw gelach;
wel hoorde zij, hoe iemand, wiens stem een hollen toon had, en die
uit eene beëngde borst scheen voort te komen, tartend schreeuwde en
schold en nu en dan uit de hoogte de kreten aanhief: »leve de dappere
Geus! dood en wraak over Spanje's gespuis!«--Maar zij zag niet, hoe
de ongelukkige daar hangend, door de kramptrekkingen zijner spieren
en zenuwen heen en weer werd bewogen; hoe het bloed uit al zijne
aderen met geweld naar het hoofd werd gedrongen; hoe het daar gestuit
werd, als een stroom door een dam, terwijl het aan den doodsbleeken
gelaatstint eene met paarsche strepen dooraderde vermiljoenkleur gaf,
en hoe de brandende oogen als uit hunne kassen werden gedrongen.

Zij zag het niet, en het was ook geen schouwspel voor eene vrouw, hoe
moedig, hoe onverschrokken. Maar De Koning zag het, en hij aanschouwde
het met alle stoïcijnsche koelheid en onversaagdheid. Tot nog toe had
hij gezwegen,--had hij met verachting het oog van de hem bewakende
soldaten afgewend en het strak en stijf op zijn rampzaligen makker doen
rusten. Maar nu zag hij ook Vallos tot zich naderen,--zag opnieuw de
toebereidselen der schandkoord, en weldra stond de beul met zijn te
vergeefs verkropt pijnlijk gevoel en zijn echt duivelsgezicht voor hem.

--»Zijne beurt, mannen!« zeide deze op krassenden toon, en nu wilden
de zoogenaamde krijgslieden hem insgelijks knevelen; doch De Koning
hun doel ziende, zeide bevelend:

--»Waar is don Frederik? Ik moet hem spreken.«

--»Dat is te laat,« antwoordde Vallos, »de galg wacht u.«

--»Te laat!« hernam de hopman, »gij hebt niet bang te zijn, dat ik
uwe bloedgierigheid zal ontslippen. Gij zult, met uwe noodhelpers,
uw beulsambt ook aan mij toonen: maar ik herzeg het--ik moet spreken
met don Frederik.«

--»Neen, ketter! wij hebben nog meer te doen; gij moet sterven:
soldaten, grijpt hem.«

Een der krijgslieden fluisterde nu aan Vallos iets in het oor; doch
luid en gramstorig antwoordde deze:

--»Wat gaat dat mij aan? Ik ken mijn plicht,--doet wat ik beveel.«

Nu staken eenigen de hand uit.

--»Neen!« zeide De Koning, »ik moet hem spreken; ik wil. Beulen of
soldeniers! want dat is hier één woord: zoo gij uw veldheer niet zegt,
wat ik wil, dan zult gij allen het boeten, zoo 't hem bekend wordt
uit den mond van een uwer.--Het is eene gewichtige zaak; dat zweer ik.«

--»Wat zoudt gij zweren, geus?« zeide Vallos, »denkt gij mij eene
kap om te hangen?--Voor het laatst, mannen! bindt hem.«

--»Bij mijne ziel! ik waag het niet,« zeide nu echter de een.

--»En ik niet,« liet een ander hooren.

--»Het is señor Frederik licht te zeggen, wat hij wil,« sprak een
derde, »hij is toch geen mijl van hier.«

En de een zag beurtelings op den anderen. Het was een wantrouwende
blik, dien zij opsloegen. Als het eens zoo ware, wat de gevangene
zeide, en als een hunner het zich eens liet ontvallen. Allen kenden
Frederik: van Vallos hadden zij weinig te vreezen; van hem alles.

--»Vervl...., ga dan tot hem, Lopes!« zeide nu Vallos, wrevelig en
kwaadaardig, »maar wee u, ketter! zoo gij uwe straf slechts hebt
willen vertragen: dan zal ik het wreken op uw vleesch en been.«

Een blik, die de hoogste verachting en tevens fierheid uitdrukte, was
het antwoord, en De Koning wendde nu dien blik naar dien kant heen,
waar zich Frederik bevond.

--»Mij spreken? wat wil hij? heeft het hem daartoe gisteren en
eergisteren aan tijd ontbroken?«

--»Het zal eene rilling voor den doodstrijd wezen,« merkte Marco,
ijskoud grimlachende, aan, »dat zijn muiterstreken, waarbij niets te
winnen valt.«

--»Het laatste kon mogelijk zijn,« sprak Francisco de Valdes, die
evenmin Marco's vriend was, en waar hij kon, de gelegenheid niet
liet slippen, om hem die gezindheid te doen gevoelen, »maar wat het
eerste betreft, geloof ik, dat weinigen den dood zoo zeer verachten,
als deze hopman,--ik bedrieg mij zelden in eenig gelaat.«

--»'t Kan zijn,« antwoordde Marco, die alles begreep, wat er in dit
gezegde lag opgesloten, »ja, misschien hebt gij het in die kunst wel
het verst gebracht.«

--»Men brenge hem hier,« zeide nu Frederik, »maar neen, señor Marco! ga
gij tot hem en hoor, wat hij te zeggen heeft.«

Deze gehoorzaamde ijlings, en nauwelijks was hij bij den gevangene
gekomen, of op den toon van iemand, die al zijn overwicht gevoelt,
vroeg hij barsch:

--»Wat wilt gij?«

--»Zijt gij don Frederik?« vroeg De Koning, met eene trotschheid,
welke niet den ter dood veroordeelde, maar den vrijen man kenmerkte.

--»Wat waagt gij het, rebel! op dien toon van 's hertogs veldheer
te spreken. Señor don Frederik, mijn machtige neef, zendt mij. Wat
wilt gij?«

--»Wagen....« herhaalde de hopman op een toon, zoo spottend en stout,
dat Marco verbleekte, »wat waagt iemand, dien de dood toeft?.... Maar
of ik ook in vrijheid ware, ik zou geen anderen toon kennen. Don
Frederik is de veldheer van duizenden Spanjaards; Philippus de
Koning was het van honderden Nederlanders. En die don Frederik zijt
gij niet?....«

--»Carajo! wat wilt gij, rebel?....«

--»Ik wil spreken met don Frederik, en weigert hij, zoo zal 't hem
tot nadeel zijn.«

--»Hel en dood over hem!« riep Marco, terwijl hij hem ijlings den
rug toewendde, en zich weder naar zijn neef begaf.

--»Zulk een hoon, señor!« zeide hij, van woede bevende, »waagde nog
nooit een Spanjaard. Trots, smaad, spot!.... Bij de heilige maagd! voor
zulk een ketter en muiter is de wreedste dood nog genadig.«

--»En wat wil hij?«

--»U spreken, señor! niemand dan u; dat eischt hij trotsch en
onbeschaamd, en acht u met zich gelijk.«

--»Welnu, verhit u niet te zeer,« zeide Frederik, met den hem eigen
geveinsden glimlach, dien sommigen het meest duchtten, »zulk een
machtig man moet men niet voor het hoofd stooten. Men geleide hem in
den kring dezer ridders en edelen van Spanje.«

De hopman, door de soldaten vergezeld, verscheen.

--»Ik ben don Frederik,« zeide deze, »wat wilt gij van mij?«

--»Ik moet sterven,« was het antwoord, »dat is mij aangekondigd,
en gij weet dat een Hollander niet vreest voor den dood. Maar ik heb
eene vrouw, en de gedachte aan haar pijnt mij zwaar. 't Valt mij te
bitter, mijn vijand eene gunst af te vragen, en daarom wil ik die
koopen. Spreek, bevelhebber! zijt gij tot zulk een handel gezind?«

--»Welnu, laat eens hooren,« zeide Frederik, met dien zelfden glimlach,
»zoo er een goede koop valt te sluiten, dan moet men niet zien of de
man ketter, jood of Hollander is; en men zegt immers, dat de Hollander
bij elken koop of verkoop goede verzekering geeft?«

Verzengend was de blik, dien De Koning bij deze woorden op den
Spanjaard sloeg. Men kon het hem aanzien, dat er eene verterende vlam
in hem blaakte; doch nog sloeg ze niet in laaien gloed naar buiten;
nog bedwong hij zich.

--»Die vrouw heb ik kennis van iets te geven,« hernam hij, »en met
vijfhonderd kronen zal zij het betalen, zoo ge mij gelegenheid schaft,
dat ik een der mannen van Haarlem tot haar zend.«

--»Dat aanbod is niet kwaad,« zeide Frederik; »want wij hebben meer
dan één Haarlemmer in het leger, bijvoorbeeld: den eerwaardigen,
aanzienlijken heer deken der Kanunniken, Joris van Geervliet; of
zoo gij aan een achtbaar regeeringslid der stad de voorkeur geeft,
dan beveel ik u meester Van Groeneven aan. Hij heeft ons reeds
voortreffelijke diensten gedaan; zijn trouw is ons al meermalen
gebleken.«

Die sarcastische versmading was te groot, was te duldeloos voor De
Koning, bij het lot, waarin hij verkeerde, Adriaan van Groeneven! Niet
slechts bij de Haarlemmers--bij schier al de Nederlanders stond vooral
die naam geschandvlekt. Dat was eene felle verguizing. De Koning
zou geëischt hebben, dat op vrijgeleide, een eerlijk Haarlemmer uit
de stad naar het leger ware ontboden geworden. Dezen zou hij dan
den last aan zijne vrouw, tegen eene goede belooning, opgedragen
hebben, en de vijfhonderd kronen voor Frederik, zouden, in Gouda,
vooraf uitbetaald zijn geworden. Maar kon hij, na zulk een spot,
na zulk eene verguizing, thans dezen voorslag nog doen?

Dreigend sloeg De Koning eenige seconden lang het oog op don Frederik;
toen nam zijn mannelijk schoon gelaat eenige plooien aan, door de
werking van al zijne spieren en zenuwen teweeggebracht; toen sloeg
de blakende vlam naar buiten en met eene stem, waaraan hij vergeefs
de trilling zocht te ontnemen, zeide hij:

--»Ja, Spanjaard zonder eer! dat antwoord had ik moeten voorzien; maar
de grootste booswicht is wel eens geneigd tot iets goeds. Daar dacht ik
aan; maar ik heb mij bedrogen. Hier is het een altijddurend broeinest
van snoodheid; eeuwig loert hier de satan met valschheid en verraad.«

--»Bij St. Petrus! dat hij gepijnigd worde zonder eind,« sprak Marco,
ten halve hoorbaar.

--»Bij de heiligen, señor! dat gaat te ver,« riep de Portugees Lorenzo
Perea tot Frederik, »zulk een hoon van zulk een hond!«

Verscheidene der andere officieren gaven door houding en gelaat
hetzelfde te kennen.

--»Hoe, señores! dat beleedigt u?« zeide Frederik, »en het kan mij
niet beleedigen, hoezeer gij van den zoons des hertogs toch genoeg
weet, dat er eergevoel in hem woont. Laat den Hollandschen koopman nog
een oogenblik van spijt razen, omdat ik naar zijn zin, niet begeerig
schijn, een koop met hem te sluiten. Laat hem nog eene poos bijten
in den harden steen; zijne tanden zullen spoedig genoeg stomp zijn.«

--»Gij lacht, lafaard!« riep De Koning, »maar dit is de lach van
den booze tegen een kloek en rustig man. Spot te werpen op hem,
die in banden is, dat is armzalig en laag. Maar, aanvoerder van eene
talrijke moordbende! waag het eens, den aanvoerder van eene handvol
Hollanders vrij te maken van deze koord; geef hem zijn rapier eens
terug en stel u dan tegen hem: bij Oranje en bij Ripperda! zoo gij
dan niet van hem leert, wat een dapper man is....«

--»Dat zou mij misschien behagen,« zeide Frederik, zonder op de
driftige gebaren van Romero en Perea acht te slaan, »wanneer wij niet
reeds zoo dikwijls hadden doen blijken, dat, in het vrije veld, de
Spanjaard een hoop geuzen niet alleen overwinnen, maar ook verslaan
kan: en zoo het ons niet aan tijd ontbrak, zou ik door het opnoemen
der namen uw geheugen daarin te hulp komen.«

--»Vergeet dan ook Loevestein, den Briel en Bergen niet,« zeide De
Koning trotsch en fier. »Stel Mechelen, Zutfen en Naarden er tegen; of
sta ik hier niet voor Frederik en Romero, die in Naarden blijk gaven,
hoe de dapperheid in hun moordgeweer bestond? Foei, lafaard! dat gij
schroomt, u met een braven Hollander te meten; dappere moordhelden
van Naarden! Philippus de Koning tart u beiden; hij daagt u uit,
twee tegen een.«

Toen hij dit zeide, namen zijne oogen zulk eene vlammende, uittartende
uitdrukking, en zijne houding zooveel waardigheid aan, dat Valdez hem
met eene soort van bewondering gadesloeg. Maar Romero kon zijne woede
niet langer bedwingen. Bevend van gramschap, greep hij zijn rapier
aan, en toen met een paar forsche sprongen op den geboeiden hopman
aanstuivende, wilde hij hem zijn staal in de borst stooten. Maar
Frederik, de drift van den aanvoerder van het groene vendel kennende,
en zijne klimmende verbittering gadeslaande, had dit voorzien. IJlings
sprong hij tusschen hem en den hopman, en te gelijker tijd zijn
gebiedenden toon weer aannemende, zeide hij forsch:

--»Terug, señor! niet aldus.«

--»Gij duldt het dan, señor!« riep Romero, »dat 's konings officieren
door zulk een ellendigen hond gehoond worden....«

--»Als gij dat voor hoon acht,« zeide Frederik, »dan kleeft de zwaarste
wel op mij. En gesteld, dat gij het aldus rekenen kondt, wat schrale
wraak ware het dan, hem dood voor uwe voeten te zien vallen. Onze
wakkere hopman,« ging hij op zijn vroegeren toon voort, »zou wel
wenschen, dat de zon vandaag op die wijze voor hem onderging.--Ha,
ha! maar zoo zal het niet zijn.«

--»Dan dulde hij den schimp, die het wil,« sprak Romero, terwijl hij
het, door de drift losgeschoven verband van het uitgeschoten oog weder
op de plaats bracht, »bij Spanje's patroon! mij lust het niet, dien
voor scherts te verkroppen.« En gramstorig en met den voet stampende,
verwijderde hij zich uit den kring van officieren, terwijl Lorenzo
Perea van inwendige verbittering gloeide.

--»Romero!« riep nu De Koning hem achterna; »lafaard! wat gaat gij
daarheen? Bekruipt u de vrees voor een onweerbaar man? Kunt gij zijn
woord niet kroppen, zijn blik niet harden? Ha, booswicht! vlucht maar;
't verwijt van dien klank gaat u toch na. Een lafaard zijt gij,
een moorder....«

Zichtbaar ongeduld heerschte er intusschen onder de soldaten, welke
zich links en rechts in Vallos' nabijheid bevonden. Dat hoorde men
aan het rumoer, in den omtrek der verschansingen; dat vertoonde
zich het duidelijkst op de grimmige trekken van Vallos zelven,
die vergeefs den pijn aan zijn vinger poogde te verbergen. Opeens
echter werden aller oogen, naar den kant van Frederik gericht, tot
de galg heengetrokken. Verscheidene voeten boven den grond hingen
de hoofden van Kellenaar en Van Trier; doch dat van den laatste werd
gedurig heen en weder bewogen, en nu zag men van den eenen, dan van
den anderen kant eene kei aansnorren, met den blijkbaren toeleg, om
den ongelukkige te treffen, die nog niet afliet, zijne verbittering
en zijn haat in luide kreeten bot te vieren. En rondom de galg liep de
vervaarlijke dog van Vallos, met woeste sprongen heen en weder, nu en
dan bassende, of den aanrander zijns meesters nog de tanden toonende,
en dan weder wild naar hem opspringende, en telkens huilende, bij de
onmogelijkheid om den rampzalige te bereiken.

Terwijl De Koning daar nog in dezelfde houding stond, en slechts het
oogenblik tegemoet zag, dat aan de soldaten het teeken zou gegeven
worden, hem weg te leiden, beval Frederik aan Marco, dat hij Romero tot
hem zou terugroepen. Eenige seconden scheen deze te aarzelen bij de
batterij, waarheen hij zich begeven had, doch gewoon te gehoorzamen,
zooals hij wilde, dat men ook hem deed, volgde hij Marco, en nu weder
op de vorige plaats teruggekomen, zeide de bevelhebber:

--»Señor Romero! het wordt tijd, om aan dit tooneel een einde te maken;
gevoelt gij lust, u met den ketter te meten, en alvorens hij ter dood
ga, zijne laffe snorkerij te beschamen?«

--»Nooit, señor! was het antwoord, »eerder kruiste ik mijn rapier
met een mijner geringste soldaten; mijne kling zou voor eeuwig
bevlekt zijn.«

--»Moorder!« riep De Koning, »al uwe Santen kunnen haar in eeuwigheid
niet schoonwasschen: 't bloed van Naarden zal er op hechten tot in
den oordeelsdag.«

--»Wat mij betreft,« zeide Frederik op een tergenden toon en als
scheen hij op de woorden van den hopman geen acht meer te slaan,
»wanneer ik meer tijd had, zou ik uit dankbaarheid voor zijne fraaie
taal, hem de deugd mijner Toledosche kling eens doen gevoelen: maar
thans, señor Romero! draag ik die dankbaarheid op u over; ook gij,
señor Perea! schijnt er naar te haken:--welnu, ik stel den geus in
uwe handen: gij kunt hem uw dank doen gevoelen, op wat wijze gij wilt.«

--»Den hond in mijne macht, señor! gij hebt het gezegd,« riep Romero,
met vlammenden blik, »op mijne eer! dan zal hij eerst nu leeren,
wie Romero is.«

--»Binden wij hem aan de paarden mijner ruiters!« riep de wreede
Portugees Perea, »zij scheuren hem de leden vaneen.«

--»Dat is recht en gerechtigheid betoond,« riep Marco, om zijn neef
te vleien, »leve de Maestro del Campo, die aan gehoonde capitanes
wraak verschaft.«

--»Hij sterve als een hond!« riep Romero; »soldaten! voert hem
van hier.«

--»Laffe moordenaar!....« sprak De Koning; »ik vrees u niet....« En
hij wilde nog meer zeggen; doch zijne woorden werden door het woest
rumoer der soldaten overschreeuwd.

--»Mijne ruiters!« riep Perea.

--»Neen!« zeide Romero, »zóó moet hij niet sterven. Ik heb hem een
anderen dood toegedacht. Soldaten, voort!«

--»Mijne ruiters, zeg ik!« sprak Perea, »dat zij hem de leden
vaneenrukken!«

--»De bevelhebber gaf hem in mijne macht,« liet Romero hooren.

--»En in de mijne,« hernam Perea, »onze rechten staan gelijk.« En
bijna ware er tusschen hen nog twist ontstaan over het hun wederzijdsch
toegestane recht. Bloedig denkbeeld! nog twist over de wijze, om iemand
den wreedsten dood te doen sterven, evenals gold het de verdeeling
van een kostbaren, door twee menschen gevonden schat. Evenwel, dit
verschil duurde niet lang. Volgens de gewoonte der Spanjaarden, om
sommige twistpunten door een muntstuk te vereffenen, besliste hier
een bisschopsgulden en--het lot van den gevangene was in Perea's hand.

--»Mijne ruiters!« riep hij nu op driftigen, bevelenden toon, en
stapte haastig naar de verschansing, terwijl hij en Romero, zooals
zij daar gingen, de wraakdemons voorstelden, van welke Vondel in zijn
Lucifer ons een tafereel geeft.

--»Wraak!« riep Baptist van Trier, toen men ter zijde van de galg
voortstapte, waar hij met pijnlijke trekkingen, de leden wrong,
»wraak voor Haarlem, voor Holland! de dood aan den beul!«

--»Die razende koorts zal nog lang duren,« sprak Perea, »maar 't is
jammer, dat hij niet zien zal, hoe het dat muitersnest zal vergaan.«

--»Een tweede Naarden,« grijnsde Romero, »dat zweer ik.«

--»Zoo waarachtig als er een God leeft!« liet De Koning hooren,
»voor u, Spaansch gebroed! zal dat Haarlem het kerkhof zijn.«

Op dit oogenblik voegde zich Vallos bij het geleide der soldaten, en
men kon de pijnlijke gramschap op zijn afschuwelijk gelaat zien--de
gramschap, dat hem een offer, hetwelk hij reeds in zijn klauw
gehad had, ontscheurd werd. Maar zoo hij al zelf deze strafoefening
niet plegen zou, dan toch wilde hij bij de uitvoering door anderen
tegenwoordig zijn, en--bij zich zelven vloekende, snelde hij mede
naar de plaats van het tooneel.

--»Wat wilt gij señor?« vroeg hij, alsof hij het eigenlijke voornemen
van Perea nog niet volkomen had doorzien.

--»Gij zult het zien,« was het antwoord; en Perea vervolgens eenige
zijner ruiters toeroepende, beval hij twee hunner, op wreed laconieken
toon, het lichaam van De Koning door middel hunner paarden van elkander
te rukken.

--»Par los Santos, (Bij de heiligen) señor! daartoe zullen twee paarden
niet genoeg zijn,« sprak Pedro, een hunner, »de ketter schijnt hard
van been en sterk van spieren te zijn.«

--»Neem er dan vier!« zeide Perea, »sterven moet de ellendige muiter;
maak spoed, ik beveel het.«

In een oogenblik hadden de ruiters van den Portugees zich van
koorden voorzien, om den hopman op de gewelddadigste wijze te
doen sterven. Perea was opgetreden als wreker van al de gehoonde
Spaansche officieren--Perea had het bevolen; en wanneer bevelvoerders
aan hunne soldaten den vrijen teugel geven, dan zijn deze aan de
ontvonkte kruitslang gelijk, waarvan het vuur, in allerlei bochten
en kronkelingen, van den kop tot aan den staart des ondiers voortloopt.

--»Par los Santos! gij zult hem de ribben hooren kraken,« zeide Pedro,
»mijn Andalusiër springt het vuur uit den neus.«

--»De dood aan de rebellen!« klonk het, terwijl sommigen zich reeds
in een kring groepeerden, om de toebereidselen tot de strafoefening
te aanschouwen. De paarden trappelden en brieschten, en dit geluid
klonk als dat van het wilde ros van Mazeppa in de woestijn; het
was, alsof de edele dieren terugsteigerden voor het gruwelijk werk,
waartoe zij zouden gebezigd worden.

Reeds maken een paar ruiters zich gereed, om De Koning aan te grijpen,
en de koord aan zijne ledematen vast te snoeren.

--»Eervergeten booswichten!« sprak hij, »zóó zult gij mij doen
sterven! Het zij zoo: ik sidder niet voor dien dood; maar ik huiver,
dat er op de wereld zulke monsters bestaan, als gij zijt. God, dien
gij niet kent, zal u straffe zenden; en dit voorspel ik: de mannen
van Haarlem zullen mij wreken, eer morgen de zon ondergaat.«

--»Zwijg, ketterhond!« sprak Perea, »wat zouden die rebellen
zich wreken? En wat doen zij anders dan hangen, die zij in handen
krijgen? Dat hebben zij nog korts aan den soldenier Van Frundsberger
getoond, nadat zij hem verraderlijk binnen de poort hadden gelokt. Het
is, zooals de Schrift zegt: oog om oog, tand om tand.«

Wat Perea daar zeide, was niet gelogen. Een soldaat der Duitschers
namelijk, in den nacht van den tienden Januari, verdwaald zijnde,
kwam aan de Spaarnwouderpoort, en meenende, dat hij bij Amsterdam
was, werd hem zulks op zijne vraag bevestigd, waarna hij de poort
binnengelaten werd, doch zijne lichtgeloovigheid reeds den volgenden
dag met den hals boeten moest. Het was door Adriaan van Groeneven,
dat dit voor Frederik's soldaten geen geheim gebleven was.

--»Ja, Nombre de Dios! (In den naam van God!) zóó moet hij sterven,--de
ellendige geus.« riep Lorenzo Perea, en vervolgens zijne stem
verheffende, beval hij: »Gaat voort, ruiters van Perea!«

Thans grijpen een paar hunner den hopman aan, en het oogenblik schijnt
gekomen, dat men diens leden krakend vaneen zal zien scheuren. Maar
een machtiger Wezen dan de mensch scheen wel een droevig levenseind,
echter niet dit lot over De Koning besloten te hebben. Opeens doet
zich van Haarlem's wal eene losbranding hooren; de busschieter Leonard
Joosten heeft ze bestuurd en--een zware ijzeren kogel wordt onder
het midden der beulen geworpen. Onder een rauwen kreet tuimelen twee
der handlangers zwaar gewond neder, en aan Pedro wordt letterlijk het
hoofd weggenomen, zonder dat De Koning, dien hij reeds had aangevat,
door de uitwerking van het schot in het minst beschadigd wordt. Uit
het midden der Spanjaarden laat zich een kreet van schrik en uit den
mond der ruiters een zware vloek hooren: doch geen tien seconden zijn
verloopen of eene tweede losbranding van den wal doet andermaal een
der ruiters nedertuimelen, en nu klinkt het eenparig, dat dit tot
straf is voor den ontmenschten dood, dien men den geus wil aandoen.

--»Gaat voort,« beveelt Perea; doch allen weigeren te gehoorzamen en
verklaren uit één mond, dat het herhaald treffen van het vijandelijk
geschut een waarschuwend teeken is, om niet met deze strafoefening
voort te gaan.--Niet slechts fanatiek, maar ook bijgeloovig in den
hoogsten graad, schijnt nu Perea zelf met dit gevoelen in te stemmen;
althans hij beveelt niet andermaal, met het vonnis voort te gaan; maar
terwijl hij van toorn op den grond stampt, roept hij met verbitterde
krachtige stem: »Dan sterve de muiter een anderen dood!«

--»Ja, sterven moet de hond!« liet Romero hooren, »dat zweer ik,
en de muiters in Haarlem moeten weten, hoe het den aanleider van het
ontzet vergaan is.«

Nu riep hij Vallos tot zich, en na eenige woorden met den beul te
hebben gesproken, verwijderde zich deze, terwijl hij halfluid de
woorden mompelde: »ik dacht wel, dat het zonder mij tot geen eind
komen zou.«

Op zijn bevel, door Romero bevestigd, volgden nu een viertal soldaten,
met den gevangene in hun midden, den beul, die zich thans naar de
plaats begaf, waar hij het leven van den ongelukkige meer bepaald
in zijn handen had.--Wij volgen hem niet derwaarts; want Perea's
en Romero's handeling toont duidelijk genoeg, welk schouwspel thans
daarginds plaats greep.

--»Pizarro!« zeide de Portugees, na met Romero gesproken te hebben,
tot een zijner ruiters, »haal mij uit de tent van capitan Mugnos
spoedig schrijftuig.«

Gezwind werd aan dezen last voldaan, en nu schreef Romero, die,
wegens zijn lang verblijf in de Nederlanden, het Hollandsch vrij
duidelijk sprak en schreef, het volgende neder:


    »Dit is het hoofd van kapitein Philippus de Koning, den
    ongelukkigen aanvoerder zijner soldaten, tot ontzet van de stad.«


Geen kwartieruurs was na het verrichten dezer taak verloopen, toen
de walverdedigers zagen, hoe een Spanjaard, op het blokhuis twee
voorwerpen in de hand hield, en sommigen ontwaarden duidelijk, dat
het eene een slinger was. In dien slinger zagen zij hem een voorwerp
leggen, en hem vervolgens eene honende beweging maken, met den
uitroep vergezeld, »daar, geuzengebroed!«--IJlings richt men eenige
musketten op hem; doch in plaats, dat de Spanjaard getroffen wordt,
maakt deze andermaal eene forsche beweging met den arm; toen giert er
een voorwerp, met eene krachtige hand weggeworpen, door de lucht heen;
opnieuw laat zich eene honende kreet hooren, en een paar seconden
later valt, bij de Kruispoort, het weggeslingerde voorwerp voor de
voeten der Haarlemmers neder: dat was het hoofd van den ongelukkigen
aanvoerder van het ontzet.



DERDE HOOFDSTUK.


Behalve dat de Haarlemmers eene even geduchte en bloedige wraak
zwoeren, toen zij het hoofd van den hopman voor hunne voeten zagen
geworpen, klonk intusschen van iedere batterij het bevel, om den
belegeraars van alle kanten met de slangstukjes te bestoken.

Het spreekt vanzelf, dat dit door de vijanden niet lang onbeantwoord
werd gelaten, hoezeer deze zich sinds den laatsten storm al meer
en meer door het opwerpen van nieuwe schansen voor den aanval
der verdedigers hadden gepoogd te dekken. In een oogenblik waren
de Spaansche artillerie-officieren bij hunne slangstukken en de
losbarstingen klonken weer evenals de vorige dagen langs het Spaarne
en Haarlem's omstreken, ten teeken, dat de dagelijksche vernieling
van vriend en vijand weder herhaald werd.

Het geschutgedonder evenwel kon don Frederik niet terughouden van de
uitvoering van zijne plans met de vrouw van Van Duivenvoorde.

In zijne tent was Magdalena op zijn bevel verschenen, en voor den
ingang stonden Vallos benevens een drietal soldaten bij het werktuig,
waarvan wij geene beschrijving zullen geven, daar het woord pijnbank
reeds genoeg is, om ons het voorwerp in al zijn deelen en onderdeelen
levendig voor den geest te brengen.

Op een stoel in de prachtige legertent lag het capitansgewaad,
dat Magdalena in hare vlucht behulpzaam had moeten zijn, doch dat
thans wellicht het middel zou kunnen wezen ter ontdekking van haren
helper. Eenige officieren bevonden zich derhalve, op Frederik's bevel,
insgelijks in de tent, en het zal wel geene vermelding behoeven,
dat ook de hatelijke Marco onder dat getal was. Noodzakelijk is het
daarentegen, den lezer aandachtig te maken, dat don Pedro de Venavides
insgelijks te dezer plaatse geroepen was, en wij moeten dit vooral
dáárom zeggen, omdat de edele Spanjaard nu een wensch vervuld zag,
dien hij, zoodra het Magdalena gold, toch zou hebben gepoogd te
bereiken, hoewel hij misschien dan eene minder goede houding zou
hebben kunnen aannemen. Begrijpen zal men, waarom don Frederik ook
Venavides tegenwoordig deed zijn.

--»Señores!« sprak hij, »gij allen weet, hoe deze vrouw gepoogd
heeft te ontvluchten, en hoe Lorenzo Gonzales, dien ik den rang van
anspessado schonk, haar zulks verhinderd heeft. Ongerijmd ware het,
haar voor die poging te willen straffen; want wie zou de vlucht niet
zoeken en aangrijpen, wanneer hij in banden was? Maar er is mij ten
hoogste aan gelegen, den schuldige te kennen, die haar daarin de hand
heeft geleend; want zoo waarachtig als ik leef, deze moet een vijand
des konings, een samenzweerder met de rebellen zijn. Is er iemand
uwer, die in dit opzicht mijn gevoelen niet aankleeft? Dat hij dan
spreke en mij zijne gronden blootlegge.«

Een stilzwijgen van eenige seconden greep na deze woorden plaats;
de officieren hielden beurtelings op elkander de oogen, sloegen
ze nu eens op Frederik, dan weder op het bleek gelaat van vrouwe
Van Duivenvoorde, en ieder dacht reeds, dat niemand een woord zou
spreken, toen Venavides en Valdez beiden daartoe beweging maakten,
en de laatste zich aldus hooren liet:

--»Het schijnt mij als geheel onbewezen toe, señor, dat de helper
dezer vrouw juist een van 's konings officieren zou zijn. Hoevelen
bevinden zich niet in uw leger voor Haarlem, die geen Spanjaarden
heeten: waarom zou hij niet evenzeer een Hollander kunnen zijn?«

--»En deze kleeding van een capitan?....« hernam Frederik, »hoe zou
zij in handen van een Hollander gekomen zijn?«

Gedurende een tiental seconden zweeg men nu weder. Plotseling echter
nam Pedro de Venavides het woord op en zeide:

--»Ook schijnt het mij toe, señor, wie ook de helper dezer vrouw zij,
dat hij daarom geen vijand van den koning of een samenzweerder met
de rebellen behoeft te zijn.«

Aller, op Venavides gewende blikken namen bij deze woorden eene
uitdrukking van verbazing aan. Niet zonder reden! Dat was een gezegde,
zoo stout, zoo veelbevattend, dat hij, die het durfde uiten, een edel
en onverschrokken man als Venavides moest zijn. Dat waren geene woorden
van fluweel of zijde, noch los daarheen geworpen, maar woorden, die
ieders aandacht trokken als een ongewoon luchtverschijnsel,--woorden,
welke hen verbaasden, die ze hoorden, omdat zij wisten, wie Frederik
was, en hoeveel te meer moeten ze dus het karakter van Venavides doen
bewonderen, daar hij de man was, welke voor Magdalena zoo gaarne de
reddende engel zou geweest zijn.

--»Versta ik u wel, señor?« zeide Frederik, een scherpen blik op hem
slaande. »Wie ook; legt gij al den nadruk op dat woord; gij meent dus,
al ware ook een Spanjaard uit het leger, al ware een van u allen,
al waart gij die helper geweest?....«

--»Gij hebt mij wèl verstaan, señor!«

--»En een zoodanige zou dan geen vijand van den koning of geen
samenzweerder der rebellen zijn?«

--»Gelijk ik zeide, señor! zoo schijnt het ten minste mij.«

--»En mij, señor Venavides! schijnt het toe, dat denzulken recht zou
geschieden, wanneer hij als verrader gestraft wierd. En, wie hij ook
zijn mocht, al ware het mijn broeder, als verrader zal hij gestraft
worden, dat zweer ik. Hoe het intusschen zij, niet nu, maar wellicht
nog dezen dag zal ik u eene nadere verklaring vragen van hetgeen gij
gezegd hebt. Ik ben benieuwd naar grondstellingen, zooals er op de
hoogeschool van Burgos voorzeker wel nooit zullen aangekleefd zijn.«

--»Ik ben ieder uur bereid, señor, u die te doen hooren, in
tegenwoordigheid van al de ridders van Castilië, in tegenwoordigheid
van ieder, die als krijgsman den degen voert, zelfs in het bijzijn
van den koning;« bij dit laatste woord bracht hij de hand aan zijn
vederhoed, terwijl hij eene kleine ridderlijke buiging maakte voor
don Frederik.--

Een paar der officieren, welke Venavides geen gunstig hart toedroegen,
hadden wel gewenscht, dat don Frederik die verklaring thans gevraagd
hadde. Deze echter wendde zich ijlings tot Magdalena, en al het
forsche van den krijgsman met het scherpe en strenge van den rechter
vereenigende, zeide hij:

--»Voor het laatst, en in tegenwoordigheid dezer ridders en edellieden
vraag ik u, of gij den man zult noemen, die medeplichtig geweest is
aan uwe vlucht.«

--»Den Hollandschen naam moet wel overgroote laster gedaan zijn en
veel euvels aangetijgd,« antwoordde Magdalena fier en vastberaden,
»dat de Spanjaard den Hollander tot zoo eene laagheid in staat rekent,
om verrader te wezen van wie hem ter hulpe is geweest. Mogelijk, dat in
Nederland lieden worden gevonden, bekwaam tot zulk een bestaan; maar,
gewis dezulken zijn dan ontaard van hunne afkomst; want het doorgaand
karakter van den Nederlander is dankbaarheid voor betoonde dienst. Bij
velen is pijn of dood niet machtig genoeg, om de dankbaarheid te
verstikken, en eene derzulken ziet gij in mij. Bevelhebber van 's
konings leger voor Haarlem! gij vordert, dat ik den man zal noemen,
die zijn leven voor mij opzette; gij dreigt mij met pijn en dood, en
hebt mij alreeds den blik doen slaan op het schandtooneel; maar weet,
dat mij niets kan bewegen tot zoo snood bedrijf. Laat mij pijnigen;
eene vrouw kan alzoozeer smart verduren, als een moedig man. Nimmer
zal van mijne lippen komen, wat gij van mij afeischt: dat herhaal ik
met vastheid.«

Wanneer de onderscheidene Spaansche officieren niet tegenwoordig waren
geweest, zoude Frederik niet hebben vergund, haar antwoord op zijne
korte vraag in dier voege in te kleeden. Thans echter wilde hij niet
den despoot, maar den man voorstellen, die het zwaard der strengheid
niet aangrijpt, dan na het middel der strafontduiking gegeven en het
geduld te hebben laten uitputten. Beurtelings had hij het oog nu op
Magdalena, dan op Venavides geslagen; doch beider gelaat verried geen
zweem zelfs van bekendschap, veel minder van verstandhouding, en Marco
meende reeds, dat hem ook thans de gelegenheid tot wraak ontgaan zou.

--»Zulk eene hardnekkigheid zag ik nooit,« sprak Frederik. »Gij
hoort het, señores! tot wat dweperij deze ketters in staat zijn:
dat zijn uitbroeisels van die buitensporige en verderfelijke leer,
welke als een pestvuur door 's konings landen woedt en alles smet,
wat zij aanraakt; dat zijn uitspruitsels van den giftboom, die met
wortel en tak had moeten uitgeroeid worden.« En dit zeggende, liep
hij, met een grimmigen blik op Magdalena en met driftige stappen, de
legertent een paar malen op en neder. »En,« vervolgde hij, vlak voor
haar stilstaande, »wanneer ik u, als veldheer, mijn woord geef, dat
de schuldige niet met den dood gestraft, maar slechts uit 's konings
leger zal verwijderd worden, zult gij dan nog weigeren, hem te noemen?«

--»Evenzeer,« was het antwoord, »of gij mij ook toezegging gaaft,
dat geen haar van zijn hoofd zou gekrenkt worden, toch zou ik mijn
besluit niet herroepen.«

--»Bij St.-Peter! dat gaat te ver,« riep Frederik, en de naam van
den beul »(Vallos!)« kwam op zijne lippen; doch nog bedwong hij
zich. »Dat gaat te ver!« herhaalde hij, »maar gij zijt eene vrouw,
en eer ik straf, wil ik den laatsten weg van zachtmoedigheid en genade
inslaan. Zoo gij dien ook veracht, dan moogt gij barmhartigheid zoeken
bij de heilige moeder Gods.«

--»Vrouwe Van Duivenvoorde!« vervolgde hij met nadruk, en zonder de
vorige strengheid, terwijl hij èn op haar èn op Venavides tegelijk een
blik wierp, »uw vonnis, dit weet gij, is geveld; de pijnbank wacht u,
en daarna de onteerendste dood. Maar dit zeg ik u in tegenwoordigheid
dezer officieren van Zijne Majesteit; ik, don Frederik, zal u de
genade betoonen, die in mijne macht staat. Gij noemt mij den naam
van den schuldige, en zoo waarachtig als ik de zoon ben des hertogs
van Alva, zoo waarachtig zult gij leven en vrij zijn; nog dezen dag
zult gij ongedeerd binnen Haarlem uw gemaal terugzien.«

Nog sprak hij, toen er reeds een gefluister en gemompel onder de
officieren plaats greep. Deze had een dergelijk voorstel verwacht,
te meer daar de belegerden toch het hoofd niet zouden buigen: gene
twijfelde bijna niet, of de vrouwe Van Duivenvoorde zou dit middel tot
hare redding aangrijpen; de een spitste reeds de ooren, om den naam
des medeplichtigen op te vangen; een ander dacht, hoe zij misschien
iemand noemen zou, op wien toch geen verhaal was; en wie Venavides
gelaat op dat oogenblik nauwlettend had gadegeslagen, zou er een zweem
van spanning niet van verwijderd hebben gezien.--Dan, men verbeelde
zich de verbazing der meesten, toen Magdalena aldus antwoordde:

--»Don Frederik! zoo waarlijk als ik leef, tegen dezen prijs minst
van al. Ik zou zoo snood te werk gaan, dat ik mijn helper in een
afgrond stortte, om zelve buiten banden te geraken, 't Is waar, de
bekoring is groot; zoo ik hen, die mij lief zijn, terug kon zien,
maar.... nimmermeer zou ik mijn oog durven opheffen; wroeging zou mij
najagen, waar ik gaan mocht of staan, en alle zoet zou met bitterheid
zijn vermengd voor altoos. Neen, dat in eeuwigheid niet: geen geluk
tegen zoo een prijs.«

Terwijl zij dit sprak, had haar bleeke tint den blos der
verontwaardiging aangenomen; bij die verontwaardiging voegde zich eene
fierheid, die aan menig Spaansch ridder achting en eerbied afdwong;
de gevangene vrouw stond daar, alsof zij vrij ware; zij schitterde
daar als een diamant, en zou die dof worden of als eene glasscherf
verbrijzeld?

--»Dan kome uw bloed over u zelve,« riep Frederik als een tweede
Pilatus, »dan wasch ik mijne handen in onschuld. Kennen wil ik den
schuldige, die als vijand des konings samenspant met de ketters en
muiters van Haarlem.--« En nu weder met driftige stappen voorbij
Magdalena gaande, die rustig het oog op hem geslagen hield, zeide
hij forsch: »Vallos, sla de hand aan haar!»

Maar niet zoodra trad de verachtelijke beul een voetstap nader,
om als een hond op staanden voet aan het bevel te gehoorzamen, of
Frederik gebood hem, weder terug te gaan, en zich vervolgens naar den
stoel begevende, waarop het capitansgewaad lag, zeide hij halfluid:
»Alvorens nog dit:«

--»Wie van u, señores! draagt kennis aan deze kleeding?« vroeg hij,
en hield nu een streng en scherp oog op allen, duidelijk te kennen
gevende, dat zijne vraag ieder hunner in het bijzonder gold.

Niemand antwoordde echter: slechts een fluisterend gemompel liet
zich hooren, en half verstaanbaar onderscheidde men van een hunner
de woorden: »wat gaat het voor den satan mij aan?« Oogenblikkelijk
wendde Frederik een donker dreigenden blik naar dien kant heen, en
de woorden: »wie vermeet zich?« kwamen hem op de lippen; doch niet
zeker zijnde, wie dezen uitroep gewaagd had, vergenoegde hij zich
met een paar seconden, gramstorig, naar dien hoek heen te staren.

--»Is u dit gewaad bekend, señor Auecia?« vroeg hij nu dezen, met
het blijkbaar doel om langs de rij af te gaan.

--»Als het eene schilderij ware, señor!« was het half grimlachende
antwoord van Auecia, die ook later schandelijk toonde, een liefhebber
van schilderijen te wezen, »dan zou het mogelijk zijn: maar thans
verklaar ik, niet te weten of te gissen, van wien het zij.«

--»Geene scherts, señor!« zeide hij gramstorig, »vooral nu duld ik
die niet.«

--»En gij, señor?« vroeg hij nu aan Illaves, die volgde: doch ook
diens antwoord was ontkennend.

Thans werd dezelfde vraag aan Francisco de Valdez gedaan, en deze
waagde het, vrijmoedig te antwoorden:

--»Ik heb er nooit behagen in gevonden, señor, de kleeding eens mans
nauwlettend gade te slaan; meer betracht ik den mensch, in welken
dos ook. Ik verklaar dus op mijne eer, dat het mij spijt, u geene de
minste inlichting te kunnen verschaffen.«

Terwijl hij dit zeide, ontmoette hij toevallig of met opzet de oogen
van Marco, en terwijl hij er kwaadaardigen spot in meende te lezen,
namen de zijne eene uitdrukking van minachting en wrevel aan: dezen
keer echter ontging aan beider lippen geen woord.

Ook de overige officieren gaven te kennen, dat zij aan de kleeding
geen eigenaar konden toewijzen; en nu werd de vraag ook aan Venavides
gericht, die op een na de laatste van de rij was.

--»En gij, señor!« vroeg Frederik met eenigen meerderen nadruk op
dat woord gij, als wilde hij, dat aller aandacht bijzonder op dien
ridder gericht wierd, ten einde hem bij zijn antwoord te eerder in
verwarring te brengen.--Maar noch verwarring, noch verlegenheid was
bij Venavides zichtbaar, en hadden allen zich over zijn vorig gezegde
verbaasd.... hetgeen hij thans sprak, deed ieders verbazing de hoogste
verstomming worden. Te edel om zich door eene onbeschaamde logen
te redden, bezat hij genoeg ridderlijke koenheid om een antwoord
te geven, waarvoor allen, Valdez misschien uitgezonderd, zouden
teruggedeinsd hebben.

--»Señor!« sprak hij ernstig, terwijl er eene edele waardigheid in
zijne blikken straalde. »Het was op de krijgsschool te Burgos een
der eerste grondregels: »»gehoorzaam.«« Bij de andere plichten van
den krijgsman heb ik ook dien in mijn gemoed geprent, of liever ik
was zoo ten volle van deszelfs gewicht doordrongen, dat de grondregel
vanzelven in mijn gemoed werd gegrift. Maar op mijn eer! ik weet ook,
tot hoever die gehoorzaamheid zich uitstrekt. Ik weet, wat plicht
er als ridder en als krijgsman op mij rust; dien plicht heb ik tot
heden heilig gehouden, en zal hem nimmer zoeken te schenden. Maar waar
men van den ridder en krijgsman iets vordert, wat buiten dien kring
ligt, daar durf ik de eerste zijn, die er zijne stem tegen verheft,
schoon het mij dan ook gunsten moge doen derven, ja schoon het den
wrevel en weerzin van den bevelhebber op mij moge laden.--Ik acht
het dus geenszins mijn plicht te vergeten, wanneer ik bescheiden,
maar rond en onbeschroomd tevens, verklaar dat ik op deze vraag het
antwoord schuldig blijf.«

--»Welk eene vermetelheid!« fluisterde de een.

--»Dat is grenzenloos!« mompelde een ander.

--»Hij weet meer dan hij zegt,« beet een derde dengene, die naast
hem stond, in het oor.

Maar niet allen konden het zich verklaren, dat Frederik na deze
taal niet in gramschap losbarstte, dat hij Venavides niet beval,
den degen af te leggen, en dat hij slechts antwoordde: »Zeer wel,
señor, ik heb u verstaan!«

Doch toen hij zich nu tot den laatsten capitan keerde, greep er een
tooneel plaats, hetwelk misschien niemand voorzien had. Scheen al
don Frederik zijn toorn te verkroppen, geenszins was dit met Marco
het geval. Plotseling kwam er een trek van teleurstelling en spijt
op zijn gelaat, en een halven stap van de plaats aftredende, waar
hij zich bevond, zeide hij op duidelijk hoorbaren toon:

--»Als de kleeding niet aan señor Venavides past, dan past zij geen
mensch.«

Dat hoorde Venavides; en het te hooren en snel voorwaarts te springen,
was ééne beweging. Zoo schiet een moedig paard, wanneer het de
spoor in zijne zijde voelt dringen, schichtig van de plaats af,
en vuurstralen rollen uit zijne oogen.--De ruimte der tent was niet
groot, Marco slechts een viertal schreden van den ridder verwijderd
en al hadde Frederik's neef kunnen terugdeinzen, dan zou Venavides er
hem den tijd niet toe hebben gegeven. En nauwelijks is hij onstuimig
en verbitterd op hem aangesprongen, of Venavides' hand heft zich
schuins naar de hoogte en brengt vervolgens Marco een zoo forschen
slag in het aangezicht toe, dat hem het vuur uit de oogen schijnt te
springen, terwijl deze geweldige aanval met de woorden vergezeld gaat:

--»Ellendige lafaard! bewijs wat gij zegt en neem voldoening over
dezen hoon.«

Oogenblikkelijk zag men Marco's linkeroog, waarop de slag met zooveel
kracht aangekomen was, opzwellen, en tegelijkertijd sprong er een
straal van donker bloed uit zijne neusgaten, waardoor don Frederik's
tent bespat werd. Een doffe kreet van woede gaf minder het gevoel van
pijn, dan zielesmart over deze diepe verachting te kennen. Op dien
kreet volgde een vloek; doch toen Marco, zonder er de kracht toe te
hebben, als een gewonde buffel op zijn aanrander wilde losstormen,
toen schoten Valdez en drie andere officieren tusschenbeiden, terwijl
Frederik tegelijkertijd donderend hooren liet: »wie nog eene hand
uitsteekt, dien zal het als Bracamonte vergaan!« bedoelende hij met
dezen een Spaansch officier, wien zijn rang was ontnomen geworden.

--»Señor!« sprak Venavides, die thans onbewegelijk als eene zuil stond,
doch tevens eerbied en ontzag inboezemende, »vergeef mij, dat gerechte
gramschap mij vervoerde, om in uwe tent aan dien nietswaardige de
hand te slaan. Thans heb ik mijn plicht overtreden; maar schoon
gij ook mijn degen moogt eischen--ik stel hem gewillig in uwe hand,
nu ik den ellendeling getuchtigd heb, zooals hij verdient.«

--»Wraak!« riep Marco, wiens lippen sidderden, en wiens tanden op
elkaar knarsten, terwijl tusschen zijne gelaatstint en het waas
van een lijk geen onderscheid was: »laat mij los, zijn dood of de
mijne! dat bloed moet door bloed worden uitgewischt!« En met kracht
zocht hij zich aan hen te ontworstelen, die, door hem terug te houden,
een nog heviger tooneel wilden voorkomen.

--»Neen!« zeide Frederik tot Venavides, »nog behoudt gij uw degen;
over uwe straf zal ik nader uitspraak doen.« Thans zich tot Marco
wendende, zeide hij streng:

--»Naar uwe tent, señor! ik beveel het u.«

--»En hij zal mij geene voldoening geven voor die beleediging,
señor? Bij God! eer ik die ongestraft dulden moet, stoot ik mij liever
mijn rapier in de borst,« schreeuwde Marco, en zijne vuist greep,
krampachtig bevend, naar zijn degen, terwijl hij krassend uitriep:
»wraak! dood!«

--»Dat hij bewijze, wat hij gezegd heeft,« sprak Venavides, »en nog
dit uur geef ik hem gelegenheid, om den hoon af te wasschen met mijn
bloed: maar zoo hij niet bewijst, dan zal ik hem slaan als een hond,
waar ik hem aantref.«

Bloedige tooneelen zouden er plaats hebben gegrepen, ware dit gebeurd
buiten don Frederik's tent, zonder zijne tegenwoordigheid. De hatelijke
Marco toch had evenzeer zijne vrienden en vijanden als Venavides,
en de beschuldiging was niet minder zwaar, dan de daarover genomene
straf. Ontzag en vrees echter voor Frederik hielden thans de beide
partijen terug om Marco's of Venavides' zijde te kiezen, en op een
tweede bevel van den legervoogd verwijderde zich de eerste naar zijne
tent, terwijl hij nog andermaal een schier wanhopenden blik op zijn
vijand wierp en tegelijkertijd een wraakkreet uitstiet.

Welke tooneelen voor eene vrouw! tooneelen waarvan zij zelve de
aanleidende en toch onschuldige oorzaak was. En nog viel de gordijn
niet; nog moest er een bedrijf volgen, waarin de ontknoping zou plaats
grijpen,--een bedrijf, dat huiveringwekkend en stout, maar niet minder
edel en groot zou zijn.

--»Vervloekt zijt gij,« sprak nu Frederik, zich tot haar keerende,
»die er de schuld van draagt: hardnekkige, gij weigert dan nog,
den verrader te noemen die aan uwe vlucht de hand heeft geleend?«

--»Mijn besluit is onverwrikt,« was het antwoord, »doe mij vrijelijk
pijn en dood ondergaan; maar den edelen man, die mij tot hulpe was,
noem ik nooit.«

--»Dat zal men zien,« sprak Frederik; en zich nu haar de opening der
tent keerende, riep hij met drift: »Vallos!«

De afschuwelijke Spanjaard verscheen. Door de soldaten werd de toestel
binnen de tent gebracht, en op vernieuwd bevel van Frederik maakte
de beul met de toebereidselen een aanvang. Gedurende de oogenblikken,
dat hij zich daarmede onledig hield, heerschte er eene volle stilte,
de stilte eener gerechtszaal op het oogenblik, dat men een doodvonnis
zal uitspreken. Don Frederik zweeg, en had hij aan de waarheid
hulde willen doen, dan zou hij de verklaring afgelegd hebben,
over de uitvoering van zijn bevel op dat tijdstip met zichzelven in
tweestrijd te zijn. Ook de ridders en capitans zwegen, en met Valdez
schenen nog anderen te bepeinzen, waarom zij den moed niet hadden,
te kennen te geven, als officieren des konings bij een tooneel van
foltering niet tegenwoordig te willen zijn. Magdalena zweeg, en zij
dacht slechts aan haren gemaal en hare kinderen, en die gedachten waren
wel somber en zielverscheurend, maar toch gevoelde zij, hoe de Hemel
een vertroostend licht in hare ziel schoot, hoe zij met geloofskracht
en vertrouwen toegerust werd, en het gezicht op haren beul, de gedachte
aan foltering en dood joeg haar geen schrik aan. Ook Venavides zweeg;
in zijn binnenste woedde nog de storm, door Marco verwekt, maar de
oppervlakte vertoonde zich kalm; want in dat binnenste rijpte tevens
al meer en meer het besluit, om Magdalena te redden, al moest hij zelf
er het offer van zijn. Edel en onwrikbaar besluit in twee zielen! Bij
de vrouw het onherroepelijk, moedig voornemen om, wat pijn men haar
mocht aandoen, den man niet te noemen, die haar redder was geweest,
schoon het lot een slagboom op heuren weg had gesteld. Bij dien man
het niet minder grootsch plan, om het aangevangene te voltooien, om
rang, vrijheid, leven wellicht op het spel te zetten, om als vijand
van den koning, als samenzweerder met de rebellen uitgekreten te
worden, tegenover de zwakke kans om de vrouw te redden, maar om ook
daardoor op het schitterendst de blijken te geven, hoe een groot en
vrij man het geweld kan verachten en trotseeren, schoon honderden
er voor kruipen. Dat waren edele voornemens en handelingen! want zoo
menschverlagend aan den eenen, zoo menschverheffend aan den anderen
kant; zoo somber neerdrukkend hier, zoo helder opvoerend daar:--en
nog zal in de schaduw een helderder straal doorschieten.

Niet zoodra had Vallos zijne toebereidselen voltooid, en Frederik
hem een teeken gegeven, of de eerlooze beulshanden strekten zich
uit. Maar, evenals de havik, op het punt zich op eene duif te werpen,
zich eensklaps door een schot in zijne uitgespreide vlerk geknot
voelt en in zijn bloedig voornemen verhinderd wordt, evenzoo werd
plotselijk Vallos in zijn aanval gestuit.

--»Terug, bloedgier!« dondert Venavides hem toe, en zich vastberaden
tusschen hem en Magdalena plaatsende, slaat hij tegelijk de hand aan
den degen met de stilzwijgende bedreiging, dat hij het niet wage,
een voet dichter te naderen.

--»De Maestro del Campo gebiedt het, señor! ik moet mijn last
volbrengen,« roept Vallos, zonder het nochtans te wagen, Venavides
uit den weg te dringen; maar deze woorden worden niet ten halve
gehoord; want met de strengheid van een despoot, die een gegeven bevel
wederstreefd ziet, staart don Frederik hem met toornig vlammend oog
aan, terwijl hij dreigend uitroept:

--»Hel en dood! wat wilt gij?«

--»Dat deze onschuldige vrouw niet worde bezoedeld door de aanraking
van een beul; dat wil ik niet, neen, dat smeek ik u, señor! bij de
eer eens ridders van Castilië, bij de eer van een krijgsman Zijner
Majesteit.«

--»Wat zou die eer?« riep don Frederik. »In tegenwoordigheid dezer
ridders en edellieden verklaar ik u schuldig aan weerstreving van mijne
bevelen, aan weerspannigheid tegen een Toledo. Pedro de Venavides,
leg uw degen af: gij zijt overgeleverd aan den krijgsraad.«

Oogenblikkelijk sloeg Venavides de hand aan het prachtig met een gouden
leeuwenkop versierd gevest, en na zijn wapen van den geborduurden
gordel te hebben losgegespt, reikte hij met smartelijk gevoel doch
fieren blik tevens den zoon des hertogs zijne kling over.

--»Ziedaar, señor!« sprak hij, »een wapen, waarop geene vlek van oneer
ooit kleefde: meer dan eens werd het in 's vijands bloed gedoopt;
nooit drong het in de borst van weerlooze vrouwen en kinders. Doch
schoon ik thans ophoud, krijgsman te zijn, ben ik nochtans ridder en
edelman, en het is in dien rang, dat ik den Maestro del Campo voor
Haarlem verzoek, mij te woord te staan.«

--»Dat zij zoo!« sprak Frederik streng.

--»Señor!« hernam nu Venavides, terwijl er eene doodsche, slechts nu
en dan door musketgeknal afgebrokene, stilte heerschte en Magdalena
zich in eene geweldige spanning bevond. »Gij hebt deze vrouw leven
en vrijheid willen schenken, zoo zij u den man noemde, die aan hare
vlucht medeplichtig is geweest. Zij weigert dit echter, en bij
de heilige maagd! dit verraadt eene grootheid van ziel, die elks
bewondering verdient. Maar ik, señor, ik ken den man, die haar de
reddende hand bood.«

--»Wat! gij zoudt hem kennen?....« riep Frederik, en nieuwe gramschap
begon in zijn oog te fonkelen, »dan verklaar ik, zoo waarachtig als
ik leef, gij zijt die man.«

--»Nadat ik den lafhartigen Marco voor zijne onbeschaamde aantijging
gestraft heb,« hernam Venavides stout, »kan een dergelijk vermoeden
mijn toorn niet meer opwekken. Ik spreek duidelijk, naar ik meen: ik
ken den man, die haar hulpe bood, en dien gij tot vijand des konings,
tot samenzweerder met de muiters verklaard hebt.«

--»Ja,« riep Frederik! »dat is hij, een verrader, een rebel: maar
wat wilt gij?«

--»U vragen, señor! u vragen in tegenwoordigheid dezer ridders en
capitanes, of aan deze vrouw leven en vrijheid zijn zal, zoo in plaats
van haar mond de mijne u den man noemt?«

--»Dat is eene stoutheid, eene vermetelheid zonder grenzen!« riep
Frederik, »hoe! mij, den zoon des hertogs, mij den veldheer van 's
konings leger voor Haarlem, de wet te willen stellen! Mij als een
koopman voorwaarden voor te leggen: mij een verrader, een muiter
niet kenbaar te willen maken, zonder de gunst te weten, die er
de prijs van moet zijn. Bij St.-Peter! dat is eene trotschheid,
die aan razernij grenst.« En terwijl er thans onder de aanwezige
officieren gefluister en gemompel plaats greep, wendde Frederik
zich driftig nu naar dezen, dan naar genen kant van de legertent:
met verbittering en gramschap stampte hij zoo heftig op den grond,
dat zijne zware gouden sporen een kletterend geluid gaven; men kon
hem duidelijk aanzien, dat het in zijn binnenste woelde en stormde,
en dat zijne Spaansche hoovaardij en trotschheid een diepe krenking
hadden ondergaan. »Mij!« sprak hij halfluid, »den hertog van Osca,
den Groot-kommandeur der ridderorde van Calatrava! en wie is het,
die van mij eischt, die mij voorwaarden oplegt?--een weerspannige,
dien ik ontwapend en overgeleverd heb aan een krijgsraad, en die
het zich tot genade moet rekenen, nog met mijne toespraak te worden
vereerd. Zooveel vermetelheid beging nog geen graaf Van Bossu, geen don
Ferdinand zelfs.« Driftig trad hij nu op de officieren aan, en wierp
een blik, die van gekrenkte eigenwaarde getuigde; dan weder keerde
hij zich onstuimig tot Magdalena en Venavides, stampt andermaal met
den voet, alsof eene wesp hem gestoken had, en scheen op het punt,
om Vallos te bevelen, met de pijniging voort te gaan. »Maar wat zal
dat mij baten?« sprak hij in zich zelven, »de muiters van Haarlem
bekreunen zich toch niet om haar; smart, dood noch schande kan hen
bewegen, den hardnekkigen hals te buigen. Wat stook ik dan het vuur
der verbittering nog feller aan?«

Opeens keerde hij zich thans tot Venavides, die inmiddels aan vrouwe
Van Duivenvoorde een teeken had gegeven, hetwelk aan de blikken
van allen ontsnapt was, en hem nu met een vlammend oog aanziende,
zeide hij:

--»Wie hij ook zijn moge, als verrader en als rebel zal hij gestraft
worden, die aan hare vlucht medeplichtig was.«

--»En zij, die onschuldig is, zal leven, vrij zijn, zonder dat de
beul eene hand naar haar uitstrekt?« vroeg Venavides.

--»Dit zeg ik!« riep nu Frederik, in hevige verbittering, »pijn
noch dood zal zij ondergaan, doch slechts deze genade schenk ik, zoo
waarachtig helpen mij God en de heiligen!--Is dit u genoeg,--zeg dan,
dat gij de verrader zijt.«

En op onbevreesden, nadrukkelijken toon, antwoordde nu Venavides:

--»Niet de verrader, maar de medeplichtige aan hare vlucht, staat
hier voor u,--ik Pedro de Venavides.«

Niet als van den donder getroffen over eene verklaring, die zoowel
Frederik als elk der aanwezigen verwacht had, maar schier verstomd
over de daad zelve, over de fiere stoutheid, stond Toledo eenige
seconden zwijgend; want het kookte, het bruiste in zijne ziel; en
toen hij niet sprak, verhief zich andermaal Venavides, en zich tot
Magdalena wendende, zeide hij:

--»Edele vrouw! gij hebt het gehoord. De bevelhebber van 's konings
leger voor Haarlem heeft mij zijn woord verpand, dat gij geene
foltering ondergaan, dat gij leven zult.«

--»Grootmachtige God!« riep nu Magdalena met een overstelpt gevoel,
»dat zal mij in 't geheugen blijven voor altoos. Maar het is als nacht
voor mijn oog. Gij, Spanjaard, zoo groot, wat zal het u nu--wat zal
het einde zijn?«

Zij zou nog meer hebben gesproken, zoo Frederik het toegelaten had;
maar deze, thans vatbaarder voor het gevoel van verbittering, dan voor
het besef eener tweevoudige grootheid, brak op eens ruw en grimmig
hare woorden af.

--»Zwijg!« sprak hij, »mijn woord zal ik gestand zijn; maar dat zweer
ik, van nu af zal uwe gevangenis een hol zijn, van waar de vlucht
zoo onmogelijk zal wezen, als dat mijne hand aan de sterren reikt.«

--»Ik zal mijn lot trotseeren,« sprak Magdalena met moed en
vastberadenheid, »maar aanhoor mij eene korte wijl.«

Met doffe stem gebood hij haar echter andermaal, te zwijgen, terwijl
Venavides haar een teeken gaf, dat zij zou gehoorzamen en vol goeden
moed zijn. Onstuimig en haastig schreef Frederik intusschen een
paar regels, en het geschrift toen aan een der soldaten overgevende,
zeide hij:

--»Breng haar van hier, naar don Marco; dit papier meldt hem mijn
last.«

Zwijgend gehoorzamende, gaf de Spanjaard aan Magdalena het norsche
bevel, hem te volgen en terwijl zij een laatsten gevoelvollen blik
op haren redder wierp en Frederik met hare vrouwelijke fierheid en
vastheid onder de oogen zag, verwijderde zij zich uit de tent, om
een lot te gemoet te gaan, dat slechts aan den hemel bekend was.

--»Verrader en muiter!« zeide nu Frederik, nadat Magdalena vertrokken
was, tot Venavides, »nog heden zal de krijgsraad uw vonnis uitspreken.«

--»En zoo dat vonnis rechtvaardig is,« antwoordde Venavides, »dan
zal ik noch verrader, noch muiter heeten: dan voorzeker zal ik,
als de redder dier vrouw zonder straf zijn.«

--»Señores!« sprak Frederik, zich tot de aanwezige officieren wendende,
»gij zijt getuige geweest, hoe don Pedro de Venavides verklaard
heeft, eene gevangene der rebellen in hare vlucht de hand te hebben
geleend. Ook hebt gij gehoord, hoe hij 's konings krijgsraad in
staat acht tot een onrechtvaardig vonnis: van wien uwer men deze
verklaring moge eischen, hij verzuime niet zich te laten vinden,
waar de krijgsraad vergaderd zal zijn.«

--»Vergun mij, señor!« sprak Valdez--de latere belegeraar van
Leiden. »Ik geloof niet, dat señor Venavides de eerste verklaring zal
herroepen, mocht dit echter zoo zijn, dan zal ze door mij gelogenstraft
worden. Wat nochtans het tweede punt betreft, als man van eer, gevoel
ik mij verplicht, reeds thans te zeggen, dat señor Venavides niet
aldus gesproken heeft. Zijne woorden luidden: »»En zoo dit vonnis
rechtvaardig is, dan voorzeker zal ik, als de redder dier vrouw,
zonder straf zijn.«« Aan de uitlegging van één woord, señor! hangt
niet zelden de vrijheid of de dood.«

--»Bij St.-Peter!« sprak Frederik, »het schijnt dat men samengespannen
heeft, mij te tarten en dat señor Venavides een voorspraak in u
gevonden heeft: maar men neme zich in acht! men vreeze den leeuw,
wiens geduld ten einde wordt gesard; het staat u vrij, señor! aan
zijne woorden den zin te geven, die u het meest behaagt.«--Dit laatste
gedeelte werd op een toon uitgesproken, zooals men dien over het
algemeen uit Frederik's mond liefst niet vernam; want sommigen hadden
maar al te zeer ondervonden, hoe die leeuw reeds te vreezen was,
zelfs zonder dat hij gesard werd.

Op bevel van Frederik, die aan niemand verder een woord toestond, werd
nu Venavides, nadat hem zijn wapen was ontnomen, door Auecia naar het
huis Ter Kleef geleid, en eene schildwacht stond met zijn leven borg,
dat hij niet ontsnappen zou. Toen Marco hem derwaarts zag voeren,
kwam er een duivelslach op zijn gelaat; want duizend dooden wenschte
hij hem te doen sterven, en wel met eigene hand, zoo er slechts geen
gevaar voor zijn eigen leven aan verbonden ware geweest. Nu hoopte
hij, zich weldra gewroken te zien, en die gedachte deed den lach op
zijn aangezicht thans valschaardiger wezen dan ooit. Venavides zag ook
hem, doch zijne verachting voor Frederik's bloedverwant was te groot,
om hem zelfs met den aanblik dier verachting te verwaardigen. Wel
voelde hij zich bitter gegriefd over het verlies van zijn degen;
maar die gedachte werd ruimschoots gelenigd door het besef, dat geen
geweld ooit de kern der eer rooft.



VIERDE HOOFDSTUK.


Niet zoodra was het hoofd van Philippus de Koning op den wal geworpen,
of de kreten van afschrik en verbittering lieten zich eenpariger
hooren. Sommigen wierpen hunne musketten uit de hand, en snelden,
op het gezicht van het bebloede hoofd, naar de plaats, waar het
nedergeslingerd was. Zij, die zelden een den Christen onwaardigen
vloek op de lippen hadden, gaven er thans, in hunne woede, den vollen
teugel aan, en hier en daar hoorde men den uitroep: »dat God den
Spanjaard verdoeme!«

--»De poort uit! wraak op 't bloedgespuis!« riepen sommigen.

--»Waar is Ripperda?« vroegen anderen, terwijl zij de vuisten balden
en den gloed der wraak in hunne blikken vertoonden. »Den uitval! de
poort uit! met één vendel op de bloedhonden los!«

--»Zóó vermoorden zij onze broeders!« riep een schutter, die het
hoofd van De Koning in de hand hield, en het, op de tanden knarsende,
dreigend aanzag. »Wraak, wraak!« riep hij schor; »geene hand meer
aan het rapier, als dat schendig stuk niet gewroken wordt.«

--»Ja!« liet een ander hooren, »vóór de wraak geen hand meer aan
het rapier!« Dit zeggende, greep hij het bebloede voorwerp bij het
haar, hield het hoog boven de schouders, zijnen makkers voor oogen,
en riep toen op krassenden toon uit: »Vóór zijn dood heeft die mond
wraak geroepen: leest ze nog in zijn doffen blik, makkers, en zweren
wij ze, eer de zon ondergaat.«

--»Dat zweer ik!« riep de een na den ander, »wraak voor hopman De
Koning, eer de zon ondergaat.«

--»Naar de gevangenis!« riepen eenigen tegelijk, »daar zijn schelmen
genoeg, die het kunnen vergelden. Wie gaat er mee? Die in de gevangenis
zijn, moeten aan den strop!«

Ongeveer vijftig van de hevigst verbitterden wilden oogenblikkelijk
van de wallen snellen, om aan de krijgsgevangenen in de kelders van
het stadhuis hunne verbittering te koelen. Thans echter sprong Van
Duivenvoorde te voorschijn, en zich voor de doldriftigsten plaatsende,
zeide hij: »Terug, mannenbroeders! geen braaf soldaat gaat van den wal,
zoolang er te strijden is.«

--»Wij moeten ons wreken,« riepen een paar hunner, »hopman De Koning
was een wakker man; wraak over zijn dood!«

--»Terug!« beval ook Lancelot van Brederode, »wreekt u op het
roofgespuis, door hun de volle laag te geven: dat is de beste
vergelding: vuur, mannen, vuur!«

--»Daar is tijd genoeg toe!« liet het zich hooren, »eerst de galg en
dan vuur! Voort, van den wal!«

Vergeefs, dat thans Van Brederode, Van Duivenvoorde en andere hoplieden
langer den toon des gezags bezigden om alle gewelddadigheden te
voorkomen en de soldaten tot hunnen plicht te nopen. Onder kreten
van wraak verlieten sommigen den wal, met het doel om de gevangenis
open te breken en allen, die er zich in bevonden, om het leven te
brengen. Intusschen was Asinga Ripperda naar zijn broeder gesneld,
en eer de woestelingen zich twintig schreden van den wal hadden
verwijderd, stond Wigbolt Ripperda voor hen.

--»Wat wilt gij, mannenbroeders!« vroeg hij, »hoe! de brave verdedigers
van Haarlem verlaten den wal!....«

--»Dat nooit!« sprak een hunner, »maar wij willen den dood wreken van
een wakker man; zie, wat de bloedhonden hebben gedaan!« Dit zeggende,
wees hij op het voorwerp, dat een der schutters in de hand hield,
en een rauwe kreet van afgrijzen ontsnapte opnieuw aan zijn mond.

