Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3
Author: Stedman, John Gabriel
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA. III.



REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;

DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN.

MET PLAATEN EN KAARTEN.

NAAR HET ENGELSCH.

DERDE DEEL.



INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.

XX. HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duivenboonen of erwten
van Angola.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand

XXI. HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel
van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba
te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was
ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

XXII. HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan
de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis
veröorzaakt.--De Oppossum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het
krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug..

XXIII. HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende
zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke
gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende
Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de
legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De
Zee-koe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der
Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De
Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen

XXIV. HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande
uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van
Visschen.--Arrowoukas-Indianen.--De krygsbende van den Colonel
FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De
Ratel-slang--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige
slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het
krygsvolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting
van Surinamen.--Beschryving eener Cacao-Plantagie.--Heldendaad van
eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

XXV. HOOFTSTUK.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het
Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van
visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed
van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloë.--De
Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde
Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal
bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.

XXVI. HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De
Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te
ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der
Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe
byzonderheden betrekkelyk de Negers.

XXVII. HOOFTSTUK.

De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen
van straföeffening.--Onverschrokkenheid der Negers.--Verschillende
zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene
Indigo Plantagie.--Kaneel-Appel.

XXVIII. HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht
naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van
timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos
genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewoone hitte, die alle
de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De
Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en
vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de
Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche
Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.



REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA.


TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het
wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duiven-boonen of erwten
van Angolo.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd
wordende.--Het innemen van de Stad Gado-Saby, door den Colonel
FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand.

De muitelingen, door hun behaald voordeel op den Capitain MEYLAND
opgeblazen, waren daarënboven door hunne Spions onderrigt, dat
de Colonel FOURGEOUD zig te Barbacoeba bevondt, en zyne soldaaten
willende trotseeren, of schrik aanjagen, hadden zy de stoutheid,
om den 15den Augustus 1775. de hutten van twee legerplaatsen, welken
onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steeken,
en een gehuil en geschreeuw te maken, het welk wy den geheelen
nacht hoorden. Dit was nogtans van hunnen kant niets anders dan
loutere zwetzery; maar het verwekte in onzen Bevelhebber zulk eene
gramschap, dat hy zwoer zig met geweld, het koste wat het wilde, te
zullen wreeken. Dien zelfden nacht wierden wy ook door een grooten
Tyger ontrust; maar hy deedt geen het minste kwaad. Des anderen daags
morgens stondt al ons krygsvolk tot den optocht gereed, en met het
aanbreken van den dag begaven wy ons in het bosch. Wy waaren twee
honderd Europeaanen sterk, bekwaam om dienst te doen; en wy lieten
een groot getal agter, die door ziekten belet wierden mede te gaan. De
Neger-Jagers, wien het verveelde de beveelen van den Colonel FOURGEOUD
te gehoorzamen, verscheenen niet, hoewel zy verwagt wierden, het welk
aan den Bevelhebber gelegenheid gaf, om hunne bende voor schelmen
en lafhartigen uittemaken. Ik erken, dat ik uittermaten verwonderd
was over het agterblyven van myne begunstigden, die op andere tyden
zoo veel yver betoond hadden om den vyand te keer te gaan, en die
verklaard hadden niets meerder te verlangen, dan eenen algemeenen en
beslissenden slag.

Wy trokken deezen dag oostwaarts aan. Na omtrent agt mylen te hebben
afgelegd, het geen in een land, waar onöphoudelyk door het weghakken
van het geboomte de weg gebaand moest worden, al vry aanmerkelyk
is, sloegen wy hutten op, en namen aldaar onze legerplaats. Na zoo
meenigmaalen van de oproerige Negers, aan wien wy nu op het punt
waren van slag te leveren, gesprooken te hebben, biede ik den lezer
eene afteekening aan, verbeeldende één van hun, die op schildwacht
staat, en door het hooren afschieten van snaphaanen in de struiken
verschrikt is. Twee Jagers schynen het oogenblik om hem te verrassen
op eenigen afstand te bespieden. Deze Neger is met een snaphaan en
byl gewapend. Zyne hairen, ofschoon wollig zynde, zyn digt aan 't
hoofd gevlogten; dit was een teken, waar door de muitelingen van onze
Jagers, en van andere Maroni-Negers, die onder hunne bende niet gedoogd
wierden, onderscheiden waren. Zyn baard is puntsgewyze gesneeden, zoo
als zy dien allen dragen, wanneer zy niet in de gelegenheid zyn, om
zig te scheeren. Zyne voornaamste kleeding bestaat in een lap catoen,
die onagtzaam om zyne schouders geslagen is, hem voor de ongemakken
der lucht beveiligt, en hem dient om 'er op te slapen, het welk een
iegelyk van hun altoos onder een dekkleed doet, in de somberste
plaatsen, welken hy vinden kan, wanneer hy van zyne medemakkers
is afgescheiden. Dezelfde persoon draagt een Camisa, die als een
neusdoek om zyne lendenen gebonden is. Zyn zak of weitas is van de
huid van 't een of ander dier gemaakt. Kleine catoene koorden zyn om
de gewrichten zyner handen en enklauwen tot cieraad gebonden. Eene
bygeloovige Obia of tooverband, waar op hy al zyn vertrouwen stelt,
hangt hem om den hals. De bekkeneelen en beenderen, welken men in eene
zandige Savane verstrooid ziet, zyn waarschynlyk die van zyne vyanden.

De twee Jagers, welken men in't verschiet bemerkt, zyn door hunne
roode mutsen kenbaar. Het is aanmerkens waardig, dat de muitelingen zig
verscheiden malen van deeze onderscheidende teekenen meester maakten,
en dat zy, dezelven staande het gevecht op hun hoofd gezet hebbende,
niet alleen hun leven behielden, maar zelfs des te gemakkelyker hunne
vyanden konden afmaken.

Zy hebben dikwerf eene andere krygslist gebruikt. Dewyl het
schietgeweer zeldzaam onder hen was, voegden zig verscheiden onder
hunne gelederen, dragende een stuk hout, het welk ten naasten by als
een snaphaan gehouwen was, op den schouder. Deeze list heeft dikwils
de slaven der Plantagiën belet, om dezelven te verdedigen, wanneer
deeze muitelingen ze kwamen plonderen: zulks heeft zelfs meer dan eens
een zoo grooten schrik verwekt, dat men hen hunne oude woonsteden,
na de vrouwen en kinderen weggevoerd te hebben, zonder tegenkanting
in brand liet steken.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg west-waarts over hoog land. Het
was een zoort van keten van bergen, die, zoo ik my niet bedriege,
in dit Land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zoo als
ook in de verdronken zandwoestynen en moerassen plaats heeft. Wy
leiden geenen zoo grooten weg af, als daags te vooren, en toen wy
stil hielden, ontfingen wy bevel om onze hangmatten uit te spreiden,
en daar op te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vyand geene
kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, het
geen zekerlyk gebeurd zoude zyn, indien wy in het bosch boomen gekapt
hadden: bovendien wierd ons niet toegestaan vuur aan te leggen,
noch te spreken; en men hieldt naauwkeurig de wacht rondom de
legerplaats. Deeze voorzorgen waren in de daad aller noodzakelykst:
maar zoo al de muitelingen ons niet ontdekten, wy wierden ten
minsten door groote muggen en insecten, die uit een naby gelegen
moeras opkwamen, van één gereten. Wat my betrof, ik leed hier meer,
dan ik immer geleden had aan boord der elendige vaartuigen, toen ik
my op den wachtpost aan de Cottica bevond. Het was ons verboden deeze
insecten door rook te verdryven; en in die deerniswaardige gesteldheid,
zag ik soldaten, die met hunne bajonetten gaten in den grond groeven,
om hun hoofd daar in te leggen, terwyl zy voor over op den buik,
en met hunne hangmat overdekt, lagen te slapen. Het was volstrekt
onmogelyk in eenige andere ligging den slaap te vatten.

Echter konde ik, den raad van eenen Neger-Slaaf volgende, een weinig
genot van den slaap hebben: "Masera", zeide hy my, "klauter met uwe
hangmat op den hoogsten boom, die 'er in de legerplaats staat, en slaap
aldaar. Gy zult aldaar door geen enkel insect ontrust worden; want de
geheele zwerm zal door den reuk van deeze meenigte sterk zweetende
menschen benedenwaarts gelokt worden".--Ik beproefde oogenblikkelyk
dit middel, en sliep byna honderd voeten boven myne medemakkers,
welken ik, uit hoofde van de onbegrypelyke meenigte en het aanhoudend
gebrom deezer onaangenaame insecten, niet eens bemerken, noch zelfs
hooren konde.

Van dien aart was gewoonlyk het voornaamste ongemak van den nacht;
maar des daags wierden wy aanhoudend aangevallen door geheele legers
van kleine mieren, alhier vuur-mieren genoemd, uit hoofde van de
pyn, die hunne beet verwekt. Deeze insecten zyn zwart, en van het
kleinste zoort; maar zy verzamelen zig in zulk een groot getal, dat
hunne mieren-nesten, door derzelver dikte, ons dik wils eenigermaten
den weg belemmerden, en dat, indien men 'er by ongeluk op trapte,
men dadelyk de beenen en voeten door deeze dieren bedekt had, die met
hunne klauwen de huid zoo geweldig vast hielden, dat men hun eerder
den kop van den romp zoude draaien, dan hen te doen los laten. De
brandende pyn, die zy veroorzaken, kan, naar myn inzien, niet eeniglyk
uit de zeer scherpe gedaante van hunne klauwen voortkomen: ik meen,
dat zy door een zeker vergift, het welk zy in de wond laten loopen,
of deeze naar zig trekt, moet worden voortgebragt. Ik kan verzekeren,
dat ik hen aan eene geheele compagnie soldaten zulk eene trilling
heb zien veroorzaken, als of zy door kokend water gebrand wierden.

Den 17den, trokken wy tot negen uuren verder oostwaarts op: vervolgens
noordwaarts, en dwars door eene groote meenigte mataky wortels, welken
ik reeds beschreven heb; het geen ten bewyze strekte, dat wy afzakten;
en de grond wierd in de daad zeer moerassig. Gelukkig echter, schoon
wy in het regen-saisoen waren, viel 'er weinig water.

Dien dag hielden wy omtrent vier uuren des avonds stil, want de
Colonel wierd door eene koorts met koude aangetast.

Terwyl ik in myne hangmat, die aan twee zwaare takken was opgehangen,
lag te slapen, viel myn oog op iets, het geen ik in 't eerst een blad
van een boom meende te zyn, maar my vervolgens bleek zig te bewegen,
en op den stam van den boom voort te schuiven. Oogenblikkelyk opgestaan
zynde, riep ik verscheiden van myne medgezellen, om hun dit zelfde te
doen zien, en dadelyk riep een Officier van 's Compagnies krygsvolk
uit; "het is het wandelend blad"! Na een naauwkeurig onderzoek bevonden
wy, dat het een insect was, wiens vlerken zoo zeer naar een blad
gelyken, dat verscheiden lieden het voor een voortbrengzel uit het
Plantenryk hebben aangezien: het was een zoort van springhaan, maar
bedekt met vier vlerken van eene eironde gedaante, en van omtrent drie
duimen lengte, waar van de bovenste zoo aan elkander vast kleefden,
dat zy juist een bruin blad met deszelfs vezelen scheenen te vertoonen.

Ik keerde dus naar myne hangmat te rug. De lucht was helder, de maan
scheen tusschen het loof der boomen, en ik viel in eenen diepen slaap,
overpeinzende de wonderen der natuur; myn slaap duurde tot middernacht,
toen ik, te midden der dikste duisternis, en eenen zwaaren stortregen,
ontwaakte door het gehuil en geschreeuw der muitelingen, die te gelyker
tyd eenige snaphaan-schoten deeden. Hun schieten echter bereikte de
legerplaats niet, en wy waren uittermaten verlegen, want de donkerheid
maakte het ons onmogelyk, om een juist denkbeeld van hun oogmerk te
vormen. Zy hielden op die wyze aan tot het aanbreken van den dag,
het geen ons elk oogenblik deedt verwagten van door hun omcingeld te
worden: dienvolgende verdubbelden wy onze waakzaamheid.

Des anderen daags morgens rolden wy onze hangmatten op, en trokken
noordwaarts aan, naar den kant, van waar den voorigen nacht het geluid
zig hadt doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zynde,
waren wy zeer vermoeid, en vooral de Colonel, die moeite had, om het
staande te houden, zoodanig was hy door de koorts verzwakt. Ik voerde
het bevel over de voorhoede. Wy hadden geen twee mylen afgelegd,
of een oproerige Neger sprong byna voor myne voeten van onder eene
doornhegge, alwaar hy was gaan liggen slapen, maar dewyl wy last
hadden, om op de geenen, die verdwaald waren, geen vuur te geven,
ontsnapte hy ons, en liep zoo gezwind als een hart dwars door de
struiken weg. Ik gaf 'er bericht van aan den Bevelhebber, die zwoer,
dat hy een spion was, en ik geloof, hy had gelyk: dadelyk vergat hy,
om zoo te spreken, zyne kwaal, en verdubhelde zyne schreden met groote
drift. Onze vervolging echter was, ten minsten deezen dag, vruchteloos,
want op den middag vervielen wy in een groot moeras, waar uit wy veel
moeite hadden ons te redden; en wy waren genoodzaakt onze legerplaats
van den laatst voorgaanden nacht te hernemen, na twee soldaten van 's
Compagnies krygsvolk verloren te hebben, welken wy vooronderstelden,
dat in het moeras versmoord waren.

Dien zelfden dag zagen wy eene groote meenigte Roucou-boomen, die in
dit gedeelte van het bosch overvloediglyk gevonden wierden. Des avonds
boodt een slaaf my een Doornhaag-Spinnekop aan. Dezelve was van zulk
eene grootte, dat zy, in een kistjen van agt duimen hoog geplaatst
zynde, den rand met eenige van haare pooten raakte, terwyl de andere
op den grond stonden. De Schepping levert geen afschuwelyker wezen
op, dan deeze ysselyke Spinnekop, welke de inwooners van Surinamen te
onrecht voor de Tarantula houden. Derzelver lyf is verdeeld in twee
deelen; het agterste is eyrond, en heeft de gedaante van een appel;
het voorste is vierkant, en de kop gelykt naar een zoort van star, die
'er aan vast gehecht is. Dit gedrocht heeft vyf paar groote pooten met
vier gelederen. Het is geheel zwart, of van een donker bruine kleur,
en, zoo wel het lyf als de ledematen, geheel overdekt met lange,
dikke en zwarte hairen, veel gelykende naar die van een rups. Elke
poot is met een zoort van geele en kromgebogen klauw gewapend. Uit
den kop komen twee lange tanden, die met de binnenwaarts gebogene
punten een schaar vormen, even als die van een krabbe, waar van
zy zig tot het aanpakken van haaren buit bedienen. Het steeken van
dezelve verwekt altyd de koorts, zoo het al niet doodelyk is door het
vergiftig vocht, het welk zy in de wonde laat loopen. Deeze Spinnekop
heeft agt oogen, gelyk de meeste anderen, en voedt zig met allerleije
zoorten van insecten. Men beweert, dat de jonge vogelen aan dit dier
niet onsnappen kunnen, en dat het derzelver bloed uitzuigt. Deszelfs
webbe is niet zeer uitgestrekt, maar zeer sterk. Om kort te gaan, het
is een verschrikkelyk dier, waar van 't gezicht alleen in staat is,
om aan de lieden zelfs, die aan de beschouwing van de wanstaltigheden
der natuur het meest gewoon zyn, een afgryzen te verwekken. Alle de
gevaaren, alle de plagen, waar aan men dagelyks in de bosschen van
deeze gezengde landstreek is bloot gesteld, zyn talloos. Ik heb 'er
reeds een groot gedeelte van aangehaald, en 'er schieten 'er nog wel
zoo veel over om op te noemen. Onze ongelukkige soldaten konden daar
aan geen weerstand bieden; 'er stierf by aanhoudendheid een groot
aantal, zonder hulp, zonder vriend om hun de oogleden te sluiten,
zonder een kist om hun gebeente te bevatten. Men wierp hunne lyken
door elkander in een groot gat, als of zy het overschot van onze
natuur-genooten niet waren.

Den 19den, braken wy de legerplaats op, en na een weinig zuidwaards
getrokken te zyn, gingen wy oostwaarts, tot tien uuren, toen een
gedeelte van honderd Neger-Jagers, met hunnen leidsman VINSACK, tot
myn groot genoegen, zig by ons voegde; wy waren derhalven toen drie
honderd mannen sterk. Hoe weinig achting de Colonel FOURGEOUD op alle
andere tyden voor deeze dappere lieden betoonde, hunne versterking
mishaagde hem in 't geheel niet, op dit oogenblik, dat wy eenen vyand
naderden, dien zy wel kenden, en tegen wien zy met meer voordeel
streden, dan ons krygsvolk. Ik ben bovendien volkomen van gedachten,
dat één van deeze vrye Negers, als soldaat, in de bosschen van Guiana,
boven zes Europeanen den voorrang verdient.

De Colonel FOURGEOUD liet ons toen in drie kolommen, of liever in
drie linien optrekken. Zyn Regiment maakte het midden-punt uit;
het krygsvolk der Sociëteit was ter rechter, en de Jagers ter linker
zyde. Allen waren zy alleenlyk afgescheiden door eenen afstand, van
waar men elkander beroepen konde; en by elke vleugel waren eenige
lichters geplaatst. Aldus verdeeld zynde, vervolgden wy onzen tocht
oostwaards tot den middag, toen wy den zelven oost noord oost namen,
en aantrokken op een biry-biry, of groot moeras. De moerassen van
dit zoort zyn in dit land zeer gemeen en zeer gevaarlyk. Zy zyn vol
met een zeer dun slyk, en met een dikke en groene korst overdekt,
die op veele plaatsen een mensch dragen kan; maar die men onder zyne
voeten voelt buigen. Indien deeze korst breekt, worden allen, die
'er door heen zakken, in dit zoort van afgrond verzwolgen, waar in zy
ontwyffelbaar moeten omkomen, indien men 'er hen niet oogenblikkelyk
uittrekt. Op die wyze heeft men daar in meenigwerf menschen zien
verzinken, waar van men naderhand nooit meer heeft hooren spreken.

De zandpoelen zyn van een geheel anderen aart; men zakt 'er
trapsgewyze in, daar dit in de slykmoerassen eensklaps geschiedt. Om
deeze toevallen voor te komen, openden wy onze gelederen zoo veel
als mogelyk was, het geen dezelve zeer wyd van elkander maakte;
en in weêrwil van deeze voorzorge, wierden verscheiden menschen
ingezwolgen, als of het ys onder hunne voeten was weggebroken. Ik
heb eenige anderen gezien, die, mede in den poel gevallen zynde,
'er tot onder de armen toe in zakten; maar wien het egter gelukte,
schoon met veel moeite, gered te worden.

Des namiddags trokken wy voorby twee velden, alwaar men maniok gehad
had; het geen ons deedt begrypen, dat wy aan de verblyfplaats der
muitelingen naderden. Korten tyd daar na ontdekten wy de voetstappen
van den tocht van Capitain MEYLAND, en wy herkenden die aan de
teekens, die op de boomen gesneden waren, zoo als ik reeds te vooren
heb opgegeven. Tegen den avond sloegen wy ons neder op den afstand
van eenige mylen van het moeras, waar in de krygsbende van deezen
Officier het leven gelaten had: het daglicht stondt ter deezer uur
niet lang genoeg meer te schynen, om den vyand te kunnen aantasten.

Onze soldaten door eenen langen tocht zeer vermoeid zynde, stondt de
Colonel hun voor deezen nacht toe, hutten op te slaan, en vuuren
aan te leggen. Ik was 'er uittermaten verwonderd over: hy had
ons dit zoort van verkwikking verboden, toen wy van den vyand zeer
verre af waren; en op het oogenblik, dat deeze naby was wilde hy het
gedogen. Ik maakte 'er echter gebruik van; en myn Sergeant, my eenige
duivenboonen, welken hy in een nabuurig land geplukt had, gegeven
hebbende, noodigde ik hem ten eeten, als mede een Neger-Capitain,
genaamd HANNIBAL. Wy wierpen alle drie ons gezouten ossen-vleesch en
bischuit in de ketel; vervolgens roerden wy het met een bajonnet om,
en deeden eene uitmuntende maaltyd, in weerwil van eenen akeligen
nacht, en één der zwaarste slagregens.

De duiven-boonen, of boonen van angola, groeien op een stronk van
agt of tien voeten hoog; zy zyn, ten getale van vyf of zes, in eene
peul besloten; haare kleur is bruin, en haare gedaante plat, gelyk
die der peul-vruchten. De Negers houden 'er veel van, en kweeken in
hunne tuinen, zonder veel kosten of moeite, de plant aan, die deeze
vruchten voortbrengt.

HANNIBAL, na my te hebben doen opmerken, dat wy des anderen daags
den vyand zekerlyk ontmoeten zouden, vroeg my, of ik wel wist, hoe
de Negers in een gevecht tegen elkander streden. Ik antwoordde hem,
neen; en dadelyk deedt hy my het volgende verhaal, zyn pyp onder myne
hangmat rookende.--"Maséra", zeide hy my, "de beide partyen worden
gerangschikt in compagniën van agt of tien mannen, onder bevel van
eenen Capitain, een jagthoorn dragende, zoo als deeze", (hy toonde my
den zynen) "op welks geluid zy alle hunne krygsbewegingen verrigten,
en stryden, of de vlucht nemen. Wanneer zy stryden, scheiden zy zig
oogenblikkelyk van elkander, gaan op den grond leggen, en schieten
dwars door het geboomte op een zeer korten afstand. Elk die strydt,
word door twee ongewapende Negers geholpen; de een vervangt hem, als
hy gedood word, en de ander neemt het lyk weg, uit vreeze, dat het in
's vyands handen mogt vallen". [1]

Zyn verhaal gaf my een juist denkbeeld, van die manier van vechten,
welke ik zedert heb zien beoeffenen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen,
dat, wanneer het een dik bosch is, elke Neger, in plaats van op den
buik te gaan leggen, of de knie op den grond te zetten, zig agter eenen
grooten boom verbergt, welke hem tot een borstweering dient, en van
waar hy met meerder juistheid en minder gevaar vuur geeft in dit geval,
doet hy zyn snaphaan tegen den stam van den boom, of op een gespleten
tak, rusten, even gelyk de Indianen van Shawanese en Delaware doen.

Capitain HANNIBAL deedt my ook verstaan, dat men den beruchten BONNY
verdacht hieldt, van persoonlyk zig te bevinden onder de muitelingen,
in wier nabuurschap wy waren. Dit opperhoofd, schoon een Mulat zynde,
was in de bosschen geboren, werwaarts zyne moeder de vlucht genomen
had, om de mishandelingen van haaren meester, die haar bezwangerd had,
te ontgaan.

Te meermalen gesproken hebbende van het onderscheid der menschen van
eene midden-kleur, tusschen zwart en wit, moet ik ter opheldering
daar van het volgende aanmerken. De Mulatten worden geboren van een
blanken en eene Negerin, of van een Neger en eene blanke. De Samboes
worden geboren van een Mulat en eene Negerin, enz. De Quarterons van
een Mulat en eene blanke, enz. enz.--De zelfde Capitain HANNIBAL,
noemde my ook den naam van verscheiden andere hoofden der muitelingen,
tegen welken hy dikwils gestreden had. De eerste van allen was QUAMMY,
hoofd van eene afzonderlyke bende, die met de andere muitelingen in
geene betrekking stondt. Hy noemde my vervolgens COROMANTYN, COJO,
ARICO en JOLI-COEUR. De twee laatstgemelden waren berucht van wegen
den onverzoenlyken haat, waar mede zy tegen de blanken bezield waren;
en JOLI-COEUR, van wien ik reeds gesproken heb, had 'er billyke reden
toe. HANNIBAL dacht ook, dat de beruchte BARON op dit oogenblik onder
het opperhoofd BONNY diende.

Hy ging vervolgens over tot de benamingen van de voornaamste
bezittingen der muitelingen, waar van zommige reeds verwoest waren,
andere zig in 't gezicht bevonden, en eenige ons slechts by naame
bekend waren. Zy hadden allen eenige wezentlyke beteekenis; en dewyl
zy, in zeker opzigt, de onderzoekingen der geleerden omtrent de
verschillende volken onder de Negers kunnen ophelderen, heb ik gepast
geöordeeld aan dezelven, met opgaave van de vertaaling, alhier eene
plaats te vergunnen.

Boucou: Ik zal eerder tot stof vergruisd worden,
eer ik genomen worde.

Gado Saby: God alleen kent my.

Cosaay: Koomt, zoo gy het hart hebt.

Tessy sy: Ruikt 'er aan, zoo gy lust hebt.

Mele my": Ontrust my, zoo gy durft.

Bousy cray: De bosschen schreiën.

Me salasy: Ik zal genomen worden.

Kebry my: Verberg my, ô loof der boomen, dat my omringt.

De verdere waren:

Quammy Condre: naar den naam van QUAMMY, hun opper-hoofd.

Pynenburg: van de Pyn- of Latanus-boomen, die deeze bezitting van
vooren omringden.

Caro Condre: van de meenigte Koorn-velden, waar mede dezelve omringd
was.

Reizy Condre: van de meenigte Ryst-velden, die rondöm lagen.

Ik drukte Capitain HANNIBAL, na dit gesprek, de hand, en hy ging
van my af. Ik was vervuld met de hoop op eene overwinning, die door
geene wreedheid bezoedeld zoude worden; en dewyl ik zeer vermoeid was,
viel ik in een diepen slaap.

Den 20sten, des morgens, ontwaakte ik, zeer wel te vreden; zynde het
toen het schoonste weder des weerelds. Deeze gelukkige gesteldheid
verdween wel dra, toen ik zag, dat op een oogenblik, zoo netelig,
en toen men op 't punt stondt slag te leveren, in plaats van goede
behandelingen, welken het voorzichtig geweest zoude zyn te gebruiken
omtrent hun, van wier welwillenheid wy het gunstig einde van ons
lyden verwagtten, men integendeel by de Onder-Officiers en soldaten
eene groote moedeloosheid verwekt had. Ik maakte toen tegen mynen wil
deeze aanmerking:--Dat de Vorsten en hunne dienaars nimmer, zoo veel
mogelyk, een byzonder persoon, wie hy ook wezen mogt, vooral in een
afgelegen land, met eene onbepaalde magt bekleeden moesten, zonder
zynen inborst en denkwyze zeer grondig te kennen; want niemand is
waardig het bevel te voeren, indien hy zig niet tevens door dapperheid
en menschlievenheid onderscheidt; naardien het eene wel bekende
waarheid is, dat geene dapperheid met wreedaartigheid bestaan kan.

Des morgens ten zes uuren trokken wy noordoostwaarts ten noorden,
onzen weg naar de moerassen nemende; en myne zwaarmoedigheid verdween
met het doorbreken der zon.

Omtrent ten agt uuren, kwamen wy in dat verschrikkelyk moeras, alwaar
wy schielyk tot aan ons midden door het water gingen. Niettemin maakten
wy ons gereed, om het ernstig onthaal, het welk wy aan de overzyde te
wagten hadden, vol te houden. Na een halve myl ver gezworven te hebben,
beklommen onze grenadiers gezwindelyk den oever met de bajonnetten
vooruit. Het hoofdleger volgde hen oogenblikkelyk, en wy plaatsten
ons, zonder de minste tegenkanting, in gelederen. Wy zagen toen
een schouwspel, het welk in staat was, om de onverschrokkensten te
verzetten: de grond lag bezaaid met bekkeneelen, beenderen en ander
overschot van de lyken der ongelukkige soldaten van den Capitain
MEYLAND.--Deeze Officier had wel middel gevonden, om dezelven te
doen begraven; maar de muitelingen hadden die weder opgedolven,
om ze van hunne kleederen te berooven, om deeze lyken in stukken
te houwen, en ze te verscheuren, zoo als verslindende dieren gedaan
zouden hebben. Onder het getal deezer ongelukkige slachtöffers was
de Neef van MEYLAND, een jongman van denzelfden naam als hy, en van
de grootste verwagting. Hy was van de Zwitzersche gebergten gekomen,
om met des te meerder spoed vorderingen in den krygsdienst te maken,
en, korten tyd na zyne ontscheping, vondt hy zyn graf in een moeras
van Surinamen. Zyn moed stondt gelyk met dien van zynen oom; zyne
onverschrokkenheid, die hem bewoog om zig aan alle gevaaren bloot te
stellen, kende geene paalen.--Zoodanig is de geestdrift der eerzucht
van eenen krygsman.

Deeze hoop van menschen-beenderen was de tweede of derde, dien wy op
onzen tocht ontmoetten. Ik erken opentlyk, dat zulk eene ontmoeting
in my geen lust verwekte, om de muitelingen te bevechten. Dit droevig
overschot echter ontstak in onze soldaten een levendige drift, om
hunne ongelukkige medgezellen te wreeken.

Ik heb reeds zoo dikwerf gesproken van het doorwaden der moerassen,
dat het, zoo ik denk, niet ongeschikt is, om door de nevenstaande
plaat de beschryving op te helderen. Voor eerst wordt daar op vertoond
de Colonel FOURGEOUD, vooraf gegaan door eenen Neger, die hem tot
leidsman dient, en, waar het water op het hoogst is, overzwemt. Daar
op volge ik zelf, en eenige andere Officiers en Zee-soldaten, allen
in het midden van het moeras, en onze wapenen, krygsbehoeften, enz. op
het hoofd dragende, om door het nat niet beschadigd te worden. Men kan
daar op voorts de manier zien, waar op de slaven de pakken dragen, als
mede hoe de muitelingen van boven uit de palmboomen op het krygsvolk
vuur geven. Een tocht van dien aart, schoon by deeze gelegenheid zeer
noodzakelyk, moet altyd één der gevaarlykste zyn: men is dan bloot
gesteld aan de aanvallen van eenen vyand, die in 't verborgen vuurt,
en men kan niet meer dan eenmaal vuur geven; want de soldaten zyn te
diep in het water ingezonken, om hun geweer op nieuw te kunnen laden,
zonder het slot nat te maken.

Wy volgden toen een zoort van voetpad, door de muitelingen gemaakt,
waar na wy onzen weg een weinig westwaarts namen. De Sergeant FOWLER,
die tans het bevel over de voorhoede voerde, kwam by my, geheel bleek
en bevende, en verklaarde my, dat het gezicht van deeze lyken hem
zeer ziek gemaakt had. Dit was waar, want hy scheen aan den grond
als vast gehecht, zonder een enkelen tred te kunnen doen, noch zyne
ontsteltenis te kunnen verbergen. Ik sprak hem aan met den naam,
dien hy verdiende, en had slechts den tyd, om hem te beveelen van
zig by de agterhoede te begeven.

Ten tien uuren, ontmoetten wy een klein gedeelte der muitelingen, elk
van hun met een groene mand op den rug. Zy gaven vuur op ons, en hunne
vracht op den grond werpende, keerden zy in aller yl naar hun gehucht
te rug. Wy vernamen zedert, dat zy naar eene andere verblyfplaats ryst
vervoerden, om daar van te leven, wanneer zy uit Gado-Saby (den naam
van de plaats, werwaarts wy heen trokken,) verjaagd mogten worden,
eene zaak, welke zy dagelyks te gemoet zagen, zedert dat dezelve
door den dapperen MEYLAND was ontdekt geworden. Deeze groene manden,
welken de Negers warinbos noemen, waren gemaakt van biezen, die met
palmboom-bladeren konstig waren in één gevlochten. Ons volk dezelven
met den sabel hebbende open gehakt, kwam 'er de zuiverste en schoonste
ryst uit, die ik in myn leven gezien heb; maar men strooide ze overal
heen, en trad ze met de voeten, want wy hadden geene gelegenheid om
ze mede te nemen. Korten tyd daar na ontdekten wy eene ledige barak,
waar in de muitelingen een wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle
gevaar te verwittigen; maar de lieden, die deeze wacht uitmaakten,
waren met den meesten spoed weggevlucht. Wy verdubbelden toen met
yver onze schreden tot op den middag, wanneer wy eene uitgezette
wacht van den vyand ontmoetten, tweemaal vuur hoorden geven, het welk
een met BONNY overëengekomen teeken was, om hem onze aannadering
te berigten. De Major MEDLAR, ik zelf, met eenige soldaten van de
voorhoede, en eene kleine krygsbende van Neger-Jagers, trokken voor
uit, en wel dra kwamen wy op een schoon veld, met ryst en Indisch
kooren bedekt. Hier hielden wy stil, om ons gezamentlyk krygsvolk in te
wagten, en vooral om aan de achterhoede tyd te geven om aan te rukken,
want eenigen van derzelver soldaten waren twee mylen agter ons. In
dien tusschentyd liepen wy gevaar van in de pan gehakt te worden;
want de vyand, zoo als wy naderhand vernamen, had dit veld omcingeld,
zonder dat wy 'er iets van gezien hadden.

Een half uur daar na, verëenigde zig onze legerbende te zamen. Toen
kapten wy ons een korten weg door het bosch heen; en wy waren daar
even doorgedrongen, of 'er begon van alle kanten een hevig vuur. De
vyand echter deinsde af, en wy trokken voort, tot dat wy op een schoon
veld kwamen, met rype ryst beplant, en een lang vierkant uitmakende,
aan welks einde het gehucht der muitelingen zig als een opgaande
toneel vertoonde; het was door het lommer van verscheiden hooge boomen
tegen de hitte der zon beveiligd; en dit alles leverde het treffendst
en betooverendst gezicht op, het welk men zig verbeelden kan. Een
onafgebroken vuur, veel naar donderslagen gelykende, duurde meer dan
een uur op dit zelfde veld; en geduurende al dien tyd gedroegen zig de
Neger-Jagers met zoo veel moed als bekwaamheid: maar de blanke soldaten
waren al te driftig, en schooten mis; ik zag 'er echter veelen onder,
die de grootste onverschrokkenheid betoonden, en de Jagers met eenen
goeden uitslag navolgden. Onder deezen bevondt zig in dit oogenblik de
arme FOWLER, die in het begin van den slag van zyne ontsteltenis was
te rug gekomen. Zig eenmaal hersteld hebbende, begaf hy zig op zynen
eersten post, en bekwam zyne achting weder volkomen, met aan myne zyde
als een dapper krygsman te stryden, tot dat de loop van zyn snaphaan
door een vyandelyk schot verbryzeld wierd, het geen hem belette, om
daar van verder gebruik te maken. Een snaphaan-kogel doorboorde myn
hembd en kneusde my den schouder. Myn Lieutenant, DE CABANUS, wierd
de riem van zyn snaphaam weggeschoten; verscheiden soldaten wierden
gewond, zommigen zelfs doodelyk; maar tot myne groote verwondering, zag
ik niemand hunner op het slagveld sneven.--Dit kwam my wonderbaarlyk
voor, maar ik zal 'er in 't kort de uitlegging van geven.

De muitelingen, om onze aannadering gevaarlyker en moeielyker te
maken, hadden dit ryst-veld met dikke stammen van boomen, waar aan
de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zy hielden
zig agter deeze opgeworpen verschanssingen verscholen, en gaven
van daar, byna zonder eenig gevaar, vuur op ons, die dit zoort
van wallen beklimmen moesten, eer wy in hun gehucht komen konden:
in weerwil echter van alle de hinderpalen, die zy ons in den weg
leiden, geraakten wy altyd voorwaarts. Maar te gelyker tyd, dat
ik het goed beleid van hunnen Generaal, in het regelen van hunne
krygsverrigtingen, bewonderde, konde ik my niet wederhouden hen over
hunne bygeloovigheid te beklagen. Een van deeze ongelukkigen in 't
byzonder, al zyn vertrouwen Op zyn tooverband stellende, geloofde
onkwetsbaar te zyn. Hy beklom te meermalen één van die stammen van
boomen, die op den grond lagen; van daar schoot hy; vervolgens klom hy
af om zyn snaphaan weder te laden; en weder te rug komende, schoot hy
andermaal met de grootste koelbloedigheid, en in myn gezicht. Een der
Zee-soldaten, onder myn bevel staande, met naame VALET, eindelyk op
hem aangelegd hebbende, doorschoot hem de dye, en hy viel agter het
bolwerk, door hem zoo meenigwerf beklommen; maar die zelfde soldaat,
over hem heen gesprongen zynde, stak de tromp van zyn snaphaan in het
oor van den ongelukkigen, en deedt hem de herssenen uit het hoofd
vliegen: verscheiden zyner medgezellen ondergingen het zelfde lot,
in weerwil van hunne tooverbanden, en bygeloovigheden.

Wy waren op het punt, om het gehucht der muitelingen in te rukken,
toen één van hunne Capitains, een hoed met een goude lis op het
hoofd dragende, en een brandende toorts in de hand houdende, hun
onvermydelyk verlies voor oogen ziende, moeds genoeg had, om zig
aldaar te blyven ophouden, en het gehucht in ons gezicht in brand
te steken. Deeze houte huizen, met drooge bladeren overdekt, stonden
spoedig in lichten laaijen vlam; maar toen begon het musketten-vuur
in het bosch te verminderen. Dit manmoedig besluit van den vyand
belette niet alleen het bloedbad, het welk de soldaten op het eerste
oogenblik der overwinning gewoon zyn aan te rechten; maar het maakte
't bovendien voor de muitelingen gemakkelyk, om met hunne vrouwen en
kinderen te rug te trekken, en de goederen, die hun meest dienstig
waren, met zig te voeren. Het was ons derhalven toen onmogelyk om
hen te vervolgen, en den minsten buit te maken; het waren niet alleen
de vlammen, die ons zulks beletteden, maar wy zagen ook wel dra een
moeras, het welk ons byna van alle kanten omringde.

Ik moet waarlyk erkennen, dat in het laatste uur van deezen slag,
'er niets verschrikkelyker was, dan het aanhoudend musketten-vuur,
het vloeken en huilen der Negers, onder elkander gemengd; het gekerm
der gekwetsten en stervenden, die in het stof lagen, en in hun bloed
baadden; het scherp geluid der jagthoorns, het welk zig van alle kanten
liet hooren, en het gekraak der brandende balken, waar van het gehucht,
dat geheel in vlam stondt, weergalmde: terwyl de rook-wolken, die ons
omgaven, de vlammen die zig zeer hoog verhieven, enz. een tafereel
uitmaakten, het welk voor geene beschryving vatbaar is, en misschien
het penceel van HOGARTH niet onwaardig geweest zoude zyn. Ik heb echter
getracht dit toneel te schetsen; [2] ik heb my zelf daar by afgebeeld
na de hitte van den slag; ik heb daar by het voorkomen van vermoeid
en droefgeestig te zyn, een oog van medelyden werpende op het lichaam
van eenen oproerigen Neger, die, zyne snaaphaan in de hand houdende,
voor myne voeten uitgestrekt ligt.

Na ons gewasschen, en van het stof, zweet en bloed, waar mede wy
besmet waren, gereinigd te hebben, namen wy allen een teug brandewyn,
en aten een stuk brood. Het vuur begon ondertusschen te verminderen;
en toen het ophieldt, onderzogten wy de rookende puinhoopen van het
gehucht der muitelingen, bestaande in omtrent honderd huizen of
hutten, waar van zommige twee verdiepingen hadden: uit den asch,
die nog gloeiend was, haalden wy eenige kleinigheden, die aan het
geweld der vlammen ontsnapt waren, als by voorbeeld zilvere borden,
die wy uit hoofde van hun merk B. W. vooronderstelden, dat by het
plunderen der Plantagie Brunswyk aan de Cottica geroofd waren: wy
vonden ook eenige messen, gebroken porceleine potten, en aardewerk:
één der laatstgemelden, zynde vol met ryst en palmboom-wormen, viel my
ten deel. Dewyl men rykelyk vuur had, om deeze spyze te laten koken, en
ik een zeer grooten trek tot eeten had, verschafte my dezelve spoedig
eene uitmuntende maaltyd, en ik had wel dra alles opgegeten. Eenigen
myner spitsbroeders waren beducht, dat dit eeten agtergelaten mogt
zyn, met een oogmerk om ons te vergeven; maar, gelukkig voor my,
bleek deeze verdenking zeer ongegrond te zyn.

De bovengemelde zilvere borden kogt ik van onze soldaten, om 'er een
zoort van zegeteeken van te maken, en ik heb 'er my naderhand altyd
van bediend. Wy vonden in dit zelfde gehucht drie menschen-hoofden op
staken gezet; het waren de treurige overblyfzels van eenigen onzer
dappere en ongelukkige soldaten, die bevorens door de muitelingen
gedood waren. Maar, het geen ons het meest verwonderde, was, dat wy
twee hoofden van Negers zagen, die het voorkomen hadden van in 't kort
te zyn afgehouwen. Wy vernamen vervolgens, dat twee jonge lieden, om
dat zy in ons voordeel gesproken hadden, geduurende den nacht van den
17den, ten tyde dat wy het gehuil en schieten met musketten hoorden,
ter dood gebragt waren. Die hoofden waren de hunne.

Het droevig overschot deezer ongelukkigen begraven hebbende, hingen
wy onze hangmatten op aan die fraaie hooge boomen, die het gehucht
overschaduwden; maar ik was innerlyk getroffen over het ysselyk
schouwspel, het welk zig toen aan ons oog vertoonde. De Neger-Jagers
vermaakten zig met de afgehouwen hoofden hunner vyanden aan elkander
toe te kaatsen. Het was vrugteloos geweest hen over dit onmenschelyk
spel te bestraffen, en zy verzekerden ons, dat het was "condre fassy,
de gewoonte van hun Land"; zy eindigden het zelve, door die hoofden,
na 'er den neus, de lippen, de wangen, de ooren te hebben afgesneden,
met den voet weg te schoppen; zy namen 'er zelfs de kakebeenen uit,
welken zy in den rook lieten droogen, als mede de regte hand, om
dezelve, ten bewyze hunner overwinning, aan hunne nabestaanden en
vrouwen te vertoonen. Het is een zaak die over bekend is, dat eene zoo
wreede gewoonte onder de wilden plaats heeft, en dat dezelve uit hunne
onverzaadlyke wraaklust voortspruit; en schoon de Colonel FOURGEOUD
met zyn gezag had kunnen tusschen beiden komen, om deeze hatelyke
zegepraal voor te komen, of te doen ophouden, handelde hy naar myn
inzien verstandiglyk, met daar van in dit oogenblik geen gebruik te
maken. Dewyl overtuiging hier niets vermogt, zoude hy slechts deeze
soldaten verbitterd hebben, en hun een weerzin doen krygen in eenen
dienst, die ons zoo nuttig was, hoe bloeddorstig en wreed de gevolgen
'er ook van wezen mogten.

Deeze zelfde Jagers verhaalden ons, dat zy, by het bezigtigen van den
bosch-kant, veel menschen bloed op onderscheidene plaatsen gezien
hadden, en dat dit gevloeid was uit de wonden dier muitelingen,
welken hunne medemakkers geduurende den slag hadden weggevoerd.

Ten drie uuren, op het tydstip, dat wy van onze vermoeidheid
uitrustten, wierden wy eensklaps door een party vyanden aangevallen:
maar zoo dra wy hen met eenige snaphaanschoten begroet hadden, trokken
zy af. Dit onverwagt bezoek overtuigde ons, van hoe veel gewicht het
was op onze hoede te zyn, voornamelyk des nachts; dienvolgende was
het niet geoorloofd vuuren te stoken, en men zette dubbelde wagten
uit rondom de legerplaats.

Door vermoeienis en eene ongemeene hitte afgemat, ging ik, na
het ondergaan der zon, in myne hangmat leggen, en viel spoedig
in een diepen slaap: maar na verloop van een paar uuren, deedt my
myn getrouwe QUACO in het midden van den donker ontwaken, roepende:
"Massera, Massera! bousy negro, bousy negro! Meester, Meester! zie daar
den vyand, zie daar den vyand"! Op het zelfde oogenblik een aanhoudend
vuur gehoord hebbende, besloot ik daar uit, dat de muitelingen in het
midden van onze legerplaats waren. Vol verbaazing, en nog niet geheel
wakker zynde, sprong ik uit myne hangmat, en nam myn snaphaan. Ik liep
toen, zonder behoorlyk te weten wat ik deed, myn QUACO onder den voet;
waar na ik zelfs viel over twee of drie lichaamen, die op den grond
lagen, en welken ik my verbeeldde menschen te zyn, die reeds gedood
waren. Een van hun ontdekte my spoedig myne dwaling, zeggende:
"dat indien ik de minste beweging maakte, ik een kind des doods
was". Dezelfde perfoon voegde 'er by: "dat de Colonel FOURGEOUD aan
het krygsvolk bevel gegeven had, om plat op den buik te gaan leggen,
en geen schot te doen, om dat men des avonds te vooren het grootste
gedeelte van het kruid verbruikt had". Ik ontdekte wel dra, dat de
geen, die tot my sprak, een grenadier was, THOMSON genaamd, en ik
maakte van zynen raad gebruik. Wy bleven dus tot aan het opgaan der
zon onder de wapenen, en geduurende al dien tyd wierd 'er een zoort
van zamenspraak tusschen de muitelingen en onze Jagers gehouden:
de één vervloekte en bedreigde op eene geweldige wyze den ander. De
eersten scholden de laatstgemelden voor "lage zielen en verraders
hunner landgenooten. Zy daagden hen tegen des anderen daags tot een
afzonderlyk gevecht uit: zy zwoeren, dat zy niets vuuriger verlangden,
dan hunne handen in het bloed van deeze schelmen te baden, daar zy de
voornaame bewerkers waren van de verwoesting van hunne bloeijende en
schoone verblyfplaats". De Jagers antwoordden hun; "dat zy niets anders
waren, dan een hoop roovers, tegen wien zy bereid waren te vechten,
al waren zy slechts half zoo talryk, indien zy hunne leelyke gezichten
durfden vertoonen; en dat zy hunne meesters verlaten hadden, alleen om
dat ze te lui waren om te werken". Na dit gesprek deeden zy elkander
allerleije schampere bejegeningen aan, door krygsgeschrei van eenen
byzonderen aart, door overwinnings liederen, en door het geluid van den
jagthoorn tot een teeken van uitdaging. Vervolgens begon wederom het
vuur van den kant der muitelingen, en duurde den geheelen nacht door,
maar afgebroken door hun geschreeuw, het welk door den weergalm van het
bosch herhaald wordende, zig met eene verdubbelde kragt liet hooren.

De Colonel FOURGEOUD nam eindelyk deel in dit gesprek, en de Sergeant
FOWLER en ik dienden hem tot tolken. Wy moesten hard schreeuwen; maar
ik heb my nooit beter vermaakt. De Colonel beloofde aan de muitelingen
het leven, de vryheid, levens-middelen, en alles, wat zy mogten noodig
hebben. Zy antwoordden hem, hem luidkeels uitlachende, dat zy niets
van hem verwagtten; zy behandelden hem als een half uitgehongerden
Franschman, die uit zyn land gevlucht was: zy verzekerden hem, dat,
indien hy moeds genoeg had, om hun een bezoek te geven, zy hem geen
kwaad doen, maar goed onthaalen zouden: tot ons zeiden zy, dat zy
ons beklagenswaardiger oordeelden, dan hun zelven; dat wy blanke
slaven waren, die voor vier stuivers daags gehuurd wierden, om ons
te laten doodslaan, of om van honger te sterven; dat zy ons te veel
verachtten, om hun kruid op ons te verschieten; maar dat indien de
Planters, of hunne Opzichters, zig in de bosschen dorsten begeven,
'er geen enkele weder uit zoude komen; dat de verraderlyke Jagers een
gelyk lot te wagten hadden, en dat zy dien dag, of daags daar aan, 'er
een goed getal van zouden om hals brengen. Zy eindigden hun gesprek met
te verklaren, dat BONNY wel dra Opperhoofd der Volkplanting zyn zoude.

Toen dit gesprek was afgeloopen, schoten zy hunne snaphanen af, waar op
een drievouwdig krygs-geschrei volgde. De Jagers beantwoordden hun het
zelve, en de muitelingen verdweenen by het opkomen van den dageraad.

Wy waren uittermaten vermoeid. Onäangezien echter de langduurigheid van
het gevecht, hadden wy door het vuur van den vyand weinig manschappen
verloren: ik heb beloofd de reden daar van op te geven. Dit geheim
deedt zig ontwikkelen, toen de Heelmeesters, de wonden verbindende,
daar uit zeer weinig loode kogels haalden, maar een groot aantal
steentjes, knoopen van kleederen, en kleine stukjes zilver geld, die
niet veel leed deeden, en niets meer dan eene kwetsing van de huid
veroorzaakten. Wy merkten ook op, dat verscheiden der muitelingen,
die gedood waren, in plaats van vuursteenen, stukken van pot-scherven
hadden, waar mede zy niet veel konden uitrichten. Zie daar de reden,
waarom wy van deeze zaak zoo gelukkig afkwamen. Wy hadden niettemin
nog een groot getal soldaten, die gevaarlyk gewond waren, of zwaare
kneuzingen bekomen hadden.

De vernuftigheid van deeze Negers, wanneer zy zig gerust in de bosschen
bevinden, is ongemeen groot. De geenen, tegen welken wy te stryden
hadden, beroemden zig, dat hun niets ontbrak, en wy vonden hen ten
minsten dik en vet. Door middel van strikken, die konstig gemaakt
waren, en de diepe moerassen, vangen zy wild en visch in overvloed,
welken zy in den rook laten droogen, om ze goed te houden. Hunne
velden zyn beplant met ryst, maniok, ignames, plantain-boomen,
enz. Het zout trekken zy uit de asch van palmboomen, zoo als de
Gentous in de Oost-Indiën doen, of zy gebruiken in plaats van dien
zeer dikwils roode peper.

Op deeze zelfde plaats ontdekte men een klein vaatje vol met beste
boter, die by een ouden stam van een boom verborgen was. Onze Jagers
zeiden my, dat dezelve van gesmolten vet van palmboom-wormen gemaakt
was. Men konde ze gebruiken als de Europeesche boter, en ik vond
ze zelfs veel lekkerder. De Negers maken ook boter van pistaches,
waar uit zy de olyachtige zelfstandigheid uitperssen, en dikwils doen
zy die in hunne soepen. Zy hebben altyd palmboom-wyn in overvloed;
zy weten dien te bekomen door de insnyding van een vierkanten voet
in den nedergehouwen stam; vervolgens vangen zy het sap in een pot
op. Dit sap gaat schielyk door de hitte der zon aan het gisten,
en verschaft hun een aangenamen en koelen drank, die kragt genoeg
heeft om dronken te maken. De Latanus- of Pyn-boom verschaft hun de
noodige bouwstoffen voor hunne huizen. De Calabassen-boom bezorgt
hun drinkschalen. De zyde-plant en de mauricy bevatten draden, waar
van zy hunne hangmatten maken; en op de palmboomen groeit zelfs een
zoort van mutsen van een natuurlyk weefzel, gelyk ook bezems om te
vegen. De koorden van allerleije zoort van heestergewassen dienen
hun voor touwwerk. Om hout te hebben, behoeven zy het slechts te
hakken. Zy ontsteken vuur, door twee stukken hout, welken zy by-by
noemen, tegen elkander te wryven; terwyl zy daar van, als elastiek
zynde, zeer goede kurken maken. Van het vet en de oly, welken zy in
overvloed hebben, kunnen zy kaarssen maken of lampen branden; en de
wilde byen geven hun wasch, en uitmuntenden honig.

Zy weigeren volstrekt, om kleederen te dragen, en verkiezen naakt te
loopen in eene luchtstreek, alwaar de hitte de ligtste kleeding tot
een last maakt.

Zy zouden varkens en gevogelte kunnen aankweken, en jagt- of
wacht-honden leeren; maar zy vreezen, dat het geluid van deeze dieren,
en vooral het gekraay der haanen, het welk men van zeer wyd af in
het bosch kan hooren, de plaats van hun verblyf ontdekken mogten.

Toen de muitelingen van deezen oord verjaagd of geslagen scheenen,
hieldt de Colonel FOURGEOUD zig bezig met den oogst in den omtrek te
vernielen. Ik ontfing bevel om met vier-en-twintig Zee-soldaten, en
twintig Jagers, een begin aan deeze verwoesting te maken. Dienvolgende
deed ik al de ryst, die in de opgemelde velden in overvloed groeide,
afmaaien. Ik ontdekte vervolgens een derde land, zuidwaarts van het
eerstgemelde gelegen, om het welk te verwoesten, ik insgelyks bevel
gaf; en ik gaf daar van bericht aan den Colonel FOURGEOUD, die my
toescheen uittermaten voldaan te zyn. Des namiddags wierd de Capitain
HAMEL met vyftig Zee-soldaten en dertig Neger-Jagers afgezonden, om de
plaatsen, agter het gehucht liggende, te onderzoeken, en, zoo mogelyk,
te ontdekken, hoe de muitelingen het maakten, om door een moeras heen
en weder te trekken, waar van de diepte ons onbekend was, en door het
welk wy hen niet konden vervolgen. Deeze Officier ontdekte eindelyk
een zoort van dryvende brug, die tusschen de heesters verborgen lag,
en van mauricy hout gemaakt was; maar zoodanig ingericht, dat 'er niet
meer dan één man te gelyk over gaan konde. Eenigen der muitelingen
zaten 'er schreijelings op, om de overtocht te beletten. Zoo dra zy
de afgezondene manschappen vernamen, schoten zy op hen: de Jagers
beantwoordden hun spoedig, en dooden één man van hun, die door zyne
makkers wierd weggevoerd.

Des anderen daags morgens den 22sten, gaf onze Bevelhebber aan
een ander gedeelte manschappen, waar toe ik mede behoorde, last
om de brug over te trekken, en het te wagen, om op kondschap uit
gaan. Geen tegenstand van iemand ontmoet hebbende, trokken wy deeze
brug over, of liever, wy kropen over de dryvende boomen, waar van
dezelve gemaakt was; vervolgens bevonden wy ons op een veld van eene
langwerpige gedaante, met maniok en ignames beplant, in welks midden
een dertigtal huizen stonden, die op dit oogenblik verlaten zynde,
van eene oude verblyfplaats der muitelingen, Cosaay genaamd, waren
overgebleven. Om de plaatsen te beter te onderzoeken, verdeelden wy
ons op dit veld in drie krygshoopen: de eerste, om noordwaarts, de
tweede ten noordwesten, en de derde westwaarts heen te trekken. Hier
ontdekten wy, tot onze groote verwondering, dat de reden, waarom de
muitelingen, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd, gezongen
en geschoten hadden, niet alleen was, om den aftocht hunner vrienden
door het beletten van den overtocht te dekken, maar ook om door dit
geweldig en aanhoudend geraas voor te komen, dat wy niet bemerken
zouden, dat zy lieden, zoo mannen, vrouwen, als kinderen, grootendeels
bezig waren met warimbos of manden te maken, en die met de schoonste
ryst, cassave, en wortelen van ignames te vullen, om daar door by
hunne vlucht levens onderhoud te hebben.

Dit was zekerlyk een verstandig gedrag in een wild volk, het welk wy
ons vermeeten om te verachten: het zelve zoude aan elken Europeaanschen
Bevelhebber tot eere gestrekt hebben, en de beschaafdste volken hebben
hen daar in misschien zeldzaam overtroffen.



EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel
van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba
te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was
ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

De Colonel FOURGEOUD, zig op deeze wyze door eenen Neger getrotseerd
ziende, konde zyn spyt niet langer inhouden, en zwoer, dat hy BONNY
vervolgen zoude, al was het ook aan het einde van de weereld. Alle onze
krygs- en mondbehoeften intusschen waren verbruikt; en al was dit zoo
niet geweest, zoo zoude het zekerlyk eene ydele onderneming geweest
zyn den vyand te willen agterhalen. Onze Bevelhebber niettemin bleef
by dit onuitvoerlyk ontwerp; hy zondt derhalven eenige manschappen
naar Barbacoeba, onder bevel van den Capitain BOLTS, en bestaande
uit honderd Zee-soldaten, dertig Jagers en een goed getal slaven, met
last, om krygs- en mondbehoeften voor ééne week van dien wachtpost te
gaan halen. Te gelyker tyd deedt hy alleenlyk eene halve portie aan
het overgebleven krygsvolk uitdeelen, en hy zette de soldaten aan,
om dit gebrek aan noodig voedzel te vervullen, door het opzamelen
van ryst, duiven- of angola-boonen, en door het uit den grond halen
van maniok-wortel, welken zy, zoo goed zy konden, moesten gereed
maken. De Officiers wierden op dezelfde wyze behandeld. Het was in de
daad wonderlyk om te zien, dat een twintigtal van ons zig, even als
zoo veele Apothecars, bezig hielden met de ryst elk in een zoort van
vyzel te stampen, die door de muitelingen uit den stam van een boom,
het roode hart genaamd, was uitgehold, als zynde dit het eenige
middel, om dezelve van haare schel te zuiveren. Dusdanige arbeid
was echter zeer afmattend; het zweet liep ons langs het geheele lyf,
als of wy uit een bad kwamen; en op dit oogenblik, dat wy wel eenigen
versterkenden drank noodig hadden, hadden wy niets dan water.

