Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Author: Dickens, Charles
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                          SCHETSEN UIT AMERIKA
                                   EN
                         TAFEREELEN UIT ITALIË,



                                  DOOR
                            CHARLES DICKENS.

                MET ZEVENTIEN HOUTGRAVUREN VAN DALZIEL.



                    VIJFDE NIEUWE, HERZIENE UITGAVE.

                NIJMEGEN--GEBR. E. & M. COHEN.--ARNHEM.



       BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.



SCHETSEN UIT AMERIKA.

I.

MIJN VERTREK.


Nooit zal ik de één kwart ernstige en drie kwart grappige verbazing
vergeten, waarmee ik den derden Januari achttienhonderd twee en
veertig 's morgens de deur opendeed van, en mijn hoofd stak in een
paviljoen of zoogenaamde "Staatsie-hut" aan boord der Brittania,
een stoompacket van twaalfhonderd gemeten tonnen, die bestemd was
voor Halifax en Boston, en Harer Majesteits mail overbracht.

Dat dit paviljoen opzettelijk was afgehuurd geworden voor "Charles
Dickens, Esquire, en Echtgenoote," was zelfs voor mijn alledaagsch
verstand op voldoende wijze begrijpelijk gemaakt door een heel klein
stuksken papier, waarop het feit vermeld stond, welk stuksken papier
aan een nogal luchtige sprei was vastgehecht, die over een nogal dunne
matras hing, waarmee een bijna ontoegankelijke kooi belegd was als een
heelmeesterspleister. Maar dat dit nu het paviljoen was, waar Charles
Dickens, Esquire, en Echtgenoote, ten minste al vier maanden lang dag
en nacht met elkaar over aan 't redekavelen geweest waren,--dat dit nu
met eenige mogelijkheid dat snoeperige kamertje der verbeelding kon
zijn, waarvan, als de geest der profetie maar vaardig over hem was,
Charles Dickens, Esquire, altoos voorspeld had, dat het ten minste
één kleine sofa zou bevatten, maar waarvan zijne vrouw, die een
bescheiden edoch allerprachtigst inzicht in de beperkte afmetingen
van dat snoeperige kamertje der verbeelding had, van den beginne had
vermoed dat er in den een of anderen hoek hoogstens bergplaats zou
wezen voor haar kolossale valiezen (valiezen, die men nu evenmin door
de deur kon krijgen, zelfs niet met horten en stooten, als men een
kameelpardel in een bloempot zou kunnen stoppen),--dat nu deze ten
eenenmale onpractische, door en door hopelooze en allermalste kast
in 't geringste verband stond met die glundere en lieve, om niet te
zeggen met weidsche praal gestoffeerde vertrekjes, zooals die, met
een meesterlijke hand geschetst, op de zwaar verniste steendrukplaat
afgebeeld waren, die men op 't kantoor van den agent te Londen
ziet hangen,--dat nu, om kort te gaan, deze mijne "staatsie-hut"
iets anders kon zijn dan een kluchtige verzinning of aardige grap,
door den kapitein uitgevonden en in practijk gebracht, om zoodoende
zijn passagiers des te grooter verrassing en genot te bereiden met het
werkelijke paviljoen, dat zoo aanstonds geopend zou worden;--zie, dit
waren altemaal waarheden, die mijn verstand voor 't oogenblik inderdaad
te boven gingen. En zoo ging ik zitten op een soort van paardenharen
brits of plank, waarvan er twee zoo in de hut waren, en zonder een
woord te kikken of een spier van mijn gezicht te vertrekken, keek ik
naar een stuk of acht vrienden, die met ons aan boord waren gekomen
en hun tronies op allerhande manieren gestooten en geschaafd hadden,
toen ze door 't smalle deurtje naar binnen probeerden te kruipen.

Voordat we beneden waren, kregen we eerst nog een fikschen schok beet,
die ons, hadden we niet onder de blijgeestige menschen ter wereld
behoord, met de naargeestige voorgevoelens zou vervuld hebben. De aan
verbeelding kennelijk zoo rijke kunstenaar, op wien ik al gezinspeeld
heb, heeft in 't zelfde groote werk een kamer voorgesteld van een
bijna eindeloos perspectief, die, zooals de heer Robins zou zeggen,
met meer dan Oostersche pracht gestoffeerd, en daarbij (maar niet zoo,
dat men er overlast van heeft) met groepjes dames en heeren gevuld
is, die onder elkaar een pret maken dat het een aard heeft. Voor
en aleer wij in de ingewanden van 't schip afdaalden, waren we van
't verdek in een langwerpig smal vertrek gekomen, dat wel iets weg
had van een reusachtige lijkkoets, met ramen aan de kanten. Aan 't
boveneinde stond een sombere kachel, waar een stuk of vier verkleumde
hofmeesters hun handen aan warmden, en langs de geheele lengte
was er aan weerskanten een lange, o, zoo lange tafel neergezet,
met een rek boven iedere tafel, dat opgepropt met glazen en olie-
en azijnstelletjes aan den lagen zolder was vastgemaakt, en, akelig
genoeg, op stortzeeën en stormweer zinspeelde. Tot dusver had ik
het ideale voorgevoel nog niet gehad van al 't genoegen, waarmee de
kamer me naderhand zoo rijkelijk begiftigd heeft, maar ik merkte,
dat een onzer vrienden die er zich mee belast had om datgene, wat
betrekking had op onze reis, in orde te brengen, bleek werd toen hij
binnenkwam, een beetje achteruit trad naar den vriend, die achter
hem stond, zich onwillekeurig voor 't hoofd sloeg, en stotterend bij
zich zelf mompelde: "Onmogelijk! dat kan niet wezen!" of iets van
dien aard. Zich geweld aandoende, kwam hij echter weer zoo'n klein
beetje op zijn verhaal, en na bij wijze van inleiding een paar maal
te hebben gekucht, schreeuwde hij met een spookachtigen lach, die mij
nog altijd bijblijft, terwijl hij meteen naar alle kanten rondkeek:
"Maar, hofmeester, zeg reis, waar is de ontbijtkamer toch?" Allen
voorzagen wij wat het antwoord moest zijn, en begrepen den angst dien
hij uitstond. Dikwijls had hij gesproken van het salon, zich het
denkbeeld, gelijk de kunstenaar dat geïllustreerd had, in 't hoofd
gezet en van lieverlede uitgewerkt,--daarbij ons gewoonlijk thuis aan
't verstand zoeken te brengen, dat wij, wilden we er ons een juiste
voorstelling van vormen, den omvang en het meublement eener gewone
zitkamer met zeven dienden te vermenigvuldigen, als wanneer het er
een beetje op zou gaan gelijken. En toen nu de man hem in antwoord op
zijn vraag de waarheid zei, de plompe, ongenadige, naakte waarheid:
"Dit is 't salon, m'nheer,"--waggelde hij als van den donder getroffen.

Bij personen, die zoo gauw bij elkaar vandaan zouden gaan en tusschen
hun anders dagelijkschen omgang den geduchten grensboom van ettelijke
duizenden mijlen stormachtige ruimte zouden oprichten; die om die
reden den hun nog overblijvenden kortstondigen tijd van gezellig
bijeenzijn niet graag met een andere wolk, zelfs met geen voorbijgaande
schaduw eener oogenblikkelijke teleurstelling of spijtigheid wilden
benevelen,--bij zoo gedisponeerde personen nu ging natuurlijk de
eerste verbazing hierin over, dat men 't uitproestte van lachen; en ik
verklaar u, dat ik zelf ten minste, die nog op de bovenvermelden brits
of plank zat, het uitschaterde dat het schip er van weerklonk. En zoo
werden wij het dan ook in minder dan twee minuten, nadat we de kamer
voor 't eerst betreden hadden, volkomen eens dat deze staatsie-kamer
het gezelligste, aardigste en degelijkste vertrek was, dat men zich met
mogelijkheid kon denken, en het waarlijk onpleizierig en te bejammeren
zou geweest zijn als het maar één duim grooter was geweest. En door
buitendien aan te wijzen--door namelijk de deur op een kier te zetten
en er als slangen door te kruipen naar binnen en naar buiten, en
door het kleine waschplankje tot een tafel te gebruiken--en door nu,
zeg ik, elkaar buitendien aan te wijzen hoe en op welke manier het
ons lukken zou met ons vieren er tegelijk in te kunnen zitten; en
door elkaar verder aan te sporen om toch vooral er op te letten hoe
bijzonder luchtig het was (in 't dok), en hoe'n mooie geschutpoort
er in was, die den ganschen dag open kon blijven (als 't weer het
maar toeliet), en hoe er een groot rond raampje was juist over den
spiegel, zoodat men zich recht op zijn gemak en op de pleizierigste
wijze zou kunnen scheren (als 't schip maar niet al te erg deinde);
door een en ander nu te bedenken en te overdenken, kwamen wij ten
langen leste tot de eenparige gevolgtrekking, dat men geen ruimer
vertrek zou kunnen begeeren, alhoewel ik voor mij geloof dat het,
de beide kooien, die boven elkaar stonden en niet grooter waren dan
een doodkist, er afgerekend, wel zooveel ruimte zal gehad hebben als
van die heerencabrioletten die van achteren opengaan en degenen die er
gebruik van maken, evenals zakken met steenkolen, op de straat loozen.

Eenmaal dit punt tot volkomen genoegen van alle partijen,
belanghebbende en niet-belanghebbende, geregeld zijnde, gingen we om
den haard in de dameskajuit zitten, louter om eens te probeeren of
die wel warmte gaf. Het was er nogal donker, maar er was er een die
zei: "Op zee zal 't hier natuurlijk wel lichter zijn," een voorstel
waar we allen mee instemden, terwijl ieder onzer bij wijze van echo
herhaalde: "natuurlijk, natuurlijk;" ofschoon het erg moeielijk zou
zijn te zeggen, waarom zij zoo dachten. Nog herinner ik me, dat,
toen we een anderen troostgrond ontdekt en afgehandeld hadden in
de omstandigheid dat deze dameskajuit vlak aan onze staatsie-hut
grensde en ons zoodoende het onuitsprekelijk gemak zou verschaffen
om er naar verkiezing bij tijd en ontijd in te gaan zitten, en
daarna in een kortstondig stilzwijgen verdiept, met de hand onder
't hoofd in de vlam zaten te kijken, een uit ons gezelschap op den
plechtstatigen toon van iemand, die een ontdekking gedaan heeft, zei:
"Wat moet het niet prettig zijn, om hier een glas warmen kruidenwijn
te drinken!" welk gezegde den geweldigsten indruk op ons allen scheen
te maken, en geen wonder! want men moet weten, dat er tamelijk wat aan
boord was van al die geurige kruiden, waarmee men zoo'n smakelijken
drank kon bereiden, dat men hem nergens beter vinden kon.

Ook was er een hofmeesteres aan boord, die druk in de weer was om
schoone servetten en tafellakens te halen uit de ingewanden der
sofa's, alsmede uit laden van zoo'n kunstig mechanisme, dat je er
hoofdpijn van kreeg, als je ze haar een voor een open zag trekken en
je dan bespeurde, dat iederen hoek en gat en afzonderlijk meubelstuk
precies iets anders was, dan men wel verwacht zou hebben, ja voor
een echte surprise door kon gaan en voor een geheime bergplaats,
waarvan de schijnbare bedoeling stellig de minst nuttige was.

God zegene die hofmeesteres voor haar vroombedrieglijk verslag van
een reis daarheen in Januari! God zegene haar voor hare duidelijke
herinnering aan den gezelligen overtocht van verleden jaar, toen
niemand zeeziek was en iedereen van 's morgens tot 's avonds danste,
en toen het maar een "uitstapje" van twaalf dagen was, en je louter
voor de pret meegegaan zou zijn! Allerlei soorten van geluk wenschen we
haar toe voor haar vroolijk gezicht en vermakelijk schotschen tongval,
die mijn medereiziger in de ooren klonk dat hij zich onwillekeurig
weer thuis moest verplaatsen. Allerlei soorten van geluk wenschen
we haar toe voor hare voorspellingen van gunstigen wind en mooi weer
(niets kwam er van uit; nu, ik zou anders ook niet zooveel van haar
gehouden hebben) en voor de tienduizend kleine fragmenten van echt
vrouwelijken tact, waardoor ze, zonder ze daarom naarstiglijk aan
elkaar te zetten en er een bepaalden toepasselijken vorm aan te geven,
evenwel nochtans en desalniettemin ten allerduidelijkste bewees, dat
alle jonge moeders aan de eene zijde van den Atlantischen Oceaan haar
aan den anderen kant achtergelaten kleintjes geen oogenblik uit de
gedachten laten gaan; en dat wat den oningewijden een ernstige reis
toescheen, voor hen, die in 't geheim waren, louter een lolletje was,
een lolletje, waarbij braaf gezongen en gefloten werd! Moge zij nog
jarenlang zoo luchthartig blijven, en mogen haar vroolijke oogen nog
jarenlang zoo vroolijk blijven staan!

Onze staatsie-hut was al vrij ruim geworden; maar thans werd ze ons,
hoe zal ik 't uitdrukken? waarlijk al te bakbeestachtig, en ze blufte
bijna op een boograam, waaruit men de zee kon zien. Zoo gingen we
dan met hoog gestemd gevoel weer naar 't dek; daar verkeerde jan
en alleman in zoo'n toestand van bereddering, ja, was iedereen zoo
druk in de weer, dat, hoe koud het dien morgen ook was, het bloed
je onwillekeurig èn sneller èn vroolijker door de aderen liep. Want
ieder zwierig schip voer langzaam op en neer, en iedere kleine boot
plaste gedruischmakend in 't water; en groepjes menschen stonden
met oogen, die van "eerbiedig genoegen" glinsterden, op den steiger
naar de wijd en zijd vermaarde Amerikaansche stoomboot te kijken;
en sommigen van de bemanning waren bezig met het "innemen van de
melk" of, met andere woorden, met het aan boord brengen van de koe;
en sommigen waren er mee bezig, om de kelders aan denzelfden ingang
van versche provisie te voorzien, van vleesch bij voorbeeld en van
groenten, van speenvarkens, kalfskoppen bij de vleet, ossen-, kalfs-
en varkensvleesch en gevogelte van allerlei soort; en sommigen waren
aan 't opschieten van touwen, en bezig met schiemansgaren, en sommigen
waren er mee bezig, om zware balen in 't ruim te brengen; en enkel
het hoofd van den victualie-meester was zichtbaar, zooals het daar, in
een toestand van iemand die wegens verregaande drukte geen raad weet,
te midden van een grooten berg van passagiers-bagage uitstak; en het
scheen wel, of er niets anders gedaan werd en of niemand ergens anders
om dacht, dan om toebereidselen te maken voor deze geduchte reis. Een
en ander nu, gepaard met de heldere koude zon, met de fijne lucht en de
dunne korst morgen-ijs op 't dek, dat met een scherp en niet onaardig
geluid onder den lichtsten voetstap kraakte,--dat alles nu bij elkaar
genomen, was onweerstaanbaar. En toen we weer aan wal gekomen, ons
omdraaiden en aan den mast van 't schip wimpels zagen wapperen van
vroolijke kleuren, waar zijn naam op stond, en daarnaast de schoone
Amerikaansche banier met haar sterren en strepen,--toen verdwenen
de lange drie duizend mijlen en meer, en nog langer, de zes geheele
maanden van afwezigheid, in die mate voor 't oog onzer verbeelding,
dat het precies was alsof het schip vertrokken en weer thuis gekomen
was, en de lente reeds was aangebroken in 't Coburgs-dok te Liverpool.

De kennissen, die ik onder de dokters heb, heb ik er niet naar gevraagd
of schildpadsoep en koude punch, met rijnwijn, champagne en rooden wijn
en al die kleine etcetera's die gewoonlijk in onbeperkten overvloed bij
een goed diner worden aangetroffen--vooral als 't aan mijn feilloozen
vriend den heer Radley, van 't Adelphi-hotel, is overgelaten--wel
bijzonder geschikt zijn om op zee te worden gebruikt, dan of een
eenvoudige schapebout met een paar glazen sherry bij zoo'n gelegenheid
minder voor de spijsvertering deugt. Mijn eigen gevoelen is, dat, als
men kant en klaar staat om een zeereis te doen, het er al bitter weinig
op aankomt, of men te dezen opzichte zwaartillend is, al dan niet,
om de doodeenvoudige reden, dat het, om een dagelijksche spreekwijze
te bezigen, "bij slot van rekening op 't zelfde uitdraait." Ja,
wat hiervan ook zij, ik voor mij weet, dat dien dag het diner niets
hoegenaamd te wenschen overliet; dat er al deze items bij waren,
er nog eene heele zooi meer, en dat we er allen volkomen recht aan
lieten wedervaren. En ook weet ik, dat, met een zekere stilzwijgende
vermijding van de geringste zinspeling op den dag van morgen (zooals
men onderstellen mag, dat er plaats vindt tusschen kiesche cipiers
en een teergevoeligen gevangene die morgen opgeknoopt moet worden),
wij nogal aardig onzen gang gingen en, alle deze dingen in aanmerking
genomen, ons zelfs wel vroolijk genoeg aanstelden.

Toen nu de morgen--de bewuste morgen--aangebroken was en wij elkaar
aan 't ontbijt ontmoetten, was 't curieus om te zien, hoe we er allen
op uit waren, om den geringsten stilstand in 't gesprek te voorkomen,
en hoe verbazend vroolijk iedereen was, zoo verbazend vroolijk zelfs,
dat een spotvogel gerust had kunnen beweren, dat al die vroolijkheid
van ieder lid van 't kleine gezelschap maar gedwongen fraaiigheid was
en net zooveel overeenkomst had met zijn natuurlijke blijmoedigheid,
als de peperdure erwten uit de broeikasten wat geur en smaak betreft
op die erwten gelijken welke aan den dauw en de lucht en den regen des
hemels hun groeikracht ontleenen. Maar toen het zoo zoetjes aan naar
éénen liep, de tijd waarop we aan boord verwacht werden, verdween,
hoeveel geweld zich ieder ook aandeed om dat te verbloemen, deze
radheid van tong van lieverlede, totdat we eindelijk, ten einde raad,
ons masker geheel en al lieten vallen, zonder 't langer onder stoelen
of banken te steken met mekaar nagingen, waar we morgen wel zouden
zijn, en overmorgen, en zoo voorts, en een massa boodschappen meegaven
aan hen die nog dienzelfden avond naar stad meenden terug te keeren,
boodschappen die binnen den kortst mogelijken tijd na de aankomst van
den trein op Easton Square, zonder fout thuis en overal elders moesten
bezorgd worden. En al die boodschappen en al die "Zeg, zal je niet
vergeten" overstelpten iemand op zoo'n tijd zoo geweldig, dat wij er
nog mee in de weer waren, toen we ons als 't ware ineengesmolten vonden
onder een dichte opeenhooping van passagiers en passagiers-vrienden,
en passagiers-bagage, alles door mekaar gesmeten op 't dek eener kleine
boot, die hijgend en snuivend naar de packet stoomde, die gister na
den middag uit het dok gehaald was en nu op de rivier voor anker lag.

En daar ligt het nu! aller oogen zijn gekeerd naar de plaats waar het
schip ligt, dat door den nevel van den 's winters zoo vroeg invallenden
namiddag bezwaarlijk te onderscheiden is; elke vinger wijst in een en
dezelfde richting, en overal hoort men kreten van belangstelling en
bewondering mompelen: "Wat ziet er dat schip mooi uit! Wat 'n slank
schip!" Zelfs de treuzelige heer met zijn hoed op één oor en zijn
handen in den zak, die zooveel troost om zich heen verspreid heeft
door al geeuwende aan een ander heer te vragen of hij ook "naar de
overzij gaat"--alsof 't een veerschuit was--zelfs hij verwaardigt zich,
dien kant eens uit te kijken, en knikt met zijn hoofd alsof hij zeggen
wou: "Ja, dat staat zoo vast als een paal;"--en zelfs de knik van den
wijzen lord Burleigh had niet half zooveel in als de knik van dezen
tragen heer, die zooveel in de melk te brokken heeft en die (gelijk
ieder aan boord, de hemel mag weten hoe! al te weten gekomen is) den
overtocht al zestienmaal gedaan heeft zonder een enkel ongeluk! Er is
nog een ander warmpjes toegestopt passagier die 't bij de overigen
zoo verbruid heeft, dat men hem telt gelijk een groentevrouw een
rotte kool op haar wagen, en dat waarom? Omdat hij zich verstout
heeft met schoorvoetende belangstelling de vraag te opperen, hoelang
het nu al geleden is, dat de arme President is uitgezeild. Hij staat
vlak naast den treuzeligen heer en zegt met een flauwen glimlach,
dat hij gelooft dat het een allersterkst schip is; waarop de trage
heer, na eerst den ondervrager onder de oogen, en daarna strak naar
den wind te hebben gekeken, op eens en onheilspellend ten antwoord
geeft: "ik hoop het om 't schip." Op dit gezegde daalt onze trage
heer oogenblikkelijk nog lager in de algemeene achting, en terwijl de
passagiers hem wantrouwender dan ooit aankijken, fluisteren ze onder
elkaar dat hij een ezel is, en een bedrieger, en er klaarblijkelijk
niet zooveel van af weet als tweemaal de helft van niemendal.

Maar we worden ondertusschen naast de packet vastgelegd, wier hooge
roode schoorsteenpijp zoo dapper aan 't rooken is, dat men niet
behoeft te vragen, of ze 't ook ernstig meent. Pakkisten, valiezen,
reistasschen en koffers zijn al van de eene hand in de andere
overgegaan, en met zoo'n snelheid aan boord geheschen alsof men zich
schier geen tijd gunt om adem te halen. De eenvoudig maar net gekleede
officieren staan aan gangboord om de passagiers een handje te helpen,
en sporen meteen de mannen aan, om zich wat te reppen. In een minuut of
vijf is de kleine stoomboot dan ook geheel en al verlaten, de packet
daarentegen volgepropt met hare laatste lading, die onmiddellijk
het geheele schip overstroomt en in iederen hoek en gat bij dozijnen
aan te treffen is: met hun eigen bagage klimmen zij naar beneden, en
struikelen over die van anderen,--zoo goed en zoo kwaad als het gaat,
beredderen ze al datgene wat er maar eenigszins toe strekken kan, om
hun gemak in hare kajuiten te verhoogen, en veroorzaken door al dat
heen en weer geloop niet weinig verwarring, terwijl al die drukte,
al die herrie nog erger gemaakt wordt door de wilde hofmeesters,
die met hun haar in de war, waar de wind door speelt, de winderige
dekken op en af loopen om dit voor de passagiers na te zien, dat
voor de passagiers mee te brengen. Onder al die bereddering flaneert
onze treuzelige passagier, die geen bagage hoegenaamd ook schijnt te
hebben--nog niet eens zooveel als een kwaker--met een sigaar in den
mond, waar hij af en toe een haaltje aan doet, op zijn doode gemak het
verdek op en neer; en daar hij door die onverschrokken houding weer
rijst in de achting van hen, die den tijd hebben om zijn voetstappen
na te gaan, heeft hij maar eventjes naar den mast of naar 't dek
of over boord heen te kijken, of zij kijken er ook naar, als uit
nieuwsgierigheid of hij hier of daar ook weer iets onheilspellends
bespeurt en in de hoop dat hij, mocht dit werkelijk zoo zijn, wel
zoo goed zal wezen om er gewag van te maken.

Wat is dat? De boot van den kapitein! en daar ginds, de kapitein
zelf. Nu, op mijn woord van eer, dat is juist de man, de man van top
tot teen, zooals we hem gehoopt en gewenscht hadden! Verbeeld je, een
welgeschapen, stevig, pootig kereltje, met een blozend gezicht, dat
een aanbevelingsbrief is, om hem beide handen tegelijk te drukken; en
met een helder blauw eerlijk oog, dat je goeddoet aan je hart, als je
je-zelf er in afgespiegeld ziet. "Lui de bengel! Tingeling, tingeling,
tingeling!" Zelfs de bengel schijnt zich te reppen. "Nu naar wal!--Wie
gaat er mee naar wal?"--Enkele heeren gaan mee. Ze zijn weg, en niemand
hunner heeft ons vaarwel-gezegd. Ha! daar wuiven zij 't ons van uit
het bootje toe. "Goeie reis! Goeie reis!" Drie hoerah's van hun kant,
drie van den onzen, nog eens drie van den hunnen, en.... weg zijn ze.

Op en neer, heen en weer, op en neer, heen en weer, en dat honderdmaal
achter elkaar! Dat wachten op de laatste brievenzakken is 't ergst
van alles. Hadden we onder die laatste ontboezemingen heen kunnen
gaan, kijk, we waren zegevierend vertrokken, maar om nu hier twee
uur en langer in den natten mist te liggen, zonder thuis te zijn en
zonder onder zeil te zijn, dat is verschrikkelijk, ja dat is iets
om je 't land op te jagen, nog zoo. Eindelijk zien we een stipje in
den mist opdagen! Dit is ten minste iets. 't Is de boot, waar we op
wachten! Goddank! dat's één stap tot den vrede! Daar verschijnt de
kapitein met zijn scheepsroeper op de raderkast; de officieren gaan
weer op hun post; alle handen zijn in de weer; de verflauwende hoop
der passagiers herleeft; de koks staken hun geurigen arbeid, en kijken
met oogen waar de grootste belangstelling uit spreekt. De boot gaat
naast de packet liggen; men pakt de zakken aan en smijt ze neer, of
er misdruk in zit. Alweer drie hoerah's: en terwijl het eerste ons in
de ooren klinkt, steunt het schip als een sterke reus, die zoo even
den adem des levens heeft ontvangen; voor 't eerst draaien de twee
groote raderen fier rond; en met een gunstigen wind en gunstig getij
doorklieft het edele schip trotsch de gezweepte en schuimende golven.



II.

DE HEENREIS.


Dien dag dineerden we allen bij elkaar; en 't was waarlijk een
talrijk gezelschap dat toen bijeen was; niet minder dan zes en
tachtig personen. Daar het schip met al zijn steenkolen aan boord
en zooveel passagiers vrij diep ging, en het weer zeer stil was,
was de beweging al heel gering; zoodat, toen we nog niet dachten om
met iets uit te scheiden, zelfs die passagiers, die zich-zelf het
minst vertrouwden, een verbazingwekkenden moed begonnen te scheppen;
en die, welke 's morgens op de algemeene vraag: "kunt u goed tegen de
zee?" een volstrekt ontkennend antwoord hadden gegeven, thans de vraag
òf met de ontwijkende woorden beantwoordden: "Och, ik denk dat ik er
licht zoo goed tegen kan als ieder ander," òf met terzijdestelling
van alle zedelijke verplichting, brutaalweg "Ja" zeiden, en dat
nog wel op zoo'n gebelgden toon, alsof zij er bij wilden voegen:
"Ik zou wel eens willen weten, m'nheer, wat u juist in mij ziet,
dat u recht geeft tot achterdocht!"

Ondanks dien hoogen toon van moed en vertrouwen merkte ik maar al te
goed, dat er maar heel weinigen waren, die rustig en wel achter hun
glas wijn bleven zitten; en dat iedereen ongewoon veel van de open
lucht ging houden; en dat men zonder uitzondering bij voorkeur het
liefst zoo dicht mogelijk bij de deur ging zitten. Ook de theetafel was
in de verste verte niet zoo druk bezocht als de eettafel, en er waren
minder whistpartijen dan men wel verwacht zou hebben. Met uitzondering
van ééne dame, die onder 't eten min of meer gauw was opgerezen,
onmiddellijk nadat men haar de lekkerste snee van een zeer geel
gekookten schapebout met wat heel groene kappers gepresenteerd had,
waren er echter tot dusverre nog geen zieken; met onverflauwde energie
ging men door met wandelen en rooken en brandewijn met water drinken
(maar altijd in de open lucht) totdat het elf uur of daaromtrent was,
en het aan de orde van den nacht kwam om "naar kooi te gaan."--Niemand,
die op zee is en maar een ervaring van zeven uur achter den rug
heeft, zal van "naar bed gaan" spreken.--En nu werd het onophoudelijk
getrappel van laarzenhakken op de dekken vervangen door een diepe
stilte, en werd de geheele lading menschenvleesch beneden opeengepakt,
behalve een stuk of wat achterblijvers, waaronder mijn persoontje,
die er waarschijnlijk, net als ik, tegen opzagen om daar te gaan.

Iemand, die aan zulke tooneelen niet gewoon is, kijkt bij zoo'n
gelegenheid al heel vreemd op. Ook naderhand, toen het nieuwtje er al
lang af was, bleef het in mijn oog belangwekkend en aantrekkelijk. De
duisternis waardoor de groote zwarte klomp zijn koers en zekere
richting houdt; het bruisende water, dat men duidelijk hoort maar niet
dan flauw kan onderscheiden; de breede, witte, blinkende streep, die
den loop van 't schip volgt; de matrozen die van voren op den uitkijk
staan, en bij den donkeren hemel bezwaarlijk zichtbaar zouden zijn,
werden ze niet af en toe door eenige flikkerende sterren beschenen;
de stuurman aan 't rad met de verlichte kaart voor hem, die als een
lichtende stip te midden der duisternis wel wat wegheeft van iets
waarin de zichzelf bewuste geest der Godheid woont; het droefgeestig
gieren van den wind door blok en touw en ketting; het schijnsel
der lichten door iedere reet en spleet en kleine glasruitjes op de
verschillende dekken, alsof het schip de kiemen in zich draagt van
een brand, die zoo aanstonds uit zal barsten en met onweerstaanbaar
geweld dood en verderf om zich heen zal verspreiden. In 't eerst, ja
zelfs dan als het avonduur met al de voorwerpen, waar het verhevener
denkbeelden over inboezemt, u gemeenzaam is geworden, valt het nog
moeielijk, als men alleen aan 't mijmeren is, zijn gedachten haar
eigen vorm en gedaante te doen behouden. Zij veranderen met den loop
der verbeelding, nemen de gelijkenis aan van ver verwijderde dingen;
doen zich voor onder den vorm van levendig voor den geest staande,
innig geliefde plaatsen, ja bevolken ze zelfs met schimmen. Straten,
huizen, kamers, figuren zoo volkomen gelijk aan hen, die er gewoonlijk
gebruik van maakten, dat ze mij geweldig hebben aangegrepen door
hun werkelijkheid, die, zoo scheen 't me toe, al mijn kracht om de
afwezigen op te roepen verreweg te boven ging,--die figuren nu zijn
menigmaal op zoo'n uur plotseling voor den dag gekomen uit voorwerpen,
met wier werkelijke gedaante, gebruik en doel ik evengoed bekend was
als met mijn eigen twee handen.

Daar mijn eigen twee handen, en voeten insgelijks, bij deze bijzondere
gelegenheid echter heel koud waren, kroop ik te middernacht naar
beneden. Ik kan niet zeggen, dat het beneden zoo pleizierig was. Het
was er potjedicht, dat weet ik; en met geen mogelijkheid kon men
onbewust blijven van de aanwezigheid van dat buitengewone mengelmoes
van vreemde luchtjes, zooals men die alleen aan boord van een schip
kan ruiken, luchtjes, die van zoo'n vluchtigen geur zijn, dat ze door
iedere porie der huid schijnen heen te dringen en u den naam van 't
scheepshol schijnen toe te fluisteren. Twee passagiersvrouwen (een
daarvan was de mijne) lagen al sprakeloos van benauwdheid op de sofa,
en een kamenier (die van mijn vrouw) lag als een bundel op den vloer,
haar aanzijn verwenschende en haar papillotten tusschen de hier en
daar neergezette koffers vertrappende. Alles helde den verkeerden
weg op, iets wat op zich zelf de landerigheid niet weinig moest doen
toenemen. Zoo had ik een oogenblik te voren de deur opengelaten in een
zachte helling naar beneden, en toen ik me omdraaide om ze dicht te
doen, zag ik ze op een aanmerkelijke hoogte boven me. Nu eens kraakte
iedere plank en stuk hout, alsof het schip van gevlochten mandewerk
was, dan weer knetterde het als een reusachtig vuur waar men zooveel
droge takken op gegooid had als men maar met mogelijkheid had kunnen
doen. Niets was daartegen te doen dan maar naar bed te gaan; ik ging
dan ook naar bed.

De volgende twee dagen was 't vrijwel één pot nat, met een tamelijk
gunstigen wind en droog weer. Een groot gedeelte daarvan las ik in
bed (maar tot op dit uur weet ik niet wat), en liep af en toe een
oogenblikje op dek te waggelen; dronk kouden brandewijn en water met
een onuitsprekelijken tegenzin, en at harde scheepsbeschuit tegen de
klippen aan: wel nog niet ziek, maar op 't punt van 't te worden.

Het is de derde morgen. Ik word wakker door een vreeselijken
gil van mijn vrouw, die mij vraagt of er ook eenig gevaar is. Ik
rijs op en kijk het bed uit. De waterkruik spat en springt als een
dartele dolfijn; al de kleine voorwerpen liggen te drijven behalve
mijn schoenen, die als een paar koolschuiten hoog en droog op een
reistasch gestrand zijn. Op eens zie ik ze in de lucht springen,
en den spiegel, die aan den muur vastgespijkerd is, bijna tegen den
zolder aan zitten. Meteen verdwijnt de deur, en wordt er een nieuwe
deur geopend in den vloer. Nu begin ik te begrijpen, dat de statiehut
op haar hoofd staat.

Voor en aleer het mogelijk is, het een en ander in orde te brengen,
gelijk dit voor dezen nieuwen staat van zaken vereischt wordt, ligt
het schip weer recht. Voor en aleer men "Goddank!" kan zeggen, ligt
het weer scheef. Voor en aleer men kan zeggen: "het ligt scheef,"
schijnt het vooruitgestoven te zijn en een schepsel te wezen dat druk
in de weer is om met gebroken knieën en te kort schietende beenen
door al wat maar op een gat of kuil gelijkt op zijn eigen houtje heen
te loopen, en op die manier gestadig maar voortstrompelt. Voor en
aleer men zich daarover verwonderen kan, neemt het als 't ware zijn
beenen onder den arm en maakt een bokkensprong in de lucht. Voor en
aleer het dat stuk werk nog geheel en al verricht heeft, duikt het
diep in 't water. Voor en aleer het de oppervlakte bereikt heeft,
maakt het een buitelsprong. Op 't zelfde oogenblik dat het flink
op zijn beenen staat, vliegt het achteruit. En zoo gaat het schip,
al waggelend, rijzend, worstelend, springend, duikend, schokkend,
slingerend, stampend, stootend, krakend voort, en zoo gaan wij door
al deze bewegingen, soms bij beurten en soms allen tegelijk, totdat
men wel op zijn knieën zou willen vallen, en om genade smeeken.

Daar gaat een hofmeester voorbij. "Hofmeester!" "M'nheer?" "Wat is
er toch aan de hand?" "hoe noemt u dit?"

"Och, m'nheer, een zware stortzee, en met den wind op den boeg,
of tegenwind."

Tegenwind! Verbeeld u een menschelijk gezicht aan den voorsteven
van 't schip, met vijftien duizend Simsons die zich als één man
vooroverbuigen om 't terug te duwen en het nauwkeurig in de gaten
houden of 't altemet ook de geringste poging waagt om één duim vooruit
te gaan. Verbeeld u het schip zelf met iederen pols- en slagader van
zijn vervaarlijk lijf gezwollen en barstende onder deze mishandeling,
een eed afgelegd hebbende om vooruit te gaan of te sterven. Verbeeld u
den wind die huilt, de zee die bruist, den regen die klettert: altemaal
in woede tegen hem ontstoken. Schilder den hemel èn donker èn woest,
en de wolken in vreeselijke eensgezindheid met de golven, die een
tweeden oceaan in de lucht maken. Voeg bij dit alles het gekraak en
gekletter boven- en benedendeks; den tred van zich reppende voeten;
het luid en schor geschreeuw van matrozen; het met klokkend geluid in-
en uitstroomen van water door de spijgaten; met nu en dan het neerslaan
van een stortzee op de planken boven, met den diepen, doodschen, zwaren
klank van den donder, zooals die in een gewelf weerklinkt.... en ge
kunt u een denkbeeld vormen van den tegenwind op dien Januari-morgen.

Met stilzwijgen ga ik al datgene voorbij wat men de dienstboden-herrie
van 't schip zou kunnen noemen: bij voorbeeld het breken van glas-
en aardewerk, het neertuimelen van hofmeesters, de bokkesprongen,
hals over kop, van losse vaten, dozijnen gebottelde porter, en dan
de wel zeer hoorbare maar alles behalve opvroolijkende geluiden
die daar oprijzen uit hun verschillende staatsie-hutten, waar de
zeventig passagiers liggen te jeremièren, altemaal te ziek om aan de
ontbijttafel te verschijnen. Nog eens, dat alles ga ik met stilzwijgen
voorbij: waarom? Om de doodeenvoudige reden, dat ik wel een dag of
vier naar dit concert lag te luisteren, maar niet geloof, dat ik
't langer dan 't vierde eener minuut hoorde, na verloop van welken
tijd ik weer doodzeeziek ging liggen.

Niet zeeziek, men versta me wel, in de gewone beteekenis van 't woord:
ik wou dat ik 't geweest was, maar in een vorm dien ik nooit heb
bijgewoond of hooren beschrijven, alhoewel ik er niet aan twijfel
of die vorm is zeer algemeen. Daar lag ik den geheelen dag, niet in
't minst verhit en vrij wel in mijn schik; ik voelde geen zweem van
loomheid en evenmin de geringste begeerte om op te staan, of beter te
worden, of een luchtje te scheppen; ik was niet nieuwsgierig, kende
geen zorg, voelde geen spijt van welken aard of in welken graad ook;
alleen herinner ik me, dat ik onder die volslagen onverschilligheid een
soort van dommelige blijdschap, van duivelsch genoegen smaakte--als men
aan zoo'n slaperigen toestand dien naam mag geven--en dat waarover? Dat
mijn vrouw te ziek was om tegen me te spreken. Als het mij vergund is,
om mijn gemoedsgesteldheid door zoo'n voorbeeld op te helderen, dan zou
ik zeggen dat ik me van A tot Z in den toestand bevond van mijnheer
Willet, den rechter, nadat de muitelingen zijn gestoelte te Chigwell
waren binnengedrongen. Niets zou me verbaasd hebben. Gesteld eens:
door te denken aan huis, was mijn verstand voor een oogenblik door een
enkelen straal verlicht geworden, en nu was er een kaboutermannetje van
een brievenbesteller, met een scharlakenrood vest aan en een schel,
in dat kleine hondenhok voor me verschenen, terwijl ik goed wakker
en het al klaarlichte dag was, en zich nederig verontschuldigde dat
hij nat geworden was doordien hij over de zee gewandeld had, had dat
kaboutermannetje mij een brief ter hand gesteld, aan mij zelven gericht
in welbekende letters,--gesteld nu eens dat zoo iets gebeurd was, o,
ik ben er zeker van, dat ik geen zweem van verwondering zou gevoeld
hebben: integendeel, ik zou het als de natuurlijkste zaak ter wereld
beschouwd hebben. Ja, al was Neptunus, Neptunus in eigen persoon,
bij me binnengekomen met een gebraden haai aan zijn drietand, ik
zou die gebeurtenis beschouwd hebben als een der meest alledaagsche
voorvallen des levens.

Eens--eens vond ik me zelf op dek. Ik weet nog niet hoe, of wat
voor geest me bezielde om daar naar toe te gaan, maar dat ik er was,
dat weet ik; en ik was van top tot teen gekleed ook, met een langen
pijekker aan, en met zoo'n paar laarzen als een zwak man ooit in
zijn hersens zou krijgen om aan te trekken. Ik vond me staande,
toen een flikkering van bewustheid over me kwam, en merkte dat ik me
ergens aan vasthield. Ik weet niet waaraan. Ik denk dat het aan de
bootsman geweest is, of aan de pomp, of misschien aan de koe. Hoelang
ik daar wel geweest was, òf een dag òf een minuut, dat kan ik ook
niet zeggen. Wel herinner ik me, dat ik mijn best deed om aan iets
te denken (aan iets in de geheele wijde wereld, onverschillig wat dan
ook,) doch 't wou maar niet vlotten. Ik kon maar niet uitmaken wat de
zee en wat de lucht was; want de horizont scheen wel dronken en vloog
als een razende Roeland her- en derwaarts. Edoch, hoe bewusteloos ik
ook was, herkende ik toch den treuzeligen heer, die voor me stond: op
zijn zeemans gekleed in een blauw duffels pak en met een zuidwester
op. Maar ik was al te onnoozel, ofschoon ik wist dat hij het was,
hem van zijn kleeding af te scheiden, en zoo herinner ik me dat
ik 't probeerde om hem loods te noemen. Na een tweeden aanval van
volslagen bewusteloosheid merkte ik, dat hij weg was, en herkende
eene andere gedaante in zijn plaats. Het was precies in mijn oog
of ze voor me heen zweefde en golfde alsof ze door een flikkerenden
spiegel weerkaatst werd; maar ik wist dat het de kapitein was, en zoo
sterk was de pleizierige indruk van zijn gezicht, dat ook ik mijn best
deed om te glimlachen: ja, waarachtig, ik deed toen mijn best om te
glimlachen. Ik zag aan zijn gebaren, dat hij het woord richtte tot mij;
dat hij er tegen mopperde, dat ik tot mijn knieën in 't water stond,
iets wat werkelijk het geval was, ofschoon ik natuurlijk niet weet
waarom. Ik probeerde hem te bedanken, maar kon niet. Alleen kon ik
naar mijn laarzen wijzen--of waar ik veronderstelde dat mijn laarzen
waren--en op een erbarmelijken toon zeggen: "kurken zolen," terwijl
ik ondertusschen, zoo heeft hij me naderhand verteld, mijn best deed
om in de plas te gaan zitten. Toen hij merkte, dat ik geheel en al
buiten westen, ja tijdelijk een krankzinnige was, had hij de goedheid
mij naar beneden te brengen.

Daar bleef ik tot ik aan de beterhand was. Telkens als men er bij
me op aandrong om iets te eten, voelde ik zoo'n geweldigen angst,
als alleen te vergelijken is bij den angst dien, naar men zegt, de
drenkeling moet ondervinden als hij van lieverlede weer bijkomt. Een
zeker heer aan boord had een aanbevelingsbrief aan mij van een
wederzijdschen vriend in Londen. Op den morgen toen wij dien geduchten
tegenwind kregen, stuurde hij dien met zijn kaartje naar beneden; en
lang liet het denkbeeld mij geen rust of duur, dat hij op zou wezen,
gezond en wel, en honderdmaal per dag in de verwachting leefde, dat
ik hem in het salon op zou komen zoeken. Ik stelde me hem voor als
een van die gegoten ijzeren beelden (menschen wil ik ze niet noemen)
die met roode aangezichten en vroolijke stemmen vragen, wat zeeziekte
eigenlijk toch inheeft, en of ze werkelijk zoo naar is als men ze
afschildert. Waarlijk dat bracht me niet onzacht op de pijnbank, en
ik geloof niet, dat ik ooit zoo'n volkomen zelfvoldoening smaakte,
ooit zoo innig dankbaar was, als toen ik van een scheepsdokter hoorde,
dat hij verplicht was geweest, een fiksche mosterdpap te leggen op
de maag van dezen zelfden heer. Ik dagteeken mijn herstel van de
ontvangst van dit bericht.

Ik twijfel er niet aan of dit mijn herstel werd, in den materieelen zin
des woords, niet weinig in de hand gewerkt door een hevigen wind, die
bij 't ondergaan der zon langzaam op kwam zetten, toen we zoo wat een
dag of tien onderweg waren; een wind die met trapsgewijze toenemende
woede tot 's morgens doorraasde, behalve dat hij een beetje voor
middernacht een uur lang ging liggen. In de onnatuurlijke rust van
dat weer, en in 't naderhand weer toenemende geweld van den storm,
lag iets zoo onbegrijpelijk akeligs en naars, dat, toen de wind op
zijn hevigst uit begon te barsten, dit bijna een verademing gaf.

Nooit zal ik vergeten hoe het schip gedurende dien nacht op de beroerde
wateren aan 't werken was. "Zal 't ooit wel erger kunnen worden dan
nu?" Ziedaar een vraag die ik dikwijls op had gevangen, als daar alles
om ons heen een leven maakte dat iemand hooren en zien verging, en het
zeker moeielijk scheen te begrijpen, hoe 't mogelijk was, dat iets,
dat eenmaal aan den gang was, meer kon doorgeschud worden zonder over
den kop te gaan, den kelder in. Maar onmogelijk voor de levendigste
verbeelding om te begrijpen wat de beroering is van een stoomschip op
een leelijken winternacht op den woesten Atlantischen oceaan. Als men
zegt, dat het op zijn eene zij in de golven is neergesmakt, dat zijn
masten er in duiken, en dat het, weer opspringend, naar den anderen
kant heenrolt, totdat eene geweldige stortzee met een oorverdoovend
gedruisch, alsof er honderd kanonnen tegelijk worden afgeschoten,
er tegen aan beukt en het terugslaat,--als men zegt, dat het nu eens
stil blijft liggen en wankelt en rilt, alsof het bedwelmd is, en dan
weer met een geweldige hartklopping vooruitschiet als een tot dolheid
geprikkeld monster, om zoo aanstonds door de verbolgene zee te worden
neergesmeten en gebeukt en gekneusd en besprongen,--als men zegt, dat
donder, bliksem, hagel, regen en wind allen hun uiterste best doen, om
de overhand te verkrijgen, en iedere plank haar gekreun, iedere spijker
zijn gil, en iedere druppel waters in den grooten oceaan zijn huilende
stem heeft,--als men dat alles zegt, zegt men nog niets. Kortom, als
men zegt, dat alles grootsch en alles schrikwekkend en geducht is in
den hoogsten graad, dan zegt men nog niets, niets. Woorden kunnen het
niet uitdrukken. Gedachten kunnen er niet bij. Alleen een droom kan
't weer oproepen in al zijn woede, razernij en heftigheid.

En toch, juist toen al deze verschrikkelijke dingen op hun ergst waren,
juist toen bevond ik me in een toestand zoo buitengewoon belachelijk,
dat ik van zijn ongerijmdheid een even duidelijk begrip had als ik
't nu heb, en dat ik mijn lachspieren evenmin in rust kon houden als
ik doen kan bij iedere andere grappige gebeurtenis, die een mensch
maar onder de gunstigste omstandigheden zou kunnen overkomen. Tegen
middernacht werden we onthaald op een stortzee, die zich met geweld
een weg baande door de lantarens, de bovendeur openduwde, en woedend
en bruisend in de dameskajuit te land kwam, tot onuitsprekelijke
ontsteltenis van mijn vrouw en eene kleine Schotsche dame, die, om dit
in 't voorbijgaan te doen opmerken, de voorzorg gebruikt had, om door
tusschenkomst van de hofmeesteres, een boodschap aan den kapitein te
sturen, en wel van dezen inhoud, dat zij hem vriendelijk liet groeten
en niet minder vriendelijk liet verzoeken om er toch vooral zorg voor
te willen dragen, dat er onmiddellijk een bliksemafleider geplaatst
zou worden op den top van iederen mast en op den schoorsteen, opdat
het schip niet door den bliksem mocht getroffen worden. Daar èn zij
èn de hierboven vermelde kamenier zoo door den schrik bevangen waren,
dat ik nauwelijks wist, wat ik met haar beginnen zou, viel 't me
natuurlijk in, om een of ander kalmeerend drankje voor haar klaar te
maken; en daar ik op dat oogenblik niets beters bij de hand had dan
heeten brandewijn en water, zoo maakte ik dan op staanden voet er een
beker tot aan den rand toe vol van klaar. Aangezien het onmogelijk was,
om te staan of te zitten zonder zich ergens aan vast te houden, lagen
ze allen bij elkaar op een hoop in een der hoeken van een canapé--een
ding dat over de lengte der kajuit aan den wand was vastgemaakt--waar
ze als klissen aan elkaar hingen, ieder oogenblik verwachtende dat
ze zouden verdrinken. Toen ik met mijn specifiek geneesmiddel aan
deze plaats kwam, en op 't punt stond om met allerlei vertroostende
uitdrukkingen aan de lijderes toe te dienen, die 't dichtst bij me was,
och, wat werd ik moedeloos toen ik zag, dat ze allemaal langzamerhand
naar den anderen kant heenrolden! En toen ik naar dien kant sukkelde
en het gauw nog eens voorhield, hoe vreeselijk werden mijn goede
bedoelingen alweer in 't aangezicht geslagen doordien het schip alweer
afviel en zij allemaal weer naar de andere zij rolden! Ik veronderstel,
dat ik, om zoo te zeggen, wel minstens een kwartier krijgertje met haar
speelde, zonder ze een enkelen keer te snappen; en toen ik ze eindelijk
en ten laatste snapte, was de brandewijn en water, waar gedurig wat
van weggeloopen was, zoo verminderd, dat het wel op een theelepeltje
kon. Om de groep volledig te maken, is 't noodig dat men zich in hem,
die zoo aardig krijgertje speelde, een doodsbleek individu voorstelle,
die zich te Liverpool voor 't laatst geschoren en 't haar uitgeborsteld
had, en wiens eenige kleedingstukken (linnengoed niet meegerekend) een
kaalversleten broek was, een blauw jacket, dat vroeger de bewondering
wegdroeg op de Theems te Richmond, geen kousen, en één pantoffel.

Van de beleedigende kuren, die het schip den volgenden morgen
uithaalde, waardoor het een bespotting werd om in bed te blijven,
en een onmogelijkheid om op eenige andere wijze op te staan dan door
er uit te tuimelen,--ook daar wil ik liefst het stilzwijgen over
bewaren. Maar nooit, nooit zag ik iets in mijn leven zoo allerakeligst
en naar, als wat mijn oogen ontmoetten, toen ik 's middags letterlijk
op dek tuimelde. De oceaan en de lucht waren van een sombere en
gelijke loodkleur. Zelfs over die vreeselijke wildernis die daar
voor onze oogen lag, kon men zijn blikken niet rond laten weiden,
want de zee stond hoog en de horizont omklemde ons als een groote
zwarte hoepel. Van boven uit de lucht of van den een of anderen
steilen kant aan den oever beschouwd, zal 't ongetwijfeld een even
indrukwekkend als ontzaginboezemend tooneel opgeleverd hebben; maar
van 't natte en heen en weer rollende dek gezien, maakte het alleen
dezen indruk, dat men er duizelig en onpleizierig van werd. Toen
't den vorigen nacht zoo hevig woei, was de reddingboot door één
slag der stortzee uit elkaar geslagen of 't een notedop was; zoo
hing ze daar als een bos losse planken in de lucht te bengelen. De
planken der raderkasten waren dwars door midden geslagen. De raderen
lagen open en bloot; zoodat het schuim her- en derwaarts over 't dek
spatte. De schoorsteen was wit van 't zout dat zich tot een korst had
vastgezet; de bramstengen waren kapot, de stormzeilen beschadigd; al
het want was kletsnat en zat geducht in de war; kortom, een akeliger
schouwspel zou men zich niet voor kunnen stellen.

Dank zij eener hoffelijke uitnoodiging, was ik nu zeer op mijn gemak in
de dameskajuit gevestigd, waar zich behalve ons zelven maar vier andere
passagiers bevonden. Vooreerst de hierboven vermelde kleine Schotsche
dame, wier bestemming New-York was, waar zij zich voor een jaar of
drie neergezet had. Ten tweede en ten derde een fatsoenlijk jonkman
uit Yorkshire die met een Amerikaansch huis in betrekking stond,
in diezelfde stad woonde, en er zijn mooie jonge vrouw heenbracht,
waar hij nog maar veertien dagen geleden mee getrouwd was; een jonge
vrouw zoo bevallig en schoon, dat ik me niet herinner, ooit schooner
en bevalliger onder de Engelsche meisjes uit de provincie te hebben
aangetroffen. Ten vierde en ten vijfde, of ten laatste, nog een paar,
ook onlangs getrouwd, althans te oordeelen naar de bij uitstek lieve
wijze waarop ze met elkaar, omgingen, een paar, waarvan ik alleen dit
weet, dat het een geheimzinnig paar was dat allerwaarschijnlijkst op
den loop was gegaan; dat ook deze jonge vrouw zich door persoonlijke
aantrekkelijkheid onderscheidde, en dat mijnheer meer geweren bij zich
had dan Robinson Crusoe; dat hij een jachtbuis aan had en twee groote
honden aan boord had. Nog valt me in, dat hij als geneesmiddel tegen
zeeziekte heet gebraden varkensvleesch en gebotteld ale probeerde,
en deze geneesmiddelen dag in dag uit (gewoonlijk in bed) met
verwonderlijke volharding gebruikte. Laat mij er, ter wille van hen
die nieuwsgierig naar den uitslag mochten zijn, bijvoegen, dat deze
geneesmiddelen volstrekt niet aan de verwachting beantwoordden.

Daar het weer bij voortduring en bijna voorbeeldeloos slecht bleef,
sukkelden we, min of meer zwak en akelig, gewoonlijk zoo wat een uur
voor den eten deze kajuit binnen, en gingen dan op sofa's liggen om
een beetje op ons verhaal te komen; in welken tusschentijd de kapitein
bij ons placht binnen te komen, om ons te zeggen hoe de wind was,
en dat hij de zedelijke zekerheid had, dat de wind morgen wel uit
een anderen hoek zou waaien (op zee zal het weer altijd morgen wel
beter zijn), dat het schip zooveel en zooveel knoopen per uur liep,
en wat dies meer zij. Waarnemingen waren er in 't geheel niet mee te
deelen, want er was geen zon te zien. Maar een beschrijving van één
dag moge voor al de overige gelden. Dies volge ze.

Als nu de kapitein weg is, maken we ons gereed om te lezen als 't
daartoe licht genoeg is, en zoo niet, dan gaan we beurtelings wat
dutten en praten. Om één uur gaat er een bel en komt de hofmeesteres
beneden met een dampenden schotel gebakken aardappelen en een
anderen schotel gebraden appelen, met schalen krabbetjes, koude ham
en pekelvleesch; of misschien met een rookenden schotel ongewoon heete
lapjes. Op al die lekkernijen vallen we aan, eten er zooveel mogelijk
van (we hebben nu ergen trek) en houden er ons zoo lang mogelijk
mee bezig. Als 't vuur wil branden (soms wil het), dan zijn we vrij
wel in onzen schik. Zoo niet, dan maken we elkaar de opmerking, dat
het erg koud is, wrijven in onze handen, bedekken ons met jassen en
mantels, en gaan weer liggen om te dutten en te praten en (op de zoo
even aangeduide voorwaarden) te lezen totdat het etenstijd is. Om vijf
uur luidt er nog een bel, en alweer verschijnt de hofmeesteres met nog
een schaal--ditmaal gekookte--aardappelen en een overvloed van allerlei
heete vleeschsoorten: om niet te vergeten het gebraden varkensvleesch,
voor geneeskundig gebruik. En weer gaan we aan tafel zitten (in ietwat
pleizieriger stemming dan den eersten keer), verlengen het maal met een
min of meer beschimmeld dessert van appelen, druiven en sinaasappelen,
drinken ouden wijn en brandewijn met water. De flesschen en glazen
staan nog op tafel, maar de sinaasappelen en zoo voorts rollen naar
verkiezing en naar den gang van 't schip; daar komt de dokter op
een bijzondere uitnoodiging beneden, om een avondje bij ons door te
brengen, en onmiddellijk na zijn komst spelen we een partij whist, en
daar 't dien avond ruw weertje is en de kaarten niet op 't tafelkleed
willen blijven liggen, zoo steekt ieder de slagen, die hij maakt,
in zijn zak. Met voorbeeldige deftigheid blijven we doorwhisten (met
uitzondering van een korten tijd dien we ons gunnen om thee te drinken
en wat geroosterd brood te nuttigen) tot elf uur of daaromtrent; daar
komt onze kapitein weer beneden, met een zuidwester op, die onder
zijn kin is vastgemaakt, en een pijekker aan,--den grond nat makende
overal waar hij maar staat. Nu scheidt men met kaartspelen uit, en weer
worden de flesschen en glazen op tafel gezet; en na een uur gezelligen
kout over 't schip en de passagiers, over koetjes en kalfjes, zet
de kapitein (die nooit naar bed gaat en nooit uit zijn humeur is)
den kraag van zijn jas weer op--want hij moet weer naar boven--schudt
iedereen de hand, en gaat lachend naar boven, hoe ongunstig het weer
ook zij, ja zoo vroolijk, als ging hij naar een verjaarpartij.

Wat dagelijksche nieuwtjes betreft, o daar is geen gebrek aan. Van
dezen passagier vertelt men, dat hij gister in het salon veertien
pond verloren heeft met Vingt-et-un; en van dien passagier vertelt
men, dat hij dagelijks zijn flesch champagne leeg drinkt; en hoe hij
dat doet (want 't is maar een kantoorbediende), dat weet niemand. De
eerste machinist heeft duidelijk gezegd, dat er nooit zulke tijden
waren--hij bedoelt er het weer mee--en vier goeie handen zijn ziek
en hebben 't op moeten geven om nog langer te werken. Verscheiden
hutten staan vol water en al de kajuiten zijn lek. De kok, die
beschadigde whiskey wat al te druk in 't geniep heeft toegesproken,
is dronken gevonden en heeft nu kennis gemaakt met de brandspuit,
totdat hij weer nuchter was. Al de hofmeesters zijn herhaaldelijk,
als 't etenstijd was, van de trappen gevallen en loopen er nu bij
met pleisters op verschillende plaatsen van hun lichaam. De bakker
is ziek, de banketbakker insgelijks. Een nieuweling, die vreeselijk
ongesteld is, is gerequireerd geworden om de plaats te vervullen van
laatstgenoemden beambte en is met een hoop leege vaten in een klein
huisje op 't dek gebarricadeerd geworden met order om pasteikorst uit
te rollen, waartegen hij aanvoert (hij heeft, moet men weten, erg veel
last van de gal) dat het zijn dood is om er naar te kijken. En dan
zou men altemet durven vragen of er nieuws was aan boord! Nieuws! Een
dozijn moorden aan wal zouden minder belang inboezemen dan deze
kinderachtige voorvalletjes op zee.

Onzen tijd tusschen onze "avondjes" en dergelijke ongevalletjes
verdeelende, liepen we, naar we meenden, den vijftienden avond
onder een labberkoelte en bij lichte maan de haven van Halifax
binnen--we waren inderdaad den vuurtoren al voorbij en hadden de
loodsen aan 't werk gesteld--daar stiet het schip op eens op een
modderbank. Natuurlijk was alles op dek terstond in rep en roer;
in een oogenblik stroomden allen naar de kanten van 't schip toe; en
gedurende een paar minuten verkeerden we in zoo'n staat van verwarring
als de grootste minnaar van wanorde maar zou kunnen begeeren. Daar
echter de passagiers en kanonnen, en watervaten en andere zware dingen,
naar achteren gestuwd werden, om 't schip van voren lichter te maken,
raakte het gauw weer vlot; en na een tijdlang naar een onpleizierige
streep van voorwerpen gedreven te zijn (waarvan de nabijheid ons
al heel gauw in ons ongeluk was aangekondigd geworden door een luid
geschreeuw van "Branding aan den boeg!") en nadat het dieplood hoe
langer hoe minder diepte van water aanwees, lieten we eindelijk het
anker vallen in een allervreemdsten hoek, die er zeer buitenlandsch
uitzag, en dien niemand aan boord kon herkennen, alhoewel er overal
land om ons heen was, en zelfs zoo dicht in onze nabijheid, dat we
de op- en neergaande takken der boomen duidelijk konden zien.

Waarlijk een vreemd schouwspel al die tronies te zien, waar de
verbazing zoo onbewimpeld op geteekend stond, toen men daar, in dat
stille uur van middernacht en bij de doodsche stilte, die in 't leven
scheen geroepen te zijn door 't even plotselinge als onverwachte
stilstaan van diezelfde machines, die zooveel dagen onophoudelijk
in onze ooren geklonken hadden: beginnende met de officieren, wier
verbazing als 't ware door al de passagiers heen liep en neerdaalde
tot op de machinisten en stokers incluis, die, een voor een, van
beneden op kwamen dagen, en bij de trap der machinekamer in een
rookerig groepje bij elkaar hokten en daar fluisterend met elkaar
stonden te praten. Nadat we een stuk of wat vuurpijlen opgelaten
en seinschoten gedaan hadden in de hoop van eenige assistentie van
land te zullen krijgen--waar echter taal noch teeken op volgde--werd
er besloten om een boot aan wal te sturen. 't Was aardig om aan te
zien hoe gedienstig sommige passagiers waren, om vrijwillig aan wal
te gaan met deze zelfde boot, natuurlijk ten algemeenen nutte, in de
verste verte niet omdat ze dachten, dat het met het schip niet recht
pluis was, of de mogelijkheid vooruitzagen, dat het op zij zou kunnen
vallen, als 't begon te ebben. Niet minder vermakelijk was 't, om op
te merken, hoe vreeselijk onpopulair de arme loods in één oogenblik
werd. Hij was van Liverpool meegegaan, en gedurende de geheele reis
was hij niet weinig in tel geweest als iemand die de kunst verstond om
anekdotes aan den man te brengen, en uien te tappen. En kijk, dezelfde
personen die 't luidst om zijn aardigheden gelachen hadden, balden
nu de vuist in zijn gezicht, verwenschten hem tot in den afgrond,
en scholden hem uit voor al wat maar leelijk is.

Het duurde niet lang of de boot voer weg met een lantaren en
verschillende blauwe lichten aan boord; en in minder dan een uur
keerde ze terug; terwijl de commandeerende officier een nogal groot
jong boompje meebracht, dat hij met wortel en tak uit den grond
getrokken had, ter geruststelling van zekere wantrouwige passagiers,
die zich maar niet anders verbeeldden of ze waren bij den neus genomen
en zouden stellig schipbreuk lijden, en die op geen andere voorwaarden
wilden gelooven dat hij aan wal geweest was, en niet maar voor de leus
een beetje rond had geroeid in den mist, expres om hen om den tuin te
leiden en hun dood te beramen. Van den beginne af had onze kapitein
ingezien, dat we op een plaats moesten zijn, die de Oostelijke Passage
genoemd werd, en zoo was het ook. Wel is waar was het de laatste plaats
ter wereld, waar we iets hadden uit te voeren of de geringste reden
hadden om te wezen, maar een plotseling opgekomen mist of een kleine
vergissing van den loods waren er de oorzaak van. Wij waren omringd
van zandbanken en klippen en ondiepten van allerlei aard, maar toch,
naar 't scheen, gelukkig terecht gekomen op de eenige veilige plek,
die daar in de buurt te vinden was. En door dit verslag, en door
de verzekering dat de tijd van de eb voorbij was, meer op ons gemak
gekomen, gingen we om drie uur 's morgens weer naar beneden.

Den volgenden dag stond ik me tegen half negen aan te kleeden; daar
maakte de herrie boven, dat ik gauw naar 't dek vloog. Toen ik 't 's
nachts verlaten had, was 't donker, mistig en nat, en overal zagen we
witachtige heuvels om ons heen. Nu gleden we langs een effen, breeden
stroom, en legden elf mijlen per uur af. Vroolijk wapperde onze vlag;
ons scheepsvolk was zoo mooi mogelijk aangedirkt; onze officieren
weer in uniform; de zon scheen als op een schitterenden Aprildag in
Engeland; als met lichte moesjes van sneeuw bedekt, strekte zich het
land aan weerszijden uit; het volk stond aan hun deur; telegrafen
werkten; vlaggen opgeheschen; werven kwamen voor den dag; schepen;
kaaien die van menschen krioelden; geluid dat niet veraf kon zijn;
hoera's; mannen en jongens die de steenen glooiingen afliepen naar
't havenhoofd: en dat alles helderder en vroolijker en frisscher voor
onze, aan zoo'n schouwspel sinds zoo lang ongewone oogen, dan woorden
't zouden kunnen afschilderen. Wij kwamen aan een landingsplaats, die
als met aangapende tronies geplaveid scheen; gingen er aan den kant
liggen, en werden, na 't vieren en spannen van eenige kabeltouwen,
vastgemaakt; nauwelijks was de trap uitgestoken om ons te gemoet te
komen, of we vlogen er naar toe, voordat ze nog op 't schip lag,--en
zie, daar sprongen we weer op den vasten, veiligen grond!



Ik veronderstel, dat men dit Halifax ook zelfs dan als een Elysium zou
aangezien hebben, al was het een plaats geweest, die zich door haar
nare somberheid onderscheiden had. Maar ik nam een allerpleizierigsten
indruk mee zoowel van de stad als van haar inwoners, een indruk die
mij tot op dezen stond is bijgebleven. Het was dan ook niet zonder
leedwezen, dat ik thuis kwam zonder een gelegenheid te hebben gevonden,
om er nog eens aan te gaan, en nog eens de handen te schudden van hen,
wier vriend ik dien dag geworden was.



Toevallig was 't de opening van den Wetgevenden Raad en Algemeene
Vergadering, waarvan het ceremonieel zóó van A tot Z geleek op de
plechtigheden, die bij de opening eener nieuwe Parlementszitting
plaats vinden, en zoo stiptelijk werd in acht genomen, natuurlijk op
verkleinde schaal, dat het precies was alsof men Westminster door 't
verkeerde end van een verrekijker bekeek. Als vertegenwoordiger van
Hare Majesteit sprak de gouverneur dat uit wat men de Troonrede mag
noemen; en wat hij te zeggen had, dat zei hij mannelijk en fiksch. Het
militaire muziekkorps, dat buiten 't gebouw stond, speelde het "God
save the queen" met veel vuur, voordat Zijne Excellentie ternauwernood
gedaan had; het volk riep hoerrah!; die binnen waren, wreven in hun
handen; die buiten waren schudden hun hoofden; de regeeringspartij
zei, dat er nooit zoo'n goede redevoering werd gehouden; de oppositie
verklaarde, dat er nooit zoo'n slechte redevoering gehouden was;
de president en leden van 't Huis stapten op, om veel te wauwelen en
weinig uit te voeren; kortom alles liep daar van stapel, en beloofde
van stapel te loopen, precies als 't bij zulke gelegenheden bij ons
thuis gebeurt.

De stad is gebouwd aan den kant van een heuvel, waarvan het hoogste
punt beheerscht wordt door een sterk fort, dat nog niet geheel en
al af is. Verscheidene straten, die vrij breed zijn en er ook vrij
goed uitzien, loopen van dien top af tot aan den waterkant, en worden
door dwarsstraten doorsneden die parallel met de rivier loopen. De
huizen zijn grootendeels uit hout opgetrokken. De markt is overvloedig
voorzien; en de levensmiddelen zijn buitengewoon goedkoop. Daar het
weer toen ongewoon zacht voor 't seizoen was, werd er niet geard;
maar er waren tal van die voertuigen in tuinen en plaatsen, waarvan
sommige zoo prachtig opgetuigd waren, dat men ze, zooals ze daar
reilden en zeilden, gerust als zegekarren had kunnen gebruiken in
een melodrama in den schouwburg. Het was een dag uit honderden: de
lucht frisch en gezond; het geheele gezicht, dat de stad opleverde,
pleizierig, druk en bedrijvig.

We lagen daar zeven uur, om de brieven af te geven en mee te
nemen. Nadat eindelijk al onze bagage en al onze passagiers weer bijeen
waren (een stuk of drie uitgezochte geesten incluis, die de oesters
en champagne wat al te familiaar aangesproken hadden en derhalve als
lijken gevonden werden op hun rug in onbezochte straten), nadat nu,
zeg ik, alles en allen bijeen waren, werden de machines weer in
beweging gebracht, en stoomden we naar Boston.

Daar we alweer onstuimig weer troffen in de Fundy Baai, was het
dien geheelen nacht en den geheelen volgenden dag weer het oude doen:
tuimelen en rollen dat het een aard had. Den daarop volgenden namiddag,
dat is te zeggen op Zaterdag den twee en twintigsten Januari, kwam
ons een Amerikaansche loodsboot op zij, en spoedig daarna werd de
stoompacket van Liverpool, die achttien dagen onderweg was geweest,
naar Boston getelegrapheerd.

Met welk een belangstelling ik mijn oogen inspande, zoodra de eerste
stukken Amerikaanschen grond als molshoopen uit de groene zee oprezen,
en ze volgden, zooals ze, langzamerhand en schier onmerkbaar al grooter
en grooter wordende, één doorloopende kustlijn vormden, ziedaar iets
dat zich niet laat beschrijven. Een allerscherpste wind woei ons vlak
in 't gezicht; aan wal vroor het dat het kraakte, en vinnig was de
kou. Niettemin, de lucht was zoo helder en klaar, en daarbij zoo droog,
dat de temperatuur niet alleen dragelijk maar zelfs liefelijk was.

Hoe ik op dek bleef, altijd maar in de rondte kijkende totdat we aan
't dok kwamen, en hoe ik, al had ik zooveel oogen als Argus gehad,
die allen wagewijd opengezet en ze allen gebruikt zou hebben om nieuwe
voorwerpen op te nemen,--dat zijn altemaal van die koomenijspraatjes,
waarmee ik dit hoofdstuk niet noodeloos wil verlengen. Ook wil ik er
maar evenals in 't voorbijgaan gewag van maken, dat ik me namelijk
op zijn vreemdelings deerlijk vergiste, toen ik veronderstelde, dat
een troep allerbedrijvigste personen, die met levensgevaar tegen 't
boord opklauterden zoodra wij de kaai naderden, nieuwsboden waren,
van die mannen die aan die nijvere klasse van menschen bij ons
thuis beantwoordden; terwijl ze, ondanks de leeren brieventasschen
die sommigen hunner om den hals droegen en ondanks de breede
vellen in aller handen, uitgevers waren, die de schepen in eigen
persoon bezochten (als een zeker heer met een wollen bouffante om,
me meedeelde) omdat zij er van hielden, het zelf te ondervinden,
als er op die manier een beetje leven in de brouwerij kwam. Laat
me eenvoudig bij deze gelegenheid nog dit vertellen, dat een dezer
indringers, met een prompte hoffelijkheid waarvoor ik hem bij deze
mijn innigsten dank betuig, vooruit liep om kamers in 't logement te
bestellen; en dat toen ik hem volgde, wat ik gauw deed, ik merkte dat
ik de lange passages doorrolde met een onwillekeurige nabootsing van
den tred des heeren T. P. Cooke in een nieuw zee-melodrama.

"Een diner, als 't u belieft," zei ik tot den kellner.

"Wanneer?" zei de kellner.

"Zoo gauw mogelijk," zei ik.

"Rechtuit?" zei de kellner.

Na me een oogenblik te hebben bedacht, zei ik op goed geluk: "Neen."

"Niet rechtuit?" riep de kellner op zoo'n toon van verbazing, dat ik
er van ontstelde.

Ik keek hem vragend aan en herhaalde: "neen, ik wou 't liever in
mijn eentje gebruiken op deze kamer. Ik hou er nogal van, om alleen
te dineeren."

Hierop dacht ik werkelijk, dat de kellner buiten westen zou geraken,
iets wat, naar ik geloof, stellig zou gebeurd zijn, was hier geen ander
tusschen beide getreden, die hem in 't oor fluisterde: "dadelijk."

"Wel, dat spreekt vanzelf!" zei de kellner, mij medelijdend
aankijkende: "rechtuit."

Nu merkte ik, dat "rechtuit" en "dadelijk" woorden van één en dezelfde
beteekenis waren. Ik veranderde dan ook mijn voorafgaand antwoord, en
tien minuten later zat ik te dineeren; en 't was een kapitaal diner,
ja, dat mag gezegd worden.

Het logement (een zeer voortreffelijk logement, tusschen twee haakjes)
heet the Tremont House. Het heeft meer galerijen, colonades, piazza's
en passages dan ik mij herinneren kan en de lezer zou gelooven;
en is een beetje kleiner dan Bedford Square.



III.

BOSTON.


In al de openbare inrichtingen van Amerika heerscht de uiterste
hoffelijkheid. De meeste onzer departementen zijn in dit opzicht voor
aanmerkelijke verbetering vatbaar, maar het Tolkantoor vooral zou wèl
doen als het een voorbeeld nam aan de Vereenigde Staten en zich wat
minder hatelijk maakte jegens de vreemdelingen. De slaafsche roofzucht
der Fransche ambtenaren is verachtelijk genoeg; maar onder de onzen
heerscht een norsche, vlegelachtige onbeleefdheid, even stuitend voor
al de personen die in hun handen vallen, als onteerend voor de natie
die er zulke ongelikte beren op nahoudt, om de vreemdelingen aan haar
poorten af te grauwen.

Toen ik in Amerika aankwam, maakte dit contrast onwillekeurig den
sterksten indruk op me, en trof het me, zoo beleefd, zoo vriendelijk,
zoo innemend als de verschillende ambtenaren van 't Tolkantoor zich
van hun plicht kweten.