--»Ik weet het,« zeide Ripperda, »en ook in mij kookt de gramschap;
maar wat wraak wilt gij?«

--»De strop aan de honden, die in de gevangenis zijn!« schreeuwde men,
»voort, naar het stadhuis!«

--»Dat in eeuwigheid niet, zoo lang nog mijn gezag geldt,« sprak
Ripperda, »geene onwettige wraak, die Haarlem tot schande strekt.«

--»Wij slaan aleer geene hand aan 't rapier,« klonk het, terwijl
sommigen zich verder den weg baanden. Op eens echter namen nu
Ripperda's oogen eene dreigende uitdrukking aan, niet ongelijk aan
een stroom, die ontzaglijk in breede golven stijgt, wanneer de wind
zich verheft. IJlings een paar schreden terugspringende, slaat hij
de hand aan zijn degengevest, werpt de blikken op de menigte en zegt
op vasten toon: »Ik ben Ripperda!«

Oogenblikkelijk zag men den indruk dezer woorden, die wellicht
veel geringer ware geweest, wanneer Ripperda aanstonds met straf
had gedreigd. Eenigen weken terug naar den wal; doch anderen, niet
zoo licht te bevredigen, lieten nog den uitroep hooren: »Niet naar
de vest, heer Ripperda! voor dat gij ons wraak hebt beloofd.«

--»Die beloof ik!« hernam de kloeke Fries, »maar wraak, die den
soldenier van eer past; een uitval, tot 's vijand nederlaag en de
glorie der stad.«

--»Wanneer?«

--»Op morgen; dat zegt Ripperda!«

--»Terug naar den wal! Ripperda heeft het gezegd!« klonk liet
thans. »Op morgen de wraak!«

Inderdaad had Ripperda's houding zooveel invloed uitgeoefend, dat de
verdedigers terugkeerden en hunne gramschap door eene verdubbelde
lading der musketten en serpentijnbuksen lucht gaven. De tijd was
nog niet gekomen, dat een dolle hoop de muitvaan zou opsteken. Maar
schoon de soldaten weder naar de bevelen der hoplieden luisterden,
was de gebeurtenis van het bloedige hoofd reeds in al de wijken
doorgedrongen. Even gloeiend was de verbittering, die zij onder de
heffe des volks teweeg bracht. Toen men hoorde, dat Ripperda het
voornemen had verijdeld, steeg ze tot woede en eer er een halfuur
was verloopen, had er bij het stadhuis een tooneel plaats, dat de
waarheid van het gezegde staaft, hoe menschen, in den laagsten stand
der maatschappij opgevoed, altijd eene bloedige vergelding nemen.

Evenals thans was de ingang tot de kelders der gevangenen in de
Zijlstraat. Nu verbeelde men zich eenige kloekgespierde brouwers-,
mouters- en scheepsmakersknechts, onder welke zich ook de beruchte
Heinsz bevond. Met geweld en onder doffe bedreigingen hadden zij
den cipier de sleutels ontnomen, en baanden zich nu ter linker- en
rechterzijde een weg. De gevangenen, op wie men het eigenlijk gemunt
had, waren een Waal en acht Duitschers, benevens drie zoetelaars
van Amsterdam, op welke laatste men nog daarenboven hevig verbitterd
was. Vergeefs, dat burgemeester Van der Laan en Van Vliet zich een weg
zoeken te openen en de menigte tot bedaren te brengen. Honderden hebben
zich in de Zijlstraat en op den hoek van het raadhuis opeengepakt,
en terwijl er nu en dan eenigen naar binnen stormen, hoort men niet
dan de kreten: »wraak voor De Koning! het gespuis aan den strop!«

Nooit wellicht werd eene daad van willekeur, van schennis sneller
volvoerd. Wat Ripperda door zijn onwederstaanbaar gezag had weten te
verhinderen, kon door al de macht, welken den schout Van Dordt ten
dienste stond, onmogelijk belet worden; want de woede van de laagste
volksklasse nam eene zoo spoedige en hevige wraak, dat elke poging
tot beteugeling vergeefs was. Ongeveer een uur later hingen dan ook
reeds de twaalf rampzaligen aan eene galg, welke men tusschen het
blokhuis van het Kraaiennest en de Kruispoort geplant had, en klonken
den vijand reeds de kreten tegemoet: »sta, Spanjolengebroed! twaalf
voor een! zoo wreken zich de mannen van Haarlem! vivent les Gueux!«

Maar nadat de nacht zijn sluier over dit schandelijk tooneel van
verguizing van het wettig gezag had uitgespreid, werd de gebeurtenis
met nog donkerder verwen gekleurd.--Het is ongeveer drie ure; van de
Margarethastraat naderen eenige mannen de plaats, waar de twaalf aan de
galg door den opstekenden wind heen en weder worden geslingerd.--Twee
hunner dragen eene kleine flambouw, en het licht werpt zijn schijnsel
op de kolossale gestalte van Heinsz, den brouwersknecht. Met behulp van
een ander torscht hij eene groote ton, en zijne gelaatstrekken doen
duidelijk zien, dat hij, zoowel als de overigen, door dronkenschap
is bedwelmd.

--»Bij de Drie Leliën! of zij er nog wakker bungelen!« zegt hij, »kom,
voorwaarts, genannen! of zijt ge bang, dat ze u bij de haren zullen
grijpen?--Begot, ik niet; de stroppen werden er te fiksch omgedraaid.«

--»Bang wel niet,« zeide er een, »maar het is hier niet pluis; of zou
ik niet weten, dat Aagt Jaffies hier iederen avond komt spoken. Dat
wijf heeft geene rust in de kist omdat ze, in den tijd van schout
Foppens, er zoo velen verklapt en op de palei heeft gebracht.«

--»En dan die lange zoetelaar,« zeide een ander, »die kent de tooverij:
zijne twee kameraden hebben er van gerept, dat hij in den kelder met
den Paardenpoot heeft gesproken; zij hebben dien ook door de traliën
zien komen en weer heengaan, nadat hij hem een doosje tooverzalf in
de hand had gestoken. Ik ten minste durfde hem den strop niet om den
nek slaan; want al wordt zoo een geworgd, de duivel staat hem later
weer bij, en wie het eerst onder de galg komt, wordt de hals door
hem gebroken.«

--»Zijt gij razend of dol?« riep Heinsz, die minder dan de anderen
door de bijgeloovigheid van zijn tijd scheen aangestoken. »Als het
waar is, dat hij nog leeft, terwijl hij daar hangt, dan zal ik hem
nu wel voor goed zijn pas geven. Voort, aan 't werk!«

--»Hoor, daar rammelen de kettings!« riep er een, terwijl hij over
den schouder van een zijner makkers heen keek, »dat is de weerwolf,
die hier op dit uur komt: kijk eens, hoe zijne oogen branden.«

--»Wij hadden geene maller plaats kunnen uitkiezen, om die kerels op
te hangen,« merkte een wever aan, »maar kom, wij durven hem met ons
allen wel aan.«

--»Wie lust heeft--ik niet,« sprak de ander, »ik ben er den vorigen
winter door in de beenen gebeten, en is niet Willem de kuiper er een
oor door kwijtgeraakt, nadat hij een halfuur lang op den harigen rug
van 't spooksel had moeten heen en weer rijden?«

--»Kom, bij al de duivels uit de hel!« schreeuwde Heinsz, »laat het
Aagt Jaffies wezen--het wordt meer dan tijd. Aan 't werk genannen! waar
is ons gereedschap?«

--»Hier!« liet een wever hooren, die nu dichter den kring naderde,
»wij hebben niets vergeten--dan het zout.«

--»Het zout!« lachten eenigen, »dat is weer een zet van den rederijker:
leve rhetorica!«

Thans wierpen de twee flambouwen haar licht op den ganschen hoop,
en het tooneel, dat zich liet onderscheiden, was even zonderling
als huiveringwekkend. Behalve de ton, die aan den brouwersknecht
Heinsz scheen te behooren, zag men eene ladder, die door een paar
handen overend werd gehouden. Een der anderen was van eene groote,
breede schaar voorzien, en hield tevens een stuk perkament vast, ter
grootte en in den vorm van een brief, waarop eenige letters geschreven
waren. Een ander zwaaide een kleinen standaard heen en weder, waarop
met bloedroode verw een zwaard was geschilderd, aan welks eene zijde
men negen penningen en den tienden op de punt ontwaarde: aan de andere
zijde van het vendel zag men een bril (den bril of briel, dien Alva
verloren had) benevens een fluitje, met een oor aan iedere zijde
van de punt des zwaards, en daaronder met groote letters: »vivent
les Gueux!« als wilde men toonen, dat er binnen Haarlem eenige van
dezelfde geuzen waren, die in vroegere gevechten dit vendel gevoerd
hadden. Voorts hadden twee hunner eene groote met bier gevulde kan op
de ton geplaatst en namen er beurtelings eene teug uit, als om nog
meer moed te grijpen tot de aan te vangen vreeselijke handeling. En
die handeling was vreeselijk; het was een akelig nachtstuk voor het
penseel. Die ruwe donkere Januari-nacht in eene belegerde vest; geene
enkele star aan den met grauwe wolken bedekten hemel; het naar geruisch
van den wind evenals of een kwaadvoorspellende geest met een talrijk
gevolg over de naburige huizen heenvoer. Eene schare uit de heffe
des volks, door dronkenschap bedwelmd en daardoor eene komische zijde
gevende aan de wraakzucht, die hen orde en band had doen verscheuren,
die hen met dierlijke drift het afschuwelijkst voornemen had doen
vormen, en die nog in hen gloeide. Maar huiveringwekkend bovenal die
houten galg, waaraan de slachtoffers der volkswoede hingen; het was
als hoorde men nog telkens hun afnemend gekerm, hunne zieltogende
zuchten na de eerste weeën der foltering; en toch was het niets dan
windvlaag op windvlaag, die van den kant van het huis Ter Kleef over
Haarlems's wallen tegen de naburige huizen werd gestuit.

--»Komaan!« zeide Heinsz, de bierkan heen en weer zwierende,
»eer de dag aankomt, moeten wij gereed zijn; wie zal de stroppen
afsnijden? want ik blijf bij de ton.«

Sommigen spraken andermaal van geesten en spoken, van gemeenschap
met den Booze en de tooverkracht van een der zoetelaars; doch daar
er niets verdachts naderde, werden zij stouter en dachten nu meer
aan het gevaarlijke van het werk zelf.

--»Niet allen tegelijk!« liet er een hooren, »'t is halsbrekenswerk,
waar we niet bijster op zijn verzot. Maar één moet er toch zijn,
en dat zal ik wezen; ik ben 't klimmen nog al gewoon.«

--»Vivent les Gueux!« klonk het, en hij, die het figuurlijke vendel
van den tienden penning droeg, zwaaide het een paar malen heen en weer.

--»Zet de ladder aan!« sprak Heinsz; en onder een golvende beweging
en rumoer wordt dit ten uitvoer gebracht. Twee der schrikgestalten
beklommen ze nu, en een oogenblik daarna hoorde men reeds een doffen
val onder de galg. Ieder wist, wat dit was, en als tijgers op hunne
prooi schoten eenigen toe, om zich van het afgesneden lijk meester te
maken. Dezelfde val werd eenige seconden daarna herhaald, de ladder
verplaatst, en onder een schaterend woest gelach en den uitroep: »van
onder!« waren binnen weinige oogenblikken elf der lichamen van de galg
naar beneden geploft. Wellicht dat men den eenen der ongelukkigen, dien
men van tooverij verdacht hield, toch had laten hangen. Thans greep
er iets plaats, hetwelk ieders huivering zou opgewekt hebben, zelfs
dan wanneer men in het land der kannibalen door eene nedergehurkte
horde dit had zien plegen. Nu en dan zag men het licht der flambouwen
bewegen, en lange slagschaduwen allerlei kronkelingen en vormen
aannemen; nu en dan hoorde men een krakend of knarsend geluid door
helsche kreten vergezeld en door gelach afgewisseld, en men kan
zich voorstellen, wat er plaats had gegrepen, toen men het laatste
bedrijf van het tooneel aanschouwde. Men verbeelde zich elf hoofden
van de rampzaligen, die daags tevoren op de gewelddadigste wijze
waren omgebracht. Maar niet genoeg. Nog had de moedwil van de wraak
het schandbedrijf zwarter gemaakt, door aan die elf hoofden naar de
wijze der geuzen, de haren te korten of ten halve af te scheren, en
men rilt bij de gedachte, hoe de plegers van dit feit een schaterend
gelach aanhieven, toen de echte geuzenkoppen, zooals zij ze noemden,
achtereenvolgens in de ton werden gekuipt.

--»Weg met duc D'Alf, den bloedhond!« klonk het echter opeens.

--»Dat hij verdoemd zij!« riep een ander, »en al de Spanjolen eeuwig
in de hel branden!«

--»Neen!« schreeuwde een derde op den ondubbelzinnigsten toon der
ironie, »duc D'Alf is onze brave patroon! van ganscher hart betalen
wij hem den tienden penning en den elfden tot intrest er bij. Leve
duc D'Alf, die zorgt, dat een ieder zijne schuld kan voldoen.«

Onder deze woorden werd andermaal het vaandel van den tienden penning
met bebloede handen heen en weer gezwaaid; en als het sprekend bewijs,
dat allen de ironie van hunnen makker verstonden, klonk uit aller mond
een schorre vloek, waarmede de naam van duc D'Alf op de krachtigste
wijze vermengd werd.

--»Wakker aan, kuipersbaas!« liet Heinsz hooren, »dicht nu de ton,
ofschoon er het zout aan ontbreekt, en opgepast, dat er geen enkele
penning kan verloren gaan!«

Door eenige doffe slagen, die in den hollen nacht weerklonken, werd aan
dit werk de hand gelegd; en nadat men de ton een paar malen links en
rechts had gerold om zich te verzekeren, dat ze niet open zou kunnen
gaan, werd met spijkers de brief er op vastgemaakt, waarop de volgende
ontzettende woorden te lezen stonden:


    »Wij zenden Alva voor den tienden penning, waarom hij Haarlem
    belegerd houdt, deze tien koppen en den elfden voor intrest,
    opdat hij over geene schrale betaling hebbe te klagen.«


Tegen het aanbreken van den morgen nu werd deze ton van het blokhuis
der Kruispoort naar de vijandelijke verschansing geworpen--en niet
zoodra had dit plaats gegrepen, of de gloeiende wraakzucht van
soldaten en burgers was gekoeld; men had den Spanjaard het bewijs
gegeven, dat niet alleen diens hoop op overgave van de stad ijdel was,
maar dat men ook binnen Haarlem niet terugdeinsde, om wreedheid met
wreedheid te vergelden.

Maar wij ijzen bij zulk eene wreedheid, hoezeer zij dan ook de waarheid
bevestigd, tot wat dollen schimp en ontzettende wraak de menschelijke
natuur in staat is en hoe zij verwilderd en door bitterheid kan gesard
worden.--Toch is de bevestiging dier waarheid niet in staat om de smet
weg te wisschen, die op Haarlem's roem was geworpen. Haarlem had zich
bezoedeld, onteerd, en wanneer Ripperda en Van der Laan aan de eerste
opwellingen hunner verontwaardiging gehoor hadden willen geven, dan
wellicht ware in de stad een bloedtooneel het gevolg geweest.--Er
zijn in het menschelijk leven woelingen en schokken, die men niet
moet bestrijden naar de inspraak van het geschokt gemoed; somtijds
moeten wij ze dragen; want altijd den kamp te voeren, zou noodlottig
of nutteloos zijn, evenals wanneer wij ons wilden verzetten tegen het
geweld eener aardbeving of eene andere worsteling der natuur. Ofschoon
de geschiedenis er van zwijgt, doen de verdere handelingen der burgers
ons vermoeden, dat de eigenlijke aanleggers dier wraakoefening niet
ongestraft zijn gebleven. Doch aan den anderen kant moeten wij dit
betwijfelen. Eene algemeene straf, te midden van zóóveel wraak en haat
zou veruitziende gevolgen kunnen hebben gehad in eene stad, die zich
met alle inspanning aan het Spaansche juk wilde ontwringen en daarom
den Spanjaard niet vreesde. Ook was het feit gepleegd geworden door
menschen, opgevoed in den geringsten stand der maatschappij. Bij eene
te forsche beteugeling of straf der eerste wraakkoeling zou wellicht
eene gansche bevolking niet zoo onvermoeid de handen hebben gerept tot
het opwerpen van een nieuwen wal, waartoe het besluit reeds genomen
was. In allen gevalle ook had de onmenschelijke handeling jegens hopman
De Koning de wrake uitgetart, en De Koning was bij al de Haarlemmers
als een moedig, onverschrokken krijgsman bekend,--De Koning had
getracht Haarlem te ontzetten.--Ook verlieze men niet uit het oog, dat
een der soldaten van hopman Wittenberg, acht dagen tevoren als bode uit
de stad vertrokken, door den mist op het Haarlemmermeer verdwaald, in
's vijands hand was gevallen. Zich als deserteur voorgedaan hebbende,
was het hem gelukt, bij de Spaansche pionniers of delvers aangesteld
te worden. In den vroegen morgen echter van den zeventienden Januari
had hij zijne kans waargenomen om weder binnen de stad te komen;
en nu deed hij een getrouw verhaal van al de wreedheden, die de
Spanjaarden aan de drie hoplieden gepleegd hadden. Ook verzweeg hij
niet, hoe Baptist van Trier dienzelfden morgen nog leefde en onder
zijne folterende smarten nog de kreten had laten hooren: »wreekt
Baptist van Trier! de dood aan de Spanjaards!«

Wellicht, dat men daarom de ontzettende vergelding eenigszins
met verschooning beschouwde; of mogelijk, dat men de eensklaps
ontbrande volkswoede met een vulkaan vergeleek, die, na zijne rook
en vuurkolommen onbeteugeld te hebben uitgebraakt, weder lange rust
beloofde.

Dit echter was het waarachtig uitvloeisel eener afschuwelijke
handelwijze: weder zou de Spanjaard nieuwe wraak zweren, en zoo bleven
verbittering en wraak steeds voortbranden om niet uitgebluscht te
worden dan met vernieling en dood.



VIJFDE HOOFDSTUK.


Dewijl er sedert drie dagen noch levensmiddelen, noch brieven uit het
prinselijk leger waren binnengekomen, en de vorst, de mist en de dooi
bij afwisseling bleven voortduren, werden er twee brievenposten met
ledige sleden aan den prins afgezonden, ten einde hem eene juiste
afteekening der belegering met den toestand der stad voor oogen te
houden en hem te melden, »hoe het laatste meel reeds in den oven en
het laatste buskruit al in de flesschen was.«

Eer echter deze boden bij den prins konden zijn, kwamen er dienzelfden
dag vijf en zestig volgeladen sleden binnen en derzelver convooi was
een vendel Duitschers, Walen en Engelschen, waarover hopman Schram
van Brunswijk het bevel had, en die met recht uitgelezene krijgslieden
konden genoemd worden.

--»Thans Rustenburg aan den Spanjaard ontweldigd!« spraken de
hoplieden, en als weergalm klonk het onder de soldaten: »Ja, nu op
Rustenburg het gewaagd!«

Buiten de Schalkwijkerpoort komt men aan de Zomervaart, die in de
Fuikvaart uitloopt, welke laatste weder hare uitwatering heeft in
het Haarlemmermeer aan de Buitenleide. Aan deze Fuikvaart, tusschen
de Gowatering en de Zomervaart, lag het huis Rustenburg, waar men
thans niets dan weiland ziet, en dat op ongeveer een halfuur afstand
van de stad kon gerekend worden. Amsterdam, of liever de Moorddam,
zooals de soldaten van den prins het noemden, hield het Haarlemmermeer
in, en daar de Spanjaarden hunne schans bij de Fuik hadden, verloren
de belegerden het water en moesten al hun invoer alleen langs hunne
schansen en sterkten, over land, binnenkrijgen. Hoogstwenschelijk zou
het dus geweest zijn, wanneer de belegerden zich bij tijds of liever
van den aanvang af van de Fuik hadden verzekerd. Thans met nieuwen
voorraad en troepen versterkt, wilde men dit beproeven.

Op Zaterdag den zeventienden Januari trokken derhalve Asinga Ripperda,
Pellekaen, Vlasman en anderen met dit doel de Schalkwijkerpoort
uit. De aanval geschiedde zoo krachtdadig, dat de vijanden weldra
van den watermolen verdreven werden, waarna men stormenderhand in de
schansen viel, elk, wien de vlucht niet gelukte, over de kling joeg
en vervolgens de gansche plaats in brand stak. Behalve met anderen
buit trokken de Haarlemmers met een veroverd vaandel en drie trommels
binnen de stad, en de vaandrig Ruijkhaver had de eer, dat hij bij
deze overwinning een vendrig den standaard uit de hand gescheurd en
hem doorstoken had. Ook Vlasman had zich dapper gedragen. Jammer,
dat de verdedigers zoo spoedig daarop dien wakkeren voorvechter uit
hun midden zouden zien gerukt.

Op last van Ripperda werd in den volgenden nacht het blokhuis van de
Kruispoort--het Moordhol genoemd--verlaten; want ofschoon er dien dag
slechts zestig schoten op gedaan waren, had men er weder verscheidene
soldaten op verloren, en ook was de sterkte zoo dicht ondergraven
geworden, dat men in groot gevaar begon te verkeeren. Eer men het
verliet, werd echter al het houtwerk verbrand, opdat de vijand daarvan
geen nut zoude trekken.

Tot nog toe was de raadselachtige eenoog niet in Haarlem teruggekomen;
maar op Zondag daaraanvolgende werd het gerucht bevestigd, dat hij
met een korf duiven uit de stad was vertrokken. In den vroegen morgen
namelijk zag Asinga Ripperda hoe er, klapwiekend, een duifje op de
woning van den geheimzinnigen vreemdeling nederstreek. Bij onderzoek
vond men een toegevouwen stukje papier aan het tenger pootje gebonden;
en het schrift aan Ripperda ter hand gesteld zijnde, las deze nu den
volgenden aan hem gerichten brief van den prins:


    Edele, eerzame, lieve, bijzondere! ons is lief geweest om te hooren
    door diverse uwe brieven, dat gij zoo wel gehard en volstandig
    blijft, om die goede stad Haarlem te helpen en te verlossen,
    waarvan wij niet laten willen u te bedanken en te verzekeren, dat
    wij niet laten zullen u hulp en ontzet te doen bij alle middelen en
    wegen, ons mogelijk zijnde, zoo gij tot nog toe hebt kunnen merken,
    dat wij tot nog toe gedaan hebben; en is het ons leed geweest,
    dat het laatste ontzet met den heere Van Boisot niet ingekomen is.

Gij zult adviseeren met die andere bij u zijnden, wat middel men
mocht houden om u voortaan secours te doen, en wij zullen u daaraan
behulpig zijn, hiermede u den Almogenden Heere bevelende. Geschreven
tot Delft op den 18den Januari 1573.


Uw goede Vrind!

Guill. de Nassau.


Niet zoodra was de inhoud van dezen brief en de wijze, waarop hij
binnen de stad was gekomen, aan de burgers bekend, of ieder voelde
zich moediger en opgeruimder.

--»Leve de prins! leve Ripperda!« klonk het.

--»Handen dubbel uit de mouwen!« riep Volkert Jansz, wiens naam met lof
in de thesauriersrekeningen voorkomt, als altijd ijverig aan de bressen
en het versterken der stad te hebben medegewerkt. »Het Moordhol is
verlaten; dat nu de Kruispoort een moordhol worde voor den Spanjaard!«

--»Niet vertraagd, mannenbroeders!« sprak Ripperda. »Wakker aan! wat
gij doet tot glorie van Haarlem, is tot glorie van heel het land.«

Inderdaad scheen ieder zich om het zeerst te beijveren, om de gepleegde
schanddaad door dubbele inspanning van krachten uit te wisschen. Het
was Zondag. Velen waren naar de kerk opgegaan om onder eene leerrede
van den predikant Sijmons, wellicht uit psalm honderd zeven, vers zes,
God te danken voor den nieuwen aanvoer van levensmiddelen en buskruit;
maar de meesten waren naar de Kruispoort gesneld om den krijgslieden
alle mogelijke hulp te bieden; want deze versterking en de aan te
leggen nieuwe wal kon met geen te grooten spoed doorgezet worden.

Evenals vroeger zag men dan ook weder eene talrijke menigte soldaten,
burgers, vrouwen en kinderen bewonderenswaardige kracht en vlugheid
ten toon spreiden. Hier zag men een deftig poorter niet aarzelen, om
met aarde beladene manden te torsen; daar zag men vrouwen en meisjes,
zooeven uit de kerk gekomen, takken, haken en voetangels aanbrengen;
ginds waren forsch gespierde handen bezig om de aarden-wallen met
zware balken op eene stevige wijze te doorvlechten, omdat de mijnen
een voornaam deel van de aanvalswerken uitmaakten. Ook legde men
traversen aan, daar waar de stad voor 't vuur openlag. De een voerde
zoogenaamde spitse proppen en lange ijzeren verken aan, terwijl
anderen lange ijzeren pennen op horden, en op de wijze van pansers
vervaardigd aansleurden. Had iedere poort reeds schotdeuren, die als
een oliestamper vielen, thans werd iedere balk nog van eene stevige
ijzeren pen voorzien. Aller handen waren rusteloos in beweging; moed en
geestdrift blonken in ieders oog, en als had de vijand er eerbied voor,
zoo vindt men aangeteekend, dat er dien dag slechts zeven losbrandingen
plaats hadden, waardoor het werk geen bijzonderen tegenstand ondervond.

--»Zóó moet de schandsmet worden uitgewreven,« sprak Ripperda tot
Van Duivenvoorde, »en eerst nu wordt de storm gestild van mijne
verontwaardiging, nu men 't wreed gestorte bloed onder puin en aarde
bedelft.«

--»Ook mij valt nu weder lichter te dragen, wat mij aangaande het lot
mijner vrouw met zooveel zwaarte op 't gemoed zonk,« antwoordde Van
Duivenvoorde. »Met dubbelen moed kan ik God bidden, dat Hij haar tot
schuts en scherm zij in haren bangen staat. Zoo de nieuwe wal wordt
voltogen, eer de Spanjaard stormt, zullen wij te krachtiger afslaan,
en met minder schroom een uitval kunnen doen.«

--»Uw moed verheugt mij,« hernam Ripperda met geestdrift. »Groot
is de man, die den storm van het leven braveert en wiens rustigheid
de geestkracht van anderen verhoogt, schoon hem de ziel fel gewond
is.--Van Duivenvoorde! tegen de vriendschap van zulk een man kan geen
goud opwegen.«

Bij deze woorden stak Ripperda hem de hand toe. Van Duivenvoorde
drukte ze warm; de twee mannen, beiden zoo groot van ziel, hadden
elkander verstaan.

In vergelijking van den nieuwen wal kon de versterking der Kruispoort
nietsbeteekenend genoemd worden. De onderneming was eenen Ripperda
en Derdein waardig. De nieuwe wal zou den vorm eener halve maan
hebben, twaalf voeten breed en honderd schreden lang zijn. Hare beide
einden of armen zouden in den ouden wal uitloopen, en om dat doel
te bereiken, moest een gedeelte van de huizen in de Kruisstraat
worden afgebroken. Aan de westzijde namelijk zou ze nabij de
Kraaienhorstergracht uitkomen, en aan de oostzijde omtrent halverwege
van de Janspoort, terwijl twee stevige bolwerken de halvemaan zouden
sluiten.

--»Wakker aan, mannen, broeders!« sprak burgemeester Van der Laan, die
de inspanning en de onvermoeide werkzaamheid van zooveel honderden
met een oog van welgevallen overzag. »'t Is voor Haarlem, voor
Holland! Zoo de Spanjaard den spoed zag, waarmede Haarlem zich een
wal bouwt, hij zou niet meer droomen, de stad in zijn macht te hebben.«

--»Leve burgemeester Van der Laan!« klonk het onder de
dichtstbijzijnden, die zich over dien lof gestreeld voelden.--»Als
de Spanjool stormt, zullen wij hem feestelijk groeten: hij zal ons
ten minste niet tot verwijt toedrijven, dat wij traag zijn geweest.«

--»Steenen, genannen, hier; hout aan de poort!« riep de ijverige
Volkert Jansz, wien het zweet van het aangezicht stroomde, ofschoon
het snerpend koud was. »Voor Haarlem! voor Ripperda!«

--»Het schrift van den prins heeft de spieren versterkt!« zeide
burgemeester Van der Laan, zich tot Ripperda wendende, die in de
tegenwoordigheid van Brederode en Boreel eenige bevelen gaf, »hoe
zich de handen en voeten reppen! hoe de oogen gloeien! dat zou een
tooneel wezen voor het palet van meester Maarten.«

--»Met zoo een ijzeren wil kan Haarlem niet buigen,« antwoordde
Ripperda, »maar is het de weduwe van Nanning Gerbrants niet, die ik
daar in aantocht zie.«

--»Voorzeker, zij is het,« zeide Boreel.

--»Daar komt uwe moei, Hasselaar,« zeide tot dezen de vaandrig
Ruikhaver, die gisteren van de schans Rustenburg teruggekeerd,
heden aan de versterking der poort werkzaam was; want geene
dienstverrichtingen, van welken aard ook, waren in staat, om eenigen
rang te verduisteren of te benevelen: één doel slechts werd voor
oogen gehouden, het doel om de stad tegen den vijand te verdedigen,
op eene wijze, zooals de oudheid er weinige kan aantoonen, en zoo
roemrijk, als er wellicht nimmer eene zijn zal. »Dat zou ik nog wel
eens zien willen, dat aan de bloedgieren daar tegenover ons, door
vrouwen lustig de baard wierd geschoren.«

--»Heb maar geduld,« antwoordde Hasselaar, »aan dat voornemen zal
mogelijk al haast de hand gelegd worden.«

En terwijl de twee moedige vaandrigs over haar spraken, die sedert
Nieuwjaarsdag het onderwerp van zooveler gesprekken geweest was,
naderde Kenau, door hare dochter Guurtje vergezeld, de plaats waar
op dat oogenblik Ripperda met Van Vliet en eenige anderen in gesprek
was. In weerwil van het rumoer en de rondom heerschende bedrijvigheid
werd zij aanstonds opgemerkt, temeer daar Ripperda haar, na het
vroegere onderhoud in de woning van Van der Laan, reeds een paar
malen gesproken had, en hij van eerbied ontgloeid was geworden over
de vaderlandsche gevoelens, welke zij toen geuit had.

--»Juffer en vriendin!« sprak burgemeester Van der Laan, haar en hare
dochter naar plaats en tijd vluchtig doch eerbiedig groetende.

--»Juffer Borst!« liet Ripperda hooren, wordende zij veelal met dien
naam of, zooals nog wel aan de Zaan bij rijke vrouwen plaats heeft,
eenvoudig met dien van Kenau Simons aangesproken, en nooit met den,
toen zoo schaars gekenden titel van mevrouw, hetgeen dan ook misschien
alleen te verschoonen is in de van haar bestaande treurspelen van
den dichter Loosjes en de dichteres De Lannoij. »Juffer Borst!« zeide
hij, eene vluchtige doch eerbiedige krijgsmansbuiging makende, »ook
gij hier? zoo fluks werd nog uw naam met eerbied genoemd: gij ziet,
hoe de Spanjaard ons dringt, het moordhol te verlaten, maar hoe rappe,
kloeke handen hem buiten de vest houden.«

--»De snelle maar bracht het mij reeds aan, edele heer!« antwoordde
zij, »en gewis, deze heeft niets opgevijzeld: ik zie jong en oud,
vrouw en man, altegader eene rots opwerpen, waartegen de Spanjaard
eene harde botsing en kneuzing vinden zal. Voorwaar! dat is een
oogenblik waarvan nut te trekken valt....«

Nu overzag zij, geestdriftvol hen, welke in alle richtingen van
dat gedeelte der stad door elkander kruisten; die geestdrift
scheen met iedere seconde aan te groeien: de in hun blakende vlam
van vaderlandsmin vereenigde zich met de vlam van haat tegen de
vreemde overheerschers: en die lieflijke met die donkere vlam te
zamen verspreidden een gloed op haar gelaat. Zij zag, hoe jong en
oud ijverig en onbezweken een muur als van metaal opwierpen; hoe
teedere vrouwen onder het torschen van lasten in krachten schenen
toe te nemen, en hoe zij de forsche mannen zoo al niet overtroffen
dan toch evenaarden; en er met wellust hare blikken op werpende,
liet zij op eens de woorden hooren:

--»Maar ik ben niet hier gekomen om te zien. Mijnheer Ripperda! het
voorstaan van Haarlem's glorie en vrijheid ook door vrouwen
ontbrandt te heftiger in mij: dat uur is gekomen; maar hier werkeloos
staande en geene hand reppende, kan ik niet zeggen: »op, vrouwen
van Haarlem! wapent u als soldeniers en gaan ook wij den vijand te
keer. Eerst zelve de hand uitgestrekt; niet zelve geaarzeld, als
men volgelingen wenscht. Wakker aan, mijne dochter! Kenau Hasselaar,
uwe moeder gaat u voor!«

Na een flonkerenden blik op Ripperda, Van der Laan en anderen te hebben
geworpen, zag zij opnieuw rond, en ziende, hoe op dat oogenblik uit de
Margarethastraat een knaap naderde, gebukt onder een houtvracht, voor
zijne krachten te zwaar, ging zij hem met rassche schreden tegemoet.

--»Terug, brave borst!« sprak zij, »haal ander hout, maar geen zoo
grooten hoop tegelijk: ik zal dezen wel brengen, waar hij noodig is.«

Verwonderd zag de knaap haar aan, en scheen te aarzelen met het
overgeven van zijn last, alsof zijn jeugdig plichtgevoel er tegen
opkwam. Maar ziende, hoe zich Kenau van hare huik ontdeed, en de
toespraak met korter woorden hoorende herhalen, zeide hij:

--»Komaan dan, er valt nog genoeg aan te slepen.«

--»Waar haalt gij dat hout?« vroeg zij, toen de knaap ijlings wilde
terugloopen.

--»Bij meester Gerrit den timmerman in de Zoetestraat,« antwoordde
de jongen; en nu beval zij hare dochter, die haar gevolgd was,
met hem mede te gaan en dezelfde taak te verrichten, waaraan deze
oogenblikkelijk gehoorzaamde.

Met eene behendigheid, die niet getuigde hoe de weduwe van Nanning
Borst aan dergelijken arbeid gewoon was, maar die bewees, waartoe men,
met geestdrift bezield en met ijzeren wil toegerust, in staat is,
laadde Kenau den last op hare schouders en begaf zich vervolgens
onder de heen en weder dravende menigte naar de Kruispoort.

--»Dat is de weduwe van Nanning Gebrants,« liet het zich hier van eene
vrouw, wat verder weder van een man hooren: en ofschoon dit gedrag,
in den jare 1573, in zulk een tijd wel geene gelijke verwondering
opwekte, als voorzeker in de negentiende eeuw het geval zijn zou,
was er echter menigeen, die de deftig gekleede vrouw, in weerwil der
algemeene bedrijvigheid, met bevreemding aanzag; doch het was eene
bevreemding, tegelijk met eerbied en achting gepaard.--Die eerbied
en achting vielen haar in geene mindere mate van Ripperda, Van der
Laan en vele anderen ten deel: bewondering over hare plotselijke,
tot handeling overgeslagene geestdrift, was zichtbaar op hun gelaat,
blonk door in hunne gesprekken, en Ripperda kon den rondborstigen
uitroep niet bedwingen:

--»Dat Haarlem's dochters zich spiegelen aan haar! Op mijne eer,
bij zooveel kloekheid overweldigt de Spanjaard deze veste nooit.«

--»Mijne moei!« riep de jonge Hasselaar, haar op zijde komende, toen
zij aan de Kruispoort den reeds verrichten arbeid vluchtig overzag,
»gewis, dat had ik verwacht van u; dat kroont u met eer, en mijn
gemoed is vol vreugd.«

--»Dat is niets meer dan vervulling van plicht,« antwoordde zij, »maar
't zal mij kwalijk genoegen, alleen door dit werk blijk te geven,
dat ook vrouwen 's vijands geweld weerstaan. Proeven moet hij, hoe
in deze veste ook de vrouwen niet schromen, hem gewapend tegemoet te
gaan. Ook in ons woont de zucht voor vrijheid: waarom zouden ook wij
dan door bus en rapier die vrijheid niet voorstaan?«

--»Bij St.-Hubertus, waarde moei!« hernam Hasselaar, terwijl een blos
op zijn gelaat toonde, hoe de jonkman de waarheid sprak, »uwe woorden
vuren mijne verbittering feller aan, en als het een zweem van courage
is, die mij niet doet dreigen, den Spanjaard onder 't oog te zien,
dan zal ik het van nu af nog minder: dat zweer ik bij Ripperda!«

--»Men zal niet klagen, dat gij 't gevaar ontziet,« zeide Kenau;
»maar wees achtzaam, dat uw moed niet overga in roekeloosheid.«

--»Wakker aan, mannen!« liet zich inmiddels Pieter Jansz hooren,
die, als fabrijk aangesteld en die betrekking alleszins waardig was,
»wakker aan! mest en takken hier: het werk gaat met spoed!«

Nog had hij deze woorden ternauwernood gesproken, toen een zware
vijandelijke kogel omtrent drie voeten boven zijn hoofd vloog. Had
hij dus op dat oogenblik een weinig hooger op de Kruispoort gestaan,
dan had het zijn leven gekost. Hij zou echter dat leven nog eenigen
tijd aan de versterking der stad wijden.

--»'t Is of de honden 't voorzien hebben op onze fabrijkmeesters,«
sprak kapitein Vimi, weinig denkende dat zijn arm, zoo ijverig in de
weer, nog dienzelfden dag door een ander schot zou doorboord worden.

De plaats gehad hebbende losbranding kon echter de belegerden in
hunne onvermoeide poging ter versterking van de Kruispoort niet
doen verflauwen.--Rusteloos ging men voort met van alle kanten
bouwstoffen aan te voeren, en onder die menigte was Kenau met hare
dochter Guurtje niet de minst ijverige, terwijl hare dochter Grietje
zich mede bij haar had gevoegd. Spoedig had het zich intusschen door
schier gansch Haarlem verspreid, hoe onder de werkzame scharen zich
ook Kenau met hare dochters bevond en hoe deze zich niet ontzagen,
om even onvermoeid allerlei arbeid te verrichten. Evenals eene door
den wind aangeblazene en niet beteugelde vlam zich weldra aan de
aangrenzende gebouwen mededeelt, had dit bericht zich al meer en meer
verspreid en in de licht ontvlambare gemoederen spoedig het vuur van
edelen naijver ontstoken. Geen twee uren waren verloopen, toen men
nabij de Kruispoort reeds andere vrouwen en meisjes uit den gegoeden
stand bijeenzag en onder haar merkte men de schoonen op, welke de lezer
zich zal herinneren, op den eersten dag van het jaar in de woning van
burgemeester Van der Laan te hebben ontmoet. Men zag er de vrouw van
burgemeester Kies, de beeldschoone Henrica van Vliet, de vrouw van
hopman Vader met hare jongere zuster Maria van Schoten, Anna en Maria
van der Laan benevens andere, aan welke later het gevormde plan was
medegedeeld geworden, en die er evenzeer haar zegel aan hadden gehecht.

Inmiddels had Kenau onder het gestadig aanvoeren van aarde, steen of
hout reeds aan deze en gene vrouw haar plan ter loops kenbaar gemaakt;
en toen zij nu op eenigen afstand Henrica met hare vriendinnen zag, gaf
zij een paar dergenen, met welke zij reeds gesproken had, te kennen,
dat deze zich bij haar zouden voegen, zoodra zij met de dochters van
Van der Laan en Van Vliet in gesprek trad.

Weinige minuten waren verloopen, toen dit reeds plaats greep. Kenau,
andermaal van de Kruispoort terugkeerende, trad regelrecht op de
juffers aan, en aller gelaat kleurde zich met een hoogen blos, toen
de edele weduwe voor haar stond.

--»Gij ziet mij kloek aan het werk, jonkvrouw!« zeide zij, zich
rechtstreeks tot Henrica van Vliet wendende, »en gewis, dat werk
is nuttig en noodig, nu de wakkere soldeniers gedrongen zijn, het
blokhuis te verlaten. Met vereende kracht moeten wij 's vijands
forschheid opnieuw wederstaan.«

--»Zoo is het, juffer Borst!« zeide Henrica, »gij geeft blijk,
dat de gesprokene woorden niet ijdel zijn geweest, en wij hebben
schuld te bekennen, dat gij, als de eerste, ons met uw voorbeeld
zijt voorgegaan.«

--»Dat wij ons verzuim dan goedmaken,« zeide Magdalena van Schoten
met vuur, »door insgelijks de hand aan het werk te leggen.«

--»Ja!« liet Maria van der Laan hooren, »niet verwijld of gedraald:
steken wij de hand uit, om billijk verwijt te ontgaan.« En dit gezegd
hebbende, wilde zij zich van hare huik ontdoen, om op staanden voet
het bewijs te geven, dat hare woorden ernstig gemeend waren.

--»Neen!« zeide Kenau, bij wie zich inmiddels hare dochters en eenige
andere meisjes en vrouwen voegden. »Laat dit opzet thans varen: gij
ziet, dat het niet aan handen hapert, om het begonnen werk met spoed
door te zetten. Maar hoort naar hetgeen ik zal spreken.«

Vervolgens een blik om zich heen werpende, die van geestdrift en
vastberadenheid gloeide, zeide zij met eene even welluidende als
krachtige stem:

--»Ik ben niet zoozeer aan dit werk gegaan, als wanende, dat ik
veel zou toebrengen om Kruispoort en wal voltooid te zien; maar ik
wilde recht hebben tot spreken. Het blijkt, dat de vijand al meer
en meer op den ondergang van Haarlem loert. Door wreedheid heeft
hij tot wederkeerige wreedheid geperst; en behalve dat het feit van
gisteren het licht niet kan dulden, zal het den Spaanschen overmoed
in laaien brand zetten. Met zwaarder ijzer zal hij de wallen kneuzen,
en wanneer de koude, die vinniger schijnt te zullen worden, de gracht
bevloert, dan staat er ieder uur een geweldige storm te wachten. Wat
een droevig lot toeft ons, wanneer 't hem gelukken mocht, de wallen
te winnen? Wat huiverige gedachten bekruipen mijn geest. Mechelen,
Zutphen en Naarden!.... De benden van den man, die zeide: »'t land
liever ontvolkt, voor wildernis te laten liggen, dan er een dwaalgeest
in te gedoogen,« zullen ook Haarlem niet verschoonen, dat reeds zooveel
gloeiende kolen op zijn hoofd heeft getast. Eilaas! wie kan er aan
denken zonder schrik? Verdelging met vlam en smook; wee door gansch
de stad; de roover in de huizen, woeden op jeugd en ouderdom, ambt en
achtbaarheid, en al dat moorden, plunderen en rooven onder hoongelach
en kortswijl van den Spanjaard. En wie bevangt geene vrees bij het
denken aan de eerlooze dartelheid van den vijand? Wie huivert niet
bij 't denken aan zijne schendende hand, bij het derven van 'tgeen
aan onze maagden het dierbaarst is. Op dan, altegaar! grijpt spies,
bus en rapier ter hand, om den bloedgier te toonen, dat Haarlem niet
slechts mannen heeft, maar ook vrouwen, den dood braveerende voor
het behoud harer veste.«

Niet zoodra had zij deze woorden gesproken: niet zoodra had zij
andermaal de van moed en geestdrift gloeiende blikken rondom zich
geslagen, of uit meer dan een mond, liet zich de kreet hooren:

--»Ja! ook vrouwen gaan den Spanjaard te keer! Met moed gekampt voor
de vrijheid der stad!«

--»Voorwaar!« zeide Maria van der Laan, »uwe kloekhartige taal
toont wat u bezielt; gij hebt mijn vurig verlangen tot feller vlam
aangeblazen....«

--»Ja, ook onze zwakke handen grijpen bus en rapier aan,« sprak Maria
van Schoten, »en gij, Kenau Simons! gij zult onze aanvoerster zijn....«

--»Goed gezegd, Maria!« liet Henrica van Vliet hooren, »onder zulk
eene aanvoerster stel ik mij moedig in 't geweer.«

--»Nog één woord,« hernam Kenau, »mijn doel zal bereikt worden; daar
is luttel twijfel aan. Ik lees het in uw aller oog, het klinkt mij
toe uit aller mond. Niet langer gewacht dan, maar het ijzer gesmeed,
terwijl het heet is. Wel is uw aller woord mij tot borg, dat men
niet achterwaarts treden zal; maar in iedere zaak moet orde zijn,
wil men er 't rechte nut van trekken. Vandaag nog de namen geschreven
van die zich gewillig hebben gesteld, en dat mijnheer Ripperda worde
gesproken, die aan dit besluit zijn zegel hechten moet.«

--»Kloeke vrouw, die mij nog kloeker heldin voorspelt!« zeide Ripperda,
welke met Van der Laan en anderen, vol bewondering en geestdrift,
alles gehoord en gezien had, »voed geen twijfel, dat de bezegeling
dezer zaak achterwege zal blijven. Wigbolt Ripperda sluit er zich
aan met de volle ziel; want aan Haarlem, aan het behoud van heel het
land is al zijn streven gewijd. Beve de Spanjaard, als hij deze maar
hoort, als hij vrouwen ziet naast den soldenier. Bij den Hemel en
bij Oranje! deze dag zal nimmer uit mijn geheugen worden gewischt.«

Inderdaad zag men een tooneel waarover de majestueuze tint van den
jare 1573 verspreid lag--een tooneel zoo grootsch als eerbiedwekkend,
zoo aandoenlijk als schoon. Hier eene schare van vrouwen en maagden,
onder welke sommige van fijn gevormde leest en schoonheid, wier
eenvoudige kleeding haren minderen stand verried, doch ook zij,
wier deftig, schoon van pracht ontdaan, gewaad de blijken droeg van
haren hoogen stand: teedere vrouwen, die door wil en geestkracht dra
in kloeke mannen als herschapen zouden worden. Dáár krijgslieden,
haar met eerbied omringende, of door blik en woord haar besluit
huldigende. Ginds achtbare mannen, op hunne dochters of vrouwen met
vreugd neerziende en sommigen zich zelfs geweld aandoende, om een
opwellenden traan van aandoening te bedwingen. Ripperda, de koene, de
onbuigzame, de man van ijzer en staal en toch de waarachtige Christen,
tegenover de wakkere, schier even onbuigzame Kenau Hasselaar. En rond
die allen eene andere menigte, dravende, lasten torschende en een
bolwerk opwerpende, dat nog hechter zal worden, omdat ook voortaan
vrouwen het tot nevenbolwerk zullen zijn. Hoeveel moed, hoeveel
geestdrift! welk een metalen wil.... Mannen en vrouwen plechtig een
verbond sluitende, dat zij welvaart, bloed en leven veil hebben,
niet slechts voor Haarlem, maar ook voor de vrijheid en het heil van
heel het land. Voorzeker, roemvolle stad aan het Spaarne! dat tooneel
diende wel naast zooveel andere in marmer gegrift te staan.



ZESDE HOOFDSTUK.


De Zondag, waarop binnen Haarlem vele vrouwen de handen ineen hadden
geslagen tot verdediging der stad, was nog te merkwaardiger wegens
een moedigen aanval op den Spanjaard. De naar den prins teruggezondene
sleden, om nieuwen voorraad van levensmiddelen, waren door ettelijke
soldaten en burgers begeleid; doch te Schalkwijk, waar de Spanjaard
zich begon te nestelen, aangevallen, had er een gevecht plaats, waar
èn de vijand geslagen èn op de vlucht werd gedreven met zulk een
overijlden spoed, dat velen zich over het Spaarne willende redden,
en niet kunnende zwemmen, er den dood in vonden.

Dit den Haarlemmer te stouter makende, had de koene schepen Van
Berkenrode zich aangeboden om met nog meer sleden naar het leger van
den prins te vertrekken. Schoon geen krijgsman zijnde, was hem dit
volgaarne vergund geworden, en onder het geleide van eenige ruiters,
met een vijfhonderd Engelsche, Schotsche, Waalsche en Duitsche
haakschutters, den volgenden morgen uitgetrokken, werd hij op de
hoogte van Haarlemmerliede, Schalkwijk en Vijfhuizen door den vijand
aangevallen. Deze had aldaar zijne wachten en was veel sterker in
getal. Doch hoe moeilijk en gevaarlijk de doortocht ook zijn mocht,
geen gevaar kon hen terughouden. Moedig en vastbesloten vielen zij
wederkeerig op hem aan, en wel met zulk een uitslag, dat de Spanjaard
op de vlucht werd gedreven en tweehonderd dooden achterliet. De
stedelingen, dit vernemende, aarzelden geen oogenblik om met andere
gewapenden insgelijks uit te trekken, en terwijl Van Berkenrode zijn
tocht vervolgde, staken zijne volgelingen Vijfhuizen, het huis Ter
Weeuwen, benevens een molen in brand, waarna zij met twee gevangenen,
twee trommels, eene menigte harnassen, musketten en spietsen insgelijks
zegevierend terugkeerden, en met vreugd verkondigden, hoe den Spanjaard
de lust wel vergaan zou, om voortaan de wacht te houden op de plaats
zijner nederlaag.

De dag van St.-Thomas was voor de belegerden op eene andere wijze
belangrijk. In eene schermutseling was het een vrijbuiter-hopman,
Klaas Jorisz van Dijcke gelukt, eenigen van den vijand gevangen te
nemen. Deze hadden eene slede bij zich, waarop twee groote vaten
stonden, een met Rijnwijn en een met wittebrood gevuld; doch toen men
de ruimte tusschen deze twee vaten, die met zeildoek was overdekt,
onderzocht, liet zich op eens het geroep hooren: »ha ha, voor den
duivel! Haarlemsche glippers--slaat dood!«

Bij deze woorden springen van onder het zeildoek twee mannen te
voorschijn. De een is niemand anders dan Adriaan van Groeneven en de
andere zijn neef Adriaan Joosten, geestelijke te Alkmaar.

--»Pardon, laat ons leven!« roepen beiden tegelijk; doch reeds
heeft een der vrijbuiters de spies aangelegd, en op Adriaan Joosten
aanvallende, is deze in een oogenblik doorstoken. Van Groeneven
heeft het aan den hopman te danken, dat hem geen gelijk lot treft;
want deze zich voor hem stellende, roept ruw en spottend: »Laat den
schelm leven! de strop zal beter voor hem zijn!«

--»Genade, genade!« laat Van Groeneven hooren, op de knieën vallende,
»ik zal u een geldschat aanwijzen, tot uw profijt.«

--»Goed!« zeide de hopman, »als gij in Haarlem onder de galg staat,
zeg dan den beul, waar hij te vinden is, en tot loon smijt hij u den
strik om den nek.«

--»Niet naar Haarlem!« kermt Van Groeneven, »vermoord mij liever hier
op de plek,« en de lafhartige verrader siddert van angst.

Maar vergeefs is zijn kermen en bidden, om niet naar Haarlem te worden
gevoerd: vergeefs zijn smeeken om liever den dood te ondergaan. Onder
ruwe en schimpende woorden slepen de vrijbuiters hem met zich voort,
nadat zij hem de handen op den rug hebben gebonden, en weldra
geleidt men hem de Schalkwijkerpoort binnen. Hevig ontvlamde 's
volks verbittering, toen men den verrader in de stad brengen zag;
en wanneer hij niet door soldaten omringd ware geweest, zoude hij
niet levend binnen de gevangenis zijn gekomen. Voor rechtstreeksche
mishandeling werd hij echter beveiligd; doch weldra onder verhoor
gebracht zijnde en niet bekennende, wat men van hem wilde weten,
werd hij gepijnigd en vervolgens zóó in bewaring gesteld, dat elk
middel tot ontvluchting hem benomen was. Later zullen wij zien,
wat straf hem ten deel viel. Het lot van Adriaan Joosten, kon, in
vergelijking van het zijne, gelukkig genoemd worden.

Intusschen kwamen den volgenden dag weder drie met buskruit,
visch en koorn bevrachte sleden binnen de stad en het geleide
verhaalde, hoe Lumey, uit wraak over Van Trier, de negentien door hem
krijgsgevangen gemaakte Spanjaarden had laten ophangen. Ook waagden
het Asinga, Steenbach en Vader, om met zeshonderd Duitschers buiten
de Zijlpoort te vallen, terwijl Couzin met een vendel Walen aan de
St.-Catharinabrug in schuiten over het water voer, om den Spanjaard
van achteren te bespringen en zijn geschut te vernagelen. Door het
niet eenparig aanvallen der Duitschers evenwel, maar meer nog door
den zwaren mist, konden de uitvallers aan deze zijde niet ontdekken,
wat door de uitvallers aan gene zijde verricht werd, zoodat zij met
een verlies van beide kanten, weder binnen de stad keerden, zonder
iets merkwaardigs te hebben uitgevoerd. Daarentegen gelukte het Van
Berkenrode drie dagen na zijn vertrek, en in weerwil van denzelfden
mist, die als eene onafzienbare vacht over den omtrek uitgespreid lag,
met dertig sleden levensmiddelen binnen de stad te komen. Ook bracht
hij het edel aanbod der steden Leiden, Delft, Gouda en andere met
zich, om een gedeelte der gekwetsten, benevens grijsaards en kinderen
ter verzorging binnen hunne muren te nemen. Doch dit innig blijk
van broederlijke liefde voor de belegerde zusterstad werd dankbaar
van de hand gewezen, aangezien de wakkere burgerij iedere vreemde
hulp zoo lang wenschte te ontberen, als haar slechts mogelijk was,
alsmede dat het haar te hartgrievend zou vallen, zich van geliefde
kinderen of zwakke ouderen te scheiden, in wier bijzijn zij na ieder
doorgestaan gevaar zooveel vergoeding en versterking ondervonden.

En bij Gods zichtbare hulp scheen de moed der belegerden iederen dag te
groeien. Stout was weder de aanval van den drie en twintigsten Januari;
want Matthijszen, Michiel en Couzin dreven dien dag den vijand buiten
de Schalkwijkerpoort over het Spaarne weder naar de legerafdeeling
in den Hout;--zij brandden gansch Rustenburg af, overmeesterden
zes vijandelijke schuiten, waarmede zij eene Spaansche kog tegemoet
voeren, verscheidene Spanjaarden die er op waren, versloegen en na ze
in brand te hebben gestoken, met twee gevangenen zegevierend binnen
Haarlem terugtrokken.

Twee dagen later vernam men, dat daags te voren don Frederik's leger
door de steden Nijmegen, Utrecht en Amsterdam geproviandeerd was
geworden, ofschoon dit met geene geringe moeite gepaard was geweest,
wijl het met twee roeibooten en een damlooper had plaats gehad,
en men daartoe het ijs aan het Y tot Spaarndam en het Spaarne tot
aan het leger had moeten opbreken. Doch mocht de vijand al toevoer
ontvangen, ook voor de belegerden bleef die niet achter; want behalve
eene gewillige toezending van vier en dertig sleden uit Leiden, had
men, na den aanvoer van Van Berkenrode nog zeven en vijftig zware
sleden van den prins ontvangen; en onder deze hulp wederstonden de
verdedigers 's vijands losbarstingen, welke dien dag het getal van
driehonderd en tien bedroegen.

En nu brak de ochtend aan van Donderdag den zeven en twintigsten
Januari. Die dag was verrukkelijk schoon, doch voorspelde den
belegerden, dat hun moed weldra hard op de proef zou worden
gesteld. Met een fijnen noordoosten-wind had het dien dag nijpend
streng gevroren. Met statigen glans verrees de zon: maar hare
schuinsche stralen beschenen een ijsvloer rondom de veste, en werden
van dien doorschijnenden bodem teruggekaatst. De krijgslieden op de
wallen hadden, niet minder dan die er rondom gelegerd waren, gedurende
dien nacht, eene vinnige koude doorstaan, en toen de dag aangebroken
was, zag men burger en soldaat krachtig de handen slaan, om in de half
verstijfde leden den bloedsomloop te bevorderen, terwijl menige met
bont gevoerde en dicht over de ooren geschoven muts genoeg verried,
hoe de gure wind op die deelen zijn invloed had doen gevoelen.

--»'t Zal mij benieuwen, kompaan! of de Spanjaard er vandaag weer
zoo fiksch op losblazen zal als gisteren,« zeide Vlasman, die met
zijn vriend Pellekaen heen en weder liep, om de koude een weinig
te bevechten, »'t volk van Capris en Liques zal 't van nacht in de
duinen ook niet te warm hebben gehad, en 't is zoo dom niet van den
Spaanschen don, dat hij dáár de Spanjaarden niet heeft gelegd; want
ze zouden veel kans hebben, om er dood op post te blijven.«

--»'t Is vinnig koud,« antwoordde Pellekaen, »en 't is een donker
aanzien voor de stad: als het nog een nacht zóó vriest, dan kunnen
zij op Haarlem aanrennen van alle kanten, en hoe zullen wij hun geweld
dan tegengaan?«

--»Alweer zwaarhoofd en benauwdhart zooals altijd,« hernam Vlasman,
»foei! als iemand, u niet kennende, u hoorde spreken, hij zou zeggen,
dat ge zonder courage waart. Denk toch, als zij van alle kanten op ons
aankomen, dat ze dan ook van alle kanten de neerlaag kunnen krijgen.«

--»Of wij,« hervatte Pellekaen, »als het ijs sterk genoeg is, om hen
te houden, dan hebben zij geen tonnevlot van doen; dan is heel de
gracht hun eene brug.«

--»Wel gezegd, kompaan! maar over de brug is nog niet in de stad; of
zouden Pellekaen en zoo veel andere brave makkers hen maar ongedeerd
naar den wal laten komen?«

--»Dat gewis niet,« was het antwoord, »maar bedenk, hoe veel meer
koppen de Spanjaard heeft dan wij.«

--»Dat is zoo, en toch hebben wij volk genoeg; want God is ons
zichtbaar tot hulpe geweest, van den aanvang tot nu toe. Maar hoe
moet het met de Janspoort? die is gisteren hard gekneusd.«

--»Geweldig, en er moet zonder verzuim in voorzien worden; de trap
dient afgebroken, of ik ducht, dat hij vallen zal en de gracht vullen
tot groote winst voor den vijand.«

--»Dan zal mijnheer Ripperda wel last geven,« zeide Vlasman, »zijn
oog overziet alles. Maar zeg mij, hoe is Duivenvoorde te moede? Hij
heeft de wacht met u gehad.«

--»'k Heb niets ongewoons aan hem bespeurd, en toch moet hij in bitter
leed zijn; want ik twijfel zeer, of hij zijne vrouw wel ooit zal
wederzien: haar lot is donker; mij dunkt, zoo dit ongeval mij trof,
dat het gedurig schemerig voor mij wezen zou.«

--»Zag ik toch ooit iemand, die alles zoo zwaar tilt als gij. Ik
geloof, dat nog op den duur het luiden van de doodklok in uwe ooren
klinkt.«

--»'t Is zoo, en wat kracht ik te werk stel, ik kan 't niet van mij
afwerpen. Geen morgen, of ik beef van eenigen angst, en denk elken dag,
dat die mijn laatste zijn zal.«

--»Zonderbaar! want er is niets, dat u deert: het is zelfs alsof
iedere kogel u voorbijgaat, uit vrees van met u in aanraking te komen.«

--»Ik beken zelf, dat het dien schijn heeft, en--toch is het zóó.«

Terwijl zij daar zoo spraken, begon het al lichter en lichter te
worden, en aan het noordoosten zag men eenige tinten en strepen, hier
aan de kleur van den appelbloesem, daar aan rozenrood gelijk, dat een
vlammend inkarnaat voorspelde, eer eenige minuten achter den rug zouden
zijn. Op de wallen begon het al woeliger en bedrijviger te worden,
en uit menigen mond hoorde men de woorden: »dat zal snerpen vandaag!«
terwijl zij, die het niet zeiden, het toch door eene snellere beweging
van armen en beenen te kennen gaven; want het was inderdaad, alsof
de koude, naarmate de dag doorbrak, nog steeds toenam, en op ieder
gedeelte van den wal gaf de een den anderen zijn gevoelen te kennen,
dat het doorgaan van de nijpende koude het dienstwerk der soldaten,
zoo wel als het gevaar, niet weinig vermeerderen zou.

Maar het duurde niet lang, dat men zich met gesprekken over
toekomstige gebeurtenissen kon bezig houden. De tegenwoordige
vorderden oogenblikkelijke handelingen; want weldra bleek het allen
aan de beweging in het vijandelijk leger, dat de dag niet nutteloos
of ledig zou worden doorgebracht.

--»Willem!« zeide Vlasman tot dezen bekenden busschieter, welke den
vijand reeds zoo menige afbreuk gedaan had, »de Spanjaard zal niet
afgeschrikt worden door de harde kou, om ons weer de volle laag
te geven.«

--»'t Kan wel wezen, hopman! dat meester Florisz vandaag weer kwetsuren
genoeg te verbinden zal hebben; maar als onze lieve Heer het wil,
hopen wij hen ook op het jak te zitten. Intusschen, de Spanjaard
heeft gelijk.«

--»Hoe dat?«

--»Wel! dat hij profijt zoekt te trekken van de gelegenheid. Als ik
in zijne plaats was, zou ik ook kneuzen dat er de lappen afvlogen;
als het zoo sterk blijft vriezen, dan zal hij over 't ijs aldra een
fiksch bod naar de stad doen.«

--»Ja,« zeide Vlasman, »dat betwijfel ik ook niet; maar mij dunkt,
dat de galerijen meer zijn te vreezen.«

Deze vrees was niet ongegrond. Men overzie nu van den wal de werken
van den Spanjaard; want sinds eenige dagen hebben daarin veranderingen
plaats gegrepen. Aan de buitenzijde van het nu in zijne macht zijnde
blokhuis, zijn trappen van wilgenrijs aangebracht, dewijl het,
in hoogte, met de vest gelijk is. Aan de linker- en rechterzijde
is het vestwater gedempt, ook was aan den muur, die vroeger om het
blokhuis langs het water liep, de aarde ontschoten, en van voren zijn
op verschillende plaatsen mijngaten gemaakt, om tot onder de wallen
te graven, hetgeen men reeds sinds eenige dagen onvermoeid heeft
gedaan. Tusschen eene menigte wolzakken heeft men op het blokhuis
geschut geplant. Op vijftig schreden aan de buitenzijde van het
blokhuis, bij de eerste schietplaats, zijn houten poorten opgericht,
in de gedaante van galgen, waarop aardzakken liggen, voornamelijk
dienende om aan de belegerden het gezicht te benemen, wanneer de
wacht optrok. Aan de rechter- en linkerzijde daarvan zijn eenige
wachtplaatsen bijgekomen, en aan de linker ziet men eene groote
menigte aardzakken, waarachter zich de Spanjaarden verschuilen,
om vrij op de belegerden te kunnen mikken. Nog heeft men eenige
batterijen opgericht, waarvan men de binnen- en buitenglooiingen
met rijs- en vlechtwerk heeft opgetrokken, en die door tien voet
lange palen zijn vastgeslagen. Nog is er eene platte kat of verhoogde
batterij van aardzakken opgericht, en daarop eene serpentijn geplant,
met het doel om niet slechts den walgang onveiliger te maken, maar
ook om de huizen in de stad te beter te kunnen vernielen.

Op aanraden van den ervaren Bartholomeo Campocassio had don Frederik
bevolen, de hoornschuine of zigzagvormende loopgraven te staken. Om
tijd en arbeid te sparen, begonnen de delvers nu in eene rechte
strekking, welke het eerste voorbeeld gaf van 't geen men later
de bedekte sappe noemde, het werk te achtervolgen. Hun vernuft
en de reeds gemaakte vorderingen in de krijgstaktiek bleek hierin
ten duidelijkste. Die loopgraaf werd ondersteund door zware houten
balken of standers; van boven werd ze met sterke deelen of planken met
zware aardzakken belegd en wel tot zulk eene hoogte, dat men er even
veilig onder door ging, als ware men door een stevigen zolder gedekt
en beschermd geweest. Het ravelijn naderende, splitste zij zich in
twee takken, aan welker spitsen batterijen werden opgeworpen, die
aanhoudend op de vesten speelden. Na het verlaten van het blokhuis,
gold het nu de Kruispoort, benevens hare naaste gordijnen; al dieper
gravende en met behulp van winkelhaak en waterpas, hoopten zij weldra,
zonder afwijking, aldaar te komen, te meer daar de Haarlemmers geen
middel hadden om hen in den rug of in de flanken hindernis toe te
brengen, en zij het onvoorzichtig rekenden, hen overal, met krenking
der oude vesten, te gemoet te graven. De belegerden ondermijnden
echter de Kruispoort, en verscheidene vaatjes buskruit, benevens
andere brandstoffen lagen daar gereed, om, bij krachtigen aanval,
den vijand de gevoeligste afbreuk toe te brengen.

Niet zoodra was de dag volkomen doorgebroken, en ieder op zijn post,
of het geroep van: »laadt! vuur!« liet zich weder hooren. Weinige
seconden waren verloopen, toen er bij de vijandelijke slang op de
kat beweging plaats greep en weldra weergalmde weer het eerste schot
langs het Spaarne en over de vlakte der duinen.

--»Antwoordt!« sprak Vlasman tot Willem Cornelisz, wiens slangstukje,
achter eene borstwering van steen en aarde geplant, op de vijandelijke
kat was gericht.

--»Laadt!« beval Cornelisz tot zijne handlangers, en spoedig daarop
klonk het »vuur!«

--»Voor Ripperda!« riepen de kanonniers, »daar gaat het eerste
schot van vandaag!«--Een der soldaten op de kat, hetzij uit
onvoorzichtigheid, hetzij uit nieuwsgierigheid stak het hoofd boven
de katborstwering, en--te gelijker tijd was het met hem gedaan.

--»Als er daar niet een om koud is, dan weet ik het niet,« zeide
Cornelisz: »maar zoo fluks krijgen wij de vracht.«

De vijandelijke losbarsting bleef zich echter niet lang tot die van de
kat bepalen: maar weldra werd er weder gevuurd uit Vliegen van Namen,
die reeds zooveel duizenden ponden kruit op de vesten hadden verspild.

--»Bravo, kompaan!« sprak Hasselaar tot Ruijkhaver. »Goed, dat ge
voor mijn raad ooren hadt en u een roer verschaft hebt: 't is vinnig
koud vandaag en wat meer beweging dan anders zal niet kwaad wezen.«

--»Maar ik geloof, er niet veel mee te zullen uitrichten,« was het
antwoord, »als ik uwe hand had en uw oog, dan zou het wat anders zijn.«

--»Loop met die vleierij; waarom zoudt ge niet zoo goed kunnen
raken als ik? Alles is maar een slag; maar wees achtzaam; want bij
Ripperda!.... als de Spanjaard de loopgraaf niet vol haakschutters
heeft gelegd, dan weet ik het niet.«

--»Denkt ge dat?« vroeg Michiel.

--»Op mijn woord! geef maar acht.«

--»Hebt gij 't gedroomd of gezien?«

--»Geef maar acht,« herhaalde Hasselaar, »en kijk niet te hoog over
de borstweer, of het kon wel eens nacht voor u worden. Wij hebben
den vijand voor, dichtbij en onder ons.«

--»Onder ons, dat is wel zeker,« zeide Michiel, »maar dat zal hun
vergaan. De slepers zijn al weer kloek aan den gang; dat is een
heerlijk werk tegen de kou.«

Wat de hopman bedoelde, was het aanvoeren van reusachtige klompen
ter bezwaring van den walgang; want Ripperda, het krenken van de oude
vesten en graven op te veel plaatsen onvoorzichtig achtende, wilde de
belegeraars liever op eene gevoeliger wijze wederstreven. Met behulp
van moedige paarden en gespierde manschappen, zag men dan ook van den
eenen kant groote klompen lood aanbrengen, terwijl van den anderen kant
vier der sterkste paarden bijna niet toereikend waren, om de gevaarten
van logge, onhandelbare keisteenen op den walgang te slepen. Zerken,
verscheidene centenaars wegende, werden uit de kerken gehaald, en op
gelijke wijze naar de vesten gesleurd, terwijl vervolgens ettelijke
handen met vereenigde krachten die rotsblokken en gevaarten op dat
punt vereenigden, waar de zoldering eener vijandelijke mijn aanwezig
was en waar de spade den grond aanmerkelijk in dikte had doen afnemen.

Nagenoeg een paar uren waren verloopen. Zooals Hasselaar gezegd
had, was werkelijk het geval geweest; want verscheidene Spaansche
musketiers, die in de loopgraaf lagen, hadden een viertal soldaten
van Schram van Brunswijk gekwetst en gedood; en intusschen
hadden de Vliegen aan verscheidene huizen naar den westkant in de
Margarethastraat aanmerkelijke schade toegebracht. Opeens laat zich in
de nabijheid van de Janspoort een alarm hooren. Juist veertien dagen
geleden waren twee mannen, terwijl zij aan tafel zaten, door een kogel
gedood geworden, en aan een jong meisje was door een musketschot de
huik benevens eene haarvlecht doorschoten geworden, zonder dat de
kogel haar verder gedeerd had. Doch thans had er een ander ongeval
plaats. In een toen zoogenaamd Jakettenhuis--een wijnhuis op het
Zand, het Hartshoofd geheeten--was eene jonge dienstmaagd bezig met
een paar hoenders van het spit te nemen, toen plotselijk een acht
en veertig-ponds ijzeren kogel zich den weg door het huis baant, het
houtwerk en de glazen verbrijzelt en aan de jonge dochter letterlijk
het hoofd van den romp scheidt. Weldra had het ongeval zich verspreid
en de moeder der ongelukkige gaf nu door droevige en wanhopige kreten
hare bittere smart lucht. Inderdaad! zulke gebeurtenissen waren altijd
veel treuriger, dan wanneer de eene of andere verdediger op de wallen
den dood vond. Het laatste werd wel betreurd, maar het eerste niet
vergeten.

Vernielender dan op de vesten, beukten de slangstukken dezen dag
op de huizen. Achter het blokhuis tusschen de Kraaienhorstergracht
en den Pijntoren, stond het klooster Maria Magdalena--thans het
Diaconiehuis--en opeens liet zich het geroep hooren, dat de reeds
beschadigde voormuur geheel was ingestort. Ook aan het huis van
Lancelot van Brederode, in de Jansstraat, over de Lombardsteeg, werd
aanmerkelijke schade toegebracht. Deze woonde naast den rector Duijk;
en de muur, die hun erf scheidde, was reeds omgevallen, terwijl ook
het daaraan grenzende Barbara-gasthuis voor de helft reeds onder den
voet lag.

--»De steenen van 't Maria-convent vliegen links en rechts,« klonk
het. »Het puin komt voor de bressen te pas.«

--»'t Is vandaag om de kloosters te doen,« riepen sommige burgers op
den wal. »De Spanjolen weten niet, wat euvels zij brouwen.«

Inderdaad waren er op dit klooster, dat aan het begin van de Jansstraat
stond en tot aan de Bakenessergracht grensde, reeds ettelijke schoten
gevallen, en men vreesde, dat het spoedig geheel zou vernield wezen.