Wy hadden het geluk, om, onder andere plantgewassen, eene groote
meenigte wilde porselyn te vinden, die van de gewoone alleenlyk daar
in verschilt, dat zy digter aan den grond groeit, en dat derzelver
bladeren kleiner en van een donkerer groene kleur zyn. Men kan ze
gerust eeten, het zy als eene salade, het zy gestoofd; zy verschaft
een smakelyk en verkoelend voedzel; en ze is bovendien een uitmuntend
middel tegen de scheurbuik.

Wy vonden ook een groot aantal Calebassen-boomen, waar van
de vrugten voor de inboorlingen des Lands van zeer groot nut
zyn. De Calebassen-boom groeit tot de hoogte van een gewoonen
appel-boom. Deszelfs bladeren zyn dik, en loopen puntig toe. De
gedaante en grootte van deszelfs vruchten is onëindig verschillende;
eenige zyn eirond, andere spits toeloopende, andere wederom rond,
en dikwils hebben zy tien of twaalf duimen in den omtrek. De
schil is hard, glad, en met eene schitterende huid overdekt,
die bruin wordt, wanneer de calebas droog is. Het vleesch is eene
mergachtige zelfstandigheid, welke men 'er met een krom mes kan
uitnemen. De calebassen dienen tot poejer-doozen, flessen, schaalen
en schotels. Zelden ging ik door de bosschen, zonder 'er een by my
te hebben. De Negers vercieren dezelve doorgaans, door op de bast
verscheiden misselyke streepen te snyden; zomtyds zelfs vullen zy de
groeven met kryt, het geen een zeer fraaije vertooning maakt. [3]

De Jagers op kondschap zynde uitgegaan, kwamen in den namiddag van den
23sten te rug, berigtende, dat zy het gewas van een ander rystveld,
noord-oost-waarts gelegen, vernield hadden. De Colonel was met deeze
tyding zeer in zyn schik; maar toen ik hem tegen den avond zeide, dat
ik op eenigen afstand verscheiden gewapende Negers zag, die tot ons
naderden, verbleekte hy en riep uit, wy zyn 'er om koud! Oogenblikkelyk
gaf hy aan al het krygsvolk bevel, om de wapenen op te vatten. Na
verloop van eenige minuten, waren deeze Negers naby genoeg, om
onderscheiden te kunnen worden, en wy herkenden 'er veelen van, die in
hunne hangmatten gedragen wierden. De Colonel FOURGEOUD riep op nieuw
uit: "Wy zyn niet minder bedorven, schoon het de vyand niet is: het is
de Capitain BOLTS, die geslagen is geworden, en met zyne manschappen te
rug koomt". Hy sprak de zuivere waarheid. Deeze ongelukkige Officier,
zoo dra hy zyne gekwetsten in handen der Heelmeesters had overgeleverd,
gaf het volgende bericht: hy verklaarde, dat hy, gekomen zynde in het
rampzalig moeras, waar in de Capitain MEYLAND de nederlaag gekregen
had, door den vyand, die aan de overzyde post hieldt, was aangetast
geworden; dat dezelve, zonder zig met eenig Europeaan te bemoeien,
een verschrikkelyk bloedbad onder de Neger-Jagers gemaakt had; dat
één der Capitains van deeze dappere lieden, genaamd VALENTYN, op het
oogenblik, dat hy ter aanmoediging der soldaten den jagthoorn blies,
en op vyf verschillende plaatsen doodelyk gewond was, was om ver
geschoten. De Capitain AVANTAGE, broeder van VALENTYN, hem in dien
doodelyken toestand ziende, gaf blyken van de innerlykste teederheid
en van de aandoenlykste gevoeligheid. Hy ging naast zynen broeder
op de kniën leggen; hy bukte naar zyne wonden, om 'er het bloed uit
te zuigen; hy zwoer hem met eenen eed, dat hy zynen dood op hunne
vyanden wreeken zoude; en zeide eindelyk, dat hy wenschte, om, na
'er zelf het leven te hebben by ingeschoten, hem op een gelukkiger
plaats weer te zien.

De Colonel FOURGEOUD erkende toen; dat de muitelingen hun woord
gehouden hadden met het dooden van de Jagers. De Capitain BOLTS
berigtte ook, dat eenigen van de eerstgemelden, na op zyn volk van
boven uit de palmboomen te hebben vuur gegeven, met de verbazendste
gezwindheid naar beneden kwamen, en vervolgens wegvloden, terwyl
de Jagers van kwaadheid schuimden, en van yver brandden, om hunne
vyanden dwars door de struiken heen te vervolgen.

Onze Bevelhebber bemerkte toen de ongerymdheid van zyn ontwerp. Verre
van in staat te zyn, om 'er de uitvoering van te voltooijen, zouden
zyn krygsvolk en hy zelf gevaar geloopen hebben van geheel en al
vernield te worden. Hy had noch mond- noch krygsbehoeften in zyne
legerplaats gelaten, en bovendien was alle gemeenschap afgesneden;
hy was dus ernstig bedacht op middelen, om zynen aftocht te dekken. De
herhaalde murmureeringen van het krygsvolk drongen hem met ernst, om
die party te kiezen; en in de daad, zy waren verschrikkelyk afgemat,
door zig des daags te vermoeien, en des nachts aanhoudend te waken. Men
konde van onze soldaten zeggen: "dat zy in wilde woestenyen omzworven,
zonder aldaar eene enkele schuilplaats te vinden".

Den 24sten, ontfing eene krygsbende van honderd veertig mannen, onder
bevel van twee Staf-Officiers, last, om het te velde staande gewas,
het welk zy in den omtrek van de oude verblyfplaats, Cosaay genaamd,
vinden mogten, geheel en al te vernielen: ik behoorde 'er mede toe. Wy
hadden dit werk spoedig verrigt, en vonden in het moeras eene meenigte
huisraad, als ketels, yzere potten en pannen. De muitelingen hadden die
goederen op eenige Plantagiën geroofd, en zy hadden die in 't water
geworpen, om ze aan ons te onttrekken, met oogmerk, ongetwyffeld, om
ze weder op te visschen, wanneer wy Gado Saby verlaten zouden hebben.

Onze manschappen kwamen in den namiddag te rug, en wy braken
oogenblikkelyk het leger op, om onzen aftocht naar Barbacoeba te
beginnen. De Colonel FOURGEOUD gaf in dit oogenblik een blyk van
een zeer verkeerd overleg, waar aan zommige lieden zelfs eene veel
hardere benaming gaven. Des avonds, toen wy in het moeras kwamen,
het welk een akelig voorkomen had, nam hy een ledige kist, leide
'er een hangmat in, en droeg dezelve als een schild voor het lyf,
zyne soldaten toeroepende: Red u, zoo goed gy kunt! Op dit gezegde
stondt een Waal, genaamd MATTOW, stil, en zeide tot hem: "Myn Colonel,
'er zyn 'er onder ons niet veelen, die uw voorbeeld kunnen, en,
zoo ik denk, nog minder willen volgen. Laat uw schild daar, en maak
uwe soldaten niet bevreesd. Een dapper man maakt van andere schilden
gebruik. Volg dus MATTOW, en vrees voor niets". Deeze onverschrokken
krygsman ontblootte dadelyk zyne borst, en met de bajonnet voor uit,
beklom hy het eerst den oever aan de overzyde. Dit voorbeeld wierd
gevolgd, en wy kwamen zonder hinder het moeras door. De kloekmoedige
daad van deezen soldaat wierd vervolgens met den rang van Sergeant
beloond. Ik moet hier opmerken, dat de Waalen, die wy onder ons hadden,
eene groote dapperheid betoonden, en in alle opzigten uitmuntende
soldaten waren. Des avonds sloegen wy ons neder op dezelfde plaats,
alwaar wy den nacht voor den slag hadden doorgebragt: het was aller
akeligst weder, en er viel een zwaare stortregen.

Den 25sten, des morgens zeer vroeg, zetten wy onzen tocht voort, maar
ten minsten was de weg, dien wy voor ons hadden, gebaand. Des anderen
daags tegen den avond, bereikten wy Barbacoeba, de plaats van onze
algemeene byëenkomst, en wy bevonden ons in den elendigsten staat. Al
het volk was door vermoeienis ten eenemaal uitgeput; eenige soldaten
waren byna uitgehongerd, en anderen zeer gevaarlyk gewond. De arme
slaven wierden allen gebruikt om de zieken of verminkten in hunne
hangmatten te dragen, terwyl zy zelven naauwlyks in staat waren te
gaan.--Op deeze wyze liep het met het innemen van Gado Saby af. Met
dit al, schoon wy op deezen tocht, noch gevangenen, noch buit maakten,
deeden wy niettemin aan de Volkplanting eenen wezentlyken dienst,
door deeze schuilplaats der muitelingen te vernielen, die, gelyk ik
reeds gezegd heb, eenmaal uit eene bezitting verdreven zynde, nooit
aldaar wederom kwamen. Ik zoude 'er zelfs kunnen byvoegen, dat onze
overwinning byna beslissend was: want indien men het afloopen van
eenige Plantagiën uitzondert, het geen de muitelingen alleenlyk door
een geest van wraakzucht deeden, en om voor het oogenblik onderhoud
te vinden, waren zy zoodanig in verwarring gebragt, en door eenen
zoo zwaaren schrik bevangen, dat van dien tyd af hunne verwoestingen
zekerlyk minder meenigvuldig waren, en dat zy zeer kort daar op zig
zoo diep in de bosschen begaven, dat het hun onmogelyk was groote
plonderingen aan te rechten, noch ook de slaven der Plantagiën te
verleiden.

Om de bekwaamheid der Negers in hunne krygs-bedryven des te beter te
doen kennen, voege ik hier nevens eene afteekening van hunne bezitting
Gado Saby, als mede van onze verschillende standen, na dat wy onze
legerplaats aan de oevers van de Cottica verlaten hadden.

De getallen 1, 2 en 3, geven de algemeene verzamelplaats te Barbacoeba
te kennen, als mede de legeringen in de twee nachten, die op ons
vertrek van deezen post gevolgd zyn.

Nº. 4, beteekent de plaats, alwaar wy in den nacht van den 17den,
het schieten en schreeuwen der muitelingen hoorden.

Nº. 5, de plaats, alwaar de Neger-Jagers zig by ons voegden.

Nº. 6, de plaats, alwaar wy gelegerd lagen, des nachts voor dat het
gevecht voorviel.

Nº. 7, den oever van het moeras, van den kant, alwaar de manschappen
van den Capitain MEYLAND hunne nederlaag ontmoetten.

Nº. 8, den voorpost der muitelingen, van waar de eerste
snaphaan-schoten voortkwamen.

Nº. 9, de vlakte, met ryst en Indisch koorn bezaaid, welke wy zonder
tegenkanting bezetten.

Nº. 10, de doortogt of engte, alwaar het vuur begon.

Nº. 11, de schoone vlakte, met ryst bezaait, alwaar het gevecht meer
dan veertig minuuten duurde.

Nº. 12, het gehucht Gado Saby, in brand, en op eenigen afstand te zien.

Nº. 13, de plaats, van waar de muitelingen op ons leger schooten,
en in den nacht van den 20sten met ons spraken.

Nº. 14, de oude verblyfplaats van Cosaay, met de dryvende brug,
waar door de aftocht der muitelingen begunstigd wierd.

Nº. 15, de velden, met maniok, ignames en bananen beplant, welke op
verschillende tyden verwoest wierden.

Nº. 16, het ryst-veld, door Capitain STEDMAN ontdekt en verwoest.

Nº. 17, het gewas, het welk den 23sten door de Jagers vernield wierd.

Nº. 18, het moeras, waar door de verblyfplaats omringd wierd.

Nº. 19, de modderpoel, of na by gelegen biry-biry.

Nº. 20, het bosch.

Na vooraf de manier beschreven te hebben, op welke wy onze hutten
bouwden, zal ik hier eene kleine afteekening byvoegen van de wyze,
op welke wy die hutten geduurende onze legeringen in de bosschen
van Guiana plaatsten. Onze legerplaatsen waren doorgaans van
eene driehoekige gedaante, als zynde, in geval van overrompeling,
veel zekerder en gemakkelyker tot verdediging van onze krygs- en
mondbehoeften; maar de gesteldheid van den grond gedoogde dit altyd
niet, en dan was onze legerplaats vierkant, langwerpig, of van eene
ronde gedaante, enz. Op de afteekening zelve beteekent,

Nº. 1, de hut of het priëel van den Colonel FOURGEOUD, of van den
bevelhebbenden Officier, welke altyd in het midden stondt, en waar
voor een schildwagt geplaatst was.

Nº. 2, de hutten van alle de verdere Officiers, makende een kleinen
driehoek, en die van den Opper-bevelhebber omringende.

Nº. 3, de buitenste hoeken van den driehoek, die door middel van de
hutten der soldaten in drie afdeelingen verdeeld wierden, namelyk, de
hoofdbende, de voor-hoede en de agter-hoede, benevens de schildwagten,
die op een bekwamen afstand geplaatst wierden.

Nº. 4, de kisten tot berging der krygs- en mond-behoeften, als mede
der geneesmiddelen, waar by een schildwagt stondt.

Nº. 5, de vuuren, agter elke afgezonderde hoop krygsvolk geplaatst,
om het eeten gereed te maken, en rondom welken de slaven op den
grond lagen.

Nº. 6, een hoop afgehakte Latanus-boomen, om hutten of priëelen
te maken.

Nº. 7, eene kleine beek of kreek, die aan het krygsvolk water
verschafte.

Nº. 8, het naby gelegen bosch.

Ik keere tans tot myn verhaal te rug, en moet aanmerken, dat
de wachtpost van Barbacoeba, verre van in staat te zyn, om ons
levensmiddelen toe te zenden, zoo als onze Bevelhebber zig verbeeld
had, naauwlyks een gering onderhoud aan ons aankomend krygsvolk,
het welk uitgehongerd was, verschaffen konde. Verscheiden dagen lang
leefden zy alleenlyk van ryst, ignames, erweten, Turksch graan,
en wierden vervolgens byna allen door een geweldigen rooden loop
aangetast. Schoon dit zoort van voedzel voor de Indianen en Negers
krachtig genoeg is, is het niet geschikt voor de Europeanen, die
niet lang zonder vleesch leven kunnen: en dit laatste was tans zoo
zeldzaam te bekomen, dat zelfs de Joodsche soldaten, die zig onder
het krygsvolk der Sociëteit bevonden, al het gezouten varkens-vleesch,
het welk zy maar bekomen konden, opslokten.

Ik behoorde niettemin by aanhoudenheid onder het klein getal der
geenen, die gezond waren: dit was byna een wonder; want ik had geen
beter voedzel, dan een ander, dewyl ik mynen byzonderen voorraad op de
Plantagie Mocha had agtergelaten. Ik hoopte op dit oogenblik verlof
te zullen bekomen, om dezelve in persoon te gaan halen, en die hoop
verkwikte my; maar de Colonel FOURGEOUD hielp my spoedig uit den droom,
en verklaarde my, dat hy my geen oogenblik van het doen van den dienst
ontslaan zoude, zoo lang ik op myne voeten staan konde: ik moest dus
eene gelegenheid afwagten, om ze te laten komen. Ik deelde te gelyker
tyd het middelmatig rantsoen van een soldaat met mynen Neger; nu en
dan wierdt het vermeerderd met kool, of palmboom-wormen, of ook wel
met eenige visch.

Wat de ongelukkige slaven betrof, zy waren zoodanig uitgehongerd, dat
zy, een aap van het geslacht der coaitas gedood hebbende, denzelven
met huid, hair en ingewanden kookten. Vervolgens haalden zy hem uit de
ketel, half gaar zynde: om hem rond te deelen, scheurden ze hem met de
tanden van één, en slokten hem eindelyk met zoo veel gretigheid in,
als of zy menscheneeters waren. Zy boden 'er my geen brok van aan;
maar, hoe groot ook myn honger was, myn maag had geen trek naar
zulk wildbraad.

Ik wierd veel geholpen door myn sterk gestel, door eene zeer
goede gezondheid, en door mynen vrolyken inborst, zonder het welk
ik onder den last der elende en vermoeienis bezweken zoude zyn,
daar dezelve toen zoo ondraaglyk geworden waren, dat de Jagers op
nieuw onze legerplaats verlieten. Hun leidsman, WINSACK genaamd,
één der yverigste en moedigste lieden, die immer de bosschen van
Guiana waren ingetrokken, leide zynen post neder, zoo als MONGOL,
geduurende den eersten veldtocht van den Colonel FOURRGEOUD aan de
Wana-Kreek gedaan had.

In 't begin van September, maakte de roode loop zulke verwoestingen
onder het volk, dat de Colonel zig genoodzaakt zag, om alle de zieke
Officiers en soldaten zonder onderscheid weg te zenden, niet om zig
in het groot Hospitaal te Paramaribo te laten geneezen, maar om aan
de oevers der Rivieren te kwynen en te sterven. Het volk van zyne
krygsbende begaf zig naar Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek, en dat
der Sociëteit naar Vrydenberg, aan de Cottica.

De onmenschelykheid van den Colonel FOURGEOUD, omtrent zyne Officiers,
was tans tot die hoogte geklommen, dat hy zelfs niet gedogen wilde,
dat zy, die in eenen hopeloozen toestand waren, een soldaat tot
oppasser hadden, welken prys zy ook bereid waren 'er voor te
betalen. Ik heb 'er verscheiden in hunne hangmatten, die tusschen
twee boomen opgehangen waren, zien leggen, in een staat van walgelyke
vuiligheid, by gebrek van hulp. Onder dit getal behoorde de Vaandrig
STROWS, wien de Bevelhebber vervolgens in een open vaartuig naar
Devil's Harwar liet overvoeren, alwaar hy stierf. De Colonel wierd
eindelyk zelf door deeze wreede ziekte aangetast, en zyn geliefde
geneesdrank hielp hem niet met al. Echter herstelde hy schielyk, door
eene groote hoeveelheid rooden wyn te drinken, en veel speceryen te
eeten, waar aan hy zelden gebrek had. De Colonel SEYBOURG gebruikte
ook het eerstgemelde van deeze behoedmiddelen; maar dewyl hy 'er
te veel op eenmaal van nam, verloor hy 'er dikwils het gebruik van
zyn verstand door. In zulk eene gesteldheid, en in een legerplaats,
die zulk een rampzalig voorkomen had, wagte onze Colonel echter eene
bezending af van den Raad van Paramaribo, die gelast was hem met zyne
overwinning geluk te wenschen. Dienvolgende had hy eene cierlyke hut
doen bouwen, en last gegeven om hem schapen en varkens te bezorgen,
waar op hy de afgezondenen onthaalen zoude;--maar 'er kwam niemand.

Den 9den, slagtte men dit vee; en voor de eerste keer, zedert dat hy
het bevel voerde, liet de Colonel onder het volk een pond vleesch,
de beenen daar onder begrepen, voor ieder man, uitdeelen; maar het
getal der soldaten, die van deeze edelmoedigheid gebruik konden maken,
was in dit oogenblik zeer gering.

Des anderen daags zagen wy eene versterking van honderd mannen, die
van Maagdenberg aan de Commewyne kwamen, aankomen; en de wachtpost van
Vrydenberg zondt ons byna een gelyk getal van Sociëteit's krygsvolk. De
laatstgemelden bevestigden ons de tyding van het overlyden van den
Vaandrig STROWS, en berigtten ons die van een groot aantal gemeene
soldaaten, die by het innemen van Gado-Saby waren tegenwoordig geweest,
en, terwyl men hen naar Barbacoeba vervoerde, in de vaartuigen zelve
stierven.

Men ontfing te gelyker tyd berigt, dat de muitelingen, welken wy
verslagen hadden, de Cottica boven de Patamaca-Kreek overtrokken,
om hunne verwoestingen aan den westkant oogenblikkelyk uit te
oeffenen. Dadelyk wierden te water vyftig mannen afgezonden onder
bevel van eenen Capitain, om de oevers by de Pinnenburg-Kreek te
gaan onderzoeken. Dit volk kwam den 8sten te rug, en bevestigde
deeze tyding. Onze onvermoeide Bevelhebber besloot derhalven, om de
muitelingen op nieuw te vervolgen; maar de slaven, die onze krygs- en
mond-behoeften droegen, niet meer dan het vel over de beenen hebbende,
waren naar hunne meesters te rug gezonden, die in hunne plaats anderen
moesten zenden, maar die nog niet waren aangekomen.

Den 9den, verkogt men de nagelatene goederen van den Vaandrig
STROWS aan de meestbiedenden om op tyd te betaalen. De ongelukkige
soldaten, zig beyverende, om zig eenige ververschingen en kleederen
te bezorgen, betaalden zevenmaal de waardy van het geen zy kogten;
en deeze schandelyke schuld wierd van hun geld ingehouden. Ik heb 'er
één vyf Engelsche schellingen zien geven voor een pond snuif-tabak,
die geen tiende gedeelte van dien prys waardig was. De zelfde
persoon betaalde voor slechte schoenen het dubbeld van derzelver
echte waarde. Een paar magere kuikens kostten een guinie voor een
zieken. Deeze ongelukkigen wierden op die wyze geheel en al beroofd
van hunne weinige overgegaarde penningen, waar voor zy hun bloed en
arbeid hadden veil gehad, terwyl men hunnen dringenden nood had kunnen
voorkomen, alleenlyk door hun te geven het geen men hun verschuldigd
was. Een zee-soldaat zwoer toen in de drift van zyne misnoegdheid,
dat hy den Colonel FOURGEOUD zekerlyk zoude van kant helpen, wanneer
hy 'er de gelegenheid toe vinden mogt. Een getuige hoorde dit, maar
ik haalde hem over, na dat de schuldige berouw over zyne uitdrukking
betoond had, om geene verklaring tegen denzelven te geven: dus redde
ik zyn leven, het welk hy anders door de koord verloren zoude hebben.

Alle menschen zyn by geluk zoo verregaande ongevoelig niet, als onze
Colonel, want dien zelfden dag zondt de braave Mevrouw GODEFROY een
vaartuig, waar in een vette os, oranje-appelen en bananen voor de
arme soldaten geladen waren, en die vervolgens onder hen verdeeld
wierden. Des avonds van dien dag, ontfing ik een weinig voorraad, en
eenige flessen Porto-wyn, welken JOANNA my toezondt. Zy had eene veel
grootere hoeveelheid afgezonden, maar dezelve was gedeeltelyk gestolen,
en gedeeltelyk bedorven. Dit maal gaf ik niets aan den Colonel.

Wanneer ik van voorraad, in een dergelyk geval ontfangen, spreek,
bedoel ik suiker, thee, koffy, Bostonsche bischuit, een kaas, rhum,
een ham, of eenig gezouten vleesch, alles in eene kleine hoeveelheid,
want één slaaf kon de in de bosschen geen zwaarder vracht dragen, en
het was ons niet geöorloofd 'er twee te gebruiken. Onder de behoeften
telde men ook hembden, koussen schoenen; maar deeze twee laatstgemelde
artikelen waren voor my van geen nut, zedert dat ik de gewoonte had
aangenomen om blootsvoets te gaan. Reeds zedert twee jaaren had ik my
hier aan gewend: ik bevond 'er my wonder wel by, en wenschte 'er my zei
ven geluk mede, vooral wanneer ik zag, hoe myne ongelukkige medgezellen
de beenen en voeten met scheuren en zweeren als bedekt hadden.

Den 12den, toen de nieuwe slaven waren aangekomen, maakte men zig
gereed, om de muitelingen des anderen daags te vervolgen, onzen weg
nemende naar den wachtpost, Jerusalem genaamd, waar van ik gesproken
heb, ter gelegenheid, dat ik by den rampzaligen tocht naar het bovenste
gedeelte van de Cottica het bevel voerde. Den 13den, zondt men de
krygsbehoeften en legergoederen te water derwaart, onder geleide
van de zieke Officiers en soldaten. Wy braken dus de legerplaats
op, en verlieten Barbacoeba, om weder de bosschen te doorkruissen,
nemende geduurende den geheelen eersten dag onzen weg ten zuiden
en zuid-oosten; wy bragten den nacht door aan de overzyde van de
Cassipory-Kreek, alwaar wy ons ter nedersloegen.

De ongelukkige slaven ondervonden op deezen tocht eene wreede
mishandeling. Half uitgehongerd, waren zy niet alleen met pakken
overladen, maar een ieder, wien het hoofd niet wel stondt, veroorloofde
zig bovendien straffeloos om hen te slaan. Ik zag by voorbeeld des
Colonels gunsteling, den Neger GOUSARY, 'er één tegen den grond
smyten, om dat hy zyn pak niet schielyk genoeg opnam; de Colonel
deedt vervolgens van gelyken, om dat hy het te schielyk opnam: de
ongelukkige slaaf, niet wetende wat te doen, riep op een beklaaglyken
toon uit, ô Massera Jesus Christus, en toen kwam 'er een geestdryver,
die hem op nieuw tegen den grond smeet, om dat hy eenen naam, welks
heiligheid hy zoo weinig kende, had durven ontheiligen.

Op den tocht van deezen dag, ontmoetten wy een groote troep wilde
varkens. De soldaten doodden 'er verscheiden met sabel-houwen en
bajonnet-steken, maar op geene andere wyze, want de Colonel had
verboden een enkel schot met den snaphaan te doen. Men slagte dezelven;
en het vleesch, het welk op het oogenblik wierd rond gedeeld, was by
allen zeer welkoom. Ik kan niet nalaten nog op te merken, als iets dat
zeer merkwaardig is, dat indien de eerste van deeze dieren, welke voor
uit loopt, deezen of geenen weg inslaat, de anderen hem blindelings
volgen, hopende even als hy het gevaar te zullen ontsnappen; het geen
hun integendeel dikwils in handen van hunne vyanden doet vallen.

Den 14den, trokken wy naar het zuid-westen tot op den middag, wanneer
wy te Jerusalem aankwamen, alwaar de voorhoede zig reeds zedert een uur
bevondt. Wy waren geheel en al met slyk bemorst. Verscheiden soldaten
vielen over wortels van boomen, of groote steenen, het geen hun zelfs
breuken veroorzaakte. Tot myne groote verwondering, vonden wy hier
dien zelfden WINSACK, van wien ik hier boven gesproken heb, en die
aan het hoofd van honderd andere Jagers was. Hy had hooren zeggen,
dat de muitelingen de Rivier Cottica aan derzelver bovenste gedeelte
waren overgetrokken, en de Gouverneur had hem aangezogt, om het bevel
weder op zig te nemen; dienvolgende boodt hy aan den Colonel FOURGEOUD
op nieuw zynen dienst aan, die zeer wel deedt met zulks aan te nemen.

Onze legerplaats was byna geheel en al ter neder geslagen op een
stuk land, dat met langwerpige en steekende planten bedekt was. Een
der slaven wierd ongelukkiglyk in zyn voet gestoken door een kleine
slang, die in Surinamen den naam van Oroucoukou [4] draagt, uit
hoofde van deszelfs kleur, naar die van een nachtuil gelykende. In
minder dan één minuut begon het been van deezen man op te zwellen;
vervolgens gevoelde hy vreesselyke pynen, en verviel kort daarop in
stuiptrekkingen. Een van zyne medgezellen, den slang gedood hebbende,
liet de gal van dit dier, gemengd in een half glas brandewyn, het
welk ik hem gaf, door den gewonden inneemen. Toen (misschien was het
loutere inbeelding) scheen hy een weinig verligting te gevoelen:
maar het toeval kwam met een ongemeen geweld schielyk wederom, en
de ongelukkige wierdt dadelyk naar de Plantagie van zynen meester
gezonden, alwaar hy stierf. Ik heb dik wils hooren zeggen, dat de gal
van een slang, uitwendig op de beet gelegd, in dit geval van zeer
kragtige uitwerking is. Men kan zelfs in the Great Magazine van de
maand April 1758, een brief lezen, gedagteekend den 24sten Maart,
en geteekend J. H., waar in de Schryver op eene leerstellige wyze
de manier behandelt, op welke dit geneesmiddel behoort te worden
toegediend. Maar ik laat voor lieden van de kunst over, om in deeze
byzonderheden te treden, en ik zal my vergenoegen met in 't algemeen
op te merken, dat hoe kleiner de slang is, ten minsten in Guiana,
hoe doodelyker het vergift is. En dit is het, 't geen THOMPSON met
zoo veel juistheid en kragt van woorden schetst.

"Maar de wreedste, schoon de kleinste van allen, is steeds die
dienaar van den dood, welke, zig in de schaduw verborgen houdende,
zyn ongelukkig slachtöffer bespiedt, en het zelve een fyn vergift
mededeelt, het welk langen tyd in zyne aderen gekookt, met eene
gezwindheid, als die der blixemstraalen, zynen levensloop stuit".

In deeze zelfde Savane, doodde één der Jagers nog een ander dier
van dit zelfde geslacht, genaamd de Zweepslang, om dat hy naar een
zweep gelykt. Naauwlyks dikker zynde dan een zwaanen-schacht, heeft
hy de lengte van vyf voeten. Zyn buik is van eene witte, en zyn rug
van eene lood-kleur: ik weet de gevolgen van zyne steeken niet. De
Negers hebben my gezegd, maar ik heb het niet gezien, dat hy met zyn
staart een zeer harden slag kan geven.

Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, een halfslachtig dier,
het welk de Negers ook dien zelfden avond doodden, en door hen
Cabiai [5] genoemd word. Het is een zoort van water-varken, van de
zelfde gedaante, als het land-dier van dien naam. Hy is met gryze
borstels bedekt, en met zeer scherpe tanden gewapend: hy heeft geen
staart. Elk van zyne pooten heeft drie klaauwen, met een vlies, even
als de eendvogels. Men beweert, dat dit dier alleenlyk des nachts
aan den oever koomt, en dat hy zig aldaar met allerleije kruiden en
plantgewassen voedt. Zyn vleesch is, zoo men zegt, goed om te eeten,
maar ik heb het niet geproeft.

Den 16den, zondt de Colonel FOURGEOUD twee aanzienlyke gedeelten zyner
krygsbende af, om op kondschap uit te gaan. Het eerste bestond uit
honderd mannen, waar over de Lieutenant Colonel DE BORNES het bevel
voerde; hetzelve had in last, om zig van den kant van de Wana-Kreek
naar het bovenste gedeelte der Cormoetibo-Kreek te begeven. Het
tweede bedroeg een gelyk getal, onder bevel van den Colonel SEYBOURG;
het zelve kreeg bevel, om naar de Pinnenburg-Kreek, aan het bovenste
gedeelte van de Cottica, heen te trekken. Het laatstgemelde volk kwam
omtrent te middernacht te rug, met twee kano's, welken zy, aan de
andere zyde der Rivier, een weinig beneden de Claas-Kreek, gevonden
hadden op 't land gehaald te zyn. Hun bericht overtuigde ons van den
aantocht der muitelingen, die hunne ledige kano's alleenlyk hadden doen
afzakken, om dezelven, met buit beladen, te rug te zenden. Ingevolge
van dit bericht, maakte men dadelyk de noodige toebereidzels, om hen
met ernst te vervolgen. Onze oude Bevelhebber betoonde nimmer meerder
moed, dan in dit oogenblik. Hy zwoer zig over alle de muitelingen,
het koste wat het wilde, te zullen wreeken.--Maar men zal, in het
volgende Hooftstuk, zien, of de bekwaamheid van onzen Generaal met
die van BONNY gelyk stondt.



TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan
de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis
veröorzaakt.--De Opposfum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het
krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug.

Den 19den September 1775, een oogenblik voor het opgaan der zon,
begaf zig de Colonel SEYBOURG, aan het hoofd van honderd Zee-soldaten
en veertig Jagers, in aantocht. Deeze Officier deedt my de eer aan,
zyne keuze op my te laten vallen, om hem te vergezellen; en hy was,
geheel anders dan voor deezen, zeer bescheiden omtrent my, zonder
dat ik de reden van die verandering bevroeden konde.

Na de Cormoetibo-Kreek te zyn overgetrokken, gingen wy zuidwestwaarts
ten zuiden, tot aan de Cottica, aan welker oevers wy ons ter neder
sloegen. Den eersten dag van onzen tocht zagen wy niets merkwaardigs,
dan een groot aantal mieren van ten minsten een duim lengte, en
volmaakt zwart. De insecten van dit zoort ontbladeren een boom in zeer
korten tyd; zy snyden dezelven in kleine stukjens ter groote van een
zes stuivers stuk, om ze onder den grond met zig te voeren. Het was
alleräangenaamst dit mierenleger te zien, elk met een stuk van een
groen blad, onöphoudelyk den zelfden weg volgende. Men is zoodanig
genegen het wonderbaarlyke te gelooven, dat zommige lieden beweerd
hebben, als of deeze vernieling ten voordeele van eenen blinden
slang geschiede. Dit is 'er van de zaak, dat deeze bladen tot voedzel
dienen voor de jongen der mieren, die nog geen kragt genoeg bezitten
om zich zelven voedzel te bezorgen, en die zomtyds zes voeten diep
in den grond woonen. Mejuffrouw DE MERIAN zegt, dat zommigen van
deeze insecten zig tot een keten vormen van den eenen tak tot den
anderen; en dat de geheele troep vervolgens daar over als over een
brug gaat. Zy beweert ook, dat deeze troep eenmaal 's jaars van huis
tot huis gaat, en aldaar al het ongedierte doodt, het welk zy vinden:
maar ik ben verpligt te erkennen, dat ik op de plaatsen zelve geene
van die omstandigheden vernomen heb: dit alleen kan ik verzekeren,
dat het steken van dit zoort van mieren byna even pynlyk is, als van
de vuur-mier, welke ik reeds beschreven heb.

Des anderen daags trokken wy langs de oevers van de Cottica, tot dat
wy in den omtrek van de Claas-Kreek waren, (dezelfde, die ik, met
myn sabel tusschen myne tanden, had overgezwommen,) alwaar wy onze
hangmatten ophingen. Men zondt my vervolgens met eenige jagers af, om
aan den mond van de Wana-Kreek tot aan den nacht in eene hinderlaag
te gaan leggen. Ik ontdekte hier niets anders, dan dat deeze zelfde
Jagers, even als de muitelingen, geloofden, dat hunne tooverbanden of
obias hen onkwetsbaar maakten. Zy zeiden my, dat de laatstgemelden
dezelven van hunne Priesters ontfingen; en dat zy zelven die kogten
van GRAMAN-QUACY, een zeer beruchten en doorslepen ouden Neger, van
wien ik op een geschikter plaats in het byzonder spreken zal.--Wanneer
ik hun vroeg, "waar het by toekwam, dat 'er iemand van hun, of van
hunne onkwetsbaare tegenpartyen gedood wierdt"? antwoordden zy my:
"Dit gebeurt, om dat zy even als gy, Masera, op hunnen tooverband,
of obia, geen vertrouwen stellen".--Deeze trek van bekwaamheid
van QUACY bragt nogtans het goed gevolg te weeg, dat hy van zyne
landgenooten zulke onvertzaagde soldaten maakte, dat ik dikwerf over
hunne ongemeene dapperheid verbaasd stond, en deeze bedriegerye,
behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren
uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger
niet zeer gemeen is.

Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte
Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van
door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen
naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom
groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en
breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de
werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed:
zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidental. Uit den
boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde,
de dikte van vogellym heeft.

Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de
Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt,
is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik,
dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond,
en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen:
binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat,
en met een oranje-kleurig vleesch, ter dikte van een halve duim,
en van een alleraangenaamste zuure smaak, omgeven is. Men zamelt
deeze nooten zeldzaam op; men wagt, dat de appelen ryp afvallen. De
Indianen laten dezelven in water uitweeken, en maken 'er op die wyze
een lekkeren en gezonden drank van.

De Colonel FOURGEOUD zondt ons te water een bode, die den 21sten
aankwam, met bericht, dat het alarm-geschut [6] zig van den kant
van de Peréca had laten hooren. Wy trokken dadelyk de Cottica over,
op welkers westelyken oever de Jagers en eenige zee-soldaten last
hadden, in eene hinderlaag te gaan leggen, in de hoop van den te rug
tocht der muitelingen af te snyden, wanneer zy deeze Rivier weder
met hunnen buit zouden over trekken. Den zelfden namiddag wierdt
'er een Neger van de muitelingen gezien, een groene mand dragende,
die de reuk van den tabak geroken hebbende, eensklaps stil stondt,
en den zelfden weg te rug keerde. Een Jager en ik schoten dadelyk
op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in
een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis,
en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet
het overige aan mynen medgezel.

Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca
liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit;
en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel
SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende,
wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy
koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door
struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my
de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan
zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van
een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel
nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings
deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel
SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel,
om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt
stellig mede, om ons oogenblikkelyk by hem te vervoegen. Wy keerden
derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot
hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd,
en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.

By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking,
van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen,
zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het
leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te
trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks
in hinderlagen.

Den volgenden dag was ieder voor het opkomen der zon gereed, en echter
verlieten wy onze legerplaats zeer laat. Geduurende dit onbegrypelyk
verwyl vernamen wy, dat men een kano, waar in alleenlyk één Neger was,
de Rivier had zien oversteken. Het was waarschynlyk die arme schelm,
op wien ik des avonds te vooren geschoten had.

Ik kan niet nalaten alhier eene zeer zonderlinge omstandigheid te
verhaalen. Des morgens ten vier uuren ontwakende, was ik uittermaten
verschrikt, toen ik my in gestolt bloed vond liggen, hoe zeer geene
de minste pyn gevoelende. Ik stond oogenblikkelyk op, en liep met een
toorts in de hand naar den Heelmeester toe; dit bloed, deeze toorts,
myne bleeke kleur, myn afgesneden hair, myne ontramponeerde kleeding,
konden in hem deeze vraag doen opryzen: "zyt gy een levendig schepzel,
of een spook, uit het graf opgerezen? Is het zuivere hemel-lucht,
die u omgeeft, of zyn het uitdampingen der helle?" [7]

Het geheele geheim bestondt daar in, dat ik gebeeten of gestoken was
door de Vampire, of het Spook van Guiana, ook de vliegende hond yan
Nieuw Spanje, en door de Spanjaarden Perro-Volador genaamd. Dit dier
is niets anders dan een vledermuis van eene monsterachtige gedaante,
die aan menschen en beesten, wanneer zy slapen, het bloed uitzuigt,
zelfs nu en dan zoodanig, dat zy 'er van sterven. Dewyl de manier,
waar op deeze dieren dit doen, in de daad verwonderenswaardig is,
zal ik trachten dezelve opzettelyk te beschryven.

De Vampire, wanneer de geen, op wien hy het gemunt heeft, in slaap is,
het welk hy uit zyne eigene natuurlyke neiging weet te ontdekken, zet
zig doorgaans by de voeten neder. Hy houdt zig aldaar in evenwicht
door middel van zyne groote vlerken, welken hy geduurig beweegt, en
inmiddels doorboort hy de kop van de groote toon, maar het gat, het
welk hy maakt, is zoo klein, dat 'er naauwlyks de kop van eene spelde
door kan, en zulks derhalven geene de minste pyn veröorzaakt. Door
middel van deeze opening, gaat hy niettemin voort met het bloed uit
te zuigen, tot dat hy genoodzaakt is het uit te spuwen. Hy begint
vervolgens op nieuw, en gaat zoo voort met zuigen en uitspuwen, zoo dat
hy niet dan met zeer veel moeite kan wegvliegen, en dat zyn slachtöffer
dikwerf van den natuurlyken in den eeuwigen slaap is overgegaan. De
beesten steekt hy doorgaans in het oor, en altyd op een plaats,
waar het bloed een oogenblikkelyken loop heeft, misschien in de eene
of andere slagäder. Na dat men tabaks-asch op de wonde gelegd had,
als het zekerst middel zynde, kwam ik te rug om my te wasschen, gelyk
ook myne hangmat, waar onder ik veel geronnen bloed gewaar wierd. De
Heelmeester het zelve naargegaan hebbende, oordeelde, dat ik geduurende
dien nacht dertien of veertien oncen bloed moest verloren hebben.

Ik heb naderhand gelegenheid gehad één van deeze vledermuizen
te dooden, wiens uitgespreide vlerken eene wydte maakten van
twee-en-dertig en een halve duim: men zegt, dat 'er zommige zyn van
drie voeten in die zelfde rigting, schoon zy naar die van Madagascar
niets hoe genaamd gelyken. De door my gedoodde vledermuis had eene
donker bruine, byna zwarte kleur, maar ligter onder aan den buik. Over
't geheel had hy een in de daad afschuwelyk voorkomen. Maar zyn kop
was vooral vervaarlyk: men zag aldaar boven den neus een blinkend,
ongebogen, rimpelig, en puntsgewyze toeloopend vlies. Zyne ooren
waaren lang, rond en doorschynend. In het bovenste kakenbeen had hy
vier snydende tanden en zes in het onderste. Ik zag niet, dat hy een
staart had, maar een vel, in welks midden een pees was. Elk van zyne
vlerken had vier klaauwen, van elkander afgescheiden, als die der
pooten van een eendvogel, [8] en met nagels gewapend: men zag ook nog
een ander ter plaatse, waar deeze zelfde klaauwen zig verëenigen. Alle
dienen zy aan het dier om te klauteren op, en zig vast te houden aan
boomen, rotsen of daken, alwaar hy hangen blyft, wanneer hy slaapt.

Een der Zee-soldaaten vong dien zelfden dag een Oppossum of
Sarigue. Dit dier verschilt, in zommige byzonderheden, merkelyk van
de beschryving, welke 'er de beroemde BUFFON van gegeven heeft.--By
voorbeeld, hy is veel ligter dan alle de geenen, waar van deeze
Schryver spreekt; en hy heeft den staart met hair, in plaats van met
schubben bedekt. Ik meen dit ten minsten, en, zoo myn oog my bedrogen
heeft, ben ik de eenigste niet die met opzigt van dit dier in dat geval
geweest is. LINNÆUS, SEBA en VOSMAAR, beschouwen de Oppossum als een
dier, zoo wel van de oude als nieuwe weereld, schoon het echter zeker
is, dat hy alleen in America gevonden wordt. LINNÆUS tast ook mis,
wanneer hy verzekert, dat alle de vledermuizen vier snydende tanden
in elk kabenbeen hebben. (Zie BUFFON V. Deel, bladz. 282.)

Deeze Oppossum was niet grooter, dan een groote muis. Hy was volmaakt
zwart, uitgenomen onder den buik, aan de pooten, en onder aan den
staart, die de kleur had van een buffels huid. Boven elk van zyne
oogen, vry veel naar die van een rot gelykende, had hy een vlak van
deeze zelfde kleur. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend;
zyne klaauwen bedroegen een getal van twintig, zynde één derzelven
agterwaarts geplaatst, en tot een duim dienende. Dezelve had tien
of twaalf tepels, waar aan (zoo men zegt) de jongen, zoo dra zy
gebooren zyn, zig vasthouden, zynde zy dan niet veel grooter, dan
jonge Kevers. Maar dit dier had den zak niet, welken andere Oppossums
gewoonlyk hebben. In plaatse van dien, zag men twee langwerpige
plooijen aan de binnenzyde van elke dye, die even als de gemelde zak
geschikt waren, om de jongen voor alle onheil te beveiligen, daar geene
foltering, ja zelfs het vuur niet, de moeder kan doen besluiten haare
jongen te verlaten. Ik zal by deeze beschryving voegen, dat deeze
dieren op het land leven, en dikwils op de boomen klauteren; maar
dat zy zig, even als de muizen, met graanen, vruchten, en wortelen
voeden. De beschryving van het andere zoort zal ik uitstellen, tot
dat zig de gelegenheid my daar toe aanbiedt.

Mejuffrouw DE MERIAN sreekt van eene byzondere Oppossum, die, in
het oogenblik van gevaar, de jongen op haaren rug draagt: ik heb
'er in Surinamen nooit van hooren spreeken, en houde my verzekerd,
dat 'er dit zoort niet is.

Ik heb reeds gezegd, dat door eene vertraging, waar van my de reden
onbekend was, de ogtend reeds verre gevorderd was, toen wy onze
legerplaats verlieten. Ik behoorde tot de voorhoede met de Jagers
en eenige Zee-soldaaten, die allen voor negen dagen mondbehoeften
op hunnen rug droegen. Wy hadden nog maar een klein gedeelte van den
weg afgelegd, toen één der eerstgemelden op den jagthoorn blaazende,
de anderen uit elkander gingen, en zig plat op den buik aan den grond
nederleiden, hebbende den haan van hun geweer overgehaald, en zynde
alzoo tot het gevecht gereed. Ik deed even als zy; maar het was niet
meer, dan een valsch alarm. Het was een hart, het welk in zynen loop
de bladeren van 't geboomte in beweeging gebragt had. Wy stonden
derhalven weder op, en trokken door slyk en water heen, tot drie
uuren na den middag, wanneer wy ons op hoogere landen nedersloegen,
alwaar men geen water vinden konde, dan door een put te graven; en
dan nog was het water, het welk wy daar uit schepten, zoo modderig,
dat wy genoodzaakt waren, het door onze dassen of hembds-mouwen te
laten doorloopen. De Colonel SEYBOURG kwam alhier by my, om my des
avonds in zyne hut ter maaltyd te verzoeken, en behandelde my met
eene beleefdheid, waar over ik zeer verwonderd was,

Des anderen daags vervolgden wy onzen weg, neemende denzelven
westwaarts ten noordwesten. Wy hadden zwaare slagregens, en moesten
een moeras doorwaden. Ik voerde toen het bevel over de agterhoede,
en had drie uuren noodig, om dezelve van deeze naar de overzyde
te geleiden. Deeze tocht was allerverdrietelykst. De slaven, onder
hunne pakken gebukt gaande, braken elk oogenblik de korst, die over
het water lag. De Zee-soldaaten, met hunne mondbehoeften belaaden,
hadden zeer veel moeiten om zig op de been te houden, en ik zelf,
door de groote meenigte bloed, welke ik verlooren had, verzwakt zynde
konde aan niemand van dienst wezen. Toen wy weder den vasten grond
bereikt hadden, zag ik aldaar de lyken van verscheiden muitelingen
verspreid liggen, aan elk van welken de regte hand en het hoofd was
afgehouwen. Deeze lyken waren nog niet verrot, het geen my deedt
vermoeden, dat 'er in 't kort eenig gevecht tusschen de muitelingen,
en het krygsvolk, aan de Peréca leggende, had plaats gehad.--Ik
moet hier opmerken, dat, indien men den 21sten, in plaats van my te
gelasten om te rug te komen, en de Jagers weder mede te brengen, ons
had toegestaan voorwaarts te gaan, de muitelingen tusschen twee vuuren
zouden geraakt zyn, 'er zeer weinigen van hun zouden zyn ontsnapt,
en wy hunnen buit zouden hebben hernomen. De lezer zal zig herinneren,
dat dit zelfde voorval plaats had, toen ik, twee jaaren te vooren, te
Devil's Harwar het bevel voerde. Indien ik toen een genoegzaam getal
manschappen en krygsbehoeften tot den tocht gehad had, zoude ik aan
de Volkplanting den gewichtigsten dienst gedaan hebben. Het spyt my
deeze twee wezentlyke misslagen te moeten aanhaalen; maar waarheid
en onpartydigheid verpligten 'er my toe. Deeze aanmerkingen echter
behooren my niet van wreedheid te doen beschuldigen, want niemands hart
was meer getroffen dan het myne, op het zien van zo veele jongelingen,
die onder het ons omringende geboomte dood uitgestrekt lagen. Myn
oog viel in 't byzonder op twee van hun, die zoo wel gemaakt waaren,
als men ze met mogelykheid bedenken kan.

Terwyl ik met het maken van deeze en andere gelykzoortige aanmerkingen
bezig was, bleeven verscheiden slaven, die te zwaar belaaden waren,
in het moeras zitten. De bevelhebbende Officier, met het voornaamste
gedeelte zyner manschappen zig op een hoog stuk land nedergeslagen
hebbende, konde ons niet meer zien, noch hooren; en door deeze
scheiding liep de agterhoede gevaar, niet alleen om haare mond- en
krygs-behoeften te verliezen, maar om zelfs in de pan gehakt te worden.

Geenen enkelen Europeaan vindende, die kragten genoeg had overgehouden,
om het volk, het welk voor uit getrokken was, in te haalen, gaf ik
het bevel over aan mynen Lieutenant DE LOSRIOS, en waagde het om
alleen dwars door het bosch te loopen, tot dat ik onze legerbende
bereikt zoude hebben. Ik hield den Colonel SEYBOURG de gesteldheid der
agterhoede voor, en verzogt hem "om wat langzaam voort te trekken, ten
einde aan die geenen, die in de modder gezonken waren, tyd te geven,
om 'er zig uit te redden, zonder het welk ik voor de gevolgen niet
konde instaan". Zyn antwoord was, "dat hy zyn leger zoude opslaan,
zoo dra hy goed water ontmoette". Schoon zeer vermoeit zynde, keerde
ik dadelyk naar myne agterhoede te rug, waar van het grootste gedeelte
tot des nachts in den deerniswaardigsten en gevaarlyksten toestand
bleef, want eerst des avonds ten zeven uuren redden wy den laatsten
man uit het moeras, en toen gingen wy langzaam voort, tot dat wy in
de legerplaats aankwamen.

Myne oplettenheid voor het behoud der manschappen, over welken
ik het bevel voerde, myne zorge voor de bespaaring van krygs- en
mondbehoeften, wel verre van my de goedkeuring te doen ondervinden
van hem, onder wiens bevelen ik voor dit oogenblik stond, van hem, die
my nog kortlings met zoo veel bescheidenheid behandelde, wikkelde my
integendeel in een ernstig voorval in, waar over ik zoo gevoelig was,
dat ik my naauwlyks wederhouden konde, om tot wanhoop te vervallen. Men
kan myn verdriet beöordeelen, wanneer men weet, dat ik naauwlyks
in de legerplaats zynde te rug gekomen, in arrest gezet wierd,
om door eenen krygsraad, ter zaake van gepleegde ongehoorzaamheid,
gevonnisd te worden. De Colonel SEYBOURG en ik hadden nimmer met
elkander in betere vriendschap omgegaan; maar schoon hy my in het
begin van den tocht met eene uiterlyke beleefdheid behandeld had,
was het niet minder zichtbaar, dat hy, na een dergelyken trek, zig
betoonde myn doodelykste vyand te zyn. Ik moet echter niet vergeeten
eene zonderlinge omstandigheid te verhaalen, hier in bestaande,
dat men my, schoon in gevangenis gesteld zynde, tot nader orde myne
wapens liet behouden.

Den 24sten vertrokken wy des morgens vroeg, en namen den weg ten
zuiden en zuidwesten. In deeze laatstgemelde richting gingen wy voorby
Pinnenburg, een verlaten gehucht der muitelingen, waar van ik gesproken
heb. Ik bleef steeds gearresteerd, en was uittermaten mismoedig.

Des daags daar aan volgende trokken wy zuidwestwaarts, en doorwaadden
een zeer diep moeras, waar in wy nat bezweet ingingen, vermits wy
tot hier toe te schielyk gegaan hadden: maar de gezondheid van onze
soldaaten was geen zaak, waar over men zig bekreunde, van hoe veel
aanbelang zy ook voor den goeden uitslag onzer onderneming was.

Op nieuw een zoort van heuvel of hoog land bereikt hebbende, was ik op
het punt een ongeluk te ontmoeten, noodlottiger dan alle de ellende,
welke ik tot dus verre ondervonden had. In eene diepe mymering als
weggezonken, terwyl ik de agterhoede volgde, verdwaalde ik ongevoelig,
en bevond my eindelyk alleen, in het midden van eene eindelooze
woestenye. Zoo dra de arme QUACO bemerkt hadt, dat ik was afgedwaald,
waagde hy dwars door het bosch heen te loopen, om zynen meester te
rug te vinden, en, by louter geluk, zag hy my, aan den voet van eenen
boom zittende in eene neerslagtigheid, die zig niet laat beschryven,
en ten prooy van smart en wanhoop overgegeven. Des morgens van dien
dag meende ik, dat myn ongeluk op het hoogst was, en in dit oogenblik
zoude ik alles gegeven hebben, om my nog in die zelfde gesteldheid
te bevinden. Ik was in eenen staat van volmaakte gevoelloosheid, te
midden van een onmeetelyk bosch, en door verslindende vyanden omringd;
stortregens vielen uit den hemel, en myn uitzicht was op tygers, op
hongersnood, op alle onheilen, op alle gevaaren. JOANNA moest ik voor
eeuwig vaarwel zeggen!--Dusdanig was de gesteldheid van mynen geest,
toen ik, eensklaps mynen Neger herkennende, van den grond oprees,
en als een geheel nieuw leven in my voelde ontvonken. Vervolgens
eenigen tyd te zamen zynde voortgewandeld, zeide ik hem, dat ik een
vyver zag, door welken ik meende, dat het krygsvolk was doorgegaan,
om dat het water zig drabbig vertoonde. De Jongeling, het oog op dit
water slaande, antwoordde my met ontsteltenis; dat deeze modderpoel
door een Tapira veröorzaakt was, [9] en hy toonde my de voetstappen
van het dier in het slyk, vervolgens berste hy uit in traanen, en
riep uit: Masera, wy zyn 'er om koud! wy zyn 'er om kond! In het
midden van deezen angst herïnnerde ik my echter, dat de Peréca op
de kaart wierdt aangewezen ten westen van de plaats, alwaar wy ons
bevonden, en ik besloot om oogenblikkelyk mynen weg derwaarts te
nemen. Derhalven mynen snaphaan op nieuw geladen hebbende, gelastte
ik aan QUACO om my te volgen; maar 'er was my nog één hinderpaal
in den weg, ik had myn kompas niet by my, en de regen belette het
doorschynen der zonnestraalen. In deezen bangen nood, herïnnerde my
myn medgezel, dat de schors der boomen aan de zuidzyde doorgaans veel
gladder is. Dit was waarlyk een goede inval, en dienvolgende gingen
wy naar dien kant heen; dan eens door een dik en donker bosch, dan
eens door een zoort van kreupelbosch, tot dat wy, door vermoeienis
en honger afgemat, gingen nederzitten, zonder een enkel woord uit te
brengen, en elkander aankykende als twee slachtöffers; die ter dood
verwezen waren. Ons stilzwygen bleef nog voortduuren, wanneer wy een
verward gedruis hoorden, als van lieden, die hoestten, en van anderen,
die met wapentuig eenige beweging maakten. Gode zy dank! het was ons
krygsvolk, het welk zig nedersloeg op een veld, bevoorens door het
volk van de Peréca bezet. In weerwil van myne ongelegenheid, bevond ik
my in dit oogenblik in eene der gelukkigste geest-gesteldheden, die
my deedt zien, dat alles in deeze weereld ten goeden en ten kwaaden
keeren kan. Alle de Officiers wenschten my van goeder hart geluk, en
myn Neger, zoo wel als ik, deelden met hun van hun koud ossenvleesch
en brood. Na het eindigen van deezen maaltyd, vervolgden wy onzen weg,
en wy kwamen wederom in een moeras, of liever in een modderigen vyver,
welks oppervlakte te zwak was om ons te dragen. De donkerheid van den
nacht overviel ons, en wy waren genoodzaakt aldaar te verblyven. De
soldaten hingen hunne hangmatten aan de boomen, de eene boven de
andere; de slaven maakten houtvlotten, op welken zy het kruit, de
krygsbehoeften, enz. nederzetten, en zy zelven gingen leggen slapen.

Den 26sten, vertrokken wy, een uur voor het aankomen van den dag,
maar na dat de Colonel SEYBOURG in zyne hangmat koffy gedronken had,
terwyl al het volk, tot hun midden toe in het water staande, op hem
wagtte, en wy gingen eerst west-, vervolgens noord-westwaarts. Onze
tocht was zoo moeielyk en verveelend, dat verscheiden slaven hunne
pakken lieten vallen, waar door dezelve deels nat wierden, deels
verloren geraakten. Eindelyk, na eene andere verlatene legerplaats,
te zyn doorgetrokken, hielden wy stil aan het oude cordon, of den
weg, die op andere wegen uitliep, alwaar ik dadelyk het spoor der
muitelingen ontdekte, geduurende dat ik aan de Cottica het bevel
voerde. Wy sloegen aldaar ligte hutten op, om onder dezelven den
nacht door te brengen.--Ik bleef nog steeds in arrest.