Aangezien we, ten gevolge van een of ander oponthoud aan de
landingsplaats, niet voor den donker te Boston aan land gingen,
ontving ik mijn eerste indrukken van de stad, toen ik den eersten
morgen na onze aankomst, die op een Zondag viel, naar 't Tolkantoor
kuierde. Ik durf niet zeggen, hoeveel schriftelijke aanbiedingen van
banken en stoelen ik wel ontving, om de godsdienstoefening bij te
wonen, voordat we nog maar half ons eerste diner in Amerika ophadden,
maar als 't mij vergund mocht zijn, dienaangaande een matige gissing
te maken, zonder 't nu daarom op een haar uit te rekenen, dan zou ik
zeggen, dat er ons ten minste zooveel zitplaatsen werden aangeboden,
dat een stuk of veertig volwassen huisgezinnen het er voorloopig mee
konden stellen. Het aantal geloofsbelijdenissen en religiën, die het
genoegen van ons bijzijn verzochten, was naar evenredigheid vrij groot.

Daar we wegens gebrek aan behoorlijke kleeren dien dag niet naar de
kerk konden gaan, waren we wel genoodzaakt, voor al die vriendelijke
aanbiedingen zonder onderscheid te bedanken, en moest ik tegen wil en
dank het genoegen derven om dr. Channing te hooren, die toevallig
dien morgen weer voor 't eerst na een zeer langen tusschentijd
zou preeken. Ik vermeld den naam van dezen gedistingeerden en
hoogst beschaafden man (met wien ik kort daarna het plezier had,
persoonlijk kennis te maken) opdat ik de zelfvoldoening moge smaken,
mijn nederige schatting van bewondering en eerbied op te brengen voor
zijn uitstekende talenten en voortreffelijk karakter, en voor de koene
menschlievendheid waarmee hij zich steeds heeft aangekant, tegen die
afzichtelijke vlek, die groote schande der menschheid: de slavernij.

Maar om weer naar Boston terug te keeren. Toen ik nu op dien
Zondagmorgen de straten opkuierde, was de lucht zoo helder, waren de
huizen zoo glunder en zoo vroolijk, waren de uithangborden met zulke
levendige kleuren geverfd; waren de vergulde letters zoo schitterend;
waren de baksteenen zoo rood, waren de gehouwen steenen zoo wit, waren
de blinden en balustraden zoo mooi groen, de knoppen en plaatjes aan de
straatdeuren zoo allerglinsterend; en was alles schijnbaar zoo licht en
luchtig, kortom zoo onstoffelijk,--dat het overal, waar men in de stad
passeerde, er precies als een tooneel uit een ballet uitzag. Zelden
gebeurt het in de winkelstraten, dat een winkelier, als ik 't mag
wagen om iemand een winkelier te noemen, waar ieder een koopman is,
boven zijn magazijn woont; zoodat er dikwijls verscheiden zaken in
een en 't zelfde huis gedreven worden, en de geheele voorgevel met
borden en opschriften bedekt is. Toen ik daar langs kuierde, hield
ik deze goed in 't oog, daar ik er stellig op rekende, dat ik ze nog
eens in iets zou zien veranderen; en nooit sloeg ik plotseling een
hoek om zonder dat ik naar den Clown en Pantalon omkeek, die zich,
o ik twijfelde er volstrekt niet aan, in een of ander portaal of
achter den een of anderen pilaar verscholen hadden, en heel dicht
bij de hand waren. Wat Harlekijn en Colombine betreft, ontdekte ik
onmiddellijk dat ze in een erg klein klokkenmakerswinkeltje van één
verdieping naast het logement woonden (in een ballet zien ze immers
altijd naar logies om); een winkeltje, waar, behalve dat de geheele
voorgevel vol van allerlei zinnebeelden en zinspreuken zat, een groote
zonnewijzer uitging--waar men wel doorheen kon springen, natuurlijk.

Zoo mogelijk zien de voorsteden er nog luchtiger, nog onstoffelijker
uit dan de stad zelve. De witte houten huizen (zoo wit, dat men er
onwillekeurig van knipoogt als men er naar kijkt) met hun groene
zonneschermen zijn zoo naar alle kanten verspreid, zonder dat ze
den geringsten wortel in den grond hebben; en de kleine kerken en
kapellen zijn zoo nufferig netjes en glunder, en zoo zwaar vernist,
dat ik bijna geloofde, dat alles, zooals 't daar reilde en zeilde,
als speelgoed van een kind uit elkaar genomen en in een doosje kon
gestopt worden.

Het is een mooie stad, en 't kan niet missen, zoo komt het mij althans
voor, of ze moet op alle vreemdelingen een gunstigen indruk maken. De
woonhuizen zijn meerendeels groot en sierlijk; de winkels buitengewoon
goed; en de openbare gebouwen fraai. Het State-house (het gebouw
waar de staten bijeenkomen) is gebouwd op den top van een heuvel,
die bijna van den waterkant af, eerst trapsgewijze, en daarna zeer
steil boven den grond uitsteekt. Van verre vindt men een groen veld,
de Common genaamd. De ligging is mooi, en van den top af gezien, levert
de geheele stad met haar omstreken een bekoorlijk panorama op. Behalve
tal van gemakkelijke kamers bevat het gebouw twee fraaie zalen, in een
waarvan het Huis der Vertegenwoordigers van den Staat, in de andere
de Senaat zijn zitting houdt. De zaken, die ik hier zag behandelen,
worden met onberispelijken ernst behandeld en met het grootste decorum,
en waren zeker wel berekend om aandacht en ontzag in te boezemen.

Er valt niet aan te twijfelen of de verstandelijke ontwikkeling en
meerderheid van Boston is te danken aan den krachtdadigen invloed
der hoogeschool van Cambridge, die maar een mijl of vier van de
stad afligt. De hoogleeraren dier universiteit zijn geleerde en
veelzijdig begaafde heeren; ja zijn, zonder dat ik een enkele
uitzondering zou weten op te noemen, van die mannen welke iedere
maatschappij in de beschaafde wereld tot sieraad en tot eer zouden
verstrekken. Verscheidene deftige burgers, die in Boston en in de
omstreken wonen, en ik geloof, dat ik hier zonder vrees voor vergissing
gerust mag bijvoegen, de meesten van hen die daar aan de een of
andere fatsoenlijke betrekking verbonden zijn, hebben op deze zelfde
school hun opvoeding genoten. Welke de gebreken van Amerikaansche
hoogescholen ook mogen zijn, ze verspreiden geen vooroordeelen;
fokken geen domperianen of fiemelaars; laten er zich niet mee in om
de begraven asch van oude bijgeloovigheden op te delven; steken nooit
een staak tusschen het volk en zijn vooruitgang; sluiten niemand om
zijn godsdienstige meeningen uit; en toonen vooral, uit hun geheelen
cursus van studie en onderwijs, dat zij een wereld erkennen, en een
wijde wijde wereld ook, die buiten de muren der college-zalen ligt.

Het was me een bron van onuitsprekelijk genoegen, de bijna onmerkbare,
maar niettemin zekere uitwerking na te gaan, die deze inrichting op de
smalle gemeente van Boston uitoefende; en telkens en telkens weer te
bespeuren hoe die inrichting den smaak en de begeerten veredeld had,
hoe door haar de innigste vriendschap ontstaan was, wat al ijdelheid
en vooroordeel zij uit den weg geruimd had. Het gouden kalf, dat
men in Boston aanbidt, is een dwerg, vergeleken bij de reusachtige
kalverenbeelden, die opgericht zijn in andere deelen van dat groote
handelskantoor, dat daar aan gindsche zij van den Atlantischen Oceaan
ligt, en de almachtige dollar verzinkt tot iets, dat vergelijkenderwijs
onbeduidend mag heeten, onder een geheel Pantheon van betere goden.

Ik geloof dan ook in alle oprechtheid des harten, dat de openbare
inrichtingen van liefdadigheid in deze hoofdplaats van Massachusetts
der volmaaktheid zoo nabij komen als wijsheid, welwillendheid
en menschelijkheid, in haar hoogsten graad van ontwikkeling,
zulke instellingen zou kunnen maken. Nooit in mijn leven trof me de
aanschouwing van geluk, onder omstandigheden van ontbering en ellende,
in die mate als toen ik deze instellingen bezocht.

Het eigenaardige en aantrekkelijke van al dergelijke inrichtingen in
Amerika is, dat de Staat ze òf geheel en al onderhoudt òf bijspringt,
en dat zij (bijaldien ze noch het een noch het ander noodig hebben)
in allen gevalle één lijn trekken met den Staat en zoo in den vollen
nadruk des woords volksinstellingen mogen heeten. Met het oog op
't beginsel en zijn strekking om 't karakter der arbeidende klassen
te verheffen of neer te drukken, ben ik overtuigd dat een openbare
instelling van liefdadigheid oneindig beter is dan een bijzonder
gesticht, met welke rijke fondsen dit laatste ook begiftigd moge
zijn. In ons eigen land, waar 't eerst in den laatsten tijd in
den smaak der besturen is gevallen, om meer dan gewoonlijk acht
te slaan op de groote massa der bevolking of haar bestaan als
voor verbetering vatbare schepsels te erkennen, zijn particuliere
instellingen van liefdadigheid ontstaan, die, zonder voorbeeld in
de geschiedenis der aarde, onder de ellendigen en bedroefden onzer
maatschappij onberekenbaar veel goeds hebben gesticht. Maar aangezien
het burgerlijk bestuur er part noch deel aan heeft, zoo ontvangt het
ook niet het geringste deel der dankbaarheid, die zulke inrichtingen
noodzakelijkerwijze moeten inboezemen; en aangezien het al bitter
weinig bescherming of hulp verleent buiten 't geen van dien aard in
't werkhuis en de gevangenis wordt aangetroffen, zoo is het alles
behalve onnatuurlijk, dat het in 't burgerlijk bestuur eer een streng
meester ziet, die klaarstaat om te kastijden en te straffen, dan een
vriendelijk beschermer, die goedertieren is en waakzaam in het uur
van nood.

De grondstelling dat uit het kwade het goede geboren wordt, wordt ten
sterkste bevestigd door deze inrichtingen thuis, gelijk de verslagen
van 't Prerogatieve Office in Doctors' Commons (college van civilians
of rechtsgeleerden in Londen) in overvloed uit kunnen wijzen. De
een of andere schatrijke oude heer of dame, die dik in behoeftige
bloedverwanten zit, maakt, volgens een matige berekening, iedere
week een nieuw testament. De oude heer of dame, die nooit, zelfs
niet in den besten tijd des levens, bijzonder uitblonk op 't punt
van goedigheid en scheutigheid, is nu van top tot teen vol kwalen en
pijnen; vol inbeeldingen en grillen; vol zwaarmoedigheid, wantrouwen,
achterdocht en landerigheid. Oude testamenten te vernietigen en nieuwe
te verzinnen, is eindelijk en ten laatste de eenige bezigheid van
zoo'n erflater of erflaatster; en bloedverwanten en vrienden (waarvan
sommige klaarblijkelijk zijn grootgebracht geworden om een groot
deel der nalatenschap te erven, en, met het oog daarop, van de wieg
af opzettelijk verleerd hebben om zich op de een of andere nuttige
zaak toe te leggen), deze nu zijn zoo dikwijls en zoo onverwachts
en zoo kort maar bondig van de lijst geschrapt, en er weer opgezet,
en er weer van geschrapt, dat de geheele familie, tot den versten
achterneef toe, bij voortduring in een koortsachtigen toestand wordt
gehouden. Eindelijk wordt het duidelijk dat de oude dame of heer niet
lang meer zal leven; en hoe duidelijker dit wordt, des te duidelijker
bespeurt de oude dame of heer, dat iedereen tegen hun armen ouden
stervenden bloedverwant samenspant; weshalve de oude dame of heer
een anderen laatsten wil maakt--ditmaal stellig den laatsten--dien
in een chineesch porseleinen trekpot wegmoffelt en den volgenden dag
sterft. Dan komt het uit, dat de geheele nalatenschap verdeeld is
onder een half dozijn liefdadige inrichtingen; en dat de overledene
en opgestapte erflater of erflaatster louter uit spijtigheid heel wat
goeds in de hand gewerkt heeft, en dat ten koste van een onmetelijk
bedrag van lagen hartstocht en ellende.

Het Blinden-Instituut te Boston of zooals de officieele titel luidt
"the Perkins Institution and Massachusetts Asylum for the Blind,"
wordt bestuurd door een college van commissarissen die daaromtrent
jaarlijks een verslag uitbrengen aan de corporatie. De behoeftige
blinden van dien Staat worden kosteloos opgenomen. De blinden uit den
naburigen Staat Connecticut, of uit de Staten Maine, Vermont of New
Hampshire, worden alleen toegelaten onder borgstelling van den Staat,
waar zij respectievelijk toe behooren, of, bij gebrek daarvan, dienen
hun vrienden zekerheid te geven aan 't gesticht voor de betaling van
ongeveer twintig pond voor de verpleging en 't onderwijs van 't eerste
jaar, en tien pond voor 't tweede jaar. "Na het eerste jaar," zeggen
de commissarissen, "zal er met iederen pupil een rekening-courant
geopend worden; hij zal gedebiteerd worden voor de kosten zijner
verpleging die een bedrag van twee dollars per week niet zullen te
boven gaan"--ongeveer vijf gulden--"en gecrediteerd zal hij worden
voor 't bedrag dat de Staat of zijne vrienden voor hem betaald hebben;
ook voor hetgeen hij meer verdient dan zijn kostgeld bedraagt, zoodat
al wat hij meer verdient dan één dollar per week, voor hem zelf zal
zijn. Met het derde jaar zal 't bekend zijn of zijn verdiensten meer
bedragen dan 't kostgeld voor zijn verpleging; zoo ja, dan zal 't aan
hem staan, om te blijven en zijn loon te ontvangen, al dan niet. Zij,
die niet in staat blijken te zijn, om de kosten van hun onderhoud te
bedruipen, mogen niet langer blijven; daar 't niet wenschelijk is, de
inrichting in een soort van aalmoezeniershuis te veranderen of andere
dan werkbijen in den korf te houden. Zij, die wegens lichaamsgebreken
of zwakte der zielsvermogens niet werken kunnen, kunnen dan ook geen
leden zijn van een nijvere vereeniging; en kunnen beter verzorgd
worden in gestichten die voor zwakken en zieken opgericht zijn."

Op een zeer mooien wintermorgen ging ik deze plaats opzoeken; ik had
een Italiaanschen hemel boven mij en de lucht was aan alle kanten zoo
helder en klaar, dat zelfs mijn oogen, die niet van de beste zijn,
de kleinste lijnen van afgelegen gebouwen heel goed onderscheiden
konden. Gelijk de meeste andere openbare inrichtingen in Amerika
van dezelfde soort staat ook het Blinden-Instituut een mijl of twee
buiten de stad op een even liefelijke als gezonde plek, en is een
luchtig, ruim en mooi gebouw. Het is gebouwd op een hoogte, die
de haven beheerscht. Toen ik een oogenblik aan de deur stil bleef
staan en merkte hoe frisch en vrij het geheele tooneel was--wat
glinsterende bellen er op de golven tintelden en ieder oogenblik naar
de oppervlakte opborrelden alsof de wereld daar beneden evenals die
daarboven schitterde van 't zonnelicht en de volheid van haar glans
uitstortte,--toen ik, van 't eene zeil naar 't andere kijkende,
ten laatste een schip op zee gewaar werd, een klein wit glinsterend
stipje, het eenige wolkje aan 't stille, diepe en ver zich uitstrekkend
azuur,--en, me omdraaiend, een blinden jongen zag, die zijn gezicht
naar dien kant keerde alsof hij eenig gevoel in zich had van die
heerlijke ruimte,--toen gevoelde ik een soort van smart, dat de plaats
zoo bijzonder licht moest zijn, en rees er een vreemde wensch bij me
op, dat ze om zijnentwille donkerder mocht wezen. Natuurlijk was dat
maar een kortstondige opwelling en louter verbeelding, maar niettemin
gevoelde ik 't diep, o zoo diep.

De kinderen waren aan hun dagelijksche bezigheden in verschillende
kamers, behalve een stuk of wat, die al vrijaf hadden en nu
speelden. Hier draagt men niet eenerlei kleeding zooals in vele
inrichtingen; en om twee redenen was ik daar zeer blij om. Ten eerste,
omdat ik zeker ben dat niets dan onzinnige sleur en gedachteloosheid
ons verzoenen kan met de livreien en kenteekenen, waar we thuis zoo
dol veel van houden. Ten tweede, omdat de bezoeker bij ontstentenis
van deze dingen ieder kind in zijn of haar eigen karakter met zijn of
haar ongeschonden individualiteit kan zien, zonder dat dit karakter
verloren gaat in een sombere, leelijke, eentonige herhaling van 't
zelfde nietsbeteekenende kleedingstuk, iets dat werkelijk een zaak
van hoog gewicht is. De wijsheid om, wat hun voorkomen betreft, zelfs
onder de blinden een beetje onschuldige fierheid aan te moedigen,
of de grillige ongerijmdheid om, gelijk wij, Engelschen, doen,
liefdadigheid en een leeren broek als onafscheidelijke metgezellen
te beschouwen, ziedaar iets dat geen Commentaar van noode heeft.

In iederen hoek van 't gebouw heerschte orde, zindelijkheid en
gemak. De verschillende klassen, die om hun meesters heenstonden,
beantwoordden de hun gedane vragen vlug en met nadenken, terwijl de
aardige wijze waarop ieder zijn best deed, om 't van zijn buurman te
winnen, mij recht veel pleizier deed. Zij, die aan 't spelen waren,
waren opgeruimd en maakten evenveel leven als andere kinderen. Er
scheen veel meer wezenlijke en innige vriendschap onder hen te bestaan,
dan men gewoonlijk onder andere jonge menschen aantreft die geen
gebrek kennen; maar dit verwachtte ik en was daarop voorbereid. Dat
behoort ook al tot het groote raadsbesluit van 's Hemels genadige
zorg voor de ongelukkigen dezer wereld.

In een opzettelijk daarvoor ingericht gedeelte van 't gebouw zijn
werkplaatsen voor blinden, wier opvoeding afgeloopen is en die een
ambacht geleerd hebben, maar het wegens hun organisch gebrek in een
gewonen winkel niet voort kunnen zetten. Hier waren verscheidene
personen aan den gang; ze maakten borstels, matrassen en zoo voorts;
en de vroolijke stemming, bedrijvigheid en orde, die in elk ander
gedeelte van 't gebouw vielen op te merken, ze heerschten ook in
dit departement.

Zoodra er een bengel luidde, begaven al de kweekelingen zich zonder
eenigen gids of leidsman naar een ruime muziekzaal, waar ze in
een voor dat doel opgericht orchest plaats namen, en met kennelijk
genoegen naar een fantasie op 't orgel luisterden, die door een der
hunnen gespeeld werd. Toen dat stuk uit was, werd de uitvoerder, een
jongen van een jaar of twintig, door een meisje vervangen, en door
haar geaccompagneerd zongen zij allen een gezang, en daarna een soort
van koor. Men werd er naar van hen te zien en te hooren, al waren zij
in hun toestand ontegenzeglijk gelukkig; en ik zag dan een zeker blind
meisje (ten gevolge eener ziekte voor 't oogenblik van 't gebruik van
hare ledematen beroofd) vlak naast mij zat met haar gezicht naar hen
toegekeerd, en in stilte schreide terwijl zij luisterde.

Het is vreemd, de gelaatstrekken der blinden waar te nemen en dan
te zien hoe onbewimpeld hun gedachten zich daarop afteekenen;
een waarneming, naar aanleiding waarvan een man met oogen wel
blozen mag over 't masker dat hij draagt. Daargelaten een zweem
van verlegenheid, waar hun voorkomen nooit vrij van is, en die,
we mogen dit gerust veronderstellen, ook uit onze eigen gezichten
spreekt als we probeeren om onzen weg in den donker te gaan voelen,
dat nu daargelaten, wordt elk denkbeeld, zooals het bij hen oprijst,
met de snelheid des lichts en de waarheid der natuur uitgedrukt. Als
het gezelschap op een partij of receptie ten hove maar voor eenigen
tijd even onbewust was van de oogen, die op hen gevestigd zijn als
blinde mannen en vrouwen, wat al geheimen zouden er uitkomen, en wat
een bewerker van huichelarij zou dit gezicht, waarvan wij het gemis
zoozeer betreuren, schijnen te wezen!

Die gedachte schoot me te binnen, toen ik in een andere kamer voor
een blind doofstom meisje zat, dat buitendien beroofd was van 't
zintuig van den reuk, en, wat daarmee zoo nauw in verband staat, van
't zintuig van den smaak: een mooi, jong schepseltje van teeren bouw,
waarin elk menschelijk vermogen en hoop en kracht der goedheid en der
liefde gehuisvest was, doch met slechts één zintuig, één uitwendig
zintuig toegerust--het zintuig van 't gevoel. Daar zag ik ze voor me,
als 't ware gebouwd in een marmeren cel waar geen enkele lichtstraal en
niet het geringste geluid in door kon dringen; met haar magere witte
hand door een spleet in den muur heengestoken, den een of anderen
menschlievenden mensch om hulp wenkende, dat die een Onsterfelijke
ziel mocht wakker maken.

Lang voordat ik naar haar keek, was die hulp gekomen. Haar gezicht
straalde van verstand en genoegen. Door haar eigen hand gevlochten,
was heur haar opgebonden rondom een hoofd, waarvan de verstandelijke
kracht en ontwikkeling op zoo schoone wijze door de gelaatstrekken en
de breede open wenkbrauwen werd uitgedrukt; door haar zelve in orde
gebracht, was hare kleeding een model van netheid en eenvoud; haar
breiwerk lag naast haar; haar schrijfboek op den lessenaar waar ze
op leunde.--Uit den treurigen bouwval van haar rampzalig bestaan was
van lieverlede dit lieve, teedere, arglooze, dankbare wezen verrezen.

Evenals andere bewoners van dat huis, droeg zij een groen lint om
haar oogleden gebonden. Een pop, die zij aangekleed had, lag naast
haar op den vloer. Ik nam die pop op, en zag dat ze een groen lint,
zooals zij zelve droeg, gemaakt en dat voor de nagebootste oogen der
pop gebonden had.

In een kleine afgesloten ruimte, die door schoollessenaars en banken
gemaakt was, zat zij haar dagboek te schrijven. Maar zij maakte
dit werk gauw af en trad in een levendige gebarenwisseling met een
onderwijzeres die naast haar zat. Deze was een lieveling van 't arme
kind. Ik ben er zeker van, dat als zij het gezicht van haar schoone
onderwijzeres had kunnen zien, zij haar niet minder lief zou hebben.

Ik heb eenige losse fragmenten van haar geschiedenis uit een verslag
getrokken, dat geschreven was door dienzelfden man die haar gemaakt
heeft tot wat zij is. Het is een zeer mooi en treffend verhaal,
en ik wenschte dat ik het geheel en al mee kon deelen.

Haar naam is Laura Bridgman. "Ze was den een en twintigsten December
1829 te Hanover, New-Hampshire, geboren. Volgens de beschrijving
moet ze een allerlevendigst en lief kind geweest zijn met heldere
blauwe oogen. Tot aan den leeftijd van anderhalf jaar was ze echter
zoo tenger en zwak, dat haar ouders maar een flauwe hoop hadden,
haar te behouden. Zij leed aan geweldige toevallen, die boven haar
krachten schenen te gaan, en zooals men zegt, hing haar leven aan
een zijden draadje, maar toen ze anderhalf jaar oud was, scheen zij
er bovenop te komen; de gevaarlijke verschijnselen verminderden,
en toen ze twintig maanden oud was, was ze volmaakt wel.

"Snel ontwikkelden zich toen hare zielsvermogens, die tot dusverre in
hun groei tegengehouden waren; en als we het bericht eener moeder,
die dol veel van haar kind hield, mogen gelooven, dan legde zij
gedurende de vier maanden gezondheid, die zij genoot, een hooge mate
van bevattelijkheid aan den dag.

"Maar plotseling werd ze weer ziek; vijf weken lang woedde haar
ziekte allergeweldigst, haar oogen en ooren werden ontstoken, en
veretterden geheel en al. Maar ofschoon zij èn gezicht èn gehoor voor
altijd kwijt was, was het lijden van 't arme kind daarom nog niet
gedaan. Zeven weken lang woedde de koorts; vijf maanden lang moest
ze te bed blijven in een donker gemaakte kamer; een jaar verliep
er voordat ze zonder steun kon loopen, en twee jaar voordat ze den
geheelen dag op kon zitten. Nu kwam men tot de treurige ontdekking,
dat haar reukorgaan bijna geheel en al vernietigd, en bijgevolg haar
smaak erg verstompt was.

"Niet voor haar vierde jaar scheen de lichamelijke gezondheid van 't
arme kind hersteld te zijn, en eerst toen was ze in staat om iets van
't leven en de wereld te leeren kennen.

"Maar in wat voor toestand bevond zij zich! Om haar heen de duisternis
en de stilte, van 't graf; geen moederlijke glimlach lokte een glimlach
op haar gezicht, geen vaderlijke stem leerde haar, om zijn klanken na
te bootsten;--haar broers en zusters waren niet anders dan voorwerpen
die zij kon aanraken; nu ja, maar die overigens alleen in zoover van
de meubelstukken thuis verschilden, dat zij warm waren en zich konden
bewegen; en zelfs in dit tweeërlei opzicht waren ze voor haar niet
van den hond en de kat te onderscheiden.

"Maar de onsterfelijke geest, die haar ingeplant was, kon niet sterven,
noch bedorven of verminkt worden; en ofschoon de meeste zijner
toegangen van gemeenschap met de wereld waren afgesneden, begon hij
zich door de anderen te openbaren. Zoodra zij kon loopen, begon ze de
kamer te onderzoeken; daarna het huis; ze werd gemeenzaam met den vorm,
den omvang, het gewicht, en den warmtegraad van ieder voorwerp, waar
ze haar handen maar op leggen kon. Zij volgde haar moeder en voelde
haar handen en armen, als die met haar huiswerk in de weer was; en
haar neiging om na te bootsen spoorde haar aan, om alles zelve nog
eens over te doen. Ze leerde zelfs een beetje naaien en breien.

"Ik zal den lezer evenwel niet opzettelijk behoeven te doen opmerken,
dat de gelegenheden, om gemeenschap met haar te oefenen, zeer, zeer
beperkt waren; en dat het niet lang duurde, of de zedelijke gevolgen
van haar rampzaligen toestand kwamen voor den dag. Zij, die langs
den zedelijken weg niet verlicht kunnen worden, kunnen alleen door
geweld worden geleid; een omstandigheid die, gepaard met haar groote
ontberingen, haar spoedig in een toestand zou gebracht hebben nog
erger dan die van beesten, ware het niet, dat er bijtijds onverwachte
hulp op kwam dagen.

"Toen der tijd was ik zoo gelukkig van 't kind te hooren, en vertrok
onmiddellijk naar Hanover om 't op te zoeken. Ik vond haar met
een welgevormd uiterlijk; een sterk geteekend, nerveus-sanguinisch
temperament, een breed en schoon gevormd hoofd en 't geheele systeem
in gezonde actie. Het kostte mij niet veel moeite de ouders over te
halen, om hun toestemming te geven, dat het kind te Boston zou komen,
en den 4 October 1837 brachten zij het naar 't Instituut.

"Gedurende eenigen tijd was zij allesbehalve op haar gemak, en nadat
men een paar weken gewacht had, in welken tusschentijd zij met haar
nieuw verblijf bekend werd gemaakt, en ook met de overige bewoners
ietwat gemeenzaam was geworden, probeerde men, haar op de hoogte
te brengen van willekeurige teekens, waarmee zij van gedachte kon
wisselen met anderen.

"Van tweeën één: òf men kon in dit geval een teekentaal bouwen op
den grondslag van de natuurlijke taal die zij zelve al begonnen
had, òf men kon haar de algemeen in gebruik zijnde willekeurige
taal leeren. Met andere woorden: men kon haar òf een teeken geven
voor ieder afzonderlijk voorwerp, òf kennis van letters met behulp
waarvan zij haar denkbeeld van 't bestaan, en de wijze van bestaan,
onverschillig van welk voorwerp, uit zou kunnen drukken. De eerste
methode zou gemakkelijk geweest zijn maar zeer weinig aan 't doel
beantwoord hebben; de tweede scheen zeer moeilijk, maar, eenmaal
voltooid, alleszins doeltreffend. Ik besloot derhalve, hier den
laatsten weg in te slaan.

"De eerste proeven werden genomen met voorwerpen van algemeen gebruik,
zooals messen, vorken, lepels, sleutels enz., waar men een soort van
etiquette op vastplakte met den naam in zoogenaamd opgelegd schrift
er op. Dit schrift bevoelde ze zeer attent, en ze merkte natuurlijk
al heel spoedig, dat de kromme lijnen of teekenen van 't woord lepel
evenveel van die van 't woord sleutel verschilden als de lepel in
vorm verschilde van den sleutel.

"Toen werden haar kleine losse etiquetten. met dezelfde woorden er op
gedrukt, in handen gegeven en merkte ze al heel gauw, dat ze gelijk
waren aan die, welke men op de voorwerpen geplakt had. Dat zij deze
gelijkheid ontdekte, toonde ze hierdoor, dat ze de etiquette sleutel
op den sleutel legde, en de etiquette lepel op den lepel. Hier werd
zij aangemoedigd door 't natuurlijk teeken van goedkeuring, door haar
namelijk op 't hoofd te tikken.

"Hetzelfde werd toen gedaan met al de voorwerpen die zij hanteeren
kon; en zeer gemakkelijk leerde zij er de etiquetten op leggen die er
bij behoorden. Het lag evenwel voor de hand, dat de verstandelijke
oefening niet verder reikte dan tot nabootsen en onthouden. Zoo
herinnerde zij zich dat de etiquette boek op een boek gelegd was, en
herhaalde de handeling eerst uit nabootsing, daarna uit het geheugen,
met geen andere drangredenen dan dat ze graag een pluimpje kreeg,
maar kennelijk zonder zich zelve eenigermate bewust te zijn van
't verband tusschen de dingen.

"Na een poos werden haar in plaats van etiquetten de afzonderlijke
letters gegeven op losse reepjes papier: men legde ze naast elkaar,
dat ze het woord boek, sleutel enz. spellen kon; dan werden die letters
door elkaar geschud en gaf men haar een teeken, dat zij ze zelven zoo
moest rangschikken, dat ze de woorden boek, sleutel enz. uitdrukten,
wat zij dan ook deed.

"Tot nogtoe was alles werktuigelijk gegaan en de uitslag zoo wat even
groot als dat men een vluggen hond een massa kunstjes leert. Het arme
kind had er in stomme verbazing bij gezeten en al wat haar onderwijzer
deed geduldig nagebootst: maar nu begon een flikkering van 't licht der
waarheid in haar ziel door te dringen, nu begon, met andere woorden,
haar verstand te werken: zij bemerkte, dat hier een weg was, langs
welken zij zich een teeken kon maken van elk voorwerp dat in haar
eigen ziel was, en dit aan een andere ziel kon toonen: en zie, op eens
werd haar gezicht door een menschelijke uitdrukking verlicht: niet
langer was 't een hond of papegaai: het was een onsterfelijke geest,
die zich met vurig verlangen vastklemde aan een nieuwe schakel van
vereeniging met andere geesten! Ik kon bijna het oogenblik waarnemen
waarop deze waarheid voor haar ziel aanbrak en haar licht over haar
volkomen verspreidde: ik zag, dat wij nu de grootste zwarigheid te
boven waren en er voortaan slechts geduld en volharding vereischt
werd om volkomen te slagen.

"De tot hiertoe verkregen uitkomst is gauw verteld en kan gemakkelijk
worden nagegaan; maar niet alzoo de gang van zaken zelf; want
verscheidene weken verliepen er, dat men schijnbaar tevergeefs gearbeid
had, voor en aleer men het gewenschte doel bereikte.

"Toen we zoo even van een teeken gewaagden, dat gemaakt werd,
wilden we daarmee dit zeggen, dat de handeling door haar onderwijzer
verricht werd, terwijl zij zijn handen bevoelde en vervolgens de
beweging nadeed.

"De volgende stap bestond hierin, dat men zich een stel metalen
stiften verschafte met de verschillende letters van 't alphabet aan
't end; ook een bord met vierkante gaatjes, waar zij de stiften in
kon zetten, zoodat zij alleen de einden daarvan met de letters boven
de oppervlakte voelen kon.

"Wanneer men haar nu een of ander voorwerp ter hand stelde, bij
voorbeeld een potlood of een horloge, dan moest zij de letters
uitzoeken die er het woord van uitmaakten, welke letters zij dan op
haar bord rangschikte en met blijkbaar genoegen las.

"Ettelijke weken had zij al op deze wijze les gekregen, totdat ze
al vrij wat woorden beethad; en toen ging men tot den gewichtigen
stap over, om haar te leeren hoe zij de verschillende letters met
haar vingers kon maken, in plaats van den omslachtigen toestel van
't bord en de drukletters. Zij leerde dit spoedig en gemakkelijk,
want haar verstand begon reeds haar onderwijzer in de hand te werken.

"Dit was het tijdstip, omstreeks drie maanden nadat ze begonnen
was, dat het eerste verslag van haar geval in werd geleverd, waarin
geconstateerd wordt, dat ""zij nu het hand-alphabet geleerd heeft,
gelijk dit in gebruik is bij de doofstommen, en het even pleizierig
als verwonderlijk is om te zien hoe gauw, nauwkeurig en vlijtig zij
met haar werk vordert. Haar onderwijzer geeft haar een nieuw voorwerp,
bij voorbeeld een potlood; laat haar dit eerst onderzoeken en zich een
denkbeeld vormen van 't gebruik dat daarvan gemaakt wordt, leert haar
dan hoe het gespeld moet worden door haar met haar eigen vingers de
letters voor te doen: het kind grijpt haar hand en voelt hare vingers
zooals de verschillende letters gevormd zijn; ze draait haar hoofd een
beetje naar een kant, gelijk iemand pleegt te doen die attent luistert;
haar lippen staan van elkaar; ze schijnt nauwelijks adem te halen;
en teekent haar gezicht eerst verlegenheid, trapsgewijze neemt dit
een lachenden trek aan, zoodra zij maar alles begrijpt. Dan houdt zij
haar dunne vingers op en speld het woord volgens 't hand-alphabet;
daarna neemt ze haar stiften en rangschikt haar letters; en om nu
aan te toonen dat zij zich niet vergist, neemt ze al de drukletters
die het woord samenstellen, en zet ze op of brengt ze in aanraking
met het potlood of wat het voorwerp ook moge zijn.""

"Het volgende jaar werd geheel en al besteed met het voldoen van haar
vurige begeerte om de namen te kennen van ieder voorwerp dat zij maar
met mogelijkheid hanteeren kon, terwijl men tevens niet verzuimde,
haar in 't gebruik van 't hand-alphabet te oefenen, en op alle
mogelijke wijze haar kennis van 't natuurlijk verband der dingen uit
te breiden. Ook werd er bijzonder veel zorg aan haar gezondheid gewijd.

"Aan 't einde des jaars werd er een verslag van 't geval opgemaakt,
waarvan het volgende een uittreksel is.

"Met een zekerheid, die de mogelijkheid van twijfel uitsluit,
heeft men waargenomen, dat zij geen zweem van licht kan zien, geen
geluid, hoe zwak dan ook, kan hooren, en dat ze nooit haar reukorgaan
gebruikt, gesteld dat zij er een heeft. Bijgevolg woont haar ziel in
duisternis en stilheid, even diep als die waarin een gesloten graf
in 't middernachtelijk uur verkeert. Van schoone gezichten, en zoete
tonen, en liefelijke geuren heeft zij geen begrip; dit neemt niet weg,
dat ze even gelukkig en dartel schijnt als een vogel of een lam; en het
gebruik harer zielsvermogens of de verkrijging van een nieuw denkbeeld
verschaft haar een levendig vermaak, dat dadelijk uit haar sprekende
gelaatstrekken valt op te maken. Nooit schijnt ze misnoegd te wezen,
maar ze heeft al de onbezorgdheid en vroolijkheid der kinderlijke
jaren. Ze houdt dol veel van gekheid, en speelt ze met de overige
kinderen, dan klinkt haar schrille lach boven allen uit.

"Is ze alleen, dan schijnt ze zeer gelukkig, als ze maar haar brei- of
naaiwerk bij de hand heeft, en zal zich daarmee uren lang bezig houden;
heeft ze geen bepaalde bezigheid, dan vermaakt ze zich klaarblijkelijk
door denkbeeldige samenspraken of voorbijgaande indrukken voor den
geest terug te roepen; zij rekent met haar vingers of spelt namen van
dingen die zij onlangs geleerd heeft, natuurlijk in 't hand-alphabet
der doofstommen. Bij deze eenzame gemeenschapsoefening met haar zelve
schijnt ze te redeneeren, te overwegen en te redekavelen; spelt ze
met de vingers harer rechterhand een woord verkeerd, op staanden voet
krijgt die hand met de linker een tik, precies als haar onderwijzer
doet, wanneer die zijn afkeuring over een of ander wil te kennen geven;
heeft ze daarentegen het woord goed gespeld, dan tikt ze zich op 't
hoofd en ziet er vergenoegd uit. Soms spelt ze een woord opzettelijk
verkeerd met de linkerhand, ziet er een oogenblik guitig uit en lacht,
en slaat dan oudergewoonte de rechter- met de linkerhand, als om ze
te verbeteren.

"In den loop des jaars is zij zeer vlug geworden in 't gebruik van
't hand-alphabet; en zoo gauw en vlug spelt ze de haar bekende woorden
en spreuken, dat alleen zij, die aan deze taal gewoon zijn, de snelle
bewegingen harer vingers kunnen volgen.

"Maar mag de snelheid, waarmee zij haar gedachten als 't ware op
de lucht schrijft, verwonderlijk heeten, nog verwonderlijker is
de gemakkelijkheid en nauwkeurigheid waarmee zij de woorden leest,
die op dezelfde wijze door een ander zijn geschreven, door namelijk
hun handen in de hare vast te houden, en iedere beweging hunner
vingers te volgen, zooals de eene letter na de andere hun bedoeling
aan haar geest vertolkt. Op die manier spreekt ze met haar blinde
speelkameraden, en niets kan de kracht der ziel, om de stof aan
zich dienstbaar te maken, krachtdadiger openbaren dan een ontmoeting
tusschen zulke wezens. Want worden er reeds groot talent en vlugheid
in twee pantomimisten vereischt, om hun gedachten en gevoelens door
de bewegingen des lichaams en de uitdrukking van 't gezicht af te
schilderen, hoeveel grooter is niet de moeielijkheid als beiden om zoo
te zeggen in duisternis gehuld zijn, en de een geen geluid kan hooren!

"Als Laura met de handen voor zich uit een gang doorgaat, dan kent
ze oogenblikkelijk ieder dien ze tegenkomt, en gaat hen met een
teeken dat zij ze herkent voorbij: maar is 't een meisje van haar
eigen leeftijd en in 't bijzonder iemand waar ze veel van houdt,
dan legt ze die herkenning in dezer voege aan den dag: ten eerste
speelt er dadelijk een lieve glimlach om haar mond, dan drukt ze haar
vriendinnetje in haar armen of grijpt haar handen, en gauw gaan haar
tengere vingers aan 't telegrapheeren, en worden door dat snelwerkende
middel de gedachten en gevoelens van de buitenposten der eene ziel
naar die der andere overgebracht. Het zijn vragen en antwoorden,
wisselingen van vreugd of smart, het is een kussen en afscheidnemen
precies zooals dit tusschen kleine kinderen, die het gebruik hunner
vijf zintuigen hebben, plaats vindt.

"In den loop van dit jaar--ze was toen zes maanden buitenshuis
geweest--kwam haar moeder haar een bezoek brengen; de wijze, waarop de
ontmoeting tusschen moeder en kind in 't werk ging, leverde inderdaad
een belangwekkend tooneel op.

"Een tijdlang stond de moeder met oogen, waaruit een stroom van tranen
vloeide, haar ongelukkig kind aan te kijken, dat, ten eenenmale
onbewust van haar tegenwoordigheid, in de kamer speelde. Daar liep
Laura tegen haar aan en begon op eens haar handen te bevoelen en
haar kleeding te onderzoeken; kortom men kon 't haar aanzien, dat
zij haar best deed om uit te vinden of ze haar ook kende; maar dit
gelukte haar niet, maar nu keerde zij zich als van een vreemde van
haar af, en de arme vrouw kon de bittere smart niet onderdrukken die
zij gevoelde bij de ontdekking dat haar lieveling haar niet kende.

"Toen gaf zij Laura een snoer kralen, dat zij thuis placht te dragen;
op eens herkende het kind dat; met groote blijdschap sloeg zij het
om haar hals en zocht mij driftig op, om mij te zeggen, dat zij wel
begreep dat het van huis kwam.

"Nu wou de moeder haar liefkoozen; maar de arme Laura wou daar niets
van weten; zij duwde haar moeder weg en gaf niet onduidelijk te
verstaan, dat zij liever bij haar makkertjes was.

"Hierop werd haar een ander voorwerp van huis gegeven, en nu begon
ze ietwat meer belangstelling aan den dag te leggen. Zoo onderzocht
zij de vreemdeling nauwkeuriger en gaf mij te verstaan, dat zij wist
dat ze van Hanover kwam; ja zelfs liet ze nu haar liefkoozingen toe,
doch met dien verstande dat zij haar op 't geringste sein onverschillig
weer in den steek liet. De droefheid der moeder was nu waarlijk akelig
om aan te zien; want ofschoon zij er wel bang voor geweest was, dat
zij niet herkend zou worden,--de pijnlijke werkelijkheid, dat zij
door een aangebeden kind met koude onverschilligheid behandeld werd,
ze was te veel voor de vrouwelijke natuur om te dragen.

"Na een poos--de moeder, moet men weten, hield haar kind weer
vast--scheen een onbepaald denkbeeld voor Laura's ziel te flikkeren,
dat dit toch geen vreemdeling kon zijn; vandaar dat zij nu haar
handen meer onstuimig bevoelde, terwijl heel haar uiterlijk een
uitdrukking van diepe belangstelling aannam; ze werd erg bleek,
en dan plotseling rood; de hoop scheen met twijfel en angst te
worstelen, en nooit waren tegenstrijdige aandoeningen sterker op
een menschelijk gezicht afgeteekend. Op dit oogenblik van pijnlijke
onzekerheid trok de moeder haar dicht aan haar zij, en kuste haar
hartstochtelijk... daar ging op eens een licht op voor 't kind, en
zie, alle wantrouwen en angst verdween van haar gezicht, en zich
met eene uitdrukking van hooggestemde blijdschap aan den boezem
van haar naastbestaande vastklemmende, was zij het nu zelve die de
hartstochtelijke omhelzingen als 't ware uitlokte.

"Na deze heuglijke ontdekking nam ze geen notitie meer van haar kralen;
ook naar 't speelgoed, dat men haar gegeven had, keek ze niet meer om;
haar speelmakkertjes, voor wie zij nog een oogenblik geleden blijmoedig
de vreemdeling verliet, deden nu tevergeefs hun best om haar van
haar moeder af te troonen; en ofschoon zij oudergewoonte onmiddellijk
gehoorzaamde aan 't sein dat ik haar gaf, om mij te volgen, deed zij
't ditmaal met klaarblijkelijken tegenzin. Alsof ze verlegen en bang
was geweest, zoo drukte zij zich tegen haar aan; en toen ik haar een
oogenblik daarna weer bij haar moeder bracht, sprong zij haar in de
armen en drukte zich met onstuimige blijdschap tegen haar aan.

"De wijze waarop zij vervolgens afscheid van elkaar namen, toonde
meteen de hartelijkheid, het verstand en de vastberadenheid van
't kind.

"Laura ging met haar moeder mee tot aan de deur, en drukte zich den
geheelen weg over tegen haar zij aan, totdat zij aan den drempel
kwamen. Zoodra zij de moeder van 't gesticht bemerkte, van wie zij
dol veel houdt, greep zij haar met de eene hand, terwijl zij met de
andere haar moeder zenuwachtig vasthield; en zoo stond zij daar een
oogenblik; toen liet zij haar moeders hand los, bracht haar zakdoek
voor haar oogen, draaide zich om, en drukte zich snikkend tegen de
moeder van 't gesticht aan, terwijl haar moeder vertrok, even diep
ontroerd als haar kind.



"In vorige verslagen is er gewag van gemaakt, dat zij verschillende
graden van verstand in anderen weet te onderscheiden, en dat het niet
lang duurde of ze behandelde een nieuweling bijna met verachting toen
zij na een dag of acht ontdekte hoe zwak van verstand deze was. Deze
onbeminnelijke zij van haar karakter heeft zich in den loop van
verleden jaar sterker ontwikkeld.

"Zoo koos zij die kinderen tot haar vriendinnen en kameraden die
verstandig zijn en 't best met haar kunnen praten; en duidelijk blijkt
het, dat zij er een hekel aan heeft, om met minder ontwikkelden om
te gaan tenzij ze--ja waarlijk zoo bestaat ze!--de zoodanigen kan
utiliseeren, iets waar ze klaarblijkelijk alles behalve vies van
is. Zij profiteert van hen, en laat zich door hen bedienen op een
manier als ze maar al te goed weet, dat ze van anderen niet gedaan
zou kunnen krijgen; kortom op allerhande wijze verraadt ze haar
Saksisch bloed.

"Het doet haar genoegen, als andere kinderen opgemerkt en geliefkoosd
worden door de onderwijzers en door hen, waar zij ontzag voor heeft,
maar dit mag niet over den kerfstok loopen of ze wordt jaloersch. Zij
verlangt haar deel te hebben,--een deel, dat, zoo al niet het
leeuwendeel, in allen gevalle het grootste deel is, en krijgt zij
dat niet, dan zegt ze: "Mijn moeder zal me liefhebben."

"De zucht tot nabootsing is in haar zoo sterk, dat ze haar tot daden
verleidt, die haar zelve ten eenenmale onbegrijpelijk moeten zijn, en
haar dan ook geen ander genoegen kunnen verschaffen, dan het voldoen
van een innerlijken aandrang. Zoo heeft men haar een half uur lang
zien tellen met een boek voor hare van 't gezichtsvermogen beroofde
oogen; dan bewoog zij haar lippen gelijk ze dat van ziende menschen
gemerkt had, wanneer die lezen.

"Op zekeren dag beweerde zij, dat haar pop ziek was; al de bewegingen
deed zij na, die men gewoonlijk doet, als men een zieke oppast en
een drankje ingeeft; daarna legde zij haar pop voorzichtig te bed,
zorgde voor een flesch met heet water aan haar voeten, en lachte al
dien tijd dat het schaterde. Toen ik thuis kwam, liet ze mij geen
rust, of ik moest de zieke eens op gaan. zoeken en haar pols voelen;
en toen ik haar zei, dat men de patiënt een spaansche vlieg op den
rug moest leggen, scheen zij erg in haar schik te wezen, en gilde
het uit van de pret.

"Zij heeft een sterk gemeenschapsgevoel; trouwens, haar affectiën zijn
over 't algemeen sterk, zeer sterk. Zit ze bij voorbeeld naast een
harer vriendinnetjes te werken of te leeren, ieder oogenblik breekt
ze haar taak af, om zoo'n vriendinnetje te omhelzen en te kussen,
en dat zoo teer, zoo vurig, dat men er van ontroert als men 't ziet.

"Is ze alleen, dan houdt ze zich bezig en schijnt, wel verre van zich
te vervelen, integendeel erg in haar schik, en zoo sterk schijnt de
natuurlijke trek, om althans den schijn aan te nemen van te spreken,
dat ze in de vingertaal zelfs een alleenspraak houdt, hoe langzaam en
vervelend dit ook moge zijn. Maar alleen dan, wanneer ze in haar eentje
is, is ze bedaard, want merkt ze, dat iemand in haar nabijheid is,
dan heeft ze rust noch duur, totdat ze dicht naast hen kan zitten, hun
hand vast kan houden, en door middel van teekens met hen spreken kan.

"Wat haar verstand betreft, is het niet onaardig, een onverzadigbaren
dorst naar kennis, en een vlug begrip van de verhouding der dingen bij
haar op te merken, en wat haar zedelijk karakter aangaat, biedt het
waarlijk een schoon schouwspel aan, haar bestendige blijmoedigheid,
haar levenslust, haar ruimhartige liefde, haar gul vertrouwen, haar
medelijdend gevoel, haar nauwgezetheid, haar waarheidlievendheid en
hoopvol vertrouwen gade te slaan."



Ziedaar eenige fragmenten uit de eenvoudige maar hoogst belangrijke
en leerrijke geschiedenis van Laura Bridgman. De naam van haar grooten
weldoener en vriend, die ze schrijft, is Dr. Howe. Ik hoop en geloof,
dat er niet veel personen zijn, die, na het lezen van dit uittreksel,
dien naam ooit met onverschilligheid kunnen hooren.

Sinds het verslag, waar ik zoo even een en ander uit aangehaald heb,
heeft Dr. Howe een vervolg daarop uitgegeven. Daarin vindt men de
beschrijving hoe zij gedurende de volgende twaalf maanden naar
't verstandelijke is vooruitgegaan,--een beschrijving die haar
kleine geschiedenis tot aan het einde van verleden jaar omvat. Het
is zeer opmerkelijk, dat, evenals wij in onzen droom spreken en
denkbeeldige gesprekken voeren, waarin wij èn voor ons zelven èn voor
de schimmen spreken die ons in de nachtelijke visioenen verschijnen,
zoo ook zij, die over geen woorden kan beschikken, in haar slaap haar
vinger-alphabet gebruikt. En men heeft het nagegaan, dat, als ze een
onrustigen nacht doorbrengt en zwaar droomt, zij haar gedachten op
een onregelmatige en verwarde wijze op haar vingers uitdrukt, precies
zooals wij ze onder gelijke omstandigheden onduidelijk zouden mompelen!

Ik bladerde haar Dagboek door en bevond dat het met een mooie,
leesbare, vaste hand geschreven was, en uitgedrukt in woorden, die
men zonder eenige verklaring heel goed kon verstaan. Toen ik mijn
verlangen te kennen gaf, haar nog eens te zien schrijven, verzocht de
onderwijzer, die naast haar zat, haar in hun taal om een keer of drie
haar naam op een stukje papier te zetten. Bij die gelegenheid merkte
ik, dat zij onder 't schrijven altijd met haar linkerhand de rechter,
waarmee zij natuurlijk de pen vasthield, aanraakte en volgde. Geen
regel stond oneffen of scheef, maar ze schreef recht en los.

Tot nogtoe had zij er niets van gemerkt of er bezoekers waren of niet;
maar nauwelijks had zij haar hand in die van den mij vergezellenden
heer gelegd, of onmiddellijk drukte zij diens naam op den palm van
haar hand uit. Het zintuig van haar gevoel is nu dan ook zoo fijn,
dat, als zij maar eens met iemand in aanraking geweest is, zij hem
of haar herkent, 't komt er bijna niet op aan, hoelang er sinds dien
tijd verloopen is. Zoo geloof ik, dat deze heer maar zelden in haar
gezelschap geweest is; haar zeker in ettelijke maanden niet gezien
heeft. Mijn hand duwde zij dadelijk terug, gelijk zij dat met iedere
hand doet, die haar onbekend is. Maar mijn vrouws hand hield zij met
kennelijk pleizier vast, kuste haar, en onderzocht haar kleeding met
de nieuwsgierigheid en belangstelling van een meisje.

Zij was opgeruimd en vroolijk, en legde in haar omgang met haar
onderwijzer veel onschuldige dartelheid aan den dag. Was men er altemet
getuige van, hoe blij zij was bij de herkenning van een harer geliefde
makkertjes--ook een blind meisje--die stilletjes en op haar beurt
niet minder in haar schik over de verrassing, naast haar ging zitten,
o! zoo'n tooneel zou men niet licht vergeten. Evenals dit bij andere
onbeduidende gelegenheden een keer of drie in den loop van mijn bezoek
plaats vond, ontlokte haar dit een rauw geluid, dat vrij onaangenaam
was voor 't gehoor. Maar raakte haar onderwijzeres haar lippen aan,
dan hield zij onmiddellijk op, en omhelsde haar lachend en hartelijk.

Te voren was ik in een andere kamer geweest, waar tal van blinde
jongens aan 't klauteren en schommelen waren of zich met andere
spelletjes vermaakten, Toen wij binnenkwamen riepen zij allen
den ondermeester, die met ons meeging, toe: "Kijk'reis naar mij,
meester Hart! Och toe, meester Hart! Kijk'reis naar mij!" Ik denk,
dat ze zelfs hiermee een angstig verlangen, dat hun toestand eigen is,
wilden te kennen geven, dat de kleine bewijzen hunner vlugheid toch
gezien mochten worden. Onder hen bevond zich een kleine schalk van 'n
jongen, die zich op zijn eigen houtje met een gymnastische oefening
onledig hield, waarbij zijn armen en borst in 't spel waren; iets
waar hij veel pret in had, vooral als hij, bij het uitsteken van zijn
rechterarm, deze in aanraking bracht met een anderen jongen. Evenals
Laura Bridgman, was dit jonge kind doofstom en blind.

Dr. Howe's verslag van 't eerste onderwijs van dezen kweekeling is
zoo aandoenlijk en staat zoo innig in verband met Laura zelve, dat
ik de verzoeking niet weerstaan kan, ook daar een beknopt uittreksel
van mee te deelen. Vooraf moet ik zeggen, dat de arme jongen Olivier
Caswell heet; dat hij dertien jaar is, en tot op den leeftijd van
drie jaar en vier maanden in 't volle bezit van al zijn vermogens
was. Toen werd hij door de scharlakenkoorts aangetast en wel met
het vreeselijke gevolg, dat hij in vier weken doof, en een week of
wat daarna blind, en in zes maanden stom werd. Zijn leedgevoel over
't gemis van 't laatstvermelde zintuig legde hij hierdoor aan den dag,
dat hij dikwijls de lippen van andere personen bevoelde als zij aan 't
spreken waren, en dan zijn hand aan zijn eigen lippen bracht, als om er
zich van te vergewissen, dat ze ook bij hem op de rechte plaats zaten.

"Zijn dorst naar kennis," zegt Dr. Howe, "openbaarde zich zoodra hij in
't huis kwam, door zijn oplettend onderzoek van ieder voorwerp dat hij
in zijn nieuwe woning maar kon voelen of ruiken. Als hij bij voorbeeld
op den rand van een fornuis trapte, dan bleef hij dadelijk stilstaan
en begon het te bevoelen, en dan duurde het niet lang of hij ontdekte
de wijze waarop de bovenste plaat op de onderste bewoog; maar dit
was hem niet genoeg; vandaar dat hij op zijn gezicht ging liggen,
en zijn tong eerst op de eene plaat legde en dan op de andere, en
zoodoende tot de ontdekking scheen te komen, dat ze van verschillende
soorten metaal waren.

"Zijn teekens waren sprekend en de strikt natuurlijke taal, bij
voorbeeld het lachen, schreeuwen, zuchten, kussen, omhelzen en wat
dies meer zij, liet niets te wenschen over.

"Enkele van de analogische teekens die hij, geleerd door zijn vermogen
van nabootsing, bedacht had, waren begrijpelijk, bij voorbeeld de
op en neer gaande beweging zijner hand, om een boot na te doen,
de draaiende beweging van een wiel, enz.

"Het eerste, waar ik mijn werk van maakte, was, het gebruik dier
teekens op te doen houden en ze door louter willekeurige te vervangen.

"Gebruik makende van de ondervinding, die ik in de andere gevallen
op had gedaan, liet ik verscheiden onderdeelen der vroeger gevolgde
methode na, en begon dadelijk met de vingerspraak. Ik nam daarom
verscheidene voorwerpen, die korte namen hebben, zooals sleutel,
[1] kop, kroes enz., en met Laura tot medehelpster ging ik zitten,
nam zijn hand, legde die op een dier voorwerpen en maakte dan met mijn
eigen hand de letters sleutel. Driftig bevoelde hij mijn handen met de
zijnen, en daar ik de beweging herhaalde, probeerde hij het, naar men
zien kon, om insgelijks de beweging mijner vingers na te bootsen. In
een minuut of wat gelukte het hem, die beweging met zijn eene hand
te voelen, en de andere uitstekende, probeerde hij om ze na te doen,
het uitproestende van lachen als hem dit gelukte. Laura was daarbij
tegenwoordig en nam er zelfs zooveel deel in, dat ze er zenuwachtig van
werd. Die twee kinderen leverden inderdaad een zonderling schouwspel
op: haar gezicht was hoogrood en teekende gejaagdheid, en zoo dicht
waren hare vingers tusschen de onzen gestoken, dat zij er elke beweging
van volgen kon, zonder ze echter in de beweging te hinderen, terwijl
Olivier er opmerkzaam bij stond, met zijn hoofd een beetje op zij,
zijn gezicht omhoog, zijn linkerhand in de mijne en met de rechterhand
uitgestoken. Bij iedere beweging mijner vingers teekende zijn gezicht
de uiterste aandacht; angstige verlegenheid sprak er uit wanneer hij
die bewegingen ten uitvoer legde; meende hij het echter te kunnen doen,
dan kwam er steelsgewijze een glimlach voor den dag, maar zoodra hij
er geheel en al in geslaagd was en voelde dat ik op zijn hoofd tikte
en Laura hem hartelijk op zijn rug sloeg en in haar blijdschap maar
niets anders deed dan op en neer springen, dan, dan barstte hij in
een schaterlach uit.

"Hij leerde meer dan een half dozijn letters in een half uur en scheen
in zijn schik over de vorderingen die hij maakte, ten minste over
de pluimpjes die ik hem gaf. Dan begon zijn aandacht te verflauwen,
waarop ik met hem spelen ging. Het was duidelijk, dat hij bij dat
alles tot dusverre alleen de beweging mijner vingers nagebootst en
zijn hand op den sleutel, het kopje als anderzins, wat ook bij de
les behoorde, gelegd had, zonder het geringste begrip van 't verband
tusschen het teeken en het voorwerp zelf.

"Toen hij het spelen moe was, nam ik hem weer aan tafel, en op staanden
voet was hij gereed om weer aan 't nabootsen te gaan. Het duurde
niet lang of hij leerde de letters voor sleutel, pen, pin maken;
en daar ik zorgde, dat het voorwerp zelf gedurig in zijn hand kwam,
merkte hij ten laatste het verband, dat ik tusschen teeken en voorwerp
wenschte vast te stellen. Dat bleek hieruit, dat, als ik de letters
pin of pen of kop of sleutel maakte, hij aan 't uitzoeken ging van
't daarop betrekking hebbende voorwerp.

"Het besef van dit verband ging niet vergezeld van die schitterende
flikkering van verstand en dien gloed van blijdschap, waardoor zich
het heerlijk oogenblik onderscheidde toen Laura voor 't eerst deze
ontdekking deed. Toen legde ik al de voorwerpen op de tafel, en mij een
beetje met de kinderen verwijderde, plaatste ik Olivier's vingers in de
verschillende positiën om sleutel te spellen, waarop Laura heenging en
het voorwerp bracht: dit scheen de kleine jongen erg prettig te vinden,
althans hij was toen zeer aandachtig en glimlachte. Ik liet hem toen
de letters brood maken, en in een wip ging Laura weer heen en bracht
hem een stuk: hij rook er aan; bracht het aan zijn lippen; richtte
zijn hoofd met een veelbeteekend gebaar op; scheen een oogenblik na
te denken, en begon toen luidkeels te lachen alsof hij wou zeggen:
"Zoo, zoo! nu begrijp ik wat die letters eigenlijk beteekenen."

"Nu was het duidelijk, dat hij èn leeren kon èn leeren wou, met andere
woorden dat hij de geschiktheid, de vatbaarheid bezat, om onderwijs
te ontvangen, en er van zijn kant niets anders dan volhardende
opmerkzaamheid vereischt werd. Vandaar dan ook dat ik hem aan een
kundig onderwijzer toevertrouwde, volstrekt niet twijfelende of hij
zou wel snelle vorderingen maken.



Wel mag deze heer dat een heerlijk oogenblik noemen, toen daar een
uitzicht op haar tegenwoordigen toestand, hoe verwijderd toen ter
tijd dan ook, voor 't eerst de verdonkerde ziel van Laura Bridgman
bestraalde. Zoolang als hij leeft, zal de herinnering aan dat oogenblik
hem een bron zijn van rein, onverstoorbaar geluk; ja zelfs dan wanneer
de avond van zijn edel, nuttig leven aangebroken is, zal diezelfde
herinnering hem niet minder helder bestralen.

De genegenheid, die tusschen deze twee--de onderwijzer en de
leerling--bestaat, is even ver van alle gewone etiquette en ontzag
verwijderd als de omstandigheden, onder welke ze ontstaan en gevoed is,
onderscheiden zijn van de alledaagsche gebeurtenissen des levens. Hij
peinst nu over middelen om haar hooger kennis mee te deelen, en haar
zoodoende eenig denkbeeld te geven van den grooten Schepper van dat
heelal, waar zij zich, hoe donker en stil en reukeloos het voor haar
ook moge zijn, zoo diep en zoo hartelijk in verlustigt.

Gij die oogen hebt en niet ziet, en ooren hebt en niet hoort, gij
die als de huichelaars uw gezichten mismaakt om voor de menschen den
schijn aan te nemen alsof gij vast; leert gij gezonde vroolijkheid en
zachtaardige tevredenheid van deze doofstomme en blinde! Heiligen van
eigen fabrikaat met uw sombere gelaatstrekken, dit kind dat niet zien
en niet hooren en niet spreken kan, het zal u lessen kunnen geven die
gij wel zult doen van op te volgen. Laat haar arm handje zachtjens op
uw harten liggen; want wie weet of er in die heelende aanraking niet
iets ligt dat gelijkt op de aanraking van den Grooten Meester wiens
voorschriften gij verdraait, wiens lessen gij verknoeit, van wiens
liefde en medegevoel met de geheele wereld niet een onder u in zijn
dagelijksch leven zooveel af weet als verscheidene van de slechtsten
onder die gevallen zondaars, tegenover wie gij alleen scheutig zijt
met uw prediking van hel en verdoemenis!



Toen ik opstond om de kamer te verlaten, vloog een allerliefst
kind van een der oppassers naar binnen om zijn vader goedendag te
zeggen. Op dit oogenblik maakte een kind met oogen, onder al die van
't gezicht beroofden, bijna een even pijnlijken indruk op me als de
blinde jongen in 't portaal gedaan had, twee uur geleden. O! hoeveel
helderder en dieper blauw, hoeveel schitterender en rijker dan 't
te voren geweest was, was het schouwspel daarbuiten in tegenstelling
met de duisternis van zoo menig jeugdig leven daarbinnen!



Te Zuid-Boston gelijk het genoemd wordt, vindt men verscheidene
gestichten van liefdadigheid dicht bijeen, waarvan de
inrichting volkomen aan 't doel beantwoordt. Een daarvan is het
krankzinnigen-gesticht van den Staat, dat op bewonderenswaardige wijze
bestuurd wordt volgens die verlichte beginselen van zachtmoedigheid
en vriendelijkheid, welke voor twintig jaar erger dan kettersch
zouden geweest zijn, doch thans met zoo'n gelukkig gevolg in
ons eigen armen-gesticht te Hanwell in toepassing gebracht zijn
geworden. "Openbaar een begeerte om zelfs in krankzinnigen eenig
vertrouwen te stellen," zei de dokter, die in 't gesticht woont,
toen wij de galerijen doorgingen en de patiënten zich vrijelijk om
ons heen bewogen. Van degenen die, na getuige te zijn geweest van
haar gevolgen, de wijsheid dezer grondstelling toch ontkennen of
betwijfelen, gesteld dat er de zoodanigen nog gevonden worden--van
hen nu kan ik alleen dit zeggen, dat ik hoop dat ik nooit opgeroepen
zal worden om als gezworene zitting te nemen in een commissie van
onderzoek, waarin zij betrokken zijn; want louter op grond daarvan
zou ik hen voor krankzinnig durven verklaren.

Elke zaal in dit gesticht heeft den vorm eener lange galerij of zaal,
waarin de slaapvertrekken der patiënten aan weerszijden opengaan. Hier
werken zij, lezen, kegelen en vermaken zich met andere spelen; en als
het weer niet toelaat, dat ze in de open lucht eenige beweging nemen,
dan brengen ze er gezamenlijk den dag door. Doodbedaard, en precies
alsof het zoo behoorde, zaten de doktersvrouw en nog een dame met een
paar kinderen onder al die zwarte en blanke krankzinnige vrouwen. Deze
dames waren beminnelijk en schoon; en 't was niet moeielijk, met een
enkelen oogopslag te bespeuren, dat zelfs haar tegenwoordigheid te
dezer plaatse een allerweldadigsten invloed uitoefende op de patiënten
om haar heen.

Met haar hoofd tegen den schoorsteenmantel zat een oudere dame, met
een zeer deftig voorkomen en van hoogst beschaafde manieren, die zoo
opgeschikt was als Madge Wildfire zelve. Vooral haar hoofd zat zoo
vol stukjes gaas en katoen en papier, en wat niet al meer, dat het
veel weghad van een vogelnest. Zij schitterde van valsche juweelen,
droeg een prachtigen gouden bril, die ontwijfelbaar echt was, en liet,
toen wij nader kwamen, met sierlijken zwaai op haar schoot een oude
smerige krant vallen, waarin zij stellig een verslag moet gelezen
hebben van haar eigen voorstelling aan een of ander buitenlandsch hof.

Met opzet ben ik in deze bijzonderheden getreden, omdat deze dame
ons een staaltje op zal leveren van de wijze waarop de dokter het
vertrouwen zijner patiënten wist te winnen en te behouden.

"Deze dame," zei hij tegen me, terwijl hij me meteen bij de hand nam
en de aangedirkte figuur heel beleefd naderde, zonder haar achterdocht
door den geringsten blik of de geringste fluistering, of wat dan ook,
op te wekken,--"deze dame is de vrouw des huizes, m'nheer. Het is
haar eigendom. Niemand anders heeft hier iets te zeggen. Zooals u
ziet, is 't een groote inrichting, een inrichting die een talrijk
personeel vereischt. Zij leeft, naar u wel merkt, op den deftigsten
voet. Zij is vriendelijk genoeg, mijn bezoeken te ontvangen, en mijn
vrouw en familie hier te laten wonen, waarvoor we, 't is eigenlijk
overbodig dit te doen opmerken, haar ten zeerste verplicht zijn. Zij
is buitengemeen hoffelijk, gelijk u wel bespeurt,"--op dit gezegde
boog zij heel genadig--"en zal me zeker wel het genoegen toestaan,
u aan haar voor te stellen: een heer uit Engeland, mevrouw: pas uit
Engeland aangekomen na een zeer stormachtigen overtocht: m'nheer
Dickens,--de vrouw des huizes!"

Met de grootste deftigheid en onderscheiding wisselden wij de
eerbiedigste complimenten, en gingen toen verder. De overige
krankzinnige vrouwen schenen (niet alleen in dit geval, maar in al
de andere, uitgenomen haar eigen) heel goed te begrijpen, dat hier
comedie gespeeld werd; althans ze hadden er niet weinig schik in. Op
dezelfde wijze werd ik op de hoogte gebracht van den verschillenden
aard hunner krankzinnigheid, en verlieten we iedereen in de beste
luim. Langs dezen weg wordt er met betrekking tot den aard en omvang
hunner hallucinatiën niet alleen het onbepaaldste vertrouwen tusschen
dokter en patiënt tot stand gebracht maar men kan licht nagaan dat
de geneesheer zoodoende de eerste de beste gelegenheid van helderheid
kan aangrepen, om hun de verstandsverbijstering, waar ze onder gebukt
gaan, onder 't ongerijmdste en belachelijkste licht te plaatsen.

In dit gesticht zit ieder patiënt alle dag met een mes en vork
aan tafel; en in hun midden zit de heer, van wien ik zoo even
heb meegedeeld op wat voor menschkundige wijze hij zich van zijn
taak kwijt. Bij elk diner is 't alleen de zedelijke invloed die de
heftigste krankzinnigen weerhoudt, om de rest de strot af te snijden;
maar de uitwerking van dien invloed is tot een volstrekte zekerheid
geworden, en, zelfs als dwangmiddel, laat staan als geneesmiddel,
honderdmaal doeltreffender bevonden dan al de dwangbuizen, kettingen
en handboeien, die de onwetendheid, het vooroordeel en de wreedheid
sinds de schepping der wereld uit hebben gevonden.

In de werkzaal kan ieder patiënt even frank en vrij met zijn
gereedschappen omgaan als was hij goed bij zijn verstand. In den tuin
en aan de boerderij werken zij met schoppen, harken en schoffels. Voor
hun pleizier wandelen, loopen, visschen, schilderen en lezen zij;
ook rijden zij uit in expresselijk voor dat doel gemaakte wagentjes om
een luchtje te scheppen. Zij hebben onderling een naai-vereeniging om
kleeren voor de armen te maken, die vergaderingen houdt, en besluiten
neemt, zonder dat men daarbij zijn vuisten of zakmessen gebruikt,
gelijk dit wel eens op vergaderingen van niet-krankzinnigen plaats
vindt; kortom alles gaat daar ordelijk en fatsoenlijk zijn gang. De
prikkelbaarheid, die zij anders tegen hun eigen vleesch, kleeren en
meubelstukken aan den dag zouden leggen, vindt in deze bezigheden
een behoorlijke afleiding. Ze zijn opgeruimd, bedaard en gezond.

Eens in de week is er bal, waar de dokter en zijn familie, met het
geheele vrouwelijke en mannelijke personeel, een werkzaam deel aan
neemt. Dansen en marschen worden er bij de opwekkende tonen eener
piano afwisselend uitgevoerd; en nu en dan verplicht deze of gene
heer of dame (van wiens geschiktheid men zich vooraf overtuigd heeft)
het gezelschap door iets te zingen; doch dit zingen ontaard nooit,
bij een teedere ontknooping, in een gegil of gejank, waar ik, rond
opgebiecht, wel eenigszins bang voor was. Op een vroegtijdig uur
komen zij allen voor deze festiviteit bijeen; om acht uur worden er
ververschingen rondgediend, en om negen uur stapt men weer op.

Van 't begin tot het einde heerscht daar een hoogst fatsoenlijke en
hoogst beschaafde toon. Dien toon nemen zij allen van den dokter
over; nu, er dient dan ook gezegd te worden, dat hij zich als een
echte lord Chesterfield onder 't gezelschap weert. Evenals dit
met andere bijeenkomsten van dien aard het geval is, leveren ook
deze danspartijtjes dagen lang een vruchtbare stof van conversatie
onder de dames op; en de heeren snakken er zoo erg naar, bij deze
gelegenheden uit te blinken, dat zij soms betrapt zijn geworden, dat
zij in hun eentje hun passen bestudeerden, louter en alleen om onder
't dansen een meer gedistingeerde figuur te slaan.

Het ligt voor de hand, dat een voorname bedoeling van dit stelsel is,
ook zelfs onder zulke ongelukkige personen een betamelijke achting
voor zich zelven in te prenten en aan te moedigen. Iets van denzelfden
geest predomineert bij al de inrichtingen van Zuid-Boston.

"Daar hebt ge bij voorbeeld het Werkhuis. In die afdeeling, welke
gewijd is aan de ontvangst van oude of op andere wijze hulpbehoevende
armen, zijn deze woorden op de muren geschilderd:

/#
Het volgende is wel waard, dat men er notitie van neme:

"ZELFBEHEERSCHING, RUST EN VREDE ZIJN ZEGENINGEN." #/

Er wordt niet als vaste regel aangenomen dat zij, die daar zijn,
slechtgezinde en gemeene menschen moeten wezen, voor wier duivelsche
oogen men noodzakelijkerwijs met dreigementen en strafbepalingen
voor den dag moet komen. Zoodra zij maar een voet over dezen
drempel zetten, komt men hen met dit zacht beroep op hun eergevoel
tegen. Alles binnenshuis is zeer eenvoudig en net, zooals het behoort,
maar niettemin met het oog op rust en gemak ingericht. Het kost
niet meer dan elk ander plan van inrichting, maar veronderstelt
zooveel deelnemende belangstelling in degenen, die door den drang
der omstandigheden verplicht zijn, daar een onderkomen te zoeken,
dat het hen al dadelijk aanspoort, om dankbaar te wezen en zich goed
te gedragen. In plaats van over groote, lange, meer voor vagebonden
dan voor menschen geschikte zalen te zijn versnipperd, waar een
soort van magere ingevallen wezens, die menschen moeten heeten, den
geheelen dag mogen druilen, lamenteeren en bibberen, is het gebouw
in afzonderlijke vertrekken verdeeld, waarvan elk zijn aandeel licht
en lucht heeft. Hierin nu woont de betere soort armen. In de begeerte
om deze kamertjes gemakkelijk en netjes in te richten, hebben zij een
drangreden om hun wilskracht te oefenen en hun eerzucht min of meer te
bevredigen. Ik herinner me niet, dat ik er een gezien heb of 't was
zindelijk en net; daarbij had ieder kamertje een paar bloempotten op
de vensterbank, of wat potten en pannen op de plank, of wat gekleurde
platen achter glas aan den gewitten muur, of misschien, een houten
klok achter de deur.