Intusschen geeft Ripperda nu hier, dan daar zijne bevelen. Reeds
hebben er weder verscheidene losbrandingen plaats gehad, en onder
toezicht van Boreel breken de gezamenlijke burgers en soldaten een
aanmerkelijk gedeelte van den kunstigen wenteltrap van de Janspoort
af, daar ieder oogenblik de vrees groeide, dat hij zou afgeschoten
worden en in de gracht vallen, iets waardoor de vijand geen gering
voordeel zou hebben, wijl genoemde trap ongemeen groot en zwaar was.

Terwijl men aan den eenen kant de logge steenklompen afbrak, hield
men zich aan den anderen kant onledig met ze opeen te stapelen,
en middelerwijl gierde het ijzer van den vijand in alle richtingen
door de stad, knalden de musketten en haakschutten, waren honderden
handen rusteloos bezig om de halve maan al meer en meer te versterken,
en klonken de kreten: »leve Ripperda! vivent les Gueux!«.

--»'k Vat het bij mijn ziel niet,« zeide Lancelot van Brederode
tot Ripperda, dat de walgang daar nog weerstand biedt. Volgens mijn
gissing moest het gespuis, dat daaronder wroet en krabt, al verpletterd
zijn. Ik geloof, dat die achtkante zerk niet goed op de middellijn
aangebracht is.«

--»Heb geen twijfel,« zeide Ripperda, »de dood van hen, die er
onder zijn, is gewis. Wanneer de rots, die men daar nog aansleept,
er opgetast is, zult gij dra verandering zien.«

--»Dat hoop ik,« hernam Brederode, »hoe eerder over hen de bommel
losbreekt, hoe minder kwaad zij zullen doen.«

Het aanslepen echter van dat laatste gevaarte was met grooter bezwaar
vergezeld. Vooreerst waren de paarden vermoeid, en toen het werk verder
door menschenhanden moest worden verricht, was het nog moeilijker,
omdat men hooger moest opstuwen en toch op een afstand blijven,
om het gevaar te ontgaan van zelf in de mijn te storten.

--»Wakker aan, mannen! courage!« liet Ripperda hooren, »weest
gedachtig, dat gij uw vijand een graf bereidt.«

--»En ze zullen niet behoeven te klagen,« liet een uit de menigte
hooren, »dat er op hun graf eene zerk ontbreekt.«

--Krachtiger werkten de zware ijzeren hefboomen, en door middel van
de aangebrachte katrollen scheen het rotsblok op de juiste middellijn
van den mijngang te zullen geheschen worden. Het gelukte; nog een
oogenblik bood de grond weerstand; doch spoedig zag men ook opeens, hoe
de walgang bezweek en hoe de massa voor aller oogen verdween. Het was,
als had zich op die plaats eensklaps de grond geopend; een wijde muil
gaapte allen aan; maar die muil was het graf voor eenige vijanden;
want zij werden verpletterd, en wie den dood nog ontging, moest
huiverend de maar overbrengen, hoe rampzalig hunne makkers waren
omgekomen. Zoo ooit dan groef men wel toen voor anderen een graf,
waarin men zelf den dood vond.

--»Voor Haarlem! den dood aan den Spanjaard!« klonk het, »hier ten
minste zal ons niet veel euvels meer worden gebrouwen.«

--»Gij hebt u wakker gekweten, mannen!« zeide Ripperda, »de vijand
heeft weer het blijk, hoe onze dapperen hem in den dood weten te
brengen. Zwaar was het werk, maar te grooter de eer. Triomf voor de
kloeke burgers van Haarlem!«.

--»Triomf voor Ripperda!« was de weerklank, als het duidelijk bewijs,
hoe trotsch en gestreeld zij waren door den lof eens mans, die elken
dag zooveel blijken gaf van geestkracht en moed en vooral van zijne
liefde voor Haarlem.--Spoediger dan de opening ontstaan was, hadden
onvermoeide handen de bezwekene mijnzoldering met puin en aarde
bedekt: dat was een werk niet ongelijk aan dat van den doodgraver,
wanneer hij met zijne schop de aardkluiten en het mulle zand over de
nedergelatene kist werpt. Weldra was de muil gedempt, en de walgang
op die plaats steviger dan ooit.

Geen halfuur echter was verloopen, toen de belegerden een zoo
smartelijk verlies moesten ondergaan, dat het tegen de nederlaag van
twintig vijanden niet kon opwegen.

Weer had het slangstukje van Willem Cornelisz vuur gegeven, en juist
wilde Vlasman uitroepen, dat de kogel aan de vijandelijke kat schade
toegebracht had, toen er tegen de halfsteenen borstwering, waarachter
hij stond, een veertigponder aandonderde, en wel met zooveel geweld,
dat de steenen vergruizeld werden, los sprongen en in alle richtingen
heenstoven.

--»Dat is mijn dood!« riep Vlasman uit, toen hij door eene der
zwaarste steenklompen, vlak voor de borst getroffen, ruggelings op
den grond viel en onder zijn val nog hevig het hoofd kneusde tegen
een der wielen van het slangstuk.

--»Kapitein Vlasman is dood!« lieten Cornelisz en de handlangers
hooren, »wraak over hem! wraak!«

En deze treurmaar van batterij tot batterij gaande, klonk weldra somber
in de ooren van Pellekaen en Vader. Met een paar andere hoplieden
benevens Ripperda en Brederode waren zij spoedig op de noodlottige
plek, waar de brave krijgsman en trouwe vriend met den dood worstelde.

--»Vlasman!« riep Pellekaen, »ongelukkige, trouwe vriend! gij
alzoo vóór mij?«--En terwijl hij het hoofd des zwaar gewonden van
den grond opbeurde, drukte Vader bewogen en zachtkens hem de hand,
terwijl hij met innig leedgevoel in de reeds halfgebrokene oogen van
den krijgsmakker staarde.

--»Vriend!« sprak Vlasman met een flauwe stem en, de hem toegestokene
hand nog zachter drukkende, »'t is met mij gedaan; maar troost geeft
het, dat vrouw noch kind om mij krijten zal:--heb dank voor uwe
trouw.... ik sterf voor Haarlem! Groet Ripperda!«

--»Hier staat hij,« sprak Ripperda, »dapper vriend! uw dood pijnt
mij fel, maar die dood is schoon...«

--»Overwin--of sterf--« liet Vlasman op afgebroken, stamelenden toon
hooren. »Dat Haarlem vrij zij!«

--»Wraak over zijn dood!« riep Brederode, »wraak op het vervloekte
gespuis!«

--»Van hier met den braven makker!« beval Ripperda, »wij staan bloot
voor 's vijands vuur: brengt rolkorven en zandzakken aan, mannen! stopt
de breuk!«

--»Heb alle zorg, meester Florisz! nog leeft hij,« zeide Ripperda tegen
den chirurgijn, die op Pellekaens geroep naar de plaats was gesneld.

--»'k Zal niets verzuimen,« was het antwoord van dezen, »maar het is
om zijn leven te doen.«

--»Doe alles wat gij kunt,« zeide Pellekaen, terwijl de wondheeler
met behulp van een paar burgers den stervende zoo voorzichtig mogelijk
naar huis bracht, »kon ik in zijn laatste uur bij hem wezen!.... maar
mijn plicht roept mij op den wal.«

--»Ook mij,« sprak Vader, »zijn lot grieft mij bitter; maar God heeft
het zoo gewild en--zijn dood zal niet ongewroken blijven.«

--»Neen! dat zweer ik,« liet Lancelot van Brederode hooren, terwijl het
vuur van verbittering in zijn oog brandde. »Laadt, kanonniers! vuur,
musketiers! geeft die honden eene dubbele laag.«

--»'t Zal aan mij niet haperen,« sprak Cornelisz en Lenard Joosten,
zich met hunne handlangers spoedende om de breuk te stoppen, »wij
zullen hun de huid blakeren, dat ze geschroeid in den dood gaan.«

--»Wraak over kapitein Vlasman!« klonk het onder burgers en soldaten;
en op welk punt van de vesten de maar werd overgebracht, alom vernam
men dezelfde kreten en op elk punt gaven zich het leedgevoel en de
verbittering door eene fellere losbranding lucht.

Nog den ganschen dag wierpen de Vliegen van Namen hun vernielend
ijzer; doch daar de Spanjaard de stad en de wallen gelijktijdig
met een te veel uiteenloopend vuur bestookten, had er noch eene
aanmerkelijke bres, noch eene bloedige nederlaag plaats. Schoon er
dien dag driehonderd en zestig schoten geteld werden, sneuvelden
geene anderen, dan van welke wij melding maakten. Doch onder deze
behoorde Pieter Vlasman, het even kloeke regeeringslid als de wakkere
voorstander van de vrijheid, de even voorzichtige en belanglooze
raadgever voor het welzijn der burgers, als de held, die nacht en dag
in de wapenen was; de niet minder opgeruimde en getrouwe vriend dan
de brave Christen. Vlasman was gevallen; de man, die wel op den dood
rekende, als op een heraut, welke ons allen opeischt, maar die zich
niet angstig verbeeldde, diens stem ieder oogenblik te hooren. En het
leven van zijn vriend, van hopman Pellekaen werd niet afgesneden;
ieder uur, iederen dag waande deze de stem van den dood te hooren,
evenals men aan het strand gedurig het klotsen en bruisen van de
baren verneemt. Geen dag verrees er, of met een hart vol bezwaren,
meende hij dien dood te zien naderen; en echter scheen de kogel, die
hem zou treffen, nog gegoten, het zwaard en de dolk, die hem zouden
wonden, nog gesmeed te moeten worden. De vriend, die geen afgrond aan
zijne voeten waande, stortte eensklaps in de diepte, en de vriend,
die niets dan afgronden dacht te zien, bleef steeds ongedeerd. Niets
is onzekerder en tevens gewisser dan de dood; niets onbegrijpelijker
en raadselachtiger dan de mensch, wijl hij steeds een raadsel is voor
zich zelven.



ZEVENDE HOOFDSTUK.


In de Schachelstraat woonde sinds jaren doctor Elsen, tot eene der
deftigste familiën behoorende. In zijn vak had hij zich een tamelijk
vermogen verworven, en wel, zonder, even als zoovelen, van allerlei
toen in zwang zijnde kwakzalverijen gebruik te maken.

Maar die doctor was een opmerkelijk karakter. Hetzij men het aan zijne
opvoeding, hetzij men het aan zijne wankelbare gezondheid en zijn
zwak lichaam toeschreef, hij was vreesachtig in hoogen graad. Van
de meeste dingen had hij een onduidelijk begrip, terwijl hij zijn
roomsche godsdienst voor de eenige ware en onfeilbare hield, zonder
er zelfs schijnbaar goede gronden voor te kunnen ontwikkelen. Het
kleppen eener brandklok deed hem bezwijmen; voor het weerlicht
was hij zoo bevreesd, dat hij zijne ooren stopte en verscheidene
lichten in zijne kamer ontstak, om de donderslagen niet te hooren
of de vurige flikkering te zien. Uit een onbeduidend bezwaar vormde
hij zich dikwijls zulke schrikbeelden, dat men zich niet van lachen
kon onthouden, terwijl omstandigheden, die op velen invloed hadden,
geen indruk bij hem teweegbrachten. In zijn vak was hij zeer ervaren,
en het was een wezenlijk genoegen, hem daarover met juistheid, soms
met welsprekendheid te hooren; doch wanneer men hem een uur later over
dagelijksche onderwerpen sprak, werd zijn oordeel niet zelden door
een tienjarigen knaap overtroffen. Overigens bezat hij een zoo goed
hart, dat wie hem ten volle kende hem moest liefhebben, ja zelfs de
meeste zijner zwakheden niet in aanmerking nam. Tien jaren voor het
beleg had hij zijne vrouw verloren, aan wie zijne gansche ziel met
liefde hing. Die liefde was later, afgescheiden van de herdenking,
op zijn eenig kind, Anna, overgegaan. Het denkbeeld, haar te zullen
missen, kon het klamme zweet op zijn voorhoofd brengen en hem aan een
wezenlooze doen gelijk zijn. Nu had Anna haren vader dan ook innig
lief. Met een gezond verstand begaafd, bracht zij niet weinig toe,
om den vijf en vijftigjarigen man het leven te verzoeten en alles
van hem af te weren, wat op zijn vreesachtig gemoed nadeelig kon
werken. Geen sleep van bedienden had hem zooveel levensgemak kunnen
aanbrengen, als de zes en twintigjarige Anna. Men had moeten zien,
met hoeveel geduld zij hem iets, wat hij niet begreep, bevattelijk
zocht te maken; met hoeveel eerbied en fijn gevoel zij hem behandelde,
dan toch zou men over haar verstand zoowel als over hare lieftalligheid
en ouderliefde verrukt zijn geweest.

Ongeveer een halfjaar vóór het beleg had Anna kennis gemaakt met
Stompwijk, die evenals zij, de oude godsdienst beleed. Die kennis was
liefde geworden, zuivere, oprechte van de zijde van Anna, onreine,
geveinsde van de zijde van Stompwijk. Deze was tien jaren ouder
en van eene deftige familie; doch hij was even geveinsd van gemoed
als krachteloos van lichaam. Hij had gereisd, was ondermijnd en met
uitgeputte beurs teruggekeerd. Dewijl hij nog hartstocht genoeg had
behouden om voor de onschuld van Anna in drift te ontvlammen, loerde
hij veel meer op het vernieuwd bezit van een vermogen, waarvoor
hij zoo menigmaal de liefkozingen van uitheemsche schoonen gekocht
had. Wellicht ware zijn doel, onder eene goed aangelegde rol, gelukt,
wanneer Anna evenveel onnoozelheid als liefde had gehad; doch door
enkele ontsnapte woorden--die zoo vaak beleedigde vertrouwden zijn--was
een zweem van argwaan bij haar opgerezen: die had voedsel bekomen,
tot navorsching aangespoord, en--de uitslag daarvan was de ontdekking
zijner vroegere leefwijze, eene doorgronding van zijn plan en eene
ontmaskering. Maar nu werd ook de band tusschen hem en haar verbroken,
ofschoon zij edelmoedig genoeg was, om den sluier niet voor het oog
der wereld te ontblooten en hem daardoor aan minachting prijs te geven.

Nog woonde sinds meer dan eene eeuw een geslacht binnen Haarlem,
dat zich door stille burgerlijke deugden onderscheiden had. De naam
was Boreel. Sedert den aanvang van Filips' regeering waren eenige
der Boreel's uit het land geweken; sommige hadden zich in andere
plaatsen van Holland metterwoon nedergezet. Sijmon Boreel, een negen
en twintigjarig jonkman was, even schrander als kloek van gemoed,
met eene hartstochtelijke liefde aan zijne geboortestad gehecht.--Als
gebreken konden hem ijverzucht en onverzettelijkheid aangerekend
worden: doch om de helderheid der bron, waaruit ze opwelden,
moest men ze bijna verschoonen. Zijne ijverzucht was veeleer een
vèrgedreven wantrouwen ten opzichte van anderer plichtsvervulling:
zijne onverzettelijkheid sproot meer voort uit zijne onwrikbaarheid
van karakter. Nooit ontaardde de eerste in wangunst, noch de
laatste in blinde hardnekkigheid. Hij beleed den ouden godsdienst
en was door Bossu tot ontvanger in den Briel aangesteld geworden:
doch niet zoodra hadden de geuzen die stad ingenomen, of hij liet
zijne ambtsbetrekking varen, begaf zich naar zijne geboortestad en
besloot reeds van dat oogenblik de zaak van den prins te omhelzen,
hoewel hij zijnen godsdienst getrouw bleef.

Meer dan eens vormde hij het besluit om zich onder de geuzen te
scharen; doch veler woestheid stuitte hem tegen de borst; ook heerschte
bij hem het overwegend denkbeeld, wellicht spoedig in de gelegenheid
te komen, om zijne geboortestad van belangrijker dienst te zijn. Hij
bleef dus binnen Haarlem, waar doctor Elsen, die altijd de vriend
van zijn vader geweest was, hem gul en oprecht zijn huis aanboood;
hiervan maakte hij, hoezeer op bepaalde voorwaarden, gaarne gebruik,
en sloeg nu met zijn scherpzichtigen blik den loop der zaken gade.

Toen dit plaats greep waren er nog slechts eenige weken verloopen,
nadat Anna een band had verbroken, die haar eenmaal in leed zou
gebracht hebben. Hoe kon het anders, of Boreel werd èn door den
doctor èn door Anna met deze gebeurtenis bekend gemaakt, hoezeer tot
Anna's eer gezegd zij, dat zij hem nooit in den spiegel liet blikken,
waarin Stompwijk zich van de zwartste zijde vertoonde. Alleen liet
zij er hem datgene zien, wat haar, in zijne oogen, van den blaam van
geveinsde liefde of onrechtvaardigheid kon vrijwaren: en dat weinige
was voor Boreel genoeg, om hem niet te doen terugdeinzen voor een
gevoel, dat hij Anna reeds spoedig toegedragen had. Dat gevoel werd
integendeel meer en meer gekoesterd. Boreel, de jonkman met zooveel
goede hoedanigheden,--die ouders had verloren, zoo innig door hem
bemind en vereerd, kon niet dan met een welgevallig oog zien, hoe Anna
met haar gansche gemoed aan haren vader hing. Met verrukking zag hij,
hoe zij, als een jeugdig boompje, den zwakken, half verdorden tronk
met hare frissche blaadjes belommerde; hoe zij menigen dauwdrop van
hare kroon liet vallen om de ontbladerde takken te drenken. En dat
dagelijks ziende, sloop, met de hoogschatting tevens de liefde in
zijn anders niet licht ontvlambaar gemoed: en die liefde, uit achting
geboren, was meer waard dan de vlam, plotselijk door eene andere
ontstoken. Boreel's uiterlijk had niets schoons, niets bevalligs,
niets wat zoo vaak in den jonkvrouwelijken boezem het vuur eener
losse, glibberige liefde ontsteekt. Veeleer had men hem onbehagelijk
kunnen noemen met dien dikgelipten mond, met dien loenschen, bijna
schelen blik, met dat gelaat, waarop de kinderziekte haren stempel
had gedrukt: maar ongeschonden was zijn gemoed; maar die blik was
ernstig en minzaam, maar die mond sprak met rondheid. Het gelaat van
Stompwijk was een goudstuk, door satan gemunt, dat van Boreel een
koperstuk met het merk der deugd.

Anna had slechts weinig bekoorlijke indrukken eener eerste liefde
uit te wisschen, en de onaangename herinneringen verdwenen weldra
bij het ontstaan van liefelijke, evenals de vochtige dampkring bij
het opgaan der zon.

Maar Stompwijk mocht de liefde voor Anna van zich hebben kunnen
afwerpen, evenals men een ongewaardeerd kleedingstuk aflegt. Hij mocht
met de gedachte aan enkele uren van geluk in haar bijzijn spelen,
doch hij verloor niet even licht den indruk van het ontwijfelbaar
gemis van Anna's geldelijk vermogen. Naar dat vermogen had hij het
aas uitgeworpen; doch de prooi, die hij er eenmaal aan hoopte te
zien spartelen, zag door het aas den hoek heenblinken, en vermeed
dien.... neen, rukte den angel van de lijn en deed den visscher van
wrevel gloeien,--van wrevel in den aanvang, en dat die niet zoo ras
tot woede oversloeg, kwam daar vandaan, dat hij zich met iederen, in
zijne hoop verijdelden hengelaar gelijk stelde. Doch ziende, dat door
een ander de prooi werd bemachtigd, waarnaar hij zoozeer gehunkerd had,
zwol hij op van wangunst, van verbittering. Zoowel het voorwerp van den
buit, als zijn verkrijger, zwoer hij van toen af haat en wraak. Hij
waande, dat Anna reeds vroeger met Boreel in eenige betrekking had
gestaan,--dat Boreel gepoogd had, haar aan hem te ontrooven, en dat
Boreel misschien, met eenige zijner handelingen bekend, die aan Anna
nog donkerder had afgeschetst. Zich voor het ontgane bezit schadeloos
te stellen, was zijn eenig plan, en de wijze hoe, onverschillig voor
zijn slecht gemoed, hetwelk nog daarenboven met wrevel vervuld was,
omdat men hem tot nog toe bij de benoemingen van den Magistraat met
schijnbare miskenning voorbij was gegaan. De rol van verrader beloofde
hem het meeste voordeel in zijn geldeloozen toestand en de beste kans
tevens, om zich op Anna en Boreel en zelfs op den doctor te wreken,
terwijl er tegelijk de lang gekoesterde spijt over zijne zoogenaamde
miskenning door gekoeld zou worden. In elk geval zou bij het behendig
spelen zijner rol het laatste een uitvloeisel van het eerste zijn.

Evenals Boreel den rang bekleedde van kapitein bij het niet
bevoorrechte lichaam der schutterij, dat men als noodhulpen moet
aanmerken, zoo had men Stompwijk den rang van rotmeester gegeven,
die als het ware met dien van luitenant gelijk stond; doch het
voornaamste onderscheid tusschen beiden lag daarin, dat de eerste
zijn rang volkomen, de laatste dien geenszins waard was, iets, dat
uit den verderen loop van ons verhaal duidelijker blijken zal.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Daags na den dood van kapitein Vlasman, die, later als vroedschapslid
door Sijmon Cornelisz Spug zou vervangen worden, hadden verscheidene
der bevelhebbers en regeeringsleden eene vergadering gehouden. Immers
er waren brieven van Zijne Excellentie aangebracht met de tijding,
dat hij de stad geene hulp zou laten ontbreken. Ook waren er weder
tachtig sleden buskruit, en levensmiddelen en nieuwe troepen binnen
de vest gekomen, en het bestuur wilde eenige maatregelen met de
mondbehoefte nemen, waarover men gaarne het gevoelen der hoplieden
wenschte te hooren.

Het kon ongeveer zeven ure in den avond wezen, toen Boreel na den
afloop der overwegingen naar zijne woning keerde. De maan, die in het
eerste kwartier was, wierp van de heldere koude lucht haar flauwen
glans door de Schachelstraat, en op datzelfde oogenblik meende Boreel
eene hem niet onbekende gestalte uit de woning van doctor Elsen te
zien uitkomen.

--»Zou hij het zijn? hij was weer afwezig,« sprak hij, en stond
onwillekeurig stil.--Ook de gestalte, alsof deze den hopman ontwaard
had, stond stil, wilde vervolgens haar koers naar de Oude Gracht
nemen; doch zich ijlings bedenkende, sloeg zij den weg op naar
de Warmoesstraat en Boreel tegemoet, die nu insgelijks den zijnen
vervolgde.--Weinige seconden later gingen beiden elkander rakelings
voorbij, en beiden een scherpen blik op elkander werpende had Sijmon
Boreel den gehaten Stompwijk, en deze hem herkend.

--»Hij is het!« zeide Boreel, half luid, en het reeds aangestoken vuur
van den minneijver begon heftiger te ontbranden. Hij was op het punt,
Stompwijk staande te houden; doch in een besluiteloos oogenblik snelt
alles als een nevel voorbij;--omziende, had hij den mededinger reeds
uit het oog verloren, en hem naijlen wilde hij niet.

--»Ja, hij was het,« sprak hij, »en uit haar huis kwam hij, dat heb
ik klaar gezien. Hoe! die verrader, zij schenkt hem dan nog?.... het
gerucht heeft dus niet gelogen: het is maar al te waar....«

Werktuigelijk stond hij andermaal stil; doch opeens deed de plotselijke
gedachte om zijn vermoeden te meer bevestigd te zien, hem naar het huis
snellen. Onstuimig liet hij den zwaren klopper op de deur vallen en
bijna te gelijker tijd hoorde hij van binnen een kreet van schrik. Het
was die van den vreesachtigen doctor. Boreel keek nu door de kleine
glasruiten van het voorhuis en zag, hoe eene gestalte van haren stoel
opstond, vervolgens een licht ontstak en toen naar de deur ijlde. Het
was Anna zelve; zij opende hem, zooals zij dit steeds gewoon was,
doch in plaats van de groete, welke zij hem dan altijd toesprak,
zeide zij thans:

--»Sijmon, Sijmon! gij doet door uw wakker geklop mijn vader zoo
bijster schrikken, dat hij er van beeft. Is u wat ergs overkomen,
dat u tot zoo groot eene drift spoort?«

Bij menigeen zouden èn deze woorden èn de wijze, waarop zij werden
uitgesproken, elken argwaan hebben doen verdwijnen; doch bij Boreel
was dit zoo niet. Hij had toch den gehaten Stompwijk maar al te wel
van de stoep zien komen, hem maar al te zeer herkend en bovendien
waren de loopende geruchten overgenoegzaam, om hem in zijn vermoeden
te sterken. Hij beschouwde derhalve Anna's woorden als huichelarij, en
ofschoon hij zich zelven genoeg meester was, om langs een anderen weg
dan door dien van drift achter de waarheid te komen, zeide hij echter:

--»Gij opent mij, Anna, zoo onverbluft en ongezocht de deur, als waart
gij in geen uur van uwe plaats geweest, 't Is dan voorzeker uw vader,
die den gast van zoo fluks uitgelaten heeft?«

--»Wat duiden deze woorden?« zeide Anna, terwijl zij de deurklink in de
hand hield en Boreel scheen te aarzelen, of hij het voorhuis wel zou
binnengaan. »Geen gast is hier geweest sedert al langer dan een paar
uren, en ik geloof niet, dat op dezen de naam van gast passen zou.«

--»Sedert al langer dan een paar uren?« zeide Boreel eenigszins
spottend, terwijl hij binnentrad, »toen is hij gekomen, niet waar? maar
ook henengegaan?«

--»Nu ja! maar wat zin moet ik geven aan 'tgeen gij spreekt? Ik vat
u gansch niet.«

--»Wie is daar dan?« liet nu de stem van den doctor hooren, terwijl
hij uit het binnenvertrek naar het voorhuis kwam en nog niet van zijn
schrik scheen bekomen te zijn. »Lieve tijd! gij Boreel, gij hebt dat
rumoer gemaakt? Is u iets kwaads gebeurd: hebt gij wichtig nieuws?«

--»Nieuws genoeg, meester Elsen! als mijne ooren al de straatmaren
wilden opvangen, die er rondgaan. Maar ik zie liever met eigene oogen;
dan heeft men zekerheid.«

Terwijl hij dit zeide, begaf hij zich naar het binnenvertrek, waar de
heldere vlam van een groot turfvuur het kaarslicht geheel overscheen.

--»Wat is dat, Anna! wat is dat?« zeide haar vader, langzaam met zijne
dochter volgende, »hij rept van straatmaren en hij noemt mij meester:
wat mag dat zijn?«

--»Vraag het hem, vader! ik weet er gansch niets van, ik versta hem
al zoo min.«

--»Wat revelt gij, vriendje?« zeide de doctor, binnenkomende. »Hebt
gij kwaads op het hart, werp het dan af.«

--»Dat zal ik,« antwoordde Boreel, »schoon het mij meer pijnt, dan
of mij een kogel in het vleesch ware gegaan.« En toen Anna's hand
in de zijne grijpende en haar met zijn forsch oog strak aanziende,
vervolgde hij: »zeg het onverblikt, wie ging zoo flus uwe woning uit?«

--»Wel niemand, zoo ik weet....«

--»Onmogelijk! gij blinddoekt mij te vergeefs,« zeide Boreel, haar
nog uitvorschender aanziende, »mijne oogen hebben het gezien, zoo
waarachtig als ik leef.«

--»Iemand mijn huis uitgegaan?« vroeg nu de doctor, terwijl er
zichtbare angst op zijn gelaat kwam, »wat spreekt gij, vriend! dan
moet het een dief zijn geweest: heilige Petrus! dan moet er een dief
ingeslopen zijn, terwijl ik vandaag van huis was. 't Is een deerlijke
tijd van gebrek.... Dan moet ik het huis onderzoeken: wie weet,
wat men mij ontstolen heeft.«

En de altijd vreesachtige man zou op het punt zijn geweest, om het huis
van boven tot beneden te doorzoeken, wanneer Boreel en zijne dochter
hem daarin behulpzaam hadden willen zijn; want voor geen geld ter
wereld zou hij het gewaagd hebben, zulks onverzeld te doen. Boreel's
woorden brachten hem echter geheel van zijn voornemen af.

--»Van dieven is het de spraak niet,« zeide deze, »de man, dien ik
uit het huis komen zag, was Stompwijk,« en dit zeggende, hield hij
op beider gelaat het oog, om de minste verandering waar te nemen.

--»Stompwijk!.... hoe komt het u in den zin?« vroeg Anna,
»wat vermoeden! er woont dan nog altijd achterdocht in uw
binnenste? Boreel! waaraan heb ik deze wreedheid verdiend?«

--»Stompwijk!« herhaalde nu ook de doctor, »als hij dood was, mocht
ge zijn geest voor oogen hebben gezien; maar den man zelven, uit mijn
huis komende--nooit.«

--»Toch zag ik hem,« herhaalde Boreel, »hij was het zelf en niet
zijn geest.«

--»Twee uren zijn verloopen,« sprak de doctor, »dat de schamele
Wouters, die met graveel is gekweld, hier kwam; niet langer dan vijf
minuten sprak ik met hem; toen is hij weer heengegaan, en daarna
heeft in mijn huis niemand een voet gezet.«

--»'t Is mogelijk,« zeide Boreel, nochtans met het hoofd schuddende,
»maar het geeft mij bijster weinig klaarheid in de zaak: mijn oog
heeft nog zelden mis gehad.«

--»Maar toch nu,« sprak Anna, »want bij de zaligheid mijner moeder
zweer ik, dat Stompwijk hier sinds maanden niet over den dorpel
kwam. Moet mijn mond dan herhalen, hoe ik over hem denk? Gewis,
uw vermoeden doet mij bittere grief aan.«

--»Anna, liefste mijn! niet alzoo!« zeide nu Boreel, terwijl hij zijnen
arm om haren hals sloeg, »ik geloof nu, wat gij spreekt: maar er blijft
mij groote schemering over, bij alles wat het gerucht spreekt, en
dat is niettemin zeker, dat ik Stompwijk van uwe stoep heb zien gaan.«

--»Eilaas! wat mag het dan wezen, dat zijn spel met mij drijft?«
barstte nu Anna op bedroefden toon los, »wie geeft u dan het voedsel
tot achterdocht jegens mij?«

--»Aanhoor mij,« zeide Boreel, terwijl hij zich bij het vuur plaatste,
en den doctor een teeken gaf, om zijn voorbeeld te volgen. »Het is een
distelige tijd; een tijd, dat de menschen zich bloot met de wichtige
aangelegenheden moesten bezig houden: en nochtans verspreidt men een
aantal geruchten. Wat zegt men niet al? Hier klinkt het mij tegen, hoe
Stompwijk meer dan eens dit huis betreedt en welkom ontvangen wordt;
daar vraagt men mij, of ik geene kondschap draag, hoe meester Elsen
tot de zijde van den Spanjaard overhelt; en men drijft het mij zelfs
als een verwijt toe, dat ik bij een zoodanigen woon. Ginds laat het
volk zich weder iets anders ontglippen. In één woord, ik moet het u
maar gansch zeggen, doctor! Gij staat in een zeer kwaad gerucht.«

--»Ik, ik....« zeide de doctor driftig en tegelijk bevend, »wie kan mij
iets euvels aantijgen? Wat aanleiding geef ik tot zoo grove logens? Ik
met den Spanjaard heulen? En gij, hopman! gij snoert hen den mond
niet? Gij laat eene kladde op mij werpen, die mij aan de grimmigheid
van 't volk blootstelt. Wee mij dan! wat zal mij overkomen, zoo het
vuur der boosheid feller wordt aangeblazen? Wat wil men van mij? Dat
ik mijne religie afzwere en de leer van den man Luther aankleve? Dat
nooit; eerder ga ik in den dood.«

--»Beangst u niet alzoo,« sprak Boreel, »en werp nog minder eenige
schuld op mij. Ieder, die mij van deze dingen rept, ga ik krachtig
te keer; en hoezeer nog zoo fluks mijn argwaan opgewekt werd,
twijfel ik er niet meer aan, of wij strekken ten wit aan boos opzet
en wraakgierigheid. Die Stompwijk!.... al meer en meer wordt bij mij
de gedachte gevoed, dat hij vol is van listige treken en snoodheden,
dat hij uw verderf zoekt en het mijne, en dat hij zelf verraderlijk
heult met den Spanjaard. Bij Ripperda! van dezen dag af zal op zijne
gangen een Argusoog gericht wezen, en wee hem, zoo ik hem op eenig
schelmsch bedrijf betrap.«

--»En gij zaagt hem van deze stoep komen?« vroeg nu Anna, de hand
niet terugtrekkende, die door den geliefde gedrukt werd, als een
berouwhebbend teeken over zijne achterdocht.

--»Gezien, Anna? ja, dat zweer ik, maar mijn argwaan is gansch
geweken. Thans heb ik licht in de zaak en spoedig zal ze mij in
niets meer vreemd zijn. Maar ook nu, Anna! moet alle achterspraak
en kwaad vermoeden gesnoerd worden. Schaar u onder Kenau Hasselaar;
nog is het tijd.«

--»Neen, spaar daar vrijelijk ieder woord van,« zeide de doctor,
»moest ik haar missen, veel liever zou ik den dood ondergaan. Al groot
genoeg is de vreeze, dat er voor Haarlem een bitter einde komen zal,
en minst van al zal de vijand in zijne woede sparen, wie de wapenen
tegen hem gedragen heeft....«

--»Het lust mij niet,« zeide Boreel wrevelig, »om andermaal met tal
van woorden eene zwakheid aan te tasten, die in uw karakter ligt. Ook
zijt gij geen krijgsman. Maar wee hem, die op 's vijands genade bouwt,
als deze binnen de stad dringt. De Spanjaard zal geen onderzoek doen,
wie de kling tegen hem voerde of wie ze lafhartig liet roesten in
de scheede. Aan moord en brand zal geen einde wezen: hem dus buiten
de vest te houden, moet de leus van alle Haarlemmers zijn. Vrij of
de dood!«

--»Zoo mijn vader toestemt, ben ik bereid,« zeide Anna, »het is niet
voor de eerste maal, dat ik aldus spreek; maar zijn wil wederstreven,
doe ik nooit.«

--»Het zou mij leed doen, u van die gedachten af te brengen,« zeide
Boreel, haar de hand drukkende, »maar bezin u wel, doctor! Haarlem's
deftigste jufferschap heeft zich reeds onder Kenau geschaard. Morgen
worden spiesen, bussen en rapieren onder haar uitgereikt, en op weinig
na, zijn ze reeds driehonderd in getal. Gewis, grooter sieraad dan
dit heeft Haarlem nog nooit binnen zijne muren gehad.«

--»En wie zal de aanvoerster wezen?« vroeg Anna.

--»Kenau,« was het antwoord, »en de wakkere vrouw van burgemeester
Kies zal hare plaatsvervangster wezen; in rang op deze volgen Maria
van Schoten en Maria van der Laan, terwijl aan Henrica van Vliet
en Geertruida van Brederode de standaard van Haarlem ter hand is
gesteld. Op mijne krijgsmanseer!« ging hij voort, zich bepaaldelijk
tot den vader zijner geliefde wendende, »zoo ge mij een levensdag
wilt schenken, die mij tot een altijddurend herdenken zal wezen,
verban dan uwe vreeze en laat Anna nog heden onder haar getal zijn.«

--»Nimmer!« antwoordde de doctor. »Ik ril bij de vreeselijke gedachte,
wat het deerlijk lot zijn zal dezer stad. Haarlem te redden, zal
even ondoenlijk wezen als met de hand aan den hemel te raken: en zou
ik nog mijn eenig kind wagen, om op de wallen den dood te vinden,
of later te worden vermoord? Neen, zij ga niet van mij af, zoo zij
mij den dood niet wil aandoen.«

--»Maar peins toch, bid ik u,« hernam Boreel, »dat gij in het
overstaande geval evenzeer hebt te vreezen. Wie ook uw vijand moge
zijn, zeker is het, dat hij u veel euvels brouwt en het slapend volk
wakker tegen u maakt. Daar behoeft zooveel niet toe, om iemand in
kwaad gerucht te brengen, en eene geankerde opspraak wil slechts
tragelijk wijken. Bezin u wel; geen beter blijk van gezindheid voor
den prins en de vrijheid kunt gij geven, dan door af te staan, wat
u het liefst en dierst is. Dat is Anna; laat op haar de blaam niet
komen, dat zij eene lafhartige maagd zij; want bedenk, dat gij geene
verschooningsrede inbrengen kunt.«

--»Ik ben een zwak, oud man; van mijne jonkheid af heb ik altijd een
ziekelijk lichaam omgedragen; ieder uur kan mij iets kwaads overkomen,
en als ik mijne dochter mis, wie zal mij dan tot hulpe wezen? Ware
mijne vrouw, aan wie ik zooveel heb verloren, nog in leven, ik zou
gewillig zijn; maar nu--neen! ik beef reeds, wanneer ik er aan denk;
och, Anna! verlaat uw grijzen vader niet.«

--»Neen, lieve vader! wees gerust,« zeide Anna, »ik zal u niet alleen
laten: ik zal niet gaan van uwe zijde.« En terwijl zij op den geliefde
een blik wierp, waarin de bede lag opgesloten, om den ouden man over
dit punt geen verder verdriet te veroorzaken, sloeg zij hare armen om
haars vaders hals en drukte hem zulke vurige kussen van kinderliefde
op het voorhoofd, dat Boreel zich bewogen gevoelde, om aan beider
wenschen gehoor te verleenen.

Hij drong dan op dit punt voor het oogenblik althans niet verder
aan. Echter kostte het hem veel; want hoezeer hij ten volle van des
doctors innige goedheid van hart bewust was, vermoedde hij tevens, dat
het gewichtige punt van godsdienst de hoofdzakelijke reden was, waarom
hij niet wilde, dat zijne dochter zich onder de strijdbare vrouwen
voegde. Even zwak toch als de stroohalm, die door het geringste koeltje
bewogen wordt, was ook zijn verstand ten opzichte van het godsdienstig
geloof. Toch bleef hij voor zich zelven in de ijzervaste overtuiging,
dat de godsdienst zijner vaderen de eenige ware en Godebehagelijke
was; dat zij even oud als schoon, even zuiver als eerbiedwaardig was;
dat elke poging om haar te verzwakken of uit te roeien, met bespotting
en heiligschennis van het machtigst verhevenst Wezen gelijk stond. Dit
had Quirijn Dirks, wiens geneesheer hij was, als in zijne ziel gegrift,
zonder dat des doctors benevelde begrippen er eenigen grond voor konden
ontwikkelen. In zijn duisteren waan huiverde hij bij de bloedige
middelen, die Spanje bezigde ter eere van het roomsche geloof; toch
juichte hij het doel toe, op zich zelven als doel beschouwd. Uit dit
laatste vloeide dan ook zijn denkbeeld voort, dat men hoogst strafbaar
handelde, door zich gewapenderhand tegen den koning, als hersteller
van het alleen zaligmakend geloof en als regeerend vorst van Nederland,
te verzetten. Maar nog meer sidderde hij bij de gedachte aan de straf,
die later allen wachtte, welke het staal tot wederstand aangegrepen
hadden. De vrees echter--dat heerschend gebrek zijner ziel,--hield
hem terug, om dit rechtstreeks en bepaald te uiten, zoodat zelfs
Boreel het wel vermoedde, maar er de zekerheid niet van had. Deze
beschouwde dus in hem slechts den vader zijner beminde; hij duldde
zijne zwakheden ter liefde van haar en omdat des doctors hart goed
was; hij eerbiedigde haar, omdat Anna's gansche ziel met eerbied voor
haren vader vervuld was; in één woord, hij beschouwde hem als één,
als saamgesmolten met het voorwerp van zijn hartstocht; hij had hem
lief, omdat hij Anna liefhad.



NEGENDE HOOFDSTUK.


Het was ongeveer negen uren in den avond van den volgenden dag,
toen Boreel den koesterenden haard in de woning van doctor Elsen
verliet. Gedurende den ingevallen vorst konden slechts weinige
officieren des nachts van hunne posten blijven; want men bevond zich
tegenover een geoefend vijand, die, zoo hij er slechts kans toe zag,
zich voorzeker het ijs ten nutte zou maken. Ook Boreel zou dien nacht
den post aan de Janspoort hebben: doch alvorens hij derwaarts ging,
begaf hij zich naar de Warmoesstraat en trad de woning van Ripperda
binnen.

Deze woning, welke onlangs gesloopt is, was misschien toen nog
niet het Hof van Holland geheeten, daar wij dien naam eerst in den
jare 1641 hebben aangetroffen, hoezeer het gebouw bijna twee eeuwen
vroeger reeds door eene weduwe, Claes Gherijt Hollanders, van wie die
naam misschien oorspronkelijk is, bewoond werd. Tijdens het beleg
werd het door de familie Van Egmond bewoond, en in het jaar 1641
droeg jonker Johan van Egmond van den Nijenburg het in eigendom
aan eenen Mr. Frans de Kies over, van welken tijd af het sedert
bijna eene eeuw eene neringrijke herberg wordt geheeten, terwijl het
Natuur- en Letterkundig Gezelschap »Oefening en Wetenschappen«, (nog
bestaande), er eene reeks van jaren zijne belangrijke vergaderingen
gehouden heeft. Gelijk men wil, dat van het tegenwoordige pand en
Prinsenhof--toen het klooster der Predikheeren--de schrijfkamer,
bottelarij, keuken en andere vertrekken ingericht waren tot het
tijdelijk verblijf van verscheidene hoplieden der hulpbenden, zoo
wil men ook, dat Ripperda in dat Hof van Holland zijn woning heeft
gehad, ofschoon wij met zekerheid weten, dat zijne paarden in het
St.-Jansklooster gestald zijn geweest, en het ons waarschijnlijker
voorkomt, dat ook hij in het toenmalige klooster der Predikheeren
is gehuisvest geweest. Maar wij nemen het aan. Door de regeering
der stad zal hem dan het tijdelijk verblijf in het statige huis des
heeren Van Egmond met diens toestemming zijn aangewezen, en deze zal
aan Ripperda een paar vertrekken tot diens gebruik hebben ingeruimd.

In eene dezer kamers zat, aan eene groote, ronde tafel, de Fries,
op wien aller oogen te dien tijd vertrouwend gericht waren. Ofschoon
eene vinnige koude heerschte, was Ripperda op verren afstand van
het haardvuur gezeten, eene gewoonte, welke tot zijne vele andere
behoorde, om zich zoo weinig mogelijk aan het gemak te verwennen;
des nachts alleen uitgezonderd, kon men hem ten allen tijde bijna
eveneens gekleed vinden als den krijgsman op een grenspost; iedere
minuut, ieder oogenblik was hij gereed voor de hem toevertrouwde
vest. Wat kreet zich liet hooren,--Ripperda,--altijd Ripperda was dáár.

Op de tafel lagen onderscheidene kaarten, teekeningen, perkamenten
en eenige met het prinselijk wapen voorziene brieven, terwijl
slechts twee kaarsen haar licht aan deze tafel en het ruim
vertrek mededeelden. In dit vertrek met sneeuwwitte muren, hingen
onderscheidene schilderstukken van de Haarlemsche kunstenaars
Van Heemskerk en Mostaert, terwijl de verdere stoffeering meer uit
voorwerpen tot dagelijksch gebruik dan wel uit sieraden bestond. Het
was de kamer, waar Ripperda al diegenen ontving, welke hij te bevelen
of met wie hij te raadplegen had.

Vierhonderd Walen, Engelschen en Schotten waren dien dag binnen de
stad gekomen. De aanvoerder der Engelschen was kapitein Summado,
die der Schotten Beaufort, die der overigen Margottin, kapitein
van 's prinsen garde; benevens Vardeur, kapitein van graaf Van der
Mark. Eenige oogenblikken geleden hadden genoemde vier hoplieden
Ripperda verlaten, en thans bevonden zich in zijn bijzijn Lancelot
van Brederode en Van Duivenvoorde.

--»Mijn heere Ripperda!« zeide Boreel, na gepaste groete van het
drietal. »Ik voel mij gedrongen tot een klein gesprek en heb u ook
een verzoek voor te slaan.«

--»Wat mag dat zijn, heer Boreel?«

--»Dat gij eene kleine verandering brengt in het betrekken der
wachtposten.«

--»Waarom?«

--»Ik wenschte, mijn heere! dat Stompwijk, althans gedurende den nacht,
op denzelfden post met mij ware.«

--»Stompwijk? hebt gij het zoozeer op hem voorzien?« vroeg Ripperda,
terwijl hij een blik op Lancelot van Brederode wierp, daar deze hem
vroeger insgelijks, en wel in geen te gunstig opzicht, over Stompwijk
gesproken had.

--»Met rondheid gezegd, heer!« antwoordde Boreel, »ik voed achterdocht
jegens hem, en ik wensch na te vorschen, of ik naar eene schaduw
of naar een lichaam grijp. Wij zijn in een tijd, dat de toetsing
van een los vermoeden beter is dan het proeven eener nederlaag door
verraad. Wetende, hoe ik hier spreke in de tegenwoordigheid van mannen
van eer, zoo aarzelde ik niet te zeggen, wat ik gezegd heb.«

--»Ik schenk er lof aan!« zeide Ripperda; »rond en voor de vuist
te spreken moet het karakter van den man wezen, in wien de trouwe
woont. Maar weet--het valt lichter, een rapier bot te scharen, dan
er de zuivere snede aan terug te geven.«

--»Dacht ik niet eveneens,« antwoordde Boreel, »ik had over deze zaak
al sedert lang den mond opengedaan, maar ook denk ik, dat het hier
beter te vroeg is dan te laat.«

--»Ja, waarachtig!« liet Lancelot van Brederode hooren, »beter is het,
voorzorg dan nazorg te nemen; ook ik ducht, dat Stompwijk iets euvels
brouwt. Ik heb het op zijn Judas-gezicht niet bijster hard gemunt.«

--»Ik moet belijden,« sprak Boreel, »dat tot nu toe mij een
rechtstreeksch bewijs faalt; maar hoe dikwijls heeft nasporende
achterdocht niet tot zekerheid van iets kwaads geleid?«

--»En wat mij aanbelangt,« zeide Brederode, »ik zal mij de tong
verbranden, zoo het later mocht blijken, dat ik hem zonder grond
verdacht heb. Ik houd het voor gewis, dat hij iets smoken doet, wat
wij spoedig in lichte laaie zullen zien. Zoo veel is bovendien zeker,
dat er binnen Haarlem verraad schuilt. Ook was Stompwijk nooit de
man, wien ik iets heimelijks zou hebben durven toevertrouwen. Hij
loert als eene kat, wanneer hij meent, dat er geen blik op hem
geslagen wordt, en ik geloof, dat zijne oogen beter dan die van een
nachtuil zijn. Waar was hij den twintigsten van Wintermaand, toen de
Haarlemmers als leeuwen vochten? Hij was ziek, luidde het; maar bij
mijne ziel! de man, die een hart in het lijf heeft, moet niet ziek
wezen, als het de verdediging geldt en de glorie zijner stad. Als,
in een uur van gevaar, de dood mij bij den eenen arm hield, ik zou
hem met den anderen arm losrukken, en zijne grimmige tronie ontvlucht
zijnde, liever sterven met het rapier in de vuist.«

--»Wij weten het, dat Stompwijk geen Lancelot van Brederode is,« zeide
Ripperda, die den ruwen doch van hartstochtelijke liefde voor zijn
vaderland ontgloeiden krijgsman hoogschatte, »welaan! voorzichtigheid
geldt hier bovenal, waar het behoud der stad op het spel staat;
voorzorg in tijds te nemen is hier van het hoogst belang, en het
kan Stompwijk ook niet deren, dat zijne gangen worden bespied. Ik
zal zorgen, heer Boreel, dat gij in de gelegenheid komt om op zijn
handel en wandel te letten. Maar op mijne beurt heb ik insgelijks
eene vraag te doen.«

--»Ik gis, mijn heere! wat het zijn zal.«

--»Laat mij hooren,« zeide Ripperda.

--»Heeft het betrekking tot mijnen huisvriend?« vroeg Boreel.

--»Half geraden: het heeft ook betrekking tot hetgeen u na aan 't hart
ligt. Wat mangelt er toch aan, dat het maagdelijn van onzen wakkeren
Boreel de breinaald niet voor het rapier ruilt? Het is waar, zij is de
eenige niet, die zich afkeerig schijnt te toonen van Kenau's vendel;
doch op de jonkvrouw van uw hart valt meer de aandacht, wijl men
gist, dat één aansporingswoord van uw mond genoeg is om haar ijver
op te wekken.«

Dat was eene snaar, eene gevoelige snaar aangeroerd. Boreel had in
den laatsten tijd reeds zoovelen de reden ontvouwd, waarom Anna niet
onder Kenau's vendel was; doch een stilzwijgend schouderophalen,
eenige onsamenhangende woorden, of ook wel een ongeloovige grimlach
waren dan het wederantwoord geweest. Eens zelfs was hij op het punt
geweest om jegens een te vrijpostigen vrager in drift uit te varen;
alleen zijne beradenheid had hem nog tijdig weerhouden. Hij besefte
echter hoe langs zoo meer, dat het niet aldus blijven kon. Hem toch
kende men als den wakkeren, kloeken jongeling, die geen zweem van
lafheid kon gedoogen; den doctor kende men als een angstig, schier
kinderachtig bevreesd man; doch niemand wilde gaaf aannemen, dat die
angst den doctor kon terughouden, om Anna onder Kenau's vrouwenschaar
te doen behooren. Anna bleef toch immers binnen Haarlem's muren, kon
haren vader ieder oogenblik zien, en in hare huiselijke bezigheden
kon zij immers wel door eene andere vervangen worden. Moest, behalve
dat, de roem zijner dochter hem niet eene kleine opoffering waard
zijn. Neen! er schuilden andere oorzaken; het moest wel waar zijn, wat
Stompwijk van den doctor zeide; deze moest wel tot de Spaanschgezinde
partij behooren. In allen gevalle, Boreel handelde niet als een man van
geestkracht, van moed. Bezat hij dan niet zooveel overredingskracht,
dat hij den doctor die dwaze denkbeelden, die zwakheid, die vrees
ten minste in zoo verre kon doen overwinnen? Neen! Anna zelve wilde
niet, Anna zelve bezat niets van den moed, van de fierheid der overige
juffers; en kon Boreel, de wakkere man, zoo vol liefde voor zijne stad
en zijn vaderland, dat gedoogen? Kon de leeuw met het schuwe hert één
weg gaan; en was Boreel dan niet genoeg tot eene zelfopoffering bereid,
om den vader en de dochter te gemoet te voeren: die »vreesachtigheid,
die lafheid gedoog ik nooit. Wie de vrouw van Boreel zijn zal, moet
van gelijke liefde als hij, voor haar vaderland ontgloeid wezen, moet
hare zusteren niet moedig naar den wal zien gaan, en zelve, bij het
spinnewiel, de terugkomst van den minnaar verbeiden, om aan zijne
borst te rusten, om van zijne lippen slechts de kussen der liefde
te ontvangen. De beminde van Boreel moet daar niet schroomvallig op
de wenken van een zwakken vader passen, terwijl hare vriendinnen,
voor Haarlem's roem en vrijheid in het geweer zijn. Zij moet mijner
waardig wezen, of ik moet afstand doen van een hart, dat slechts aan
een lafaard behooren kan.« Zoo dachten, zoo spraken velen, of verzwegen
zij het, dan gaf een schouderophalen, een grimlach hetzelfde te kennen;
en Boreel kon noch het eene, noch het ander gedoogen, omdat allen, die
zoo spraken, een verkeerd en onrechtvaardig vonnis velden; maar toch,
het kon zoo niet blijven; zulk eene onrechtvaardige beschuldiging,
zulk een kwade schijn ook ten zijnen opzichte en zoo herhaaldelijk,
dat stuitte hem geweldig tegen de borst. En thans deed weder Ripperda
hem dezelfde vraag. Nog zou hij dezen hetzelfde antwoord geven; maar
dan, dan moest het anders worden; dat nam hij zich onwrikbaar voor.

--»Gij hebt recht, heer!« zeide hij. »Er behoeft noch vleierij,
noch kracht van rede toe om haar het rapier te doen aangrijpen;
want zij is een meisken van koenen geest en ernstige wakkerheid, en
zij zou niet achterwege zijn gebleven: maar zij is ook een meisken,
vol van liefde voor haren vader, huiverend bij de gedachte, hem de
kleinste grief aan te doen; en zij zou den grootsten weedom over hem
brengen, wanneer zij naar roer en bus greep: want doctor Elsen is een
man van angstig en vreesachtig gemoed--die het bijkans besterven zou,
zoo hij Anna uit zijne woning zag gaan.«

--»Is het dus met hem geschapen?« vroeg Ripperda, met eenige
twijfeling.

--»Ja, hij is vol schroom en angstig als een kind,« zeide Van
Duivenvoorde. »Mij heugt het nog, hoe hij, eenigen tijd geleden,
mijne vrouw in hare krankheid bezocht. Toen sprong een jonge brak
streelend tegen zijne knieën op, en fluks greep hem zulk eene vrees
aan, dat hij van den stoel tuimelde en geen spraak meer had. Anders
is hij een goed man, waardig tot genezing en zeer bekwaam in zijn vak.«

--»'t Is een man als meester Maarten,« zeide Brederode, den beroemden
schilder Heemskerk bedoelende, »die is een feniks op 't palet, maar
zoo bang als een wezel, als hij iets verdachts hoort, en een schot
uit de Vliegen van Namen zou hem flauw doen vallen, waarom hij dan
ook uit de stad is geweken, evenals hij vroeger zijne toevlucht nam
op den St.-Bavo's toren, wanneer de schutters op St.-Jansdag bij den
ommegang hunne geweren afschoten.«

--»Maar men wil ook reppen,« liet Ripperda hooren, »dat meester Elsen
in geen overgoeden naam staat, ja zelfs dat er eenige achterdocht op
hem rust.«

--»'t Is mij bekend,« sprak Boreel, »maar ik moet het voor boozen
laster houden van eenig kwaad vijand; mogelijk, dat ook daarover
weldra goed licht zal worden gespreid.«

Vervolgens sprak men nog over andere aangelegenheden, totdat Van
Duivenvoorde, van zijne plaats opstaande, zeide:

--»Het wordt mijn tijd; ik vertrek naar de Kruispoort. Heeft mijn
heer Ripperda nog eenig bevel?«

--»Heb dank, kolonel!« antwoordde deze, »het voornemen tegen morgen is
genoeg besproken en belegd. Eer de dag aanbreekt, zal ik bij u zijn.«

--»Ik ga met u,« zeide Boreel.

--»En ik,« voegde Brederode er bij. Gezamenlijk opstaande, werd aan
Ripperda de vraag herhaald, waarop een gelijk antwoord volgde, en
waarna de drie verdedigers den bevelhebber verlieten om dien nacht
op hunne verschillende posten waakzaam te zijn.

Intusschen was ook Stompwijk reeds op zijn post aan den Pijntoren, dien
hij spoedig voor een anderen verwisselen zou, wijl Ripperda besloten
had, aan de waarschuwing van Boreel gehoor te verleenen--doch zóó,
dat Stompwijk geen wantrouwen zou kunnen koesteren. Maar ook dien
nacht zou hij opnieuw verraad plegen. Een door middel van een pijl
naar de vijandelijke schans afgeschoten brief zou den Spanjaard
berichten, hoe Haarlem's bezetting met vier kloeke hoplieden was
versterkt geworden, maar vooral, hoe de belegerden voornemens waren,
met het krieken van den volgenden dag een hevigen uitval te doen,
om den vijand zijn geschut te ontnemen of het te vernagelen, zijnde
tot dien uitval verscheidene vendels in gereedheid gebracht.

Ellendige verrader! uw schrift kwam in 's vijands handen en gij gaaft
veerkracht aan den Spanjaard, terwijl de veerkracht uwer stadgenooten
er door verslapt werd. Zie, hoe bij het aanbreken van den dag de
Spanjaard op zijne hoede en gereed is om den Haarlemmers in hun
voorgenomen plan een slagboom te stellen. Geen geschut zal afhandig
worden gemaakt; want de musketten en haakbussen zullen de aanvallers
afkeeren, hen naar de vest terugjagen en hun een gevoelig verlies doen
ondergaan. Mannen van Ripperda! die neerlaag hebt gij te danken aan
het verraad van een uwer wapenbroeders, aan een burger van uwe stad.



TIENDE HOOFDSTUK.


Indien de legende of overlevering van enkele Haarlemmers
waarheid is, dat Quirijn Dirks zijne woning zou gehad hebben in de
Barteljorisstraat, nabij de Schoutensteeg, dan gelieve de lezer ons
derwaarts te volgen op den avond van den dertigsten Januari.

Reeds is de schemering ingevallen, de kaars nog niet ontstoken,
en toch doet de haardvlam een onderscheidenden blik werpen op drie
personen, welke in een halven cirkel gezeten, een tamelijk luid
gesprek voeren. Ofschoon twee hunner vrouwen zijn, voert men dit
gesprek in het Latijn, de taal dier dagen onder den geleerden, en
ook veelal in diens huiselijken kring niet vreemd aan menige jonge
dochter, die zich daarom toch niet zou vermeten hebben, op den naam
van geletterde aanspraak te maken. En de man tegenover die twee
vrouwen--zijne echtgenoote en dochter--mocht wel met volle recht
geleerde heeten; want het was meester Quirijn Dirks Talesius, niet
algemeen onder zijn familienaam bekend, zooals velen in die dagen,
daar hij zich altijd slechts Quirijn Dirkszoon noemde en schreef,
ook door anderen zoo genoemd wordt en tevens als Quirijn Dirkszoon
in de stedelijke registers en archieven niet anders voorkomt.

Hem daar ziende, in zijn tabbaard, met het zwart kalotje op het
hoofd, dat reeds zeventig winters had beleefd, zou men geenszins
den diep ervaren rechtsgeleerde of den ijverigen beoefenaar der
toonkunst in hem gewaand hebben. Zijn rond, grof gelaat en smal
voorhoofd, met diepe voren beploegd, droeg geen enkel kenmerk van
een fijn, gespitst brein, of van een werkzamen, schranderen geest,
die nochtans zijn eigendom was. Dat gelaat verried den man niet,
dien een Erasmus om zijn geleerdheid achtte, minst van al den man,
van wien die groote Rotterdammer verklaarde: »dat niemand dan Quirijn
Dirksz hem ooit met meer liefde gediend had.« Reeds in den jare 1527
had hij voor Erasmus, in eene teedere zaak, eene belangrijke zending
naar Engeland waargenomen, nadat hij reeds geruimen tijd tevoren
aan hem verbonden en hem in vele bezigheden behulpzaam geweest was,
zelfs ten zijnen huize had gewoond. Quirijn Dirksz had reeds veertig
jaren geleden en ook later de betrekking bekleed van pensionaris
van Haarlem, en wij weten, dat tot dien post een man gevorderd werd,
uitmuntende in wijsheid en voorzichtigheid, allen overtreffende in
welsprekendheid--dien men raadpleegde als een orakel. Te dien opzichte
bedroog dus dat gelaat, gelijk het zoo dikwijls bedriegt; toch was
het in een ander opzicht de spiegel zijner ziel; want in zijne oogen,
thans door grijze wenkbrauwen overwelfd, brandde een dweepachtig vuur;
men las er den gloeienden ijveraar in voor den ouden godsdienst; in
al zijne gebaren teekende zich de man, voor wien geen marteldood te
zwaar ware geweest, zoo hij er de leer van Rome's kerk door had kunnen
handhaven. Welk eene hoogte had hij kunnen bereiken door een karakter
als het zijne, een karakter van moed, van onbuigzaamheid, van ijzeren
wil, eene borst, blakende voor het belang en heil van Haarlem en van
Holland, en geen loodzwaren last van moeite schromende, daar waar het
dat belang gold. Maar evenals de vlinder het blad uitzuigt en doet
verdorren, zoo handelde Talesius in zijn dweependen godsdienstijver;
en door overmaat van gloed, deed hij verzengen en dor worden, wat
bloeien en tieren moest onder zachte lommer en frisschen dauw. Welke
wegen van geluk zou hij niet voor zich gehad hebben, zoo de vriend
van Erasmus meer den zachten geest van Erasmus had bezeten, zoo diens
verdraagzaamheid zich had mogen enten op de takken van den boom zijner
kennis, en daarmede te zamen ware gegroeid. Maar hetzij wij hem zien
als burgemeester, hetzij wij hem zien als schepen, in welke beide
betrekkingen hij menigmaal het voorzitterschap bekleedde, overal zien
wij den man, die haat, vervolgt of verdoemt, wie afwijkt van de oude
kerkleer;--overal zien wij hem met den moker des gewelds afbreken,
waar hij door kalm beleid had kunnen opbouwen; overal zien wij hem
wrevelig zaden in den grond duwen, waar zij alleen hadden kunnen
ontkiemen, zoo hij ze met zachte hand had gestrooid.--En zie! wij
treden niet in het oordeel over zijne gevoelens: wij zien slechts op
hunne toepassing, en roomsch noch onroomsch kan die huldigen.

De verdenking slechts van tot de nieuwe leer over te hellen, was genoeg
om in Talesius een vervolger en verderver te hebben gevonden. Zoo
werd de rector der groote latijnsche school, Cornelis Duijk, een
man van braafheid en geleerdheid, als zoodanig verdacht gerekend. Op
aanzoek van den bisschop werd hem in 1568 aangezegd, dat hij op last
van de meerderheid der vroedschap dien post moest verlaten. Te dien
tijde was Talesius voorzittend burgemeester, en licht ware het hem
dus gevallen, dit te voorkomen, door aan den bisschop het onbillijke
van diens vordering onder het oog te brengen, en deze zaak niet tot
een punt van overweging te maken bij een vroedschap, wier meerderheid
der tegenwoordig zijnde leden alleen tot die ambtsberooving besloot.

Maar wat beteekende deze handeling bij de daad van willekeur, van
wreedheid, van woede tegen den schoenmaker Hendrik Adriaansz, den
factoor van de rederijkkamer Trouw moet blijken? Het is waar, in
spottende, scherpe refereinen en echo's had deze zijn afkeer tegen
de roomsche kerk en hare plechtigheden aan den dag gelegd; en wij
gispen deze schijnbare middelen tot bevordering van de hervorming
evenzeer als wij van verontwaardiging gloeien over bespotting
van welken godsdienst het zij. Maar in hoeveel mannen van naam en
geleerdheid in dien tijd moeten wij dit niet misprijzen? Bitterheid
en scherpte in woorden of schrift om der oude leer afbreuk te doen,
scheen toen de geest der eeuw te wezen. Maar nu zie men de moeder van
hem, die om zijne dwaze beschimping was gevangengenomen. Men zie die
tachtigjarige vrouw, met grijze haren en wankelende hem te voet vallen;
men hoore haar roerend smeeken om vergiffenis voor haren zoon en diens
achttal moederlooze kinderen; men zie haar handenwringend uitroepen:
»mijn heere! veel dingen zijn geschied in den vrijen tijd.« En zij
doelde op het jaar 1566, toen men in Haarlem en elders, oogluikend,
godsdienstoefening aan de Protestanten had toegestaan. Maar men hoore
nu het antwoord van Talesius: »toen was het een tijd om door de vingers
te zien; maar nu is het een tijd van Justitie!« En voor de roerendste
smeeking was geene genade; voor de tranen der vrouw had Talesius eene
ijskoude ziel. Met twee anderen werd Adriaansz toen ter dood gebracht;
de een had Brederode gediend, de andere een houten beeld afgeworpen;
deze werden het eerst opgehangen, dewijl men de misdaad van Adriaansz
als de zwaarste beschouwde. Maar toen nu ook hij op de strafplaats
verscheen, had er een zoo hevig rumoer en opschudding onder het volk
plaats, dat men teruggehouden werd, hem openlijk terecht te stellen,
maar hem naar de justitie- of burgemeesterskamer sleurde, aldaar
aan eene ladder worgde en vervolgens bij de beide anderen aan het
schandhout hing.

En moge men nu daarin al een punt van verschooning voor Talesius
vinden, dat ook Van Groeneven en Roosveld met anderen in dit
vonnis gestemd hebben, wij huiveren toch van afschuw bij zijne
onverzettelijkheid en het wreede tegen een tachtigjarige moeder, voor
wie zijn gemoed onvermurwbaar was; en wij behoeven niet te vragen:
»vanwaar Talesius, dat zich later de haat en de woede des volks zoo
verschrikkelijk op u heeft gewroken?«

Deze verregaande geloofsijver was dan ook de bron, waaruit het verraad
opwelde, dat hij jegens zijne vaderstad pleegde.--Nadat Haarlem in 1572
aan de zijde van den prins was overgegaan, en men Alva en zijn aanhang
tot vijand verklaard had, was er door de Spanjaarden eene vergeefsche
poging in het werk gesteld geworden, om de stad door verrassing in
te nemen. Aan Hans Coltermans had men de verijdeling van het verraad
te danken gehad, en Talesius kwam onder zeer zware verdenking, dat
hij er de aanlegger van geweest was. Uit eene stedelijke rekening
blijkt namelijk het volgende: »Op den 26 September is de secretaris
Jan Aalberts Raad naar Wormer gegaan om eene attestatie in te winnen
van Moije Duijff en Grietje Janz hare dochter, welke zekere brieven
van den graaf Van Bossu van Amsterdam alhier gebracht hadden aan een
persoon van kwaliteit, en daarop weder antwoord aan Bossu gebracht
wezende, deze brieven onder de okselen genaaid om dezelve heimelijk
over te brengen.« Voorts vindt men in die rekening: »Burgemeester
Gerrit Stuiver en de schepen Mr. Hugo Bol van Zanen, zijn op 5
October daarna gereisd naar den Haag, om aldaar met twee advocaten te
consuleren op zekere zwarigheid, beroerende meester Quirijn Dircks en
zijne bezwaarnis.« Ziedaar een zwaar vermoeden van verraad van zijne
zijde; zijne Spaanschgezindheid althans was zoo ondubbelzinnig bekend,
dat hij bij de aanstelling van de nieuwe regeering in December 1572
niet alleen geheel buiten benoeming bleef, maar ook van dien tijd af
in zijne woning onder de strenge bewaking werd gesteld van Engberts
Dircks en Dirk Pietersz.

Men verbeelde zich nu een volkomen vierkant vertrek, met dikke,
witte muren en twee hooge met traliën voorziene vensterramen, die
het uitzicht hadden op eene binnenplaats, wanneer men door middel
van een stoel tot deze was opgeklommen. Geheime uitgangen waren
er niet, en konden er evenmin gemaakt worden, zonder dat zulk eene
beweging de ooren van Dirk of Engbert hadde getroffen. De eenige en
kolossale deur was die, door welke Talesius, op enkele uren van den
dag, bezoeken ontving van zijne vrouw en dochter, en achter welke
deur, ter linkerzijde, een klein kamertje lag, waarin de bewakers
beurtelings post hadden gevat: en die onder eede stonden, dat zij
geen ander in zijne tegenwoordigheid zouden toelaten.

Toch was dit alles niet genoegzaam om te verhinderen, dat Talesius
plannen bleef smeden tot verraad en om Haarlem weder onder de macht
van den koning van Spanje terug te brengen; geen wapen of list
is gevaarlijker, dan wanneer zij gesmeed en gesponnen worden door
dweependen godsdienstijver.

--»Wat ziet gij op naar de deur?« vroeg Talesius aan zijne dochter,
die dit reeds onderscheidene malen gedaan had, terwijl haar vader
haar eenige vragen in het latijn deed. »Hebt gij suspitie op iets?«

--»De lange zag ons zeer scherp aan, toen wij bij u binnen traden,«
antwoordde Marritje, Engbert den waker bedoelende. En met de hand
een teeken gevende, dat zij een geschrift had onder den halsdoek,
die over haar zwart fluweelen jakje hing, keerde zij tegelijk
met de tang een paar turfkolen in den haard om, opdat zich eenig
meerder licht door het vertrek zou verspreiden. Onder deze beweging
bescheen de vlam het gelaat van moeder en dochter; de eerste had sterk
sprekende gelaatstrekken, die het bewijs opleverden, dat zij in hare
jeugd van een belangwekkend en schoon voorkomen tevens moest geweest
zijn. Marritje scheen den leeftijd van dertig jaren reeds te boven,
en vormde iets middenevenredigs tusschen het gelaat van hare ouders;
zij had schoon kunnen heeten met hare fraaie kastanjebruine haren,
ter hoogte van welke haar voorhoofd eenigszins eene ronding aannam en
de denkster verried; ook had zij bevallig mogen heeten met hare zachte,
blauwe oogen, wanneer die niet te diep in haar hoofd gelegen en een te
grooten gezichtskring hadden gevormd, waardoor echter het voorkomen
eener sluwheid werd getemperd, die men haar daarom kon vergeven,
omdat zij het uitvloeisel eener blakende liefde voor hare ouders was.

--»Gij hebt S. aan zijn huis gesproken?« vroeg Talesius, terwijl hij
het geschrift aannam, dat zij van tusschen haren halsdoek haalde,
en er bij de vlam van den haard gretig de blikken insloeg.

--»Langer dan een uur, mijn vader! maar alles mislukt en bijster weinig
verwachting, dat het doel in de eerste dagen zal bereikt worden. En
Ursula is wanhopend, dat het haar niet vergund wordt, u te zien.«

Verrieden Marritje's woorden weinig hartstocht, ten einde geene
achterdocht bij de bewakers op te wekken, en terwijl haar het vormen
der volzinnen in de Latijnsche taal toch altijd moeite kostte, te
levendiger sprak er een hartstochtelijk gevoel uit hare gebaren. Nu
drukte zij de hand van hare moeder, bij het noemen van Ursula,
hare zuster, die kloosterjuffer in het Begijnhof was, en aan wie
de toegang tot de ouderlijke woning geweigerd werd. Dan klemde zij
zich aan den arm van haren vader, wanneer zij iets mededeelde van S.,
met wien niemand anders dan de verraderlijke Stompwijk bedoeld werd;
en op het gelaat van Talesius, van zijne vrouw en Marritje kwamen
beurtelings gewaarwordingen van smart, verbittering, spijt en wrevel
te voorschijn, doch de stroom kon niet onverhinderd voortbruisen;
telkens werd hij door eene klip beteugeld in zijne vaart.