Een der Jagers, een klein viervoetig dier ontdekt hebbende, het welk
met eene ongelooflyke gezwindheid door de legerplaats liep, hakte
het zelve met zyn sabel. Het was de Paca, of de gevlakte Cavey, in
Surinamen den naam van Water-haas dragende. Dit dier is ongemeen vet,
en heeft de grootte van een speenvarken. Zyn onderste kakebeen is kort,
zyne neusgaten zyn breed, en van knevels voorzien, even als de katten;
zyne oogen zyn zwart, en zyne ooren klein en kaal. Aan elke poot heeft
hy vyf klaauwen. Zyne huid, van eene bruine aard-kleur, is met vlakken
gespikkeld, die een buffels kleur hebben, in de lengte, en meer of min
streeps-gewyze geplaatst zyn: de buik heeft eene vuile witte kleur,
en het geheele lyf is met een ruw, grof en kort hair overdekt. De
Paca is een halfslachtig dier. Zig op het land bevindende, graaft hy,
even als de varkens, in den grond, om zyn voedzel te zoeken: wanneer
hy in gevaar is, loopt hy naar het water, om aldaar eene schuilplaats
te vinden. Schoon hy vet, en, naar mate van zyne grootte, zeer wel in
't vleesch is, loopt hy echter veel gezwinder, dan eenig dier van
zyne dikte in Zuid-America doet. Men leest nochtans het tegendeel
in de beschryving, welke men daar van vindt in het vervolg op de
Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, alwaar gezegd wordt: "Dat de
Paca niet gezwind loopt, dat hy zelfs zeldzaam loopt, en dan nog met
zeer weinig bevalligheid". Misschien is dit waar, wanneer men hem als
een huisdier beschouwt, want men kan hem tam maken; maar ten minsten
in den staat der natuur is hy zoodanig niet; en ik kan verzekeren,
dat ik hem als een haas heb zien loopen. Wy lieten hem voor onzen
avond-maaltyd gereed maken, en wy vonden hem nog veel lekkerder dan
de Bosch-rot, of zelfs dan de Warrabocerra.

De Cavey, met een lange neus, beter bekend onder den naam van Agouli
Pacarara, is in Surinamen mede zeer gemeen. Zyne grootte is die
van een groot konyn, Zyne huid heeft eene bruine oranje kleur op
den rug, en geel aan den buik; zyne pooten zyn zwart: alle vier zyn
ze lang uitgerekt: de voorpooten eindigen met vier klaauwen, en de
agterpooten met drie. De oogen van dit dier hebben eene schitterende
zwarte kleur. Zyne bovenste lip is gespleten, en van knevels voorzien;
zyne ooren zyn klein. Even als de Paca, heeft hy een zeer korten
staart. Hy teelt sterk voort, en het wyfje zoogt haare jongen,
die ten getale van drie of vier zig in holen van oude stammen van
boomen ophouden, werwaarts zy ook de wyk neemt, wanneer zy vervolgd
wordt. De Agouli Pacarara zoekt zyn voedzel niet op het land, zoo als
de Paca. Men maakt hem gemakkelyk tam, en hy eet vruchten, wortelen,
nooten, enz. maar zyn vleesch, schoon goed, is echter van een minder
zoort, dan dat van de Paca.

Men heeft my in Surinamen gezegd, dat aldaar ook een ander dier van
dit zoort gevonden wordt, genaamd de langstaartige Agouli. Ik heb
hem niet gezien, of het is dezelfde, dien ik onder den naam van den
Struikrot beschreven heb.

Den 27sten, vervolgden wy onzen weg, en voor den middag kwamen wy
in eenen elendigen staat op de Plantagie Soribo, aan de Peréca,
om aldaar de naby gelegene Plantagiën tegen BONNY en de muitelingen
te verdedigen.

De Rivier Peréca heeft, zoo men zegt, uit hoofde van derzelver
veelvuldige kromten, een loop van meer dan zestig mylen, en zulks
over 't algemeen van den zuid-oost naar den noord-west kant. Zy is
zeer diep; maar haar bed is naauw, en aan haare oevers zyn, even
als ten aanzien van alle de andere Rivieren, overäl schoone Suiker-
en Koffy-Plantagiën gelegen. Wy waren naauwlyks op den wachtpost te
Soribo aangekomen, of verscheiden afgezondenen van den Colonel SEYBOURG
spraken my aan, en verzogten my ernstig, dat ik erkennen wilde ongelyk
gehad te hebben: zy verzekerden my, dat ik, dit erkend hebbende, myne
vryheid zoude te rug bekomen, en alles vergeten zoude zyn. Overtuigd
van myne onschuld, konde ik my met geen schik schuldig verklaren, en
vooräl naardien de misdaad, waar van men my beschuldigde, slechts een
gevolg was van myne getrouwe zorge voor het behoud der manschappen
en krygsbehoeften, die my toevertrouwd waren. Na myne weigering,
welke de Colonel SEYBOURG als eene misdadige halstarrigheid geliefde
aan te merken, gaf men my onder de bewaring van eene wacht, en men
nam my myne wapenen af. Onze Zee-soldaten bragten my toen in eene
zeer groote ongerustheid, door opentlyk te dreigen, dat zy ten mynen
voordeele aan 't muiten zouden slaan. Om dit onheil voor te komen,
verklaarde ik hun, dat, daar, naar myn inzien, ongehoorzaamheid en
muiterye in krygslieden onverschoonlyk waren, ik my gedwongen zoude
zien, hoe hard my dit ook vallen mogt, om my tegen hen te wapenen.

Op den dag van onze aankomst op den wachtpost van Soribo, vernamen wy,
wat 'er aan de Peréca was voorgevallen. De Plantagiën Schoonhove en
Altona waren door de muitelingen, welken wy uit Gado Saby verjaagd
hadden, geplonderd geworden. Maar zig voor de Plantagie Poelwyk
vertoond hebbende, hadden de slaven aldaar hen genoodzaakt te rug
te keeren. De Jagers, die op de Plantagie Hagenbos geplaatst waren,
waren hen den 21sten agter na getrokken. Zy hadden hen den 23sten
ingehaald, een groot getal 'er van gedood, en het grootste gedeelte
van hunnen geroofden buit hernomen. Den zelfden dag, poogde een ander
gedeelte der muitelingen zig meester te maken van het kruid-magazyn
op Hagenbos, het welk geen kwaad ontwerp was, en zy hadden daar toe
het tydstip uitgekozen, dat de Jagers bezig waren met eene andere
bende te vervolgen; maar zy wierden door een klein getal gewapende
slaven te rug gedreven, één van welken, tot de Plantagie Timotibo
behoorende, eenen gewapenden muiteling gevangen nam, en vervolgens
hunne legerplaats agter de Plantagie van zynen meester ontdekte,
voor welken dienst hy wel beloond wierd. Na al dit verhaalde, was 'er
geen twyffel aan, of indien de party, die den 16den door den Colonel
SEYBOURG was afgezonden, voorwaarts gerukt was, in plaats van volgens
zyne beveelen te rug te trekken, alle deeze noodlottige voorvallen
zouden geen plaats gehad hebben, en de onderneming der muitelingen
zou geheel en al vervallen geraakt zyn. Het was daarënboven klaar,
dat de Neger, op wien wy den 21sten geschoten hadden, één van de
rooversbende van den 20sten was, en dat de muitelingen, wier lyken
wy den 23sten gevonden hadden, dien zelfden dag waren gedood geworden.

Den 29sten zondt een Officier van het Sociëteits krygsvolk my eenige
vruchten, waar onder dadels waren. De boom, die dezelven voortbrengt,
de dadel-boom, behoort tot het geslacht der palm-boomen, maar is van
eene ongemeene hoogte. Zyne bladeren loopen uit den kruin van den
boom, zy zyn wyd uitgespreid, zeer dik, nederhangende, en by elkander
genomen, vormen zy een zonnescherm. Deszelfs vruchten groeien aan
rissen, waar van elk een groot getal bevat. Zy zyn langwerpig, van de
grootte van een menschenduim, en van eene geele kleur. Het vleesch, het
welk lymig, vast en zoet is, zit rondöm eene zeer harde, grysachtige
noot, die over haare geheele breedte als met een vooren doorsneden is.

Dien zelfden dag bevonden zestig Jagers, die op kondschap waren
uitgegaan, dat de legerplaats der muitelingen agter de Plantagie
Timotibo verlaten was. Zy moest omtrent zestig menschen bevatten.

In de nabuurschap van de Peréca niets te doen hebbende, verlieten wy
die plaats des morgens van den 30sten September, en den 1sten October,
kwamen wy op Devil's Harwar aan, ongemeen vermoeid zynde, en zonder
iets merkwaardigs op onzen tocht ontmoet te hebben. Des avonds te
voren had ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreeven; ik verzogt hem,
dewyl myne tegenwoordige gesteldheid my ten hoogsten verdroot,
oogenblikkelyk eenen krygsraad by één te roepen, en had hem mynen
brief door eenen slaaf gezonden. By onze aankomst op deezen post,
gebruikte men de hardste middelen om my tot onderwerping te dwingen;
en de behandeling, welke ik ondervond, was van dien aart, dat een
Capitain der Jagers, QUACI genaamd, uitriep: "Indien de Europeanen
zig jegens elkander zoodanig gedragen, is het niet te verwonderen;
dat het hun tot genoegen strekt ons arme Africanen te mishandelen en
te kwellen"!

Deeze verdrietelyke zaak liep echter op Devil's Harwar ten einde. De
Colonel SEYBOURG, overtuigd van zyn ongelyk, en niet kunnende weten,
hoe dit geval moge afloopen, trachte, zoo mogelyk, uit de netelige
omstandigheid, waar in hem zyne oploopenheid gebragt had, met eere uit
te komen. Den 2den October, vroeg hy my derhalven met eenen glimlach:
"Of ik wist te vergeten en te vergeven"? Ik antwoordde hem, neen! Hy
daar op zyne vraag herhalende, zeide ik hem; "dat ik eerbied voor de
waarheid had, en dat ik nooit erkennen zoude schuld te hebben, zoo
lang myn geweten my zulks niet deedt gevoelen; dat ik onbekwaam was
tot zulk eene laagheid voor een medemensch, en nog minder voor hem,
dan voor eenig ander". Hy nam my by de hand, verzogt my bedaard
te zyn, en verklaarde my: "Dat hy, op alle voorwaarden, vrede
met my wilde maken"! maar ik antwoordde hem stellig: "Dat ik naar
geen ander vergelyk luisteren wilde, dan het volgende; dat hy zyne
misslag in tegenwoordigheid van alle de Officiers erkennen zoude,
en dat hy, met eigen handen, uit zyn Dag-register alle de bladen
zoude uitscheuren, die mynen goeden naam in verdenking zouden kunnen
brengen". Dit geschiedde oogenblikkelyk; men gaf my myne wapenen te
rug, en myne zegepraal ging gepaard met alle omstandigheden, die my
eene volkomene voldoening verschaffen konden. Ik reikte vervolgens
ongeveinsd en van goeder harten aan den Colonel SEYBOURG de hand toe:
dezelve gaf eene maaltyd tot een vreugde-feest over onze verzoening:
na den maaltyd stelde hy my, tot myne groote verwondering, den brief
weder ter hand, dien ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreven had,
en hy erkende my denzelven onderschept te hebben, om voor te komen,
dat deeze zaak geene verdere gevolgen hebben zoude. Hy berigte my
tevens, dat onze Opper-Bevelhebber aan de Wana-Kreek gelegerd lag,
in plaats van den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die ziek geworden, en
naar Paramaribo opgezonden was. Onze verzoening was zeer wel gemeend,
en na dat het krygsvolk een weinig had uitgerust, vertrokken wy den
4den, naar het hoofd-quartier van Jerusalem; maar ik was genoodzaakt
mynen QUACO te Devil's Harwar zeer ziek agter te laten, alwaar ik hem
aan de zorge van den Heelmeester aanbeval. Dien avond sloegen wy ons
neder aan de overzyde van de Cormoetibo-Kreek.

Des anderen daags in den vroegen morgen, kwamen wy, de Cottica
overgestoken zynde, weder op den wachtpost van Jerusalem. Ik had
ledigen tyd om aanmerkingen te maken omtrent de wisselvalligheden
van dit leven, en alle de onheilen, waar aan wy bloot gesteld zyn,
het zy wy ze al, dan niet verdiend hebben: ik maakte vooral deeze
aanmerkingen, toen ik onder de kortlings ontscheepte persoonen, eene
van myne oude kennissen vond, namelyk den heer P...., die in Europa
meer dan dertig duizend ponden sterling hadt doorgebragt. Men hadt
hem zyne vrouw, die zeer schoon was, ontvoerd, en hy zag zig in dit
oogenblik, om te kunnen bestaan, vervallen tot den post van Vaandrig,
onder het krygsvolk van de Compagnie. Hy had voorheen een aanzienlyken
eigendom in deeze zelfde Volkplanting bezeten, het geen zynen staat
steeds veel onäangenamer en verdrietelyker maakte. Van zynen geheelen
rykdom hadt hy niets meer overig, dan een enkel stuk geld, het welk
hy onder de slaven wierp, tevens eenige Fransche versen aanhalende,
die op zyne gesteldheid toepasselyk waren.



DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende
zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke
gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende
Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de
legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De
Zeekoe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der
Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De
Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen.

Den 9den October 1775, verliet de Colonel FOURGEOUD zyne legerplaats
aan de Wana-Kreek, om zig op den post van Jerusalem met ons
te verëenigen. Hy deedt vooraf de helft zyner soldaten, die ziek
waren, in vaartuigen de Rivier afzakken. De soldaten van deezen post
voegden zig by hun, en men zondt hen allen naar Devil's Harwar, om
den genade-slag te ontfangen. De Neger-Jagers vertrokken insgelyks,
en begaven zig met hunnen leidsman WINSAK naar de Peréca, alwaar zy
met de verdediging belast waren.

De Colonel ontdekte, by deezen laatstgemelden tocht een honderdtal
ledige huizen, en bespeurde eenige muitelingen, maar nam 'er geen één
van gevangen. Hy vondt ook een bekkeneel aan een tak van een boom
hangen, en men konde met genoegzaame zekerheid gissen, dat dit het
hoofd, was van den ongelukkigen SCHMIDT, die omgekomen was. [10]

Den 13den, kwam myn Neger QUACO te rug, volmaakt hersteld zynde: ik
was 'er verblyd over, want zyne getrouwheid omtrent my had nog nooit
gewankeld. Wy vernamen te gelyker tyd, dat de Capitain STOELEMAN,
die aan het hoofd van eenige Jagers was, door een zwaren rook,
dien hy van verre in het bosch bespeurd had, eene verblyfplaats
der muitelingen had ontdekt, doch die door hem niet was aangetast;
dat de Capitain FREDERIK, met een anderen hoop Jagers, de oevers
der Zee beneden Paramaribo schoon hieldt; dat twee soldaten, die
den 18den Augustus verdwaald geraakt waren, het geluk gehad hadden,
om op eene wonderbaarlyke wyze hun gevaar te ontkomen, en dat zy den
wachtpost, die aan de Rivier Maroni geplaatst was, bereikt hadden;
en eindelyk, dat twaalf schoone Negerslaven van de Plantagie Gold
Mina waren weggeloopen, om zig met de muitelingen te verëenigen.

Deeze tydingen bemoedigden den Colonel FOURGEOUD dermaten, dat deeze
onvermoeide Overste steeds by zyn besluit bleef, om den vyand te
vervolgen. Mitsdien trokken wy den 15den, in den vroegen morgen, de
bosschen in, schoon ons getal toen merkelyk gesmolten was. De Colonel
liet des avonds te voren een vrywilliger, één van zyne landgenooten,
MATTHIEU genaamd, en broeder van den Vaandrig van dien naam, ter
aarde bestellen. De dood was ons zoo gemeenzaam geworden, dat,
wanneer iemand onzer een nabestaanden of vriend op de legerplaats
verloor, men hem doorgaans deeze vraag deedt: "Heeft hy brandewyn,
rhum of tabak nagelaten"?

Korten tyd voor ons vertrek, liepen zeven van onze Neger-slaven weg,
en namen de vlucht naar hunne meesters, alwaar zy mismoedig, vermagerd,
en byna uitgehongerd, aankwamen. Wy stelden ons echter in aantocht,
en trokken regelrecht noord-oostwaarts aan. De kist, waar in myne
flessen gesloten waren, brak aan stukken met al wat 'er in was, en
dit was de eenige merkwaardige gebeurtenis op deezen tocht. Des avonds
sloegen wy ons by de Cassipory-Kreek neder; en dewyl het saisoen van
droogte aankwam, moesten wy een put graven, om water te hebben. Het
krygsvolk kreeg alhier bevel, om geene hutten, noch schuilplaatsen
meer te bouwen, dewyl de regenbuien minder zwaar wierden.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg, steeds noord-oostwaarts
trekkende, en tegen den avond kwamen wy aan die huizen, welken de
Colonel FOURGEOUD laatst ontdekt had, maar die, zoo als men naderhand
ontdekte, slechts voor een tyd eene verblyfplaats hadden opgeleverd
aan die muitelingen, welke verwagtten oogenblikkelyk van Gado-Saby
verjaagd te worden; en waar aan zy den naam van Bousy-Gray (dat is:
"de bosschen schreyen",) gegeven hadden. Wy sloegen ons hier neder,
en bezagen met veel vermaak de wooning van BONNY, zynde in den smaak
van een molen gebouwd, en zeer hoog boven den grond verheven. Dezelve
had twee deuren, om des te beter te kunnen zien, wat 'er rondom
hem omging, en alzoo geen gevaar te loopen, om het slagtöffer eener
verrassing te worden. De lucht had aldaar ook vryer doorspeeling,
dan in de andere wooningen, en uit dien hoofde was zy voor zyne
gezondheid beter geschikt, want in één der laatste gevechten hadt hy
eene gevaarlyke wonde in de liesch bekomen, zoo als wy naderhand van
één onzer gevangenen vernamen. In de nabyheid der wooning van dit
Opperhoofd der muitelingen, zag men baden, byzonderlyk geschikt ten
gebruike van zyne vrouwen, die zig des morgens en des avonds daar in
begaven, want 'er was in den omtrek deezer verblyfplaats geene Rivier.

Een der slaven boodt my, op de laatstgemelde legerplaats, een
Land-Schildpad aan; een dier, het welk wy, wel is waar, verscheiden
malen gezien hadden, maar het nog niet beschreven hebbende, zal ik
trachten zulks thans te doen. De Surinaamsche Land-Schildpad is van
eene eyronde gedaante, en heeft niet meer dan agtien of twintig duimen
lengte. Zyne schelp, die van eene donker geele of bruine kleur is,
veel meer uitpuilende, dan die van de zee-schildpad, heeft dertien
zeshoekige verhevenheden, en is zoo hard, dat zy, zonder te breken,
het zwaarste gewicht dragen kan. De onderste schelp, of het borststuk,
is een weinig hol, en van eene helder geele kleur. De kop van dit dier
gelykt naar dat van alle andere Schildpadden. De staart is zonder
hair en kort, maar in plaats van vinnen, heeft hy vier pooten, met
schubben bedekt, en met puntige nagels gewapend, waar van hy zig in
het loopen bedient. Wanneer hy zig voor eenig gevaar wil beveiligen,
kruipt hy in zyn schelp of bekleedzel. De Indianen laten de Schildpad
in dien staat op het vuur koken, tot dat dezelve gaar is; het geen men
weet, wanneer het benedenste gedeelte zig afscheidt van het bovenste,
het welk tot een schotel voor deeze spyze dient. Eene minder wreede
manier, waar van ik altoos gebruik maakte, bestaat daar in, dat
men het dier in zyn beenachtig bekleedzel op heeten asch plaatst;
hy steekt dan kop en hals naar buiten, welke men hem afhouwt, en zig
daar door de spyze verschaft, welke zyn lichaam oplevert, zonder het
dier verdere folteringen aan te doen. De heer DE GRAAF, drie of vier
van deeze Land-Schildpadden willende verzenden, bewaarde dezelven
vier maanden; geduurende al dien tyd bleven zy in 't leven, zonder
dat zy eenig voedzel scheenen te nemen, en met dit al behielden zy
haare kragten, zoodanig dat zy zelfs ter voortteeling geschikt waren.

Ik heb ook dikwils eene andere Land-Schildpad gezien, die hier Alacacca
genoemd wordt. Dezelve is van eene zeer platte gedaante, en van eenen
kleinderen omvang, dan de eerstgemelde. Derzelver groenachtige kleur
is voor het gezicht zeer onaangenaam, en zy is zoo goed niet om te
eeten, dan de andere.

Den 17den, vervolgden wy onzen weg ten noorden en noord-oosten, in de
hoop om eenige ontdekking te doen, maar zonder vrucht. Dien dag gingen
wy voorby eenige mieren-nesten, die meer dan zes voeten hoogte, en,
zonder vergrooting, een omtrek van meer dan honderd voeten hadden. Wy
zagen ook eene meenigte stukken fraay timmerhout, waar onder was
het hout van den zwarten kool-boom, die eene donker bruine kleur
heeft, en by de schrynwerkers en timmerlieden zeer geacht is. Men
toonde my ook den Zandkuil-boom, alzoo genoemd naar zyne vrucht,
waar uit men het zaad neemt, en dezelve dan met zand vult voor de
schryftafels. Deeze vrucht, die de dikte heeft van eene groote uije,
heeft kleine gaten in derzelver oppervlakte. Het is een ontlast-
en braak-middel te gelyk; maar het sap van derzelver vleesch is een
sterk vergift. Zie daar alles, wat ik 'er van zeggen kan, want ik
had noch tyd, noch gelegenheid, om dezelve met de nauwkeurigheid van
eenen kruidkundigen te onderzoeken.

Den 18den, trokken wy steeds in dezelfde richting voort. Wel dra
vonden wy een gebaand voetpad, het welk een cirkel maakte, en
niettemin een weg van gemeenschap scheen te zyn tusschen Gabo-Saby
en Bousy-Gray. Dit voetpad bragt ons regelrecht naar den westkant,
en na verloop van eenige uuren, dat wy het zelve gevolgd hadden, vond
ik een armen Neger, tot de muitelingen behoorende, die met bladen van
den Latanus-boom bedekt was, en nauwlyks meer adem halen konde. Hy
hadt niet meer, dan het vel over de beenderen, en één van zyne oogen
was uit de oog-holte uitgezakt. Ik zette hem myn fles voor den mond,
en hy dronk eenige teugen rhum met water gemengd; vervolgens zeide
hy my met eene zwakke stem, die wy naauwlyks verstaan konden:--"Ik
bedank u, Masera".--Verder sprak hy niets. De Colonel gaf bevel,
om hem in een hangmat mede te nemen; en kort daar na sloegen wy ons
neder by een biry-biry, of modderpoel. Ik moet niet vergeten, dat
wy deezen dag eenige schoone Brood-boomen [11] zagen, die tachtig
of honderd voeten hoog, en zeer dik waren. De boom van dien naam is
grys, en loopt lynrecht op. Zyne takken spruiten aan den top uit, en
de bladen zyn aldaar aan paaren gerangschikt. Men noemt hem te recht
den Koning van het woud, want schooner boom is 'er niet. Deszelfs hout,
van eene voortreffelyke kaneel-kleur, is vast, van een fraay erf, neemt
een goeden glans aan, en kan den tyd verduuren.--Maar het geen vooral
onzen aandacht tot zig trok, waren de zaden, die naar boonen gelyken,
en ten getale van drie of vier in eene breede en helder bruine peul
besloten zyn. Wy zagen 'er eene groote meenigte van aan den voet van
den boom op den grond verspreid leggen; zy hadden een smaak van zoete
koek. Uit zyne wortels druipt eene gom, die, behoorlyk toebereid
zynde, een vernis oplevert, het welk in helderheid en gebruik geen
weêrgaa heeft.

De meenigte schoone boomen van onderscheidene zoorten, welke dit
Land oplevert, is waarlyk eindeloos. Men heeft slechts de moeite te
doen van ze te hakken; maar indien men den afstand, op welken zy
doorgaans groeien, van de bevaarbare Rivieren in aanschouw neemt,
als mede de kosten op het omhakken en bewerken vallende, de meenigte
slaven, welken men gebruiken moet om de boomen door de bosschen heen
te trekken, vermits men zig aldaar van geene paarden bedienen kan,
de gevaaren en tyd-verliezen, kan men ligtelyk naargaan de oorzaak
der ongemeene duurte van het timmerhout in Guiana.

Deeze tocht verschafte ons de verrukkelykste gezichten. Wy liepen door
een eindeloos bosch, waar van de altyd groene boomen het schitterendst
lommer ten toon spreidden. Het saisoen van droogte (zynde de zomer
in dit Land) bragt oneindig veel toe tot verfraaijing van dit
toneel; en de eenvoudige natuur overtrof hier verre de verdubbelde
pogingen der konst. Wy ontmoetten eindelooze zandwoestynen van het
aangenaamst groen, door de bekoorlykste beeken van versch en helder
water doorsneden, wier oevers vercierd waren met bloemen, die de
schitterendste kleuren vertoonden, en de lucht met den aangenaamsten
geur vervulden. Dan eens zag men het bevallig tafereel van een hoop
fraaie uitspruitende boompjes; dan eens verhief zig een enkele boom,
wiens schoonheid deed vermoeden, dat men hem met voordacht op deeze
plaatsen had laten groeien, om dit tafereel nog ryker en bevalliger te
maken. De geheele landstreek was door een zeer groot bosch van hooge
palmboomen omringd; wier verheven kruinen, van de zelfde kleur als de
golven der zee, zig in een zacht evenwicht hielden boven een onëindig
getal van onderscheidene geboomten, wier groen nimmer verwelkt, die
altyd met bloemen en vruchten bedekt zyn, en den vermoeiden reiziger
schynen uit te noodigen, om onder hunne schaduw rust te nemen, tot
het gunstig oogenblik, dat hy zig in den vlietenden stroom van het
zuiverst water kan dompelen, en de verhevene schoonheden der natuur
onbelemmerd aanschouwen.--Hoe meenigwerf, wanneer eene algemeene
stilte rondom my heerschte, dacht ik niet aan myne lieve gezellinne,
wenschende, met haar en mynen zoon, in deeze nieuwe Elyseesche
velden, vreedzaame dagen te slyten!--Maar laaten wy tans zoortgelyke
herdenkingen vaarwel zeggen.

Den 19den, vervolgden wy onzen tocht, en dien dag vonden wy onzen ouden
weg, die ons regelrecht naar de velden van Gado-Saby bragt, alwaar
wy nog eene groote meenigte ryst zagen, die kortlings gebloeid had,
en welke wy afmaayden en verbrandden. De Neger, van wien ik bevorens
gesproken heb, wierd hier onder boom-mos en bladeren nedergelegd,
als of men hem levendig wilde begraven: voor deezen ellendeling
was geene hoop meer tot genezing. Wy hingen onze hangmatten op,
en verstikten byna door den rook van onze vuuren.

Ik zag op dit veld eene hagedis van by de twee voeten lengte, welke
de Negers doodden en opaten: zy noemden hem Sapagala, en hy had eene
groenachtig bruine kleur, maar hy geleek niet naar de Iguana. Onder de
puinhoopen van het afgebrande gehucht, ontdekten wy eenige Water-rupsen
of Honderd-pooten van agt tot tien duimen lengte. Dit hatelyk kruipend
gedierte van eene geelachtig bruine kleur, loopt in allen opzigte
zeer gezwind, en het vergift, het welk zy in de door hen gemaakte
pynlyke wonde laaten, schoon het niet doodelyk is, verwekt niettemin
doorgaans de koorts. Zommige schryvers geven aan dit kruipend gedierte
twintig paar pooten, en anderen veertig. Ik heb ze by de geenen,
die wy vonden, niet getelt: alles wat ik 'er van zeggen kan, is,
dat zy my toescheenen met de Europeesche honderd-pooten eene juiste
overëenkomst te hebben. Zommigen van onze Officiers maakten groote
en schoone verzamelingen van alle deeze merkwaardigheden; ik voor
my vergenoegde my met de afteekening en beschryving van die dingen,
die my voorkwamen niet zeer gemeen te zyn.

Den 20sten, gingen wy de verblyfplaats, Cosaay genaamd, bezichtigen,
en op den weg vernam ik, dat de bovengemelde Neger nog leefde. Ik
nam de takken, die hem bedekten, weg, en op myne tusschenspraak,
voerden wy hem met ons mede; maar de slaven, te onvreden van met
zulk een pak beladen te zyn, namen, in myne afwezigheid, alle
gelegenheden waar, om deezen ongelukkigen te doen lyden, met hem
op wortels en steenen te laten vallen, en door het slyk en water,
het welk wy doorwaden moesten, agter aan te laten sleepen. Men zondt
verscheiden manschappen uit, om de omliggende streeken te onderzoeken;
en het overige krygsvolk sloeg zig neder ten westen van Cosaay. Deeze
afgezondene manschappen ontdekten van dien zelfden kant vier schoone
velden, met maniok, ignames, bananen, pistaches, Indisch koorn,
en erweten van Angola beplant. Zy zagen ook verscheiden lyken van
menschen, die in het gevecht, in de maand Augustus voorgevallen,
het leven hadden verloren.--Wy plukten, in de nabyheid van onze
legerplaats, een zoort van mispelen, van eene karmosyn kleur, in
smaak veel gelykende naar aardbezien, en groeiende aan een breed
groen heestergewas, het welk in veele tuinen te Paramaribo wordt
aangekweekt. Wy zagen ook een zoort van wilde Pruim-boomen, welken men
hier Monpe noemt. Derzelver vruchten zyn geel, langwerpig en klein;
elk van die bevat een kleine noot; het vleesch is niet zeer dik,
maar schoon zeer zuur zynde, heeft het een aangenaamen smaak.

Des morgens van den 21sten, wierden alle deeze nuttige plantgewassen
afgehouwen en verbrand. Na dat dit werk verrigt was, keerden wy naar
onze legerplaats van den 19den te rug, welke wy ook geheel in brand
vonden, en wy waren genoodzaakt onze hangmatten ter zyde van het
bosch uit te spreiden. My alhier herïnnerende, dat men den armen
stervenden Neger alleen gelaten had, liep ik naar die plaats toe,
om hem met myne hulpe by te staan; maar na hem te vergeefs gezocht te
hebben, in weerwil der rook dampen, en de donkerheid van den nacht,
was ik genoodzaakt op myne eigene veiligheid bedacht te zyn, en in
aller yl naar myne medgezellen te rug te keeren. Eenigen laakten myne
roekeloosheid, anderen vervloekten het geraamte, het zy het levendig
of dood was.

Toen de verwoesting was afgeloopen, keerden wy naar den post van
Jerusalem te rug, alwaar wy den 24sten, geheel afgemat, aankwamen. De
Colonel zelf wierd eindelyk door eene heete koorts aangetast, die hem
noodzaakte, om in zyne hangmat te blyven leggen, en deedt vreezen,
dat hy den nacht niet halen zoude. Echter behieldt hy steeds het
bevel aan zig, en deedt, des anderen daags morgens, aan eenen soldaat
stokslagen geven, die, vermits zyne voeten zeer gescheurd waren, hem om
een paar schoenen verzogt; een ander onderging dezelfde behandeling,
om dat hy gehoest had, schoon hy met eene zwaare verkoudheid behebd
was; een Capitain wierd in zynen dienst geschorst, en naar het Fort
Zelandia in gevangenis verzonden, om dat hy bestaan had een huwelyk
aan te gaan buiten toestemming van den Colonel.--Ziekten en de dood
maakten, in dit oogenblik, groote verwoestingen onder het leger,
alwaar alles in de grootste verwarring was.

Den 1sten November, liepen, om de maat der onheilen vol te meten,
vyf-en-twintig Negerslaven weg; en den 3den, ontfingen wy bericht,
dat men meer dan vyftig gewapende muitelingen gezien had, die, een
musket-schoot beneden Barbacoeba, de Cottica waren overgezwommen.

Op het ontfangen van deeze tyding, wierdt de Colonel SEYBOURG
afgezonden met de weinige manschappen, die in staat waren op te
trekken, en, in dit oogenblik, door honger en ellende geperst werdende,
op 't punt waren om hunne eigene Officiers aan te tasten. Gebrek
hebbende aan het geen zy boven alles waardeerden, tabak namelyk,
rookten zy graauw papier, en kaauwden bladeren en leder, om by hun
de plaats van deeze plant te vervullen. [12] Niemand ondertusschen
leedt toen meer dan ik. Van levensmiddelen en kleederen ontzet, was
ik uitgehongerd en naakt. Zedert het leggen in hinderlagen, en den
tocht naar de Peréca, had ik een zweer aan den linker voet. Ik had
geen één vriend onder het geheele leger meer overig, van wien ik de
minste hulp verwagten konde. Tot overmaat van ellende was het weinige
bloed, dat my nog overschoot, geduurende twee nachten agter elkander,
door het Guiaansche Spook of Vampire, byna geheel en al uitgezogen. Ik
geraakte in myne hangmat buiten my zelven, en kwam niet weder tot
kennis, dan met een zoort van mistroostigheid, die merkelyk aanwies,
na het lezen van eenen brief, waarin men my berigtte, dat JOANNA en
myn zoon te Paramaribo aan eene rotkoorts op sterven lagen.

Eindelyk echter kwam de Sergeant FOWLER van de Plantagie Mocha, met
één van myne kisten aan. De afgezondene krygsbende van den Colonel
SEYBOURG kwam ter zelfder tyd te rug, zonder iets vernomen te hebben.

De Colonel FOURGEOUD bevondt zig den 14den zoo ziek, dat hy zig
genoodzaakt zag het bevel aan een ander over te laten, en zig tot zyne
herstelling naar Paramaribo te begeven. Na al zyn volk op deeze manier
te hebben opgeöfferd, wierd hy het slachtöffer van zyne heerschzucht,
die geene palen kende, en van zyne hardnekkige volharding, terwyl,
zoo hy zig, zyne soldaten zoo wel als zig zelf, minder vermoeid en
beter gevoed had, hy een even grooten, zoo geen grooteren dienst aan
de Volkplanting bewezen zoude hebben.--Men zondt te gelyker tyd een
vaartuig vol met zieken en stervenden naar Devil's Harwar.

Het bevel was toen in handen van den Lieutenant Colonel, die des avonds
door de zelfde ziekte als de Colonel wierd aangetast. Dezelve richte
toen groote verwoestingen aan ouder het krygsvolk van allerleijen rang,
wier bloed door de hitte van eene brandende zon als kookte, terwyl
wy, in dit saisoen van droogte, in plaats van ons op den post van
Jerusalem te bevinden, de bosschen hadden moeten doorkruissen. Maar,
zoo als ik reeds heb opgemerkt, de Colonel verkoos ongelukkiglyk
dit ongeschikt saisoen voor deeze tochten. Verscheiden Officiers
zouden toen hunne posten wel hebben willen nederleggen, indien de
betamelykheid zulks gedoogd had op een oogenblik, dat zy werkelyk
in dienst waren. Ik zelf zoude wel verlangd hebben eenigen tyd te
Paramaribo te gaan doorbrengen; maar dewyl men my dit niet aanboodt,
schoon men aan alle de anderen, tot de slaven toe, verlof gegeven
hadt, achte ik het beneden my 'er om te verzoeken, dewyl ik het nog
op gaande been konde houden.

Den 19den echter verërgerde myn voet zoodanig, dat de Heelmeester my
buiten staat verklaarde, om dienst te kunnen doen: met dit al bleef
ik steeds op de legerplaats.

Den 20sten, ontfingen wy eene versterking van krygsvolk, in slaven
bestaande, en van krygsbehoeften; dienvolgende zondt men den Major
MEDLAR met honderd vyftig mannen, om op kondschap uit te gaan.

Onder meerdere onheilen, waar mede het leger in dit oogenblik te kampen
hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen,
die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de
vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van
ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil
van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden
konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante
als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel
en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons
aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte
visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de
Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten
lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek
naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier
Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang
is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende
ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen
aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major
MEDLAR, na eene afwezigheid van veertien dagen, te rug, met zig
brengende eene vrouw van de muitelingen, met haaren zoon, omtrent
agt jaaren oud zynde, welken men op een klein veld, met bittere
maniok beplant, gevangen genomen hadt. Dit ongelukkig schepzel was
zwanger en zeer verschrikt; maar de Major, die een menschlievend
en gevoelig mensch was, behandelde haar met goedäartigheid. Hy had
echter op eene ongelukkige manier een Corporaal verloren, SCHOELAR
genaamd, en een Zee-soldaat, genaamd PHILIP VAN DEN BOSCH, die
onvoorzigtiglyk maniok-wortels gegeten hebbende, vergiftigd waren
geworden, en den zelfden nacht in verschrikkelyke stuiptrekkingen en
pynen stierven. Het geneesmiddel tegen dit vergift, is, zoo men zegt,
peper van Caijenne in eenig geestryk water; maar de Major konde toen
noch het een, noch het ander bekomen.

Onze gevangene verhaalde ons, dat die arme uitgehongerde Neger,
dien wy gevonden hadden, ISAAC genaamd was, en dat men hem voor dood
had laten leggen; zy verklaarde daarënboven, dat Capitain ARICO eene
nieuwe verblyfplaats aan de zee-kusten had opgericht, waar aan hy den
naam van Fissy-Hollo gegeven had; dat BONNY de gestrengste krygstucht
onder zyn volk onderhieldt; dat hy eene zoo onbepaalde oppermacht
oeffende, dat hy aan twee persoonen van zyn volk het hoofd hadt laten
afhouwen, drie dagen voor het inneemen van Gado-Saby, namelyk in den
nacht van den 17den Augustus, toen wy het geschreeuw der muitelingen,
en het afschieten hunner snaphaanen hoorden, en zulks alleenlyk op
de verdenking, dat deeze ongelukkigen ten voordeele der Europeanen
gesproken hadden, en dat zy die geenen waren, wier hoofden wy op
pieken gevonden hadden; dat deeze BONNY aan geenen Neger, onder zyn
bevel staande, wapenen toevertrouwde, of hy moest hem eerst eenige
jaaren als slaaf gediend, en ontwyffelbaare bewyzen van moed en
trouwe gegeven hebben; dat zyne talryke onderhoorigen verpligt waren
zig zonder tegenspreken te onderwerpen aan alles, wat hy goedvondt
te beveelen; dat men hem intusschen meer beminde, dan vreesde, uit
hoofde van zyne onkreukbaare rechtvaardigheid en zynen mannelyken moed:
zy bevestigde ons ook het bericht, dat hy gewond was geworden.

Deeze vrouw en haar zoon wierden, den 4den December, met den Vaandrig
CABANUS, die hen had gevangen genomen, naar Paramaribo gezonden. Men
had byna te gelyker tyd een jong meisjen van omtrent veertien jaaren
aangehouden, doch deeze geheel naakt, en buitengemeen gezwind zynde,
had het geluk gehad te ontsnappen.

Voor het Hof van Justitie wierd bewezen, dat de eerstgemelde door
de muitelingen met geweld was weggevoerd; dienvolgende kreeg zy
vergiffenis, en keerde, benevens haaren zoon, met blydschap naar de
Plantagie van haaren meester te rug. Het is opmerkelyk, dat, toen dit
kind voor de eerste keer een paard of een koe zag, hy daar voor zoo
beängst was, dat hy in zwaare stuiptrekkingen viel; bovendien konde
hy niet veelen, dat hem een blanke aanraakte; want tot hier toe had
hy geene menschen van die kleur gezien, en hy noemde hen altyd Yorica,
het welk, in de taal der Negers, den Duivel beteekent.

Omtrent op deezen zelfden tyd, dreef het ligchaam van eene Zee-koe,
of Manati, in het water, dicht by den wachtpost van Jerusalem. De
slaven zwommen 'er dadelyk naar toe, de één met snoeimessen, de
ander met gewoone messen, en allen bragten zy 'er stukken van mede
voor hun middagmaal. Eindelyk trokken zy het dier, het welk reeds aan
het rotten was, op 't land. Het was zestien voeten lang; en bestondt
uit eene zeer groote en ongeschikte klomp vet, waar van het agterste
gedeelte puntsgewyze liep naar eene vleeschachtige, breede en rechte
staart. Deeze Zee-koe had een dikken en ronden kop, een platten bek,
breede neusgaten, met zeer harde hairen aan den neus, en boven den
mond, kleine oogen en drie gehoor-gaten, in plaats van ooren. In
plaats van pooten, had dit dier twee uitwassen, of vleeschachtige
vinnen, even als die van de Land-Schildpad, die een weinig beneden
den kop te voorschyn kwamen. Het dier bedient 'er zig van om te
zwemmen, en zig, schoon traaglyk, te bewegen, wanneer hy het kruid
wil eeten, het welk aan den oever der rivieren groeit, want het is
een halfslachtig dier. Hy had eene groenachtige zwarte kleur, eene
ruwe ongelyke huid, met groote verhevenheden en rimpels, die een kring
maken, en met eenige weinige stekelige hairen bedekt. Hy had kiezen,
maar geene voor-tanden, en eene zeer korte tong. De Zee-koe werpt,
even als de Walvisch, levende jongen, en zoogt dezelven aan twee
borsten. De dieren van dit zoort zyn in de Rivier der Amazonen zeer
gemeen. Men zegt, dat hun vleesch den smaak van kalfs-vleesch heeft,
en goed is om te eeten. Die ik tans zag, was reeds te veel verrot,
om 'er van te proeven. Men zag op zynen rug twee gaten van kogels,
welken de muitelingen waarschynlyk op den 27sten, wanneer wy twee
snaphaan-schoten gehoord hadden, op hem hadden laten afgaan.

Ik oordeele het niet ongepast te zyn, om alhier eene beschryving
te geven van een ander halfslachtig dier, Tapira genaamd, het welk
veel gelykheid heeft met het Zee-paard van het oude vaste Land, maar
minder groot is. Zyn lyf heeft ten naasten by de gedaante van dat van
een ezel, schoon echter minder lomp zynde. Zyn kop verschilt niet veel
van den kop van een paard, maar zyne onderste lip staat meer voor uit,
en eindigt met eene beweegbaare snuit, [13] als die van een Olyphant,
maar niet lang genoeg, om hem van eenig nut te wezen. Zyne ooren zyn
rondachtig; zyne voortanden zyn zeer sterk, en zomtyds zichtbaar. Hy
heeft ruwe en rechte maanen, korte en dikke pooten met een zoort
van paards-hoef, verdeeld in vier klauwen met nagels gewapend. Zyne
staart heeft niet meer dan twee of drie duimen lengte. De huid van dit
dier is uittermaten dik, en van eene bruine kleur; wanneer hy jong
is, heeft deeze huid kleine vlakken, even als die van de harten in
Guiana, of de Paca, en dezelve maken langwerpige streepen. Hy voedt
zig met kruiden en planten, die op moerassige plaatsen groeijen. Hy
is zoo vreesachtig, dat hy, bang zynde, zyn behoud zoekt door zig in
het water te dompelen, waar in hy een zeer langen tyd verblyft. Het
vleesch van het Zee-paard is zeer lekker; men geeft 'er den voorkeur
aan boven het beste ossen-vleesch.

De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde
my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel
onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor
ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in
de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord
MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen
en Zee-vrouwen, [14] en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720. gezien
heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag
van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem
in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben,
laat staan met staarten, zyn zouden.

Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te
zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring
gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort
van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt,
zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel
kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794
te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond,
met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont
zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug,
en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee
vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier,
dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als
die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele
opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde
geene vinnen op den rug heeft. Dezelve is ook veel dikker, en
verheft zig nooit boven het water, zoo als het dier zoo even door my
beschreven. Ik heb deeze berichten ontfangen van verscheiden bejaarde
Negers, en van verscheiden Indianen, die alle in hunne beschryvingen
overëenstemden. Zommigen voegden 'er by, dat deeze dieren zingen,
maar ik denke, dat het is een klagend geschrey, zoo als men wel van
andere visschen of halfslachtige dieren onder den zonne-keerkring
hoort. Zy verzekerden my, dat zy, schoon zeldzaam voorkomende, ten
hoogsten gevreesd zyn by hunne vrouwen en kinderen, die hen watra-mama,
of moeder der wateren noemen; en, het geen vreemd is, met dien naam
bestempelen zy ook hunne Profetessen. Maar laaten wy van dit stuk
afstappen, en het verhaal onzer krygs-verrigtingen weder vervolgen.

Ik heb reeds gezegd, dat zeker Heelmeester, den 19den November,
verklaard had, dat myn voet my buiten staat stelde, om dienst te
doen; en heden, den 5den December, werden een ander Heelmeester,
twee Capitains en een Adjudant gezonden om my te bezigtigen, gelyk
ook den Capitain PERRET, die ziek was. De laatstgemelde Heelmeester
verklaarde al mede onder eede, dat wy zonder gevaar niet gaan konden,
en nog minder zwaare vermoeijing uitstaan; maar de Colonel SEYBOURG,
wien de heete koorts steeds bybleef, vond goed, dat wy oogenblikkelyk
de bosschen zouden intrekken, al zag hy, dat men ons op kruiwagens
moest voortkruien. De arme Capitain PERRET, die 'er als een stervend
mensch uitzag, en zig niet bewegen konde, besloot echter om deezen
uitzinnigen last ter uitvoer te brengen; maar ik kwam 'er stellig
voor uit, dat ik den geen, die bestaan zoude durven my aan te raken,
de herssens zoude inschieten; en ingevolge van deeze verklaring,
stelde men my onder de bewaring van een schildwacht. Het geheele
leger scheen toen niet dan uit zotten te bestaan.

Den 11den, ontfingen wy bericht, dat men een zeker getal muitelingen
aan de overzyde van Devil's Harwar gezien had, en wy vernamen
vervolgens, dat zy de Commewyne verlaten hadden, aan welker oevers zy,
den 5den, het huis van den eigenaar van Killesting-Nova, waar in de
Opzichter SLICHTER was opgesloten, verbrand hadden, dat zy de geheele
Plantagie verwoest hadden, drie-en-dertig vrouwen mede gevoerd, en het
zoontje van eenen Mulat verminkt, om zig over zynen vader te wreeken;
en dat eindelyk de Neger-Jagers hen vervolgden. Capitain FREDERIK kwam
ook den zelfden dag aan. Hy had het krygsvolk der Sociëteit verlaten,
om onder die van den Colonel FOURGEOUD te gaan, en hy bevestigde ons
deeze ongelukkige nieuwstydingen.

Byna op deezen zelfden tyd, na vier maanden lang aan alles gebrek
gehad te hebben, ontfing ik het overschot van mynen voorraad,
welken men my van de Plantagie Mocha zondt; maar voor drie vierde
door de kakkerlakken vernield: ik deelde het beste onder de zieken
uit, maar het geen my het grootste genoegen deedt, was te vernemen,
dat JOANNA en myn zoon JOHNNY buiten gevaar waren, en te Paramaribo
herstelden. Deeze tyding beurde my zoodanig op, dat ik des anderen
daags morgens te kennen gaf, dat ik my in staat bevond, om dienst
te doen, maar ik twyffel, of dit wel zoo was. De noodzakelykheid om
van lucht te veranderen, bragt 'er ook veel aan toe, want in de zoort
van gevangenis, die ik hield, had ik 'er volstrekt gebrek aan, en zy
was my echter ongemeen noodig. Den zelfden avond, voer een vaartuig,
vol met Caraibische Indianen, de Cormoetibo-Kreek op, om, door middel
van de Wana-Kreek, in de Rivier Maroni in te loopen.

Den 20sten December, was ik van myne kwetsuur aan den voet hersteld;
de Colonel SEYBOURG insgelyks van zyne heete koorts.

Den 21sten, kwamen 'er beveelen van den Colonel FOURGEOUD, die zig
op dit oogenblik beter bevondt: dezelve bragten mede, dat wy onze
legerplaats te Jerusalem zouden opbreken, en ons andermaal naar de
Wana-Kreek begeven. Dienvolgende wierden de zieken in vaartuigen
naar het hospitaal te Devil's Harwar, het welk reeds byna vol was,
gezonden. Veelen waren door eene ziekte aangetast, vry veel gelykende
naar trommelzucht, en alhier de Kouk genaamd. Dezelve bestaat in
eene verbaazende opspanning van den buik, die te gelyker tyd zeer
hard is. Men krygt die ziekte, zoo men zegt, door het drinken van
modderig water, zonder het met eenig geestryk vocht te vermengen;
en dit was onze gewoone en algemeene drank.

Den 22sten, des morgens om zes uuren, braken wy het leger op, en
volgden de oevers van de Cormoetibo-Kreek, die niet meer dan een
moeras was. Men liet één van onze ongelukkige Negers, die een gat in
het hoofd had, aan zyn lot over; men wierp een anderen van één der
vaartuigen in het water, en hy verdronk.

Wy zagen deezen dag een groot aantal Pingos, of wilde varkens,
die, als naar gewoonte, onze linie braken. Verscheiden wierden door
sabelhouwen gedood, en zommigen ontkwamen het, nemende de bajonnetten,
waar mede zy geraakt waren, met zig.

Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien,
die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De
vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de
ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten
lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan
waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van
den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd,
geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer
de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne
medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.

Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek,
de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende,
boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die
allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven,
of zelfs één van te zien krygen.

De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed
te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des
avonds sloegen wy onze hangmatten neder by eene beek, Yorica of de
Duivels-Zeef genaamd. Wy bouwden aldaar schuilplaatsen of hutten, en
maakten 'er vlotten, om 'er de krygs- en mond-behoeften op te plaatsen.

Den 25sten, trokken wy door slyk en water, wy kregen de zwaarste
stortregens op het lyf, en sloegen ons des avonds neder by eene
kleine beek, genaamd de Java-Kreek, en loopende drie mylen beneden
de Wana-Kreek.

Den 26sten, wierd ik met eenige weinige manschappen afgezonden, om onze
oude legerplaatsen, by de laatstgemelde Kreek, te gaan opneemen. Des
avonds kwamen wy te rug, half zwemmende door slyk en water, en zonder
iets, dan eenige vogelen en merkwaardige boomen gezien te hebben,
welken ik niet met stilzwygen kan voorby gaan. Men noemde deeze
vogelen Crombach, Camawarry en Crocro. De eerste heeft de gedaante
van eene groote houtsnip, en heeft een krommen bek. De tweede is
een waterhoen, maar driemaal grooter dan de voorgaande. Zy zyn zeer
ligt, en vlogen in een oogenblik weg, waarom ik 'er geene omstandiger
beschryving van geven kan. De derde of de Crocro, is een weinig minder
groot, dan onze kraaijen, en ik geloof, dat hy tot het zelfde zoort
behoort, want hy is één der verslindendste van alle vleesch-etende
vogelen. Deeze vogel heeft eene donker blaauwe kleur. Zyn bek en
pooten zyn uittermaten sterk: hy maakt een allerönaangenaamst en
scherpst gekras, voornamelyk in den nacht. De boomen wierden door
de Negers genoemd Mataky en Markoury. De eerste is merkwaardig uit
hoofde van zyne wortels, die zoodanig boven den grond uitsteken, dat
een groot aantal menschen zig daar onder zouden kunnen verschuilen,
zonder elkander te zien; zomtyds zelfs staan zy zoo wyd van één, dat
men te paard tusschen beiden zoude kunnen doorryden; en derzelver
dikte is zoo groot, dat men niet meer dan één plank of deel noodig
heeft, om 'er een tafel voor twaalf menschen van te maken.

Ik verwyze den lezer naar de afteekening, die ik van deezen
verbaazenden boom gemaakt heb, en geplaatst tegen over dien kant,
alwaar onze legerplaats te Jerusalem was nedergeslagen. Ik heb in
dezelfde plaat gebracht het gezicht van onze legerplaats aan de
Java-Kreek by mooy weder.

De andere boom, Markoury genaamd, is waarlyk geducht, uit hoofde van
zynen vergiftigen aart, welke zoo doordringend is, dat de rook van dit
hout doodelyk is voor de dieren, wanneer het in de longen koomt. Hy
groeit altyd alleen, en doet ontwyffelbaar sterven al wat 'er dicht by
koomt. De slaven zelve zyn zoo beschroomd om hem aan te raken, dat zy
op de Plantagiën het omhakken 'er van weigeren. Hy is niet zeer hoog,
ongelyk, en van eene leelyke gedaante; hy heeft slechts eenige takken,
en zyne bladeren zyn van eene bleek groene kleur. Men heeft my gezegd,
dat de Indianen zommigen van hunne pylen vergiftigen, door ze in het
sap van deezen boom te doopen.

Den 27sten, begaf zig eene andere ronde in aantocht, maar ontdekte
even weinig, als de eerste.

Ik heb reeds gezegd, dat de zweer, die ik aan den linker voet had,
geneezen was, en dit was waar; maar op dit oogenblik haalde ik uit
myn regter arm twee groote insecten, die my andere zeer diepe zweeren
veröorzaakten. In Surinamen noemt men deeze insecten Struik-wormen. Zy
zyn zoo groot als de rups van gewoone kapellen; zy hebben een zwarten
kop, en eene puntige staart; zy dringen ongemeen diep in het vleesch
door, en men heeft een lancet noodig, om ze 'er uit te haalen; zy
leven doorgaans in stilstaande wateren, en met geduurig door dezelven
te loopen, was ik aan hunne aanvallen blootgesteld.

Myn moed begon my door de opëenstapeling van alle deeze onheilen
te ontzinken. Zoo veele onderscheidene en herhaalde folteringen,
waar aan ik geen einde zag, ontroerden mynen geest, en maakten my het
leven verdrietig. In deeze elendige gesteldheid nam ik het stelligst
en welberaden besluit om by de eerste gelegenheid, die zig zoude
aanbieden om dit met eere te doen, zulke opperhoofden en zulk een
dienst vaarwel te zeggen. Men zal by het vervolg van myn verhaal zien,
of ik dit voornemen heb toegebragt.

Onze tegenwoordige legerplaats was zoo ondraaglyk, dat 'er geene
beschryving van te geven is. Eene aanhoudende overstrooming
overdekte den grond, zoodanig, dat men vlotten moest maken, om
'er onzen voorraad op te plaatsen. Wy konden uit onze hangmatten
niet komen, zonder tot de kniën in slyk of water te stappen; en op
plaatsen, waar het lager was, aten de insecten ons levendig op. Eene
zoo ongezonde gesteldheid vermeerderde het getal van onze zieken,
en men was genoodzaakt een ander vaartuig, vol met dood-kranken,
de Cormoetibo-Kreek te doen afzakken, en naar het hospitaal van
Devil's Harwar te zenden. Onder dit getal was die arme oude Negers,
wiens herssenen byna verbryzeld waren, en die ons eerst des avonds
te voor ren in eenen deerniswaardigen staat had kunnen inhalen.

Dit vaartuig, het welk veel naar een dryvend kerkhof geleek, vertrok
den laatsten dag van 't jaar 1775.



VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande
uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van
Visschen.--Arrowoukas. Indianen.--De krygsbende van den Colonel
FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De
Ratel-slang.--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige
slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het
krygsyolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting
van Surinamen.--Beschryving van eene Cacao-Plantagie.--Heldendaad
van eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

Op nieuwe jaars dag deedt de Colonel SEYBOURG my zyne groete doen, met
verzoek om myne aanhoudende vriendschap. Ik ging hem oogenblikkelyk
van de myne verzekeren, en hy verklaarde my een oprecht leedwezen
te hebben over de kwade bejegeningen, waar aan hy zig ten mynen
opzigte schuldig had gemaakt. Hy verzekerde my, dat zyn Adjudant
en spion GIBHART, 'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my
by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te
gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen
zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen,
en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn,
maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid
genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats
aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af,
om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.

Na een gedeelte van den weg slapende te hebben overgebracht, bevond
ik my des anderen daags morgens te Devil's Harwar, alwaar ik vernam,
dat die zelfde GIBHART, van wien ik zoo even sprak, kortlings aldaar
was overleden. Des avonds kwamen wy op de Plantagie Beekslied. Myne
roeijers arbeidden met veel yver. Om elkander daar toe aan te zetten,
kliefde de een het water met zyn riem in diervoegen, dat het een
onderscheiden geluid gaf, en zyne medgezellen volgden hem gezamentlyk
daar in naar.

Den 3den, kwam ik op het Fort Amsterdam aan, alwaar ik een uitstekend
middagmaal deed met onderscheidene zoorten van visch, genaamd Passary,
Prare-Prare, Provost, en Curema. De Passary is meer dan twee voeten
lang, en weegt zomtyds twintig ponden. Zyn kop is breed en plat. Hy
heeft twee lange knevels, maar geene schubben, zyn vleesch is aller
lekkerst. De Prare-Prare is ten naasten by van dezelfde gedaante en
insgelyks goed. De Provost is breed, heeft dikwils de lengte van vyf
voeten, en eene geelachtige kleur. Zyn vleesch is minder aangenaam,
dan dat van de twee voorgaande, maar geeft eene goede oly. De Curema
is een zoort van harder, zomtyds van twee voeten lengte, hebbende
twee groote witte zilverachtige oogen, en de benedenste kaak meer
voor uit staande dan de bovenste. Ter deezer plaatse vangt men ook
een zoort van zeeslak, waar van Mejuffrouw DE MERIAN melding maakt,
en welker voorste gedeelte juist gelykt naar dat van een garnaal.

Des avonds van dien dag, ten zes uuren, trad ik in de stad
Paramaribo binnen. Ik vond aldaar JOANNA en mynen zoon in volmaakte
gezondheid. Beiden waren zy, van wegen de gevolgen hunner ziekte, drie
weken lang blind geweest. Myn vriend, de heer DE GRAAF, noodigde my,
om met haar by hem myn intrek te nemen.