De weezen en jonge kinderen zijn in een belendend gebouw, dat wel van
't zoo even vermelde is afgescheiden, maar toch tot de Inrichting
zelve behoort. Sommigen zijn zulke kleine schepseltjes, dat de trappen
van lilliputsche afmeting zijn, berekend naar de kleine stappen die
zij kunnen zetten. Dat men hier met piepjonge en zwakke kindertjes
te doen heeft, heeft men insgelijks in acht genomen bij de keuze
der stoelen, die inderdaad als curiositeiten mogen gelden, en er
uitzien als meubelstukken van een armeluitjes poppenhuishouding. Ik
kan mij verbeelden hoe onze Poor Law Commissioners (de Commissarissen
der Armen-wet) zich er vroolijk over zullen maken, als ze merken dat
deze stoelen armen en ruggen hebben; maar daar smalle ruggegraten van
ouder dagteekening zijn dan hun inbezitneming van de vergaderzaal
op Somerset House, zoo vond ik voor mij, dat zelfs deze voorzorg
van een goedhartigheid getuigde, die wel verdiende, opzettelijk te
worden vermeld.

Ook hier deed het me bijzonder veel pleizier, opschriften op den muur
aan te treffen, die als van louter zedekundigen aard, gemakkelijk
onthouden en verstaan konden worden, bij voorbeeld: "Hebt elkander
lief!"--"God herinnert zich het geringste schepsel;" en meer van
dien aard. De boeken en bezigheden dezer kleintjes waren op dezelfde
verstandige wijze naar hun krachten berekend. Toen wij deze lessen
nagekeken hadden, zongen vier kleuters van meisjes (waarvan er een
blind was) een klein liedje over de lieve Meimaand, dat mij evenwel,
zoo allersomberst was de inhoud, doelmatiger zou zijn voorgekomen,
al men 't op onze Engelsche Novembermaand gezongen had. Maar dat
tot daartoe. Zoodra dat liedje uit was, gingen we hun slaapkamers
in oogenschouw nemen op de bovenverdieping, waar alles niet minder
voortreffelijk was ingericht dan beneden. En nadat ik opgemerkt had,
dat de onderwijzers tot een klasse behoorden en zich door een karakter
onderscheidden, alweer in behoorlijke overeenstemming met den geest
der inrichting, nam ik afscheid van de kindertjes met een luchtiger
hart dan ik van arme kindertjes tot dusverre ooit afscheid genomen had.

Met het Werkhuis is ook een gasthuis verbonden, dat in de beste
orde verkeerde, en waar, het doet me pleizier dat ik zeggen kan,
verscheidene bedden onbezet waren. Het had evenwel één gebrek, een
gebrek dat trouwens aan alle Amerikaansche binnenvertrekken gemeen is:
de aanwezigheid namelijk van den eeuwigen, vervloekten, verstikkenden,
rood heeten duivel van een kachel, waarvan de adem de zuiverste lucht
onder den hemel zou bederven.

In deze zelfde buurt zijn er twee inrichtingen, voor jongens. De
eene wordt de Boylston-school genoemd en is een toevluchtsoord voor
verwaarloosde en behoeftige jongens, die geen misdaad begaan hebben,
maar volgens den gewonen loop van zaken al heel gauw deze betrekkelijke
vereerende hoedanigheid zouden verliezen, werden zij niet bijtijds van
de hongerige straten opgenomen en hier naar toe gestuurd. De andere
inrichting is een Verbeterhuis voor jeugdige misdadigers. Beide zijn
onder één en 't zelfde dak, maar de twee klassen van jongens komen
nooit met elkaar in aanraking.

Wat hun persoonlijk voorkomen betreft, zien de Boylston-jongens, gelijk
men licht kan nagaan, er veel voordeeliger uit dan de anderen. Toen
ik ze kwam bezoeken, waren zij in hun schoolkamer, en beantwoordden
nauwkeurig, en zonder boek, vragen als de volgende; waar Engeland
ligt? hoe ver het van Amerika af ligt? hoeveel inwoners het telt? hoe
zijn hoofdstad heet? wat voor regeeringsvorm het heeft? en zoo
voorts. Ook zij zongen een liedje van den boer die zijn zaad zaait,
en zongen ze bij voorbeeld deze woorden: "'t is zoo dat hij zaait,"
of "zoo draait hij zich om," of "zoo klapt hij in zijn handen," dan
voegden zij er de noodige gesticulaties bij, iets wat van den eenen
kant toonde, dat zij er zelf des te meer schik in hadden, en hen van
de andere zij gewende, om te zamen op betamelijke manier werkzaam te
wezen. Zij schenen een voortreffelijk onderwijs te hebben genoten,
en niet minder goed gevoed te worden, want, wat dit laatste betreft,
nooit in mijn leven zag ik een troep jongens met dikker wangen en
gezonder buiken dan zij.

De jeugdige misdadigers hadden voor een groot deel niet zulke
pleizierige gezichten; ook waren er in deze inrichting nogal wat
jonge kleurlingen. Ik zag hen eerst aan hun werk (mandenmaken en
fabriceeren van hoeden van palmbladeren), naderhand in hun school,
waar zij gezamenlijk een loflied op de vrijheid zongen, een dwaas, en,
naar men denken kon, eer verbitterend dan opwekkend onderwerp voor
gevangenen. Deze jongens zijn in vier klassen verdeeld, ieder met
een eigen nommer, dat op hun arm gemerkt is. Komt er een nieuweling,
dan wordt hij in de vierde klasse gezet; het staat dan aan hem, om
zich door vlijt en goed gedrag tot de eerste op te werken. Het doel
van dit gesticht is, den jeugdigen misdadiger door een vastberaden
maar vriendelijke en oordeelkundige behandeling te verbeteren; zijn
gevangenis tot een plaats van loutering en verbetering, niet van
verontzedelijking en bederf te maken; hem dezen indruk te geven,
dat er maar één pad is, het pad van noeste vlijt, dat hem ooit tot
geluk kan leiden; hem te leeren hoe dat pad moet betreden worden,
bijaldien zijn voetstappen tot dusverre nog nooit dien weg hebben
ingeslagen; en hem naar dien weg terug te lokken als zijn voeten
het spoor bijster mochten geraakt zijn; in één woord, hem aan 't
verderf te ontrukken en hem aan de maatschappij terug te geven als
een boetvaardig en nuttig lid. Het gewicht van zulk een inrichting,
in ieder opzicht en ook uit het oogpunt van menschlievendheid en
maatschappelijk nut beschouwd, vereischt geen verder betoog.

Een andere inrichting sluit den catalogus. Het is het Verbeterhuis
van den Staat, waar de gevangenen geen woord mogen spreken, maar
althans dezen troost en deze zedelijke opbeuring smaken, dat ze
elkaar mogen zien en te zamen mogen werken. Dat is het verbeterd
stelsel van gevangenistucht, dat wij in Engeland ingevoerd hebben,
en dat al sinds ettelijke jaren gunstig onder ons werkt.

Als een nieuw en niet onbevolkt land heeft Amerika in al zijn
gevangenissen het eene groote voordeel, dat het in staat is, nuttigen
en winstgevenden arbeid voor de gevangenen te vinden; terwijl bij
ons het vooroordeel tegen gevangeniswerk natuurlijk heel sterk is,
en bijna onoverkomelijk, wanneer eerlijke menschen, die de burgerlijke
wetten niet overtreden hebben, maar al te vaak gedoemd zijn, vergeefs
naar werk te zoeken. Zelfs in de Vereenigde Staten heeft het beginsel,
om den arbeid van veroordeelde misdadigers met den vrijen arbeid te
doen concurreeren, wat natuurlijk ten nadeele van laatstgenoemden uit
moet vallen, al vrij wat tegenstanders gevonden, en 't schijnt niet,
dat deze tegenstand met de jaren verminderen zal.

Juist om deze reden zou men bij den eersten oogopslag de inrichting
van onze beste gevangenissen dan ook voor beter houden, dan die van
Amerika. De tredmolen gaat met weinig of geen gedruisch gepaard;
vijfhonderd menschen kunnen in een en 't zelfde vertrek touw pluizen,
zonder dat men eenig geluid hoort; en beide soorten bezigheid zijn
van dien aard, dat men er zoo scherp en zoo nauwlettend acht op kan
slaan, dat het den gevangenen bijna onmogelijk zal zijn, een enkel
woord met elkaar te wisselen. Aan den anderen kant worden door
't geraas van weefgetouw, aanbeeld, timmermanshamer en steenzaag
die gelegenheid tot praten niet weinig in de hand gewerkt, en nu
moge dat gepraat gauw in zijn werk gaan, en maar kort kunnen duren,
gelegenheden blijven 't niettemin, waartoe dergelijke bezigheden uit
den aard der zaak aanleiding geven, doordien ze immers verscheiden
personen heel dicht in elkaars nabijheid brengen, soms vlak naast
elkaar, zonder dat er zich eenige slagboom of hinderpaal tusschen hen
bevindt. Iemand, die zoo'n Amerikaansche gevangenis bezoekt, dient dan
ook een beetje te redeneeren en na te denken, voor en aleer het gezicht
van een aantal menschen, die met gewoon werk bezig zijn, zooals hij
buitensdeurs gewoon is, maar half zooveel indruk op hem zal maken als
de beschouwing van dezelfde personen op dezelfde plaats en met dezelfde
kleeding, indien zij bezig waren met de een of andere taak, die overal
gebrandmerkt is, als behoorende uitsluitend tot tuchthuisboeven. In
een Amerikaansch tucht- of verbeterhuis vond ik het dan ook moeielijk,
om me te overtuigen, dat ik werkelijk in een gevangenis was: een
plaats van schandvlekkende straf en kastijding, en tot op dit uur
ben ik 't nog niet met mij zelf eens, of de menschelijke pocherij,
dat het zóó iets niet mag zijn, wel wortelt in de echte wijsheid, in
't wijsgeerig inzicht in de zaak.

Ik hoop, dat ik te dezen opzichte niet misverstaan moge worden,
want zoo er een onderwerp is, waar ik 't levendigst belang in
stel, dan is 't dit. Ik voor mij hel even weinig tot het ziekelijk
gevoelen over, 't welk elke femelende logen of dronkemans gewauwel
van een beruchten misdadiger tot stof voor een krant en tot een
reden van algemeene sympathie maakt, als ik overhel tot die goede
oude gewoonte uit die goede oude tijden, die, wat zijn strafwetboek
en gevangenis-verordeningen betreft, Engeland zelfs nog onder de
regeering van George den Derden, dus waarlijk niet zoo heel lang
geleden, tot een der bloeddorstige en meest barbaarsche landen van
de geheele wereld maakten. Kon ik denken, dat het voor 't opkomend
geslacht eenig goed zou doen, o, graag gaf ik mijn toestemming, dat de
beenderen van den een of anderen aardigen struikroover (hoe aardiger,
des te grager ik tusschen twee haakjes mijn toestemming zou geven)
wierden opgegraven en bij stukken en brokken ten toon gesteld aan
dezen of genen mijlpaal, poort of galg, die men maar geschikt mocht
achten, om te dezen aanzien aan 't doel te beantwoorden. Mijn rede is
er evengoed van overtuigd, dat deze heeren onder de alleronwaardigste
en liederlijkste deugnieten behoorden, als ze van den anderen kant
hiervan overtuigd is, dat de wetten en gevangenissen hen in hun kwade
practijken verhardden, of dat hun verwonderlijke ontsnappingen in de
hand werden gewerkt door de cipiers, die in die bewonderenswaardige
dagen zelven altijd misdadigers geweest waren en tot het laatst toe hun
boezemvrienden en drinkeboers waren. Ook weet ik, gelijk allen weten
of althans dienden te weten, dat het onderwerp der gevangenistucht
voor onze menschelijke samenleving van 't uiterste gewicht is, en
dat Amerika voor zijn op dit punt de baan schoonvegende hervorming
en in 't oogloopend voorbeeld voor andere landen, groote wijsheid,
groote goedertierendheid en gezuiverd staatmansbeleid aan den dag
heeft gelegd. Door zijn stelsel te vergelijken met dat, 't welk wij
op zijn leest geschoeid hebben, wil ik alleen dit aantoonen, dat
het onze, met al zijn tekortkomingen, toch nog het een of ander op
't zijne vooruit heeft. [2]

Het Verbeterhuis, dat ons tot deze opmerking aanleiding heeft gegeven,
is niet, gelijk andere gevangenissen, ommuurd, maar in de rondte
met groote ruwe staken gepalissadeerd, in den trant bij voorbeeld
van een ruimte waar olifanten in gehouden worden, zooals men dit op
oostersche platen en schilderijen af ziet gebeeld. De gevangenen dragen
een bonte kleeding; en zij, die tot zwaren arbeid veroordeeld zijn,
moeten spijkers maken of steenen houwen. Toen ik daar was, was de
laatste klasse van werklui bezig met het steenhouwen voor een nieuw
tolhuis, dat te Boston gebouwd wordt. Ik merkte, dat het werk hen
goed en vlug van de hand ging, ofschoon er zeer weinigen bij waren,
(als ze er bij waren), die dat niet in de gevangenis geleerd hadden.



De vrouwen, die zich allen in één groot vertrek bevonden, werden
gebruikt om dunne kleedingstoffen te maken voor New-Orleans in de
Zuidelijke Staten. Evenals de mannen deden zij haar werk stilzwijgend;
en evenals de mannen werden zij nagegaan door den persoon die voor haar
werk in moest staan of door iemand van zijnentwege daartoe aangesteld.



De kook-, wasch- en andere dergelijke inrichtingen zijn vrij wel
gelijk aan die, welke ik thuis gezien heb. De manier waarop zij 's
nachts hun gevangenen bezorgen (die algemeen aangenomen is) verschilt
echter van de onze, en is eenvoudig en doeltreffend tegelijk. Midden is
een groote ruimte, waarvan de vier muren door ramen verlicht worden,
zijn vijf rijen cellen boven elkaar. Voor iedere rij is een lichte
ijzeren galerij, die men langs een trap van dezelfde constructie en
't zelfde materieel bereiken kan, behalve de onderste rij, die zich
gelijkvloers bevind. Achter deze, rug aan rug en gekeerd naar den
tegenovergestelden muur, zijn vijf correspondeerende rijen cellen,
die op dezelfde wijze toegankelijk zijn; zoodat een beambte, die
beneden op den grond met zijn rug naar den muur gekeerd staat, met
één oogopslag een overzicht heeft over de eene helft der opgesloten
gevangenen, terwijl de andere helft insgelijks onder controle staat
van een anderen beambte, die aan den overkant staat; en dat alles in
één groot vertrek. Tenzij deze oppasser omgekocht mocht zijn of op
zijn post mocht slapen, is 't onmogelijk dat er iemand ontsnappe;
want zelfs ingeval hij de ijzeren deur zijner cel zonder gedruisch
open mocht breken (wat bijna aan 't onmogelijke grenst), moet hij op
't zelfde oogenblik dat hij buiten zijn cel verschijnt en een der vijf
galerijen, waar zij zich bevindt, opstapt, geheel en al zichtbaar wezen
voor den oppasser beneden. In ieder dezer cellen is een klein rolbed,
waar één gevangene in slaapt, nooit meer. Natuurlijk is het klein;
en daar de deur niet uit één stuk, maar uit traliewerk bestaat, en
er geen luik of gordijn voor hangt, zoo kan de gevangene ten allen
tijd bespied worden door den eersten den besten suppoost die daar
elk oogenblik van den nacht voorbij kan komen. Alle dag krijgen de
gevangenen ieder afzonderlijk hun middageten door een luikje in den
keukenmuur, en iedere gevangene neemt het naar zijn slaapcel mee,
waar hij geheel alleen een uur lang wordt opgesloten om 't daar op
te kunnen eten. Deze geheele inrichting trof me; en ik vind ze zoo
navolgenswaardig, dat ik hoop dat de eerste de beste gevangenis, die
wij in Engeland mochten bouwen, volgens dit plan zal ingericht worden.

Men maakte mij de opmerking, dat men er in deze gevangenis noch sabel
noch vuurwapenen, ja zelfs geen stokken op nahoudt; en ik voor mij acht
het onwaarschijnlijk, dat, zoolang ze op dezelfde voortreffelijke wijze
ingericht en bestuurd blijft, eenig wapen, hetzij van aanvallenden
of verdedigenden aard, ooit binnen haar muren van noode zal wezen.

Zoo zijn de gestichten te Zuid-Boston! In alle worden de ongelukkige af
verbasterde burgers van den Staat zorgvuldig onderwezen in hun plichten
beide jegens God en den mensch; worden omringd door alle redelijke
middelen van gemak en geluk die hun toestand maar eenigszins toelaat;
worden behandeld als leden van de ééne, groote familie der menschheid,
die wel is waar bedrukt, behoeftig of gevallen zijn, maar met dat al
leden van dat ééne groote huisgezin blijven; worden bestuurd door
't sterke Hart en niet door de sterke (doch onmetelijk zwakker)
Hand. Ik heb ze min of meer breedvoerig beschreven, ten eerste omdat
ze dat wel waard zijn, ten tweede omdat het in mijn bedoeling ligt,
ze tot een voorbeeld te stellen en mij daartoe te bepalen om van
anderen, die we tegen mochten komen en wier bedoelingen dezelfde zijn,
te zeggen, dat ze in dit of in dat opzicht in de practijk te kort
schieten of verschillen.

Ik wensch, dat ik door dit verslag, dat, hoe onvolmaakt het ook
uitgevoerd moge zijn, voorzeker een goede, eerlijke bedoeling heeft,
mijn lezers al was 't maar één honderdste deel kon schenken van 't
genoegen, mij ten deel gevallen door 't bezoek van die instellingen,
welke ik in de vorige bladzijden beschreven heb.

Voor een Engelschman, die aan den zoo geheel en al vrouwelijken opschik
van Westminster Hall gewoon is, levert een Amerikaansch gerechtshof een
even gek gezicht op als, naar ik veronderstel, een Engelsch gerechtshof
dit voor een Amerikaan op zou leveren. Behalve bij het oppergerechtshof
te Washington (waar de rechters een eenvoudige zwarte toga dragen)
vindt men daar niets bij de bediening der justitie wat naar zoo'n
ding als een pruik of vrouwenjapon [3] zweemt. Daar de heeren der
balie tegelijk advocaten en procureurs zijn (want in Amerika bestaat
dienaangaande geen scheiding zooals in Engeland), houden zij zich niet
meer op een afstand van hun cliënten dan procureurs bij ons Hof voor de
rehabilitatie van Insolvente schuldenaars dit ten opzichte der hunnen
doen. De leden der jury doen alsof ze thuis zijn en maken 't zich
zoo gemakkelijk als de omstandigheden maar veroorloven. De getuige
verschilt zoo weinig van 't aanwezige publiek, dat een vreemdeling,
die gedurende een pauze binnenkwam, moeite zou hebben, hem onder de
overigen op te merken. En gold het toevallig een crimineele zaak, dan
zouden zijn oogen in negen gevallen van de tien vruchteloos naar den
gevangene zoeken, want dat heer zou heel aardig aan 't lanterfanten
wezen onder de meest geziene sieraden der balie, om zijn raadsman
nu en dan bedenkingen in te fluisteren of met zijn pennemes een
tandenstoker te maken van een oude ganzenpen.

Toen ik de rechtbanken te Boston bezocht, moest mij dat verschil
natuurlijk in 't oog vallen. Ook keek ik eerst niet weinig vreemd
op, toen ik merkte, dat de raadsman, die den getuige ondervroeg,
dat zittende deed. Maar ziende, dat hij er ook mee bezig was, om de
antwoorden op te teekenen, en mij herinnerende, dat hij alleen was en
geen "junior" had, troostte ik mij spoedig met de overdenking, dat de
wet hier niet zoo'n duur artikel was als t'huis; en dat de afwezigheid
van al die formaliteiten, die wij als onmisbaar beschouwen, zonder
twijfel een allergunstigsten invloed op de rekening der rechtskosten
uitoefent.

In ieder Hof is ruimschoots voor 't gemak der burgers gezorgd. Trouwens
dit treft men overal in Amerika aan. Bij elke openbare instelling wordt
het recht der bevolking, om tegenwoordig te zijn bij de behandeling der
zaken en daarin belang te stellen, volkomen en duidelijk erkend. Daar
vindt men geen grimmige deurwaarders, die hun den slakkengang gaande
beleefdheid voor een fooitje te koop veilen; ook geloof ik oprecht,
dat men daar geen ambtenaar zal vinden, die zich op grond van zijn
ambt de geringste lompheid zou durven veroorloven. Niets wat nationaal
eigendom is laat men voor geld kijken; en geen openbaar ambtenaar stelt
zich aan als de explicateur van een kermistent. In de laatste jaren
zijn ook wij begonnen om dit goede voorbeeld na te volgen. Ik hoop,
dat we daarmee voort zullen gaan; en dat zelfs dekens en kapittels
in de volheid des tijds bekeerd zullen worden.



Voor de burgerlijke rechtbank was een zaak aanhangig over aangevraagde
schadevergoeding wegens een ongeluk op een spoorweg. De getuigen waren
ondervraagd, en de raadsman richtte zich tot de jury. De geleerde
heer (evenals sommige zijner Engelsche broederen) was langdradig
om er wanhopig van te worden, en bezat de opmerkelijke bekwaamheid
om één en dezelfde zaak gedurig te herhalen. Zijn groot thema was:
"Warren de machinist," en in iederen volzin, dien hij uitsprak,
hoorde men maar niets anders dan: "Warren de machinist." Ik luisterde
nagenoeg een kwartier naar hem, en toen ik na verloop van dien tijd
de gerechtzaal verliet, even wijs als ik er in gekomen was, voelde
ik me alsof ik weer thuis was.



In de cel voor de gevangenen zat een jongen, die wegens diefstal
terecht zou staan. In plaats nu dat deze jongen in een gevangenis
zou opgesloten worden, werd hij naar 't asyl te Zuid-Boston gestuurd,
en leerde daar een ambacht; zoodat hij zich na verloop van tijd bij
den een of anderen knappen baas kon verhuren. Zoodoende werd, naar
men redelijkerwijze mag hopen, de ontdekking zijner overtreding niet
het preludeum van een leven der schande en van een ellendigen dood,
maar baande hem integendeel het pad om terug te keeren van den weg
der ondeugd en een waardig lid der maatschappij te worden.

Ik ben in 't geheel niet een onvoorwaardelijk bewonderaar van
onze wettelijke rechtsvormen, waarvan ik vele al heel belachelijk
vind. Vreemd moge het ook schijnen, dit neemt evenwel niet weg, dat
er een zekere mate van bescherming schuilt in de pruik en de japon,
ja, dat die officieele kleeding als 't ware een vrijbrief geeft voor
persoonlijke verantwoordelijkheid, waardoor die onbeschofte houding
en taal, en die schromelijke verbastering van 't ambt, van een
pleiter voor De Waarheid, welke men zoo vaak bij onze gerechtshoven
aantreft, niet weinig in de hand worden gewerkt. Niettemin, ik kan
't niet helpen, maar ik betwijfel of Amerika in zijn begeerte om
de ongerijmdheden en misbruiken van 't oude stelsel af te schudden,
niet in een ander uiterste vervallen is, en vraag mij zelven ernstig
af, of 't niet wenschelijk is, vooral in zoo'n kleine stad als deze,
waar men elkaar zoo van nabij kent, om de rechtspleging van zekere
kunstmatige slagboomen te omringen, waardoor ze althans voor: "dag,
ouwe jongen, altijd wel geweest?" en soortgelijke gemeenzame praatjes
uit het alledaagsche leven gevrijwaard is. Al de hulp die zij èn in
't karakter èn in de bekwaamheid van de leden der rechterlijke macht
kan hebben, niet alleen hier maar overal elders, heeft zij en verdient
dit volkomen; maar ze heeft nog iets meer noodig, en dat niet om indruk
te maken op hen die nadenken en goed op de hoogte zijn, maar op de
onwetenden en de Jan Salies; een klasse waartoe sommige gevangenen en
verscheidene getuigen behooren. Ongetwijfeld waren deze instellingen
op 't beginsel gebaseerd, dat zij, die zoo'n ruim deel hadden in 't
maken der wetten, ze ook zeker zouden eerbiedigen. Maar de ondervinding
heeft bewezen dat deze hoop mank gaat; want niemand weet beter dan de
rechters van Amerika, dat zoodra er maar een opschudding komt onder
't volk van eenigszins noemenswaardige beteekenis, de wet krachteloos
is en tijdelijk haar eigen suprematie niet handhaven kan.

De toon, die in de samenleving heerscht, getuigt van de uiterste
beleefdheid, hoffelijkheid en wellevendheid. De dames zijn
ontegenzeglijk zeer mooi--wat haar gezicht betreft: maar ik ben
verplicht het daarbij te laten. De opvoeding, die zij krijgen,
is zoo wat van 't zelfde allooi als bij ons, noch beter noch
slechter. Men had me daaromtrent allerlei wonderlijke vertelseltjes
op de mouw gespeld, maar daar ik er geen geloof aan sloeg, kon 't mij
natuurlijk niet tegenvallen. "Blauwe" [4] dames zijn er te Boston,
maar gelijk wijsgeeren van die kleur en sexe in de meeste andere
landen, zijn zij er meer op uit, voor iets bijzonders gehouden te
worden dan om werkelijk iets bijzonders te zijn. Zoo zijn er ook
"evangelische" dames, wier gehechtheid aan godsdienstvormen en afschuw
van schouwburg-vermakelijkheden voorbeeldig mogen heeten. Dames,
die er hartstochtelijk veel van houden, om lezingen bij te wonen,
worden onder alle klassen en standen gevonden. Op de min of meer
naar 't buitenleven zweemende wijze van samenleving, die in steden
als deze de overhand heeft, heeft de kansel grooten invloed. Men zou
wel zeggen, dat de kansel in Nieuw-Engeland (altijd met uitzondering
van de leeraren der Unitariërs) het als 't voornaamste doel van zijn
ambt beschouwde, om alle onschuldige en betamelijke uitspanningen te
veroordeelen. De kerk, de kapel, de leeszaal zijn de eenige middelen
van opwekking die geoorloofd zijn, en naar de kerk, de kapel, de
leeszaal stroomen de dames dan ook heen.

Overal waar men zijn toevlucht neemt tot den godsdienst bij wijze
van sterken drank en als een middel om de saaie eentonigheid van
't huiselijk leven af te breken, zullen natuurlijk die leeraren den
meesten loop hebben en 't best bevallen, die de kunst verstaan, om de
toehoorders den hoogsten wil in te peperen. Zij, die het pad naar de
Eeuwigheid met de grootste dosis zwavel bestrooien, en de bloemen en
bladeren, die langs den weg groeien, het ongenadigst vertrappen, ze
zullen voor de rechtzinnigsten doorgaan; en zij, die met de grootste
taaiheid op 't aanbeeld slaan dat men alles behalve op zijn sloffen
de hemelpoort binnentreedt, zullen door alle ware geloovers aangezien
worden als de zoodanigen die er zeker door zullen gaan, alhoewel het
hun zeker nogal wat moeite zou kosten om de vraag te beantwoorden,
op wat voor grond zij tot deze gevolgtrekking gekomen zijn. Zoo
gaat het thuis, zoo gaat het buitenshuis; ja, 't is overal koekoek
één zang. Wat nu die andere uitspanning betreft, de Lezing namelijk,
deze heeft ten minste de verdienste, dat ze altijd nieuw is. De eene
lezing volgt toch de andere zoo gauw op de hielen, dat men er geen
een onthoudt, en veilig zou men de serie van de lezingen der eene
maand in de volgende maand kunnen herhalen, met haar bekoorlijkheid
van ongebroken nieuwheid en haar onverminderde belangrijkheid.

De vruchten der aarde groeien op in verrotting. Uit de verrotting
dezer dingen is te Boston een sekte van wijsgeeren opgekomen, bekend
onder den naam van Transcendentalisten. Toen ik onderzoeken ging wat
deze benaming eigenlijk beteekende, werd mij te verstaan gegeven,
dat al wat onverstaanbaar was zeker transcendentaal was. Daar mij
deze opheldering niet veel troost schonk, zette ik het onderzoek nog
verder voort, en vond dat de Transcendentalisten volgelingen zijn
van mijn vriend den heer Carlyle, of, laat mij liever zeggen, van een
volgeling van dezen heer, den heer Ralph Waldo Emerson. Deze heer heeft
een deel zoogenaamde Essays (Proeven) geschreven, waaronder veel dat
droomerig en hersenschimmig is (als hij 't mij niet kwalijk zal nemen,
dit zóó te betitelen), maar nog meer dat waar en mannelijk, eerlijk en
stout mag heeten. Transcendentalisme heeft nu en dan zijn afdwalingen
(welke school heeft ze niet?) maar desniettegenstaande heeft het
goede gezonde eigenschappen; eigenschappen waarvan de minste zeker
niet is een hartige afschuw van datgene wat wij Engelschen onder den
naam van "Cant" [5] plegen aan te duiden en een geschiktheid om die
walglijke ondeugd in al de ontelbare variëteiten van haar eeuwigdurende
kleerenkast te betrappen. En daarom als ik een Bostonner was, dan
denk ik, dat ik een Transcendentalist zou wezen.



De eenige predikant, dien ik te Boston hoorde, was de heer Taylor,
die zich in 't bijzonder tot zeevolk richtte, en eens zelf een
zeeman was. Ik vond zijn kapel in een van de nauwe oude straten aan
den waterkant met een vroolijke blauwe vlag, die onbelemmerd van
't dak wapperde. Op de galerij vlak tegenover den preekstoel was een
klein koor van mannelijke en vrouwelijke zangers, een violoncel en een
viool. De prediker zat al in den preekstoel, die op pilaren rustte, en
achter hem met een geschilderde draperie versierd was, die er levendig
en ietwat theatraal uitzag. Hij zag er als een echte zeebonk uit van
zes of acht en vijftig jaar; met diepe rimpels, die als 't ware in zijn
gezicht gegroefd waren, donker haar en een stroef, vinnig oog. Over
't geheel genomen maakte zijn uiterlijk echter een pleizierigen indruk.



De dienst begon met een gezang, waar een gebed op volgde, dat voor
de vuist werd uitgesproken. Het had het gebrek van in gedurige
herhalingen te vervallen, dat in den regel met zulke gebeden plaats
vindt; maar was overigens ongekunsteld en begrijpelijk van inhoud,
en ademde een gevoeligen en liefdevollen toon die niet zoo algemeen
een kenmerk is van dit deel der godsdienstoefening als 't wel diende
te wezen. Nadat dit gebed uit was, las hij zijn tekst voor, die aan
Salomo's Hooglied ontleend was en, voordat den dienst begon door een
of ander onbekend lid der vergadering op den lessenaar was neergelegd
geworden. De tekst luidde als volgt: "Wie is zij, die daar opkomt
uit de Woestijn aan den arm van haar Geliefde?"



Hij behandelde dezen tekst op allerlei manieren en knoopte er allerlei
beschouwingen aan vast; maar altijd geestig en met ruwe welsprekendheid
juist berekend voor 't bevattingsvermogen zijner toehoorders. Vergis
ik me niet, dan was hij er meer op uit, om in hun geest te spreken en
door hen begrepen te worden, dan om zijn eigen geleerdheid te laten
luchten. De beelden, waar hij zich af en toe van bediende, waren
allen aan de zee ontleend en aan 't geen in een zeemansleven nu en
dan voor kan komen; dikwijls waren ze van treffende juistheid. Zoo
sprak hij hun van "dien roemrijken man Lord Nelson" en Collingwood,
en sleepte er niets, zooals men dit noemt, bij de haren bij, maar
al wat hij bijbracht behoorde bij 't onderwerp, was natuurlijk en
wel berekend om indruk te maken. Raakte hij echter wat al te zeer
in vuur, dan liep er soms wel een beetje kool onder door--gestoofd
door Bunyan en Balfour van Barley.--Dan namelijk nam hij zijn grooten
quarto bijbel onder den arm, stapte er den preekstoel mee op en neer,
en keek daarbij gestadig naar 't middelpunt der vergadering. Kom, laten
we deze preekmethode van den heer Taylor nog wat nader verklaren. Als
hij nu zijn tekst toepaste op de eerste bijeenkomst zijner hoorders en
de verwondering der Kerk schilderde over hun aanmatigende verwaandheid
om zoo maar op hun eigen houtje een nieuwe gemeente te stichten, zie,
daar hield hij op de manier die ik zoo even beschreven heb, op eens
met zijn bijbel onder zijn arm op en ging daarna in dezer voege voort:

"Wie zijn deze--wie zijn zij--wie zijn deze jongens van Jan de
Wit? Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naar toe? Waar ze vandaan
komen! Wat is hierop het antwoord? (Nu leunt hij over den preekstoel en
wijst met zijne rechterhand naar beneden.) "Waar ze vandaan komen? Van
beneden!" Hier gaat hij weer een beetje achteruit en kijkt de zeelui
aan die voor hem zitten.) "Van beneden broeders. Van onder de luiken
der zonde, die de duivel boven jelui dicht heeft gesmeten. Ziedaar
waar jelui vandaan kwam!" (Nu loopt hij in den preekstoel heen
en weer.) "En waar ga jelui naar toe?" (Hier blijft hij op eens
stilstaan.) "Waar jelui naar toe gaat? Naar boven!" Heel zacht en
in de hoogte wijzende. "Naar boven!" (Luider.) "Naar boven!" (Nog
luider.) "Ja, daar ga jelui naar toe--met 'n gunstigen wind--direct
koers zettende naar de glorie des Hemels, waar men noch storm noch
vuil weer kent; waar de goddeloozen geen kwaad meer kunnen brouwen, de
vermoeiden uitrusten." (Al weer loopt hij heen en weer.) "Ja, daar ga
jelui naar toe, lieve vrienden. Zoo is 't. Dat 's de haven. De echte
haven. 't Is 'n gezegende haven--uit welken hoek de wind ook waait
en wat voor getij we ook hebben, geen nood! daar is 't water altijd
stil, daar drijven we niet naar 't strand en stooten op klippen,
daar laten de kabels niet los en drijven we de zee in... Neen daar
is: Vrede--Vrede--Vrede--niets anders dan Vrede!" (Nog eens de oude
wandeling, en op den bijbel tikkend dien hij onder zijn linkerarm
houdt.) "Maar hoe! komen deze jongens van Jan de Wit uit deze
wildernis, is dat wel zoo? Ja. Uit de akelige, verzengde woestijn
der Ongerechtigheid, wier eenige oogst de Dood is. Maar leunen ze op
iets--óf leunen ze op niets, deze arme zeelui? Drie tikken op den
bijbel.) "O wel zeker.--Wel zeker.--Zij leunen op den arm van hun
Geliefde." (Nog drie tikken.) "Op den arm van hun Geliefde." (Nog drie,
en een wandelingetje.) "Loods, leidster en kompas, alles tegelijk,
voor allemaal--hier is-i." (Nog drie tikken op den bijbel.) "Ja,
hier is-i. Hiermee kunnen ze hun zeemansplicht als mannen vervullen,
en ook zelfs in den uitersten nood kalm van binnen blijven." (Nog
twee tikken.) "Leunende op den arm van hun Geliefde kunnen zij,
ja kunnen zelfs deze armen jongens uit de wildernis vandaan komen,
en opwaarts--opwaarts--opwaarts gaan!" (Telkens als hij dit woord
herhaalt, gaat zijn hand al hooger en hooger, zoodat ze eindelijk
en ten laatste boven zijn hoofd uitsteekt; daarbij kijkt hij zijn
toehoorders vreemd aan en drukt het boek triomfantelijk tegen zijn
borst, totdat hij van lieverlede tot een ander deel zijner preek
overgaat.)

Ik heb dit minder als een bewijs van des predikers verdienstelijkheid
aangehaald dan wel als een staaltje van zijne uitmiddelpuntigheid,
ofschoon zelfs dit, èn in verband met zijne geheele houding en
voorkomen, èn met het karakter zijner toehoorders, onwillekeurig
indruk moest maken. Niettemin, 't kan wel zijn, dat de gunstige indruk,
dien hij op mij maakte, grootendeels ontstaan en versterkt is geworden
door twee bijzonderheden, en die zijn de volgende: ten eerste, drukte
hij zijn hoorders terdege op 't gemoed, dat de trouwe waarneming van
den Godsdienst niet onvereenigbaar is met een beminnelijk gedrag
en een nauwgezette vervulling van de plichten van hun stand, een
vervulling die stipt van hen vereischt wordt; en ten tweede, deed hij
hen opmerken, dat zij zich toch hiervoor moesten wachten, om zich een
monopolie van 't Paradijs en zijn heilgoederen toe te eigenen. Nooit
hoorde ik tot dusverre deze beide punten zoo wijs aanroeren (als ik
ze ooit heb hooren aanroeren) door eenigen prediker van die soort.

Daar ik den tijd dien ik te Boston doorbracht, besteed heb om op
de hoogte te komen van deze dingen, om den loop te bepalen dien
ik op mijn verdere reizen dacht te volgen, en om me voortdurend te
midden van 't maatschappelijk leven aldaar te bewegen, zoo geloof ik
niet, dat ik de gelegenheid heb, om dit hoofdstuk te verlengen. Die
maatschappelijke gebruiken waar ik nog geen gewag van gemaakt heb,
laten zich echter met weinig woorden beschrijven.

Om twee uur wordt gewoonlijk het middagmaal gebruikt. Heeft men
echter gasten bij zich ten eten gevraagd dan dineert men eerst om vijf
uur; en op een avondpartij soupeert men zelden later dan om elf uur,
zoodat men in den regel zelfs van zoo'n partij, voor middernacht naar
huis gaat. Nooit kon ik eenig verschil ontdekken tusschen een partij
te Boston en een partij te Londen, behalve dat op de eerste plaats
de uren van komen en gaan voor alle partijen beter geregeld zijn;
dat de conversatie misschien een beetje luider en pleizieriger is;
dat men gewoonlijk van een gast verwacht dat hij tot boven in de
nok van 't huis klimmen zal om zijn mantel te halen; dat hij zeker
is op ieder diner een ongewonen berg gevogelte op de tafel te zien,
en op ieder souper ten minste twee kolossalen kommen heet gestoofde
oesters, in ieder waarvan een half opgeschoten hertog van Clarence
gemakkelijk gesmoord zou kunnen worden.



In Boston zijn twee schouwburgen, die vrij ruim en goed gebouwd zijn,
maar waar het droevig mee gesteld is, wat de ondersteuning betreft
die zij van 't publiek genieten. De weinige dames, die er gebruik
van maken, zitten, gelijk het trouwens behoort, op de voorste rijen
der loges.



In geen hotel vind men een rookkamer, bijgevolg was er ook geene in de
onze; maar de gelagkamer is een groot vertrek met een steenen vloer
en daar loopen de lui den geheele avond heen en weer, daar loopen ze
in en uit, daar staan ze en rooken ze, zooals hun dit invalt. Daar
wordt de vreemdeling ook ingewijd in de geheimen van Gin-sling,
Cock-tail, Sangaree, Mint Julep, Sherry-cobbler, Timber Doodle en
andere vreemdsoortige dranken. Het huis is vol kostgangers, gehuwde
en eenloopende, waarvan verscheidene een wekelijksch contract sluiten
voor hun kost en logies: de prijs vermindert natuurlijk al naarmate
ze hooger op willen klimmen. Open tafel wordt er gehouden in een zeer
mooie zaal, waar men kan ontbijten, het middagmaal gebruiken en het
avondmaal. Het gezelschap, dat gewoonlijk daarbij aanzit, wisselt van
een- tot tweehonderd, soms meer. Telkens als er zoo'n verschillend
tijdperk van den dag aanbreekt, wordt dit door een ontzaglijken
gong aangekondigd die al de ramen in de kozijnen doet schudden, als
't geluid door 't huis weerklinkt, en zenuwachtige reizigers niet
weinig van streek brengt. Er is ook een ordinaris voor dames en een
ordinaris voor heeren.



In onze particuliere kamer zou men 's middags voor geen geld ter
wereld de tafel dekken zonder een grooten glazen schotel bramen
midden op tafel te zetten; en het ontbijt zou geen ontbijt geweest
zijn tenzij de voornaamste schotel een homp ossevleesch ware met een
groot plat been in 't midden, zwemmende in heete boter en bestrooid
met de allerzwartste peper die er met mogelijkheid te krijgen is. Onze
slaapkamer was ruim en luchtig, maar (gelijk iedere slaapkamer aan
dezen kant van den Atlantischen Oceaan) armzalig gestoffeerd; zelfs om
't ledekant noch voor de ramen hangen er gordijnen. Ze had evenwel
één buitengewone weelde in den vorm van een geschilderde houten
kleerenkast, iets kleiner dan een Engelsche staanklok; of bijaldien
deze vergelijking onvoldoende mocht zijn om den lezer een juist
denkbeeld van haar afmetingen te geven, dan zal men dienaangaande
eenigszins beter op de hoogte komen, als ik zeg, dat ik veertien
dagen en veertien nachten in 't vaste geloof verkeerd heb, dat die
kast een stortbad was.



VI.

LOWELL.

    EEN AMERIKAANSCHE SPOORWEG. LOWELL EN ZIJN FABRIEKEN.


Alvorens Boston te verlaten, wijdde ik één dag aan een uitstapje naar
Lowell. Voor dit bezoek bestem ik een afzonderlijk hoofdstuk, niet om
dat ik van plan ben, het in al zijn bijzonderheden te beschrijven,
maar omdat ik 't mij herinner als iets dat op zichzelf staat, en
niets minder begeer dan dat mijn lezers 't zelfde zullen doen.

Bij deze gelegenheid maakte ik voor 't eerst kennis met een
Amerikaanschen spoorweg. Daar deze werken in alle staten vrij wel op
elkaar gelijken, zoo laten zich hun algemeene kenmerken gemakkelijk
beschrijven.

Er zijn wagens eerste en tweede klasse zooals bij ons; maar er is
een heeren-waggon en een dames-waggon: het eenige verschil is, dat in
den eersten wagen iedereen rookt en in den tweeden niemand. Daar een
zwarte nooit met een blanke reist, zoo is er ook een neger-waggon, een
bakbeestachtige kast in den trant bij voorbeeld als waarmee Gulliver
uit het koninkrijk Brobdignac in zee stak. De trein onderscheidt zich
verder door veel gehots, veel gedruisch, veel paneelen, niet al te
veel ramen, een locomotief, een gillend gefluit en een bengel.

De waggons gelijken op gemeene omnibussen, maar zijn grooter: dertig,
veertig, vijftig menschen gaan er in. In plaats dat de zitplaatsen
van 't eene eind naar 't andere loopen, zijn ze kruiselings
aangebracht. Aan weerszijden is er zoo'n lange rij, met een nauwen
doorloop in 't midden en aan beide einden een portier. Midden in den
wagen staat gewoonlijk een kachel, die, met houtskool of anthraciet
gestookt, meestentijds gloeiend is. De wagen is zoo potdicht, dat het
niet is om uit te houden, en tusschen u zelven en het een of andere
voorwerp waar ge toevallig naar kijkt, ziet ge de heete lucht tintelen
of het de geest van den rook was.

In den dames-waggon bevinden zich tal van heeren, die dames bij zich
hebben. Er zijn ook tal van dames, die niemand bij zich hebben:
want laat een dame alleen reizen van 't eene eind der Vereenigde
Staten naar 't andere, ze kan er zeker van zijn, dat ze overal met
de meeste hoffelijkheid en onderscheiding zal behandeld worden. De
conducteur of hij die de kaartjes ophaalt, of oppasser of wat hij
ook moge zijn, draagt geen uniform. Hij loopt den wagen op en neer,
in en uit, al naar 't hem invalt; leunt tegen de deur met zijn handen
in zijn zakken en gaapt u aan als ge bijgeval een vreemdeling zijt,
of knoopt met de passagiers om hem heen een gesprek aan. Tal van
nieuwsbladen worden voor den dag gehaald, waarvan echter maar weinige
gelezen worden. Iedereen spreekt met u, of met dezen en genen, al naar
't hem in zijn hoofd komt. Zijt ge een Engelschman, dan verwacht hij,
dat die spoorweg erg gelijkt op een Engelschen spoorweg. Zegt gij:
"neen," dan zegt hij (vragenderwijs); "ja!" en vraagt in wat voor
opzicht ze dan verschillen. Een voor een telt ge de voornaamste punten
van verschil op, en bij ieder punt zegt hij (altijd vragenderwijs):
"ja?" Dan spreekt hij zijn vermoeden uit, dat ge in Engeland niet
gauw reist, en op uw antwoord dat dit wèl het geval is, zegt hij
alweer (en altijd vragenderwijs): "Ja?" en, men kan 't hem aanzien,
gelooft u niet. Na een lange pauseering maakt hij gedeeltelijk tot
u en gedeeltelijk tot "den knop van zijn wandelstok de opmerking,
dat ook Yankees voor een voortvarend volk doorgaan;" waarop gij "ja"
zegt en hij (maar ditmaal bevestigenderwijs) insgelijks "ja" zegt,
en als ge dan het raampje uitkijkt, vertelt hij u, dat er achter dien
heuvel en een mijl of drie van 't volgende station een net stadje
is, waarvan de ligging allerliefst is, meteen zijn verwachting te
kennen gevende, dat ge wel van plan zult zijn, daar op te houden. Het
ontkennend antwoord geeft natuurlijk aanleiding tot meer vragen met
betrekking tot uw voorgenomen route (welk woord de Yankee niet roet
maar altijd raut uitspreekt); en waar ge ook naar toe moogt gaan,
altijd en eeuwig wordt u aan 't verstand gebracht, dat ge zonder
onmetelijke moeielijkheid en gevaar daar nooit kunt komen, en al de
grootsche gezichten overal behalve daar zijn.

Krijgt een dame zin in de zitplaats van den een of anderen mannelijken
passagier, dan brengt de heer, die haar vergezelt, hem daarvan in
kennis, waarop hij onmiddellijk en heel beleefd opstaat. De politiek
wordt druk besproken, insgelijks de banken en 't katoen. Bedaarde lui
vermijden de quaestie van 't Presidentschap, want over vier d'half jaar
zal er een nieuwe verkiezing plaats vinden en men is al druk in de
weer om zijn gevoelen omtrent deze of gene partij lucht te geven. De
groote constitutioneele eigenaardigheid dezer instelling bestaat toch
hierin, dat zoodra de heftige strijd van de laatste verkiezing achter
den rug is, de heftige strijd voor de volgende begint; iets wat een
onuitsprekelijke troost voor alle mannetjes van gewicht onder de
staatkundige en echte patriotten is: dat is te zeggen voor negen en
negentig mannen en jongens van iedere negen en negentig en een kwart.

Behalve daar waar een zijtak zich bij den hoofdweg aansluit, is er
zelden meer dan één spoor, zoodat de weg erg smal is, en 't uitzicht,
overal waar een diepe overloop is, alles behalve uitgestrekt; waar
zoo'n overloop niet is, ziet het tooneel er altijd op een en dezelfde
wijze uit. Mijlen achtereen in hun groei belemmerde boomen; sommige
door de bijl geveld, sommige door den wind omvergeworpen, sommige half
gevallen en leunende op hun buren, verscheidene waarvan de stronken
alleen zijn blijven staan, die halverwege in 't moeras zijn verborgen,
andere tot sponsachtige snippers vermolmd. Tot zelfs de grond
bestaat er uit zulke brokstukken; iedere poel van stilstaand water
heeft zijn korst van verrot hout; aan iederen kant zijn de takken en
stammen en stronken van boomen, in iedere mogelijke phase van verval,
ontbinding en verwaarloozing. Nu eens komt ge voor een minuut of wat
in een open streek voor den dag, waar ge 't een of andere heldere
meer of poel ziet glinsteren. zoo groot als menige Engelsche rivier,
maar zoo klein hier, dat het bijna geen naam heeft; dan weer snapt
ge een vluchtig gezicht van een naburige stad, met haar heldere witte
huizen en koele piazza's, haar stijve kerk en school, altemaal in Nieuw
Engelands trant, daar... wir-r-r-r! bijna voordat gij ze gezien hebt,
komt hetzelfde donkere scherm: die in hun groei belemmerde boomen,
de stronken, de stammen, het stilstaande water--alles zoo precies
gelijkende op 't laatste tooneel, dat ge gezien hebt, dat ge zoudt
denken als met een tooverslag verplaatst te zijn.

De trein houdt op in de bosschen, waar de onmogelijkheid, dat iemand
de geringste reden zou hebben om uit te stappen, alleen geëvenaard
kan worden door de kennelijk wanhopige hopeloosheid dat daar iemand
zou zijn om in te stappen. Hij stuift door den slagboom heen den weg
over, waar men noch poort, noch politieagent, noch signaal vindt;
niets dan een ruwe houten plank waar deze letters op geschilderd zijn:
"ALS DE BENGEL LUIDT, KIJK DAN UIT NAAR DE LOCOMOTIEF." En alweer
snort hij hals over kop voort, alweer duikt hij door de bosschen,
ziet het daglicht, ratelt over de onsterke bogen heen, rommelt over
den zwaren grond, vliegt onder een houten brug door, die het licht
in een ommezien voor een seconde onderschept, maakt plotseling al
de sluimerende echo's in de hoofdstraat eener groote stad wakker, en
stuift op de "bonnefooi" door elkaar, er op of er onder, tot midden
op den weg voort. Daar--terwijl fabrieken aan den gang zijn en lieden
tegen hun deuren en ramen leunen, en jongens vliegers oplaten en
knikkeren, en mannen rooken, en vrouwen babbelen, kinderen kruipen
en varkens aan 't wroeten zijn, en ongewone paarden achteruitslaan
en steigeren, dicht in de nabijheid der rails--daar--on, on, on--daar
raast de dolle draak van een locomotief met zijn trein van wagens met
een stortbui van vonken om hem heen; gillende, sissende, krijschende,
hijgende; totdat het dorstig monster onder een overdekten weg stopt
om te drinken, het volk er zich omheen verzamelt, en ge tijd hebt om
weer adem te halen.

Aan 't station te Lowell werd ik opgewacht door een heer, die
volkomen op de hoogte was van 't fabriekwezen daar ter plaatse, en
mij met genoegen aan zijn geleide overgevende, ging ik dadelijk die
wijk der stad opzoeken, waar de fabrieken, het doel van mijn bezoek,
stonden. Alhoewel van jonge dagteekening--want bedriegt mijn geheugen
me niet, dan is 't een fabrieksstad die nog maar een en twintig jaar
oud is--is Lowell een groote, volkrijke en welvarende plaats. Die
aanwijzingen van haar jeugd, die eerst iets aantrekkelijks voor 't
oog hebben, zetten er echter op den duur iets gemaakts, iets vreemds,
aan bij, dat voor een bezoeker uit oude streken nogal een grappigen
indruk maakt. Het was een allersmerigste winterdag, en niets in
de geheele stad zag er in mijn oog oud uit, behalve de modder, die
op sommige plaatsen een knie hoog lag, dat men onwillekeurig in de
verzoeking kwam om aan te nemen, dat ze daar gelegen had sinds de
wateren van den Zondvloed tot hun gewone peil gezakt waren. Hier zag
men een nieuwe houten kerk, die, daar ze geen toren had en nog niet
geschilderd was, er uitzag als een monsterachtige pakkist zonder adres
er op. Daar zag men een groot hotel, waarvan de muren en collonades
zoo licht en dicht waren, dat het er precies uitzag alsof het van
speelkaarten was gebouwd. Toen we dat gebouw voorbijgingen, zorgde
ik er voor, mijn adem in te houden, en begon ik te trillen toen
ik een werkman op het dak zag komen, uit vrees dat hij, mocht hij
onattent genoeg zijn wat hard met zijn voet te stampen, het geheele
gebouw in elkaar zou kunnen trappen, dat het krakend naar beneden
viel. Zelfs de rivier, die de machines in de fabrieken in beweging
brengt (want bij allen is water de beweegkracht) schijnt een nieuw
aanzien te krijgen van de frissche gebouwen van helder rooden steen
en geverfd hout, waartusschen zij heenloopt, en in haar gemurmel
en geklots zoo'n lichtzinnige, onbedachtzame en dartele rivier te
zijn als men met mogelijkheid zou kunnen begeeren. Men zou zweren,
dat elke "bakkerij," "kruidenierswinkel" en "boekbinderij" en andere
soortgelijke magazijnen gisteren voor 't eerst de affaire begonnen
hadden. De vergulde vijzels en stampers, die op de lijsten der
zonneblinden buiten de drogistwinkels bij wijze van uithangbord
vastgemaakt waren, zagen er uit alsof ze zoo even de Munt der
Vereenigde Staten verlaten hadden; en toen ik een zuigeling van een
paar weken in de armen van een vrouw om den hoek eener straat zag,
vroeg ik mij zelven met onwillekeurige verwondering af waar het kind
vandaan kwam, daar ik zelfs geen oogenblik veronderstelde, dat het
in zoo'n jonge stad als Lowell kon geboren zijn.

Er zijn tal van fabrieken in Lowell, die allen tot datgene behooren wat
wij een Vennootschap zouden noemen, maar in Amerika een Corporatie
genoemd wordt. Verscheidene daarvan bezocht ik, bij voorbeeld
een wolspinnerij, een tapijtfabriek en een katoenfabriek; nam ze
nauwkeurig op, en zag ze zooals ze op een gewonen werkdag er altijd
uitzien. Laat mij er bijvoegen, dat ik ook goed bekend ben met onze
fabriekssteden in Engeland, en verscheiden fabrieken in Manchester
en elders op dezelfde wijze bezocht heb.

Toevallig kwam ik aan de eerste fabriek juist toen 't etensuur om
was en de meisjes weer aan 't werk gingen; de trap wemelde er dan
ook van toen ik naar boven ging. Zij waren goed gekleed, maar naar
mijn gevoelen niet boven haar stand, want ik voor mij zie graag,
dat de lagere klassen der maatschappij netjes voor den dag komen,
ja zelfs dat ze, voor zooverre dit onder 't bereik hunner beperkte
geldmiddelen valt, zich een beetje opschikken. Altijd aannemende,
dat dit binnen behoorlijke perken zal blijven, zou ik in ieder
persoon, dien ik in mijn dienst nam, deze soort van trots als een
niet onwaardig element van achting voor zich zelf zooveel mogelijk
aanmoedigen, en al mocht nu de een of andere ondeugende vrouw haar
val aan pronkzucht toeschrijven, ik zou me daarvan evenmin af laten
brengen, als dat ik mijn gevoelen van de wezenlijke nuttige strekking
van den Sabbat op zou geven, omdat de nogal twijfelachtige autoriteit
van een moordenaar in Newgate de goedgezinden op dat punt aan 't
twijfelen trachtte te brengen door te doen opmerken, dat hij juist
op dien dag zijn slechtste streken uitgevoerd had.

Zooals gezegd, waren deze meisjes allen behoorlijk gekleed; daar
ligt natuurlijk in opgesloten dat ze de zindelijkheid in eigen
persoon waren. Zij hadden doelmatige hoeden, goede warme mantels en
omslagdoeken, en waren niet te trotsch om met slecht weer overschoenen
of klompen aan te trekken. Daarenboven waren er plaatsen in de
fabriek waar ze haar kleeren gerust neer konden leggen; ook bestond
er gelegenheid om zich te wasschen. Zij zagen er gezond uit, sommigen
zelfs zóó, dat het in 't oog liep; terwijl ze, wat manieren en houding
betreft, niet op stomme lastdieren maar op fatsoenlijke jonge vrouwen
geleken. Had ik in een van die fabrieken het lispendste, in spraak
en houding geaffecteerdste en bespottelijkste schepseltje gezien, dat
ik mij met mogelijkheid voor kon stellen (maar ik heb 't niet gezien,
ofschoon ik met een scherp oog naar zoo'n exemplaartje uitkeek), dan
zou ik gedacht hebben om dat andere uiterste (dat ik wèl gezien heb),
om de zorgelooze, droomerige, vuile slons, en.... met pleizier zou
ik naar dat eerste specimen gekeken hebben.

De kamers, waar zij in werkten, waren even goed onderhouden als zij
zelven. In de ramen van sommigen stonden groene planten, zoo kreeg
men wat schaduw: terwijl in alle kamers zooveel frissche lucht,
zindelijkheid en gemak werd aangetroffen als de plaats zelve en de
aard harer bezigheden maar eenigszins toeliet. Het vermoeden ligt
natuurlijk voor de hand, dat er onder zooveel vrouwelijke personen,
waarvan verscheidene zelfs volwassen waren, sommige er teer en min
uitzagen,--nu, dat was dan ook werkelijk het geval. Maar plechtig
verklaar ik, dat ik in de groote massa, die ik dien dag in de
verschillende werkplaatsen zag, mij geen enkel gezicht kan herinneren,
dat een pijnlijken indruk op me maakte; geen enkel meisje, dat,
gedoemd om door handenarbeid aan den kost te komen, ik, bijaldien ik
daartoe de macht had gehad, daar vandaan gehaald en in een anderen
werkkring zou gebracht hebben.

Zij wonen in verschillende kosthuizen, die dicht bij de hand
zijn. De eigenaars der fabrieken dragen er terdege zorg voor,
dat zij geen personen toelaten, om deze huizen in bezit te nemen,
wier karakters niet vooraf het nauwlettendst en volkomenst onderzoek
hebben ondergaan. Iedere klacht, die door de kostgangsters of door
iemand anders tegen hen ingeleverd wordt, wordt behoorlijk onderzocht;
en bijaldien de aanklacht gegrond wordt bevonden, worden zij afgezet
en hun plaats aan waardiger personen toevertrouwd. In deze fabrieken
gebruikt men eenige kinderen, maar niet veel. De wetten van den
Staat verbieden, dat ze langer dan negen maanden per jaar werken,
en vorderen, dat zij gedurende de drie overige behoorlijk onderwijs
krijgen. Te dien einde zijn er scholen te Lowell; ook zijn er kerken
en kapellen van allerlei gezindten, waar de jonge vrouwen dien vorm van
godsdienst uit kunnen oefenen, waarin ze groot zijn gebracht geworden.

Op eenigen afstand van de fabrieken, en op den hoogsten en
aangenaamsten grond in de buurt, staat hun hospitaal of kosthuis voor
de zieken: het is het beste huis in die streek, en dat een vermogend
koopman daar voor zijn eigen verblijf had laten zetten. Evenals
die inrichting te Boston, die ik vroeger beschreven heb, is ook dit
huis niet in zalen verdeeld, maar in nette kamers, die allen zonder
onderscheid al die gemakken opleveren, welke men in een fatsoenlijk
burgerhuis aantreft. De eerste geneesheer woont onder 't zelfde dak,
en waren de patiënten leden zijner eigen familie, ze konden niet
zorgvuldiger, niet kiescher, kortom niet beter verpleegd worden. Elke
vrouwelijke patiënt, die in deze inrichting wordt opgenomen, moet
wekelijks drie dollars betalen, maar geen een meisje, dat in dienst is
van een dezer corporatiën, wordt ooit afgewezen omdat ze deze kosten
niet bestrijden kan. Dat het waarlijk niet heel dikwijls voorvalt,
dat zij deze kosten uit eigen middelen niet kunnen bestrijden, kan
hieruit worden afgeleid, dat in Juli 1841 niet minder dan negenhonderd
zeven en tachtig van deze meisjes geld belegd hadden in de spaarbank
van Lowell, ten gezamenlijke bedrage van honderdduizend dollars.



Ik zal nu drie feiten vermelden, waarover een groote klasse van lezers
aan deze zij van den Atlantischen Oceaan niet weinig vreemd zal staan
op te kijken.



Ten eerste: in zeer veel kosthuizen vindt men een piano tot
gemeenschappelijk gebruik. Ten tweede: bijna al die jonge meisjes
behooren tot een leesgezelschap. Ten derde: ze hebben onder elkaar
een tijdschrift opgericht onder den naam van THE LOWELL OFFERING (De
offerande van Lowell): "Een verzameling van oorspronkelijke stukken,
uitsluitend geschreven door vrouwelijke personen die op de fabrieken
werkzaam zijn."--Van dit tijdschrift, dat behoorlijk gedrukt,
uitgegeven en verkocht wordt, heb ik vierhonderd fiks geschreven
bladzijden mee naar huis gebracht, die ik van 't begin tot 't einde
gelezen heb.



Al die lezers of lezeressen nu, waar ik zoo even op zinspeelde, zullen
in hun verbazing over deze feiten als uit één mond uitroepen: "Maar dat
's toch al te gek om los te loopen!" En als ik dan, heel onderdanig
natuurlijk, hun de vraag voorleg: Waarom? dan staan zij al klaar met
hun antwoord: "Wel, al die dingen zijn boven haar stand." In antwoord
op welke tegenwerping ik wel eens zou willen vragen wat haar stand is.

Het is haar stand om te werken. Welnu, dat doen zij ook: Zij
werken. Zij werken in deze fabrieken gemiddeld twaalf uur per
dag; me dunkt, dat kan men toch wel werken noemen, en fiks werken
ook. Misschien is 't boven haar stand, zich met zulke uitspanningen in
te laten, onverschillig op welke voorwaarde. Zijn ze wel zeker, dat
wij in Engeland niet onze denkbeelden gevormd hebben van den "stand"
van 't werkvolk, door er ons aan gewend te hebben om die klasse te
beschouwen zooals ze zijn, en niet zooals ze behoorde te wezen? Ik
voor mij geloof, dat, indien wij onze eigen gevoelens raadplegen, wij
bevinden zullen, dat de piano's en de leesgezelschappen, ja zelfs het
Tijdschrift ons door hun nieuwheid een gat in de lucht doen slaan,
door hun nieuwheid, zeg ik, en niet omdat het hier de afgetrokken
quaestie geldt, of al dergelijke dingen goed zijn of verkeerd.

Als men de bezigheid van heden met pleizier heeft afgedaan en die
van morgen met pleizier te gemoet ziet, dan ken ik voor mij geen
stand, waar al soortgelijke uitspanningen niet uit den aard der
zaak beschavend moeten werken en bijgevolg eer goed- dan afkeuring
verdienen. Ik toch ken ik geen stand, die duurzamer zou zijn voor den
persoon die er toe behoort, en veiliger voor den persoon die er buiten
staat, omdat de onwetendheid er vanzelve aan verbonden is. Ook ken
ik geen stand, die het recht heeft om de middelen van wederkeerige
opvoeding, beschaving en behoorlijke uitspanning te monopoliseeren,
of die ooit op den duur in stand gebleven is bijaldien hij zich dat
recht werkelijk aanmatigde.

Wat de verdiensten van 't zoo even vermelde tijdschrift als
letterkundig product betreft, wil ik alleen doen opmerken, dat men
't gerust naast tal van soortgelijke Engelsche tijdschriften mag
leggen; dan laat ik nog geheel en al het feit buiten aanmerking,
dat de artikels door deze meisjes zijn geschreven geworden na de
vermoeiende bezigheden van den dag. 't Is aardig als men merkt,
dat verscheidene van de Vertellingen in 't bewuste Tijdschrift op
de fabrieken betrekking hebben en op haar, die daar werkzaam zijn;
dat ze den lezer aansporen tot zelfverloochening en tevredenheid,
en goede beginselen van alzijdige menschenmin verspreiden. Een diep
gevoel voor de schoonheden der natuur, zooals die ten toon gespreid
worden in de eenzaamheden die de schrijfsters thuis achtergelaten
hebben, ademt door al zijn bladen evenals de gezonde dorpslucht; en
ofschoon een leesgezelschap een gunstige school is voor de studie
van zulke koffiepraatjes, vindt men al bitter weinig zinspelingen
op mooie kleeren, rijke huwelijken, prachtige huizen of een lui en
lekker leven. Sommigen zouden de aanmerking kunnen maken, dat de
bladen nu en dan met zulke mooie namen onderteekend zijn, maar dat
is nu eenmaal smaak in Amerika. Het behoort mede tot de taak van de
Wetgevende vergadering van Massachusetts om leelijke namen in lieve
namen te veranderen, als de kinderen in dit opzicht den smaak hunner
ouders willen verbeteren. Daar deze veranderingen weinig of niets
kosten, worden er gedurende iedere zitting Marianne's bij de vleet
in Bevelina's veranderd.

Men vertelt, dat bij gelegenheid van een bezoek van generaal Jackson
of generaal Harrison aan deze stad (wie van beiden het geweest is ben
ik vergeten, maar dat doet er niet toe), hij vierd'half mijl lang door
een rij van deze jonge meisjes heen wandelde, die altemaal parasols en
zijden kousen droegen. Maar daar ik niet vernomen heb, dat dit eenig
ander kwaad gevolg heeft gehad dan een plotselinge rijzing van al de
parasols en zijden kousen op de markt, en misschien het bankroet van
een of anderen speculant uit Nieuw Engeland, die ze allen à tout prix
opkocht in afwachting van een navraag, die nooit kwam, zoo hechtte
ik niet veel gewicht aan deze omstandigheid.

In dit beknopt verslag van Lowell, alsmede in de zwakke maar oprechte
uitdrukking van 't genoegen dat het mij verschafte, en stellig
verschaffen moet aan ieder vreemdeling, wien de toestand van zulk volk
thuis een onderwerp is van belangstelling en deelnemende zorg, heb ik
mij er zorgvuldig van onthouden, een vergelijking te maken tusschen
deze fabrieken en die van ons eigen land. Vele van de omstandigheden,
waarvan de krachtige invloed zich jaren lang in onze fabriekssteden
heeft doen gevoelen, hebben hier geen plaats gevonden; en om zoo te
zeggen is er in Lowell geen fabrieksvolk, want deze meisjes (dikwijls
de dochters van kleine pachters) komen uit andere staten, blijven
een jaar of wat aan de fabrieken en gaan dan voorgoed naar huis.

De tegenstelling zou al heel sterk zijn, want ze zou niets meer
of minder wezen dan tusschen het Goede en het Kwade, tusschen het
helderste licht, en de donkerste schaduw. Ik onthoud mij daarvan,
omdat ik dit oorbaar acht, maar bezweer al degenen, wier oogen op
deze bladzijden mogen rusten, des te ernstiger, hierbij stil te staan
en eens rijpelijk na te denken over 't verschil tusschen deze stad
en die groote holen van wanhopige ellende; zich daarna, als zij dat
te midden van 't partijgekijf nog kunnen doen, de pogingen voor den
geest te roepen die in 't werk dienen gesteld te worden om die holen
van hun ellende en gevaar te zuiveren,--en ten laatste en allermeest
zich te herinneren hoe snel de kostbare tijd voorbij vliegt.



's Avonds keerde ik langs denzelfden spoorweg en in dezelfde soort
van waggon terug Daar een der passagiers er niet weinig op uit scheen
te zijn, om (natuurlijk niet aan mij) maar aan mijn reisgenoot zoo
breedvoerig mogelijk de echte beginselen uiteen te zetten, volgens
welke boeken over reizen in Amerika door Engelschen zouden geschreven
moeten worden, deed ik net alsof ik in slaap viel. Maar den geheelen
weg over pinkoogend uit het raampje kijkend, vond ik voor 't overige
van den rit overvloedig genot in 't nagaan van de uitwerkingen van den
boschbrand, die 's morgens onzichtbaar was geweest, maar nu door de
duisternis in al zijn glans uitkwam: want we reisden in een warrelwind
van heldere vonken, die als een sneeuwjacht om ons heen stoven.



V.

VAN WORCESTER NAAR NEW-YORK.

    WORCESTER, DE RIVIER DE CONNECTICUT, HARTFORD. NEW HAVEN. NAAR
    NEW-YORK.


In den namiddag van Zaterdag den vijfden Februari verlieten wij
Boston en spoorden langs een anderen weg naar Worcester: een lieve
stad uit Nieuw Engeland, waar we schikking getroffen hadden, om tot
Maandagmorgen onder 't gastvrije dak van den gouverneur van den staat
door te brengen.

Deze groote en kleine steden van Nieuw Engeland (waarvan velen
dorpen zouden zijn in Oud Engeland) zijn even gunstige specimens van
't landbouwend Amerika als haar bewoners gunstige specimens mogen
heeten van Amerikaansche landbouwers. Wel vindt men hier niet de
netjes gesnoeide lanen en groene weiden van ons vaderland, en is
het gras, vergeleken met dat van onze kunstig aangelegde parken,
spichtig, ruw en wild, maar sierlijk hellende stukken land, zachtkens
rijzende heuvelen, boschrijke dalen en zachtkabbelende rivieren kan
men daarentegen bij de vleet aantreffen. Iedere kleine kolonie van
huizen heeft haar kerk en school, die tusschen de witte daken en
lommerrijke boomen uitsteken; ieder huis is witter dan wit; ieder
zonnescherm groener dan groen; iedere lucht bij mooi weer blauwer
dan blauw. Een scherpe droge wind en een beetje vorst had de wegen
zoo hard gemaakt toen wij te Worcester aankwamen, dat hun gegroefde
sporen wel iets weghadden van granietaderen. Natuurlijk lag ook hier
over alle voorwerpen de glans der nieuwheid. Al de gebouwen zagen er
uit alsof ze eerst dien zelfden morgen waren neergezet en geverfd,
en Maandag met weinig moeite weer konden weggehaald worden. Helder als
de avondlucht was, kwam elke scherpe omtrek nog honderdmaal scherper
uit. De nette bordpapieren colonnades hadden niet meer perspectief
dan een chineesche brug op een theekopje en schenen insgelijks wel
berekend voor 't gebruik. De scheermesachtige kanten van de hier en
daar verstrooide huisjes schenen den wind zelven, als die er tegen
aan suisde, als 't ware te snijden en hem met een schriller kreet dan
te voren verderop te sturen. Door die licht en dicht gebouwde houten
woningen, waarachter de zon met schitterenden luister onderging, kon
men zoo geheel en al heen kijken, dat het denkbeeld dat iemand, die er
in woonde, zich aan de blikken van 't publiek kon onttrekken of eenig
geheim voor zich kon houden, een oogenblik onder de onmogelijkheden
gerekend werd. Zelfs waar een vlammend vuur door de zonder gordijnen
gelaten ramen van 't een of ander afgelegen huis heen scheen, zag
't er uit alsof het zoo even aangelegd en nog niet recht aan was;
en in plaats van gedachten op te wekken aan een prettige huiskamer,
die opgevroolijkt was door gezichten die voor 't eerst het licht zagen
om dienzelfden haard en waar 't behangsel de pleizierige warmte nog
meer scheen te verhoogen,--in plaats nu van zulke gedachten op te
wekken, werd het den aandachtigen beschouwer te moede alsof de lucht
van versche kalk en vochtige muren hem onder den neus kwam.

Zoo althans dacht ik dien avond. Den volgenden morgen toen de zon zoo
helder scheen, en de kerkklokken luidden, en het volk in hun Zondagsche
kleeren doodbedaard het dicht bij de hand liggende voetpad afliep,
toen lag er een pleizierige sabbatsrust over alles, die het gevoel
liefelijk aandeed. Beter zou ze gepast hebben bij een oude kerk,
nog beter bij wat oude graven, maar al werden beide hier gemist,
toch heerschte er over 't geheele tooneel zoo'n aangename kalmte,
dat dit vooral na den rusteloozen oceaan en de drukke stad een dubbel
heilzame werking op de ziel uitoefende.

Den volgenden morgen begaven wij ons, nog altijd per spoor, naar
Springfield. Vandaar naar Hartford, de plaats onzer bestemming, is een
afstand van maar vijf en twintig mijlen, maar zoo slecht waren de wegen
in dat gedeelte des jaars, dat de reis te land ons waarschijnlijk een
uur of twaalf zou geduurd hebben. Daar 't een bijzonder zachte winter
geweest was, zoo lag echter gelukkig de Connecticut "open", of was,
met andere woorden, niet bevroren. De kapitein van een kleine boot zou
zijn eerste vaart van dat seizoen (bij menschengeheugenis het tweede
voorbeeld van een vaart in Februari) af gaan leggen en wachtte alleen
op ons, om aan boord te gaan. Wij gingen dan ook aan boord zoodra we
maar konden. Hij hield zich aan zijn woord en stoomde dadelijk weg.