--»Bij Gods heilige moeder!« sprak Talesius, »ik zie enkel
donkerheid. Niets dan neerlaag over de wapenen van den koning, mijnen
heer. Niets dan schending en verguizing van het eenig, waarachtig
geloof. Haarlem, het zal u zwaar wezen in den oordeelsdag, dat gij
u afscheurt van Christus, en de Booze, vol logen en zonde, te voet
valt: in wat poel van verderf zult gij worden geslingerd, waar gij
geen rustpunt vinden zult voor uwen voet!«

Gedurende een paar minuten scheen Talesius zijne eigene felle
grieven te vergeten, bij de gedachte aan het heilloos lot, waarin,
volgens zijne meening, Haarlem zou gedompeld worden, wanneer het
zich meer en meer in de strikken der ketterij verwarde. Maar alras
smolt deze gedachte te zamen met de herinnering zijner gijzeling in
zijne eigene woning, en zoo folterend was hem het denkbeeld, door die
gevangenschap geene vrije speelruimte te hebben voor zijne plannen,
dat hij plotseling op den toon der verbittering uitriep: »Vervloekt
zij Ripperda! vervloekt allen, die met hem zijn!«

--»Om Gods wil, Quirinus! betoom u,« zeide zijne vrouw, driftig zijne
hand grijpende en tegelijk een schuinschen blik op de deur werpende,
waarachter zich de bewakers bevonden. »Stort u zelven niet in nog
grooter leed.«

--»Zij verstaan enkel zijn naam,« zeide Talesius op den zelfden
wreveligen toon, »en daarbij, ik vrees niemand meer. Dat men mij
bij de grijze haren sleure, het staat hun vrij; maar ik zal den naam
noemen van den ketter; ik zal hem noemen met verachting, zoolang mij
de tong niet gekluisterd wordt. Het is Ripperda, die Van Schagen en
Van Assendelft heeft gemoord; het is Ripperda, door wien de heilige
Kerk van Christus met snoode hand is ontwijd.«

--»Quirinus! bij de heilige maagd, geef niet toe aan uwe hevigheid,
om den wille van ons,« sprak zijne vrouw.

--»Mijn vader, snoer uwe bitterheid in,« smeekte Marritje, »wat zou
het ons wezen, zoo men u van hier sleepte naar holler gevangenis? Wat
zou het ons zijn, zoo gij met wreedheid van ons werdt afgescheurd?«

--»Wat het ons wezen zou! vraagt gij nog?« hernam Talesius met
dweepachtigen gloed. »Na de marteling hier voor het waarachtig geloof,
de lauwerkrans van onzen Heiland, dáár. Mijn zoon heeft het kruis
gedragen, en zou de vader beven voor de smart, die de zoon heeft
getorst? Mijn Hendrik! zie van boven op mij neder; dra zal ik u
wederzien voor Christus' troon.«

Het gebeurde meermalen, dat Talesius' verbittering plotselijk tot
eene soort van berusting in zijn eigen lot oversloeg, wanneer hij
aan zijn zoon Hendrik dacht. In het jaar 1560 was deze geestelijke
in Kennemerland en eenige maanden later, op twintigjarigen leeftijd,
pastoor te Spaarnwoude geworden. Hij zou moeten gezegd hebben: »dat
de Kerk zoowel hare martelaren had als vroeger, ofschoon niet onder
de heiligen opgenomen;« en dit zou de oorzaak moeten geweest zijn,
dat de haat hem, geboeid, te 's-Gravenhage in de gevangenis had
gebracht--waar hij veel smarten zou verduurd hebben en ten laatste
bezweken zijn. Niet onwaarschijnlijk is het, dat deze gebeurtenis,
zoo zij waarachtig is, aanmerkelijk heeft bijgedragen om Talesius'
gemoed vooral in de laatste jaren nog heviger te verbitteren, en aan
die mengeling van wrevel, spijtgevoel en smart nog scherper omtrekken
te geven.

Een oogenblik bewaarde Talesius zoowel als zijne vrouw en dochter het
stilzwijgen: eenige seconden hield hij het oog op den vuurgloed, en
het scheen, als vond dat zonderling karakter in de vlam van den haard
eene zekere sympathie met de vlam in zijn gemoed. Opeens echter sloeg
hij met geestvervoering de blikken weder in het geschrift, dat hij
nog altijd in de linkerhand hield, en nu sprak hij meer fluisterend
dan hoorbaar den naam uit van Dirk van Stompwijk.

--»Maar waarom zou alle verwachting zijn vervlogen om het doel te
bereiken?« sprak hij nu. »Neen, nog laat ik de hoop niet varen, om
de rampzalige stad terug te brengen onder het gezag van den koning,
mijnen heer; nog is er hoop, dat het heilloos vuur der ketterij
worde uitgebluscht, en dat de schoonheid herrijze van de Kerke,
die mijn Heere Christus gesticht heeft, en waarvan Hij gezegd heeft,
dat de macht der hel er niets tegen zal vermogen. Maar dan moet er
gewerkt worden en niet ingesluimerd; dan moet er geen middel worden
verroekeloosd.«

--»Zoo gij slechts een vrij man waart, Quirinus,« zeide zijne vrouw,
»ik zou niet twijfelen aan den goeden uitslag. Maar wat kunt gij,
door scherpe wachters bewaakt en afgesneden van allen, die der heilige
zaak zijn gezind?«

--»Gij moet mij tot hulpe wezen, en bovenal gij, mijne dochter!«
hervatte hij, »gij hebt moed en een richtig verstand: spreek des
andermaal met Stompwijk«--en hij fluisterde dezen naam--»maar draag
zorg, dat gij niet in achterdocht valt, of iedere verdere poging ware
voor altijd vergeefs.«

--»Maar ziet gij niet, mijn vader,« en zij wees op het geschrift, »dat
het getal lieden, die de goede zaak zijn toegedaan, is verminderd? De
geweldige nederlaag van 's konings soldaten is er de oorzaak van; de
laatst afgeslagen storm heeft aan de ketters dubbelen moed gegeven,
en in het hart van den kleinen hoop groote vreeze gewrocht«

--»Ja, mijn oog ziet het,« zeide Talesius, terwijl hij vluchtig
de namen scheen te tellen van eenigen, die op eene lijst stonden,
welke door Stompwijk geschreven was. Dit waren dezulken, die in het
geheim een complot hadden gevormd om Haarlem weder onder de macht
van den koning van Spanje te brengen, en van welke Stompwijk de
eigenlijke raddraaier kon genoemd worden in verbintenis met Talesius,
Van Roosveld, Van der Mathe en de uitgewekene geestelijken. Ofschoon
die allen nu wel roomschgezind waren, moet men hen geenszins als
booswichten beschouwen, wier leuze het was, Haarlem aan den Spanjaard
te verraden. Veeleer zie men in hen menschen van bekrompen geest,
die zelfs Alva haatten, doch vol pijnigende vrees waren, dat hun een
deerlijk lot zou treffen, wanneer Haarlem bezweek: en dat Haarlem zou
bezwijken, daaraan twijfelden zij zelfs niet; ook hadden zij duistere
denkbeelden aangaande het punt, wie de eigenlijke gezagvoerder van
den koning was, hetzij de stadhouder Willem van Oranje, hetzij de
graaf Van Bossu, of de hertog van Alva. En terwijl nu Talesius, uit
vrees voor verwoesting van de oude leer, deze duistere begrippen
voedde, terwijl een Stompwijk, door onedele beginselen gedreven,
schijnbaar dien zelfden geest aankleefde, zagen de meesten geene
andere heilzon voor zich dagen dan eene verzoening met den koning;
dit was het anker, waaraan zij vasthielden. Door briefwisseling met den
Spanjaard poogden zij het dus daarheen te wenden, dat zij hem de stad
in handen speelden, zich verzekerd houdende, dat daaruit niet alleen
die verzoening, maar ook eer en voordeel voor hen zou voortvloeien,
en hoogstwaarschijnlijk niet gissende, dat Haarlem alsdan een gelijk
lot zou treffen als Zutfen en Naarden. Maar tot het ten uitvoer brengen
van een dergelijk voornemen, hetzij door list, hetzij door middel van
een geveinsden uitval, werd een vrij groot getal vereischt, één in zin
en doel; en de lijst, welke Marritje haren vader ter hand had gesteld,
toonde aan, dat dit getal sedert den laatsten storm verminderd was.

--»Maar,« ging Talesius voort, »wat zijn het voor ellendige dwazen,
die grooter kans zien in de zege van eene zwakke vest, dan in de
overwinning van het machtig leger van onzen allerkatholieksten vorst
en heer?--Is het niet Christus, die medestrijdt tot handhaving van de
waarachtige Kerk, die Hij gesticht heeft? Maar schoon de Heer voor
de Kerke strijdt, ook wij moeten strijden en niet rustig inslapen;
want het is de ketter, die rondgaat met dood en verwoesting, en die
in ongeloof afbreekt, wat door het geloof wordt gesticht.«

--»Ja, ook wij moeten strijden, Quirinus!« zeide zijne vrouw, »maar
hoe zal hij strijden, wien de handen zijn gebonden door geweld en
heiligschending? Wat vermag de leeuw, die gekluisterd is in het
hol? Men lacht met zijn gebrul en men vreest hem niet.«

--»Waar de kracht faalt om de hand uit te strekken, daar behoeft
nog de geest niet stil te zijn,« hernam Talesius, »en waar de taal
van den godsdienst niet vermogend genoeg is, daar heeft eene andere
taal dikwijls wonderen gewrocht. Al mijne stoffelijke have wil ik ten
offer brengen, zoo zij strekken kan tot opbouw van hetgeen verbrokkeld
is en aangetast met schendige hand. Gij zult met hem spreken, mijne
dochter! en zeg hem, dat Quirijn Dirksz eene wichtige som veil heeft,
waar die noodig is tot de glorie van de heilige zaak.«

--»Ik zal handelen, mijn vader, naar hetgeen uw mond spreekt,« zeide
Marritje, en de hand aan een kostbaar parelsnoer brengende dat zij om
den hals droeg, voegde zij er met geestdrift bij: »En wat de afvalligen
van Gods heilige Kerke doen tot steun van eene goddelooze zaak en
tot wederstand tegen den koning, dat zal uwe dochter doen ter eere
van een geloof, dat uit God is; ook ik wil alles ten offer brengen,
wat het mijne is; want nietig zijn de goederen der aarde bij den
aanblik op Christus' dierbaar kruis.«

Onder deze laatste woorden kuste zij met heiligen eerbied het kruis,
dat op haars vaders borst hing, drukte den grijsaard vervolgens met
warme liefde de handen, en sloeg een blik naar den hemel, waarin
duidelijk de bede lag opgesloten: »Heilige Moeder Gods! wat mijn
vader hier lijdt ter eere van het waarachtig geloof, doe hem dat tot
zaligheid wezen in het rijk van uwen Zoon.«

--»Gij zijt mij eene goede dochter, en de heiligen zijn daarvoor
gedankt,« sprak Talesius, terwijl hij beurtelings zijne dochter
en vrouw kuste, en het met een oog van welgevallen aanschouwde, hoe
beiden geheel doordrongen waren van zijn geest. Maar te midden van dat
verrukkend gevoel begreep hij de noodzakelijkheid, om het oogenblik
niet af te wachten, dat de bewakers hen zouden herinneren, dat de
aan beiden vergunde tijd verstreken was. Ook wenschte hij alleen te
wezen, ten einde zonder afleiding te kunnen bepeinzen en overwegen,
welke middelen er moesten aangegrepen worden om eene bijzondere
geldelijke opoffering, zonder gevaar, vruchten te doen dragen. Op
zijne aansporing verlieten dan ook zijne vrouw en dochter weldra het
vertrek, en de werktuigelijke bewakers waren aan deze bezoeken reeds
zoodanig gewoon, dat zij wellicht geenszins vermoedden, hoe nog andere
banden hen te zamen deden komen dan de banden des bloeds.

Een geruimen tijd staarde Talesius in den haardgloed, als wilde
hij er de verschillende beelden in vinden, die door zijne phantasie
kruisten. En hoeveel overeenkomst lag er niet in dat haardvuur met
zijn lot, met zijn karakter! Eerst die opflikkerende vlam, zoo gelijk
aan zijne macht in het stadsbewind; die verflauwing van trap tot
trap en die overgang tot nietige asch zoo overeenkomstig met zijne
verflauwing van aanzien, zijne berooving van alle heerschappij en
zijne gevangenschap in eigen woning. Maar boven die vernederende
gedachte kon zich Talesius' krachtige geest verheffen; en zelfs
al de verbitteringen, die in zijne ziel oprezen, verdwenen bij elk
morrend woord, dat op zijne lippen kwam en wist hij met geweld terug te
dringen, wanneer hij als in een brandpunt al de goede gevolgen te zamen
vatte, die er uit zijn groot en heerlijk doel moesten voortvloeien.

--»Men zal mij verrader noemen,« sprak hij, »wanneer ik eene
verdwaalde stad heb teruggebracht onder het gezag van haren
heer. Maar de Vader der geloovigen zal mij zegenen en mijn loon
wegleggen bij mijn Heiland. Hoe huiver ik bij de gedachte, dat een
afgevallen monnik, door oproerige taal, de zucht wilde verstikken
naar het onderwijs der zaligmakende Kerk; dat hij onveranderbare
waarheden heeft verworpen, welke het eeuwige fundament zijn des
waren geloofs! En dat durft men hervorming heeten, wat niets was
en is dan een broeinest van verdeeldheden, tegenover eene eenheid,
op onwrikbare pilaren. Dat durft men hervorming noemen, wat niets
was en is dan vertrapping en losscheuring van allen band en orde,
opstand tegen Christus, opstand tegen een gezag, onfeilbaar, omdat
Christus zelf het voor dwaling behoedt. Heilige moeder Gods! ik zou
de slang niet pogen te vertrappen, uitgebroeid door den woesten man
Luther, om de reine Kerk met gif te bezoedelen! ik zou het heilige
zwaard laten rusten en het monster niet trachten te dooden, dat eene
gewaande hervorming begon met oproer, roof en heiligschennis van
lieden en plaatsen, en dat nog den kop opsteekt om te besmetten en
aan te randen, wat zuiver is en in hooge eer!--Neen, ik zal strijden,
waar ik kan, moedig en onversaagd, en de zege zal te grooter wezen,
omdat zij behaald is onder verdrukking en in banden. Geen middel zal
onaangetast blijven, en elk middel zal heilig zijn in de oogen van
Christus, wanneer het voert tot het groot en heerlijk doel. Op dan,
Quirijn Dirksz! het staal omgord aan de heupe, en de wondermacht van
Gods heilige moeder zal met u zijn; want gij strijdt voor het levend
geloof, voor groote hope, voor vurige liefde, gij strijdt voor de
eenige Kerk, die gegrondvest is door Christus, uwen Heer.



ELFDE HOOFDSTUK.


De dag van den dertigsten Januari was den Haarlemmers niet gunstig
geweest. In het groote wachthuis aan de Kruispoort zaten des avonds
een aantal krijgslieden, meestal Duitschers bijeen en warmden zich bij
het hoog opgestapelde turfvuur, zonder dat er vroolijke gesprekken op
hunne lippen kwamen. Eenige weinige Hollanders en Walen, van welke de
laatsten, bij eene algemeene stilte, door hunnen zonderlingen tongval
de lachspieren der overigen nog wel eens in beweging brachten, staarden
thans insgelijks somber in den vuurgloed en de meesten schenen veel
meer tot slapen dan tot spreken geneigd. Nu en dan ging de bierkan
nog wel eens rond, en poogde een hunner de doffe levensgeesten der
overigen op te vroolijken; doch zijn bijval was dien van een slecht
redenaar, welke meer tot geeuwen dan tot luisteren stemt. De meesten
waren vermoeid van het gedurig waken en vooral door het gevecht van
den afgeloopen dag, een gevecht, waarin verscheidene hunner makkers
het leven hadden verloren of zwaar gekwetst waren geworden, zonder
dat men een enkel stuk vijandelijk geschut overmeesterd of vernageld
had, ofschoon dit nochtans hoofdzakelijk het doel van den uitval
was geweest, vereenigd met de gedachte om voor Van Duivenvoorde den
een of anderen aanzienlijken Spanjaard in handen te krijgen. Het is
waar: door het laten springen eener mijn had men een twintig vijanden
doen omkomen, doch daarentegen was hopman Michiel zwaar aan de hand
gekwetst geworden; hopman Couzin had door eene spies in de knie,
en zijn vaandrig in den arm eene wonde ontvangen, terwijl hopman
Lambrecht van Wittenberg een lanssteek in de borst had bekomen; en
dat alles zonder dat het doel van den uitval met eenigen gunstigen
uitslag bekroond was geworden.

In een afgezonderd gedeelte van het wachthuis zaten de Duitsche
officieren Schram van Brunswijk, Christoffel Vader en Steenbach,
benevens Van Duivenvoorde, Matthijszen en Stompwijk, terwijl zoowel
de eene als de andere zich dichter bij het vuur schoof, daar de koude
nog zoo snerpend niet geweest was. Ook bij hen heerschte niet veel
meer opgewektheid dan bij de soldaten, ofschoon dan ook Stompwijk
eenige flesschen wijn in het wachthuis had laten brengen, naardien,
zooals hij zeide, de een en dertigste van Louwmaand zijn jaardag was,
en hij gaarne met zijne vrienden en wapenbroeders eenige glazen wilde
ledigen. Maar het ging niet van harte. Het was, als koesterde men
argwaan, dat Stompwijk het er op gemunt had, om zijne makkers door de
wijndampen te bedwelmen, ten einde hun de waakzaamheid uit het oog
te doen verliezen. Reeds was het twee uren na middernacht geworden;
en ofschoon de hoplieden, vooral de Duitschers in het algemeen, zelden
gewoon waren om zich van het druivenvocht afkeerig te betoonen, had men
gezamenlijk nog slechts twee kannen lediggedronken. Om geen achterdocht
te verwekken, had Stompwijk hen dan ook niet al te zeer aangespoord,
doch toen het nu half drie ure sloeg en Schram van Brunswijk opstond,
om, volgens zijne beurt, de schildwachten op den wal te gaan bezoeken,
schonk Stompwijk hem zijn kroes vol, terwijl hij er bijvoegde:

--»Drink eens, kompaan! het is vinnig koud daar buiten, en uw bloed
mocht eens bevriezen, als ge van den heeten haard zoo op eens in de
scherpe kou komt.«

--»Gij hebt gelijk,« zeide de Duitscher, »maar ik drink niet alleen:
schenk al de kroezen vol en gij, overste, gaat ons immers voor?«

Van Duivenvoorde toonde zich bereidwillig en zijn kroes opnemende,
zeide hij: »Heil de wakkere aanvoerster Kenau Hasselaar!« waarna hij
den inhoud ledigde.

--»Heil de vrouw van burgemeester Kies en al hare juffers,« voegde
Stompwijk er bij.

En zoo dronken zij hunne glazen uit, waardoor allen, die bij
het vendel van Kenau eenigen rang bekleedden, eenen eeredronk
erlangden. Maar alweder ging het niet van harte. In het eene en
andere had eene gedwongenheid plaats, die men niet scheen te kunnen
wegnemen, hoezeer Stompwijk er ook zijne pogingen toe aanwendde; en
toen Schram van Brunswijk met een onderofficier en een korporaal de
wacht had verlaten, zat men weder zwijgend bijeen en staarde weder
onafgebroken in den vuurhaard.

Een groot kwartieruurs was verloopen, toen de Duitsche hopman van
zijne ronde terugkeerde en die terugkomst reeds op eenige schreden
afstands door driftige woorden en vloeken aankondigde, waarin een
sergeant der Haarlemmers insgelijks zijne stem mengde.

--»Neen! ik heb u gewaarschuwd,« zeide Schram met zijn plat-duitschen
tongval, »en ik waarschuw maar eens. Naar de wacht, tot den overste.«

--»Die moffen!« bromde de sergeant tusschen de tanden, en nu zag men
een soldaat van de Duitschers, die door den onderofficier bij den
arm werd gehouden, de wachtkamer binnenkomen.

--»Ik heb dien hond slapend op zijn post gevonden, kolonel!« zeide
de hopman.

--»Ongelukkige!« sprak Van Duivenvoorde, die dadelijk zijn medelijden
opgewekt voelde, »weet ge dan niet, dat mijn heere Ripperda op dit
euvel den dood heeft gezet?«

--»Ja, de dood!« zeide Stompwijk tot Vader, »wat deerlijk bedrijf,
en op een tijd, dat wij aan zooveel gevaar blootstaan.«

--»De slaap heeft mij overweldigd, kolonel!« antwoordde de soldaat,
een verlegen gelaat toonende. »Doe mij de straf ondergaan, die ik
verdiend heb, maar verwijt mij niets.«

--»Slapend op post, dat deed nog geen Hollander,« sprak Stompwijk,
altijd van de gelegenheid gebruik makende om zijn ijver en zijne
vaderlandslievende gezindheid te doen doorstralen.

--»Gij hebt toch ijlings den post door een ander doen bezetten?«
vroeg Van Duivenvoorde aan den hopman.

--»Voorzeker! ik liet er den korporaal,« was het antwoord, »en als
gij het goedvindt, zal ik dezen door een Haarlemmer doen aflossen.«

--»Zoo moeten voor die slaapkoppen van moffen onze kerels maar wacht
doen,« bromde de sergeant, »wij konden die bezoldelingen (hulpbenden)
wel missen.«

--»Het grieft mij,« liet Van Duivenvoorde hooren, »maar het is het
gebod van mijn heere Ripperda: men bewake hem in het wachthuis.«

--»Dat doet mij razend veel pijn,« zeide hopman Vader, zoodra de
soldaat zich verwijderd had. »En als Wittenberg het hoort, zal het
dezen nog meer spijten; want het is een soldaat van zijn vendel, een
brave borst, die zich gisteren kloek heeft geweerd; want had hij de
lans van een Waal niet ten halve afgewend, het zou met onzen vriend
gansch gedaan zijn.«

--»Als het zulk een brave borst is!« hervatte Van Duivenvoorde, »dan
verdient hij eenige verschooning, en ik zal zien dat ik bij mijn
heere Ripperda de zaak ten goede beleg.«

--»Dat schrijft weer dubbele waakzaamheid voor,« zeide Stompwijk,
»want de Spanjaard zou ons onverwacht over 't ijs komen bestoken.«

--»Gewis, laat ons dus niet meer van dat krachtige vocht proeven,«
sprak Matthijszen, »want het is voortreffelijk in staat om de nuchtere
bekwaamheid te doen slippen.«

--»Wel gezegd, kompaan!« zeide Stompwijk, »'t is geen kwaad wijntje,
maar daarom zal hij ook niet in de kannen tot azijn overslaan; hij
zal morgen en overmorgen nog zoo goed wezen als vandaag. Maar al
drinken wij niet, laat ons toch den mond niet snoeren. Wat kunnen
wij het gebeteren, dat de huidige dag ons veel wakkere soldeniers
gekost heeft en geen profijt aangebracht? Laat ons den langen nacht
verdrijven door eenstemmig gekout. Wie is er, die wat nieuws heeft?«

--»Wij behoeven juist geen nieuws,« zeide de vrome kapitein Steenbach,
»de dagelijksche gebeurtenissen, die de Hemel bestuurt, geven
genoegzame stof tot gesprek aan de hand.«

--»Nu, zoo meen ik het ook,« hernam Stompwijk, »maar daar is veel
onder, dat de droefheid opwekt; zoo heeft mijnheer Van Duivenvoorde
geene groote reden om vroolijk te zijn, wanneer hij peinst aan haar,
die in 's vijands hand is.«

--»Zoo is het,« zeide Van Duivenvoorde, die Stompwijk's gelaat bij
onderscheidene gesprekken al eens gadegeslagen had en ook thans
het oog op hem gericht hield, ten einde er, zoo mogelijk, eenige
valschheid en huichelarij op te ontdekken. »Maar het is, of de
langdurigheid van eenigen tegenspoed er de hardheid van verzacht;
althans het geeft mij luttel baat, er iederen dag over te reppen, en
ik laat de bestiering van haar lot in de handen van Hem, die machtiger
is dan 't vereende geweld van den Spanjaard. Dit alleen herhaal ik,
dat de vijand zich met guichelspel streelt, zoo hij zich inbeeldt,
dat mijn moed er ooit door verzwakken zal.«

--»Gewis, dat hebt gij al meer dan eens doen blijken,« hervatte
Stompwijk, »maar dat verhindert niet, dat ik, als zoo veel anderen,
zwaar met het ongeval begaan ben. Zoo er maar eenige kans bestond,
om de edelvrouw vrij te maken, ik zou van stonden aan bereid zijn.«

Van Duivenvoorde beantwoordde deze heldhaftige dienstaanbieding
niet. Op den eersten dag des jaars had hij in burgemeester Van der
Laan's huis zooveel oprechte blijken van deelneming en welgemeende
hulpaanbieding ontvangen, dat hij, van erkentelijkheid ontgloeid, in
zijn huis was teruggekeerd. Maar wij weten, hoe hij die grootmoedig
afsloeg, dat anderen om zijnent wille in het gevaar gaan zouden;
want hij zelf zag er niets dan roekeloosheid en eene wanhopige
onderneming in. Dag en nacht was wel zijne ziel vol over haar; wel
sprongen hem vaak de tranen uit de oogen, wanneer Emma, Arthur of
Adolf naar de moeder vroeg, en wel leed hij bitter onder het gemis
der geliefde vrouw. Maar in anderer bijzijn verried hij van dit alles
geen zweem--nooit eene enkele klacht, en slechts dan wanneer zijne
vrienden er over spraken, zweeg ook hij niet; maar de meesten vermeden
dit zooveel doenlijk, hetzij uit een kiesch gevoel, hetzij omdat zij
zich toch niet in staat gevoelden, den vriend zijn verloren schat
terug te geven, en zoo verliepen er dan niet zelden dagen aan dagen,
dat Magdalena's naam niet luide over zijne lippen kwam.

Van Duivenvoorde zweeg op de woorden van Stompwijk. Ook de overigen
bewaarden het zwijgen en--dezelfde stilte als tevoren heerschte weder
in het wachthuis. Wat was er de oorzaak van?--Was Matthijszen enkel met
zijne gedachten bij de bedroefde Hadewij en zijne Maria?--Overdacht
hij het dagelijksch lijden dat hij aanschouwde, telkens wanneer
hij de woning van Van Schagen betrad? Peinsde hij over de grieven,
die hij elken dag ondervond, wanneer Hadewij, in de opwelling harer
verscheurende droefheid, het hem als misdrijf aanrekende, dat hij
Ripperda kon bewonderen--de oorzaak van Van Schagen's rampzalig
uiteinde; en zocht hij naar een middel om den weedom zijner Maria te
verzachten, daar zij sinds zooveel weken niet meer met een helderen
glimlach, slechts met beschreide oogen in het zijne had geblikt?--Of
stemde de dood van Vlasman, de rouw in diens woning, de smarten,
waaronder deze, reeds een uur na de vreeselijke wonde, bezweken was,
hem tot eenen somberen weemoed? En Van Duivenvoorde? Had Stompwijk
zijne wonden opgereten? Griefde het hem, dat een uitval, ook ten
zijnen gevalle ondernomen, zoo deerlijk mislukt was? En peinsde hij
over nieuwe middelen om zijne vrouw, te bevrijden? Berekende Steenbach
met al de baatzucht van zijn karakter, op wat wijze er het meeste
voordeel voor hem was te halen, onder den huichelachtigen schijn,
dat hij voor niets dan voor Haarlem's verdediging het rapier had
opgenomen?--Maar Schram van Brunswijk? Maar hopman Vader?... Toch
hadden dezelfde mannen meermalen den langen nacht door levendige
gesprekken gekort--en thans zwegen zij. Doch dit verschijnsel is
zoo vreemd niet. Soms ziet men de welsprekendste menschen een somber
stilzwijgen bewaren, alsof er eenig vonnis over hen moest uitgesproken
worden, zonder dat zich nochtans een rechter in hun midden bevindt;
soms ziet men hen den sleutel van hun gemoed bewaren, evenals een
vrek dien van zijne geldkist; niet zelden grijpt de zonderlingste
pauze plaats; maar soms is het slechts een schijnslaap, gedurende
welken er onzichtbare snaren gespannen worden, om weldra helderder
en levendiger tonen te doen klinken. Soms is het eene stilte, die
een orkaan voorafgaat. Wellicht zou dit ook thans het geval zijn.



Het was ongeveer halfvijf ure geworden. Nu en dan had men een woord
over de strenge vorst gewisseld en nieuwe brandstof op den haard
geworpen. Ook Stompwijk had zijne ronde gemaakt, maar niets ontmoet,
wat ongerustheid kon baren, en vóór vijf ure bevond hij zich weder in
de wachtkamer terug. Dezelfde onopgewektheid, dezelfde sprakeloosheid
en eene soort van slaapzucht bleef zoowel in het wachtvertrek der
officieren als soldaten heerschen. Doch ruim een uur was verloopen,
toen die stilte eensklaps afgebroken werd--toen aller ooren door
een luid geroep werden getroffen, en allen verschrikt van hunne
zitplaatsen opstonden.

--»In 't geweer!« riep de schildwacht, oostwaarts van de Kruispoort,
het dichtst bij de Janspoort.

--»In 't geweer!« herhaalde zijn makker, aan de tweede batterij,
en in de gansche richting der halvemaan weerklonk hetzelfde geroep:
in 't geweer! dat weldra als door onderscheidene echo's werd nagebauwd.

--»In 't geweer, mannen!« riepen nu de onderofficieren in het
wachthuis aan de Kruispoort, en plotseling stonden allen op, grepen
hunne musketten en herhaalden den kreet: »in 't geweer!«

Maar slechts weinige seconden waren er verloopen, of het eerste
alarm werd nu ook opgevolgd door het geschreeuw: »de Spanjaard! de
Spanjaard! aan den voet der bressen beklimt hij den wal.«

--»Op, makkers! op!« riep Van Duivenvoorde, ofschoon allen reeds
opgestaan waren, hunnen degens aangegrepen hadden en naar buiten
wilden snellen.

--»De Spanjaard komt over 't ijs,« klonk het daarbuiten, waar het nog
een tastbare nacht was, zoodat de een ternauwernood den anderen zien
kon, terwijl dit, gevoegd bij de algemeene verwarring, oorzaak was,
dat sommigen tegen elkander botsten en enkelen op den eenigszins
gladden bodem uitgleden.

--»Voorzichtig, makkers! bedaard,« riep Van Duivenvoorde, »of wij
stichten meer kwaads dan goeds. Is het voor ons nacht, voor den vijand
zal het nog minder licht zijn.«

--»In 't geweer! in 't geweer!« liet het zich inmiddels uit alle
richtingen hooren, terwijl sommige der soldaten uit het wachthuis
reeds zonder bevel naar de wallen waren geijld.

--»Terug, soldaten!« riep de eene hopman, terwijl een andere weer het
bevel liet klinken: »voort! naar den wal!« Allen beseften nu te laat,
dat zij, naar evenredigheid van het gevaar, waarin zij verkeerden,
geene genoegzame waakzaamheid in het oog hadden gehouden; nu wilde
men, zooals dat gewoonlijk het geval is, door te grooten ijver en
drift het verzuim vergoeden, en vandaar de algemeene verwarring,
die door de donkerheid niet weinig vermeerderd werd.

Stompwijk speelde zijne rol uitmuntend. Niemand was zoozeer door
verrassing en schrik overmeesterd als hij; maar ook niemand was met
zooveel ijver en voortvarendheid bezield, om den vijand oogenblikkelijk
te keer te gaan en hem zijne vermetelheid ten duurste te doen bekoopen.

--»Weg met de moorders van Naarden!« riep hij, »naar den wal,
makkers! voort, of het is te spa.«

Niemand echter, die meer beradenheid en tegenwoordigheid van
geest aan den dag legde, dan Matthijszen. Wel was ook hij door den
plotselingen kreet verrast, doch opeens stond hij daar rustig en kloek,
en tegelijkertijd vluchtig berekenende, hoe hij het best en gevoeligst
zijne aanvallers zal afkeeren.

Op bevel van Van Duivenvoorde ijlt hij met zes man uit het
wachthuis naar dat gedeelte van den wal, hetwelk schuins tegenover de
Margarethastraat lag. Met een ander zestal snelt hopman Vader hem na,
in de richting van de Janspoort, en Van Duivenvoorde zelf volgt met
de overigen.

--»Er is geen vijand!« roept Stompwijk, »het is een ijdel alarm
geweest.«

Maar nauwelijks had hij dit gezegd, toen zich de kreet liet hooren:

--»Tusschen Jans- en Kruispoort! zij beklimmen met hoopen den wal.«

--»Van den wal met den Spanjaard!« riepen verscheidene stemmen
tegelijk, en nu vereenigden zich de meeste verdedigers op de
cortine tusschen de Kruis- en Janspoort, zijnde dit het punt, waar
de meerderheid der vijanden zich den weg poogden te banen, hetgeen
ook reeds aan verscheidenen hunner gelukt was.

--»Het zijn geen Spanjaards! 't zijn spoken!« lieten eenige Duitschers
hooren,van welke sommigen inderdaad nog bijgeloovig genoeg waren om de
aanstuivende vijanden voor geesten aan te zien, hebbende allen witte
hemden over hunne harnassen aangetrokken, ten einde daardoor, in de
duisternis, hunne landgenooten en wapenbroeders te kunnen onderkennen.

--»Spoken! zijt gij razend en dol?« riep hopman Vader, »merkt gij dan
niet, dat zij witte hemden hebben aangetrokken? of zit u de slaap
nog in de oogen? Weg met de Spanjaards, zoo gij niet voelen wilt,
dat zij al zoo goed van vleesch en been zijn, als wij.«

--»Aan de Kruispoort!« riep men intusschen.

--»Aan de Janspoort!« klonk het weer van eene andere richting; en men
had aan weerszijden gelijk. Aan de half-afgeschotene Janspoort toch
waren reeds ettelijke Spanjaarden omhooggeklommen en op de zolders en
andere plaatsen doorgedrongen, terwijl aan de Kruispoort reeds eene
andere menigte over de nedergeschotene bolwerken zich insgelijks
den weg had gebaand. Groot was nog op den duur de verwarring onder
de belegerden: de meesten hadden nog doove lonten; want door de
drift hadden zij verzuimd, deze te ontsteken--men had toen nog
geene vuursteenen op de musketten, maar stak het kruit op de pan met
brandende lontjes aan;--de duisternis en het rumoer beletteden, dat
men de gegevene bevelen der hoplieden volgde, of brachten te weeg, dat
men aan meer dan één tegelijk gehoorzaamde, terwijl allen de grootste
voorzichtigheid moesten in acht nemen om niet van de borstweringen
op de bevrozene gracht af te tuimelen.

Maar hadden de Spanjaards het voordeel, dat zij door hun
onderscheidingsteeken hunne eigene makkers niet ombrachten,
de belegerden trokken er hetzelfde nut van, of liever, hun
voordeel was grooter, daar zij niet, de Spanjaards wèl in het oog
liepen. Daarentegen waren weder de vijanden veel talrijker en de hoop
op het volkomen gelukken hunner onderneming vuurde hunne stoutheid
te meer aan.

De eerste, die met den vijand handgemeen raakte, was Matthijszen. Als
door eene koord te zamen gesnoerd, hield hij zijne weinige manschappen
bijeen; twee hunner hadden brandende lonten, en toen de overigen ook
de hunne hadden ontstoken, beval hij, op de bestormers vuur te geven,
en--de eerste losbranding der musketten had op den wal schuin tegenover
de Margarethastraat plaats. Duidelijk zag men onder deze losbranding
twee der witte gestalten nedertuimelen, en een smartelijke gil verried,
dat de kogels maar al te goed hadden getroffen.

--»Vuur!« beval Matthijszen opnieuw, maar nauwelijks had hij
het woord uitgesproken, toen hij zich onverwachts een hevigen
slag op den schouder voelde toebrengen. Een Spanjaard was, eenige
schreden van de plaats af, op den wal gekomen, en snel hem van achter
aanvallende, meende hij hem met de kolf van zijn musket de hersenpan
te verbrijzelen. Doch Matthijszen had zijn behoud aan de duisternis
te danken; want de Spanjaard, zijn slag niet in de juiste richting
nemende, kwam de kolf ten halve op den schouder zijner tegenpartij
neder; en deze, hoewel hevig getroffen, keerde zich ijlings om en greep
met kloeke vuist het wapen van den aanvaller. De Spanjaard liet het
echter niet los. Onder den uitroep »carajo!« poogde hij Matthijszen
met zijne sabel te bereiken; doch ook deze slag miste. Een oogenblik
scheen de Haarlemmer te aarzelen, of hij de geweerkolf zou loslaten
en den bespringer met zijn rapier aanvallen; doch opeens tot andere
gedachten komende, verzamelt hij zijne krachten, en zich nu met al
zijne zwaarte op de kolf voorover buigende, doet hij zijn vijand het
evenwicht verliezen, zoodat deze, om niet achterover te tuimelen,
het geweer loslaat. Maar niet zoodra heeft de vijand het wapen in
Matthijszen's hand achtergelaten, of snel springt deze op de witte
gestalte aan, en brengt hem met zijn rapier een zoo wissen stoot toe,
dat de Spanjaard onder den uitroep: »heilige moeder Gods! behoed mij!«
op den grond stortte.

Matthijszen gevoelt geene aanprikkeling om te onderzoeken, in hoever
hij een tweeden aanval te duchten heeft; want ter linker en rechter,
voor en achter hem, laten zich de kreten hooren: »weg met den
Spanjaard! waakt op voor Haarlem!«

Wel verre echter, dat de belegerden dien laatsten uitroep met grond
konden doen. Van de Kruis- tot aan de Janspoort, dat gansche ravelijn
langs, wemelde het van Spanjaarden, die òf de wallen reeds hadden
beklommen en poogden stand te houden, òf dit in alle richtingen
trachtten ten uitvoer te brengen. Het was een even zonderling als
vreesverwekkend gezicht, die langwerpige ronde, half omvergeworpen
vest, nog gehuld in den nachtsluier, van allerlei gestalten te zien
wemelen. Hier waren het witte geesten, die over den wal schenen te
zweven, kromme, smalle en kronkelende bochten vormende, of als uit
een afgrond opdoemend. Daar waren het andere, slechts dan zichtbaar,
wanneer zij de lonten aanbliezen en voor eenige seconden door het
bleekrood schijnsel verlicht werden. En zij worstelden en beschreven
duizenden kringen: de strijd werd al levendiger, al woelender:
de kreten van aanval en wederstand werden al luider en wilder; het
geknal der musketten al driftiger en driftiger; nu en dan zag men
eene der zichtbare gestalten in den afgrond verdwijnen, waaruit zij
kort te voren verrezen waren; doch evenals van de afgehouwene koppen
der Hydra, schenen zij weder in verdubbelden getale te voorschijn
te komen. Opeens echter doet zich van den kant der St.-Janspoort
eene krachtige stem hooren, en eenigen werpen zich op een twintig
Spanjaarden. Hun aanvoerder is Lancelot van Brederode; dat hoort men
aan zijne ruwe, forsche stem.

--»Tsa, mannen van Haarlem!« roept hij, »wat hebt gij u door dit
gespuis laten overvallen? Slaperig op uwe posten gestaan? Eeuwige
schande op uw kop, zoo ge het geboefte niet weer in zijn nest
jaagt. Vuur kerels, vuur!«

Den voorgaanden nacht had Brederode de wacht aan de Kruispoort
gehad; maar dezen nacht had hij, gerust op de waakzaamheid zijner
krijgsmakkers, zich aan den slaap overgegeven. Zijne jongste loopbaan
echter als bevelhebber op de geuzenvloot had hem dikwijls slechts
korten slaap vergund, zoodat hij naderhand menigmaal in het holle
van den nacht, niet meer kunnende inslapen, opstond. Ook dezen nacht
was hij reeds te vier ure wakker geworden, doch gevoelende, dat het
streng koud moest wezen, had hij zich op zijne warme legerstede aan
verschillende gedachten blijven overgeven. In de St.-Jansstraat
wonende, was dus zijn oor getroffen geworden door het geschreeuw
der schildwachten. Nog een oogenblik luisterde hij: het rumoer won
veld; ijlings stond hij op, wierp driftig een der vensters van zijn
slaapvertrek open, hoorde het geschreeuw »in 't geweer!« duidelijk,
trok in haast zijne kleeding en wapenrusting aan, en toen het eerste
schot knalde, verliet hij reeds zijne woning, waar zijne vrouw en het
overige huisgezin door zijn rumoer insgelijks uit den slaap werden
gewekt. Als het weerlicht ijlt hij naar de wacht aan de Janspoort,
ziet en hoort de ook daar heerschende verwarring, verneemt met korte
woorden, wat er plaats grijpt en beveelt de nog in het wachthuis zijnde
soldaten, hem te volgen. Deze aarzelen; want kapitein Mandares, welke
dien nacht het bevel had, had hun gelast, niet van daar te wijken,
doch het grimmig gelaat en de donderende stem van Brederode doen
hen aan den laatsten gehoorzamen, en--zij rukken met hem naar den
wal. Daar ziet hij de nog grootere verwarring, de in het wit gekleede
vijanden en beseft het dreigend gevaar der stad.

--»Staat!« roept hij tot een viertal Duitschers, die naar het wachthuis
schijnen te willen vluchten. »Staat, of ik stoot u het rapier in de
borst. Ellendige slapers! wat zijt gij verbluft: voort, zeg ik u,
de Spanjaards te lijf, of het is gedaan met de stad.«

De soldaten, aangemoedigd en beschaamd, sluiten zich oogenblikkelijk
aaneen, en met het geweld van een aanpersenden stroom werpen zij
zich, met Lancelot aan het hoofd, op de aanvallers. Deze wijken
eenigszins rugwaarts, als konden zij den schok niet weerstaan,
terwijl Brederode met eigen hand een hunner den degen in het lijf
stoot. De vijand echter, plotseling aangevuurd door de gedachte, dat
hunne makkers op een ander punt aanstuiven en dat hun de overwinning
zijn zal, herstellen zich en dringen onder de kreten: »victoria,
victoria, Romero!« met geene mindere kracht voorwaarts. Dit looze
overwinnings-geschreeuw is echter niet in staat om Brederode in zijn
aanval te doen verflauwen.

--»Vuur, mannen van Haarlem!« roept hij met weergalmende stem, en acht
musketten jagen den vijanden het gekapt lood in het lijf, waarna men
onstuimig met de geweerkolven op hen aandringt en verscheidene hunner
zwaar gewond of stervend doet neerstorten.

--»Brederode is daar!« klinkt het op eenige schreden afstands. Het
is de stem van hopman Vader, aan wien het op datzelfde oogenblik
gelukt is, met eenige zijner soldaten eenige vijanden van de wallen
te weren: »Voort! hem op zij,« roept hij.--En te gelijker tijd ziet
Brederode zijne manschappen vermeerderd, welke benevens de overigen
den Spanjaard andermaal te lijf vallen.

--»Gij.... hopman!« roept Brederode, Vader aan zijne stem herkennende,
»waar zijn uwe makkers? dood?«

--»Neen, neen!« is het antwoord, »zij drijven, als wij, den vijand
van den wal.«

--»IJlings naar de naastbijzijnde batterij,« roept Brederode, »vuur
de dubbelbas af, opdat man aan man in 't geweer kome. Gezwind, of
het is te spâ!«

Maar nog is hopman Vader geen tien schreden voortgeijld om te
gehoorzamen, toen vlak bij de Kruispoort zich eene losbarsting
laat hooren.

--»Triomf voor Haarlem!« roept Vader, die thans, in plaats van
naar de batterij te snellen, over het bolwerk rent om een anderen
makker in het afkeeren van den vijand behulpzaam te zijn; en niet
lang heeft hij daarnaar te zoeken; want op een tiental schreden van
de batterij af, verweert de kapitein Cornelis Mattheusz Schatter,
die insgelijks de wacht op de Janspoort had, zich dapper tegen
eenige Spanjaards. Hij voegt zich bij hem en de vijanden deinzen
thans achteruit, terwijl men andermaal de losbarsting der dubbelbas
hoort, die oogenblikkelijk door eene andere wordt opgevolgd; want het
maken van alarm was natuurlijk ieders eerste gedachte. Het geknal der
musketten was echter reeds in staat om de overige verdedigers naar de
bedreigde punten te doen snellen. Hier naderde eenige versterking van
de Catharijnebrug, den Ravestein-, den blinden Jonkers- en Papetoren,
terwijl die van den Pijntoren, het Kraaienest en andere insgelijks te
hulp kwamen. Intusschen hadden de wachten van de Kruis- en Janspoort,
niet sterker dan vijftig man, zich in weerwil van de verwarring en de
duisternis zoo manmoedig gedragen, dat verscheidene der aanvallers
gesneuveld of gewond waren, of hadden moeten afdeinzen. Maar niet
zoodra kwam de hulp van de andere wachtposten opdagen, of de schok,
dien de bestormers ondervonden, kon verdrievoudigd genoemd worden,
en niet weinig klom de moed der belegerden, toen de donkerheid door
eene spoedig aanbrekende schemering en vervolgens door het daglicht
vervangen werd.

--»Staat bij, mannen van Haarlem!« riep Brederode, toen Pellekaen
met eenige manschappen naderde, »dat was een torn en nog heeft het
gespuis de bovenhand; maar wij zullen hen naar hun nest drijven,
of mijn naam zal geen Lancelot wezen.«

--»'k Heb het gevreesd,« dacht Pellekaen, »maar men heeft mijne
waarschuwing klein geacht. Gewis, de huidige dag zal voor Haarlem een
dag van wee zijn.« Doch hoezeer een angstig voorgevoel zich van hem
meester maakte, wachtte hij zich wel, het op dat oogenblik te uiten,
als begrijpende, dat het tegenwoordige onverwijld tot krachtige
maatregelen drong.

--»Voor Haarlem! valt aan,« riep hij tot zijne manschappen, en snelde
naar dat punt, hetwelk het meest door de vijanden bedreigd werd. Hier
was het de capitan Alfonso Mugnos, daar De Auecia en ginds Stephano
Illaves; doch men wist nog niet, wie de eigenlijke hoofdaanvoerders
waren; want ofschoon sommige der soldaten den kreet van »Romero« hadden
laten hooren, was dit geenszins het bewijs, dat hij er bij tegenwoordig
was, aangezien de naam van Romero den Spanjaarden veelal tot leus
diende, wanneer er een storm of gewaagde aanval ondernomen werd.

Onderscheidene kapiteins van de schutterij en hoplieden van de Walen,
Duitschers, Engelschen en Schotten, waren thans op het bedreigde
gedeelte der wallen tegenwoordig, toen zich opeens van alle richtingen
de kreet liet hooren: »Ripperda komt! daar is Ripperda!«

En Ripperda kwam--Ripperda ijlde aan om de bedreigde vest, zoo
mogelijk, voor het verschrikkelijkst lot te behoeden, om de nog
heerschende verwarring te doen wijken.

IJlings en met den degen in de vuist vliegt hij naar de wallen, sinds
langer dan een halfuur het tooneel van vermetelen aanval en krachtigen
wederstand, doch waar 's Hemels hulp te midden der verwarring zoo
blijkbaar ondervonden wordt. Op het gezicht van Ripperda, wiens
oogen vuurstralen schieten, schijnen de dapperen met nog meer moed
bezield te worden. Nu is hij aan de Kruispoort, waar hij zijne korte,
krachtige bevelen doet hooren; dan weder snelt hij, als een dier
gevleugelde helden, van welke de ouden zongen, over het ravelijn naar
de Janspoort. Te midden van het geknal der musketten en haakbussen,
het losbranden der falkonetten en het geschreeuw der soldaten, wordt
zijne stem steeds vernomen.

--»Brand los die serpentijnbuks in de rechterflank!« beveelt hij aan
kapitein Mandares.

--»Afgekeerd in 't front, en van links en rechts bestookt!« roept hij,
»vuur daar links, musketiers!--Courage, mannen van Haarlem! 't geldt
vrouw en kind!« En--waardig bevelhebber als hij was--overal deelt hij
kalm en beraden,--een trek van alle groote mannen te midden van het
gevaar--zijne bevelen uit; met scherpen maar rustigen blik tracht
hij alles te overzien, en is op geschikte middelen bedacht om het
gevaar te keeren en bedreigde punten te versterken. Waar verwarring
heerscht, doet hij die zooveel mogelijk wijken; waar de aandrang groot
en de weerstand niet talrijk genoeg is, doet hij van een ander punt
musketiers of piekeniers aanrukken, terwijl hij zelf met een schot
reeds twee Spanjaarden van de walkruin heeft doen tuimelen. Intusschen
laten al de alarmklokken zich al driftiger en driftiger hooren. Uit
al de wijken der stad snellen dan ook krijgslieden naar de bedreigde
veste, sommigen geheel, anderen slechts ten deele gekleed, doch het
niet achtende dat de koude hen grimmig op het lijf valt. Schrik en
angst van kinderen of ouden van dagen houdt geen krijgsman terug: de
vrees der vrouwen wijkt spoedig voor het besef van algemeen gevaar,
en ook de vrouwen zelven grijpen spies en rapier ter hand. Het geldt
Haarlem! het geldt de besprongen stad; met de alarmtonen paart zich het
wapengeschrei van jong en oud; van links en rechts en overal weergalmen
de kreten: »de vijand beklimt de vest! voort, voort, hem te keer!«
En nog eer de zon opgegaan is, krioelt de wal van vrouwen en mannen,
die bloed en leven veil hebben voor de redding der stad.



TWAALFDE HOOFDSTUK.


Hoe onversaagd, in weerwil der verwarring, zich de vijftig man van de
Kruis- en Janspoort hadden verdedigd, zoo werden de in het wit gekleede
bespringers nog heviger afgekeerd, zoodra het kleine getal Ripperda
aan hunne zijde zag, en nog eer de massa van Haarlemmers, en de, bij de
burgers ingelegerde hulptroepen, op de wallen verschenen, kon men het
grootste gevaar eener overrompeling als geweken beschouwen. Niettemin
liet zich aan alles duidelijk zien, dat de vijand voornemens was en
bleef om op den laatsten dag van de louwmaand door een storm de stad
te willen bemachtigen. Don Frederik namelijk had zijne legerbenden
rondom het Huis Ter Kleef daags tevoren doen versterken door eenige
vendels van de Duitschers, die voor de Houtpoort lagen, alsmede door
eenige vendels van de Walen in het westen en aan den duinkant. Zijn
broeder Ferdinand en Rodrigo de Toledo hadden den last ontvangen om
elk met vijf hunner vendels gereed te zijn; Rodrigo, om den rechter-
en Ferdinand, om den linkerkant der Kruispoort en de naaste gordijnen
te bestoken. Voorts zouden de andere vendels--de Spanjaards en de
Duitschers--met Romero en den in zijn rang herstelden Bracamonte
volgen, terwijl het aan Gaspar de Robles, heer van Billij was
voorbehouden om de Janspoort aan te tasten, zijnde deze, eenige
dagen geleden, met tweehonderd zijner kloekste en behendigste Walen
uit Friesland ontboden geworden. In het geheel waren er twintig
vaandels tot dezen storm in gereedheid gebracht, en Frederik had
alle hoop op het welgelukken, daar er bij het Leprozenhuis en het
Reguliersklooster ongeveer zeshonderd man ruiterij stond geschaard,
alsmede een paar honderd te Overveen en eenige ruiters en piekeniers
in den Haarlemmerhout, daar als ware het de overwinning verbeidende,
ten einde de burgers in hunne vlucht te stremmen en allen over de
kling te jagen.

Overdenkt men nu een oogenblik de toebereidselen dezer overmacht,
de hulp van verraad, het voordeel van de hard bevrozene gracht, en de
onbegrijpelijke, bijna onverschoonbaar geringe waakzaamheid, dan levert
het beleg van Haarlem geen tijdsgewricht op, waarin zichtbaarder de
hulp van hooger hand doorstraalt. Met niet meer dan vijftig man toch
had men den vijand, bij het naderen van het gros der verdedigers, reeds
in zooverre afgekeerd, dat het aanvankelijk gevaar eener overrompeling
meer dan half geweken was, terwijl men slechts drie dooden had, hetgeen
de waarachtige geschiedenis bijna tot een versierd verhaal maakt.

Maar het nu geschetste was eigenlijk slechts de inleiding tot het
tooneel. Moed en dapperheid hadden reeds door de schaduwen van den
nacht heengeblonken; nog hooger dapperheid en moed zouden in den glans
der zon schitteren. Maar eer wij aan dat tooneel, aan die handeling
zoo vol leven, zoo vol onstuimige en golvende beweging deelnemen,
moeten wij op de personen zelven een vluchtigen blik werpen; want
het is niet meer de storm van den twintigsten van wintermaand; het
is de storm van den laatsten Januari: een enkel belangrijk persoon
mocht van het tooneel afgetreden zijn--velen, zeer velen kwamen er
sinds op te voorschijn, en hunne rol in deze handeling was de minst
gewichtige niet.

Onder de eersten, welke op het algemeene alarmgeschreeuw naar de
bedreigde veste snelden, behoorden Kenau Hasselaar, de vrouw van
burgemeester Kies en Geertruida van Brederode, terwijl deze spoedig
door Maria van Schoten, Maria van der Laan en Henrica van Vliet,
alsmede door eene grootere schaar van vrouwen en meisjes achtervolgd
werden. Zij waren nu driehonderd in getal; verscheidene harer waren
dochters van de regeeringsleden en officieren der schutterij, alsmede
van hen, die zich als boden naar den prins en elders, gedurende het
beleg zoo verdienstelijk maakten, terwijl voorts de meesten vrouwen of
dochters waren van diegenen, wier namen als bijzondere vijanden van
Alva geboekt zijn. Een verkeerd denkbeeld zou men zich vormen, door
te wanen, dat deze, voor het welzijn harer stad ontgloeide vrouwen,
evenals de soldeniers onder eene militaire tucht stonden, en evenals
deze, altijd dezelfde diensten verrichtten. Ofschoon met spies,
roer en degen gewapend, ofschoon een afzonderlijk vaandel hebbende
en zelfs in staat zijnde om de trom te roeren, moet men het grootste
gedeelte dezer amazonen meer beschouwen als belast met het aanbrengen
van krijgsbehoeften; vooral werkten zij mede tot het herstellen der
werken en het toebereiden der binnenverschansingen of afsnijdingen,
hoewel zij ook nu en dan den vijand even krachtig en dapper met hare
wapenen te keer gingen, terwijl men, om zooveel mogelijk eene zekere
orde te handhaven, met eenparige stemmen besloten had, om gedurende
het oogenblik van werkelijken wederstand op de wallen, haar, die
eenigen rang bekleedden, in dien rang te eerbiedigen.

De lezer kent den wakkeren doch ruwen Brederode, den doodvijand der
Spanjaarden; hij kent Sijmon Boreel en den edelen Van Duivenvoorde. Nu
eens brachten wij Matthijszen, den zwaartillenden, doch niet minder
koenen Pellekaen voor zijn geest, of wij schetsten den jongen, maar
in moed en geestkracht allen evenarenden Hasselaar. Die allen, ook de
ronde, goedhartige Vader, de vrome Steenbach, Ripperda's broeder en
de kloeke Gerrit van der Laan zijn weder op de wallen; maar wij zien
er ook anderen, wel waardig, hen met een enkel woord te doen kennen;
want ook hunne namen staan in de geschiedrol geboekt.

Een zonderling tooneel leveren thans Haarlem's vesten. Hier ziet men
den bontgekleeden Schot, die, sterk en hardvochtig, alle ontberingen
even geduldig weet te dragen als de onvermoeide kemel. Het verdrag
van Engeland met Schotland, of liever het dempen der partij van de
ongelukkige Maria Stuart, bracht te weeg, dat velen hun vaderland
verlieten en in Zweden en Frankrijk, doch vooral in ons gewest
hun fortuin gingen zoeken, en zoozeer was zelfs de vreemdeling van
Nederland's uitheemsch juk overtuigd, dat waar er één zich onder Alva
schaarde, tien anderen het rapier tegen hem keerden. Beaufort, hun
hopman, is driftig, vlug en behendig als de klipgeit. Bij de verrassing
van Bergen tegenwoordig geweest zijnde, behoorde hij dus ook onder
hen, wien de Spanjaards verbittering en haat toedroegen; doch Beaufort
haatte hen met gelijken haat en greep iedere gelegenheid aan om hun
zijne verbittering te doen gevoelen, iets, wat in die dagen wel bij
de meesten het geval was.--Ginds ziet gij den ijverig-trotschen, op
anderen minachtend neerzienden, diepdenkenden Brit, met zijne zwaar,
geschubd harnas en kenbaar aan de roos op zijn harden, gepluimden
helm, waarop de musketkogel te vergeefs zijne kracht uitoefent. Ook de
Britten van die dagen waren in grooten getale hun vaderland ontweken;
verdrietig over de doodsche rust, die Engeland genoot, gingen zij
elders lauweren zoeken, welke hunne fierheid en trotschheid streelen
konden en--het bekampte Nederland nam hen volgaarne als broeders in
zijn schoot op. Summado is hun aanvoerder, en een enkele blik op den
krijgsman toont genoeg, dat hij meermalen den dood onder de oogen
zag, dat hij den dood veracht. Maar zie verder dien onverschrokken
Margottin, kapitein van 's prinsen lijfwacht, doch door dezen naar
Haarlem gezonden, opdat Haarlem een held te meer zoude tellen. In
kloeke gestalte evenaart hij den Spanjaard Rodrigo de Sapata, doch in
krijgshaftig aanzien overtreft hij dezen nog verre. Altijd bliksemt
zijn oog, altijd boezemt hij eerbiedige vrees in en waarschuwt den
vijand, zich niet in zijne nabijheid te wagen. Maar zie hem na den
afloop van een woeligen strijd, in den stillen huiselijken kring; dan
lokt dat oog, dat vroeger nog zoo donker en dreigend rolde, u minzaam
en vertrouwelijk tot zich. Welk contrast vormt hij dan met Vardeur,
gindschen kapitein der garde van grave Lumey. Ook dezen ontbreekt het
niet aan moed, niet aan dapperheid; maar het is eene dapperheid, die
u doet huiveren door hare ruwheid; in dien moed leest men wreedheid;
zijne ruwheid is niet die van Lancelot van Brederode; het is eene
ruwheid, die doet rillen, die onverpoosd in de ooren klinkt als het
klotsen van de baren tegen den oever; het is eene ruwheid, te meer
terugstootend, omdat zij met heftige vloektaal vergezeld is.

En al die krijgslieden, die Nederlanders, Franschen, Walen,
Engelschen, Schotten en Duitschers vereenigen daar hunne krachten
met de Haarlemmers en de van geestdrift gloeiende vrouwen. Wigbolt
Ripperda heeft allen hunne plaats aangewezen, en die plaats is op
Haarlem's wallen tot het afkeeren van den vijand.

Vardeur heeft op dit oogenblik zijn verdedigingspunt bij de Janspoort,
waar een hopman met eenige vijandelijke Walen het bolwerk tracht
te beklimmen, waar hij eenige oogenblikken geleden, door kapitein
Mandares krachtig geweerd was geworden.

--»Slaat dood dat gespuis!« roept Vardeur tot zijne soldaten, »dat
zijn kerels uit ons eigen land--honden, die zich aan duc D'Alf verkocht
hebben. Slaat dood!«

En de Walen van Vardeur strijden tegen de Walen van Billij, tegen
hunne broeders, met eene verbittering, welke aan wilden doet denken.

--»Aas, nog te slecht voor de raven!--ter hel!« roept Vardeur tot
een hunner, en met een slag, zoo krachtig, dat zijne hand er van
tintelt, doet hij het hoofd van den vijand ten halve opsplijten,
zoodat deze stervend voor zijne voeten stort. Maar nog is Vardeur niet
voldaan. Zich ijlings woest op den gevallene werpende, wil hij hem
met zijn dolk verder afmaken; doch den arm aan den gordel brengende,
om dat wapen te voorschijn te halen, valt zijn oog op den dolk van
den Waal, dien deze krampachtig in de vuist geklemd houdt.

--»Wat!« roept Vardeur, »mijn wapen met zijn bloed bemorsen! neen! met
zijn dolk haal ik hem het hart uit het lijf.« En met verbittering
het vlijm uit de stervende vuist wringende, boort hij het den Waal
een paar keeren in de borst. Onder dit bedrijf rollen Vardeur's oogen
grimmig in hunne kassen.

--»Een landsman, een broeder!« roept hij uit, »ha! dat zijn broeders,
zooals leeuwen en tijgers het zijn. Kon ik allen, die Spanje dienen,
duizend dooden aandoen!--ter hel landsman!.... vecht daar met den
satan, dan vecht gij met duc D'Alf zelven.« En schoon reeds ontzield,
boort hij den Waal nog eens het wapen in het hart, haalt het er
bloedig uit en werpt het onder de vijanden, die al meer van den wal
afdeinzen. Vervolgens grijpt hij het lijk met wilde kracht aan, smijt
het op de bevrozen gracht en stort zich opnieuw onder de bespringers,
die nog slechts flauwe pogingen aanwenden om den wal te beklimmen.

En krachtig, schoon minder wreed, gaan inmiddels ook de overige
verdedigers de bestormers te keer. Hier is het Margottin, die
stoutmoedig aangrijpt. Daar verdedigt zich Brederode in het front,
terwijl Matthijszen of Asinga dienzelfden vijand in de linker-
en Pellekaen hem in de rechterflank aangrijpt. Wat verder doet
Hasselaar geheel op zich zelven staande, menigen Spanjaard door zijn
welaangebracht schot neertuimelen, terwijl bij de Kruispoort Van
Duivenvoorde de laatste vijandelijke Duitschers op dat punt afweert
en--eenige oogenblikken later is de gansche courtine tusschen de
Janspoort en het oostelijk gedeelte der halve maan van aanvallers
gezuiverd, zijnde de meesten gevallen of met nog sneller vaart dan in
't opkomen naar omlaag gevlucht.

--»Triomf voor Haarlem! de Spanjaard gaat te loop,« klonk het op
onderscheidene punten, en hoongelach werd den vijanden nagezonden.

--»Dat zou mij leed doen,« zeide Hasselaar, terwijl hij zijn vaandel,
dat hij in den grond had geplant, weder in de hand nam en het boven
zijn hoofd zwaaide, »zij hebben 't werk te groot aangelegd om het,
nog wijd van de helft, al te laten steken. Jammer zoo ze met dat
schraal ontbijt moesten afbrassen, in zoo vinnig eene kou.«

--»Zij laten ons maar eens adem scheppen,« sprak zijn vriend
Ruijkhaver, »geef maar acht!«

--»Mijne bus is ook nog veel te schoon, om al weer gepolijst te worden,
maar.... het moet er hier in 't vroege uur Schotsch en Spaansch
toegegaan zijn.«

--»Toen wij kwamen, was 't grootste gevaar al voorbij.«

--»'t Zal mij pijn doen, zoolang als ik leef, dat ik niet op post ben
geweest,« zeide Hasselaar, »foei! hoe veel nachten al niet vergeefs
op den loer gestaan, en nu moest ik slapen! Zoo waar als ik leef,
het doet mij bitter zeer.«

--»Ik heb er geen begrip van, hoe het mag toegegaan wezen,« sprak
Ruijkhaver.

--»Wie kan dat?« zeide Hasselaar wrevelig, »heel de gracht een dikke
ijsbrug--zoo donker, als onder den grond, en.... men blijft daar in
't wachthuis in 't vuur zitten kijken, in stede van op den wal te
loeren. 't Is een onvergeeflijk stuk! Dat herhaal ik.«

--»Wat herhaalt gij, kloeke schutter?« zeide Steenbach, die, den
vaandrig genaderd, hem op den schouder klopte, daar hij wel begreep,
waarover deze zijn hart lucht gaf.

--»Over de kwade wacht, hopman!« antwoordde de vrijmoedige
jonkman. »Onvergeeflijk is 't en onverstaanbaar. Zoo zou het met
Haarlem gedaan zijn geweest, eer men 't wist!«

--»Recht,« zeide Steenbach, »ook ik ben een dier slappe wachters
geweest. Maar noem het gebeurde veeleer onbedachtzaamheid, men
mag toch niet denken, dat van Kruis- tot Janspoort al die wachters
zorgeloos zijn geweest. Het was eene beproeving van God, doch na de
beproeving zijn wij zichtbaar bijgestaan, daar het ondoenlijk was,
zonder die hulp zooveel overmacht te keeren. Ons vertrouwen op Hem
zal bij velen versterkt zijn.«

--»Althans zou dit plichtig wezen,« hernam Hasselaar droogjes, »maar
vooral mag het wel eene krachtige waarschuwing zijn!«

Korte gesprekken over het gebeurde hadden er voorzeker op ieder punt
van den wal plaats, en sommige derzelve misten de bitterste verwijten
en de scherpste aanrandingen niet. Ieder zocht zich natuurlijk zoo goed
mogelijk te verdedigen vooral daarmede, dat de vijand al zoo menigmaal
des nachts, door een onstuimig geschreeuw, de belegerden in de wapenen
had doen komen, wanende deze alsdan, dat hij eenigen aanval of storm
van zins was, ofschoon de listige Spanjaard er geen ander doel mede
had, dan om de belegerden slaperig en zorgeloos te maken; want door
dit te herhalen, begon het een spel te schijnen, en onder dit spel
moest de vijand het eenmaal onverwacht tot ernst doen overslaan. Maar
ook deze verdediging was bij allen geene gangbare munt: men begon
wederkeerig driftig te worden en uitdrukkingen te bezigen, welke
den band van eensgezindheid dreigden te verzwakken. Doch gelukkig,
dat deze gesprekken slechts kort duurden. Met schelle tonen laat zich
op eens de vijandelijke trompet hooren; de Spanjaards blazen tot een
vernieuwden aanval; de bevelen weerklinken en twee minuten later hoort
men overal den kreet: »voor Haarlem! voor Haarlem! den vijand te keer!«



DERTIENDE HOOFDSTUK.


In 's vijands legerplaats hadden de priesters plechtstatig
gebeden. Vurig hadden zij de heilige maagd gesmeekt, de dappere benden
van den allerkatholieksten koning, den beschermer van het eenig geloof,
met kracht te omgorden, opdat zij mochten zegepralen over ketters,
die in de landen van den vroomste der vorsten de oproervlam hadden
ontstoken. En na het eindigen des gebeds hadden die priesters de
dapperheid van den krijgsman nog te meer aangevuurd. Met geestdrift
hadden zij hun het heilig kruis voorgehouden, uitdelging van zonden en
den Hemel beloofd, wanneer zij met het staal in de vuist vallen of de
muiters overwinnen zouden. Wat schitterende toekomst! Wat krachtige
prikkel voor soldaten van Alva, voor Spanjaarden, wien wel niemand
den lof van dapperheid zal onthouden. De meesten zwoeren, dat zij geen
voetbreed zouden wijken, en dat, zoo zij dien eed braken, zij van de
H. Sacramenten der Kerk mochten verstoken wezen; anderen, dat hun lijk
als dat van ketters en renegaten op de velden zou geworpen, in plaats
van op heiligen grond begraven worden; of dat zij noch van paus, noch
kardinaal, noch bisschop, noch priester absolutie zouden ontvangen. En
door die gebeden, door die eeden met dubbelen moed omgord, scharen
zij zich in rijen, vervloeken de rebellen, verachten den dood en laten
weergalmend den kreet hooren: »voor Spanje! voor het heilig geloof!«

Nadat 's vijands trompetten een paar minuten onafgebroken hadden
geklonken, weergalmt in alle richtingen het bevel tot den aanval,
en zij, die het eerst op de Kruispoort aanstormen, zijn Rodrigo de
Toledo en Lorenzo Perea.

--»Voorwaarts, soldaten!« roept de wreede Portugees, »wischt de
schande uit, die de rebellen op uw hoofd hebben gebracht. Dezen dag
overwinning of dood.«

Hoe sterk de belegerden, na het verlaten van het blokhuis of moordhol,
de Kruispoort ook mochten gemaakt hebben, zoo hadden de basilisken en
draken ze echter sedert dien tijd door ettelijke honderden schoten
verzwakt. Hierdoor waren er twee bressen ontstaan, die men slechts
gedeeltelijk gevuld had, aangezien de belegeraar dit op allerlei wijze
getracht had te beletten. Op de linkerbres had dan ook de aanval van
Perea plaats--van Rodrigo de Toledo op de rechter. Die aanval was
geweldig, maar niet minder krachtig de wederstand; want hier voert
Boreel, daar Brederode de belegerden aan. De eerste stormladder wordt
door Lorenzo Perea beklommen, en deze met een zwaar metalen stormhoed
en schild gedekt, doch met niets anders dan een dolk en eene kling
gewapend, stijgt onverschrokken omhoog.

--»Volgt mij, soldaten!« roept hij de zijnen toe, »en als Perea valt,
is u de weg gebaand.«

--»Viva capitan Perea!« roepen de soldaten, en eer hun aanvoerder de
stormladder ter halver hoogte bereikt heeft, volgen reeds eenige met
spies en rapier gewapende Spanjaards hem na.

--»Wat wil de Spanjaard nu?« zegt Stompwijk in zichzelven, terwijl
hij van het Kraaiennest de aanstalten ziet om de Kruispoort te
overmeesteren, »slaat hij mijn geschrift, mijne waarschuwing in
den wind? Heb ik hem niet kond gedaan, dat onder die poort de hel
loert? Terug, dwazen, of wat baat u mijn verraad?«

Vreemd voorzeker moest het den ellendeling schijnen, dat de vijanden
zich met zooveel kracht op de Kruispoort wierpen, daar hij nog kort
tevoren dien vijand kennis had gegeven, dat het buskruit onder de
Kruispoort allen, die haar overmeesterden, in de lucht zou doen
springen. Hij wist niet, dat die brief don Frederik niet in handen
was gekomen: maar hij huiverde bij de gedachte aan die mogelijkheid.

--»Terug!« schreeuwt inmiddels Brederode, terwijl hij met eigen hand
zijn beproefd staal op Perea's hoofd wil doen neerdalen. Evenwel,
door de aanpersing van ettelijke verdedigers naar den rand der bres,
mist Brederode zijn slag, en het rapier blijft tusschen de voege van
een half losgewrichten steen geklemd. Verbitterd over dit ongeval,
tracht hij door eene forsche beweging met den arm de kling weder
vrij te krijgen. Zijne poging wil echter niet slagen, en Perea,
van dit voordeel gebruik makende, stijgt nu gezwind naar omhoog,
terwijl de op hem volgende soldaten hem krachtig opstuwen.