Daags daaraanvolgende at ik met den Colonei FOURGEOUD, die zig zoo
wel bevondt als ooit. Hy onthaalde my, als naar gewoonte, op gezouten
kost, [15]en behandelde my zeer vriendelyk. Hy berigtte my, dat 'er
twee compagniën vrywilligers, uit Mulatten en vrye Negers bestaande,
wierden aangeworven; dat de Oucas- en Sarameca-Negers de muitelingen
begunstigden, en in de daad groote schelmen waren; dat men eenigen
van de laatstgemelden by de Casiwinica-Kreek gedood had; dat hy hunne
verblyfplaats Fissy-Hollo hoopte te vernielen; dat BONNY en de zynen,
in weerwil van hunne strooperyen, die niet lang meer duuren konden,
in de bosschen van honger stierven, en dat hy besloten had, zoo lang
hy een enkelen soldaat overig had, dien muiteling te vervolgen,
hem zoo mogelyk gevangen te nemen, of ten minsten met zyne bende
uit de Volkplanting te verjagen. De Colonel verhaalde my al verder,
dat zeker Franschman, die den platten grond der vestingwerken,
enz. voor den Gouverneur van Caijenne afteekende, op het oogenblik,
dat hy stondt te worden opgehangen, ontsnapt was; dat hy aan den
Capitain TULLING, wegens het door hem in stilte aangegaan huwelyk,
vergiffenis geschonken hadt; en dat de Lieutenant Colonel DE BORGNES
met eene ryke weduwe ging trouwen.

De Bevelhebber was, met één woord gezegd, ten mynen opzigte een
geheel ander mensch geworden. Zyne manieren waren toen zoo geschikt,
dat ik niet verlangen konde mynen tyd in beter gezelschap door te
brengen. Hoe was het mogelyk, dat ik te gelyker tyd de vriend van twee
Oversten was, die door nyd jegens elkander gedreven wierden. Dit is
een geheim, het welk ik nimmer heb kunnen ontdekken; misschien, daar
zy geslagen vyanden waren, wilden zy my beiden winnen. Wat daar ook
van zy, ik besloot, de stiptste ononzydigheid in acht te nemen. Ik
gedroeg my ook op dezelfde wyze jegens den Gouverneur, die my den
tweeden dag na myne aankomst ten eeten verzogt, en, in plaats van my
op gezouten ossen-vleesch te onthalen, overënkomstig zyne gewoonte,
eene deftige maaltyd liet aanrechten.

Ik gaf ook een bezoek aan myne verdere vrienden, namelyk aan Mevrouw
GODEFROY, als mede ten huize van DEMELLY, GORDON, MAC-NEYL; en ik
bragt ook zeer vrolyk den dag door met de zwarte Mevrouw SAMPSON,
of ZUBLY, die tans weduwe was.

Ik woonde ook een dans-party van Mulatten by, op welke men echter
geene slaven zag. De musiek, het licht, de dans, het avond-eeten,
waren aldaar in de volmaaktste orde geregeld. De grootste pracht stak
voornamelyk in de kleederen uit. Vrolykheid en betamelykheid hadden
'er beiden plaats, en wel zoodanig, dat dit gezelschap ten voorbeelde
strekken kon aan dat van veele inwooners van eene andere kleur,
die zig verbeelden beschaafder zeden te bezitten.

Den 20sten, een groot aantal Indianen en Negers van beide kunne,
in de Rivier by het Fort Zelandia hebbende zien zwemmen, wilden de
jonge DONALD MAC-NEYL en ik van de party zyn. Nimmer zag ik eene
dergelyke vaardigheid; dan die der Negers, in het water. Zy hielden
een zoort van gevecht, waar in zy als visschen duikten, en elkander
met de voeten, maar nooit met de handen, raakten. De Indianen, die
tot het geslacht der Arrowoukas behoorden, waren ook bekwame zwemmers,
en scheenen zoo wel in 't water, als op 't land, te kunnen leven.

Ons door dit genomen bad genoegzaam verkoeld hebbende, gingen wy aan
den oever nederzitten, alwaar ik het genoegen had het maakzel en de
trekken van eene jonge Indiane te beschouwen, die als een venus-beeld
uit het water opkwam.--De Arrowoukas zyn zeer verschillende van alle
de andere Indianen, over welken ik reeds den lezer onderhouden heb;
hy herinnert zig misschien myne belofte, om van hun in het byzonder te
spreken, en deeze zal ik tans volbrengen.--Ik merkte op, dat de huid
van dit jong meisjen, by het uitkomen uit het water, niet meer met
Roucou geverwd zynde, my veel schooner voorkwam, dan de koper-kleurige
huid der vrouwen van andere Indiaansche volken. Haare leden waren
door geene naauwe ringen, of styve catoene banden ontcierd. Haar
hoofdhair hing niet los; maar was netjes rondom haar hoofd opgebonden,
en op den kruin door eene breede zilvere plaat vast gemaakt. [16]
Het eenige kleed, dat zy in het water aanhieldt, bestondt in een klein
vierkant voorschoot, van koraalen gemaakt, zoo als ik die hier boven
reeds beschreven heb: zy was derhalven, ten aanzien van de overige
deelen van haar lichaam, geheel en al naakt. Zy had een aangezicht,
zoo bevallig, als men zig verbeelden kan. Haare reizige gestalte,
haare kragt, haare jeugd, haare levendigheid, alle de teekenen van
eene goede gezondheid, overtuigden my van de waarheid, dat wanneer
het lichaam zig geheel aan het oog ontdekt, men op de schoonheid van
het aangezicht weinig acht slaat. Haar gelaat kondigde die beminnelyke
eenvoudigheid, dien onschuldigen ernst aan, die op geenen onëerbaaren
aanval zelfs verdacht is, en niet kan nagebootst worden door haar, die
zig aan den geringsten misstap schuldig kent. Eene geverwde olyfkleur
is met de schoonheid zeer wel bestaanbaar: deeze is de natuurlykste
kleur van alle menschelyke schepselen; want het is waarschynlyk,
dat blank en zwart slechts trapswyze opklimmingen zyn, veröorzaakt
door overmaat van warmte en koude. [17] Dit jong meisje, zoo volmaakt
schoon, scheen zelfs ook volmaakt gelukkig te zyn. Men vindt, zegt
RAYNAL, in den staat der zuivere natuur het geluk meenigvuldiger,
dan in den staat der volmaaktste beschaafdheid. Het is zeker, dat
eene Europeesche vrouw tot aan de toppen der vingers zoude bloozen,
op het enkele denkbeeld van naakt in het openbaar te verschynen; maar
opvoeding en vooröordeel doen alles, vermits het een ontwyffelbaare
regel is, dat, wanneer men inwendig zig niets te verwyten heeft,
men voorzeker van geene schaamte weten kan.

Ik herinner my te Bergen op Zoom eenen jongen Indiaan uit den omtrek
van de Volkplanting de Berbices, genaamd WILKY, gezien te hebben. De
Generaal DESALVE, die hem had medegebragt, liet hem kleeden, en gaf
hem een zeker zoort van opvoeding. Deeze Indiaan had onder anderen
het koken en kleeder-maken geleerd, willende zig zelven, zoo hy zeide,
tevens van alle noodwendigheden voorzien. Na verloop van eenigen tyd,
betuigde hy zyn verlangen, om naar de Volkplanting te rug te keeren;
en hy had slechts even den Americaanschen grond betreden, of hy wierp
zyne kleederen weg, begaf zig naakt in het diepste der bosschen,
alwaar hy, even gelyk de Hottentot, van wien ROUSSEAU spreekt in
de aanteekening Nº. 13. op zyne verhandeling over den oorsprong
en grondslag der ongelykheid onder de menschen, zyne dagen sleet,
zoo als hy die begonnen had, in het midden zyner landgenooten en
vrienden.--Maar laaten wy tot dit meisjen te rug keeren. Zy had
eene levendige Papegaay, die zy zelve met een rond gemaakte pyl
geschoten had, en die ik van haar voor een mes met een dubbeld lemmer
verruilde. De Arrowoukas zyn in dit zoort van jagt zoo knaphandig,
dat zy meenigmalen een Macaw in zyne volle vlucht, en dikwils zelfs
een duif, raken.

Ik kan van dit onderwerp niet afstappen, zonder eenige aanmerkingen te
maken omtrent het zedelyk character van dit volk, het welk niet alleen
met de meeste andere Indiaansche volken in vrede leeft, maar vooral
in goede vriendschap staat met de Europeanen, wier achting het bezit.

Ik zal slechts één geval verhalen, tot een bewys van de dankbaarheid,
waar door deeze Indianen zig onderscheiden. Voor eenige jaaren
kwamen twee van hun, man en vrouw, te Paramaribo. Deeze vrouw in
haare zwangerheid verre gevorderd zynde, gelastte de heer VAN DER
MEY aan zyne dienstboden, om hen beiden aan zyn huis te brengen, en
hun eene afzonderlyke kamer, en alles wat zy noodig hadden, te geven;
vervolgens wenschte hy hun goeden avond. De Indiaansche vrouw beviel
dien zelfden nacht; en des anderen daags morgens, toen de dienstboden
kwamen, om hun den dienst van hunnen meester op nieuw aan te bieden,
vonden zy noch den man, noch de vrouw. Deeze waren voor het aankomen
van den dag vertrokken, om met hun kind gerustelyk naar het bosch
te rug te keeren. [18] Men maakte toen verscheiden gissingen omtrent
die zoo hoog geroemde oprechtheid der Arrowoukas; maar na verloop van
agttien maanden, kwam deeze zelfde Indiaan den heer VAN DER MEY weder
opzoeken, met zig brengende een schoon jongman, tot het geslacht der
Accawaus behoorende, dien hy in een gevecht gevangen genomen had. [19]
Hy boodt hem zynen weldoener aan, zeggende alleenlyk: Die is voor u;
en, zonder naar antwoord te wagten, liep hy weg. Men boodt den heer VAN
DER MEY meer dan twee honderd ponden sterling voor dien slaaf, maar hy
weigerde zulks, en behandelde hem, even als of hy een vry persoon was.

De opvoeding, welke de Indianen in hunne kindsheid ontsangen, is
zoo overëenkomstig de wetten der eenvoudige natuur, dat zeldzaam hun
gemoed bedorven, noch hun lichaam misvormd is. Te groote zorgvuldigheid
in beiderleije opzigten, is zoo wel schadelyk, als eene volstrekte
achteloosheid. Dit is het gevoelen van den verstandigen Dr. BANCROFT,
die niet noodig had zulks met een plaats uit QUINTILIAAN te bewyzen.

Schoon de Arrowoukas in eene volmaakte eensgezindheid met de
Europeanen, en de meesten van hunne nabuuren, leven, trekken zy
echter ten stryde uit, wanneer men hen getergd heeft. Hunne wapenen
zyn boog, pylen, en een knods, dien zy abowtow [20] noemen; maar zy
eeten hunne gevangenen niet, zoo als de Caraïben doen, die zelfs
de Negers opäten, welken zy in eenen opstand doodden, die in de
Volkplanting de Berbices voorviel. Ofschoon zy veel verder van de
zee af woonen, dan de Warrows, hebben zy kano's, zomtyds van veertig
voeten lang, waar mede zy de Rivieren afzakken. De Indianen van dit
geslacht zyn groote kruidkenners. Voor uitwendige kwalen, maaken
zy gebruik van enkelvoudige middelen, waar van de bosschen van het
vaste Land van America overvloeien.--Maar laten wy het verhaal van
onze krygsverrigting vervolgen.

Den 25sten, wierd ik door de koorts aangetast, en men deedt my
eene aderlating op den voet; maar het lancet te diep gestoken zynde,
geraakte ik verminkt. Omtrent dien zelfden tyd kwam de Colonel SEYBOURG
uit de legerplaats aan de Java-Kreek zeer ziek te rug.

De Colonel FOURGEOUD was toen op het punt, om zyne krygsverrigtingen
te hervatten. Hy had reeds eenige manschappen naar de Savane der
Joden afgezonden, om beter onderricht te worden van het geen 'er van
dien kant omging. In dien staat der zaken ontfing hy beveelen uit
den Hage, om dien tocht oogenblikkelyk te staken, en zig, met alle
zyne manschappen, onverwyld naar Holland in te schepen.

Ingevolge van deeze beveelen, wierden de transport-schepen den 27sten
gereedgemaakt, de Officiers en soldaten ontfingen hunne agterstallige
soldye, waar over zy zeer verheugd waren. Ieder een was te Paramaribo
'er over te vreden, uitgenomen eenige inwooners, en ik zelf.

Den 14den February, onaangezien het ongemak aan myn voet, de koorts,
een zweer, en de scheurbuik, ging ik, op krukken loopende, met duizend
guldens in myn zak, die somme verdeelen tusschen den Colonel FOURGEOUD
en Mevrouw GODEFROY, tot betaling van de schulden, welken ik door
het vry koopen van mynen Neger QUACO, en myne JOANNA, gemaakt had;
vervolgens keerde ik naar myne wooning te rug, geen enkelen schelling
in myn zak overgehouden hebbende. De 500 guldens, welken ik aan
Mevrouw GODEFROY ter hand stelde, waren eene geringe afkorting op
de 1800 guldens, die ik haar schuldig was, en met dit al had zy de
edelmoedigheid, om my op nieuw aan te zetten, ten einde JOANNA en
mynen zoon naar Holland mede te nemen. Doch JOANNA weigerde zulks
moediglyk, en verklaarde, "Dat, alle andere bedenkingen daar gelaten,
zy nimmer zoude toestemmen, om de belangen van haare weldoenster
aan die van haaren weldoener op te offeren; dat haar eigen geluk,
en zelfs het myne, het welk zy boven het leven waardeerde, als
dan in bitterheid voor haar verkeeren zoude, zoo lang de schuld
van haare vrykooping niet geheel en al gekweten zoude zyn, het zy
door my zelven, het zy uit de vruchten van haaren eigen arbeid, zoo
als zy hoopte dit t'eeniger tyd ter uitvoer te brengen":--Zy voegde
'er by: "dat onze scheiding niet dan kortstondig zyn zoude, en dat
het grootste bewys, het welk ik haar van myne achting geven konde,
bestond in het kloekmoedig dragen van deeze kleine tegenkanting der
fortuin, zonder in haare tegenwoordigheid zelfs een enkelen zucht
daar over te laten". Zy liet deeze laatste woorden met een glimlach
gepaard gaan: daar op omhelsde zy haaren zoon, en verliet my dadelyk,
om onbedwongen haare tranen te storten. Op dit zelfde oogenblik
wierd ik geroepen by den heer DELAMARE, die op sterven lag; en myne
smart was toen onuitsprekelyk. Ik moest echter besluiten, om eene
afwezigheid van één of twee jaaren door te staan. Des namiddags, om
myn leed een oogenbjik te verzetten, ging ik het kabinet van Indische
zeldzaamheden van den heer ROUX bezichtigen. Het oog toevallig op een
ratelslang hebbende laten vallen, zal ik, alvorens de Volkplanting
van Surinamen te verlaten, dit gevaarlyk kruipend gedierte beschryven.

De Ratelslang heeft in Surinamen zomtyds de lengte van agt of negen
voeten. In 't midden is hy zeer dik, en naar den hals en de staart
word hy dunner. Zyn breede kop is plat, en leelyk mismaakt. Men ziet
in hem twee wyd open gespalkte neusgaten by den bek; en, even als de
Kayman, een groote kam of bult boven de oogen, zoo zwart als git,
en zeer schitterende. Aan het einde van zyne staart zyn verscheide
schubben van een zoort van dun hoorn, zeer droog, en aan elkander
zaamgehecht, welken het dier beweegt, wanneer hy getergd word, en die
een geluid geven, gelykende naar dat van een ratel, waar van hy den
naam draagt. Men zegt, dat het getal zyner schubben in evenredigheid
jaarlyks vermeerdert, en dat men door dit middel zynen ouderdom zeer
juist bepaalen kan. Deeze slang is geheel overdekt met andere schubben,
die aan den ruggestreng over eind staan. Hy heeft eene doffe orange
kleur, gemengd uit een donkerbruin, en zwarte vlakken, die op zyn
kop ook zeer zichtbaar zyn: zyn buik heeft eene aschgrauwe kleur met
schuinsloopende schubben, zoo als de meeste andere slangen. Wanneer
dit dier zynen buit bespiedt, draait hy zig rond in elkander,
als een kluw touw, en zyne staart een weinig bewegende, doet hy
die vervolgens ratelen, en spreidt zig in éénen sprong uit ter
lengte van zyn geheele lichaam; daar op verbergt hy zig andermaal,
om zig op nieuw uit te spreiden. Het vergift van deezen slang word,
ten minsten in geheel America, voor doodelyk, of voor zeer gevaarlyk
gehouden. Wat betreft zyne eigenschap om de oogen te verblinden, de
muizen, de eekhorentjes, de vogelen, in zynen muil te laten vallen, ik
houde zulks voor verdichtsels. Al die voorgewende tooverkragt bestaat
alleenlyk daar in, dat deeze arme dieren, wanneer zy zig door eenig
dreigend gevaar overvallen zien, door zulk een schrik en beving worden
aangetast, dat zy 'er het gebruik van hunne ledematen door verliezen,
en onbeweeglyk op hunne plaats blyven, of, zig trachtende te redden,
in de macht van hunnen vyand vallen.

Ik zag ook in dit kabinet de blaauwe Surinaamsche Dipsas, die byna
eene blaauwe kleur op den rug heeft, in de zyden zeer helder, en
aan den buik witachtig. Ik heb niet hooren zeggen, dat de beet van
dit dier doodelyk is, maar dezelve veröorzaakt een onmatigen dorst,
waar van hy zyn naam ontleent, want het woord dipsa beteekent in
het Grieksch dorst. Ik merkte ook nog een anderen slang op, omtrent
drie voeten lang, bedekt met ringen van onderscheidene kleuren,
dien men Amphisboena noemt, om dat men veronderstelt, dat hy twee
hoofden heeft; maar de waare reden is, om dat, uit hoofde van zyne
langwerpig ronde gedaante, zyn kop en staart zoodanig naar elkander
gelyken, dat het zeer wel is toe te geven, wanneer men 'er in mistast;
zyne oogen zyn voorts byna onbemerkbaar. Het is die zelfde slang,
aan welke de door my beschrevene groote mieren voedzel verschaffen,
zoo het gemeene volk zegt, wanneer hy blind is, waarom men hem in
dit Land met den naam van koning der mieren verëert. [21]

Onder de talryke verzameling van fraaije kapellen van den zelfden heer
ROUX, merkte ik 'er voornamelyk een op van eene middelmatige grootte,
welker vier vleugelen, zoo van boven als beneden, met zwarte streepen
en een schitterend groen verciert zyn. De ontzachelyke hoogte, tot
welke zig dit insect verheft, en de vlugheid, waar mede hy vliegt,
maken hem zeer zeldzaam. Zyn enklauw, van eene zee-groene kleur,
is van harde punten, vry veel naar pluimen gelykende, voorzien.

Ik zeide straks, dat wy bevel ontfangen hadden, om de Volkplanting te
verlaten, en dat al het volk daar over verheugd was, uitgezonderd ik;
maar onze Overste ontfing, den 15den, brieven uit Holland, waar by
onze te rugkomst voor zes maanden wierd uitgesteld. Myne medemakkers
waren over dit uitstel ter nedergeslagen, en my deedt het herleven. Ik
besloot om myne geheele soldye uit te zuinigen, tot dat ik de somme by
elkander zoude hebben, die 'er noodig was, om volkomen eigenaar van
JOANNA te wezen: maar het deedt my zeer leed, dat wy andere tydingen
uit Europa ontfingen, medebrengende, dat zyne Britannische Majesteit de
Schotsche brigade had uitgenoodigd, om zig naar Engeland te begeven,
en het speet my ongemeen, dat ik daar toe niet meer behoorde. [22]
Men boodt my byna te gelyker tyd eene Compagnie aan onder den Generaal
WASHINGTON, welke ik zonder bedenken weigerde.

Den 18den February, wierden onze soldaten, moedeloos zynde, weder
naar Maagdenberg gezonden; een groot gedeelte bleef steeds aan de
Java-kreek. Onze Officiers waren toen zoodanig te onvreden, dat
één van hun, FISHER genaamd, twee maalen, daags na elkander, een
tweegevecht hieldt, en aan zyne beide tegenpartyen, zynde Officiers
van 's Compagnies krygsvolk, gevaarlyke wonden toebragt.

Dewyl ik nog niet hersteld was, bleef ik eenigen tyd langer te
Paramaribo. Ik zag aldaar ten huize van den heer REYNSDORP, eene
Portugeesche Jodin, die haare kinderen in den Christelyken Godsdienst
opvoede; terwyl van eenen anderen kant, de Opzichteresse van zeker
Godshuis dagelyks ongelukkige slaven liet geesselen, om dat zy, zoo
ze zeide, Heidenen waren. Zy veröordeelde onder anderen eene arme
Negerin tot vier honderd geessel-slagen, welken deeze, zonder eenige
klagten te uiten, ontfing.

Maar laten wy van dit onäangenaam onderwerp afstappen; en liever,
dewyl zig daar toe thans eene geschikte gelegenheid opdoet, den lezer
een korten staat opgeven van den koophandel en innerlyke waarde deezer
Volkplanting, alwaar zoo veel bloed op de wreedaartigste wyze geplengd
word, en die nog veel ryker zoude zyn, indien zy het voorbeeld niet
volgde van de vrouw, in de Fabel van de hen, die gewoon was gouden
eieren te leggen.

Men telt te Surinamen zes of agt honderd Plantagiën, die suiker,
koffy, cacao en catoen voortbrengen. 'Er zyn daarënboven eenige
indigo Plantagiën. Men heeft ook werven gemaakt tot het hakken van
timmerhout, enz. Op de onderslaande tafel kan men den staat en de
waarde zien van de vier eerstgemelde zoorten van koopmanschappen,
die geduurende vier jaaren van de Plantagiën zyn afgeleverd.


Jaaren.  Vaten     Ponden        Ponden      Ponden
         Suiker.   Koffy.        Cacao.      Catoen.
1771	 19,494    11,135,132      416,821   203,945
1772	 19,260    12,267,134      354,935    90,035
1773	 15,741    15,427,298      332,229   135,047
1774	 15,111    11,016,518      506,610   105,126
Somma	 69,606    49,846,082    1,610,595   534,153


69,606 vaten Suiker, tegen fl 60:-:- het
vat, maken                                 fl  4,176,360:--:--

49,846,082 Ponden Koffy, tegen agt en
een halve stuiver het pond, maken          fl 21,184,584:17:--

1,610,595 ponden Cacao, tegen zes en
een halve stuiver het pond, maken          fl    523,443: 7: 8

534,153 ponden Catoen, tegen agt
stuivers het pond, maken                   fl    213,661: 4:--

                                            ------------------
Makende te zamen                           fl 26,098,049: 8: 8
                                            ==================

Dit maakt voor elk jaar juist				 fl  6,524,512: 7: 2


Maar deeze alzoo in 't ruwe opgegevene
berekening betrof de Stad Amsterdam
alleen.

Indien men daar by voegt, het geen
bovendien naar Rotterdam en Zeeland
word uitgevoerd, behalven het geen
binnen 's Lands gesleten word,
het beloop van de ladingen rhum,
suiker-syroop, timmerhout en indigo,
zal men nog eens, of ten naasten by
dezelfde somme hebben; dus                               fl  6,524,512: 7: 2
                                                          ------------------
Te zamen                                                 fl 13,049,024:14: 4
                                                          ==================


Het welk, wanneer men het slechts stelt op fl 11,000,000:--:-- jaarlyks
een millioen ponden sterling bedraagt.

Ik zal nu verder aanwyzen, hoe deeze somme tusschen de Hollandsche
Republiek, en deeze Volkplanting verdeeld word.


De Stad Amsterdam levert omtrent 50
schepen van vier honderd vaten, door
elkander gerekend, die voor de vracht
wegens den invoer van verschillende
koopmanschappen,
ontfangen de somme
van                     fl  6,000:--:--
en wegens den uitvoer
van producten uit de
Volkplanting            fl 32,000:--:--
                        --------------
Maakende voor elk schip
een vracht van          fl 38,000:--:--

het welk, door 50 vermeenigvuldigd
zynde, uitmaakt.                             fl 1,900,000:--:--

Ik reken bovendien dertig schepen van
verschillenden last, voor Rotterdam
en Zeeland, het welk maakt                   fl 1,200,000:--:--

En voor de brikken, met ballast
geladen, voor passagiers, enz.
dienende                                     fl    80,000:--:--

Elk schip van de Kust van Guinée,
het welk jaarlyks 250 of 300 Negers
aanbrengt, gerekend op fl 120,000:--:--
maakt, als men dit brengt op het
getal van zes schepen [23]                   fl   740,000:--:--

By deeze berekening zal ik voegen de
waaren en koopmanschappen, die uit
Holland worden ingevoerd, als wyn,
sterke dranken, bier, gezouten ossen-
en varkensvleesch, meel, zyde, catoen,
en linnens; kleederen, hoeden,
schoenen; kostbaarheden van goud,
zilver en staal; metselaars- en
timmermans gereedschappen, enz.
enz. tegen de waarde van omtrent
50 ten honderd aan winst, na aftrek
van de kosten op de correspondentie,
de verzekeringen, de ladingen, de
imposten, de pakhuis-huuren, haven-
en kaai-gelden, het inpakken, welke
laatstgemelde artikelen daarënboven
tien ten honderd aan de inwooners
kosten; al het welk, door elkander
gerekend, bedraagt                                                  fl 1,100,000:--:--
	            						     -----------------
Makende reeds te zamen de somma van         fl 5,000,000:--:--

Hier by gerekend de interessen van 6 ten
honderd van vyf millioenen sterling, die
de Volkplanting schuldig is, en het geen
de renteniers in Holland, alwaar zy
schulden heeft, en ook de geenen, die
hun fortuin gemaakt hebben, hun geld
gaan verteeren, aan haar kosten beloopt
zulks ten minsten                                                   fl 1,000,000:--:--
	            						     -----------------
Dit alles, by elkander getrokken, maakt
jaarlyks ten minsten de somma van            fl 6,000,000:--:--


Het zelve blyft zuiver ten voordeele van
de Republiek, en wel voornamelyk voor
Amsterdam, Rotterdam, en Zeeland, zoo dat
de inwooners van Surinamen, voor hun
aandeel, van den bovengemelden schat
alleenlyk genieten                                                  fl 5,000,000:--:--
	            						     -----------------
Makende te zamen de reeds op
gegevene millioen sterling, of               fl 11,000,000:--:--


Ik zal, in de derde plaats, doen zien, hoe de binnenlandsche onkosten
der Sociëteit van Surinamen, door het geen deeze ladingen opbrengen,
gekweten worden; en deeze zyn niet gering.

Reeds gezegd hebbende, toen ik van het Regeerings-bestuur deezer
Volkplandng sprak, dat de Ontfangers van 's Lands penningen vyf in
getal zyn, zal ik thans aantoonen, wat elk hunner tot kwyting deezer
onkosten opgaart en ontfangt.

De eerste van deeze Ontfangers is gesteld over de in- en uitgaande
rechten.


Aan hem word betaald:

Van elk Hollandsch schip. fl 3:--:-- het
vat; van de Americaansche fl 6:--:--.	        Dit maakt
                                               fl  90,000:--:--

Door de Americaanen voor alle in- en
uitgevoerd wordende goederen, 5 ten
honderd.                                       fl  60,000:--:--

De Suiker betaalt fl 1:--:-- de
duizend ponden, of het oxhoofd.                 in 1771
												bedroeg dit
De Koffy, 15 stuivers, de honderd              fl 260,000:--:--
ponden gewicht.

De Cacao fl 1:15:-- de hondert
ponden gewicht.

Het Catoen
                                                -----------------

Dus ontfangt hy jaarlyks de somma van          fl 410,000:--:--

De tweede is de Ontfanger der groote
n kleine imposten.

Men betaalt hem:

voor een vat Bier     fl  3:--:--
voor een vat rooden
Wyn                   fl 12:--:--
voor een pyp Madera
Wyn                   fl 23:10:--
voor een mingelen
Wyn in flessen        fl  -: 1:--
voor de belasting op
de aangeplakte
billietten           fl 600:--:--
voor de belasting op
de koopwaaren, in 't
klein                fl 300:--:--
                     -----------

Al het welk jaarlyks ten minsten beloopt       fl 100,000:--:--

De derde Ontfanger is die van het
hoofdgeld.

Hy ontfangt van alle de inwooners,
blanken en zwarten, zonder onderscheid,
en van ieder hoofd, het zy man of
vrouw, fl 2:10:--; voor elken jongen
of meisjen, beneden de 12 jaren
fl 1: 5:-- Dit bedraagt jaarlyks	       fl 150,000:--:--

De vierde is de Ontfanger der rechten
op den verkoop van koopmanschappen en
slaven. Men betaalt hem: By verkoop
van goederen, in geene rent-gevende
bestaande, de Plantagiën daar onder
gerekend, 5 ten honderd; en by verkoop
van Neger-slaven, die nieuwlings worden
ingevoerd, twee en een half ten honderd.
Dit bedraagt jaarlyks                          fl 130,000:--:--

De laatste ambtenaar eindelyk ontfangt
de belasting wegens de kosten op het
vervolgen der weggeloopen Neger-slaven,
welke ingevoerd is, om dat de andere
belastingen onvoldoende waren.

De sommen, die hy inzamelt, bedragen
jaarlyks: wegens de verhooging van een
gulden, voor hoofdgeld over de blanken
en zwarten                                     fl  80,000:--:--

als mede vier ten honderd van alle
jaarlyksche Beneficiën, bedragende
jaarlyks                                       fl 400,000:--:--
                                              -----------------
Makende te zamen
					       fl 480,000:--:--

Men betaalt bovendien jaarlyks, voor
het onderhoud der wyken; namelyk van
elk huis, volgens deszelfs uitgestrektheid.

van een koets	    fl 20:--:--
van een chais	    fl 10:--:--
van een rypaard     fl 10:--:--

Het welk de bovengemelde belastingen
vermeerdert met de somme van                   fl  12,000:--:--
                                              -----------------
Alle welke sommen, by elkander getrokken,
niet minder opbrengen dan                    fl 1,282,000:--:--


Na duidelyk te hebben aangetoond, zoo met behulp van het Tafereel
der Surinaamsche Volkplanting van Dr. FERMIN, als volgens myne
eigene kundigheden, dat de innerlyke waarde deezer bezitting meer
dan een millioen ponden sterling aan inkomsten bedraagt, die door
een verstandig bestuur nog merkelyk zouden kunnen vermeerderen; na al
mede betoogd te hebben, dat het grootste gedeelte deezer inkomsten ten
voordeele der Republiek koomt, terwyl de Colonisten met belastingen
bezwaard zyn, die hen noodzaken tot vreemde middelen hunnen toevlucht
te nemen, en misschien eerlyke lieden in schurken doen verkeeren;
zal ik thans, by wege van een vervolg, een korten staat opgeven van
den koophandel der Noord-Americaanen met deeze Volkplanting.--Zy
komen aldaar uit Virginië, Rhode-Island, Nieuw-York, Boston, Jamaica,
Grenada, Antigoa, het Eiland Barbados, enz. in kleine brikken, sloepen,
enz. Zy brengen meel aan, ossen- en varkens-vleesch, haring, zout,
makreel, bladen tabak voor de Negers, denne planken, rhum, sterke
dranken, suiker-brooden, [24] spermaceti-kaarssen, uijen enz. Elk
schip is daarënboven verpligt een paard aan te brengen: de eigenaar
van 't schip ontheft zig daar van dikwils door een list: hy vertoont
den kop van zoodanig dier, en verzekert, dat hy het aan boord genomen
heeft, maar dat het op de reize gestorven is. Tegen deze koopwaaren
voeren de Americanen al de Surinaamsche suiker-syroop (melasse) uit,
waar van zy rhum by hun maken, en dikwils laden zy hunne schepen
geheel en al met koopmanschappen en andere voortbrengsels van deeze
Volkplanting, schoon zy het niet dan ter sluik doen mogen: maar kooper
en verkooper vinden 'er hun voordeel by; de een koopt goed koop, en
de ander ontfangt gereed geld. Van de Eilanden onder den wind voeren
zy quarteron- en mulatten-slaven van beiderlei kunne aan, die over
't algemeen jong en fraay zynde, voor zeer hoogen prys verkogt worden,
hoe zy ook anderzints gesteld mogen zyn.

Alle de onderrichtingen, door my omtrent den koophandel en
wezentlyken rykdom deezer schoone Volkplanting opgegeven, zyn naar
de naauwkeurigste berigten gevolgd. Het zy my geöorloofd van dit
onderwerp thans af te stappen, en myn verhaal te vervolgen.

Den 21sten February, nam de heer REYNSDORP, schoonzoon van Mevrouw
GODEFROY, my in zyn zeil-jacht mede; en om my van lucht te doen
veranderen, bragt hy my op eene zyner Koffy-plantagiën, genaamd Nut
en Schadelyk. Ik zag aldaar een blanken, die door de steek van een
Vampire, of Guiaansch spook, in éénen nacht zyn gezicht verloor. Des
anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar,
eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY
in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres
behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar
als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen,
geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was
eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [25] eene afbeelding
gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze
fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men
de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten
zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.

De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk
men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen
afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien
op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze
Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden, als voor
de brandende straalen der zon, wanneer de boomen jong zyn, want dan
zyn derzelver wortels niet diep genoeg in den grond ingedoken, om
dezelven staande te houden, en zy zouden geene groote hitte kunnen
doorstaan. Dienvolgende plant men 'er heester-gewassen (b. v. maniok)
en Plantain-boomen tusschen, die tevens het onkruid tegengaan, het
welk in de luchtstreken onder den zonne-keerkring zoo overvloedig
voortteelt. Door middel van deeze voorzorgen, dragen de Cacao-boomen
vruchten, eer zy drie jaaren oud zyn: als dan brengen zy jaarlyks
twee oogsten voort; maar zy moeten echter twaalf of veertien jaaren
oud zyn, eer zy hunnen volkomen wasdom bereikt hebben. Het blad van
den Cacao-boom heeft meer dan agt duimen in de lengte, en byna drie
in de breedte: het zelve is langwerpig, taay, en van een schitterend
groene kleur. De gedaante der vrucht is byna dezelfde, maar echter een
weinig breeder. Wanneer die vrucht jong is, heeft zy het voorkomen van
een komkommer; maar wanneer zy ryp is, word ze geel als een limoen,
en scheidt zig dan af in ribben, even als een meloen. Het zaad of
de pitten zitten langwerpig in de vrucht of bast; ryp zynde hebben
zy de dikte van olyven, en een purper kleur. Elke boom word gerekend
by den oogst van dertig tot drie honderd vruchten te geven, die elk
omtrent dertig pitten bevatten, een pond wegende; en langs dien weg
kan men den jaarlykschen opbreng berekenen. Weinige dagen na dat de
oogst geschied is, haalt men de pitten uit de schil; men laat ze in
de schaduw droogen, en in dien tyd raaken zy een zoort van vochtige
zelfstandigheid kwyt, het geen men noemt dezelve te laten uitzweeten;
men pakt ze vervolgens in vaatjes om vervoerd te worden, en 'er die
aangenaame koek van te maken, welke wy Chocolade noemen.

Men zegt, dat de Cacao-boomen oorspronglyk in Guiana groeien, en
natuurlyk in groote meenigte by de Rivier der Amazonen gevonden
worden. Wat daar ook van zy, de zoon van den Gouverneur CHATILLON
plantte den eersten boom in 't jaar 1684 in Surinamen; en de eerste
oogst, die naar Holland werd uitgevoerd, geschiede in 't jaar 1733. Een
der groote voordeelen van het aankweeken der Cacao-boomen bestaat
hier in, dat daar toe minder slaaven, dan tot alle andere zoorten van
Plantagiën noodig zyn. Men kan naargaan, hoe aanmerkelyk de voordeelen
zyn, uit den opbreng van het jaar 1774, wanneer men, alleen voor
de Stad Amsterdam, 506,610 ponden Cacao-pitten uitvoerde; het welk
202,614 Hollandsche Guldens, of 18.419 ponden sterling opbragt. De
prys verschilde van 4 tot 9 stuivers het pond. De middel bereekening
is van zes- en een halve stuiver. De beste Plantagiën, en die van
Alkmaar behoort daar onder, brengt jaarlyks meer dan 80,000 ponden op.

Den 27sten keerden wy naar de Stad te rug, alwaar men, des avonds
te voren, een soldaat ter zaake van muiterye had doodgeschoten, en
des anderen daags geraakte op de rheede een schip in brand. Byna
ter zelfder tyd, vertrok de Neger QUACY, die de Propheet, en, om
zoo te zeggen, de Koning zyner landgenooten was, naar Holland,
om zyne opwagting te maken by den Prins van Orange, aan wien
de Colonel FOURGEOUD hem aanbeval. Deeze Neger moest de roem van
deezen Bevelhebber vermelden, en zig beklagen over den Gouverneur,
die aan onzen Colonel geen eerbied genoeg betoonde. Ter gelegenheid,
dat wy toen het tydstip der Zittingen van het Gerechtshof hadden,
wierd aan een slaaf het been afgezet, om dat hy eenen arbeid,
die boven zyne kragten was, geweigerd had. Twee anderen wierden
veroordeeld om opgehangen te worden, om dat zy waren weg geloopen. Het
heldhaftig gedrag, door één deezer ongelukkigen voor het Hof van
Justitie gehouden, verdient alhier verhaald te worden.--Hy verzogt
voor weinige oogenblikken gehoor, het geen hem wierd toegestaan;
en hy liet zig toen in deezer voegen uit:

"Ik ben in Africa geboren, alwaar ik, mynen Vorst in een gevecht
verdedigende, ben gevangen genomen, en door myne landgenooten op de
Kust van Guinée voor slaaf verkocht.--Een van uwlieden, die thans
myn Rechter is, kocht my; en ik ben door zynen Opzichter zoo deerlyk
mishandeld, dat ik weg liep, en my by de muitelingen voegde.--Ik zag
my gedwongen, om hun Opperhoofd BONNY te dienen, wiens dwinglandye
nog ondraaglyker was, dan die der Europeanen. Een weêrzin in zulk
eene handelwyze hebbende, besloot ik om het menschdom voor altyd te
ontvlieden, en in de bosschen rustig te leven. Ik heb aldaar twee
jaaren byna alleen doorgebragt, in de grootste ongerustheid van geest,
en myn leven latende voortduuren alleenlyk in de hoop, om myn geliefd
geslacht, het welk misschien, uit hoofde myner afwezigheid, in myn
eigen Land van honger verging, nog eenmaal weêr te zien. Twee ellendige
jaaren waren dan in deeze gesteldheid verloopen, toen de Jagers my
ontdekten, my gevangen namen, en my voor deeze Rechtbank bragten,
aan welke ik thans de geschiedenis van myn deerniswaardig leven open
legge, en slechts de genade verzoek, om aanstaanden Saturdag, of zoo
dra het mogelyk zyn zal, het vonnis aan my uit te oeffenen".

Deeze aanspraak wierd met eene ongemeene gematigdheid uitgesproken
door één der schoonste Negers, dien men misschien immer zag. Zyn
meester, die (zoo als hy te recht opmerkte,) onder het getal van
zyne Rechters was, gaf hem dit kort antwoord:--"Schelm! alles wat gy
ons vertelt, doet niets ter zaake. De pynbank zal u in een oogenblik
de bekentenis van misdaden afperssen, die zoo verachtelyk zyn, als
gy zelf, of uwe hatelyke medeplichtigen". De Neger, die alle zyne
aderen van verontwaardiging voelde opzwellen, beantwoordde hem zulks
op deeze wyze:--"Massera, de tygers in de bosschen hebben onder deeze
handen (welken hy toen in de hoogte stak) gebeefd; en gy durft my met
uwe armhartige werktuigen van foltering bedreigen! Neen! Neen! ik
veracht de pynigingen, welken gy thans kunt uitvinden, even zeer,
als den laaghartigen, die ze my aandoet". Op deeze woorden boodt hy
zig zelf ter pyniging aan, en stond de ysselykste folteringen door,
zonder een enkel woord uit te brengen; vervolgens weigerde hy zelfs
te spreken, en eindigde zyn leven met de koord.--Maar laaten wy van
dit naargeestig onderwerp afstappen.

Den 8sten Maart, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD,
om aldaar den verjaardag van den Prins van Oranje te vieren. Dien
zelfden dag gaf de heer REYNSDORP eene maaltyd aan alle de soldaten. De
Colonel berigtte my, dat de Jagers, in dit oogenblik, by de Wana-kreek
alleen gelegerd waren; dat de ongezonde post van Devil's Harwar geheel
en al verlaten was; dat de twee Compagniën van vrywillige Negers,
die kortlings waren aangeworven, op den weg, die met de Wanica agter
Paramaribo gemeenschap heeft, eenige muitelingen gevangen genomen,
en verscheiden anderen gedood hadden. Ik bevond my toen wel beter,
schoon ik nog niet geheel en al hersteld was; en die zelfde Overste,
die my voorheen zoo hard behandeld had, hield thans aan, dat ik my
in de hoofdstad der Volkplanting nog eenigen tyd langer zoude blyven
ophouden: hy boodt my zelfs verlof aan, om naar Europa te rug te
keeren, het geen ik stellig weigerde; eindelyk, tegen het midden der
maand, was ik zoo gezond, als ik in myn geheele leven geweest was. De
Colonel FOURGEOUD en ik gaven toen dagelyks bezoeken aan vrouwen,
in wier gezelschap zig niemand hoflyker gedroeg, dan hy, terwyl ik
van myn kant mynen afkeer dikwils niet bedwingen konde. Zy keeken
ons aan op eene manier, die haare bedoeling duidelyk te kennen gaf;
verscheiden zelfs waren in haare gesprekken gantsch niet omzichtig;
en zekere Mevrouw N. ging zelfs zoo verre, dat zy my, zonder omwegen,
verzogt, of ik de plaats van haaren man wilde vervullen.

Den 17den, intusschen, vertoonde zig iets aan myn oog, het geen my meer
bekoorde. By den heer TEXIER, Colonel van 's Compagnies krygsvolk, uit
eeten gaande, deed ik vooraf eene wandeling in de oranjeboom-bosschen
en de tuinen van den Gouverneur. Ik ontdekte aldaar wel dra dwars door
de takken twee vrouwen van de cierlykste gestalte en de schoonste
gedaante, die zig gebaad hadden. De eene was eene bekoorlyke en
jonge Samboe-, de andere eene fraaie Qaurteron-Negerin. De trekken der
laatstgemelde waren zoo regelmatig, en haare gedaante zoo bevallig, dat
men byna geloofd zoude hebben, dat zy uit Griekenland geboortig was:
haare roosenkleurige verwe was gelyk aan die, waar van het boschjen
glinsterde. [26] Beide wandelden zy, elkander by de hand houdende, en
praatten al lachende, in de nabyheid van een bed met bloemen, geplant
aan den oever eener beek van vlietend en helder water, waar in zy zig
als Syrenen indompelden, toen zy de bladeren van het geboomte hoorden
ritselen. Ik liet haar het stil genot der onschuldige vermaken van
het bad, en ik wagte het eetens-uur af, doorwandelende intusschen
de beplantingen van boomen, die met vruchten beladen waren, en de
bloem-tuinen, langs wandeldreeven van schoon rivier-zand. Ik zag in
deeze tuinen meer Europeesche planten, dan ik dagt, dat 'er onder den
zonne-keerkring waren, als kruis en munt, venkel, salie, rozemaryn,
heidens wond-kruid, jasmyn, kruidje roer my niet; granaatboomen,
rozenboomen, vygenboomen, en zelfs eenige wynstokplanten. De vygen
waren van eene fraaije karmosyn kleur van buiten en van binnen, en
de rozen van eene bleeke roode kleur. 'Er waren ook op deeze zelfde
plaats eenige schoone pyn-appelen, en meloenen, waar van ik iets
zeggen zal, schoon zy vry algemeen bekend zyn. De Koning van alle
vruchten, ananas, of pyn-appel genaamd, groeit aan het einde van
een stam, van eene zee-groene kleur, en agt duimen lengte hebbende,
die zig uit het midden-punt van een fraay heester-gewas van de zelfde
kleur verheft, welks langwerpige, effene, puntige, en van zeer harde
stekels voorziene bladeren, op eenen kleinen afstand van den grond,
in de rondte geschaard zyn. De gedaante der vrucht is ten naasten by
die van een pynappel; dezelve is geheel en al met vierkante schubben
bedekt, en van eene fraaije orange of goud kleur. Eene bos met
bladeren, naar die der plant gelykende, maar echter veel kleiner,
geeft 'er eene kroon aan, en in den grond gestoken zynde, koomt
'er, na verloop van agtien maanden, een andere ananas uit voort. De
uitgelezene smaak, en de lekkere geur van deeze vruchten, zyn zedert
byna een halve eeuw zoo bekend, dat ik 'er alleenlyk van spreek uit
hoofde van derzelver overvloed in Guiana. De verschillende zoorten
van gewoone ananassen groeien aldaar uit de natuur; en op verscheidene
Plantagiën dienen zy aan de geringste dieren tot voedzel.

De Muskaat- en Water-Meloenen wassen ook overvloedig in dit Land. De
eerste is volstrekt rond, van de grootte van een kleine hoed, met
ribben, en van een buffels kleur, orange en groen. Derzelver vleesch
is geel, vast, sappig, zacht, en van een lekkere geur.

De Water-meloen is van eene eironde gedaante. Derzelver schil is zeer
effen, en gedeeltelyk van eene schitterende groene, gedeeltelyk van
eene bleeke buffels kleur. Het vleesch van deeze meloen is roodachtig,
van eene waterachtige en zachte zelfstandigheid, van een zeer zoeten
smaak, van eene uitmuntende geurigheid, en zeer verkoelende. Deeze
meloenen zyn een zoort van komkommers, en groeien aan het einde van
zwaare steelen, met breede bladeren, die den grond bedekken. Het is
merkwaardig, dat de Water-meloen, welke men, zonder eenige schadelyke
gevolgen, in alle zoorten van ziekten eeten kan, het best word
voortgeteeld in een droogen en zandachtigen grond.

Omtrent te deezer tyd zond ik eene fraaije verzameling van Surinaamsche
Kapellen aan den heer REIGERSMAN in Holland. Deeze insecten zyn
alhier zeer talryk, en zeer verschillende. Verscheide lieden, die
hun werk maken om dezelven te vangen, scheppen 'er behagen in. Maar
het denkbeeld, om een enkel levendig insect op een blad papier vast
te maken, was voor my te weinig bekoorlyk, om ze zelf te gaan vangen.

Ter zelfder tyd wierden de Capitains VAN GEURICK en FREDERIK, vergezeld
van den Sergeant FOWLER, naar de Oucas- en Sarameca-Negers afgezonden,
om van hun eenige hulp tegen de muitelingen te verzoeken; zy beloofden
dezelve, zoo lang de Colonel FOURGEOUD hun geschenken gaf, maar zy
leverden ze nooit. Eenige andere Officiers bleven steeds by ons,
zig bezig houdende met by de vrouwen op Paramaribo hunne opwagting
te maken. Onder dit getal waren de Majoor MEDLAR, en de Capitain
HAMEL, die beiden onder het Regiment van den Generaal DE SALVE,
in de Volkplanting de Berbices, gediend hadden; de eerstgemelde was
bevorens in Pruissischen dienst geweest. Het was voor ons, die nog zoo
kortlings naar wilden geleeken, geene kleine verandering van staat,
in dit oogenblik de straaten van deeze hoofdstad te bewandelen,
als Fransche Marquisen uitgedoscht zynde.

Met den Gouverneur NEPVEU in goede vriendschap zynde, kreeg ik in de
gedachten, om hem een onbebouwd stuk land in het bosch te verzoeken,
en dadelyk stond hy my vier honderd akkers toe. By het doen van dit
onbedacht verzoek had ik niet berekend, hoe veel geld 'er wel noodig
was, om het hout 'er te doen uithaalen, slaven te koopen, en in alles,
wat tot zulk eene onderneming verëischt word, te voorzien; maar wanneer
ik de moeielykheid in aanmerking nam, om iemand te vinden, die met
my zoude willen zamen doen, en de noodige gelden daar toe bezat,
bedankte ik om deeze blyk van des Gouverneurs goedheid aan te nemen.

Den 26sten, bevryde ik eene arme Negerin, die een douzyn porcelein
theegoed gebroken had, van eenige honderde geesselslagen, door het
zelve te vergoeden. Dien zelfden dag wierd ook eene andere Negerin
door een Franschman vermoord, die zulk eene scherpe knaging over zyn
wanbedryf gevoelde, dat hy zig den hals afsneed; een Opzichter, die
hem behulpzaam geweest was, hing zig zelven op. Na aan den armen Neger,
wien men, uit kragte van een vonnis, het been had afgezet, een bezoek
gegeven te hebben, maakte ik my gereed om naar mynen vierden veldtocht
te vertrekken. Terwyl ik de toebereidzelen daar toe maakte, zag ik zes
Neger-slaven by my binnen treden, beladen met geschenken, welken my
myne vrienden zonden, en bestaande in al het beste, het geen Guiana
voortbrengt. Ik moest het bevel aan de Commewyne op nieuw op my nemen.



VYF-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het
Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van
visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed
van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloë.--De
Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde
Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal
bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.

Den 27sten Maart 1776, nam ik op nieuw afscheid van de Stad Paramaribo,
van JOANNA, en van mynen zoon.

Des morgens van dien dag, zelfs eer dat ik vertrok, wierd een Planter,
HALBERG genaamd, door eene groote Iguana hevig gestoken, op het
oogenblik, dat hy myne medgezellen en my noodigde, om ons nog eenige
dagen langer op te houden, en by eene maaltyd, welke hy tot viering van
zynen vyf-en-twintig jaarigen trouwdag gaf, tegenwoordig te zyn. Na
hem ons leed betuigd te hebben over het ongeval, dat hem ontmoette,
gingen wy in een overdekt vaartuig; en dien zelfden avond kwamen wy
op de Plantagie Sporks-gift, aan de Matapica-kreek. Capitain MACNEYL
ontfing ons aldaar, twee dagen lang, op eene zeer gastvrye manier. Ik
verstikte aldaar echter byna door eene sterke reuk van groene koffy,
leggende op den vloer van het kamertje, waar in ik myne hangmat
geplaatst had.

Den 29sten des avonds, en wel zeer laat, kwamen wy op de Plantagie
Goud-Myn, alwaar wy eenen jongen Neger en eene jonge Negerin vonden,
die, dicht by elkander, aan een hoogen balk, met een touw, het welk
aan de duimen van elk hunner was vast gemaakt, waren opgehangen. Dit
touw was agter om hun rug gebonden, hunne schouders werden 'er
byna door ontwricht, en het veröorzaakte hun de verschrikkelykste
folteringen. Ik sneed het oogenblikkelyk af, zonder verlof of omwegen:
ik zwoer daarënboven, dat ik den schelm van een Opzigter, die zulk
eene nieuw uitgedachte en afgryselyke strafoeffening had aangedaan,
vernielen zoude, ten minsten, dat hy my zoude moeten beloven aan deeze
twee ongelukkigen kwytschelding te verleenen; het geen hy, by geluk,
aanstonds en in myne tegenwoordigheid deedt.

Den 30sten, even voor dat wy aan de Hoop ontscheepten, vernam ik,
dat myne Suiker, en het grootste gedeele van myn Rhum weg waren, maar
ik ontdekte den dief door eene aartige list, waar van ik echter niet
beweere de uitvinder te zyn. Ik zeide aan zes Negers, die met roeijen
bezig waren, dat in zes minuten op den neus van hem, die de schuldigste
was, een veder van een Papegaay zoude groeijen: tevens sprak ik eenige
woorden uit, die geen zin hadden, en zwaaide twee of drie malen met
myn sabel, waar na ik my in de hut opsloot. Ik keek aldaar door het
sleutelgat, en hield een naauwkeurig oog op de roeijers, zonder dat
zy 'er iets van bemerkten. Spoedig zag ik, dat één van hun, by elken
slag met de roeyriem, de hand opligte, en aan zyn neus voelde. Ik
kwam dadelyk weder te voorschyn, en regelrecht naar hem loopende,
riep ik hem toe:--"Ik zie de veder, schurk! gy zyt de dief."--De arme
schelm antwoordde my aanstonds:--"Ja, Masera!" Vervolgens, op de kniën
vallende, bad hy den toovenaar, dat hy hem genade bewyzen wilde. De
anderen verëenigden zig met hem, en ik schonk deezen bygeloovigen
schelm, en zyne medeplichtigen vergiffenis, en gaf hun, om dat zy
my de zaak openhartig bekend hadden, een stuk gezouten ossen-vleesch
voor hun middagmaal, met een calebas vol rhum en water.

Ik nam dadelyk na myne aankomst op den wachtpost van de Hoop, het
bevel der Rivier op my, en ik beschouwde my op nieuw als de Vorst
van de Commewyne. Om eene goede woning te hebben, liet ik een Paleis
in de hoogte bouwen, naar dat van den Generaal BONNY te Bousy-Cray
gelykende. Deeze wooning, die byna eene lucht-woning was, was my
van zeer groot nut. Het grootste gedeelte van het land aan deezen
post stond, door de overstroomingen, onder water. Het was niets
meer dan een moeras, zoo weinig acht had men 'er op geslagen, en
'er was geen voetstap meer van myne oude hut te ontdekken. Ik vond
de ellendigste soldaten op deeze plaats. Zy waren aldaar byna naakt,
en hadden tot hunne schoenen verkogt, om zig een maand lang verschen
voorraad te bezorgen. Ik verzachtte intusschen hunne ellende door
myne aanzoeken by den Colonel FOURGEOUD, in wiens gunst ik meer en
meer deelde; en de wachtpost van de Hoop was wel dra een paradys,
in vergelyking van het geen dezelve was, toen ik 'er kwam.

De jagt was toen, gelyk voorheen, myne dagelyksche bezigheid. Den
4den bragt ik Pluviers, Roodborsjes, en byna een dozyn Musschen uit
de zand-woestyn mede.

De Pluviers van Guiana hebben de grootte van een duif. Zy hebben
vederen van eene donker bruine kleur, met wit doormengd, en met
dwarsloopende streepen. Men vindt 'er een groot aantal van in
de verdronkene Savanen, en zy verschaffen een lekker eeten. De
Roodborsjes zyn een zoort van dikke rood-staarten, en hebben het
bovenste gedeelte van het lyf van eene donkere kastanje kleur, en al
het overige van eene bloedkleur. Zy zyn zoo lekker als een leeuwrik,
en op alle Plantagiën zeer gemeen. De wilde Musschen, die zommigen,
zoo ik meen, Anacas noemen, zyn lieve diertjes van de gedaante van een
Papegaay. Hunne vederen zyn volmaakt groen, en zy hebben een witten
bek en roode oogen. Zy doen veel schade aan de ryst- en koorn-landen,
en vliegen met eindelooze hoopen over de Plantagiën.

De Brom-vogeltjes plaatsten zig in zulk een groot getal op de
tamarinde boomen aan de Hoop, dat men ze byna voor zwermen van wespen
zoude hebben aangezien. De Lieutenant SWELDENS doodde 'er dagelyks
verscheiden, door kleine erweten of korrels van Indisch koorn met
een vogelspuit op hen te werpen.

Het Brom-vogeltje (Trochulus, of het Colorietje) is byzonder
merkwaardig, zoo uit hoofde van deszelfs fraaiheid als kleinte; want
hy is zoo lang niet als een derde van een menschen vinger; en wanneer
zyne vederen zyn uitgeplukt, is hy niet veel grooter, dan eene groote
vlieg. ('Er zyn echter verscheiden zoorten, waar van zommige twee
maal zoo groot zyn.) De vederen van deezen vogel zyn gekleurd met eene
sterke weërschyn: in de schaduw, hebben zy eene schitterende en donker
groene kleur; in de zon, eene bruine en glinsterende purper-kleur,
met hemels-blaauw gemengd. Zyn kop is verciert met een kleine kuif
van groene, zwarte en goud-kleurige vederen; zyne staart en vlerken
zyn van eene helder zwarte kleur; zyn bek, die lang, zwart, en aan
het einde gebogen is, is niet veel grooter, dan eene spelde. Zyne
gespleete tong gelykt naar een rooden zyden draad. Zy dient hem, om
den nectar of het sap der bloemen uit te pompen of uit te trekken,
geduurende welke verrigting hy als een bye stil staat; en dit sap
schynt het eenige voedzel van dit vogeltje te zyn. Dikwils maakt hy
zyn nest op een blad van wilde Ananas, of kruipende Aloë. Dit nest,
het welk niet veel grooter is, dan een nooten-dop, is byna geheel
van catoen gemaakt. Het wyfje legt twee eieren, die van de grootte
van erweten zyn. Mejuffrouw DE MERIAN brengt dezelven tot het getal
van vier; maar ik verzeker, dat ik 'er nimmer zoo veelen in eenig
nest gezien, noch ook gehoord heb, dat zy 'er nu en dan in gevonden
zouden worden. Ik heb getracht twee vogelen van dit zoort op het
natuurlykst, en met hunne kleine wooning, af te teekenen. Het is my
niet mogelyk geweest die afteekening volkomener te maken; want de
beweging hunner vlerken is zoo gezwind, dat men moeite heeft de kleur
'er van te kunnen onderscheiden. Deeze beweging veröorzaakt het zoort
van bromming, waar van deeze vogeltjes hunnen naam ontleenen.