Ze werd waarlijk niet zonder reden een kleine stoomboot genoemd. Ik
vergat om er naar te vragen, maar ik zou denken, dat het een boot was
van zoo wat een halve-ponny-kracht. Meneer Paap, de beroemde Dwerg,
had gelukkig kunnen wonen en staan in de kajuit, die evenals een gewoon
woonhuis van schuiframen was voorzien. De ramen hadden ook licht door
de gordijnen, die voor de onderste glazen aan slappe koorden hingen,
zoodat de geheele kajuit veel weghad van een lilliputsch koffiehuis,
dat door een hoogen vloed of eenig ander onheil van dien aard vlot was
geraakt en nu, de Hemel mag weten waarheen, lag te drijven. Maar zelfs
in deze kamer was een schommelstoel. Het zou trouwens onmogelijk zijn,
ergens in Amerika te wezen zonder een schommelstoel.

Ik zie er tegen op, te vertellen hoeveel voeten dit schip kort,
en hoeveel voeten het smal was: om nu de woorden lengte en breedte
op zoo'n afmeting toe te passen, zou een soort van zelftegenspraak
zijn. Maar dit kan ik nog constateeren, dat wij allen midden op 't
dek bleven, uit vrees dat de boot eens onverwachts mocht kantelen;
en dat de machine, dank hebbe een verwonderlijk condensatieproces,
juist tusschen 't dek en de kiel werkte, het geheel een warm kadetje
vormende van zoo wat drie voet dik.

Het regende den ganschen dag zooals ik eens dacht, dat het alleen
in de Schotsche Hooglanden kon regenen. De rivier zat vol drijvende
ijsschotsen, die gedurig onder ons knapten en kraakten; en de diepte
van water, waar we doorheen gingen om de groote massa's, die door den
stroom midden naar de rivier gevoerd waren, te vermijden, beliep maar
een duim of wat. Evenwel, we vorderden, we vorderden knapjes; en daar
we ons goed toegestopt hadden, trotseerden wij het weer en hadden
zelfs schik in ons leed. De Connecticut is een mooie rivier; en ik
twijfel niet of 's zomers zijn haar oevers zelfs prachtig. Althans dit
werd me verteld door een jonge dame in de kajuit, en als het bezit van
een eigenschap de eigenschap mede insluit om ze te kunnen waardeeren,
dan moest zij voorzeker bevoegd geacht worden om over schoonheid te
oordeelen, want een mooier schepsel zag ik in mijn leven niet.

Na twee en een half uur op deze origineele manier te hebben gereisd
(met inbegrip hiervan, dat we aan een kleine stad gestopt hadden, waar
we een saluut kregen van een kanon dat veel dikker was dan onze eigen
schoorsteen) kwamen wij te Hartford aan, en begaven ons onmiddellijk
naar een bij uitstek goed ingericht logement, met uitzondering,
oudergewoonte, van de slaapkamers, die op bijna iedere door ons
bezochte plaats erop ingericht waren, om iemand vroeg op te doen staan.

Hier vertoefden wij vier uur. De stad ligt prachtig in een kom
van groene heuvelen; de grond is rijk, boschrijk, en zorgvuldig
onderhouden. Zij is de zetel van de Wetgevende Vergadering van
Connecticut, welke wijze corporatie in vroeger dagen de vernieuwde
editie der zoogenaamde "Blauwe wetten" invoerde, krachtens welke--en
nu noem ik maar een enkel staaltje van haar verlichte bepalingen
op--burger, van wien bewezen kon worden dat hij 's Zondags zijn
vrouw gezoend had, strafbaar was, ik meen, met den stok. Tot op den
huidigen dag is er nog maar al te veel van den ouden puriteinschen
zuurdeesem in deze streek overgebleven, maar, voor zoover ik weet,
heeft dat nog volstrekt niet de uitwerking gehad, dat de bevolking
in haar handel en wandel ietwat menschelijker, ietwat redelijker
geworden is. Daar ik nog nooit van zoo'n gunstige uitwerking elders
gehoord heb, zoo kom ik voor mij tot de gevolgtrekking, dat men ze
ook niet zal beleven voor en aleer de kalveren met sint jutmus op
't ijs dansen. Waarlijk, wat groote uitstalling en uitgestreken
gezichten betreft, is 't mijn gewoonte, om de goederen der andere
wereld vrij wel met denzelfden maatstaf te beoordeelen waarmee ik de
goederen dezer wereld pleeg te beoordelen, en zie ik dan ook zoo'n
schacheraar in dergelijke artikelen zijn waar met ijselijk veel bluf
uitstallen, dan rijst bij mij op staanden voet de twijfel op, of 't
met de qualiteit van de waar daar binnen in wel recht pluis zal wezen.

In Hartford staat de vermaarde eik waar het charter van koning
Karel was verborgen. Hij behoort nu tot den tuin van een heer. In 't
Statenhuis is het charter zelf. Ik vond hier de rechtbanken precies
als in Boston; de openbare inrichtingen bijna evengoed. Het Gesticht
voor Krankzinnigen wordt op bewonderenswaardige wijze beheerd; zoo
ook het Doofstommen-Instituut.



Toen ik zoo door 't Krankzinnigen-Gesticht wandelde, vroeg ik mij
zelven gestadig af, of ik de oppassers wel anders van de patiënten
zou onderscheiden hebben dan door de weinige woorden, die er, met
betrekking tot de onder hun opzicht staande personen, tusschen de
eerstgenoemden en den dokter gewisseld werden. Het spreekt vanzelf,
dat deze opmerking enkel op hun uiterlijk slaat; want de conversatie
van 't gekke volkje was gek genoeg.

Er was een gemaakt oud dametje, die er erg opgeruimd uitzag. Zij schoof
me op zij aan 't einde van een lange gang, en deed me met een buiging
van onuitsprekelijke neerbuigende goedheid deze onverklaarbare vraag:

"Bloeit Pontefract nog, m'nheer, op Engelands bodem?"

"Ja, mevrouw," antwoordde ik.

"Toen u hem 't laatst zag mijnheer, was hij--"

"Wel, mevrouw," zei ik, "buitengewoon wel. Hij verzocht me, u zijn
groete te doen. Ik heb nooit gezien, dat hij er beter uitzag."

Op dit antwoord was de oude dame in de wolken van blijdschap. Nadat
zij mij een oogenblik aangekeken had, als om zich te overtuigen dat
ik meende wat ik zei, week zij een stap of wat achteruit; ging weer
naar voren; maakte op eens een sprong (waarop ik gauw een stap of
twee achteruit trad), en zei:

"Ik ben vóór den zondvloed geboren, m'nheer."

Ik dacht, dat het maar 't best was, te zeggen, dat ik dit van den
beginne af vermoed had. Ik zei haar dit dan ook.

"'t Is wel iets waar je niet weinig grootsch op kunt zijn, m'nheer,
en ook iets heel pleizierigs, vóór den zondvloed geboren te zijn,"
zei de oude dame.

"Dat meen ik ook, mevrouw," antwoordde ik.

De oude dame maakte een kushandje, deed nog een sprong, liep op
de vreemdsoortigste manier glimlachend de galerij af, en trad even
bedaard als gracieus haar eigen slaapkamer binnen.



In een ander gedeelte van 't gebouw lag een mannelijk patiënt te bed,
die er zeer bezweet en verhit uitzag.

"Wel!" zei hij en meteen sprong hij overeind en trok zijn slaapmuts
af. "Ten laatste is dan alles in orde. Met koningin Victoria heb ik
de zaak geschikt."

"Wat geschikt?" vroeg de dokter.

"Wat? Wel die zaak"--en hier streek hij met zijn hand over zijn
voorhoofd alsof hij vermoeid was--"die zaak over 't beleg van
New-York."

"Zoo, zoo!" zei ik als iemand voor wien plotseling een licht
opgaat. Want hij verwachtte van mij een antwoord. Dat merkte ik aan
de wijze waarop hij me aankeek.

"Ja, op ieder huis zonder teeken zullen de Britsche troepen
schieten. Aan de andere zal geen letsel gedaan worden. Zij, die veilig
wenschen te zijn, moeten vlaggen ophijschen. Dat's al wat ze te doen
hebben. Zij moeten vlaggen ophijschen."

Onder 't spreken scheen hij, naar 't mij voorkwam, er zelf een flauw
denkbeeld van te hebben, dat hij eigenlijk wartaal uitkraamde. Zoodra
hij deze woorden gezegd had, ging hij weer liggen, maakte een geluid
dat iets van gekreun weghad en trok de lakens over zijn heet hoofd.



Er was er nog een: een jonkman, die krankzinnig was geworden
door verliefdheid en hartstocht voor de muziek. Nadat hij op den
accordeon een door hem zelven gecomponeerden marsch gespeeld had,
gaf hij onstuimig zijn verlangen te kennen, dat ik bij hem op zijn
kamer zou komen, wat ik onmiddellijk deed.

Ik deed nu precies of ik er al alles van wist, schikte me naar zijn
bijzondere neigingen, en liep zoo naar 't raam toe, waar men een
prachtig uitzicht had, terwijl ik met een à plomp, waar ik mij zelven
niet weinig op voor liet staan, de opmerking maakte:

"Wat 'n liefelijke streek heeft u hier om u heen."

"Bah!" zei hij en meteen streek hij onachtzaam over de tonen van zijn
instrument: "Voor zoo'n gesticht als dit, is 't mooi genoeg!"

Ik geloof niet, dat ik ooit in mijn leven zoo beteuterd heb staan
te kijken.

"'t Is maar voor de aardigheid, dat ik hier ben," zei hij
koeltjes. "Dat's alles."

"Zoo! Is dat alles!" zei ik.

"Ja. Dat's alles. De dokter is 'n goeie kerel. Hij merkt 't wel,
dat 't maar 'n grap van me is. Voor 'n enkelen keer hou 'k wel van
zoo'n aardigheid. Je hoeft 't niet over te babbelen, maar aanstaanden
Donderdag denk ik weer heen te gaan."

Ik verzekerde hem, dat er van ons gesprek, als van geheel
vertrouwelijken aard, geen woord uit zou lekken, en zocht daarna
den dokter weer op. Zooals wij een galerij doorgingen kwamen wij een
netgekleede dame van hoogst beschaafde manieren tegen, die mij een
reepje papier en pen aanbood, en mij verzocht, daar iets eigenhandig
op te schrijven.

Ik voldeed aan haar verzoek, en we gingen verder.

"Bedrieg ik me niet, dan heb ik buiten deze muren meermalen zulke
gesprekken gehad met dames. Deze dame is toch niet krankzinnig,
wil ik hopen?"

"Ze is gek."

"Op wat voor punt? Wil ze van iedereen eigenhandig schrift hebben?"

"Neen. Ze hoort stemmen in de lucht."

"Zoo, zoo!" dacht ik, "'t zou niet kwaad wezen, als we een stuk of
wat hedendaagsche profeten, die aan 't zelfde euvel mank gaan, ook
opsloten; en ik zou er niets tegen hebben, als we, om te beginnen,
de proef eens namen op een paar Mormonen."



In dèze plaats vindt men de beste gevangenis ter wereld voor dezulken,
die preventief gevangen zitten. Ook is er een zeer goed ingerichte
Staatsgevangenis, die op dezelfde leest geschoeid is als de gevangenis
te Boston, met dit onderscheid, dat hier altijd een soldaat op
schildwacht staat met een geladen geweer. Toen ter tijd waren er
ongeveer tweehonderd gevangenen in. Er werd me in de slaapzaal een
plek aangewezen, waar eenige jaren geleden een oppasser vermoord was
geworden in 't holle van den nacht door een gevangene die uit zijn
cel was gebroken en daarna een wanhopige poging had gewaagd om te
ontsnappen. Ook wees men mij een vrouw aan, die haar man vermoord
had en nu al zestien jaar moederziel alleen gezeten had.

"Wat dunkt u?" vroeg ik mijn geleider, "zou die vrouw, die nu al zoo
lang gezeten heeft, nog altijd hoop koesteren, dat ze eenmaal weer
op vrije voeten zal komen?"

"Wel wis en zeker," antwoordde hij.

"Maar ik veronderstel, dat ze geen kans heeft, om haar vrijheid terug
te krijgen, niet waar?"

"Ja, dat weet ik niet. Haar vrienden wantrouwen haar."

"Wat hebben die daarmee te maken?" vroeg ik natuurlijk.

"Wel, zij willen geen request voor haar indienen."

"Maar als ze 't nu eens deden, me dunkt, dan kreeg zij nog geen
gratie?"

"In den eersten tijd misschien niet; ook niet bij een tweede request;
maar een aanhouder wint; door dus telkens en telkens op 't zelfde
aanbeeld te kloppen, zouden ze na verloop van jaren hun zin wel
krijgen."

"Gebeurt dat hier meer?"

"Ja, meer dan eens. Staatkundige vrienden zullen 't soms doen; ze doen
't zelfs dikwijls, langs den een of anderen weg."



Aan Hartford zal ik steeds met groot genoegen en dankbaarheid blijven
denken. Het is waarlijk een allerliefste plaats, en ik had er tal van
vrienden, die ik mij nooit met onverschilligheid kan herinneren. In
alles behalve opgeruimde stemming verlieten we dan ook deze stad op
den avond van Vrijdag den 11den, en reisden dien nacht per spoor naar
New Haven. Onderweg werden de conducteur en ik formeel bij elkaar
geïntroduceerd (gelijk zulks bij dergelijke gelegenheden placht
te geschieden), waarna we met elkaar over koetjes en kalfjes gingen
spreken. Na een reis van drie uur bereikten we New Haven tegen achten,
en brachten den nacht in 't beste logement door.

New Haven, ook onder den naam van City of Elms (stad der Olmboomen)
bekend, is een mooie stad. Verscheiden van haar straten zijn (zooals
haar alias genoegzaam te kennen geeft) met rijen groote oude olmen
beplant; en dat zelfde sieraad der natuur omringt Yale College,
een inrichting van 't uiterste gewicht en groote vermaardheid. De
verschillende afdeelingen dezer inrichting zijn in een soort van park
midden in de stad opgericht, waar zij onder de lommerrijke boomen maar
flauw zichtbaar zijn. Het effect staat vrij wel gelijk met het plein
eener oude hoofdkerk in Engeland; en als de boomen, vol in blad staan,
dan kan 't niet anders of dit moet een allerschilderachtigst gezicht
opleveren. Zelfs 's winters bieden deze groepen van goed uitgegroeide
boomen onder de drukke straten en huizen eener bedrijvige stad een
allerkeurigst gezicht aan. Het heeft er toch wel iets van weg, alsof ze
een soort van compromis tusschen stad en land tot stand brengen, door
elkander halverwege te gemoet te gaan en daarna de hand te schudden,
iets wat èn nieuw èn pleizierig is.

Na een nacht te hebben uitgerust, stonden we vroeg op en gingen
bijtijds naar de werf, en aan boord van de packet New-York, naar
New-York. Dit was de eerste Amerikaansche stoomboot van eenigen
omvang, die ik gezien had; en toch geleek ze in een Engelsch oog nog
oneindig minder op een stoomboot dan een groot drijvend bad. Het kwam
mij inderdaad voor, alsof de badinrichting van Westminster Bridge,
die ik verliet, toen ik nog niet recht droog achter de ooren was,
op eens tot een colossalen omvang uitgedijd was; dat ze van huis
weggeloopen was en 't in den vreemde tot een stoomboot had weten te
brengen. Hier in Amerika, waar onze doordraaiers het zoo bijster op
begrepen hebben, kwam mij zoo iets des te waarschijnlijker voor.

Wat het uiterlijk betreft, is het groote verschil tusschen deze
packets en de onze dit, dat zij zoo hoog boven water liggen. Zoo is
het hoofddek rondom besloten en vol vaten en goederen, gelijk een
tweede of derde verdieping in een pakhuis, terwijl het wandeldek er
boven ligt. Een gedeelte der machinerie is altijd boven dit dek,
waar men de verbindingsstang in een sterk en hoog raam kan zien
werken gelijk een zaag in een houtzaagmolen. Zelden is daar iets
dat op een mast of takelage gelijkt: niets anders dan twee groote
zwarte schoorsteenen. De man, die aan 't roer staat, is opgesloten
in een klein huisje aan 't vooreinde der boot (men moet weten, dat
het rad door middel van ijzeren kettingen met het roer verbonden is,
die langs de geheele lengte van 't dek werkt); en gewoonlijk houden
de passagiers zich beneden op, tenzij het weer al heel uitlokkelijk
mocht zijn. Zoodra gij de werf achter den rug hebt, houdt alle drukte
en bereddering op een packet op. Verwonderd vraagt gij u zelven af,
hoe ze toch vooruitgaat, want 't schijnt wel dat niemand zich met haar
bemoeit; en komt een andere logge machine u voorbijspatten, dan voelt
ge u niet weinig verontwaardigd over de nabijheid van zoo'n somberen,
wanstaltigen, op alles behalve op een schip gelijkenden leviathan,
ten eenenmale over 't hoofd ziende, dat het schip, waar gij aan boord
zijt, er gerust een broertje van kon wezen.

Er is altijd een boekhouderskantoortje op 't tweede dek, waar ge
uw vracht betaalt; een dameskajuit; bagagekamers; een kamer van den
machinist; om kort te gaan, 't is een echte warboel, die 't iemand
nogal moeielijk maakt, om de heerenkajuit te vinden. Deze kajuit
beslaat dikwijls de geheele lengte der boot (gelijk ook ditmaal het
geval was) en heeft drie of vier rijen kooien aan weerszijden. Toen ik
voor 't eerst in de kajuit van de New-York kwam, geleek ze in mijne
oogen, die aan zoo iets ongewoon waren, zoo lang als de Burlington
Arcade.

De zeeëngte, die men op deze reis moet oversteken, levert een alles
behalve veiligen of pleizierigen tocht op, en is het tooneel van
menig ongeval geweest. Het was een natte morgen, en zeer mistig,
en wij verloren spoedig het land uit het oog. Over dag hield
het evenwel op met regenen, en tegen den middag klaarde het weer
geheel en al op. Na met behulp van een vriend de provisiekamer en
de bergplaats van 't gebottelde bier terdege te hebben aangesproken,
ging ik naar bed, daar de beslommeringen van gisteren me erg vermoeid
hadden. Maar bijtijds werd ik wakker en repte me om de Hellepoort,
den Zwijnenrug, de Braadpan en andere beruchte plekken te zien, die
voor al de lezers van Diedrich Knickerbocker's vermaarde geschiedenis
zooveel aantrekkelijks hebben. Nu bevonden wij ons in een nauwe vaart
met schuin loopende oevers aan weerskanten, die als bezaaid waren
met keurige villa's, en het gezicht liefelijk aandeden door hun gras
en boomen. Fiks doorstoomende, passeerden we een vuurtoren en een
gekkenhuis (waarvan de ongelukkige bewoners met hun petten zwaaiden
en een leven maakten, als wilden zij het geraas der machines en het
geklots der golven overschreeuwen); daarna voeren we een gevangenis en
andere gebouwen voorbij; en zoo kwamen we eindelijk in een fraaie baai
waarvan het water, door een nu geheel en al onbewolkte zon beschenen,
omhoog spatte gelijk de hemelwaarts gekeerde oogen der Natuur.

Zoo lagen er dan voor ons aan onze rechterhand verwarde hoopen
gebouwen, met hier en daar een spits of toren, die als 't ware op
de kudde daar beneden neerzag; en weer hier en daar een rookwolk die
traag naar boven ging; en op den voorgrond een bosch van scheepsmasten
met vroolijk klapperende zeilen en wapperende vlaggen. Uit hun midden
stormden veerbooten naar den overkant, die beladen waren met menschen,
paarden, wagens, manden en kisten. Andere veerbooten kruisten er
doorheen, kortom alles was in beweging, alles was in de weer. Als
wezens eener hooger orde en die minachtend neerzagen op de nietige
reizen van die anderen, bewogen zich met eene majestueuse bedaardheid
een stuk of drie groote schepen statig onder de rustelooze insecten,
koers zettende naar den grooten oceaan. Eindelijk zag men glinsterende
hoogten en eilanden op de schitterende rivier, en een gezichteinder
nauwelijks minder blauw en helder dan de lucht die hij tegen scheen
te komen. Het stadsrumoer, het klinken van kaapstanders, het gelui
van klokken, het blaffen van honden, het geratel van wielen, dat
alles klonk ons in 't oor. Al dat leven, al dat geraas, dat zich
vermengde met het eigenaardig geluid van 't water, kreeg om zoo te
zeggen nieuw leven, nieuwe geestkracht van dit vrijwillig samenzijn,
en zoo gleed ons schip over de schuimende en spattende golven heen
en bereikte eindelijk de woelige haven, om daar anderen te verwelkomen.



VI.

NEW-YORK.


De prachtige hoofdstad van Amerika is in de verte niet zoo zindelijk
als Boston, maar vele van haar straten onderscheiden zich door dezelfde
eigenaardigheid; behalve dat de huizen niet zoo frisch van kleuren
zijn, de uithangborden niet zoo opzichtig, de vergulde letters niet zoo
zwaar verguld, de baksteen niet zoo rood, de gehouwen steen niet zoo
wit, de blinden en leuningen niet zoo groen, de knoppen en plaatjes aan
de straatdeuren niet zoo helder en zoo blinkend. Er zijn verscheidene
achterstraten die bijna even neutraal zijn in heldere kleuren en
positief in vuile kleuren, als dit met achterstraten in Londen het
geval is; en er is één wijk, gewoonlijk de Vijf Punten genoemd, die,
wat vuiligheid en armzaligheid betreft, gerust vergeleken kan worden
met Seven Dials of eenig ander gedeelte van 't beruchte St. Giles.

Zooals de meesten zullen weten, is Broadway de drukste en meest
bezochte straat. Dit is een wijde en woelige straat, die, van de
Battery Gardens naar zijn uitgangspunt, dat in een landweg uitkomt, zoo
wat vier mijlen lang zal wezen. Komaan, wat zullen we doen? Me dunkt,
we moesten maar eens wat uit gaan rusten op een der bovenkamers van
't Hotel "The Carlton House," dat op het beste gedeelte van deze
kolossale slagader van New-York staat, en zijn we vermoeid van 't
kijken naar al dat leven, daar beneden aan onzen voet, dan kunnen we
gearmd opstappen en den stroom volgen.

O wat is 't warm! De zon steekt ons door dit open raam op 't
hoofd, alsof haar stralen door een brandglas geconcentreerd waren;
maar we zijn ook midden op den dag, en 't is een buitengewoon warm
seizoen. Heeft men ooit in zijn leven zoo'n zonnige straat als deze
Broadway gezien? De straatsteenen worden van al dat geloop zoo glad,
dat ze opnieuw beginnen te glinsteren; de roode baksteenen der huizen
schijnen nog wel in den heeten oven te liggen; en de hemels van
die omnibussen zien er uit alsof ze, bijaldien er water op gestort
mocht worden, aan 't sissen en rooken en rieken zouden gaan als
een half uitgedoofd vuur. Aan omnibussen geen gebrek hier! Een half
dozijn hebben wij voorbij zien rijden in minder dan een half dozijn
minuten. Ook huurrijtuigen en koetsen ziet men hier bij de vleet;
sjeezen, phaëtons, tilbury's met groote wielen, en particuliere
rijtuigen--van een nogal plomp model, en die niet veel verschillen van
de openbare rijtuigen, maar gemaakt zijn met het oog op de zware wegen
buiten de stad. Zwarte koetsiers en blanke; met stroohoeden, zwarte
hoeden, witte hoeden, verlakte petten, en bonte petten; met zwarte,
bruine, groene, blauwe, nankingsche en linnen jassen; en daar ziet
ge ook in 't zelfde oogenblik (kijk goed toe als ze voorbijgaat, of
't zal te laat zijn) een equipage met knechts in livrei. Dat behoort
zeker aan den een of anderen republikein uit het Zuiden, die zijn
zwarten in livrei steekt en al de staatsie van een sultan ten toon
spreidt. Daar ginds, waar die phaëton met de grijze kortstaarten
stil is blijven staan--nu staat hij voor hun koppen--is een groom
uit Yorkshire, die hier nog niet lang geweest is en goed rondkijkt
naar een kameraad van zijn kaliber, dien hij wel niet tegen zal
komen al rijdt hij een half jaar lang de stad door. Lieve hemel,
wat gaan hier de dames gekleed! In deze tien minuten hebben wij
meer kleuren gezien, dan we elders zouden gezien hebben in evenveel
dagen. Wat verscheidenheid van parasols! Wat zijden en satijnen japons
in alle kleuren van den regenboog! Wat sluiten die dunne kousen om
't been! Wat passen die dunne schoentjes goed! Wat waaien en zwaaien
die linten en zijden kwasten! Wat 'n opschik van rijke mantels met
prachtige hoeden en niet minder prachtige voering! Naar ge ziet, maken
de jonge heeren nogal werk van hun omgeslagen boorden en bakkebaarden,
doch vooral van wat daar groeit onder hun kin; maar in hun kleeding
en manieren kunnen zij onmogelijk met de dames concurreeren, daar,
om de waarheid te zeggen, hun beschaving van een geheel ander allooi
is. Byrons van den lessenaar en de toonbank, gaat maar door, en laat
ons zien wat voor soort van menschen daar achter u komen, ik bedoel
die op zijn Zondags gekleede twee landbouwers, waarvan de een een
gefrommeld stukje papier in zijn hand houdt, met een moeielijken naam
er op, dien hij probeert te ontcijferen, terwijl de ander dien naam
aan al de deuren en ramen opzoekt.

't Zijn beiden Ieren! Al droegen ze ook een masker, men zou ze
herkennen aan de lange panden hunner blauwe rokken, aan hun glimmende
knoopen, en aan hun bruine broeken, die zij dragen als lui, die wel
gewoon zijn aan een werkpak en zich in andere kleeding niet op hun
gemak voelen. Het zou u ongemakkelijk vallen, om uw model-republiek
aan den gang te houden zonder de mannelijke en vrouwelijke landslui
van die twee landbouwers. Want wie zou anders voor u graven en spitten,
sloven en slaven, uw huiswerk verrichten, wegen en kanalen aanleggen en
uw groote plannen tot verbetering van uw binnenlandschen toestand ten
uitvoer leggen? Ieren zijn 't, Ieren, die soms nog wel met de handen in
't haar zitten, om datgene te worden wat ze zoeken. Komt, laten wij ze
dan op gaan zoeken, en hun de behulpzame hand gaan bieden! Laten we
dat doen uit liefde tot ons huis en dien geest van vrijheid, die aan
eerlijke lieden eerlijken arbeid, en aan eerlijken arbeid een eerlijk
stuk brood verschaft, onverschillig waar die arbeid in moge bestaan.

Zoo is 't goed! Wij hebben eindelijk het rechte adres gevonden,
ofschoon het waarlijk met vreemdsoortige letters geschreven is,
ja misschien neergekrabbeld met den stompen steel van de schop waar
de schrijver beter mee weet om te gaan dan met een pen. Hun weg ligt
ginds, maar wat moeten zij daar uitvoeren? Zij hebben hun overgewonnen
geld bij zich. Om 't op renten te zetten? Neen, zij zijn broers, die
mannen. De een stak alleen de zee over, werkte een half jaar zoo hard
hij maar kon, en leefde zoo sober mogelijk, totdat hij geld genoeg
had, om zijn broer over te laten komen. Eenmaal bij elkaar werkten
zij te zamen; met een tevreden hart deelden zij den zwaren arbeid
en de sobere levenswijze samen, maar nu met een ander oogmerk, en
toen kwamen hun zusters, toen nog een broer, en eindelijk hun oude
moeder. En wat nu? Wel, de arme oude stumper heeft in dat vreemde
land rust noch duur, en smacht er naar, dat, zooals zij zegt, haar
gebeente moge rusten onder haar eigen volk op 't oude kerkhof thuis,
en nu gaan zij haar overtocht betalen.... Moge God haar nabij zijn,
haar en hun, en ieder eenvoudig hart, en allen die naar 't Jeruzalem
hunner kindsheid wederkeeren en een altaarvuur hebben op den kouden
haard hunner vaderen.

Deze nauwe passage, waar de zon zoo op staat te gloeien en te blakeren,
is Wall Street: de Stock Exchange (Effectenbeurs) en Lombardstreet
van New-York. Menigeen heeft in deze straat gauw fortuin gemaakt,
en menigeen is in deze zelfde straat niet minder gauw ongelukkig
geworden. Sommige van deze zelfde kooplui, die ge hier nu rond
ziet scharrelen, hebben, evenals de man in de "Duizend en één
nacht-vertellingen," geld in hun ijzeren kisten opgesloten, hebben die
kisten opengemaakt en..... er niets anders dan verlepte bladeren in
gevonden. Daar beneden aan den waterkant, waar de boegsprieten der
schepen, over de kaai heen, bijna in de ramen te land komen, daar
liggen die kostbare Amerikaansche schepen, die hun packetdienst tot
de voortreffelijkste ter wereld gemaakt hebben. Zij hebben hier de
vreemdelingen aangebracht, die in al de straten krioelen; misschien
niet omdat er hier meer zijn dan in andere koopsteden, maar elders
hebben zij particuliere plaatsen, waar men ze op moet zoeken; hier
overstroomen zij de stad.

Alweer moeten wij Broadway door. Maar nu verfrisschen we ons van
de hitte door 't gezicht van de groote blokken kristalhelder ijs,
die naar winkels en koffiehuizen gebracht worden; een verfrissching
waar de pijnappelen en watermeloenen, die bij de fruithandelaren in
grooten getale uitgestald zijn, niet weinig toe bijdragen.

Wat prachtige huizen ziet men hier in al die mooie straten!--Wall
Street heeft er, en heel dikwijls ook, velen van zien opbouwen en
weer zien afbreken--en daar een donker groene, lommerrijke square. Ge
kunt er op aan, dat is een gastvrij huis met bewoners, waar men
altijd met toegenegenheid aan denken zal, ik bedoel dat huis dáár,
waar de deur openstaat en ge van binnen die vroolijke planten gewaar
wordt, en waar 't kind met lachende oogjes uit het raam kijkt naar
den kleinen hond beneden. Ge kijkt vreemd op en vraagt u zelven af,
waar die hooge vlaggestok in de achterstraat toe dient, met iets er
bovenop, dat wel iets weg heeft van een vrijheidsmuts. Zoo gaat het
mij ook. Maar in deze buurt houdt men hartstochtelijk veel van groote
vlaggestokken, en als ge er maar acht op geeft, zult gij binnen vijf
minuten den tweelingbroer van dien vlaggestok vinden.

Al weer Broadway door, en zoo--de bontgekleurde menigte en schitterende
winkels voorbij--en zoo naar een andere lange hoofdstraat, de Bowery
genaamd. Kijk, daar ginds is een spoorweg, waar twee fiere paarden
langs draven, en die met gemak een stuk of veertig passagiers en een
groote houten ark voorttrekken. De uitstallingen zijn hier armer;
de voorbijgangers minder vroolijk. Gemaakte kleeren en klaargemaakt
eten kan men in deze buurt te koop krijgen; en het levendig geratel
van rijtuigen maakt hier plaats voor den doffen dreun van karren en
wagens. Die uithangteekenen, die men in den vorm van bakentonnen en
kleine ballons aan staken ziet bengelen, maken er u attent op, als ge
naar boven kijkt, dat daar "oesters op allerlei manier klaargemaakt"
te koop zijn. 's Avonds verleiden ze de hongerige magen 't meest,
want dan glinsteren er vetkaarsjes van binnen, die deze uitlokkende
woorden verlichten en de leegloopers doen watertanden als ze hier
loopen te kuieren en dat opschrift lezen.

Wat is dat voor 'n allerakeligst, in bastaard Egyptischen stijl
opgetrokken gebouw, dat zich daar als een toovenaarspaleis in een
melodrama voordoet? Wat dat is? Een beruchte gevangenis, De Graven
genaamd. Zullen we 'r reis ingaan?

Goed! Het is een lang, smal, hoog gebouw, oudergewoonte door een kachel
verwarmd, met vier galerijen boven elkaar, die er omheen loopen,
en door middel van een trap gemeenschap met elkaar hebben. Tusschen
de twee zijden van iedere galerij, en in 't midden daarvan, een brug
om des te gauwer over en weer te kunnen komen. Op iedere brug zit een
man òf te dutten òf te lezen, òf met een kameraad, die niets uitvoert,
te babbelen. Op elke galerij zijn twee rijen kleine ijzeren deuren
tegenover elkaar. Ze hebben wel iets van fornuisdeurtjes, maar zijn
koud en zwart, alsof het vuur van buiten uit was gegaan. Een stuk of
drie staan er open, en vrouwen met voorovergebogen hoofd ziet men met
de gevangenen praten. Het geheel wordt verlicht door een zoogenaamde
daklantaren, maar die is bijna dicht; en van 't dak bengelen, lenig
en slap, twee nuttelooze koelzeilen.

Daar komt een man met sleutels om ons rond te leiden. De vent ziet
er gunstig uit en is zelfs, op zijn manier, beleefd en gedienstig.

"Zijn deze zwarte deuren de cellen?"

"Ja."

"Zijn ze allemaal vol?"

"Wel, dat scheelt niet veul, want waarheid is waarheid, dat spreekt
als 'n boek."

"Die onderste cellen zijn stellig ongezond, niet waar?"

"Och, daar stoppen we alleen kleurlingen in. Ja, zoo is 't."

"Wanneer nemen de gevangenen eenige beweging?"

"Wel, ook zonder dat blijven ze vrij gezond."

"Wandelen ze nooit eens in den tuin?"

"Al heel zelden."

"Somtijds toch wel, veronderstel ik?"

"Och, maar heel zelden. Zonder dat zien ze 'r vrij goed uit."

"Maar gestel nu eens, dat iemand twaalf maanden lang moet zitten. Ik
weet, dat dit alleen een gevangenis is voor misdadigers, die zware
misdaden tot hun last hebben, terwijl ze hun terechtstelling afwachten
of na 't verhoor weer hier naar toe gebracht worden, maar de wet
doet hier immers den misdadigers tal van middelen van uitstel aan de
hand. Nu geloof ik, dat zoolang de terechtzittingen over hem duren, of
wat dies ook zij, hij hier toch wel een maand of twaalf in voorarrest
zal blijven?"

"Ja, zoolang zal dat wel duren."

"En in al dien tijd zal zoo iemand dus nooit die kleine ijzeren deur
uitgaan, om wat beweging te nemen, heb je me dat niet verteld?"

"O, hij mag wel een beetje wandelen, maar niet lang."

"Wil je wel een van de deuren opendoen?"

"Wel zeker, als u daar zoo op gesteld is."

De sloten knarsen en rammelen, en langzaam draait een der deuren op
haar scharnieren. Laten we 'r reis een kijkje in nemen. Hoe ziet ze
'r uit? 't Is een kleine kale cel, waar het licht in doordringt door
een spleet heel boven in den muur. Men vindt er geen ander meublement
dan een ruw ding dat een waschtafel moet verbeelden, een tafel en
een krib. Op die krib zit een man van zestig jaar te lezen. Een
oogenblik kijkt hij op, maakt met zijn hoofd een gebaar van gemelijk
ongeduld en slaat dan weer zijn oogen op zijn boek. Zoodra wij onze
hoofden terugtrekken, wordt de deur weer voor zijn neus dicht gedaan,
en evenals te voren gesloten. Deze man heeft zijn vrouw vermoord en
zal waarschijnlijk worden opgehangen.

"Hoelang is-i hier al geweest?"

"Een maand."

"Wanneer komt-i voor?"

"Bij de eerstkomende zitting."

"Wanneer is dat?"

"De volgende maand."

"Al is 't doodvonnis over hem uitgesproken, dan mag zoo iemand in
Engeland toch nog wat beweging nemen in de open lucht."

"Is 't mogelijk?"

Op wat voor schrikkelijk en onuitsprekelijk koelen toon zegt hij dit,
en hoe slungelachtig brengt hij ons naar den kant waar de vrouwen
zitten, terwijl hij onder 't loopen van den sleutel en de trapleuning
een soort van ijzeren castagnette maakt!

Iedere celdeur aan dezen kant heeft een kleine vierkante
opening. Sommige der vrouwen kijken er nieuwsgierig doorheen,
zoodra zij maar voetstappen vernemen; andere duiken van schaamte
achteruit.--Om wat voor vergrijp kan dat eenloopende kind, van een
jaar of twaalf, hier opgesloten zijn? En wat doet die jongen hier? Hij
is de zoon van den gevangene, dien we zoo even zagen; is een getuige
tegen zijn vader, en wordt hier voor alle securiteit gehouden totdat
zijn vader voor is geweest: dat 's alles.

"Maar is dit nu een plaats voor een kind, om daar dagen en nachten
lang door te brengen?! Zoo'n akelige, nare plaats! Me dunkt, zoo'n
behandeling is wat al te bar voor zoo'n jeugdig getuige. Wat zegt
onze wegwijzer er van?"

"Wat ik er van zeg, meneer? Wel, dat die jongen hier een gemakkelijk
leventje leidt; anders niets!"

En weer klinkt hij met zijn metalen castagnette en leidt ons op zijn
gemak verder. Onder 't gaan valt me nog iets in, dat ik hem vragen wil.

"A propos, waarom noemen ze deze plaats De Graven?"

"Wel, dat 's zoo de manier."

"Nu ja, maar waarom?"

"Toen ze pas gebouwd was, hebben hier nogal wat zelfmoorden plaats
gevonden. Ik denk, dat 't daar vandaan komt."

"Ik zag daar juist, dat die man zijn kleeren maar op den vloer van
zijn cel neergegooid heeft. Noodzaak je de gevangenen niet, om zich
ordelijk te gedragen en zulke dingen behoorlijk weg te bergen?"

"Waar zouden zij ze wegbergen?"

"Zeker niet op den grond. Me dunkt, hij moest ze ophangen."

Hij blijft staan en kijkt rond om zijn woorden meer klem en nadruk
bij te zetten.

"En mij dunkt, dat 't er dan mooi uit zou zien! Hadden ze krammen,
dan hingen ze 'r niet hun goed, maar hun eigen corpus an, en om die
reden zijn ze dan ook uit iedere cel weggenomen, en kan je alleen de
moeten zien, waar ze gezeten hebben."

De binnenplaats der gevangenis, waar hij nu ophoudt, is het tooneel
geweest van verschrikkelijke dingen. Hier toch, op deze nauwe, op een
graf gelijkende plaats, worden de menschen gebracht, die de doodstraf
moeten ondergaan. Het ongelukkige schepsel staat onder de galg op
den grond, met het touw om zijn nek; en als het sein gegeven wordt,
komt een zwaar gewicht aan 't andere eind van 't touw naar beneden
schieten en... als een lijk bengelt de rampzalige in de lucht.

De wet vereischt, dat de rechter, de jury en een vijf-en-twintigtal
burgers bij dat akelig schouwspel tegenwoordig zijn. Voor 't publiek
is het verborgen. Voor de losbandigen en slechten blijft het een
ontzettend geheim. Als een sluier, als een dikke ondoordringbare sluier
is de gevangenismuur tusschen den misdadiger en hen opgetrokken. De
muur is als 't ware de gordijn van zijn sterfbed, zijn doodshemd en
zijn graf. De muur sluit hem af van 't leven en van al die drangredenen
om tot zelfs in die laatste ure geen berouw te toonen, tot zelfs in
die laatste ure nog even verstokt van hart te blijven, die louter door
't gezicht van anderen maar al te vaak kunnen opgewekt worden. Ja
daar zijn geen brutale oogen om hem brutaal te maken; daar zijn geen
schurken om hem op te hitsen dat hij toch zijn roep als schurk tot
aan den jongsten snik handhave. Al wat achter dien onbarmhartigen
steenen muur is, is hem een onbekende ruimte.

Laten we weer naar de vroolijke straten gaan!

Alweer naar Broadway! Hier zijn dezelfde opzichtig gekleede dames, die,
gepaard of alleen, heen en weer wandelen; daar dezelfde lichtblauwe
parasol die twintigmaal het raam van ons hotel voorbijging, toen wij
daar voor zaten. We willen hier oversteken. Pas op de varkens. Twee
zwaarlijvige zeugen draven achter dit rijtuig, en een uitgezochte
partij van een half dozijn heeren-zwijnen zijn juist den hoek
omgeslagen.

Hier is een eenloopend varken, dat in zijn eentje naar huis
sukkelt. Hij heeft maar een oor; het andere is hij kwijt geraakt
in den loop van zijn uitstapjes door de stad, die hem menigmaal met
rondzwervende honden in botsing hebben gebracht. Maar hij schijnt zich
in zijn leed nogal wel te schikken; althans hij leidt een flaneerend,
iets heerachtig, vagebondig leven, kortom, nagenoeg zoo'n leventje
als onze sociëteits-bezoekers thuis. Op een bepaald uur verlaat hij
iederen morgen zijn logies, kuiert de stad in, brengt zijn dag door op
een manier dat hij er zelf volkomen over tevreden is, en verschijnt
geregeld weer 's avonds aan de deur van zijn eigen huis, evenals
de geheimzinnige meester van Gil Blas. Hij is een frank en vrij,
zorgeloos, onverschillig slag van varken, heeft een massa kornuiten
onder andere varkens van 't zelfde karakter, die hij eer van aangezicht
dan persoonlijk kent, daar hij zich zelden de moeite geeft om stil te
staan en complimenten te wisselen, maar al knorrende zijn gang gaat,
om al de nieuwtjes van de stad in den vorm van koolstronken en afval
op te doen, en daarbij niets anders inbrokt dan een stuk van zijn
staart, die al heel kort is, daar zijn oude vijanden, de honden,
er ook bij geweest zijn en altijd gemaakt hebben, dat hij 't hard te
verantwoorden had. In leder opzicht is hij een republikeinsch varken,
daar hij overal gaat waar 't hem maar goeddunkt, en zich met het beste
gezelschap op een gelijken, zoo al niet superieuren voet vermengt, want
ieder gaat uit den weg als hij voor den dag komt, en de hoogmoedigste
laat hem, als hij dit mocht verkiezen, den huizenkant voorbijgaan. Hij
is een groot wijsgeer, en zelden onthutst, behalve door de zoo even
vermelde honden. Soms zou men hem wel met zijn kleine oogjes kunnen
zien knippen naar een geslachten vriend, wiens geraamte den deurpost
van een slagerswinkel versiert, maar hij bromt bij zich zelf: "Zoo is
't leven: alle vleesch is varkensvleesch!" steekt zijn neus maar weer
wroetend in de vullis en schommelt langs de riolen, zich troostende
met de overweging dat er nu weer een snuit minder is om zich aan
koolstronken en andere dergelijke lekkernijen goed te doen.

Om de waarheid te zeggen, zijn deze varkens de
stadsstraatvegers. Leelijke dieren zijn ze, want meerendeels hebben
ze schrale, bruine ruggen, zoo wat in den trant van oude paardenharen
koffers: met ongezonde zwarte puisten bevlekt. Ook hebben ze lange,
dunne pooten en zulke spitse snuiten, dat, als een hunner kon
overgehaald worden om zoo te gaan poseeren, dat men hem en profiel uit
kon teekenen, niemand zou zeggen, dat het op een varken geleek. Nooit
worden ze opgepast, of gevoed, of gedreven, of gevangen, maar zijn van
kindsbeen af aan hun eigen lot overgelaten, iets wat niet missen kan
of 't moet hen tot bijdehandjes van de eerste klasse maken. Zoo weet
ieder varken dan ook precies waar hij woont, veel beter dan iemand
hem zou kunnen vertellen. Op dit uur, de avond valt juist in, zult ge
ze bij dozijnen naar bed zien schommelen: voor 't laatst doen ze, en
passant, zooveel mogelijk hun buikje te goed. Nu kan 't wel gebeuren,
dat de een of andere jongeheer, die zijn maag wat al te zeer overladen
of 't met de andere honden wat al te kwaad gekregen heeft, als de
verloren zoon druipstaartend naar huis draaft, maar zoo iets behoort
onder de zeldzaamheden: volkomen zelfbeheersching, zelfvertrouwen en
onverstoorbare bedaardheid, ziedaar hun eerste eigenschappen!

De straten en winkels zijn nu verlicht; en als men zijn oogen rond
laat weiden over de lange passage, waar 't één licht al licht is,
dan denkt men onwillekeurig aan Oxford Street of Piccadilly. Hier en
daar komt een vleugel van een breede steenen keldertrap voor den dag,
en wijst u een geschilderde lamp den weg naar 't Balspel-Salon of de
Kegelbaan met de Tien Kegels: een nieuw spel, dat niet alleen door
't toeval beslist wordt, maar waar ook en wel deugdelijk verstand
bij te pas komt, en dat uitgevonden is geworden toen de Wetgeving
een akte uitvaardigde die het Negen-Kegelspel verbood. Bij andere
naar beneden gaande trappen zijn andere lampen, die de plaatsen der
oesterhuizen aanwijzen--pleizierige lokalen, dat durf ik verzekeren,
niet alleen omdat er de oesters op zoo'n verwonderlijke wijze
gekookt worden, oesters bijna zoo groot als kaaskoppen (is dat geen
kolfje naar uw hand, o erentfeste professoren in 't Grieksch!), maar
omdat van alle soorten van visch- of vleesch- of gevogelte-eters de
oesters-smulpapen alleen hier niet bij elkaar zitten, maar, zich als 't
ware schikkende naar den aard van datgene, wat ze naar binnen werken,
en de preutschheid kopieerende van 't ding dat ze opeten, insgelijks
in hun schulp kruipen, met andere woorden, apart in kleine hokjes gaan
zitten met gordijnen er voor, met hun tweeën, niet met hun tweehonderd.

Maar wat zijn de straten stil! Zijn er geen straatmuzikanten? geen
blaas- of strijkinstrumenten? Neen, geen een. Wat! Zijn er over
dag geen poppenkasten, geen dansende honden, geen goochelaars, geen
geestenbezweerders, geen koorddansers, zelfs geen draaiorgels? Neen,
geen een. Toch, ik herinner me er een. Een, zegge één draaiorgel en
een dansend aapje--een spring-in-'t-veld van natuur, maar wien 't was
aan te zien, dat 't niet lang zou duren of hij zou zoo'n lodderige Jan
Salie van 'n aap uit de school van de voorstanders der Utiliteitsleer
wezen. Behalve dat nu was alles dood als een pier; ja er was nog niet
eens zooveel leven als een witte muis in een draaikooitje maakt.

Zijn er dan geen vermakelijkheden? Wel ja. Er is een leeskamer daar
ginds, waar al dat licht uit schijnt, en zeker zal er driemaal per
week, of nog meer, avonddienst voor de dames gehouden worden. Voor de
jongeheeren is het kantoor, het magazijn, de koffiekamer; zooals ge
door deze ramen kunt zien, is de laatste nogal aardig vol. Hoor! Wat
klinken die hamers, die de blokken ijs stuk slaan, en wat klokken de
afgebroken stukjes, als ze in 't vermengingsproces van 't eene glas
in 't andere worden overgegoten! Geen vermakelijkheden? Wat doen
deze sigarenzuigers en pimpelaars, wier handen en beenen we in alle
mogelijke beweging zien, anders dan zich vermaken? Wat zijn de vijftig
kranten, die door die vroegrijpe deugnieten van kwajongens straat-op
straat-af worden rondgeschreeuwd, en die men er in de koffiehuizen
op nahoudt,--wat zijn die anders dan vermakelijkheden? Geen duffe
waarachtige vermakelijkheden, maar krachtige, stevige kost; waar
niemand een vinger in de asch kan steken of 't wordt aan de klok
gehangen, waar geen publiek persoon iets uit kan voeren of 't wordt aan
de gemeenste drijfveeren toegeschreven, kortom, waar Jan en alleman,
onverschillig wie, ja al was 't ook de Barmhartige Samaritaan in
eigen persoon, over den hekel wordt gehaald.... en dat zouden geen
vermakelijkheden zijn?.... Loop heen!



Laten we opstappen en verder gaan, en die echte wildernis van
'n hotel voorbijgaan met magazijnen aan 't onderste gedeelte,
dat wel iets wegheeft van een schouwburg op 't vaste land of van de
Londensche opera, maar zonder colonnade; dan komen we weer aan de Vijf
Punten. Maar eerst dienen we bij wijze van escorte die twee hoofden
der politie mee te nemen, die ge voor uitgeslapen ambtenaren aan zoudt
zien, als gij ze in de Groote Woestijn tegenkwaamt. Zoo waar is 't,
dat de menschen de eigenaardige kenmerken gaan dragen van hun beroep,
hoe dat ook moge zijn. Waarlijk, deze twee hadden in Bow Street kunnen
geteeld, geboren en grootgebracht zijn.

Bedelaars hebben we noch over dag noch 's avonds gezien, maar andere
soorten van straatslijpers bij de vleet. Waar we nu naar toe gaan,
staan armoede, ellende en ondeugd in vollen bloei.

Ziehier de rechte plaats: deze nauwe wegen rechts en links, ze stinken
overal, waar men ook komt, van de smerigheid. Welnu, zoo'n leven als
hier geleid wordt, draagt dezelfde vruchten als overal. De gemeene
opgezwollen tronies aan de deuren hebben huns gelijken bij ons en in
de wijde wereld. De lichtmisserij heeft zelfs de huizen voor hun tijd
oud gemaakt. Zie maar eens hoe de vermolmde balken uitzakken en hoe
zwart de opgelapte en gebroken ramen er, om zoo te zeggen, uitzien
als oogen die bij een dronkemanspartij uit hunne kassen geslagen
zijn. Verscheidene van die varkens houden hier hun residentie. Zouden
zij zich nooit verwonderen, waarom toch hun meesters recht overeind
gaan in plaats van op handen en voeten? en waarom zij spreken in
plaats van knorren?

Tot nog toe is bijna ieder huis een gemeene kroeg; en aan de
muren der gelagkamers hangen gekleurde prenten van Washington en
koningin Victoria van Engeland, en den Amerikaanschen Adelaar. Onder
de flesschenbakjes, waar de flesschen op staan, liggen stukken
spiegelglas en sitspapier, want in zekeren zin is er zelfs hier een
zucht tot opschik. En daar 't vooral zeelui zijn, die hier komen,
zoo vindt men zeestukken bij de vleet: voorstellingen bij voorbeeld
van matrozen die afscheid nemen van hun liefjes; portretten van
Willem, uit de ballade, en zijn zwartoogige Susanne; van Will Watch,
den Stouten Smokkelaar; van Paul Jones, den Kaper, en dergelijken,
waarop de geschilderde oogen van koningin Victoria, en van Washington
op de koop toe, in even vreemde kameraadschap gevestigd zijn als op
de meeste tooneelen die in hun tegenwoordigheid afgespeeld worden.

Wat is dat voor 'n plaats, waar de vuile straat ons naar toe
brengt? Een soort van blok leprozenhuizen, waarvan men sommige alleen
bereiken kan langs een gebrekkige houten buitentrap. Wat ligt er toch
wel achter die massa waggelende treden, die onder onze voetstappen
kraken? Een ellendige kamer, door één armzalige kaars verlicht, en waar
zich niets in bevindt wat tot gemak kan verstrekken, of er moest iets
van dien aard in een ellendig bed verscholen zijn. Naast dat bed zit
een man: met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn handen voor zijn
gezicht. "Wat scheelt dien man?" vraagt de eerste beambte. "Koorts,"
antwoordt hij gemelijk, zonder op te zien. Verbeeld u, wat er, op
zoo'n plaats als deze, in een door koorts verhit brein om moet gaan!

Kom, klim deze pikdonkere trap op, maar pas goed op, dat ge geen
misstap doet op de waggelende planken, en zoek tastend uw weg met
mij in dit donker hol, waar geen enkele lichtstraal, geen enkel
koeltje schijnt te komen. Een zwarte jongen, die door de stem van
den ambtenaar--welke hij goed kent--wakker wordt dat hij opspringt,
maar gauw weer op zijn verhaal komt door diens verzekering dat hij
zijn gemak mag houden, is uit zich zelf zoo gedienstig dat hij een
kaars opsteekt. Een oogenblik flikkert de pit, dat we groote bergen
vodden op den vloer zien liggen; dan sterft het licht weg, en laat,
als er sprake kan zijn van graden in zoo'n uiterste, een duisternis
achter, nog dikker dan te voren. Hij schommelt de trap af, en 't
duurt niet lang of hij is weer terug, een flikkerende flambouw met
zijn hand schuddende. Daar zien we leven in de bergen vodden komen,
die nu vanzelf langzaam oprijzen, en zie, de vloer is bedekt met
hoopen negerinnen, die wakker worden: haar witte tanden klapperen en
haar heldere oogen vonkelen en knippen naar alle kanten van verbazing
en vrees, precies alsof men het een of andere Afrikaansche gezicht
in een wonderspiegel ontelbare malen weerkaatst zag.

Beklim ook deze trap met niet minder voorzorg, want ook hier liggen als
't ware voetangels en klemmen voor hen die niet zoo'n goed geleide
hebben als wij. En zoo gaan we naar de nok van 't huis, waar men
de kale balken en sparren boven zijn hoofd bespeurt, en 't kalme
maanlicht door de reten in 't dak heen gluurt. Doe de deur open van
een dezer toegekramde hokken vol negers. Bah! Ze hebben daarbinnen een
houtskoolvuur; ook is er een lucht van zengende kleeren, of vleesch,
zoo dicht hokken ze bij elkaar rondom 't komfoor; en dampen rijzen
er uit op, dat men niet zien kan, en bijna stikt. Terwijl ge in deze
donkere holen om u heen kijkt, kruipt er uit elken hoek de een of
andere half wakker geworden gedaante voor den dag, alsof de ure van
't laatste oordeel nabij was en ieder graf zijn doode wedergaf. Waar
honden zouden janken als zij er moesten liggen, vlijen vrouwen, mannen
en jongens zich ter ruste, en dwingen zoodoende de opgejaagde rotten
om ergens anders een beter logies op te zoeken.

Ook hier vindt men stegen en gangen, waar de weg geplaveid is met
modder die tot aan de knieën reikt: kamers onder den beganen grond,
waar gedanst en gespeeld wordt; de muren bedekt met ruwe schetsen
van schepen en forten, en vlaggen, en Amerikaansche adelaars bij de
vleet; vervallen huizen, die open zijn naar de straatkant en met groote
openingen in de muren, waardoor men andere puinhoopen bespeurt, alsof
de wereld van ondeugd en ellende niets anders heeft om te laten zien:
afzichtelijke woningen die haar naam aan diefstal en moord ontleenen;
kortom, al wat walglijk is en in vervallen toestand verkeert, is hier.

Onze geleider heeft zijn hand aan de klink van "Almacks" geslagen,
en roept ons van beneden de treden toe; want de vergaderzaal van
de fashionabele lui uit de Vijf Punten heeft men in de laagte te
zoeken. Zullen we 'r reis ingaan? Kom, 't is maar voor 'n oogenblikje.

Hola! Daar smaken we het onwaardeerbaar genoegen de waardin van de
"Almacks" te zien. Het schijnt haar nogal naar den vleesche te gaan,
die vroolijke mulattin, met vonkelende oogen, wier hoofd keurig
versierd is met een bontgekleurden zakdoek. Ook de waard is niet
minder aangedirkt. Evenals een scheepshofmeester heeft hij een mooi
blauw buis aan met een dikken gouden ring aan zijn pink en om zijn
hals een schitterenden gouden horlogeketting. Wat is-i blij dat-i ons
ziet! Wat zullen we bestellen? Een dans? 't Zal dadelijk gebeuren,
m'nheer: "'n regular break-down."

De zwaarlijvige zwarte vioolkrasser en zijn vriend die op de tamboerijn
speelt, slaan met hun voeten de maat op de planken van 't kleine
orchest, waar we zitten, en spelen een vroolijk deuntje. Een paar
of zes komen voor den dag, geleid door een levendigen jongen neger,
die de grappenmaker van de vergadering is en de grootste danser die
bekend is. Zonder ophouden trekt hij koddige gezichten, en amuseert
al de overigen, die maar niets ander doen dan ginnegappen. Onder de
dansers zijn twee jonge mulattinnen, met groote, zwarte, kwijnende
oogen, en met een hoofdtooisel in den trant der waardin. Deze meisjes
zijn of veinzen zoo bleu te zijn alsof ze nooit te voren dansten,
en slaan dermate de oogen neer voor de bezoekers, dat haar cavaliers
alleen maar de dikke haartjes harer oogleden kunnen zien.

Maar nu begint het dansen. Men danst, men danst, totdat men moe schijnt
te worden, en het dansen een beetje begint te verflauwen. Daar springt
op eens onze levendige jonge held er bij. En dadelijk grijnst de man
die op de viool speelt, en krast en krast dat het een aard heeft;
in de tamboerijn vaart nieuwe kracht; de dansers gaan weer lachen;
de waardin gaat weer glimlachen; de waard krijgt weer vertrouwen; de
kaarsen beginnen weer helder te branden. Hij vooral, onze matadoor
in 't dansen, hij danst dat het een lust is om aan te zien; hij
klopt daarbij met zijne vingers, draait met zijn oogen, trekt zijn
knieën in, zet zijn knieën uit, doet met zijn hielen en teenen wat
de tamboerijn-speler met zijn vingers doet; daarna danst hij met
twee linkerbeenen, twee rechterbeenen, twee houten beenen, kortom
met beenen, met allerlei beenen die beenen en geen beenen zijn--wat
maakt dat uit voor hem? En in wat voor levenswandeling of levensdans
oogst iemand ooit zulke prikkelende toejuichingen in als er om hem heen
donderen, wanneer hij, eerst zijn dame van den vloer gedanst hebbende,
en dan zich zelven, de kroon op zijn werk zet door fier op de toonbank
te springen, en dan met een onnavolgbaar geluid om wat drinken vraagt!

Zelfs in deze ellendige wijk mag de lucht frisch heeten vergeleken
bij den verstikkenden dampkring der huizen; en nu, terwijl we een
breede straat inslaan, waait ze ons met een zuiverder adem tegen en
flonkeren de sterren weer boven ons hoofd. Hier komen we De Graven nog
eens tegen. De stadshoofdwacht is een gedeelte van 't gebouw. Ze volgt
natuurlijk op 't gezicht dat we zoo even achter den rug hebben. Laat
ons ook hierin nog even een kijkje nemen en dan naar bed!

Wat zie ik? Stop jelui de menschen, die aan niets anders schuldig zijn
dan aan de een of andere politie-overtreding, in zulke holen? Liggen
mannen en vrouwen, die zich aan geen misdaad schuldig gemaakt hebben,
den geheelen avond in 't stikdonker, en dat midden in al die ongezonde
dampen die daar hangen om de matbrandende lamp, waar ge ons mee
bijlicht,--dampen waarvan zij natuurlijk den walglijken, voor de
gezondheid zoo schadelijken stank in moeten ademen! Waarlijk, zulke
onbehoorlijke en walglijke stinkgaten als deze cellen zijn, ze zouden
zelfs 't despotiekste bestuur ter wereld tot schande strekken. Kijk
'reis naar die beklagenswaardigen, gij man, die ze alle nachten ziet
en de sleutels bewaart. Ziet ge wat ze zijn? Weet ge wel hoe de riolen
onder de straten gemaakt worden, en waarin deze voor menschen bestemde
riolen verschillen? Immers nergens anders in dan dat in deze laatste
geen water staat!

Wel, dat weet hij niet. Vijf en twintig jonge vrouwen heeft hij
tegelijk in ditzelfde hok opgesloten, en ge zoudt er u bezwaarlijk een
juist denkbeeld van kunnen vormen, wat lieve gezichten er bij waren.

In Gods naam! doe de deur toe achter die ongelukkige schepsels, die
er nu in zijn, en breng een scherm aan voor een plaats, wier weerga
ge zelfs in de op dit punt als de gemeenste, als de nalatigste te
boek staande oude stad van Europa tevergeefs zult zoeken.

Maar zeg, is 't heusch waar, blijven de menschen den heelen nacht in
die zwarte stinkgaten onverhoord zitten?--Alle nachten. Om zeven uur
begint de wacht haar ronde. Om vijf uur 's morgens opent de rechter
zijn rechtbank. Dat's 't vroegste uur waarop de eerste gevangene los
kan gelaten worden, en heeft deze of gene beambte iets tegen hem in
te brengen, dan gaat-i er niet voor negenen of tienen uit.--Maar als
er nu eens in dien tusschentijd iemand komt te sterven, zooals niet
lang geleden gebeurd is? Dan is-i in een uur half opgevreten door de
ratten; zooals met dien man het geval was, en daarmee is 't uit.

Wat is dit onuitstaanbaar geluid van zware klokken en geratel van
wielen, en gejoel in de verte? Er is brand. En wat die roode gloed
aan den overkant? Daar is ook brand. En wat beteekenen deze verkoolde
en zwart berookte muren, waar we voor staan? Een gebouw waar brand
in geweest is. In een officieel verslag is er niet lang geleden vrij
duidelijk op gezinspeeld, dat sommige dezer branden niet geheel en
al toevallig waren en de speculatiegeest tot zelfs in de vlammen een
veld van exploitatie zocht. Doch wat hiervan ook zij, gisteravond was
er brand, van avond zijner twee, en veilig zoudt ge een weddenschap
aan kunnen gaan, dat er morgen minstens één brand zal wezen. Laat
ons dezen troost mee naar huis nemen, elkaar wel te rusten wenschen
en naar bed gaan.



Tijdens mijn verblijf te New-York heb ik ook een bezoek gebracht aan
de verschillende openbare inrichtingen op Long Island. Een daarvan
is een krankzinnigengesticht. 't Is een mooi gebouw, waarin een
bezienswaardige ruime en sierlijke trap. Het is nog niet geheel en
al af, maar nu reeds een gebouw van buitengewoon grooten omvang,
zoodat er tal van patiënten in opgenomen kunnen worden.

Ik kan niet zeggen, dat wat ik in dat liefdadigheidsgesticht gezien
heb mij bijzonder veel pleizier heeft gedaan. De verschillende zalen
hadden zindelijker kunnen zijn en beter ingericht; niets zag ik van dat
heilzame stelsel, dat elders zoo'n gunstigen indruk op me gemaakt had;
en alles zag er zoo dommelig, zoo lusteloos, zoo dolhuisachtig uit,
dat men er naar van werd. De druiloorige idioot, die met zijn haar
in de war op zijn hurken ging zitten; de wartaal uitkramende gek, met
zijn vreeselijken lach en uitgestoken vinger; het gedachtelooze oog,
het woeste gezicht, het zwaarmoedige plukken aan handen en lippen,
het bijten op de nagels; al die kenteekenen der krankzinnigheid,
men zag ze hier in al hun naaktheid en akeligheid. In de eetkamer,
een nare sombere plaats, waar men niets gewaar werd dan kale muren,
zat een vrouw alleen opgesloten. Men vertelde me, dat zij tot
zelfmoord overhelde. Als iets haar in haar besluit kon versterkt
hebben, dan zou het zeker de onuitstaanbare eentonigheid van zoo'n
bestaan geweest zijn.

De verschrikkelijke menigte, waarmee deze zalen en galerijen gevuld
waren, schokte me zoo erg, dat ik mijn oponthoud daar ter plaatse
zooveel mogelijk bekortte en er van afzag om dat gedeelte van 't gebouw
te zien, waar de weerspannigen en kwaadaardigen onder strenger bedwang
gehouden worden. Ik twijfel niet of de heer, die in 't tijdstip waar
ik van schrijf met het bestuur dezer inrichting belast was, ook wel
bevoegd was om aan 't hoofd daarvan te staan, en insgelijks al wat
in zijn vermogen lag ook gedaan had om haar aan haar nuttig doel
te doen beantwoorden: maar zal men nu wel kunnen gelooven, dat de
ellendige partijgeest tot zelfs in dat akelig verblijf der droevige
en verbasterde menschheid overgebracht is? Zal men kunnen gelooven,
dat de oogen, die geroepen zijn om te waken over de afdwalingen van die
zielen, welke met het verschrikkelijkste bezocht zijn, waar onze natuur
aan blootgesteld is, den bril moeten dragen van de partij die op 't
oogenblik de overhand heeft? Zal men kunnen gelooven, dat de directeur
van zoo'n huis als dit, benoemd en afgezet, ja telkens vervangen wordt,
naarmate deze of gene partij den boventoon slaat, en haar verfoeilijke
weerhanen dezen of genen kant heendraaien? Honderdmaal in iedere week
was ik getuige van de een of andere nieuwe, beuzelachtige openbaring
van dien even bekrompen als verderfelijken partijgeest, die, als
Amerika's Samoem in de zedelijke orde, elke uiting van gezond leven,
die onder zijn bereik valt, ontzenuwt en bederft; maar nooit, nooit
keerde ik dien helschen geest den rug toe met gevoelens van zoo diepen
afkeer, van zoo matelooze verachting als toen ik den drempel van dit
krankzinnigengesticht overschreed.

Op korten afstand van dit gebouw staat een ander, het Aalmoezeniershuis
genaamd, dat is te zeggen, het Werkhuis van New-York. Ook dit is
een groot gesticht. Ik geloof dat er, toen ik er was, zoowat een
duizend armen in waren. Èn ventilatie èn verlichting waren slecht;
de zindelijkheid liet insgelijks nogal wat te wenschen over; kortom,
over 't algemeen maakte het een alles behalve gunstigen indruk op
me. Maar men dient hierbij in aanmerking te nemen, dat New-York, als
een groote markt of stapelplaats en tevens als een verzamelingspunt,
waar men niet alleen uit alle deelen der Vereenigde Staten, maar uit
de meeste deelen der wereld naar toe stroomt, een groot getal armen
tot zijn last heeft, en bijgevolg te dezen opzichte onder geldelijke
moeielijkheden gebukt gaat. Ook mag men niet vergeten, dat New-York
een groote stad is, en dat in alle groote steden een ontzaglijk groote
hoeveelheid goed en kwaad dooreengemengd is.

In dezelfde buurt is de Hoeve van Long Island, waar jonge weezen
grootgebracht worden. Ik zag het niet, maar geloof dat het goed
bestuurd wordt; en des te beter kan ik dit gelooven, om reden
ik weet hoe nauwgezet zij in Amerika die schoone plaats uit onze
Litanie betrachten, welke alle zieke personen en jonge kinderen in
herinnering brengt.

Ik werd naar deze inrichting over water gebracht, en wel in een boot
die aan de gevangenis van Long Island behoorde en geroeid werd door
een stuk of acht gevangenen, die allen een zwart en lichtgeel pak
droegen, in welk pak ze wel iets weghadden van afgematte tijgers. Met
hetzelfde vervoermiddel brachten zij me ook naar de gevangenis zelve.

Het is een oude gevangenis, en geheel en al een inrichting voor
schansgravers, op dezelfde leest geschoeid als ik reeds beschreven
heb. Ik was blij dit te hooren, want ontegenzeglijk heeft ze weinig
om 't lijf. Er wordt echter zooveel mogelijk partij getrokken van de
middelen, waar ze over te beschikken heeft, terwijl de organisatie
zoo goed is als men van zoo'n plaats kan verwachten.

De vrouwen werken in opzettelijk daarvoor opgeslagen, overdekte
loodsen. Als ik me goed herinner, zijn er geen winkels of werkplaatsen
voor de mannen, maar wat hiervan ook zij, de meesten hunner werken in
zekere steengroeven die dicht bij de hand zijn. Daar 't dien dag erg
regenachtig was, was dit werk gestaakt, en waren de gevangenen in hun
cellen. Verbeeld u nu een honderd of drie van deze cellen, en in ieder
daarvan een paar man opgesloten; de een aan zijn deur om een luchtje
te scheppen, met de handen door te tralies gestoken; de ander te bed
(midden op den dag, vergeet dit niet); een derde in elkaar gedoken op
den grond liggende, met zijn hoofd tegen de ijzeren bouten, precies
als een wild dier. Verbeeld u verder, dat buiten de regen neervalt,
alsof hij met emmers uit den hemel gegoten wordt, en daarbinnen in
't midden de eeuwigdurende kachel roodgloeiend en tot stikkens toe
staat te dampen, gelijk de kookketel van een tooverkol. Voeg er, in
de gedachte, een collectie geurtjes bij, van die lekkere geurtjes bij
voorbeeld zooals er op zouden stijgen uit een duizendtal kletsnatte
van honigdauw doortrokken paraplu's, en een duizendtal waschmanden
vol halfgewassen linnen, en.... ge kunt u een denkbeeld vormen van
een gevangenis, gelijk wij dien dag bezochten.

De staatsgevangenis te Sing Sing daarentegen is een
model-gevangenis. Die en Mount Auburn zijn de grootste en beste
gevangenissen volgens 't stelsel der stilzwijgendheid.

In een ander gedeelte der stad vindt men het Refuge for the Destitute
(Toevluchtsoord voor de Verlatenen): een gesticht dat zich het
lot aantrekt van jeugdige overtreders, mannelijke en vrouwelijke,
zwarte en blanke, zonder onderscheid, door ze een of ander nuttig
ambacht te leeren, bij fatsoenlijke meesters in de leer te doen en
ze tot waardige leden der maatschappij te vormen. Naar men ziet,
heeft dus deze Inrichting hetzelfde doel als het gesticht te
Boston, en is als zoodanig waarlijk niet minder verdienstelijk en
lofwaardig. Toen ik deze instelling van liefdadigheid onderzocht,
maakte zich onwillekeurig een vermoeden van mij meester, te weten,
of de hoofdopzichter wel voldoende wereld- en menschenkennis bezat,
en of hij niet bepaald verkeerd handelde door sommige jonge meisjes,
die èn wat de jaren èn wat vroegere levenswijze betreft, vrouwen waren,
als kleine kinderen te behandelen; iets wat in mijn oogen al heel
grappig was, en, of ik moet me danig vergissen, niet minder grappig in
haar eigen oogen. Daar de inrichting echter onder 't waakzame toezicht
eener corporatie van heeren van groot verstand en groote ondervinding
staat, zoo vloeit hieruit vanzelf voort, dat het beheer zeer goed is,
en hetzij ik nu op dit eene punt gelijk of ongelijk hebbe, dit doet
niets toe of af aan haar verdiensten en karakter, waar men in geen
geval te hoogen lof aan toe zou kunnen zwaaien.

Behalve deze inrichtingen zijn er ook in New-York voortreffelijke
gasthuizen en scholen, letterkundige instellingen en boekerijen;
een bewonderenswaardig ingerichte brandweer (wat trouwens wel noodig
is, daar ze gestadig werk heeft), en allerlei instellingen van
liefdadigheid. In een der voorsteden treft men een ruim kerkhof
aan; 't is nog wel niet af, maar 't vordert bij den dag. De
treurigste begraafplaats, die ik daar zag, was "De groeve der
Vreemdelingen. Bestemd voor de verschillende logementen te dezer
stede."

Er zijn drie schouwburgen. Twee daarvan, de Park-schouwburg en
de Bowery-schouwburg, zijn groote, sierlijke en fraaie gebouwen,
maar worden, 't spijt me dat ik dit neerschrijven moet, slecht, heel
slecht bezocht. De derde, de olympische schouwburg, is een kleinere
zoogenaamde Salon des Variétés voor blij- en kluchtspelen, en wordt
op allervoortreffelijkste wijze gedirigeerd door den heer Mitchell,
een komiek van grooten humor en oorspronkelijkheid, die bij Londensche
tooneelbezoekers in hooge achting staat. Het doet me pleizier, dat
ik met het oog op dezen verdienstelijken man hier mee kan deelen,
dat zijn banken gewoonlijk welbezet zijn, en zijn schouwburg alle
avonden getuige is van de grootste vroolijkheid. Bijna had ik een klein
zomertheater vergeten, Nible's schouwburg geheeten, waar tuinen en
vermakelijkheden in de open lucht aan verbonden zijn; maar ik geloof,
dat ook deze plaats niet vrij is van den gedrukten toestand waarmee
dergelijke uitspanningen over 't algemeen te worstelen hebben.

De omstreken van New-York zijn schilderachtig bij uitnemendheid. Het
klimaat is, gelijk ik al aangestipt heb, nogal warm. Wat er van zou
worden zonder de zeekoelte, die 's avonds uit haar schoone Baai naar
de stad toe waait, zie, ik zal mij zelven noch mijn lezers de koorts op
't lijf jagen door daarnaar onderzoek te doen.

De toon, die in de beschaafde kringen dezer stad heerscht, komt met
den toon te Boston overeen; misschien kan men er den koopmansgeest
ietwat sterker in proeven, doch met dat al is hij over 't algemeen
hoogst beschaafd en altijd van den meest gastvrijen aard. De huizen
en tafels zijn sierlijk; en men gaat later naar huis en is minder
ingetogen; ook hecht men misschien grooter gewicht aan den schijn en
is er meer op uit, om pracht en weelde ten toon te spreiden, dan te
Boston. De dames zijn bijzonder schoon.