--»Fluks een ander rapier,« roept Brederode, het gevest van zijn
degen loslatende, daar hij het vruchtelooze van zijne poging inziet
om het wapen uit den steen te rukken; doch eer aan zijn bevel wordt
gehoorzaamd, ziet hij den vermetelen Portugees reeds met den eenen
voet in de bres; wel dwingt Asinga hem op dat oogenblik tot staan,
door hem een hevigen slag op het hoofd toe te brengen; maar Brederode
ziet het geducht tijdstip naderen, dat de bestormers de bres zullen
overmeesteren. Woedend over het verlies van een wapen, dat hem reeds
zoo menigmaal de voortreffelijkste dienst heeft bewezen, wil hij zich
met al de kracht van zijn lichaam op den Portugees werpen, doch op dat
oogenblik duwt een der Haarlemmers hem eene gewone schutterskling in
de vuist en ijlt aanstonds van de poort om zich van een ander wapen
te voorzien.

--»Sterf, hond!« schreeuwt nu Brederode, en ofschoon hij aanstonds
het verschil tusschen dit nieuwe en het verlorene wapen ondervindt,
zoo is de slag, dien hij er Perea mede toebrengt, nochtans zoo hevig,
dat deze schijnt te wankelen. Maar in weerwil daarvan, in weerwil ook
van de meerderheid, die op Perea aanstormt, houdt deze onbezweken
stand. Ook met den anderen voet is hij de bres binnengedrongen,
en van weerszijden keert hij de slagen der verdedigers zoo behendig
en krachtig af, dat hij blijken levert, hoe zeer hij in den krijg
ervaren en door Alva zelven onderwezen is. Naar alle kanten rollen
zijne fonkelende blikken rond, en het aantal zijner bespringers acht
hij niet. Brederode zelf bewondert zijne dapperheid en onversaagdheid,
en hoe diep geworteld ook diens haat was, betuigde hij meermalen
naderhand, dat hij nog in geen vijand meer onverschrokkenheid had
gehuldigd, dan in den Portugeeschen hopman Lorenzo Perea.

--»Perea vreest geene rebellen,« roept hij. »Voorwaarts, soldaten! de
dood aan de geuzen: Haarlem is ons!«

--»Dat liegt gij!« roept Dirk Brazeman, de luitenant van Brederode,
»iedere voet grond moet met Spaansch bloed worden gekocht,« en onder
deze woorden zwaait hij zijne kling boven de hoofden der Haarlemmers,
met het doel om den Portugees in den hals te treffen, en juist was de
beweging, die Perea op dat oogenblik maakte, oorzaak, dat het rapier
hem in de voege van het harnas op den arm trof: terwijl bijna te
gelijker tijd ook Brederode hem een zoo hevigen slag op den anderen arm
toebracht, dat Perea een zwaren vloek uitstiet. Evenals een tijger,
wanneer diens aanrander hem eene bloedige wonde toegebracht heeft,
te feller op hem aanspringt, zoo ook schiet Perea met een woesten
kreet op Brederode aan, en terwijl hij uitroept: »Ter hel, verrader!«
komt zijn staal zoo snel en wis op het hoofd zijner tegenpartij,
dat het met Haarlem's kloeken verdediger gedaan ware geweest, zoo een
der Duitschers den slag niet grootendeels op zijne kling opgevangen
had. Eene kleine duizeling van den slag is het eenige, wat Brederode
gevoelt, en dit toont reeds genoeg, wat er van een krijgsman als
Perea te vreezen was.

--»Schaamt u, laffe muiters!« schreeuwt deze, »dat gij met een gansche
bende tegen één man vecht. Stijgt op, kerels!« gebiedt hij tot de
soldaten, die hem op de stormladder nadringen, doch met kolven en
spiesen afgekeerd worden, terwijl reeds twee hunner door de musketiers
van Steenbach in de zijde getroffen zijn. Vloekend geven zij, die
Perea navolgen, hunne gramschap te kennen, dat zij niet evenals hun
aanvoerder vasten grond in de bres kunnen bekomen, terwijl zij zich
verwonderen, dat deze nog altijd in het midden van een drom Haarlemmers
stand houdt. Maar inderdaad! Perea houdt stand, ofschoon hij reeds een
viertal wonden heeft bekomen, waarvan eene enkele genoeg was, om menig
ander te doen bezwijken. Van links en rechts bliksemt hem het wapen der
Haarlemmers tegemoet, doch van rechts en links tracht hij onbezweken
het af te keeren, onophoudelijk zijne makkers aanvurende of bevelende
hem te volgen, daar alleen van hunne aannadering zijn leven afhangt.

--»Staat Perea bij, en de stad is ons,« roept hij terwijl hij een
schutter zoo hevig treft, dat deze op den grond ware getuimeld,
indien zijne makkers van rondom hem, door hun dicht aansluiten, niet
staande hadden gehouden. Reeds eenige der verdedigers zijn door den
Portugees gewond geworden, en sommige der Duitschers deinzen voor
zijn geduchten arm en zijn vlammenden blik terug. Voorwaar! dien
vijand daar alleen ziende strijden tegen zulk eene overmacht; ziende,
hoe hij daar pal stond als eene rots tegen de branding, hoe hij
kling op kling afkeerde, terwijl zijn wapen trof als dat van een
dier Grieksche helden, die Homerus bezingt, dan zou men de waarheid
te kort hebben gedaan door niet te erkennen, dat de Spanjaards van
dien tijd in dapperheid alle andere natiën zoo niet overtroffen,
dan toch evenaarden. Dan zou men willens blind hebben moeten zijn,
om geene hulde te doen aan de krijgstalenten van een Alva, in wiens
school toch de meesten waren gevormd.

--»Leve de koning!« klinkt het op eens achter Perea; want aan een
zijner soldaten gelukt het, den voet in de bres te zetten.

--»Leve de koning!« davert het ook aan de rechterbres, waar het
Rodrigo de Toledo gelukt, insgelijks op te stijgen, ofschoon deze
onder die poging reeds twee wonden bekomen heeft.

--»Terug, dwazen!« zegt Stompwijk bij zich zelven met klimmende vrees,
dat zijn geschrift den vijand niet in handen is gekomen, »waarom ben ik
niet aan de Kruispoort?--Ik zou hun toeroepen: »»gij loopt de hel in
den muil. Het oogenblik, waarin gij overwint, zal uw verderf wezen;
en in Frederik's oogen zal ik een verraderlijke fielt schijnen.««
Ik moet hen waarschuwen. Maar hoe? ik kan niet, of ik schijn een
verrader van links en rechts.«

--»Op mannen van Haarlem! wakker aan voor vrouw en kind; slaat dood het
gebroed,« roept inmiddels Van Brederode, toen hij eenige Duitschers
ziet terugdeinzen, en het voordeel van den vijand waarneemt. Maar
Brederode zelf is de eerste, die nu ook met meer geweld op de
bestormers aandringt. De spies van een gevallen krijgsman aangegrepen
hebbende, richt hij ze op den Portugees, en treft hem in de heup
met zooveel kracht, dat Perea achterover dreigt te tuimelen. Nog
houdt hij zich echter staande; maar, datzelfde oogenblik is hem
noodlottig. Het scheen besloten, dat Perea voor het laatst den
storm zijner wapenbroeders zou bijwonen. Op de aanmoedigende stem van
Brederode dringen de verdedigers der Kruispoort heftiger naar de bres;
als een stroom stuwen zij zich op en rond den Portugeeschen held, en
deze, door zijne wonden verzwakt, heeft de kracht niet meer om hen
met het schild van zich te weren. Onder wraakgeschreeuw dringt een
gespierde Waal van Vardeur met een dolk het dichtst op hem aan; het
gelukt hem, Perea in den ringkraag te grijpen, en met de andere hand
poogt hij hem het staal in het hart te stooten; ook Perea heeft zijn
dolk gegrepen, daar hij zich met zijn rapier niet langer verdedigen
kan, en terwijl de Waal zijne hand aan den ringkraag geklemd houdt,
wordt die hand door het wapen doorboord. Maar de verdediger van Haarlem
laat dien vijand niet los: als in doodsangst houdt hij zich vast,
en van zoo nabij bliksemen hunne oogen elkander tegemoet, dat het
aangezicht van den een dat des anderen schier aanraakt. Al heviger
en heviger dringen de verdedigers zich naar de bres, en Perea geene
kans meer ziende, zijne standplaats te behouden, klemt zich aan zijn
vijand evenals de wolf aan den besprongen buffel.

--»Met mij ter hel!« roept hij, en met al de hem overgeblevene
kracht laat hij zich eensklaps ruggelings van de bres naar beneden
storten en sleurt in zijn val den Waal met zich. Op dit gezicht
doen de verdedigers en de aanvallers te gelijker tijd een kreet van
schrik hooren. Perea valt bonzend met het hoofd op den grond, en de
kloekgebouwde Waal, dien val nog verzwarende, schijnt de eerste geen
teeken van leven meer te geven.

--»Staat bij, staat bij!« gilt de Waal; doch elke poging om hem
te redden ware vruchteloos geweest. Ook werpen zich ijlings eenige
Spanjaarden met al de woede der verbittering en wraak op hem. Zij
scheuren hem van het lichaam huns aanvoerders en--in een oogenblik
is hij van wonden doorboord.

Zóó--en niet op Loevestein of in Naarden--stierf Lorenzo Perea,
een Portugees, die voor geen Spanjaard van die dagen in dapperheid
behoefde te wijken. Alva zelf had hem meer dan eens met bewondering
aanschouwd en hem, als een der jonge officieren, die van zijne
krijgskundige lessen het meeste nut trok, ook het meest met zijne
vriendschap vereerd, zoodat men zelfs zeide, dat Perea eerlang
den rang van kolonel zou verkregen hebben. Jammer voorwaar, dat de
leerling niet enkel van de talenten des meesters partij trok; want
voor alle Spaansche beulen behoefde Lorenzo Perea niet in bloeddorst en
valschheid onder te doen. De hertog, zijn heldhaftigen dood vernemende,
moet zichtbaar bewogen zijn geweest en uitgeroepen hebben: »De dood
van Perea weegt tegen het verlies van een geheel vendel op.«

--»Wraak!« riepen de soldaten, terwijl zij het half verpletterde
lijk van den Portugees naar de legerplaats brachten, »wraak voor den
dapperen aanvoerder der ruiters! den rebellen de dood!«

Zoo klonk het ook aan de bres, waar Perea den dood had gevonden, en
waar het inmiddels reeds aan eenige soldaten gelukt is, zich den weg
te banen. Ook Rodrigo de Toledo bevindt zich reeds met sommigen in de
rechterbres, en ofschoon ook hij door Boreel zelven met eene spies
in de dij is gewond, houdt hij echter onbezweken stand en spoort de
zijnen op de stormladder onophoudelijk aan, hem te volgen. Inderdaad,
met zóóveel kloekheid streden de Spanjaards, dat het scheen, alsof
op hun duren eed om te overwinnen of te sterven, de priesters hun
de zaligheid des hemels wederkeerig met een plechtigen eed hadden
beloofd. Als een dam keerden zij in de linker- en rechterbres den
aanpersenden stroom van Haarlemmers, en wonnen zelfs van oogenblik
tot oogenblik zooveel voet, dat er niet anders te verwachten was,
dan dat de zonen van Hiberië weldra over de zonen van Bato zouden
hebben gezegevierd.

--»IJlings naar Ripperda!« beveelt nu Brederode zijnen luitenant
Brazeman. »Zeg hem, dit de Spanjaard voet voor voet wint.«

Brazeman ijlt om aan den last te gehoorzamen; doch Ripperda heeft het
reeds voorzien, dat 's vijands opstuwende macht niet te beteugelen
zal zijn.

--»Terug naar Brederode, naar Boreel!« zegt hij tot Brazeman, »nog een
oogenblik manhaftig verweers, en als gij driemaal het vaandel zwaait,
zal dit het besproken teeken zijn.«

Brazeman ijlt terug, en nu snelt Ripperda naar eene plaats, ongeveer
dertig schreden van het nieuwe blokhuis verwijderd.

Zwijgend en ieder oogenblik Ripperda's bevel verbeidende, staat daar de
koene vestingbouwkundige Derdein; doch niet zoodra ziet hij Ripperda
naderen, of zijn somber oog neemt een levendiger gloed aan en met
geestdrift roept hij uit: »Is het tijd mijnheer?--de lont slechts
ontstoken en--het is met hen gedaan.«

--»Nog niet,« zegt Ripperda, »zij moeten verder aanstuiven; hun aantal
is nog te gering. Maar hebt gij vaste hoop, dat het werk slagen
zal? Bij Oranje! zoo er iets aan faalde, 't zou een onvergetelijk
stuk zijn.«

--»Op nieuw twijfel, mijnheer?« zeide Derdein eenigszins
wrevelig. »Zult gij eerst dan vertrouwen op mij stellen, wanneer het
gebleken is, hoe ik die roovers ook zonder rapier om hals brengen
kan! Als het mislukt, stoot mij dan vrij uwe kling in de borst.«

--»Een Fries vertrouwt niet zoo licht,« zeide Ripperda, »maar doet
hij het, dan is zijn vertrouwen ijzervast.«

--»Welnu, dan zal na dezen dag uw vertrouwen op mij zelfs harder dan
ijzer zijn,« sprak Derdein, en hij sloeg zijn donkeren blik op de lont,
begeerig naar de seconde, dat hij ze zou aansteken.

Er was een ontzettend oogenblik voorhanden, een oogenblik, dat
zou vernielen en doen sidderen. Hadden de belegeraars het bolwerk
ondergraven, ook de spade der belegerden was niet werkeloos geweest,
minst van allen in de strekking naar de Kruispoort. Zeer diep in den
harden grond delvende, was men ten laatste, na bezwarenden arbeid,
onder die poort gekomen. Nadat men te dier plaatse eene rechthoekige
uitholling of oven had gegraven, werden er verscheidene vaatjes
buskruit ingelegd, en om er te beter rekening op te kunnen maken,
dat alles behoorlijk vuur zou vatten, had men vervolgens den ganschen
bodem met los buskruit bestrooid. In die uitholling en in aanraking
met het daarin geplaatste pulver had men nu het einde der slang of
worst gelegd, bestaande uit een omkleedsel van katoen met buskruit
gevuld en nog bovendien met het vernielend poeder bestreken. Voorts
had Derdein het naast aan die opening grenzende gedeelte van den
mijngang met planken en zandzakken zoodanig opgevuld en gesloten, dat
deze voor de lucht volkomen ondoordringbaar was. Om allen nadeeligen
invloed van den onderaardschen weg op de slang te voorkomen, had de
scherpzinnige Waal haar in een geleikoker gelegd, die evenlang als de
galerij was; voorts had hij ook dezen koker met buskruit bestrooid, en
op enkele plaatsen kleine openingen gestoken, ten einde te beletten,
dat misschien de rook den voortgang van het vuur vertragen zou. Het
punt, waar de verraderlijke slang uitkwam, was door een klein vierkant
staketsel afgesloten, waarbij nacht en dag eene schildwacht stond,
totdat men den draak zijn rook en vuur zou doen uitbraken. Spoediger
dan men nog gewaand had, zou dit plaats grijpen. Een teeken en--men
zou de losbarsting hooren.

Op Ripperda's bevel begaf zich Horenmaker naar het hoofdtooneel
van het gevecht, en weldra keerde hij weder terug met het bericht,
dat de vijand meer en meer veld won, en dat Alfonso Mugnos, in de
plaats van Perea gekomen, met een tiental Spanjaarden insgelijks de
bres had beklommen.

Zoo was het: maar juist toen Horenmaker terugkeerde, drongen er van de
bres van Rodrigo de Toledo andermaal eenige soldaten binnen. Rodrigo
zelf, eene breede wonde in het aangezicht hebbende, moest de bres
verlaten en werd nog bovendien onder dien aftocht met een musketkogel
getroffen, zoodat men hem voor dood wegdroeg: maar in zijne plaats
steeg Stephano Illavas op, en ook deze baande zich met ettelijke
Spanjaarden den weg.

--»Terug mannen, terug!« gebood nu Boreel, die, ofschoon reeds eenige
bestormers met eigen hand getroffen hebbende, de onmogelijkheid zag
om langer stand te houden.

--»Terug!« beval ook Brederode, en, opdat de Spanjaarden het hooren
zouden, voegde hij er met forsche stem bij: »Wij geven het op! den
Spanjaard het blokhuis! naar den wal; naar den wal!«

En de Haarlemmers deinzen langzaam en al vechtend rugwaarts, ten einde
den vijand in te grooter getale op de Kruispoort te lokken. Dit is ook
werkelijk het geval. Niet vermoedende, wat verschrikkelijk spook er
onder hunne voeten huist, beklimmen zij in menigte de bres en drijven
de verdedigers al meer en meer terug.--

Verschrikkelijk is dat oogenblik voor Stompwijk. Hij weet, waarom
die Haarlemmers terugwijken; hij weet, dat al de vijanden, die daar
op de overwinning rekenen, deerlijk zullen omkomen, dat ieder lid
van hun lichaam verbrijzeld zal worden. Hij heeft er don Frederik van
onderricht, en toch ziet hij de vijanden het onzichtbaar spooksel in de
armen snellen. Zijn post kan hij niet verlaten om hen te waarschuwen,
zonder het wantrouwen der Haarlemmers op te wekken. Van teleurstelling
en spijt knijpt hij de vuist samen; maar ook de vrees grijpt hem aan;
want zoo de Spanjaarden sterven, dan zal de toorn van don Frederik
op hem losstormen.

--»Vervloekt!« zegt hij in zichzelven, »dan zal mijn loon mij ontgaan:
en de verrader zal misschien verraden worden. Ellendige dwaas, die
ik ben, waarom geen zekerder spel gespeeld?«

--»Leve de koning!« klinkt het inmiddels onder de aanstormende
Spanjaarden: »Victoria! victoria! Haarlem is ons!«

--»Haarlem is ons!« roepen zij krijschend, »Perea heeft het gezegd: als
hij valt, is ons de weg gebaand. De stad ons! den rebellen de dood.«

De Spanjaard, de belegerden ziende terugdeinzen, plant nu het
vaandel van Castilië op het blokhuis. Maar terwijl sommigen hunne
makkers aansporen om al meer en meer op te stijgen, en anderen de
oogenschijnlijke vluchtelingen achtervolgen, ziet Derdein, dat de
ongeduldig verbeide seconde daar is, en zijne hand is gereed om het
vuur in de kruitslang te steken.

--»Nog niet!« zegt Ripperda, »er zijn nog Haarlemmers op de poort.«

--»Neen, mijnheer! nu, of het is te laat,« zegt Derdein, wiens oogen
van ongeduld vlammen om het verborgen monster te voorschijn te doen
springen, »de vijand stormt de poort af, den wal op.«

--»Ik heb mij niet bedrogen,« zegt Ripperda, »daar gaan nog van de
onzen terug. Maar geef acht, men zwaait het vendel ... twee ... drie
maal ... vuur aan de slang! vuur!«

Snel als het weerlicht raakt de vurige tong van de lont de sluimerende
slang aan. Derdein's oogen vonkelen van vreugd; want het monster
ontwaakt, slokt het vuur in, en dat vuur schiet rookend en sissend
met pijlsnelheid voort. Ripperda schijnt stom van verwachting;
hij vestigt het oog niet op de ginds worstelende krijgslieden: hij
houdt het onbeweeglijk op den grond, als wilde hij zien, wat er,
onzichtbaar, in dien onderaardschen gang plaats grijpt. Had het
gezicht er in kunnen doordringen, dan zou men gezien hebben hoe
het vuur als een bliksemschicht voortschoot, zonder dat het één
hinderpaal ontmoette, zonder dat de rook den snellen voortgang
beteugelde. Maar dat gezicht zou slechts vluchtig geweest zijn,
even vluchtig als de zwijgende verwachting naar den uitslag. Slechts
weinige seconden en--opeens hoort men een doffen, hollen slag, een
harden dreunenden schok, een slag, die doet sidderen, een schok,
die doet verstommen. Op eens splijt daar en scheurt daar de grond;
eene zwarte hel opent hare kaken. Het is een vuurspuwende berg, die
zijne steenmassa uitwerpt. Het oog ziet niets dan donkerroode vlammen,
een dikken rook en dwarrelende stofzuilen; maar te midden van dien rook
en die vlammen worden verbrijzelde lichamen naar omhoog geslingerd;
musketten, trommels, vaandels vliegen met de vijanden, die ze droegen,
met de steenklompen van de bolwerkspits hoog de lucht in, en alles wat
op verspreide afstanden weder neerstort, is onkenbaar door den schok
der vernieling. Kreten van schrik weerklinken in 's vijands gelederen;
veertig hunner vinden daar eensklaps den dood; met het »victoria« op
de lippen worden zij vernield: de schijnbare overwinnaars ondervinden
eene plotselijke nederlaag. Maar ook Stompwijk voelt den geweldigen
slag: de hevige schok doet hem rillen, en ternauwernood kan hij den
uitroep bedwingen: »Vervloekt! is het geschrift verloren, dan ben
ook ik het: dàt, of de Spanjaard is een onzinnige dwaas!«

--»Verraad!« roept don Frederik tot Bartholomeus Campocassio, die
zich in zijne nabijheid bevindt, »dat is duivelsbedrog en verraad! Die
ellendeling, die booswicht, dat ik hem in mijne macht hadde!«

--»Señor!« zeide de ervarene Campocassio, »dat is een groote ramp voor
zoo velen van 's konings beste soldaten; en gij vermoedt verraad?....«

--»Ja bij de heiligen!« viel Frederik hem in de rede, »ik zeg u,
dat de verrader ook mij verraadt. Hij loert op mijn verderf, en dat
met een enkelen slag. Duizend kronen voor dengeen, die mij den schelm
levend of dood in handen stelt. Maar wraak, wraak over den dood van
zooveel dapperen!« ging hij voort, met onstuimigheid dichter naar
het moordtooneel snellende, »wraak, Romero! op, Carjaval! den weg
over steenklomp en puin! nog zal het nest in mijne macht zijn.«

IJlings rukken een paar vendels aan, en Frederik zelf, met Carjaval
en Romero aan het hoofd, snellen als een stormwind naar de puinen der
inbreuk, waar eene stof- en rookwolk hen tegendwarrelt. Ripperda
had dit voorzien, doch er geenszins voor gevreesd; want de
binnenverschansing of halvemaan stelde den vijand een niet minder
stevig bolwerk voor, wanneer het hem al mocht gelukken, zich door
de Kruispoort den weg te banen. Evenwel, het geluk was bovendien den
belegerden gunstig. Wel hadden steen en puin den door de ontploffing
gevormden trechter gevuld, maar ook sommige der reusachtige
steenklompen, in plaats van binnenwaarts te storten, waren naar den
buitenkant gevallen, zoodat zij voor de Spanjaarden een gevaarlijken,
schier onbeklimbaren berg vormden en de achtersten beletteden om
de voorsten met de noodige gezwindheid op de hielen te volgen. Don
Frederik wil echter wagen, wat hij nog niet onmogelijk had bevonden,
en hij beveelt eenigen, op den rookenden puinhoop aan te stormen.

--»Soldaten!« roept hij, »wreekt die slachtoffers van het verraad.«
En moedig beklimmen zij de steenklompen, terwijl zij daverend de
kreten laten hooren: »vengenza, vengenza!« (wraak).

Nauwelijks echter zijn deze eersten omhoog geklommen, of,
door musketschoten gewond, tuimelen zij weder naar omlaag. De
mijnontploffing namelijk had zich niet zoo ras laten hooren, of
Ripperda wierp zich bedaard maar krachtig tevens op de Spanjaarden,
welke het volk van Boreel en Brederode in hunne gewaande vlucht
achtervolgden. Spoedig was het met de weinige vijanden gedaan. Verdoofd
door den onverwachten slag; achter hen de opene afgrond, vóór hen
de halvemaan en kloeke verdedigers, die oogenblikkelijk de rol
van vluchtelingen voor die van aanvallers verwisselen, hadden de
rampzaligen niets dan een wissen dood voor oogen. Wanhopig verdedigen
zij zich nog eene korte poos; sommigen trachten rugwaarts te wijken,
doch stuiten op den puinhoop, of vallen door serpentijnbuksen en
haakbussen; anderen sneuvelen door het volk van Boreel, die van hunne
verwarring gebruik maakt, en--in weinige minuten is er op dat punt
geen vijand meer. Derdein, Brazeman en Gerrit van der Laan scharen
inmiddels de hunnen in het front van de meer dan half verbrijzelde
Kruispoort, en keeren nu de vijanden, welke over de steenklompen een
weg zoeken, moedig af.

--»Triomf voor Ripperda!« roepen de verdedigers, toen zij de eersten,
door Romero aangevoerd, naar omlaag zien tuimelen; anderen opstijgende,
beveelt Van der Laan op nieuw »vuur!« en ook deze vallen, door de
welgerichte musketten in de flanken en het front getroffen. Het zijn
echter niet alleen de schoten van Van der Laan's volk; ook uit de
schietgaten van de naaste huisgevels, vanwaar men veilig de armen
der halvemaan bestrijkt, giert het doodelijk lood! den Spanjaarden
tegemoet.«

--»Tegen dit moordvuur zijn wij niet bestand,« zegt don Diego de
Carjaval, het vernielt onze beste soldaten zonder dat wij een voet
gronds winnen.«

--»Romero's volk lacht met het vuur van die muiters,« zegt Romero, »ik
heb hun geleerd, hel noch duivel te vreezen. Nombre de Dios! stijgt op
kerels! in Haarlem is buit voorhanden, en al die buit zal voor u zijn!«

Opnieuw klimmen eenigen over de nog rookende steenblokken. Nu eens
glijdt er een uit; of een ander, die een steunpunt waant te hebben op
een reusachtigen klomp, ziet dien op eens omkantelen of verschuiven
en valt op het aangezicht der hem volgende makkers. Maar niet zoodra
zijn weder anderen met het hoofd voor de belegerden zichtbaar, of het
lood der musketten en het ijzer van de serpentijnbuksen treft hen,
en wegens het moeilijk opklimmen kunnen zij niet gezwind genoeg door
de overigen vervangen worden.

--»'t Is of de ketters een verbond met satan hebben gemaakt, dat die
steenen naar den buitenkant moesten storten,« zegt Romero.

--»Op mijne eer!« roept Carjaval, »wij spillen hier bloed en tijd:
en wat hebben wij gewonnen, zoo wij over deze inbreuk zijn?«

--»Dan verdeelen wij de macht van de rebellen, dan is de stad en
de buit ons, en den hertog de roem,« zegt Romero, »houdt moed,
soldaten! houdt moed! over 't graf uwer spitsbroeders ligt de weg
der overwinning.«

--»Ik ken uw moed en stalen wil!« zegt nu Frederik, »maar señor
Carjaval heeft gelijk: hier is de aanval vruchteloos. Terug,
soldaten! terug! naar den muur bij don Ferdinand, en denkt er aan:
duizend kronen, wie mij den verrader Stompwijk levend of dood in
handen stelt.«

--»Terug, soldaten!« beveelt nu ook Romero, »señor, het is uw wil;
maar winnen wij hier het muitersnest niet, dáár zal de kans nog
minder zijn.«

--»Dat zal men zien,« herneemt Frederik, »en zoo als gij wèl
zegt--señor, het is mijn wil.«

Op dat woord wil legde hij een bijzonderen nadruk, wel wetende
dat Romero, die zelf zoo gaarne ieder naar zijn wil buigen zag en
er de volle beteekenis van kende, geen verdere aanmerkingen zou
maken. Romero, hoezeer met wrevel vervuld, dat op dit punt geene
versche troepen aanrukten, wrevelig over deze plotselijke verandering
van stormplaats, waarvan hij zich weinig goeds beloofde, beval echter
zijne soldaten, naar den wal te snellen, waar don Ferdinand tot nog
toe vruchteloos den storm had beproefd.

--»Vuur, kanonniers!« klonk het intusschen in de vijandelijke
verschansing, waar de Vliegen van Namen onafgebroken op de stad
beukten.

--»Vuur!« liet het zich ook in de loopgraven hooren: want deze waren
vol musketiers, welke onophoudelijk de walverdedigers met goed gevolg
bestookten.

--»Voor Spanje!« galmde het hier. »Voor Haarlem!« klonk het daar,
en overal hoorde men de kreten van »vrijheid!« van »overwinning of
de dood!« Het was een gevecht van moed en vermetelheid; het was de
strijd voor het heilig geloof.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.


                            Moog Ripperda den wal verweren
                            En met het staal den vijand keeren,
                            En pal staan in 't noodlottigst uur,
                            Een Kenau bliksemt met den degen,
                            En staat de woeste stormers tegen,
                            En dondert hen van wal en muur.


Inmiddels werd de Janspoort en de naaste courtine bestormd door
een man, wien het evenmin aan moed als aan beleid ontbrak. Het was
de Portugees Gaspar de Rubles, een zoogbroeder van den koning van
Spanje, en stadhouder van Philippeville. Gemeenlijk werd hij de heer
Van Billij genoemd, omdat hij deze heerlijkheid had behuwd. Het was
die zelfde krijgsman, die nog bij de Friezen in dankbare gedachtenis
staat, omdat men, na den vernielenden Allerheiligenvloed het aan
zijne geestkracht had te danken, dat er van Makkum tot aan Dijkshoek,
eene uitgestrektheid van vijf uren, een stevige zeedijk werd aangelegd.

Hij was een hevig vervolger der onroomschen en had in vroegere
gevechten blijken van dapperheid en beleid gegeven. Thans had hij reeds
den rang van bevelhebber, en gewoonlijk voerde hij de Walen aan, die
den eernaam droegen van »de rappe Walen van Billij.« Vergeefs echter is
iedere poging om zich van de Janspoort meester te maken. Telkens wordt
hij afgeslagen; telkens wijken zijne Walen met bebloede koppen terug.

Met de ijssporen aan de voeten, met musketten, spiesen, dolken
en klingen gewapend en met eene menigte stormladders toegerust,
had don Ferdinand, de bastaardzoon van Alva, zijne Spanjaards en
Duitschers naar het ravelijn aangevoerd. Evenmin als don Frederik
bij de Nederlanders bemind, en van de grootste meerderheid gehaat,
nadat hij de verraderlijke hand had geleend om den edelen Hoorne
gevangen te nemen, was hij echter bij de Spanjaarden meer gezien
dan zijn broeder. Don Frederik vreesden de soldaten, omdat ze zijne
strengheid en wraakgierigheid kenden. Don Ferdinand hadden zij lief,
omdat hij bij zijne doorgaande minzaamheid jegens hen, hun nu en dan
eenige gunsten bewees. Fier en vermetel op zijn rang en zijne macht,
durfde Frederik somtijds hun eergevoel verguizen of kwetsen; don
Ferdinand was niet zelden hunne voorspraak en eerde niet minder den
rang van soldaat dan dien van capitan. En echter, wanneer Ferdinand
met dreigen en vloeken hun eenig bevel hadde gegeven, zouden de meeste
soldaten het met een grimlach in den wind hebben geslagen, terwijl
zij niet aarzelden, water en vuur te trotseeren, wanneer het dreigend
bevel in een minzaam verzoek werd veranderd. Maar met honigzoete of
fluweelen woorden van Frederik zouden die zelfde soldaten scherts en
spot hebben gedreven, terwijl de koenste hunner voor zijne dreigtaal
sidderde en aan de gevaarvolste taak oogenblikkelijk de hand sloeg.

--»Brave makkers!« sprak don Ferdinand hen aan, »ik ken u aller moed
en stoutheid: voor Bergen heb ik er het schitterendst blijk van
gezien. Sedert dien tijd voerde ik u niet aan; ook voor Haarlem's
wallen is dit thans voor het eerst. Op die wallen zijn ketters en
muiters, ook de verraders van Bergen, die wij allen den dood hebben
gezworen:--maar de meesten hunner zijn helden, die evenmin als
gij, den dood vreezen; en, als waren er van deze nog niet genoeg,
zoo hebben ook vrouwen zich aan hunne zijde geschaard. Veracht die
laatsten niet; want de vrouw is te vreezen, als zij woedt. Voort,
brave makkers! geeft mij, zoo het kan, een dubbel blijk van uwe
dapperheid. Het is voor den koning en voor het heilig geloof.«

--»Voor den koning en voor het heilig geloof!« herhaalden de soldaten,
»wij vreezen geene muiters; wij vreezen geen dood!«

De Sapata, Valdez en Marco voeren hunne vendels aan; maar nog zien wij
een ander Spanjaard, dien de lezer niet bij den storm tegenwoordig
waant. Het is Venavides. Wel is de krijgsraad over hem vergaderd
geweest; wel heeft Frederik van spijt gebeefd, Marco van woede op
de tanden geknarst; maar Venavides is nog in dienst van Spanje:
dat zal hij den Haarlemmers toonen. Met de meerderheid van eene stem
was de uitspraak »vrij!« eene stem minder--zij ware verlies van rang
geweest. Venavides had vrienden en vijanden,--één vijand meer en Marco
had getriomfeerd. Deze uitspraak met betrekking tot Magdalena's vlucht
was echter afgescheiden geweest van het feit in de tent van Frederik,
en in dit laatste opzicht was aan Venavides acht dagen gevangenisstraf
opgelegd geworden, met verbeurte van eene maand soldij. Doch die
zelfde straf was ook aan Marco ten deel gevallen, en dit had diens
verbittering tot gloed aangeblazen. Reeds was de laatste dag van de
maand bepaald geworden, dat Venavides en Marco persoonlijk den degen
zouden kruisen: doch ook de storm van dien dag was bepaald en--het
lot had besloten, dat een hunner in dien storm zou vallen.

Intusschen wemelt het op de bevrozene gracht, waar ook Venavides
zich bevindt, van krijgslieden met scherpe ijssporen aan de voeten;
weldra weergalmen de kreten van aanval en weerstand, de leuzen van
Spanje en Haarlem; Alva's dapperen bestormen de helden van Ripperda.

Geestdrift en moed blonken in Kenau's oogen, toen zij den vijand gereed
zag, met talrijke overmacht den wal te beklimmen. Reeds meer dan eens
had zij hare moedige schaar al het gewicht der stoute taak voor oogen
gehouden; meer dan eens had zij allen, die tot haar vendel behoorden,
vermaand, zich ieder uur gereed te houden, daar spoedig de dag zou
aanbreken, waarop ook zij bewijzen zouden moeten geven van hare liefde
voor de vrijheid der stad:--en die dag was gekomen; de laatste van
louwmaand zou den vijand doen zien, hoe ook vrouwen te duchten zijn,
als het datgene geldt, wat haar het liefst en dierbaarst is.

--»Vrouwen van Haarlem, 't oog op den Spanjaard,« roept Kenau, »de
wallen zijn deerlijk gekneusd; en met geweld aanvallende, zou 't hem
kunnen gelukken, vasten voet te winnen. Waar gij hem ziet naderen,
dáár hem met spies en bus gekeerd! waar hij forsch aandringt en
opstuwt, grijpt gij pekkrans en stormkolf, en overhoopt hem met water
en vuur. Maar niet woest of onbesuisd! Als zijne macht veld wint,
in spijt van het krachtigst verweer, daar laat gij af; het oog dan
naar Kenau gewend en achterwaarts naar den nieuwen wal; daar zal hij
boeten wat hij hier won; wat hem hier overwinning dunkt, zal hem daar
nederlaag zijn. 't Is voor Haarlem! 't Is voor de vrijheid! Leve de
prins! leve Ripperda!«

Door de meesten worden die kreten herhaald. Geertruida van Brederode
zwaait met geestdrift het vaandel van Haarlem, en mocht bij sommigen,
op den aanblik van het gevaar, al eenige vrees binnensluipen, geen
oog verraadt die: aller oogen richten zich op Kenau; want schoon voor
het eerst door haar aangevoerd, schijnt het vertrouwen op haar reeds
onwrikbaar te zijn.

--»Voorwaarts, ten storm!« gebiedt don Ferdinand; en nu snellen de
vier genoemde Spanjaards aan het hoofd hunner benden op den muur los.

De latere belegeraar van Leiden voert zijne soldaten op het punt aan,
waar Matthijszen en Pellekaen gereed zijn, hen te ontvangen--waar
Kenau met de vrouw van burgemeester Kies en eenigen van haar vendel
den vijand afhouden.

--»Als wij zulk een storm doorstaan,« zegt Pellekaen tot Matthijszen,
»dan zal het een wonder heeten.«

--»Naar dat wonder streven wij,« is het antwoord, »hoe grooter gevaar
afgekeerd, hoe grooter de glorie. Maar geef acht: de musketiers hebben
het op ons verzien.«

Terwijl hij dit zeide, vielen een drietal Haarlemmers gelijktijdig
gewond neder, en een kogel floot zoo dicht langs Matthijszen's oor,
dat het zonderling geluid hem onwillekeurig deed omzien. Zij, welke
dit musketvuur gaven, hadden op het ijs, op eenige schreden van den
wal, bewegelijke schermen en eene menigte rolkorven aangebracht, ten
einde de belegerden veilig te kunnen bestoken. Eenige oogenblikken
gelukte dit naar wensch; want ook op het punt, waar zich Steenbach en
Asinga bevonden, waren twee verdedigers zwaar getroffen geworden. Maar
nauwlijks heeft de busschieter Willem Cornelisz deze gevaarlijke
vijanden in het oog, of hij verandert de richting van zijn slangstuk.

--»Laadt, kanonniers!« roept hij, »van den wal kunnen wij die honden
niet keeren; maar geven wij ten minste die kwaadstokers achter de
schermen de volle laag.«

Dit gebeurt, en zoo juist is reeds de eerst genomene richting en het
eerste schot van den ervaren busschieter, dat er achter de beweegbare
scherm eene plotselinge verwarring ontstaat, en men bij het optrekken
van den kruitdamp duidelijk ziet, hoe ettelijke vijanden dood of
gewond zijn.

--»Eene les voor hen!« zegt Cornelisz, »maar die kerels zijn
duivels. Zie! daar kruipen weer anderen achter het scherm, meteen
branden zij weer los.«

Zoo was het ook. Opnieuw worden eenige verdedigers getroffen: maar
wederkeerig laat ook Cornelisz het slangstuk met vrucht spelen.

Intusschen trachten Valdez' soldaten met geweld den wal te beklimmen:
doch hoe laag op dit punt de gebeukte kruin ook moge zijn, zoo gaan
de verdedigers hen met hunne spiesen en stormkolven wakker te keer,
terwijl Pellekaen eene dapperheid aan den dag legt, die de grootste
tegenstelling vormt met zijne angstige voorgevoelens, ook van dezen
morgen.

--»Voor vrouw en kind, broeders!« roept hij de zijnen toe, »ontziet
kruit noch lood, waar het Haarlem geldt en vreest de overmacht
niet. Vuur, Kenau Simons! op de rechterflank. Voor Ripperda! wakker
aan!« En aan den rand der borstwering brengt hij nu dezen, dan
genen vijand een doodelijken slag toe; doch het is niet op één punt,
dat hij de Spanjaards aantast. Als een bliksemstraal schieten zijne
oogen ter rechter en linker. Niet zoodra heeft hij hier met eigene
hand een aanvaller doorstoken of hem op de stormladder doen duizelen,
of hij snelt eenige schreden verder om een anderen stroom te stuiten;
geen zwaardslag of halve piek schijnt hem te kunnen treffen; iedere
kogel snort hem voorbij als ware hij onkwetsbaar, en echter had hij
dien dag reeds menigen vriend de hand gedrukt onder de waarachtige
overtuiging, dat de zon van dien dag over zijn lijk zou ondergaan.

--»Op mijne eer! het is, of die kerels van onder tot boven van staal
zijn,« spreekt Valdez tot een anspessado, van wien reeds ettelijke
soldaten door Kenau's heldinnen met pekkransen en olie verschroeid
zijn, »op, soldaten! dat men ons niet hoonend naschreeuwe, door vrouwen
verjaagd te zijn. Honderd kronen en de rang van anspessado voor hem,
die het eerst voet op den wal zet.«

--»En zoo dit aan een anspessado gelukt, señor?« vroeg een breed
geschouderd krijgsman van dien rang.

--»Dien beveel ik den veldheer aan,« zeide Valdez, »ik twijfel niet,
of deze zal hem dien rang geven, welke hij waard is, en die niet in
mijne macht staat.«

--»Leve de koning!« roept de onderofficier, »moge hij mij den rang van
capitan geven of niet ... ik ga in den dood.« IJlings eenige soldaten,
die eene nieuwe stormladder aangevoerd hebben, met zijn schild op
zijde duwende, klimt hij moedig omhoog; vier zijner makkers volgen
hem op den voet en anderen dringen aan.

--»Voor Spanje!« roept hij luid en zwaait het rapier boven zijn hoofd:
maar het scheen besloten, dat de anspessado sterven zou in den rang,
welken hij op dat oogenblik bekleedde. Matthijszen ziet, hoe een nieuwe
vijand op het punt is, om op een laag gedeelte van den wal vasten voet
te krijgen. Snel verlaat hij de plaats, waar eenige bestormers door
Kenau's vrouwen afgekeerd worden, en op den anspessado aanspringende,
brengt hij dezen een slag op den stormhoed toe. Hoe krachtig de botsing
ook was, zou de anspessado die echter weerstaan hebben; doch op eens
heeft er een ander tooneel plaats. Plotseling laat zich een zware schok
hooren; de plaats, waar Matthijszen is, eene roede in den omtrek,
splijt en scheurt vaneen; te gelijker tijd wordt de anspessado met
hen, die zich op de stormladder bevinden, eenige schreden ver op het
ijs geworpen, en zwaar gekneusd en gewond, geven zij geen teeken van
leven meer. Op dit gezicht heffen de Spanjaards kreten van schrik aan,
en onder de verdedigers gaat insgelijks een angstig geschreeuw op;
want Matthijszen benevens vier der zijnen worden verscheidene voeten
omhoog geslingerd, en--men waant hen verloren.

--»Staat bij, staat bij! daar barst eene mijn los!« klinkt het.

--»Terug, terug! de dood onder onze voeten!« En inderdaad! van de
onderscheidene door den vijand gegravene mijnen onder den buitenwal,
laten de vijanden er op dat oogenblik eene springen; doch hetzij door
onvoorzichtigheid, hetzij door toeval, was de ontploffing voor hen
zelven noodlottiger dan voor de Haarlemmers. In plaats dat de wal
op dat punt rechtstandig opspleet en eene wijde gaping vormde, welke
allernoodlottigst zou geweest zijn voor hen, die zich op deze hoogte
bevonden, had de losbarsting naar de buitenzijde plaats en bovendien
niet met dat geweld, waarop de vijand gerekend had; toch was de kracht
der naar boven springende aardmassa zoo groot, dat Matthijszen en de
overigen er insgelijks door opgestuwd werden. Geen hunner werd echter
bij het nedervallen in den kuil gewond, doch voor het oog hunner
makkers verdwenen, waanden deze hen ontwijfelbaar verloren. En gewis,
wanneer het ongeval den Spanjaard niet een oogenblik verrast had,
zou het met Matthijszen gedaan zijn geweest, terwijl hij thans met de
zijnen slechts vier voeten boven de gracht op den omgewroeten bodem
was getuimeld. Hoewel verdoofd of bewusteloos door den slag, kwamen
echter allen weder op de been, en Matthijszen met zijne makkers weder
te voorschijn.

De een had zijn stormhoed, de andere zijn rapier, doch niemand het
leven verloren, maar zoo zij op dat oogenblik eenige gedachten hadden,
dan was het wel de gedachte aan den vijand; want met driftige stem
beval don Francisco de Valdez:

--»Naar die bres, soldaten! daar beklimt gij den wal!«

--»Leve de koning!« schreeuwen de Spanjaarden, en als een stroom
op een zwakken dam, schieten zij naar de losgebarstene mijn. Hier
snellen sommigen met hunne stootdegens aan; daar rukken anderen met
hunne halve pieken insgelijks op de bres los: en ginds stuwen eenigen
de voorsten en middelsten onstuimig op, ten einde met de kolven hunner
musketten den algemeenen aanval te ondersteunen.

--»Capitan Zimbro! neem mijne plaats in,« zegt Venavides tot den
krijgsman, die op een vijf en twintig schreden van de mijn af naast
hem staat en gereed is, een afgeslagen storm te hervatten. Een kort ja
is het antwoord, en nu snelt Venavides naar Ferdinand, die nu hier,
dan daar zijne bevelen geeft, ofschoon hij zoo wel op het eene als
het andere punt niets dan nederlaag aanschouwt.

--»Daar alleen, señor! is de kans, dat wij voet op den wal zetten,«
zegt de edele Spanjaard, op de mijnopening wijzende, »vergun ook mij
daar den aanval en--bij St.-Peter! gij zult Venavides op Haarlem's
vest zien.«

--»Het zij u vergund, señor capitan!« sprak de aanvoerder, »maar toch
twijfel ik aan den goeden uitslag. Die vrouwen zijn verderfelijk voor
onze soldaten; zij brengen hun de meeste vernieling aan; zij behoeven
in stoutheid voor de muiters niet onder te doen.«

--»Gij hebt gelijk, señor! zij vechten als leeuwinnen; ik bewonder
haar en vooral de aanvoerster, die zij Kenau noemen. Maar, op mijne
eer! wij zullen haar doen wijken, dat zweer ik.«

--»Voorwaarts dan, capitan! toon, wie gij zijt.«

--»Voorwaarts, soldaten!« beveelt nu ook Venavides, en ijlings stormen
anderen de eersten achterna. Van mond tot mond klinken de bevelen
der hoplieden, gelijk zoovele echo's: het gevecht, hoe bloedig reeds,
schijnt eerst thans met hevigheid aan te vangen; want ook op den wal
vereenigen zich de verdedigers allengs hoe meer op dit bedreigde
punt. Geertruida van Brederode snelt met het vaandel aan Kenau's
zijde derwaarts, en nu voeren de heldinnen de telkens aangebrachte
brandstoffen naar dat punt, om er ook daar de aanvallers mede te
overstelpen.

Intusschen had er eene gebeurtenis plaats, die de geestdrift der
vrouwen niet weinig deed toenemen. Nadat de vrouw van burgemeester
Kies nu hier dan daar den vijand afbreuk gedaan heeft, ziet Maria
van der Laan hoe zij op eens hare zijde verlaat, en duidelijk hoort
zij den uitroep: »Vuur op don Frederik!--op hem het musket!«

Niemand der soldaten schijnt deze woorden te hooren, en niemand
schijnt ook, als zij te zien, hoe Frederik op dat oogenblik voor een
schot blootstaat.

--»Eene lont!« roept zij, terwijl zij eene der vrouwen de bus uit
de handen rukt en op Frederik aanlegt. Aan dit bevel wordt door
eene der heldinnen gehoorzaamd. Bijna op hetzelfde oogenblik hoort
men het knallen van haar schot, en te gelijker tijd zien eenige der
verdedigers, hoe Frederik eene driftige beweging met den rechterarm
maakt, en ijlings achter een der bewegelijke rolschermen verdwijnt.

--»Getroffen!« klinkt het onder eenige soldaten, »hij heeft het schot
in de vlerk!«

--»Triomf voor Kenau?« laat het zich hooren.

--»Triomf voor de burgemeestersvrouw!« roepen anderen, »zij heeft
den don eene erwt in de maag gestuurd. Glorie voor 't vendel van
Kenau Simons.«

--»Leve de vendrig!« klonk het echter eenige schreden dichter naar
den kant van de Kruispoort; want men zeide, dat eigenlijk Hasselaar
den bevelhebber gewond had. Hoe het zij, gaarne wilde de vaandrig
afstand doen van deze eer; maar waarheid was het ten minste, dat
Frederik op dat oogenblik door een musketkogel getroffen werd, en dat
hij het alleen aan de metalen gesp van zijn gordel te danken had,
dat de kogel slechts even in het vleesch doordrong. Een halve duim
hooger en--het ware misschien met Alva's zoon gedaan geweest.

Te meer bleek het, dat de kogel ten deele zijn doel had getroffen,
aan de verdubbelde hevigheid, waarmede de Spanjaarden op het ravelijn
aanstormden. Maar te krachtiger ook ging de dappere Brechte Proosten
hem met hare vrouwen te keer.

--»Wakker aan, vrouwen van Haarlem!« liet zich de aanmoedigingskreet
van Kenau hooren. »Voor 't vaderland, voor ons huis!«

Op dat oogenblik was het, dat de vaandrig Hasselaar aan zijn vriend
Kouseband zijn leedwezen betuigde, dat zijn vriend Michiel, wegens
het daags te voren bekomene schot, thans aan den strijd geen deel
nemen kon, toen hij dezen met drift op den walgang verschijnen en
door Wittenberg gevolgd zag.

--»Leve hopman Michiel!« klonk het op dat zelfde oogenblik onder de
verdedigers, bij wie hij zeer bemind was en die verheugd waren hem
weder te zien.

--»Leve hopman Wittenberg!« riepen ook anderen, over diens komst nog te
meer verwonderd, omdat men algemeen waande, dat hij van den lanssteek
in zijne borst niet genezen zoude, terwijl Michiel daarentegen slechts
eene wonde in de rechterhand had bekomen. Maar men wist niet algemeen,
dat die wonde zoo kwaadaardig was, dat Michiel, ten gevolge van de
hevige pijn, des nachts door eene zware koorts was aangetast geworden.

--»Bravo, hopman!« sprak Hasselaar, hem hartelijk de hand reikende,
»gij gleedt mij daar fluks van de tong: en nu zie ik u oog aan oog. Bij
St.-Hubertus! dat is kloek van u gedaan en vroom!«

--»Bij mijne ziel! ik kon het niet harden in huis,« zeide Michiel,
»ik heb het rumoer al langer gehoord dan mij lief was, en had geene
brandende koorts mij te lijf gevallen, gij zoudt mij reeds gezien
hebben voor dag en voor dauw.«

--»Wil toch den adder in mijn gemoed niet aanraken,« hernam
Hasselaar. »Voor dag en dauw was ik al zoo min hier als gij. Maar
het gaat er hier Spaansch toe; blijft mij op zij, kompaan.«

Dit zeggende, laadde de vaandrig zijn musket, terwijl Michiel, het
tooneel overziende, spoedig het besluit had genomen om Hasselaar op
dit punt op zijde te blijven, dewijl hij begreep, den vijand door een
welbestuurd musketvuur van de manschappen daar genoegzame afbreuk
te kunnen doen, zijnde het dezelfde inspringende of doode hoek,
waar hij gedurende den storm van twintig December zich zoo moedig
gekweten had. Ook Wittenberg voegde zich bij deze musketiers, en geen
twee minuten waren na hunne komst verloopen, of zij namen reeds een
levendig deel aan het gevecht.

Forsch was in een kort oogenblik tijds de aanval op de gesprongene
mijn; doch niet minder geweldig de wederstand van mannen en
vrouwen. Oorverdoovend beukten de Namensche Vliegen op Haarlem; maar
bijna even verdoovend was het kletterend of dof geraas der wapenen,
het geroffel der trommels en het trompetgeschal. Men verbeelde zich
die Spanjaarden met hun onverpoosd geschreeuw van España! of viva
el rey, de aanmoedigingskreten der verdedigers en de onderscheidene
tongvallen onder deze, die zich op somberen, wraakgierigen of woesten
toon lieten hooren. Men stelle zich dit gansche tooneel voor van de
Kruis- tot aan de Janspoort, een afstand van ongeveer tweehonderd en
vijftig schreden, en men overzie die menigte krijgslieden om te kunnen
begrijpen, hoe er bijna geen punt was, waar niet van den eenen kant
geworsteld werd om den wal te bemeesteren, of van den anderen kant om
den aanpersenden drom te keeren.--Nu was Ripperda op het eene, dan op
het andere punt en waar men den rustigen Fries met het bliksemend oog
zag verschijnen, waar men hem zijne korte maar krachtdadige bevelen
hoorde geven, daar scheen ieder woord, iedere blik de geestdrift en
den moed nog te verhoogen.

--»Voortreffelijk Cornelisz!« riep Hasselaar, toen die busschieter
andermaal groote verwarring teweegbracht onder de Spanjaarden,
die achter hunne bewegelijke schermen en rolkorven nu en dan nog al
eenige verdedigers wonden toebrachten, »maar aan de bres gaat het
vinnig toe. Kan ik dan dien reus met zijn vuurrooden vederbos niet
neerleggen. Zie, hoe hij zich kloek houdt, en dat met éénen arm: bij
Ripperda! 't is dezelfde vogel, dien Cornelisz bij Spaarndam de eene
vlerk afschoot: die was raak, Margottin! hij heeft het op u verzien;
dat is de eene reus tegen den anderen: wakker aan, Margottin! men
wil wel reppen, dat de prins nog geen kloeker hopman bij zijne garde
gehad heeft.«

--»Vuur!« klonk het intusschen aan den inspringenden hoek, en
ofschoon men voorzichtig moest aanleggen, ten einde met de vijanden
niet tevens de verdedigers te kwetsen, zag men echter eenige der
bestormers nedertuimelen; doch evenals de eene baar op de andere volgt,
zoo ook werden zij, die in den dichten drom vielen, aanstonds door
anderen vervangen.

--»Zaagt ge den moorder van mijne zuster niet?« vroeg Michiel, met
denzelfden wraakzuchtigen toon in zijne stem, wanneer hij daaraan
dacht, »'t genoegt mij weinig, dat hij een oog te min heeft: ik zie
niet uit naar rust, voordat hij ook den kop kwijt is. Waar ziet gij
hem? ik krijg hem niet in 't vizier.«

--»'k Zag hem niet,« zeide Hasselaar, »maar gij zoudt het vandaag
niet tegen hem harden, wanneer gij voet bij stek met hem hadt.«

--»Wat denkt ge van mij?« sprak Michiel met vuur, »al mis ik de
rechtervlerk, ik zou hem met de linker ook het antwoord niet schuldig
blijven. Wilde maar het goede geluk, dat ik eens handgemeen met
hem kwam.«

--»Hou!« sprak Hasselaar, het oog steeds op de gracht gevestigd
houdende, »hou, schelm! ik ben er ook.«

De Spanjaard, op wien die uitroep doelde, was de hatelijke Marco de
Toledo, die in schuinsche richting met drift over het ijs spoedde,
waarschijnlijk om don Frederik het eene of andere mede te deelen,
of diens bevel te ontvangen.

--»Hij loopt als een, die bang is,« zeide Hasselaar, terwijl hij op
hem aanlegde. Mikken en vuur geven was bijna ééne beweging en--Marco
de Toledo viel op het ijs.

--»Hij heeft het weg,« riepen eenigen tegelijk.

--»Dat zie ik ook,« sprak Hasselaar, »een goed jager schiet het wild
in den loop. Maar ik twijfel, of hem wel de botten gebroken zijn. Hij
staat weer op; neen, hij kan niet! Geef acht; men komt hem te hulp....«

--»Vuur!« beval Michiel, maar het woord was nog niet uitgesproken;
toen twee der Haarlemmers, door de verderfelijke dubbelhaken van den
vijand gewond, naast hem nedervielen: juist had Wittenberg de plaats
van een hunner een voetbreed verlaten: drie seconden later en--het
schot had hem getroffen.

Terwijl Marco de Toledo naar de vijandelijke verschansing werd
gedragen; terwijl Hasselaar, Michiel en Wittenberg bij den
inspringenden hoek den vijand veel afbreuk deden, en men aan de
geestdrift der beide laatsten niet kon bespeuren, dat zij daags te
voren gewond waren geworden, zette men het gevecht aan de gesprongene
mijn met wederzijdsche hevigheid voort.

Botsend en schokkend was het gewoel der dichte drommen èn op dat punt,
èn ter linker- en ter rechterzijde. Waar de macht der verdedigers een
oogenblik tekort schoot, zag men Kenau, wier heldhaftige blik nu naar
dezen, dan naar genen kant gewend was, met eenige harer vrouwen den
vijand onstuimig in de flank vallen, terwijl zij er reeds met eigene
hand een doorstoken had.

Onder dezen dichten hoop bevond zich ook Stompwijk. Wij zouden
hem noodeloos zwarter schetsen dan hij was, wanneer wij zeiden,
dat hij zich aan het gevecht onttrokken had, maar evenmin vinden
wij ook eenig uitstekend feit van hem vermeld. Daarenboven is er
onderscheid in een gevecht op den voor- of achtergrond, in een strijd
aan den rand eener steilte, waar een mistred doodelijk is, of op een
vlakken bodem, waar het wijken in onze macht staat. Niemand had hem
van rechtstreeksche lafheid kunnen beschuldigen; maar ook niemand
had hem op eenig gevaarlijk punt ware dapperheid zien aan den dag
leggen. Stompwijk's toestand was geen der gemakkelijkste. Zijne rol
was die van een huichelaar en veinsaard in de volle beteekenis, en
als een zoodanige, wegens de goede vervulling zijner rol, eenigen lof
waardig is, dan mocht hij, de verrader, er aanspraak op maken. Zich
behendig wachtende om niet aan 's vijands dubbelhaak- of musketvuur
bloot te staan, ontbrak het hem tevens niet aan woorden om de zijnen
aan te moedigen en zijn haat en zijne verbittering op den Spanjaard
op het blijkbaarst aan den dag te leggen.

--»Voor Haarlem! voor Ripperda!« riep hij luide, »wakker aan, brave
burgers! denkt aan vrouw en kind en 's vijands bloedgierigheid. Liever
den dood op de vest dan één voet gronds afgestaan.«

--»Sluit aan, voort!« schreeuwde hij, zijn rapier boven 't hoofd
zwaaiende en pogingen aanwendende, om den mijnrand dichter te naderen,
daar hij zorg had gedragen, dat anderen eerst een bolwerk voor hem
vormden, »wij staan hier ledig en de vijand stuift aan met hoopen. Hel
en dood! dat ik op den Maraan hier mijn wrok niet koelen kan. Maakt
ons baan, brave makkers! de dood aan het gespuis.«

Met schrik had hij gezien, hoe de Spanjaarden zich van de Kruispoort
poogden meester te maken. Met siddering had hij de losbarsting gehoord;
maar in weerwil hiervan, verried hij door niets, wat er in zijne ziel
omging, en met behendigheid zich op den achtergrond houdende, was hij
niet ongelijk aan een hond, die wel de tanden toont, maar niet bijt.

Inmiddels zag men nu hier, dan daar, aan de zijde van Kenau het vaandel
van Geertruida van Brederode. Nu eens weerde Brechta Proosten den
vijand met spies en rapier af, dan weder zag men haar het musket
aangrijpen om een Spanjaard te treffen, en overal waar zij zich
vertoonde, paarde zij moed aan vrouwelijk beleid. Het schoon gelaat
van Henrika van Vliet scheen verhoogd te worden door ernst en moed, en
waar men Anna en Maria van der Laan's vrouwelijke fierheid zag, daar
zou men geenszins de zachtaardige schoonen in haar vermoed hebben,
uit wier mond men vroeger slechts de taal des stillen huiselijken
levens hoorde.

--»Haarlem's vrouwen wijken niet voor den kloeksten soldenier,«
zeide Ripperda. »Als helden trotsch mogen wezen, dan moet het op
zulke dochters zijn.«

Reeds zijn Diego Perez en Zimbro voor dood buiten het gevecht gedragen;
reeds zijn Artajom en Quesado door de kokende olie half verschroeid
buiten gevecht gesteld, toen er op eens een hevige aandrang op den
wal plaats heeft. Rodrigo de Sapata heeft door volharding op een
eenigszins afgezonderd punt, naar den kant der Janspoort, vasten
voet op den wal bekomen, en--zooals in dien tijd niet vreemd was,
en door de wederzijdsche partijen dikwijls toegelaten werd--vecht
hij daar man tegen man met Margottin. Met recht zeide Hasselaar,
dat het de eene reus tegen den anderen was; want hunne lange kloeke
gestalten komen boven aller hoofden uit. Geen schooner schouwspel
van twee worstelaars konden wel ooit de Romeinen in hunne spelen het
volk voor oogen stellen. Ziet hen--den kampvechter voor Haarlem: den
kampvechter voor Spanje! In Margottin bewondert men meer het edele,
fiere en toch dreigende: fonkelend rollen zijne blauwe oogen onder
de fijne wenkbrauwen. De gestalte van De Sapata is onevenrediger,
ruwer, verschrikkelijker; zijne bruine oogen schieten van onder de
stuursche, overhangende wenkbrauwen een zwarten gloed; de eerste
vormt meer het ideaal van den held: de laatste verpersoonlijkt den
oorlog in al zijne verschrikking.

--»Uw leven of het mijne!« schreeuwt De Sapata en met een geweldigen
stoot poogt hij den kapitein van 's prinsen garde in de borst te
treffen.

Deze, schoon zijn vijand niet achtende, moest echter de behendigheid
bewonderen, waarmede de Castiliaan zich van zijn linkerarm wist te
bedienen: inderdaad, deze was bewonderenswaardig en verschoonde ten
halve Sapata's gewoonte van snoeven, dat hij zijne krijgstalenten
aan de school van Burgos te danken had.

Nu eens flikkerde de Toledosche kling boven zijn hoofd en schoot dan
snel als eene zilverschubbige slang op de borst van zijne tegenpartij;
maar eer de punt zich een weg baande, weerde Margottin die even snel
af; dan eens stiet zijn wapen tegen den blinkenden ringkraag van zijns
vijands harnas en staafde de deugdzaamheid van het staal door bijna tot
aan het gevest te buigen. Maar toch was Sapata's welberekende aanval
niet bestand tegen de kunstige, krachtige verdediging van Margottin;
want terwijl de degen van den Spanjaard andermaal als een weerlicht
op Margottin's borst aanschoot, bracht deze, dien afkeerende, hem
eene wonde in den rechterschouder toe. De reusachtige Spanjaard
scheen op het punt, een voet terug te deinsen; doch de kreten van
»animo! animo!« deden hem standhouden, en een vurigen blik op zijn
tegenstrijder werpende, trachtte hij den bekomen stoot door eene nog
breeder wonde te wreken. Maar ook thans zou men den uitslag niet zien
van een strijd, die met zooveel wederzijdsche bekwaamheid, met een zoo
evenredigen moed en door twee zulke gelijke Hercules-gestalten gevoerd
werd. Op eens springt, als een gewonde tijger met woede en moordlust
in de oogen, de Waalsche hopman Vardeur te voorschijn. Onstuimig heeft
hij zich door een dichten drom naar het eenigszins afgezonderd punt
heengedrongen en stort nu met opgeheven rapier op Rodrigo de Sapata in.

--»Sterf, Spaansche hond!« brult hij hem te gemoet en te gelijker
tijd daalt zijn wapen op De Sapata's hoofd: deze echter weet door
eene vlugge beweging den doodelijken slag te ontduiken, en terwijl het
vuur der verontwaardiging in hem gloeit, roept hij op donderenden toon:

--»Dat doet geen Spanjaard! dat doet een laffe moordenaar.«

--»Terug, Vardeur!« schreeuwt ook Margottin hem toe, »of ik keer
mijn rapier tegen u,« en de fiere blik van den krijgsman zegt, dat
die woorden ernstig gemeend zijn.

--»Tegen mij!« schreeuwt Vardeur, met een vloek, »zijt gij van zinnen
of dol? Ik vrees u zoo min, als dit gebroed: sla dood den Spanjaard!»
En in weerwil van Margottin's bedreiging, springt hij, als een razende
buffel, andermaal op De Sapata aan. Gramschap en wrevel maken zich
van Margottin meester; reeds heft hij zijn rapier op om er den Waal
krachtig mede te keer te gaan; doch ijzende voor het denkbeeld, dat
de eene verdediger van Haarlem den anderen naar het leven zou staan,
grijpt hij hem met de gespierde vuist in den rug en rukt hem eene
halve schrede achterwaarts.

--»Laat af, dolle geus!« schreeuwt hij hem toe, »de Spanjaard is mijn
vijand; ik zal hem bestrijden. Tegen mij, Rodrigo de Sapata! uw leven
of het mijne.«

Vloekend heft Vardeur zijn zwaard op om er Margottin een slag mede
toe te brengen. Maar op dat zelfde oogenblik wordt aan het tooneel
eene andere richting gegeven. In weerwil van het woelig gevecht ter
linker- en rechterzijde, is het eenigszins aan het oog der Spanjaarden
ontsnapt, hoe Sapata valschaardig door een tweeden vijand wordt
aangerand. Ook Venavides ziet het; zijn ridderlijk gemoed gloeit
eensklaps van verontwaardiging en nu stormt hij, als een pijl uit
den boog, op Vardeur los.

--»Doe mij sterven, zoo gij het kunt,« sprak hij, den Waal zijne kling
voor oogen houdende »maar ik twijfel, of uw moed met uwe woestheid
gelijk staat.«

--»Hel en dood!... een hopman van graaf Lumeij zonder moed,« krast
Vardeur, en met een vurig, brandend oog, stormt hij op Venavides
los. Onstuimig is de slag, dien hij den ridderlijken Spanjaard wil
toebrengen; doch rustig en krachtig, zonder een duimbreed te wijken,
vangt deze dien op zijne kling op.

--»Vardeur geen moed!... vervloekte Maraan!« schreeuwt hij, verbitterd,
dat hij het hoofd zijns vijands niet vaneen heeft gespleten. »Wraak
voor Baptist van Trier! wraak voor Hans Kellenaar, de wakkere
soldeniers van Lumeij.«

--»Ik doe eer aan Haarlem's dapperheid,« sprak Venavides »maar
gij hebt er schande aan gedaan.« En terwijl hij dit zeide, tracht
hij Vardeur op den schouder te treffen; maar ook deze keert den
dreigenden slag af en wil zijn zwaard andermaal op zijne tegenpartij
doen neerkomen! Venavides echter stelt de poging van den Waal op
nieuw te leur, en doet door zijne bedaardheid diens onstuimigheid
slechts aangroeien. Nu eens flikkert beider staal vluchtig boven
hunne hoofden; dan weder schiet het met de snelheid eener slang aan;
soms kruisen zich de wederzijdsche wapenen en brengen een kletterend
geluid voort; of zij glijden langs den ringkraag en het borstharnas,
zonder dat een van beiden gewond wordt, hoewel iedere slag aan beiden
den dood voorspelt.

--»Animo! animo!« davert het van links en rechts; want ook
Margottin en Rodrigo de Sapata hebben het gevecht weder hernomen,
en van weerszijden blijft de uitslag nog steeds weifelend. Het was
eene ongegronde beschuldiging van Venavides om Vardeur gebrek aan
moed toe te schrijven. Maar het was ook meer eene beschuldiging,
die verontwaardiging hem ingaf; want het faalde den kapitein van
Lumeij's lijfwacht evenmin aan moed als aan kracht. Maar welk een
contrast vormen beide met die van Venavides. Op het gelaat van dien
Spanjaard licht mannelijke fierheid en tevens kalmte; zijn moed heeft
iets edels, iets grootschs; men leest in zijn oog, dat hij den strijd
voert, omdat hij eenmaal aan de dienst der wapenen zijn arm gewijd,
omdat hij beloofd heeft, voor land en koning die wapenen te voeren;
maar in zijne ziel woont geen zweem van wrok of haat: de vijanden, die
hij bekampt, zijn de vijanden des konings; maar het zijn de vijanden
van Venavides niet. En Vardeur!... zie dat gelaat, waarop de toorn,
de grimmigheid in den hoogsten trap van werkzaamheid te lezen staan;
zie die fonkelende oogen, die gezwollene aderen op wang en voorhoofd:
dien half geopenden mond, wiens tanden in eene klapperende beweging
zijn: hoor dat onophoudelijk geschreeuw, dat eerder aan het schor
gekras van een dier, dan aan eene menschelijke stem denken doet:
en dit alles kenschetst verbittering, haat, wraakgevoel op al wat
Spanjaard is: Vardeur heeft kracht, heeft moed; maar het is bijna de
kracht van een losgebroken krankzinnige, die tegen ieder de vuisten
balt;--het is de moed van den wilde, die razend aanstormt en den
dood achter zich niet ziet om den dood vóór zich te bestrijden. Hij
vraagt niet, wat edel of groot is in het gevecht: hij weet slechts,
dat hij tegen Spanjaarden strijdt; en die allen zijn booswichten,
die het land verwoestten, die ketters verbrandden, en door den tienden
penning nog den laatst overgebleven druppel bloeds wilden uitzuigen:
die honden te bevechten, uit te roeien, dat schijnt hem plicht,
eene wet, en elk middel daartoe wordt bij hem geheiligd door het doel.

--»Wraak voor Baptist van Trier!« schreeuwt hij, »dien hebt gij
vermoord en het rantsoengeld afgeslagen, omdat gij bang waart
voor dien Hollandschen leeuw.« En hij verdubbelt zijne slagen om
Venavides te treffen; doch wilde moed en wraak stuiten af op het
schild van onversaagdheid en kalmte. Naarmate dat Vardeur driftiger
op hem aandringt, naar die mate staat Venavides rustiger en kloeker
pal en weert met meer behendigheid iederen slag af. Noch de eene,
noch de andere wordt gewond, en het scheen besloten, dat men ook van
dit gevecht den uitslag niet zien zou. Op eens namelijk laten zich
aan de overzijde der gracht de schetterende tonen der vijandelijke
trompetten hooren. Het zijn Romero en Carjaval, die van de Kruispoort,
tot ondersteuning hunner makkers, naar de Janspoort aansnellen;--met
vliegende vaandels en onder krijgsgeschreeuw rukken zij over de
bevroren gracht voorwaarts. Don Ferdinand ijlt als een stormwind
nu naar deze, dan naar gene richting, terwijl door belegeraars en
belegerden het persoonlijk gevecht afgebroken wordt.

--»Señor Romero!« beveelt hij haastig, »doe gij dien ijzeren wal buigen
of breken: de ketters staan als rotsen, en de dapperste Spanjaarden
winnen geen voet gronds.«

--»Voorwaarts, soldaten!« schreeuwt Romero »die daar op den wal zijn,
behooren aan het spinnewiel:--aan het regiment van Sicilië de eer,
dat ze verjaagd worden.« Onder het geschreeuw: »voor Romero! valt
aan!« storten zich een paar vendels aan de linker- en rechterzijde
op den wal, of trachten als een stroom den dam door te breken.