'Er was ook in deezen omtrek eene eindelooze meenigte van Aapen. Ik
zag 'er by de twee honderd op een veld van Suiker-riet, al waar zy
groote verwoestingen aanrigtten. Deeze doorslepen dieren zetten
schildwagten uit rondom de plaats, alwaar zy stroopen, om op het
vernemen van onraad gerucht te maken; en ik ben getuige geweest van
de oplettenheid en het verstand, waar mede zy, die met die zorge
belast zyn, zig van dezelve kwyten. Wanneer deeze stroopers eenig
gevaar vernemen, loopt de geheele bende al springende naar het bosch,
houdende elk den geroofden buit met de poot vast.

Ik vermaakte my ook met zwemmen. Deeze oeffening gaf my kragten, en
bragt veel toe tot behoud van eene goede gezondheid. De voordeelen,
welken men hier door verkrygt, zyn op eene verrukkende wyze afgemaalt,
door den Schryver der Jaargetyden.

"Het is de gezondste oeffening, en de zoete verkoeling der brandende
hitte van den zomer. Op die wyze verkrygen de ledematen sterkte, en
de arm van die Romeinen, die op het overheerde land het bevel voerden,
leerde vooräf, in zyne jeugd, de water-golven te vermeesteren."

Den 14den, doodde ik een Kayman; maar van deezen tocht in een vaartuig
te rug komende, viel een pak brieven, my door den Colonel FOURGEOUD
toegezonden, by ongeluk in het water, en zonk. Eenige Officiers,
die daags daar aan op de Hoop kwamen, berigtten my echter, welke
de voorname inhoud deezer brieven was: zy gaven my kennis, dat de
Overste, besloten hebbende nog eenmaal de bosschen te doorkruissen,
my last gaf, dat alle manschappen, krygs- en mondbehoeften, welken
ik niet volstrekt noodig had, de Rivier moesten worden opgezonden;
dat het Sociëteits krygsvolk, op Oranjeboom post houdende, ook stond
te vertrekken; en dat de één zig naar Maagdenberg, de ander naar de
Peréca moest begeven. Ik behield dus slechts twaalf verminkte soldaten
op de Hoop, en een gelyk getal op Klarenbeek, zonder Heelmeester, noch
geneesmiddelen. Niettemin deed ik, met zulk een zwak getal manschappen,
dagelyks de ronde, zoo te land als te water.--De zelfde Officiers gaven
my ook berigt, dat de Vaandrig VAN HALM was overleden, en dat een schip
vol zieken gereed lag, om onverwyld naar Holland onder zeil te gaan.

Schoon de Colonel FOURGEOUD steeds te Paramaribo bleef, hield hy
niettemin, met zeer veel nauwkeurigheid, over alle krygs-verrigtingen
het toezicht. Dienvolgende gelastte hy, den 23sten, aan eene bende
van honderd mannen, om het land tusschen Maagdenberg, de Wana-Kreek,
en de Maroni te gaan onderzoeken; maar zy kwamen wederom, zonder iets
ontdekt te hebben.

Dewyl het zig liet aanzien, dat ik nog eenigen tyd op den wachtpost
de Hoop zoude moeten blyven, liet ik myne schapen en gevogelte halen
van de Plantagie, alwaar ik die had agtergelaten, en ik deed aan den
heer GOURLY een geschenk van een ram en een schaap, die alle anderen
van dat zoort in de Volkplanting overtroffen. By de aankomst van deeze
myne kudde vee, zag ik met genoegen, dat zy merkelyk vermeerderd was.

Den 26sten, bragt één van myne soldaten, my een slang, dien hy gevangen
had. Dit dier was niet meer dan vier voeten lang, en niet dikker,
dan de loop van een snaphaan. Bemerkt hebbende, dat hy midden op zyn
lyf een bult had van de grootte van myn vuist, was ik nieuwsgierig
om dezelve open te maken, en ik vond een kikvorsch, levendig en in
zyn geheel, maar waar aan men op den kop en hals een vlak zag, welke
scheen aan te duiden, dat hy begon te bederven. Ik nam de proef, om
een touw aan één zyner pooten vast te binden, en hem in het gras aan
den waterkant te laten, geduurende drie dagen, na verloop van welken
het arme dier nog in goeden staat scheen te zyn, en ik gaf hem zyne
vryheid weder.

Den 28sten, gaf ik een bezoek aan THOMAS PALMER, Schildknaap en
Raad des Konings in Massachufets-Baay, die zig op zyne Plantagie
Fairfield bevond. Zyne slaven leefden aldaar volmaakt gelukkig en wel
te vreden, het geen het gevolg was van het verstandig bestuur van den
eigenaar. Weinige bezittingen van dit zoort, in de West-Indiën, waren
in eene zoo gelukkige gesteldheid, zoo ten aanzien der bevolking, als
der vruchtbaarheid. De beminnelyke wellevenheid, waar mede de eigenaar
deezer Plantagie de vreemdelingen aldaar ontfing, gaf een verheven
denkbeeld van zyn character, het welk in de geheele Volkplanting ten
gunstigsten bekend was.

By myne te rug komst op de Hoop, ontfing ik een brief van den
Bevelhebber, my meldende, dat de Jagers, onder aanvoering van VINSACK,
verscheiden muitelingen gedood, en 'er elf gevangen genomen hadden:
maar dat eene andere party van die zelfde Jagers door den vyand was
verrast geworden, zynde verscheiden van het volk, terwyl zy in hunne
hangmatten lagen te slapen, gedood.

In eene van deeze schermutselingen betoonde een Neger van de
muitelingen eene zonderlinge tegenwoordigheid van geest. Een Jager op
hem hebbende aangelegd, riep deeze Neger hem toe: "Wel hoe! wilt gy
één van uwe medemakkers dooden?" De Jager, geloovende dat dit waar
was, antwoordde hem: "Daar bewaare my God voor"! En zyn wapentuig
nederzettende, kreeg hy dwars door het lyf een kogel, op hem door
zynen vyand afgeschoten, die dadelyk als een blixemstraal uit het
gezicht was. De al te lichtgeloovige Jager stierf 'er van. Een der
gevangenen verhaalde, dat des avonds te vooren een Neger, die wel
eer van de Plantagie Fauconberg was weggeloopen, op last van BONNY
was nedergesabeld.

De haven van de Hoop, onderging, den 6den Mey, een zwaaren orkaan,
verzeld van donder en blixem. Verscheide boomen wierden uit den grond
gerukt, huizen om ver gesmeeten, en dakken afgeworpen. Myn lucht-paleis
in tusschen stond, zonder eenig letzel, den storm door. JOANNA met
mynen zoon den 8sten zynde aangekomen, stelde ik my het zelfde geluk
voor, als ik in 1774 reeds genoten had. Myn huisgezin, myne kudde, myn
gevogelte, waren in dit oogenblik verdubbeld. Ik bebouwde daarënboven
een fraaien tuin; en zoo ik my al in den volsten zin geen Planter
noemen kon, ik had ten minsten eenig recht, om my een kleinen tuinier
te noemen.

Den 29sten, waren wy allen by den heer DE GRAAF, op zyne fraaie
Plantagie Knoppemonbo, aan de Casavinica-Kreek, ter maaltyd. Ik zag
aldaar planten en wortelen, welken ik nog niet had opgemerkt.--De
Taijers, voortkomende uit het midden van een groen heestergewas van
eene meelachtige zelfstandigheid, het welk niet meer dan drie of
vier voeten hoog is, bladeren voortbrengt, die ongemeen breed zyn,
en de gedaante van een hart hebben, en waar van de stam naar die
van den Bananen-boom gelykt. Wanneer de uitwendige bekleedselen van
deeze plant zyn afgeschild, heeft zy het voorkomen van de ignames of
aard-appelen, maar is veel aangenaamer om te eeten, en veel fyner. 'Er
zyn verschillende zoorten van Taijers, en men geeft den voorrang aan
de kleinste, waar van men op de zelfde wyze gebruik maakt. 'Er werden
ook, in groote meenigte, op deeze zelfde plaats, waare aardappelen
gevonden, maar van een minder zoort dan de gemeene aard-appelen in
Engeland, en alleenlyk voor de Negers dienende.

De Tabaks-plant groeide in deezen tuin. Dezelve heeft bladeren, die
nederhangen, en vol vezelen zyn, en leeft tien of twaalf jaaren;
maar zy is van zoo veel geringer caliber, dan de Virginische, dat
'er zig alleenlyk de Negers van bedienen. Deeze plant ontleent haaren
naam van het Eiland Tabago, alwaar zy in het jaar 1560. ontdekt wierd.

Men zag hier ook nog een zoort van wilde thee, welke men als zeer
gezond beschouwt; maar die, naar myn inzien, niet veel beter is dan
ons kruipend eiloof. Ik vond bovendien aldaar eene groote meenigte
van Goud-appelen; maar dewyl men die in verscheiden Engelsche tuinen
aankweekt, behoeve ik 'er geene beschryving van te geven: ik zal alleen
opmerken, dat de Joden in dit Land 'er ongemeene liefhebbers van zyn,
en ze by het vleesch koken, in plaats van uijen.

De heester, waar aan de geneeskragtige noot groeit, was ook onder
de planten in deezen tuin. Dezelve is rank, en tien of twaalf voeten
hoog. De vrucht bevat een noot, naar een amandel gelykende. Deeze noot
is zeer goed om te eeten, mits men 'er een dunne en witte schil, die
'er om zit, af doet; want zonder dat veröorzaakt zy oogenblikkelyk
de geweldigste braking en buik-ontlasting. Men deedt my ook opmerken
verscheide zoorten van erweten, boonen en zoortgelyke peulvruchten, en
onder anderen de Cassia, welker kleine, harde, geele en helderschynende
zaden besloten zyn in een houte pyp van by de zes duimen lang,
maar zeer naauw, en welke een zwart vleesch bevat, zoo zoet als
honig. Men houdt de Cassia voor een uitmuntend ontlastmiddel. Zy
is in Guiana zeer gemeen, en word aldaar genaamd Zoete Boontjes
en Cotiaan. Een ander zoort van heester-gewas in dit Land, draagt
den naam van Zeven-jaars Boontjes, om dat het zeven jaaren bloeit,
alvorens eenige vrucht voort te brengen. Het boompje, genaamd Snaky
wiry-wiry, wierd ook op deeze zelfde plaats gevonden. Men verzekerde
my, dat het een onfeilbaar middel tegen de koorts was, en ik geloof,
dat het 't zelfde was met de Serpentaria Virginiana, of Virginische
Slangekruid. Eindelyk zag ik een plantgewas, genaamd Zeven-bloemen,
waar van de jonge Negerinnen zig dik wils bedienen, om de vrucht af
te dry ven. De groene pyn-appelen hebben ook, zoo men zegt, dezelfde
uitwerking.

Op deeze wyze eenen dag te Knoppemonbo hebbende doorgebragt, welke
niet alleen tot myn vermaak, maar ook tot myne onderrigting diende,
namen wy des avonds afscheid van onze vrienden, en keerden, wel te
vreden, naar de Hoop te rug, in een vaartuig vol met allerleije zoort
van geschenken, waar onder schoone Cocos-noten waren, welken één
der slaven in onze tegenwoordigheid plukte, na met eene ongemeene
gezwindheid den boom te zyn opgeklauterd, en aldaar een gevecht
te hebben doorgestaan tegen een zwarten slang, dien hy met zyn mes
overwon, en voor onze voeten dood deedt nedervallen.

De slaven van de Hoop en Fauconberg betoonden hunne achting voor
JOANNA en haaren zoon, door aan haar gevogelte, wild, visch, eijeren
en vruchten aan te bieden. De heer PALMER gaf ons eene groote meenigte
Indisch koorn tot voedzel voor ons gevogelte. Alles scheen dus tot
myn geluk mede te loopen, het welk echter merkelyk veranderde, toen
ik, den 18den, de tyding ontfing van het verlies van mynen vriend,
den heer WALTER KENNEDY, die korten tyd na zyne te rug komst in
Holland overleedt.

Om het leed, my door deeze gebeurtenis veroorzaakt, te verzetten,
gaf ik een kort bezoek aan den heer DE CACHELIEU, op zyne Plantagie
Egmond. Ik vond aldaar, onder meer andere lieden, eenen Planter,
een Italiaan van geboorte, die maar één arm had. Deeze man zat
naast my aan de tafel; en zonder dat hy eenige de minste uitdaging
van myne zyde konde bybrengen, nam hy een mes, en stak naar my van
agteren, tot groote verwondering van alle de dischgenooten. Den steek
gelukkiglyk hebbende afgekeerd, door hem den elleboog op te ligten,
het geen maakte, dat de punt van het mes over myn schouder heen ging,
stond ik oogenblikkelyk op, en ik zoude hem daar ter plaatse vermoord
hebben, zoo men my niet had tegen gehouden. Ik bood hem toen aan
met my te vechten, met zoodanig wapen, als hy verkiezen mogt, en
met éénen arm; maar de lafhartige zulks geweigerd hebbende, wierd hy
uit het gezelschap verjaagd, en naar zyne Plantagie, Hazard genaamd,
te rug gezonden.

Deeze schelm was zoo geweldadig, dat hy korten tyd te voren eene
Negerin, die agt maanden zwanger was, had laten geesselen, tot dat haar
de darmen uit het lyf kwamen, om dat zy een glas gebroken had. Een
van zyne mans slaven, die zyne gramschap poogde te ontwyken, wierd
door hem op staande voet om 't leven gebragt. Hy had 'er geen één,
wien het lichaam van het hoofd tot de voeten niet was van één gereten,
door de meenigvuldige kastydingen, welken hy hun deedt ondergaan.

Dewyl de Colonel FOURGEOUD my eene versterking van soldaten, benevens
een Heelmeester en geneesmiddelen, gezonden had, kreeg de wachtpost
van de Hoop een geheel ander voorkomen: vergenoegdheid en gezondheid
vertoonden zig aldaar wel dra op aller aangezichten. Ik zette vooral
de soldaten aan om visch te vangen, die alhier in grooten overvloed
was; en de Negers leerden hun de manier om dit te doen, het zy met
den haak, het zy met de mand. De eerste bestaat daar in, dat men een
buigbaaren en sterken stok in den grond steekt, en aan deszelfs einde
eene dubbele lyn vast maakt, welkers kortste gedeelte aan een stokjen
van tien duimen lengte gehecht is; het andere insgelyks aan een stok
van dezelfde lengte, maar veel lager vallende. Aan het einde van de
tweede lyn haakt men een kleinen visch aan de vinnen, latende hem de
mogelykheid van te zwemmen, en zorg dragende, dat hy aan een grooter
zoort van visch tot aas kan dienen; vervolgens steekt men nog twee
andere stokken in den grond, maar zoodanig, dat zy boven het water
uitsteken; men hecht dezelven te zamen door een anderen stok, die
zoo lang niet is, en aan het geheel de gedaante van een galg geeft,
boven welke de buigbaare stok door middel van deszelfs dubbele lyn en
kleinere stokken wordt heen getrokken, maar echter zoo gemakkelyk,
dat op de minste beweging, de geheele toestel uit elkander geraakt;
en deeze buigbaare stok zig dan van zelf opheffende, hangt de visch,
die met het aas gevangen is, aan een haak in de hoogte.

De tweede manier, Mansoa genaamd, gelykt veel naar de voorgaande. Men
werpt eene kleine biezen mand, die als een broodsuiker gemaakt is, in
het water, aan welkers punt men den buigbaaren stok vast maakt, terwyl
het ander einde even als een val open blyft, wordende het geheel door
een gespleten stuk hout in een rechten stand gehouden. Men doet ook
een kleinen visch in deeze mand; en zoo dra dezelve door een grooter
visch is ingeslokt, sluit de val of ingang van de mand zig agter
hem toe. Dit zoort van vischvangst verschilt daar in van de andere,
dat men geen haak noodig heeft. Deeze oordeelkundige manieren kunnen
een denkbeeld geven van de slimheid der Negers. Dezelve zyn daarom te
nuttiger, dewyl zy geen tyd doen verliezen, en men des anderen daags
den visch gevangen vindt; zynde doorgaans de Newmara of Barracota,
van welken ik reeds gesproken heb.

Onder de onderscheidene visschen, welken ik hier heb zien vangen, vind
men de Siliba, die klein is, van eene eyronde gedaante, en gespikkeld
als een ananas; de Sokay, die lekker en zeer dik is; de Torro-torro,
en nog een genaamd de Tarpoen: de eerste is drie voeten lang, en de
tweede, die wit is, omtrent twee voeten, zes duimen.

Den 26sten, zag ik eene jonge Negerin, Clardina genaamd, wier moed,
kragt, en gezwindheid ik zeer bewonderde. Een hart, zig van zyne troep
hebbende afgezonderd, liep den weg op; deeze vrouw greep hem aan een
agterpoot, in het midden van zynen loop; maar hem niet kunnende doen
stil staan, liet zy zig een zeer groot einde van den weg voortslepen,
en raakte haaren buit niet kwyt, dan na het bekomen van eene zwaare
wonde.

De post van de Hoop verschafte toen een aangenaam verblyf. De grond
was 'er volmaakt vast, en doorsneden met canalen, waar in by hooge
vloeden het water kwam. De heggen, die de tuinen en velden omheinden,
waren wel onderhouden, en bragten vrugten en groenten van allerleije
zoort voort, die ons tot levensmiddelen dienden. De huizen en bruggen
waren weder in orde gemaakt. Ik moedigde de soldaten aan, en beval
hun de grootste zindelykheid. Mitsdien had ik geen enkelen zieken,
onder vyftig manschappen, waar uit myne krygsbende bestond, op een
plaats, alwaar bevorens de land of zee-scheurbuik, en alle kwalen, die
door luiheid, morssigheid en ellende veröorzaakt worden, de grootste
verwoestingen hadden aangerecht. Van de zoo even vermelde twee zoorten
van scheurbuik, bedekte de eerste het geheele lyf met puistjes,
en de tweede deedt voornamelyk het tandvleesch en de tanden aan.

Ik genoot toen het volmaaktste genoegen, en de volkomenste gezondheid,
terwyl de meeste myner reisgenooten of gestorven, of naar Europa
vertrokken waren: 'er was toen geen enkel Officier in rang boven my,
uitgenomen de geenen, die zedert lang aan het luchtgestel van Guiana
gewend waren.

Maar laten wy naar mynen tuin te rug keeren.--Dezelve verschafte
my thans wortelen, kool, uijen, komkommers, latouw, radys, pry,
waterkers, enz. alles even goed als in Europa. 'Er was ook zuuring
van tweederleije zoort, gemeene en roode; de laatste groeit aan een
boompjen. Bloemen ontbraken my al mede niet; ik had verschillende
zoorten van Jasmyn. De meest geächte is een klein boompje, welkers
bloemen van eene bleek roode kleur zyn, maar fraay, en van eene
aangenaame geur; het heeft dikke, glinsterende bladeren, die vol
van een melkachtig sap zyn. Een zoort van kruidje roer my niet,
Shanne-shanne genaamd, vercierde mede deezen tuin; het geleek naar de
slaapende plant, aldus genoemd, om dat derzelver bladeren, by paaren
geplaatst, zig by het ondergaan der zon toesluiten, en dat de twee
'er dan slechts één schynen uit te maken; maar zoo dra dit hemellicht
opkoomt, scheiden zy zig van één, en vertoonen zig onder hunne dubbele
gedaante. Deeze gewassen waren tusschen myne heggen verspreid, en ik
kweekte bovendien granaat-boomen en Indische rozen-boomen [27] aan,
die dagelyks bloeijen. Eenige roode leliën, wier bladen glad, en van
eene zeer schitterende groene kleur zyn, omzoomden myne grachten:
zy groeien natuurlyk in de zand-woestynen.

In deezen gelukkigen staat, ontfingen wy het bezoek van verscheiden
lieden, en vooral van Mevrouw Z......, vergezeld door haaren broeder,
en door nog een ander, SCHADTS genaamd, die alle drie uit Holland
kwamen. Deeze vrouw wierd gehouden voor eene der schoonste vrouwen van
Europa, en te gelyk allerbekwaamst. Zy sprak verscheidene talen; in
de zang- en schilder-kunst muntte zy uit; zy danste met bevalligheid,
en reedt volmaakt te paard; zy kon met het geweer omgaan, en ging ter
jagt, enz. Haar in alle zoorten van oeffeningen willende onderricht
zien, bood ik haar aan om haar te leeren zwemmen, het geen zy gepast
oordeelde, om met een glimlach te weigeren.

De soldaten en Negers, die onder myn bevel stonden, en onder welken
de grootste eendracht heerschte, scheenen op dit oogenblik volmaakt
gelukkig. Ik zette de jonge lieden aan, om zig des avonds te vermaken,
en aan de in jaaren meer gevorderden schonk ik eenige glazen rhum uit.

Te midden echter van dit vrolyk leven, gaf ik eenen geheimen last,
om vuur te geven, en alarm te slaan, als of de vyand op de Plantagie
was. Ik had toen het genoegen te zien, dat alle de soldaten hunne
wapenen opvatteden, en met veel orde en onverschrokkenheid zig by
elkander verzamelden. Ik besloot vooral van deezen list gebruik te
maken, om dat men my berigt had, dat de muitelingen het oogmerk hadden
aan de Commewyne een bezoek te geven.

Onäangezien al het vermelde nopens onzen voorspoed, ondervonden wy
wel dra, dat 'er niets volmaakt, nog duurzaam op de weereld is. Het
saisoen van droogte eensklaps hebbende opgehouden, sleepten de ziekten
verscheiden van ons volk in het graf; en 'er stierven dagelyks tien
of twaalf op de legerplaats te Maagdenberg en aan de Java-Kreek.

Den 3den, verloor ik mynen Vaandrig CABANUS. Zyn dood deedt my zeer
leed. Hy had zyne aanstelling op myn verzoek verkregen, en bezat
eenen uitmuntenden inborst.

Den 4den Juny, verbrak de hooge vloed onze sluizen, terwyl wy op de
gezondheid van den Koning dronken, en de geheele wachtpost geraakte
daar door onder water, het geen eene groote verwarring veröorzaakte. In
deezen deerniswaardigen toestand, weigerde de Opzichter van de Hoop,
genaamd BLENDERMAN, my het toebrengen van de minste hulp, en daar
op volgde zulk een hevig geschil tusschen ons, dat hy tot zyn geluk
het hazenpad koos, en de Plantagie verliet. Nooit kwam ik ten einde,
indien ik alle de trekken van onbeschoftheid van deeze schelmen,
die grootendeels het uitschot van hun Land zyn, of Duitschers, aan
den Corporaals-stok gewoon, wilde opnoemen.

Den 7den, ging ik myne opwagting maken by den heer MORIN, Bestuurder
van de Plantagie de Hoop, en zig bevindende op een stuk land, dat
kortlings aangelegd, en aan de andere zyde der Rivier gelegen was,
ten einde hem recht te vragen tegen den onbeschoften Opzigter, die
by hem was. Maar de laaghartigheid van den laatstgemelden gelyk
staande met zyne onbeschaamdheid en wreedheid, gaf hy alles toe,
wat ik vorderde, en beloofde zelfs de sluizen te doen herstellen.

Op zekeren dag op deeze nieuwe velden, alwaar men reeds een zeer fraai
huis gebouwd had, wandelende, merkte ik eenige schoone vogelen op,
waar onder was de Pimpelmees. Ik had hem reeds voorlang behooren te
beschryven, gelyk nog een anderen, wiens naam my onbekend is, om dat
ik 'er gelegenheid toe gehad heb, toen ik myn verblyf op Maagdenberg
verhaalde; maar ik heb ze toen alleenlyk afgeteekend. De Pimpelmees
gelykt, wat de gedaante van zyn lyf belangt, ten naasten by naar
een Lyster. Zyne vederen zyn van eene fraaie kaneel-kleur, tusschen
bruin en geel gemengd; maar aan de stuit is hy geheel en al van de
laatstgemelde kleur. Eene kuif van kleine vederen, van dezelfde kleur
als het lyf, bedekt hem den kop, zyn staart is lang en zwart, zyn bek
recht, schraal, spits, en van eene zee-groene kleur. Zyne pooten en
oogäppels zyn ook van dezelfde groene kleur, en onder de laatstgemelden
ziet men van wederzyden twee vlakken van eene schoone karmosyn-kleur.

De andere vogel, wiens naam ik niet weet, maar dien de Negers echter
Woudo-lousso fowlo noemen, om dat hy zig met houtluizen voedt,
is grooter dan de eerste, en van ongemeene schitterende vederen
voorzien. Zyn kop en het bovenste gedeelte van zyn lyf zyn van eene
schoone grasgroene kleur; zyn borst en buik van een karmosyn-kleur,
en door eene aschgraauwe streep afgescheiden. Hy heeft een lange en
ligt blaauwe staart. De slagvederen van elk zyner vlerken, waar van de
plooy van het groen van het lyf door eene andere aschgraauwe en zeer
breede streep schynt afgescheiden te zyn, hebben dezelfde kleur als
de staart. Zyn bek is geel en gekromd, en met eene meenigte kleine
zwarte vederen bedekt, even als de omtrek van het oog, welks appel
eene bloedkleur heeft. Ik zag ook eenige Gallinas of Guineesche
hoenderen, alhier Tokay genaamd, en die overvloedig bekend zynde,
geene beschryving behoeven.

Onder de planten, welken ik op deeze zelfde plaats vond, merkte ik
de Americaansche Aloë op, welkers stam een half voet dik en twintig
voeten hoog was. Deeze stam, die altyd groen is, is vol met merg,
en voorzien van zeer spitse bladeren, welke aan den top in grootte
verminderen. Die aan den voet des booms zyn zeer talryk, lang en breed,
puntig, getand, en van zeer scherpe stekels voorzien. Boven aan den
stam groeit een hoop bloemen, waar van de steel het zaad, of de kiem
van de aanstaande Aloë bevat, welke in den tyd van twee maanden tot
den staat van volkomenheid koomt, zonder dat dit ooit faalt.

Aan de zyde der bosschen, die ons omringden, zag ik ook de
Banille-Boom, eene plant, die door middel van haare kronkelende ranken,
zig, even als het eiloof, aan den stam der boomen vasthecht. Deszelfs
bladeren zyn ongemeen dik, en van eene donker groene kleur. Zyne vrucht
bestaat in eene driehoekige peul van zes of agt duimen lengte, en vol
met gladde zaadjes, Deeze peulen, welken men in één agter-middag in de
zon laat droogen, worden bruin, hebben eene uitmuntende specery-reuk,
en een aangenaamen smaak, het geen de reden is, dat men 'er zig van
bedient, om aan de chocolaad een geur te geven. 'Er zyn verscheiden
zoorten van Banille-boomen, maar de meest geachte heeft lange en
dunne peulen. De Negers vertoonden my ook een klein zoetachtig zaad,
het welk zy bongora noemen.

By myne te rug komst aan de Hoop, ontmoete ik COJO, den oom van JOANNA,
die my een huilenden Aap bragt, door hem gedood. De Aapen van dit
zoort hebben de grootte van een kleine steendogge. Zy hebben een
baard, lange en roode hairen, en over 't geheel zyn zy uittermaten
leelyk. Maar het geen hen voornamelyk van andere Aapen onderscheidt,
is het ysselyk gehuil, het welk talryke hoopen van deeze dieren
gezamentlyk doen hooren, en op zulk een hoogen toon, dat het op den
afstand van een myl door de ooren klinkt. De Negers verzekerden my,
dat zy doorgaans, dag en nacht, by hoog water, het welk zy door eene
aangeborene neiging weten, deeze wanluidende gezangen herhalen.--Van
zoodanig een verstand der dieren sprekende, kan ik niet nalaten het
volgende aller zonderlingst geval te vermelden; ik zal vervolgens
tot het geschiedkundig gedeelte van myn verhaal te rug keeren.

Ik ontfing, den 16den, een bezoek van één myner buuren, wien ik
myn trap deed opklimmen; maar hy had nog naauwlyks den voet in myne
lucht-woning gezet, of hy sprong van boven naar beneden, schreeuwende
van de verschrikkelykste pynen; en hy dompelde zig dadelyk in de
Rivier, met het hoofd vooruit. Boven my heen kykende, ontdekte ik wel
dra, dat dit voorval veroorzaakt was door een zeer groot nest van wilde
byën, of wassy-wassy, het welk zig geplaatst had in het rieten dak,
recht boven myn hoofd, wanneer ik in myne kamer intrad. Ik liep dus
ook op myn beurt weg, en gelastte de slaven, om dit nest onverwyld
uit te roeijen. Zy gongen aan het werk, toen een oude Neger hen
tegenhield, en zig onderwierp tot het ondergaan van alle straffen,
die ik hem wilde aandoen, indien eene enkele van deeze byën my ooit
of ooit steken zoude. "Massera, zeide hy my, deeze dieren zouden u
reeds lang mishandeld hebben, indien gy hun vreemd geweest waart,
maar zy zyn uwe huisgenooten; gy hebt hun stilzwygend toegestaan,
om alhier hunne woonplaats te houden; zy kennen u zekerlyk, en nooit
zullen zy u, nog de uwen, kwetsen". Ik stemde dadelyk in het voorstel
van deezen man toe; en hem aan een boom hebbende doen vastbinden,
gelastte ik QUACO de trap op te klimmen, byna naakt, het geen hy deedt,
zonder gestoken te worden. Toen waagde ik het om hem te volgen; en ik
verklaar op myn woord van eer, dat zelfs na aan het nest geschud te
hebben, waar op de byën 'er al brommende uit vlogen, en rondom myn
aangezicht heen draaiden, geene derzelver my trachte te steken. Ik
stelde dus den ouden Neger weder in vryheid, en gaf hem een glas rhum,
en vyf schellingen, tot zyne belooning. Ik behield vervolgens deeze
kleine byënkorf, zonder eenig gevaar voor my zelf, en ik maakte 'er
myne lyfwagt van. Tot myn groot vermaak deeden zy eenige Opzichters,
welken ik, onder het één of ander voorwendzel, de trap deed opklimmen,
wanneer ik hunne onrechtvaardigheid en wreedheid straffen wilde,
verscheiden malen aartige sprongen doen.

Dezelfde Neger verzekerde my, dat 'er voorheen op de Plantagie van
zynen meester een boom stond, waar op, zoo lang zyn geheugen reikte,
een gezelschap van vogelen en een zwerm byën genesteld waren, die in
eene volmaakte eendracht zamen leefden: maar indien eenige vreemde
vogelen de byën kwamen stooren, verdreven hunne gepluimde bondgenooten
dezelven aanstonds; zoo ook, wanneer vreemde byën tot in de nesten
der vogelen durfden doordringen, wierp zig de zwerm, die aldaar
t'huis hoorde, op de aanvallers, en doodde dezelven. De eigenaar
der Plantagie en zyn geheele huisgezin, hadden zulk een eerbied voor
deeze maatschappye, dat zy den boom als heilig beschouwden en niet
gedoogden, dat men dien om ver hakte. Dienvolgende viel hy eindelyk
van ouderdom om ver.

Den 22sten, kwamen eenige manschappen van Rietwyk aan de Peréca aan,
en berigtten my, dat een gedeelte van ons krygsvolk aan de Java-Kreek
was te rug gekomen, na tot by Vrydenburg aan de Maroni geweest te
zyn; dat zy, gezamentlyk met de Jagers, geduurende deezen veldtocht,
verscheiden bezaayde landen, aan de muitelingen toebehoorende,
verwoest hadden; en dat deeze zelfde Jagers, uit hoofde van hunne
byzondere diensten, van de Compagnie nieuwe wapenen ontfangen hadden,
als mede eene monteering, bestaande in een groen buisje, zynde dit het
eerste, het welk zy gedragen hadden. Ik vernam ook, te gelyker tyd,
dat de genen, die aan de Oucas- en Sarameca-Negers gezonden waren, na
eene nuttelooze reize waren te rug gekomen; want deeze beide volken
wilden ons met geene hulp bystaan. Ingevolge van deeze weigering,
nam de Colonel FOURGEOUD, die zig eindelyk afgemat gevoelde, en zyn
volk door het vernielen van het grootste gedeelte van de bezittingen
der muitelingen had uitgeput, het besluit om deezen tocht te staken;
maar vooraf gaf hy van dit zyn besluit kennis aan zyne Doorluchtige
Hoogheid den Prins van Orange.

Den 23sten, ontfing ik stelligen last, om my tot myn vertrek gereed
te houden tegen den 15den July, met al het volk, het welk onder myn
bevel stond, vervolgens de Commewyne te verlaten, en naar Paramaribo
af te zakken, alwaar schepen gereed lagen, om ons naar Holland over
te voeren. Ik las oogenblikkelyk dit bevel aan alle myne soldaten
voor, die het met vervoering van vreugde, en driewerf herhaalde
toejuichingen, aanhoorden.--Maar ik zuchtte 'er over. Myne geliefde
JOANNA en myn zoon waren beiden toen zeer ziek, de eerste had de
koorts, de ander was door struiptrekkingen aangetast, en men wanhoopte
aan hun leven. Om myne ellende ten hoogsten top te brengen, indien men
de kwaalen van het lichaam met die der ziele gelyk kan stellen, trapte
ik ter zelfder tyd op een spyker, die vry diep in den voet indrong.

In deeze smartelyke gesteldheid, kwam de Nacht-uil van Guiana ons
regelmatig zyn nacht-bezoek geven. Hy kwam zelfs in myne kamer, en liet
aldaar zyn naar geluid hooren. Deeze vogel wordt alhier Ourou-coucou
genoemd, om dat zyn geschreeuw met deeze woorden eenige overëenkomst
heeft. Hy heeft ten naasten by de grootte van een duif. Zyn bek is
geel en gekromd even als die van een valk; hy heeft een gespleten tong;
zyne oogen zyn ook geel, en zyne ooren zeer zichtbaar. Hy heeft korte,
sterke pooten met zeer puntige nagels gewapend. De algemeene kleur
der vederen van deezen Nachtuil is helder bruin, uitgenomen aan den
hals en aan de buik, die wit zyn, met eenige gryze vlakken daar onder
gemengd. De Negers, die zeer bygeloovig zyn, stellen algemeen, dat
de tegenwoordigheid van den Nachtuil een teeken van den dood is. Dit
vooroordeel is echter verschoonlyk, om dat deeze vogel vermaak vindt
met zig in een zieken-kamer optehouden; mogelyk wordt hy derwaarts
gelokt door het licht der lampen, welken men den geheelen nacht brandt,
of liever door de benaauwde lucht, die hem doet hoopen, aldaar eenigen
buit aan te treffen,

Eene oude Indiane, aan welke JOANNA kennis hadt, haar te deezer tyd op
de Hoop een bezoek zynde komen geven, was ik door haare bekwaamheid en
zorge spoedig geneezen. Maar myn klein huisgezin bleef by aanhoudenheid
in zulk een ellendigen staat, dat ik besloot haar naar Paramaribo
te doen vertrekken, eer het te laat mogt zyn. Den 10den zond ik ook
myne kudde vee en gevogelte naar Fauconberg: ik hield echter twee
vette schapen, die ik liet slachten, en waar op, mitsgaders op wild
en visch, ik geduurende twee dagen vier-en-twintig der aanzienlykste
inwooners uit den omtrek deezer Rivier onthaalde. Myn waarde vriend,
JACQUES GOURLEY, gaf my, by deeze gelegenheid, wit brood, Spaanschen
wyn, en vruchten ten geschenke.

Den 13den, gelastte ik aan het krygsvolk, het welk op Klarenbeek
geplaatst was, alwaar men voor de tweede maal een Hospitaal had
opgericht, de Rivier af te zakken; en dien zelfden avond kwamen zy
op de Hoop aan.

Den 14den, kwam een Officier van 's Compagnies krygsvolk my in het
bevel aan de Rivier aflossen; en van dit oogenblik begonnen zyne
soldaten den dienst waar te nemen.

Des avonds van dien zelfden dag, nam ik afscheid van de nabestaanden
van JOANNA, die op de Plantagie Fauconberg woonden. Deeze goede lieden
omringden my, en betuigden my hun innerlyk leedwezen over myn vertrek;
en met de traanen in de oogen, baden zy den Hemel my te beschermen,
en my eene voorspoedige reize te schenken.

Den 15den, verlieten wy eindelyk den wachtpost van de Hoop. Myne
soldaten gingen des morgens ten tien uuren aan boord van de vaartuigen;
op den middag deed ik een pistool-schoot, om het anker te doen ligten;
wy zakten vervolgens de Commewyne af, om op de rheede van Paramaribo
te komen, en ons van daar naar Europa in te schepen.



ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De
Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te
ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der
Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe
byzonderheden betrekkelyk de Negers.

Des avonds van den dag van ons vertrek lieten wy het anker vallen by
de Plantagie Berkshoven, toebehoorende aan dien zelfden heer GOURLEY,
van wien ik op het einde van het voorige Hooftstuk gesproken heb, en
by wien ik den nacht doorbragt. Des anderen daags morgens vervolgden
wy onze reize, en ik nam afscheid van den heer PALMER. Ik bragt den
avond en den nacht van den 17den met den Capiten MACNEYL door; en den
18den, liet onze kleine vloot, bestaande uit myne vaartuigen, en de
genen, die van Maagdenberg en de Cottica kwamen, het anker vallen op
de rheede van Paramaribo, alwaar het krygsvolk, het welk onder myn
bevel stond, oogenblikkelyk aan boord ging van de Transport-schepen,
die ons aldaar reeds wagtten.

Zoo dra zy aan boord waren, ging ik aan wal, om 'er aan den Colonel
FOURGEOUD bericht van te geven. Vervolgens ging ik JOANNA en myn zoon
zien, welken ik, tot myne groote blydschap, volmaakt hersteld vond.

Des anderen daags keerde ik naar het schip te rug, om alles tot onze
reize gereed te maken.

Den 20sten, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, op
wiens tafel ik tot myne verwondering zag opdisschen twee visschen,
van welken ik nog niets gezegd heb. De één word hier Haddok genoemd,
en gelykt veel naar onze wyting, schoon een weinig grooter en
witter van kleur. De andere draagt den naam van Separy, en gelykt
naar de aschkleurige roch. Op het nageregt zag ik een vrucht, die in
Surinamen den naam van Zurzaka draagt. Het is dezelfde, zoo ik meen,
die wy in Engeland noemen Soursap. Dezelve groeit aan een boom van
middelmatige grootte, waar van de schors grys is, en de bladeren gelyk
zyn aan die van den oranje-boom, maar aan paaren gerangschikt. De
vrucht is van eene spits toeloopende gedaante, en zwaarder, dan de
grootste peer: over het geheel heeft dezelve punten, maar die niet
steeken. Derzelver vleesch, het welk eene zeer harde schil rondom
zig heeft, is van eene mergachtige zelfstandigheid, zoo wit als
melk, van een zeer zoeten smaak met een aangenaam zuur vermengd, en
zaad-korrels in zig bevattende, even als een groote appel. Men vindt
ook een ander zoort van Zurzaka, [28] naar hop gelykende, maar die
van geen gebruik is. Op het zelfde nageregt, hadden wy ook nog eene
vrucht, Sabatille genaamd, welke aan een zeer zwaaren boom groeit,
waar van de bladeren gelyk zyn aan die van den Laurier-boom. Deeze
vrucht heeft de gedaante van eene zeer ronde persik; zy is van eene
bruine kleur, en met een zeer zacht dons overdekt. Men zoude derzelver
vleeschachtig gedeelte aanzien voor eene marmelade vol zaadkorrels;
maar het is zoo zoet en laf, dat veelen het niet eeten kunnen.

Den 21sten, ontfingen wy onze soldye, maar in papieren geld, waar
op wy een zeer merkelyk verlies leden. Ik ging oogenblikkelyk aan
Mevrouw GODEFROY een bezoek geven; ik stelde haar al het geld ter
hand, het welk ik in myn zak had, en niet meer dan veertig ponden
sterling bedroeg. Deeze uitmuntende vrouw drong by my op nieuw, maar
vrugteloos aan, dat ik mynen zoon en zyne moeder naar Europa zoude
mede nemen. JOANNA was onverzettelyk. Zy bleef 'er by van niet te
willen vertrekken, voor dat haare losprys volkomen was afbetaald. Wy
hielden ons dus, als wilden wy ons lot met eene volmaakte onderwerping
dragen; maar het geen wy 'er in ons eigen hart van ondervonden,
laat zig gemakkelyker begrypen, dan beschryven.

Onze vaandels wierden, den 23sten, in groote plechtigheid aan boord
gebracht. Het Fort Zelandia echter bewees aan dezelven geene de minste
eer; men deedt geen enkelen kanon-schoot, en zelfs wierd 'er op de
vestingwerken geen vlag opgeheist, het geen den Colonel FOURGEOUD
een onëindigen spyt deedt. Hy moest het echter alleenlyk wyten
aan zyne eigene achteloosheid; want hy had aan den Gouverneur geen
behoorlyk bericht van zyn vertrek gegeven. Al het krygstuig en verdere
goederen wierden ook ingescheept; en een Colonist, VAN HEYST genaamd,
deedt, op zyne eigene kosten, drie honderd flessen wyn, vruchten,
en onderscheidene eetbaare waaren, onder de soldaten uitdeelen.

Ik heb te meermalen van de gastvryheid en edelmoedigheid van de
inwooners deezer Volkplanting gesproken. Ik ondervond 'er in dit
oogenblik de blyken van, daar ik van myne talryke vrienden, versche en
ingelegde vruchten tot mynen overtocht ontfing. Onder de laatstgemelden
vond ik Papaijes, zynde de vruchten van den Papaijen-boom, het wyfje
namelyk, want het mannetje brengt geene vruchten voort, Deeze boom
groeit op tot de hoogte van byna twintig voeten. Zyne stam loopt
recht, is vol merg, en door een gryzen schors omgeven; zyne bladeren
maken aan den top een zoort van kroon; zy zyn uittermaten breed,
getand, en bedragen slechts een getal van veertien of zestien. De
vrucht groeit dicht by den top, en de bloem geeft eene aangenaame
geur van zig. De Papaije, tot haare volwassenheid gekomen zynde,
heeft de grootte en gedaante van een water-meloen; maar haar vleesch
is harder en vaster, en in het begin groen zynde, word zy naderhand
geel. Het binnenste gedeelte van dit vleesch is sponsachtig, zoet,
en onëindig vol met korrels. Men snydt deeze vrucht in verscheiden
stukken, wanneer zy volkomen ryp is; dan laat men ze koken, en zy
heeft de zelfde smaak als Engelsche raapen; maar men bedient 'er
zig voornamelyk van, om ze in suiker in te leggen, wanneer ze nog
jong is, te gelyk met haare bloemen, die zeer geurig en zeer gezond
zyn. Men had my ook ingelegde Gember gezonden; deeze is de wortel van
een zoort van riet, het welk nooit hooger groeit, dan twee voeten,
en waar van de bladen lang, smal en puntig zyn. Deeze wortels zyn
knobbelachtig, plat gemaakt, klein, en van verschillende gedaanten,
zeer veel gelykende naar aardäppelen, en ten naasten by van dezelfde
kleur van binnen, maar vezelachtig, veel zuur in zig bevattende,
en van een speceryächtigen en zeer heeten smaak. Men weet, dat deeze
wortel niet alleen eene goede ingelegde fruit verschaft, maar ook in
verscheiden gevallen een uitmuntend geneesmiddel.

Den 24sten July, toen wy zeilree lagen, gingen wy eindelyk gezamenlyk
zyne Excellentie, den Gouverneur der Volkplanting, begroeten, die
ons met de grootste beleefdheid ontfangende, aan onzen Oversten
te kennen gaf, dat, indien hy dit oogenblik had afgewagt, om zyne
vaandels aan boord te zenden, hy hun zekerlyk de eere bewezen zoude
hebben, die hy hun ontegenspreekelyk verschuldigd was. Toen wy in
het hoofdquartier waren te rug gekomen, zondt hy de gezamentlyke
Officiers der Compagnie mede plechtig derwaarts; om ons eene gelukkige
reize te wenschen. In alles wat plechtige wellevendheid betrof, was
de Gouverneur ontwyffelbaar onzen Colonel ver voor uit; en ik had
byna een hevigen twist met hem gehad, om dat hy aan zommigen zyner
gunstelingen iets in het oor had gefluisterd. De Officiers vervoegden
zig toen by de soldaten, die zedert den 18den waren ingescheept, en
het deerniswaardig overschot deezer fraaie Zee-krygsbende bevondt
zig nu eindelyk op een schip, het welk gereed lag, om des anderen
daags naar Europa te stevenen. De vergenoegdheid blonk op aller
aangezichten, één alleen uitgezonderd; en niets konde evenaaren aan
de opgetogenheid van algemeene vreugde, toen men den volgenden morgen
bevel gaf, om het anker te ligten, en in zee te steken.

Maar het lot had beschooren, dat de levendigste en meest gegronde hoop
nog eenmaal vervallen zoude. Op het zelfde oogenblik van het vertrek,
kwam een Schip de Rivier opzeilen. Het zelve bragt brieven mede, waar
by onze krygsbende gelast wierd, zig weder in de bosschen te begeven,
en in de Volkplanting te blyven, tot dat zy door nieuw krygsvolk, het
welk men tot dat einde uit Holland zenden zoude, wierd afgelost. Men
las vervolgens aan de soldaten, die op het dek van elk schip geschaard
stonden, de oprechte dankbetuigingen voor van zyne Doorluchtige
Hoogheid den Prins van Orange, voor den moed en standvastigheid, waar
mede zy de grootste vermoeijenissen en schroomelykste gevaaren hadden
doorgestaan. Maar dewyl hier op volgde het bevel om te ontschepen,
en dien afgryzelyken dienst voort te zetten, bemerkte ik nimmer
zoo veel neerslagtigheid, zoo veel misnoegen en wanhoop; terwyl ik,
die tot op dit oogenblik een volmaakt ellendeling was geweest, op
myn beurt de eenige was, wien de droefheid niet had ter nedergeslagen.

In het midden van dit droevig toneel, gelastte men een driewerf Hoezée,
het geen de soldaten van één der schepen volstrekt weigerden. De
Colonel SEYBOURG en ik (by ongeluk) kregen bevel, om hen daar
toe te noodzaken. Deeze Officier, voor zoo veel hem betrof, deedt
zulks met den stok in de hoogte, en het pistool in de hand. Zynen
gramstoorigen en oploopenden inborst kennende, was ik thans voor
de gevolgen hoogst beducht. Ik sprong oogenblikkelyk in de sloep,
die op zyde van één der schepen lag; aldaar sprak ik de genen aan,
die op het dek met het hoofd gebogen stonden, en ik beloofde twintig
glazen brandewyn voor al het volk, indien zy dit droevig geroep wilden
aanheffen. Vervolgens op het schip geklommen zynde, gaf ik aan den
Colonel SEYBOURG bericht, dat alle de soldaten thans bereid waren
aan zyne bevelen te gehoorzamen. Wy gingen dus weder in de sloep, en
by ons heengaan, hadden wy het genoegen het driemaal herhaald geroep
van Hoezée te ontfangen, het welk door de matroozen van goeder harten
gedaan wierd, waar by zig eenige zee-soldaten voegden, maar op zulk
een neêrslagtigen toon, dat het my onmogelyk is, zulks te beschryven.

De goedhartigheid van den Prins van Orange bleek echter op eene
doorslaande manier by deeze gelegenheid, want hy gelastte, dat het geen
deezen en geenen van het volk aan Artsen en Heelmeesters verschuldigd
waren, uit de kas betaald zoude worden. Van hoe weinig aanbelang dit
ook scheen, was dit geene kleinigheid voor verscheiden Officiers, en
betoonde in zyne Doorluchtige Hoogheid eene oplettendheid, die men by
de Vorsten niet altyd aantreft. Zy wisten bovendien allen, hoe veel
deel hy in het leed van zyne soldaten nam; maar hy konde hen daar van
niet bevryden, zonder het algemeen belang in de waagschaal te stellen.

Zoo al dit tegen-bevel ons volk met droefheid aandeedt, het gaf aan de
meeste Colonisten een groot vermaak. De voornaamste derzelven hadden,
eenige dagen te vooren, een verzoek-schrift aan den Colonel FOURGEOUD
geteekend en aangeboden, waar by zy hem verzogten, "nog eenigen tyd
met zyn volk te blyven, en het geen hy zoo roemryk begonnen had,
te volvoeren, door by aanhoudenheid de muitelingen te ontrusten
en te verstrooijen, het welk hun eindelyk geheel zoude t'onder
brengen". Zekerlyk had onze krygsbende, gezamentlyk met het krygsvolk
der Sociëteit en de Jagers, het grootste gedeelte van de bezittingen
der muitelingen in de Volkplanting vernield, en hen genoodzaakt zoo
ver heen te vluchten, dat de strooperyen en het wegloopen der slaven
ongelyk veel zeldzaamer waren, dan by onze komst. Het was ongetwyffeld
beter van dit middel gebruik te maken, dan eenen schandelyken vrede
te sluiten, gelyk men met de Oucas- en Saraméca-Negers gedaan had,
en waarschynlyk ook zoude plaats gehad hebben, indien men ons niet
naar Guiana gezonden had.

Ik kan niet nalaten, tot bewys van het onbeschaafd character der
laatstgemelden, een gesprek te verhalen, door my met één van hun
gehouden, terwyl ons volk, alvorens weder te veld te gaan, zig
te Paramaribo ophield. By den Capitain MACNEYL, die toen van zyne
Plantagie in de Stad te rug kwam, ten eeten zynde, kwam een Capitain
der Oucas-Negers, onze zoogenaamde bondgenooten, aan de vrouw van
't huis om geld vragen. Hy was zoo verveelend, dat ik in het Engelsch
den raad gaf, "hem een glas wyn te geven, en hem weg te zenden". My
gehoord hebbende, stelde hy my voor buiten te komen, en zyn stok
met een zilvere knop oplichtende, vroeg hy my: "Of ik de heer van
't huis was; en zoo niet, waar ik my dan mede bemoeide"? "Ik ben",
zeide hy, met eene donderende stem, "Capitain FORTUNE DAGO-SO; en
indien ik u in myn Land by de Oucas had, ik zoude den grond met uw
bloed bevochtigen". Ik antwoordde hem, myn sabel trekkende; "Dat myn
naam STEDMAN was, en dat, indien hy nog eenmaal zulke onbeschaamde
woorden dorst uitten, ik hem oogenblikkelyk een houw zou geven". Daar
op kraakte hy met zyne vingers, en verliet ons. Ik was over dit
voorval zeer te onvreden, en keurde zeer af, dat de Colonel FOURGEOUD
aan zulke roovers zoo veel achting betoonde. Des avonds, ter maaltyd
uitgaande, ontmoette ik den zelfden Neger, die eensklaps bleef staan,
en my zeide: "Massera, gy zyt een man, een braaf man; wildt gy eenig
geld aan Capitain FORTUNE geven"? Het op een barssen toon aan hem
geweigerd hebbende, kustte hy my de hand, en vertoonde my zyne tanden,
tot een blyk van verzoening, zoo hy my zeide; en hy beloofde my, om my
pistache-nooten ten geschenke te zenden, die echter nooit gekomen zyn.

Schoon ons verblyf in Surinamen eenigen tyd verlengd wierd, konde
onze dienst aldaar aan de Volkplanting van weinig nut meer zyn. Ons
getal was byna tot niet versmolten, en hoe zwak het ook was,
toen wy op nieuw ontscheepten, deedt men, op den 1sten Augustus,
nog negen Officiers, en meer dan één honderd zestig ongeneeslyke of
zieke soldaten, naar Holland vertrekken. Ik had toen de koorts, en
de Colonel gaf my dienvolgende verlof om mede scheep te gaan; maar
ik weigerde zulks, besloten hebbende, om, zoo mogelyk, het einde van
deezen tocht te zien. Ik maakte echter van deeze gelegenheid gebruik,
om eenige geschenken aan myne vrienden in Europa te zenden, bestaande
in twee fraaije Papegaaijen, in twee Aapen van een zeer merkwaardig
zoort, in eene voortreffelyke verzameling van fraaije Kapellen,
in drie kistjens met ingelegde fruiten en vleesch, welken ik aan
boord van het Schip Paramaribo deed brengen, en aan de zorge van den
Sergeant FOWLER aanbeval, die ongelukkiglyk één van de zieken was,
welken men naar Amsterdam zond.

De Majoor MEDLAR, die door vermoeienis ten eenemaal was uitgeput,
vertrok toen ook naar Holland. Ik nam in zyne afwezigheid zynen post
waar, en ik wanhoopte niet, om zelf t'eeniger tyd onze krygsbende te
rug te brengen, indien het getal van onze Officiers dagelyks zoodanig
verminderde. Onder de geenen, die overbleven, werden 'er egter twee
gevonden, die moeds genoeg hadden een huwelyk te wagen, en ieder met
eene Creoolsche weduwe trouwden.

Toen rust en stilte genietende, bekwam ik weder genoegzaame kragten,
om my, den 10den, naar Mevrouw GODEFROY te begeven, aan wien ik myn
verlangen te kennen gaf, om ten minsten JOHNNY STEDMAN vry te maken,
en ik verzogt haar, dat zy, door zig voor de gewoone somme van drie
honderd ponden sterling by den Raad tot borge te stellen, verklaaren
wilde, dat hy nimmer tot last van de Volkplanting van Surinamen
komen zoude. Maar zy weigerde het my stellig, schoon zy geen gevaar
hoe genaamd te loopen had, en het een niets beduidende zaak was,
alleenlyk om aan het voorschrift van de wet te voldoen. Ik konde niet
nalaten daar over myne verwondering te betuigen, die nochtans ophield,
toen ik vernam, dat deeze vrouw die zelfde gunst aan haaren eigen
zoon geweigerd had.

Ik kan van de slavernye niet spreken, zonder my eene schuld te
herinneren, welke ik aan den lezer nog niet heb afgedaan. Ik heb
reeds eenige byzonderheden opgegeven omtrent de manier, op welke
de slaven in dit Land verkogt en behandeld worden; maar ik gevoel,
dat ik nopens dit onderwerp niet uitgebreid genoeg geweest ben, en
ik verbeelde my voegzaam te zyn, dat ik alle de berichten, welken
ik omtrent de Negers bekomen heb, mede deele. Ik vleije my zaaken te
zullen vermelden, waar op men geene aandacht genoeg gevestigd heeft,
of die tot hier toe slechts onvolkomen zyn verhaald geworden.

Ik begin met de kleur der Negers, en ik houde my verzekerd, zoo als
ik reeds te vooren heb opgemerkt, dat zy geheel en al moet worden
toegeschreven aan de brandende luchtstreek, waar in zy leven, en aan
derzelver verhitten dampkring door die regelmatige winden, die over
eindelooze zand-woestynen heen waaijen, alvorens zy tot eenig bewoond
land komen. De Indianen van America, die onder denzelfden graad van
breedte woonen, ontfangen deeze verkoelde winden in tegendeel door
den Atlantischen Oceaan, en hebben eene koper-kleur; de inwooners
van Abyssinië, die dezelven al mede ontfangen, na dat ze door de
Indische Zee gematigd zyn, hebben geheel en al eene olyf-kleur. Zoo
ook aan het noordelyk gedeelte van de groote Rivier van Senegal,
verandert de kleur der huid van zwart tot bruin onder de Mooren,
gelyk zy aan den zuidkant doet onder de Kaffers en Hottentotten: ik
ben zelfs van gevoelen, dat de wolachtige hoedanigheid van het hair
der Negers een uitwerkzel is van die zelfde oorzaak. Ik heb meer dan
eens de opperhuid der Negers zien ontleden; zy is doorschynend en
helder, maar tusschen dezelve en de waare huid, vindt men een dunne
plaat of blad, dat volmaakt zwart is, en door strenge geesselingen
of door het mes weggenomen zynde, eene kleur doet te voorschyn komen,
niet minder dan die van de huid van een Europeaan.

Twee blanke Negers wierden in Surinamen, op de Plantagie Vossenberg,
geboren van ouders, die volmaakt zwart waren. De eerste van dezelven
was een meisjen, en wierd, in het jaar 1734, naar Parys gezonden;
de tweede was een jongen, en wierd geboren in 't jaar 1738. In 't
jaar 1794, heeft men in Engeland eene dergelyke vrouw gezien, genaamd
EMILIA LEWSAM, wier kinderen, schoon zy met een Europeaan getrouwd
was, allen Mulatten waren. De huid van diergelyke persoonen is zoo
wit niet als de onze; zy gelykt naar een kryt-kleur: zoodanig is ook
de kleur van hunne hairen. Hunne oogen zyn dikwils rood, [29] en zy
zien naauwlyks in de heldere zonneschyn. Zy zyn tot geenerhande zoort
van arbeid geschikt; en hunne verstandelyke vermogens beantwoorden
doorgaans, zoo men my gezegd heeft, aan de zwakheid van hun lichaam.