Alvorens New-York te verlaten, maakte ik de noodige schikkingen om
huiswaarts te kunnen keeren met het packetschip George Washington,
waarvan het vertrek tegen Juni was aangekondigd. Ik had namelijk het
besluit opgevat, om, bijaldien er zich geen onverwachte beletselen
op mochten doen, in die maand Amerika te verlaten.

Nooit had ik gedacht, dat ik, teruggaande naar Engeland, waar ik hen
weer zou vinden die mij lief en dierbaar waren, en mij buitendien
bezigheden wachtten die mij onmerkbaar tot een tweede natuur waren
geworden, zooveel verdriet kon gevoeld hebben als ik ondervond, toen ik
eindelijk aan boord van dit schip afscheid nam van de vrienden, die mij
uit deze stad vergezeld hadden. Nooit had ik gedacht, dat de naam van
eenige plaats, zoo verre weg en mij eerst onlangs bekend geworden, zich
ooit in mijn geest kon vereenigen met al die teedere herinneringen die
er nu omheen zweven. Er zijn er in deze stad, die mij den donkersten
winterdag, die ooit in Lapland aanbrak, zouden verhelderden, en in
wier tegenwoordigheid zelfs het Te-Huis verbleekte, toen zij en ik
dat pijnlijke woord wisselden, dat ons onder al ons denken en handelen
bijblijft, dat om onze wieg heen spookt in onze kinderlijke jaren en
het uitzicht van ons leven afsluit op den rijpen leeftijd.



VII.

PHILADELPHIA.

    PHILADELPHIA EN ZIJN CELLULAIRE GEVANGENIS.


De reis van New-York naar Philadelphia wordt per spoor en twee
veerbooten afgelegd; en gewoonlijk is daar een uur of zes mee gemoeid,
't was een mooie avond toen wij in den trein zaten; en toen we uit
een raampje dicht bij 't portier, waar we naast zaten, het heldere
ondergaan der zon gadesloegen, werd mijn aandacht getrokken door
een vreemde verschijning, die uit de raampjes van den heeren-waggon,
voor ons uit, vandaan kwam. Een tijdlang veronderstelde ik, dat deze
verschijning te danken was aan tal van vlijtige menschen, die er in
zaten en zich bezighielden met veeren bedden open te scheuren en de
veeren in den wind te strooien; maar eindelijk en ten laatste meende
ik te merken, dat ze niets anders deden dan spugen, wat inderdaad
het geval was, ofschoon het mij, niettegenstaande de ondervinding in
allerlei spuug-verschijnselen, die ik naderhand opdeed, nog altijd
een raadsel is gebleven, hoe een zeker aantal passagiers, gelijk zoo'n
waggon immers maar bevatten kon, zoo'n vermakelijke en onophoudelijke
spuug-bui vol heeft kunnen houden.

Op deze reis maakte ik kennis met een zachten en bescheiden jongen
Kwaker, die het gesprek opende door me op deftig fluisterenden toon mee
te deelen, dat zijn grootvader de uitvinder was van koud getrokken
ricinusolie. Ik maak hier melding van, omdat het waarschijnlijk
wel de eerste gelegenheid geweest is, dat het bewuste onschatbare
geneesmiddel ooit diende als een soort van purgatief voor conversatie.

Eerst laat in den avond kwamen we in de stad aan. Daar ik, voordat
ik naar bed ging, het raam mijner kamer uitkeek, zag ik aan den
overkant van den weg een mooi wit marmeren gebouw, dat er zoo somber en
spookachtig uitzag, dat men er akelig van werd als men er naar keek. Ik
schreef dit aan den somberen invloed van den nacht toe, en zoodra ik
's morgens opstond, keek ik nog eens uit, niets anders verwachtende of
't zou op de treden en in 't portaal krioelen van menschen, die er
in- en uitgingen. Maar jawel, de deur was nog potdicht; hetzelfde
doodsche waas lag over alles, en het gebouw zag er uit alsof het
marmeren standbeeld van Don Guzman alleen iets te verhandelen kon
hebben binnen zijne sombere muren. Ik maakte er gauw werk van, om
er achter te komen hoe het heette en waar 't toe dienen moest. Ik
kwam er achter, en.... weg was mijn verbazing. Dit gebouw was het
graf van zoo menig fortuin; de groote Catacombe van geldbelegging:
de gedenkwaardige Bank der Vereenigde Staten.

Dat deze bank haar betaling gestaakt had, had, naar men mij van alle
kanten vertelde, Philadelphia als 't ware in diepen rouw gehuld, en
nog altijd worstelde het met al de heillooze gevolgen dezer staking. De
stad zag er, mijns bedunkens, dan ook nog al droefgeestig uit.

Philadelphia is een mooie stad, maar om de waarheid te zeggen,
al te regelmatig gebouwd. Nadat ik er zoo wat een uur of twee in
rondgekuierd had, werd ik te moede alsof ik de geheele wereld voor
een bochtige straat had willen geven, 't Was precies alsof onder den
kwakerachtigen invloed mijner omgeving de kraag van mijn jas stijf werd
en de rand van mijn hoed breeder. Mijn haar begon sluik te hangen,
mijne handen vouwden zich vanzelf in kalme eensgezindheid over mijn
borst te zamen, en onwillekeurig schoten gedachten mij te binnen, om
in Mark Lane te gaan logeeren tegenover de Markt en door speculatiën
in de granen een kolossaal fortuin machtig te worden.

Philadelphia is rijkelijk van versch water voorzien, waarmee van
alle kanten om u heen gegoten en geplast wordt, dat het een aard
heeft. De waterwerken, die zich op een hoogte in de nabijheid der
stad bevinden, zijn niet minder fraai dan nuttig. Ze zijn namelijk
als een publieke tuin met smaak aangelegd, en worden zoo goed en
net mogelijk onderhouden. De rivier is op dit punt afgedamd en door
haar eigen kracht naar zekere hooge vijvers of reservoirs afgeleid,
met dat gevolg, dat de geheele stad tot aan de bovenste verdieping
der huizen met bitter weinig onkosten van water voorzien wordt.

Er zijn verscheidene openbare inrichtingen, waaronder een
allervoortreffelijkst gasthuis, dat wel is waar een gesticht
der Kwakers is, maar waar men het sektarisch karakter gaarne van
over 't hoofd ziet door de groote zegeningen die het om zich heen
verspreidt. Verder treft men daar aan: een allerkeurigste Bibliotheek,
die naar Franklin genoemd is, een fraai Beursgebouw en Postkantoor;
en zoo voorts. Bij 't Kwakershospitaal behoort een schilderij door
West, die men ten behoeve van 't gesticht voor geld laat zien. Het
onderwerp is: onze Zaligmaker de kranken genezende; en stelt den
Meester op zulk een gunstige wijze voor, als men misschien nergens
beter aan zal treffen. Of deze lof te sterk of te zwak zal bevonden
worden, hangt van des lezers smaak af.

In dezelfde kamer bevindt zich een zeer karakteristiek en sprekend
gelijkend portret door den heer Sully, een beroemd Amerikaansch
kunstenaar.

Mijn verblijf in Philadelphia was zeer kort, maar wat ik van
de samenleving aldaar zag, beviel mij bij uitstek goed. Wat zijn
algemeene kenmerken betreft, zou ik wel durven zeggen, dat de toon
die hier heerscht meer naar 't provinciale zweemt dan te Boston
of New-York, en dat er in de schoone stad wat smaak en critischen
geest aangaat, over 't algemeen te denken viel aan die interessante
gesprekken over dezelfde onderwerpen in verband met Shakespeare en de
"Musicaal Glasses," waar we in de Vicar of Wakefield van lezen. Dicht
bij de stad is een allerprachtigst onvoltooid marmeren gebouw voor het
Girard College, gesticht door een overleden heer van dien naam en die
schatrijk was,--een gebouw, dat als 't eenmaal naar 't oorspronkelijk
ontwerp afgemaakt is, misschien het rijkste gebouw uit onzen modernen
tijd zal wezen. Maar men is aan 't procedeeren over 't legaat, en
heeft ondertusschen het werk gestaakt; zoodat het met deze stichting
wel net zal gaan als met andere groote ondernemingen in Amerika:
komt het er vandaag niet, dan wel morgen, of overmorgen of later.

In een der voorsteden staat een groote gevangenis, die het
Ooster-Verbeterhuis genoemd, en volgens een stelsel bestuurd wordt,
dat den staat Pennsylvanië bijzonder eigen is, het stelsel namelijk
van strenge en hopeloos eenzame opsluiting. Ik voor mij geloof,
dat het in zijn gevolgen even wreed als verkeerd is.

Nu ben ik er wel van overtuigd, dat dit stelsel van een welgezinde en
menschlievende bedoeling uitgaat, en louter de zedelijke verbetering
van den gevangene op 't oog heeft, maar 't staat niet minder bij
me vast, dat zij, die dit stelsel van gevangenistucht bedachten,
en die welgezinde heeren, welke het in toepassing brengen, eigenlijk
niet weten wat ze doen. Ik geloof, dat er maar zeer weinigen gevonden
worden, die in staat zijn om al de foltering, al den angst te beseffen,
waar zij aan onderworpen zijn, die deze straf jaren achtereen hebben te
ondergaan; en als ik maar bij mij zelven naga en in overweging neem al
wat ik op hun gezichten heb gelezen en al wat ik weet dat zij inwendig
gevoelen, dan bevestigt mij dit slechts te dieper in mijn overtuiging,
dat er in dit stelsel een diepte van schrikkelijk lijden opgesloten
ligt, die alleen de lijders zelven kunnen peilen en geen mensch ter
wereld het recht heeft, zijn medeschepsel op te leggen. Ik houd 't er
voor dat deze langzame en dagelijksche omgang met de geheimen van 't
brein onmetelijk erger is dan lichamelijke tuchtiging, onverschillig
welke; en omdat de akelige teekenen dier zedelijke marteling niet zoo
zichtbaar en tastbaar zijn als litteekenen op 't vleesch; omdat haar
wonden niet op de oppervlakte zijn en zij maar weinig kreten afperst
die 's menschen oor kan hooren; zie, dat is voor mij een reden te meer,
dat stelsel te brandmerken als een geheim strafmiddel, waartegen de
sluimerende menschelijkheid al lang had moeten opkomen. Eens ging
ik met mij zelven te rade, of ik, gesteld ik had de macht om "ja" of
"neen" te zeggen, mijn toestemming zou geven, om deze straf in zekere
gevallen van kortstondige opsluiting toe te passen, en.... aarzelde
toen; maar nu, nu verklaar ik plechtig, dat ik, hoezeer ook met
belooningen of eerbewijzen overladen, onmogelijk als een gelukkig man
over dag onder den blooten hemel zou kunnen wandelen of me 's nachts
op mijn bed zou kunnen neervlijen, als ik mij zelven bewust mocht
zijn, dat een menschelijk schepsel, onverschillig voor hoe langen
of korten tijd, deze onbekende straf in zijn eenzame cel onderging,
waar ik de oorzaak van was of, in hoe geringen graad dan ook, de hand
in geleend had.

Twee heeren, die officieel tot haar bestuur in betrekking stonden,
vergezelden mij naar deze gevangenis waar ik een dag doorbracht
door van de eene cel naar de andere te gaan en met de gevangenen
te spreken. Al wat de uiterste hoffelijkheid maar kan verzinnen om
't iemand bij zoo'n bezoek gemakkelijk te maken, viel mij bij die
gelegenheid ten deel. Niets werd aan mijn oog onttrokken, en op
elk punt, waar ik onderzoek naar deed, kreeg ik een onbewimpeld en
ondubbelzinnig antwoord. Aan de volmaakte orde van 't gebouw kan
niet te uitbundige lof worden toegezwaaid, en wat de uitstekende
bedoelingen betreft van hen, die onmiddellijk in betrekking staan tot
de toepassing van dit stelsel, daaromtrent zou men zelfs geen zweem
van twijfel durven koesteren.

Tusschen de gevangenis zelve en den buitenmuur is een ruime tuin. Toen
wij dien tuin door een deurtje in de massieve poort ingingen, liepen
we het pad voor ons af en traden een groote kamer binnen, waar zeven
lange gangen op uitloopen. Aan elken kant van zoo'n gang is een lange,
lange rij van lage celdeuren, die allen met een zeker merk geteekend
zijn. Daarboven bevindt zich een galerij van cellen zooals die beneden,
met dit verschil, dat zij geen kleine ruimte naast zich hebben gelijk
die van de benedenverdieping en ietwat kleiner zijn. Het bezit van
twee dezer cellen wordt beschouwd als een vergoeding voor 't gemis van
zooveel lucht en beweging als men een uur per dag in iedere benedencel
kan genieten, en vandaar dat iedere gevangene in deze bovenverdieping
twee cellen heeft die met elkaar gemeenschap hebben.

Als men op 't middelpunt dezer gevangenis staat en dan op al die
akelige gangen neerziet, wordt men naar van de doodsche stilte die
er heerscht. Af en toe hoort men wel een dof geluid van een enkele
weversspoel of schoenmakersleest, maar de klank wordt gedempt door
de dikke muren en zware kerkerdeur, en dient slechts om de algemeene
stilte nog des te dieper te maken. Over 't hoofd en gezicht van
iederen gevangene, die in dit zwaarmoedige huis komt, wordt een
zwarte kap getrokken, en in dit donkere omhulsel, een zinnebeeld
van 't gordijn dat tusschen hem en de levende wereld is opgehangen,
wordt hij naar de cel gebracht, die hij nooit weer verlaat, totdat
zijn geheele straftijd om is. Nooit hoort hij van vrouw en kinderen;
van huis of vrienden; van 't leven of sterven van eenig menschelijk
schepsel. Hij ziet de ambtenaren der gevangenis, maar behalve hen ziet
hij nooit een menschelijk gezicht, hoort hij nooit een menschelijke
stem. Hij is levend begraven, om na verloop van jaren weer opgegraven
te worden; en ondertusschen dood voor alles, behalve voor folterende
angsten en vreeselijke wanhoop.

Zijn naam en misdaad, en de tijd van zijn lijden zijn hem zelfs
onbekend, die hem zijn dagelijksch voedsel reikt. Er staat een getal
boven de deur zijner cel en in een zeker boek, waarvan de directeur der
gevangenis een afschrift heeft en de godsdienstonderwijzer insgelijks:
ziedaar de aanwijzing zijner geschiedenis. Buiten deze bladzijden om
draagt de gevangenis geen kennis van zijn bestaan, en al zou hij tien
in een gevangenis zoo langzaam voortkruipende en daarom zoo afmattende
jaren in één en dezelfde cel doorbrengen, tot het allerlaatste uur
toe heeft hij geen middel om te weten in wat voor gedeelte van 't
gebouw zijn cel ligt; wat voor menschen om hem heen zijn; of er in
de lange winternachten levende menschen in zijne nabijheid wonen, of
dat hij in een of anderen afgelegen hoek der groote gevangenis zit,
met muren en gangen en ijzeren deuren tusschen hem en den naasten
deelgenoot zijner vreeselijke eenzaamheid.

Iedere cel heeft dubbele deuren: de buitenste van stevig eikenhout,
de andere van getralied ijzer, met een luikje waardoor hij zijn
voedsel krijgt. Hij heeft een Bijbel, en een lei en grift, en, onder
zekere beperkingen, somtijds andere boeken, natuurlijk doelmatige,
en pen en inkt en papier. Zijn scheermes, kan en kom hangen aan den
muur, of glinsteren op 't plankje. In iedere cel is een buis van de
waterleiding, waar hij naar verkiezing gebruik van kan maken. Over
dag draait zijn bedstee tegen den muur aan, en maakt zoodoende meer
plaats voor hem om te werken. Daar is zijn weefgetouw of bank of wiel,
en daar werkt hij, slaapt en waakt en telt de jaargetijden al naar
ze veranderen, en wordt oud.

De eerste man, dien ik zag, zat aan zijn weefgetouw te werken. Al
zes jaar was hij daar geweest; ik meen, dat hij nog drie jaar moest
zitten. Hij was overtuigd geworden als heler van gestolen goed, maar
zelfs na deze langdurige gevangenschap ontkende hij zijn schuld en
zei dat hij hard was behandeld geworden. 't Was al de tweede maal
dat hij zat.

Hij scheidde uit met werken toen wij binnenkwamen, zette zijn bril
af en antwoordde vrijmoedig op al wat hem gevraagd werd, maar altijd
na eerst op vreemdsoortige wijze gewacht te hebben, en als hij begon
te spreken, dan geschiedde dit met een zachte nadenkende stem. Hij
droeg een papieren hoed van zijn eigen maaksel en 't deed hem goed
dat er notitie van genomen werd en men hem er een pluimpje over
gaf. Heel vernuftig had hij van eenige stukken en brokken een soort
van Hollandsche klok gemaakt, waarbij hem zijn azijnfleschje tot
slinger diende. Toen hij merkte, dat ik in dit knutselwerk belang
stelde, keek hij er niet weinig grootsch naar, en zei dat hij er aan
dacht om er wat verbetering in aan te brengen, en hoop had met behulp
van een hamer en een stukje gebroken glas er muziek mee te kunnen
maken. Behalve dat had hij nog eenige kleuren weten te krijgen uit
het garen waar hij mee werkte en schilderde daarmee een stuk of zes
armzalige figuren. Een daarvan, een vrouwelijke figuur, over de deur,
noemde hij: "De Dame van 't meer."

Hij glimlachte toen ik naar deze knutselarijen keek waarmee hij den
tijd trachtte te dooden; maar toen ik van de knutselarijen naar hem
zelf keek, zag ik dat zijn lip beefde, en kon het kloppen van zijn
hart gehoord hebben. Ik weet niet meer, hoe het gesprek hierop kwam,
maar er werd min of meer op gezinspeeld, dat hij een vrouw had. Op
dat woord schudde hij met zijn hoofd, draaide zich om en bedekte zijn
gezicht met zijn handen.

"Maar u is nu toch gelaten onder uw lot, niet waar?" vroeg een der
heeren na een korte poos, in welken tusschentijd hij weer op zijn
verhaal gekomen was. Met een zucht, waar èn de grootste gelatenheid èn
de diepste wanhoop uit sprak, antwoordde hij: "Wel zeker, wel zeker! Ik
ben er gelaten onder."--"En nu is u een beter mensch geworden, niet
waar?"--"Nu, ik wil 't hopen, waarom niet?"--"En gaat de tijd nogal
gauw om?"--"Binnen deze vier muren, heeren, duurt de tijd lang, o,
zoo lang!"

Toen hij deze laatste woorden sprak, keek hij om zich heen--God
alleen weet, hoe droevig!--en verviel ondertusschen in een soort
van vreemdsoortige verbijstering alsof hij iets vergeten had. Een
oogenblik later zuchtte hij geweldig, zette den bril op, en ging weer
aan zijn werk.

In een andere cel zat een Duitscher, die wegens diefstal vijf jaar
gekregen had, waarvan er juist twee om waren. Met kleuren, die hij
langs denzelfden weg verkregen had, had hij, en dat waarlijk heel
mooi, elken duim van de muren en den zolder beschilderd. De weinige
voeten gronds er achter, had hij met keurige netheid ingericht en in
't midden een klein bed gemaakt, dat er, om dit in 't voorbijgaan
te doen opmerken, als een graf uitzag. De smaak en vindingrijkheid,
die hij in alles ten toon gespreid had, waren buitengewoon, en toch
had men zich geen neerslachtiger en rampzaliger schepsel voor kunnen
stellen. Ja, nooit zag ik een toonbeeld van zoo wanhopige smart, van
zoo diepe zielsbedroefdheid, in één woord, nooit zag ik iemand wiens
hart meer gebroken was dan bij hem het geval scheen te wezen. Mijn hart
bloedde dan ook om zijnentwille; en toen de tranen langs zijn wangen
biggelden en hij, een der bezoekers ter zijde nemende en zich met
bevende handen zenuwachtig aan diens jas vastklemmende, dezen vroeg
of er geen hoop was, dat zijn akelig vonnis veranderd zou worden,
zie, toen werd het schouwspel waarlijk al te pijnlijk om er nog
langer getuige van te blijven. Nooit zag of hoorde ik van ellende,
onverschillig van welken aard, die dieper indruk op me maakte dan de
rampzaligheid van dezen man.

In een derde cel was een lange sterke zwarte, een inbreker, die zich
met zijn eigen vak onledig hield, om namelijk schroeven en soortgelijke
zaken te maken. Zijn tijd was bijna om. Hij was niet alleen een
allerbehendigste dief, maar stond ook bekend om zijn stoutheid
en onbeschaamdheid, en om de hoeveelheid zijner misdrijven. Hij
onderhield ons met een lang relaas zijner heldendaden, dat hij zoo
allersmakelijkst voordroeg, dat hij zijn lippen nog scheen af te
likken toen hij ons pikante anekdotes op ging disschen van gestolen
tafelzilver, en van oude dames die hij, aan den overkant der straat
staande, bespionneerd had toen zij met een zilveren bril voor 't raam
zaten, om ze, wat hij dan ook gedaan had, bij de eerste gunstige
gelegenheid te bestelen. Ik maak me sterk, dat deze snaak, op de
geringste aanmoediging van onzentwege, al die prachtige herinneringen
nog buitendien met de verachtelijkste leugens zou opgesierd hebben;
maar ik zou me al danig moeten vergissen, als hij de onverbloemde
huichelarij had kunnen overtreffen, waarmee hij verklaarde, dat
hij den dag zegende waarop hij in die gevangenis kwam en dat hij,
zoo oud als hij werd, zich nooit meer aan den geringsten diefstal
schuldig zou maken.

Hierop kwamen we aan de cel van een ander man, die de bijzondere
vergunning gekregen had om er konijntjes op na te houden. Daar zijn
vertrek dientengevolge een eigenaardigen reuk had, riepen zij hem
toe, dat hij in de gang moest komen. Terstond voldeed hij aan de
oproeping, en daar stond hij nu voor ons, met zijn akelig bleek
gezicht waar het ongewone licht van 't groote raam op viel, en zoo
flets, zoo spookachtig flets zag hij er uit als kwam hij zoo even
uit zijn graf vandaan. Hij had een wit konijntje tegen zijn borst,
en zoodra het kleine diertje op den grond was, wipte het gauw naar
de cel terug, waarop hij, na permissie gekregen te hebben om ook
heen te gaan, bedeesd het konijntje achterna sukkelde. Dat ziende,
vroeg ik mij zelven af, in wat voor opzicht die man een edeler dier
was dan dat konijntje.

Er zat ook een Engelsche dief, die er, op een dag of wat na, al
zeven jaar geweest was: een gemeene vent met een laag voorhoofd,
dunne lippen en een bleeke tronie. Deze scheen er alles behalve op
gesteld te zijn, bezoek te krijgen, maar zou daarentegen niet weinig
trek gehad hebben, om mij met zijn schoenmakersmes zonder omslag naar
de andere wereld te sturen, hadde hij niet vrees gehad voor verzwaring
van straf. Er zat nog een Duitscher, die eerst gister in de gevangenis
was gekomen. Zoodra wij in zijn cel keken, sprong hij van zijn bed op,
en soebatte in gebroken Engelsch om werk. Er zat ook een dichter, die
in iedere vier en twintig uren twee dagen werk verrichtte, één voor
hem zelf en één voor de gevangenis,--die verzen maakte op schepen (hij
was een zeeman van beroep), en op "den bedwelmenden wijnbeker," en op
zijn vrienden thuis. Van dat slag zaten er heel velen. Sommigen kregen
een kleur als ze bezoekers zagen, sommigen werden doodsbleek. Een stuk
of drie hadden waaksters bij zich, want ze waren erg ziek; en een, een
zwaarlijvige neger, wiens been was afgezet geworden in de gevangenis,
had om hem gezelschap te houden een student en een volleerd chirurgijn,
een gevangene net als hij. Een aardige jongen, een kleurling, zat op
de trap wat gemakkelijk werk te verrichten. "Maar is hier dan geen asyl
voor jeugdige misdadigers?" vroeg ik,--"O, ja, maar alleen voor blanke
kinderen." Wat 'n edele aristocratie in zake misdadigers, niet waar?!

Er was onder anderen een zeeman, die hier al elf jaar gezeten had
en over een maand of wat losgelaten zou worden. Elf jaar eenzame
opsluiting!

"'t Doet me recht veel plezier te hooren, dat je tijd bijna om is." Wat
zegt hij hierop? Niets. Waarom kijkt hij zoo strak naar zijn handen
en plukt aan 't vleesch zijner vingers, en vestigt telkens en telkens
weer zijn oogen naar die kale muren die zijn hoofd hebben zien grijs
worden? Dat doet hij af en toe.

Kijkt hij de menschen nooit vlak in hun gezicht, en plukt hij altijd
zoo aan zijn handen, alsof hij 't vel van 't been wou scheiden? Och,
een gril, anders niet.

Zoo is 't ook een gril van hem, als hij zegt dat hij er niet meer
verlangend naar uitziet, om op vrije voeten te komen; dat hij niet
blij is dat die tijd zoo aanstaande is: dat hij er eenmaal verlangend
naar uitzag, maar dat was al heel lang geleden; dat hij nergens meer om
maalt. 't Is maar een gril van hem, een hulpeloos, innerlijk gekneusd,
neen, gebroken man te zijn. Een gril! Nu, de Hemel weet er alles van,
dat hij zijn luimen van A tot Z heeft kunnen botvieren!

Er zaten drie jonge vrouwen in cellen naast elkaar, allen tegelijk
hiervan overtuigd, dat ze afgesproken hadden, om haar vrijer te
bestelen. Stil en eenzaam als ze nu binnen die muren geleefd hadden,
waren ze mooi opgegroeid. Ze zagen er erg bedroefd uit en zouden
den ernstigsten bezoeker tot schreiens toe hebben kunnen bewegen,
maar niet tot die soort van weemoed zooals door 't zien van de mannen
wordt opgewekt. De eene was een jong meisje; nog geen twintig, als
ik me wel herinner. Haar sneeuwwit vertrek was behangen met het werk
van den een of anderen vorigen gevangene, en op haar neerslachtig
gezicht scheen de zon in al haar pracht door de hooge spleet in den
muur, waar een kleine strook van den helder blauwen hemel zichtbaar
was. Zij was zeer boetvaardig en bedaard; ze berustte geheel en al
in haar lot, zei ze (en ik geloof haar); en daar binnen in haar ziel
was 't rustig. "U voelt u dus, in één woord, gelukkig hier?" zei
een van hen, die bij me waren. Het kostte haar moeite--o, 't kostte
haar zooveel moeite--om op die vraag "ja" te antwoorden, maar zie,
daar sloeg ze haar oogen op, en die oogen ontmoetten dien straal der
vrijheid boven haar hoofd, en nu barstte zij in tranen uit, en zei dat
"ze haar best deed om gelukkig te zijn; ze uitte geen klacht; maar 't
was immers natuurlijk dat ze 'r somtijds naar snakte, om uit die eene
cel te komen; dát kon ze gerust niet helpen,"--ze snikte, 't arme kind!

Dien dag ging ik van cel tot cel; en ieder gezicht dat ik zag, of
woord dat ik hoorde, of opmerkelijk geval dat me trof, 't staat me
nog altemaal voor den geest in al zijn naarheid en akeligheid. Maar
laat ik hiervan afstappen, om me thans te bepalen bij een gevangenis
die opwekkender gezicht opleverde,--een gevangenis volgens 't zelfde
plan ingericht, die ik naderhand te Pittsburgh zag.

Toen ik die op dezelfde wijze doorloopen had, vroeg ik den directeur
of hij iemand onder de gevangenen had die binnenkort losgelaten
zou worden, waarop hij antwoordde, dat hij er een had, wiens tijd
den volgenden dag om was; maar dat was er een, die maar twee jaar
gezeten had.

Twee jaar! Ik wierp een blik terug door twee jaar van mijn eigen
leven--buiten de gevangenis, in voorspoed, gelukkig, van alle kanten
en in alle opzichten met zegeningen overladen--en ik dacht er aan, hoe
wijd reeds die gaping was en hoe lang, hoe ontzettend lang die twee
jaren zouden geduurd hebben, als ik ze eens in eenzame gevangenschap
door had moeten brengen. Terwijl ik dit schrijf, staat het gezicht
van dezen man, die den volgenden dag op vrije voeten zou komen, voor
't oog mijner verbeelding. Het verdient bijna meer herdacht te worden
in zijn geluk dan de andere gezichten in hun ellende. Hoe gemakkelijk
en hoe natuurlijk ging het hem af, toen hij zei, dat het stelsel
een goed stelsel was; en dat de tijd "nogal gauw om ging--alles in
aanmerking genomen," en dat, als een mensch eenmaal viel, hij de wet
overtreden had en daarvoor boeten moest, "er niets anders op zat dan
om den tijd zoo goed mogelijk te dooden," en zoo voorts.

"Wat was de reden dat die man u terugriep en u iets op zoo'n vreemden
trillenden toon vroeg?" vroeg ik mijn geleider, toen hij de deur
gesloten en mij weer ingehaald had.

"O! Hij was bang, dat de zolen van zijn laarzen niet meer deugen
zouden, om er op te loopen. U moet weten, toen-i hier kwam, waren ze
al tamelijk versleten; nu gaf-i me kennis, dat hij me erg dankbaar
zou wezen, als ik ze gauw 'n beetje op liet lappen."

Die laarzen waren van zijn voeten afgenomen en met zijn overige
kleederen weggelegd.... twee jaar geleden!

Ik maakte van die gelegenheid gebruik, om er naar te vragen, hoe
zij zich aanstelden onmiddellijk voordat ze de gevangenis verlieten;
ik voegde er bij, dat ik vermoedde, dat zij nogal beefden.

"Neen," was 't antwoord, "wel trillen ze 'n beetje, maar beven is toch
't rechte woord niet,--hun heele zenuwstelsel is in de war, daar ligt
'm de knoop! Zoo kunnen ze hun namen niet in 't boek schrijven; soms
kunnen ze de pen niet vasthouden; kijken om zich heen, blijkbaar zonder
te weten waarom of waar ze zijn; en soms gaan ze wel twintigmaal in
een minuut zitten en opstaan. Dit gebeurt, als ze in 't lokaal zijn,
waar ze voor 't laatst met de gevangeniskap op komen, evenals toen ze
daar voor 't eerst in gebracht werden. Komen ze buiten de poort dan
blijven ze staan, en kijken eerst naar den eenen weg dan naar den
ander: niet wetende wat voor weg ze in zullen slaan. Soms waggelen
ze, alsof ze dronken zijn; soms moeten ze ergens tegen aan leunen,
zoo duizelig zijn ze, maar na verloop van eenigen tijd komen ze wel
weer op hun verhaal."

Toen ik te midden dezer eenzame cellen ronddwaalde en naar de gezichten
keek van de menschen die er in zaten, trachtte ik mij de gedachten
en gevoelens voor te stellen, die zij in hun tegenwoordigen toestand
zouden koesteren. Ik verbeeldde me, dat hun kap hier juist afgenomen
was geworden en het tooneel hunner gevangenschap zich dus in al zijn
akelige eentonigheid voor hem ontvouwd had.

Eerst is de man als bedwelmd. Zijn opsluiting is een afzichtelijk
visioen, en zijn oude leven werkelijkheid. Hij werpt zich op zijn
bed en ligt daar ten prooi aan de wanhoop. Van lieverlede wekt de
onverdraaglijke eenzaamheid en kaalheid der plaats hem uit deze
bezwijming op, en wordt de klep van zijn getraliede deur geopend,
dan bidt en smeekt hij nederig om werk: "Geef me toch wat werk,
of ik word nog stapelgek!"

Hij krijgt werk; en bij buien en vlagen gaat hij aan 't werk; maar
telkens en telkens weer overvalt hem een brandend besef van de jaren
die hij in die steenen doodkist weg moet kwijnen en een folterende
herinnering aan hen, die nu voor zijn gezicht en kennis verborgen
zijn, dat hij van zijn zitplaats opspringt, met saamgevouwen handen
boven zijn opwaarts gericht hoofd de nauwe kamer op en neerloopt,
en spoken meent te hooren die hem aanhitsen om zijn hersens tegen
den muur te pletter te loopen.

En weer valt hij op zijn bed neer, en ligt daar te kermen. Plotseling
springt hij op; hij wil weten of er nog een man in zijn nabijheid
is, of er nog zoo'n cel is aan weerskanten van de zijne, en scherp
luistert hij rechts en links.

Geen geluid treft zijn oor, maar dat neemt niet weg, dat er toch wel
gevangenen in zijn nabijheid zullen zijn. Zoo herinnert hij zich, eens
te hebben gehoord, toen hij er al bitter weinig om dacht, hier eens
zelf in te komen, dat de gevangenen elkaar niet kunnen hooren ofschoon
de beambten ze kunnen hooren. Waar is de naaste man--aan de rechter- of
aan de linkerzij? of is er een aan weerskanten? Waar zit-i nu--met z'n
gezicht naar't licht? of loopt-i heen en weer? Hoe is-i gekleed? Is-i
hier al lang geweest? Is-i erg van de graat gevallen? Ziet-i er erg
wit en spookachtig uit? Denkt ook hij om z'n buurman?

Ziedaar de gedachten die door zijn geest kruisen. Ternauwernood waagt
hij 't om adem te halen, en luisterende terwijl hij denkt, roept hij
een gedaante op met haar rug naar hem toegekeerd, en verbeeldt zich
dat die gedaante zich in de naaste cel beweegt. Wel heeft hij geen
idee van 't gezicht, maar zeker is hij van den donkeren vorm van een
bukkenden man. In de cel aan de andere zij ziet hij in zijn gedachte
een andere gestalte, wier gezicht insgelijks voor hem verborgen
is. Dag-in dag-uit, ja zelfs dikwijls wanneer hij in 't holle van
den nacht wakker wordt, denkt hij om deze twee mannen totdat hij
er bijna waanzinnig van geworden is. Nooit verandert hij ze. Altijd
zijn ze daar waar hij 't zich het eerst verbeeld heeft--een oud man
aan den rechterkant, een jongen man aan de linkerzij.--Hun verborgen
gelaatstrekken folteren hem doodelijk en hebben iets geheimzinnigs
dat hij er van beeft.

Gelijk de rouwdragers bij een begrafenis, zoo gaan de verdrietige
dagen voorbij: met plechtstatige stilte; en van lieverlede begint
hij te gevoelen dat er in de witte muren der cel iets vreeselijks
opgesloten ligt,--dat hun kleur afzichtelijk is,--dat hun effen
oppervlakte zijn bloed doet stollen,--dat er één hoek, één hatelijke
hoek is, die hem foltert. lederen morgen als hij wakker wordt, stopt
hij zijn hoofd onder de deken en rilt bij de gedachte dat hij 't weer
zien zal hoe de spookachtige zolder op hem neer zal zien. Zelfs het
gezegende daglicht, dat door de onveranderlijke spleet, die het raam
zijner gevangenis vertegenwoordigt, naar binnen gluurt, het maakt op
hem den indruk of hij de tronie ziet van een ander leelijk spook.

Langzaam maar zeker zetten zich de verschrikkingen van dien hatelijken
hoek uit, totdat ze hem geen oogenblik meer met rust laten; ja ze
verstoren zijn rust, bezorgen hem akelige droomen en maken zijn nachten
tot iets afgrijselijks. In den beginne walgde hem dit op een ongewone
manier: 't werd hem dan te moede alsof die hoek in zijn hersens iets
deed opstaan, dat insgelijks een akeligen, naren vorm aannam, iets
dat daar niet thuis behoorde en zijn hoofd als 't ware op de pijnbank
legde. Dan begon hij er bang voor te worden, vervolgens er van te
droomen, en ging hij zich verbeelden dat er menschen waren die er
een naam aan geven en er met den vinger naar wijzen. Hierop kan hij
't niet langer uithouden om er naar te kijken, en toch durft hij 't
den rug niet toekeeren. Nu is die akelige, nare hoek iederen nacht
de schuilhoek van een spook; een schim: iets dat zwijgt, iets dat
vreeselijk is om aan te zien, maar waarvan hij niet zou kunnen zeggen,
of 't een vogel, of viervoetig beest, of vermomd menschelijk wezen is.

Is hij over dag in zijn cel, dan vreest hij de kleine plaats
daarbuiten. Is hij op de plaats, dat ziet hij er tegen op, zijn cel
weer binnen te gaan. Valt den avond, het spook staat in den hoek. Heeft
hij den moed om op zijn plaats te gaan staan, en 't te verdrijven
(in een vlaag van wanhoop heeft hij 't eens gedaan), dan... dan
broeit het uit op zijn bed. Tusschen licht en donker, en altijd op
't zelfde uur, roept een stem hem bij zijn naam; wordt het donkerder,
dan begint zijn weefgetouw te leven; en zelfs dat, zijn troost, is een
afzichtelijke gestalte, die hem tot het aanbreken van den dag beloert.

Een voor een beginnen die nare schrikbeelden weer langzaam te
verdwijnen. Wel komen ze nog somtijds onverwachts terug, maar na lange
tusschenpoozen en onder minder verontrustende vormen. Met den heer,
die hem opzocht, heeft hij over godsdienstige onderwerpen gesproken,
en hij heeft zijn Bijbel gelezen, en een gebed op zijn lei geschreven
en ze opgehangen als een soort van bescherming en een verzekering
van 's Hemels nabijheid. Nu droomt hij af en toe van zijn kinderen
of van zijn vrouw, maar is zeker dat zij dood zijn of hem verlaten
hebben. Er is niet veel toe noodig of hij is tot schreiens toe bewogen;
is vriendelijk, onderdanig en verslagen van geest. Nu en dan komt
de oude angst weer terug: een beuzeling, en 't is weer zoo laat;
een gewoon geluid of de reuk van zomerbloemen in de lucht; maar dat
duurt niet lang, want de wereld daarbuiten is nu het visioen, en dit
eenzame leven de droevige werkelijkheid geworden.



Is de tijd zijner opsluiting kort--ik meen vergelijkenderwijs,
want kort kan hij niet zijn--dan is het laatste halve jaar bijna
't ergste van allen; want dan denkt hij dat er brand zal komen in
de gevangenis en hij met den geheelen boel verbranden zal, of dat
hij gedoemd is om binnen de kerkermuren te sterven, of dat hij op
de een of andere valsche beschuldiging vastgehouden en voor nog een
termijn zal gevonnisd worden: of dat er iets, onverschillig wat dan
ook, gebeuren moet om te voorkomen dat hij op vrije voeten gesteld
worde. En zulke denkbeelden spreken vanzelf, en onmogelijk is 't
om er tegen te redeneeren, omdat, na zoo lang van de menschelijke
samenleving gescheiden te zijn geweest, en na zooveel geleden te
hebben, het hem waarschijnlijker voor moet komen, dat er zoo iets
gebeuren zal, dan dat hij weer op vrije voeten zal geraken.



Is daarentegen de tijd zijner opsluiting zeer lang geweest, dan
brengt het vooruitzicht van bevrijding hem geheel en al van streek,
ja verbijstert hem. Denkt hij om de wereld daarbuiten en om 't geen
ze voor hem in al die eenzame jaren geweest is, dan moge zijn gebroken
hart voor een oogenblik hoopvol trillen, maar dat is dan ook alles. De
deur zijner cel is al te lang gesloten geweest voor al zijn hopen
en verwachten. Beter ware het voor hem geweest, als men hem in den
beginne op had gehangen, dan hem in dezen toestand te brengen en hem
daarna weg te sturen om zich te vermengen met anderen van zijn soort,
die zijn soort niet meer zijn.



Op 't magere en verwilderde gezicht van ieder man onder deze gevangenen
zat dezelfde uitdrukking. Ik weet niet waarbij ik die vergelijken
zal. Het had wel iets van die ingespannen aandacht, die we op de
gezichten der blinden en dooven zien, vermengd met een soort van
schrik, alsof men ze allen heimelijk erg bang gemaakt had. In ieder
kamertje dat ik binnentrad, en iedere traliedeur waar ik doorheen
keek, meende ik hetzelfde bange uiterlijk te zien, iets wat mij
even levendig voor den geest is gebleven als de betooverende indruk
eener verdienstelijke schilderij. Laat een honderdtal mannen mijn
oogen voorbijgaan, en één daaronder die zoo even uit deze eenzame
lijdensplaats losgelaten is, en ik zal hem u aanwijzen.



Zooals ik gezegd heb, worden de gelaatstrekken der vrouwen door de
eenzame opsluiting er menschelijker, ja zelfs fijner op. Of dit aan
haar betere natuur is toe te schrijven die in de eenzaamheid voor
den dag komt, of grooter geduld, grooter lijdzaamheid hiervan de
oorzaak is, ik weet het niet; maar 't is zoo. Dat de straf niettemin,
naar mijn gevoelen, ten eenenmale even wreed als verkeerd is,
hetzij ze op vrouwen of op mannen toegepast wordt, zal ik wel niet
opzettelijk behoeven aan te toonen. Bij mij staat het vast, dat,
onafhankelijk van de zielskwelling die door dergelijke opsluiting
veroorzaakt wordt--een kwelling zoo bitter en verschrikkelijk, dat
zelfs de levendigste verbeelding zich geen getrouw denkbeeld van de
werkelijkheid kan vormen--de ziel daardoor in een ziekelijken toestand
geraakt, die haar ongeschikt maakt voor de ruwe aanraking en bezige
werking der wereld. Ja, het is mijn innigste overtuiging, dat zij,
die deze straf ondergaan hebben, zedelijk ongezond en ziekelijk MOETEN
terugkeeren tot de maatschappij. Er bestaan tal van voorbeelden van
menschen, die een leven van volstrekte eenzaamheid óf verkozen hebben
óf daartoe veroordeeld zijn, maar zelfs onder wijzen, met een sterken
en krachtigen geest toegerust, herinner ik me ternauwernood één,
bij wien de uitwerking zich niet geopenbaard heeft in den een of
anderen ongeregelden gedachtengang of in de een of andere sombere
hallucinatie. Wat al monsterachtige droombeelden, door wanhoop en
twijfel geteeld, en geboren en gekoesterd in de eenzaamheid, zijn
over onzen aardbol geslopen, hebben de schepping leelijk gemaakt en
het aangezicht des hemels verduisterd!

Zelfmoorden zijn zeldzaam onder deze gevangenen,--zijn, om de waarheid
te zeggen, bijna onbekend. Maar geen enkel argument ten gunste van
't stelsel kan redelijkerwijze uit deze omstandigheid worden afgeleid,
ofschoon het heel dikwijls aangevoerd wordt. Al wie van zielsziekten
zijn studie gemaakt heeft, weet terdege goed, dat zoo'n buitengewone
neerslachtigheid en wanhoop als waardoor het geheele karakter
verandert en al zijn elasticiteit en weerstandsvermogen geknakt wordt,
in iemand werken kunnen en nochtans kunnen beletten dat men het werk
der zelfvernietiging voltooie, met andere woorden, de handen aan zich
zelven sla. Dit is iets, dat men over 't algemeen heeft opgemerkt.

Dat de eenzame opsluiting de zintuigen verstompt en trapsgewijze
de lichaamsvermogens verzwakt, dat staat bij mij zoo vast als een
paal. Zoo maakte ik hun, die met mij waren in datzelfde gesticht
te Philadelphia, de opmerking, dat de misdadigers, die daar lang
gezeten hadden, doof waren. Zij, die deze menschen gestadig plachten
te zien, stonden vreemd op te kijken bij deze opmerking, die zij dan
ook voor ongegrond en hersenschimmig hielden. En zie, de eerste de
beste gevangene dien zij op dit punt op de proef stelden--iemand dien
zij zelve nota bene uitgepikt hadden--bevestigde dadelijk mijn indruk
(die hem onbekend was) en zei op zoo'n ongekunstelden toon, dat men er
onmogelijk aan twijfelen kon, dat hij niet wist waar 't vandaan kwam,
maar hij was erg hardhoorig geworden.

Dat die straf buitengewoon ongelijk werkt en den slechtsten het
minst treft, ook daar valt niet aan te twijfelen. Dat het zoo bij
uitstek doeltreffend zou zijn als een middel tot verbetering van
den gevangene, in vergelijking met dat andere stelsel krachtens 't
welk de gevangenen gemeenschappelijk mogen werken zonder daarom met
elkaar te mogen praten, ziedaar weer iets waar ik niet het geringste
vertrouwen in stel. Al de voorbeelden toch van verbetering, die
mij meegedeeld werden, waren van dien aard, dat ze evengoed hadden
kunnen teweeggebracht zijn door 't stelsel der stilzwijgendheid, ja,
bij mij staat het alweer vast, dat die vruchten dááraan en niet aan
't stelsel der eenzame opsluiting te danken waren. Ten aanzien van
zulke personen als de zwarte inbreker en de Engelsche dief heeft
zelfs de geestdriftigste voorstander van 't laatstgenoemden systeem
ternauwernood een flauwe hoop dat die er door bekeerd zullen worden.

Mij komt het voor, dat de tegenwerping dat er uit zoo'n onnatuurlijke
eenzaamheid nooit iets gezonds of goeds voortgesproten is, ja zelfs een
hond of eenig ander verstandig dier onder den invloed van 't bewuste
stelsel sufferig en kniezerig wordt, en van lieverlede wegkwijnt,--op
zich zelve reeds als een voldoend argument tegen dat stelsel mag
gelden. Maar er is meer. Ja, als we ons behalve dat te binnenbrengen,
hoe allerslechtst en streng het is, en een eenzaam leven altijd
gepaard gaat met zekere handelingen van hoogst betreurenswaardigen
aard, die hier dan ook voorgevallen zijn; en als we ons vervolgens
herinneren, dat de keus niet is tusschen dit stelsel en een stelsel
dat slecht is of daarvoor gehouden wordt, maar tusschen dit stelsel
en een ander dat goed gewerkt heeft en, wat zijn geheele toeleg en
practijk betreft, voortreffelijk is; me dunkt, dan is er zeker meer
dan voldoende reden om een wijze van bestraffing vaarwel te zeggen,
die zoo luttel weinig hoop op goeden uitslag overlaat, daarentegen
buiten kijf tot een geheele reeks van verkeerdheden aanleiding geeft.

Bij wijze van toepassing op 't geen ik voor 't stelsel der eenzame
opsluiting gezegd heb, wil ik dit hoofdstuk besluiten met een curieus
verhaal, dat op 't zelfde onderwerp betrekking heeft, zooals mij dit
tijdens mijn bezoek in de gevangenis verteld is geworden door een
der heeren, die daarin betrokken is geweest.

Bij gelegenheid van een der periodieke bijeenkomsten van de inspecteurs
dezer gevangenis kwam zich een werkman uit Philadelphia aanmelden,
met dringend verzoek dat men hem op de gewone eenzame wijze op
zou sluiten. Toen hem gevraagd werd, wat voor drijfveer hem met
mogelijkheid aan kon sporen, om met zoo'n vreemd verzoek te berde te
komen, antwoordde hij, dat hij een onweerstaanbaren aandrang gevoelde,
om zich dronken te drinken; dat hij er zich, tot zijn groot ongeluk,
gedurig aan overgaf; dat hij geen kracht had, aan dien verderfelijken
trek weerstand te bieden; dat hij wenschte buiten bereik van alle
verzoeking gesteld te worden en hem derhalve geen geschikter weg
voorkwam dan deze. Hierop gaf men hem te kennen, dat de gevangenis voor
misdadigers was, die door de wet gevonnisd waren, en tot inwilliging
van dergelijke grillige aanzoeken niet opengesteld kon worden. Verder
vermaanden de heeren hem, om zich van bedwelmende dranken te onthouden,
iets wat hij stellig zou kunnen doen als hij dit maar ernstig wou;
ook kreeg hij nog menigen anderen heilzamen raad, waarmee hij naar huis
ging, niet weinig ontevreden over den ongunstigen afloop van zijn stap.

Maar hij liet het hier niet bij. Integendeel. Hij kwam terug, en weer
terug, en nog eens terug. Kortom, hij werd zoo lastig, dat de heeren
eindelijk een raad belegden en zeiden: "Wijzen we hem weer af, dat
doet-i vandaag of morgen zeker nog iets, dat hem recht geeft om hier
te zitten. Laten we hem daarom maar in vredesnaam opsluiten. Hij zal
wel gauw trek krijgen om weer op te stappen, en dan zijn we voorgoed
van hem af." Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij lieten hem een stuk teekenen,
dat hen hiervoor vrijwaarde, dat hij ooit een actie tegen hen in kon
stellen wegens onwettige inhechtenisneming, in welk stuk nadrukkelijk
vermeld stond, dat zijn gevangenschap vrijwillig was en op zijn eigen
verzoek. Verder verzochten zij hem, er wel notitie van te nemen, dat
de dienstdoende suppoost order had, hem ieder uur van den dag of nacht
er uit te laten, als hij op zijn deur mocht kloppen en hem dien wensch
te kennen gaf; maar tevens gaven ze hem duidelijk te verstaan, dat,
eens er uit, hij niet voor de tweede maal zou toegelaten worden. Nadat
hij deze voorwaarden aangenomen had en maar altijd bij zijn voornemen
bleef volharden, werd hij naar de gevangenis gebracht en in een der
cellen opgesloten.

En dezelfde man, die geen standvastigheid genoeg bezat om een glas
sterken drank, dat voor hem op tafel stond, onaangeroerd te laten,
hij bleef uit eigen verkiezing bijna twee jaar in eenzame opsluiting
in deze cel, en verrichtte daarin zijn geregeld werk, dat schoenmaken
was. Toen hij na verloop van dien tijd een beetje begon te sukkelen,
gaf de dokter hem den raad, af en toe in den tuin te werken; en daar
hij hier veel zin in scheen te hebben, ging hij aan dit nieuwe werk
met hart en ziel.

Zoo was hij hier op een zomerdag druk in de weer met spitten, toen het
kleine deurtje van de buitenpoort toevallig open gelaten was, en zich
daar ginds de welbekende stoffige weg en de door de zon verschroeide
velden vertoonden. De weg was even vrij voor hem als voor iedereen,
maar nauwelijks had hij even gekeken naar dat schouwspel, dat zich
als in een zee van licht baadde, of, met het onwillekeurig instinct
van een gevangene gooide hij zijn spa weg, zette het op 'n loopen en
keek naar de gevangenis nooit ofte nimmer meer om.



VIII.

WASHINGTON.

    WASHINGTON, DE WETGEVING EN HET HUIS VAN DEN PRESIDENT.


Op een zeer kouden morgen verlieten wij om zes uur Philadelphia per
stoomboot, en keken naar Washington uit.

In den loop van dezen dag kwamen we, evenals bij volgende gelegenheden,
een stuk of wat Engelschen tegen (thuis zou men ze misschien voor
kleine boeren of kommiezen gehouden hebben), die zich in Amerika
neergezet hadden en nu voor hun eigen zaken reisden. Van alle soorten
van menschen, die van de openbare vervoermiddelen van den staat gebruik
maken, zijn deze dikwijls de onverdraaglijkste en onuitstaanbaarste
reisgenooten. Zich onderscheidende door elken onpleizierigen
karaktertrek, die het eigendom is van de ellendigste soort van
Amerikaansche reizigers, leggen deze onze landgenooten zoo razend veel
laatdunkenden trots, zoo razend veel blufferigen eigendunk aan den dag,
dat het waarlijk niet is om aan te zien. In de platte gemeenzaamheid
waarmee zij u aanspreken, en de onbeschofte nieuwsgierigheid waarmee
zij u met allerlei vragen overstelpen (iets wat ze nog wel haastig
ook doen, als waren ze er op uit, om zich te wreken over de kiesche
manieren van Oud Engeland, op dit punt) in een en ander nu overtreffen
zij elk specimen van onzen geboortegrond dat ik onder de oogen kreeg,
en als ik hen zag en hoorde, werd ik dan ook zoo vaderlandsgezind,
dat ik met het grootste pleizier ter wereld een redelijke boete had
willen betalen wanneer ik maar een of ander land in de geheele wereld
de eer had kunnen geven, dat zij daarvan de kinderen waren.

Daar Washington het hoofdkwartier der tabakspruimers mag genoemd
worden, is thans de tijd aangebroken dat ik, zonder 't in 't minst
onder stoelen of banken te binden, met de verklaring voor den dag moet
komen, dat de hier algemeen in zwang zijnde twee verfoeilijke gewoonten
om te pruimen en te spugen mij in die dagen erg begonnen tegen te
staan, ja eindelijk, 't hooge woord moet er uit, misselijk maakten. Op
al de openbare plaatsen van Amerika treft men deze vieze gewoonten
aan. Zoo heeft bij de rechtbank de rechter zijn kwispedoor, de advocaat
het zijne, de getuige het zijne, en de gevangene het zijne; ook is
er gezorgd voor de gezworenen en toeschouwers, als voor de zoodanigen
die volgens den loop der natuur verlangend moeten zijn onophoudelijk
te spugen. In de gasthuizen worden de studenten in de geneeskunde
door middel van tegen den muur aangeplakte biljetten verzocht, om hun
tabaksap in opzettelijk voor dat doel bestemde bakjes te ontlasten,
en niet de trappen te bevuilen. In openbare gebouwen worden bezoekers
langs denzelfden weg gesmeekt, om de essence hunner tabakspruimen of
"plugs" (zooals ik 't door heeren, die in deze soort van lekkernij
uitgestudeerd zijn, heb hooren betitelen) in de nationale kwispedoors
uit te storten en niet op de voetstukken der marmeren kolommen. Maar
op sommige plaatsen is deze gewoonte de onafscheidelijke gezellin van
elken maaltijd en elk ochtendbezoek, ja van alle verrichtingen des
maatschappelijken levens. De vreemdeling, die het door mij ingeslagen
spoor volgen zal, zal ze te Washington dan ook in haar volle fleur
en glorie, ja schitterend in haar verontrustende onbezorgdheid
aantreffen. En laat hij zich in vredesnaam toch niet diets maken
(gelijk ik eens, ik beken 't met schaamte, gedaan heb), dat vroegere
reizigers deze gewoonte overdreven voor hebben gesteld. De zaak zelve
is een overdrijving van morsigheid, die niet overtroffen kan worden.

Aan boord dezer stoomboot waren twee jongeheeren oudergewoonte met
omgeslagen boorden en met erg dikke wandelstokken gewapend. Deze
jongelui zetten twee stoelen midden op 't dek neer, in dier voege dat
ze vier pas van elkaar af zaten; daarop haalden ze hun tabaksdoozen
voor den dag en zaten tegenover elkaar maar weer lekker te pruimen. In
minder dan een kwartier hadden deze jongelui van zooveel verwachting
een milde stortbui van gelen regen op de zindelijke planken om hen
heen uitgestort, en trokken op die manier een soort van toovercirkel
om hen heen, binnen welke grenspalen geen indringer zich dorst wagen,
en dien zij nooit in gebreke bleven te ververschen en telkens weer te
ververschen voordat er een plek droog was. Daar dit voor 't ontbijt
geschiedde, zoo beken ik openhartig, dat ik van dit gezicht zoo vies
werd, dat het maar weinig had gescheeld of ik was er misselijk van
geworden; maar toen ik wat opmerkzamer naar een der spugers keek,
merkte ik heel goed, dat deze nog een groene pruimer was, die zelf
zich alles behalve lekker scheen te voelen. Op deze ontdekking kwam
een glans van vergenoegen over mijn gezicht, en daar ik zag dat hij
hoe langer hoe bleeker werd, terwijl hij, wedijverende met zijn ouder
vriend maar door bleef pruimen en door bleef spugen, kijk, toen had
ik hem wel om zijn hals kunnen vallen om hem te bidden en te smeeken,
dat hij nog uren lang daarmee voort mocht gaan.

Allen gingen wij aanzitten aan een keurig ontbijt in de kajuit
beneden, waar niet meer drukte en omslag heerschte dan gewoonlijk
bij zoo'n maaltijd in Engeland, en waar zeker grooter beleefdheid
aan den dag werd gelegd dan bij de meeste maaltijden, die door onze
postwagen-passagiers gebruikt worden. Tegen negenen kwamen we aan 't
spoorweg-station en namen plaats in de waggons. 's Middags stapten
we er weer uit, om een breede rivier in een andere stoomboot over
te steken; landden aan een voortzetting van den spoorweg aan den
overkant, en gingen verder met andere waggons, waarmee wij, in den
loop van 't volgende uur of daaromtrent, over houten bruggen, ieder
een uur lang; twee kreken passeerden, die respectievelijk de Grove-
en Fijne Buskruitkreek genoemd worden. In beide kreken zag het water
zwart van heele zwermen eenden met zwarte ruggen, die lekker smaken
en hier in dat seizoen bij de vleet worden aangetroffen.

Deze bruggen zijn van hout, zooals ik zei, hebben geen leuning en zijn
juist breed genoeg voor de spoortreinen, die bij 't allergeringste
ongeval onvermijdelijk in de rivier zouden storten. 't Zijn dan ook
van die vervoermiddelen die men 't meest bewondert als men ze achter
den rug heeft.

We maakten halt om te Baltimore het middagmaal te gebruiken, en
daar we nu in Maryland waren, werden we voor 't eerst door slaven
bediend. De gewaarwording dat men den een of anderen dienst vergt van
menschelijke schepselen die gekocht en verkocht worden, is waarlijk
niet benijdenswaardig. In zoo'n stad als deze bestaat de instelling
misschien in haar minst stuitenden en meest vermomden vorm, maar
slavernij is het niettemin; en ofschoon ik te haren opzichte zoo
onschuldig was als een pasgeboren kind, dit nam niet weg dat haar
aanwezigheid te dezer plaatse mij met een gevoel van schaamte en
zelfverwijt vervulde.

Na den eten gingen we alweer naar 't spoor, en namen plaats in den
trein naar Washington. Daar 't nog tamelijk vroeg was, omringden al
die mannen en jongens, die toevallig niets bijzonders hadden te doen,
en nieuwsgierig waren naar vreemdelingen, oudergewoonte den waggon waar
ik in zat, maar daar bleef het hier niet bij. Zonder omslag lieten ze
de raampjes der portieren neer, staken er hun hoofden en schouders in,
gingen er op hun gemak met hun ellebogen op neerliggen, en begonnen
toen met elkaar van gedachten te wisselen over mijn uiterlijk, als was
ik een ledepop geweest. Nooit kwam ik er zoo nauwkeurig achter hoe mijn
neus en oogen er eigenlijk toch wel uitzien, wat voor verschillende
indrukken mijn mond en kin op verschillende gemoederen maken, en hoe
mijn hoofd er uitziet als men 't van achteren bekijkt,--als bij deze
gelegenheden. Sommige heeren waren tevreden door te mijnen aanzien
enkel van 't zintuig van hun gevoel gebruik te maken; doch de jongens
(die in Amerika verwonderlijk vroeg rijp zijn) waren zelfs daarmee
zelden tevreden, maar keerden telkens terug om 't fijne van de zaak
uit te pluizen. Zoo heeft menig president in knop met zijn pet op en
zijn handen in zijn zakken in mijn kamer gewandeld en me twee heele
uren aangegaapt, terwijl hij zich af en toe bij wijze van tijdkorting
in den neus kneep of een teug uit de waterkruik nam, of naar de ramen
toeliep en, onder den uitroep van: "Hier is-i! Kom boven! en breng al
jelui broers mee!" en andere gastvrije uitnoodigingen van dien aard,
andere jongens op straat beneden uitnoodigde om boven te komen en
net zoo te doen.

Dien avond kwamen we om halfzeven te Washington aan, en hadden
onderweg een mooi gezicht op 't Kapitool, een fraai gebouw in den
Corinthischen stijl, dat op een indrukwekkende verhevenheid gebouwd
is. Eens in mijn logement zag ik dien avond niets meer van de plaats;
ik was namelijk doodmoe en blij dat ik naar bed kon gaan.

Zoodra ik den volgenden morgen ontbeten had, kuierde ik een uur of
twee de straten door, en toen ik weer thuis kwam deed ik mijn voor-
en achterraam open en keek uit. Hier nu is Washington, zooals het
mij nog kersversch voor den geest en voor de oogen gebleven is.

Neem de leelijkste gedeelten van den City Road en Pentonville
zooals ze daar reilen en zeilen in al hun eigenaardige leelijkheid,
maar vooral de kleine winkels en woningen, die daar (maar niet te
Washington) door uitdragers, ordinaris-houders voor de smalle gemeente
en vogelliefhebbers bewoond worden. Verbrand het geheel en al; bouw
het weer op in hout en pleister; vergroot het een beetje; gooi er een
gedeelte van St. John's Wood in en voorzie al de particuliere huizen
van buiten van groene blinden met een rood gordijn en een wit gordijn
voor ieder raam; beploeg er alle wegen; beplant iedere plaats met
een groote massa gemeene graszoden waar ze niet thuis behooren; trek
ergens die fraaie gebouwen in steen en marmer op, maar hoe verder uit
de buurt des te beter; noem het eene het Postkantoor, het andere het
Bureau der Octrooien en het derde de Thesaurie; maak het 's morgens
verschroeiend heet en na den middag ijskoud om te bevriezen met een
intermezzo van dwarrelwind en stof; laat overal waar ge uit den aard
der zaak een straat zoudt durven verwachten den heelen boel onbestraat:
Ziedaar Washington!

Het logement, waar wij in wonen, is een lange rij kleine huizen,
die van voren op straat uitzien en van achteren op een algemeene
plaats uitkomen, waar een groote triangel hangt. Heeft men nu een
bediende noodig, dan heeft men doodeenvoudig van één tot zevenmaal op
dien triangel te slaan, al naar het nommer is van 't huis waar zijn
tegenwoordigheid vereischt wordt: en aangezien men altijd en eeuwig al
de bedienden noodig heeft, en geen hunner ooit op komt dagen, zoo hoort
men dat levenmakend ding den ganschen dag door. Op deze zelfde plaats
hangen ook kleeren te drogen; slavinnen met katoenen zakdoeken om 't
hoofd loopen heen en weer, om de huiselijke bezigheden te verrichten;
zwarte kellners zijn in voortdurende beweging met schotels in de
handen; twee groote honden spelen op een hoop losse steenen midden
op de plaats; een varken koestert zich in de zon en knort "omdat het
zoo lekker is!" en noch de mannen, noch de vrouwen, noch de honden,
noch het varken, noch eenig geschapen schepsel neemt de geringste
notitie van den triangel, die maar altijd aan 't tingelen is.

Ik loop naar het voorraam en kijk dwars over den weg op een lange,
alleenstaande rij huizen, één verdieping hoog, die bijna aan den
overkant, maar een beetje links, in een armzalige lap woesten
grond uitloopt met wat duf gras, die er uitziet als een klein
stuk verdronken land. Als een meteoor die uit de maan gevallen is,
staat ergens, in die open ruimte een wonderlijk eenoogig soort van
houten gebouw, dat er als een kerk uitziet, met een vlaggestok zoo
lang als het zelf is, en met een toren die iets breeder is dan een
theekist. Onder 't raam is een kleine staanplaats voor rijtuigen,
waarvan de koetsiers, die slaven zijn, op de stoep onzer deur met
elkaar over koetjes en kalfjes in de zon staan te babbelen. De drie
huizen, die 't dichtst bij de hand zijn en het meest in den weg
staan, zijn de drie gemeenste. Op een daarvan--een winkel, waar
nooit iets uitgestald is en nooit de deur openstaat--ziet men met
groote letters dit opschrift geschilderd: "DE STADSGAARKEUKEN." In
't tweede, dat er uitziet alsof het een achterstuk van een ander
huis is, maar toch een op zich zelf staand gebouw uitmaakt, kan men
op allerlei manieren klaargemaakte oesters krijgen; terwijl voor
't derde huis, dat een klein, bitter klein kleermakerswinkeltje is,
een stuk of wat broeken hangen, ten bewijze dat hier broeken op de
maat gemaakt worden: Ziedaar onze straat te Washington!

Washington wordt soms de Stad van Prachtige Afstanden genoemd, maar
veel eigenaardiger ware het, bijaldien men ze de Stad van Prachtige
Bedoelingen noemde; want een enkele blik, à vol d'oiseau van boven
van 't Kapitool af op haar geslagen, is voldoende om u de grootsche
plannen te doen begrijpen van hem, die haar aanleg ontworpen heeft, een
eerzuchtig Franschman namelijk. Ruime avenuën die bij niets beginnen en
nergens op uitloopen; straten, een mijl lang, waar niets aan mankeert
dan huizen, wegen en bewoners; openbare gebouwen, waar niets dan
een publiek aan mankeert om compleet te zijn; en op grootsche schaal
aangelegde passages, waar niets aan mankeert dan passage: Ziedaar de
kenmerkende eigenschappen dezer stad! Al licht zou men zich verbeelden,
dat het mooie seizoen daar was, en de meeste huizen tegelijk met hun
bewoners naar buiten waren gegaan. Voor de bewonderaars van steden is
't een feest der Barmeciden; een pleizierig veld voor de verbeelding
om er zich in te vermeien; een gedenkteeken opgericht ter eere van
een overleden ontwerp, waar men zelfs geen leesbaar opschrift aantreft
om zijn voorbijgegane grootheid in herinnering te brengen.

Zooals ze is, zoo zal ze wel blijven. Oorspronkelijk was ze
uitgekozen voor den zetel der regeering, om zoodoende de gevolgen
van den onderlingen naijver der verschillende staten af te wenden;
waarschijnlijk ook om zich te vrijwaren voor de aanraking van 't
Janhagel, een punt dat zelfs in Amerika niet over 't hoofd gezien
wordt. Ze heeft van zich zelve noch klein- noch groothandel. Men vindt
er namelijk geen andere bevolking dan de president en zijn personeel;
de leden der wetgevende vergadering die daar gedurende de zitting
hun verblijf houden; de klerken en ambtenaren aan de verschillende
departementen; de houders van de logementen en kosthuizen; en de
winkeliers die in hun tafels voorzien. Ze is zeer ongezond. Ik houd
het er voor, dat er maar weinigen in Washington zouden wonen, die er
niet beroepshalve toe verplicht waren; en de stroomen van emigratie en
speculatie, de snelvlietende en onachtzame stroomen, zullen wel nooit
ofte nimmer den weg nemen naar zoo'n stilstaand en slikkerig water.

Wat van 't Kapitool het meest in 't oog loopt, zijn natuurlijk de Twee
Huizen der Volksvergadering. Maar behalve dat is er in 't middelpunt
van 't gebouw een mooie rotonde, zes en negentig voet in doorsnede,
en zes en negentig hoog, waarvan de rondloopende muur verdeeld is
in vertrekken, die met geschiedkundige schilderstukken versierd
zijn. Vier daarvan hebben betrekking op voorname gebeurtenissen uit
den revolutionairen worstelstrijd. Ze werden geschilderd door kolonel
Trumbull, zelf een lid van Washingtons staf tijdens ze voorvielen;
aan welke omstandigheid zij een bijzonder belang ontleenen. In deze
zelfde zaal is onlangs Greenough's groot standbeeld van Washington
geplaatst geworden. Natuurlijk heeft het groote verdiensten, maar
het maakte op mij den indruk dat het wat al te forsch is voor zijn
doel. Misschien zou de indruk gunstiger geweest zijn, als het op een
andere plaats gestaan had en het licht er wat beter op gevallen was.

Men vindt een allerpleizierigste en gemakkelijke boekenkamer op
't Kapitool, en van een balkon voor dit vertrek geniet men nu
het gezicht à vol d'oiseau, waar ik zoo even van gesproken heb,
alsmede een prachtig panorama van de omliggende landstreek. In een der
versierde afdeelingen van 't gebouw is een beeld dat de Gerechtigheid
voorstelt, waaromtrent de Gids zegt, dat "de kunstenaar eerst van
plan was om het naakter voor te stellen, maar gewaarschuwd zijnde
dat de openbare smaak daar niet van hield, is hij misschien in een
ander uiterste vervallen." Arme Gerechtigheid! men heeft ze in Amerika
wel in nog vreemder dos gestoken dan waarin ze op 't Kapitool staat
te kniezen. Laat ons hopen, dat ze haar aankleeder bekeerd heeft
sinds deze kleeren gemaakt werden, en de openbare smaak des lands de
kleeren niet uitsneed, waar zij juist nu haar beminnelijke gestalte
in verbergt.

Het Huis der Volksvertegenwoordigers is een fraaie en ruime zaal,
half rond van vorm, die door schoone pilaren gedragen wordt. Het eene
gedeelte der galerij is voor de dames bestemd, die daar, evenals
in schouwburg en concertzaal, in loges vooraan gaan zitten, en in-
en uitloopen. Het spreekgestoelte is van een troonhemel voorzien, en
staat heel hoog boven den grond; en ieder lid heeft een leuningstoel
en een lessenaar voor hem apart, iets wat door sommigen buitensdeurs
als een der ongelukkigste en verderfelijkste bepalingen gebrandmerkt
wordt, als leidende in de practijk tot lange zittingen en prozaïsche
redevoeringen. De kamer biedt een sierlijk gezicht aan, maar is
zoo slecht mogelijk wat de acoustiek betreft. De senaatskamer, die
kleiner is, is vrij van dit gebrek, en bij uitstek goed geschikt voor
't gebruik waar ze toe bestemd is. Ik zal er wel niet opzettelijk
behoeven bij te voegen, dat de zittingen over dag plaats vinden, en de
parlementaire vormen op de leest van 't oude vaderland geschoeid zijn.

Later op andere plaatsen komende, vroeg men mij nu en dan, of de
hoofden der wettenmakers te Washington geen diepen indruk op me
gemaakt hadden: men bedoelde hier niet mee hun chefs en leiders,
maar letterlijk hun persoonlijke hoofden, waar hun haar op groeide
en het phrenologisch karakter van elken wetgever was uitgedrukt, en
bijna altijd deed ik mijn ondervrager van verontwaardigde verbazing
verstommen door te antwoorden: "Neen, ik herinnerde me niet, dat zoo
iets me overkomen was." Daar ik, het ga zooals 't ga, deze mijne gulle
bekentenis hier wil herhalen, zoo wil ik er meteen en met zoo weinig
woorden mogelijk het verslag op laten volgen van de indrukken die ik
daaromtrent bij tijd en wijle heb opgedaan.

Zoo herinner ik me in de allereerste plaats niet--misschien
komt dit wel hier vandaan, dat mijn vereenigingsorgaan niet al
te volmaakt ontwikkeld is--dat ik op 't gezicht van een of ander
wetgevend lichaam ooit van me zelf gevallen ben, of tot schreiens
toe bewogen ben geworden, of van de pret drie voet hoog van den grond
opgesprongen ben. In het Lagerhuis heb ik me als een man gedragen en
in 't Hoogerhuis heb ik me aan geen andere zwakheid schuldig gemaakt
dan af en toe een uiltje te knappen. Verkiezingen heb ik gezien voor
burg- en graafschap, en nooit heeft men mij zoover kunnen brengen
(onverschillig welke partij aan de winnende hand was) om mijn hoed
te bederven door 'm in triomf in de lucht te gooien of mijn stem te
bederven door te jubelen en te juichen ter eere van onze Roemrijke
Grondwet, van de edele zuiverheid onzer onafhankelijke kiezers of van
de vlekkelooze onomkoopbaarheid onzer onafhankelijke leden. Aangezien
ik nu zulke sterke aanvallen op mijn zelfbeheersching of zedelijke
kracht weerstaan heb, is 't heel wel mogelijk, dat ik in dergelijke
zaken van een koud, ongevoelig, eigenlijk ijskoud gestel ben, en daarom
moeten de indrukken, die ik van de levende pilaren van 't Kapitool te
Washington heb opgedaan, met die inschikkelijkheid ontvangen worden
als waar zoo'n gulle bekentenis als deze zekerlijk recht op heeft.



Zag ik in dit openbare lichaam een vergadering van menschen,
saamverbonden in de geheiligde namen van Vrijheid en Gelijkheid, en die
in al hun discussiën de kuische waardigheid dier tweeling-godinnen in
die mate ophielden, dat zij op eens de Eeuwige beginselen vaststelden,
welke uit die namen voortvloeien, beginselen die hun eigen karakter
en het karakter hunner landgenooten tot een voorwerp van bewondering
maakten in de oogen der geheele wereld?



Het was maar een week geleden sinds een oud man met grijze haren,
een man die altijd en eeuwig tot eer zal strekken van 't land dat hem
zag geboren worden, een man die, evenals zijn voorvaderen, zijn land
goede diensten bewezen heeft en tal van jaren in gezegend aandenken zal
blijven als zelfs de wormen, die uit zijn verrottend lijk voortkomen,
zooveel stofhoopjes geworden zijn--'t was maar een week geleden sinds
deze oude man dagen lang voor de vierschaar dezer zelfde vergadering
te recht stond, en dat waarom? Omdat hij beschuldigd werd van de
misdaad dat hij al het schandelijke, al het menschonteerende aan
de kaak had durven stellen van dien handel, waarvan de vervloekte
koopwaar uit mannen en vrouwen, en hun ongeboren kinderen bestaat. Ja
daarom! En de verklaring van de Dertien Vereenigde Staten van Amerika,
inhoudende: dat alle menschen gelijk geschapen, en door hun Schepper
met de onvervreemde rechten van leven en vrijheid en.... tot het
najagen van geluk toegerust zijn,--diezelfde verklaring, diezelfde
eenparige, plechtige verklaring is ondertusschen openlijk in dezelfde
stad ten toon gesteld; verguld, in een lijst gezet en met glas er voor;
opgehangen ter algemeene bewondering; vertoond aan vreemdelingen niet
met schaamte maar met trots; niet met haar voorste gedeelte naar den
muur toegekeerd, niet afgenomen en verbrand!