--»Señor Carjaval!« beveelt Ferdinand verder »een vendel musketiers
op de rechterflank. Señor Quesado, op de linkerflank met uwe
haakbussen. Animo, dappere Spanjaards, slechts met bloed wordt de
zege gekocht!«

Met dezelfde onversaagdheid en volharding, waarmede in den vorigen
storm De Zuniga den muur beklom, tracht hij ook thans dit doel te
bereiken. Tweemaal heeft een Engelsch vaandrig, Scott geheeten, hem
reeds afgeweerd; maar voor de derde maal trachtte hij, vasten voet
te bekomen. Een oogenblik houdt hij stand en, evenals in den vorigen
storm, moedigen zijne makkers hem weer aan door hunne lofkreten;
doch het oogenblik van zijn val is daar. Reeds heeft hij drie wonden
bekomen, en terwijl hij zijne kling opheft, brengt de vaandrig hem
de vierde toe; die vierde wonde doet hem duizelen; hij verliest
zijn evenwicht; onder den uitroep: »Voor Spanje!« tuimelt hij op het
ijs van de gracht, en nu laten zich de kreten hooren: »Voor Spanje,
voor Spanje! wreekt De Zuniga!«

Geweldig is de kracht, waarmede thans de vijand op de belegerden
aandruischt, en de weinigen, die zich reeds op den wal bevinden,
zien bij het aanpersen en opzwellen van den nieuwen vloed, hun getal
vermeerderen. Maar naar evenredigheid dat het getal van Spanjaarden
aangroeit, naar die evenredigheid stroomen ook meer verdedigers
naar de meest bedreigde punten. Hier is het Gerrit van der Laan,
die insgelijks den vijand van de Kruispoort afgekeerd heeft en
thans het vuur van twee slangstukjes op de bende van Carjaval doet
spelen. Daar is het Lancelot van Brederode, die zich onvermoeid op
de bestormers werpt. Wat verder vereenigen zich Asinga en Boreel met
hopman Beaufort en den Engelschman Summado, terwijl Ripperda overal de
wakkere bevelhebber is, die rustig en met beleid ieder punt overziet.

--»Hij is dood! hopman Wittenberg is dood!« klinkt het op eens bij
den inspringenden hoek, waar Hasselaar voortdurend menigen vijand
doet tuimelen. Inderdaad, zwaar in de borst getroffen, valt de brave
Duitscher, in weerwil zijner wonde naar den wal gesneld, aan Michiel's
zijde neder. Dat was eene treurige vergelding voor zooveel moed! Dat
smartte zoo menigen makker, die hem liefhad: maar de kreten over
zijn val worden op dat oogenblik door de algemeene kreten van vriend
en vijand verdoofd en versmoord. Op eens ziet men daar ook nieuwe
krijgslieden naar den wal snellen; het zijn krijgslieden, die men
niet kent, maar die spoedig het bewijs geven, dat zij vijanden van den
Spanjaard zijn. Te midden namelijk van den hevigen aanval op Haarlem
rukken honderdzeventig sleden met koren en andere levensmiddelen
de Schalkwijkerpoort binnen; driehonderd haakschutters en zeventig
ruiters door den prins afgezonden, vergezellen het convooi, en de
Franschman Jean Mauregnault, benevens de ritmeester Enkhuijzen van
Delft, zijn de aanvoerders. Te vergeefs had de Spanjaard getracht,
hen bij hunne nadering over het ijs te overrompelen; te vergeefs had
deze hen tot aan de Schalkwijkerpoort achtervolgd; slechts de vaandrig
der ruiters was nedergeschoten; dit maakte 's vijands gansche voordeel
uit en--moedig over het welgelukken van hunnen gevaarvollen tocht,
rukken de nieuwe verdedigers binnen Haarlem, waar de meesten hunner, in
weerwil van de vermoeienis, zich oogenblikkelijk in het gevecht mengen.

--»Leve de prins! triomf voor Haarlem!« weergalmt het ook uit hun
mond. Maar wie is het, die op eens de verbaasde blikken van allen tot
zich trekt? Men ziet eene lange gestalte, een man met donkere lokken
en wenkbrauwen, met den tint des doods op zijn floersachtig gelaat,
en het linkeroog met een gitzwarten band omwonden. Het is de eenoog;
de zonderlinge vreemdeling, even geheimzinnig vertrokken, als gekomen,
en thans nog raadselachtiger teruggekeerd: het is de eenoog, in
zijn deftig, burgerlijk gewaad; hij is als krijgsman gekleed; een
schitterende metalen stormhoed met blauwe pluim dekt zijn hoofd;
en geen ander wapen voert hij dan een zwaard. Maar dat zwaard is
ontzaglijk breed, scherp en tweesnijdend; het doet denken aan een
dier reusachtige wapenen uit de middeleeuwen, en het flikkert en
vlamt als een bliksem; het schijnt het zwaard van den verderfengel
en dreigt ieder, die zich vermetel onder zijn bereik waagt.

--»God strijdt met ons,« roept hij uit, »want het is de strijd voor
het heilig recht en de vrijheid.« En met eene koortsachtige geestdrift
werpt hij zich op den naastbijzijnden vijand, die reeds zijn victoria
aanheft. Niet alleen de vijand, maar zelfs de Haarlemmers schijnen
getroffen over den krachtigen aanval des vreemdelings: en toch klinken
geene kreten van vloek of verbittering van zijne lippen. Zijn oog heeft
zelfs iets benevelds, iets pijnlijks, maar op zijn bleek gelaat licht
een tint, die getuigt, dat zijne ziel kamp voert met het lichaam;
het is, alsof hem een hooger gloed is ingeblazen, en dat die gloed,
door een onwederstaanbaar geweld, al meer en meer tot eene verterende
vlam overslaat. Zijn zwaard woedt; het is een gevleugeld staal, dat nu
hier, dan daar treft, en waar het treft, is de wonde onheelbaar. Onder
de laatste walbestormers bevonden zich eenige Hongaarsche ruiters,
even strijdbaar te voet en den naam van huszaren dragende. Gewapend
met schichten, die zij op de verdedigers werpen en met breede,
kromme sabels, die doodelijke wonden toebrengen, hebben twee hunner,
onder het geschreeuw: »voor koning Rudolf en Spanje!« den eenoog
besprongen. Gedekt door hunne kleine schilden, waarmede zij op de
behendigste wijze iederen slag afkeeren, schijnen zij ontrefbaar. Maar
vergeefs, dat zij het vlammend zwaard van den vreemdeling zoeken te
ontduiken. Onder schelle oorlogskreten, welke aan die der oude Gallen
doen denken, poogt de een hem met zijne kromme sabel in den schouder
te treffen, doch een zwaardslag voorkomt deze aanranding: de Hongaar
wil hem met zijn schild afkeeren, doch zoo geweldig is de houw van
den onbekende, dat diens wapen door het stalen schut heendringt en den
vijand zwaar gewond doet neertuimelen. Den anderen wachtte een gelijk
lot; doch een nieuw aandringende menigte stuwt hem voor, en onder het
geschreeuw van: »victoria!« beklimmen al meer en meer vijanden den wal.

--»Voorwaarts soldaten! Haarlem is ons!« roept Ferdinand, en met al
de kracht van vijanden, die zich den weg ter overwinning geopend zien,
stuiven zij dichter en dichter op elkander aan.

--»Voor Spanje! voor Romero!« klinkt het »leve de koning! den rebellen
de dood!« Het is geen gevecht meer: het is een opkruien van ijsschotsen
tot een hoogen dam,--een dam hier, een dam ginds en tusschen die allen
weder andere ijsgevaarten, die nog een oogenblik in beweging zijn
en zich dan aan den naastbijzijnden ijsberg insgelijks vasthechten;
om onder een donderend rumoer het voorschieten van den eersten af te
wachten en dien oogenblikkelijk te achtervolgen.

--»Terug! terug, mannen van Haarlem!« weergalmt op ieder punt de stem
van Ripperda: en hier aangevoerd door Boreel, daar door Lancelot
van Brederode, deinzen de verdedigers van links en rechts achter
de halvemaan.

--»Vlucht, vlucht! naar de Schalkwijkerpoort!« roept Ripperda, zijnde
dit de vooraf bepaalde leus, welke men zou aannemen, wanneer de vijand
op den ouden wal de overhand mocht bekomen.

--»Vlucht, vlucht!« herhaalden nu ook honderden om den Spanjaard te
meer in den waan te brengen, alsof men werkelijk geene andere hoop meer
had, dan het leven door de vlucht te redden. De list gelukte. Langs
den eenen arm der halvemaan trokken de Haarlemmers al meer en meer
achter de binnenverschansing of den nieuwen wal terug, en de stroom
van vijanden werd door zijn eigene kracht voorwaarts gedreven.

--»Wie ook vluchte, wij niet!« roept Kenau Hasselaar, aan den anderen
arm der halvemaan, »wakker aan, vrouwen van Haarlem! de dood boven de
vlucht.« Hier de spiesen vellende en daar de musketten losbrandende,
gaan zij den veldwinnenden Spanjaards zoolang mogelijk te keer. Ook
Margottin en Beaufort trachten den dam dáár nog eenige oogenblikken met
kracht te stuiten; doch het meest is het de geheimzinnige onbekende,
die met de zijnen nog eene poos menigen Spanjaard doet sterven. Zijn
breed rapier is reeds stomp geschaard; doch dit belet hem niet,
het met dezelfde hevigheid te doen neerdalen, terwijl hem zelven
geen enkel wapen schijnt te kunnen treffen, iets hetwelk ons schier
onbegrijpelijk voorkomt in weerwil van het geschiedverhaal.

--»God strijdt met ons!« roept hij meer dan eens op geestdrijvenden
toon »en waar God met ons strijdt, moet de vijand vergaan.« Maar
plotseling dringen nu Romero, Venavides en Carjaval met de hunnen op
dien rechterarm van de halvemaan in.

--»De stad is ons!« roept Romero, »denk aan den buit!«

--»Buit?« schreeuwen de soldaten, op wie dit woord als met een
electrieken tooverslag werkte; maar te midden van deze leus klinkt
het daverend geroep van: »vivent les gueux!« en giert den vijand
een vernielend schrootvuur uit de afsnijding op den rechterarm der
halvemaan te gemoet.

--»Voor Haarlem! voor Ripperda!« weergalmt het daar achter de trotsche
verschansing, welke de aanvoerders der Spanjaarden steeds gering
hadden geacht: ten einde den moed der soldaten levendig te houden.

--»Voorwaarts!« beveelt Romero, »trompetters, blaast victoria! Leve
de koning!«

--»Neen!« schreeuwen verscheidene der soldaten »terug, terug! het is
eene hel van vuur, die ons allen in den dood jaagt.«

--»Terug!« roept ook Carjaval »wij loopen den dood in den muil.«
En als hadde hij er zekerheid van gehad, zoo springt op datzelfde
oogenblik met dreunende slag eene mijn voor hunne voeten, en vormt
een afgrond, die, schoon hij niemand hunner verzwelgt, hen met eene
andere losbarsting bedreigt. Op het zien dezer ontploffing, deinzen
de meeste Duitschers terug, onderscheidene Spanjaarden volgen hen na,
en het oogenblik der vlucht is daar.

De dappere vrouwen met de andere verdedigers op den linkerarm, den
vijand zoolang mogelijk van den ouden wal afwerende, geven hem dien
ten laatste in hunne macht en rukken achter de nieuwe verschansing
terug. De stroom van belegeraars wordt nu insgelijks met te meer kracht
voorwaarts gedreven en voortgestuwd; want het is hun doel om tegelijk
met de Haarlemmers binnen de achterwaarts gelegene verschansing te
dringen: maar eer hun dit gelukt, vereenigt de afsnijding ook daar
al hare vuren op den bestormer. De Spanjaarden staan in weinige
oogenblikken in breede wolken van rook en vuur, en op hun front,
op hunne flanken, ja zelfs uit de hoogte van de huisgevels woedt de
verderfengel op hen. Het is ook op datzelfde oogenblik, dat Gaspar
de Robles met al zijne rappe Walen het aan de reeds gedeeltelijk
bemachtigde Janspoort niet langer harden kan. Aangevoerd door
Van Duivenvoorde, leggen ook daar de belegerden hunnen moed aan
den dag. Uit eene halve slang en eenige ijzeren stukjes wordt er
den bestormers een zoo krachtige afbreuk gedaan, dat De Robles
de trompetters den aftocht doet blazen; en niet zoodra heeft don
Ferdinand deze noodlottige maar vernomen, of hij besluit insgelijks
tot den aftocht.

--»Terug, soldaten!« gebiedt hij, »ik mag 's konings dapperen niet
langer in een wissen dood brengen. Blaast, trompetters! De terugtocht
zelf is onze victorie!«

Maar ook zonder de alom gegevene bevelen tot het verlaten van den wal,
is de vlucht der soldaten reeds algemeen. Even aanmoedigend toch als
het pal staan, even besmettelijk is de vrees van één enkelen. Veel
sneller dan de oude wal beklommen werd, verlaat men dien en vlucht
in verwarring naar de Spaansche verschansingen terug. Vergeefs, dat
Romero van toorn siddert; dat hij op de vluchtenden aanspringt en hen
zoekt terug te houden; thans veracht men zijne woede, zijn bevel, zijne
vloektaal; want te veel hoplieden zien het onmogelijke der zege in, en
te vernielend treft hen het ijzer en lood der Haarlemmers, om de hoop
op buit grooter te doen zijn dan de vrees voor volkomene nederlaag.

--»Terug dan lafaards!« schreeuwt nu Romero, »dáárom zooveel bloed
gespild, om, met de overwinning in de hand, voor een hoop wijven en
rebellen te vluchten? Schande, ellendigen! op uw kop.«

--»Op mijne eer! die schande zal geen smet nalaten!« zegt Venavides;
»waartoe blinde roekeloosheid? Eere voor 's konings soldaten! Eere
voor Castilië's banier?«

--»Wie raast daar van eer?« riep Romero, een dreigenden blik werpende
en zijne kling boven zijn hoofd zwaaiende. Maar ter zelfder tijd
vereenigen zich heftiger van links en rechts de kreten »vlucht,
vlucht!« Schetterender blazen de trompetten het sein tot den aftocht,
en hetzelfde bevel klinkt uit den mond van don Ferdinand, die eene
wisse vernietiging van al zijne vendels voorziet. Alles, wat met
zooveel ijzeren wil den wal had beklommen, deinst nu, te midden van
rook en vuur achterwaarts, tuimelt op de bevrozene gracht en ontvliedt
in de Spaansche verschansingen den dood.

--»Vivent les Gueux!« davert het van Haarlem's wallen.

--»Triomf!« weergalmt het uit honderden kelen tegelijk, en een
heirleger van bespotting en hoon klinkt den Spanjaards achterna,
terwijl de meeste verdedigers weder naar de oude vest snellen, om
den vijand met hunnen musketten tot op het laatste oogenblik toe nog
afbreuk te doen.

--»Het roofgespuis na in hun nest!« roept Vardeur; »vermoorden wij
hen tot den laatsten toe.« Werkelijk spoort hij--strafwaardig omdat
het zonder Ripperda's last geschiedt--een aantal Walen zoo heftig
aan, dat zij hem ijlings op de gracht nastormen. Met teugelloozen,
roekeloozen moed werpen zij zich met hunne klingen, musketten en
pieken op den vluchtenden Spanjaard, die den onbegrijpelijken misslag
schijnt begaan te hebben, geene reserve gereed te houden, en--tot
geen weerstand meer geneigd, laat hij zich, evenals de Oldenburgers
bij Jemmingen, ongewroken nog verdere nederlaag toebrengen. Door
zooveel moedeloosheid als op eens de vijand wordt overmeesterd,
door zooveel stoutheid en vermetelheid te meer worden de belegerden
ontvlamd. Onder schimpen en vloeken waagt zich de dolle Vardeur met
de zijnen zelfs tot in de vijandelijke verschansingen, en hij, wien
de verdere vlucht onmogelijk is, valt onder het zwaard der Haarlemmers.

Maar in weerwil van de algemeene verwarring en den
schrik,--niettegenstaande de vriend geen hand meer uitstrekt om den
vriend te redden, ziet men daar de blijken van broederliefde in den
allerhoogsten graad. De jonkman is Ferdinando D'Avalos de Guadalafara,
een gewoon voetsoldaat van het Siciliaansche vendel van Romero. Hij
streed niet ver van de stormladder, waar zijn broeder De Zuniga zooveel
moed en dapperheid aan den dag legde. Hij had hem zien worstelen met
den fieren Scott; hij had hem zien bezwijken, gewond op de gracht zien
vallen, en hij had op hem willen aansnellen, om hem in veiligheid
naar de verschansing te voeren. Maar zijn plicht als krijgsman,
zijn eergevoel verbood hem, die plaats te verlaten, en--schoon met
smartelijk gevoel, bleef hij in het midden van vijanden vechten, na en
dan een blik werpende op de plek, waar De Zuniga op den kouden bodem
lag te zieltogen. Ferdinando bleef strijden: hij week geen duimbreed
van het punt, waar hij met zijne makkers eene wanhopige zege bevocht,
terwijl intusschen het lichaam zijns broeders andere gewonden op en
rondom zich voelt nederstorten en met den dood kampt. Het gevecht gaat
voort; de Spanjaard beklimt den wal; de Spanjaard roept victoria; maar
hij ziet zich verrast, besprongen, verplet; hij vlucht, en--Ferdinando
vlucht met hem..., Neen! hij snelt naar de plaats, waar zijn broeder
met den dood worstelt: dan, hij heeft zich in de richting bedrogen,
hij vindt lijk op lijk, maar hij vindt De Zuniga niet.

--»Dat de heilige moeder Gods hem in hare hoede neme!« spreekt
hij droevig over zijne vergeefsche nasporing en gaat van daar:
de musketten der belegerden jagen den vluchtenden vijand verderf
en dood achterna; doch geen schot treft Ferdinando. Reeds heeft
hij de Spaansche loopgraven bereikt; daar schijnt hem plotselijk
eene stem toe te roepen: »D'Avalos! red uw broeder! nog leeft hij!«
Hij ziet om; het is, als klonk hem eene Godspraak in de ooren, en
de vlam der liefde blaakt op eens met meer gloed in zijne borst. Hij
meent het punt te herkennen, waar hij den dierbare, zwaar gewond, zag
nederstorten, en onder den uitroep: »ik zal hem redden of sterven!«
ijlt hij andermaal naar de vest. »Vivent les gueux!« klinkt het hem
te gemoet: »de dood aan het Spaansch gespuis!« Links en rechts giert
het lood langs hem heen: doch hij siddert of deinst niet terug; hij
denkt slechts aan De Zuniga, die in Guadalafara met hem opgekweekt
werd; die onder het zoet geluid der herderschalmei de kudde met hem
weidde; wiens ziel zoo geheel met de zijne samensmolt, die hem zoo
vaak zijn lieven broeder noemde en die daar thans ligt te zieltogen,
wiens hart misschien niet meer klopt.

--»Ja!« roept hij met nieuwen moed uit: »dáár viel hij; ik erken
die plek; ik red hem of sterf naast zijn lijk.« De kogels gonzen
hem voorbij: maar treffen hem niet, hij genaakt den wal en bevindt
zich op de plaats, waar De Zuniga viel. Donkerrood, tot ijs gestold
bloed kleurt daar den grond: gewonden liggen met al hunne zwaarte op
den stervenden; hij bezichtigt ieder lijk, loost een zucht bij den
aanblik der dapperen, die daar vielen, verwentelt met een traan in
het bruine oog de lichamen en--herkent hem.

--»Heilige Maria! nog leeft hij,« roept hij met een teeder en toch
pijnlijk gevoel uit. »Mijn broeder!... De Zuniga!... spreek, ik ben
het ... Ferdinando!«

Maar de koude heeft Zuniga's lippen als verstijfd; het bloed van
den Spanjaard, dat nog dien ochtend, als eene golvende zee door
al zijne aderen bruiste, is als het ware in iedere ader gestold,
en het geschondene verkleumde gelaat heeft al het muurbleeke van
een lijk. En toch leeft hij nog. Met al zijne kracht tilt de jonge
Ferdinando het kolossale lichaam van den grond. Het is eene vracht,
die hem zal doen bezwijken, maar eene kostbare vracht; want De Zuniga
is zijn broeder. IJlings ontdoet hij den gevallene van diens zware,
ijzeren wapenrusting, voelt duidelijk het kloppen van het hart:
eene wereld heeft zich voor hem geopend.

--»Heilige moeder! gij zijt geprezen,« spreekt hij zacht, en met al
de inspanning der liefde, met eene steeds aangroeiende kracht torscht
de jonkman den last op zijne schouders. Hij wijkt van de plaats,
vordert voet voor voet over de glibberige ijsbaan, en schoon zijne
knieën knikken, schoon al zijne zenuwen trillen, schoon de last zijne
krachten te boven gaat, toch stort hij niet neder, wankelt hij niet,
maar wint schrede op schrede, ziet den overkant, en wint in moed,
wint in hoop. Maar daar knalt, flikkert het van Haarlem's wal; een
musketkogel giert aan, dringt hem in den schouder, en de held wankelt,
dreigt te bezwijken. Andere musketten zijn op hem gericht, maar op
eens springt daar Kenau Hasselaar te voorschijn. Eenige oogenblikken
vroeger streed zij er als eene leeuwin; thans komt zij er als een
engel van liefde.

--»Bij den hemel, brave makkers! laat af met uw geweer en doodt hem
niet!« roept zij; want haar gevoel zegt haar, dat hier een edele,
moedige daad wordt verricht. Op haar verzoek worden de musketten
afgewend en Ferdinando, schoon zwaar gewond, bezwijkt niet met zijnen
last. Het bloed vloeit hem langs de leden, het doodszweet licht op
zijn gelaat; maar hij draagt De Zuniga; hij torscht zijn broeder en
Goddank! hij redt hem; hij bereikt de Spaansche verschansing, waar
hij machteloos en uitgeput met zijn last nederzinkt, maar waar hij
gered heeft, wat hem op de wereld het liefst was.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.


Het beleg van Haarlem is allerbelangrijkst en schijnt een breed,
een bijna onafzienbaar veld van beschouwing aan te bieden, zeide
ik, toen ik de Nieuwegracht (de voormalige Stads Buitengracht), de
Ridderstraat en zooveel andere straten betrad, waar bijna drie eeuwen
geleden, voor de vrijheid en den godsdienst zoo bloedig gestreden
werd. En inderdaad! hoe meer wij iedere plek leerden kennen, waar
Kenau streed, waar Ripperda bolwerk door bolwerk deed vervangen,
waar Van der Laan den standaard der volharding plantte, hoe meer wij
beseften, dat Haarlem een eik was, die voor geen stormwind boog.



De eerste dag van Februari was Zondag, rustdag zelfs voor vele steden
van het bedreigde Nederland, maar geen rustdag voor Haarlem of voor
den vijand. De strijd van daags te voren was bloedig, was afmattend
geweest, en toch klonk weer de doffe donder van het geschut boven
het statig lofgezang in de St.-Bavo's kerk. In de woning van den
geheimzinnigen vreemdeling zaten Ripperda, Van der Laan en Kenau
voor diens legerstede; want de held, die daags te voren zooveel tot
's vijands nederlaag toegebracht had, was plotseling krank geworden:
en zulk eene krankheid volgde bij hem altijd na den afloop van een
bloedig gevecht. »Daar bracht hij dan--om met Hooft te spreken--een
boezem, ledig van hitte en hevigheid, stortte te bed en lag ettelijke
dagen ziek van moed, zich erbarmende in 't nadenken van al dat
bloedvergieten, over 't ellendig lot des menschdoms, met eene
wonderlijke wisseling van zoo strijdende hartstochten in een en
denzelfden geest.«

Intusschen begon de vijand ook bij de zeven molens op den Jansweg
schansen op te werpen, om het Spaarne te kunnen beschieten en aan
de schepen het in- en uitvaren te beletten. Zij brachten er twee
slangstukken en betrokken wachten bij de twee molens, die door den
laatsten brand waren verschoond geworden. Eenige ruiters trokken de
Schalkwijker- en de Zijlpoort uit om den vijand eenige afbreuk te
doen; doch hun voordeel bestond slechts in het ombrengen van twee en
het gevangennemen van een gelijk getal. Des namiddags werd de tocht
buiten de Zijlpoort herhaald en toen bestond de buit in een zak met
acht en twintig brooden, welke men aan eene van het Leprozenhuis
komende vrouw ontnomen had. Drie dagen te voren was er afgelezen dat,
op zware boete, het ossenvleesch voor niet duurder dan twee blanken,
en het koeienvleesch niet hooger dan voor een braspenning het pond
zou mogen verkocht worden; en nu werd nog dienzelfden dag bevolen,
het roggebrood, thans met gerst gemengd, voor niet hooger dan twee,
en eene kan Rhijnsche wijn voor zes stuivers te verkoopen, terwijl
de voorzichtige magistraat een ieder onder de verplichting bracht, om
brandemmers, ladders en haken, en gedurende den nacht eene brandende
kaars voor het glasvenster, in gereedheid te houden.

Hadden de Spanjaarden op dienzelfden dag een postbode van Haarlem gevat
en te Hillegom opgehangen, en hadden zij dertien met levensmiddelen
beladen sleden veroverd, ofschoon hun deze door de vrijbuiters van
Aalsmeer weder ontnomen waren geworden, vier dagen later echter kwam er
weder eenig koren binnen de stad en bemachtigde men van den vijand eene
zoogenaamde Kleefsche kar met twee paarden. Evenals in het beleg van
Mutina, Hertius den ingesloten Brutus, door middel van duiven, kennis
van zaken gaf, zoo deed ook de prins. Wel werd er soms eene door den
vijand geschoten; doch op denzelfden dag kwam er weder een brief van
Oranje, waarin hij Ripperda meldde, dat men te Buren een vijandelijken
postbode de bij hem berustende brieven had ontnomen, waardoor hij
te weten kwam, dat de Spanjaard de belegerden meer vreesde dan hij
voorwendde, doch dat men binnen de stad niet genoeg waakzaam kon
zijn, en hij eindigde met de belofte, zoo spoedig mogelijk weer eenig
buskruit en levensmiddelen te zullen afzenden. Had de vijand daags
te voren aan de Kruispoort eene mijn willen doen springen, doch was
door het beleid van Derdein dit plan verijdeld en den Spanjaard door
het losbarsten der tegenmijn een gevoelige neep toegebracht geworden,
hetzelfde wedervoer hem dezen dag andermaal, terwijl nog daarenboven
een waaghals, die het bolwerk wilde bezichtigen, zijne stoutheid met
den dood bekocht en vervolgens over den wal werd geworpen.

Naar evenredigheid der aangroeiende bezetting, groeiden ook de
behoeften; en de kloeke Van Brederode door den Waalschen hopman
Vimij vergezeld, vertrok acht dagen na den laatsten storm naar
het prinselijk leger. De zending van beiden was dan ook van dat
gevolg, dat er reeds des Zondags een rijke voorraad van meer dan
honderd vrachten koren binnen de stad werd gevoerd. De Spanjaards,
wrevelig over den gedurigen aanvoer, over de noodlottige nederlaag,
welke hij dien dag door het springen eener tegenmijn, weder geleden
had, en door het barsten van negen zijner Namensche Vliegen, zwoer,
de Haarlemsche vesten zóó te ondermijnen, dat ze niet dan met het
grootste gevaar zouden te betreden zijn. Als een door hen aangevangen
werk in het Blokhuis van de Kruispoort, verdient intusschen hunne
schietkat of heuvelbeukerij wel eene korte schets. Men verbeelde
zich dan eene dertig voeten hooge, vierhoekige batterij, welker
frontbiedende zijde de langste was en eenigszins opliep, en aan
de zijde naar de schansen had men een opgang tot aanvoering van
geschut. Schanskorven, aardzakken en stevig ineengevlochtene teenen,
welker tusschenruimten nog bovendien met graszoden waren aangevuld tot
dekking van de flanken der borstwering, terwijl alles nog met rijs-
en vlechtwerk en met klei gevulde paaltjes voorzien werd om het vuur
der Haarlemmers te beter te kunnen weerstaan. Het doel van die kat was,
om de stads-ravelijnen geheel en onbelemmerd te kunnen overzien en de
straten in alle richtingen te beschieten. Maar Ripperda het oogmerk
doorgrondende, liet oogenblikkelijk in onderscheidene wijken der stad
eene soort van dwarswallen en groote blinden opwerpen, ten einde de
uitwerking zooveel mogelijk tegen te gaan. Ook werd nu het bolwerk
voor de Janspoort, welks spits reeds bijna geheel was afgeschoten,
met aarde, rijs en hout weder opgehoogd, zoodat nu de borstwering
de noodige sterkte terug verkreeg. Evenmin als het geweld rustte,
was ook de list niet werkeloos. Reeds eenige dagen geleden was de
dooi ingevallen en nu meldde zich in den vroegen morgen van den
elfden Februari een vijandelijk Duitscher, die in den Hout lag,
aan. Met zijn helmhoed wuivende, begeerde hij binnen de stad gelaten
te worden en vertoonde eenige brieven met het opschrift aan den
hopman der Duitschers, Steenbach. Men gaf aan zijn verlangen gehoor,
bracht hem naar het kwartier van Steenbach, en deze, de brieven
aangenomen hebbende--zekerlijk toch wel nadat hij er met Ripperda
over gesproken had--vond men het raadzaam, den soldaat ten scherpste
te ondervragen. De uitslag baarde achterdocht en ten einde nader
achter de waarheid te komen, werd de Duitscher voorloopig gevangen
gehouden. Zonderling, dat niet reeds toen een welverdiend wantrouwen
tegen den baatzoekenden Steenbach zelven werd opgewekt.

Inmiddels toonden de naburige zustersteden, dat zij den moed der
Haarlemmers wisten te waardeeren. Leiden zond een met levensmiddelen
beladen vaartuig, hetgeen op Woensdag daaraanvolgende, en tevens
met toezending van twee metalen stukken geschut, herhaald werd. Ook
kwamen, vijftien dagen na den laatsten bloedigen storm, weder veertig
haakschutters binnen, met zich brengende zestig last rogge, tarwe,
boonen en anderen voorraad, benevens de tijding, dat den volgenden
dag een turfschip van Aalsmeer en een met brood en visch geladen
vaartuig zou binnenkomen, alsmede eene slede met proviand geladen,
die door twee vrouwen van Amsterdam naar het leger werd aangevoerd en
buit was gemaakt. Niet alleen werd deze belofte getrouwelijk vervuld,
maar uitroepingen van vreugde klonken door gansch Haarlem, toen een dag
later een Duitsch hopman, Christoffel Gunter geheeten, met vierhonderd
kloeke soldaten en acht en twintig met allerlei mondbehoefte bevrachte
schuiten, binnen de belegerde veste kwam. Dat was in staat om de
zwakken moed in te blazen, en den moed der sterken te verhoogen; ook
was nu het dooiweder zóó toegenomen, dat men reeds eene eerste galei,
ter lengte van vier en tachtig voeten, in de Haarlemmermeer bracht. Tot
het maken daarvan leverde Kenau Hasselaar de balken en het kromhout uit
hare houtkooperij. Het was met dezelfde galei, dat men daags daarna
belette, dat de Amsterdammers eene kleine galei en vier vaartuigen
den dijk bij Penningsveer doorstaken. In dien Veerdijk lag een klein
sluisje. Ook had men vele jaren vroeger twee sluizen gelegd in den dijk
naast het Spieringmeer. Met zuid-westewind viel de persing op de groote
Waal;--en om diepte in het Spaarne te behouden en het gemakkelijke van
de doorvaart hadden de Haarlemmers acht jaren vroeger de Lie gestopt;
door welk een en ander zich begrijpen laat, dat de vijand zich, door
het doorsteken van den Veerdijk, den weg naar de Haarlemmermeer zou
geopend hebben. Terwijl dit nu plaats greep, liep er aan de Eendjes
of Leidsche Waterpoort een met tien gotelingen--metalen stukjes
geschut--en met buskruit geladen damlooper binnen. De Haarlemmers
werden door dezen gedurigen voorspoed nog moediger, doch begrepen ook,
dat de Spanjaard van nu af niet slechts te land, maar ook te water
zou moeten bevochten worden. Het eerste gevecht, dat, van dien aard,
in eenige aanmerking verdient te komen, had drie weken na den storm
op den wal plaats. De Amsterdammers en Spanjaards namelijk trachtten
met hunne galeien en schuiten het aangevangen werk aan Penningsveer
door te zetten, maar de Haarlemmer galei onder bevel van Jacob
Anthoniszoon hield zich zoo dapper, dat de vijand moest aflaten. Ook
begaf zich de ritmeester Enkhuijzen met eenige ruiters buiten de
Spaarnwouderpoort, werd met ponten of, zooals men ze toen noemde,
met plempschuiten, aan land gezet, en veroverde een vijandelijken
damlooper, waarvan de bemanning grootendeels doorstoken of in de
Fuik werd opgehangen. Van meer belang echter en roemrijker was het
gevecht van vijf dagen later. Gerard de Jong namelijk, kapitein van
de groote galei, veertien Amsterdamsche karveelschepen op de Meer
ziende komen, was onvoorzichtig genoeg om, zonder een der overige
hoplieden te waarschuwen, den vijand alleen te gaan bestrijden, zich
streelende met de gedachte, den prijs alleen te zullen behalen. Het
noodlottig gevolg was, evenwel, dat zijn schip met geweld genomen,
het grootste gedeelte zijner bemanning gekwetst werd en hij zelf met
eenige anderen ternauwernood het leven door de vlucht redde. Maar
na deze nederlaag was het, dat de dapperheid van den Haarlemmer
geus, Jacob Anthoniszoon, bijzonder uitblonk. Niet zoodra had hij de
onheilsmaar vernomen of met de kleine galei, waarop hij bevel voerde,
viel hij met de andere hoplieden krachtig en manmoedig op den vijand
aan. Zóó hevig was de schok en zoo uitmuntend het beleid, dat de reeds
sinds twee uren verlorene galei weder heroverd werd. Men vond daar
toen eenige verborgene vijanden in, die aan de ra's, door den strop,
oogenblikkelijk om het leven werden gebracht; doch het voordeel
achtervolgende, joeg men den vluchtenden vijand na en veroverde
een karveelschip, dat als het ware met Spanjaarden en Walen beladen
was. Toen vernieuwde zich echter ook weder een dier tooneelen, welke
vooral sedert het innemen van den Briel den geuzen tot gewoonte waren
geworden. Onder kreten van schimp en hoon werden de vijanden over de
kling gejaagd, toen het een der schepelingen inviel om den belegerden
binnen Haarlem een levend bewijs hunner overwinning onder de oogen
te brengen. Vier hunner, onder welke zich een Leuvensch edelman,
Ravenschot genoemd, bevond, werden gespaard en met het afgehouwen
hoofd van den Spaanschen aanvoerder aan Ripperda gezonden, waarna men
vervolgens weder naar de Fuik terugtrok en lustig den beker zwierde,
tot dat hem de schepelingen reeds toen den rang van vice-admiraal
voorspelden, die in lateren tijd door hem bekleed werd.



Hoe kon het anders, of de Spanjaard moest door spijt en wrevel
aangegrepen worden? Hier zag hij doortrapte, heimelijke list
door nog fijner en schranderder list verijdeld--daar driest en
donderend geweld door vernietigend tegengeweld gekneusd of geknot;
den te harden en daardoor brossen ijzeren koevoet door den buigzamen
houten gebroken. Hoe dichter hij Haarlem zocht in te sluiten, des te
trotscher verhief zich de stad evenals een ceder te midden van een
onafzienbaar woud. In dat Haarlem zag hij, ja een enkelen verrader;
maar een verrader, die, bij al zijne sluwheid, niet in staat was,
hem grooter dienst te bewijzen dan eene diep gegravene mijn doet,
welke, bij gemis van buskruit, niet kan losbarsten. En tegenover dien
verrader zag hij mannen en vrouwen met onkreukbare standvastigheid
en ijzeren wil. Hij zag Ripperda, Van der Laan, Kenau Hasselaar en
zooveel andere helden kracht en moed aan den dag leggen, kracht in het
dragen van bezwaarnissen,--moed in het wederstaan van gevaren. Kortom,
hij zag niets dan schande om eigen hoofd, niets dan eer om het hoofd
der Haarlemmers. Men greep derhalve naar eene stroowisch, als een
schijnbaren balk--er werd krijgsraad belegd.

Het laat zich begrijpen, dat het in dezen krijgsraad niet aan
verschillende meeningen ontbrak: doch de gevoelens der meesten, zelfs
van Cressonnières en Noircarmes, die in den aanvang gewaand hadden, dat
Haarlem spoedig zou vallen, kwamen daarop neder, dat een langer beleg
verderflijk was. Immers, men lag in het midden van een moerassig land,
zonder behoorlijke brandstof gelegerd,--de Spanjaarden, aan eene heete
luchtstreek gewoon, waren in menigte op hunne posten bevroren:--zij
hadden aan de meeste levensbehoeften gebrek, terwijl zij in Haarlem
den overvloed zagen. Dien gedurigen toevoer konden zij niet beletten;
want de Hollander, de behendigste schaatsenrijder van Europa, snorde
hen op schaatsen met de snelheid van een vogel voorbij--en schaterend
hoongelach klonk hen na. Hoe zou Frederik de stad door honger tot
overgaaf kunnen dwingen? De Spanjaarden hadden zoo vurig gewenscht,
dat de snerpende vorst door dooi mocht vervangen worden. Hun wensch was
verhoord; maar wel verre, dat zij daarvan de begeerde vrucht oogstten,
plukten zij slechts doornen: de wateren zwollen en vermeerderden
van dag tot dag; de Hollandsche grond werd dras en onbetreedbaar,
en in de verblijven der kikvorschen vond de vijand den dood; de
vaartuigen kwamen met zwellend zeil binnen de stad en schenen evenals
de vroegere schaatsenrijder met den belegeraar te spotten. Al deze
gronden brachten Frederik tot het besluit, om Bernardin de Mendoza
met eene schets van den toestand des legers aan Alva af te zenden.

--»Bij San-Jago!« sprak Alva, »kent de zoon den vader niet meer?--Gij
spreekt van verzinking in de moerassen; no es nada! (het is niets)
die zullen opdrogen. Gij gewaagt van gebrek aan levensmiddelen...,
no es nada! wij zullen toevoer zenden. Wat is het dan? Is de pest
in het leger? Neen, zegt gij. Steken er rebellen het hoofd op? Neen,
zegt gij; want Alva's soldaten kennen slechts de tucht. Is dan de moed
uitgebluscht? Neen! antwoordt gij fier; want de moed der Spanjaards
is altijd blakend en brandend. Wat is het dan? No es nada, en--het
beleg ga voort!«

Maar niet slechts met dat no es nada--dat in Alva's mond bestorven was,
wanneer hij slechte tijdingen gering wilde achten en, door laconische
antwoorden, eene gemaakte deftigheid en versmading wilde aan den dag
leggen,--niet slechts daarmede vertrok Bernardin de Mendoza, Alva gaf
hem ook nog een geschrift voor zijn zoon mede, en wij willen den, van
zijn toorn getuigenden inhoud, volgens een zijner levensbeschrijvers
mededeelen:


    »Indien gij wilt, Frederik! dat ik u voor mijn zoon zal erkennen,
    dan moet gij de stad nemen, of in het beleg sterven. Zoo gij
    sneuvelt, zal ik, schoon met zware pijnen wegens ziekelijkheid,
    en met gemelijkheid beladen, met uw verlies vergenoegd, uwe
    plaats komen bekleeden. Treft mij hetzelfde lot, dan zal uwe
    moeder, op de tijding onzer lijkstatie, uit Spanje komen en het
    beleg eindigen. Sneuvelt ook zij, dan zal haar dood al datgene
    vervullen, wat wij aan den koning, onzen souverein, en aan de
    onversaagde standvastigheid der hertogen van Alba, onze voorzaten,
    verschuldigd zijn;--maar zoo zij roemvol uit de onderneming treedt,
    zal zij zorgen om voor haar zoon en haar gemaal gedenkteekenen ter
    eeuwiger geheugenis te stichten op de puinhopen eener oproerige,
    hardnekkige stad.«


--»Dat is te veel!« riep Frederik verbaasd en gegriefd, toen hij dat
geschrift ontving. »'s Vaders gezonken vertrouwen op den zoon zal uit
Haarlem's rook en vuur weer oprijzen, dat zweer ik, en zoo ik mijn
eed breek, zal geen priester mij ooit de biecht afnemen. Het beleg
ga voort!«

Het beleg ging voort; en als de huurlingen in het Spaansche leger hunne
verwondering over het vertrouwen op den landvoogd te kennen gaven,
dan klonk hun het pochend antwoord van de Spanjaards in de ooren:
»Wij weten, dat de hertog geene bevelen geeft, zonder van den goeden
uitslag verzekerd te zijn: uit den stand der zaken doorziet hij de
toekomst, dringt door in de gedachten zijner vijanden en bepaalt uit
de vogelvlucht, wat aller lot zijn zal.«

Inderdaad! voor een zoo onhandig staatsman als Alva, voor een zoo
jammerlijk voorspellingstalent zouden Rome's wichelaars wel nooit
eene eerbiedige buiging hebben gemaakt.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.


                      Weg met den overwonnen basterd,
        Die, met versmaânden lach, der vaadren deugden lastert
        En 't tachtigjarig pleit beschimpt in trotschen waan.

                                                                Helmers.


Een paar dagen voor de onderneming van Jacob Anthoniszoon had
men twee galeien naar de Fuik gezonden, en Gerard de Jong, zijne
onvoorzichtigheid willende vergoeden, tastte daags daarna den vijand
zoo moedig aan, dat hij hem op de vlucht joeg, ofschoon de galeien
door het vuur van den Spanjaard nog al aanmerkelijk beschadigd werden:
daarentegen waren zij in de gelegenheid, om het gegraven gat in den
dijk met hout en puin weder te dempen--eene gelegenheid, waarvan
ijverig gebruik werd gemaakt.

Eindigde Sprokkelmaand met het doen springen eener mijn aan de
Kruispoort, waardoor verscheidene Spanjaarden in de lucht sprongen,
de eerste dag van Lentemaand vervulde sommige stedelingen met een
angstig voorgevoel; men vond namelijk 's morgens eene oude vrouw dood
op hare legerstede, en een der soldaten van Vimi, bij haar ingelegerd,
werd verdacht gehouden haar om het leven te hebben gebracht, wijl
zijne plunderzucht aan sommigen niet onbekend was. Bij gebrek echter
van bewijzen, ontging hij voorloopig de verdiende straf.

De vijand inmiddels besloten hebbende, de stad aan alle zijden te
omsingelen, bleef op den duur graven, schansen opwerpen, uit zijne
mortieren beuken en schepen op de Meer brengen. Hoog verhief zich zijne
schietkat boven van den ouden en nieuwen wal en bracht, in weerwil
van de opgeworpene dwarswallen en blindeeringen, de stad veel schade
toe met de vier stukken geschut, die aan de voorzijde, als op eene
zoldering geplant stonden. Op den derden Maart, reeds vroeg in den
morgen, kwamen twee met levensmiddelen en kruit bevrachte schepen
binnen de stad; en het laatste derhalve niet behoevende te sparen,
vernielde de Schotsche hopman, Johan Cuningham de vijandelijke kat
dermate, dat de Spanjaard over het verwoesten van zooveel arbeid zijne
woede niet kon verkroppen. Behalve van Leiden, hadden de belegerden
acht dagen te voren, ook van Dordrecht vijf ijzeren slangen benevens
twee fraaie metalen stukken geschut, welke vier en veertig en dertien
pond schoten, ten geschenke ontvangen; en vooral met deze had men
's vijands werk zoo geteisterd, dat toen hij een paar dagen later er
andermaal geschut op geplant had, het door Cuningham schier geheel
onbruikbaar werd gemaakt.

Het mag niet onopgemerkt blijven, hoe, na de helft van Louwmaand de
levensmiddelen binnen de stad waren aangegroeid. Zoo had de regeering
in den aanvang van Februari afgekondigd, dat een zesponds roggebrood,
alsook een pond boter slechts twee stuivers zou mogen gelden,
dat de prijs van een mengel zoete melk niet hooger dan zes en die
van een pond kaas slechts van vijf tot negen duiten zou mogen zijn,
terwijl op den zevenden Maart daaraanvolgende alle artikelen vrij van
impost werden verklaard. Dit baarde, vooral ten opzichte van het bier,
geene geringe vreugde, naardien de Staten van Holland ruim eene maand
vroeger den impost op wijn en bier hadden verhoogd. Tot nog toe was
alleen het bier, dat binnen scheepsboord gedronken werd, vrij; de
pachters van den impost moesten vier stuivers per grove ton en van
de smaltonnen en halve vaten in evenredigheid ontvangen, en dat was
aanmerkelijk hoog, als men bedenkt, dat eene ton slechts een gulden
kostte. Wat toch baatte het den ingesloten Haarlemmers, dat alles,
wat buiten het rechtsgebied gedronken werd, niet aan impost onderhevig
was? Men kan zich dus de vreugde voorstellen, toen de magistraat op
eenmaal allen accijns ophief, en deze verbeelding wordt levendiger,
bij de gedachte, dat bier de algemeene vaderlandsche drank was, in een
tijd, toen men ons nog niet met geurige thee en koffie verrijkt had.



Het was nu Dinsdag de zestiende Maart geworden. De vijandelijke
mortieren bulderden niet onverpoosd op de stad; want er werden dien dag
slechts acht en veertig schoten geteld, doch de uitwerking van sommige
dompelde menigen Haarlemmer in diepen rouw. Ongeveer te elf ure begaf
zich Boreel naar de woning van doctor Elsen, om er het middagmaal te
houden, terwijl kapitein Margottin zijne plaats aan de Janspoort had
ingenomen, iets, dat toen beurtelings de een voor den anderen deed,
wanneer er geen rechtstreeksche aanval te duchten was.

Boreel was wrevelig en tegelijk somber te moede; want nog dienzelfden
morgen had hij onderscheidene toespelingen en plagende verwijten
moeten aanhooren, dat hij, een der moedigste verdedigers, zijn hart
schenken kon aan eene der vreesachtigste schoonen van gansch Haarlem,
en zelfs waren er woorden gevallen, die een nog onaangenameren indruk
bij hem achterlieten.

--»Vaart gij kwalijk, vriend?« vroeg de doctor, toen Boreel, zonder
een woord te spreken, zich aan tafel zette.

--»Is er iets ergs, dat u de tong zoo stille doet zijn?« vroeg Anna,
terwijl zij hem vriendelijk in de oogen zag.

Boreel antwoordde niet; maar zag den vader en de geliefde verdrietig
en tevens gramstorig aan.

--»Gewis, daar smeult iets kwaads,« zeide de doctor, met een angstigen
trek om den mond; »hebben de galeien op de Meer neerlaag ontmoet, of
heeft het gerucht weer wat euvels van mij geklapt? Ik sta ten doel
voor booze tongen en leugensprekers, zonder dat ik iemand iets in
't spoor leg.«

--»Aanhoor mij, meester! ik zal kort en rond spreken,« antwoordde
Boreel. »'t Is de laatste dag, dat mijn voet uw huisvloer strooken zal;
dat doet mij droevig zijn en bitter tevens.«

--»De laatste dag! ...« herhaalde de doctor met verbazing, »wat
woorden? ... wat schuilt er in uw zin?«

--»Komt dit uit uw gemoed, liefste?« vroeg Anna, met innerlijke
ontroering, die zij echter trachtte te verbergen; »gij zoudt vertrekken
uit dit huis--mijn vader en mij uit de oogen gaan?--Wat is het,
dat u drijven kon tot zoo een ras besluit?«

--»Dat vraagt gij nog, Anna! als eene, die haars doens ontwetend is,«
antwoordde Boreel. »Wat ik niet al menigen dag mij heb verpijnd om
er niet van te reppen!--wat ik het harde, grievende woord al niet
vaak heb teruggestooten, als het op mijne lippen kwam. Maar nu is
het uitgesproken, Anna!--ik moet van u scheiden: de band van onze
min moet worden losgemaakt.«

--»Losgemaakt!....« riep de doctor, in eene gemengelde gemoedsbeweging
van angst, verwondering, en verontwaardiging; »zijn dat woorden,
met nuchter overleg in u opgerezen? Zijn dat woorden van uw' mond,
waaraan het hart zijn deel heeft?«

--»Ja, meester! het is geen kind, dat ze met lossen geest bedacht
heeft: ik ben man, en hoe zwaar het mij valt, het besluit is nochtans
tot rijpte gekomen; vandaag neem ik afscheid van deze gastvrije woning:
tusschen Anna en mij mag niet langer de band van min bestaan.«

--»Sijmon!« zeide Anna, een oogenblik kampende tusschen het machtig
gevoel der liefde en het niet minder krachtige der jonkvrouwelijke
fierheid en eigenwaarde, »Sijmon!--dat woord moest ik eer verwacht
hebben, ik, kortzichtige, die ik ben; want nu het van uw mond is
geglipt, doet het mij niet verwonderd wezen. 't Is waar: tusschen
den koenen Boreel en de lafhartige Anna kan geene overeenkomst zijn.«

Ofschoon er in die woorden eene ironie lag, die Boreel wondde, kon Anna
echter de schokkende gewaarwording van haar gemoed niet genoegzaam
overmeesteren. Zij beefde zichtbaar en was op het punt om de kamer
te verlaten, zoo een blik haars vaders haar niet had teruggehouden.

--»Dat zijn harde, bittere woorden, Anna!« sprak Boreel, »nooit heeft
mijn mond u lafhartigheid toegeschreven; nooit heb ik u te laste
gelegd, dat gij koud waart voor den moed van Haarlem's vrouwen; maar,
dat zeg ik, hoezeer het mogelijk even hard klinkt, dat uwe liefde te
zwak is tegenover de sterke liefde van mij.«

Nauwelijks had hij dit laatste gezegd, of Anna stond in
gemoedsvervoering van haren stoel op, snelde in de armen haars vaders,
drukte een paar gloeiende kussen op diens voorhoofd en zeide toen op
pijnlijk droevigen toon: »Vader! zóó wordt mijne liefde voor u mij
straf! tot Sijmon! wat zijt gij wreed.«

--»Anna!« zeide de doctor, »tot straf!.... het zal u niet tot straf
wezen, dat gij mij zoozeer liefhebt. Wie aan uwe liefde twijfel
sla, de gebenedijde maagd kent uw hart.« Zich vervolgens tot Boreel
wendende, voerde hij dezen op ernstigen toon de woorden te gemoet:
»zoo het u licht van 't hart mag, den band tusschen ons te breken,
dan zal het mogelijk tot heil van ons allen wezen; ik hoop, jonge
vriend, dat het u nooit tot rouwe zal zijn!«

--»Licht van 't hart!« riep nu Boreel met een droevig en
hartstochtelijk gevoel tevens, »zoo 't mij licht van 't hart mag!..«
herhaalde hij, des doctors en Anna's hand te gelijker tijd aangrijpende
»weg met die woorden! Leest ge dat uit mijn oog? Dan kent gij mij
bijster gering. God weet het, hoe het mij zwaar valt, hoe ik dagen
en weken onder den last gebukt heb gegaan, schromende en weifelende
om hem van mij af te werpen en geen moeds hebbende om het woord te
spreken. Vandaag heb ik het gedaan, maar eilaas! of gij weten mocht,
hoe groot de smart is, waarvoor ik zooveel moed kocht. Anna, Anna! het
ware mij beter geweest, zoo ik u nooit gezien had.«

--»Zoo spreekt gij,« zeide Anna, »en gij noemt mijne liefde zwak,
gij, wiens zucht naar roem uwe liefde tienvoudig te boven gaat. Maar
het zij zoo! het woord is gesproken, en dat bidde ik alleen, dat het
u nooit tot berouw strekke.«

--»Anna!« riep hij hartstochtelijk, terwijl zij met een maagdelijk
gevoel van eigenwaarde, waartegen echter de liefde bleef kampen hare
hand terugtrok, »Anna! en gij wilt het, dat wij scheiden? Gij wilt,
dat die band worde verbroken en dat weedom over mijn gemis de plaats
vervange van de vreugd der zoete min? Gij wilt het, dat ik uit dit
huis ga, alsof mijn voet den dorpel nog nooit gestrookt had? Neen,
Anna! het mag en kan niet, en toch moet het.«

--»Gij spreekt als een, dien het hoofd is berooid,« zeide de
doctor. »Wat wilt gij dan? Maar neen, het is mij klaar; mij, ouden,
zwakken man wilt gij aftrekken van 't geen mijn steun is; mij wilt
gij ter palei brengen en den dood aandoen: gij wilt mij Anna ontnemen,
u niet kreunende over deze felle grief.«

--»Och, of gij toch mocht afleggen die groote vreesachtigheid,« sprak
Boreel, de hand van den doctor warm drukkende. »Och! of gij tot het
wakker besluit mocht geraken om Anna te bevrijden van den blaam, die
op haar kleeft. Nog is het niet te spade, en op mijne knieën bid ik
om een kwijtschelding voor wat mijn mond gesproken heeft.«

--»Spaar daar vrij ieder woord van,« zeide de doctor, »nooit zal mijn
gemoed instemmen, dat Anna gewapend naar den wal streeft. Wat heb ik
toch voor leeds en kwaads gewrocht, dat gij met zooveel gretigheid
naar mijn dood haakt?«

--»Laat die inbeelding van u varen,« hernam Boreel, »gij moogt een
enkelen dag vol onrust wezen; maar dan zal zij hand aan hand van u
wijken. Wat tal van dagen en weken zijn nu al niet voorbij, sinds
Kenau met haar vrouwen- en maagdelijn den Spanjaard die ons bestookt,
met spies en rapier te keer gaat, en maar vier van die allen hebben
kwetsuren bekomen, die al weder geheeld zijn. Moet het dan Anna wezen,
die men uitleest om den dood te vinden? En schoon ook dat lot haar
deel wierd, (wat God voor u en mij verhoede!) wie wijst mij schooner
dood, dan den dood voor het vaderland en de vrijheid? O, Anna dat
ik krachtiger taal hadde om u te bidden!--Och, liefste Anna! voorkom
eene scheiding, die mij storten zal in de diepsten afgrond van leed.«

Dat was eene andere taal; dat was niet meer de sombere, harde taal:
»de band die ons verbindt, zij verscheurd, voor eeuwig,« dat waren de
woorden niet meer, die in Anna's boezem de jonkvrouwelijke fierheid
een schokkenden kamp deden voeren met de vlam der liefde. Neen! nu
waren het woorden, die wel niet de kleur droegen, dat Boreel zijn
onwrikbaar besluit zou herroepen, maar die toch uit zijne ziel waren
gegrepen, die blijken gaven, hoe innig hij Anna liefhad: en dat de
koene jonkman zich niet schaamde om Anna te bidden, te smeeken, hem
hare liefde niet te doen derven,--eene liefde, die zij in hare macht
had, wanneer zij sterk genoeg was, hem een zwaar offer te brengen. Eene
vrouw vergeet zoo licht de wonde, die haar de liefde sloeg, wanneer
diezelfde liefde die wonde weer tracht te heelen.

--»Sijmon!« sprak zij, diep getroffen hem aanstarende »wat ge mijn
gemoed bestrijdt en foltert!.... denk u mijn toestand, als gij 't
vermoogt, en vraag dan u zelven, wat u van 't hart mag. Weet gij
niet wat het zegt, een vader op de borst te treden! Weet ge niet,
dat dit den vloek der Heiligen op uw hoofd brengt? Laas! zoo ge mij
liefhebt, en dat weet ik, Sijmon! laat dan af, mijn boezem te knellen
in schroeven, die mij zoo bitter een wee aanbrengen. Och Sijmon! laat
uwe liefde sterker zijn dan de begeerte naar roem.«

--»Anna, liefste!« sprak Boreel, »indien ge met de hand in mijne
ziel mocht kunnen tasten!.... gij zoudt zoo groot een strijd vinden,
als in uw binnenste. Maar ik ben een man, van wien men grooter kracht
eischt, om den kamp te voleinden. Ik heb dien voleind en bij de heilige
maagd! plicht heeft de overhand gehad op mijne min. 't Zal mij in eene
diepte van leed doen vallen; maar het zijn donkere, kommervolle dagen,
waarin het oog van heel Holland rusteloos op de mannen van Haarlem
gericht is. Kloekheid en ernstige wakkerheid, ziedaar, wat men van ons
wacht. De nakomeling zelfs moet op niemand van ons de smet kunnen doen
kleven, dat de vreugd der min hooger wit van ons streven was, dan de
vrijheid en glorie der stad. 't Pijnt mij, het te moeten herhalen,
maar het is zoo, meester Elsen! de opspraak, dat gij overhelt naar
den Spanjaard, wordt al vaster en vaster geankerd, en tracht gij die
niet te doen wijken, gij zult er de zure vrucht van plukken. Nog is
het tijd; de dagelijksche storm tegen mij, de scheeve blik zelfs,
die van sommigen op mij geslagen wordt, heeft mij het forsche woord
doen spreken, dat Anna onder het vendel van Kenau, of ik niet langer
haar minnaar zou worden gerekend. Die stap is gedaan en....«

--»Onvergeeflijk stuk!« viel de doctor hem in de rede, terwijl zijne
armen eene krampachtige trilling aannamen, »men loert op mijn verderf,
men haakt met gretigheid naar mijn ondergang. Heilige Maria! gij
weet, in wat leed ik zal gesleurd worden en dat door booze vijanden
alleen. Wat heb ik misdaan? Wat aanleiding gaf ik ooit, dat ik Alva,
den tiran aanhing? Laas, eilaas! het kwaad zal voortloopen, en dat
zal ik te danken hebben aan den zoon van mijn vriend, die alleen
bekommerd voor eigen naam, mij aan verder leed blootgaf en verdere
achterdocht. Maar nooit....«

--»Neen, niet verder in zulken zin!« sprak Boreel, doctor Elsen's
woorden afbrekende, »drijf mij geene schuld toe, die verre van mij
is; wrijf mij geen kwaad aan, waaraan ik niet schuldig ben. Ga bedekt
onder 't volk: hoor, wat men mompelt en gij zult vernemen dat ik het
ben, die alle argwaan van u afwerp; maar de verdediging van eenen,
die door liefde of vriendschap niet onzijdig wordt gerekend, geeft
luttel baat. Het eenige waardoor allengs de achterklap op de vlucht
zal worden gedreven, is, dat gij Haarlem geneigd toont te zijn,
door Anna niet langer terug te houden van hetgeen haar plicht is.«

De grijsaard beefde aan al zijne leden; beurtelings sloeg hij het
vermagerd gelaat met den hollen blik op zijne dochter, als smeekte
hij haar, standvastig te blijven aan haar kinderlijken plicht; dan
weder wendde hij zich tot Haarlem's verdediger, als bade hij dien
om medelijden te hebben met zijne witte kruin en hem niet verder
te bestormen met een strijd, onder welks hevigheid hij bezwijken
zou. Maar Boreel had zijn besluit, hoe zwaar het hem viel, te
onwankelbaar genomen. De worsteling van zijn hartsgevoel met zijne
hoog opgevoerde begrippen van voorstander der vrijheid, had hem
bij de meerdere macht van het eerste reeds te dikwijls doen blozen
over de zwakheid van het laatste, en die blos had hem eindelijk al
zijne krachten doen samenvatten om de sterkere tegenpartij op eens te
verwrikken, te verpletten, hoezeer terugdeinzende voor de wonden, die
hem onder dezen kamp zouden worden toegebracht. Een oogenblik zwijgend,
hield ook hij het oog op den vader, daarna op de dochter gericht. Hoe
gaarne had hij gewild, dat Anna, na zijne laatste woorden, spreken
zou: zóó spreken, dat hij voor eene laatste smartelijke herhaling
zou gespaard zijn. Maar Anna sprak niet. Zij wilde het, maar zij kon,
zij mocht niet, als zij op de zenuwachtige siddering van den grijsaard
het oog sloeg, en--zij zweeg.

--»Anna, liefste van mijn hart!« zeide de jongeling, voor wien die
zwijgende toestand eene marteling werd, »ik verlaat u; mijne eer
als Haarlem's verdediger en als man, mijn plicht vordert dit van
mij. Anna! dat de heilige maagd met u zij; het offer valt mij zwaar,
maar het moet, Anna! het moet.«

Met onstuimig gevoel sloeg hij de beide armen om haren hals om zich
voor het laatst vast te klemmen aan het dierbaar voorwerp, waarvan
hij zich tegelijk wilde afscheuren; dat was eene omklemming als die
van den half gezonken schipbreukeling aan het drijfhout waarvan eene
aanrollende golf hem zou afslingeren. En wat schok voor Anna! een
schok, te hevig voor het vrouwelijk gemoed: en toch wederstond zij
dien; toch zonk zij niet machteloos met gebogen hoofd ineen: de lelie,
schoon door een rukwind geteisterd, bleef nog op haren stengel staan.

--»Als het moet, Sijmon! zal het Gods wil wezen,« sprak zij, »maar
wee u, zoo, bij de verantwoording, uw gemoed niet eenstemmig zal zijn
met wat uw mond spreekt; wee u, Sijmon! als gij een hart vol oprechte
min koelbloedig met den voet trapt. Neen! dat bid ik, dat de heilige
moeder Gods het u nimmer tot rouwe doe zijn.« En met een naar den
hemel geslagen oog, waarin zich onschuld, liefde en berusting zonder
een zweem van gekrenkt gevoel of miskenning spiegelden, wond zij zich
zachtkens uit de armen van den jongeling, den wreeden, maar toch zoo
warm beminden geliefde. Dat was een oogenblik van worsteling tusschen
gevoel en hartstocht; daar kampten godsdienst, vrees, liefde, eer met
al hunne nevengewaarwordingen; en de schoonste van die allen was de
liefde van Anna; want het was de heilige kinderliefde. Maar het was
ook het oogenblik, waarin vrees en duistere godsdienstzin geweldig
bestreden werden door ouderliefde. Want Anna's vader!.. sidderend stond
hij daar; maar toch besefte hij, wat offer hem gebracht werd. Kon hij
dat aanzien, dat dulden, zonder er een offer tegen te stellen? Hij
zag niet, hoe de boezem van zijn kind gefolterd werd; maar hij voelde
het aan het kloppen van zijn hart. Nog kon hij terugtreden, de vrees
van zich werpen; nog kon hij beproeven, of de toekomst hem moed genoeg
geven zou om zijn lot te torsen: hij weifelde, hij wankelde; de strijd
was zwaar, het offer dat hij brengen zou, groot: maar hij bracht het,
of liever, hij bracht het thans.

--»Neen, Anna!« sprak hij, »dat mag, dat kan niet; de vrees zal van
mij wijken, ik zal moedig wezen. Als God het wil, dat het dan zoo zij,
en ik zal dag en nacht bidden, dat de heilige Maria u tot schut en
scherm zij in het dreigend gevaar.«

Nu wilde hij Anna aan zijne borst drukken; nu wilde hij Boreel's hand
in de zijne klemmen en een moed toonen, dien hij nooit gekend had, maar
op eens, op het oogenblik, dat Boreel de sidderende hand aangrijpt,
dreigt de grijsaard op den grond te storten; hij wankelt, als door
een electrieken schok getroffen onder een schellen angstkreet. Op
eens hoort men eene losbarsting; het is de ontploffing eener mijn,
en op die ontploffing volgt een daverend schot.

--»Mijn God!« roept Anna; want hoezeer aan den donder der slangstukken
en het losbarsten der mijnen gewoon, is de schok echter thans even
onverwachts als geweldig. Maar de uitwerking op Boreel is zoo min
die van vrees als schrik. Nauwelijks hoort hij den slag, of hij rukt
zich los van Anna, slaat de reeds uitgestrekte hand aan zijn rapier,
en onder den uitroep: »Vijands geschut! Naar den wal!« snelt hij het
vertrek uit, zonder verder een woord te spreken en verlaat de woning
van den doctor als een pijl uit den boog.

Maar nauwelijks is hij uit het huis, of er valt andermaal een schot.

--»Voort!« roept hij in zichzelven, aan niets anders meer denkende,
dan aan de verdediging der stad. Eene nieuwe losbranding volgt. In
het gat van de Houtstraat, naar de markt, ziet hij mannen en vrouwen
met drift naar de hooge Zijlstraat spoeden, en nog is hij niet aan den
ingang van de Barteljorisstraat, om langs dien weg naar de Kruispoort
te snellen, of het geschreeuw: »zij is dood!« treft zijn oor.

--»Wat is er? Wie is dood?« vraagt Boreel aan eenigen onder de menigte.

--»'k Weet er niets van, heer!« is het antwoord, »maar 't volk gaat
te hoop naar de Zoetestraat: daar moet het wezen.«

Onder die woorden snellen zij de anderen achterna, terwijl Boreel
inmiddels naar den wal ijlt.

Al meer en meer stroomt de menigte, op het onzekere gerucht, naar
de Barteljorisstraat en de hooge Zijlstraat, terwijl velen van de
Kruisstraat afkomen en de groote en kleine Krocht reeds als met
menschen bezaaid is, die elkander naar de Zoetestraat dringen.

--»Jezus Maria, wat ongeluk!« roept de eene.

--»'t Was een droef gezicht, daar 't hart bij breekt!« laat een ander
hooren. »Een meisken zoo zoetaardig van geest, zoo kloek van moed:
och, lieve Heer!...«

Hoe verder men voortdrong, hoe luider de klachten en het misbaar
werden. Zoo op eens toch heeft het geschut van den belegeraar rouw in
menig gemoed gebracht; het vendel van Kenau telt eene heldin minder;
de wakkere Maria van Schooten is dood.

Gereed om de woning haars vaders te verlaten--toenmaals een zeer schoon
gebouw in de Zoetestraat, waar in de helft dezer eeuw de Rouwkamer
was, zijnde thans perceel No. 13--vertoeft Maria van Schooten nog
een oogenblik op de stoep, wijl de schrijver of klerk van hopman
Vader van den kant der Zijlstraat nadert en haar een teeken geeft,
dat hij haar iets heeft mede te deelen. Zij toeft alvorens den weg
naar de lange Margarethastraat in te slaan en--dat oogenblik is haar
noodlottig. Plotselijk doet zich de losbarsting der mijn hooren, te
gelijker tijd ook het geschut en--de beide beenen afgeschoten, is een
leven vol liefde, vol jeugd, vol moed, eensklaps vernield. Dat deed uit
de oogen van hen, die het zagen, een tranenvloed springen. Maar nog
eischte de dood andere slachtoffers. Door ontzetting aangegrepen,
staat de jongeling, die haar wilde aanspreken, een oogenblik
stom en wezenloos en--dat oogenblik is ook zijn dood: een andere
kogel giert aan en onder een gil valt hij, in de borst getroffen,
stervend op den grond. Dat is een tooneel van smart en van wanhoop:
dat herschept de woning van genoegen en tevredenheid in eene woning
van jammer en radeloosheid: dat verscheurt de borst van zoo menigen
vriend en vriendin, van zoo menige speelgenoot, en allen die Maria
liefhadden schreien, neen weenen over haren dood. Zie, in dat huis;
nog korts zag men er eene lenteroos, een bloeiend leven--thans eene
afgerukte witte lelie, den killen dood. Zie die moeder, dien vader,
die zuster bij het lijk: eerst bedwelming, daarna woedende smart,
ten laatste folterend lijden. Zie die gelaatstrekken, die gebaren,
kampende tegen het wee van de ramp; zie dat optrekken der wenkbrauwen,
als wilden zij het woelende brein tot hulpe zijn; dat flikkerend en
vluchtig licht in de oogen; dat hijgen der boezems, die trekking van
al de zenuwen en spieren, en dien naar den hemel gewenden blik. Stort
hem uit, dien tranenvloed, die, onder eene zoo zichtbare schokking
der ziel, opwelt: stort hem uit, droeve ouderen! het zal verlichting
geven aan uw leed.

Maar niet in dezen woning alleen heerscht wanhoop, woont
rouwe. Ginds bij de Ursulasteeg ziet men eene andere moeder,
radeloos, met losgeslingerde haren door de saamgevloeide menigte
heendringen. Drie harer kinderen zijn door één kogel getroffen, en
de stuiptrekkingen van een hunner getuigen, dat het nog leeft, maar
dat weldra de laatste vonk zal uitgebluscht zijn. De wanhoopskreten
der moeder vervullen de lucht. De arme, de ongelukkige! wie kan haar
diep gemis vergoeden? Maar opnieuw gieren er kogels door de lucht:
angst, schrik maakt zich meester van de menigte, die hier weeklaagt,
daar den Spanjaard vervloekt, doch allengs zich verspreidt, opdat de
dood geen jammer te meer voege bij het reeds zoo treurig tooneel.



Wij zagen Boreel naar den wal snellen, waar op Ripperda's bevelen,
aanstonds honderden gereed zijn tot het opwerpen van nieuwe
blindeeringen, als zoovele bolwerken tegen 's vijands geschut.

De avond komt; de belegerden tellen vijf slachtoffers meer, zonder
dat er een storm had plaats gehad. Het was een dag geweest als zooveel
andere dagen, waarop de vijand zijn kruit gespild en geen voet gronds
gewonnen had.

Maar voor hoevelen ook, vooral was die dag onvergetelijk voor Anna en
Boreel; want beider worsteling tusschen liefde en plicht zou hervat
worden, met een uitslag, te grievender, omdat de reeds opgevatte hoop
bijna te gelijker tijd zou verdwijnen.

Toen Boreel naar doctor Elsen terugkeerde, had de beroemde geneesheer
Duvius hem juist verlaten, en nu vond hij den doctor in een grooten
armstoel, en nog daarenboven door de lieve Anna ondersteund.

--»Wat is dat, Anna? wat is dat, meester Elsen?« was zijne eerste
vraag, zoodra hij het bleeke gelaat der geliefde en het hijgen van
des doctors borst zag.

--»Een schrik, Sijmon, die mijn vader zoo zeer aangegrepen heeft,
sinds het ongeluk van dezen middag. Laas! wat dat ook een smartelijk
geval is geweest.«

--»Bovenmate!« zeide Boreel, »maar, waarom doctor, ziet gij mij zoo
donker aan?...«

--»Och, ik oude man, ik overleef het niet,« was het klagend antwoord,
dat met een pijnlijken trek om den mond vergezeld ging, »wat mij de
schrik op het lijf is gevallen. O, wat dagen van droefheid, waarin
alles om ons heen donkerder is dan de nacht. Leider! het is mij zoo
beklemd dat ik geen lucht kan vinden voor woorden, en toch moet ik
spreken;.... ik moet het, Boreel! en aanhoor mij: nooit zal Anna mij
verlaten, zoolang ik leef; nooit; liever sterf ik, dan dat zij van
mij zal gaan.....«

--»Wat spreekt gij nu?« zeide Boreel, »wat is het, dat zoo fluks
een omkeer in uw gemoed heeft gewrocht? Zijt gij dan de man niet,
die geene woorden herroept?«

Terwijl hij dit zeide, wierp hij een veelbeteekenenden blik op Anna,
die echter de oogen strak op haren vader gericht hield, als duchtte
zij en als zou het haar smarten, die van Sijmon te ontmoeten,--of
als gevoelde zij schaamte over de vreesachtigheid en zwakheid van
haar vader.