De uiterlyke gedaante der Africaansche Negers is, van het hoofd tot
de voeten, verschillende van die der Europeanen, schoon naar myne
gedachten, en alle vooröordeel ter zyde gesteld, van geene mindere
hoedanigheid. Hunne uiterlyke trekken, hunne platte neus, hunne
dikke lippen, hunne bolle wangen, kunnen ons mismaakt schynen; en
echter onder hen geheel anders beschouwd worden. Wy zyn genoodzaakt
hunne zwarte en schitterende oogen, hunne witte reijen tanden
te bewonderen. Een der voordeelen van de lichaams gesteldheid der
Negers bestaat daar in, dat men onder hen nooit een kwynend en bleek
persoon ziet, gelyk men zoo dikwils in Europa ontmoet. De rimpels, en
andere gevolgen van den ouderdom, zyn by hen ook zoo zichtbaar niet,
schoon ik echter toestemme, dat wanneer een Neger ernstig ziek is,
zyne zwarte kleur eene aller onaangenaamste bleeke olyf-kleur bekoomt.

De Negers zyn zekerlyk meer dan wy geschikt tot oeffeningen, tot
welken kracht van lichaam en knaphandigheid noodig is. Over het
algemeen wel gespierd en sterk van romp zynde, zyn hunne uiterlyke
ledematen fyner. Hunne borst is zeer schoon, maar zy hebben naauwe
heupen. Hunne dyen zyn dik en sterk; zoo ook hunne armen, boven den
elleboog; maar de gewrichten van hunne hand, en het onderste gedeelte
van hunne beenen zyn zeer langwerpig. Derzelver krom gebogene gedaante
moet men toeschryven aan de manier, op welke de moeder haar kind op
den rug draagt. Zy verwydert de beenen des kinds van elkander, zo dat
dezelve tegen haar midden drukken, het geen dit zoort van mismaaktheid
veröorzaakt, waar mede het kind niet geboren is: bovendien leert
zy aan het zelve het loopen niet, zy laat het in het zand en gras
kruipen, en het staat niet over einde, dan wanneer het 'er kracht en
lust toe heeft, het geen spoedig gebeurt. De houding der voeten wordt
echter door deeze gewoonte zeer verwaarloosd, maar door middel van
lichaams-oeffening en dagelyksche baden, verkrygt het kind die kragt
en vaardigheid, welken alle de Negers in den hoogsten graad bezitten.

Zy hebben nog eene andere gewoonte, die, naar hunne gedachten, zeer
veel tot bevordering van hunne sterkte en gezondheid toebrengt. In de
twee eerste jaaren, dat de moeder haar kind zoogt, doet zy het zelve
dikwils eene groote meenigte water inzwelgen, waar na zy het twee malen
daags zeer sterk schudt: zy neemt het ook by een been of by een arm,
en wascht deszelfs huid in de Rivier af. De meisjens worden op dezelfde
wyze als de jongens opgevoed. Tot eenen zekeren ouderdom gekomen zynde,
behoeven zy voor de mannen niet onder te doen, dan in grootte; zommige
zelfs winnen het hun af, in het loopen, in het vechten met de vuist,
in het danssen, in het zwemmen, en in het klauteren tot boven in de
boomen. Op die wyze kan men, door eene geschikte opvoeding, een stam
van Amazonen vormen.

Deeze sterk gespierde meisjens van de gezengde luchtstreek zyn
merkwaardig door haare vruchtbaarheid. Ik heb eene slavin gekend,
Esperanza genaamd, en tot de Plantagie van den heer DE GRAAF
behoorende, die in drie jaaren en in drie kramen negen kinderen had
ter weereld gebragt: de eerste keer vier; de tweede twee, en de derde
drie. De Negerinnen baaren haare kinderen zonder moeite, en, even
als de Indiaansche vrouwen, hernemen zy haare dagelyksche bezigheden
op den dag van haare bevalling zelven. Geduurende de eerste week, zyn
haare kinderen volstrekt als die van de Europeanen, uitgenomen echter,
dat men in de jongetjens eene zwartächtige vlak op zeker deel van het
lichaam ziet, waar na het in 't kort geheel en al van dezelfde kleur
wordt. De meisjens komen vroegtydig tot jaaren van huwbaarheid, maar
het is met haar, als met de vruchten van deeze luchtstreek, zy vallen
schielyk af. Verscheiden Negers bereiken nogtans eenen hoogen ouderdom:
ik heb 'er één of twee gezien, die meer dan honderd jaren oud waren;
en de Londonsche Kronyk van den 5den October 1780 maakt melding van
eene Negerin, LOUISA TRUXO genaamd, die toen te Cordua du Tucunna,
in Zuid-America, leefde, en honderd vyf-en-zeventig jaaren oud was.

Vindt men in de sterf-lysten één enkelen Europeaan, die zulk een
hoogen ouderdom bereikt had? En deeze vrouw had waarschynlyk, even
als de andere slavinnen, haare jeugd in moeielyken arbeid doorgebragt.

Ik heb in het gestel der Negers deeze byzonderheid steeds opgemerkt,
dat, daar zy geschikt zyn, om zwaaren arbeid in de heetste dagen van
den zomer te volvoeren, zy niet minder koude en vochtigheid verdragen
kunnen, beter dan een Europeaan, immers dan ik zelve op onze tochten
doen konde. Zy slapen den geheelen nacht, naakt in het vochtig gras
liggende, zonder dat 'er hunne gezondheid iets by lydt, terwyl ik
zeer gelukkig was, met des morgens by myne hangmat vuur te hebben,
en onze soldaten van huivering beefden, om dat zy 'er van verstoken
waren. Honger of dorst, pyn of ziekte, verdragen zy met zoo veel
lydzaamheid, als moed.

Ik heb hier vooren meer dan twaalf stammen van Negers genoemd, welken
ik allen kenne door de verschillende teekenen, die de genen, welke tot
deeze of geene stam behooren, op hun lichaam maken.--By voorbeeld,
de Coromantyn-Negers, die de meest geachte zyn, hebben drie of vier
sneden op elke wang.

De Loango-Negers, die het minst in aanzien zyn, onderscheiden zig, door
verhevene en vierkante beeldtenissen, naar dobbelsteenen gelykende,
op de armen, in de zyden, en op de dyen, te teekenen. Zy slypen ook
hunne voortanden puntsgewyze, het geen hen vervaarlyk maakt. Alle hunne
mannelyke kinderen zyn besneden, ten naasten by als die der Joden.

Onder de spelingen der natuur, behoort men te stellen het maakzel van
een byzonder zoort van Negers, Accorys, of tweevingerige genaamd, die
onder de Negers van Saraméca, aan het bovenste gedeelte der Rivier
van dien naam, woonen. Zy, die dit volk uitmaken, zyn merkwaardig,
uit hoofde van hunne allermismaaktste voeten en handen; de eerste
hebben vier zeer lange toonen, en de andere alleenlyk twee vingeren,
maar die naar de schaaren van een kreeft gelyken, of liever het
voorkomen hebben, als of zy door eene branding of ander toeval, een
lidteeken bekomen hadden. Deeze mismaaktheid zoude, wanneer zy zig tot
een enkel persoon bepaalde, weinig verwondering baaren; maar het is
ontwyffelbaar een vreemd verschynsel, wanneer men deeze byzonderheid
in een geheel volk ontmoet. Ik heb twee van deeze Negers gezien,
maar op eenen te verren afstand, om ze te kunnen afteekenen. Ik
begeere my dus by deeze gelegenheid niet tot getuige op te werpen;
ik verhaale alleen, wat my bericht is. De afteekening van een man,
die voeten en handen van dit maakzel had, is aan de Maatschappy der
wetenschappen te Haarlem gezonden. Ik heb daarënboven in een oud
boek over de ontleed- en heel-kunde, aan my door den kundigen OWEN
CAMBRIDGE van Twickenham bezorgt, een bericht gelezen, waar uit het
my gegund zy het volgend uittrekzel op te geven.

"In 't jaar 1629, na de zitting van St. Michiël, bragt men van de
plaats, alwaar de misdadigers ter dood gebragt worden, aan het
Geneeskundig Collegie, een lyk, tot het doen van ontleedkundige
vertooningen geschikt; en by toeval nam de bediende van het
Collegie het lyk van eenen schelm, die den zoon van den heer SCOT,
een heelmeester van goeden naam, in deeze stad, vermoord had. Zyn
aangezicht had nog een woest voorkomen behouden. Zyne hairen waren
zwart, gekruld, niet zeer lang, maar dik, en zwaar in één gevlochten:
zyn voorhoofd was niet hooger dan een duim. Hy had groote en vooruit
steekende wenkbrauwen, de oogen in hunne holte diep ingezonken, een
kromme neus, met een bult of dikte aan de punt, en een weinig in
de hoogte stekende. Eene zeer zwaare knevel bedekte zyne bovenste
lip, maar aan de kin had hy slechts eenige harde en zwarte hairen;
zyne onderste lip was drie maalen dikker dan gewoonlyk: zie daar
de gedaante van zyn aangezicht. Zyne grootste mismaaktheid echter,
die in de daad buitengewoon was, vertoonde zig aan zyne voeten,
die beiden gespleten waren, maar niet op dezelfde manier. De rechte
voet verdeelde zig in twee toonen, van vier tot vyf duimen lengte,
even als die van elk ander mensch, maar zoo groot, dat de helft van
dit gedeelte van den voet hem dragen konde; de nagels waren naar
evenredigheid. De linke voet was insgelyks in het midden gespleten,
maar deeze scheiding was ten hoogsten drie duimen lang. De helft
naar de binnen-zyde had de gedaante van een grooten toon met een
zeer zwaaren nagel, en gelykende naar die van dezelfde helft, aan
den rechten voet; de buitenste helft bestond uit twee andere toonen,
die zeer digt tegen elkander stonden. Ik heb gepast geöordeeld het
gedrochtelyk maaksel van dit mensch te beschryven, na eene naauwkeurige
beschouwing, in tegenwoordigheid van meer dan duizend lieden gedaan".

Ik weet weinig van de verschillende spraken der Africaansche Negers;
echter zal ik eenige spreekwoorden van de Coromantyn-Negers,
opteekenen, welken myn Neger QUACO, tot deeze stam behoorende,
my heeft opgegeven: ik moet tevens aanmerken, dat de Negers hunne
woorden zeer schielyk uitspreken, dezelven als uit de keel halende, het
geen zig niet gemakkelyk op het papier laat beduiden. Zie hier deeze
spreekwyzen met derzelver vertaaling: "Co fa ansyo, na baramon-bra:
gaat naar de Rivier, en haal my water".--"My yery, nacomeda my:
vrouw, ik heb honger".--Dit zy genoeg met opzigt tot de taal der
Coromantyn-Negers, zoo als men die op de kust van Guinée spreekt.

De taal der Negers in de Volkplanting van Surinamen verstaa ik
volkomen, want het is een zamenstelzel van 't Hollandsch, Fransch,
Spaansch, Portugeesch, en vooral van het Engelsch, het welk 'er de
grondslag van is, en waar van zy veel houden. Ik heb reeds gezegd,
dat de eerste Europeanen, die deeze Volkplanting bezaten, luiden van
onze natie waren; van daar koomt het waarschynlyk, dat de Negers zulk
een byzonderen lust tot hunne taal hebben. In deeze gemengde taal,
waar van ik reeds eene gedrukte spraakkunst gezien heb, eindigen de
woorden doorgaans met een klinkletter, even als in de Italiaansche en
Indiaansche taalen. Zy is zoo aangenaam, zoo welluidend, en zoo zacht,
dat de Surinaamsche inwooners van den eersten smaak 'er zig meestäl van
bedienen. Men kan over den aart der uitdrukkingen oordeelen door de
volgende voorbeelden:--"Goed eeten, wordt uitgedrukt door de woorden
swyty-mousso.--Buskruid: man sanny.--Ik zal u met al myn hart, en
zoo lang ik leef, beminnen: my saloby you, lango alla my hatty, so
langa me lyby.--Een aangenaam verhaal: ananassy tory.--Ik ben zeer
droefgeestig: me hatty brun.--Leef lang, zoo lang, dat uwe hairen
wit worden als catoen: leby langa, tay-tay, ta-y you wyry tam wity
liky caton.--Klein: pyky.--zeer klein: pykinini.--Vaarwel! ik sterf,
ik ga tot mynen God: adiossoo, cerroboay, my de go dede, me de go
na my gado". Men kan in deeze taal verscheiden woorden van bedorven
Engelsch opmerken, welker gebruik men in de hoofdstad begint agter te
laten, maar die altyd op de afgelegene Plantagiën gebruikt worden:
by voorbeeld, ik heb eene oude Negerin van de Plantagie Goed-Accord
aan de Cottica hooren zeggen: "We lobee fo lebee togeddere", om daar
mede te kennen te geven, wy houden veel van met elkander te leven;
en om dit zelfde denkbeeld te Paramaribo uit te drukken, zeide men,
"way louko fortanna marandera".

Het gezang der Negers is, zoo als dat der vogelen, welluidend, maar
zonder maat. Dikwils voeren zy een zoort van gezang op de volgende wyze
uit: één van hun geeft eerst een spreuk op, vervolgens zingt hy die,
en alle de anderen herhalen zulks gezamentlyk; dit afgeloopen zynde,
geeft men eene andere op, zingt en herhaalt die op dezelfde wyze.

Op die manier zingen de roeijers der vaartuigen, en zy houden 'er
vooral veel van zulks by maaneschyn te doen. Dit gezang onder hun
roeijen moedigt hun aan, en men hoort het op een vry verren afstand.

Het is bewezen, dat de Negers, wanneer zy eene goede opvoeding
ontfangen hebben, voor eene groote kieschheid van het gehoor vatbaar
zyn, en zig op de dichtkunst kunnen toeleggen. Onder de genen, die
in dit zoort van letteroeffeningen uitmuntten, behoort men vooral
te tellen PHILLIS WHEATLYE, een slaaf te Boston, in Nieuw-Engeland,
die de Latynsche taal leerde, en agt-en-dertig dichtstukken over
verschillende onderwerpen zamenstelde, die zeer cierlyk zyn, en in
't jaar 1773. in 't licht kwamen.

De sentimenteele brieven van Ignace Sancho, een Neger in dienst van den
Hertog van Montagu, zyn zeer bekend, en zouden de pen van een Europeaan
niet ontcieren. Wat de gave van het geheugen en van rekenen betreft,
om te bewyzen, dat de Negers dezelve in den hoogsten graad bezitten,
zal ik hier een brief bybrengen, door Dr. RUSH uit Philadelphia aan
één van zyne vrienden te Manchester gezonden.

"Met eenige inwooners van deeze stad reizende, en Maryland
doorkruissende, zegt de Doctor, hoorden wy spreken van de
wonderbaarlyke gevatheid in de rekenkunst, waar mede een Neger, THOMAS
FULLER genaamd, begaafd was; en wy lieten hem by ons komen. Iemand
van het gezelschap vroeg hem, hoe veele maanden, weken en dagen een
man van zeventig jaaren oud geleefd had? Hy beantwoordde de vraag in
anderhalve minuut. Die hem de vraag had voorgesteld, nam de pen op,
maakte de berekening, en zeide hem, dat hy zig zekerlyk vergist had,
en dat het door hem opgegeven getal te hoog was. Neen, Massera,
antwoordde de Neger hem wederom, dit koomt, dat gy vergeten hebt de
schrikkel-jaaren te berekenen. Wanneer de Americaan vervolgens de
minuten berekende, welke in deeze getallen begrepen waren, kwam zulks
juist uit met het getal van FULLER. Die zelfde Neger vermeenigvuldigde,
by eene andere gelegenheid, uit zyn hoofd, negen cyffergetallen met
negen andere". Ik heb 'er één gekend, die den Alcoran van buiten
kende. Welk een vermogen in menschen, die noch lezen, noch schryven
geleerd hebben! Alle deeze verhaalen zyn met dit al volkomen echt.

By het geen ik omtrent de Godsdienstige gevoelens der Negers heb
bygebragt, kan ik nog voegen, dat zy het aanzyn van een God vastelyk
gelooven: in wiens goedheid zy hun vertrouwen stellen, wiens magt
zy aanbidden, en wien zy een gedeelte van alle hunne levensmiddelen
opofferen. Zy vreezen den dood niet. Aan de Rivieren Gambie en
Senegal zyn zy byna allen van den Mahomedaanschen Godsdienst. Maar
de Godsdienstige leere en plechtigheden der Africanen verschillen
over het algemeen, even als de bygeloovige en tallooze gebruiken van
alle de wilden, en zelfs van te veel Europeanen. Opgemerkt hebbende,
dat zy gewoon waren aan den wilden Catoen-boom offerhanden te doen,
[30] vroeg ik aan een ouden Neger, waarom men aan denzelven deeze
eer bewees. "Massera, zeide hy my, zie hier de reden. Dewyl wy
geen tempel hebben, om onzen Godsdienst in te oeffenen, en deeze
boom de grootste en schoonste is, die op de kust van Guinée groeit,
verzamelen zig onze landslieden onder zyne takken, die hen voor de
hitte der zon en voor den regen beveiligen, om aldaar onzen Gadoman,
of Priester te hooren prediken. Wy hebben voor dien boom zulk een
eerbied, dat men dien nooit om ver hakt, om welke reden het ook zy".

'Er is geen volk, het welk meer bygeloovigheid heeft, dan
de Negers. Hunne Locomen, of zoogenaamde Propheten, vinden 'er
hun belang by, met dezelve aan te zetten. Zy verkoopen hun, gelyk
ik reeds gezegd heb, hunne obias, of tooverbanden, en trekken 'er
groot voordeel van. De Negers hebben ook een zoort van Sybillen, die
Godspraken uitgeven. Deeze statige vrouwen danssen in het rond te
midden van een talryk gezelschap, en met eene groote vlugheid, tot
dat haar het schuim op den mond staat, en dat zy in stuiptrekkingen
vervallen. Al wat zy in deezen aanval gelasten, moet door de omstaande
meenigte heiliglyk worden naargekomen. Deeze magt maakt haar zeer
gevaarlyk; want dikwils gelasten zy aan de slaven, om hunne meesters
te vermoorden, of van de Plantagiën weg te loopen, en in de bosschen
de wyk te nemen. Deeze toneelen van bygeloovigheid zyn derhalven, in
de Surinaamsche Volkplanting, onder bedreiging van zwaare straffen,
by de wetten verboden. Met dit al grypen zy op afgelegene plaatsen
dikwils stand. Zy zyn onder de Oucas- en Saraméca-Negers zeer
gemeen, en de Capitains FREDERIK en VAN GUERICK hebben my verzekerd
dezelven te hebben zien uitoeffenen. Men noemt ze hier wynty-play,
of Syrenen-danssen, en zy hebben van onheuchelyke tyden plaats
gehad. Men weet, dat de oude Schryvers van zoortgelyke dwaasheden
dikwils melding maken.

Maar het vreemdste is, dat deeze Sybillen, door de klank van haare
stem, den Ammodite- of Papaw-slang [31] weten aan te lokken, en hem
uit den boom te doen vallen. De Negers dooden hem niet, noch brengen
hem immer eene wonde toe; zy beschouwen hem integendeel als hunnen
beschermer en vriend, en zy achten zig zeer gelukkig, wanneer hy
in hunne hutten koomt. Wanneer eene Sybille der Negers deezen slang
bezworen heeft, of hem uit den boom naar beneden doet komen, ziet men
doorgaans, dat dit dier zig om den arm, de borst, en den hals van deeze
vrouw slingert, als of hy in het hooren van haare stem behagen schepte,
en te gelyker tyd vleit en streelt zy hem met de hand. De heilige
Schryvers spreken, op verscheiden plaatsen, van het vermogen, om de
slangen en adders te betooveren, het welk ik hier alleenlyk bybrenge,
om de oudheid van dit gebruik te bewyzen; en het is bekend, dat de
Oost-Indische volken de meest vergiftige slangen door het geluid van
eene fluit, die hen uit hunne schuilhoeken doet te voorschyn komen,
uit de huizen weten te jagen. Het is nog maar weinige jaaren geleden,
dat eene Italiaansche vrouw te London drie makke en gemeenzame
slangen vertoonde, die zig ook om haare armen en hals slingerden;
zy waren vier of vyf voeten lang, maar hadden geen vergif in zig.

Ik moet nog een ander bewys van de bygeloovigheid der Negers
aanhalen. In elk huisgezin is een verbod, het welk van vader tot zoon
overgaat, om het vleesch van het een of ander dier, het zy vogel,
viervoetig dier, of visch, niet te eeten; het geen op die wyze verboden
is, noemen zy treff, en zy proeven 'er nooit van.

Hoe belachelyk ook zommige van deeze plechtigheden mogen voorkomen, zy
zyn hoogst noodzakelyk, om de Negers in onderwerping te houden. Deeze
ongeletterde menschen verschillen daar in van de Europeanen, dat
zy vast zyn in hun geloof, hoedanig het zelve ook zyn moge, en dat
geene twyffelingen hen daar van immer te rug houden. Ik wil echter
daar uit niet beslissen, of zy erger of beter zyn.

De Negers zyn omtrent elkanderen zoo welwillend, dat men hun
niet behoeft te zeggen:--"Bemint uwen naasten als u zelven.". De
armste, onder hen, al heeft hy maar één ey, zal het met allen, die
'er tegenwoordig zyn, verdeelen. Het zelfde zal hy doen met het
kleinste glaasjen rhum; maar vooraf zal hy eenige droppels op den
grond sprengen, by wyze van wyn-plenging.

Zoo al de wilde volken doorgaans veel edelmoedigheid en goede
trouw bezitten, zy hebben ook hunne gebreken, waar onder eene groote
wraakzucht gevonden wordt. De grootte van deeze hartstocht in de Negers
staat gelyk met die van hunne gevoelens van dankbaarheid; en ik kenne
'er geen één, die aan een ander de hem aangedaane belediging vergeven
heeft. Men kan van hun zeggen, dat hunne vriendschap zoo teederhartig,
als hunne haat onverzoenlyk is. Even als alle barbaarsche volken,
geven zy zig aan verschrikkelyke wreedheden over.

In den laatsten opstand, die in de Volkplanting de Berbices is
voorgevallen, ging hunne woede zoo ver, dat zy de vrouwen hunner
meesters, schoon zwanger zynd, en in tegenwoordigheid van hunne
echtgenooten vermoordden. [32] De Accawaws-Negers zyn niet minder dan
zy op de konst, om door vergif om te brengen, afgericht. Zy verbergen
het vergif onder hunne nagels, en door slechts den vinger in een glas
met water te steken, veroorzaken zy eenen langzamen, maar zekeren
dood. [33] Geheele huisgezinnen, en zelfs alle de inwooners van eene
Plantagie, hebben de gevolgen van hunne wraakzucht ondervonden. Dit
ging eindelyk zoo hoog, dat zy tachtig slaven, derzelver ouders en
vrienden, deeden omkomen, om hunne meesters van dit gewichtig gedeelte
van hunnen eigendom te berooven. Deeze monsters dragen den naam van
wissy-men, het welk misschien koomt van het woord wise (wys); en door
dit helsch middel helpen zy een groot aantal slachtöffers van kant,
langen tyd voor dat zy ontdekt worden.

De barbaarsche volken, schoon van de voordeelen der opvoeding beroofd,
hebben nochtans verwarde denkbeelden van eigendom: dus moet men zig
niet verwonderen, dat slaven, die in hun persoon de duidelykste
schending van alle recht ondervinden, aangezet worden, om zig
deswegens schadeloos-stelling te bezorgen. Die van de Plantagiën
zyn al te zeer aan dieverye overgegeven, en plunderen alles, wat
onder hun bereik koomt, wanneer zy hope hebben, om het straffeloos
te kunnen doen. Men kan ook aan hunne onmatigheid, vooral aan die in
den drank, geene palen stellen. Ik heb eene jonge Negerin een kom,
waar in ik twee flessen wyn geschonken had, achter een zien uitdrinken.

Van de Negers van den stam van Gango, wordt gezegd, dat zy uit een
geest van wraakzucht, even als de Caraïben, menschen-eeters zyn. Na
het innemen van Boucou, vondt men, in de huizen der muitelingen van
deezen stam, potten vol met menschen-vleesch, die nog op het vuur
stonden. De nieuwsgierigheid drong een Officier, om deeze afschuwelyke
kost te proeven, en hy verklaarde, dat dusdanig vleesch niet minder
was, dan ossen- of varkens-vleesch.

De heer WANGILLS, een Americaan, die in het binnenste van Africa
zeer diep is doorgedrongen, heeft my naderhand verzekerd, dat hy
in eene stad of gehucht van dit Land gekomen was, alwaar armen,
dyen en beenen van menschelyke schepsels zoo openbaar te koop lagen,
als het vleesch by onze vleeshouwers ligt. JOHN KEENE, Capitain in
dienst van de Compagnie van Sierra-Leona, heeft my stellig gezegd,
dat hy zig met zyn schip op de Africaansche kust bevindende, om hout,
yzer en goud-poeder in te nemen, de Capitain van het schip Nassau,
genaamd DUNNINGEN, met alle zyne manschappen vermoord wierd. Hunne
lyken wierden vervolgens in stukken gehakt, ingezouten en opgegeten
door de Negers van den grooten Drevin, omtrent dertig mylen ten
noorden van de Rivier van St. Andreas. Deeze zelfde menschen-eeters
namen toen al het koper van het schip weg, en staken vervolgens het
schip zelve in brand.

Na de gebreken van het character der Negers te hebben aangewezen,
is het billyk, dat ik ook hunne goede hoedanigheden en deugden schetse.

Ik heb reeds van hun vernuft en dankbaarheid gesproken; de
laatstgemelde gaat zoo verre, dat zy zig voor de genen, die hun
eenige byzondere weldaad bewezen hebben, aan doods-gevaaren zouden
bloot stellen. Niets overtreft de genegenheid, dien zy voor hunnen
meester hebben, wanneer deeze hen met goedheid behandelt; waar
uit blykt, dat hunne genegenheid even sterk is, als hunne haat. De
Negers zyn over 't algemeen gevoelig, maar vooral de Coromantyn- en
Nago-Negers. Zy zyn vatbaar voor liefde; en de jaloersheid brengt
in hun hart de vreesselykste gevolgen voort. Hunne ingetogenheid
verdient hier genoemd te worden; want geduurende verscheiden jaren,
dat ik onder hen verkeerd heb, herinner ik my niet 'er ooit één in 't
openbaar eene vrouw te hebben zien kussen. De Negerinnen hebben eene
ongemeene liefde voor hunne kinderen. Geduurende de twee jaaren, dat
zy dezelven zoogen, houden zy geene gemeenschap met hunne mannen. Zy
zouden het zig zelven verwyten als eene onnatuurlyke zaak, tot nadeel
haarer zuigelingen strekkende. De zindelykheid der Negers is zeer
opmerkelyk. Zy baden zig ten minsten drie maalen daags. Die van de
stam van Congo in 't byzonder zyn zulke liefhebbers van het water,
dat men hen, met eenig recht, halfslachtige dieren zoude kunnen noemen.

De Negers zyn moedig en geduldig in tegenspoed. Zy trotseeren de
pynigingen en den dood met eene onverschrokkenheid, die zonder
weêrgaa is. Hun gedrag in de neteligste omstandigheden gelykt naar
heldenmoed. Zy laten geene klachte hooren, zy loosen geen zucht,
men hoort van hun geen gekerm, zelfs wanneer zy in 't midden der
vlammen hun leven laten. Ik heb nimmer een enkelen gezien, die, om
welke reden het ook wezen mogt, tranen storte; en echter bidden zy
met den sterksten aandrang om genade, wanneer men hen veröordeelt, om
gegeesseld te worden voor misdryven, welken zy erkennen; maar indien zy
vermeenen de kastyding niet verdiend te hebben, maken zy zig zelf byna
oogenblikkelyk van kant. Die van den stam der Coromantyn-Negers, geven
zig voornamelyk aan deeze daad van wanhoop over. Het gebeurt dikwils,
dat zy, by de uitvoering der straf, hun hoofd agter over gooijen, om
hunne tong in te slikken, hetgeen hen oogenblikkelyk doet versmooren;
en zy vallen dood voor de voeten hunner meesters neder. Maar wanneer
hun geweten hun overtuigt, dat hunne straf rechtvaardig is, zyn zy
gedwee, en onderwerpen zig met gelatenheid aan hun lot. Men heeft
zedert kort in Surinamen het zeer menschelyk middel uitgevonden,
om te beletten, dat zy zig zelven niet versmooren, gelyk ik zoo
even verhaalde, door hun een aangestoken stroo-fakkel voor den mond
te houden, waar door het dubbeld oogmerk bereikt wordt, om hun het
gezicht te blakeren, en hunnen aandacht van een dergelyk ontwerp af
te trekken. Zommigen nemen hun toevlucht tot een ander middel: zy
eeten aarde; het geen hunne maag belet derzelver gewoone werkingen te
doen, en zy eindigen dus hun leven zonder pyn, maar kwynende zomtyds
meer dan een jaar in eenen staat van ongemeene zwakheid. De wetten
hebben tegen deeze aard-eeters de gestrengste kastydingen vrugteloos
vastgesteld, want men ontdekt hen zeldzaam, wanneer zy deeze misdaad
aan zig zelven begaan.

Na deeze algemeene aanmerking omtrent de natuurlyke en zedelyke
vermogens der Negers, zal ik hen thans beschouwen in den staat van
slavernye, en aan de yzere roede van eene verschrikkelyke dwingelandye
onderworpen. Vervolgens van dit afgryzelyk toneel afstappende,
zal ik aantoonen, wat zy zyn onder rechtvaardige, menschlievende en
gevoelige meesters.

Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van hun gezegd heb, wanneer
zy van de kust van Guinée aankomen, en in welken zwakken en elendigen
staat zy zig dan bevinden. Ik heb ook doen opmerken, dat zy spoedig
hunne lyvigheid weder bekomen, en dat men hun aan de zorge van eenen
ouden slaaf toevertrouwt, die hun de taal der Volkplanting leert. Zoo
verre gevorderd zynde, zendt men hen naar het land om te werken, waar
aan zy zig met genoegen onderwerpen, schoon ik eenige voorbeelden
van nieuwlings ingevoerde Negers gezien heb, die zulks weigerden,
in weêrwil van de beloften, gebeden, bedreigingen, en slagen zelfs,
tot welken men toevlucht nam, om 'er hen toe te dwingen; maar deeze
waren Vorsten of persoonen van aanzienlyken rang in hun vaderland,
die door de lotgevallen van den oorlog tot den staat van slavernye
vervallen waren, en wier verheven gevoelens hun den dood deeden
verkiezen boven de vernedering en de ellenden der slavernye. By
verscheiden gelegenheden van dien aart, heb ik andere slaven op de
kniën zien vallen, en hunne meesters smeeken, dat zy de taak van den
gevangen Prins of hoogen persoon by hunne taak voegen wilden; het
geen men hun zomtyds toestond, en zy bewezen hem bestendiglyk den
zelfden eerbied, als of hy in zyn eigen Land was. Ik herïnner my,
dat ik eens, om my voor een oogenblik te dienen, eenen Neger gehad
heb van een zeer goed voorkomen, en die kortlings ontscheept was,
wiens gewrichten aan de handen en enklaauwen door ketenen ontveld
waren. Ik vroeg 'er hem de reden van.--"Myn vader", antwoordde hy my,
"was Koning, en wierd door de zoons van een nabuurig Vorst verraderlyk
vermoord. Zynen dood trachtende te wreeken, ging ik met zommigen van
de mynen dagelyks ter jagt, in de hoop van zyne moorders te ontmoeten;
maar ik had het ongeluk om verrast en geketend te worden; van daar
komen die schandelyke lidteekens, welken gy ziet. Men verkocht my
vervolgens aan uwe landgenooten op de kust van Guinée, eene straf,
die voor verschrikkelyker gehouden wordt, dan de dood zelve".

De geschiedenis van mynen Neger QUACO was nog zonderlinger.--"Myne
ouders", zeide hy my, "leefden van hunne jagt en visscherye. Men
ligtte my, nog zeer jong zynde, op, terwyl ik met twee van myne
broeders in het zand speelde. Dadelyk stak men my in een zak, en
vervoerde my verscheiden mylen ver. Ik wierd vervolgens één der
slaven van eenen Koning op de Guineesche kust, die een aanzienlyk
getal bezat. Toen hy stierf, onthoofde men 'er het grootste gedeelte
van, en begroef dezelven met hem. De kinderen van myne jaaren wierden
onder de Capitains van zyn leger ten geschenke gegeven; en de Capitain
van een Hollandsch Schip kogt my voor een snaphaan, en een weinig
buskruid".--Elk mensch bemint zyn geboorte-land, hoe hard de wetten
'er ook wezen mogen.

Zoo dra deeze ongelukkige vreemdelingen met minder yver beginnen te
arbeiden, worden zweepen, bulle-peesen, bambous-rieten, touwen, yzers
en ketenen te werk gelegd, om hen vlugger te maken. 'Er zyn meesters,
die hen nacht en dag bezig houden, zonder zelfs de zondagen uit te
zonderen. Ik herïnner my, dat een jong en zeer sterk Neger, MARQUIS
genaamd, die een vrouw en twee lieve kinderen had, welken hy teederlyk
beminde, zynen arbeid met zoo veel yver doorzette, dat hy des namiddags
ten vier uuren met het graven van een sloot of greppel, van vyf honderd
voeten lang, geëindigd had, om tyd te hebben tot het bebouwen van zynen
kleinen tuin, of te gaan visschen, of vogelen te vangen, tot onderhoud
van dit zyn geliefd huisgezin. Zyn meester, dit vernomen hebbende,
bewees hem, om hem aan te moedigen, dat wanneer hy voor vier uuren
vyf honderd voeten had kunnen afgraven, hy 'er zekerlyk voor zonnen
ondergang zes honderd zoude hebben kunnen volëinden. De ongelukkige
keerel wierd vervolgens verwezen, om dagelyks dien taak af te werken.

De slaven loopen in Surinamen byna naakt, en hun dagelyks voedzel
bestaat in eenige ignames en vruchten van Plantain-boomen. Misschien
twee maalen 's jaars, krygen zy een middelmatig rantsoen van gezouten
visch, en eenige bladen tabak, het geen zy sweety mouffo noemen; en
dit is het ook al. Maar het ondraaglykste voor hun is, dat ofschoon
een Neger en zyne vrouw voor elkander de grootste genegenheid hebben,
de laatstgemelde, indien zy wat mooy is, de walgelyke omhelzingen
van eenen overspeeligen en onbeschaamden Opzichter zig moet laten
welgevallen, zoo zy haaren man, zulks trachtende te beletten, niet
wil zien in stukken houwen. Deeze onwaardige behandeling heeft hen
dikwerf tot de geweldigste wanhoop vervoerd, en tot een groot getal
moorden gelegenheid gegeven.

Uit hoofde van eene zoo groote opéénstapeling van onheilen, is de
zelfsmoord onder de Negers gemeen; dikwils loopen zy weg naar de
bosschen, om zig met hunne muitende landgenooten te vereenigen;
of zoo zy al de vlucht niet nemen, worden zy mistroostig, en krygen
kwynende ziekten, ten gevolge van de mishandelingen, die hun worden
aangedaan. Deeze ziekten zyn de lota, bestaande in eene scheurbuikige
en witte vlak over het geheele lichaam:--De crassy crassy, of schurft,
die by hun, even als by de Europeanen, voortspruit uit slecht voedzel,
en onder hen zeer gemeen is:--De yaws, welke ziekte veelen gelyk
stellen met de venus-ziekte, en waar door het geheele lichaam met
geele zweeren wordt overdekt; de meeste Negers zyn 'er aan onderworpen,
maar zy worden 'er slechts eenmaal in hun leven door aangetast; eene
byzonderheid, die, wanneer men 'er by voegt, dat de kwaal ligtelyk
aan anderen wordt medegedeeld, dezelve eenigermaten gelyk stelt met
de kinderpokjes. Deeze besmettelyke hoedanigheid is zoo groot, dat
indien eene enkele vlieg, die zig op den zieken nederzet, (en by is
'er als mede bedekt) zig op de ligtste ontvelling der huid van iemand,
die volmaakt gezond is, plaatst, zy hem met dit verschrikkelyk
vergif besmet, waar van de gevolgen zig verscheiden maanden lang
doen gevoelen. Men geneest deeze ziekte doorgaans door kwyling en een
goeden levensregel, gepaard met eene aanhoudende beweging, die eene
overvloedige uitwaasseming te weeg brengt; en zoo lang die geneezing
duurt, is de zieke ongemeen mager.

De boassy, of melaatsheid, is nog veel verschrikkelyker, en men
beschouwt dezelve als ongeneeslyk. Het aangezicht en de ledematen
zwellen in deeze ziekte op, en het geheele lichaam is vol met
zweeren. De adem heeft een ondragelyken stank; de hairen vallen uit;
de toonen en vingers verrotten, en vallen vervolgens lid voor lid
af. Het ongelukkigste van allen is bovendien, dat de ellendeling, die
door deeze ongeneeslyke kwaal wordt aangetast, zomtyds verscheiden
jaaren lang kwynen kan. Dewyl de melaatschen van natuure tot het
minnespel genegen zyn, en hunne ziekte besmettelyk is, moet men hun
alle gemeenschap verbieden, en hen veröordeelen tot een altoosduurende
ballingschap op den een of anderen hoek der Plantagie.

De clabba-yaws of tubboes zyn ook eene deerlyke en ellendige ziekte,
die pynlyke zweeren veröorzaakt aan de voeten, voornamelyk aan den
bal van den voet, tusschen vel en vleesch. Het gewoon middel in dit
geval bestaat hier in, dat men het aangestoken deel met een gloeiend
yzer brandt, of met een dun lancet doorvlymt; alsdan laat men op de
wonde zeer warm sap van citroen loopen, het geen wel zeer gevoelig,
maar van een zeer groot geneezend vermogen is.

De Negers zyn ook onderworpen aan ziekten van uit- en inwendige wormen,
het welk by hun veröorzaakt word door het gebruik van modderig water,
waar in die wormen huisvesten, of door de rauwheid van hun voedzel. Een
der voornaamsten wordt genoemd Lindworm: zynde wormen zomtyds van zes
voeten lengte, van eene schitterende zilver witte kleur, en niet veel
dikker, dan de tweede snaar van een bas-viool. Zommige wormen plaatsen
zig tusschen vel en vleesch: zy veröorzaken gevaarlyke en pynlyke
zwellingen overal waar zy inkomen, en vooral aan de beenen. Het
middel, om deeze kwaal te geneezen, bestaat daar in, dat men den
worm, wanneer hy boven de huid uitkoomt, by den kop neemt, en hem
'er geheel en al uittrekt, hem, om zoo te spreken, op een kaart of
stokjen windende. Dit kan men met niet te veel omzichtigheid doen,
want zoo de worm breekt, is het verlies van het lid, of zelfs van het
leven, 'er dik wils het gevolg van. Zommige lieden zyn met zeven of
agt van die wormen te gelyk gekweld.

Behalven deeze ziekten, die hun byzonder eigen zyn, zyn de Negers
bovendien onderworpen aan die ziekten, welken de Europeanen gewoonlyk
ondervinden, die op hun beurt van de opgegevene gevaarlyke en pynlyke
kwalen in Guiana niet ontheven zyn.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Plantagiën zulk een groot
aantal zieken opleveren; men laat hen eeniglyk over aan de zorge
van eenen Dressy-Negro, of Heelmeester der Negers, wiens geheele
kundigheid bestaat in het toedienen van eenige zouten, of het smeeren
van eenige pleisters. Zy, die door aanhoudende geesselingen van het
hoofd tot de voeten zyn van één gereten, kunnen zig zelven genezen,
of zonder huid arbeiden, zoo hun dit gelieft.

Van alle deeze opéénstapelingen van ellende, waar van zommige natuurlyk
uit de luchtstreek, en het slegt voedzel der Negers, maar vooral uit
de onbetamelyke wreedheid der Opzigters voortspruiten, is het gevolg,
dat een groot getal slaven buiten staat is om te werken, de één door
eene geheele en schielyke uitputting hunner kragten, de ander door
eenen te vroegtydigen ouderdom: maar de dwingeland eener Plantagie
vindt voor hunne kwaalen een onfeilbaar hulpmiddel, het geen niet
minder is, dan hen met eenen slag dood te slaan: dit verlies raakt
hem niet meer dan zynen meester. Hy is alleen nayverig omtrent de
geenen, die zig van hunnen taak kwyten kunnen; hy verzekert, dat
de anderen gestorven zyn, de meesten van de venus-ziekte, en geen
Neger is bevoegd, om getuigenis tegen hem te geven. Indien echter
eenig Europeaan den moord bewees, zoude de schuldige vry zyn, gelyk ik
reeds heb opgemerkt, met eene boete van vyftig ponden sterling, en met
den eigenaar schadeloos te stellen, zoo deeze zulks begeerde. Voor
deezen bloedprys kan hy elken slaaf, die onder zyne magt staat,
en het ongeluk heeft zyne woede gaande te maken, opöfferen.

Een Opzigter kan bovendien duizende listen te baat nemen, om het
bewys van zyne schuld te ontduiken. Ik heb 'er een gekend, die
zig van eenen Neger willende ontdoen, hem op de jagt mede nam,
en hem gelastte het wild op te jagen: zyn eerste snaphaanschoot
raakte deezen ongelukkigen, die dood ter neder viel. Dit wierd een
toeval genoemd, en men deed 'er geen het minste onderzoek naar. Een
ander kwam op de volgende wyze om.--Men stak een houten paal op het
midden van eene groote vlakte in den grond; men bond 'er den slaaf
aan vast in de hitte van eene brandende zon, en men gaf hem, om het
leven te behouden, niet meer dan ééne banane en één glas water daags,
tot dat hy stierf. De Opzigter beweerde, dat dit niet door den honger
veröorzaakt was, om dat men hem altyd eeten en drinken gebragt had;
dus wierd hy met eere vry gesproken.

Men heeft dikwils een ander middel gebezigd, om eenigen van deeze
ongelukkige slaven straffeloos van kant te helpen. Het bedoeld
slagtöffer wordt naakt aan een boom in het bosch gebonden, met de
armen en beenen uitgestrekt, onder voorwendzel van hem dezelve wat
losser te maken; men laat hem aldaar, en geeft hem op bepaalde tyden
te eeten, tot dat hy, door het steken der muggen of andere insecten,
het leven verloren heeft. Men verdrinkt de Negers ook wel, door hun,
met een keten aan de voeten, in 't water te werpen, en dit noemt men
ook een toeval!

Het is zeer zeker, dat verscheiden, op last van eene vrouw, op
houtstapels geketend zynde, zyn van kant geholpen. De straf om hun
de tanden uit te trekken, alleenlyk wegens het proeven van het door
hem bewerkte suiker-riet, hun den neus te klooven, of de ooren af te
snyden, om onderlinge kyvagiën, is van te weinig aanbelang, dan dat
wy daar van zouden behoeven te spreken.

Zulk eene wreede mishandeling doet zomtyds in den geest van deeze
ongelukkigen zulk eene moedeloosheid geboren worden, dat zy, om
hun rampzalig leven te eindigen, en zig op eenmaal van zulk eene
verschrikkelyke slavernye te ontheffen, zig zelven in de ketels werpen,
waar in men het sap van het suiker-riet laat koken, daar door een
middel vindende, om hunnen geweldenaar van hunnen persoon en van een
gedeelte van zynen oogst te ontzetten.

Is het derhalven, na zulk eene behandeling, wel te verwonderen,
dat geheele benden van slaven zig in de bosschen verzamelen, en alle
gelegenheden waarneemen, om hunne wraakzucht te koelen?

Ik zal deeze aandoenlyke berichten eindigen met eene algemeene
aanmerking, tot bewys, hoe veel nadeel de bevolking door zulke
wreedheden lydt.

Ik heb gezegd, dat 'er in Surinamen 75,000 Neger-slaven zyn. Indien
men daar van aftrekt het getal der oude lieden van beiderlei kunne,
en der kinderen, zullen 'er niet meer dan 50,000 overblyven, die tot
werken geschikt zyn. Het getal der schepen, die jaarlyks elk 250 of
300 Negers invoeren, wordt op zes tot twaalf gesteld. Men kan dus de
jaarlyksche invoering berekenen op 2500 slaven, die noodig zyn, om
de gemelde 50,000 voltallig te houden. Het getal der dooden nu gaat
jaarlyks dat der geboorten ten beloope van 2500 te boven, schoon elke
Neger eene vrouw heeft, en zelfs twee, zoo hem dit goeddunkt; het
geen over het geheel juist uitmaakt vyf ten honderd, en gevolgelyk
bewyst, dat een geheel geslacht van 50,000 gezonde menschen alle
twintig jaaren volkomen uitsterft.

De rechtvaardigheid en waarheid noodzaken my echter te verklaren,
dat de wreedheden, die zulk eene uitwerking voortbrengen, niet
algemeen zyn. De mededogende Hemel heeft wel eenige uitzonderingen
willen daar stellen, welken ik met genoegen verhalen zal, en die het
tegenövergestelde zyn van het hier boven door my geschetst tafereel. Ik
zal niet naarvolgen eenige Schryvers, die het zelfde onderwerp
behandeld hebben, en daden van goedäartigheid en menschlievenheid
zorgvuldig hebben verborgen gehouden, om deeze zaak alleenlyk van de
ongunstigste zyde te doen beschouwen: ik wil dezelve met openhartigheid
en onpartydigheid zonder verminking openleggen. Ik kan verzekeren, dat
op zommige Plantagiën de slaven naar myne gedachten behandeld worden,
zoo als menschen behooren behandeld te worden. Zulk eene behandeling
zoude nog algemeener zyn, indien de wetten geen onbepaald gezag over
hen veröorloofden, waar van het onmogelyk is, dat geen misbruik gemaakt
werde. Geen eigenaar moest het recht hebben, om het leven van zynen
slaaf straffeloos aan te tasten; en het dooden van een zwarten of
blanken behoorde in het oog der menschen eene gelyke misdaad te zyn,
even als in het oog van God.

Voorts zal ik als nu aan den Lezer vertoonen een huisgezin van Negers,
in dien staat van voorspoed en gerustheid, welken zy steeds onder eenen
goeden meester genieten. De beeldtenissen, op de plaat voorkomende,
worden vooröndersteld te verbeelden persoonen van het volk of den stam
van Loango, uit hoofde der teekenen, die over het lichaam van den
man getrokken zyn, en het cyffer op deszelfs borst, uit de letters
J. G. S. zaamgesteld, door middel van het welk de eigenaar bewyzen
kan, dat de slaaf hem toebehoort. Deeze man heeft op het hoofd een
net en een mand vol kleine visschen; hy houdt ook een groote mand
in de hand, die alle voortbrengzels van zyne visch-vangst zyn. Zyne
vrouw, die zwanger is, draagt verscheiden zoorten van vruchten,
draaijende catoen op een klos, en vreedzaam haare pyp rookende; zy
heeft nog een kind op haaren rug, en een ander loopt al speelende
naast haar. Op die wyze is de arbeid van eenen Neger, onder eenen
menschlievenden meester en geschikten Opzigter, niets meer, dan eene
heilzaame lichaams-oeffening, die met het ondergaan der zon ophoudt,
en hem een genoegzaam overschot van tyd overlaat, om te jagen, te
visschen, zynen kleinen tuin te bebouwen, of manden en netten ter
verkoop te maken. Voor den prys, dien hy daar voor maakt, koopt hy
één of twee varkens, eendvogels en ander gevogelte, welken hy zonder
moeite en kosten voedt op eenen grond, die het noodige daar toe van
zelf voortbrengt; en op die wyze heeft hy 'er zeer veel voordeel by. In
zulk eene gesteldheid is hy ontheven van hartseer; hy betaalt geene
lasten, en hy beschouwt zynen meester alleenlyk als den beschermer
van hem en zyn huisgezin. Hy bidt hem aan, niet uit vreeze, maar
om dat hy in zyn hart overtuigd is, den voorspoed, dien hy geniet,
aan hem verschuldigd te zyn. De door hem bewoonde luchtstreek staat
gelyk aan zynen geboorte-grond, en bevrydt hem van het dragen van
kleederen, het geen hy veel gemakkelyker en gezonder vindt. Hy kan
zyne wooning bouwen, zoo als hy goedvindt, en het bosch verschaft
hem de noodige bouwstoffen. Zyn bed is een hangmat, of mat, papaija
genaamd. Hy maakt zyne eigene potten; en de calebassen, die hem tot
schotels dienen, groeijen in zynen tuin. Nooit leeft hy te zamen met
eene vrouw, welke hy niet bemint, want de beide echtgenooten verlaten
elkander, zoo dra de één den ander moede is; en deeze scheiding gebeurt
nochtans dikwerf minder dan de echtscheiding in Europa. Behalven de
levensmiddelen, welken hy 's weekelyks van zynen meester ontfangt,
weet zyne vrouw hem verscheiden zeer smakelyke spyzen toe te bereiden,
als daar zyn de braf, zynde een huspot van Plaintain-boom vruchten
en ignames, met gezouten vleesch, drooge visch, en peper van Cajenne
te zamen gekookt; de tom-tom, een zoort van pudding, of taart, van
meel van Indisch koorn gemaakt, en met stukjes vleesch, gevogelte,
visch, peper van Caijenne, en zagte schillen van de ocra of althéa
gebakken: de peperpot, zynde een kookzel van visch met Guineesche
peper, het welk men met gebraden plantain-vruchten eet: de gangotay,
zaamgesteld uit drooge visch en groene plantain-vruchten: de acansa en
de doguenou, die van meel van Indisch koorn gebakken worden, waar by
in de laatstgemelde suiker-syroop gevoegd word. Zyn gewoone drank is
schoon water, waar in nu en dan een weinig rhum gegoten wordt. Indien
hy ziek of gewond wordt, geneest men hem voor niet; maar hy gebruikt
zeldzaam den Heelmeester, vermits hy zelf de geneeskragtige kruiden
tamelyk wel kent; bovendien verrigt hy het zetten van koppen, of
het doen van doorsnydingen van het vleesch, hem voor aderlatingen
dienende, aan zig zelf. Zyn hoofd houdt hy zindelyk, door zyne hairen
met vochtige kley te besmeeren; hy laat die daar op droogen, en wast
dezelve 'er vervolgens met zeep sop weder af. Om zyne tanden zoo wit
als yvoor te houden, neemt hy een stukjen hout van een orangenboom,
waar van de vezelen aan één der einden van elkander zyn gescheiden, en
tot een borsteltje dienen: men ziet geen Neger, het zy man of vrouw,
zonder dit klein huisraad, het welk daarënboven het vermogen heeft,
om den stank van den adem te verbeteren.

Dit is het geen zyn lichaam betreft. Wat zynen geest belangt, dezelve
wordt nooit ontrust door vreeze voor den dood, nog door knagingen
van het geweten; want een Neger gelooft vastelyk het geen men hem
geleerd heeft, en het welk eenvoudig en klaar is. Wanneer hy het
leven heeft afgelegd, brengen zyne nabestaanden en vrienden hem in
een boschjen van oranjeboomen, alwaar zy hem begraven, niet zonder
onkosten, want doorgaans leggen zy hem in een kist, die van best
hout fraay gewerkt is, en tevens doen de lykzangen, zuchtingen en
geschreeuw, de lucht weergalmen. Het graf gevuld zynde, en met groene
zoden bedekt, zet men twee groene calebassen op zyde, de ééne vol
met water, de andere met verschillende zoorten van gekookt vleesch
en cassave, het geen men doet, niet zoo als zommige lieden meenen,
in het denkbeeld, als of de doode dit zoude kunnen benoodigd hebben,
maar als een blyk van hoogachting, die men voor zyne nagedachtenis
heeft: zomtyds zelfs brengt men 'er het weinige huisraad, door hem
nagelaten, en breekt het op zyn graf aan stukken. Na het afloopen
deezer plechtigheden nemen alle de omstanders afscheid van hem;
zy spreken tot hem, als of hy hun verstaan konde; zy verzekeren
hem van het leed, het welk zy door hunne scheiding ondervinden; zy
zeggen eindelyk, dat zy hem hopen weder te zien, niet in Guinée,
het geen men ongeschikt oordeelt, maar in dat gelukkig verblyf,
alwaar hy thans het gezelschap zyner voorvaderen, zyner nabestaanden,
zyner vrienden geniet. De plechtigheid deezer begraaffenis eindigt met
jammerkreeten, en vervolgens keert men naar huis te rug. Des anderen
daags slacht men een vet varken, eendvogels, ander gevogelte, enz.;
en de vrienden geven aan de andere Negers een feest, het welk eerst
den volgenden dag eindigt. Tot een teeken van rouwe, scheeren mannen
en vrouwen zig het hoofd, en omwinden het met een blaauwen doek, dien
zy het geheele jaar dragen. Wanneer dit jaar verstreken is, gaan zy
weder naar het graf; zy leggen aldaar de laatste offerhanden neder;
zy zeggen den overledenen als nog vaar wel; vervolgens vieren zy een
ander feest, en het zelve eindigt met een vrolyken dans, en lofzangen
ter eere van den nabestaanden of vriend, die hen verlaten heeft.

'Er is geen volk, waar van de byzondere persoonen, die het zelve
uitmaken, meerder achting en vriendschap jegens elkander gevoelen,
dan de Neger-slaven. Zy schynen verrukt te zyn, wanneer zy zig
by elkander bevinden, en zy zyn nimmer van vermaken uitgeput, om
elkander het gezelschap te veräangenamen. Eene zekere vrolykheid,
welke zy Soesa noemen, bestaat in het springen tegen over zynen
dansser of dansseresse, de handen op de heupen slaande, om de maat
te houden. Zy zyn op dit zoort van oeffening zoo heet, dat dezelve
dikwils met zeven of agt paaren danssers te gelyk plaats heeft, het
geen, door het te groot geweld, den dood van verscheiden hunner meer
dan eens veröorzaakte; waarom de Regeering van Paramaribo hetzelve
verboden heeft.

De Negers zyn vlug en sterk, maar hun grootste vermaak is het zwemmen;
het geen zy twee of drie malen daags doen, onder malkander en by
hoopen van jongens en meisjens, even als de Indianen; en de beide
kunnen onderscheiden zig door hunnen moed, kragt en werkzaamheid. Ik
heb eene jonge Negerin de Commewyne zien overzwemmen, een jong sterk
manspersoon voorby zwemmende, en, toen zy aan de overzyde aankwam,
door haar aan hem hooren voorstellen, om een weg van twee mylen af
te leggen, en hem nog voor uit te blyven.--Ik moet thans spreken
van het speeltuig der Negers, en de manier, op welke zy danssen. Men
herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van die der Loango-stam ten
deezen opzigte gezegd heb; het geen nu zal volgen, is aan alle de
andere stammen gemeen.

Hun speeltuig, dat zeer vernuftig is, en door hen zelven gemaakt word,
heb ik op eene afzonderlyke plaat afgebeeld.

Nº. 1. De qua-qua; eene plank van een hard en geluidgevend hout,
welke aan de eene zyde door een dwarshout in de hoogte wordt opgeligt,
en waar op men met twee yzere staafjes, of twee beenderen, als op
een trommel, slaat.

Nº. 2. De Kiemba-toetoe; een hol riet, waar op de Negers met den neus
blaazen, even als de bewooners van het Eiland Taïti. Deeze fluit heeft
niet meer dan twee openingen, de eene om op te blazen, de andere om
'er de vingers op te houden.

Nº. 3. De Ansokko-bania; een plank van hard hout, aan wederzyden als
een voetbank verheven, en waar op kleine houtjes van verschillende
gedaanten zyn vast gemaakt. Men slaat daar op met twee stokjes,
als op een hakbord, het geen verschillende geluiden voortbrengt,
die niet onäangenaam zyn.

Nº. 4. De groote Creoolsche trommel, gemaakt uit den stam van een
hollen boom. Dezelve is aan de eene zyde open; aan de andere met een
schapen-vel overdekt. Die deeze trommel slaat, zit 'er boven op,
en slaat met de vlakke hand, het geen genoegzaam overëenkoomt met
een basviool of qua-qua.

Nº. 5. De groote Loango trommel, die aan beide zyden gesloten is,
en dezelfde uitwerking doet, als de keteltrom.

Nº. 6. De kleine trommel, genaamd papa drum, welke men op dezelfde
wyze slaat als de andere.

Nº. 7. De kleine Loango trommel, die te gelyker tyd met de groote
geslagen wordt.

Nº. 8. De kleine Creoolsche trommel, die mede tot het zelfde einde
dient.

Nº. 9. De Coeroema, een zoort van beker, konstig gemaakt, insgelyks
met een schapen-vel overdekt, waar op men met twee yzere staafjes,
of twee stokjes slaat, even als op de qua-qua.