Het was geen maand geleden, sinds deze zelfde vergadering er zoo
kalmpjes bij zat en 't zoo kalmpjes aanhoorde, dat iemand, een der
hunnen nota bene, met scheld- en vloekwoorden waar dronken schooiers
zich over schamen zouden, een ander uit diezelfde vergadering dorst
bedreigen, dat hij hem zijn strot van 't eene oor tot het andere af
zou snijden. Daar zat hij, dat edele lid, onder hen; niet verpletterd
door 't algemeene gevoelen der vergadering, och neen, zoo rustig en
wel als ieder ander.

Er behoefde nog maar één week verder te verloopen, en een ander lid van
diezelfde vergadering zou verhoord en schuldig bevonden, en strengelijk
berispt worden door zijn overige medeleden, en dat waarom? vroeg ik
alweer. Omdat hij zijn plicht betrachtte tegenover hen, die hem daar
naar toe stuurden; omdat hij in een Republiek de vrijheid vorderde, om
rond voor hun meening uit te komen, en hun bede bekend te maken. Nu,
hij had zich dan ook aan een gruwelijk misdrijf schuldig gemaakt,
dat dient gezegd te worden, want jaren te voren was hij terzelfder
plaatse opgestaan en had hij gezegd: "Een troep slaven en slavinnen,
wier echtheid gewaarborgd is alsof het vee was en die met ijzeren
boeien aan elkaar vastgebonden zijn, passeert op dit oogenblik de
publieke straat onder de ramen van uw Tempel van Gelijkheid! Ziet
maar!"--Doch 't is waar ook! Er zijn verschillende soorten jagers
op de jacht naar Geluk, en niet alle jagers zijn op een en dezelfde
wijze gewapend. Zoo behoort het tot het onvervreemdbare recht van
sommigen onder hen, dat ze, met zweep en stok en ijzeren kraag en
ketting uitgerust, hun geluk najagen, en (natuurlijk altijd tot lof
van Vrijheid en Gelijkheid) hun blijde hoerah's vermengen met de
hemelsche muziek van klinkende ketens en bloedige zweepslagen.

Waar zaten de vele wetgevers met hun laaghartige bedreigingen, met
hun woorden en slagen waarop sjouwerlui elkaar somtijds plegen te
trakteeren, ja waar zaten zij, die zoo ten eenenmale kunnen vergeten
dat ze beschaafde mannen zijn, althans heeten? Waar ze zaten? Aan
weerzijden. Iedere zitting levert haar eigenaardige voorvalletjes
van dien aard op, en die er gewoonlijk in betrokken zijn, waren
allen present.

Herkende ik in deze vergadering een corporatie van mannen die,
volijverig in de weer om enkele van de verkeerdheden en ondeugden
der oude wereld te verbeteren, de toegangen tot het openbare leven
van 't vaak maar al te welig opschietend onkruid zuiverden,--die de
vuile wegen tot eer en aanzien bestraatten, die, met andere woorden,
hervormend optredende, misbruiken uitroeiden, wetten uitvaardigden
ten algemeenen nutte en geen andere partij kenden dan hun vaderland?

Of ik zulke mannen in hen herkende?! Lacy! ik zag in hen de raderen
die de ergste verbastering van de beste staatkundige machinerie
in beweging brengen, welke ooit door de slechtste gereedschappen
gesmeed kunnen worden: verachtelijke bedriegerij bij verkiezingen;
onderhandsche omkooping voor openbare betrekkingen; laffe aanvallen op
tegenstanders met gemeene kranten tot schilden en gehuurde pennen tot
dolken; schandelijke flikflooierij ten opzichte van veile schurken,
wier eenige aanspraak op de algemeene achting hierin bestaat dat ze
met hun veile typen, die de drakentanden vanouds in alles behalve
in scherpte zijn, dag-in dag-uit, week-in week-uit nieuw zaad des
verderfs zaaien, elke slechte neiging in de ziel des volks in de
hand werken en versterken, elken invloed ten goede daarentegen op
kunstmatige wijze onderdrukken: zulke sujetten nu herkende ik in hen,
kortom, de laagste Factiegeest, en die in zijn schaamteloossten,
nakendsten vorm, hij grijnsde me uit iederen hoek van de bewuste,
vaak zoo talrijk bezette zaal tegen!

Zag ik onder hen het verstand en de beschaving: het echte,
rechtschapen, vaderlandslievende hart van Amerika? Hier en daar
waren druppels van zijn bloed en leven, maar die druppels waren
ternauwernood voldoende om den stroom te kleuren van wanhopige
gelukzoekers, die louter uit eigenbelang dien weg opgaat. Nu is 't
juist de tactiek van die gelukzoekers en hun losbandige organen,
om den staatkundigen strijd zoo alleronbeschoftst aan te binden,
daarbij het gevoel van eigenwaarde en zelfachting zoo ten eenenmale
te dooden, dat al degenen, wien 't hart nog op de rechte plaats zit,
reeds kieschheidshalve zich op behoorlijken afstand houden met dat
natuurlijk gevolg dat die anderen hun bedorven hart op kunnen halen, ja
hun zelfzuchtige bedoelingen onbelemmerd ten uitvoer kunnen leggen. En
op die manier gaat dan hier de partijstrijd, die zeker wel de laagste
strijd is, dien men zich met mogelijkheid denken kan, zijn gang, en
zij, die in andere landen krachtens hun verstand en rang de eersten
zouden wezen om zich op den voorgrond te plaatsen waar het geldt,
het zijne bij te dragen om goede, deugdelijke wetten te maken,--zij
onttrekken zich hier zoo ver mogelijk van datgene wat in de gegeven
omstandigheden een verlaging, een schande in hun oog zou mogen heeten.

Dat er onder de vertegenwoordigers des volks in beide Huizen, en onder
alle partijen, sommigen gevonden worden van een even voortreffelijk
karakter als uitstekende bekwaamheid, zal ik wel niet opzettelijk
behoeven te vermelden. De voornaamsten onder die staatkundigen, die
in Europa bekend zijn, zijn reeds beschreven geworden, en ik voor
mij zie niet in, waarom ik thans af zou wijken van den regel dien
ik mij eenmaal voorgeschreven heb, om namelijk geen persoon bij name
aan te duiden. Het zal voldoende zijn, als ik er bijvoeg, dat ik de
gunstige verslagen, die omtrent hen uitgebracht zijn, ten eenenmale en
van ganscher harte onderteeken; en dat ik bij een persoonlijke, vrije,
ongedwonge kennismaking niet dat gevolg ondervonden heb, waar een zeker
nogal twijfelachtig spreekwoord op zinspeelt, maar integendeel mijn
bewondering en eerbied nog hoe langer hoe meer heb voelen toenemen. Ze
zijn voortreffelijke mannen, mannen die men niet gemakkelijk een knol
voor een citroen in de hand zou kunnen stoppen, mannen die vaardig
zijn waar 't op stuk van handelen aankomt, leeuwen in geestkracht,
Crichton's wat veelzijdige ontwikkeling betreft, Indianen in vuur
van oog en gebaar, Amerikanen in sterke en edelmoedige impulsie; en
evengoed vertegenwoordigen zij de eer en wijsheid van hun land thuis,
als de uitstekende heer, die hun minister is bij 't Britsche hof, die
eer, die wijsheid, en dat in haar hoogsten graad, buitenslands ophoudt.

Gedurende mijn verblijf te Washington bezocht ik beide
huizen bijna elken dag. Bij mijn eerste bezoek aan 't huis der
Volksvertegenwoordigers waren zij 't oneens over een beslissing van
den president; maar de president won het. Den tweeden keer dat ik er
naar toe ging, bauwde het lid, dat aan 't spreken was en door een
lach in de rede gevallen werd, dit na precies als een kind dat met
een ander kind aan 't krakeelen was, en voegde er bij "dat hij nu wel
zou maken dat de geachte heeren van de oppositie hun mond een beetje
naar den anderen kant zouden vertrekken." Maar zelden gebeurt het,
dat de spreker in de rede gevallen wordt; gewoonlijk toch wordt hij
bedaard aangehoord. Er wordt meer gekibbeld dan bij ons; ook is men
er gauwer en meer met dreigementen in de weer dan fatsoenlijke heeren
zich in eenige beschaafde maatschappij zouden durven veroorloven:
maar imitatiën van redevoeringen, die naar den stal rieken, zijn
tot dusverre nog niet ingevoerd geworden uit het Parlement van 't
Vereenigde Koninkrijk. De eigenaardigste trek in hun redevoeringen,
die het meest voorkomt en waar ze 't meest van schijnen te houden,
bestaat in de gestadige herhaling van 't zelfde denkbeeld of zweem
van een denkbeeld in nieuwe bewoordingen; en buitensdeurs wordt er
niet gevraagd: "Wat zei-i?" maar: "Hoe lang sprak-i?" Dat zijn evenwel
maar uitbreidingen van een beginsel dat overal de overhand heeft.

De Senaat is een hoogst achtenswaardig en deftig lichaam, dat zijn
werkzaamheid met veel deftigheid en orde verricht. In beide huizen
liggen fraaie tapijten, maar de toestand waar deze tapijten in
gebracht zijn door 't veronachtzamen van 't kwispedoor, dat ieder
geacht lid te zijner beschikking heeft, en de buitengewone oplappingen
die men overal aantreft,--ziedaar iets wat zich onmogelijk laat
beschrijven. Alleen wil ik doen opmerken, dat ik alle vreemdelingen
sterk aanraad om niet naar den grond te kijken, en dat, mochten ze
bijgeval iets laten vallen, al was 't hun beurs, die in geen geval
zonder handschoen op te rapen.

Wat iemand, aan zoo'n schouwspel ongewoon, in den beginne ook in 't oog
springt, is, zooveel geachte leden met opgezwollen tronies te zien;
en 't is ternauwernood minder opmerkelijk, te ontdekken dat dit in
't oogloopende uiterlijk veroorzaakt wordt door de hoeveelheid tabak
die zij in 't holle van hun wangen weten te stoppen. Ook is 't nogal
vreemd, zoo'n geacht kamerlid met zijn rug in zijn stoel en met zijn
beenen op den voor hem staanden lessenaar een behoorlijke "plug"
(pruim) met zijn pennemes af te zien snijden, waarna hij, als ze
kant en klaar is om gebruikt te worden, de oude pruim met zooveel
kracht uit zijn mond spuugt, als kwam ze uit een proppenschieter,
en de nieuwe er voor in de plaats doet.

Ik keek vreemd op, toen ik merkte, dat zelfs geposeerde oude pruimers
van groote ondervinding niet altijd goede mikkers zijn, iets wat me in
de verzoeking heeft gebracht om te gaan twijfelen aan die algemeene
bedrevenheid met de buks, waar we in Engeland zooveel van gehoord
hebben. Zoo kreeg ik onder anderen bezoek van verscheidene heeren die
in den loop van 't gesprek gestadig vijf pas het kwispedoor misten, en
een (maar die was zeker bijziende) zag, op een afstand van drie voet,
een toeraam voor een open raam aan. Bij een andere gelegenheid, toen
ik buitenshuis dineerde, en met twee dames en een stuk of wat heeren
voor den eten rondom een haard zat, miste een uit het gezelschap de
stookplaats zesmaal achtereen. Ik ben er echter wel aan toe, om te
gelooven, dat dit hier vandaan kwam, dat hij niet op dat voorwerp
mikte, aangezien er een wit marmeren plaat voor den haard was,
die dichter bij de hand was en misschien ook beter aan zijn doel
beantwoordde.

Het Octrooi-bureau te Washington levert een buitengewoon voorbeeld op
van Amerikaansche ondernemingsgeest en vernuft; want het onnoemelijk
aantal modellen, die men daar aantreft, vertegenwoordigt de
opeengehoopte uitvindingen van maar vijf jaar, daar de geheele vorige
collectie door brand is vernield geworden. Het sierlijke gebouw, waar
zij in gerangschikt zijn, is eerder een ontworpen dan wel voltooid
gebouw, want van de vier zijden is er maar één opgetrokken, ofschoon
het werk gestaakt is. Het postkantoor is een zeer compact en een zeer
fraai gebouw. In een der vertrekken vindt men, onder een collectie
zeldzame en curieuse artikelen, de geschenken die bij tijd en wijle
gemaakt zijn aan de Amerikaansche gezanten bij vreemde hoven door
de verschillende potentaten bij wie zij de geaccrediteerde agenten
der Republiek waren: geschenken die hun door de wet verboden zijn om
te houden. Ik beken, dat ik hier op neerzag als op een smartelijke
tentoonstelling, en dat wel op een tentoonstelling die in geenen
deele vleiend is voor den nationalen standaard van rechtschapenheid
en eer. Neen, het zedelijk gevoel moet daar alles behalve sterk
ontwikkeld zijn, waar men van de onderstelling uit durft gaan, dat een
man van naam en stand in de vervulling zijner plichten omgekocht kan
worden door 't geschenk van een snuifdoos, of rijk ingelegde sabel,
of oostersche sjaal; en zeker wordt de natie, die vertrouwen stelt
in haar dienaren, beter gediend, dan zij die hen tot voorwerp maakt
van zulke lage en armzalige vermoedens.

Te George Town bevindt zich, in een der voorsteden, een
Jezuieten-college dat overheerlijk gelegen is en voor zoover ik
gelegenheid had om dit op te nemen, goed bestuurd wordt. Ik geloof
dan ook, dat verscheidene personen, die niet tot de Roomsche kerk
behooren, gebruik maken van de voordeelige gelegenheden die deze
instelling oplevert voor de opvoeding hunner kinderen. De hoogten
in deze buurt, boven de Potomac-rivier, zijn zeer schilderachtig, en
naar ik reden heb om te gelooven, vrij van al datgene wat Washington
ongezond maakt. De lucht was op die hoogte geheel koel en frisch,
als ze in de stad brandend heet was.

Het presidentshuis heeft meer van een Engelsch sociëteits-gebouw,
zoowel van binnen als van buiten, dan van eenig ander soort van
gebouw waar ik 't mee vergelijken kan. De grond er omheen is tot
een wandeltuin aangelegd, en aangenaam voor 't oog; ofschoon hij
het onaangename heeft van er uit te zien alsof hij eerst gisteren
was aangelegd, iets wat er alles behalve toe bijdraagt om zulke
schoonheden goed uit te doen komen.

Mijn eerste bezoek aan dit huis was op den morgen na mijn aankomst. Een
officieel heer bracht mij er naar toe en was ook zoo goed mij aan
den President voor te stellen.

Wij traden een groote zaal binnen, en nadat we een keer of drie aan een
bel getrokken hadden, waar niemand op antwoordde, wandelden we zonder
verderen omslag door de kamers gelijkvloers, zooals ook verscheidene
andere heeren (de meesten met hun hoed op en de handen in den zak)
op hun doode gemak deden. Sommigen dezer hadden dames bij zich,
aan wie zij huis en tuin lieten zien; andere lagen zoo lang als ze
waren op de stoelen en sofa's te luieren, nog weer anderen waren
zoo verschrikkelijk lustig dat ze niets anders deden dan geeuwen en
gapen. De meeste dezer bezoekers waren hier eer gekomen om met hun
meerderheid te koop te loopen dan om iets anders, daar zij, gelijk
iedereen wist, hier niets hadden uit te voeren. Een stuk of wat namen
het huisraad op, als om zich te vergewissen dat de President (die alles
behalve populair was) niet een of ander meubelstuk verdonkeremaand
of iets wat spijkervast was ten eigen profijte verkocht had.

Nadat we naar deze doodeters gekeken hadden, die, verspreid over
een lieve zitkamer (uitkomende op een terrein waar men een heerlijk
uitzicht had op de rivier en de daarbij gelegen landstreek), naar
een grooter staatsievertrek flaneerden dat de Ooster-gezelschapskamer
genoemd werd, gingen wij de trap op naar een andere kamer, waar zich
die bezoekers bevonden, welke op eene audiëntie wachtten. Zoodra hij
mijn geleider zag, gaf een eenvoudig aangekleede zwarte met gele muilen
aan, die zachtkens heen en weer trippelde en den meer ongeduldigen de
een of andere boodschap in 't oor fluisterde, een herkenningsteeken
en sloop weg om hem aan te dienen.

Eerst hadden we in een andere kamer gekeken, met een grooten kalen
houten lessenaar of toonbank in de rondte. Stapels nieuwsbladen
lagen er op, waar verscheidene heeren gebruik van maakten. Maar
zulke middelen om den tijd te dooden vond men niet in dit
vertrek. Integendeel, het was even ontmoedigend en vervelend als
zoo'n wachtkamer in een onzer openbare inrichtingen of bij een dokter
gedurende de uren dat hij thuis te consulteeren is.

Er zullen zoo wat een stuk of twintig personen in de kamer geweest
zijn. De een, een lange, gespierde, door de zon verbrande, zwartachtige
oude man uit het Westen, met een bruinwitten hoed op zijn knieën en
een reusachtige paraplu tusschen zijn beenen, zat zoo recht als een
kaars in zijn stoel en keek maar gestadig met zoo'n zuur en strak
gezicht naar 't tapijt, als wou hij zeggen: "als ik 't straks met
den President aan den stok krijg, dan zal i er zoo makkelijk niet van
afkomen, neen waarachtig niet, ik geef hem geen zier toe." Een ander,
een boer uit Kentucky, zes voet zes duim lang, stond met zijn hoed
op en zijn handen onder de panden van zijn jas tegen den muur te
leunen en sloeg met zijn hakken tegen den grond alsof hij het hoofd
van den Tijd onder zijn schoenen hield en hem nu eens letterlijk
"doodde." Een derde, een man met een ovaal gezicht en die er galachtig
uitzag, met kort afgesneden, glimmend zwart haar en puntig afgesneden
baard en snor, zoog maar gedurig aan den knop van een dikken stok,
en haalde hem af en toe uit zijn mond, om te zien hoe ver hij er al
mee gevorderd was. Een vierde deed niets anders dan fluiten. Een
vijfde niets anders dan spugen. En waarlijk, al deze heeren waren
met deze laatste bezigheid zoo druk en zoo onvermoeid in de weer,
overlaadden het tapijt zoo kwistig met hun gunsten, dat het bij mij
vaststond, dat de werkmeiden van den President een hoog loon, of,
om me op gekuischter wijze uit te drukken, een ruime "compensatie"
genoten, zijnde dit ook het woord dat, met betrekking tot alle openbare
beambten in Amerika, in plaats van "loon" gebezigd wordt.

Wij hadden maar een minuut of wat gewacht, of daar kwam de zwarte bode
al terug, en bracht ons in een ander vertrek van kleiner afmetingen,
waar aan een tafel vol papieren de President zelf zat. Hij zag er een
beetje afgemat en verdrietig uit. Nu, dat mocht hij wel. Met Jan en
alleman lag hij toch overhoop. Niettemin had zijn gezicht een zachte en
pleizierige uitdrukking; ook was zijn houding opmerkelijk ongekunsteld,
fijnbeschaafd en innemend. Kortom, op mij maakte hij dezen indruk,
dat hij in al zijn doen en laten zijn hoogen rang alle eer aandeed.

Daar men mij meegedeeld had, dat de verstandige etiquette van
't republikeinsche hof een reiziger zooals ik toestond, zonder
eenige onbeleefdheid te bedanken voor een uitnoodiging om te komen
dineeren--een invitatie die me trouwens eerst gewerd toen ik mijn
aanstalten al getroffen had, om Washington eenige dagen voor den
tijd, waar ik van gewaagde, te verlaten--zoo keerde ik maar eens
naar dit huis terug. Het was bij gelegenheid van een dier algemeene
vergaderingen die op zekere avonden tusschen negenen en twaalven
gehouden, en, nogal grappig, met den naam van "Levee's" bestempeld
worden.

Tegen tienen ging ik er met mijn vrouw naar toe. Er bevonden zich
nogal wat rijtuigen en menschen op de voorplaats, en zoover ik na
kon gaan, waren er geen schikkingen getroffen voor 't ontvangen en
plaatsen der genoodigden. Zeker was 't, dat er geen politie-agenten
waren, om schichtige paarden tot bedaren te brengen, hetzij door aan
hun teugels te trekken of met stokken voor hun oogen te zwaaien;
ook zou ik er wel op durven zweren dat van de menschen, die niets
geen kwaad in hun schild voerden, niemand met geweld een slag op
het hoofd of een stomp tegen den rug of maag kreeg, of op dergelijke
manier tot staan gebracht en dan in bewaring genomen werd, omdat hij
niet uit den weg wou gaan. Maar er was hier ook niet de geringste
wanorde. Zonder eenig getier, gevloek, lawaai of eenigen hinderpaal
kwam ons rijtuig voor 't portaal, en met evenveel gemak stapten we
uit als waren we door de geheele politiemacht der hoofdstad van A
tot Z incluis geëscorteerd geworden.

De suite van kamers op de benedenverdieping was verlicht; en een
militair muziekkorps speelde in de zaal. In de kleiner receptiekamer,
het middelpunt van een gezelschapskring, bevond zich de President
met zijn schoondochter, die de honneurs van 't huis waarnam en een
allerbelangwekkendste, bevallige en fijnbeschaafde jonge dame was. Een
heer, die onder deze groep stond, scheen het ambt van ceremoniemeester
waar te nemen. Andere beambten of oppassers zag ik niet, en waren er
ook niet noodig.

De groote gezelschapskamer, waar ik reeds gewag van gemaakt heb,
en de andere kamers op de benedenverdieping waren stampvol. In den
zin, die wij er aan toekennen, was het gezelschap niet uitgezocht,
want het bevatte personen van allerlei rang en stand, ook was er
niets wat men pronk en praal zou kunnen noemen, integendeel, sommige
kostumes waren in mijn oog nogal potsierlijk. Maar het decorum en
de welgemanierdheid, die er heerschten, werden op geenerlei wijze
verstoord, en ieder man, zelfs onder het gemengd publiek in de zaal,
dat zonder orders of kaartjes toegelaten was, scheen te gevoelen dat
hij deel uitmaakte van 't geheel, en voor zijn deel verantwoordelijk
was voor de waardigheid der bijeenkomst, ja dat op hem zelfs de
verplichting rustte, haar zoo gunstig mogelijk uit te doen komen.

Dat deze bezoekers, onverschillig tot wat voor stand ze behoorden,
buitendien ook niet ontbloot waren van een zekeren fijnen smaak, en
verstandelijke gaven wisten te waardeeren en de zoodanigen die door
de vreedzame beoefening van groote geestvermogens over het huiselijk
leven hunner landgenooten nieuwe bekoorlijkheid verspreiden, den band
van dat leven al hechter en hechter vastsnoerden, en hun goeden naam
meteen in andere landen verhoogden,--dit bleek ten allerduidelijkste
uit de wijze waarop ze mijn waarden vriend Washington Irving ontvingen,
die, onlangs tot hun minister bij 't hof van Spanje benoemd, dien
avond voor 't eerst en voor 't laatst in zijn nieuwe qualiteit in hun
midden aanwezig was. Ik geloof heusch, dat bij al de dwaasheid van
Amerikaansche politiek maar weinig publieke personen zoo oprecht,
zoo eerbiedig en zoo hartelijk aangehaald konden worden als deze
allerboeiendste schrijver; en zelden heb ik een openbare vergadering
meer geëerbiedigd, dan ik deze deed, toen ik er getuige van was
hoe de massa zich eenparig afkeerde van levenmakende redenaars en
officieele wauwelaars en zich met een edelmoedigen en edelaardigen
aandrang rondom den man van stille studie schaarde, trotsch als ze
was dat zijn roem op hun land terugkaatste en dankbaar jegens hem
met geheel hun hart voor den overvloed van liefelijke denkbeelden
die hij over hen had uitgestort. Moge hij zulke schatten nog lang met
kwistige hand uitdeelen; en mogen zij, wat hij zoo ten volle waardig
is, hem nog lang in eere houden!



De tijd, dien wij voor den duur van ons oponthoud in Washington bestemd
hadden, was thans om, en nu zouden we eigenlijk beginnen te reizen;
want de afstanden, die we tot dusverre per spoor hadden afgelegd,
om onder deze oude steden een bezoek af te leggen, worden op dat
groote vasteland als niet geteld.

Eerst was ik van plan, zuidwaarts te gaan, en wel naar
Charlestown. Maar toen ik den langdurigen tijd in overweging nam, dien
deze reis in beslag zou nemen, en de vroegtijdige hitte van 't seizoen,
iets wat zelfs te Washington dikwijls zeer lastig geweest was; toen
ik bovendien het verdrietige van altijd en eeuwig de slavernij voor
oogen te hebben in mijn ziel overwoog tegen de meer dan twijfelachtige
kansen dat ik ze, in den tijd, dien ik besparen kon, ooit ontbloot
zou zien van de vermommingen waar ze zeker in gehuld zou worden, en
zoodoende de al opgedane reeks van daarop betrekking hebbende feiten
met eenig nieuw feit zou kunnen vermeerderen,--zie, toen begon ik
te luisteren naar oud gefluister dat me, in een tijd dat ik er al
bitter weinig om dacht hier ooit te zullen komen, dikwijls thuis in
Engeland voor den geest gestaan had, en weer droomde ik van steden die,
gelijk paleizen in sprookjes, onder de wildernissen en bosschen van
't Westen op kwamen rijzen.

Toen ik nu mijn verlangen te kennen gaf om naar dat punt van 't
kompas te vertrekken, was de raad, dien ik op de meeste plaatsen
ontving, oudergewoonte alles behalve uitlokkend. Zoo werd mijn vrouw
met meer perijkelen en gevaren en ongemakken bedreigd, dan ik mij
kan herinneren of zou willen opsommen als ik kon, maar waarvan het
voldoende zal zijn, wanneer ik eenvoudig zeg, dat het in de lucht
springen met stoombooten en het omvallen met rijtuigen onder de
kleinste ongevalletjes dienden gerekend te worden. Doch aangezien de
beste en vriendelijkste autoriteit, waar ik mij ten deze op verlaten
kon, een wester-route voor me ontworpen had, en ik, om de waarheid
te zeggen, om al de bangmakerijen niet erg mijn hoofd brak, duurde
het niet lang of ik besloot, mijn plan ten uitvoer te leggen.

Dat was om zuidwaarts te reizen, alleen naar Richmond in Virginië; dan
om te keeren en onzen tocht naar 't verre Westen te richten, waarheen
mij de lezer wel in 't volgende hoofdstuk zal willen vergezellen.



IX.

NAAR RICHMOND EN HARRISBURGH.

    EEN NACHT-STOOMBOOT OP DEN POTOMAC. EEN RIJWEG IN VIRGINIË EN
    EEN ZWARTE KOETSIER. RICHMOND. BALTIMORE. DE MAIL NAAR
    HARRISBURGH EN EEN KIJKJE IN DE STAD. EEN KANAALBOOT.


Allereerst zouden wij per stoomboot reizen, en daar de gewoonte
meebrengt, aan boord te slapen, om reden men 's morgens om vier uur
van wal steekt, gingen we naar de ligplaats op dat allerongeschiktste
tijdstip voor zulke tochten, dat pantoffels de meest geliefkoosde
voorwerpen zijn, en het vooruitzicht om over een paar uur in een lekker
bed te zullen stappen vooral den reiziger het best aan zou staan.

Het is tusschen tien uur en half elf in den avond; de maan schijnt,
't is nogal warm, zelfs drukkend. De stoomboot, die, met de machinerie
op dek, uiterlijk wel iets wegheeft van eene arke Noachs van onze
lieve jeugd, ligt langzaam op en neer te wiegelen, en bonst lomp
tegen den houten steiger aan, terwijl het gekabbel der rivier,
om zoo te zeggen, met den loggen klomp aan 't dollen is. De kaai
ligt op eenigen afstand van de stad. Niemand is nog hier; en is ons
rijtuig eenmaal weg, dan zijn een paar matbrandende lampen op dek
de eenige teekenen van leven. Zoodra onze voetstappen op de planken
gehoord worden, komt een vette negerin, die door moeder natuur tot
een echte albedril is gevormd, uit een donkere trap voor den dag, en
brengt mijn vrouw naar de dameskajuit, die er dan ook naar toegaat,
gevolgd door een berg mantels en jassen. Ik voor mij trek mijn stoute
schoenen aan en besluit om in 't geheel niet naar bed te gaan, maar
tot aan den morgen op den steiger op en neer te loopen.

Zoo begin ik dan mijn wandeling, denkende om allerlei verwijderde
dingen en personen, en om geen een ding of persoon in mijn nabijheid,
en stap op die manier zoo wat een half uurtje op en neer. Dan ga
ik weer aan boord, plaats me in 't licht van een der lampen, kijk
op mijn horloge en denk, dat het stil is moeten blijven staan,
en vraag me zelf verwonderd af, wat er toch wel geworden is van
den getrouwen secretaris dien ik van Boston af heb meegebracht. Ter
eere van ons vertrek soupeert hij zeker met wijlen onzen kastelein
(ongetwijfeld op zijn minst een veldmaarschalk) en kan nog wel een
paar uur uitblijven. Alweer ga ik wandelen, maar ik krijg hoe langer
hoe meer het land; de maan gaat onder, de eerstkomende Juni schijnt
verder weg te zijn in den donker en de echo's mijner voetstappen
maken me zenuwachtig. Daarbij is het weer omgeslagen: 't is nu koud
geworden, en om nu in zoo'n eenzaamheid moederziel alleen te kuieren,
dat is ook niet alles. Pleizierig is 't in geen geval. Ik kom daarom
op mijn vast besluit terug en begin te begrijpen, dat het misschien
niet kwaad zou zijn, om onder de dekens te kruipen.

En zoo stap ik weer aan boord, doe de deur van de heerenkajuit open,
en treed binnen. Hoe het komt, dat weet ik gerust niet--maar ik
veronderstel omdat het er zoo doodstil is--ik heb 't in mijn hoofd
gezet, dat er niemand is. Tot mijn schrik en verbazing is de kajuit
vol slapers in iederen hoek, op iedere plaats en in iedere houding:
in de kooien, op de stoelen, op den vloer, op de tafels, en vooral
om de kachel, mijn gezworen vijand. Ik zet nog een stap vooruit
en trap op 't glimmende gezicht van een zwarten hofmeester, die,
gerold in een deken, op den vloer ligt. Hij springt op, grijnst,
half van pijn en half van gastvrijheid, fluistert me mijn eigen naam
in 't oor, en brengt me al tastende door de slapers heen, naar mijn
kooi. Eenmaal naast mijn kooi, tel ik deze slapende passagiers en kom
boven de veertig. Daar er niets anders op zit, zoo begin ik me maar
uit te kleeden, maar waar zal ik mijn kleeren op leggen? De stoelen
zijn immers allen bezet. Ik leg ze dus maar op den grond, edoch
niet zonder mijn handen te bevuilen, want 't is hier één pot nat,
ja, waarachtig, één pot nat, als met de vloerkleeden in 't Kapitool,
en uit dezelfde oorzaak. Ik kleed me maar gedeeltelijk uit, klauter
mijn kooi in, en laat mijn gordijn een minuut of wat open, om al mijn
medereizigers op te nemen. Dat gedaan hebbende, laat ik het vallen
voor hen en voor de geheele wereld, draai me om en ga slapen.

Natuurlijk word ik wakker, als we afvaren, want dan wordt er nogal
leven gemaakt. De dag breekt dan juist aan. Alle reizigers worden
tegelijk wakker. Sommigen zijn dadelijk op hun verhaal, maar anderen
zijn zoo beteuterd en kunnen er maar geen mouw aan passen waar ze
eigenlijk beland zijn, totdat ze zich de oogen hebben uitgewreven,
en, op één elleboog leunende, om zich heen keken. Sommigen geeuwen,
sommigen steunen, bijna allen spugen, en weinigen staan op. Onder de
opstaanders ben ik: want men voelt gemakkelijk, zonder daarom nog
in de frissche lucht te gaan, dat de dampkring der kajuit in den
hevigsten graad bedorven is. Ik schiet mijn kleeren aan, ga naar
de voorkajuit, laat me barbieren en wasch me. De geheele wasch- en
kaptoestel voor al de passagiers bestaat uit twee handdoeken, drie
kleine houten waschkommen, een vaatje water en een lepel om 't er mee
uit te scheppen, zes vierkante duimen spiegel, twee dito dito gele
zeep, een kam en haarborstel, en niets voor de tanden. Ieder bedient
zich van de kam en den borstel, behalve de ondergeteekende. Ieder
gaapt me aan nu men merkt, dat ik mijn eigen spulletjes gebruik; en
een stuk of drie heeren schijnen erg van zins te zijn, mij daarover
in de maling te nemen, maar doen 't niet. Zoodra ik mijn toilet
gemaakt heb, ga ik naar 't groote dek en loop daar een paar uur op
en neer. De zon gaat prachtig op; we stoomen Mount Vernon voorbij,
waar Washington begraven ligt; wijd is de rivier en snelvlietend,
en schoon zijn haar oevers. De dag stelt zich in met al zijn luister
en pracht, en iedere minuut wordt het lichter.

Om acht uur ontbijten we in de kajuit, waar ik den nacht doorbracht,
maar de ramen en deuren zijn allen opengegooid, en nu is 't er frisch
genoeg. Wel verre, dat men zich zou haasten of gulzigheid aan den
dag legt, duurt dit ontbijt langer dan een ontbijt op reis onder ons,
en gaat het er ordentelijker en fatsoenlijker toe.

Even na negenen komen we aan de Potomac-kreek, waar we aan wal moeten
gaan, en dan komt het saaiste deel van de reis. Zeven diligences
worden klaargemaakt om ons verder te brengen. Sommigen daarvan zijn
al klaar, sommigen niet. Sommigen van de koetsiers zijn zwarten,
sommigen blanken. Er zijn vier paarden voor ieder rijtuig, en al
de paarden, getuigd of ongetuigd, zijn er. De passagiers stappen de
boot uit en de wagens in; de bagage wordt met ratelende kruiwagens
getransporteerd; de paarden schrikken van al die herrie en trappelen
van ongeduld; de zwarte koetsiers kakelen er mee als zooveel apen;
en de blanken gaan er op aan als zooveel ossendrijvers, want het
schijnt wel, dat al wat hier op de stalhouderij betrekking heeft,
van 't idee uitgaat, dat men nergens beter den hemel mee verdienen
kan, dan om zooveel mogelijk lawaai te maken. De rijtuigen hebben wel
iets weg van Fransche koetsen, maar zijn niet zoo goed. In plaats van
springveeren, hangen ze op banden van 't sterkste leer. Men vindt er
weinig keus of verschil onder; en men kan ze nog 't best vergelijken
bij de wagens van zoo'n schommel op een Engelsche kermis, met een hemel
of dak, op assen en wielen, en met geschilderd zeildoek er omheen. Van
boven tot beneden zitten ze vol modder; geen wonder, want sinds ze
de wagenmakerij verlaten hebben, zijn ze nog nooit schoongemaakt.

De kaartjes, die wij op de boot gekregen hebben, zijn gemerkt no. 1,
bijgevolg behooren wij bij rijtuig no. 1. Ik gooi mijn jas op den
bok en sjor mijn vrouw en haar meid naar binnen. Het heeft maar één
tree, en daar die zoo wat een el van den grond af is, bedient men
zich gewoonlijk van een stoel om er bij te komen; is er geen stoel,
dan zien de dames zich maar in vredesnaam op de een of andere wijze
te behelpen. In 't rijtuig is er plaats voor negen personen, met een
dwarsbankje van 't eene portier naar 't andere, waar wij in Engeland
onze beenen plegen uit te steken, zoodat er maar één ding moeilijker
valt te bolwerken dan het instappen en dat is het uitstappen. Er is
maar één buitenpassagier, en die zit op den bok. Daar ik die eene ben,
klim ik naar boven; en terwijl ze de bagage boven sjorren en ze achter
in een soort van bak opstapelen, heb ik meteen een goede gelegenheid
om naar den koetsier te kijken.

Hij is een neger, en zwart, pikzwart, dat verzeker ik u. Hij heeft
een peper-en-zout pak aan, dat (vooral aan de knieën) danig opgelapt
en gestopt is; behalve dat draagt hij grijze kousen, verbazend groote
ongepoetste hooge schoenen, en een zeer korte broek. Hij heeft twee
ongelijke handschoenen aan; de eene is van bont sajet, de andere
van leer. Dan heeft hij nog een zwarten hoed op met een lagen bol
en breeden rand: een even flauwe als malle naäping van een Engelsch
koetsier! Maar terwijl ik deze waarnemingen doe, schreeuwt iemand, die
hier zeker een mannetje van gewicht is: "Vooruit, vooruit!" Vooraan
rijdt de brievenpost in een wagen met vierspan, waarop al de wagens,
met no. 1 aan 't hoofd, in statigen optocht volgen.

In 't voorbijgaan wil ik nog aanstippen, dat, waar een Engelschman
zou roepen "All right!" [6] een Amerikaan "Go ahead!" [7] roept,
wat het verschillende nationale karakter der twee landen eenigermate
uit doet komen.

De eerste halve mijl van den weg gaat over bruggen van losse planken
gemaakt, die dwars over twee parallel staande palen liggen, welke
opwippen als de wielen er over rollen; en in de rivier. De rivier
heeft namelijk een kleiachtigen bodem en zit vol gaten, zoodat men
de helft van 't paard telkens onverwachts ziet verdwijnen, en eerst
na verloop van eenigen tijd voor den dag ziet komen.

Maar we komen deze zwarigheden te boven, en op den weg zelf, die uit
een reeks afwisselende moerassen en zandkuilen bestaat. Daar recht
voor ons uit ligt een verschrikkelijke plek, de oogen van den zwarten
koetsier rollen in zijn hoofd, rond als een bal trekken zich zijn
lippen te zamen, en strak kijkt hij tusschen de ooren van zijn voorspan
door, als zei hij tot zich zelf: vroeger hebben we dit meer gedaan,
maar nu denk ik, zullen we een zwaren dobber hebben. In iedere hand
neemt hij een leisel; rukt en trekt aan beide; en evenals wijlen de
betreurde Ducrow op twee zijner fiere paarden danst hij met zijne beide
voeten op 't spatbord (natuurlijk zijn zitplaats niet verlatend). Wij
komen aan de noodlottige plek, zakken bijna tot aan de raampjes in 't
slik, kantelen aan één zij over, dat het rijtuig een hoek van vijf en
veertig graad beschrijft, en blijven daar steken. Die er in zitten,
gillen erbarmelijk; het rijtuig stopt; de paarden spartelen; al de
andere zes wagens stoppen; en hun vier en twintig paarden spartelen
insgelijks: maar louter om ons gezelschap te houden en uit sympathie
met de onze. Hierop vindt het volgende tooneel plaats:

De zwarte koetsier (tegen de paarden): "Hi!"

Er gebeurt niets. Alweer gegil in de wagens.

De zwarte koetsier (tegen de paarden): "Ho!"

De paarden slaan en bespatten den zwarten koetsier.

Een heer daarbinnen (uitkijkende): "Lieve hemel, wat is er toch..."

De heer wordt op allerlei spatten, behalve op liefelijke, getrakteerd
en haalt dan ook maar weer gauw zijn hoofd naar binnen, zonder zijn
vraag te voltooien of op antwoord te wachten.

De zwarte koetsier (nog altijd tegen de paarden): "Jiddy! Jiddy!"

De paarden nemen een geweldigen ruk, sleuren den wagen uit het gat,
en trekken hem op een kant, die zoo steil is, dat de zwarte koetsier
achterover tuimelt met zijn beenen in de lucht en onder de bagage
bovenop terecht komt. Maar onmiddellijk komt hij weer op zijn verhaal
en schreeuwt (nog altijd tegen de paarden):

"Pill!"

Boter aan de galg gesmeerd. Ja, 't baat niets, niemendal. Integendeel,
de koets begint achteruit te rollen op no. 2, no. 2 op no. 3, no 3
op no. 4, en zoo voorts, totdat men no. 7, bijna een kwart mijl ver,
kon hooren vloeken en zwetsen.

De zwarte koetsier (luider dan te voren): "Pill!"

De paarden doen alweer hun best om op den oever te komen, en alweer
rolt de wagen achteruit.

De zwarte koetsier (luider dan te voren): "Pi-i-i-ll!"

De paarden doen hun uiterste best.

De zwarte koetsier (goed op zijn verhaal komende): "Hi, Jiddy,
Jiddy, Pill!"

De paarden probeeren 't opnieuw.

De zwarte koetsier (met groote heftigheid): "Elly Loe! Hi. Jiddy,
Jiddy. Pill. Elly Loe!"

Bijna doen de paarden het.

De Zwarte Koetsier (wiens oogen het hoofd uitpuilen): "Lie, den. Lie,
dere. Hi. Jiddy. Pill. Elly Loe. Lie-ie-ie-ie!"

Ze vliegen den oever op en komen aan den anderen kant op een
gevaarlijke plek terecht, 't Is onmogelijk om ze tegen te houden, en op
den bodem is een diep gat, vol water. De koets rolt verschrikkelijk. De
passagiers, die er in zitten, gillen. De modder en 't water vliegen
om ons heen. De zwarte koetsier danst als een dolleman. Op eens komt
alles terecht, waardoor? ja, dat mag de hemel weten! en nu houden we
stil, om adem te halen.

Een zwarte vriend van den zwarten koetsier zit op een heining. De
zwarten koetsier geeft blijken dat hij hem herkent, door zijn hoofd
rond te draaien als een harlekijn, zijn oogen heen en weer te rollen,
zijn schouders op te halen en zijn mond van 't eene oor naar 't andere
te vertrekken. Op eens stopt hij, keert zich naar mij toe en zegt:

"We zullen er u overbrengen alsof 't van 'n leien dakkie gaat en hopen
dat 't naar uwes zin zal wezen, als we 'r u zoo overbrengen." (Erg
soebattende)! "Thuis heb ik nog 'n ouwe vrouw, meneertje!" (weer
grijnzende): "Als de heeren eenmaal goed en wel thuis zijn, dan denken
ze dikwijls om de oude vrouw thuis, weet uwé."

"Breek daar je hoofd maar niet over! we zullen wel om de oude vrouw
denken."

Alweer grijnst de zwarte koetsier, maar er is nog een gat, en aan
den anderen kant van dat gat, nog een kant vlak voor ons. Zoo stopt
hij op eens, en roept (tegen de paarden alweer): "Zoetjes an. Zoetjes
dan toch. Zoetjes. Hou jelui goed. Hi. Jiddy. Pill. Elly. Loe" (maar
ditmaal roept hij geen enkelen keer: "Lie!"): totdat we, eindelijk
ten einde raad, ons te midden van zooveel moeilijkheden bevinden,
dat het ons onmogelijk schijnt, daaruit te geraken.

En zoo leggen we de tien mijlen of daaromtrent in twee en een half
uur, af, wel is waar noch armen noch beenen brekende, maar een massa
beenen en beentjes kneuzende, kortom den afstand afleggende alsof
't, zou onze zwarte koetsier zeggen, "van 'n leien dakkie ging."

Deze zonderlinge manier van rijden houdt te Fredericksburgh op, alwaar
een spoorweg begint naar Richmond. De streek, waar die weg doorheen
loopt, was eens productief; maar de grond is uitgemergeld doordien men
er met behulp van slavenarbeid te veel van gevergd heeft, zonder hem
door middel van bemesting als anderszins behoorlijk het zijne te geven,
zoodat hij nu niet veel beter is dan een zandwoestijn vol boomen. Zoo
armzalig als de streek er hier uitziet, deed het me waarlijk goed aan
mijn hart, iets te vinden waar de vloek dezer verfoeilijke instelling
op gevallen is, en smaakte grooter genoegen bij den aanblik van den
verwelkten bodem dan de rijkste en vruchtbaarste bebouwing op dezelfde
plaats mij met mogelijkheid kon verschaft hebben.

Evenals in alle andere districten waar de slavernij gevonden wordt
(menigmaal heb ik dit toe hooren geven zelfs door hen die er de
warmste verdedigers van zijn), zoo stuit men ook in dit district
overal op teekenen van achteruitgang en verval, die van 't stelsel
onafscheidelijk zijn. De schuren en bijgebouwen rotten weg; de loodsen
zijn opgelapt en half zonder dak; de blokhutten (die in Virginië
schoorsteenen hebben van buiten, die van klei of hout gemaakt worden)
zijn in den hoogsten graad smerig. Niets treft men er aan wat naar
fatsoenlijkheid zweemt. De ellendige stationsgebouwen aan den kant
van den spoorweg; de groote woeste houtplaats, waar de brandstof
voor de locomotief uit vandaan gehaald wordt; de negerkinderen die
met honden en varkens voor de deuren der hutten op den grond rollen;
de tweevoetige lastdieren die ons voorbijsluipen: over alles ligt
een waas van somberheid en verderf.

In den negerwaggon, die tot den trein behoorde, waar wij dien dag
mee reisden, bevonden zich een moeder en haar kinderen, die juist
verkocht waren; de man en vader was achtergebleven bij hun ouden
eigenaar. De kinderen schreeuwden den geheelen weg over, en de moeder
was een toonbeeld van ellende. De kampioen van Leven, Vrijheid en het
Najagen van Geluk, die ze gekocht had, maakte van denzelfden trein
gebruik, en ging, telkens als wij stopten, eens kijken of ze wel
present waren. De zwarte in Sinbad, steeds met een oog midden in zijn
voorhoofd, dat als een gloeiende kool glinsterde, was in vergelijking
met dezen blanken heer een aristocraat in de natuurlijke orde.

Het was tusschen zessen en zevenen 's avonds, toen wij naar het
logement reden, waar van voren en boven op de breede stoep die naar de
deur geleidde, een stuk of drie burgers onder 't rooken van een sigaar
op schommelstoelen zaten te wiegelen. Wij merkten dat het een zeer
groot en sierlijk gebouw was, en werden zoo goed bediend als reizigers
dit met mogelijkheid kunnen begeeren. Daar het klimaat van dien aard
was, dat men nogal dorst kreeg, was er in de ruime koffiekamer op
geen uur van den dag gebrek aan bezoekers en stond het aan 't buffet,
waar men allerlei koele dranken kon krijgen, geen oogenblik stil;
maar 't waren hier prettige lui, die 's avonds muziek lieten maken,
die men met pleizier hoorde.

De beide volgende dagen reden en wandelden we de stad rond, die
heerlijk op acht heuvelen ligt, welke de James-rivier bestrijken,--een
stroom, waar men hier en daar heldere eilandjes gewaar wordt, of die
over gebroken rotsen heen bruist. Ofschoon het nog maar half Maart
was, was het weer in deze zuidelijke temperatuur buitengewoon warm:
de perzikboomen en magnolia's stonden in vollen bloei; de boomen waren
groen. In een lagen grond onder de heuvelen is een vallei, bekend als
de "Bloody Run" (Bloedige jacht), die dezen naam ontleend heeft aan
een verschrikkelijk gevecht met de Indianen, dat hier eenmaal plaats
vond. Het is dan ook een geschikte plaats voor zoo'n worsteling, en,
in verband gebracht met de een of andere legende van dat wilde volk,
dat nu zoo spoedig van de aarde verdwijnt, boezemde ook zij, evenals
iedere andere plek die ik zag, mij niet weinig belangstelling in.

De stad is de zetel van 't locale parlement van Virginië; en
in zijn belommerde, koele zalen bleven sommige redenaars met
hun slaapverwekkende redevoeringen doorwauwelen tot den heeten
nadenmiddag. Daar ik al zoo menigmaal van dergelijke tooneelen uit de
constitutioneele wereld getuige was geweest, zoo stelde ik er niet veel
meer belang in dan in de zittingen van den een of anderen Kerkeraad
en was ik mooi blij dat ik dit gezicht kon verwisselen met een kijkje
in een goed ingerichte bibliotheek van zoo wat tien duizend deelen,
en een bezoek aan een tabaksfabriek, waar al de werklui slaven waren.

Aan deze fabriek zag ik al wat betrekking heeft op het sorteeren,
rollen, persen, drogen, inpakken in vaten, en merken. Al de tabak, die
op die manier bewerkt wordt, was voor de pruim-liefhebberij bestemd; en
als men die geheele massa overzag, zou men onwillekeurig verondersteld
hebben, dat er in één zoo'n magazijn genoeg zou geweest zijn, om
zelfs de kaken van geheel Amerika, die nogal wat bergen kunnen, te
vullen. In dezen vorm ziet de tabak er als de lijnkoek uit, waar wij
onze beesten mee voeren,--een gezicht dat, daargelaten nog de nadeelige
gevolgen van dit onkruid, alles behalve uitlokkelijk mag heeten.

Verscheidene van de werklui schenen sterke mannen te zijn, en ik zal
er wel niet behoeven bij te voegen, dat ze toen allen stil hun gang
gingen. Na tweeën krijgen ze permissie om wat te zingen, niet allen
tegelijk, maar een zeker getal. Daar 't tijdens mijn bezoek zoo laat
was, waren ze, onder hun werk door, juist met hun stuk of twintig
aan 't zingen, en waarlijk ze zongen volstrekt niet slecht. Op 't
punt staande van heen te gaan, werd er een bengel geluid, waarop
zij allen naar een gebouw vlogen aan den overkant der straat: 't
was etenstijd. Verscheidene keeren zei ik, dat ik ze eens graag zou
willen zien eten; maar aangezien de heer, wien ik dit mijn verlangen
te kennen gaf, op eens doof, stokdoof scheen geworden te zijn, drong
ik er maar niet verder op aan. Hoe zij er wel uitzagen, daar zal ik
zoo aanstonds iets van zeggen.

Den volgenden dag bezocht ik een plantage of boerderij van
ongeveer twaalfhonderd morgen lands, die aan den overkant der
rivier lag. Alhoewel ik met den eigenaar naar 't "kwartier" ging,
zooals dat gedeelte van 't erf, waar de slaven wonen, genoemd wordt,
werd ik ook hier weer niet uitgenoodigd, om een enkele hunner hutten
binnen te gaan. Al wat ik er van zag, was, dat het allerarmzaligste
hutten waren en in de nabijheid troepjes van half naakte kinderen in
de zon lagen te branden of op den vuilen grond lagen te rollen. Maar
ik geloof, dat deze heer een achtingswaardig en voortreffelijk heer
is, die zijn vijftig slaven erfde, en noch een kooper en verkooper
van menschenvleesch; en afgaande op 't geen ik met mijn eigen oogen
gezien heb, heb ik de innige overtuiging, dat hij een goedhartig en
rechtschapen man is.

Het huis van den planter was een luchtige, landelijke woning, die mij
Defoe's beschrijving van zulke plaatsen voor den geest bracht. De dag
was erg warm, maar daar de blinden allen dicht waren en de ramen en
deuren wijd open stonden, waren al de kamers in de schaduw en kwam er
u een koeltje tegen, dat na 't licht en de hitte buitendeurs dubbel
verfrisschend aandeed. Voor de ramen was een open piazza, waar zij,
bij 't geen zij heet weer noemen--onverschillig hoe het weer in de
werkelijkheid is--hangmatten ophijschen, en weelderig liggen te
drinken en te luieren. Ik weet niet hoe hun koele ververschingen
daar binnen in die hangmatten wel zullen smaken, maar daar ik er
op dat punt alles van weet, kan ik bij ondervinding betuigen dat,
daarbuiten, de klompen ijs en de kommen pepermuntwater en zoogenaamde
sherry-cobbler, die zij onder deze hemelstreken fabriceeren, van die
verfrisschingen zijn waar zij, die op tevredenheid van ziel gesteld
zijn, naderhand nooit meer 's zomers om zullen denken.

Er zijn twee bruggen over de rivier: de eene behoort bij den spoorweg,
en de andere, die armzalig in elkaar zit, is het particulier eigendom
van een zekere oude dame in de buurt, die van de stedelingen tol
heft. Bij mijn terugreis over deze brug gaande, zag ik een waarschuwing
op de poort geschilderd, die alle personen vermaande om langzaam te
rijden, op boete van vijf dollars voor een blanke, en van vijftien
zweepslagen voor een zwarte.

Datzelfde waas van somberheid en verval, dat over den weg hangt
wordt men ook boven de stad Richmond gewaar. Er zijn lieve villa's
en aardige huizen in haar straten en de natuur glimlacht over de
omgeving; maar evenals de slavernij gepaard gaat met verscheidene
verhevene deugden, zoo vindt men vlak naast fraaie woonhuizen ellendige
krotten, verwaarloosde heiningen en schuttingen, muren die al bijna
tot een puinhoop vervallen zijn. Het kan niet anders of deze en meer
dergelijke teekenen, die onder de oppervlakte schuilen, dringen zich
onwillekeurig aan uw waarneming op, en even onwillekeurig doemen
ze telkens en telkens weer met weemoedig gevoel voor den geest op,
als pleizieriger herinneringen al lang in 't vergeetboek geraakt zijn.

Op degenen, die er gelukkig niet aan gewend zijn, moeten de
menschelijke gezichten, die hij in de straten en op de werkplaatsen
tegenkomt, een allerpijnlijksten indruk maken. Allen die weten, dat er
wetten tegen het onderwijs der slaven bestaan, waarvan de straffen en
boeten veel zwaarder zijn dan die welke gezet zijn op mishandelingen en
folteringen die hun door hun meester worden aangedaan,--ze moeten er
op voorbereid zijn, dat ze hier gezichten aan zullen treffen, die al
bijster laag staan op de ladder van verstandelijke uitdrukking. Maar
het donkere--niet van huid, maar van ziel--dat des vreemdelings oog
ieder oogenblik tegenkomt; het verdierlijken en uitwisschen van al de
schoone trekken die door de hand der Natuur gewrocht zijn,--dat alles
gaat zijn verwachting op dit punt ver, onmetelijk ver te boven. Die
reiziger, een gewrocht van 't brein van den grooten Satiricus,
die, zoo kersversch van zijn verblijf onder paarden teruggekomen,
met bevenden afschuw uit een hoog raam op de wezens van zijn eigen
soort neerzag, kon door dat gezicht niet pijnlijker getroffen zijn
geworden dan zij die deze menschelijke gelaatstrekken voor 't eerst
van hun leven zagen, ontwijfelbaar getroffen zijn.

Den laatsten hunner liet ik achter me in den persoon van een
ongelukkigen stumpert, die, na den geheelen dag tot middernacht heen
en weer geloopen, en na middelerwijl wat op de trappen gedommeld
te hebben, 's morgens om vier uur alweer present was om de donkere
gangen te schrobben; en ik ging mijns weegs met een dankbaar hart,
dat ik niet gedoemd was om te leven daar waar de slavernij was, en
een slavenhand mijn geestvermogens niet zoo stompgewiegd had, dat ik
al het verkeerde, al het afschuwelijke dat die instelling aankleeft,
niet meer kon beseffen.

Ik was van plan geweest, over de James-rivier en de Chesapeake-baai
naar Baltimore te gaan; maar daar een der stoombooten, die een ongeluk
gekregen had, niet aan de gewone ligplaats te vinden en ons vertrek
dus onzeker geworden was, zoo keerden wij langs denzelfden weg naar
Washington terug, hielden ons daar nog een nacht op en vertrokken
den volgenden namiddag naar Baltimore. In 't voorbijgaan wil ik nog
meedeelen, dat er aan boord van onze stoomboot twee politieagenten
geweest waren, om weggeloopen slaven op te halen.

Het gemakkelijkst en best ingerichte van al de logementen, waar ik
eenige ondervinding van heb opgedaan in de Vereenigde Staten en zij
waren niet weinige, is dat van Barnum in die stad, waar de Engelsche
reiziger voor den eersten en waarschijnlijk laatsten keer in Amerika
gordijnen voor zijn bed zal vinden, en wat alweer niet overal het
geval is, ook genoeg water heeft om zich te wasschen.



Deze hoofdstad van den staat Maryland is een allerdrukste stad met
vrij wat handel van allerlei aard en voornamelijk met scheepvaart. Dat
gedeelte der stad, dat daar 't meest van profiteert, is wel is waar
niet van de zindelijkste, maar het hooger gedeelte ziet er heel anders
uit en heeft tal van aangename straten en openbare gebouwen. Het
Washington-monument, een fraaie kolom met een standbeeld er bovenop,
het Geneeskundig College en het Krijgsmonument ter gedachtenis aan
een gevecht met de Engelschen bij de Noordkaap, ziedaar een en ander
wat het meest in 't oog springt.



In deze stad is ook een zeer goede gevangenis, en het stelsel der
eenzame opsluiting behoort mede tot haar instellingen. In dit laatst
genoemde gesticht deden zich twee opmerkelijke gevallen voor.

Het eene was dat van een jonkman, die wegens vadermoord gevangen
zat. Het bewijs zijner schuld hing geheel en al van bijkomende zaken
af, terwijl de zaak zeer treurig en twijfelachtig mocht heeten; ook was
't onmogelijk, eenige beweegreden bij te brengen, die hem tot zoo'n
vreeselijke misdaad kon aangezet hebben. Tweemaal was hij voor geweest;
en bij de tweede gelegenheid aarzelde de jury zoodanig om hem schuldig
te verklaren, dat zij een verdict van manslag of moord in den tweeden
graad toepasten, iets wat met geen mogelijkheid het geval kon wezen,
aangezien er, en dit stond zoo vast als een paal, noch krakeel noch
uittarting plaats had gevonden, en hij, was hij werkelijk schuldig,
dan ook ontegenzeglijk schuldig was aan moord in de ruimste en ergste
beteekenis des woords.



Het opmerkelijke punt in dit rechtsgeding was dat, bijaldien
de ongelukkige overledene niet werkelijk door dezen zijn eigen
zoon vermoord was geworden, zijn eigen broer de dader moest
zijn. Opmerkelijk inderdaad, maar óf de een óf de ander moest het
gedaan hebben, daar ging niets van af. Op al de bezwarende punten
was de broer van den afgestorvene de getuige; al de verklaringen ten
aanzien van den gevangene (waarvan sommige zeer aannemelijk waren)
moesten den rechter door middel van ontleding en vergelijking tot de
gevolgtrekking brengen, dat de broer er op uit was, om de schuld op
zijn neef te gooien. Nog eens dus: een van beiden moest het gedaan
hebben, en de jury had te beslissen tusschen het vermoeden op beiden,
en dat met betrekking tot een wandaad die, hetzij de zoon of de neef
ze gepleegd had, bijna even onnatuurlijk, onverklaarbaar en vreemd
mocht heeten.



Het andere geval was, dat van een man, die bij een likeurstoker een
koperen maat gestolen had, waar zich een zekere hoeveelheid drank in
bevond. Men had hem achternagezeten en gearresteerd met den eigendom
in zijn bezit, waar hij twee jaar voor gekregen had. Toen hij na
afloop van zijn straftijd uit de gevangenis vandaan kwam, ging hij
weer naar denzelfden stoker toe, en ontstal hem dezelfde koperen maat,
inhoudende dezelfde hoeveelheid drank. Er bestond niet de geringste
reden om te veronderstellen, dat de man naar de gevangenis wenschte
terug te keeren: integendeel, alles, behalve het misdrijf zelf,
pleitte tegen die onderstelling. Er zijn maar twee wegen om deze
ongewone handelwijze te verklaren. De eene is, dat hij, na voor deze
koperen maat zooveel te hebben ondergaan, begreep, dat hij er nu in
zekeren zin recht en aanspraak op mocht laten gelden, terwijl men
van den anderen kant aan zou kunnen nemen, dat het, door er zoo lang
om te denken, een monomanie bij hem geworden was, en dat ding hem
als 't ware zoo betooverd had, dat het in zijn verbeelding van een
aardsche koperen maat in een bovenaardsch gouden vat was veranderd,
zoodat hij er onmogelijk langer weerstand aan had kunnen bieden.



Na hier een paar dagen te hebben vertoefd, besloot ik mijn zoo onlangs
opgevat plan te volvoeren en zonder verwijl onze reis naar 't Westen te
aanvaarden. Ik begon daarom hiermee, dat ik mijn bagage tot den kleinst
mogelijken omvang beperkte, door namelijk al wat ik niet volstrekt
noodig had, naar New-York terug te sturen, met verzoek het naderhand
in Canada naar ons op te zenden. Vervolgens voorzag ik mij van de
noodige kredietbrieven van bankiershuizen, die op onzen weg lagen,
en nadat we buitendien een paar avonden naar de ondergaande zon hadden
gekeken met zoo'n juist omschreven denkbeeld van 't voor ons liggende
land, als stonden we op 't punt van een reis te ondernemen naar 't
middelpunt zelf van die planeet, verlieten we Baltimore langs een
anderen spoorweg om halfnegen 's morgens, en bereikten de stad York,
die er een mijl of zestig van af ligt, juist toen 't etenstijd was aan
't logement, dat de pleisterplaats was van 't vierspannig rijtuig,
waar we naar Harrisburgh mee zouden vertrekken.

Dit vervoermiddel, waarvan ik gelukkig genoeg was den bok machtig
te worden, was ons aan 't station te gemoet gereden en zag er
even modderig en ongemakkelijk uit als naar gewoonte. Daar er meer
passagiers aan de deur van 't logement op stonden te wachten, maakte
de koetsier op den toon, waarop men dit gewoonlijk doet, bij zich
zelf de opmerking, en meteen keek hij naar zijn beschimmeld tuig,
als richtte hij daar het woord tegen:

"Ik denk wel, dat we de groote koets noodig zullen hebben."

Met verwondering vroeg ik me zelf onwillekeurig af, hoe groot die
groote koets dan toch wel zou wezen, en hoeveel personen er wel
in zoude gaan; want het rijtuig, dat te klein was voor ons doel,
was al iets grooter dan twee Engelsche zware nachtdiligences. Mijn
bespiegelingen kwamen evenwel gauw tot rust; want zoodra we gegeten
hadden, kwam er een soort van barge op wielen, die als een zwaarlijvige
reus heen en weer schommelde, de straat op. Na veel horten en stooten
bleef de wagen voor de deur stilstaan, maar al stond hij nu stil,
dit nam niet weg, dat hij nog altijd, en niet weinig ook, van den
eenen kant naar den anderen door bleef schommelen, alsof hij kou
gevat had in zijn vochtigen stal en nu geheel en al van streek was
van kortademigheid, omdat men van hem had durven vergen, op zijn ouden
waterzuchtigen dag een beetje gauwer aan te stappen dan gewoonlijk.

"Zoo, is dan hier eindelijk de postwagen naar Harrisburgh? En wat
ziet-i er vreeselijk glunder en kostelijk uit," riep een bejaard heer
min of meer opgewonden uit, "stop m'n moeder!"

Ik weet waarachtig niet wat voor gewaarwording het is, als men
evenals een kous gestopt wordt, of dat nu juist een mans moeder op
zoo'n stopproces ijselijker gesteld moet zijn, of er vreeselijker
hekel aan moet hebben dan iemand anders; maar als het ondergaan
van deze geheimzinnige plechtigheid door de oude dame in quaestie
bijgeval afhankelijk mocht geweest zijn van de nauwkeurigheid van
haar zoons visioen met betrekking tot de afgetrokken glunderheid
en kostelijkheid van den postwagen op Harrisburgh, dan zal de arme
stumperd de penetentie ondergaan hebben ook. Niettemin, van stoppen
gebroken, zooveel is zeker, dat zij er twaalf man in stopten; en
zoodra de bagage (met inbegrip van zulke beuzelarijen als een groote
schommelstoel en vrij groote eettafel) bovenop den wagen vastgemaakt
was, reden wij heel deftig af.

Aan de deur van een ander logement stond nog een passagier, die
mee moest.

"Is er nog plaats, heerschap?" roept de nieuwe passagier den koetsier
toe.

"Wel, er is ruimte genoeg," antwoordt de koetsier, zonder af te
stappen of zelfs naar hem te kijken.

"Er is in 't geheel geen plaats meer, mijnheer," schreeuwt een heer
van binnen. Iets wat een andere heer (ook van binnen) bevestigt,
door te voorspellen, dat "'t niet goed af zou loopen," als men 't
wou probeeren, er nog meer passagiers in te laten.

De nieuwe passagier, die er volstrekt niet naar uitziet, alsof hij
zich in 't minst over die praatjes bekommert, kijk eerst in de koets
en vervolgens naar den koetsier, en zegt na een poos: "Welnu, wat
dunkt u er van, koetsier, want mee moet ik?"

De koetsier legt een knoop in zijn zweep en neemt verder geen notitie
van de vraag, daarmee klaarblijkelijk te kennen gevende, dat dit
iedereen behalve hem aangaat, en de passagiers dit maar onder malkander
uit moeten maken. In dezen staat van zaken schijnt ieder in den wagen
een beetje op te moeten schikken.... daar roept alweer een andere
passagier die in een hoekje zit en bijna stikt, met een matte stem:

"Ik ga er uit!"

Dat is geen zaak waar de koetsier zich geluk mee wenscht, want met
zijn onveranderlijke wijsbegeerte komt het hem niet aan de koude
kleeren, wat er ook daar binnen in den wagen voor moge vallen. Van
alle dingen ter wereld zou juist de koets het laatste ding blijken
te zijn, waar hij zijn hoofd over brak. Ondertusschen de ruilhandel
heeft zijn beslag gekregen, met dat gevolg, dat de passagier, die
zijn plaats heeft afgestaan, den derden persoon uitmaakt op den bok,
plaats nemende daar wat hij het midden gelieft te noemen, dat wil
zeggen, met de helft van zijn corpus op mijn beenen en met de andere
helft op de beenen van den koetsier.

"Vooruit kapitein!" roept de bevelvoerende kolonel.

"Voor--uit!" roept de kapitein tot zijn kompagnie--de paarden; en
weg rijden we.

Nadat we een mijl of acht gereden hadden, namen we aan een dorpsherberg
een beschonken heer op, die bovenop den wagen klauterde onder de
bagage; maar er zich naderhand weer van af liet glijden, zonder zich
te bezeeren, en dien we in de verte naar den drankwinkel, waar we
hem gevonden hadden, terug zagen waggelen. Nu en dan stapte er ook
een passagier af, zoodat, toen we versche paarden kregen, ik weer
alleen buiten zat.

Krijgt men andere paarden, men krijgt ook een anderen koetsier, die
gewoonlijk even vuil is als de wagen. Zoo was de eerste gekleed als
een allergemeenste Engelsche bakker; de tweede als een Russische boer,
want hij had een losse, roode kamelotten jas aan met een bonten kraag,
die om zijn middel met een bonte sajetten sjerp vastgemaakt was; een
grijze broek, lichtblauwe handschoenen en een muts van berenvel. Het
was ondertusschen erg beginnen te regenen; ook viel er buitendien een
koude natte mist, die ons door merg en been drong. Ik was erg in mijn
schik toen ik gebruik kon maken van een halte en naar beneden ging om
mijn beenen eens fiks uit te rekken, het water van mijn reismantel
schudde en een beetje van dat anti-matigheids-recept gebruikte,
ten einde een verkoudheid te voorkomen.

Toen ik weer op den bok klom, merkte ik dat er een nieuw pakje op den
wagen lag, dat ik voor een groote viool aanzag, in een bruine kast. Na
een mijl of wat verder te hebben gereden, ontdekte ik echter, dat het
een verlakte pet aan 't eene eind en een paar beslijkte schoenen aan
't andere had; en bij een verdere waarneming bleek het een kleine
jongen te zijn met een snuifkleurig jasje aan, die zijn handen zoo
diep in zijn zakken gestoken had. dat het precies was alsof zijn
armen tegen zijn zijden aangeplakt waren. Ik vermoed, dat hij een
nabestaande of vriendje van den koetsier was, want hij lag boven
op de bagage met zijn gezicht naar 't regenzeil toe; en behalve
wanneer een verandering van positie zijn schoenen in aanraking met
mijn hoed bracht, scheen hij te slapen. Eindelijk en ten laatste,
't was bij gelegenheid dat we weer eens stilhielden, richtte dit ding
zich tot de hoogte van drie voet zes duim op, keek mij strak aan en
maakte mij, met een gemeenzamen geeuw, die half getemperd werd door
een nederbuigenden blik van vriendelijke bescherming, deze opmerking:
"Wel, vreemdeling, ik gis, dat u dit bijna net zoo pleizierig vindt
als 'n ritje na den middag in Engeland, niet waar?"

Het tooneel, dat in den beginne nogal saai geweest was, was de laatste
tien of twaalf mijlen mooi. Onze weg kronkelde door de liefelijke
vallei van de Susquehanna; bezaaid met ontelbare groene eilandjes, lag
de rivier aan onze rechterhand, en aan onze linker een steile helling,
oneffen van klipstukken en donker van pijnappelboomen. De mist, die
ontelbare phantastische vormen aannam, bewoog zich plechtstatig op het
water; en de avondschemering zette alles een waas van geheimzinnigheid
en stilte bij, waardoor het op zich zelf reeds zoo belangwekkend
tooneel nog oneindig dieper indruk moest maken.

Deze rivier passeerden wij over een houten brug, die van alle
kanten boven en op zij bedekt was, en ongeveer een mijl in de lengte
besloeg. Het was er pikdonker, want groote balken kruisten er elkaar
in alle hoeken, terwijl, heel ver beneden ons, de snelvlietende
rivier door de wijde reten en spleten van den vloer als een legioen
van oogen heenblonk. Lampen hadden we niet, en daar de paarden deze
plaats met een echten sukkeldraf aflegden in de richting van de plek
in de verte waar het licht hoe langer hoe matter werd, zoo werd het
ons te moede alsof er nooit een eind aan zou komen. Ik althans kon
't me in den beginne waarlijk niet uit 't hoofd praten dat ik benauwd
droomde, toen we daar zoo zwaarmoedig voortstrompelden dat de brug er
dof van dreunde en ik mijn hoofd omlaag hield om 't tegen de balken
daar boven me te beschutten; want ik heb er dikwijls van gedroomd,
dat ik zulke plaatsen doortobde, en altijd mopperde ik in me zelf,
ook als ik wakker was: "maar neen, dit kan geen werkelijkheid zijn."

Ten langen leste belandden we evenwel aan de straten van Harrisburgh,
waarvan de flauwe verlichting, die door den natten grond akelig
teruggekaatst werd, alles behalve dezen indruk maakte, dat we nu in
een vroolijke stad waren. Het duurde niet lang of we bevonden ons in
een pleizierig logement, dat, ofschoon kleiner en veel minder prachtig
dan menig ander waar we afgestapt waren, het gunstigst van allen bij
me aangeteekend staat, doordien de houder er van de dienstvaardigste
en fatsoenlijkste persoon was waar ik ooit mee te doen heb gehad.

Daar we niet voor na den middag verder zouden gaan, ging ik den
volgenden morgen na 't ontbijt uit, om eens een kijkje om me heen te
nemen. Bij die gelegenheid liet men mij behoorlijk een modelgevangenis
zien naar 't systeem van eenzame opsluiting, die zoo even gebouwd was
en waar tot dusverre niemand in zat; den stam van een ouden boom, waar
Harris, de eerste kolonist hier (naderhand is hij er onder begraven),
door vijandelijke Indianen aan vast gebonden werd met den brandstapel
om hem heen, toen hij nog bijtijds gered werd door de verschijning van
een troep zijner vrienden aan den overkant der rivier; de vergaderzaal
van 't wetgevend lichaam (want ook hier was zoo'n lichaam, en druk
in de weer ook); en de andere merkwaardigheden der stad.

Ik stelde veel belang in 't nazien van een aantal tractaten, die, bij
tijd en wijle met de arme Indianen gesloten, door de verschillende
opperhoofden bij gelegenheid hunner ratificatie onderteekend en
onder de archieven van de secretarie van 't Gemeenebest bewaard
werden. Deze onderteekeningen, natuurlijk door hun eigen handen gezet,
zijn ruwe teekeningen van de schepsels of wapens waar zij zich naar
noemden. Zoo maakte de Groote Schildpad bij wijze van handteekening
met pen en inkt een ruwe schets van een groote schildpad; de Buffel
een dergelijke schets van een buffel; de Strijdbijl een dito van dat
wapen. Hetzelfde deden de Pijl, De Visch, de Scalp, de Groote Cano,
en hoe zij zich verder mochten noemen.