--»Laat af met zoo bittere taal,« hernam de doctor. »Nooit, nooit
zal Anna met het rapier naar den wal streven; nooit, zoolang de
heilige maagd mijne grijsheid nog zal sparen; maar geene lange dagen
zal ik meer leven; mijn zwak hoofd kan het niet harden, dat ik van
den eenen schrik in den anderen verval, niets ziende en hoorende dan
geweld en rumoer. Laat dan af met uwe dagelijksche kwellaadje; toef,
totdat ik van de wereld zal zijn; dan ten minste zult gij voorkomen,
dat ik het rouwkleed nog aantrekke over mijn eenigsten schat.«

--»Groote God! zoo ben ik dan niets waardig in uwe oogen!« vroeg
Boreel, den grijsaard aanziende. »Mij, den zoon van uw vriend, kunt
gij met een hard gemoed in leed storten? Mij, die uwe Anna zoo zeer
bemin, en met een heiligen eed zweer, haar verdediger en trouwe
helper te zijn, mij kunt gij van u afstooten en ontnemen al mijns
levens zoet?.... En dat kunt gij, nadat gij licht in mijne ziel
hebt doen opgaan. Na de hoop kunt gij weder wanhoop in mijn gemoed
brengen?.... O! dat is wreed; dat is eene woordbreuk, die mij feller
vlijmt, dan de dood.«

--»Mijn vader.... Sijmon! och, spaar hem,« smeekte Anna, een teederen
blik op hem werpende, »het tooneel van dezen dag heeft hem aangegrepen
met bijsteren schrik. Hij heeft u lief, Sijmon, van heeler harte. Mijn
vader! spreek het uit, dat woord: lieft gij den zoon van uwen vriend
niet?«

Haar toon was zoo roerend, en de liefde, waarmede zij de hand van
den grijsaard in de hare drukte, zoo innig en gloeiend, dat zij op
dit oogenblik de Engel der liefde zelve scheen.

--»Hem lieven, Anna!« antwoordde de doctor, »moet ik dat herhalen? Aan
wien is, na u, mijn hart vaster verkleefd?....«

--»Neen! dat is het niet,« sprak Boreel, »dan zoudt gij mij niet doen
storten in de diepte der smart.«

--»Ik ben het, dien gij wreed grieft,« hernam de doctor met eene
bevende stem; »ben ik niet een zwak en afgeleefd man? Gij hebt het
mij afgeperst, dat ik neigen zou tot uwen wil; maar na zulk een
jammertooneel van dezen dag.... Nog hoor ik de bange kreten; ik zie
Maria's vader bij het bloedige lijk; ik zie hare moeder in wanhoop en
afgetobt door weedom. Heilige Maria! was zij niet eene van Kenau's
vendel? En vond zij niet een wreeden dood, waarbij mij 't gemoed
opbarstte, schoon ik haar vreemd ben? O ramp zonder weerga! dat zou
ook Anna treffen en ik zou mijn eenigen schat zien baden in haar
bloed!--hoeveel dooden zou ik niet sterven! Neen, Sijmon! neen;
ik zweer het bij de heilige moeder Gods!--Anna verlaat haar grijzen
vader niet.«

Dat was beslissend: het vonnis onherroepelijk geveld. Die woorden
des doctors, gesproken met eene zwakke, sidderende stem, evenals van
iemand, die den dood voelt naderen, die eed bij de heilige moeder
Gods! wat behoefde de jongeling meer, om te beseffen, dat des doctors
besluit onwrikbaar genomen was? Geene smeekende of overtuigende taal
werd dan ook verder door Boreel gebezigd: maar ook zijn besluit was
onwankelbaar; en terwijl hij de hand van den doctor in de zijne nam,
sprak hij op roerenden en vasten toon tevens:

--»Welaan dan, en moge God u sparen voor bitter naberouw, dat
gij Anna's geluk en het mijne voor altijd hebt verwoest: vaarwel,
vriend van mijn vader! dat bid ik de heilige maagd!« Vervolgens de
hand terugtrekkende, stak hij die uit naar Anna, sloeg een somberen,
maar toch liefdevollen blik op haar en zeide:

--»Vaarwel, Anna! vaar ook gij wel; het lot is geworpen; verbroken
is het snoer, dat ons samenbond; de gebenedijde maagd neme u in hare
hoede: dat bid ik met hope en liefde!«

Aan Anna's voeten scheen, bij deze woorden, de grond te
ontzinken. Toch wankelde zij niet: toch hield zij zich krampachtig
aan den armstoel geklemd; toch vloeide geen traan uit haar oog,
want met welk eene onstuimige kracht de vloed opgestuwd werd, hare
macht om dien te keeren, behield de overhand. Dat had zij dien middag
met geestkracht besloten; zij had den nieuwen strijd voorzien en er
zich met vrouwelijken moed tegen gewapend. Dat kon zij te eerder,
omdat zij den vijand, dien zij bekampen moest, had leeren kennen;
en toen nu de aanval plaats had, wankelde noch bezweek zij; maar de
op haar drukkende last, dien zij met overspanning torste, beklemde
haar toch de borst; de tranen, die zij met geweld terugdrong, deden
haar ook geen lucht vinden voor woorden, voor klanken, en zij stond
daar stom en onbewegelijk als een marmerbeeld.

--»Gij smaadt, gij veracht mij, Anna!« riep Boreel, terwijl hij
onstuimig hare hand greep, die stijf op hare heup hing; »slechts één
woord, Anna! één woord slechts, dat ge mij niet veracht; want bij de
heiligen! zóó verlaat ik u niet....«

En Anna sprak dat woord, en afgebroken zeide zij:

--»Vaar.... wel, Sijmon!«

--»God lof!« riep Boreel en nu wilde hij zich met verrukking voor
het laatst om haren hals werpen, den afscheidskus op haren mond
drukken.... maar toen hij reeds de handen uitstrekte, deinsde hij
plotseling terug, evenals men terugdeinst voor den angel eener slang,
die ons met den dood dreigt.

--»Voort! voort!« riep hij uit, »eer ik zwak word; vaarwel, voort!....«

Zonder verder een blik op den doctor of Anna te werpen, verliet hij het
vertrek, snelde als een vervolgde het huis uit en ijlde de straat op,
waar de koel hem tegenruischende avondwind eene verfrisschende lucht
schonk aan zijne felbenepene borst.

Zóó als Boreel vlood, de zonde te ontvluchten, dat zou edeler, dat
zou grooter wezen, dan een strammen grijsaard te martelen, dan een
geliefd voorwerp zóó te verlaten, om roem en eerzucht te bevredigen.

Mochten sommige lezers dit uitroepen, voor dezulken dan is dit
vaderlandsch verhaal niet geschreven. Maar mocht men Boreel hier
dwepend, mocht men hem hard noemen,--wij willen gaarne de hand
op den mond leggen. Maar verplaats u, zoo ge dit vermoogt, in den
jare 1573; vertegenwoordig u den strijd van het zwakke Nederland
tegen het machtige Spanje. Zie dat Nederland later aan dat Spanje
de wet voorschrijven; vraag u dan af: »waardoor werd die grootheid
verkregen?« Mogen dweepzucht of hardheid somwijlen het hunne hebben
gedaan, niet minder deed een wil van metaal, een ijzeren moed, met
het oog op God, niet minder deden opofferingen, die weerklank vonden,
die soms wel diepe wonden sloegen, maar ook vonken van moed aanbliezen
tot een onuitbluschbaar vuur. En geene stad kan met meer recht dan
Haarlem de woorden van Hooft op zich toepassen: »de grondslag van
ons tegenwoordig geluk werd gemengd en gemetseld in den kalk van het
bloed en de tranen van ons voorgeslacht.«



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.


Eenige dagen vóór het verhaalde in het vorige hoofdstuk, had de
beruchte Gouverneur van Noord-Holland, jonker Diderik Sonoij, den
prins voorgeslagen, om den Hoogendijk door te steken en bij het Huis
ter Hart en de daarbij gelegene sluizen tusschen het IJ en de Meer
schansen op te werpen. Hierdoor nu zou de Spanjaard als het ware op
een eiland zijn verbannen geworden; maar dewijl het noch uitvoerbaar
was, noch vrucht dragen zou, zoolang de belegerden niet volkomen
meester op de Meer waren, werd de voorslag door den prins van de
hand gewezen. Daarentegen werd Sonoij gelast om den Diemerdijk bij
Jaaphannes tusschen Amsterdam en Muiden te bemachtigen, ten einde den
vijand te water en te land daardoor den toevoer van levensmiddelen
als anderszins af te snijden; want gelukte het, dan zou men aan de
eene zijde meester zijn van het IJ en aan de andere van de Diemermeer,
welke zich tot in den Amstel en aan den Utrechtschen weg uitstrekte.

Dit voornemen was even welberekend als stout. Den twaalfden Maart
vertrok Sonoij van Hoorn met drie oorlogsbooten, vijf galeien
en zestien krapschuiten, te zamen eene bemanning uitmakende van
achthonderd soldaten, delvers en pionniers. Het gelukte hem, den
dijk te bemachtigen, en na eene der sluizen vernield en een weinig
verder een opening te hebben gegraven, maakte hij een aanvang met de
verschansingen waaraan de gravers zoo ijverig werkzaam waren, dat
men binnen twee dagen reeds aanmerkelijke vorderingen gemaakt had,
zonder dat de Amsterdammers er de lucht van kregen. Dan, Sonoij beging
den misslag, zich te vroeg met eenige schepen naar Edam te begeven,
ten einde zich van levensmiddelen te voorzien. De vijanden vernemen
het eene en andere bijna te gelijker tijd, en beseffende, hoeveel hun
aan het behoud van den dijk was gelegen, zonden zij drie en twintig
met bassen en gotelingen gewapende waterschepen derwaarts, overvielen
het volk van Sonoij even plotseling als krachtdadig en--deze deinsden
terug. De vijanden drongen nu op de schepen, welke voor de schans op
de reede lagen, zoo onstuimig aan, dat Sonoij's benden weldra de drie
oorlogsbooten, met twee galeien en eene krapschuit moesten ruimen,
terwijl het aan de overige vaartuigen slechts met moeite gelukte,
zich onder het geschut der nieuwe schans gedeeltelijk in veiligheid te
stellen. Vermetel over dit aanvankelijk voordeel, poogden zij nu ook de
schans in te nemen, alvorens Sonoij met meerder volk kwam opdagen. Er
had, nadat de schepelingen eerst geland waren, een onverpoosde storm
plaats. Op den dijk, zoo wel naar Amsterdam als naar Muiden, wierpen
de vijanden insgelijks schansen op, en hadden daar de meeste macht van
volk en geschut. Aan de binnenzijde brachten zij verscheidene galeien
en jachten op de Diemermeer, zoodat daardoor een slagboom gesteld
werd voor hen, welke naar dien kant heen of terug wilden,--terwijl
hunne eigenlijke vloot op het IJ lag.

De soldaten van Sonoij verweerden zich nochtans dapper en menig
Spaanschgezind Amsterdammer bezweek onder den storm. Sonoij intusschen
onderricht van den benarden toestand der zijnen, verzamelde in
West-Friesland zóó snel een veertigtal schepen, dat hij er reeds
den zestienden Maart mee onder onder zeil ging om de Diemerschans te
ontzetten. In den aanvang gelukte hem dit weder in zooverre, dat de
vijand op het gezicht der vloot, vol vrees, terugweek. Maar spoedig
bijgestaan door eenige afgezondene schepen, sloeg de schrik op eens,
op de Noordhollanders over. Zij vloden en lieten Sonoij, die zich
op dat oogenblik met een boeier voor het front en in het midden der
vijanden bevond, aan duizenden gevaren prijs, hoezeer het hem ten
laatste nochtans gelukte, er zich dapper door te slaan.

Dat was een onheilspellend gezicht voor de ingeslotenen in de
schans. Moedig en onder een algemeen krijgsgeschreeuw hadden zij
hunne schepen vaardig gemaakt en de zeilen in top geheschen, toen zij
het gewenscht ontzet zagen naderen, ten einde Sonoij het teeken te
geven, dat ook zij, bij den algemeenen aanval niet werkeloos zouden
zijn. En op eens zagen zij nu de helpers, als door een panischen schrik
aangegrepen, in verwarring de vlucht nemen, terwijl de vijanden luide
den triomf aanhieven en de bezettelingen, die voor- noch achterwaarts
konden, met een wissen dood bedreigden.



Terwijl Sonoij's benden, aldus ingesloten, door moedeloosheid werden
aangegrepen, was binnen Haarlem Kenau Hasselaar plotseling door eene
hevige koorts aangetast geworden, en genoodzaakt zich binnen hare
woning te houden. De deelneming harer talrijke vrienden en vriendinnen
getuigde toen van de geestdriftvolle bewondering voor hare persoon,
en geen uur, waarin niet deze of gene door een bezoek ten harent
daarvan de sprekendste blijken gaf.

Zoo was het Zaterdag voor Paschen, dat op de verheugende tijding
harer beterschap, onderscheidene dier vrienden in hare woning bijeen
waren. Men verbeelde zich in die woning in de Spaarnwouderstraat--het
tweede huis van de tegenwoordige Sleutelstraat, thans gedeeltelijk
verbouwd als winkel der coöperatieve winkelvereeniging--een ruim en
volkomen vierkant vertrek, met houten wanden. Deze glinsterden echter
als ivoor en waren met eenige schilderijen behangen. Ook zag men er
de kaart en teekening van hare hofstede aan de Beek met de huizing
en landen, grenzende aan de duinen, onder Overveen gelegen, benevens
een aantal landschapjes, waaronder vooral uitmuntte een gezicht op
de Witte Blink en andere, die den stempel drukten op den goeden smaak
der eigenares. Men zag in dat vertrek van Kenau Hasselaar den eenvoud
des burgers van die dagen op de ongezochtste wijze vereenigd met
eenige geriefelijkheden van den deftigen stand. Wel was de blinkende
steenen vloer met geen kostbaar tapijt belegd, doch de reusachtige
spinde of spijskas was reeds fraaier en kunstiger uitgesneden, dan
men die in het algemeen aantrof, en behalve de bijna onzichtbare
kastjes in de wanden, zag men aan weerszijde van de spinde nog eene
keurig gewerkte citroenkleurige armkast, in vorm niet ongelijk aan
de prachtige hoekbuffetjes in de woningen van den adel. Op den
hoogen mantel van den kolossalen schoorsteen, op de uitstekende
net geschilderde lijsten van den wand, prijkten in smaakvolle
rangschikking die Delftsche porseleinen, welker veelvuldig gebruik
zoozeer den bloei bevorderde der plateelbakkerijen, en die slechts op
de buffetten der hoogaanzienlijken door sieraden van zilver vervangen
werden. De vierkante tafel in het midden van het vertrek was omgroept
door eenige dier stoelen met hooge leuningen en met zachte kussens
bedekt, terwijl Kenau zelve in een breeden, gemakkelijken armstoel,
dicht bij den haard was gezeten, waarin nog een vriendelijk turfvuur
flikkerde, ofschoon de twintigste van lentemaand een ware lentedag was.

Kenau, of zoo als men haar aansprak, juffrouw Borst, had een bruin
lakensch keursje aan, waarover een groote witte halsdoek met de twee
punten nederhing. Haar hoofdhulsel bestond in eene eenvoudige muts met
insgelijks nederhangende slippen, en verried dus het gewaad van eene
zieke, maar van eene zieke, reeds genoeg hersteld om een deelnemend
bezoek te kunnen afwachten, zonder dat zij aan hare kleeding eene
angstvallige zorg scheen besteed te hebben. Eene harer dochters was
niet in het vertrek; huiselijke op haar rustende plichten wettigden
dit volkomen, vooral daar Guurtje den bezoekers al de kleine diensten
bewees, welke gewoonte en beleefdheid vorderden. Aan de stokbeurs en
het sleuteltuigje, op haren bruin lakenschen rok hangende, zag men,
dat op Guurtje, althans gedeeltelijk, de taak van de moeder rustte; en
zij kweet zich daarvan zoo innemend en rap, dat de mindere bevalligheid
van hare houding en haar gelaat er vrij wat behagelijks door verkreeg.

Rondom den haard zaten of stonden reeds Ripperda, die gedurende Kenau's
ongesteldheid haar elken dag met zijn bezoek vereerd had, alsmede
burgemeester Van der Laan en Van Vliet, terwijl het gezelschap nog door
Van Duivenvoorde en Lancelot van Brederode vermeerderd werd. Ook zag
men er Hendrika van Vliet en Geertruide van Brederode! welke laatste
reeds eenige oogenblikken voor haren vader gekomen was.

--»Wat het mij vreugde doet, juffer Borst, dat gij beter vaart,«
sprak Van Brederode, als de laatst binnengetredene, onder het doen
van den gebruikelijken handkus; »op zulk eene goede mare repte ik de
voeten herwaarts, om zelf te zien en te hooren; maar ik kan verdere
vraag sparen; want uwe trekken zijn vrij wat opgeluisterd sedert
verleden Woensdag.«

--»Voorzeker, mijne heeren!« antwoordde Kenau, met eene kleine buiging
van het hoofd. »Ontvang mijn dank voor uwe deelneming, die mij tevens
tot geene geringe eer is. Als doctor Elsen het mij niet had verboden,
ik zou met zoo zoeten lentedag mij niet in dit vertrek sluiten; ik
hunker naar de frissche lucht. Daarbij verlang ik een troostwoord
te brengen in het huis van mijn heere Van Schooten, wiens deerlijk
ongeval mij zeer aan het harte gaat.«

--»Speen u van dat verlangen,« hernam Brederode, »zoolang gij niet
gansch welvaart. 't Mocht u tot nadeel wezen, en mogelijk dat gij er
langer last door leedt dan nu. Ik moet nochtans instemmen, dat het
uw gemoed hard valt, bij mijnheer Van Schooten geen enkel troostwoord
te spreken. Maar voorwaar, daar is geen troosten aan.«

--»Ja, voor elke wonde is geen heelmiddel,« sprak Kenau; »wat zij een
meisken van moedigen, kloeken geest was; wat zij met vuur naar den
wal streefde, om den Spanjaard te keeren! Al droevig zou het geweest
zijn, zoo zij omgekomen ware in de verdediging; maar zoo jammerlijk
uit het leven te gaan, terwijl zij daar den voet uit het huis zette,
dat was een ramp, die mij bitter grieft.«

--»'k Heb den dood in velerhande gestalten aanschouwd,« zeide Van
Brederode, »maar schrikwekkender nooit.«

--»Haarlem's beleg kost bloed en tranen,« sprak Ripperda, »maar op
Haarlem is het, dat heel Nederland den blik slaat; Haarlem moet de
grondslag der vrijheid zijn, of het gebouw wordt nooit in top gehaald.«

--»Het is daar een huis van rouwe en weedom,« zeide Van der Laan, »en
ook mij pijnt het fel; want ik liefde Maria, niet enkel uit gevoel
van maagschap, maar omdat zij edel van gemoed, wakker en kloek van
geest was. De ramp is groot; zal daar wel één dag aanbreken, zonder
dat wij gewapend moeten wezen op allen kommer en ongeval? God weet,
wat ons boven 't hoofd hangt; maar in plaats dat eenig onheil onzen
moed verzwakke, verhooge het dien veeleer. Dat wij zijn mogen als de
steen en het staal; hoe meer slagen, hoe meer vonken.«

--»Zoo zijn wij, en zoo zal het blijven,« sprak Brederode. »Mijne
dochter--ik schroom niet dat zij het hoore--mijne Geertrui is mijns
levens zoet; maar schoon zij een gelijken dood mocht vinden als Maria
van Schooten--ik zou nog moediger wezen, om iederen druppel van haar
bloed op den Spaanschen kop te wreken; geen zoo zwarte nacht mag er
komen, of er moet licht uit te scheppen zijn.«

--»Ja,« hernam Kenau. »Nooit versaagd, wat ons ook treffe!--Toen ik,
drie dagen geleden, door eene felle koorts aangetast lag, werd ik
zwaarmoedig bij de maar, dat de vijand ons eene mijn afhandig gemaakt
had en aan het blokhuis dreigde te komen. Ik duchtte ongeval; maar op
eens werd ik weer moediger bij de gedachte aan 's vijands neerlagen
sedert de laatste drie maanden. Schot op schot hoorende, wilde ik voort
naar den wal;--maar mijn wil sterker wezende dan mijne kracht, moest ik
aflaten; ook ging Guurtje mij wakker te keer en sloot mij den uitgang;
maar nu ik weer in beterschap ben, zal de vijand geen aanslag doen,
waarbij ik hem niet mede te keer ga. Wees gerust, Geertruida, dat gij
zonder mij het vendel niet zult zwaaien op den wal, en dat Juffer Kies,
in plaats van Kenau Simonsz, de aanvoerster niet zal zijn.«

Deze laatste woorden, met een kleinen glimlach vergezeld, getuigden
op het levendigst, hoe Kenau's geestkracht nooit insluimerde en hoe
zij rusteloos bezig was met het denkbeeld eener kloeke verdediging.

--»'t Zou u nochtans weinig geraden wezen, te ras uit uw huis te gaan,«
zeide burgemeester Van Vliet.

--»Gewis,« voegde Van Duivenvoorde er bij, »wij moeten u bidden,
dat gij u niet bloot geeft, zoolang uwe kracht niet gansch zal
teruggekeerd zijn.«

--»Bekommer u niet, mijn heere!« antwoordde Kenau. »Als ik al mijne
kracht nog niet terug heb, geloof ik, dat het gezicht van het bolwerk
wel de rest doen zou.«

--»Wel mogelijk,« zeide Van der Laan, »vooral de plek waar Cuningham
en Margottin, drie dagen geleden, zoo kloek vochten en niet rustten,
voordat zij de mijn hadden herwonnen, waar de Duitschers het niet
konden harden. Maar hoe is het met den vaandrig Scot, heer Van
Duivenvoorde? Is zijne wonde nog van groot gevaar?«

--»Ik ben zoo flus uit het gasthuis gekomen,« was het antwoord,
»en vernam met vreugde, dat hij vrij wat aan de beterhand is.«

Ieder der aanwezigen gaf daarover insgelijks zijne blijdschap te
kennen; want de vaandrig Scot had zich aan de zijde van Margottin
weder even dapper gedragen als in den storm van den laatsten Januari,
en men had aanvankelijk gedacht, dat zijne sedert drie dagen bekomen
wonde doodelijk was.

--»Meester Elsen komt niet meer in 't gasthuis?« vroeg Hendrika van
Vliet, minder om deze vraag bevestigd te zien, dan wel om een woord
over den doctor te hooren spreken, daar het pasgebeurde met Anna en
Boreel aan de meesten niet onbekend was.

--»Al sedert weken niet meer,« antwoordde Guurtje.

--»O, daar is hij gansch de man niet toe,« sprak Kenau, »als hij
eene zware kwetsuur ziet, dan wordt hij zoo door schrik aangetast,
dat hij niet meer spreken kan....«

--»Het verwondert mij, dat hij de praktijk laat slippen,« zeide
Geertruida van Brederode, »vooral nadat....«

En nu zoude zij meer gezegd hebben, toen op hetzelfde oogenblik de deur
van het vertrek werd geopend, en doctor Elsen in persoon binnentrad.

Wist zich in gansch Haarlem niemand te herinneren, dat men ooit
eenige kleur op des doctors aangezicht gezien had, thans droeg
dat gelaat volkomen den tint van een lijk; wanneer men hem in eene
onbeweeglijke houding gezien had, zou men er op gezworen hebben, dat
hij dood was; maar dat aschverwig gelaat was geen oogenblik zonder
beweging; iedere spier, elke zenuw scheen er in werking, scheen nu
eens te zwellen dan weder uitgerekt of plotseling saamgekrompen
te worden, evenals bij iemand, wiens smart tot bitter leedgevoel
overslaat. En dat alles was beklemming, angst, vrees, schrik, die
hem onophoudelijk in verschillende gedaante bestreden; want doctor
Elsen was een rondslingerend wrak gelijk, waartegen nu eene kleine,
dan weder eene grootere golf, met mindere of meerdere hevigheid bijna
onverpoosd aanbeukt--een wrak, dat iedere minuut dreigt te zinken en
echter blijft ronddrijven, zonder dat het verbrijzeld wordt.

--»Meester Elsen!« zeiden eenige der heeren tegelijk, terwijl
Guurtje hem te gemoet trad, en zij, die gezeten waren van hunne
stoelen opstonden.

--»Ik--ik kom eens zien....« zeide de doctor stamelend en zichtbaar
verlegen, zooveel bezoekers aan te treffen, die hij allen tegelijk
wilde groeten, doch het eigenlijk niemand deed, omdat hij er òf den
moed òf de kracht niet toe had.

--»Het is vrij wat beter met mij gesteld, meester Elsen!« zeide Kenau,
die zijne verlegenheid zooveel mogelijk te gemoet wilde komen, »geen
zweem zelfs van de koorts, en ik ben u dank schuldig voor de artsenij,
die mij zooveel baat gaf.«

--»Ik had het gegist en het doet mij vreugd,« zeide de doctor,
terwijl hij zichtbaar beefde en het zweet op zijn voorhoofd kwam,
toen hij bespeurde, dat aller oogen op hem gericht waren, »maar
eilaas! met mij is het kwalijk gesteld; geen lid van mijn lichaam,
dat zonder pijn is....«

--»Wat gij rept, meester!....« hernam Kenau, »wat euvels is u
weervaren?«

--»Ach! ik schep geene lucht meer,« sprak de doctor met een hijgende
stem; »mijne knieën knikken; mijne beenen zijn weigerachtig mij te
dragen. Ik, oude zwakke man, dra zal ik mijn huisdorpel niet meer
kunnen aftreden; en had ik niet zoo langen tijd omgang gehad in
dit huis, toen Nanning Borst nog niet van de wereld was, voorzeker,
ik zou den voet niet meer in de deur zetten.«

--»Zulke woorden zou u menigeen kwalijk afnemen, meester!« zeide
Kenau vriendelijk; »ik meende, dat gij mij beter gezind waart; maar
ik hoor het nu: 't is dus om den wille van mijn overleden man, dat
ik de gunst van uwe praktijk heb?....«

--»Bewaar mij de heilige maagd!« stamelde de doctor, »duidt niet in
zulken zin, wat ik gezegd heb. Ik heb evenzeer groote achting voor u;
maar ik meen enkel, de lange jaren, die ik hier in- en uitging, binden
mij aan de huizing, en zoo heb ik nog andere vrienden, die ik niet kan
verlaten; maar al de rest, die mijne hulp tot genezing zoeken, moet
ik afstaan. Ik, oude zwakke man! ik kan niet meer... Wat zal ik tot
hulpe zijn voor anderen, ik, die ieder uur zelf hulp van doen heb....«

--»Wat gij droevig klaagt, meester!« hernam Kenau, »zijn uwe jaren dan
al zoo hoog, dat het leven u schier een ondraaglijk pak is? Geloof
mij, gij beangst u al te zeer; 't zou beter met u gesteld wezen,
zoo gij moediger waart.«

De doctor wilde weer het woord opnemen, toen Lancelot van Brederode,
een paar schreden dichter naderende, hem op eens wat forsch te
gemoet voerde:

--»Maar, meester! hoe kon 't u van 't hart, om mijn heere Boreel
uit uw huis te laten gaan? Wat hadt gij in uwe zwakheid niet al hulp
te wachten van een zoo wakker en kloek man! Mij dunkt, dat gij daar
deerlijk berouw van zult hebben.«

Nauwelijks was deze vraag gedaan, of de doctor sloeg een angstigen
blik op den ruwen watergeus, en zijne armen begonnen zoo koortsachtig
te beven, dat de vrouwen reeds medelijden gevoelden. Zij vestigden
het oog op Brederode, als baden zij hem, den grijsaard niet hard te
vallen; doch Brederode veinsde dit niet te zien en hield ernstig en
strak het oog op den doctor gericht.

--»Ik--ik hem uit mijn huis laten gaan, mijn heer!« zeide de
doctor. »Laas! de heilige moeder Gods weet, dat de jonkman zich met
geweld van mij afgescheurd heeft, en--ik had hem zoo lief. Mijne
Anna, al mijn levensschat, wilde hij van mij afrukken.... mij, ouden
man! wilde hij den eenigen steun ontnemen; hij wilde mij den dood
aandoen; hij is het, die zich losgerukt heeft van Anna--van mij:
denk eens, hoe bitter mijn kind er onder lijdt.«

--»Daar zijt gij de schuld van, meester!« sprak Brederode, »hij heeft
gedaan, zooals passend was voor een rustig en wakker man; en dat zeg
ik met rondheid, de dwaze vrees van uw gemoed zal de oorzaak wezen,
zoo gij in eenig leed komt.«

--»Lieve Heer!.... zoo moet mij nog zwaar verwijt toegedreven
worden....« klaagde de doctor, »zoo moet de schuld geladen worden
op mijn hoofd... Laas! ik had het gedacht; 't is nog niet genoeg,
dat ik mijne Anna gedrukt zie door wee;--ik, oud en zwak man moet
met nog harder kwaad worden bedreigd. Maar God, die mij kent, zal
mij tot schut wezen; want er kleeft niets euvels op mij.«

--»Mijn heere Van Brederode meent het zoo heftig niet, als gij denkt,
meester Elsen!« sprak Kenau. »Kom, laat ons over die dingen niet verder
reppen, en zeg mij liever eens, doctor, of ik van uwe artsenijen nog
vlijtig gebruik maken moet.«

Die woorden vielen als balsemdruppels in het gewonde hart van den
doctor, en wanneer hij door geene getuigen omringd ware geweest,
zou hij zijne dankbaarheid hebben uitgedrukt. Dat was eene zedelijke
weldaad, eene uitredding uit den folterendsten toestand der ziel; en
die toestand was zichtbaar; want de doctor was door die plotselijke
opheffing zijner gemoedsbeklemming niet in staat om op het laatste
gedeelte van Kenau's toespraak te antwoorden, en stamelend sprak
hij eenige onzamenhangende woorden, die men op alles en op niets had
kunnen toepassen.

Maar Kenau wilde hare weldaad volmeten; en den schijn aannemende
alsof zij hem volkomen begrepen had, liet zij onverwijld er op volgen:

--»En is het mij ook vandaag niet toegestaan, doctor! om met zoo
schoonen lentedag den voet uit mijn huis te zetten?«

--»Gansch niet, juffer Borst!« zeide de doctor in verwarring, en het
op zijn voorhoofd parelend zweet wegwisschende, »gij moet de artsenij
gebruiken--gij zult er baat bij vinden--en het weder is zacht;
de frischheid van de lucht zou vandaag goed voor u zijn.... Houd
u warm. Tot morgen;--och! of ik al in de Schachelstraat ware!--de
weg valt mij zoo moeilijk, en 't is alom vol gevaar, waar men
ook gaat.... Mijn heere!.... gegroet, mijn heere Ripperda!....«
En de doctor maakte eene verlegene buiging, zonder te zien wien hij
groette. »Mijn heere Van der Laan!....« en het was Van Vliet; en hij
boog andermaal, terwijl hij zuchtte, met gekommerden tred naar de
deur ging en al zuchtend en hijgend het huis verliet.

Doctor Elsen was vertrokken.

--»Och! ik beklaag hem van ganscher hart,« zeide Hendrika Van Vliet.

--»Lieve vader! wat gij hard tegen hem waart,« zeide Geertruida van
Brederode, »ik geloof, dat het spoedig met hem gedaan wezen zal.«

--»Zijne vrees groeit met den dag,« sprak Van Duivenvoorde. »Jammer
van een man, die zoo vroed is in zijne professie. Meester Duvius
heeft grooten naam, maar hij behoeft voor dezen niet te wijken.«

--»Bij mijne ziel! als ik ooit een banger wezel aanschouwd heb,«
zeide Lancelot van Brederode. »Meester Maarten--en hij bedoelde den
beroemden schilder Heemskerk--is ook bang, en toch wint deze het hem
nog honderdvoud af. Voor een wakker man zou een penseelstuk van 'tgeen
wij daar voor oogen hadden, geld waard zijn. Maar« ging hij op scherpen
toon voort, »er schuilt boeverij onder zijne kap; 'k heb het gezegd
en zou het durven bezweren; hij rekent half verdoemd, wie geuzen zijn;
dat drijft boven zijne vrees; dat is op zijne tronie te lezen: meester
Elsen is geweekt en gewenteld in 't zog van de pauselijke doctrijne.«

--»'t Kan zijn,« sprak Ripperda, »dat er trekken schuilen onder
zijne bangheid; maar laat ons niet hard wezen in 't oordeel jegens
anderen. Bovendien is er weinig kwaads van hem te schromen, en, voor
zooveel de mensch wikken mag, is het met zijne levensdagen aan het
naaste eind.«

--»Ja, de vrees knaagt met scherpen tand aan zijn lichaam,« zeide
Van Duivenvoorde, »hij schijnt tachtig jaren, ofschoon hij er nog
geen zestig telt.«

--»'k Heb medelijden met hem,« zeide Hendrika van Vliet, »hoe moet
de arme Anna droef te moede zijn, na den forschen stap van mijnheer
Boreel. Ik hoor, dat hare trekken de sporen dragen van bittere smart.«

Nu sprak men weder over de gebeurtenis, zooals men er reeds sedert vier
dagen over gesproken had. De gevoelens der vrouwen te dien opzichte
liepen niet uiteen. Ieder noemde de handelwijze van Boreel forsch,
hard; elks gevoel deelde in Anna's felle grieve; ieder beklaagde haar
als het onschuldig offer van de zwakke denkbeelden eens vaders. En in
die gesprekken mengde zich dan Anna's vroegere liefde voor Stompwijk,
met het raadselachtige, dat er over diens scheiding van haar verspreid
lag; en in weerwil van Anna's kiesch en edel stilzwijgen te dien
opzichte, rustte er op Stompwijk eene zware verdenking. Maar de mannen
verdedigden Boreel; hun gevoelen was, dat men aan geene zwakheid moest
toegeven in een tijd, dat Haarlem en heel het vaderland van moed en
geestkracht afhingen. Boreel had getoond, hoe zwaar dit bij hem gold;
en in allen gevalle zou de argwaan tegen den doctor niet vermeerderd
worden, daar Boreel zich zelfs bereid had verklaard, te bezweren, dat
Elsen geenszins naar den Spaanschen kant overhelde. Maar men sprak
over dit een en ander niet lang; de zaak van de Diemerschans toch
was sedert de laatste dagen te zeer het hoofdpunt der gesprekken. De
Diemerschans was het, waarover ieder Haarlemmer thans dagelijks
den mond vol had. Geen wonder!--Sonoij's tocht was eene zaak van de
hoogste aangelegenheid, eene zaak, die met Haarlem's belegering in
het nauwst verband stond. Gelukte deze, dan zou het Spaanschgezinde
Amsterdam zeer geprangd en Haarlem hoogstwaarschijnlijk ontzet worden,
te meer, wijl de Spanjaard zich nog geen meester had gemaakt van de
Fuik of Haarlemmermeer.

Maar wij zagen reeds, dat voor het gelukken der onderneming zeer veel
vrees, weinig hoop bestond.

--»Er zijn anders genoeg wakkere kerels onder hen,« zeide Brederode,
wiens ruwheid zich vooral dan openbaarde, wanneer het gesprek op de
Watergeuzen kwam, »kerels, die zoo weinig den duivel schromen als
den Spanjaard, en die den roof voor de hel zouden weghalen.«

--»Zou uw neef Erasmus, de vaandrig, ook in de schans wezen?« vroeg
Van Duivenvoorde.

--»'k Weet er niet van,« was het antwoord, »maar ik ben niet bang
voor hem; want in 't water houdt hij altijd den kop boven, en 't vuur
schroeit hem de huid niet.«

--»Willem Lievensz, zijn hopman,« zeide Van Vliet, »is ook de rechte
leeuw om er courage in te brengen, en Schaft, die de groote galei
van Hoorn voert, is niet minder een rustig man in 't gevaar; ik heb
hem ontmoet te Sardam; zijn barsch uitzicht zou een lafaard op de
vlucht jagen....«

--»Hij heeft zoo forsch eene vuist,« hernam Brederode, »dat hij er
een os mee zou doodslaan, grooter dan die in 1568 hier doortrok tot
eene schenkaadje voor duc D'Alf.

--»Groote kracht geeft soms luttel baat,« sprak Ripperda, »en beleid
wint het veelal. Wees gedachtig, dat Sonoij's volk ingesloten is,
dat zij gebrek hebben aan alles, en ik twijfel, of zij het in de
schans zullen harden, totdat Sonoij hen opnieuw te hulp komt.«

--»Mij dunkt,« sprak Kenau, »dat er weinig hoop is voor goeden
uitslag. Velen zien den gouverneur van Noord-Holland al met een
scheef oog aan en hij zal niet zoo ras een vereischt getal booten
machtig worden om den Spanjaard de gewenschte afbreuk te doen. Maar
het staat in Gods hand.«

--»Voor zooverre ons oog reikt en wij als menschen gissen,« zeide
Van der Laan, »zal de uitslag tot nadeel van den prins wezen.«

--»En waarom?« vroeg Brederode, »wat Sonoij niet met zachtheid
kan krijgen, dat weet hij wel te klaren door 't rapier. Geef acht;
zonder veel woorden den hals te breken, krijgt hij eene vloot gereed,
en misschien brandt hij er vandaag al op los.«

--»De tijd zal het leeren,« hervatte Van der Laan, »ik wensch, dat
gij de waarheid hebt gezegd.«

Maar die tijd was niet zoo ver af als men dacht. Geen kwartieruurs
toch was verloopen, toen zich aan Kenau's woning luitenant Horenmaker
aanmeldde met verzoek om onverwijld Ripperda te spreken.

--»Wat hebt gij, luitenant?« vroeg Ripperda.

--»Dezen brief, mijn heere! zoo-even aan uw huis gebracht.«

--»Een brief van den prins!« zeide Ripperda, dien ijlings aannemende.

Hij las, de tijdingen waren allerongunstigst. Toch kwam geene
donkere, geene lichte wolk zelfs op dat gelaat, altijd den stempel
dragende eener ziel, die niet nedergeslagen kon worden, eener ziel,
wel gevoelig voor vreugd en leed, maar altijd even groot: nooit geen
spook van verschrikking in het leed ziende, nooit bouwende op het
stuifzand der vreugd.

--»Ik heb schrift van Zijne Excellentie,« sprak hij weder in het
vertrek teruggekeerd zijnde, nadat Horenmaker hem verlaten had.

--»Goeds, mijn heere?« vroeg Kenau.

--»Kwaads?« vroeg Brederode; want Ripperda's gelaat liet noch het
eerste, noch het laatste lezen. En nu deelde hij datgene mede,
waardoor Kenau's en Van der Laan's voorgevoel bevestigd werd.

De ingeslotenen in de Diemerschans door honger overmand en geene
uitkomst ziende, besloten, de schans bij verdrag over te geven. Daar
de vijanden evenwel naar geene voorwaarde hoegenaamd wilde luisteren,
waagden zij het, gedurende den nacht, dwars door hen heen te
breken. Zij, aan wie dit gelukte, bezeilden den Waterlandschen wal,
doch de wakkere hopman Jan Taamszoon Schaft boorde alvorens zijne
groote galei in den grond, opdat zij niet in handen van den vijand
zou vallen. Velen echter vonden den dood, zoowel onder het vluchten
als op het land, dat zij reeds bereikt hadden; want afgemat en
uitgemergeld door den honger, weigerden de beenen het lichaam te
dragen, en wellicht ware niemand ontkomen, wanneer zekere Jan Harink
van Hoorn zich niet als een tweede Horatius Cocles had gedragen. Aan
eene engte van den dijk, die van buiten door het IJ en van binnen door
een meer bespoeld werd, hield hij onverschrokken stand en bestreed de
eerste vijandelijke vervolgers zoo krachtdadig en dapper, dat vele der
schepelingen zich inmiddels door de vlucht konden redden. Daar de als
een stroom aanpersende vijand ten laatste echter zoo talrijk werd, dat
Jan Harink op het punt was van te bezwijken, sprong hij op eens in 't
water, en nu eens onderduikende, dan weder met het hoofd boven, gelukte
het hem, onder een kogelregen, al zwemmende, de overzijde te bereiken,
vanwaar hij, dwars door de eilanden, behouden te Monnikkendam aankwam.

Ook was het gedurende deze vlucht, dat de adelborst Erasmus van
Brederode min of meer het zegel drukte op hetgeen Lancelot van
hem gezegd had. Onder het vluchten, door een kogel, even boven den
linkervoet getroffen, tuimelde hij op den grond, doch met inspanning
van krachten weder opgestaan zijnde, sleepte hij zich voort naar
het IJ, met het doel om zich desnoods liever te verdrinken, dan zijn
leven aan de galg te eindigen. Maar beneden aan den dijk heeft hij
het ongeluk over zijn slagzwaard te struikelen, en met het hoofd naar
beneden in een sloot te vallen, zonder zich te kunnen redden. Reeds
breekt het doodszweet hem uit, doch op het oogenblik, dat hij dreigt te
stikken, nadert een rotmeester met twee soldaten van zijn eigen vendel.

--»Een Spanjaard! sla dood!« roept de rotmeester en te gelijker
tijd op Brederode, dien hij voor een vijand hield, aansnellende,
tracht hij dezen met zijne spies te doorrijgen. Het wapen treft
echter--volgens het verhaal--slechts de wrong van Brederode's wambuis,
dat met paardenhaar gevuld was: de punt wordt door het haar omkronkeld,
brengt slechts eene kleine wonde in het vleesch toe, en--de rotmeester
zijne spies terughalende, trekt nu tevens den drenkeling uit het water.

--»Wat zijt gij voor een martelaar, die een braaf borst niet opeens
om hals brengt?« roept Brederode, weder tot adem gekomen. Maar
oogenblikkelijk aan stem en houding herkend wordende, komt men hem
te hulp, men onderzoekt zijne wonde, en gezamenlijk brengt men hem
tot Uitdam, waar men in eene boot van vluchtende landlieden valt en
weldra behouden binnen Monnikkendam komt.

--»Ziedaar den uitslag,« sprak Ripperda; »de Spanjaard is meester
van de schans en wij behoeven ons niet met de hoop te streelen,
dat Haarlem langs dien weg zal ontzet worden.«

Het verhaal der mislukking bracht op sommige der aanwezigen een
verschillenden indruk te weeg, en toen Ripperda zweeg, was Lancelot
van Brederode de eerste, die het woord opnam:

--»Bij mijne ziel!« sprak hij, »dat is een distelig werk. 'k Heb mij
bedrogen in Sonoij: ik dacht, hij zou den Maraan beter op de huid
hebben gespeeld.«

--»Het is tegenspoed,« zeide Kenau, wier gelaat eene hoogere kleur
aangenomen had, »maar tegenspoed treft zoo hard niet, wanneer men
dien vooruit heeft gezien. Gewis! Jonker Sonoij heeft zich te veel
korselheid op den hals geladen om de Noord-Hollanders spoedig te
winnen. En waar de dingen enkel met dreigen en geweld moeten doorgezet
worden, daar volgt meestal de gehoorzaamheid met tragen tred.«

--»En toch durf ik zweren,« hernam Brederode, »dat Sonoij het op den
Spanjaard zal verhalen. Ik ken hem.«

--»Heb geen twijfel,« zeide Ripperda, »of Sonoij zal wel met tal
van schepen zoeken te herwinnen, wat hij verloren heeft. Maar ik
zie geen gunstig verschiet voor hem. Juffer Borst heeft het wèl, dat
hij in bijsteren haat is. Het geval van den achtsten Maart, toen al
de nonnen binnen Hoorn van de peluw gelicht en met ruwheid naar de
schepen zijn gevoerd, heeft de vlam van den haat feller tegen hem
aangeblazen, en hoezeer van het meerendeel der balddadigheden zijn
volk de schuld draagt! wordt nochtans alles op zijn hoofd gebracht.«

--»Maar zoo hij zelf geen fel en wreed man ware! zou hij toch wel
middelen ter hand nemen om zijne benden te beteugelen,« zeide de
schoone Hendrika van Vliet, die gehuiverd had, toen de tijding van het
gebeurde met de kloosterjuffers te Hoorn binnen Haarlem gekomen was.

--»Gij zegt het, jonkvrouw! maar zie op den tijd, waarin wij zijn. Toen
het korts geleden uit de kerf ging met den balddadigheid van hopman
Krok, heeft Sonoij hem toen niet doen grijpen en hem in Schagen's
huis het hoofd voor de voeten gelegd? Maar niet zoo spoedig is het
volk gestemd, dat meestal uit vrijbuiters bestaat, gewoon, binnen
scheepsboord geen hooger gezag te erkennen dan het hunne, en eere
zoekende in ongebondenheid.«

--»En men weet niet, met wat bezwaar en moeite een aanvoerder te
kampen heeft,« zeide Van Duivenvoorde.

--»Men weet het wel,« hernam Ripperda, »maar men erkent het niet; men
is onrechtvaardig, vooral zoo de fortuin ons den rug keert. Elk wil
zijn deel hebben aan de glorie, maar bij neerlaag kleeft al de schuld
op den aanvoerder. Geef acht op Sonoij. Zijn volk zal hem aantijgen,
dat hij hen in de schans op de slachtbank heeft gevoerd; en hoezeer
hij niet vrij is van dolle drift, zal zijne onvoorzichtigheid al de
schuld dragen. Grooter dunkt mij nochtans zijne fout, dat hij, hoog en
trotsch van gemoed, alles naar zijn zin wil doorzetten en in dingen
van groot gewicht diegenen niet kent, welke hem met raad en middelen
kunnen bijstaan. Vandaar gewis, dat hij niet ras genoeg met tal van
schepen naar de Diemerschans heeft kunnen zeilen; vandaar voorzeker,
dat het voortreffelijk doelwit zoo deerlijk is mislukt.«

--»Waarachtig!« zeide Lancelot van Brederode, »een dwaas is de man,
die aanspraak maakt op lof; maar nog grooter dwaas, die niet rekent
op minachting en smaad, trots den besten wil en plicht. Zie op mijn
heer Tseraarts. Waar men zelfs een Tseraarts alle schuld gaf, hoe zal
het dan met Sonoij zijn, dien men een tweeden Lumeij noemt. Maar bij
mijne ziel! Is het Sonoij gemist, ons te ontzetten, daarom heeft ons
duc D'Alf nog niet in zijne macht: tegenspoed doe ons sterker zijn!«

--»Maar vooral vertrouwen op God!« voegde Van der Laan er bij.

Er werd nu niet lang meer gesproken; want Ripperda verliet weldra
Kenau's woning. Na hem volgden de anderen; want er moest nog dezen
dag eene vergadering van den magistraat als ook een krijgsraad
worden belegd.

Wel wist men nu in de stad, dat de aanval op den Diemerdijk mislukt
was--nog niet, dat Sonoij, schoon met veel moeite, een aantal razeilen,
karveelen, krapschuiten en andere, te zamen tachtig schepen, te Edam
bijeenverzameld had. Deze vloot, op het punt zijnde om onder bevel
van den admiraal Pieter Franken onder zeil te gaan, ontving men in
de stad de tijding, dat de Diemerschans reeds verlaten was. Toch
werd de tocht naar het IJ gedaan en wel met het gevolg, dat men de
Amsterdamsche schepen dapper aanviel en ze verjoeg en achtervolgde
tot aan de palen voor de stad.

De tijding van den noodlottigen uitslag om Haarlem op die wijze
te ontzetten, bracht verschillende oordeelvellingen te weeg. De een
vreesde, dat de stad nu spoedig geene levensmiddelen meer zou krijgen;
de andere zag het als een voorbode van verdere mislukkingen aan. Deze
voelde zijn moed verflauwen, gene dien aangroeien: sommigen waren van
oordeel, dat men een vereenigden uitval moest ondernemen; en dewijl
er den achtsten Maart twee vendels Franschen en Engelschen binnen de
stad waren gekomen, die men weder had doen vertrekken, omdat men reeds
bijna vier duizend soldaten in de vest had, zoo meende men, dat hen
te houden wijzer ware geweest. Anderen waren van een tegenovergesteld
gevoelen; want werd het inkomen van levensmiddelen belet, te spoediger
zou men er gebrek aan krijgen, naarmate men meer monden te spijzigen
had. Ook meenden enkelen, dat men den vijand zooveel mogelijk door
tegenmijnen moest teisteren. Zes dagen geleden toch had men door
middel van zulk eene mijn weder dertig Spanjaarden doen omkomen,
terwijl eene vijandelijke mijn op l.l. Donderdag aan de belegerden
geene de minste schade had toegebracht. Wat had daarentegen de uitval
van kapitein Enkhuizen zoowel op den negenden Maart als twee dagen
later uitgewerkt? Door den mijnen-oorlog moest men den Spanjaard
vernielen. Maar zij, die wisten, dat moedige uitvallen het best
in staat zijn om den vijand te verzwakken en schrik in te boezemen,
verhieven hunne stem het luidst en hadden verre de overhand: zij waren
het vooral, wier vertrouwen op Ripperda zeer groot was, wel wetende
dat ook hij, als bekwaam bevelhebber, in een uitval de meeste kans
zag tot voordeel.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.


Intusschen was van Magdalena's lot binnen Haarlem niets bekend.

Slechts twee dagen had zij in de nog akeliger gevangenis gesleten:
vervolgens had men haar weder naar de bidcel teruggebracht. Deze gunst
had zij te danken aan de voorspraak van 's konings betaalmeester,
Eduard van Bournonville, heer van Capres, die in Frederik's gunst
stond, hoezeer hij met eene dochter van den ongelukkigen grave Van
Egmond gehuwd was. Meer had Capres verzoek niet vermocht, en zelfs
dit zou het niet bewerkt hebben, wanneer geene andere drijfveeren
don Frederik bewogen hadden. Hij oordeelde het staatkundiger, haar,
onder een eenigzins dragelijker lot, in zijne macht te houden. Wel had
hij reeds ondervonden, dat de moed der Haarlemmers niet te buigen was;
maar de kansen des oorlogs zijn wisselvallig; Boissu, don Ferdinand,
Romero of een ander kon den belegerden in handen vallen; hun leven kon
op het spel komen; maar nu had hij de vrouw van Van Duivenvoorde in
zijne macht; hun dood kon de hare wezen, hun leven en hunne vrijheid
het leven en de vrijheid van haar.

Dit gold meer bij hem dan de voorspraak van Capres. Frederik was echter
voornemens, haar naar een klooster in Amsterdam te laten overbrengen
en den prior tot borg te stellen voor hare verzekerde bewaring; dat
voornemen had hij nochtans telkens uitgesteld, daar hij nog altijd
hoopte, Haarlem spoedig te doen overgaan.

Geene hoop intusschen voor Magdalena, dat er andermaal eene poging
tot hare redding zou worden gedaan. Dit scheen haar onmogelijk,
en toch werd tot dit schijnbaar onmogelijke het voornemen opgevat.

Dag aan dag was voorbijgesneld, maar voor Magdalena waren zij
omgekropen. Scherpe koude had zich in haar verblijf doen gevoelen,
en echter had zij die wederstaan, en zich velerlei ontberingen
getroost. Wat beteekenden die toch in vergelijking van haren
gemoedstoestand? Want hoe gelaten ook, zij was afgerukt van hare
kinderen, en eene moeder alleen is in staat om al het smartelijke
daarvan te gevoelen. Zij hoort den donder van het geschut,--wie zegt
haar of de kogel niet een harer lievelingen treft? Zij hoort eene
losbarsting, alsof gansch Haarlem vaneen splijt, en zij huivert; want
wie zegt haar, of niet de woning instort, waar hare kinderen tevreden,
hun gevaar onbewust zijn? Zij siddert--zij wil toesnellen om hen te
redden; maar--dikke muren zien haar spookachtig aan; de deur wordt
niet bewogen in weerwil van haar wanhopig gebons; zij valt uitgeput
op den grond, en als haar beul komt, en zij hem vraagt, wat schok
zij daar gehoord heeft, dan grijnst hij haar aan en--de geesel der
onzekerheid blijft haar folteren dag en nacht.

Maar nu was de strenge vorst door eene mildere lucht vervangen
geworden. Het was de dag vóór Paschen--een lieve lentedag, en
de zon wierp een schuinschen straal door de hooge opening in de
bidcel. Evenals altijd gaf Magdalena zich aan den stroom harer
gewaarwordingen over, niet vermoedende, dat haar gevoel op dien
dag weer hevig zou worden geschokt. Daags te voren was Francisco de
Toledo, kapitein van Alva's lijfwacht, met een last van den hertog
in het leger gekomen. Juist had don Frederik het besluit genomen,
Magdalena naar Amsterdam te laten brengen; doch deze last veranderde
zijn plan. Hij besloot, daarvan partij te trekken, en nog eenmaal eene
listige poging in het werk te stellen, om door hare tusschenkomst,
de stad tot overgaaf te bewegen.



Het was omtrent twee ure in den middag, toen Magdalena opeens uit hare
overdenkingen gerukt werd door eene beweging aan de deur en door de
haar bekende stem van Frederik. Eerst wilde zij opstaan, doch kwam
even ras tot andere gedachten, toen te gelijker tijd Frederik haar
verblijf binnentrad, en--zij bleef zitten.

Al ware zij de vrouw niet geweest, die zoo weinig de vrees kende,
dan toch waren de vroegere tooneelen, die zij had bijgewoond, wel in
staat geweest om haar over de komst van den man, althans zichtbaar,
niet meer te doen ontstellen. Zij had zich niet alleen op zijne
nadere komst gewapend, maar ook vast besloten, om, zoo mogelijk,
nog meer verachting en onbuigzaamheid aan den dag te leggen. Zij
bleef zitten en zag den Spanjaard, zonder een woord te spreken,
fier in het aangezicht. Op het donker en krachtig blozend gelaat
van Frederik vertoonde zich thans die genadige glimlach, welke zijn
forschen oogopslag temperde, en meer dan ooit paarde hij aan zijne
rijke, prachtige kleedij het deftige en trotsche van den Spanjaard,
in voorkomen en houding.

Gedurende een oogenblik had er eene wederzijdsche spanning
plaats. Juist echter toen Magdalena de oogen voor zich sloeg,
zeide Frederik:

--»Zoo het u goed dunkt, signora, wil ik met u spreken.«

--»Met mij, heer? wat verlangt gij van mij?«

--»Mijne komst heeft een voorstel ten doel; twee gebeurtenissen gaven
mij de aanleiding daartoe,« zeide hij op trotschen en toch beleefden,
deftigen toon. »Zoudt gij wenschen, in dit huis een gesprek te voeren
met den heer Van Duivenvoorde!«

--»Met hem?« vroeg zij bijna te hartstochtelijk, doch zich spoedig
herstellende, voegde zij er bij, »maar wat vraag ik? ik moest immers
weten, dat uwe woorden bittere spot zijn.«

--»Dat zijn ze niet!« hernam Frederik. »Ik verklaar u, dat de heer Van
Duivenvoorde bij een uitval door mijne soldaten is gevangen genomen:
hij is op het huis Berkenrode, en het hangt van u af, of gij hem zien
en spreken wilt.«

--»Van Duivenvoorde gevangen? o God! zou dat waarheid zijn?«--riep
Magdalena; en haar oog, dat op Frederik gevestigd was geweest,
richtte zich naar den hemel, als wilde zij vandaar de bevestiging
der waarheid hooren.

--»Het is, zooals ik u gezegd heb,« hernam Frederik; »mijne soldaten
zouden hem doorstoken hebben; want zij weten, dat de oproerige
onderdanen van den koning allen den dood verdienen, maar als
bevelhebber gaf ik sinds eenigen tijd den last, dat zij de aanvoerders
van de burgers levend in handen moesten zien te krijgen, en de heer
Van Duivenvoorde is de eerste niet, met wien hun dit gelukt is.«

--«Gevangen, hij?« vroeg Magdalena nog eens, op den toon van iemand,
die twijfelt en tegelijk beangst is voor de mogelijkheid.

--»Ja,« sprak Frederik met gehuichelde fierheid. »Of is het,« ging
hij op een voor haar pijnigenden toon voort, »uw echtgenoot niet,
wien het nu misschien berouwt, dat in Haarlem zijne drie kinderen
ook zonder vader zijn; en gij, signora! zijt gij van die kinderen
de moeder niet? Maar ik zie het--gij twijfelt nog aan mijne woorden,
en gij weigert dus, mijn voorstel aan te hooren?«

--»Neen, neen! dat heb ik niet gezegd,« antwoordde Magdalena in eene
hevige gemoedsbeweging, daar de looze toespeling op hare kinderen haar
diep geschokt had, »maar wat wilt gij van mij? Wat stelt gij mij voor?«

--»Hoor mij!« zeide don Frederik op minzaam fieren en inderdaad
vertrouwen inboezemenden toon. »Ik heb geschrift ontvangen van den
hertog. Nog is hij geneigd om de stad Haarlem genade te verleenen. Zoo
de vest zich binnen twee dagen onderwerpt aan het wettig gezag van
onzen machtigen koning, en de burgers beloven, zich als gehoorzame
onderdanen te zullen gedragen, dan zal al het vroegere vergeten
zijn. Niemand hunner zal in goed of leven verkort worden, maar al
de rechten van onderdanen des konings genieten. Weigert men echter
aan dezen voorslag van genade gehoor te geven, dan zal het leger,
waarover ik bevel voer, met tien duizend Spanjaarden vermeerderd
worden; dan zal de stad met verdubbelde kracht bestormd worden;
dan zal men haar met geweld bemachtigen; maar ook dan zal geen der
burgers het leven behouden; dan zullen mannen, vrouwen en kinderen,
dan zullen allen, als muitelingen, met den dood worden gestraft. Dat
zijn de woorden van den landvoogd hertog Ferdinand Alvarez de Toledo.«

Magdalena luisterde, maar toen hij ophield, sprak zij geen enkel
woord. Zij wierp vervolgens een bedaarden blik op don Frederik, als
wilde zij op zijn gelaat lezen, wat daar de logen en de valschheid
geschreven hadden. Oogenblikkelijk kwamen Mechelen en Zutfen, maar
vooral Naarden weer levendiger voor haren geest, en die gedachten
deden haar de vraag uiten:

--»Haarlem zou dus het lot van Naarden ontgaan, heer? Maar waartoe
moet deze last van den hertog in mijn bijzijn worden herhaald?«

--»Zóó groot is de verbittering uwer stadgenooten,« antwoordde
Frederik »dat zij mijne afgevaardigden zouden dooden, in plaats van
hun te woord te staan. Ik heb dus mijn besluit genomen. Ik zal den
heer Van Duivenvoorde onder vrijgeleide doen terugkeeren en hij zal
de brenger zijn van uw geschrift aan den magistraat.«

--»En wat zou mijn geschrift moeten behelzen, heer?« vroeg Magdalena,
die nu inderdaad begon te gelooven, dat Van Duivenvoorde den Spanjaard
in handen was gevallen.

--»Versta mij wel,« hernam Frederik. »Reeds wordt mijn voorstel aan
den magistraat in geschrift gebracht; en de heer Van Duivenvoorde
zal het hem ter hand stellen. Gij kent nu den voorslag van genade,
en Haarlem heeft niets meer te vreezen: gij herhaalt mijne woorden en
voegt er alleen bij, dat uw leven en uwe vrijheid tegelijk afhangen
van het besluit van den magistraat.«

--»En wat anders is dit dan eene hernieuwing van 'tgeen ik geweigerd
heb en weigeren zal, zoolang God mij niet verlaat?« vroeg Magdalena
op vastberaden toon.

--»Gij begrijpt dus niet,« hernam Frederik, »dat ik thans ook het leven
van den heer Van Duivenvoorde in mijne macht heb? En gij twijfelt dus
nog aan het woord van een Toledo? Welnu--ik ben niet hier gekomen om
u te bidden--en wijst gij mijn voorstel van de hand, zoo behoeft hier
geen enkel woord meer.«

Met gehuichelde onverschilligheid, en eene nog trotscher houding
aannemende, maakte hij de beweging om de bidcel te verlaten. Het was
of de duivel over Frederik's list juichte. Magdalena huiverde; zij
werd geslingerd, zij wankelde: het moest wel waar wezen, dat haar
man den vijand in handen was gevallen. Don Frederik had thans den
toon zoo geheel anders aangeslagen. Zoo hij waarachtig eens het beste
wilde;--zoo Alva werkelijk eens eene algemeene kwijtschelding wilde
verleenen; zoo zij het leven van haren man eens konde redden, hem zien,
spreken--hem spreken over hare kinderen Arthur, Emma en Adolf!--hoe
rampzalig toch was haar lot; hoe gelukkig zou zij misschien weldra
zijn. Zij wankelde sterker. Don Frederik keerde haar reeds den rug
toe om heen te gaan; maar zij riep hem toe; eene plotselijke gedachte
kwam bij haar op.

--»Heer!« zeide zij, »ik wil schrijven, en bij den God van Nederland
en Spanje, zoo het besluit van den hertog waarachtig is, dan zult
gij ook niet aarzelen, ééne enkele voorwaarde toe te staan.«

--»Voorwaarde!« zeide Frederik, op den toon van gekrenkte
trotschheid. »Geen Toledo laat zich voorwaarden voorschrijven: maar
gij zijt eene vrouw: laat mij hooren.«

--»Ik zal schrijven aan den magistraat, maar kan ik er dan ook
bijvoegen, dat gij, als bevelhebber van 's konings leger, voor Haarlem,
die kwijtschelding en genade met eenen heiligen eed zult bezweren?«

En het antwoord, dat hem in zijn eigen strik zou verwarren, gleed
hem van de tong.

--»Dat moogt--dat kunt gij,« sprak hij kortaf; »de genade zal bezworen
worden.«

--»Welnu dan,« hernam Magdalena, »ik zal nederschrijven wat gij
verlangt, wanneer door den heer Van Capres en Venavides in mijne
tegenwoordigheid verklaard wordt, dat werkelijk een zoodanig voorstel
door den hertog aan u afgezonden is.«

Magdalena had zijn wrevel, zijn toorn voorzien. Don Frederik
stond rechtstandig voor haar, en nauwelijks had zij den naam van
Venavides uitgesproken, of zijn donker oog nam eenen brandenden
gloed aan; als moest er een bliksemstraal uit schieten. Hij was niet,
evenals de hertog, zijn vader, altijd meester om zijn hartstocht te
beteugelen. Eerst bracht hij de linkerhand op de plek, waar in den
laatsten storm Brechta Proosten hem door een kogel had getroffen,
als ondervond hij daar nog een pijnlijk gevoel; vervolgens die hand
opheffende, kneep hij de vingers tot eene vuist samen met al het
bitter gevoel van gekwetste fierheid en machtelooze gramschap.

--»Ha!« zeide hij onder een vloek, »een capitan, een Venavides
zou het woord moeten bevestigen van mij, den zoon des hertogs--den
bevelhebber over een geheel leger!....« En wanneer Magdalena een
man--schoon dan ook zijn gevangene--ware geweest, hij zou dien zijn
dolk in de borst hebben gestooten. Maar nu was ook Magdalena weder
geheel en al de fiere, onbezwekene vrouw, die zij zich vroeger getoond
had. In één oogenblik had zij nu als het ware de vaste overtuiging,
dat alles logen, alles bedrog was,--en bedaard afwachtende, totdat
Frederik zijne woede een weinig gelucht had, zeide zij op vasten en
onverschrokken toon:

--»Heer! zoo slechts een der ongelukkigen van Naarden zegt, dat
mijne voorwaarde zonder grond en onrechtvaardig is, dan zal ik die
terugnemen en nederschrijven, wat gij verlangt.«

Dat was te veel. In die woorden lag zooveel waarheid, dat Frederik
zelf die had moeten erkennen, wanneer zijn toorn er hem niet onvatbaar
voor had gemaakt. Andermaal wilde hij voortgaan, zijne verbittering op
haar uit te storten; doch het nuttelooze daarvan inziende tegen zulk
eene vrouw, bedwong hij zich. Opeens dus zag hij zijne list vernietigd
door de fijnere list van eene moedige vrouw; want Venavides--de echte
ridder en edelman--was er juist de man naar om een last te bevestigen,
die door den hertog geenszins schriftelijk gegeven was.

--»Een uur kunt gij nog u beraden,« zeide hij, zich geweld aandoende om
zijne verbittering te onderdrukken, »maar weg met alle voorwaarde! Gij
kent mijn voorstel, en wijst gij het van de hand--wij weten, wat ons
te doen staat.«

Onder deze laatste woorden keerde hij haar met de hoogstmogelijke
uitdrukking van Spaansche trotschheid en vastberadenheid den rug
toe;--hij wilde zich niet eens meer verwaardigen, Magdalena's antwoord
te hooren, maar toch kon hij niet beletten, dat hem dat antwoord
in de ooren klonk: »Mijn besluit is genomen, en ik zal God bidden,
dat Hij mij niet verlate!«



Nauwelijks was de zoon van den hertog vertrokken, of Magdalena gaf
zich aan den stroom harer gewaarwordingen over. Het was een benarrend
oogenblik voor haar geweest; doch zij had dat moedig doorstaan. De
Hemel had haar hulp verleend--dat gevoelde zij, en zoo kalm was het in
hare ziel, dat zij zich volkomen in staat bevond om een hartelijk en
vurig gebed op te zenden,--nadat zij zich de woorden van den psalmist
had herinnerd: »de boozen spannen den boog, maar de pijl wordt tegen
hen zelven gekeerd.«

Na dit gebed gevoelde zij haren moed verdubbeld, en hoe langer en
hoe dieper zij nadacht, hoe meer zij geloofde, dat Van Duivenvoorde
volstrekt niet in handen van den Spanjaard was gevallen. De avond
kwam--en zij twijfelde er niet meer aan, of alles was eene duivelsche
list geweest; maar over die list had zij zich dan ook grootsch
gewroken? zij was de schaakspeelster gelijk, die met edelen trots
het oorlogsperk had verlaten, terwijl zij hare tegenpartij door een
doodelijken zet schaakmat had gemaakt.

De ochtend van den volgenden dag kwam. Magdalena was door een
weldadigen slaap verkwikt geworden. Het was de eerste Paaschdag, en
het weder was even aangenaam en helder als daags te voren. »Eere zij
God!« sprak zij, en nu dacht zij aan de woorden: »Ik ben verrezen
en ben steeds met u!«--Zij bad langer en vuriger dan ooit; want
die heugelijke dag van 's Heeren opstanding was ook altijd met
godsdienstigen eerbied in hare woning gevierd geworden:--maar toen
was er vrede in Haarlem, terwijl thans jong en oud het zwaard van den
oorlog had aangegrepen. Zich langen tijd in deze overdenking en de
vergelijking van vroeger met thans verdiepende, wordt zij er opeens
door een zonderling geluid aan onttrokken.

--»Wat is dat?« roept zij en staat ijlings op. Eerst zijn het zachte,
uit de verte klinkende tonen, als door de echo's van bergen en
rotsen in eene vallei teruggekaatst. De klanken herhalen zich echter
scheller. Zou men daar, in het klooster der regulieren, het Gloria
in excelsis met welluidende tonen doen gepaard gaan? Maar het geluid
wordt zwaarder, brommend. Het is binnen Haarlem. Dof en wild galmen
weldra de klokken, en dat geluid doet zich in velerhande richtingen
hooren, terwijl het eene oorverdoovene, schrikverwekkende muziek
vormt. Die klanken zijn Magdalena niet vreemd: zij hoorde die reeds
meer dan eens gedurende hare gevangenis op het Huis Ter Kleef; en dan
werd Haarlem bestormd; dan waren het alarmtonen om de burgers naar de
bedreigde wallen te doen snellen; ook thans is het een alarmgeklep,
maar doffer, onverpoosder dan ooit. Nu eens vereenigt zich de groote
kerkklok Bavo met de doodklok Salvator: dan weder paart de kleine
kerkklok Martinus zich met de poort- of de heilige Willebrordus-klok,
of opeens wordt door alle tegelijk het brommend geraas aangeheven: dat
duurt een kwartier, een halfuur, reeds langer, en met iedere minuut
schijnt het rumoer toe te nemen, maar met dat geraas vermengen zich
ook de Spaansche trompetten en het geroffel der trommen.

--»Hemel! al de macht van den Spanjaard stormt aan!« roept zij, »dat
geldt Haarlem! Voorzeker: de benden moeten in getal zijn verdubbeld;
het is geene logen geweest; o Heer, behoed de stad!«

Bijna een uur heeft het gelui geduurd; doch nu schijnt het zwakker te
worden: eenige oogenblikken later, en het heeft geheel opgehouden;
nu hoort zij echter ook zooveel te duidelijker de losbarsting der
slangstukken, dat echter niet lang meer aanhoudt; nog vallen er wel
onderscheidene musketschoten, in de nabijheid van het Huis Ter Kleef,
maar ook dit houdt weldra op, en--van rondom heerscht weer dezelfde
stilte als een paar uren vroeger.

--»Dat is onbegrijpelijk voor mij,« zegt Magdalena, »dat kan toch
geen loos alarm geweest zijn. Zou de vijand zoo spoedig afgeslagen
wezen? Voorzeker heeft dan de Heer zijn volk krachtig bijgestaan; dan
dank ik u, o God! die op dezen dag Uw Zoon uit het graf deed verrijzen:
ook toen heerschte er vrede van rondom; want heel de natuur juichte
met stille aanbidding. Laat het ook vrede onder de menschen zijn,
van nu af.«

Weder begon de avond te vallen. De rust was verder door niets
afgebroken geworden, en Magdalena verwierp ook de laatste twijfeling,
dat haar echtgenoot in 's vijands hand zou gevallen wezen, toen zij
opeens eene zachte beweging aan de deur hoorde en er evenals vroeger
eene kleine strook perkament van onder door de reet werd geschoven.

--»Wat mag dat zijn?« riep zij, en stond ijlings op.

--»Wie is er?« vroeg zij; doch evenmin als er een antwoord volgde,
hoorde zij ook de geringste beweging niet meer. Zij raapte de strook
op, sloeg er gretig den blik in en--las nu de volgende woorden:


        »Houd moed; ik zal nog eenmaal beproeven,
        u te redden: wellicht morgen--houd moed.«


--»Dat is hetzelfde geschrift,« sprak zij, »'t staat mij nog helder
voor oogen: het is van Venavides.«

Zij las andermaal.

--»Hoe! hij heeft dan nog den moed--nog den wil,« zeide zij, »maar
hoe zal hij doenlijk maken, wat ondoenlijk is?«

Zij zette zich weer neder en sloeg andermaal de blikken op de weinige
woorden, waarin echter zooveel voor haar opgesloten lag. Zij giste
en peinsde, doch kwam altijd weder tot de slotgedachte terug, dat
eene verdere hulp voor Venavides ondoenlijk was.