Nº. 10. De Loango-bania. Dit is een zeer merkwaardig speeltuig. Het
is gemaakt van een plank van zeer droog hout, waar op twee schuinsche
klampen zyn vast gemaakt. Boven dezelve zyn eenvoudig kleine houte
stokjes van elastiek palmhout geplaatst, die van ongelyke lengte zynde,
boven op een derde klamp schynen uit te maken.

Nº. 11. Eene groote ledige Calebas, dienende tot opblaazing van
het geluid van de Loango-bania, waar van de stokjes met de vingers
worden opgeligt, ten naasten by als de klauwieren van een forte piano;
en dit speeltuig is dan aangegenaam en zacht.

Nº. 12. De Saka-saka; zynde een calebas, met een stok
uitgehold. Dezelve is met een mouw overtrokken, en vol met kleine
nooten en erweten, ten naasten by als de toover-schelp der Indianen.

Nº. 13. Een Zee-schelp, waar op de Negers blaazen, het zy uit vermaak,
het zy om gerucht te maken, maar zynde by het danssen van geen gebruik.

Nº. 14. De Benta; een tak als een boog gespannen, door middel van
een koord van droog riet, of Warimbo, het welk men tusschen de tanden
houdt, waar op men met een kort eind hout slaat, en het welk men links
en rechts weet te bewegen. Het zelve geeft een geluid, byna naar dat
van een jagthoorn gelykende.

Nº. 15. De Creoolsche Bania; een speeltuig, het welk naar eene
mandoline of guitaar gelykt. Het is gemaakt van een halve calebas,
met een schapen-vel overdekt, en waar aan eene lange mouw is vast
gemaakt. Dit speeltuig heeft vier koorden, waar van drie lang zyn,
en het vierde kort en dik is, en tot een bas dient. Men speelt 'er
met de vingers op; het geeft een zeer aangenaam geluid, het welk nog
aangenaamer wordt, wanneer het met gezang vergezeld gaat.

Nº. 16. De oorlogs-trompet, om het laden of den aftocht te bevelen,
enz. De Negers noemen dezelve tou-tou.

Nº. 17. De Jagthoorn, geschikt om de plaats van deeze trompet te
vervullen, of om de slaven der Plantagiën tot den arbeid te roepen.

Nº. 18. De Loango-tou-tou, een fluit, waar op de Negers even als de
Europeanen spelen. Zy heeft alleenlyk vier gaten voor de vingers,
en echter brengt zy eene groote verscheidenheid van geluiden voort.

Dusdanig is het speeltuig der Negers, op welks geluid zy met meer
vermaak danssen, dan men in Europa op dat van het beste orkest doet.

By het geen ik gezegd heb, moest ik nog voegen, dat zy by hun zingen
en danssen, het welk zeer veel gelykt naar het geluid van een bakker,
die zyn brood uit den oven haalende, aanhoudend roept touchety-touk,
touchety-touk, de maat slaan op één, en op een halve maat, maar nooit
op drie.

Alle Saturdag avonden eindigen de slaven, die wel behandeld worden,
de week met eene vrolykheid van dien aart; en doorgaans geeft men hun
alle drie maanden eene groote dans-party, waar op hunne medgezellen
uit de nabuurschap genoodigd worden. Dikwils verëert hun meester het
feest met zyne tegenwoordigheid, of hy zendt ten minsten nieuwe rhum
aan de danssers.

De slaven zyn op deeze danspartyen zeer netjes uitgedoscht; de vrouwen
verschynen aldaar met haare beste kleederen, van Indische stoffen
gemaakt, en de mannen met lange broeken van het fynste Hollandsche
linnen. Zy zyn zoo heet op het danssen, dat ik hun van zaturdag s'
avonds ten zes uuren tot maandag 's morgens met het opkomen van de
zon, zonder ophouden den trommel heb hooren slaan; hebbende zy alzoo
met danssen, zingen, schreeuwen en handgeklap, zes-en-dertig uuren
doorgebragt. De Negers danssen altyd paar aan paar; de mans maken
de figuren en teekenen de passen af; de vrouwen draaijen, houdende
haaren kleinen rok als een zonnescherm uitgespreid. Zy noemen deezen
dans waey-cotto. De jonge lieden, die rusten, schenken den drank in;
de meisjens moedigen de danssers aan, en droogen het zweet aan het
voorhoofd van hunne onvermoeide musikanten af.

Het is verwonderlyk, om de orde en goede verstandhouding, die op deeze
dans-partyen heerschen, te aanschouwen. Het vermaak in het danssen
is het waare en eenige voorwerp; en de Negers, ik moet dit herhalen,
zyn 'er zoo verhit op, dat ik 'er één, die kortlings ingevoerd was,
en geene dansseres had, twee uuren lang heb zien staan kyken naar
zyne schaduw, welke zig op den muur vertoonde.

Indien men by al het geen ik van het lot der Negers, die aan eenen
goeden meester onderworpen zyn, gezegd heb, nog voegt, dat zy zig nooit
van elkander afscheiden; dat de vaders hunne kinderen rondöm hun zien,
zomtyds zelfs tot in het derde geslacht; dat zy voor 't overige zeker
zyn, van in hun geheele leven geen gebrek te lyden; en indien men
eindelyk het lot van deeze menschen vergelykt by dat der bedelaars,
die in grooten getaale de straaten der steden in Europa vervullen,
kan men hen zekerlyk niet ongelukkig noemen.

Thans, om in weinige woorden alles zamen te trekken, en om geene
tegenstrydigheid met my zelven te doen voorkomen, na zoo dikwerf de
trekken van onmenschelyke wreedheden van verscheiden meesters verhaald,
en niet dan by toeval van de menschlievenheid van zommige anderen
gesproken te hebben, zy het my geöorloofd, om met een woord over het
ontwerp eener algemeene afschaffing der slaverny te spreken.--Indien
wy onze nabuuren konden overreden, om van gelyken te doen, zoude het
een ander geval zyn; maar dewyl men aan de eigenaars op de Engelsche
Eilanden de wreedheden niet kan te last leggen, welken ik zoo dikwerf
in Surinamen heb zien plegen, waarom zouden wy ons gedragen, als of
die aldaar plaats hadden? waarom zouden wy onze Planters verjagen,
en hen naar eenen grond verzenden, die veel ryker, en van natuure
veel vruchtbaarer is, als mede onder een bestuur, het welk den
vryen invoer der Negers toestaat, terwyl ons oogmerk alleenlyk is
de willekeurige kastydingen te beletten, die deeze zelfde Planters
vastgesteld hebben. [34]

Verscheiden Colonisten stellen zulk een vertrouwen in hunne slaven,
dat zy dikwils hunne kinderen liever aan eene Negerin geven om
te zogen, dan aan eene Europeesche vrouw; en zommige slaven zyn
zoodanig aan hunnen meester verkleefd, dat ik 'er gekend heb, die
hunne vrylating geweigerd hebben, en anderen, die hunne vryheid
reeds genietende, vrywillig in eenen staat van afhangelykheid zyn te
rug gekeerd. Niemand is volmaakt vry in deeze weereld, en wy moeten
allen de één van den ander afhangen.--Ik zal derhalven dit uitgebreid
hoofdstuk besluiten met deeze algemeene aanmerking, dat alle geluk op
aarde enkel in verbeelding bestaat, en dat men die altyd verkrygen
kan, wanneer de gezondheid des lichaams, en de vrede der ziele door
eenen onderdrukkenden geweldenaar niet ontrust worden.



ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen
van straföeffening.--Onverschrokkenkeid der Negers.--Verschillende
zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene
Indigo-Plantagie.--Kaneel-Appel.

In weêrwil van de herhaalde nederlagen der muitelingen, vernam men den
15den Augustus, op Paramaribo, dat zy eenen aanval gedaan hadden op
de Plantagie Berg-en-Daal, of den blaauwen Berg, anders ook genoemd
Parnassus-Berg, gelegen aan het bovenste gedeelte van de Rivier
Surinamen; en dat zy, zonder eenige daad van wreedheid te plegen,
het geen maar al te veel hunne gewoonte was, alle de Negerinnen van
daar hadden weggevoerd, schoon op eenen korten afstand een wachtpost
geplaatst was. Op deeze tyding zond men een hoop jagers af, om hen
te agtervolgen; en byna ter zelfder tyd deed men door zeven honderd
Negers het beruchte cordon, of den verschansten weg, maken, welke reeds
zedert lang ontworpen was. Deeze weg moest verdedigd worden door leger
wachten, wier post was de Plantagiën voor nieuwe overrompelingen te
beveiligen, en het wegloopen der slaven te beletten.

De Plantagie Parnassus-Berg is gelegen aan de westzyde der Rivier
Surinamen, die door de kronkelingen, welken zy vervolgens maakt,
op deezen afstand honderd mylen van Paramaribo af ligt. Dewyl het
gezicht van deeze Plantagie aller aangenaamst is, biede ik 'er den
Lezer eene afteekening van aan, als mede van de Savane der Joden,
een dorp of gehucht, in eene rechte lyn meer dan veertig mylen van
deeze hoofdstad der Volkplanting, en meer dan zestig mylen te water
af gelegen. De Joden bezitten aldaar eene zeer fraaije Synagoge,
in welke zy hunne Godsdienst-plechtigheden verrigten. Zy hebben 'er
ook scholen en huizen van opvoeding, want deeze plaats wordt door
verscheiden aanzienlyke huisgezinnen van hunne natie bewoond. Deeze
zelfde lieden genieten in Surinamen byzondere rechten en voorrechten,
die hun door KAREL II. vergund wierden, toen deeze Volkplanting aan
de Engelschen toebehoorde; en deeze voorrechten zyn zoo groot, als
zy die ergens bezitten.

De Rivier Surinamen is, van de stad Paramaribo, of liever van het
Fort Amsterdam af, even als de Cottica en Commewyne, door fraaije
Suiker- en Koffy-Plantagiën omzoomd; en 'er ontspringen uit dezelve
verscheide kreeken of kleine Rivieren, als de Paulus, de Para,
de Cropina, en de Pararaca; maar hooger dan Parnassus-Berg, vindt
men niets, het welk eene Plantagie genoemd mag worden. De Rivier is
ook op deezen afstand niet meer bevaarbaar, zelfs niet voor kleine
vaartuigen, uit hoofde van de vervaarlyke rotsen en watervallen,
die haar verstoppen, naar maate zy tusschen zeer hooge bergen,
en ondoordringbaare bosschen doorloopt. Deeze natuurlyke bolwerken,
schoon zy de liggingen verrukkelyk maken, beletten echter de bezitters
der Volkplanting, om ontdekkingen te doen, die hun misschien hunnen
arbeid door onmeetlyke schatten vergoeden zouden,

Zoo al de muitelingen zoo veele wreedheden op de Plantagiën niet
meer pleegden, zy waren in de hoofdstad tot eene aanstootelyke hoogte
gestegen. Ik hoorde aldaar onöphoudelyk het geklater der zweepslagen,
en het gekerm der Negers. Onder de eigenaars, die op het vervolgen
hunner slaven byzonder vuurig waren, bevond zig zekere Mevrouw
SP--N, wier Plantagie in de nabuurschap van die van den heer DE GRAAF
gelegen was, en welke ik op zekeren tyd met schrik uit haar raam het
onmenschelyk bevel hoorde geven, om eene jonge Negerin voornamelyk
op den boezem te geesselen, een schouwspel, waar in zy een byzonder
genoegen scheen te scheppen. Den indruk, die deeze vertooning op
mynen geest gemaakt had, willende verzetten, ging ik tot vermaak
een eind weegs om ryden; en het eerste voorwerp, het welk zig aan
myn oog vertoonde, was eene andere Negerin, ook jong zynde, die byna
naakt boven van een zolder, op een hoop gebroken flessen neder viel:
't is waar, dit was een ongeluk, maar dit ellendig schepzel had zig
zoo schroomelyk bezeerd, dat zy zig in eenen even deerniswaardigen
staat bevond, als de eerstgemelde.--Myn lot verwenschende, keerde ik
aan de haven-kant myn rydtuig om, alwaar ik het verdriet had, om twee
Engelsch-Americaansche matroosen, die op de voorplecht van hun schip
met elkander vochten, in het water te zien vallen en verdrinken. Op een
ander Americaansch schip ontdekte ik eenen kleinen scheepsjongen, die,
met een byl gewapend zynde, zig boven uit de mast tegen een Sergeant
en vier soldaten zeer lang verdedigde; deeze waren genoodzaakt hem
te dreigen van op hem te zullen schieten, zoo hy zig niet overgaf,
het geen hy eindelyk deed. Men bragt hem dus aan wal, door twee zyner
medgezellen vergezeld, en met een wacht van twee gelederen soldaten;
men geleide hen alle drie naar het Fort Zelandia, alwaar zy, volgens
des Capitains eisch, en om dat zy zig geduurende hunnen dienst hadden
dronken gedronken, elk de fire cant ontfingen; daar in bestaande,
dat zy met twee bambous-rieten op de schouders werden afgerost, tot
dat dezelve opgezwollen en geheel zwart waren. De Capitain trachte
echter dit zoort van willekeurige straföeffening te wettigen, uit
hoofde der noodzakelykheid, en om dat de Americaansche matroosen en
scheepsjongens de onstuimigste menschen zyn, wanneer zy dronken zyn,
schoon 'er geene de minste reden tot twist aanwezig is: men kan hen
onder de beste zeelieden der weereld rekenen.

Des anderen daags morgens, my bezig houdende met de gevaaren en
kastydingen, waar aan het volk van lageren rang is bloot gesteld,
te overwegen, hoorde ik eene groote meenigte voor by myne wooning
loopen. De nieuwsgierigheid deed my opstaan, en my in aller yl
aankleeden, om te verneemen, wat 'er gaande was. Ik vernam toen
drie Negers, geketend en door eene talryke wacht omringd, welke in
de Savane hunne straf gingen ontfangen. Hun stout en onbeschaamd
voorkomen trok myne aandacht zoodanig derwaarts, dat ik, in weêrwil
van myne afkeerigheid voor dergelyke vertooningen, besloot te
gaan zien, wat het gevolg van dit alles wezen mogt.--Men las het
vonnis, in plat Hollandsch opgesteld, het welk deeze ongelukkigen
niet verstonden. De eerste wierd veröordeeld, om met een byl het
hoofd te worden afgehouwen, vermits hy een slaaf gedood had, die
op de Plantagie van zyne meesteresse bananen was komen steelen. De
waarheid der zaak was, dat hy dien moord op uitdrukkelyken last van
deeze vrouw gepleegd had; maar toen de misdaad ontdekt was, liet zy
'er haaren slaaf voor opdraaijen, om haaren goeden naam te behouden,
en de kosten van boete en schadeloos-stelling uit te winnen. De arme
keerel leide zyn hoofd met onverschilligheid op het blok neder, en
ontfing den dood in éénen slag. De tweede, die zyn medepligtige was,
wierd onder de galg gegeesseld. De derde, wiens naam NEPTUNUS was,
was een vry persoon, en een timmerman van zyn ambacht; maar, ter
gelegenheid van zekeren twist, den Opzigter der Plantagie Altona,
aan de Para Kreek, gedood hebbende, wierd hy rechtvaardig veröordeeld
om het leven te verliezen. De byzonderheden van zyne misdaad en straf
zyn merkwaardig. Deeze Neger, die jong en wel gemaakt was, een schaap
gestolen hebbende, om 'er eene vrouw op te onthaalen, door welke hy
bemind wierd, besloot de Opzigter, die van jaloersheid brandde, hem
te laten ophangen. NEPTUNUS, om dit voor te komen, schoot in een veld
van suiker-riet een snaphaan op hem af, zoo dat hy dood ter aarde
viel. Tot straf van deeze misdaad wierd hy verwezen, om levendig
gerabraakt te worden, zonder den genade-slag te ontfangen. Van den
inhoud van dit verschrikkelyk vonnis onderrigt zynde, plaatste hy
zig zonder tegenkanting op een sterk kruis, vervolgens strekte hy de
armen en beenen uit, welken men met touwen vast bond. De scherprechter
(zynde altyd een Neger,) nam de byl, en hieuw hem de linke hand af,
waar na hy, een yzeren koevoet in de vuist nemende, hem met verdubbelde
slagen de beenderen aan stukken sloeg. De touwen wierden vervolgens
los gemaakt, en meenende dat hy dood was, gevoelde ik my zelf als
getroost; maar toen de rechters op het punt waren om heen te gaan,
wierp de misdadiger zig zelf van boven neder van het kruis, en viel
in het gras, vervloekende zyne rechters als een hoop van gruwelyke
schelmen. Vervolgens met zyn hoofd tegen het kruis aanleunende,
verzogt hy aan de omstanders een pyp tabak, die onmeedoogend genoeg
waren, om hem zulks te weigeren, hem met den voet stootende, en op hem
spuwende, het geen echter eenige Americaansche matroosen vervolgens
beletteden. Hy smeekte toen, maar vrugteloos, dat men hem het hoofd
wilde afhouwen. Eindelyk, geen einde aan zyn lyden ziende, verklaarde
hy:--"Dat hy den dood verdiend had, maar niet verwagtte, dat men
hem zoo veele maalen zoude doen sterven. Met dit al, vervolgde hy,
gy bereikt uw oogmerk niet; ik lach in alle uwe folteringen, al moest
ik hier nog een maand zoo blyven liggen."

Dit gezegd hebbende, zong hy agter malkander, en met eene heldere stem,
twee liederen, by het ééne van welke hy aan zyne naastbestaanden en
vrienden vaar wel zeide, en by het andere aan zyne overledene vrienden
berigtte, dat hy spoedig in het gelukkig verblyf, door hen bewoond,
hun gezelschap zoude genieten. Toen hy geëindigd had, verhaalde hy
bedaard zyn rechtsgeding, met alle deszelfs byzonderheden.--"Maar,
zeide hy eensklaps tot de geenen, die hem omringden, ik zie aan de
hoogte van de zon, dat het byna agt uuren is, en het zoude my leed
doen, dat gy, door myn langer spreken, uw ontbyt zoudt verliezen." De
oogen toen naar eenen Jood, DE VRIES genaamd, gewend hebbende, zeide hy
hem. "Ei lieve, myn heer, wilt gy my betaalen de vyf guldens, welken
gy my schuldig zyt?--Om wat te doen, antwoordde de Jood?--Om eeten en
drinken te koopen; ziet gy niet, dat men my laat leven?" De Jood op
deeze woorden agter uit deinzende, lachte de ongelukkige misdadiger
hem opentlyk en van goeder harten in het aangezicht uit. Vervolgens
den soldaat aankykende, die by hem de wacht hield, en van tyd tot tyd
in een stuk droog brood beet, vroeg hy hem:--"Waar het by toe kwam,
dat een blanke geen ander ontbyt had?"--"Om dat ik niet ryk ben,
antwoordde de soldaat."--"Wel nu, ik wil u een geschenk doen, hernam
de Neger: neemt de hand, die men my heeft afgekapt; eet die tot op
het been toe af; verslind vervolgens myn lichaam, tot dat gy verzadigd
zyt; gy zult dan een ontbyt gedaan hebben, het welk u voegt." Hy deed
deeze schimprede met een schaterenden lach gepaard gaan; en ging op
die wyze voort, geduurende de drie uuren, dat ik aldaar verbleef. [35]

Het is verbazend, dat iemand de kracht heeft, om dergelyke folteringen
door te staan; voorzeker kan hy dit niet doen, dan door eene vermenging
van woede, hoogmoed, verachting, en de zekerheid, dat hy zyne vervolgers
en beulen spoedig ontkomen zal.

Ik heb de byzondere omstandigheden van zulk eene straföeffening, die
geen daad van wreedheid van eenig byzonder persoon was, breedvoeriger
verhaald, om een voorbeeld te geven van de ongemeene gestrengheid
der Surinaamsche wetten.

Verder moet ik alhier een toeval verhalen, het welk slechts een
oogenblik op myne verbeelding werkte, maar van een langduuriger
uitwerking had kunnen zyn by iemand, die 'er de oorzaak niet van wist,
welke ik echter zeer gemakkelyk ontdekte. Des namiddags omtrent drie
uuren, myn geest nog vervuld zynde met het aandoenlyk toneel van des
morgens, ging ik naar de strafplaats toe, alwaar myn oog het eerst
viel op het hoofd van den gestraften Neger, het welk boven op een
paal gestoken was, en heen en weder waggelde, als of hy nog geleefd
had, en my eenig teeken wilde geven. Ik bleef oogenblikkelyk staan,
en niemand in de Savane ziende, alwaar zelfs geen wind genoeg was,
om een blad te doen ritselen, erken ik, dat ik my gevoelde, als aan
den grond vast gehecht, en een tyd lang geen moed had om voorwaarts
te gaan. My vervolgens myne zwakheid verwytende, van naar iets van
dien aart niet te durven naderen, en te onderzoeken, welke de reden
van een dergelyk verschynsel wezen mogt, bespeurde ik zulks zeer
schielyk door het vliegen van een Giervogel, die zig op dit hoofd kwam
nederzetten, als wilde hy my een dergelyken buit betwisten. Hy had hem
reeds één zyner oogen uitgepikt, toen hy op myne eerste aannadering
wegvloog; en by dit wegvliegen met de pooten tegen dit hoofd stootende,
veroorzaakte hy deeze schielyke beweging. Ik moet by dit alles voegen,
dat de ongelukkige NEPTUNUS, nog by de zes uuren na het ondergaan
van zyne straf geleefd hebbende, uit mededogen van den soldaat,
die de wacht hield, een slag met de kolf van den snaphaan kreeg,
waar van ik de teekens nog zag.

Zommige Schryvers vergelyken den Giervogel by den Arend; maar die
van Surinamen heeft dezelfde hoedanigheden niet: hy is in de daad een
roofvogel, maar in plaats van zig te voeden met de dieren, welken hy
doodt, leeft hy niet, dan van krengen. Dienvolgende verschynt hy veel
op de kerkhoven, en de plaatsen, waar men doodstraffen uitoeffent;
het geen zyne reuk zoo klaar aanduidt, dat de Negers hem tingy fowlo,
den stinkenden vogel, noemen. De Giervogel in Guiana heeft de grootte
van eene gewoone kalkoen. Zyne vederen hebben eene donker gryze kleur,
uitgenomen de vlerken, die zwart zyn. Hy heeft een vooruitstekende,
sterke en kromme bek, een gespleten tong, een langen hals, en zeer
korte pooten. Behalven het straks gemelde voedsel, eet hy dikwils
slangen, en zelfs alles wat hy vindt, in zulk eene meenigte, dat hy
somtyds moeite heeft om te vliegen.

De vogel, genaamd de Koning der Roofvogelen, is in Surinamen niet
zeer gemeen, schoon de Indianen 'er zomtyds één of twee te Paramaribo
brengen, uit hoofde van deszelfs ongemeene fraaiheid. Hy is grooter,
dan eenig zoort van kalkoenen. De huid van zyn kop en hals, die geene
vederen hebben, is gemengd van eene scharlaken, violet en bruine
kleur. Hy draagt een halsband van lange en dik op elkander zittende
vederen, waar in hy zoodanig kan ingedoken zyn, dat men naauwlyks
zyn kop ontdekt. Deeze vogel leeft insgelyks van bedorven vleesch,
slangen, rotten, padden, en zelfs van drek.

Onder de roofvogelen in de Surinaamsche bosschen telt men den gekuifden
Arend, een zeer wild en sterk dier. Zyne vederen zyn zwart op den rug,
maar geelachtig naar de stuit; zyn borst, buik, dyën, en zelfs zyne
pooten, zyn wit met zwarte vlakken; het overige van zyn lichaam is
geheel bruin, en de klaauwen volmaakt geel. Deeze vogel heeft eene
platte kop, vercierd met een kuif van vier vederen, twee lange en
twee korte, die hy naar willekeur verheft of laat vallen.

Den 24sten, zynde den geboortedag van den Prins van Orange, gaf de
Colonel FOURGEOUD aan de gezamentlyke Officiers een middagmaal van
gezouten ossen en varkens-vleesch, van puddings van garste meel, en
gedroogde visch. Dewyl JOANNA steeds by haar besluit bleef volharden,
nam ik op dien zelfden dag, in tegenwoordigheid van haare moeder
en andere nabestaanden, de verbintenis aan van de goede Mevrouw
GODEFROY;--"van haar aan niemand dan aan my te verkoopen. Deeze
Mevrouw schonk, by haaren dood, niet alleen aan haar haare vryheid,
maar ook een stuk land om te bebouwen, waar op men voor haar eene
gemakkelyke wooning zoude stichten, waar over zy de vrye beschikking
hebben zoude." Mevrouw GODEFROY gaf my vervolgens myn briefje van
negen honderd guldens te rug, en deed aan JOANNA een geschenk van
eene beurs van twintig goude ducaten, en twee fraaije stukken Indisch
linnen. Zy raade my tevens, om aan den Raad een verzoekschrift in te
leveren, tot dadelyke vrymaking van myne JOHNNY.--"Eene noodzakelyke
plechtigheid, zeide zy my, het zy ik een borg vond, het zy niet, en
zonder welke zelfs in het eerstgemelde geval niets verrigt zoude zyn."

Beiden betuigden wy onze oprechte dank-erkentenis aan deeze uitmuntende
vrouw, en door vreugde zynde opgenomen, ging ik by den Gouverneur
des avonds ter maaltyd, en bood hem myn verzoekschrift aan, het
welk in goede orde was opgesteld. Zyne Excellentie nam het aan,
met het hoofd schuddende, en my de hand drukkende; maar hy erkende
my rond uit:--"Dat hy volkomen overtuigd was, dat myn zoon slaaf
zou sterven, ten waare ik de borgtocht, die de wet vorderde, vinden
konde, 't geen niet gemakkelyk was." Na derhalven veel moeite en
tyd verloren te hebben, na meer dan vyf honderd guinies betaald te
hebben, had ik nog de onuitspreekelyke smarte, om hem, van wien ik
vader en eigenaar tevens was, misschien aan eene eeuwige slavernye
te zien bloot gesteld. JOANNA zelve had toen niets meer te vreezen,
het geen my een groot genoegen deed.

Te midden echter van eene zoo billyke neêrslagtigheid, deed zich eene
gelukkige hoop juist ter snede op. De beruchte Neger GRAMAN QUACY,
van wien ik reeds gesproken heb, kwam uit Holland aan, en had de
tyding verspreid, dat men, door zyne tusschenkomst, eene wet gemaakt
had, volgens welke alle slaven, zes maanden na hunne ontscheping in
Texel, vry zouden zyn. De eigenaar konde nochtans dien tyd voor zes
andere maanden verlengd krygen, na verloop van welken geen uitstel
meer, zelfs voor geen enkelen dag, zoude worden toegestaan.--In myne
ziel nu overtuigd zynde, dat ik vroeg of laat, en zoon, en moeder,
in Europa brengen zoude, was myn hart uittermaten getroost.

Alvoorens het verhaal van myne reize te eindigen, zal ik omtrent
deezen GRAMAN QUACY eenige byzonderheden opgeven. Het zal genoeg
zyn voor het tegenwoordige te zeggen, dat de Prins van Orange, niet
genegen zynde hem de kosten uit zyn beurs te betalen, en hem veele
geschenken te doen, hem te rug zond, gekleed in een scharlaken en
blaauwen rok, om welken een breed goud boordzel gelegd was; hy had
een witten veder op zyn hoed; en hy geleek dus naar een Hollandsch
Generaal. Die goedheid van den Prins maakte deezen Koning der Negers
zeer hoogmoedig, en nu en dan zelfs zeer onbeschaamd.

De Gouverneur der Volkplanting gaf den 27sten, een zeer kostbaar
festyn aan zyne vrienden, op zyne Indigo-Plantagie, eenige mylen
agter zyn paleis gelegen. Hy deed my de eer aan, om my daar by te
verzoeken, en ik had het genoegen, om het maken van Indigo te zien,
waar van ik de behandeling thans zal opgeven.

De Indigo-plant is een knobbelig heester-gewas, dat van zaad
voortkoomt, by de twee voeten hoog groeit, en in den tyd van
twee maanden zyn volkomer wasdom verkrygt. Deeze plant vordert een
vrugtbaaren grond, en men moet het onkruid zorgvuldig uitwieden. Men
ziet dezelve doorgaans, vier of vyf dagen, na dat het zaad in den
grond geworpen is, uitkomen. Het zyn in het begin knobbelige stronkjes,
voorzien van kleine takjes, die verscheiden paaren van bladeren dragen,
en altoos met een ongelyk blad eindigen. Deeze bladen zyn eirond,
glad, zagt in 't aanraken, aan de boven-zyde van eene donker groene
kleur, aan de beneden-zyde bleek groen, ongetand, en aan eene byna
onzigtbaare steel vast gehecht. De bloem behoort onder het zoort van
die geenen, die tot een peul of schil groeijen, en hangt aan eene zeer
korte steel. Wanneer de bladen van de bloem zyn afgevallen, groeit
der zelver hart in de lengte, en wordt een peul, die langwerpig, krom
gebogen, glad, helderschynend, puntig uitloopende, bruin van buiten,
en wit van binnen is, en zeven of acht pitten bevat, die door een
klokhuis van elkander zyn afgescheiden. Elke pit vertoont een kleine
rol, grys of olyfächtig van kleur, en een lyn lang.

Zie hier de manier, op welke deeze plant tot Indigo bereid wordt.
Wanneer men alle de takken heeft afgesneden, bindt men dezelven
tot schoven of bossen, legt die in een groote kuip vol water, en bedekt
dezelven met zwaare stukken hout, die tot perssen dienen. Alles op die
manier zynde gereed gemaakt, begint de gisting zeer spoedig; in minder
dan agtien uuren schynt het water te koken, en de verwstof der plant
naar zig trekkende, verkrygt het zelve eene blaauwe violet kleur. Tot
dien staat van gisting gekomen zynde, laat men het water in een tweede
kuip overloopen, die zomtyds minder groot is; en dan zuivert men het
zorgvuldig van alle stukjes hout, welken men weg werpt. De stank,
die dit water opgeeft, maakt deeze bewerking zeer ongezond. Dit
water, in de tweede kuip overgegoten zynde, wordt met houten spadels
omgeroerd, tot dat het kleurend gedeelte zig afscheidt, en tot kleine
bolletjes zamenloopt, die naar den bodem zinken. Het water herneemt
dan op deszelfs oppervlakte zyne natuurlyke doorschynendheid; en men
giet het nog eens, tot aan dat gekleurd zinkzel, in een derde kuip,
ten einde de stukjens Indigo, die 'er nog in vervat zouden mogen zyn,
mede naar den grond zinken; waar na men dit water weg giet, en het
zinkzel of de Indigo wordt gelegd in vaten, die geschikt zyn, om 'er
in te droogen. Het raakt alzoo alle verdere vochtigheid, die 'er nog
in mogt zyn, kwyt; het krygt aldaar de gedaante van kleine vierkante
langwerpige brooden, van eene fraaije lichtblaauwe kleur, en is dan
tot de vervoering geschikt. [36] Men kweekt de Indigo-Fabrieken in
deeze Volkplanting weinig aan. Ik weet 'er de reden niet van, want de
koek, welke zy voortbrengt, wordt verkogt voor vier guldens het pond;
beste Indigo moet ligt, hard, en brandbaar zyn.

De aankweeking van deeze plant is in Surinamen begonnen door zekeren
DESTRADES, die zig een Fransch Officier noemde, en het zaad daar
toe uit St. Domingo medebragt. Dit had eerst in later tyd plaats,
dewyl ik zelf deezen armen keerel nog gekend heb, die zig op Demerary
met een pistool-schoot het leven benam.--Dewyl de omstandigheden van
zynen dood vry merkwaardig zyn, kan ik myne geneigdheid, om dezelve
kortelyk te verhaalen, niet wederstaan. Deeze man, zig in schulden
gestoken hebbende, maakte het overschot van zyne bezittingen tot
geld, en vluchte uit de Volkplanting van Surinamen weg. Zig in de
Spaansche bezittingen met verboden handel hebbende opgehouden, wierd
al het geen hy bezat vervolgens in beslag genomen. Geen uitkomst meer
hebbende, vervoegde hy zig by één zyner vrienden op Demerary, die de
menschlievenheid had om aan hem eene vryplaats te verleenen. Hy had
daar van slechts eenigen tyd gebruik gemaakt, toen eene verzweering
aan zynen schouder doorbrak; maar hy weigerde bestendig alle hulp,
en om zich te laten bezichtigen. Het ongemak wierd met dit al erger,
en zelfs gevaarlyk; maar DESTRADES bleef 'er altyd by met het bedekt
te houden. Eindelyk geraakte op zekeren dag het geheele huis in
ontsteltenis, toen men hoorde, dat 'er een schietgeweer in zyne kamer
afging. Men trad binnen, en vond hem, met zyn besten rok aangekleed,
maar zwemmende in zyn bloed, met een pistool, het welk by hem op den
grond was gevallen. Toen ontkleedde men hem, en tot groote verbaazing
der tegenwoordig zynde lieden, ontdekte men de letter V (voleur: dief:)
op dien zelfden schouder, welken hy niet had willen vertoonen.--Dus
eindigde het leven van eenen man, die eenige jaaren lang te Paramaribo
met roem geleefd had, en aldaar over het algemeen geacht was.

Na het eeten verliet ik de Plantagie van den Gouverneur, en begaf my,
in het rydtuig van zyne Excellentie, tot aan den oever der Rivier,
alwaar ik een overdekt vaartuig met agt riemen vond, om my naar de
Plantagie Catwyk aan de Commewyne te brengen. De heer GOETZÉE, een
Hollandsch Zee-Officier, die eigenaar van deeze fraaije Plantagie was,
had my op dezelve genoodigd. 'Er ontbrak geen vermaak, van welk zoort
ook, in dit aangenaam verblyf. Men hield aldaar paarden, rydtuigen,
vaartuigen, die altyd gereed lagen; maar het geen alle vermaak bedorf,
was de onmenschelykheid van Mevrouw GOETZÉE, die, om de geringste
misslag, haare slaven deed zweepen: by voorbeeld, een jonge Neger,
JACKY genaamd, wierd, om dat hy de glasen niet naar haaren zin
gespoeld had, door haar veröordeeld, om des anderen daags een zeker
getal zweepslagen te ontfangen; maar de arme keerel vond middel om zig
aan haaren wrevel te onttrekken. Dien zelfden avond nam hy afscheid
van alle de Negers op de Plantagie; vervolgens ging hy in het bed
van zynen meester leggen, nam de tromp van een jachtgeweer in zynen
mond, en den trekker met één der toonen van zynen voet overhaalende,
maakte hy op die manier een einde van zyn leven. Dit schot alles in
rep en roer gemaakt hebbende, werden twee groote Negers gezonden,
om te vernemen wat 'er gaande was, en zy vonden den jongeling dood
en mismaakt liggen op het bed, het welk geheel bebloed was. De beide
slaven gaven bericht van dit voorval, en kregen last om het lyk uit
het vengster te gooijen; maar noch de eigenaar, noch de eigenaresse,
en zelfs geen ander mensch, wilde, eer dat ik kwam, in de kamer gaan,
schoon dezelve anderzints aangenaam en gemakkelyk was. Het geen de
meesters van den huize in deeze omstandigheid het meest verschrikte,
bestond daar in, dat hun geliefd kind in dezelfde kamer sliep, waar
dit voorval gebeurde, maar zy stelden zig spoedig gerust, toen zy
vernamen, dat aan het zelve niets was wedervaren.

Ik had nog geen veertien dagen op deeze Plantagie doorgebragt, toen
eene slavin, YETTEE genaamd, naakt wierd uitgekleed, en door twee
sterke Negers op eene verschrikkelyke wyze gegeesseld. De uitvoering
der straf geschiedde voor de deur van 't huis, en de ongelukkige had
de huid byna geheel ontveld. Haare misdaad bestond in gezegd te hebben:
"dat haare meesteresse eenige schulden had, zoo wel als zy". Vyf dagen
daar na verwierf ik echter, dat de ketenen, die men haar aan de voeten,
en boven de lendenen had vast gemaakt, wierden weggenomen: maar zekere
Mevrouw VAN EYS, voorgewend hebbende, dat deeze slavin haar onbeschoft
had aangekeken, was oorzaak, dat Mevrouw GOETZEE, in die zelfde week,
de kastyding liet herhaalen, en wel op zulk eene manier, dat ik niet
geloove, dat het arme schepzel 'er van heeft kunnen opkomen.

In zoo veele onmenschelyke wreedheden een weerzin hebbende, verliet
ik Catwyk, in het vast voornemen, om het zelve nooit wederom
te zien. Niettemin was ik in gezelschap van den heer GOETZEE, op
verscheide andere Plantagiën, aan de Rivieren Cottica en Peréca. Op
de Plantagie Alia, onder dit getal behoorende, haalde men my op eene
beleefde wyze over, om aan een meisjen, het welk geboren wierd,
een naam te geven, en ik noemde haar Charlotta; des anderen daags
morgens, onder het ontbyt, wierden alhier zeven Negers strengelyk
gegeesseld.--Ik begaf my vervolgens naar de Plantagie 's Gravenhage,
alwaar ik eenen jongen mulat, DOUGLAS genaamd, ontmoette, die geboeid
was, en ik herinnerde my met aandoening, dat zyn ongelukkige vader voor
deszelfs dood hem van de slavernye niet hadde kunnen bevryden. Door
zulk eene reize vermoeid zynde, kwam ik spoedig te Paramaribo te rug,
alwaar ik by myne aankomst vernam, dat LAURENS, de kamerdienaar van
den Colonel FOURGEOUD, overleden was, en dat men hem begraven had,
eer hy nog volkomen dood was.--Geduurende myne afwezigheid hadden
dertien van onze soldaten, om dat zy in een herberg beschonken waren
geraakt, door de spitsroeden geloopen, en stokslagen ontfangen. Zy
waren zoo afgerost, dat weinigen van hun in Europa te rug kwamen,--Men
had een Hollandsch matroos, en een jong meisjen van het geslacht der
Quateron-Negers, aan den oever der Rivier vermoord gevonden.--By myne
te rug komst, op het plein zynde gaan wandelen, wierd ik geroepen
door den ST--K--R, die my op de derde verdieping gebragt hebbende,
tot my zeide:--"zoudt gy wel gelooven, dat één van myne Negers laatst
van deeze hoogte afsprong, om eene geringe kastyding te ontgaan;
maar dewyl hy door zynen val slechts eene ligte bedwelming bekwam,
wreef men hem sterk aan de slapen van het hoofd, en hy kwam weder
spoedig by: toen, om hem te straffen, dat hy zyn persoon, die de
eigendom van zynen meester was, in zulk een gevaar gebragt had, en
myne vrouw had doen verschrikken, zond zy hem naar 't Fort Zelandia
om aldaar door een frisschen Spanso-bocko zyne misdaad te boeten".

De kastyding, die deezen naam draagt, is één der verschrikkelykste;
zy wordt op de volgende wyze uitgevoerd.--Men bindt den veroordeelden
de handen, en laat hem de kniën tusschen de armen doorgaan; men legt
hem vervolgens op de ééne zyde, en houdt hem zoo als een hoen in
malkander gewonden, door middel van een paal, waar aan men hem vast
maakt, en die men in den grond steekt. In die gesteldheid kan hy zig
even min bewegen, als of hy dood was: dan slaat hem een Neger, met
een bos knobbelige tamarinde-takken gewapend, tot hy hem de geheele
huid heeft van één gereten; hy keert hem vervolgens naar de andere
zyde om, slaat hem op gelyke wyze, en de grond is op de straf-plaats
van het bloed doorweekt. Wanneer dit is afgeloopen, wascht men den
armen keerel, om de versterving van het vleesch voor te komen, met
citroen-sap, waar in buskruid ontbonden is. Na dit alles zendt men
hem naar zyn hok te rug, alwaar hy mag zien, hoe hy genezen wordt.

Is het nu wel te verwonderen, ik moet het herhalen, dat de slaven
opstaan tegen meesters, die hen zoo wreed behandelen!

De manier nog niet beschreven hebbende, op welke de muitende
Negerslaven de Plantagiën aantasten, meene ik geene betere gelegenheid,
dan de tegenwoordige, daar toe te kunnen vinden.

Na zig den geheelen nacht in de naby gelegene struiken verborgen
te hebben gehouden, komen zy, by het aanbreken van den dageraad
daar uit te voorschyn, vallen de Europeanen onverhoeds aan, en
vermoorden ze allen. Zy plonderen en verbranden vervolgens het huis
van den eigenaar. By het heengaan nemen zy alle de Negerinnen mede;
zy beladen dezelven met hunnen buit, en behandelen haar met de grootste
onbeschoftheid, indien zy den minsten tegenstand durven bieden.

Ik zal de aandoenlykheid van den lezer door deeze treurige verhaalen
niet meer afmatten, hebbende ik hem 'er reeds te lang mede bezig
gehouden. Ik hoopte daar door de wreedäarts te doen bloosen, en de
zaak der menschelykheid te bevorderen.

Ik heb reeds gezegd, dat ik, den 24sten Augustus, een verzoekschrift
aan den Gouverneur had ingeleverd, om mynen zoon vry te maken. Mitsdien
zag ik, den 8sten October, met zoo veel vreugde, als verwondering,
het volgende aangeplakt. "Indien iemand gerechtigd is, om zig te
verzetten tegen zeker gedaan verzoek, om de vryheid te bekomen voor
een kind, behoorende tot het geslacht der Quarterons, genaamd JOHN
STEDMAN, zoon van den Capitain STEDMAN, kan dezelve zig aanmelden
tot den 1sten January 1777.". Zoo dra ik dit bericht gelezen had,
liep ik naar den heer PALMER, om hem dit nieuws mede te deelen. Hy
verzekerde my, "dat dit eene enkele plechtigheid was, gegrond op de
veronderstelling, dat ik de noodige borgtocht bezorgen zoude, waar
op men ongetwyffeld staat maakte, overeenkomstig de vrypostigheid,
waar mede ik myn verzoekschrift aan den Gouverneur der Volkplanting
had ingeleverd". Niet in staat zynde een enkel woord uit te brengen,
ging ik naar JOANNA toe, die my al glimlachende antwoorde, dat ik aan
de vryheid van onzen zoon niet moest wanhoopen. In deeze oogenblikken
van neerslagtigheid verliet ik deeze beminnenswaardige vrouw nooit,
zonder dat zy my eenigen troost gegeven had.

Byna op deezen zelfden tyd vernamen wy, dat in de Utrechtsche
nieuwspapieren een zeer scherp geschrift stond tegen den Colonel
FOURGEOUD, waar by men met het zenden van afgezanten, door hem aan de
Oucas- en Sarameca-Negers gedaan, den spot dreef. Schoon hy van die
zoogenaamde bondgenooten niets te verwagten had, en dat zyn volk op
dit oogenblik byna geheel versmolten was, wilde hy echter de geenen,
die nog gaan konden, niet geheel werkeloos laten. Hy kleedde derhalven
zyne soldaten op nieuw, (voor de eerste maal na het jaar 1772,) en hy
gaf hun nieuwe sabels, enz.; vervolgens zond hy hen om aan den mond van
de Cassipory-Kreek, aan het bovenëinde van de Cottica te gaan legeren,
zynde alleenlyk door Onder-Officiers vergezeld; maar de Officiers
van hoogeren rang, kregen spoedig bevel om hen te volgen. Den 7den,
onthaalde hy ons ter maaltyd, en liet eindelyk een gebraden ossenharst
opdisschen, welke men hem van Amsterdam gezonden had, op zoodanige
wyze gereed gemaakt, als ik reeds beschreven heb. Op het nagerecht
zag ik eene vrucht, die men in Surinamen noemt Kaneel-appel, aan een
boompjen groeit, en in de tuinen van Paramaribo, meenig-werf gevonden
word. Dezelve is met een zoort van groene schubben geheel bedekt,
en gelykt naar een jonge artichok.

De schil van deeze vrucht is byna een halve duim dik. Het vleesch
smaakt als dikke room, waar in aangebrande suiker geroerd is. Het
is zoo zoet, dat zommige lieden het al te laf oordeelen. Derzelver
breede, harde en zwarte zaaden zitten in dit vleesch.

My hebbende gereed gemaakt om weder eenen dadelyken dienst te beginnen,
en daarënboven eene groote meenigte wyn, sterke dranken, en allerleije
zoorten van ververschingen, my door myne vrienden toegezonden,
ontfangen hebbende, beval ik JOANNA, en mynen zoon, aan de zorge
van de goede Mevrouw GODEFROY aan. Dit was dus de zevende veldtocht,
die thans een aanvang nam: ik verlangde de onderneming, welke wy met
eenen zoo standvastigen yver voortzetteden, zoo mogelyk, tot genoegen
van de inwooners deezer Volkplanting te doen afloopen. Ik bevond my
toen zoo wel, ik was zoo opgeruimd van geest en wel gemoed, als op
den dag zelven, toen ik, met de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD,
op het vaste Land van America ontscheepte.



AGT-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht
naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van
timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos
genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewone hitte, die alle de
moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De
Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en
vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de
Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche
Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.

Den 10den November, begaf ik my, in een talryk gezelschap, met een
vaartuig naar de legerplaats aan de Cassipory-Kreek. Des anderen daags
was de geheele Volkplanting met rook overdekt, dewyl de bosschen aan
het zee-strand in brand geraakt waren, zonder dat men 'er de reden van
konde opsporen. Op de reize ontmoetten wy een hoop krygsvolk, onder
bevel van den Colonel TEXIER, die van Vrydenburg, aan de Maroni-Kreek,
te rug kwam. Deeze Officier verzekerde ons, dat de muitelingen, na den
gevoeligen neep, dien wy hun door het inneemen van Gado Saby hadden
toegebragt, die groote Rivier overvluchtten, en by de Franschen, in
Caijenne wonende, eene schuilplaats vonden. Hy voegde 'er by, dat hy
van hun eene vrouw gevangen had, en de Lieutenant KEEN twee mannen,
na 'er verscheiden gedood te hebben; dat de beide nieuwe compagniën
van vrywillige Negers de eer van hunne vaandels, door hun met groote
staatsie van den Gouverneur ontfangen, ophielden, door het medebrengen
van gevangenen, welken zy aan het strand agter Paramaribo gemaakt
hadden; dat zy by deeze gelegenheid geholpen waren geworden door de
Indianen, die vrywillig gestreden hadden, en meer dan eenmaal op die
zelfde plaats den vyand afbreuk hadden gedaan. Alles deed zig dus
aan ons voor, om onze onderneming met eenen goeden uitslag bekroond,
en de rust in de geheele Volkplanting hersteld te zien.

De Plantagie Saardam, die toen aan den Colonel DES BORGNES, uit hoofde
van zyn huwelyk, toebehoorde, op onzen weg liggende, hielden wy daar
stil. Ik vond 'er eenen Americaanschen matroos, welke melasse, of
suiker-syroop, inlaadde. De bekwaamheid van den nieuwen Planter en
zynen Opzichter willende beproeven, haalde ik deezen matroos over,
om twee kruiken kill-devil (by de Hollanders genoemd kelduivel,)
die op deeze Plantagie gemaakt was, te kleuren, en te verzekeren,
dat hy dezelve als rhum van Antigoa aanbragt. Hy deed het geen ik
hem zeide. Men vond zyne zoogenaamde rhum uitmuntend; men maakte 'er
punch van voor het geheele gezelschap, en men gaf hem wederkeerig zes
andere kruiken van die zelfde kill-devil. De Americaan beloofde my
die insgelyks te zullen kleuren; en hy hoopte zyn vaartuig boordvol
geladen te hebben, voor zyn vertrek van Paramaribo. Zoo veel vermogen
heeft het vooröordeel in alle Landen.

Wy verlieten de Plantagie Saardam, alwaar wy volmaakt wel ontfangen
waren, en wy kwamen den 13den, zonder het ontmoeten van eenig onheil,
op onze legerplaats by de Cassipory-Kreek aan de Cottica. Geene
schoenen, noch koussen aan hebbende, wierd ik byna gestoken door een
Land-Scorpioen, toen ik myne voeten aan den wal zette. Dit insect
heeft de grootte van eene kleine kreeft. Zyn lyf, zynde van eene
eyronde gedaante, en van eene roetkleur, is met beweegbaare ringen
bedekt. Hy heeft agt pooten, welke in geleden verdeeld zyn. Twee
armen, insgelyks in geleden verdeeld, komen uit zyn kop, en schynen
een gedeelte van zyn lyf uit te maken. Zyne oogen zyn zoo klein,
dat men ze naauwlyks zien kan. Zyn staart heeft zeven klootvormige
verdeelingen, naar koraalen van glas gelykende, en eindigt met een
dubbele ring. Het wyfje kronkelt dezelve op haaren rug in elkander, om
haare jongen voor de aanvallen van andere insecten te beveiligen. De
steek van den Land-Scorpioen is niet doodelyk, maar veröorzaakt eene
stekende pyn en koorts. Men zegt, dat hy van huid verandert, even als
de krabben van schelp veranderen. Men vindt hem meestäl op oude boomen,
oud huisraad, en ook dikwils onder het vuilnis, en in het drooge gras.

Onder de ongelukken, welken ik hier zag, moet ik niet vergeten het
verlies van eenen zee-soldaat, die, zig in de Rivier badende, door
eenen grooten Kayman eensklaps wierd naar den grond getrokken. Zoo
dra ik zyn ongeluk bemerkte, ontkleedde ik my, sprong oogenblikkelyk
in het water, en droeg zorg, dat ik altyd het eene been in beweging
hield. Met dit al, ik vond niet den geen, dien ik zogt, en liep zelf
groot gevaar. Ik had door eenen Neger eene lange roeyriem in een
lynregten stand doen houden, ten einde ik my daar aan vast hield,
en hy dezelve, wanneer ik 'er op sloeg, naar zig toe zoude haalen;
maar de Neger, my kwalyk begrypende, maakte met die roeyriem zulk
eene geweldige beweging, dat ik naar den grond zonk. Ik kwam niet
weder boven, dan omtrent in het midden van den stroom, en bereikte
den oever niet dan met zeer veel moeite.

Den 20sten, bevel ontfangen hebbende om naar Gado-Saby te trekken,
vertrok ik des morgens ten zes uuren, aan het hoofd van twee
Lieutenants, drie Sergeanten, zeven Corporaals en vyftig soldaten,
zonder een Heelmeester en den Neger, GOOSSASY, dien wy in drie of vier
uuren kwyt raakten, daar by te rekenen. Wy sloegen ons neder aan de
oevers van de zelfde Cassipory-Kreek, zonder meer dan zes mylen ten
westen van derzelver mond te hebben kunnen voorwaarts komen.

Den 21sten, vorderden wy zeven of acht mylen noordwaarts, en wy vonden
geen enkelen drop water, om den hevigen dorst te lesschen, die ons
allen verslond. Wy waren te midden van het saisoen van droogte,
waar van de hitte dit jaar brandender was, dan ooit.

Toen onzen weg veranderd, en denzelven noord-oost-waarts genomen
hebbende, doorwaadden wy, des morgens van den 22sten, het moeras;
en tegen den middag bereikten wy wederom het drooge; vervolgens,
na nog één uur te zyn voorwaarts getrokken, gingen wy naar den
westkant. Wy ontmoetten aldaar een groot veld, met ignames beplant,
het welk wy verwoestten. Dit gedaan hebbende, trokken wy lynrecht
voort, en sloegen ons neder op het oud verblyf der Negers, Cofaay
genaamd. Het gebrek aan water deed ons verschrikkelyk lyden. De
slaven echter vonden middel, om ons hier water te bezorgen; en hoe
stinkend het ook wezen mogt, dronken wy het zelve, na het door onze
hembds-mouwen te hebben laten doorloopen.

In weerwil van de onaangenaamheden van deezen tocht, onderzocht ik
de volgende boomen, door my nog niet beschreven: de Carnavatepy en
de Berklack, waar van het hout zeer dienstig is. Het eerste heeft
heerlyke zwarte en bruine streepen: het gelykt zeer veel naar het geen
men Brasilisch hout noemt; en wanneer het bewerkt wordt, verspreidt
het een geur, welke voor die van den nagelbloem niet behoeft onder
te doen. Het tweede heeft eene bleek ronde of violet kleur; het
is insgelyks geschikt tot alle werk, waar toe men het gebruiken
wil. Men bood my ook een zeer zonderling zoort van vruchten aan,
genaamd de Marmelade-doos. Dezelve heeft de gedaante van een grooten
appel, maar een weinig meer ey-rond, en geheel met dons bedekt. In
't begin is deeze vrucht groen, maar ryp wordende, wordt zy bruin. De
schil is hard, en door eene zekere beweging scheidt zy zig in tweën,
even als een noot. Het vleesch of merg koomt dan te voorschyn,
gelykende naar dat van een mispel: het is eene zoete en bruin-kleurige
zelfstandigheid, die aan groote pitten vast zit; de inwooners zuigen
dezelve met graagte uit. Het spyt my, dat ik van den boom, die deeze
vrucht voortbrengt, en van wien dezelve haaren naam ontleent, geene
beschryving geven kan.

Den 23sten, trokken wy ten westen van Cofaay, in de hoop om het een
of ander van den vyand te vernemen. Wy volgden een voetpad, loopende
dwars door bebouwde landen, en met den weg gemeenschap hebbende:
wy ontdekten verrukkelyke gezichten; maar wy ontmoetten niets anders
dan een grooten hoop wilde varkens, wier geknor en geraas op den weg
ons, eer wy ze gezien hadden, hen deed houden vooreen afgezonden hoop
muitelingen, en wy maakten ons gereed om dezelven wel te ontfangen.

Tegen den middag kwamen wy weder te Gado-Saby, alwaar wy, naauwlyks
nedergezeten zynde, om van de vermoeienis van onzen tocht een weinig
uitterusten, in ons midden zagen verschynen eenen ouden Neger, hebbende
een langen witten baard, en een stuk van een sabel in de hand. Ik stond
dadelyk overëind, en aan een ieder, wie hy ook wezen mogt, verbiedende
op hem te schieten, zeide ik hem dichter by te komen, hem verzekerende,
dat niemand van de geenen, die onder myn bevel stonden, hem zoude
durven mishandelen, en dat ik hem zelfs alle hulp zoude toebrengen,
die hy benoodigd mogt hebben.--"Neen, neen, Massera! antwoordde hy my
met zeer veel standvastigheid"; en met het hoofd schuddende, liep hy
weg. Onaangezien myne beveelen, wierd door twee van myne soldaaten op
hem geschoten; maar tot myn groot genoegen raakten zy hem niet. Deeze
elendige omzwerver zogt een onzeker bestaan in die verlatene velden,
welken wy meer dan eens verwoest hadden.--De reden, waarom de Negers
zoo moeielyk met een kogel te raken zyn, bestaat hier in, dat zy
nooit in eene rechte lyn, maar altyd kronkels-gewyze, loopen.

Overëenkomstig myne beveelen, verwoestte ik Cofaay, en deszelfs omtrek,
op nieuw, maar het deed my echter leed, om des ouden Negers wille. Na
het om ver hakken van verscheiden catoen-boomen, bananen-boomen,
althaea-planten, duiven-boonen, Indisch koorn, ananassen en ryst,
die grootendeels zedert de eerste aldaar door ons gedaane verwoesting
waren opgeschoten, konde ik niet nalaten, om voor eene kleine hut,
in welkers nabyheid heete asch en bananen-schillen lagen, een weinig
scheeps-bischuit, een groot stuk gezouten ossen-vleesch, en een fles
nieuwe rhum agter te laten, voor den ongelukkigen, die aldaar zyn
verblyf hield. Vervolgens sloegen wy ons andermaal op de vlakten van
Cofaay neder.

Zoo dikwerf gesproken hebbende van velden met ryst bezaaid, verwagt
de lezer waarschynlyk eenige byzonderheden omtrent derzelver
aankweking. De plant, die het graan van deezen naam voortbrengt,
heeft, schoon sterker zynde, vry wat gelykheid met het koorn. Zy
brengt holle gegroefde stammen voort, op zekere afstanden knoopen of
knobbels hebbende, en zig tot de hoogte van vier voeten verheffende. De
bladeren zyn rank, even als van het riet. De zaden zyn ten naasten
by op dezelfde wyze gerangschikt, als de garst, en groeijen aan
halmen, langs welken zy beurtelings geplaatst zyn. De oriza of ryst,
heeft hitte en vocht noodig. De ryst-korrels zyn langwerpig rond;
de beste zyn wit, doorschynend en hard. De nuttigheid van de ryst
is zoo over bekend, dat ik 'er niets anders van zeggen zal, dan dat
dezelve voorkwam, dat onze arme soldaten niet van honger stierven,
voornamelyk in Augustus 1775, toen zy voor een geheel rantsoen daags
niet meer hadden, dan een scheeps-bischuit, en drie koorn-airen van
Indisch graan, voor vyf mannen.