Toen ik deze zwakke en bevende voortbrengselen zag van handen, die den
langsten pijl in een forschen elandshoornen boog tot aan 't boveneinde
konden spannen, of een kraal of veer met een bukskogel door midden
zouden geschoten hebben, zie, toen dacht ik, of ik wou of niet, om
Crabbe's Mijmeringen over 't Parochiale Register, en de met een pen
gemaakte, onregelmatige krabben door menschen die van 't eene end
naar 't andere een vore in al haar lengte lijnrecht zouden weten te
trekken. Ook rezen er onwillekeurig de pijnlijkste gedachten in mijn
ziel op met betrekking tot die eenvoudige krijgslieden wier handen
en harten daar zoo ter goeder trouw waren neergezet en in den loop
der tijden van blanke menschen alleen dit leerden, hoe men 't best
zijn woord kan breken en den inhoud van overeenkomsten spitsvindig
verdraaien kan. Verwonderd vroeg ik me zelf ook af, hoe dikwijls de
lichtgeloovige Groote Schildpad of vertrouwende Kleine Strijdbijl
zijn merk wel zal gezet hebben onder tractaten die hem valsch voor
waren gelezen, en maar weggeteekend had, zonder te weten wat, totdat
het hem van achteren bleek, dat diezelfde tractaten hem inderdaad
tot een wilde tegenover de nieuwe bezitters van 't land gemaakt hadden.

Voordat we gingen eten, deelde onze logementhouder ons mee, dat
sommige leden van de wetgevende vergadering van plan waren, ons de
eer van een bezoek aan te doen. Heel vriendelijk had hij ons zijn
vrouws eigen spreekkamertje afgestaan, en toen ik hem nu verzocht,
de heeren maar hier te laten komen, zag ik hem met een verdrietig
gezicht naar 't lieve vloerkleed kijken, dat daar lag; ofschoon ik
't toen zoo druk met andere dingen had, dat ik niet op de gedachte
kwam, waarom hij toch zoo zuur keek.

Natuurlijk had het allen betrokken partijen meer tot eer gestrekt, en
mijns bedunkens hun onafhankelijkheid in geenen deele gecompromitteerd,
als enkele dezer heeren ditmaal niet alleen toegegeven hadden aan
't vooroordeel om kwispedoors te gebruiken, maar zich buitendien
hadden willen verwaardigen om zich voor 't oogenblik op te houden
met de elders in zwang gebrachte ongerijmdheid van zakdoeken.



Het regende nog maar altijd hard door, en toen we na den eten naar
de kanaalboot gingen (want met dat vervoermiddel moesten wij de reis
verder voortzetten), was het weer zoo nat en onpleizierig dat het
weinig goeds voorspelde. Ook leverde deze kanaalboot, waar wij een dag
of vier in door moesten brengen, een alles behalve prettigen indruk op;
want we merkten al heel gauw, dat we 's nachts met onze ligplaatsen
nogal wat te stellen zouden hebben, dan spreek ik nog niet eens van
de overige inrichting, die waarlijk niet zeer opbeurend was.

Maar we zaten nu eenmaal in 't schuitje, en zoo zat er dan niets anders
voor ons op dan om ons in ons lot zoo goed mogelijk te schikken. Ja,
daar was ze, onze kanaalboot! Van buiten gezien, had ze wel iets
van een barge met een klein huisje er in; en van binnen bekeken,
leek ze op een kermistroep: de heeren toch waren er in gestopt, en
dat evenzeer op hun gemak, als dit met hen het geval pleegt te zijn
die op een kermis zoo'n tent met de een of andere verwonderlijke zaak
voor 't "bagatel van èèn stuiver of vijf centen" gaan bezichtigen,
terwijl de dames van hen afgesloten waren door een rood gordijn,
op de manier van de dwergen en reuzen in soortelijke inrichtingen,
die men, 't spreekt vanzelf, in hun doen en laten aan de oogen der
buitenwereld dient te onttrekken.

Hier zaten we nu stilzwijgend te kijken naar de rij kleine tafels, die
aan weerskanten van de kajuit stonden, en luisterden naar den regen
zooals die op de boot droop en kletterde, en met een geluid, daar
je naar van werd, in 't water plaste, totdat de spoortrein aankwam,
dien we, met het oog op eventueele passagiers af moesten wachten,
voor en aleer we weer vertrekken gingen. De trein bracht een groote
massa koffers mee, die bovenop 't dek werden gesjord en gesmeten, en
dat met zoo'n herrie, dat het ons even pijnlijk aandeed als had men
't zonder behulp van een kruier maar pardoes neergegooid; ook kwamen
er verscheiden heeren mee, wier kleeren, toen ze rondom de kachel
waren gaan zitten, begonnen te dampen dat het een aard had. Zonder
twijfel was het een beetje pleizieriger geweest, als de regen, die nu
nog harder dan ooit neerviel, toegelaten had, een raam open te doen,
of als ons aantal een beetje minder dan dertig geweest was; maar er
schoot nauwelijks zooveel tijd over, aan een en ander te denken,
of er werden drie paarden achter elkaar voor de lijn gespannen,
de jongen, die op het eerste ging zitten, klapte met zijn zweep,
het roer kraakte en steende erbarmlijk, en... onze reis was begonnen.



X.

NAAR PITTSBURG.

    WAT VERDER NIEUWS AANGAANDE DE KANAALBOOT; HAAR HUISHOUDELIJKE
    INRICHTING EN PASSAGIERS. REIS NAAR PITTSBURG OVER 'T
    ALLEGHANY-GEBERGTE. PITTSBURG.


Daar het maar zonder ophouden door bleef regenen, bleven we allen
beneden: de natte heeren rondom de kachel, die door de werking van 't
vuur langzaam van honigdauw doortrokken werden; en de droge heeren die
zoo lang als ze waren op de banken, of met hun gezichten ongemakkelijk
op de tafeltjes lagen te dutten, of de kajuit op en neer wandelden,
die zoo laag was, dat alleen een man van middelbare lengte het doen
kon zonder kale plekken op zijn hoofd te krijgen. Tegen zessen werden
al de tafeltjes naast elkaar gezet, om één lange tafel uit te maken,
en iedereen ging zitten aan een tafeltje welbereid, bestaande uit:
thee, koffie, brood, zalm, elft, lever, lapjes, aardappelen, zuur,
ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes.



"Zal u hiervan ook iets gebruiken?" vroeg mijn overbuur, bij 't
overhandigen van een schaal in melk en boter gestoofde aardappelen;
eigenlijk vroeg hij, of ik niets van deze "fixings" gebruiken zou.



Er zijn maar weinig woorden die zoo verschillende beteekenissen hebben
als dit woordje "fix." Het is de Caleb Quotem van 't Amerikaansche
Woordenboek. Gaat ge bij een heer in een landstad aan, zijn knecht
deelt u mee, dat hij juist met "fixing himzelf" bezig is, maar dadelijk
beneden zal komen: hiermee wordt u dan te kennen gegeven, dat hij zich
aankleedt. Vraagt ge aan boord eener stoomboot, aan een medepassagier
of 't ontbijt gauw klaar zal zijn, hij zegt u dat hij dit wel denkt,
want toen hij zoo even beneden was, waren zij "fixing the tables,"
dekten met andere woorden de tafel. Verzoekt ge een kruier om uw
bagage te dragen, hij bidt u, daar het hoofd niet over te breken,
want "dadelijk zal-i 't "fix," ja dadelijk," en klaagt ge over de
een of andere ongesteldheid, men geeft u den raad, om dokter zoo en
zoo te sturen, die u in een oogenblik zal "fix."



Zoo bestelde ik op zekeren avond in een logement waar ik logeerde een
flesch heetgemaakten kruiderwijn, en wachtte er lang op; eindelijk
werd ze op de tafel neergezet met een verontschuldiging van den
logementhouder, dat hij bang was dat de wijn niet behoorlijk was
"fixed." Ja zelfs herinner ik me, aan een postwagen-diner, een heer,
die alles behalve onder de vriendelijkste kon gerekend worden, een
kellner, die hem een schaaltje met half gaar roast-beef gaf, deze
vraag te hebben hooren doen: "hoe of-i dát noemde, om de gaven van
God Almachtig zoo te "fix"?"



Ik moet gulweg bekennen, dat de maaltijd die tot deze uitweiding
aanleiding heeft gegeven, nogal gulzig naar binnen geslagen werd,
en dat de heeren de breedgelemmete messen en de tweetandige vorken
verder in hun keelgaten staken dan ik deze wapens ooit te voren,
behalve in handen van een vlug goochelaar, een dergelijke manoeuvre
heb zien maken. Niettemin, niemand ging zitten, voordat de dames
plaats hadden genomen, of verzuimde de geringste beleefdheid om
't haar zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Op mijn uitstapjes door
Amerika zag ik trouwens nergens en bij geen enkele gelegenheid een
vrouw blootgesteld aan de geringste daad van lompheid, onbeleefdheid,
zelfs niet van onoplettendheid.



Toen we gedaan hadden met eten, was de regen, die wel vermoeid
scheen te zijn dat hij zich in de laatste uren zoo geweerd had, ook
bijna opgehouden, en konden we op dek gaan. Dit was een groot genot,
niettegenstaande het dek maar bitter klein was en nog kleiner gemaakt
werd door de bagage, die in 't midden onder een zeil opeengehoopt
lag, dat er aan weerskanten zoo'n smal pad overbleef, dat er kunst en
vliegwerk toe vereischt werd, om daar heen en weer te loopen en niet
over boord te tuimelen in 't kanaal. Buitendien was 't in den beginne
nogal lastig, iedere vijf minuten een, twee, drie te moeten bukken als
de man aan 't roer "Brug!" riep, en soms, als hij "Lage Brug!" riep,
verplicht te zijn, plat op den buik te gaan liggen. Maar men kan aan
alles wennen, en er waren zooveel bruggen, dat het niet lang duurde
of we waren ook hieraan gewend.

Toen de avond viel, en wij de eerste heuvelrij in 't gezicht kregen,
die als 't ware de buitenposten van 't Alleghany-gebergte vormt, begon
het tooneel, dat tot dusverre geen belang had ingeboezemd, stouter
en indrukwekkender te worden. De natte grond rookte van de geweldige
regenbuien die er gevallen waren; en het gekwaak der kikvorschen
(die in deze streken een ongeloofelijk lawaai maken) klonk alsof
er een millioen kaboutermannetjes met bellen een luchtreis deden en
gelijken tred met ons hielden. De lucht was nog altijd bewolkt, maar
de maan scheen toch ook, en woest en grandioos was het schouwspel
toen we de Susquehanna overstaken,--over welke rivier, om dit in 't
voorbijgaan te doen opmerken, een buitengewone houten brug geslagen
is met twee galerijen boven elkaar, zoodat, als de spannen van twee
booten elkaar ontmoeten, dit zonder hinder kan geschieden.



Ik heb er al van gewaagd, dat ik, wat de slaapplaatsen aan boord
dezer boot betreft, in den beginne min of meer ongerust was. In die
weifelende gemoedsgesteldheid bleef ik tot tien uur of daaromtrent,
toen ik naar beneden ging en aan iederen kant der kajuit drie
lange rijen boekenplanken zag hangen, die waarschijnlijk bestemd
waren voor boekdeelen van klein-octavo formaat. Maar toen ik deze
dingen wat aandachtiger opnam (het verwonderde me natuurlijk zulke
letterlievende toebereidselen op zoo'n plaats aan te treffen), werd
ik op iedere plank een soort van microscopisch laken en deken gewaar,
en ging me flauwtjes een licht op, dat de passagiers de bibliotheek
waren, en zij op deze planken behoorlijk op hun kant gearrangeerd
zouden worden tot de morgen aanbrak.



Ik werd in deze gevolgtrekking versterkt, doordien ik sommige hunner
rondom den kapitein aan een der tafeltjes zag staan, waar ze met
al den angst en hartstocht van echte spelers op 't gezicht hun lot
trokken; terwijl anderen met kleine cartonnen reepjes in de hand
onder de planken aan 't zoeken waren naar de nommers die met door
hen getrokken nommers overeenkwamen. Zoodra deze of gene heer zijn
nommer vond, nam hij het in bezit, door zich op staanden voet uit
te kleeden en in bed te kruipen. De vlugheid, waarmee een opgewonden
speler in een snorkende slaper veranderde, was een der zonderlingste
uitwerkselen, waar ik ooit getuige van was. Wat de dames aangaat, die
lagen al te bed, achter 't roode gordijn, dat zorgvuldig toegetrokken
en in 't midden vastgemaakt was; maar aangezien elk gekuch of genies
of gefluister achter dit gordijn heel goed gehoord kon worden, zoo
bleven wij ons zelven levendig bewust van haar nabijheid.

De beleefdheid van den gezagvoerder had mij aan een plank geholpen in
een hoekje dicht bij dit roode gordijn, min of meer verwijderd van den
grooten hoop der slapers, waar ik, hoogst verplicht door zijn attentie,
mij dan ook naar toe begaf. Toen ik er de maat van nam, vond ik, dat
ze juist zoo breed was als een gewoon vel Bath postpapier; en geen
wonder, dat ik eerst een beetje met mijn handen in mijn haar stond,
hoe en op wat voor manier ik me daar 't best op en neer zou kunnen
vlijen. Maar daar de plank een onderste was, besloot ik ten langen
leste, op den vloer te gaan liggen, mij zachtjes boven op de plank
te rollen, dadelijk op te houden zoodra ik maar de matras voelde,
en er in vredesnaam den nacht door te brengen met dien kant van mijn
lichaam naar boven, zooals 't uitviel. Gelukkig kwam ik op 't juiste
oogenblik op mijn rug terecht. Ik maakte me erg ongerust toen ik omhoog
kijkende, merkte dat de plank vlak boven me wel een half el doorzakte,
doordien er een allerzwaarlijvigst heer op lag, en de dunne koorden
dien last niet schenen te kunnen torsen. Onwillekeurig dacht ik er
om, wat wel de gevolgen konden wezen voor mijn vrouw en familie,
als ik dien nacht zoo'n vrachtje op me kreeg. Maar daar ik zonder
een geweldige inspanning van mijn lichaamskrachten niet op kon staan,
iets wat de dames had kunnen storen; en ik buitendien niet wist waar,
gesteld dat ik er met goed fatsoen uit kon komen, dan mijn ankertje
neer te leggen, zoo deed ik mijn oogen voor 't gevaar dicht, en bleef
waar ik was.

Ziedaar nog een paar bijzonderheden, die mijn nachtelijke ervaring
verrijkt hebben met betrekking tot die klasse der maatschappij, die
op deze booten reist. Of ze voeren hun onrustigheid tot die hoogte op,
dat ze in 't geheel niet slapen, òf ze spugen in hun droomen, iets wat
een opmerkelijk mengelmoes van 't werkelijke en denkbeeldige leven kan
genoemd worden. Dien ganschen nacht, ja iederen nacht, dien ik op dit
kanaal doorbracht, was er een echte storm en onweersbui van spugen; en
eens hadden ze mijn jas, die toevallig midden in zoo'n spuugorkaan lag,
die door vijf heeren volgehouden werd, (welke heeren zich verticaal
bewogen, precies zooals Reid's Theorie over de wetten van stormen dit
beschrijft), en eens, zeg ik, hadden ze mijn jas zoodanig bevuild,
dat, wou ik ze weer in een draagbaren toestand brengen, er voor mij
niets anders op zat, dan ze den volgenden morgen op 't dek uit te
leggen en met schoon water fiks af te boenen.

Tusschen vijven en zessen stonden we op. Sommigen gingen daarop naar
't dek om gelegenheid te geven tot het weghalen der planken; terwijl
anderen, daar 't erg koud was, om de roestige kachel heen gingen
zitten, waar ze zich aan 't zoo even aangestoken vuur koesterden
en, natuurlijk, ook niet in gebreke bleven, om den rooster te
overladen met die vrijwillige bijdragen, waar ze den heelen nacht
zoo scheutig mee geweest waren. Al het waschgereedschap verkeerde in
den maagdelijken toestand van eenvoud. Er was een tinnen lepel aan
't dek vastgemaakt, waar ieder heer, die het noodzakelijk achtte
zich te reinigen (sommigen waren boven de zwakheid verheven), het
vuile water uit het kanaal mee opschepte en in een op dezelfde wijze
vastgemaakte waschkom overgoot. Er was ook een vod van 'n handdoek,
terwijl men eindelijk voor een klein spiegeltje, in de onmiddellijke
nabijheid van brood en kaas en beschuit, een kam en haarborstel ten
algemeenen gebruike aantrof.

Nadat de planken weggenomen en de tafeltjes weer bij elkaar gezet
waren, ging iedereen weer aanzitten bij 't zelfde tafeltje welbereid,
bestaande uit thee, koffie, brood, boter, zalm, elft, lever, lapjes,
aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes van
voren af aan. Sommigen hielden er dolveel van, om van dit alles een
zoogenaamd allegaartje te maken, en om die reden alles tegelijk op hun
borden te hebben. Als nu een heer het klaargespeeld had met zijn eigen
persoonlijk bedrag van thee, koffie, brood, boter, zalm, elft, lever,
lapjes, aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes,
stond hij op en ging heen. Toen iedereen het klaargespeeld had met
alles, werden de klieken afgenomen, waarop een der kellners, die
opnieuw voor den dag kwam en wel in 't karakter van een barbier, al
wie lust had van de heeren om geschoren te worden, schoor, terwijl de
overblijvers dat aangaapten of hun nieuwsbladen geeuwend inkeken. Het
diner was de herhaling van 't ontbijt, zonder de koffie en thee;
ook het souper was aan 't ontbijt gelijk.



We hadden een man aan boord, met een frissche gelaatskleur, en een
peper-en-zout pak aan, die de nieuwsgierigste vent was, waar men
zich met mogelijkheid een denkbeeld van kan vormen. Nooit sprak
hij anders dan vragenderwijs. Kortom, hij was een geïncarneerd
vraagteeken. Hetzij men zitten ging of opstond, hetzij men stil
was of in de weer, hetzij men op dek wandelde of iets gebruikte,
hij was er met een groot vraagteeken in ieder oog, twee in zijn
gespitste ooren, nog twee in zijn wipneus en kin, ten minste nog
een half dozijn meer om de hoeken van zijn mond, en het grootste van
allen in zijn haar, dat heel wijsneuzig bij elkaar gekamd was in den
vorm van een vlaskuif. Iedere knoop aan zijn hoed zei: "Hé? Wat 's
dat? Sprak u? Zeg dat nog 'reis, asjeblieft!" Evenals de betooverde
bruid, die haar man stapelgek maakte, was ook hij altijd kant en
klaar wakker; altijd bij de pinken; altijd dorstig naar antwoorden;
gestadig zoekende en nooit vindende. In één woord, nooit trof men de
weerga van dat vreemde heerschap aan.



Destijds had ik een bonten jas aan, en voordat we nog goed en wel van
wal waren, hoorde hij me uit op ieder punt dat er maar betrekking op
had. Zoo vroeg hij me wat die jas wel kostte, en waar ik ze kocht,
en wanneer, en wat voor bont het was, hoe zwaar zij woog, en wat
dat bont afzonderlijk kostte. Daarna nam hij mijn horloge op, en
vroeg wat dat kostte, en of 't een Fransch horloge was, en waar ik
't gekregen had, en hoe ik 't gekregen had, en of ik 't gekocht had
of dat het een cadeau was; hoe het liep, en waar het sleutelgat zat,
en wanneer ik 't opwond; iederen avond of iederen morgen, en of ik
wel eens vergat 't op te winden, en zoo ja, wat dan? Vervolgens deed
hij er onderzoek naar, waar ik 't laatst geweest was, en waar ik 't
eerst naar toe meende te gaan, en waar ik dan naar toe ging, en of ik
den President gezien had, en wat hij zei, en wat ik zei, en wat hij
zei toen ik dat gezegd had? Hé? Je zoudt zeggen! Wat vertelt u me daar!



Daar ik merkte, dat niets zijn nieuwsgierigheid bevredigen kon,
ontweek ik zijn vragen na het eerste dozijn of twee, en wendde vooral
onwetendheid voor ten opzichte van 't bont, waar de jas van gemaakt
was. Ik kan niet zeggen, waar 't vandaan kwam, maar die jas trok hem
zoo geweldig aan, dat hij er naderhand rust noch duur van had; ging ik
wandelen, hij zat me op de hielen, bewoog ik me, hij deed hetzelfde,
alles met geen ander doel dan om me des te beter op te kunnen nemen;
ja dikwijls ging hij zelfs zoo ver, om met levensgevaar in een nauw
hoekje te kruipen, louter om 't pleizier te hebben, er van achteren
zijn hand op te leggen en er, tegen den draad in, overheen te strijken.



We hadden nog zoo'n oolijken vent aan boord, maar die er heel anders
uitzag. Deze was namelijk een schraal man van middelbare jaren en
lengte, met een pak aan van zoo'n stoffige dofbruine kleur als ik nog
nooit in mijn leven gezien had. Gedurende het eerste gedeelte der
reis hield hij zich doodbedaard, en waarlijk, ik herinner me niet,
dat hij mijn opmerkzaamheid tot zich trok, totdat hij, gelijk dit
met groote mannen dikwijls het geval is, door de omstandigheden aan
't licht werd gebracht. De aaneenschakeling van gebeurtenissen,
die hem vermaard maakten, kwam kortelijk hierop neer:

Het kanaal, moet men weten, loopt tot aan den voet van 't gebergte
en houdt daar natuurlijk op. Dan worden de passagiers verder per
as vervoerd, en naderhand door een andere kanaalboot opgenomen, den
tegenhanger der eerste, die hen aan den overkant wacht. Er zijn twee
gelegenheden om per boot over te varen; de eene boot heet Expresse,
de andere (een goedkooper gelegenheid) de Pionier. De Pionier gaat
het eerst naar 't gebergte, en wacht het volk van de Expresse af,
aangezien de passagiers der twee booten gelijktijdig overgebracht
worden. Wij behoorden onder de passagiers van de Expresse, maar toen
we den berg over waren, en aan de tweede boot waren gekomen, kregen
de eigenaars het in hun hoofd, er al de passagiers van de Pionier
ook in te stoppen, zoodat we minstens met ons vijf en veertigen
waren, en de vermeerdering van passagiers was in 't geheel niet van
dien aard, dat het vooruitzicht om dien nacht te slapen, er beter
op werd. Zooals dat in den regel gebeurt, gingen onze passagiers
daarover aan 't pruttelen, maar lieten het toch over hun dak gaan,
dat de boot met de geheele vracht aan boord op sleeptouw genomen werd,
en alweer voeren we het kanaal af. Thuis zou ik er niet zoo'n klein
beetje tegen geprotesteerd hebben, maar daar ik hier een vreemdeling
was, hield ik mijn mond. Niet alzoo deze passagier. Hij baande zich
een weg midden door 't volk op dek (we waren bijna allen op dek),
en zonder nu het woord tot iemand in 't bijzonder te richten, begon
hij de volgende alleenspraak:

"Dit mag jelui naar den zin wezen, ja jelui, maar mij niet. Laaglanders
uit het Oosten en Bostonners van geboorte mogen er vrede mee hebben,
maar ik in 't geheel niet. Neen waarachtig niet! Ik kom uit de donkere
bosschen van den Mississippi, daar kom ik vandaan, en schijnt de
zon op mij, dan schijnt ze--maar eventjes. Waar ik woon, glinstert
de zon niet, neen, daar glinstert ze niet. Neen. Ik ben een bruine
boschbewoner, ja, die ben ik. Ik ben geen water- en melk-kindje. Waar
ik woon, daar zijn geen teere poppetjes. Daar wonen niet anders
dan ruwe klanten. Ja waarachtig. Zijn er van die Laaglanders uit
het Oosten en van die Bostonners van afkomst, ik ben blij om hen,
maar ik hoor bij dat volkje niet thuis. Neen waarachtig niet. Dit
gezelschap heeft een beetje "fixing" noodig, ja dat heeft het. Ze
zullen aan mij geen katje vinden, dat men zonder handschoenen aan
durft pakken. Zoo iemand ben ik. Ze zullen mij niet kunnen luchten
of zien." Aan 't einde van ieder dezer korte volzinnen draaide hij
zich op zijn hielen om, en liep den anderen kant op, en telkens als
hij zoo'n volzin uit had, maakte hij die manoeuvre.



't Is mij onmogelijk te zeggen, wat voor verschrikkelijke bedoeling
in de woorden van dezen bruinen boschbewoner opgesloten lag, maar
ik weet dat de andere passagiers met een soort van bewonderenden
schrik er bij stonden te kijken, en de boot dadelijk weer naar de
kaai terugstoomde en men zooveel passagiers van de Pionier loosde
als men met een zacht lijntje of met overbluffen maar kwijt kon raken.



Toen we weer heenvoeren, trokken sommige van de haantjes de voorste
hun stoute schoenen aan, om tot hem, die er zoo kennelijk aanleiding
toe gegeven had dat onze vooruitzichten ietwat beter waren geworden
te zeggen: "Zeer verplicht, mijnheer," waarop de bruine boschbewoner
(met zijn hand zwaaiende en nog altijd, evenals te voren, op en neer
loopende) dit ten antwoord gaf: "Dat hoeft volstrekt niet. Jelui bent
immers geen laken van mijn kleur. Jelui moet maar voor je zelf zorgen,
ja dat moet jelui. Ik heb den weg gebaand. Laaglanders uit het Oosten
en papkindertjes, laten die me volgen als ze 'r pleizier in hebben. Ik
ben geen papkind, neen dat ben ik niet. Ik kom uit de bruine bosschen
van den Mississippi, ja daar ben ik vandaan," en zoo voorts, evenals
te voren. Uit aanmerking van de vele en gewichtige door hem aan den
lande--in casu onze boot--bewezen diensten, werd hem met eenparigheid
van stemmen een der tafeltjes toegewezen om er 's nachts voor zijn bed
gebruik van te maken--om zulke tafeltjes worden er nogal wat woorden
vuilgemaakt--ook stond men hem, zoolang als de reis maar duurde, het
warmste hoekje bij de kachel af. Maar ik kon nooit merken, dat hij iets
anders deed dan daar zitten; ook hoorde ik zijn geluid niet weer, voor
en aleer ik onder al de drukte van 't afladen der bagage te Pittsburg,
dat in den donker geschiedde, over hem heen struikelde, terwijl
hij op de trap der kajuit zijn sigaar zat te rooken. Ja toen hoorde
ik hem weer met een kort uitdagend lachje bij zich zelf mopperen:
"Ik ben geen water- en melk-kindje, neen, dat ben ik niet. Ik kom
uit de bruine bosschen van den Mississippi, ja daar ben ik vandaan,
verdomme!" Ik voor mij ben er wel aan toe, hieruit af te leiden, dat
deze woorden, om zoo te zeggen, in zijn mond begraven lagen; maar om
nu, bijaldien ik er altemet door mijn Koningin en Land toe opgeroepen
mocht worden, een beeedigde verklaring van dit gedeelte der historie
af te leggen, zie, dit zou ik niet over mijn geweten kunnen verkrijgen.

Aangezien we echter, in de orde onzer vertelling, Pittsburg tot
dusverre nog niet bereikt hebben, mag ik hier terloops de opmerking
maken, dat ons ontbijt misschien het minst wenschelijk maal van den
dag was, en wel om deze rede dat er, bij de geurtjes van de reeds
vermelde spijs en drank, uit het kleine buffet, dat vlak bij ons was,
nog de lucht kwam, om niet te zeggen stank, van jenever, whiskey,
brandewijn en rum, gekruid door den damp van gemeene tabak. Vele van
de heeren passagiers waren alles behalve zindelijk op hun linnengoed,
dat op sommige plaatsen zoo geel was als de kleine riviertjes, die
hun onder 't pruimen uit de hoeken hunner monden gedropen, en daar
opgedroogd waren. Ook was de dampkring niet vrij van die fluisterende
zefierwindjes uit de dertig bedden, die eerst kort te voren beredderd
waren, en waar we nog verder en dringender aan herinnerd werden
doordien er op ons tafellaken af en toe exemplaren van een soort wild
verschenen, dat niet genoteerd stond op de spijslijst.

En toch, in weerwil van deze onaangenaamheden, die, ten minste in
mijn oog, zelfs iets koddigs, iets uiigs in zich hadden, toch was er
veel in deze manier van reizen, dat me indertijd veel plezier deed, en
waar ik naderhand met groot genoegen op terugzag. Zelfs het loopen met
een blooten hals, om vijf uur 's morgens, uit de bedompte kajuit naar
't vuile dek; het opscheppen van 't ijskoude water, het dompelen van
't hoofd daarin, en het er weer, geheel frisch en gloeiend van de kou,
uithalen,--kijk, zelfs dat was een goed ding. Dan die wandeling,
die vlugge, fiksche, vroolijke wandeling, tusschen dat uur en 't
ontbijt, wanneer iedere ader scheen te tintelen van gezondheid; de
uitgezochte schoonheid van den aanbrekenden dag, als daar het licht
op al de voorwerpen begon te spelen; de trage beweging van de boot,
wanneer men lui en vadsig eer door, dan naar den lichtblauwen hemel
lag te kijken; het 's avonds zoo zachtkens voorbijglijden van sombere
heuvels met hun insgelijks zoo somber uitziende boomen; somtijds met
een als 't ware kwaadaardig kijkende rood gloeiende plek heel in de
hoogte, waar ongeziene menschen omheen kropen: het flikkeren van de
heldere sterren, niet verstoord door 't geweld van raderen of stoom,
of eenig ander geluid dan 't gekabbel van 't spiegelgladde water als
de boot vooruitging. Zie, dat alles was één genoegen al genoegen.

Dan waren 't weer nieuwe nederzettingen en op zich zelf staande
blokhutten en geraamten van huizen, vol belang voor vreemdelingen uit
een oud land: hutten of keeten met eenvoudige ovens, van buiten, en
van klei gemaakt, en varkenskotten, bijna zoogoed als voorteekens van
de menschelijke kwartieren; gebroken ramen, opgelapt met afgedragen
hoeden, oude kleeren, oude planken, brokstukken van dekens en
papier; en eigengemaakte zoogenaamde rechtbanken, die buiten de
deur in de open lucht stonden, waar het niet moeielijk op te tellen
keukengereedschap van steenen potten en pannen op gerangschikt
stond. Treurig was 't om aan te zien hoe elke tarweakker als bezaaid
was met de stronken van groote boomen, en hoe uiterst zeldzaam het
was, als het oog het ellendige en eeuwige moeras niet gewaar werd,
met honderden verrotte boomstammen en knoestige takken die uit zijn
ongezond water oprezen. Maar leverde dat reeds een treurig gezicht
op, pijnlijk, allerpijnlijkst was de aanblik van die groote streken,
waar kolonisten de boomen verbrand hadden, en nu hun zoo zwaar gewonde
lichamen, evenals die van vermoorde schepsels, terneer lagen, terwijl
hier en daar de een of andere geschilde en berookte reus moederziel
alleen een paar verdorde armen opstak, en den vloek over zijn vijanden
scheen in te roepen. Als een bergpas in Schotland kronkelde zich 's
avonds blinkende en koud glinsterend in den maneschijn de weg door
een eenzame bergkloof, die van alle kanten zoodanig tusschen hooge en
steilen heuvels ingesloten was, dat er, behalve door 't nauwe pad,
waar we langs gekomen waren, geen uitkomen aan scheen, totdat zich
een hobbelige heuvelkant scheen te openen, die, toen we zijn donkere
keel doorgingen, het maanlicht opschepte en onzen nieuwen koers in
schaduw en duisternis hulde.

Wij hadden Harrisburgh op een Vrijdag verlaten. Zondagmorgen kwamen
we aan den voet van den weg, waar de spoorweg overheen loopt. Er
zijn tien hellende banen, vijf ophellende en vijf afhellende;
op de eerste worden de rijtuigen naar boven getrokken, en bij de
tweede langzaam naar beneden gelaten, wordende, al naar 't uitkomt,
de vergelijkenderwijs vlakke afstanden nu eens met paarden, dan weer
met stoomkracht afgelegd. Gewoonlijk liggen de rails op den uitersten
kant van een duizelingwekkenden afgrond; en zonder een steen of heg,
ja, zonder een snipper tusschen hem, staart de reiziger, als hij uit
het portierraampje mocht kijken, op eens in de diepten van 't gebergte
daar beneden hem. De reis wordt echter met de grootste omzichtigheid
ondernomen; zoo mogen er bij voorbeeld maar twee rijtuigen tegelijk
reizen, en daar er nog meer voorzorgen van dien aard genomen worden,
behoeft men voor ongelukken niet bang te zijn.



Het was erg prettig om, bij een koelen wind, zoo snel langs
de berghoogten te reizen, en dan meteen in een dal vol licht en
liefelijkheid neer te zien. Ja, dat was prettig, o, zoo prettig! Dan
toch ving men, door de toppen der boomen heen, een vluchtig gezicht
op van hier en daar verspreide hutten; daar zag men kinderen bij de
deuren heen en weer loopen,--honden die blaffend naar buiten vlogen
(natuurlijk konden we die niet zien, maar alleen hooren),--verschrikte
varkens die naar huis schommelden,--huisgezinnen die buiten in
hun ruwe tuinen bij elkaar zaten--koeien die met een stompzinnige
onverschilligheid opkeken,--mannen in hun hemdsmouwen die naar hun
onvoltooide huizen keken en peinsden over 't werk dat morgen diende
verricht te worden, terwijl wij heel hoog boven hen als de wind
voorbijspoorden. En, toen we gegeten hadden, en zonder dat er een
andere kracht in beweging gebracht werd dan de zwaarte der waggons
zelf, een steilen bergpas afgespoord waren, kijk, toen was 't ook
prettig om te zien, hoe de losgemaakte locomotief, lang na ons,
als een groot insect, moederziel alleen aan kwam gonzen, terwijl
haar rug van groen en goud zoo in de zon blonk, dat, had ze een
paar vleugels uitgespreid en was ze weggevlogen, niemand, naar 't
mij voorkomt, reden zou gehad hebben zich daar in 't minst over te
verwonderen. Maar toen wij het kanaal bereikten, stopte ze, met al
de bereddering van een naai-meisje dat haast heeft, en kort na ons,
en voordat wij den steiger verlieten, spoorde ze dezen heuvel weer op,
met de passagiers die onze aankomst af hadden gewacht, ten einde den
weg over te steken waar we langs gekomen waren.



Maandagavond waarschuwden ons ovenvuren en kloppende hamers langs de
oevers van 't kanaal, dat we het einde van dit gedeelte onzer reis
naderden. Na door een andere droomerige plaats te zijn gegaan--een
lange waterleiding namelijk, dwars over de Alleghany-rivier, die er
nog vreemder uitzag dan de brug te Harrisburgh, zijnde een groote
houten kamer vol water--kwamen we op zoo'n leelijken warboel uit van
achtergedeelte van gebouwen en havelooze galerijen en trappen, als
men altijd aan 't water aantreft, onverschillig of men met een rivier,
of zee, of kanaal of sloot te doen heeft; en.... we waren te Pittsburg.



Wat Birmingham is in Engeland, dat is Pittsburg; althans de inwoners
zeggen het. Als men nu de straten, winkels, huizen, wagens,
fabrieken, openbare gebouwen en bevolking op zij zet, dan zal
't misschien wel zoo zijn. Zoo veel is ondertusschen zeker, dat er
veel, verbazend veel rook over hangt, en de stad vermaard is om haar
ijzergieterijen. Behalve de gevangenis, waar ik al op gewezen heb,
vindt men er een aardig tuighuis en andere instellingen. Ze ligt
heel mooi aan de Alleghany-rivier, waar twee bruggen over zijn; ook
de buitenplaatsen der meervermogende burgers, waar de hooge gronden
in den omtrek als bezaaid mee zijn, doen zich vrij gunstig voor. Wij
logeerden in een allervoortreffelijkst hotel en werden op uitnemende
wijze bediend. Oudergewoonte was het vol vreemdelingen, was zeer ruim
en had een breede colonnade aan iedere verdieping van 't huis.

We bleven hier drie dagen. Ons eerstvolgend punt was Cincinnati;
en daar dit weer een reisje per stoomboot was, en in 't reisseizoen
gewoonlijk van die westersche booten een stuk of twee 's wekelijks
in de lucht vliegen, kwam het den passagiers geraden voor, elkaar
te raadplegen ten opzichte van de vergelijkerderwijze veiliger of
onveiliger booten, die met die bestemming op de rivier lagen. Een
daarvan, de Messenger genoemd, werd ons het sterkst aanbevolen. Een
dag of veertien geleden was het onmiddellijk vertrek dag-in dag-uit
aangekondigd geworden, maar wie niet vertrokken was, was de boot. De
kapitein scheen te dien aanzien zelf geen stellig voornemen te
hebben. Maar dit is nu eenmaal de gewoonte in Amerika: want als de wet
een vrij en onafhankelijk burger kon binden, om zijn woord tegenover 't
publiek te houden, wat zou er dan in vredesnaam van onze persoonlijke
vrijheid overblijven? Buitendien, dit ligt zoo op den weg van den
handel. En als passagiers langs den handelsweg beetgenomen worden,
en het volk langs den handelsweg op allerlei wijzen geplaagd wordt,
waar is de man, die, zelf een uitgeslapen koopman zijnde, zeggen zal:
"We moeten hier een stokje voor steken?"

Door de diepe plechtigheid der openbare aankondiging meegenomen (ik
wist toen, met betrekking tot deze gebruiken, van den prins geen
kwaad), repte ik me zoodanig om aan boord te komen, dat ik geheel
buiten adem geraakte; maar gelukkig deelde men me nog bijtijds
vertrouwelijk mee, dat de boot zeker niet voor Vrijdag den eersten
April zou vertrekken, zoodat we 't ons in dien tusschentijd nog zoo
gemakkelijk mogelijk maakten, en eerst 's middags aan boord gingen.



XI.

NAAR CINCINNATI.

    VAN PITTSBURG NAAR CINCINNATI OP EEN WESTERSCHE STOOMBOOT.
    CINCINNATI.


De Messenger behoorde onder de vele stoombooten van hooge drukking,
die te zamen aan den kant der kaai vastlagen. En van den rijzenden
grond dien de aanlegplaats vormt, èn van den hoogen oever aan den
overkant der rivier beschouwd, scheen deze boot niet grooter dan
een gewone boot. Ze had een stuk of veertig passagiers aan boord,
behalve de armer personen op 't lager dek; en stak in een half uur
of minder van wal.

Voor ons gebruik hadden wij een nietig zoogenaamd staatsievertrek met
twee kooien er in, die in de dameskajuit uitkwam. Zonder twijfel lag er
iets vertroostends in deze "locatie," in zoover ze zich namelijk in den
steven van 't schip bevond, en men ons herhaaldelijk ten ernstigste op
't gemoed gedrukt had, zoo ver mogelijk naar achteren te gaan, "omdat
de stoombooten gewoonlijk van voren in de lucht vliegen." En dat dit
geen overbodige voorzorg was, werd ons op onze reis door meer dan
een soortgelijk noodlottig ongeval voldoende bevestigd. Daargelaten
deze reden tot tevredenheid, deed het ons onuitsprekelijk goed, een
plaatsje te hebben, hoe klein dan ook, waar men alleen kon zijn;
en daar de rij van kleine kamertjes, waar dit een van was, ieder
een tweede glazen deur had, behalve die welke zich in de dameskajuit
bevond, en die deur in een nauwe galerij uitkwam buiten 't schip waar
die andere passagiers zelden kwamen en men dus in vrede kon zitten
kijken naar 't zich telkens afwisselende panorama, zoo namen we ons
nieuwe kwartier met veel genoegen in bezit.

Gelijken de packetschepen, die ik reeds beschreven heb, al bitter
weinig op iets, dat wij gewoon zijn, op 't water te zien,--deze
westersche schepen wijken nog veel verder af van al de denkbeelden,
die wij ons ten opzichte van booten plegen te vormen. Ik weet dan ook
ternauwernood, waar ik ze bij vergelijken of hoe ik ze beschrijven zal.

Ten eerste hebben ze geen mast, touwwerk, takels en want, of wat er
van dien aard aan tuig wordt aangetroffen op een boot; evenmin hebben
ze iets hoegenaamd in hun vorm wat iemand kan herinneren aan den voor-
of achtersteven, de zijden of de kiel van een boot. Behalve dat zij op
't water liggen, en een paar raderkasten ten toon spreiden, zou men
ze kunnen houden voor iets dat integendeel bestemd schijnt te zijn om
hoog en droog op een bergtop den een of anderen onbekenden dienst te
verrichten. Er is zelfs geen dek zichtbaar: niets dan een lang, zwart
leelijk dak, van boven met twee ijzeren schoorsteenpijpen en een ruwe
veiligheidsklep, en een glazen huisjen voor den stuurman. Naarmate
men nu zijne oogen naar 't water toekeert, ontdekt men de zijden en
deuren, en ramen van de zoogenaamde staatsiekamers, zoo ongelijk
door elkaar gehutseld als vormden ze een smalle straat, die naar
den verschillenden smaak van een dozijn menschen aan was gelegd;
het geheel wordt geschraagd door balken en pilaren, die op een vuile
barge rusten, maar een duim of wat boven de oppervlakte van 't water,
terwijl zich in de nauwe ruimte tusschen dat bovenste samenstel
en het dek dezer barge de stookplaatsen en de machinerie bevinden,
die op zij aan weer en wind zijn blootgesteld.

Gaat men nu 's avonds een dezer booten voorbij, en ziet men dan
het groote vuur, open en bloot, zooals ik zoo even beschreven heb,
onder dien brozen toestel van geschilderd hout loeien en razen;
ziet men vervolgens de machinerie, die, ten eenenmale aan haar lot
overgelaten, haar gang gaat te midden van de massa lanterfanters,
landverhuizers en kinderen, die op het lager dek krioelen; en dat onder
het opzicht van achtelooze lieden, die misschien eerst voor een maand
of zes zoo'n betrekking gekozen hebben,--ziet men nu een en ander,
dan voelt men op staanden voet dat het verwonderlijke hierin bestaat,
niet dat er zooveel ongelukken op zoo'n reis gebeuren, maar dat er één,
zegge één reis, veilig en wel kan gedaan worden.

Van binnen is een lange, nauwe kajuit over de geheele lengte der boot,
waar de staatsiehutten van weerszijden op uit komen. Een klein gedeelte
daarvan, aan den steven, is voor de dames afgezonderd, terwijl het
buffet vlak aan den overkant is. In 't midden staat een lange tafel,
en aan ieder eind een kachel. De waschtoestel is vooraan, boven op
't dek. Het is een beetje beter dan aan boord der kanaalboot, maar
niet te veel. Wat de middelen betreft om voor zijne persoonlijke
zindelijkheid te kunnen zorgen, stuit men in Amerika, onverschillig
op welke wijze men ook reizen moge, op gewoonten die uiterst slordig,
neen vuil mogen heeten. Ik voor mij hel dan ook sterk tot het geloof
over, dat vele ziekten, die in Amerika heerschen, aan die verregaande
onzindelijkheid te danken zijn.

Aan boord van de Messenger moeten wij drie dagen blijven, en (gebeuren
er geen ongelukken) dan zijn we Maandagmorgen te Cincinnati. Men eet
driemaal per dag. Zoo ontbijt men om zeven uur, gebruikt het middagmaal
om halfeen, het avondeten tegen zessen. Bij elk maal staan tal van
kleine schotels en schalen op tafel, met bitter weinig er in; zoodat
ofschoon het al den schijn heeft, dat er machtig "uitgehaald" wordt, er
zelden in de werkelijkheid meer is dan een burgerpot, tenzij men houde
van en genoegen neme met wat schijfjes beetwortel, sneedjes gedroogd
vleesch, zuurtjes, mais, Indiaansch koorn, appelmoes en pompoen.

Sommigen bedienen zich van al deze liflafjes (en confituren nog op den
koop toe) bij wijze van dessert op hun gebraden varkensvleesch. Dat
zijn dan gewoonlijk van die aan slechte spijsvertering sukkelende
heeren en dames, die bij hun ontbijt en avondeten ongehoorde
hoeveelheden heet brood verorberen (iets wat tusschen twee
haakjes bijna even goed voor de spijsvertering is als een gekneed
speldenkussen). Zij, die deze gewoonte niet opvolgen, en af en toe het
een en ander gebruiken, zitten gewoonlijk in gedachte te zuigen aan hun
messen en vorken, totdat ze 't met zich zelf eens geworden zijn, wat
nu te nemen,--halen dan die voorwerpen uit den mond, leggen ze op hun
bord neer, bedienen zich en gaan weer aan den gang. Onder 't middageten
valt er niets te drinken dan koud water, dat in groote kruiken op de
tafel staat. Eet men, hetzij 's morgens of 's middags of 's avonds,
dan wordt er niet gesproken. Al de passagiers zijn erg zwaarmoedig,
zoo zwaarmoedig alsof er allerlei schrikkelijke geheimen op hun ziel
drukken. Men praat niet, men lacht niet, men maakt geen pret, kortom
men doet niets dat gezellig mag heeten, of 't moest spugen zijn,
en dit laatste wordt gedaan in stille kameraadschap, om de kachel,
als men gedaan heeft met eten. Iedereen zit stil en sprakeloos op
zijn stoel; slokt zijn ochtend- en middag- en avondeten op alsof dat
alles louter noodzakelijke behoeften waren die nooit met een of ander
genot of pleizier kunnen gepaard gaan; en na zijn voedsel in sombere
stilte in zijn lichaam te hebben opgesloten, sluit hij zich meteen
al dichter en dichter op, met dat gevolg, dat, als men ze niet zag
eten en drinken, ge onwillekeurig zoudt gaan veronderstellen, dat al
de mannelijke leden, die daar aanzaten, de droefgeestige schimmen
van opgestapte boekhouders waren, die voor hun lessenaar dood zijn
neergevallen. Ja, waarachtig, met zoo'n voorkomen van drukke bezigheid
zitten ze daar aan tafel. Bij hen vergeleken, zou men een kraai of
aanspreker of groefbidder, of hoe men zoo'n tweevoeter ook betitele,
een vroolijken Frans kunnen noemen, en zou een grafmaal met zijn
geraspte broodjes en wat dies meer zij, in vergelijking met deze
maaltijden, als een dollemans-partij door kunnen gaan.

Wat nu het volk aangaat, dit is koekoek één zang. Verschillende
karakters treft men onder hen niet aan. Zij reizen bijna voor dezelfde
boodschap, doen en zeggen dezelfde dingen op precies dezelfde manier,
en loopen in één en 't zelfde sombere kringetje rond. Over de geheele
lange tafel is er ternauwernood één die in eenigerlei opzicht van zijn
buurman verschilt. 't Is waarlijk een buitenskansje, tegenover dat
vijftienjarig meisje met haar praatachtig kinnetje te mogen zitten:
zij toch, om haar dit recht te laten wedervaren, is levendig als
kwikzilver en doet alle eer aan de handteekening der natuur, want
van al de kleine snapsters, die ooit de rustige rust eener dommelige
dameskajuit verstoorden, is zij hennetje de voorste. Het mooie meisje,
dat een beetje van haar af zit--daar verder aan 't end der tafel--huwde
eerst de vorige maand den jongen man met den donkeren knevel, die naast
haar zit. In datzelfde verre Westen gaan zij zich nederzetten, waar
hij vier jaar gewoond heeft, waar zij nog nooit geweest is. Onlangs
waren zij beiden met een diligence omgevallen (een ongunstig voorteeken
overal waar zulke ongelukken niet dagelijks voorvallen), en zijn hoofd,
dat de teekenen van een versche wond draagt, is nog verbonden. Ook
zij werd bij die gelegenheid gekwetst, en lag, zoo helder als haar
oogen nu zijn, een dag of wat van haar zelf.

Nog verderop zit een man, die eenige mijlen verder dan de plaats
hunner bestemming gaat, om een kortelings ontdekte kopermijn te
"exploiteeren." Het dorp--dat heet wat het dorp worden moet--brengt hij
mee: een stuk of wat geraamten van hutten, en een toestel om het koper
te smelten. Ook de aanstaande bewoners brengt hij mee. Deels zijn ze
Amerikanen en deels Ieren, die te zamen op 't lager dek hokken, waar
zij zich gisteravond, tot de nacht al aardig gevorderd was, vermaakten
met het nu eens afschieten van pistolen dan weer zingen van liederen.

Zij, en de zeer weinigen die zoo wat een minuut of twintig aan tafel
geweest zijn, staan op en gaan heen. Wij doen hetzelfde, en onze
kleine staatsiehut doorgaande, hernemen we onze zitplaatsen in de
rustige buitengalerij.

De rivier is hier altijd fiks breed, maar op sommige gedeelten wijder
dan op andere; buitendien is er gewoonlijk een groen met boomen bedekt
eilandje, dat haar in twee stroomen verdeelt. Hetzij om hout in te
nemen, hetzij voor passagiers, stoppen we hier nu en dan een paar
minuten aan 't een of andere stedeken of dorp (ik moest eigenlijk
stad zeggen, want iedere plaats is hier een stad); maar meerendeels
zijn de oevers wildernissen, echte wildernissen, begroeid met boomen
die in dezen omtrek al in blad staan en groen ook. Mijlen en mijlen
ver breekt geen enkel teeken van menschelijk leven, geen enkel spoor
van menschelijke voetstappen deze wildernissen af; ook ziet men in
den omtrek geen andere beweging dan die van de blauwe meerkol, wier
kleur zoo helder is en toch zoo fijn dat ze 'r als een vliegende
bloem uitziet. Op grooten afstand van elkaar komt hier en daar een
blokhut, met haar kleine, van boomen gezuiverde lap gronds er omheen,
uit een heuvelachtigen bodem voor den dag, en kronkelend stijgt er een
draad van blauwen rook naar den hemel op. Ze staat in den hoek van 't
armzalige tarweveld, dat vol is van groote wanstaltige boomstronken,
die wel iets weghebben van slagers-hakblokken. Soms is de grond eerst
nu gezuiverd; de gevelde boomen liggen nog op den grond, en eerst van
morgen is er een begin gemaakt met het bouwen van 't blokhuis. Als
wij zoo'n stuk gronds voorbijvaren, leunt de kolonist op zijn bijl of
hamer, en kijkt peinzend naar 't volk van de "wereld". De kinderen
kruipen uit de tijdelijke hut, die, evenals een Zigeunerstent, zoo
maar vlak op den grond gezet is, en klappen in hun handen, en maken
een leven dat het een aard heeft. Eerst gluurt de hond naar ons,
en kijkt dan weer zijn meester vlak in 't gezicht, alsof hij zich
niet recht op zijn gemak voelde op 't vermoeden dat zij in hun arbeid
gestoord zouden worden, en van grappenmakers niets meer wou weten. En
met dat al bespeurt men daar denzelfden, eeuwigen voorgrond. De rivier
heeft zijn oevers weggespoeld en statige boomen zijn in den stroom
neergevallen. Sommigen hebben er zoo lang in gelegen, dat ze niet
meer zijn dan droge grijsachtige geraamte. Sommigen zijn er zoo even
in neergetuimeld en baden, terwijl er nog slik aan hun wortels zit,
hun groene kruinen in de rivier en brengen nieuwe loten en takken
voort. Sommigen zijn nog bijna aan 't glijden, als gij er naar kijkt,
en sommigen waren al zoo lang geleden verdronken, dat hun verbleekte
armen midden uit den vloed opsteken en hun best schijnen te doen om
de boot te grijpen en ze onder water te sleepen.

Door zoo'n tooneel nu als dit, zet de logge machine stenend en
norsch haar weg voort, en bij elke wenteling van haar raderen
dreunt ze zoo geweldig, dat het, naar men meenen zou, voldoende
was om de Indianen wakker te maken die daar begraven liggen onder
die groote terp ginder,--een terp zoo oud, dat machtige eiken en
andere woudboomen hun wortels geslagen hebben in haar bodem, en zoo
hoog, dat het een heuvel is zelfs onder de heuvels die de Natuur
in de rondte geplant heeft. Zelfs de rivier, alsof ze deelde in de
gevoelens van medelijden voor de uitgeroeide volksstammen, die,
in hun gezegende onwetendheid aangaande het bestaan van blanken,
hier honderden jaren geleden zoo vreedzaam woonden,--zelfs de rivier,
zeg ik, sluipt eventjes weg om naar deze aardhoogte heen te kabbelen;
en er zijn maar weinig plaatsen waar de Ohio helderder glinstert dan
bij de kreek dier groote begraafplaats.

Al wat ik daar beschrijf, zie ik, terwijl ik in de kleine buitengalerij
zit. De avondschemering sluipt langzaam over het landschap heen en
verandert het voor mijn oogen. Nu is ook het oogenblik daar, dat we
stilhouden, om een stuk of wat landverhuizers aan wal te zetten.

Vijf mannen, even zooveel vrouwen, en een klein meisje. Al hun aardsche
goederen bestaan uit een zak, een groote kist en een ouden stoel;
zoo'n ouden, hooggerugden stoel met matten zitting; een eenzaam
kolonist op zich zelf. In de boot worden ze naar den wal toegeroeid
terwijl het schip een beetje verder haar terugkomst afwacht, want het
water is ondiep. Zij worden afgezet aan den voet van een hoogen oever,
op welks top zich een stuk of wat blokhutten bevinden, die alleen
langs een lang slingerpad genaakbaar zijn. Het wordt ondertusschen
hoe langer hoe donkerder; maar de zon is nog erg rood en schijnt in
't water en op sommige der boomkruinen als vuur.

Eerst stappen de mannen de boot uit; helpen er de vrouwen uit; halen
er den zak, de kist en den stoel uit; zeggen den roeiers "goeiendag,"
en duwen daarna de boot van den wal af. Bij den eersten plas van de
riemen in 't water gaat de oudste vrouw van 't gezelschap, zonder
een woord te kikken, heel dicht bij den waterkant zitten. Niemand
van de anderen gaat zitten, ofschoon de kist zoo breed is, dat
menigeen er op zou kunnen zitten. Als waren ze in steen veranderd,
blijven ze maar staan daar waar men ze aan land gezet heeft, en
kijken de boot na. En dat duurt zoo een poos. Alles is doodstil:
de oude vrouw en haar oude stoel in 't midden; de zak en de kist op
't strand, zonder iemand om er op te passen: aller oogen op de boot
gevestigd. Ze komt op zij van ons schip, ze wordt vastgemaakt, de
mannen klauteren aan boord, de machine wordt in beweging gebracht
en weer gaan we hijgend en stenend weg. Zij blijven daar nog maar
altijd staan en verroeren geen vin. Met mijn verrekijker kan ik ze
zien, als ze door den afstand en steeds toenemende duisternis voor
't oog niets meer dan stippen zijn: de oude vrouw zit nog altijd in
den ouden stoel, en de rest staat om haar heen, onbeweeglijk als een
paal. En zoo verlies ik ze van lieverlede uit het oog.

De avond is donker, en we varen voort in de schaduw van den boomrijken
oever, die het nog donkerder maakt. Na gedurende eenigen tijd een
somber doolhof van takken voorbij te zijn gevaren, komen we aan
een open ruimte waar de groote boomen in brand staan. De vorm van
iederen tak en twijg teekent zich bij den donkerrooden gloed af,
en als een licht koeltje er doorheen ritselt, schijnen ze in vuur te
groeien. Kortom, 't is zoo'n gezicht als waarvan we in legenden van
betooverde bosschen lezen, met dat onderscheid, dat het naar is om
aan te zien hoe die edele werken der natuur zoo jammerlijk aan hun
einde komen, en men niet minder treurig te moede wordt als men bedenkt
hoeveel jaren er niet moeten verloopen voor en aleer de tooverkracht,
die ze schiep, huns gelijken weer op dezen grond te voorschijn zal
roepen. Maar die tijd zal komen, en wanneer in hun veranderde asch de
groei van ongeboren eeuwen wortel zal geschoten hebben, dan zullen
ook de onvermoeide geslachten dier volgende eeuwen weer optrekken
naar deze onbevolkte wildernissen, en hun medeschepselen, uit ver
verwijderde steden, die misschien nu nog onder de baren der zee
sluimeren, ze zullen in een taal die vreemd zal klinken in elk oor,
daar die taal hun nu reeds zeer oud is, van oorspronkelijke wouden
lezen waar de bijl nooit werd gehoord en waar geen menschelijke voet
den met dichte bosschen bezetten grond ooit betreden had.

De middernacht en de slaap wisschen al deze tooneelen en gedachten
uit; en schijnt de morgen weer, dan verguldt hij de nokken der huizen
van een drukke stad, voor wier breed geplaveide kaai de boot wordt
vastgemaakt, met andere booten, en vlaggen, en bewegende raderen,
en een gekrioel van menschen om zich heen, alsof er duizend mijlen
in den omtrek geen eenzaam of rustig plekje gronds te vinden waren.

Cincinnati is een mooie stad; vroolijk, bedrijvig en druk. Niet
dikwijls heb ik een plaats gezien, die zich bij den eersten aanblik
zoo gunstig en pleizierig voordoet aan een vreemdeling als deze
stad met haar nette roode en witte huizen, haar welbestrate wegen en
voetpaden van glinsterend gebakken steen. Ook bij nader kennismaking
wordt deze goede indruk niet minder. Breed en luchtig zijn de straten,
de winkels buitengewoon goed, en de particuliere huizen moeten wel
in 't oog vallen, zoo sierlijk en net zijn ze. Deze huizen zijn in
verschillenden, soms eigenaardigen stijl opgetrokken, een stijl, die
van een vindingrijken geest en werkzame verbeelding getuigt, iets dat
iemand, na in gezelschap te zijn geweest van zoo'n even smakeloos als
saaie stoomboot, alweer hoogst pleizierig aan moet doen, aangezien
men nu immers bij zich zelf de gevolgtrekking gaat maken, dat daar
ter stede de zoo even vermelde hoedanigheden niet gemist worden. De
neiging om deze lieve villa's te versieren en aantrekkelijk te maken,
leidt vanzelf tot de boom- en bloemkweekerijen, alsmede tot het
aanleggen van goed onderhouden tuinen, waarvan het gezicht voor hen,
die langs de straten wandelen, onuitsprekelijk verkwikkend en aangenaam
is. Ik stond dan ook opgetogen van verrukking over het voorkomen van
de stad en haar nabijgelegen voorstad Mount Auburn. Vooral van deze
voorstad bezien, doet de stad zelf, die in een amphitheater van heuvels
ligt, zich allergunstigst voor, ja, levert een werkelijk schoonen,
weergaloozen aanblik op.

Den dag na onze aankomst hield het Matigheidsgenootschap er
toevallig een groote vergadering; en daar, volgens den wegwijzer,
de optocht het hotel, waar wij logeerden, voorbij moest, had ik
een goede gelegenheid hem te zien, toen ze 's morgens onder onze
ramen voorbijtrokken. De optocht bestond uit ettelijke duizenden
menschen, altemaal leden van verschillende "Onderafdeelingen van het
Matigheidsgenootschap Washington," en werd gedirigeerd door beambten
te paard, die met sjerpen en linten van heldere kleuren, die vroolijk
achter hen wapperden, langs den geheelen trein kranig op en neer
draafden. Muziekkorpsen waren er ook bij, en banieren zonder tal,
en het geheel zag er als een fiksch, feestelijk concours uit.

Wat mij bijzonder goeddeed, was het gezicht van de Ieren, die een
duidelijk te onderscheiden afdeeling op zich zelf uitmaakten, en met
hun groene sjerpen nogal in 't oog liepen. Hun nationale harp droegen
zij bij zich, en hoog boven hun hoofden stak hun portret van Vader
Matthew uit. Zij zagen er even lustig en goed geluimd uit als altijd,
en daar zij hard voor hun dagelijksch brood werkten en allen arbeid,
die op hun weg lag, hoe zwaar ook, verrichtten, waren zij, mijns
bedunkens, hier de onafhankelijkste mannen.

De banieren waren goed geschilderd en wapperden door de straten dat
het een aard had. Een was er bij, waar het slaan tegen de rotsen
en het springen van 't water op afgeschilderd stond. Ook was er
een matigheidsman met "considerable of a hatchet" [8] (gelijk de
banierdrager waarschijnlijk zou gezegd hebben), die een doodelijken
slag wou toebrengen aan een slang, die kennelijk op 't punt stond,
van boven een vaatje met sterken drank op hem aan te vliegen. Maar
de voornaamste trek van dit gedeelte der vertooning was een groote
Allegorie, die in de groep der scheepstimmerlui gedragen werd, en
aan den eenen kant de stoomboot Alcohol voorstelde, waarvan de ketel
sprong, en die met een groot gekraak in de lucht vloog, terwijl op de
andere zij het goede schip Matigheid afgebeeld was, een Brave Hendrik
onder de schepen, die dan ook, tot innige tevredenheid van kapitein,
bemanning en passagiers, met een gunstigen wind doorzeilde.

Nadat de optocht de stad rondgegaan was, begaf hij zich naar
een bepaalde plaats, waar hij, naar luid van 't gedrukte program,
ontvangen zou worden door de kinderen der verschillende vrije scholen,
"Matigheidsliederen" zingende. Ik had verhindering gekregen en kon
dus niet bijtijds present wezen om deze Kleine Nachtegalen te hooren,
kan dus evenmin verslag uitbrengen van deze nieuwe soort van vocale
vermakelijkheid: nieuw althans voor mij; maar ik vond in een groote
open ruimte iedere afdeeling om haar eigen banieren geschaard, waar
men in stille aandacht naar zijn eigen redenaar luisterde. Afgaande
op het weinige, dat ik daarvan hooren kan, waren de redevoeringen
zeker welberekend voor de gelegenheid, want ze hadden dien graad van
betrekking op koud water, als waar natte dekens recht en aanspraak op
hebben; edoch het voornaamste was de wijze waarop de toehoorders zich
den ganschen dag aanstelden, en dat was waarlijk bewonderenswaardig
en veelbelovend.

Cincinnati staat allergunstigst bekend om zijn vrije scholen, die
het in zoo grooten getale bezit, dat op de geheele bevolking geen
kind met mogelijkheid verstoken is van de middelen van opvoeding en
onderwijs, waar dan ook gemiddeld vier duizend leerlingen jaarlijks
gebruik van maken. Ik ben maar in een dezer inrichtingen geweest,
terwijl er onderwijs gegeven werd. In de afdeeling voor de jongens,
die vol kleine kleuters was (van verschillenden leeftijd, ik geloof,
van zes jaar tot tien of twaalf), stelde de meester voor, de leerlingen
voor de vuist eenige algebra-sommen te laten maken; een voorstel waar
ik zoo vrij was, niet zonder eenige verlegenheid, voor te bedanken, en
wel om de doodeenvoudige reden, dat ik mijn bekwaamheid om misslagen
in die wetenschap aan te wijzen, volstrekt niet vertrouwde. In de
meisjesschool stelde de onderwijzer voor, dat er iets gelezen zou
worden. Nu, die kunst meende ik nogal tamelijk goed machtig te zijn,
weshalve ik me bereid verklaarde, een klasse te hooren. Boeken werden
er dus rondgedeeld, en een stuk of zes meisjes losten elkaar af met het
lezen van paragrafen uit de Engelsche Geschiedenis. Maar 't was niets
meer dan een droge compilatie, die hun bevattingsvermogen oneindig ver
te boven ging; en toen zij (klaarblijkelijk zonder er tien woorden van
te verstaan), drie of vier saaie passages betrekkelijk het Verdrag van
Amiens en andere zieldoorvlijmende onderwerpen van denzelfden aard
afgeraffeld hadden, gaf ik te kennen, dat ik geheel voldaan was. 't
Is wel mogelijk dat het alleen geschiedde om de verbazing van den
vreemden bezoeker gaande te maken, dat zij deze verbazend hooge sport
op de ladder der Geleerdheid beklommen en zich bij andere gelegenheden
ietwat lager bij den grond hielden; doch ik voor mij zou meer in mijn
schik geweest zijn en me meer voldaan gevoeld hebben, bijaldien het
examen geloopen had over eenvoudige lessen die zij begrepen.

Evenals op iedere andere plaats die ik bezocht, waren de rechters
hier mannen van uitstekend karakter en talent. Ik woonde een der
terechtzittingen een minuut of wat bij, en vond ze gelijk aan die,
waar ik al gewag van gemaakt heb. Het geding liep over een eisch tot
schadeloosstelling; er waren niet veel toehoorders, en de getuigen,
raadsman en jury vormden een soort van familiekransje; nogal lollig,
moet ik zeggen,

De gezellige kringen waar ik mij hier mee inliet, waren verstandig,
hoffelijk en aangenaam. De bewoners van Cincinnati zijn trotsch
op hun stad als een der belangrijkste in Amerika, en niet zonder
reden; want zoo fraai en bedrijvig als ze nu is met een bevolking van
vijftig duizend zielen, zijn er maar twee en vijftig jaar verloopen,
sinds de grond waar ze op staat (die toen ter tijd voor een handvol
dollars gekocht werd) een woest bosch was, en haar burgers maar een
handvol personen waren, die in verspreide blokhutten aan den oever
der rivier woonden.



XII.

NAAR St. LOUIS.

    VAN CINCINNATI NAAR LOUISVILLE MET EEN ANDERE WESTERSCHE STOOMBOOT;
    EN VAN LOUISVILLE NAAR ST. LOUIS MET NOG EEN ANDERE. ST. LOUIS.


Om elf uur voor den middag verlieten we Cincinnati en scheepten ons
in naar Louisville in de stoomboot de Pike. Deze boot, die de brieven
overbracht, was een packet van veel beter allooi dan die waarmee
we van Pittsburg waren gekomen. Daar deze overtocht niet meer dan
een uur of dertien vereischte, maakten we de noodige schikkingen,
om dien avond aan wal te gaan, alles behalve van plan als we waren om
in een zoogenaamde staatsiehut te slapen, wanneer het mogelijk was,
ergens elders te slapen.



Behalve de gewone alledaagsche massa passagiers bevond zich toevallig
aan boord dezer boot een zekere Pitchlynn, een opperhoofd van den
stam der Choctaw-Indianen, die mij zijn kaartje zond, en met wien ik
het genoegen had, een langdurig onderhoud te hebben.



Engelsch sprak hij volmaakt goed, ofschoon hij, naar hij me vertelde,
die taal eerst begonnen was te leeren, toen hij een volwassen
jonkman was. Hij had vele boeken gelezen; en Scott's poëzie scheen
een sterken indruk op zijn ziel te hebben gemaakt: vooral het begin
van de Dame van 't Meer en de scène van den grooten Slag in Marmion,
waar hij, ongetwijfeld om de overeenkomst der onderwerpen met zijn
eigen lievelingswerk en smaak, veel belang in stelde, en niet minder
genoegen in smaakte. Al wat hij gelezen had, scheen hij zeer goed
te begrijpen; en elke fictie, die zijn sympathie verworven had,
hij sloeg er mannelijk en ernstig geloof aan, ik moest bijna zeggen
heftig. Hij had onze gewone dagelijksche kleeding aan, die hem los en
met ongekunstelde sierlijkheid om zijn fraaie gestalte hing. Toen ik
hem zei, dat het mij speet, dat ik hem niet in zijn eigen kleederdracht
zag, stak hij een oogenblik zijn rechterarm uit, alsof hij een of ander
zwaar wapen zwaaide, en antwoordde, toen hij hem weer liet vallen,
dat zijn ras gaandeweg nog wel heel wat andere dingen verloor, dan hun
kleeding, en het niet lang zou duren, of ze werden niet meer gezien
op aarde: maar hij droeg ze thuis, voegde hij er met fierheid bij.

Verder vertelde hij me nog, dat hij zeventien maanden lang bewesten den
Mississippi geweest was en zich nu op de terugreis bevond. Voornamelijk
was hij daarom te Washington geweest, om eenige onderhandelingen
ten einde te brengen, die al sinds lang tusschen zijn stam en het
Gouvernement aanhangig waren, maar (en dit zei hij op droefgeestigen
toon) ze waren nog altijd niet tot een goed einde gebracht, en hij
vreesde dat dit wel nooit zou gebeuren, want wat vermochten een stuk of
wat Indianen tegenover zulke uitgeslapen kooplui als de blanken? Van
Washington hield hij niet; de steden, groot en klein, hingen hem gauw
de keel uit, en hij verlangde naar 't Bosch en de Prairie.



Ik vroeg hem, wat hij van 't Congres dacht? Glimlachend gaf hij ten
antwoord, dat het in 't oog van een Indiaan waardigheid miste.



Voor zijn dood, zei hij, zou hij heel graag Engeland willen zien; ook
sprak hij met veel belangstelling over de groote dingen die daar te
zien waren. Toen ik hem van die kamer in 't Britsch Museum sprak, waar
huishoudelijke souvenirs bewaard worden van een ras dat reeds duizend
jaar geleden opgehouden had te bestaan, was hij zeer aandachtig,
en het viel niet moeielijk te zien, dat hij bij zich zelf dit feit
met het trapsgewijze wegkwijnen van zijn eigen volk in verband bracht.



Dit bracht het onderwerp van ons gesprek op het Kunstkabinet des
heeren Catlin, dat hij hoogelijk prees, en er de opmerking bijvoegde,
dat zijn eigen portret onder de collectie was, en allen "keurig"
geleken. Volgens hem had de heer Cooper de Roodhuiden goed getroffen;
en hij wist, dat ik dit ook wel zou doen, als ik maar met hem wou gaan
op de buffeljacht, iets wat hij erg graag had, dat ik zou doen. Toen
ik hem zei, dat, gesteld ik ging ook zijn landstreek bezoeken, ik
den buffels al bitter weinig schade toe zou brengen, vatte hij het
als een kolossale grap op en lachte hartelijk.



Hij was een opmerkelijk schoon man, naar mijn gevoelen een jaar of
wat over de veertig, met lang zwart haar, een arendsneus, breede
wangbeenderen, een door de zon verbrande tint en een zeer helder,
scherp, donker en doordringend oog. Naar hij me vertelde, waren er
nog maar twintig duizend Choctaws over, en hun getal slonk bij den
dag. Enkele van zijn medechefs waren genoodzaakt geweest, de beschaving
der blanken aan te nemen en zich bekend te maken met hetgeen de blanken
wisten, want dit was hun eenige kans om te blijven bestaan. Maar hun
getal was niet groot; en de overigen waren zooals ze altijd geweest
waren. Lang stond hij bij dit punt stil, en zei meermalen dat zij als
weggeveegd moesten worden voor de reuzenschreden die de beschaafde
maatschappij zette, tenzij ze probeerden om zich met hun veroveraars
te vereenzelvigen.

Toen we bij 't afscheidnemen elkaar de hand drukten, zei ik hem,
dat hij naar Engeland moest komen, daar hij immers zoo verlangend
was, dat land te zien,--dat ik hoopte, hem daar nog eenmaal aan te
zullen treffen en hem wel dorst beloven, dat hij goed ontvangen en
vriendelijk behandeld zou worden. Deze verzekering deed hem blijkbaar
goed, ofschoon hij hier met een vroolijken glimlach en schalksche
beweging van zijn hoofd op repliceerde, dat de Engelschen dol veel van
de Roodhuiden plachten te houden, als ze hun hulp van noode hadden,
maar.... zich naderhand weinig om hen bekommerden.

Hij nam dan afscheid van me en deed dit met zooveel waardigheid, den
onbedorven Zoon der Natuur eigen, als ik ooit in mijn leven gezien
heb. Hierop bewoog hij zich onder 't volk in de boot, als een ander
soort van schepsel. Kort daarna stuurde hij me zijn gelithographeerd
portret, zeer gelijkend, ofschoon ternauwernood mooi genoeg,--dat ik
ter herinnering aan onze korte kennismaking zorgvuldig bewaard heb.



De reis van dien dag leverde ons overigens weinig belangwekkends op,
en te middernacht kwamen we te Louisville aan. Wij sliepen in 't Galt
House, een prachtig logement, waar we zoo allerkostelijkst logeerden
als waren we te Parijs geweest, en niet honderden mijlen aan genen
kant van 't Alleghany-gebergte.

Daar de stad geen merkwaardigheden bezat van dien aard, dat het de
moeite waard was, ons aldaar op te houden, besloten we reeds den
volgenden dag met een andere stoomboot, de Fulton, verder te gaan. We
hadden ons te dien einde, tegen den middag, naar een zekere voorstad,
Portland genaamd, te begeven, waar de boot een kanaal door moest,
dat haar natuurlijk eenigen tijd op zou houden.

Den tijd, die ons na 't ontbijt overbleef, besteedden we aan 't
doorrijden van de stad, die regelmatig en vroolijk aangelegd is. De
straten beschrijven namelijk rechte hoeken en zijn met jonge boomen
beplant. De gebouwen zien er rookerig en zwart uit, door 't gebruik
van steenkolen, maar een Engelschman is wel gewoon aan dat gezicht en
heeft geen lust daar over te vallen. In den handel scheen niet veel
om te gaan; en sommige onvoltooide gebouwen als anderszins schenen er
op te zinspelen dat de stad overbouwd was in de drift van Amerika's
lievelingsleus: "Vooruit maar! Hals over kop maar!" en nu gebukt
ging onder de reactie, die er een onvermijdelijk gevolg van is,
als men zijn krachten op zoo'n koortsachtig gejaagde wijze overschat.