--»En toch moet hij er de kans toe zien,« sprak zij, »hij is te edel
om mij met gansch onzekere hoop te vleien. »Houd moed!« lees ik. »O,
hij weet niet, dat mijn moed grooter is dan mijne kracht. Maar gij,
mijn Vader! gij kunt die zwakke kracht versterken, en dat bid ik
van Uwe goedheid en genade. O! mocht ik maar dien schat hebben, dat
bijbelboek, waarin zoo rijk eene bron van troost opwelt, en waarvoor
zoovelen het rapier hebben aangegrepen, opdat zij er onverlet in
zouden lezen. Mocht ook ik dit kunnen, ik zou sterker wezen; maar ik
kan toch bidden, en ik bid U, mijn Vader, om de kracht, die ik zoo
noodig heb. Gij hebt mij weer hoop gegeven--o, vervul haar!«

Zoo bad de ootmoedige Christen in die dagen van angst en
benauwdheid. Zoo bad ook Magdalena, en--kan er voor het hart van de
ongelukkigen wel grooter troost wezen dan het gebed?



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.


        Gij, die voor Holland's heil nog voelt uw boezem slaan!
        Spreekt op, wat voelt uw hart, bij 't zien der Spanjaardslaan?
        Rijst niet uw geestkracht? gloeit hier niet uw denkvermogen?
        Het tachtigjarig pleit herrijst hier voor mijne oogen.
        Hier onder dezen eik, geplant door 't voorgeslacht,
        Herrijzen voor mijn oog, in 't uur van middernacht,
        De godenschimmen mijner vaadren! 'k hoor ze zweven,
        En ritslen door het loof; ik voel de vrijheid leven,
        En stroomen door mijn borst; ik meng me in d' achtbren kring
        En schop de schandeeuw weg, waarin ik 't licht ontving;
        'k Zie Haarlems helden; 'k zie hier Ripperda mij naadren,
        Ginds Kenau Hasselaar de vrouwenschaar vergaadren,
        En nederschieten op den Spanjaard.....

                                               Helmers, Haarlemmer Hout.


Daags na het alarm in Haarlem, ongetwijfeld met het doel om den vijand
in onzekerheid te brengen en af te leiden, stelden zich de Spanjaarden
bij het Leprozenhuis, rondom het dorp Overveen en in en bij den Hout
in slagorde, en schenen voornemens tot een nieuwen storm. Aanstonds
maakten zich de belegerden gereed, hen af te wachten, doch weldra bleek
het, dat hun doel slechts eene misleiding was geweest. Des namiddags
trokken een zestal ruiters benevens een vendel Waalsche haakschutters
buiten de Zijlpoort, om--links voortgaande--'s vijands sterkte in den
Hout te verkennen. Zij waagden het, de voorste schans te overvallen;
doch weldra werd er aan de Kruispoort door den vijand alarm geslagen,
en een klein gevecht plaats grijpende, zagen de Walen zich gedwongen,
met verlies van twee soldaten terug te trekken, terwijl verscheidene
hunner gekwetst werden. Deze kleine nederlaag werd echter des avonds
vergoed door het binnenkomen van eenige schepen met zeventig lasten
rogge, tarwe, andere levensmiddelen en krijgsbehoeften.

Vele der belegerden van gedachten zijnde, dat de vijand plan had,
Haarlem met vuurkogels te beschieten, beval de regeering daags daarna,
alle middelen tot brandblussching in gereedheid te brengen. Dit
vermoeden scheen echter ongegrond; want toen men den volgenden dag
twee Spanjaarden, welke door den admiraal M. Brand gevangengenomen en
binnen Haarlem waren gevoerd, op de pijnbank legde, gaven deze aan die
veronderstelling niet de minste zekerheid. Dewijl er den twintigsten
Februari een vroeger gevangen Waal weder naar de Duitschers in den
Hout was overgeloopen, besloot men, met de gevangenen een anderen
weg in te slaan, daar men de overloopers veelal naar den prins zond,
hetgeen tien dagen geleden het geval nog was geweest. Twee gevangene
Spanjaarden werden nog dienzelfden dag, bij de Fuik, door den strop
om het leven gebracht.

Voor Magdalena waren reeds drie nachten verloopen zonder dat zij eenige
poging in het werk zag stellen, waardoor hare hoop verwezenlijkt kon
worden. Toch bleef hare hoop levendig, en gelukkig de mensch, die
zich aan haar vasthoudt; want zij is de dochter des hemels: zelfs te
midden van haar bedrog is zij zoet. De hoop vergezelt ons in de smart;
in haar zien wij een liefelijk beeld: dat beeld speelt met kleuren;
verrukt zien wij ze aan; de zenuwen spannen zich; gretig staren wij er
op, en--een traan van vreugd komt in ons oog, een traan, die als een
dauwdruppel flonkert in den kelk van het viooltje bij den opgang der
zon. Maar opeens komt er eene wolk; de kleuren verdwijnen, de zenuwen
verslappen, de dauwdruppel flonkert niet meer; alles ontzweeft--alleen
de traan blijft in ons oog zichtbaar. Wij zijn bedrogen; wij vallen
weder in de duisternis tot er eindelijk op nieuw eene schemering
aanbreekt, weder een licht opgaat en zich andermaal fraaie kleuren
vertoonen. Gelukkig de mensch, op wien de teleurstelling niet losstormt
met wanhoop,--gelukkig, wien de hoop de verijdeling vergoedt.

Zal dit aan Magdalena wedervaren? Wie mijner lezeressen wenscht het
haar niet toe?

De koude had haar intusschen weinig doen lijden; maar in den nacht die
nu volgde, den nacht van Woensdag den vijf en twintigsten Maart, woei
er een scherpe wind, en de vorst scheen weder teruggekeerd. Magdalena
wendde zich zonder te kunnen slapen op hare legerstede heen en
weder. Levendiger dan ooit dacht zij aan de haren, en zij vreesde,
dat Venavides in zijne poging tot hare bevrijding wellicht voor altijd
was verhinderd geworden.

Eindelijk afgemat van denken, streek de slaap op hare bezwaarde
oogleden neder, en--geen halfuur was verloopen of zij genoot eene
zaligheid, om welke zij reeds zoo dikwijls gebeden had.

Zij was gered, teruggekeerd in haar huis. Wat vreugde, wat
heil! geklemd aan de borst van haar echtgenoot: de handen uitstrekkende
naar de lievelingen, die haar afzijn wel bij het eerste gemis betreurd,
doch in hunne onschuldvolle jeugd het beeld der moeder spoedig
uitgewischt hadden. Maar weer plotseling verschijnt dat beeld; hunne
herinnering krijgt leven, kleur, gloed; zij herkennen de moederlijke
lippen, die zoo dikwijls glimlachten,--het moederlijk oog, dat zoo
vaak met liefde op hen gericht was,--de zachte moederlijke stem. Zij
herkennen haar geheel en voelen zich zoo gelukkig: Emma omvat hare
knieën, Adolf slaat de armpjes om haren hals, Arthur schreit van
vreugde, en de zoete naam van moeder wordt honderdmaal door hen
herhaald. En Magdalena! zij heeft geene woorden, zij heeft slechts
afgebrokene klanken en tranen, maar tranen van geluk; gloeiend kleven
hare lippen op de lieve kleinen; hare armen zijn bijna krampachtig om
Van Duivenvoorde geklemd; zij kan ze niet losrukken; want het innig
gevoel der ziel is te zeer getroffen; de eene hemelsche gewaarwording
vervangt de andere; beider harten kloppen, sidderen; aller geluk is zoo
naamloos groot. En zie! de eerste oogenblikken van vreugd zijn voorbij;
reeds zijn zij kalm genoeg geworden, om het heil met al de frischheid
van den eersten indruk te genieten. Daar verschijnt in de gelukkige
woning de eene vriend na den anderen; de heilwenschen van magen en
vriendinnen klinken warm en welgemeend; daar verschijnt Ripperda,
en diens hand drukt de hand van Van Duivenvoorde met de warmste
oprechtheid; ook Kenau snelt binnen; haar oog nog korts zoo stout op
den vijand gericht, heeft voor Magdalena niets dan liefde, vriendschap,
medegevoel. Burgemeester Van der Laan omhelst de beide gelukkigen,
en de vrome predikant Sijmonsz stemt allen tot Christelijk dankgevoel.

Maar wat hoort Magdalena?

Wat davert daar eensklaps? Is dat niet eene losbarsting van het
geschut? Wat rukt haar op eens uit haren hemel! God! die zaligheid
was gedroomd: het was begoocheling; zij ontwaakt, en dat ontwaken is
ijselijk. Zij is weer in de bidcel, op hare armzalige legerstede; haar
hoofd gloeit koortsachtig, terwijl hare leden kil zijn als ijs. Dat
is hartverscheurend! bitterder alsem bevatte wel nooit een beker,
na zoo menige verfrisschende teug. Magdalena is ontwaakt. Weg zijn
al die betooverende beelden, verstomd zijn die lippen, welke niets
dan vriendschap, liefde, medegevoel ademden; wat zij thans ziet,
is sprakeloos, marmer-koud, ruw, somber; alles was een logenachtige
droom. Maar geen droom was het, toen een donderend schot haar op
eens wakker deed worden;--want nu zij wakend luistert, hoort zij het
andermaal: het geschut van vriend en vijand buldert weder; dat is
geen droom; dat is werkelijkheid.



Die gedenkwaardige Woensdag van den vijf en twintigsten van Lentemaand
was aangebroken. Reeds des morgens te negen ure trokken tweehonderd
Walen buiten de stad om de vijanden in den Hout te verkennen. Het
gelukte hun, de voorste schans in te nemen; doch niet sterk genoeg in
getal zijnde, moesten zij, met verlies van twee man, terugtrekken. Maar
hun doel was bereikt, de macht van den vijand verkend, en eenige
oogenblikken daarna werd in den Doele de krijgsraad belegd, waarbij
verscheidene der regeeringsleden tegenwoordig waren.

--»Gij kent mijn doel, mannen broeders!« zoo begon
Ripperda. »Volharding en krachtvolle verdediging is ook de leus en het
wit van u allen. Tijd te winnen is de groote zaak, en den Spanjaard
door onverpoosde uitvallen te benarren, zal hem niet minder afbreuk
doen en in ontzag houden, dan dat het ons tot profijt strekt. Mij
dunkt, dat vandaag een koene uitval ons groote kans tot voordeel
belooft. Hoplieden Vardeur en Vimi! gij zijt het, die de schans reeds
in uwe macht hadt, en de sterkte van den vijand kent. Herhaalt uw
verslag in den vollen krijgsraad, opdat elk wikke en met goeden grond
uitspraak doe.«

Ofschoon Vardeur wel het eerst den aanval op de schans had gedaan,
richtte Ripperda zijne vraag meer rechtstreeks tot Vimi, dewijl deze,
bedaarder van gemoed, meer naar de inspraak zijner overtuiging zou
antwoorden.

--»Ik geloof,« sprak de Waalsche kapitein Vimi, »dat de macht
van graaf Overstijn zeven vendels bedraagt. Bij 't klooster van de
Bernardijten en het Huis Berkenrode zal de sterkte van Fronsberg, naar
mijne rekening, ongeveer vier vendels zijn; bij en achter Heemstede
zullen, de karabiniers medegerekend, nog wel zes of zeven vendels
liggen; maar op het volk van Overstijn komt het wel het meest aan:
deze liggen in de flank en schijnen op een uitval gewapend.«

--»Wat zouden die ossekoppen?« sprak Vardeur. »Zoo wij met vier,
in plaats van één vendel waren uitgerukt, hadden wij hen naar de
hel doen verhuizen. Wat zeg ik? geef mij drie vendels, mijnheer
Ripperda! dan val ik aan de Leidsche Waterpoort uit, en ik zweer,
dat ik het roofnest van graaf Overstijn zal uitroeien.«

--»Bezadig u, hopman!« sprak Ripperda, »het komt in dezen krijgsraad
niet op den wil van één enkelen aan, maar op dien der meerderheid. Wees
gedachtig, dat uw eed ons weinig zou baten, wanneer het lot tegen u
was. Aan soldeniers met goeden wil tot den uitval zal het niet haperen:
maar op mij rust de verantwoording der bezetting, en op den uitval
moet ook veilige terugtocht kunnen volgen. Wat acht gij oorbaar,
heer Van Brederode?«

--»Een krachtdadigen uitval,« was het antwoord, »en hoe spoediger die
plaats hebbe, te grooter is de kans, dat hij van een goeden uitslag
zij. Ik heb het eenmaal gezegd, heer! altijd stem ik voor datgeen,
wat den Spaanschen bloedhond tot verderf kan zijn.«

--»Gewis--een uitval!« sprak nu Boreel, met levendigheid en vuur:
»het is de rust, die tot roest overslaat, en wij hebben het rapier
niet om het in de scheede te laten. Mijn heere Ripperda! gij hebt
wèl gezegd: »de koene uitval moet den vijand in ontzag houden.««

--»Ook ik keur dien voortreffelijk,« liet Van Duivenvoorde op bedaarden
toon hooren, »maar het schijnt mij toe, dat de aanval van meer dan een
kant tegelijk moet plaats hebben. Zou het bovendien niet doelmatig
wezen, dat de uitval door een goed gewapend jacht aan de waterzijde
ondersteund wierd?«

Ripperda antwoordde niet, maar zijn blik gaf duidelijk genoeg
te kennen, dat hij zich met dit voorstel volkomen vereenigde, en
wenschte, dat de overige hoplieden hun antwoord naar die aanmerking
zouden wijzigen.

--»Den uitval,« sprak nu Steenbach met nadruk, »maar zoo zeer als
ik den graaf Van Overstijn veracht, omdat hij zijn rapier voor een
Alva heeft opgenomen, zoo weinig durf ik borg staan, of het gros
der Duitsche huurlingen van hetzelfde gevoelen zal zijn. Mij dunkt,
dat de uitvallers zoo weinig doenlijk Duitschers moesten zijn; dan
twijfel ik niet, of de onderneming zal vrucht dragen: bidden wij dit
ten minste van God, die Haarlem al zoolang heeft bijgestaan.«

Het gevoelen der overige leden van den krijgsraad en dat der regeering
kwam bijna eenparig met het reeds gesprokene overeen; zoozeer waren
de meesten doordrongen van Ripperda's beginsel, om den vijand door
gedurige uitvallen te verzwakken. Dit beginsel verdiende hulde,
vooral in die dagen, toen de krijgskunst eene zoo geheel verschillende
kleur met die van den tegenwoordigen tijd droeg. Ripperda was vol van
het besef, dat het raadzaam of noodzakelijk was, 's vijands geduld
uit te putten, ten einde hem het beleg te doen opbreken; om hem te
bespieden, om hem dag aan dag in zijne verschansingen aan te tasten,
zijn geschut te vernagelen, tot grooter krachtsontwikkeling te dwingen,
maar bovenal om dien vijand eerbied in te boezemen voor eene stoutheid,
die elken dag aangroeide, en daarentegen moedeloosheid, onwil en
vrees in 's vijands gelederen noodwendig moest doen binnensluipen.

Het was omstreeks vier uren in den middag, toen zes vaandels Walen,
onder welke zich ook eenige Engelschen, Schotten en Haarlemmers
bevonden, zoo stil mogelijk buiten de Eendjes- of Leidsche Waterpoort
trokken. Deze poort licht aan den ingang van het Zuiderbuiten-Spaarne,
waar in dien tijd de kagen of schuiten op Leiden afvoeren, de Meer
over en de Venen door. De weg van daar liep, rechts af, naar de
kleine Houtpoort, door welke men regelrecht naar den Hout ging, waar
de Duitsche vijanden gelegerd waren, en die men dus in de flank wilde
aangrijpen. Schier gelijktijdig trokken een paar honderd Franschen
en Walen buiten de Zijlpoort. Dit laatste moge oppervlakkig vreemd
schijnen, daar men door de Zijlpoort zich een gansch ander gedeelte
van Haarlem's omstreken voor oogen stelt; doch men bedenke, dat er
te dier tijde op die hoogte, van de Zijl- tot aan de Eendjespoort,
en verder Houtwaarts, een weg liep, die door gracht, noch sloot,
noch eenig blok huizen, of afgesloten tuinen, zooals tegenwoordig in
en aan het Geldeloozepad, doorsneden of belemmerd werd.

Onder hen, die door de Zijlpoort uitvielen, was de geheimzinnige
Éénoog een der aanvoerders, en evenals altijd was hij ook ditmaal
slechts met zijn ontzachlijk slagzwaard gewapend. Aan het hoofd
echter van deze kleine macht stond de Waalsche kapitein Derdein;
want niet alleen was diens vernuft als bouwkundige, maar ook zijne
beradenheid en voorzichtigheid bij eenigen uitval den Haarlemmers
gebleken. Behalve met de vliegende artillerie--kleine stukjes of
bassen, die vooral tot appui van de ruiterij dienden--waren de meeste
dezer soldaten met musketten, enkelen met haakbussen gewapend, doch
allen droegen tevens het rapier, of de kling.

Het gegeven bevel van stilte werd in den aanvang getrouw opgevolgd;
doch niet zoodra hadden de Fransche soldaten, die de voorhoede
uitmaakten, bemerkt, dat de vijand hunne aannadering bespeurde,
of hunne licht ontvlambare gemoederen konden zich niet langer
verloochenen.

--»Voorwaarts, voorwaarts!« schreeuwden zij, »met een schok, met een
ruk op den vijand aan!«

En niet zoozeer uit minachting voor de krijgstucht, als wel uit eene
opbruising van hun levendig, voortvarend karakter, snelden reeds
eenigen uit hunne gelederen om de aanrukkende Duitschers met de kracht
van een stormwind aan te vallen.

--»Terug!« riep met forsche stem de vreemdeling, en op hen, die vooruit
wilden snellen, toeschietende, beteugelde hij hunne vaart. »Niet
verder, zonder mijn bevel!« riep hij, zijn slagzwaard in de oogen
latende blinken, »sluit u aan; wie zijn gelid verlaat, zal gestraft
worden, hoe dapper hij ook zijn mocht. Sluit u aan!«

Schoon morrend, werd aan dit bevel gehoorzaamd: het gelid was weder
in een oogenblik gesloten en met versnelden marsch rukte men in
schuinslinksche richting voorwaarts.

--»Vuur!« klonk het op eens uit den mond van Derdein, toen een
vendel Duitschers, dat hen wilde te keer gaan, op genoegzamen afstand
genaderd was. Oogenblikkelijk had er eene losbranding uit de vliegende
artillerie plaats, en wel met zulk goed gevolg, dat verscheidene der
Duitschers, zwaar of licht getroffen, neervielen.

--»Haakschutters, vuur!« klonk het nu, terwijl de musketten weder
geladen werden, en eene zelfde losbranding werd door gelijken uitslag
achtervolgd.

--»Voorwaarts met gesloten gelederen!« beveelt Derdein. »Onze makkers
aan de Leidsche Waterpoort rukken uit;--de vijand vlucht!--voort!«

--»De dood aan die groene moffen!« klinkt het onder de Walen en
Franschen, »zij vluchten als hazen! de wol stuift er uit!«

Inderdaad; reeds bij het tweede schot uit de bassen zag men de
Duitschers terugtrekken, als had een algemeene schrik zich opeens
van hen meester gemaakt. Maar deze vlucht had niet zoo zeer plaats
wegens den krachtigen aanval van den Éénoog en Derdein, als wel ten
gevolge van het bericht dat door eene vijfmaal grootere macht aan de
Eendjespoort een uitval gedaan werd. Dat bericht was geene logen. Het
eerste schot der Franschen zou voor het volk aan de Waterpoort het
sein tot den aanval wezen, en gelijktijdig zou dan ook het jacht
met eenige andere booten den boom uitvaren, om aan den kant van het
Spaarne, zich eveneens op den belegeraar te werpen. Men hoopte, en
niet zonder grond, dat de vijand het grootste gedeelte zijner macht
tegen de bespringers uit de Zijlpoort zou keeren; en wanneer zij dan
opeens door een veel sterker getal van een ander punt werden aangetast,
zou de verwarring te grooter wezen.

--»De slangstukken gericht!« beval graaf Overstijn, toen hij zich
reeds aan twee kanten zag bespringen, »den rebellen met grof geschut
te keer!«

--»Vuur uit de serpentijnen!« gebood don Cressonneros, wel ziende, dat
er met klein geweer niets was uit te richten tegen aanvallers, die hun
plan zoo wel belegd hadden. In weinige seconden waren dan ook door de
onderscheidene aanvoerders der vijandelijke Duitschers de slangstukken
gericht, en onmiddellijk daarna had er eene losbranding plaats.

--»Vuur!« klonk het uit de eene schans; doch hoewel de slag alléén
den Haarlemmers reeds aankondigde, dat het op hen gemunt was, zoo
bleek het echter te gelijker tijd, dat de stukken te hoog en gansch
verkeerd gericht waren.

Dit bevel herhaalde zich ook in de overige schansen; doch ook daar
had men in de verwarring zich aan denzelfden misslag schuldig gemaakt,
en--geen enkele kogel trof het doel.

--»Den storm op de schansen!« beval Van Duivenvoorde, wel ziende,
dat men den vijand geen tijd laten moest, om eene betere richting aan
zijn geschut te geven, en oogenblikkelijk sprong de Herkules-gestalte
van Margottin aan de eene, benevens Vardeur aan de andere zijde met
het rapier op de voorste schans aan.

--»Voorwaarts, soldaten! voor Haarlem's roem en den onzen!« roept de
kapitein van 's prinsen lijfwacht, »glorie zij het loon der dapperen!«
En snel rukt hij met eenige manschappen voorwaarts.

--»Valt aan op het Spaansch geboefte!« schreeuwt Vardeur met een hollen
vloek, daar de ruwe kapitein der garde van Lumeij een derzulken was,
welke zich verbeelden, dat de moed van den soldaat door niets zoozeer
aangevuurd wordt dan door schimp- en vloektaal. »Duitscher of Waal,
al wat duc D'Alf dient, is den strop waard; het zijn de moorders van
Naarden, schavuiten en rabauwen, altemaal:--valt aan, slaat dood!«

Onder dergelijke verwenschingen, die als in zijn mond lagen bestorven,
omdat zij opwelden uit eene borst, met den gloeiendsten haat tegen
al wat Spaansch was, vervuld, rukt Vardeur op den vijand aan. Zoo
onstuimig is zijn aanval, dat hij tegen de monding van het geschut
instormt en zijn leven tienmaal in gevaar stelt, waar hij slechts kans
ziet om één vijand te vernielen. Vardeur is geen held, en toch doet
hij wonderen van dapperheid; hij is het wilde everzwijn, dat zich
met geslotene oogen op zijne prooi stort, er de tanden inslaat en
brullend verscheurt. Altijd en onverpoosd vooruit, heeft hij op eens
don Cressonneros besprongen, en onbesuisd met zijn zwaard om zich heen
slaande, brengt hij den Spanjaard een zoo breeden houw toe, dat deze
oogenblikkelijk buiten gevecht is gesteld. Dit is een groot verlies
voor den vijand en voorspelt eene deerlijker nederlaag, te meer daar de
Haarlemmers op eene roemrijke zege rekening schijnen te hebben gemaakt.

--»Al één don naar de hel!« roept Vardeur; »dringt aan, kerels!«
schreeuwt hij onophoudelijk tot de soldaten van het witte vendel. Maar
noodeloos is het, dat hij hen aanspoort om dichter en forscher op
de schans aan te stormen. Nauwelijks hebben de Duitschers gezien,
dat de slangstukken geheel verkeerd zijn gericht en dat geene enkele
losbranding doel treft, of hunne verwarde kreten zijn oorzaak, dat
de bevelen der aanvoerders niet gehoord en derhalve niet opgevolgd
worden. Wel pogen eenige der moedigsten hunne schansen nog te
verdedigen; doch zij verdedigen zich tevergeefs; zij bevinden zich
in den toestand van wanhopige landlieden op een zwakken dijk bij een
ijsgang; want deze kunnen, bij het akelig vooruitzicht, dat de dijk
weldra zal bezwijken, dat de vloed al hunne akkers zal overstroomen,
al hunne bezittingen zal vernielen, nauwelijks eenige hoop op eigene
redding overhouden.

--»Wij zijn verloren!« roepen een paar Duitsche hoplieden tot graaf
Overstijn, »niets kan ons redden dan de vlucht!«

--»Nooit!« antwoordt de graaf, wiens dapperheid algemeen erkend werd,
»de slangstukken beter gericht en wij jagen de rebellen terug.«

--»Vuur, kanonniers!« beveelt hij krachtig, doch zoowel de meeste
officieren als soldaten schijnen zijne bevelen niet te hooren,
of niet te willen opvolgen, en de kreten van: »vlucht!« weergalmen
van den linker tot den rechter vleugel, en dreunen door het gansche
kwartier van den Haarlemmerhout.

--»Vlucht, vlucht!« klinkt het van de eene schans naar de andere,
en als door duizend echo's worden die klanken herhaald. Reeds twee
schansen worden, zonder eene verdere laag van het geschut, geheel
en al verlaten, en de Duitschers vluchten met de snelheid van het
opgejaagd wild.

--»Staat, lafaards!« dondert Overstijn hun tegemoet, terwijl hij met
vlammenden blik en rapier zich voor het front der vluchtenden werpt,
»wat stuift gij terug voor een hoop rebellen? Valt aan of gij loopt
den dood in den muil.«

Maar vergeefs, dat hij de soldaten in hun schandelijken terugtocht
zoekt te beteugelen; vergeefs, dat hij alleen zich als een dam wil
opwerpen om den voortstuwenden hoop te keeren. De aanbruisende baren
werpen den zwakken hinderpaal omver, en het geschreeuw van: »vlucht,
vlucht!« groeit met iedere seconde al meer en meer aan.

Dat is een duldeloos oogenblik voor een aanvoerder, die den wil en
den moed heeft om pal te staan, waar alles om hem heen onwillig en
lafhartig is,--die alleen blaakt en brandt, waar alles rondom hem
koud is. Dat is een verpletterend tijdstip voor een wakker hopman,
die zijn veldheer verantwoording schuldig is van de benden, die
hij aanvoert. Zie! hij wil liever sterven dan vluchten; hij heeft
stalen moed; maar schrik, vrees, grijpen zijn volk aan; zijne
aanmoedigingskreten worden versmoord; alles wijkt om het leven te
behouden, en wanneer nu de aanvoerder zelf het lijf redt, dan zal
hem het verguizend verwijt in de ooren klinken: »Ook gij zijt een
lafaard! ook gij hebt schuld aan de vlucht!«

Zoo snel als zich eene peststof aan anderen mededeelt, zoo snel slaat
de moedeloosheid, de lafhartigheid van de eene schans tot de andere
over, en--binnen weinige minuten is de vlucht bijna algemeen.

--»De dood aan onze vijanden!« klinkt het, en de tonen der trompetten
met het geroffel der trommen, zijn van links en rechts de seinen om den
vijand te achtervolgen. Dit heeft dan ook plaats met eene snelheid en
onstuimigheid, waarbij de spoed der vluchtenden verre te kort schiet,
maar ook met eene verbittering, die reeds vooraf besloten heeft,
niemand te sparen, wanneer zij overwinnen zal.

--»Slaat dood de honden! slaat dood!« schreeuwt Vardeur, terwijl
hij met de sprongen van een tijger zich nu op den eenen, dan op den
anderen werpt, of hen, als een dolle stier achterna rent en wonden
slaat. »Wraak over de moorders van Naarden!« roept hij; »Oog om oog,
tand om tand. Slaat dood, dat gespuis!« en iedere slag, dien hij
toebrengt, is met doffe verwenschingen vergezeld.

Naar de Noordwijker Houtvaart heeft eene algemeene vlucht plaats. Daar,
waar men thans de buitenplaats Oosterduin vindt, was toen het kamp van
den vijandelijken Duitscher Polwijler. Tusschen de Aardenhouten laan of
den Zandvoortschen weg en de Munsterlaan staande, verbeelde men zich
dus eene talrijke schaar wanhopige Duitschers te zien vluchten en van
alle kanten te zien neersabelen,--terwijl het slechts aan weinigen
gelukt, de overzijde der vaart en het beschermend geschut hunner
landgenooten te bereiken. Maar intusschen is er nog één punt, waar de
vijand stand houdt. Het is in de schans Aalbertsberg, in de richting
tegenover de groote Houtpoort--die schans te midden van twee kleinere,
die reeds ten deele verlaten zijn. Maar zij, die daar standhouden, zijn
geene Duitschers; het zijn Spanjaarden: de een is Diego de Carjaval,
en een enkele blik op het zacht-levendig gelaat van den anderen zegt u,
dat deze Pedro de Venavides is. Plotselijk toch en onverwacht had don
Frederik hem en Diego de Carjaval en Cressonneros bevel gegeven om de
legerplaats van het Huis Ter Kleef met die van den Hout te verwisselen,
en hoezeer hem dit bevel onaangenaam was geweest, had zijn plicht als
krijgsman hem echter doen gehoorzamen. Onverwijld had hij dus het Huis
Ter Kleef verlaten en--reeds twee dagen daarna had de uitval plaats.

--»Houdt stand, dappere soldaten van den hertog!« spreekt
Venavides. »Overwinnen of sterven zij onze leus. Wendt uw oog af van
die lafaards; vuur, musketiers, vuur!«

En wanneer allen zich zoo moedig hadden gedragen, zou de uitval
aan de Haarlemmers noodlottig geweest zijn; want het musketvuur was
voortreffelijk gericht.

--»Geeft u over!« roept Derdein den Spanjaarden toe, »of, ik zweer het,
wij geven geen kwartier.«

Te gelijker tijd springt hij met het rapier op Venavides aan; want
een enkele blik zegt hem, dat de Spanjaard die dreigtaal veracht.

--»Sterf dan!« schreeuwt hij hem toe; en de scherpe kling van
den Waal zoekt Venavides' hoofd te treffen; het wapen daalt, maar
schampt af op den stalen ringkraag zijns vijands en--dat oogenblik
is den vernuftigen bouwkundige noodlottig. Juist terwijl hij zijne
kling weer opheft om een zekerder slag toe te brengen, stoot een der
Spanjaarden hem met de halve piek in de borst, en als ware deze wonde
nog niet doodelijk genoeg, giert hem ter zelfder tijd het lood van
eene musket in het hart.

--»Ik sterf!« roept de moedige Derdein, onder zijn val: »wraak op
den Spanjaard! Haarlem triomf!«

--»Voor Haarlem! Voor Haarlem!« klinkt het, en dichter en dichter
dringt de schaar van Walen, Franschen en Haarlemmers op de verdedigers
der schans aan. Verderfelijk treffen hunne halve pieken en van
oogenblik tot oogenblik vermindert het getal vijanden; want velen
kunnen niet eens meer van hunne musketten of haakbussen gebruik maken,
en--het getal aanvallers groeit in dezelfde evenredigheid als dat
der vijanden dunt.

--»Voor God en 't heilig geloof!« roept de onbekende, en zoo brandend
als de geestdrift op zijn gelaat, zoo hevig treft zijn slagzwaard:
iedere arm, waarop zijn tweesnijdend wapen neerkomt, tilt zich niet
meer op tot weerwraak, en elke borst, die er door getroffen wordt,
heeft voor de laatste maal geklopt. Maar de woede, de moordlust van
Vardeur vertoont zich niet op zijn gelaat. Wel maait hij het leven
zijner vijanden; maar wanneer een dier vijanden stervend of zwaar
gewond voor zijne voeten stort, dan leest men de vreugd der hel
niet in zijn oog; dan licht hij niet andermaal den geduchten arm op,
om ook nog diens laatste levensvonk moordend uit te blusschen. Het
is veeleer, alsof bij ieder offer, dat valt, zijn hart bewogen wordt
door de treurige gedachte, hoe de broeder gedoemd is, den broeder te
vernielen; maar opeens ontvlamt dan ook weder het vuur van den held,
die vol is van het besef, dat hij tegen de onderdrukkers, tegen de
beulen van Nederland strijdt.

Onstuimig, maar kort van duur is het gevecht aan die eene schans. Reeds
is Diego de Carjaval zwaar gewond nedergevallen en nog slechts een
twintig Spanjaarden voeren daar eene worsteling op leven en dood,
maar eene worsteling, die ongelijk is.

--»Voor Spanje en de banier!« klinkt het onverpoosd aan de eene zijde:
doch het daverend geroep van »Vivent les Gueux!« aan de andere zijde,
heeft verre den boventoon. Eene korte poos nog en--die strijd zal
beslist wezen.

--»Terug, Señor! want de dood staat vast,« spreekt een anspessado tot
Venavides. »Al de lafaards vluchten, niet een, die ons te hulp snelt.«

--»Ik zie het, en zij mogen 't verantwoorden,« zegt Venavides, »maar
beter een roemvolle dan een eerlooze dood. Houdt moed, soldaten des
konings! De overwinning of de dood!«

Venavides en de zijnen staan pal als rotsen, die alleen de overmacht
kan verwrikken. Maar onder het krijgsgeschreeuw van weerszijden
baant de Éénoog zich al dichter en dichter den weg tot Venavides: twee
schreden--eene nog slechts en--ze staan man tegen man. Venavides had de
aannadering van dien somberen krijgsman der verschrikking bespeurd en
hij houdt zich gereed, hem af te wachten. Hij zal zich met hem meten;
hij zal hem doen vallen of zelf omkomen.

--»Geef u over, Spanjaard!« zegt hij op kouden, waarschuwenden toon,
»nog geen bloed genoeg? Hebt gij geen afschrik van dat moorden? Geef
het op, herhaal ik; een zoo dapper soldenier als gij zal den veldheer
wel een losprijs waard zijn.«

--»Geen Spanjaard geeft zich gevangen, zoolang hij nog een zwaard
heeft,« antwoordt Venavides, terwijl hij een moedigen blik op den
zonderlingen vijand slaat, »Ik vrees u niet, met uw reuzenrapier;
uw leven of het mijne.«

--»Ik strijd met God en voor het heilig recht,« is het antwoord;
»nog eens dus: geef u over; dat zal u, na zooveel moed, niet tot
schande zijn.«

--»Nooit, zoolang ik een rapier heb,« hernam Venavides; »ook ik
herhaal dus: uw leven of het mijne.«

Bij deze woorden heft hij zijne kling op, ten teeken tot den
aanval. Ook de onbekende zwaait zijn bliksemend zwaard boven zijn
hoofd--en het daalt op den Spanjaard. De slag mist echter zijn doel,
hetzij door het toeval, hetzij dat de vreemde het leven van een zoo
moedig vijand niet wil. Venavides echter schijnt het leven van zijn
vijand niet te willen sparen; met kracht dringt hij op hem aan, en
de scherpe punt van zijn rapier ware in de borst zijner tegenpartij
gedrongen, wanneer deze den stoot niet door een lichten zwaai van
zijn geducht wapen had afgeweerd.

--»Vivent les Gueux!« klinkt het intusschen onder de overigen; want
nog slechts weinig vijanden zijn in het gevecht, en deze schijnen
op het punt, terug te deinzen. Heviger en heviger wordt de aanval;
en de weinige schansverdedigers slechts een wissen dood voor oogen
ziende, snellen hunne vluchtende broeders achterna.

--»De dood aan allen! dat niemand ontkome!« klinkt het onder
de Haarlemmers, die ijlings de vluchtenden achtervolgen. Alleen
Venavides houdt stand; hij blijft pal staan tegen den Éénoog, ofschoon
hij beseft, dat zijne uitgeputte krachten tegen dezen niet kunnen
opwegen. De edele Venavides alleen veracht de vlucht; want hij wil
niet, dat don Frederik hem tegemoet voere: »dat gij dan gestorven
waart!« Hij veracht ook de genade, omdat hij die voor gevangenschap
koopen moet; hij wil vechten zoolang hij kan; hij wil een roemrijker
dood. En de onbekende? Heeft hij eerbied voor de stalen dapperheid eens
aanvoerders, van wien al de soldaten hun leven in de vlucht zoeken? En
wil hij dus van zijne meerderheid, van zijne nog onvermoeide kracht
op een uitgeputten vijand geen gebruik maken?

--»Mensch! wat zoekt gij den dood?« spreekt hij, »uwe overgaaf zal
uwe schande niet zijn.«

--»Ik zoek den dood niet, maar ik vrees hem ook niet,« antwoordt
Venavides, terwijl hij zijne tegenpartij het staal in de borst tracht
te stooten. Maar de onbekende is op elke beweging verdacht. Een
oogenblik nog en--het gevecht zal beslist zijn. Opnieuw heeft de
Eenoog den slag afgeweerd; opnieuw heft hij de hand op, die het
tweesnijdend rapier omklemt, en met alle kracht daalt het neder. Maar
die slag geldt het hoofd van Venavides niet. Hij treft diens wapen;
het eene staal doet uit het andere vonken springen, en--de deugdzame
Toledosche kling is ter hoogte van het gevest gebroken; Venavides
staat weerloos, hij heeft geen wapen tot zijne verdediging meer;
hij is in de macht van zijn vijand, en voor een oogenblik komt er
een lichte blos op zijn edel, mannelijk gelaat.

--»Gij zijt krijgsgevangen....« zegt de onbekende, maar eer hij
nog uitgesproken heeft, blikt Venavides  om zich rond; het woord
krijgsgevangen heeft in zijne ooren dezelfde beteekenis als de
schandkoord, die, sedert den verbitteringsoorlog met Spanje, reeds
zoo dikwijls aan het leven des krijgsman een einde maakte, en onder
den uitroep:

--»Geen edelman van Castilië zal door den strop sterven!« wil hij zich
van het wapen van een zijner gevallene soldaten meester maken. Maar
snel als het weerlicht springt de lange gestalte, het doel gissende,
op hem aan. Met de eene hand hem bij den ringkraag grijpende, met de
andere het zwaard op zijne borst richtende, en hem somber aanstarende,
zegt hij op doffen toon:

--»Gij zijt krijgsgevangen, Spanjaard! geen nieuwe aanval meer
of het is met uw leven gedaan.« Werkelijk schijnt hij voornemens,
zijne bedreiging te zullen volvoeren, wanneer Venavides andermaal
eene poging tot weerstand mocht aanwenden.

--»Nombre de Dios!« zegt deze, »zoo gij niet meer met mij vechten wilt,
dood mij dan met uw zwaard. Ik ben edelman en ridder, en ik, die het
staal niet vrees, beef bij de gedachte aan den dood der schande.«

--»Dien dood zult gij niet sterven, señor!« is het antwoord op den
vorigen somberen toon. »Gij zult den bevelhebber van 's konings leger
wel een losprijs waard zijn.«

--»Aan het laatste twijfel ik, en wie zal mij borg staan voor het
eerste?« vraagt de Spanjaard, met het fier en ridderlijk gelaat op
dat van den onbekende gericht.

--»Die borg zal ik zijn; want ik wil uw dood niet.«

--»Zweer het mij,« hervat Venavides, »zoo niet, stoot mij dan het
zwaard in de borst: dan sterf ik ten minste door de hand van een
wakker man.«

--»Nog nooit schond ik eene belofte. Ik blijf u borg met mijn leven,
dat dood, geweld noch schande uw lot zijn zal.«

--»Ik vertrouw u; maar ik ken den haat der Nederlanders tegen al wat
Castiliaan is. Zal uwe macht aan uwen wil evenredig zijn, wanneer
het volk, in een oogenblik van woede, mijn dood eischt?«

--»Zoo ik u niet kon beschermen, deed ik de gelofte niet. Gij zijt mijn
krijgsgevangene, señor! en de bevelhebber van Haarlem is... Wigbolt
Ripperda!«

--»Welnu dan--het zij zoo,« herneemt Venavides, »ik verlaat mij op
eens krijgsmans woord.«



Onafgebroken was inmiddels de nederlaag der Duitschers, zoodra zij
hunne schansen verlaten en zich op de vlucht hadden begeven. Aan den
rivierkant door het jacht en de bemanning der booten aangevallen,
door de Walen en Haarlemmers buiten de Waterpoort besprongen, en
ter rechterzijde door de Franschen en Walen, die de Zijlpoort waren
uitgetrokken, in de flank aangetast, grimde hen de dood aan alle
zijden aan.

--»Vlucht! vlucht!« waren de kreten, die van links en rechts door den
Haarlemmerhout klonken; maar evenals klotsende baren en het loeien
van den wind het angstgeroep van schipbreukelingen overstemt, evenzoo
werden deze klanken overtroffen door het geschreeuw der zegevierende
Haarlemmers bij den aanval en de verdediging. De snelheid en de kracht,
waarmede zij de vijanden achterna joegen, was te vergelijken bij een
van het gebergte schietenden stroom.

--»Slaat dood! slaat dood het gespuis van duc D'Alf!« daverde
het in alle richtingen. Het was geen gevecht meer, het was een
Siciliaansche Vesper, eene verdelging, zonder wederstand. Het was
alsof in dat eerbiedwaardig bosch, waar weleer een Hemelsche geest
op Laurens Koster daalde, thans een wraakengel rondging--neen, met
al de bliksems van het verderf gewapend, heen en weder gierde. En
men kan zich een denkbeeld vormen van Frederik's woede bij zulk
eene nederlaag, maar men kan zich ook de trotschheid der Spaansche
ridders en officieren verbeelden bij eene zoo algemeene vlucht der
Duitschers. Inderdaad! zoo ooit, dan bleek het dien dag, hoe oneindig
ver de Spanjaarden in moed, in dapperheid, in oorlogstalenten boven de
Duitschers verheven waren. In de twee geweldige stormen aan de Kruis-
en Janspoorten hadden zich de Spaansche soldaten zoo onverschrokken en
hardnekkig gedragen, dat de Haarlemmer zelf, in weerwil van zijn haat,
hun den lof van helden te zijn, niet kon ontzeggen; en hier, in den
Hout, waren de Duitschers schier bij den eersten aanval schandelijk
gevlucht. Hier moest de vijand, in weinige uren, grooter nederlaag
ondergaan dan in de beide stormen van December en Januari. Hier lieten
zij zich neerslaan als het gras onder den sikkel der maaiers; hier
had geen enkel feit plaats, dat hun moed deed uitblinken; want zij,
welke de verdediging dier eene schans eene geruime poos moedig hadden
volgehouden, waren Spanjaards geweest. Van geen enkel Duitscher zouden
de overgeblevene krijgsmakkers kunnen zeggen, dat hij het leven ten
duurste had verkocht; en die overgeblevenen zelven zouden niet dan met
neergeslagene oogen den dag van den vijfentwintigsten van Lentemaand
kunnen herroepen; want zij hadden dat behouden leven enkel te danken
aan eene onverschoonlijke vlucht.

Hoor het, Frederik! hoe daar in den Haarlemmerhout de wapenen
der belegerden zich kletterend bot scharen op de stormhoeden uwer
benden. Gij moogt van woede op den grond stampen, razen en vloeken;
maar met hetzelfde recht als Augustus uitroepen:


»Geef, Varus, Varus! mij mijne legioenen weer!«.


dat moogt gij van het kleine getal Spanjaarden; want Cressonneros
en Carjaval zijn ten minste met eere gesneuveld; maar dat moogt,
dat kunt gij niet van uwe Duitschers: die zijn niet waardig, onder
uwe dappere Spaansche vendels gerekend te worden.

Nog is de schemering van den avond niet ingevallen, en evenwel
is het voor honderden vijanden reeds nacht geworden. Hier werpen
zich uitvallers op een driemaal grooteren hoop, die zich den
weg naar Heemstede evenzeer ziet afgesneden als dien naar de
Noordwijkerhoutvaart. In hunne wanhoop hebben zij zelfs de wapenen
weggeworpen en bidden zij om lijfsgenade. Maar hij, dien zij smeeken,
is Vardeur; nog nooit heeft Vardeur een Spanjaard genade betoond.

--»Slaat dood, geuzen van 't witte vendel!« schreeuwt hij, »wij hebben
Duitsche koppen noodig om den tienden penning te betalen. Wie een
vijand over de kling jaagt, verdient den Hemel, wie hem pardon geeft,
de Hel. Slaat dood! geen kwartier!«

Terwijl hij zelf een paar hunner het rapier in de borst stoot, vallen
zijne soldaten de overigen te lijf. Onder algemeen getier woeden hunne
halve pieken en klingen onmeedoogend op de vijanden en--binnen weinige
oogenblikken hebben deze de stapels lijken rondom zich verhoogd.

--»Vuur, musketiers!« klinkt het onverpoosd aan de vaart bij den
Noordwijkerhout; want het tooneel dáár is wel het bloedigst van
allen. Hoeveel rechte en kromme lijnen, hoeveel vreemde figuren
stellen die gewapenden niet samen, in hunne onvermoeide pogingen
om de vluchtenden overal te vernielen. Hier vormen eenigen als het
ware een phalanx van halve pieken, die zich nu eens verwijdt, dan
weder samentrekt om een hoop Duitschers den doortocht te beletten en
neer te stooten. Daar jagen ettelijke Franschen met hunne klingen een
andere hoop voorwaarts, verdeelen en verstrooien dien of doen hem op de
gevelde pieken der overigen insgelijks den dood vinden. Ginds zijn het
verspreide Haarlemmers, die elk afzonderlijk een vluchteling najagen,
evenals de hazewinden het opgeschoten wild; en wie het gelukt, den
eenen vervolger te ontkomen, wordt de prooi van den anderen. Sommigen
bereiken uitgeput de vaart, terwijl de kogels der haakbussen en
musketten hen nagieren; zij storten zich in het water en trachten
den overkant te winnen; maar niet minder woedt de dood ook daar.

--»Vuur, vuur!« davert het, »achterwaarts, musketiers! valt aan op
dien hoop! haakschutters, in de flank! slaat dood!« Sommigen, die
met het water worstelen, zinken door bekomene wonden of uitputting,
naar beneden; anderen klemmen zich krampachtig aan een krijgsbroeder
vast, om op die wijze het lijf te behouden; velen, die eene laatste
poging aanwenden om weder boven te komen, worden met kogels begroet,
en op meer dan eene plek is het water door bloed gekleurd. Ofschoon
de Noordwijkerhoutvaart niet overal dezelfde breedte had als bij
de oude Brouwerskolk, verbeelde men zich echter, dat dezelve bij
het hoofdtooneel van de vlucht ongeveer veertien ellen breed en dat
de overtocht allergevaarlijkst was. Waar thans het Rolland ligt, de
tuinderijen in en bij de Rampelaan tot daar waar men tegenwoordig de
hofstede Elswoud aantreft, en dus tot aan de duinen, daar lagen toen
de Spanjaarden van St.-Lijga; en slechts zij, aan wie het gelukt,
de hoogte dier hofstede te bereiken, mogen zich veilig rekenen, maar
hunne broeders te redden, gaat boven hunne krachten, boven hun moed,
en de meesten dezer ondergaan een deerlijk lot.

Alom schallen in den Hout de tonen van den Geuzen- en
overwinnings-marsch, en zij, die het verdelgen van vijanden moede zijn,
werpen zich op de verlatene tenten van aanvoerders en soldaten.

--»Bloed van den Spanjaard! buit voor Haarlem!« klinkt het. »Schande,
keerden wij met leege handen terug!«

--»Roeit uit het nest! kraaie de roode haan!« schreeuwen de soldaten
even trotsch op hun voordeel, als begeerig naar den rijken buit,
dien zij als de zichtbare blijken van 's vijands nederlaag in de stad
willen brengen.

--»Wat rept gij van buit?« roept een tamboer der Walen, »neemt gij de
dubbelbassen op den rug, mijne vracht is lichter, maar toch wil ik er
iederen dag een uitval voor doen.« Dit zeggende, toonde hij aan zijne
krijgsmakkers eene zware, met goud gevulde beurs, en terwijl hij met
den schat op zijne trom sloeg, voegde hij er bij: »dat is beter dan
braspenningen en vierijzers: dat zijn dubbele ducs van Spanje.«

--»Biecht op: waar hebt gij die gestolen?« roepen een paar Walen,
met begeerig vlammende blikken, en een hunner op hem aanspringende,
wil hem het geld ontrukken.

--»Halt, kameraad! ik ben geen Mof,« schreeuwt de tamboer, eene
schrede terugdeinzende, de hand om de beurs klemmende, evenals de
kieuwen der visch zich om het aas sluiten, en te gelijker tijd zijne
kling zwaaiende, »zien moogt ge vrij, maar handen thuis. Ook is er,
bij mijne ziel, nog buit genoeg, en wat gij van den Spanjaard neemt,
is niet gestolen.«

--»Buit voor Haarlem! buit voor de soldeniers!« klinkt het eenige
schreden van daar, en op het gezicht van onderscheidene soldaten, die
binnen de legertenten stormen, volgen vele anderen dit voorbeeld na.

--»Haarlem triomf! blaast, trompetters, blaast!« laat het zich hier en
daar hooren, en de overwinningsmarsch klinkt tot binnen de stad. Daar
zijn honderden mannen, vrouwen en kinderen naar de wallen gestroomd,
en van de Zijlpoort tot over het Spaarne, tot aan de Spaarnwouder-
en Schalkwijkerpoorten, van de Groote Hout- tot aan de Kruis-
en Janspoorten gaat één kreet, één gejuich op: »Haarlem triomf,
de Spanjaard bijt in 't gras!«

--»Mijn heere Ripperda, laat ons de stad uit!« roepen tien, twintig
tegelijk, en in den omtrek van de Groote Houtpoort verdringen zich
de burgers, om Ripperda als het ware te dwingen, hen buiten de poort
te laten, ten einde de uitgevallenen tegemoet te snellen.

--»De Spanjolen zijn al verhuisd,« roept men, »hoort, hoe de
geuzenmarsch wordt geblazen.«

--»Er is buit voorhanden,« laten eenigen hooren, »de soldeniers
schreeuwen ons toe, dat wij komen moeten om te helpen slepen. Uit de
stad, uit de stad!«

--»Dat niet,« zegt Ripperda, »dat zou wanorde baren en twist; betoomt
uw ongeduld, mannen! deze dag is het waard.«

--»Wij zijn ook mannen van 't rapier! gaan wij hen tegemoet met vendel,
trom en trompet.«

--»Als ik hen terugkomen zie,« herneemt Ripperda, »dan, en niet eer.«

Algemeen en luidruchtig is het gewoel en geestdriftvol rumoer op ieder
gedeelte van den wal naar den kant van het Bosch. Sommigen snellen naar
huis om gekwetsten, zieken of ouden van dagen de overwinning mede te
deelen; anderen roepen Geuzenliedjes, vol schimp op de Spanjaarden, in
hun geheugen terug, om ze weldra aan te heffen; weder anderen willen de
poorten uit, en Ripperda en de hoplieden hebben al hun gezag noodig om
de opwellingen der geestdrift in toom te houden. Het ware onvoorzichtig
geweest, hen de stad uit te laten; want de verwarring in ieder gedeelte
van den Hout is reeds groot genoeg. De aanval op de tenten is algemeen
en vooral op die der officieren, van welke er velen gesneuveld zijn; en
daar de uitval even schielijk als onstuimig ondernomen was geworden,
hadden de meeste hoplieden hun geld en kleinooden in de tenten
achtergelaten. Gretig worden deze nu onderzocht; men doorsnuffelt
alle hoeken, en wanneer er eene zilveren schaal of een gouden ring
wordt gevonden, dan zijn aller handen gereed om zich den schat toe
te eigenen of elkander te betwisten; dan fonkelen aller oogen; dan
heeft er een levendig tooneel plaats van hebzucht en rumoer, waarbij
het recht van den sterkste meestal slechts voor een oogenblik geldt,
en waar het gezag evenzeer te kort schiet, als bij een muitzieken hoop.

Wee ook intusschen den ongelukkigen Duitschen hopman, die, in
zijne wanhopige vlucht, in eene der tenten eene schuilplaats
dacht te vinden. Het oogenblik zijner ontdekking is ook het sein
tot zijn dood, onverschillig of men al dan niet eenig voorwerp
van waarde bij hem vindt. De buit is boven veler verwachting;
want schier geen der uitvallers, die ten minste niet iets bekomt,
in weerwil van de opbruising der hartstochten en het gejoel, dat er
bij plaats heeft. Hier ziet men er een den gloeienden blik vestigen
op de bemachtigde zilveren schalen en gouden ringen. Daar werpt een
ander zich den sierlijken mantel van don Cressonneros over den groven
wapenrok, en verbergt er tevens andere kostbare kleedingstukken onder,
om ze binnen Haarlem voor geld in te ruilen. Zij, die geen goud of
zilver in handen kunnen krijgen, torsen eene menigte schitterende
helmen, zwarte Duitsche harnassen, schilden of rapieren met fraaie
gevesten, en zelfs beladen zich enkelen met ijzeren handschoenen om
toch ook getuigen hunner overwinning mede te brengen. Velen slepen
kruitzakken op hunne schouders en maken zich van de schandelijk
verlatene vendels meester. Maar het meerendeel is noch door het bloed,
noch door den buit hunner vijanden bevredigd. Zichtbaarder nog moeten
de sporen wezen, die zij achterlaten.

--»De roode haan!« schreeuwen zij, »het nest uitgeroeid en tot asch
verbrand.«

--»De schansen vernield!« roepen anderen, »het vat is nog niet vol!«

--»Vuur aangestookt, dan kunnen de koude hazen zich komen warmen,«
roept men spottend. En spoedig zijn honderden bezig met het verwoesten
der schansen, en het vernagelen der slangstukken, die zij niet
mede kunnen voeren. In weinige seconden vlammen de toortsen. Het
zoogenaamde hobbelde dobbelde veld, de weg van de Dreef tot aan het
eind der Spanjaardslaan, loopende naar den Wagenweg, waar die toen
eerst begon,--de Achthoek, waar het monument ter eere van Koster
staat, de plaats van de tegenwoordige Hertenkamp, alles vertoont
weldra één vuur. De saamgedrongene burgers op de wallen zien het
tooneel der verwoesting; zij zien de rookwolken en vlammen uit de
legertenten opstijgen. Van de vest er het oog heengewend, scheen het,
alsof de geesten, die weleer het statig woud van hooggetopte beuken
en linden doorzweefden, wraak nemen over de schennis, welke de bijl
aan die eerbiedwaardige stammen en breedgearmde takken bedreef. Maar
terwijl de vlam al hooger en breeder een inkarnaatgloed over den
omtrek werpt, hoort men het overwinningsgejuich al van naderbij;
het trompetgeschal en de dommelende muziek der trommel laat zich
al dichter bij de stad hooren, en weldra ziet men de uitgetrokkene
krijgslieden naar de vest terugkomen.

--»Victorie voor de dappere mannen van Haarlem!« klinkt het nu van
ieder punt van den wal, en nu zijn de burgers niet langer binnen
de poort te houden: nu zijn ze gelijk aan vuurwerken, die, eenmaal
aangestoken, voortbranden en voortschieten.

--»Uit de vest! uit de vest!« weergalmt het van allen kant, en
spoedig snellen mannen, vrouwen, kinderen van alle rangen en jaren de
ontslotene poort uit, de overwinnaars tegemoet. Wanneer voorheen een
schutbroeder, die den papegaai had geschoten, met luidruchtig gestamp
en geklap tot koning verklaard en buiten de Houtpoort naar Heemstede
gevoerd werd,--wanneer dan eene schaar van schutters en burgers den
triomfwagen vergezelde onder trompetgeschal en trommelslag,--wanneer
men hem vervolgens met geestdrift den zilveren kop van twee en dertig
lood aanbood, hem feestelijk onthaalde en de boomen uit het bosch
voor het stadhuis en zijne woning plantte, dan ging er een gejuich en
gedaver op, waarvan de herinnering nog dagen, nog weken in het geheugen
terugbleef. Maar wat was dit alles in vergelijking van thans? Nu gold
het de glorie van gansch Haarlem, van heel het vaderland. Nu waren
er duizend vijanden verslagen--duizend tegen acht:--van zóó roemrijk
een uitval uit eene belegerde stad had men nooit nog gehoord.

--»Leven de Geuzen!« klonk het hier.

--»Buit en bloed, mannen! wij keeren terug!« hoorde men daar:


        »De Duitschers stonden in 't Bosch vergaard,
        Zij dansten een nieuwen Spaanschen galjaard.
        Leven de Geuzen! triomf!«


--»Van nu af moet Haarlem Haalmeer heeten!« zeide een Waal; »hoe meer
duc D'Alf haalt, hoe meer hij verliezen zal.«

--»Hoe kraait er de roode haan!« riep een ander, »'t is een winterbrand
voor de kou.«

--»De hand, kameraad, de hand!« liet zich hier en daar en overal
hooren, »dat is een dag van victorie! dat is de tiende penning
betaald!«

--»Hasselaar! geene kwetsuur? Waar is Duivenvoorde, Boreel,
Margottin?--dat is een dag van glorie! schooner dag is er niet
geweest.«

--»Mijn zoon--waar is hij?«--riep eene vrouw, die zich door allen
een weg zocht te banen, »is hij dood? Nog zie ik hem niet....«

--»Hij moordt nog,« riep Vardeur, »en hij heeft er eer van; hij heeft
er wel tien naar den duivel gejaagd.«

--»Wie zijn er gevallen!« vroeg Ripperda, die nu den een, dan den
anderen hopman met geestdrift de hand bood, »Derdein? ik zoek hem
vergeefs.«

--»Hij viel....« is het antwoord; doch meer hoorde Ripperda niet;
want het gejuich en rumoer groeide met iedere seconde. Telkens
drongen andere bonte scharen naar buiten, terwijl de uitvallers
meer en meer naderden. Hier wapperde het vendel van Kenau, naast
het gele vendel van Ripperda, daar zag men den standaard, met het
nunc aut nunquam tot zinspreuk, naast dat, waarop de tien penningen
waren geschilderd; het witte vendel van Lumeij en het bloedvendel
van De Kijk; ginds werd de Geuzenmarsch aangeheven, of men hoorde
schimpliedjes op de nederlaag van den vijand;--wat verder had een
burger eene groote prent aan een stok gebonden, Alva verbeeldende,
met een grooten bril, dien Lumeij hem op den neus zette, en die
het getal der vaandels moest vermeerderen. Maar opeens heeft er
eene opening in den drom plaats. Verscheidene Walen en Franschen
waren in de stellingen en ammunitie-tenten van den vijand gevallen,
en nu drijven zij de legerrunderen voor zich henen of rijden op de
bemachtigde ruiterspaarden in zegepraal en onder voortdurend gejuich
naar de stad. Het tooneel achter hen is echter nog belangwekkender
en ongewoner. Wie had tot nog toe gehoord, dat het garnizoen eener
belegerde stad, bij een uitval, vijandelijk geschut bemachtigde? En
toch ziet men, hoe een vijftigtal Haarlemmers vijf dubbelbassen of
falkonetten en twee metalen stukken kanon naar de vest slepen. Hoe meer
zij naderen, hoe luider het trompetgeschal. Reeds zijn de voorsten
binnen de Houtpoort en ook daar begroet de vriend den vriend, de
krijgsmakker den krijgsmakker. Hasselaar's moeder sluit den wakkeren
vaandrig in hare armen en Kenau reikt hem met geestdrift de hand
toe. De dochter snelt den vader tegemoet, de vrouw den fieren man,
die als overwinnaar terugkeert. Schoon klinkt de lof van vrouwen en
jonge dochters ter eere van de soldeniers. Hoe schaterend die kreten
van overwinning en welkomst; dat gewapper van de veroverde vaandels,
dat gejoel en gewemel van Schotten, Engelschen, Franschen, Walen,
met zooveel verschillende tongvallen en karakters. Geen triomftocht
van vroegere dagen was zoo roemrijk geweest.

--»Naar burgemeester Van der Laan!« roepen eenige der burgers, welke
de genomene slangstukken binnen de poort voeren, en die, de Groote
Houtstraat door tot aan de Oude Gracht en de Kleine Houtstraat,
reeds een langen breeden trein hebben gevormd.

--»Naar burgemeester Van der Laan!« roepen ook zij, die de veroverde
vendels trotsch boven de hoofden zwaaien; en ofschoon Van der Laan,
met Stuiver, Kies, Ripperda en zooveel anderen de overwinnaars
omringt, houden deze voor zijne woning in de Kleine Houtstraat bij
den Anegang stand.

--»Mannenbroeders!« zegt de burgemeester op geestdriftvollen
toon. »Deze dag is mij jaren levens waard! Dat zal den prins het hart
verheffen! dat zal weerklinken door heel Holland! Dat is een dag van
glorie, die nooit vergeten wordt. Maar, mannenbroeders! denkt er ook
aan--dat is de vinger Gods geweest!«

--»Haarlem triomf!« roepen allen als met eene stem.

--»De pijpers en trommels! Tamboers, slaat de trom!« laat het
zich hooren; en eenige seconden lang zijn nu de kreten, de geuzen-
en overwinnings-marschen zoo luidruchtig en daverend, dat iedere
bijzondere toespraak, iedere persoonlijke lof van Ripperda, Kenau en
anderen versmoord wordt. Hier verheft zich een vaandel, waarop een
pelikaan is geschilderd, hare jongen voedende met haar bloed,--het
zinnebeeld der oude rederijkkamer Trouw moet blijken--en daar wappert
de standaard, waarop met groote letters te lezen staat: »de deugd
kan niet verwonnen worden dan door de deugd.«

--»Wij leven en sterven voor de vrijheid!« roept een schutter, die
een met bebloede handen veroverden standaard zwaait, en tevens naar
den grond buigt om er 's vijands nederlaag door uit te drukken.

--»Buit voor Haarlem! eerlijk nu den penning-tien betaald!« klinkt
het schimpend, en langs heel den langen trein van de poort tot op
het marktveld en de bijgelegene straten laat men nu aan vrouwen,
broeders en vrienden den talrijk bemachtigden buit zien. Velen
dragen dien reeds naar hunne woningen; doch zoo menige Duitscher
ziet het wrevelig aan; in zoo menige borst gloeit de spijt, dat het
grootste getal der verslagenen hunne broeders en landgenooten zijn,
en ofschoon zij het niet met ronde woorden uitdrukken, zijn hunne
toejuichingen het zwakst en flauwst; want zij zien reeds vooruit,
dat hen van nu af menige scherpe zet over de lafhartigheid hunner
landslieden tegemoet zal worden gevoerd.

--»Mijn wakkere Derdein gevallen?« zegt Ripperda tot Van Duivenvoorde,
»dat smart mij diep te midden van dit geluk. Ik hoop toch, dat men
zijn lijk in de stad voert; dat lijk moet eere worden gedaan....«

--»Het smart ook mij,« antwoordt Van Duivenvoorde, »maar doen wij
het niet blijken aan de wakkere mannen. Honderden zijn er gevallen
tegen nog geen tien van ons: dat zou een azijndruppel wezen in den
zoeten wijn.«

--»Gij hebt gelijk,« herneemt Ripperda, »de vreugde moet vandaag
onvermengd wezen. Duivenvoorde! Boreel, mijne vrienden! dat is eene
onvergetelijke dag voor heel het vaderland!«

--»Naar Ripperda, naar zijn huis!« herhaalt intusschen de menigte,
die zich eene wijl voor het St.-Michielsklooster--het tegenwoordige
Oudemannenhuis--opeenpakt; en weldra heeft ook voor het hof van
Holland in de Warmoesstraat een oorverdoovend leven van pijpen en
trommels plaats, terwijl sommigen zich over het marktveld of in
kleinere afdeelingen door al de wijken der stad verspreiden.

Intusschen heeft ook door de Zijlpoort de intocht der overige
overwinnaars plaats. Bijna een eeuw geleden was door die poort het
jachtgezelschap van Nicolaas van Ruiven, eene schaar van edellieden
op prachtige rossen en in rijk gewaad, met het eerstgeschoten hert
teruggekeerd. Het oude verhaal gewaagt van het luid gejubel en
weergalmend hoorngeschal van toen; hoe weinig beteekenend moet dit
evenwel geweest zijn in vergelijking van den zegevierenden intocht
van thans. Ook daar tot aan de Groote Krocht en de Markt hoort men
een geschater en gejuich, dat door gansch Haarlem weerklinkt: en te
midden der dichte kolommen ziet men den langen Eenoog, met Venavides
aan zijne zijde, zich ruim baan maken.

--»Een don gevangen!« roept het volk, »dat is nog grooter buit; en
't is er een met riddertuig om den hals.«

--»Daar zullen we hem een strop voor in plaats geven,« roept een ander,
en nu dringen eenigen zich dichter naar de plek, waar Venavides op
dat oogenblik is, om hem door woorden en gebaren zijne nederlaag en
gevangenschap te doen gevoelen.

--»Neen, dat zou laagheid wezen!« roepen eenigen.

--»Geen schimp op een onweerbaar man!« voegen anderen er bij.

--»En de Eenoog schijnt het goed op hem voorzien te hebben, en die
is niet malsch.«

--»De don kijkt zoo trotsch, alsof hij nog vrij man was!«

Inderdaad, Venavides verried door geen enkelen blik het pijnlijke
van zijn toestand. Krijgsgevangen binnen eene stad, die hij reeds
tweemaal vergeefs bestormd had! eene bloedige nederlaag! een zoo
algemeen gejuich! de gedachte, hoe ondraaglijk voor Magdalena de
teleurstelling en het vertrouwen op zijne hulp moest zijn--dit alles
viel hem smartelijk. Maar de onverwachte verandering van legerkwartier
had er immers de schuld van, en wat zijne gevangenneming betrof--dit
was de kans van den oorlog. Dit drukte zijn gelaat dan ook uit, terwijl
hij, vol vertrouwen op zijn geleider, fier naast dezen voortstapte,
en duidelijk zag, hoe de Eenoog niet weinig invloed op het volk
uitoefende. Ongehinderd werd hij naar het stadhuis overgebracht,
waar men hem een verblijf, overeenkomstig zijn rang, aanwees. Dat
had hij aan de zorg van den onbekende te danken, die het plan voedde,
om Van Duivenvoorde door zijne tusschenkomst nuttig te zijn.

Terwijl nog door al de straten de kreten der uitgetrokkene verdedigers
en ingezetenen weergalmen,--terwijl de vermeesterde slangstukken in
triomfeerenden optocht naar de markt worden gevoerd, is Vardeur met
eenige Walen en burgers, die de vendels dragen, eerst de gansche stad
door en vervolgens naar den wal gesneld. Op de plaats, waar men nu den
molen de Adriaan en iets verder het boomsluitershuisje ziet, stonden
toen twee torens; en de wal naar den kant van de Janspoort was wel
het hoogste gedeelte der vesting. Dien wal heeft Vardeur beklommen,
en een twintigtal der uitvallers, die zich, op zijn bevel, van spaden
en houweelen hebben voorzien, zijn hem gevolgd.

--»Wie dood zijn, moeten begraven worden,« roept Vardeur, wiens kling
tot aan het gevest met bloed is bevlekt, terwijl in zijne oogen nog
de vlam der vernieling blaakt. »Soldaten van 't witte vendel! een
kuil gedolven voor 't Spaansch gespuis!«

--»Ja, een kuil--een graf! hun de leste eer aangedaan!« klinkt het
schimpend, en tegelijk woelen eenige spaden in de aarde van den wal
om er een graf te maken, ofschoon men geen enkel lijk bij zich heeft.

--»Blaast, trompetters! roert de trom, tamboers!« beveelt Vardeur op
ruwen, vloekenden toon; »nog dieper gegraven, nog wijder; een groot
graf moet het zijn--graaft!«

Binnen weinige oogenblikken zijn er eenige aardklompen opeen getast;
en dit werk gaat met allerlei pochende en snoevende uitdrukkingen
vergezeld, waarbij de nederlaag der vijanden nog tienvoudig vergroot
wordt.

--»Zooveel kluiten als ik hier opgehoopt heb, zooveel Moffen heb ik
naar de hel afgescheept,« roept een der delvers.

--»Vijf serpentijnen heb ik vernageld, en het eerst den rooden haan
laten kraaien,« roept een ander.

--»Carjaval, den don, heb ik 't licht uitgeblazen,« schreeuwt er een,
»en ik was de eerste, die de hazen in de vaart heb gejaagd.«

--»Wat pocht gij op niemendal!« zegt een Waal. »De vendels in handen
te krijgen--dat wil meer zeggen; en dat heb ik gedaan.«

--»Graaft, kerels!« beveelt Vardeur, »en blaast: leven de Geuzen! de
dood aan den Spanjool!«

Nog hooger worden de aardkluiten opeengehoopt en al spoedig is de
gedaante van een groot opgevuld doodgraf verrezen, zonder dat men er
iemand in te begraven heeft. Op bevel van Vardeur scharen nu allen
zich rondom het graf, en nadat men met de trommels en trompetten een
geraas heeft gemaakt, dat door al de Spaansche schansen weergalmt,
roepen allen als met één donderenden, schimpenden kreet: »Haarlem is
het kerkhof van den Spanjaard!« Onderscheidene malen wordt die kreet
al luider en luider herhaald, en onder lagen overmoed en helsch getier
worden nu de vendels op het graf geplant.

--»Haarlem is het kerkhof van den Spanjaard!« dreunt het opnieuw:
vloek, hoon en schimp volgen op die opgeblazene taal, terwijl al
de vaandels zich op het graf vertoonen en als bezielde wezens met
sarrende uitdrukkingen worden begroet.

Maar weldra heeft de overmoed uitgeraasd. De laatste schimpkreten
zijn naar den vijand overgevoerd, en het is, alsof van dien vijand
het antwoord terugkomt: »Vervloekte rebellen! die hoon zal gewroken
worden!«

Gewroken zou hij worden; want, dat was niet de geestdrift van Ripperda,
van Van der Laan,--niet de geestdrift bij den terugtocht: dat was
strafbare laatdunkendheid. Of had de vijand zijne nederlaag niet reeds
diep genoeg gevoeld? Dat was de miskenning eener hoogere macht, die
haren verderfengel door het midden der belegeraars had laten rondgaan;
dat was de onvergeeflijke waan, alsof men die overwinning door eigen
kracht had behaald, zonder te bedenken dat op morgen, of iederen
anderen dag, de oorlogskans een vreeslijken keer zou kunnen nemen.

Nog den ganschen avond, den ganschen nacht hoorde men door al de
wijken der stad: »De Spanjaard is verslagen! Haarlem triomf!« maar
ook den ganschen nacht klonk door de vijandelijke legerplaats: »Wraak
op de geuzen! Den rebellen de dood!«



Wij noemden Haarlem een ceder, die zijne kruin verhief te midden
van een onafzienbaar woud. Op hechte wortelen rustende, kon geen
storm hem neervellen, geen bliksem zijn reusachtigen stam doen
splijten. Trotsch en ongedeerd stond hij daar, en nam van dag tot
dag toe in kracht en luister. Maar van nu af zullen wij aan vezel en
wortel een verderfelijken worm zien knagen; in tak en twijg zullen
de voedende sappen opdrogen; zijne kracht zal vergaan, blad op blad
stervend afvallen, totdat de forsche armen geheel ontbladerd zijn. Maar
schoon wij hem dan zien zullen als eene schim van vroegere grootheid,
toch zal hij in storm en onweer het verdorde hoofd ophouden, nog
steun vinden in eigen zwaarte, nog schaduw bieden door zijn hout;
en wanneer hem ten laatste de bijl doet neerstorten, dan zal hij nog
eerbied en ontzag inboezemen bij zijn val.



                       EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3)" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home