Mynen last toen volkomentlyk ter uitvoer gebragt hebbende, hernam ik,
met myne manschappen, den weg naar de Cassipory-Kreek, trekkende
door de verwoeste velden van Gado-Saby die niets anders dan eene
dorre woestyn vertoonden. Wy gingen vervolgens zuid-oostwaards,
daar na geheel en al zuidwaarts, en hingen toen onze hangmatten in
de nabyheid van onze eerste legerplaats op. Het is opmerkelyk, dat
alle de moerassen door de buitengewoone hitte waren uitgedroogd; en
tevens was de stank, die door eene meenigte van visschen, voornamelyk
tot het zoort van de Warappa's behoorende, welke by het afloopen
van het water gestorven waren, wierd opgegeven, aller ongezondst
en ondraaglykst. Onze slaven echter zogten de minst bedorvene van
deeze visschen uit; des avonds lieten zy ze in de pan bakken, en aten
dezelven als een lekker beetjen.

Des anderen daags morgens, trokken wy verder zuidwest-waarts
ten westen, en hielden omtrent vier mylen van de Cassipory-Kreek
stil. Den 26sten, onzen weg zuid-zuid-westwaarts nemende, kwamen wy
in het hoofd-kwartier, zeer vermoeid, zeer vermagerd, en ik had zelf
de roos in het aangezicht. Ik stelde myn dagverhaal ter hand aan den
Lieutenant Colonel DES BORGNES, die het bevel voerde.

Een hoop van vyftig soldaten wierd, den 27sten, naar den post van
Jerusalem, en deszelfs omtrek, op kondschap uitgezonden, en den 6den
December, kwam de zoo lang verwagte versterking, uit drie honderd
vyftig mannen bestaande, in de Rivier Surinamen aan; zy hadden, van
hun uitzeilen uit Holland af gerekend, de reize gedaan in agt-en-zestig
dagen, maar 'er vyftien van te Plymouth doorgebragt.

Wy vernamen toen, dat Capitain JOACHIM MEIJER, die eene aanzienlyke
somme gelds voor ons volk aan boord had, door de Mooren genomen was
geworden, en met alle zyne scheepsgezellen te Marocco opgebragt,
alwaar zy slaven van den Keizer wierden:--dat het Schip Paramaribo,
Capitain SPRUIT, (één van de geenen, waar in men in het begin van
de maand Augustus de zieken inscheepte,) in het Kanaal op de klippen
van Ouessant schipbreuk had geleden; maar dat, met behulp van eenige
Fransche visschers, allen, die zig aan boord bevonden, gered en naar
Brest gebragt waren, van waar zy wederom naar Texel inscheepten:--dat
de Prins van Orange, uit weldadigheid en menschlievenheid, onder de
Officiers en soldaten, ten getale van meer dan honderd, de navolgende
sommen gelds had laten uitdeelen, namelyk, omtrent veertig guldens
aan elken soldaat, zes honderd aan elken Lieutenant, agt honderd
aan elken Capitain, en duizend aan den Major MEDLAR, die het bevel
voerde. Alle de geschenken, welken ik aan myne vrienden in Europa
gezonden had, waren op dien zelfden bodem, en alzoo, tot myn groot
hartzeer, verloren geraakt.

Zedert meer dan een maand had ik tot myne woonplaats niets anders,
dan eene slechte hut, voor regen en wind bloot staande. Doch thans
vernomen hebbende, dat, in weêrwil van de aangekomene versterking,
men ons bestemd had, om ons eenigen tyd in de bosschen te blyven
ophouden, het geen aan veelen van ons volk zeer leed deed, begon
ik, den 1sten December, om zonder hamer, of spykers, voor my eene
wooning te laten bouwen, die in zes dagen was afgemaakt, schoon twee
verdiepingen, eene overdekte gaandery met een hek, en eene kleine
keuken hebbende. Dicht daar by was een tuin tot myn gebruik, alwaar
ik op jong plantsoen, de namen van JOANNA en JOHNNY sneed. Tot gebuur
had ik mynen vriend den Capitain BOLTS, die een geyt had, waar van de
melk ons van groot nut was. Anderen hielden eendvogels en hoenderen;
maar de laatstgemelde hadden geene haanen; men was bevreesd voor hun
gekraay, en had dezelven gedood. Alle onze Officiers eindelyk bouwden,
aan den oever, eene reije van zeer zindelyke wooningen; aan de overzyde
had men meer dan honderd hutten, (die toen allen groen waren,) voor het
nieuwe krygsvolk opgericht, en het geheel maakte eene fraaije straat,
waar van niettemin de bewooners een zeer slecht voorkomen hadden.

Het was aan myne wooning merkwaardig, dat men 'er door het dak
inkwam. Door dit middel zag ik my ontheven van alle die aanloopende
bezoeken, die myn voorraad uitputten, en my meenigmaalen hinderden,
wanneer ik met teekenen, schryven of lezen bezig was. Onze legerplaats
was daarënboven zeer aangenaam. Wy waaren op eene hoogte, alwaar
wij van de schadelyke dampen, die aanhoudend uit den grond opkomen,
en elders een groot getal manschappen hadden doen sneven, niets te
vreezen hadden.

Geduurende de zeer korte oogenblikken, dat ik hier eenige rust had,
maakte ik in het klein, op een plank van agtien duimen lengte en
twaalf duimen breedte, de boeren-wooning, welke ik aan de Hoop bewoond
had. Ik gebruikte daar toe insgelyks takken van Latanus-boomen, en
elk beschouwde het als iets, dat zeer merkwaardig was. Ik gaf het
ten geschenke aan mynen vriend den heer DE GRAAF, die het vervolgens
in zyne verzameling van zeldzaamheden te Amsterdam plaatste. Dewyl ik
thans van dit onder werp spreeke, zal ik aan den lezer een gezicht van
beide myne wooningen aanbieden, de eene aan de Hoop, alwaar ik zulke
gelukkige dagen doorbragt, de andere slechts voor een korten tyd, zoo
als wy die in de bosschen bouwden, om aldaar voor het slecht weder
beveiligd te zyn. De eerste kan beschouwd worden als het zinnebeeld
van huisselyk geluk; de tweede als het zinnebeeld van allerleije
vermoeijenissen en gevaaren.

Het regen-saisoen onverwagt zynde opgekomen, handelde het krygsvolk
der Sociëteit van Surinamen, dat aan de Wana-Kreek lag, verstandig
met op te breken, en trok den 26sten voor by onze legerplaats, de
Cottica afzakkende, om zig naar de Plantagiën aan de Peréca-Kreek te
begeven. Intusschen waaren wy verwezen, om in deeze legerplaats aan de
Cassipory-Kreek gebrek te lyden, terwyl de Colonel FOURGEOUD zig zeer
gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons,
dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni,
gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon
wy van alle kanten geduurig ronden deeden.

Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte
van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker
tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die
zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden,
dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige
ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen,
en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren
voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de
Officiers; maar deezen drank den Capitain P----T naar het hoofd
gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een
tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats;
en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een
schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem
konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had,
om my den minsten tegenstand te kunnen bieden", en daarop omhelsde hy
my hartelyk. Ik deed hem een vriendelyk verwyt, en bragt hem weder by
het gezelschap, met het welk wy het oude jaar vrolyk ten einde bragten.

Op nieuwe jaars dag van het jaar 1777, gingen wy onze gelukwenschingen
by den bevelhebbenden Officier afleggen; en, onder weg, vertoonde men
my de Philander, of de Oppossum van Mexico, alhier Awary genaamd. Het
was een wyfje, welke men met haare jongen levendig gevangen had.

Ik heb reeds van de Oppossum gesproken; ik zal my dus hier alleenlyk
met die byzonderheden bezig houden, welke ik in het thans aan my
vertoonde dier opmerkte; zy zullen zelfs zeer weinige in getal
zyn, want het dier bevond zig op den bodem van eene ledige kist;
en vreezende door het zelve gebeten te worden, dorst ik het 'er
niet uit haalen. Zoo groot zynde als een Noorweegsche rot, was
deeze Oppossum mitsdien veel grooter, dan die ik bevorens in dit
werk beschreven heb. Derzelver hair had eene geelachtige gryze kleur
op den rug, en eene vuile witte kleur onder aan den buik en aan de
pooten. Haare bek was voorzien van lange knevels en minder puntig,
dan de andere Oppossum. Een zwarte kring liep rondom haaren oogbol;
de oogen waaren wel niet zwart, maar stonden zeer levendig. Haare
staart was uittermaten lang, dik, van zwaar hair voorzien, vooral
ter plaatse waar dezelve aan het lyf vast is, en diende haar tot een
aanvallend wapentuig. Deeze Oppossum had onder den buik een zak,
van een plooy of kreuk in de huid gemaakt, en van buiten zoo wel
als van binnen hairachtig. Haare jongen, ten getaale van vyf of zes,
kwamen 'er nu en dan uit, wanneer de moeder zig stil hield; maar op
de minste beweging of het minste gerucht, begaven zy 'er zig weder
schielyk in. Met dit arme dier, het welk men reeds lang gekweld had,
medelyden hebbende, deed ik de kist op zyde tuimelen. Toen ontsnapte
de gevangene met haare jongen, en klauterden allen gezwindelyk op den
top van eenen hoogen boom, staande in het gezicht der wooning van den
Colonel SEYBOURG. De moeder maakte zig vervolgens met haare staart aan
één van de takken vast; maar dewyl dit zoort van dieren het gevogelte
vernielt, deed de Colonel, voor zyne hoenderen bang zynde, op haar en
haare jongen schieten. By het geen ik gezegd heb, moet ik nog voegen,
dat de gezwindheid van deeze Oppossum my des te meer verwonderde,
om dat verscheiden Schryvers die hoedanigheid in dezelve ontkennen.

Onder de vernielers van het gevogelte, vindt men ook een ander dier, in
dit Land bekend onder den naam van Quacy-Quacy, door zommige persoonen
genoemd het Indisch Konyn, maar zynde in de daad de Coati-moudi, of
het Brazielsche wezeltje. Men vergelykt hem zeer voegzaam met de Vos;
want zoo wel als hy genoegzaame kragten heeft, om een kalkoen of een
gans weg te nemen, is hy ongemeen behendig. Dit dier is zomtyds by
de twee voeten lang. De gedaante van zyn lichaam is als die van een
hond. Deszelfs hair is gewoonlyk zwart, of liever donker bruin; maar
verscheiden van dat zoort hebben het zelve van eene blinkende roode
kleur. Hy heeft eene lange dik gehairde staart, met zwarte streepen als
ringen, en van eene donkere buffels kleur: hy houdt dezelve doorgaans
in de hoogte. Het hair van de borst en van de buik van den Coati is van
eene vuile witte kleur. Zyn kop, van eene helder bruine kleur, heeft
lange kakebeenen, en een zwarte varkensmuil, die by de twee duimen
overhangt, zig in de hoogte opstroopt, de vertooning maakt van een
krom gebogen en opgeheven bek, en beweegbaar is even als die van den
Tapira. Zyne oogen zyn klein; zyne ooren kort, rond, en van wederzyden
door een diep bindzel aan den bek vast zittende. Zyne pooten zyn kort,
en vooräl de voorpooten; dezelve eindigen met zeer langwerpige voeten,
verdeeld in vyf klauwen, met sterke nagels gewapend. Schoon de Coati,
even als de beer, altyd op de hiel loopt, en zig op de agterpooten
staande houdt, is 'er geen dier, (den aap uitgezonderd,) dat met meer
gezwindheid de boomen opklimt. De vogelnesten, met al wat 'er in is,
zyn aan zyne vernielingen bloot gesteld. Hy plundert voornaamlyk de
hoender-hokken; en dienvolgende stelt men alles te werk om hem uit
te roeijen.

Alvoorens de Surinaamsche bosschen te verlaten, moet ik nog een
ander dier beschryven, het welk dezelven bewoont, en voornamelyk van
mieren leeft; het is de groote Mier-eeter, de mier-eetende Beer, of
de Mieren-Leeuw; Ofa Palmera by de Spanjaarden genoemd. Het lyf van
dit dier (twee maalen grooter zynde, dan dat van den Coati-moudi,)
is overdekt met lange en dikke hairen, zwart op den rug en aan den
buik, grys of witachtig geel aan den hals en in de zyden. Zyn kop
is niet zeer dik, maar uittermaten langwerpig, en eindigende met een
grooten bek van eene helder roode kleur. Zyne oogen zyn zeer klein;
zyne ooren kort en rond; en zyn mond, die geene tanden heeft, is niet
grooter dan noodig is, om zyne tong te kunnen bevatten. Zyne staart
is van eene verbaazende grootte, en van zeer lange hairen voorzien,
welke dezelven naar die van een paard doen gelyken. Het dier bedient
zig van deeze buitengewoone staart, om zyn lyf te dekken, wanneer hy
slapen wil; het geen hy doorgaans over dag doet, wanneer hy zig voor
den regen wil beveiligen. Anderzints sleept hem dezelve agter aan,
en hy veegt 'er den grond mede. Hy heeft dunne pooten, maar met zeer
lange hairen overdekt; de agterpooten zyn zwart, korter, en eindigen
met vyf klaauwen; de voorpooten hebben eene vuile witte kleur, maar
eindigen alleen met vier klaauwen, waar van de twee middelste langer
zyn, dan de andere; allen zyn ze met zeer scherpe nagels gewapend.

De groote Mier-eeter is, een slecht looper. Hy zet zig altyd op het
achterste van de langste zyner pooten, even als de Coati, of de
Beer; maar hy klautert beter; en hy is zoo sterk in het vechten,
dat geen hond zig aan hem durft wagen; want geen dier, dat onder
zyne voor-klauwen koomt, en zelfs de Jaguar, of de Guiaansche Tyger,
wordt door hem los gelaten, dan wanneer hy hem dood gemaakt heeft. Zyn
voedzel, zoo als if gezegd heb, bestaat, voornamelyk in mieren, welken
hy op de volgende wyze vangt:--Wanneer hy by een mieren-nest koomt,
steekt hy zyne tong uit, die by de twintig duimen lang is, en zeer veel
gelykheid op een worm heeft; door eene slymige stoffe, of speekzel,
bevochtigd zynde, blyven de mieren 'er in een groot aantal aan hangen;
de mier-eeter haalt vervolgens zyne tong in zynen bek te rug; en hy
herhaalt deeze bewerking, zoo lang nog eenige van deeze insecten in
hunnen schuilhoek overig zyn; daar na gaat hy elders zoeken, om het
zelfde zoort van voedzel op gelyke wyze naar zig te nemen. Hy klautert
ook op de boomen, om aldaar houtluizen en wilden honig te eeten; maar
indien hy het noodige voedzel voor zig niet vindt, kan hy een langen
tyd vasten, zonder daar van het geringste ongemak te ondervinden. Men
zegt, dat men dit dier kan tam maken, en dat hy, in dien huishoudelyken
staat, kruimels brood, en zeer kleine stukjens vleesch doorslikt;
men beweert bovendien, dat zyn vleesch aan de Indianen en Negers
een goed voedzel verschaft; ik heb de laatstgemelden ten minsten het
zelve met smaak zien eeten. Eenige mier-eeters zyn niet minder dan
agt voeten lang, van den kop tot de staart gerekend.

In Surinamen vindt men ook een dier van het zelfde zoort, Tamandua
genaamd: maar hy is kleiner en zeldzamer. Hy verschilt van den
bovengenoemden daar in, dat hy twintig klaauwen heeft, den kop naar
evenredigheid grooter, de staart kleiner, en afgedeeld door zwarte
streepen, en van eene bleek geele kleur. 'Er is ook nog een derde
zoort, welk dier insgelyks den naam van Mier-eeter draagt; maar ik
heb hem nooit gezien.

Den 3den kwamen zes andere vaartuigen van Paramaribo aan; zy waren
geladen met soldaten, die het getal van drie honderd vyftig mannen,
uit Holland gezonden, volkomen uitmaakten. Vernomen hebbende, dat
onder deeze nieuw aangekomenen zig bevond een Capitain, CHARLES SMALL
genaamd, die onder de Schotsche Brigade gediend, en met den Vaandrig
MACDONALD geruild had, zakte ik dadelyk in een kano de Rivier af, om
deezen Officier op te zoeken, en hem mynen dienst aan te bieden. Ik
was naauwlyks op zyn vaartuig gekomen, of ik zag hem aan eene heete
koorts in zyne hangmat ziek leggen. My niet herkennende, uit hoofde van
myn plunje, die niet veel beter was, dan van den gemeensten matroos,
vroeg hy, wat ik begeerde; maar wanneer hy in my zynen ouden vriend
STEDMAN herkende, in eenen zoo verschillenden staat, als hy hem voor
deezen gekend had, drukte hy my de hand, en smolt in tranen weg,
zonder een enkel woord uit te brengen. Deeze aandoenlyke beweging,
waar door zyne ziekte verërgerde, gaf my een sterker bewys van zyne
vriendschap voor my, dan eenig gesprek zoude hebben kunnen doen. Ik
nam hem derhalven in myne kano, en bragt hem in myne hut, alwaar men
veel moeite had, om hem door een gat, het welk men opzettelyk maakte,
te doen binnen treden, want het gat in het dak konde alleenlyk voor
my tot een ingang dienen. Zyne hangmat dicht by de myne hebbende doen
ophangen, liet ik water koken, waar in ik rhum, suiker en een weinig
bischuit deed; de zieke nam deeze soup, en van dit oogenblik aan wierd
hy beter. Hy verhaalde my, dat één van zyne soldaten in den overtocht
verdronken was, en dat wanneer de Colonel FOURGEOUD aan de nieuwlings
ontscheepte Officiers een dans-party gegeven had, op welke één van zyne
koks en twee soldaten de plaats van Musikanten vervulden, hy aldaar,
door te veel te danssen, zig zyne ziekte had op den hals gehaald.

Korten tyd daar na, verscheen de Colonel zelf in de legerplaats,
en kondigde ons aan, dat door de aankomst van nieuwe Officiers,
verscheiden onder ons hunnen rang in het Regiment en in het
leger verloren: dit was de belooning voor allerleije zoorten van
vermoeijenissen, gevaaren, en onäangenaamheden, geduurende vier
jaaren lang in eene verzengde luchtstreek. Om de maat van ellende
vol te meten, gelastte men ons, in plaats van ons naar Europa te rug
te roepen, om in de bosschen van Surinamen te blyven, en aldaar de
geenen, die ons moesten vervangen, in den dienst te onderrigten.

De post van Majoor wierd my toen opgedragen. Dezelve was zeer
onäangenaam: men moest dagelyks soldaten kastyden, die om hunnen honger
te stillen, het magazyn beroofden; want hun ontbrak brood eene geheele
week lang, dewyl de oven reeds was afgebroken. Een van deeze arme
keerels wierd byna tot den dood toe gegeesseld, om dat hy een gerookte
worst ontvreemd had van den Colonel, die nooit vergat, om ten minsten
zes sterke Negers te beladen met allerleije zoorten van gezouten kost,
thee, koffy, suiker, Madéra-wyn, brandewyn, genever, enz.

Den 8sten, kwam eindelyk een vaartuig aan, niet alleen gezouten vleesch
en bischuit in hebbende, maar ook een levendige os en twee varkens.

Deeze dieren waren een geschenk van zekeren Colonist, FELMAN genaamd,
die door zyne vrouw en eenige vrienden vergezeld zynde, den Colonel
een bezoek kwam geven. De varkens en de os wierden dadelyk geslagt,
en onder vier honderd menschen verdeeld, zoo dat men gemakkelyk kan
naargaan, dat ieders rantsoen niet zeer groot geweest kan zyn. Na deeze
uitdeeling, bezichtigde het geheele gezelschap onze onderscheidene
woningen. Aan de myne gekomen zynde, wandelde de Colonel dezelve
rond; maar geen deur ziende, riep hy uit: "Is hier niemand in?" Ik
stak oogenblikkelyk myn hoofd door het gat in het dak, en bood de
vrouwen aan, om door het zelve by my in te komen; maar zy bedankten
'er beleefdelyk voor. Ik heb den Colonel nooit zoo hartelyk zien
lachen. Zoo dra hy spreken kon, riep hy uit: Men moet STEDMAN zyn!--Men
moet zoo origineel zyn, als hy. Hy bragt vervolgens het gezelschap
weder in zyne woning; maar vooraf noodigde hy my, om hem aldaar te
volgen.--Toen de Capitain SMALL en ik van daar heen gingen, deeden wy
eene wandeling in eene fraaije Savane, alwaar wy eene hut van takken
van boomen hadden opgericht, waar aan wy den naam gaven van Ranelagh,
en wy namen aldaar van tyd tot tyd eenige ververschingen van koud
eeten, waar door myn voorraad schielyk op geraakte. Wy moesten dus by
vervolg van ons rantsoen leven; maar SMALL had toen het genoegen te
zien, dat zyne medgezellen van gelyken deeden. Deeze, niet gewoon zynde
aan het zuinig leven, het welk in onze bosschen zoo noodzakelyk was,
hadden van hun meel puddings gemaakt, en zagen zig toen gedwongen,
om scheeps-bischuit te eeten.

Den 12den, kregen honderd vyftig mannen van het nieuwe krygsvolk bevel,
om op te trekken. Elk hunner was, behalven met zwaare kleederen, met
een hangmat en een zeer zwaar randsel beladen. Myn vriend SMALL was
onder dit getal; hy was zeer dik, en zoo verzwakt, dat hy naauwlyks
gaan konde. Ik deed dit aan den Colonel opmerken, die hem veroorloofde,
om zig voor een gedeelte van dien toestel te ontlasten.

Alles op die wyze in gereedheid zynde, nam deeze hoop krygsvolk haaren
weg rechts af, en, vertrok met den Colonel FOURGEOUD aan het hoofd,
om zig naar de Rivier Maroni te begeven.

De Colonel was in dit oogenblik ten mynen opzigte wel zoo beleefd,
als ik hem verlangen konde, maar de rechtvaardigheid dwingt my te
verklaaren, dat hy in alle andere opzigten zoo heerschzuchtig en
onmeedogend was, als ik hem immer gezien heb. Hy scheen in het begrip
te staan, dat zyn rang die handelwyze van hem vorderde.

In zyne afwezigheid voer ik de Rivier over, en hieuw aan de andere
zyde van de Cottica eenen palmboom om, het geen ik deed, niet alleen
om de kool, maar om dat ik wist, dat de worm in veertien dagen goed
zoude zyn om te eeten.

Het bosch van dien kant met mynen Neger QUACO doorwandelende, viel
myn oog op den cederboom, het bruine hart, en de kogel-boom. De
eerste verschilt, in weêrwil van deszelfs naam, van den cederboom op
den berg Libanon, die eene spits toeloopende gedaante heeft. Die van
Surinamen groeit mede tot eene groote hoogte op; maar men stelt zyne
waarde voornamentlyk daar in, dat deszelfs hout nooit door wormen,
noch andere insecten geknaagd wordt, en een ongemeen bitteren smaak
heeft. Het heeft ook een aangenaame geur, en men verkiest het daarom
boven alle ander hout, om koffers, kisten, kassen, en allerleije zoort
van schryn-werk te maken. Het dient ook tot het bouwen van tent-jachten
en andere vaartuigen. De kleur van het spint van dit hout is bleek
oranje. Het is hard en te gelyk ligt; en uit den stam druipt een gom,
veel gelykende naar Arabische gom: dezelve is doorschynende en zeer
welriekende.

De boom met het bruin hart is van dezelfde dikte en hardheid, als
de boom met het purper hart, en die met het groen hart, waar van ik
melding gemaakt heb. Hy dient tot groote werken, en voornamelyk tot
het bouwen van molens. De kleur, die zeer fraay is, is met deszelfs
benaming overeenkomstig.

De Kogelboom groeit zomtyds hooger dan zestig voeten; maar naar mate
van zyne hoogte is hy niet dik. Zyne schors is gryskleurig en glad;
zyne spint bruin, over 't geheel wit gevlakt. Geen boom is hem in
zwaarte gelyk; de zyne gaat die van het zeewater te boven. Hy is zoo
in één gedrongen, dat zonneschyn en regen geene uitwerking op hem
doen. Dienvolgende maakt men 'er latten van, om 'er de daken mede te
dekken, in plaats van met leijen of pannen, die in dit Land te zwaar
en te heet zouden zyn. Men verkoopt deeze latten voor meer dan veertig
guldens de honderd te Paramaribo, en men behoeft ze niet te vernieuwen,
dan na verloop van vyf en twintig jaaren.

Ik moet ook nog spreken van een anderen boom, Ducolla-bolla genaamd,
die men insgelyks in de bosschen van Guiana vindt. Hy heeft eene zeer
donkere roode kleur, en een zeer gelyk en fyn erf. Zyne hardheid en
zwaarte maken hem voor den schitterendsten glans vatbaar.

Omtrent op deezen zelfden tyd, wierd het geheele leger gekweld door
insecten, in Surinamen genoemd hout-luizen, maar welken men met
meerder gepastheid witte mieren zoude kunnen noemen, want zy hebben
zeer veel gelykheid op mieren. Het grootste onderscheid tusschen
deeze beiden bestaat daar in, dat de mieren in den grond woonen,
en deeze houtluizen hunne nesten op stammen van boomen maken. Deeze
nesten, die zwart, rond, onregelmatig zyn, veel gelykende naar den
wolligen kop van eenen Neger, maar zomtyds zoo groot als een half
vat, zyn gemaakt van eene roodachtige aarde, zoo in één gedrongen als
mastik, en ondoordringbaar voor het water. In dezen hoop, bestaande
in een eindeloos getal gemeenschappelyke wegen of loopgraven, die
de gedaante hebben van de schacht van een ganzen-veder, leven deeze
dieren in talryke zwermen; en wanneer zy 'er uitkomen, richten zy de
verschrikkelykste verwoestingen aan, meer dan eenige andere insecten
in Guiana. Zy doorknagen het hardste hout, het leder, het linnen,
en alles wat zy ontmoeten. Zy komen dikwils in de huizen door een
bedekten weg, van eene halve cirkelswyze gedaante, welken zy in de
beschotten maaken, en die door deszelfs omwegen zomtyds verscheide
honderde voeten lang is. Dewyl zy alles tot stof vermalen, indien
men, dezelven bespeurende, geene zorge draagt om ze uit te roeijen,
het geen door middel van rottekruid en terpentyn-olie geschiedt,
zyn deze insecten in staat om het geheele huis met eene volkomene
instorting te bedreigen. De houtluizen verschaffen, in weerwil van
hunne walgelyke en stinkende reuk, een goed voedzel aan het gevogelte,
het welk, zoo men zegt, 'er veel gretiger op is, dan op het graan
van Indisch koorn. Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, noch hun
ongemeen vernuft in het herstellen van hunne woning, wanneer die
beschadigd is, noch hun voortteelend vermogen, het welk zoo groot is,
dat men, welke verwoesting men ook onder hen maakt, hen spoedig weder
ziet te voorschyn komen, in een zoo aanzienlyk getal als bevoorens.

Wy wierden bovendien dikwils gekweld door geheele wolken van vliegende
luizen, die zomtyds onze kleederen zoodanig overdekten, dat ze het
voorkomen van eene gryze kleur hadden. Dit ongemak sproot voort uit
de uitspreiding van haare vlerken, (vier in getal zynde) die aan
de stoffe van het kleed blyven vast zitten, en zig van het lichaam
van het insect afscheiden, wanneer het in de hoogte vliegt. Eenige
Natuurkundigen beweeren, dat de vliegende luizen geene andere zyn,
dan de bovengemelde houtluizen, en die, tot zekeren ouderdom gekomen
zynde, vlerken krygen, hun nest verlaten en rond vliegen, even als
zommige andere mieren, zoo in Europa, als in America.

De krygstucht was toen zoo gestreng in het leger, dat ieder, die
het minste gerucht maakte, zwaar gestraft wierd, en zelfs gedreigd,
om te worden doodgeschoten. De schildwachten hadden last, om van de
aankomst van rondes alleenlyk door fluiten bericht te geven, en men
beantwoordde hun op gelyke wyze.

Een van onze soldaten, den 18/den, veroordeeld zynde geworden, om
door de spitsroeden te loopen, vermits hy hard gesproken had, vond ik
middel, by afwezigheid van den Colonel FOURGEOUD, om hem vergiffenis
te doen verkrygen, op het zelfde oogenblik, dat hy reeds uitgekleed
was, om zyne straf te ontfangen.

Den 23sten, ontfing ik verschen voorraad en wyn, my van Paramaribo
gezonden; alles kwam zeer ter sneede. Den zelfden dag kwam de Colonel
FOURGEOUD met zyne manschappen van zynen tocht naar de Rivier Maroni te
rug. Hy had negen en vyftig huizen verwoest, en drie bebouwde velden
vernield. Op die wyze wierd zekerlyk aan de muitelingen de doodsteek
toegebragt, daar zy, geen middel meer hebbende, om aan deeze zyde der
Rivier te kunnen bestaan, genoodzaakt waren dezelve over te trekken,
en zig in de Fransche Volkplanting van Cayenne te gaan nederzetten. Op
deezen moeijelyken, doch noodzakelyken tocht, hadden de soldaten,
en vooral de nieuwlings ontscheepten, verbazend veel geleden. Men was
verplicht een groot aantal derzelver in hunne hangmatten te dragen;
men liet meer dan dertig zieken op den wachtpost aan de Maroni,
en myn vriend SMALL kwam 'er vry wat vermagerd van daan.

'Er waren toen meer dan honderd mannen, die in het hospitaal van
onze legerplaats gevaarlyk ziek lagen. Men hoorde niets, dan zuchten
en kermen, en daar by alle nachten het geschreeuw der Guiaansche
steen-uilen. De kramp, een ongemak, in Surinamen zeer gemeen, kwelde
de geenen, die anderzints nog in staat waren om dienst te doen. Elk
was in de grootste droefheid gedompeld. Hier zag men iemand, van
het hoofd tot de voeten, met bloedende zweeren bedekt; daar weder
een ander, die door twee van zyne medgezellen gedragen wierd, en in
eenen diepen slaap bedolven, den eeuwigen slaap ingong, in weerwil
van alle de schuddingen en bewegingen, die men te werk stelde om hem
te doen ontwaken. Een derde, door de waterzucht opgezwollen, stierf,
door het water verstikkende, na den Heelmeester, (die doorgaands
antwoordde, dat het te laat was,) vrugteloos gebeden te hebben, om
hem het zelve af te tappen. Zommigen, zig in het Hospitaal bevindende,
baden God met gevouwen handen, om hun te hulpe te komen. Verscheiden"
door eene heete koorts aangetast, trokken zig de hairen uit, braakten
lasteringen uit tegen de Voorzienigheid, en vervloekten den dag hunner
geboorte. Om kort te gaan, onze gesteldheid was zoodanig, dat men de
pen van eenen MILTON zoude noodig hebben, om ze te beschryven; en
terwyl de dood dagelyks nieuwe verwoestingen aanrechtede, geraakte
een gedeelte der legerplaats, door zeker toeval, geheel in brand;
maar de Negers bluschten den brand spoedig, zonder dat 'er eenige
wezentlyke schade uit voortkwam.

Den 26sten, echter, begon myne ellende ten einde te loopen. De Colonel
bood my, tot myne groote verwondering, aan, om hem naar Paramaribo te
vergezellen, het geen ik zonder bedenking, en met genoegen aannam. Ik
gaf derhalven myn huis, de hut in de Savane, en myn voorraad van
levensmiddelen aan mynen vriend, den Capitein SMALL, ten geschenke. Ik
onthaalde hem, benevens eenige andere Officiers, ter middagmaal, en
gaf hun een kookzel van kool en palmboom-wormen, die nu volkomen goed
geworden waren. Wy besproeiden dit eeten met eenige glazen wyn, die
van goeder harter wierden ingeschonken, en ik nam myn afscheid. Te
middernacht ging ik met den Colonel en twee andere Officiers, in
een fraay vaartuig van zes roey-riemen. Ik verliet derhalven nog
eenmaal deeze sombere bosschen, alwaar men zoo veele wonderen ziet,
maar tevens onheilen ondervindt, die naar de gedachten van hun, die
dezelven moeten doorstaan, de tien plagen van Egypten te boven gaan.

Toen het vaartuig het anker geligt had, verklaarde ons de Bevelhebber,
dat hy de bosschen der Volkplanting van alle kanten gezuiverd,
en de muitelingen genoodzaakt hebbende, de Maroni over te trekken,
besloten had om deezen langen en gevaarlyken tocht in eenige weeken
te doen eindigen.

Na den geheelen nacht gevaaren te hebben, bevonden wy ons des morgens
tegen over den nieuwen weg van gemeenschap, dien wy ons by onzen
ouden wacht-post van Devil's Harwar gebaand hadden; en des middags,
kwamen wy op de Plantagie la Paix, welkers eigenaar, de heer RIVIERE,
ons ter maaltyd onthaalde. De Colonel en zyn Adjudant begaven zig
vervolgens naar Paramaribo, maar een ander Officier en ik verlieten
hem hier, en gingen naar het strand, op eenen kleinen afstand van de
laatstgemelde Plantagie, om wulpen en watersnippen te schieten.

By het gaan en te rug komen gingen wy voorby twee posten van
het krygsvolk der Sociëteit, wier Bevelhebbers de vaandels lieten
opsteeken, en ons ververschingen, en alles, wat in hun vermogen was,
aanboden. Onze jagt was niet zeer voordeelig, en wy schoten alleenlyk
watersnippen. Zy vlogen 'er in zulke talryke meenigte, dat men ze
voor wolken die de lucht verduisterden, zoude hebben aangezien. Het
was dus voldoende, wanneer wy in het wilde schoten, om 'er twintig
te gelyk te doen vallen; maar zy waren van zulk een klein zoort,
dat het der moeite niet waardig was, om ze op te raapen. Wy zouden
vogelen van meer aanbelang hebben kunnen dooden, als lepel-ganzen,
Brazilsche oyevaars, roode wulpen, en verscheiden zoorten van wilde
eendvogels, indien de zee by ongeluk niet eenige landen overstroomd
had, die tusschen ons en de bank, waar op deeze vogelen zig bevonden,
gelegen waren. Wy hadden met dit al het genoegen van dezelven te
zien. Deeze bank geleek, op eenigen afstand, naar een scharlaken en
purperkleurig tapyt, met verscheiden zoorten van kleuren doorweven.

De Lepel-gans heeft de grootte van een gewoone gans, en gelykt veel
naar een kraanvogel. Zyne korte pooten zyn aan het einde voorzien van
een vlies, maar het welk zig niet verder uitstrekt dan tot op een derde
der lengte van deszelfs klauwen. Zyne vederen, die wit zyn, wanneer
de vogel jong is, krygen vervolgens eene fraaije rozen-kleur. Zyn bek
is waarlyk opmerkelyk: rond, plat, en breeder zynde aan het einde,
dan aan het begin, en in het midden, gelykt dezelve naar een spatel;
en van die overëenkomst ontleent deeze vogel ook zynen naam. Men
zegt dat hy kikvorschen, hagedissen en rotten eet; maar visch moet
zyn voornaame voedzel wezen, want zyn vleesch smaakt 'er naar: hy
wordt veel aan het strand gevonden.

Den Surinaamschen Jabiru kan ik niet beter vergelyken, dan by een
oyevaar; maar hy is veel dikker. Hy wordt daarom ook wel de Brazilsche
Oyevaar genoemd. Deeze vogel heeft eene pluimaadje op het lyf zoo wit
als melk; maar de vederen der vlerken en de staart zyn zwart. Zyne
pooten en klaauwen zyn uittermaten lang; en ik heb opgemerkt, dat hy,
strydig met het gebruik van alle andere vogelen, zig dikwils op het
agterste gedeelte van zyne pooten zet. Zyn hals en bek zyn buitengewoon
lang; de laatstgemelde is sterk, en eindigt met een kromme bogt. De
kop van den Jabiru is volmaakt zwart; de Hollanders noemen hem daarom
Neger-kop. Hy houdt zig op aan de zee-kusten, even als de voorgemelde,
en leeft alleen van visch. Men maakt hem gemakkelyk tam. Ik heb
'er twee onder het gevogelte van den Colonel FOUREROUD gezien.

'Er zyn in Surinamen onderscheiden zoorten van wilde eendvogelen:
zy zyn niet groot; maar hunne fraaije vederen hebben verschillende
schitterende kleuren. Daar onder munten voornamelyk uit de Cawerirky,
de Soukourourky, en de Annaky: de laatstgemelde is de kleinste van
allen. Geen waterhoen, van wat zoort die ook wezen mag, is lekkerder
om te eeten, dan deeze eendvogels. Men maakt ze insgelyks tam, en
ontmoet ze dikwils onder het gevogelte op de Plantagiën.

Den 28sten een vaartuig gevonden hebbende, het welk de Cottica afzakte,
maakte ik 'er gebruik van, om my naar Paramaribo te begeven, alwaar
ik dien zelfden avond wel gemoed en gezond aankwam.

Myne vrienden wenschten my geluk, dat ik nog leefde, na aan zoo veele
gevaaren bloot gesteld te zyn geweest; na van alle hulp ontzet, door
distelen en doornen van één gereten, door insecten gestoken te zyn;
na uitgehongerd, afgemat, en op alle manieren gefolterd te zyn; na
dikwils gebrek aan kleederen, geld, ververschingen, of geneesmiddelen
gehad te hebben; en eindelyk na het verliezen van zoo veele brave
medemakkers, die in dit Land hun graf gevonden hadden. Dus eindigde
myne zevende en laatste veldtocht in de bosschen van Guiana.

EINDE VAN HET DERDE DEEL.



BERICHT VOOR DEN BINDER.

  Plaat						          Bladz.

  XXX.	  Een oproerige Neger, op Schildwacht
	  staande; te plaatsen tegen over                    4

  XXXI.   Het doorwaden van een Moeras, in
	  Guiana, door het krygsvolk.                       22

  XXXII.  Platte grond van de Hoofd-legerplaats,
	  tusschen de Rivieren Cottica en Maroni;
	  benevens de manier, om in de
	  bosschen van Surinamen te legeren.                52

  XXXIII. Gezicht der legerplaats aan de Java-Kreek:--als
	  mede by Jerusalem.                               134

  XXXIV.  Eene Indiaansche Vrouw, tot het geslacht
	  der Arrowoukas behoorende.                       156

  XXXV.   Het Colibrietje of Bromvogeltje.                 188

  XXXVI.  Een huisgezin van Loango-Neger-slaven.           236

  XXXVII. Speeltuig der Negers.                            274

  XXXVIII. Gezicht van de Savane der Joden:--mitsgaders
	  van den Berg Parnassus,
	  of blaauwen Berg.                                284

  XXXIX. Manier om in de bosschen van Surinamen
	 te slapen.--Boeren-hut, tot
	 een buiten-verblyf.			      326



NOTES

[1] De Negers hebben de onmenschelyke gewoonte, om de lyken hunner
vyanden te verminken en te verscheuren; zommigen zelfs doen dit,
even als de Caraïben, met hunne tanden.

[2] Men zie het Pourtrait van den Schryver, voor het eerste Deel van
dit werk geplaatst.

[3] De Indianen maken de buitenste bast van deeze vruchten glad,
na dat ze ledig gemaakt en gedroogd zyn, en doorvlammen dezelve op
eene fraaije wyze met Roucoa en andere schoone kleuren, in acajou gom
gemengd zynde. Hunne teekeningen, in 't wilde gemaakt, zyn vry juist
voor lieden, die geene liniaalen noch passers hebben. Men ziet deeze
werken nu en dan in de kabinetten van zeldzaamheden.

De inwooners der plaatsen, alwaar de Calebassen-boom groeit, beschouwen
het vleesch van deszelfs vrucht als een algemeen geneesmiddel voor
een groot aantal ziekten en toevallen. Zy gebruiken het tegen de
waterzucht, buikloop, kwetsingen door vallen veröorzaakt, kneuzingen,
ongemakken van wegen het steken der zon, hoofdpynen, zelfs om
verbrandingen te geneezen. Zy maken 'er een geestryken drank van,
naar onze limonade gelykende. Tegenwoordig heeft men het gebruik,
om dit vleesch te laten koken, het afkookzel door een doek te gieten,
vervolgens suiker daar in te mengen, en daar van eene buikzuiverende
Syroop te maken, welke men op de Eilanden dikwils gebruikt, om
geronnen bloed kwyt te raken: deeze Syroop word tans in Frankryk
gemeen, alwaar men ze voor de borst gebruikt. Zy is bekend onder den
naam van Calebassen-Syroop.

MILLER bericht ons, dat men, uit aartigheid, en met een goeden
uitslag, den Americaanschen Calebassen-boom, in een broeikas van
gematigde warmte, in Europa had aangekweekt; deeze boom vordert een
ligten grond, en meenigvuldige besproeijingen. Men plant hem voort
door stekken en versche korrels of pitten in den grond te steken.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[4] STEDMAN zegt in eene aanteekening, by deeze gelegenheid, te
gelooven, dat deeze slang tot het zelfde zoort behoort, waar van
Dr. BANCROFT spreekt, die, in navolging van de Indianen, denzelven
de kleine Labarra noemt, waar van de beschryving alhier volgt:

"De kleine Labarra heeft ten naasten by de lengte van veertien voeten,
en de dikte van een gewoone zwanen-schacht. Hy is bedekt met kleine
blinkende schubben van eene donker bruine kleur, en eene meenigte witte
vlakken. Zyne staart is klein en spitsachtig toeloopende, zyn kop een
weinig plat, en grooter dan het overig gedeelte van zyn lichaam. Een
ongelukkig voorval, onlangs op de Plantagie la Conception, in de
Volkplanting Demerary, gebeurd, bewyst de kwaadaartigheid van het gift
van deezen slang. Hy, die daar van de doodelyke gevolgen ondervondt,
was een Neger-slaaf, een timmerman van zyn ambacht. Aan zyn werk zynde,
en een stuk hout willende omkeeren, beet een slang van dit zoort, die
'er onder verborgen lag, hem in dien voorsten vinger van zyne rechte
hand. De uitwerking van dit vergift was allergezwindst. De Neger had
naauwlyks den tyd gehad, om den slang te dooden, of hy konde het niet
langer op de been houden, maar viel op den grond ter neder, en stierf
in minder dan vyf minuten. Het bloed, eene zoo schielyke ontbinding
ondergaande, liep uit de slagaderen, en deedt op alle de uitwendige
deelen van het lichaam purper-vlakken te voorschyn komen. 'Er volgde
ook eene bloedstorting uit neus, ooren en mond, enz. Ik ben van
dit geval geen ooggetuige geweest, maar ik verhaale het volgens
het gezegde van lieden, wier geloofwaardigheid niet in twyffel kan
getrokken worden, en die 'er by tegenwoordig waren, toen het voorviel".

De andere slang, waar van STEDMAN in het vervolg spreekt, schynt de
Cenco te zyn, en met de evengemelde veel overëenkomst te hebben.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[5] Men vindt van dit dier, onder deeze benaming, eene beschryving
in het Dictionn. d'Hist. Natur.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[6] Men schoot het kanon af by het aannaderen van het gevaar;
de nabuurige Plantagiën herhaalden telkens de schoten; het alarm
verspreidde zig dadelyk van wederzyden der Rivier, en de hulp kwam
van alle toeschieten.

Aanteek, van den Schryver.

[7] Deeze regels zyn uit het treurspel van Hamlet overgenomen.

[8] In het vierde deel der  Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, pl. 83,
vindt men één van deeze vledermuizen, die slechts drie klaauwen aan
elke vlerk heeft.

Aanteek. van den Schryver.

[9] Zommige Schryvers noemen hem het Rivierpaard van Zuid-America. Ik
zal dit dier op een geschikter plaats, beschryven.

Aanteek. van den Schryver.

[10] Dit was des te aanmerkelyker, om dat wy met alle de Indianen in
vrede waren, en dat de Negers de gewoonte niet hebben om het zelve
weg te nemen.

Aanteek. van den Schryver.

[11] Locust-tree.--STEDMAN noch BANCROFT geven den Latynschen
naam niet op van deezen boom, welken de Engelsche woordenboeken,
door my gebruikt, vertaalen door het woord Caroubier of Brood-boom
De beschryving, welke zy beiden van deezen boom geven, koomt niet
juist overëen met de beschryving van den boom, die onder den naam
van Broodboom bekend is. Zie hier, wat de laatstgemelde, van den
Locust-tree sprekende, zegt.

"Deeze boom, die dikwils zeventig voeten hoog is, en een omtrek van
negen voeten heeft, behoort tot het geslacht der peulvrucht-dragende
planten. Zyne schors heeft eene gryze heldere asch-kleur. Zyne
takken, die alleenlyk aan den top uitschieten, zyn zeer talryk, en
bedekt met eironde bladen, van omtrent drie voeten lang, en eene
zeer donkere groene kleur. Dezelve zyn aan een enkele steel twee
aan twee verspreid, en altyd in het midden door eene ribbe ongelyk
verdeeld. In plaats van zyne bloemen, die veel van de gedaante van
kapellen hebben, komen platte peulvruchten, van omtrent drie duimen
lengte, en anderhalve duim breedte, van eene heldere bruine kleur,
wanneer ze ryp zyn, en bevattende drie purperkleurige amandelen, die
veel naar de Windsorsche boonen gelyken, maar veel kleiner zyn. Deeze
amandelen zyn bekleed met eene meelachtige zelfstandigheid, van een
suikersmaak en helder bruine kleur, welke de Indianen met graagte
eeten, en die aangenaam en zoet is.--Uit de voornaamste wortels van
deezen boom druipt eene harstächtige, heldere, doorschynende,geel-
of rood-kleurige gom. Men vindt 'er stukken van in den grond tusschen
deeze wortels. In overgehaalden brandewyn gesmolten zynde, (want
in water laat zy zig niet ontbinden,) levert zy een vernis op, het
Chineesch verlakt zelfs overtreffende. Het hout van den Brood-boom
is van eene helder bruine kleur; het is hard, zwaar en duurzaam;
maar het vergaat in het water, even als het hout van byna alle de
boomen in dit Land" (BANCROFT, Nat. Hist. of Guiana.)

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[12] Alle de Matroosen, Soldaten en Negers zyn zeer ongelukkig,
wanneer zy gebrek aan tabak hebben. Dit houdt hen, zoo zy zeggen,
wel te vreden, en zommigen zouden liever gebrek aan brood hebben.

Aanteek. van den Schryver.

[13] Zommige natuurkenners beweeren tegen het gevoelen van onzen
reiziger, dat dit dier deeze snuit naar willekeur kan uit en intrekken,
byna op de manier van een Olyphants snuit, of den hoorn van een
Rhinoceros.

De Zee-paarden, in de huizen te Caijenne opgevoed, zyn uittermaten
gemeenzaam, en worden gaarne gestreeld en gekrabd; zy loopen over al
heen zonder kwaad te doen. Op het eetens-uur ziet men deeze dieren
aankomen, als of zy tot het huisgezin behoorden; zy vermoeien de
lieden, die aan tafel zitten, zeer; zy vragen hun op eene lompe wyze
met hun snuit, om eeten te hebben; zy loopen rondom de eetens-tafel;
zy eeten brood, cassave, vruchten, en dikwils, eer zy heen gaan,
wryven zy zig tegen het huisraad.

De Indiaansche wilden bereiden de huid van deeze dieren, door dezelve
uit te spannen en in de zon te laten droogen; zy bekleeden 'er hunne
rondassen of oorlogs-schilden en hunne stormhoeden mede: de pylen en
kogels doordringen met moeite dit gedroogde leder, het welk zeer hard,
zeer dik, en waar van het weefzel zeer vast en in één gedrongen is. Te
Caijenne maakt men 'er schoenen van, die langer duuren dan schoenen
van ossen-leder; het water doorweekt dezelven niet ligt.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[14] Veele Reizigers maken melding van Zee-menschen, waar aan zy den
naam gegeven hebben van Tritons, Nereïden, Sirenen, half visch, half
vrouw, of Ambizen. Allen komen daar in over één, dat het zeemonsters
zyn, naar menschen gelykende, ten minsten van het hoofd tot het
midden toe.

Men leest in zeker boek, genaamd Delices de la Hollande, dat in het
jaar 1430, na eenen zwaaren storm, die de dyken in Westvriesland had
doorgebroken, een Meermin in het slyk gevonden wierd. Men bragt dezelve
naar Haarlem; men kleede haar, en leerde haar spinnen; zy gebruikte
ons voedzel, en leefde eenige jaaren, zonder het spreken te hebben
kunnen leeren, en had altyd een trek naar het water behouden. Haar
geluid had veel overëenkomst met dat van een stervend mensch.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.

[15] Hy hieldt hardnekkiglyk staande, dat deeze gezouten spyzen
uitmuntend voor de gezondheid waren; en met dit al had hy drie koks
uit Europa medegenomen.

Aanteek. van den Schryver.

[16] In plaats van dezelve neemt men ook wel een schelp, een
visch-graat, of tyger-tanden.

Aanteek. van den Schryver.

[17] Verscheiden Natuur-kenners zyn van dit gevoelen niet. Onder dit
getal behoort BUFFON, die in zyne Natuurlyke Geschiedenis van den
Mensch zegt:--"De witte of blanke kleur schynt de oorsprongelyke kleur
der natuur te zyn, welke de luchtstreek, het voedzel en de zeden zelfs
tot in het geele, bruine of zwarte doen veranderen, en die in zekere
omstandigheden weder te voorschyn koomt, maar met eene zoo groote
verandering, dat ze niet gelykt naar de oorsprongelyke witte kleur,
die door de opgegevene oorzaaken in de daad van natuur veranderd is".

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[18] Ik heb reeds gezegd, dat de Indiaansche vrouwen zonder smart
kinderen baaren.

Aanteek. van den Schryver.

[19] Dit is onder hen zeer zeldzaam, want 'er is geen vreedzamer volk,
dan zy.

Aanteek. van den Schryver.

[20] De inwoonders van Nieuw-Zeeland noemen hunne knodsen patou
patous, welke gelykluidende uitdrukkingen te merkwaardiger zyn,
naar mate van den zeer verren afstand, die hen van elkander scheidt.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[21] Ik begryp niet, hoe Mejuffrouw DE MERIAN van dit kruipend gedierte
kan zeggen, dat het zyne jongen levendig werpt.

Aanteek. van den Schryver.

[22] De Staaten van Holland weigerden den Koning dit verzoek.

Aanteek. van den Schrijver.

[23] 'Er zyn jaaren van vier, andere wederom van zes schepen.

Aantek. van den Schryver.

[24] Ik heb reeds gezegd, dat men in deeze Volkplanting geen rhum
maakt, en geen suiker raffineert.

Aanteek. van den Schryver.

[25] Men zie Plaat VIII, te vinden in het 1ste Deel van dit werk,
tegen over bladz. 128.

[26] Schoon de Europeanen in de verzengde luchtstreek bleek worden,
hebben de inboorlingen des Lands, en inzonderheid de Mulatten en
Quarteron-Negers eene zeer frissche kleur.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[27] Hier wordt misschien bedoeld het zoort van rozen-boomen, het welk
bloemen voortbrengt, Caraïbische rozen genaamd, en waar van Mejuffrouw
DE MERIAN zegt:--"Deeze rozen zyn uit het Land der Caraïben gebragt
naar Surinamen, alwaar zy welig groeien. Des morgens, wanneer zy open
gaan, zyn zy wit, des middags rood, en des avonds vallen zy af".--Zy
is de Rosa Sinuensis van FERRARIUS.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[28] De groote en kleine Zurzak, of Zursaka, zyn onder den naam van
Anona in de plant-tuinen in Holland bekend.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[29] Men weet dat verscheiden dieren, zoo als de konynen en muizen,
die volmaakt wit zyn, oogen van eene bloedkleur hebben.

Aanteek. van den Schryver.

[30] Deeze boom groeit tot eene aanmerkelyke hoogte. Zyn dikke
en rechte stam is omkleed met een gryze schors, met stekels
bedekt. Zyne takken zyn zeer wyd uitgespreid, en zyne bladeren zyn
klein en getand. Alle drie jaren brengt hy catoen voort, maar die niet
overvloedig, en niet zeer wit is, en daarom weinig gezocht wordt. Deeze
boom, die zeer veel overëenkomst heeft met den Engelschen eikenboom,
overtreft denzelven echter uit hoofde der grootte en cierlykheid,
waar mede hy zig vertoont.

Aanteek. van den Schryver.

[31] Deeze slang heeft van drie tot vyf voeten lengte, en is in
't geheel niet gevaarlyk. Hy is niet bevreesd, om zig, zelfs door
den mensch, te laten aanraken. De weergalooze glans van zyne kleuren
noopt zelfs de Negers, om hem aan te bidden.

Aanteek. van den Schryver.

[32] Het geval is in dit Land bekend, dat een Neger, die by zynen
meester mishandeld was geworden, 'er op de volgende wyze wraak over
nam.--Toen deeze met zyne vrouw was uitgegaan, sloot de Neger alle de
deuren toe; en by hunne te rug komst, vertoonde hy zig met hunne drie
kinderen op een plat dak boven op het huis. Zyn meester en meesteresse
vroegen hem, waarom hy niet open deed, en tot antwoord, wierp hy de
jongste hunner kinderen voor hunne voeten; zy dreigden hem, hy wierp
de tweede; zy smeekten hem, hy wierp de derde, en allen vielen zy voor
de voeten hunner ongelukkige ouderen dood ter neder. Deeze woedende
Neger zeide hun toen, dat hy voldaan was; en vervolgens wierp hy zig
zelven van boven neder op de straat.--Een andere Neger, om zig over
zyne meesteresse te wreeken, doorstak den man, die hem niet beledigd
had, en verklaarde wyders, dat haar dood hem de wraak van slechts een
oogenblik bezorgen zoude; maar dat haar te berooven van het geen haar
het liefste was, haar tevens veröordeelde tot eene eeuwigdurende straf,
waar van het denkbeeld alleen voor hem genoeglyk was.

Aanteek, van den Schryver.

[33] Na het naauwkeurigst onderzoek, en het bekomen van overtuigende
bewyzen, kan ik verzekeren, dat dit alles met de waarheid
overëenkomstig is.

Aanteek. van den Schryver.

[34] Volgens eene wet, in den Raad van Jamaica vastgesteld, is de
straf van eenen Neger gewoonlyk twaalf zweepslagen, maar kan nooit
boven de negen-en-dertig gaan. Ik heb, in Surinamen, eene vrouw twee
honderd slagen zien ontfangen, en ik was oorzaak, dat zy, op het
zelfde oogenblik, die straf voor de tweede maal onderging.--Men zie
hier boven het II. Deel, bladz. 89.

Aanteek. van den Schryver.

[35] In de maand October 1789, wierden in drie dagen tyds, op Demerary,
twee-en-dertig Negers ter dood gebragt; zy trotseerden den dood
met eenen gelyken moed als hy, wiens geschiedenis alhier door my
is opgegeven.

Aanteek. van den Schryver.

[36] De volgende beschryving zal misschien deeze behandeling beter
ontwikkelen.

"Men moet, om Indigo te maken, drie kuipen hebben, die op verschillende
hoogten naast elkander geplaatst zyn. Men zet ze op een plaats, alwaar
men onbekrompen water bekomen kan.

"De eerste kuip is doorgaans van vyftien tot agtien voeten lang,
twaalf voeten breed, en drie of vier voeten diep. Men maakt dezelve
anderhalf voet wyd, en volkomen digt.

"De tweede is gewoonlyk de helft minder groot, dan de eerste; en de
derde is een derde gedeelte kleiner, dan de tweede. De drie kuipen zyn
zoo ingericht, dat zy door openingen, die in den bodem gemaakt zyn,
uit de bovenste het daar in vervatte vocht ontfangen kunnen.

"Men noemt de eerste kuip de Uitweek-kuip, de tweede de Slag-kuip, en
de derde de Zink-kuip, naardien in dezelve, het geen uit de twee eerste
koomt, bezinkt, en de Indigo daar in tot volkomenheid gebragt wordt."

"Het is van aanbelang, dat deeze kuipen wel bepleisterd zyn, en eene
zekere dikte hebben, om de gisting, die daar in ontstaat, te kunnen
wederstaan. Zy worden in gebakken of gehouwen steenen gemaakt."

Indien ze van uitgehold hout gemaakt worden, en dat men ze langen
tyd wil doen duuren, moet men dezelve met zeer dun lood beleggen.

De Indigo van Cayenne is van een blaauwer kleur, dan die van
St. Domingo. Zy is aan de rupsen zoo niet onderworpen. (Maison rustique
de Cayenne.)

De ouden hebben den oorsprong van de Indigo in 't geheel niet
gekend. PLINIUS gelooft, dat het een schuim van riet is, zig vast
hechtende aan een zoort van modder, die zwart is, wanneer men
ze wryft, en eene fraaije bruine kleur geeft, met purper gemengd,
wanneer men ze weekt. DIOSCORIDES gelooft, dat het een steen is.

De Indigo plant koomt in Europa alle jaaren voort. Zie hier de manier,
op welke men dezelve aldaar aankweekt. Men zaait ze in de lente, op
een bed, en wanneer zy spruiten van twee of drie duimen hoog geschoten
heeft, brengt men ze over in kleine kistjes, met goede aarde gevuld,
en men zet deeze kistjes in een warm bed van rum. Wanneer deeze
planten eenige kragt verkregen hebben, geeft men aan dezelve veel
lucht, door de raamen der broeykassen open te zetten, en in de maand
Juny brengen zy bloemen voort, die spoedig in peulen veranderen.

Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home