Op onzen weg naar Portland passeerden we een "Magistrate's office,"
waar ik me niet weinig vroolijk over maakte, daar 't meer weg had van
een jongejuffrouwenschool dan van een politie-bureau. Verbeeld u, dit
ontzagwekkend gebouw was niets dan een klein, nestig spreekkamertje,
dat aan de straat uitkwam, en in dat kamertje lagen twee of drie
figuren (ik veronderstel den schout en zijn rakkers) zich als
toonbeelden van vadsige rust te koesteren in de zon. Kortom 't was
een volkomen beeld van de Justitie die zich uit gebrek aan klanten
uit de zaken teruggetrokken, haar zwaard en schaal verkocht heeft, en
nu met de beenen op de tafel op haar doode gemak ligt te rentenieren.

Evenals overal elders in deze streken, krioelde ook hier de weg
van varkens van allerlei leeftijd, die hier en daar en overal
lagen te slapen of al knorrende aan 't zoeken waren van verborgen
lekkernijen. 't Is misschien een gril van me, nu goed, maar ik kan
't niet helpen, ik ben altijd op de hand geweest van die oolijke
dieren; als niets me op kon vroolijken, dan heb ik toch nog altijd
schik gehad wanneer ik 't naging hoe zij reilden en zeilden. Toen
wij er dien morgen langs reden, merkte ik een klein voorvalletje
op tusschen twee jeugdige varkens, dat onuitsprekelijk koddig mocht
heeten. Ik zal 't u vertellen, lezer, ofschoon ik er zeker van ben,
dat het dan nogal saai zal worden.

Een zekere jongeheer (een zeer delicaat zwijn, wien verscheidene
strootjes nog uit den neus staken, wel een bewijs hoe kort het nog
maar geleden was dat hij een wetenschappelijke reis naar den een of
anderen mesthoop ondernomen had), een zekere jongeheer dan liep,
in diep gepeins verzonken, te kuieren, toen zijn broer, ik wil
zeggen m'nheer zijn broer, die in een modderplas lag, iets wat hij
niet gezien had, spookachtig van de dampende modder zich op eens aan
zijn ontstelde blikken vertoonde. Nooit had een varken al zijn bloed
zoodanig voelen stollen. Ten minste drie voet sprong hij achteruit,
keek een oogenblikje op, en zette het toen zoo hard hij maar kon op
'n loopen, terwijl zijn buitengewoon klein staartje van de haast en
den schrik schudde als een penduleslinger die in de war is. Maar
voordat hij nog heel ver gegaan was, begon hij blijkbaar bij zich
zelf te redeneeren over den aard dezer vreeselijke verschijning; en
onder 't redeneeren begon hij zoetjes aan zachter te loopen; totdat
hij ten laatste stil bleef staan en weer rechtsomkeert maakte. Daar
lag, met de modder op 'm glimmende in de zon, zijn broer hem uit
denzelfden modderplas aan te gapen: men kon 't hem aanzien, dat
hij er met zijn varkensverstand maar niet de hoogte van had kunnen
krijgen wat zijn broer toch bewogen had, zich als zoo'n dolleman
aan te stellen! Nauwelijks had hij zich hiervan verzekerd (en hij
verzekerde zich er zoo sekuur van, dat men bijna zou zeggen, dat hij
zijn hand voor zijn oogen deed, om des te beter te kunnen zien), of
hij keerde op een fiksch drafje terug, vloog op hem aan, en beet hem
zonder complimenten een stukje van zijn staart af, alsof hij 't hem op
die manier in wou peperen, om in 't vervolg wat beter op te passen en
nooit ofte nimmer weer eenig lid zijner familie in de maling te nemen.



Wij vonden de stoomboot in 't kanaal, waar ze wachtte op den afloop
van die even vervelende als langzame karwei, welke bij schippers en
consorten onder den naam van "schutten" bekend staat. We gingen toen
aan boord, waar we kort daarna een nieuw slag van bezoeker hadden in
den persoon van een zekeren Reus uit Kentucky, wiens naam Porter is
en in zijn kousen de gematigde hoogte van zeven voet acht duim bereikt.



Nooit bestond er een menschenras, dat de geschiedenis zoo ten eenenmale
logenstrafte of de kroniekschrijvers zoo gruwelijk in hun geschriften
belasterd hebben, als deze reuzen. In plaats van de wereld in rep
en roer te brengen en ze onderste boven te keeren, in plaats van er
altijd en eeuwig op uit te zijn om hun Cannibalen-provisiekamers van
't noodige te voorzien, en te dien einde gedurig op ongeoorloofde
manier naar de markt te gaan, zijn zij de zachtzinnigste menschen
die men zich met mogelijkheid voor kan stellen: eerder geneigd tot
melk en plantaardig voedsel en over wie men wel, zooals men dit
noemt, heen zou kunnen loopen, als men ze maar met rust en vrede
laat. Ja zoo stellig zijn vriendelijkheid en zachtzinnigheid de
hoofdkenmerken van hun karakter, dat ik beken, op dien jongen,
die zich onderscheidde door 't slachten van deze niets en niemand
kwaaddoende personen, als een valschen roover neer te zien, wien 't,
onder 't voorgeven van menschlievende bedoelingen, wezenlijk nergens
anders om te doen was, dan om de schatten te plunderen die zij in
hun kasteelen opgestapeld hadden. En des te eer hel ik hiertoe over,
daar ik vind, dat zelfs de geschiedschrijver van die heldendaden,
met al de partijdigheid voor zijn held, toch, en grif ook, toe moet
geven, dat de geslachte monsters in quaestie van een zeer onschuldig
en eenvoudig kaliber waren; buitengewoon argeloos en lichtgeloovig;
zoo lichtgeloovig zelfs dat ze de onwaarschijnlijkste vertelseltjes
voor echte munt aannamen; personen die, om kort te gaan, met zich om
lieten springen als de kat met de muis, die zich dan ook zoetsappig
in kuilen lieten stoppen, ja zelfs (evenals in 't geval van den Reus
uit Wallis) met een overmaat van de gastvrije beleefdheid van een
logementhouder zich liever in stukjes lieten hakken, dan dat ze in
de verte op de mogelijkheid zouden gezinspeeld hebben, dat hun gasten
bedreven waren in de landlooperskunst, van de maar al te wel bekende
vlugvingerigheid en hocus-pocus.



Onze Kentuckische reus nu was maar een nieuwe illustratie van de
waarheid dezer stelling. Hij had een zwakte in de kniestreek en een
geloofwaardigheid in zijn langwerpige tronie die zelfs op "vijf voet
negen" een beroep deed, om hier een handje te helpen. Hij was eerst
vijf en twintig jaar, naar hij zei, en nog niet lang geleden uit de
kluiten gewassen, want men had het noodig geoordeeld, een stuk te
zetten aan de pijpen van zijn onderbroek. Op zijn vijftiende jaar was
hij een kleine dreumes, en in die dagen had het weinig gescheeld of
zijn Engelsche vader en Iersche moeder hadden hem vinnig gekapitteld,
als zijnde te klein van postuur om de eer der familie op te houden. Hij
voegde er bij, dat hij niet al te gezond geweest was, ofschoon het
nu wat beter ging; maar er is geen gebrek aan kleine menschen, die
fluisteren dat hij te veel drinkt.

Ik verneem verder, dat hij huurkoetsier is, maar moeielijk zou
men kunnen begrijpen hoe hij 't aanlegt, of hij moet achter op 't
voetenbankje gaan staan, en daar met zijn borst op den hemel en met
zijn kin op den bok gaan liggen. Uit aardigheid had hij zijn geweer
meegebracht. Als "die kleine buks" gedoopt en buiten een winkelraam
uitgestald, zou een winkelier in Holborn er door boven Jan geraakt
zijn. Toen hij zich vertoond en een beetje gepraat had, vertrok hij
met zijn zakinstrument, en als een vuurtoren wandelende onder lantaren
palen, slingerde hij te midden van menschen van zes voet en langer
de kajuit in.

Nu duurde het nog maar een minuut of wat en we waren het kanaal uit,
en weer op den Ohio.

De boot was op dezelfde wijs ingericht als de Messenger; ook de
passagiers waren lui van 't zelfde allooi. Wij aten op dezelfde
uren van dezelfde spijzen op dezelfde saaie manier, en met dezelfde
gebruiken. Het gezelschap scheen onder dezelfde achterkousigheid gebukt
te gaan en dezelfde onvatbaarheid te bezitten om vroolijk te wezen en
luchtig van hart. Nooit in mijn leven zag ik zoo'n onverschillige,
zwaarmoedige saaiheid als die daar broedde over deze maaltijden:
bloot de heugenis daarvan drukt als lood op mijn ziel en maakt me voor
een oogenblik onpasselijk. Geen wonder dan ook, dat, als ik daar in
onze kleine kajuit op mijn knie zat te lezen en te schrijven, ik er
werkelijk tegen opzag dat het aanstonds weer zoo laat was om te komen
eten; en, was het eten afgeloopen, zoo blij van tafel opstond als had
ik in de kast gezeten. Waar gezonde vroolijkheid en opgeruimdheid bij
den disch aanzitten, kon ik met de Le Sage's rondreizenden speelman
mijn broodkorst doopen in de fontein en den grootsten schik hebben in
mijn leven, maar... om nu met zooveel mede-dieren aan te zitten en dan
dorst en honger te stillen op de manier waarop men handel drijft aan
de Beurs; aan te moeten zien, dat ieder schepsel zijn bord leegt zoo
gauw als hij maar kan en dan op eens uitsnijdt; kortom, er getuige van
te wezen, dat deze maatschappelijke gebruiken ontbloot zijn van alles
behalve van datgene wat met de gulzige bevrediging der natuurlijke
behoeften overeenkomt, kijk, dat alles doet bij mij de gal zoodanig
overloopen, dat ik in gemoede geloof dat de herinnering aan deze
begrafenismalen mij een wakende nachtmerrie zal zijn zoolang ik leef.

Er was toch nog iets op deze boot dat ons een beetje opbeurde, wat we
op de anderen niet gevonden hadden. De kapitein (een goed kalf van
'n vent) had namelijk zijn aardig vrouwtje bij zich, die levendig
en spraakzaam van aard, het gezelschap wel waard was, evenals dit
het geval was met een stuk of wat andere damespassagiers, die aan 't
zelfde end van de tafel bij ons zaten. Maar niets was bestand tegen
den neerdrukkenden invloed van 't gezelschap in zijn geheel genomen. Er
heerschte een magnetisme van de saaiste botheid en de botste saaiheid
onder dien troep, dat de koddigste grappenmaker ter wereld zich hier
uit het veld geslagen zou gevoeld hebben. Een schertsend woord zou
een misdaad geweest zijn, en een glimlach zou al heel gauw plaats
hebben moeten maken voor een algemeen gegrijns van afschuw. Zoo'n
doodachtig volk van lood; zoo'n stelselmatig gebuk en getob en gesloof
onder de vervelendste en ondraaglijkste zwaarmoedigheid; zoo'n massa
geanimeerde indigestie met betrekking tot al wat geestig, joviaal,
rondborstig, gezellig of prettig mag heeten; 't was zeker nooit en
nergens bijeengebracht sinds den dag der schepping.

Toen wij de samenvloeiing van den Ohio en den Mississippi naderden,
was het tooneel, dat zich daar aan ons oog vertoonde, ook alles behalve
bezielend en opwekkend. De boomen waren in hun groei belemmerd; de
oevers waren laag en plat; de nederzettingen en blokhutten geringer
in aantal, en die er in woonden, nog bleeker en armzaliger dan de
ellendigste wezens die we tot dusverre tegengekomen waren. Geen
vroolijk gezang van vogels in de lucht, geen liefelijk geuren, geen
afwisselend licht en schaduw van snel voorbijdrijvende wolken. Uur-in
uur-uit scheen de onveranderlijke gloed van den heeten, onvriendelijken
stroeven hemel op dezelfde eentonige voorwerpen. Uur-in uur-uit
stroomde de rivier voort, zoo vervelend en langzaam als de tijd zelf.

In den ochtendstond van den derden dag kwamen we eindelijk aan de plek
die er zooveel woester uitzag dan al wat we tot dusver van dien aard
gezien hadden, dat de armzaligste plaatsen, die we voorbij gekomen
waren, daarmee vergeleken, allerbelangrijkst konden genoemd worden. Aan
de samenvloeiing der twee rivieren ligt op een bodem zoo vlak, en laag,
en moerassig, dat hij op zekere tijden des jaars tot aan de nok der
huizen overstroomd is, een broeinest van koorts, ziekte en dood; en
dat rampzalige oord, het wordt in Engeland opgehemeld als een mijn van
Gouden Hoop, en afgaande op monsterachtig verkeerde voorstellingen,
laat men er zich zelf tot speculatiën door verlokken, die menigeens
onheil ten gevolge hebben. Een akelig moeras, waar de half voltooide
huizen wegrotten: hier en daar over een ruimte van een el of wat van
boomen gezuiverd; en waar dan een welige, ongezonde vegetatie voor den
dag komt, in wier ongezonde schaduw de ongelukkige landverhuizers,
die hierheen gelokt zijn, kwijnen en sterven en begraven worden;
de nare, afschuwelijke Mississippi, die er draaiend en kronkelend
voorbijstroomt, en aan zijn zuidelijken loop een slijmachtig monster
afzet, afzichtelijk om aan te zien; een broeibak van ziekte, een
leelijk graf, een groeve waar geen enkele straal van hoop boven
flikkert: een plaats zonder een enkele eigenschap, in bodem, lucht
of water, die haar in 't minst kan aanbevelen: ziedaar het beeld van
dit ellendig Caïro.

Maar welke woorden zullen den Mississippi beschrijven, dien grooten
vader van rivieren, die (de Hemel zij geloofd!) geen jonge kinderen
heeft als hij! Een reusachtig groote sloot, op sommige plaatsen
een mijl of drie breed, die, zes mijlen in 't uur, niets dan slik
of modder met zich voert; zijn sterke en schuimende stroom overal
belemmerd door blokken, ja, door heele boomen, die zich nu eens
tot groote vlotten samenvlechten, uit wier tusschenruimten een met
duinhelm begroeid, drabbig schuim opwerkt om op de oppervlakte van 't
water te dobberen; dan weer voorbijrollen als monsterachtige lichamen,
terwijl hun verwarde wortels er uitzien als gevlochten haar; die nu
een voor een als reusachtige bloedzuigers voorbijflikkeren, en zich
dan weer als gewonde slangen in de draaikolk van den een of anderen
maalstroom om en om wringen. De oevers laag, de boomen dwergachtig,
de moerassen krioelende van kikkers, de armzalige hutten weinig in
getal en ver van elkaar af, hun bewoners holwangig en bleek, het weer
erg heet, muskieten die doordringen tot in iedere reet en spleet der
boot, slik en slijm op ieder voorwerp: niets, niets dat er plezierig
uitziet, dan het onschadelijke weerlicht dat elken avond aan den
donkeren gezichteinder flikkert.

Twee dagen lang sukkelden we op dezen smerigen stroom voort. Gedurig
stootten we tegen het drijfhout aan, of stopten, om die meer
gevaarlijke hinderpalen te vermijden, de knoesten of zoogenaamde
zagers, die de verborgen stronken der boomen zijn, die onder 't water
wortels geschoten hebben. Zijn de nachten stikdonker, dan weet de
wacht, die voor aan de boot op den uitkijk staat, aan 't rimpelen
van 't water, of er een of ander onheil dicht voor de hand ligt,
en dan luidt hij een bengel naast hem, dat voor de machine het sein
is om te stoppen: maar 's nachts heeft deze bengel altijd werk,
en na ieder gelui komt een schok, die het niet gemakkelijk maakt,
in bed te blijven.

Het ondergaan der zon was hier erg prachtig; het uitspansel zwom als
in een zee van rood en goud, tot boven onze hoofden. Toen de zon
achter den oever onderging, schenen de kleinste grashalmpjes, die
daar groeiden, even duidelijk zichtbaar te worden als de aderen in
't geraamte van een blad, maar toen, daar de zon langzaam onderging,
de roode en gouden strepen op 't water hoe langer hoe doffer van
tint werden, alsof ze ook ondergingen; en al de gloeiende kleuren
van den afscheidnemenden dag duim voor duim voor den somberen nacht
verbleekten, zie, toen werd het tooneel duizendmaal eenzamer en
vervelender dan te voren, ja werd het even doodsch en naar als
de lucht.

Zoolang wij ons op deze rivier bewogen, dronken we het slikkerige
water dat ze opleverde. De inboorlingen houden 't voor gezond;
't is echter nog troebeler dan haverdegort. Ik heb zulk water in de
filtreermachines gezien, maar nergens elders.

Den vierden avond na ons vertrek uit Louisville bereikten we St. Louis,
en hier was ik getuige van 't einde van een voorval, dat nogal
onbeduidend op zich zelf, maar nogal aardig was om aan te zien en
mij gedurende de geheele reis belang had ingeboezemd.

Er was, moet men weten, een klein vrouwtje aan boord, met een klein
kindje; en zoowel dat kleine vrouwtje als dat kleine kindje zagen er
met hun heldere kijkers zoo aardig en zoo vroolijk uit, dat het een
lust was om ze te zien. Het kleine vrouwtje had lang met haar zieke
moeder te New-York gewoond, en haar huis in St. Louis in dien toestand
achtergelaten waar dames, die haar echtgenooten lief hebben, graag
in verkeeren. De kleine was in haar moeders huis geboren; en zij had
haar man (naar wien ze nu terugkeerde) in geen twaalf maanden gezien,
daar ze hem een maand of twee na hun huwelijk verlaten had.

Nu was er zeker nooit een vrouwtje zoo vol hoop en teerheid, zoo
vol liefde en bezorgdheid als dit kleine vrouwtje: en den ganschen
dag zei ze ons, dat het haar benieuwde of "Hij" aan den steiger zou
wezen; en of "Hij" haar brief gekregen had; en of, bijaldien zij
hun kind met iemand anders aan wal stuurde, "Hij" het kennen zou,
als hij 't op straat mocht tegenkomen, iets wat, in 't afgetrokkene
beschouwd, niet zeer waarschijnlijk was, daar hij den kleine immers
nooit gezien had, doch voor de jeugdige moeder waarschijnlijk genoeg
was. Zij was zoo'n ongekunsteld, naïef schepseltje, en verkeerde in
zoo'n zonnige, stralende, hoopvolle gemoedsgesteldheid, en liet zich
over al wat haar zoo na aan 't hart lag zoo vrijmoedig uit, dat al de
damespassagiers er evenzeer in deelden als zij zelf; en de kapitein
(die er alles van hoorde door tusschenkomst van zijn vrouw) was
verwonderlijk sluw, dat beloof ik u. Zoo deed hij er, telkens als we
elkaar aan tafel ontmoetten, heel leuk onderzoek naar, of zij altemet
ook iemand verwachtte die haar te St. Louis tegen zou komen, en of
zij ook begeerte had, nog denzelfden avond van onze aankomst aan wal
te gaan (maar hij veronderstelde, dat ze niet wou); en in dien trant
veroorloofde hij zich nog meer geestige doch droge kwinkslagen. Onder
't gezelschap bevond zich een zeker stokvischachtig oud vrouwtje met
een tronie als een gedroogde appel, die deze gelegenheid te baat nam
om haar twijfel uit te spreken aangaande de standvastigheid van mannen,
als ze zoo lang bij hun vrouwen vandaan zijn; en er was nog een andere
dame bij (met een schoothondje), oud genoeg om te moraliseeren over
de lichtzinnigheid der menschelijke hartstochten en toch nog niet zoo
oud, dat ze 't laten kon om af en toe den zuigeling aan te halen,
of met de overigen te lachen als het kleine vrouwtje hem bij zijn
vaders naam noemde en in de blijdschap haars harten hem allerlei
gekke vragen deed, betrekking hebbende op papa.

Het was min of meer een slag voor het kleine vrouwtje, dat, toen we
nog maar twintig mijlen van de plaats onzer bestemming af waren, het
natuurlijk noodig was, haar kleine te bed te leggen. Maar ook dit kwam
ze met haar gewone opgeruimdheid te boven; zij bond een doek om haar
hoofd en kwam met de overigen op de kleine galerij. Lieve hemel! wat
werd zij toen een orakel met betrekking tot de localiteiten! en wat
al aardigheden werden er toen uitgekraamd door de getrouwde dames! en
wat werd er toen een sympathie aan den dag gelegd door de eenloopende
dames! en wat beantwoordde het kleine vrouwtje zelf (die het wel
uit had willen schreeuwen van de pret) al die kwinkslagen met den
gulsten schaterlach!

Ten laatste vertoonden zich de lichten van St. Louis, en hier was
de kaai en daar lag de trap, en met haar handen voor haar gezicht
en harder dan te voren lachende (of schijnende te lachen), vloog
ze naar haar eigen hut en sloot zich daarin op. Ik maak me sterk,
dat ze, in de bekoorlijke onstandvastigheid van zoo'n overspanning,
haar ooren toestopte, opdat ze "Hem" niet naar haar zou hooren vragen:
maar gezien heb ik 't niet.

Hierop stormde een massa volks aan boord, ofschoon ze nog niet
vastgemaakt was, maar tusschen de andere booten doorvoer, ten einde
een landingsplaats te vinden; en ieder keek naar den echtgenoot uit,
en niemand zag hem, toen in 't midden van ons allen--de Hemel weet
hoe ze daar ooit beland is--het kleine vrouwtje een knappen, stevigen
jongen kerel met beide armen om den hals viel! en een oogenblik
later was zij daar weer, nu in de handen klappende van blijdschap,
terwijl ze hem door de kleine deur van haar kleine hut heenduwde om
naar den kleine te kijken, die daar rustig en wel lag te slapen!

We gingen naar een groot logement, het Planters' House genaamd,
gebouwd in den trant van een Engelsch hospitaal, met lange gangen en
kale muren, en lantarens boven de kamerdeuren voor den vrijen omloop
der lucht. Dit logement was druk bezocht, en toen wij de straat in
kwamen rijden, zagen we zooveel licht uit de benedenramen glinsteren,
alsof het ter eere van de een of andere festiviteit geïllumineerd
was. Het is een voortreffelijk huis, en de eigenaars zijn volkomen
op de hoogte van al wat het gemak der bezoekers maar eenigermate kan
verhoogen. Zoo dineerde ik eens met mijn vrouw alleen op onze kamer,
en telde toch niet minder dan veertien schotels.



In het oude Fransche gedeelte der stad zijn de straten hoekig en
nauw; maar enkele huizen zijn allerkeurigst en schilderachtig,
gebouwd als ze zijn van hout, met schuins afloopende balkons voor
de ramen, die men langs een trap of liever ladder van de straat af
bereikt. Ook zijn in deze wijk vreemdsoortige scheerwinkeltjes en
kroegen; en massa bouwvallige huizingen met draairamen, zooals men
die in Vlaanderen aantreft. Sommige van deze ouderwetsche woningen,
met spits toeloopende vlieringramen in 't dak, zien er min of meer
op zijn Fransch uit en schijnen, daar ze stokoud zijn, hun hoofden op
zij te houden, alsof ze bij de aanschouwing van al die Amerikaansche
verbeteringen gezichten trokken van verbazing.



Ik zal wel niet opzettelijk behoeven te vermelden, dat deze
verbeteringen uit kaaien en magazijnen, en nieuwe gebouwen in alle
richtingen bestaan, alsmede uit tal van plannen die nog in "wording"
zijn. Niettemin, verscheiden goede huizen, breede straten en winkels
met marmeren voorpuien zijn reeds zoo ver af, dat men ze voltooid kan
noemen, en het laat zich buitendien wel aanzien, dat de stad binnen
weinig jaren aanmerkelijk verfraaid zal worden, ofschoon zij het,
wat sierlijkheid of schoonheid betreft, wel nooit van Cincinnati
zal winnen.



De Roomsch-Katholieke godsdienst, die hier door de vroegste Fransche
kolonisten is ingevoerd, heeft sterk de overhand. Zoo telt men onder
de openbare instellingen een Jezuïetencollege; een klooster voor de
"Zusters van 't Heilige Hart" en een groote kapel, die, bij 't college
behoorende, tijdens mijn bezoek in aanbouw was en den tweeden December
dezes jaars ingewijd zou worden. De architect van dit gebouw is een
van de eerwaarde vaders der school, en onder zijn opzicht alleen
worden de werken voortgezet. Het orgel komt uit België.

Behalve deze inrichtingen is er een Roomsch-Katholieke hoofdkerk,
gewijd aan den H. Franciscus Xaverius; een gasthuis gesticht door de
weldadigheid van een overleden resident, die een lid der kerk was. Van
hier stuurt ze ook zendelingen uit naar de Indiaansche stammen.

Evenals in de meeste andere deelen van Amerika wordt de kerk
der Unitariërs op deze plaats vertegenwoordigd door een hoogst
achtingswaardig en voortreffelijk heer. De armen hebben wel reden
om haar in gedachtenis te houden en te zegenen; want zij begunstigt
hen en bevordert de zaak der zedelijke opvoeding zonder sectarische
of zelfzuchtige oogmerken. Kortom, deze kerk is achtbaar in al haar
daden, welwillend tegenover andersdenkenden en milddadig zonder de
minste bekrompenheid.

Er zijn in deze stad al drie vrije scholen opgericht en in volle
werking. Een vierde is in aanbouw en zal spoedig geopend worden.

Niemand zal ooit toegeven, dat de plaats zijner inwoning ongezond is
(tenzij hij ze verlate), en daarom zal ik 't stellig wel aan den stok
krijgen met de inwoners van St. Louis, door namelijk in twijfel te
trekken of haar klimaat wel zoo erg gezond is, en een vermoeden te
opperen dat hier 's zomers en in den herfst nogal koortsen moeten
heerschen. Laat mij er slechts dit bijvoegen, dat haar klimaat zeer
heet, en de stad omringd is van groote rivieren en uitgestrekte streken
ongedraineerd moerassig land, dan moge de lezer dienaangaande zijn
eigen gevoelen opmaken.

Daar ik er sterk naar verlangde, een zoogenaamde Prairie te zien
voor en aleer ik van 't verste punt mijner zwerftochten terugkeerde,
en eenige heeren der stad, door gastvrijheid gedreven, dezelfde
begeerte hadden om aan dit mijn verlangen te voldoen, werd er een
dag bepaald waarop wij voor mijn vertrek een tochtje zouden doen,
naar de Looking-Glass [9] Prairie, die ongeveer dertig mijlen van
de stad afligt. Nu zullen mijn lezers er waarschijnlijk niets tegen
hebben, eens te weten, wat zoo'n Zigeunerstocht op zoo'n afstand
van huis wel inheeft, en onder wat voor soort van voorwerpen men
zich daar beweegt. Welaan dan, in een volgend hoofdstuk hoop ik hun
weetgierigheid te bevredigen.



XIII.

NAAR DE PRAIRIE.

    EEN UITSTAPJE NAAR DE LOOKING-GLASS PRAIRIE, HEEN EN TERUG.


Laat mij beginnen met voorop te zetten, dat Amerikanen het woord
prairie op verschillende wijzen uitspreken, bij voorbeeld als paraaer,
parearer en paroarer. De laatste wijze van uitspraak is misschien
het meest in zwang.

Wij waren met ons veertienen, en allen jonge mannen. Nu, het is
een zonderlinge, ofschoon zeer natuurlijke kenmerkende trek in de
gezelschappen die deze afgelegen nederzettingen bezoeken, dat ze
voornamelijk uit personen bestaan in den bloei des levens, die voor
geen kleintje vervaard zijn, en dat er maar bitter weinig grijze
hoofden onder door loopen. Dames waren er niet bij. Geen wonder,
want het uitstapje was nogal vermoeiend en 's morgens met klokkeslag
van vijven zouden we op marsch gaan.

Ik werd om vier uur geroepen, om er zeker van te wezen, dat niemand
op mij behoefde te wachten, en nadat ik wat brood en melk gebruikt
had voor mijn ontbijt, gooide ik het raam open en keek in de straat,
denkende dat ik het geheele gezelschap druk in de weer zou zien met
het maken van aanstalten voor onzen tocht. Maar daar alles doodstil
was en de straat er even somber uitzag als dit gewoonlijk elders om
vijf uur in den morgen het geval is, begreep ik dat het maar geraden
zou zijn, weer naar bed te gaan, wat ik dan ook deed.

Om zeven uur werd ik weer wakker, en toen was ons gezelschap bijeen,
rondom een licht rijtuigje met een kolossale wagenas; zoo iets
op wielen als een speelwagentje; een dubbelen phaeton van groote
antiquiteit en bovenaardschen bouw; een sjees met een groot gat in
'r rug en een gebroken hoofd, en een soort van postiljon die te
paard zat, en vooraan zou gaan. Ik ging met drie tochtgenooten in
't eerste rijtuig zitten; de overigen zochten een goed onderkomen
in de andere rijtuigen; twee groote manden werden aan 't lichtste
rijtuig vastgemaakt; twee groote kruiken in teenen kokers, waarvan de
technische naam bij ons demi-johns is, werden aan de "least rowdy"
[10] uit het gezelschap ter bewaring toevertrouwd; en zoo ging de
optocht naar de veerboot, waar, zooals de gewoonte in deze streken
meebrengt, menschen, paarden, wagens en alles mee overgezet zou worden.

Goed en wel kwamen we over deze rivier, en monsterden elkaar weer
voor een kleine houten kast op wielen, die geheel schuins in een
moeras stond met "MEESTER KLEERENMAKER" in zeer groote letters boven
de deur geschilderd. Nadat we onze marschorde en den weg, dien we in
zouden slaan vastgesteld hadden, zetten we ons andermaal in beweging
en begonnen met een slecht ter naam staanden zwarten hollen weg in te
slaan, die men hier, minder krachtig, den Amerikaanschen Bodem noemt.

Den vorigen dag was 't--ik zal niet zeggen heet geweest, want zelfs
dit woord zou te zwak zijn, om den lezer een denkbeeld te geven van
de temperatuur. De stad had als 't ware in een lichtelaaien gloed
gestaan. Maar 's avonds was het beginnen te regenen dat het goot, en
den geheelen nacht was 't zonder ophouden door blijven regenen. Wij
hadden een span stevige paarden, doch legden niettemin maar een
beetje meer dan een paar mijlen per uur af, door één onafgebroken poel
van zwarte modder en water, zonder eenig andere afwisseling dan dat
het hier wat dieper was dan daar. Zoo zakten we 'r nu eens tot half
over de wielen in, dan tot over de as, en straks bijna tot aan de
portierraampjes. Overal weergalmde de lucht van 't luide gekwaak der
kikvorschen, die hier het rijk alleen schenen te hebben in vereeniging
met de varkens (een gemeen, leelijk ras, dat er zoo ongezond uitzag
als was het zoo regelrecht uit deze streek opgegroeid). Hier en daar
reden we een blokhut voorbij; maar de armzalige hutten stonden ver van
elkaar af; want ofschoon de grond te dezer plaatse zeer rijk is, kunnen
er maar weinigen in zoo'n doodelijke atmosfeer leven. Aan iederen kant
van den weg, als hij dien naam nog verdient, bevond zich het dikke
"kreupelhout," en overal zag men stilstaand, slijmerig, stinkend,
smerig water.

Daar 't hier de gewoonte is, een paard een zekere hoeveelheid koud
water te geven, telkens als het zoo heet is dat het schuimt, maakten we
met dat doel halt voor een blokherberg in 't bosch, die ver van eenige
andere woning af stond. Ze bestond uit één vertrek, natuurlijk kaal
van dak en kaal van muren, met een zolder er boven. De dienstdoende
kellner was een zwartachtige jonge neger, in een gedrukt katoenen
hemd, dat wel iets weghad van een beddeken, en met een opgelapte
broek aan. Behalve deze sinjeur waren er nog een paar jonge knapen,
die, bijna naakt, bij den put lagen te luieren; en zij, en hij,
en de reiziger in de herberg, kwamen te voorschijn om ons op te nemen.

De reiziger was een oud man met een grijzen stekeligen baard van
twee duim, een ruigen knevel van dezelfde kleur, en verbazend groote
wenkbrauwen, die zijn lodderige, half beschonken oogen bijna geheel
en al overschaduwden, toen hij zich beurtelings op zijn teenen en
hielen in evenwicht houdende, ons met de armen over elkaar stond aan
te gapen. Zoodra een uit ons gezelschap hem aansprak, kwam hij nader,
krabde aan zijn kin (iets wat onder zijn vereelte hand een geluid
maakte alsof iemand, die spijkers onder de zolen zijner schoenen heeft
zitten, over nieuw kiezelzand loopt), en zei dat hij van Delaware
was. Vervolgens wees hij naar een der moerassen, waar de geknotte
boomen het dichtst naast elkaar stonden, en zei dat hij daar ginds
onlangs een boerderij gekocht had. Nog vertelde hij ons, dat hij naar
St. Louis ging om zijn familie te halen die hij achtergelaten had;
maar hij scheen niet veel haast te hebben, om dit karweitje achter
den rug te krijgen, want toen we wegreden, ging hij op zijn gewone
slungelachtige wijze de hut weer in, en scheen wel van zins om daar
tabernakelen te bouwen tot zijn laatste cent op was. Natuurlijk was
hij een groot staatkundige en ontvouwde aan een uit ons gezelschap
nogal wijdloopig zijn gevoelens; maar ik herinner me alleen, dat hij
met twee uitroepen concludeerde, waarvan de eene was: Iemand voor
altijd! en de andere: Weg met ieder ander! Iets wat in geenen deele
bewijst, dat de man de zaken niet goed inzag.

Toen de paarden tot bijna tweemaal hun natuurlijken omvang gezwollen
waren (men schijnt hier van 't denkbeeld uit te gaan, dat zoo'n soort
van opgeblazenheid hun onder 't loopen goeddoet) gingen we weer verder,
door modder en vocht, en vurige hitte, en struiken en heesters,
altijd geaccompagneerd door de muziek der kikkers en der zwijnen,
en dat hield zoo aan tot bij den middag, toen we halt maakten op een
plaats Belleville genaamd.

Belleville was een kleine verzamelplaats van houten huizen, die
in 't hartje van 't kreupelhout en 't moeras als bijeengehutseld
waren. Verscheidene daarvan hadden opzienbarend lichtrood en geel
geschilderde deuren; want de plaats, moet men weten, was onlangs
bezocht door een reizenden schilder, die, zooals men mij vertelde,
"op die manier aan den kost zag te komen." Het gerechtshof hield juist
een zitting en was op dat oogenblik bezig met het verhooren van eenige
misdadigers, die paarden moesten gestolen hebben: allerwaarschijnlijkst
zou 't slecht met hen afloopen, want daar levende have van allerlei
soort uit den aard der zaak nogal gevaar loopt in de bosschen, zoo
is ze bij de gemeente eigenlijk nog meer in tel dan 't leven van een
mensch, weshalve de jury gewoonlijk iedereen, die van vee-diefstal
beticht wordt, schuldig verklaart, onverschillig of hij 't is al
dan niet.

De paarden van den rechter en de getuigen waren aan tijdelijke ruiven
vastgemaakt, die maar licht en dicht op den weg waren neergezet (onder
dat woordje "weg" heeft men een pad door 't bosch heen te verstaan,
waar men bijna tot aan de knieën in de modder en 't slik zakte).

Er was hier ook een logement, dat evenals alle hotels in Amerika,
een groote eetzaal had waar open tafel werd gehouden. Die zaal was een
armzalige schuur voor het huis, laag van verdieping en half koeienstal,
half keuken, met een gemeen bruin tafelkleed van zeildoek, en aan
den muur vastgemaakte tinnen armblakers, waar men bij 't avondeten de
kaarsen in stak. Onze postiljon of koetsier of hoe men hem noemen wil,
was vooruitgegaan, om koffie en wat "eten" te bestellen, en ze waren er
nu bijna al klaar mee. Hij had "tarwebrood en kuiken-fixing" besteld,
want daar hield hij meer van dan van "witbrood en zoo'n alledaagschen
kost." Met dit laatste bedoelt men hier alleen varkensvleesch en
spek, terwijl men onder kuiken-fixings geroosterde ham, saucijsjes,
kalfslapjes, ossenlapjes en andere soortgelijke vleeschspijzen
verstaat, waar men van veronderstellen kan, dat ze (dit woord in een
nogal ruimen, dichterlijken zin opgevat) een kuiken behoorlijk in de
verteringsorganen van een dame of heer zullen "fix" (bevestigen.)

Aan een der deurposten van dit logement of liever herberg was een
blikken plaatje, waar met vergulde letters "Dokter Crocus" op te lezen
stond, en op een vel papier, dat bezijden dit plaatje aangeplakt was,
las men een geschreven bericht dat Dr. Crocus ten genoegen van het
Belleviller publiek, tegen betaling van zoo en zooveel per hoofd,
dien avond een lezing zou houden over de Phrenologie of Schedelleer.

Terwijl de "kuiken-fixings" klaargemaakt werden, ging ik de trap op,
en kwam toevallig de kamer van den dokter voorbij. Daar nu de deur
wagenwijd openstond, en de kamer leeg was trok ik mijn stoute schoenen
aan en gluurde er eventjes in.

Het was een kaal, ongemeubileerd, ongezellig vertrek, met een
portret zonder lijst dat aan 't hoofdeinde van 't ledikant hing, en,
naar ik gis, den dokter moet verbeeld hebben, want het voorhoofd was
phrenologisch volkomen ontwikkeld, iets waar de kunstenaar kennelijk
nogal werk van gemaakt had, om goed uit te doen komen. Over het
ledikant zelf lag een beddesprei, als men een oude lappedeken met dien
naam mag bestempelen. Geen karpet op den vloer, geen gordijnen voor
de ramen. Er was een vochtige stookplaats zonder iets dat naar een
kachel zweemde, vol houtskool; een stoel, en een zeer klein tafeltje,
op welk laatstgenoemd meubelstuk dokters bibliotheek, bestaande uit
een half dozijn smerige oude boeken, zoo lag uitgespreid, dat het
nogal vertooning moest maken.

Nu zag deze kamer er zeker zoodanig uit, dat men 't voor 't laatste
vertrek ter wereld zou gehouden hebben, waar u of mij iets goeds
uit ten deel kon vallen. Maar, gelijk ik gezegd heb, de deur stond
uitnoodigend open en hield in verband met den stoel, het portret,
de tafel en de boeken als 't ware deze toespraak: "komt maar binnen,
heeren, komt maar binnen! Weest toch niet ziek, heeren, als ge wel kunt
worden in een ommezien. Dokter Crocus is hier, heeren, de beroemde
dokter Crocus! Dokter Crocus heeft deze heele reis afgelegd, om u
te genezen, heeren. Hebt gij niet gehoord van Dokter Crocus, dan is
't uw schuld, heeren, die zoo'n klein beetje buiten de wereld woont,
maar dokter Crocus' schuld is 't niet. Komt maar binnen, heeren,
komt maar binnen!"

Toen ik de trap weer afliep, kwam ik, in de gang beneden, dokter Crocus
zelf tegen. Een massa menschen was uit het Gerechtshof saamgevloeid,
en een stem uit haar midden riep den herbergier toe: "Kolonel! stel
dokter Crocus toch 'reis voor."

"De heer Dickens," zegt de kolonel. "Dokter Crocus."

Waarop dokter Crocus, die een groote, knappe Schot is, maar om de
waarheid te zeggen wat al te forsch en te krijgsmansachtig voor een
beoefenaar van de vreedzame geneeskunst, met zijn rechterarm en zijn
borst zoo ver mogelijk vooruit, op eens uit het oploopje voor den
dag komt en zegt:

"Uw landsman, m'nheer!"

Waarop Dokter Crocus en ik elkaar de hand geven, en dokter Crocus
een gezicht trekt alsof ik in geenen deele aan zijn verwachting
beantwoordde. Nu moet ik dan ook zeggen, dat ik met een linnen kiel
en een grooten strooien hoed met een groen lint, en geen handschoenen
aan, en mijn gezicht en neus rijkelijk versierd met de steken van
muskieten en de beten van wandluizen, er zóó uitzag, dat het niet te
verwonderen was, dat ik daaraan niet beantwoordde.

"Is u al lang hier, m'nheer?" zeg ik. (Ik diende toch iets te zeggen.)

"Een maand of vier, m'nheer," zegt de dokter.

"Is-u van plan om gauw weer naar 't oude vaderland terug te keeren,
m'nheer?" zeg ik.

Een woordelijk antwoord geeft dokter Crocus op die vraag niet, maar
zoo'n smeekenden blik krijg ik van hem, een blik die zoo duidelijk
zegt: "Och toe, wees zoo goed en vraag me dat asjeblieft 'n beetje
luider!" dat ik mijn vraag herhaal.

"Of ik van plan ben gauw weer naar 't oude vaderland terug te keeren,
m'nheer!" herhaalt de dokter.

"Ja, naar 't oude vaderland, m'nheer," herhaal ik weer op mijn beurt.

Dokter Crocus kijkt in de rondte om te zien, wat voor indruk deze
woorden op de menigte om hem heen teweegbrengen, wrijft in zijn handen
en zegt zeer luid:

"Vooreerst nog niet, m'nheer, vooreerst nog niet. Op zoo
iets zal u me niet betrappen. Daartoe hou ik 'n beetje te
veel van vrijheid, m'nheer. Ha! ha! 't Is zoo gemakkelijk
niet, m'nheer, zich los te scheuren van een vrij land zooals
dit. Ha! ha! Neen! neen! Ha! ha! Niets van dat al, of je moet tegen
wil en dank verplicht zijn, dat te doen, m'nheer. Neen, neen!"

Als dokter Crocus deze laatste woorden zegt, schudt hij veelbeteekenend
zijn hoofd en lacht opnieuw. Verscheidene der omstanders schudden
evenals de dokter, met hun hoofden en lachen ook, en kijken elkaar
aan alsof ze wilden zeggen: "Die Crocus is toch 'n vroolijke vent,
'n opperbeste kerel!" en, of ik moet me al danig vergissen, dien avond
gingen er heel veel de lezing bijwonen, die, zoo oud als ze waren,
nog nooit om dokter Crocus of phrenologie gedacht hadden.

Van Belleville zetten we door dezelfde soort van woestenij, en, zonder
dat het een enkel oogenblik ophield, bestendig geaccompagneerd door
dezelfde kikkermuziek, onzen tocht voort, totdat we om drie uur na
den middag nog eens halt maakten aan een dorp Libanon geheeten, om de
paarden weer op te blazen en ze buitendien een beetje koorn te geven
wat ze hoog noodig hadden. Gedurende deze plechtigheid kuierden wij het
dorp in, waar ik een kant en klaargemaakt woonhuis tegenkwam, dat, door
een stuk of twintig ossen voortgetrokken, den heuvel af kwam draven.

Het logement was hier zoo zindelijk en goed, dat de bestuurders
van den tocht besloten, er op de terugreis weer aan te gaan en er
zoo mogelijk den nacht door te brengen. Dit eenmaal vastgesteld,
en de paarden goed verfrischt, rukten we weer op, en kwamen met
zons-ondergang op de Prairie aan.

Waar 't vandaan kwam zou ik moeilijk kunnen zeggen--ofschoon 't
mogelijk was, dat het hier vandaan kwam, dat ik er zooveel van gehoord
en gelezen had--maar dit weet ik wel, dat ik mij nu teleurgesteld
gevoelde. Daar lag dan, den kant uit naar de ondergaande zon, een
uitgestrekte vlakte voor mij, die door niets werd afgebroken dan door
een dunne lijn van boomen, die zich in 't verschiet ternauwernood
als een streep voordeed, totdat die streep, om zoo te zeggen,
den gloeienden hemel ontmoette, waar ze zich in scheen te dompelen,
zich vermengende met zijn rijke kleuren, vooral met zijn overheerlijk
azuur. Daar lag ze, de vlakte, aan een stille zee of meer zonder water
gelijk, bijaldien men zoo'n vergelijking mag maken,--daar lag ze,
terwijl de avondschemering allengs haar sluier er overheen trok:
hier en daar trippelde een vogeltje, overigens was alles om ons
heen even eenzaam en stil. Maar het gras stond er nog niet hoog;
er waren kale zwarte plekken op den grond, en de weinige wilde
bloemen, die het oog kon zien, zagen er armzalig uit. Hoe groot de
schilderij ook was, juist dat vlakke en uitgestrekte, dat hoegenaamd
geen stof aanbood voor de verbeelding, het deed de belangstelling
niet weinig verflauwen. Ik voor mij voelde dan ook weinig van dien
geest van vrijheid en blijheid, dien een Schotsche hei inboezemt, ja
zelfs onze Engelsche duinen opwekken. Het was hier eenzaam en woest,
maar neerdrukkend door zijn kale eentonigheid. Ik voelde dat ik bij
't doortrekken der Prairiën mij nooit zoo met het tooneel om me heen
inlaten kon, dat ik al het andere zou vergeten, wat ik instinctmatig
zou doen als ik daar een heibewoner aan mijn voet mocht zien of een
als in ijzeren banden geklonken kust: maar dat ik dikwijls turen zou
naar de afgelegen en telkens wijkende lijn van den gezichteinder,
en daarbij den wensch zou ontboezemen dat ik zoo ver was ze achter
den rug had. Wel is 't geen tooneel om vergeten te worden, maar
bezwaarlijk zou men 't onder die tooneelen kunnen rekenen, waar men
naderhand met plezier om denkt of die men nog eens weerom verlangt
te zien. Zoo komt het mij althans voor na al wat ik daarvan gezien heb.

Ter wille van 't water dat wij er vonden, kampeerden we in de
nabijheid van een eenzaam blokhuis, en gebruikten ons middagmaal op
de vlakte. In de manden hadden wij gebraden gevogelte, buffeltong
(een uitgezochte lekkernij tusschen twee haakjes), ham, brood, kaas
en boter; beschuit, champagne en sherry; citroenen en suiker voor
punch; en een massa ruw ijs. Het maal was kostelijk, en zij, die er
ons op trakteerden, kruidden het ten overvloede door vriendelijkheid
en opgeruimdheid. Menigmaal heb ik me sinds dien tijd dat vroolijke
partijtje voor den geest geroepen, en al kom ik later weer met vrienden
van ouder dagteekening aan den gezelligen disch bijeen, mijn goede,
beste reismakkers in de Prairie zal ik toch niet gemakkelijk vergeten.

Dien avond naar 't dorp Libanon terugkeerende stapten wij aan de kleine
herberg af, waar we dien middag halt gemaakt hadden. Wat zindelijkheid
en gemak betreft, had het de vergelijking door kunnen staan met elk
min of meer welvarend dorpsbierhuis in Engeland.

Den volgenden morgen stond ik om vijf uur op, en ging toen het dorp
eens in; geen een huis kwam ik dien dag in mijn zwerftocht tegen,
misschien was 't daartoe nog te vroeg. Vervolgens amuseerde ik
me, door in een soort van boeren-erf achter de kroeg eens rond
te drentelen, dat er nogal vreemd uitzag. Verbeeld u een stuk of
wat ruwe loodsen die stallen moesten heeten; een ruwe zuilengang,
gebouwd om 's zomers een koele plaats tot verfrissching te hebben;
een diepen put; een groote hoogte van aarde waar men 's winters
groenten in kon bewaren; een duiventil, waarvan de kleine openingen,
gelijk met alle duivenhokken het geval is, veel te klein schenen te
wezen om er de vette vogels met hun opgezwollen kroppen, die er deftig
en wel omheen stapten, behoorlijk door te laten, ofschoon ze zeker
nooit zoo erg hun best deden om er door te komen als toen. Na mijn
nieuwsgierigheid op dit punt te hebben bevredigd, nam ik een kijkje
in de twee spreekkamers, die versierd waren met gekleurde prenten van
Washington, en President Madison, en van een jonge dame met een blank
gezicht (dat nogal bespikkeld was van de vliegen), die haar gouden
halsketting ter bewondering van den aanschouwer ten toon spreidde
en allen die haar bewonderden meedeelde dat zij "juist zeventien"
was, ofschoon ik haar voor ouder aangezien had. In 't beste vertrek
hingen twee portretten in olieverf, den herbergier en zijn jeugdigen
zoon voorstellende, die er beide zoo stout uitzagen als leeuwen en
je met zoo'n deftigheid aankeken, dat de duurste prijs, die er voor
betaald was geworden, nog goedkoop zou mogen heeten. Ik geloof, dat
ze door denzelfden kunstenaar geschilderd waren, die de deuren in
Belleville zoo mooi met rood en goud belegd had, want onmiddellijk
scheen ik diens verheven stijl te herkennen.

Na 't ontbijt braken wij op, om langs een anderen weg dan wij gister
ingeslagen hadden, terug te keeren, en daar we om tien uur een
kamp van Duitsche landverhuizers tegenkwamen die hun goederen op
wagens meevoerden en een lekker vuur gemaakt hadden dat zij juist
bezig waren te verlaten, zoo maakten we daar halt, om ons wat te
verkwikken. En welkom, uiterst welkom was ons dat vuur, want al was
't gister heet geweest, vandaag was 't erg koud en waaide er een
scherpe wind. Toen we daar langs reden, zagen we in de verte nog
zoo'n oude Indiaansche begraafplaats, de Monnikenhoogte geheeten,
ter gedachtenis aan een vereeniging van dwepers van de orde van La
Trappe, die, toen er duizenden mijlen in den omtrek geen enkel kolonist
gevonden werd, verscheidene jaren geleden daar een eenzaam klooster
hadden gesticht, en allen door het verderfelijk klimaat weggesleept
waren, welk noodlottig ongeval misschien maar weinig verstandige lui
als een ernstig verlies voor de maatschappij zullen beschouwen.

De tocht, dien we dien dag aflegden, bood dezelfde verschijnselen aan
als de tocht van den vorigen. Daar was 't moeras, het kreupelhout,
het eeuwigdurend gekwaak van kikvorschen, de plantengroei en de
ongezonde dampen die uit den grond opstegen. Hier en daar, en nogal
menigvuldig ook, kwamen we een gebroken wagen tegen, die vol was van
't goed van den een of anderen nieuwen kolonist. Het was een naar,
een allernaarst gezicht, zoo'n wagen diep in de modder te zien steken;
de as gebroken; een wiel er naast liggend; de man mijlen ver gegaan
om hulp te halen; de vrouw als een beeld van schier wanhopig geduld,
met een zuigeling aan haar borst te midden harer zwervende huisgoden
zittende; terwijl het span ossen droevig in 't slik nederligt en
zulke dampwolken uit bek en neusgaten blaast, dat al de natte mist
en nevel in de rondte rechtstreeks van hen afkomstig scheen te wezen.

Behoorlijk op zijn tijd kwamen we nog eens voor de woning van den
meester kleerenmaker bijeen, en staken nadat we gemonsterd waren,
per veerboot naar de stad over. Onderweg kwamen we een plek voorbij,
het Bloedige Eiland genaamd, de strijdplaats van St. Louis, en onder
die benaming aangeduid ter eere van den laatsten noodlottigen strijd
die daar, borst tegen borst, met pistolen werd gestreden. Maar de
strijders vielen dood ter aarde; en 't is heel wel mogelijk, dat
enkele verstandige lui van hen zullen denken wat ze van die sombere
bent van in hun hersens geprikte Kluizenaars gedacht hebben, dit
namelijk, dat ook hun dood geen groot verlies was voor de maatschappij.



XIV.

NAAR DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.

    TERUGKEER NAAR CINCINNATI. EEN RIT PER DILIGENCE VAN DIE STAD NAAR
    COLUMBUS EN VAN DAAR NAAR SANDUSKY. ZOO, OVER 'T MEER ERIE, NAAR
    DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.


Daar ik graag door de binnenlanden van den staat Ohio wou reizen en,
zooals de geijkte uitdrukking in die streken luidt: "strike the lakes"
[11] bij een klein stadje, Sandusky geheeten, waar die route ons
naar toe brengen zou op onzen weg naar Niagara, zoo dienden we langs
denzelfden weg, dien we op waren gegaan, van St. Louis terug te keeren,
en onzen eersten tocht weer te hervatten tot aan Cincinnati.

Het was een mooie dag toen we van St. Louis afscheid zouden nemen, en
aangezien nu de stoomboot, die, ik weet niet hoe vroeg in den morgen
af zou varen, voor de derde of vierde maal haar vertrek tot na den
middag uitstelde, reden we naar een oud Fransch dorp aan de rivier,
waarvan de eigenlijke naam Carondelet, doch de spotnaam Vide Poche
(Leege Zak) was, en spraken af dat de packet ons daar af zou wachten.

De plaats bestond uit een stuk of wat arme hutten en twee of drie
herbergen, waarvan de provisiekamers in dien toestand verkeerden,
dat dit alleen den spotnaam wettigde, want in geen van de drie kon
men iets te eten krijgen. Door zoo wat een halve mijl terug te gaan,
vonden we echter ten laatste een eenzaam huis waar men ham en koffie
krijgen kon, en daar toefden we om de komst af te wachten van de boot,
die we, al heel in de verte, van uit het lommer voor de deur waar
zouden kunnen nemen.

Het was een nette, doodeenvoudige dorpskroeg, waar we ons
middagmaal gebruikten in een net kamertje met een ledikant er in,
dat opgepronkt was met een stuk of wat oude schilderijen, die in
hun tijd waarschijnlijk dienst gedaan hadden in een Roomsche kapel
of klooster. Al wat men er te eten kreeg, was zeer goed en werd met
groote zindelijkheid opgedischt. Het huis werd gehouden door een
karakteristiek oud paar, waar wij een lang gesprek mee hadden, en dat
misschien een zeer goed exemplaar was van dat slag van menschen in
't Westen.

De herbergier was een droge, taaie, ruwe oude kwant (wel niet zoo heel
oud, want hij was maar even over de zestig, naar ik denk), en hij had
in den laatsten oorlog met Engeland bij de militie gestaan en daar
allerlei dingen gezien, die betrekking hebben op den krijgsdienst,
ja, allerlei dingen... behalve een veldslag; maar hij was er toch
heel dicht bij geweest, om een veldslag bij te wonen, heel dicht,
voegde hij er bij. Daar hij razend veel van verandering hield en
aan dien trek geen weerstand had kunnen bieden, had hij zijn leven
lang rust noch duur gehad. Vandaar dat hij 't niet lang op een en
dezelfde plaats uitgehouden, maar gedurig heen en weer gezworven had;
en nog altijd was hij zoo lustig als een eenloopend gezel, want was er
niets dat hem aan huis bond (en toen hij dit zei, wees hij even met
zijn hoed en duim naar 't raam van de kamer waar de oude vrouw zat,
terwijl wij voor 't huis stonden te babbelen), dan maakte hij in een
wip zijn geweer schoon en was morgenochtend op reis naar Texas. Hij
was een van de oude afstammelingen van Kaïn, die aan dit vasteland zoo
bijzonder eigen zijn; een van die mannen met andere woorden, die van
hun geboorte bestemd schijnen te wezen om als pioniers in de groote
armee der menschheid te dienen; die jaar-in jaar-uit blijmoedig haar
voorposten uit gaan breiden, en het eene te-huis na 't andere achter
zich laten en ten laatste sterven, zonder dat zij zich er 't minst
hun hoofd over breken of het op hen volgende, insgelijks zwervende
geslacht zich op zijn beurt weer duizenden mijlen zal verwijderen
van hun graven.

Zijn vrouw was een van lieverlede huishoudelijk geworden, goede,
beste oude stumperd, met hem meegekomen "uit de koninginne-stad van
de wereld," die, naar 't scheen, Philadelphia was; maar hart had ze
niet voor dit westersche land. Nu, daar bestond dan ook wel reden
toe. Begrijp eens, al haar kinderen had ze hier een voor een in den
vollen bloei hunner jaren zien sterven! Haar hart werd pijnlijk
aangedaan, zei ze, als ze daarom dacht; en als ze nu maar eens,
al was 't dan ook maar tegenover vreemdelingen, dienaangaande haar
hart uit kon storten op deze rampzalige plaats die zoo ver van haar
geboortegrond af lag, kijk, dat schonk haar eenige verlichting, ja,
werd haar tot een droefgeestig genot.

Daar de boot tegen den avond aankwam, zeiden we die goede, beste,
oude vrouw en haar zwervenden man vaarwel, begaven ons daarop
naar de naastbijgelegen aanlegplaats, en nu duurde het niet lang,
of we waren weer aan boord van de Messenger, in onze oude kajuit,
en stoomden den Mississippi op.

Is het opvaren van deze rivier, zoo langzaam als het dan tegen den
stroom in gaat, een vervelende reis,--het afvaren met haar troebelen
stroom is bijna nog erger; want dan heeft de boot, die twaalf of
vijftien mijlen per uur aflegt, zich met geweld een weg te banen door
een doolhof van drijvende blokken, die men in den donker dikwijls
onmogelijk van te voren kan zien, laat staan vermijden. Den ganschen
nacht was de bengel dan ook geen vijf minuten achtereen stil, en na
ieder gelui kreeg de boot een schok, soms twaalf schokken gauw achter
elkaar, en van die schokken dat de lichtste meer dan genoeg scheen te
wezen om haar broze kiel als pasteikorst te vergruizen. Keek men nu bij
't aanbreken van den dag in de smerige rivier, dan scheen ze te wemelen
van insecten, daar deze zwarte massa's op de oppervlakte dreven, of,
met den kop het eerst, op eens uit het water te voorschijn kwamen,
wanneer de boot, door al die hinderpalen heenstoomende, een stuk of
wat voor een oogenblik onder water duwde. Soms stopte de machine vrij
lang, en dan bevonden zich voor de boot en er achter, en dicht aan
alle kanten, zooveel van die ellendige hindernissen, dat zij er, als
het middelpunt van een drijvend eiland, ten eenenmale van ingesloten,
en wel genoodzaakt was daar te blijven, totdat ze, evenals donkere
wolken zulks voor den wind doen, ergens naar toe gingen en van
lieverlede een doortocht ontsloten.

Den volgenden morgen kwamen we echter weer in 't gezicht van 't
afschuwelijk moeras Caïro genaamd. Daar stopten we, om hout in te
nemen, en gingen naast een barge liggen, waarvan het hier en daar
uitschietend getimmerde nauwelijks den boel bij elkaar hield. Ze was
aan den oever vastgemaakt, en op haar zij stond het woord "koffiehuis"
geschilderd. Dat nu was, naar ik veronderstel, het drijvende Paradijs,
waar het volk een toevluchtsoord zoekt, als het voor een maand of
twee zijn huizen verliest onder de afzichtelijke wateren van den
Mississippi. Maar toen we zuidwaarts van dit punt afzagen, smaakten
we de zelfvoldoening, die onuitstaanbare rivier al haar slijmerigen
en leelijken last plotseling naar New Orleans te zien voortstuwen:
en nadat we een gele streep over waren, die zich dwars door den stroom
uitstrekte, waren we weer op den helderen Ohio, om naar ik vertrouw,
nooit den Mississippi meer te zien, of 't moest wezen in onrustige
droomen en nachtmerries. Hem verlaten voor 't gezelschap van zijn
glinsterenden buur, stond dan ook gelijk met den overgang van smart
tot vreugd, of het ontwaken uit een verschrikkelijk visioen tot een
vroolijke werkelijkheid.

Op den vierden avond kwamen we te Louisville aan, en maakten terdege
van ons voortreffelijk logement gebruik. Den volgenden dag gingen
we op de Ben Franklin, een mooie mailboot, en bereikten kort na
middernacht Cincinnati. Daar 't thans zoover gekomen was, dat het
slapen op planken ons eigenlijk eer vermoeide dan uit deed rusten,
waren we maar wakker gebleven, om dadelijk aan wal te kunnen gaan;
en ons terstond een weg banende door al de donkere dekken van andere
booten, en onder doolhoven van stoommachines en lekke suikervaten,
belandden we eindelijk op de straten, porden den portier wakker aan
't logement waar we vroeger gelogeerd hadden, en nu duurde het niet
lang, of we waren tot onze groote blijdschap gezond en wel onder dak.

Te Cincinnati bleven we maar één dag, en vertrokken toen naar
Sandusky. Daar met dat uitstapje twee diligence-ritten gemoeid waren,
die, met de door mij reeds aangestipte, de hoofdkenmerken bevatten
van deze wijze van reizen in Amerika, wil ik den lezer als onzen
reisgenoot meenemen en mij verbinden om den afstand zoo gauw mogelijk
af te leggen.

De plaats onzer bestemming in eerste instantie is Columbus. Het
ligt maar ongeveer honderd en twintig mijlen van Cincinnati, doch
(een zeldzame zegen inderdaad!) de geheele weg is gemacadamiseerd,
en de berekening is, dat men hier zes mijlen per uur aflegt.

's Morgens om acht uur stappen we in een groote diligence, waarvan
de kolossale wangen zoo erg rood en volbloedig zijn, dat ze wel
last schijnt te hebben van neiging tot bloedopstijging naar 't
hoofd. Waterzuchtig is ze zeker, want ze kan wel een dozijn passagiers
bergen. Maar--hoe verwonderlijk, niet waar? dat we 'r dit bij kunnen
voegen--ze is erg glunder en schoon, want ze is pas nieuw, moet men
weten, en vroolijk ratelt ze door Cincinnati's straten.

Onze weg ligt door eene mooie landstreek die welig bebouwd is en een
schitterend overvloedigen oogst belooft. Soms rijden we een veld
voorbij, waar de als borstels overeindstaande sterke stengels van
Indiaansch koorn er als zooveel wandelstokken uitzien, en soms een
omheinden akker waar de groene tarwe onder een doolhof van boomstronken
opspringt. De primitieve omheining van wormhout is algemeen en staat
alles behalve mooi; maar de boerderijen werden netjes onderhouden,
en, dit alleen daargelaten, zou men wanen in Kent te reizen.

Dikwijls blijven we stilstaan bij een herberg aan den landweg,
om aan de paarden water te geven; bij zoo'n herberg is 't altijd
doodstil. De koetsier klimt van den bok, vult zijn emmer en houdt
dien zijn paarden voor. Het gebeurt bijna nooit, dat er iemand is,
om hem een handje te helpen; zelden treft hij er zoo'n exemplaar van
'n straatslijper aan; en nooit een stalknecht om wat gekheid mee
te maken. Soms, wanneer we van span verwisseld zijn, kost het een
beetje moeite, weer voort te komen, en dat komt hier vandaan, dat
in deze buurt een zonderlinge manier heerscht, om een jong paard te
dresseeren. Ziehier hoe dit in zijn werk gaat. Men vangt het, tuigt
het tegen wil en dank, en spant het dan maar voor een diligence,
zonder er verder notitie van te nemen. Geen wonder, dat het dan eerst
met horten en stooten gaat; edoch, dit verbetert van lieverlede,
en zoo zetten we onze reis weer voort.

Nu en dan gebeurt het, dat, als we pleisteren, om van paarden te
verwisselen, een stuk of drie half dronken straatslijpers met hun
handen in hun zakken aan komen drentelen. Of wel, men ziet ze zoo
lang als ze zijn in schommelstoelen liggen of tegen de vensterbank of
kolonnade aanleunen. Het gebeurt niet vaak, dat ze òf ons òf iemand
anders iets te zeggen hebben, maar ze zitten, of staan, of liggen daar
maar vadsig en lui naar de koetspaarden te kijken. Gewoonlijk is de
herbergier onder hen. Deze sinjeur schijnt zich echter het minst van
allen te bemoeien met hetgeen er in zijn huis omgaat. Ja, hij staat
in dezelfde verhouding tot de kroeg, als de koetsier tot de koets en
de passagiers; wat er ook binnen den kring zijner werkzaamheid voor
moge vallen, och, het komt hem niet aan de koude kleeren, en in dat
opzicht laat hij Gods water maar over Gods akker loopen.

Hoe dikwijls men ook van koetsier verandere, dit brengt niet de
geringste verandering in des koetsiers karakter. Of ge 'r één ziet
of tien, altijd is hij vuil, altijd knorrig, altijd stil. Indien hij
vatbaar mocht zijn voor eenige aandoening, hetzij van zedelijken of
lichamelijken aard, dan bezit hij een vermogen om dit te verbergen,
dat waarlijk wonderbaar is. Zit ge naast hem op den bok, nooit spreekt
hij een woord tot u, en spreekt gij tot hem, dan antwoordt hij (als
hij antwoordt!) met eenlettergrepige woorden. Niets zal hij u op den
weg aanwijzen; trouwens hij kijkt zelden naar iets en heeft er al
den schijn van, of hem dit alles te veel, ja, hij eigenlijk levenszat
is. Hoe neemt hij nu de honneurs waar ten opzichte zijner koets? Dit
heb ik al gezegd: hij bemoeit zich met zijn paarden, en daarmee
uit. De koets volgt, omdat ze aan de paarden vastgemaakt is en op
wielen gaat: niet, omdat gij of ik er in zit. Soms--'t loopt dan naar
'n end van een langen rit--begint hij op eens een brokstuk van een
of ander lievelingsliedje te zingen, valsch ook, maar zijn gezicht
zingt nooit mee: 't is alleen zijn stem, en die dikwijls nog niet eens.

Altijd pruimt hij, en altijd spuugt hij, en nooit getroost hij zich
de moeite, om een zakdoek te gebruiken. Nu, waartoe zal een vrij
schepsel zoo'n last zich op den hals halen?! Dat is waar ook, maar
niet minder waar, dat de gevolgen niet uitblijven voor den passagier
die op den bok zit, vooral als de wind naar zijn kant is, en dat die
gevolgen alles behalve plezierig zijn.

Telkens als de wagen stil blijft staan, en ge de stemmen kunt hooren
van de passagiers daarbinnen; of telkens als er een der omstanders
tot hen of een der hunnen het woord richt, of ze elkaar aanspreken,
zult ge één volzin gedurig en gedurig, ja oneindige keeren hooren
inhalen. Op zich zelf is 't al een ordinaire en weinig om 't lijf
hebbende volzin. 't Is toch noch meer, noch minder dan "Ja m'nheer";
maar diezelfde volzin wordt op allerlei omstandigheden toegepast en
vult iedere pauze in den loop van 't gesprek. Bij voorbeeld:

't Is een uur na den namiddag. Het tooneel is een plaats waar we dien
dag zullen ophouden om te eten. De wagen rijdt tot aan de deur der
herberg, 't Is warm weer, en er zijn verscheidene straatslijpers, die
om en nabij de kroeg slenteren, en er op wachten tot de open tafel
klaar is. Onder hen bevindt zich een kranig heer met een bruinen
hoed op, die zich in een schommelstoel op straat heen en weer zit
te wiegelen.

Als de koets ophoudt, kijkt een heer met een stroohoed uit het
portierraampje.

Stroohoed (tot den kranigen heer in den schommelstoel). Ik meen,
dat ik daar den rechter Jefferson voor me zie, niet waar?

Bruinhoed (nog altijd wiegelend, en zeer langzaam en doodbedaard
sprekende). Ja, m'nheer.

Stroohoed. Warm weer, Rechter.

Bruinhoed. Ja, m'nheer.

Stroohoed. Verleden week was 't een beetje koud.

Bruinhoed. Ja, m'nheer.

Stroohoed. Ja, m'nheer.

Een pauze. Allerernstigst kijken ze elkaar aan.

Stroohoed. Ik ga bij me zelf na, dat u nu toch wel die zaak (van de
"Corporation judge") achter den rug zult hebben.

Bruinhoed. Ja, m'nheer.

Stroohoed. Hoe is de zaak uitgewezen, m'nheer?

Bruinhoed. De eischer is in 't ongelijk gesteld geworden, m'nheer.

Stroohoed (vragenderwijs). Ja, m'nheer?

Bruinhoed (bevestigenderwijs). Ja, m'nheer.

Beiden (peinzend, daar ieder naar de straat kijkt). Ja, m'nheer.

Een nieuwe pauze. Alweer kijken ze elkaar aan, en nog ernstiger dan
te voren.

Bruinhoed. Ik geloof, dat de wagen vandaag nogal wat over zijn tijd
aankomt.

Stroohoed (twijfelachtig). Ja, m'nheer.

Bruinhoed (op zijn horloge ziende). Ja, m'nheer, 't is dicht bij
tweeën.

Stroohoed (zijn wenkbrauwen met groote verbazing fronsend). Ja,
m'nheer!

Bruinhoed (op stelligen toon, terwijl hij zijn horloge weer in zijn
zak steekt). Ja, m'nheer.

Al de andere passagiers van binnen (onder elkaar). Ja m'nheer.

Koetsier (op een allerknorrigsten toon). Neen, dat 's niet waar.

Stroohoed (tot den koetsier). Nu, ik weet 't niet, m'nheer. We zijn
die laatste vijftien mijlen nogal aardig opgeschoten. Dat's waarheid.

Daar de koetsier geen antwoord geeft en er niets van wil weten om
in eenige woordenwisseling te treden over een onderwerp waar zijn
sympathie en gevoelens zelfs in de verte niets mee te maken hebben,
zegt een andere passagier: "Ja, m'nheer," en om nu die loffelijke
daad te erkennen, zegt de heer met den stroohoed op zijn beurt:
"Ja, m'nheer," tot hem. De stroohoed vraagt dan aan den bruinhoed,
of de koets waar hij (de stroohoed) in zit, niet een nieuwe is? Waarop
bruinhoed antwoordt: "Ja, m'nheer."

Stroohoed. Dat dacht ik wel. Wat 'n sterke vernislucht, niet waar,
m'nheer?

Bruinhoed. Ja m'nheer.

Al de andere passagiert van binnen. Ja, m'nheer.

Bruinhoed (tot het gezelschap in 't algemeen). Ja, m'nheer.

Aangezien er nu al heel wat gevergd is van de spraakzaamheid van
't gezelschap, doet de stroohoed het portier open en stapt uit. Al de
anderen volgen zijn voorbeeld. Kort daarna eten we met de logeergasten,
en krijgen niets te drinken dan koffie en thee. Daar beide zeer slecht
zijn en het water nog slechter is, vraag ik om brandewijn; maar
het is een Matigheids-Hotel, en sterken drank kan men er noch voor
goede woorden noch voor geld krijgen. Deze dwaze manier om reizigers
te dwingen, dat ze nare dranken tegen wil en dank door hun keelgat
jagen, is in Amerika in 't geheel niet ongewoon, maar nooit ontdekte
ik, dat de teere gemoedsbezwaren van zulke brave Hendrikken onder de
logementhouders hen aanspoorden om dan ook tusschen de qualiteit van 't
geen men bij hen krijgen kan en de prijzen die er voor genoteerd worden
een ongewoon fatsoenlijke evenredigheid in acht te nemen: integendeel,
ik vermoedde eerder, dat zij, bij wijze van schadeloosstelling voor de
winstderving op den verkoop van geestrijke dranken, slechter qualiteit
aansmeerden voor hooger prijs. Doch wat hiervan ook zij, voor personen
van zulke teere gewetens zou 't misschien het meest geraden zijn,
om zich maar geheel en al te onthouden van 't kasteleinsbedrijf.

Zoodra we gegeten hebben, stappen we in een ander rijtuig, dat bij de
deur klaar staat (want onze koets is in dien tusschentijd verwisseld),
en gaan weer op reis. Onze weg voert ons door dezelfde soort van
landstreek tot aan den avond, als wanneer we aan de stad komen, waar we
aanleggen om thee te drinken en te soupeeren; en nadat de brievenzakken
aan 't postkantoor afgegeven zijn, rijden we door de gewone breede
straat, met de gewone magazijnen en huizen, naar 't logement waar
deze maaltijd klaargemaakt is. In 't voorbijgaan wil ik nog meedeelen,
dat de lakenkoopers, bij wijze van uithangbord, altijd een stuk rood
laken aan hun deur hebben hangen. We komen dan aan 't logement aan,
en aangezien hier velen van de open tafel gebruik plegen te maken,
is het gezelschap nogal groot en... oudergewoonte nogal saai. Maar
aan 't hooger eind der tafel zit de vroolijke kasteleines, en daar
vlak tegenover een eenvoudige schoolmeester uit Wallis met zijn
vrouw en kind, die op een speculatie, die meer beloofde dan ze wel
gaf, hier naar toe kwam om de klassieken te onderwijzen. Zoowel in
dezen meester en de zijnen als in de dame, wordt ruimschoots belang
gesteld, totdat men gedaan heeft met eten en nu staat een ander rijtuig
gereed. Door helder maanlicht beschenen stappen we daar nog eens in,
en rijden door tot middernacht. Dan stoppen we, om alweer van koets te
veranderen, en blijven zoo wat een half uur in een armzalig vertrek,
met een besmeerde steendrukplaat van Washington boven den rookerigen
haard, en een kolossale kruik koud water op de tafel,--aan welke
verfrissching zich de knorrige passagiers zoodanig te goed doen,
dat ze altemaal wel trouwe patiënten van dokter Sangrado lijken te
wezen. Onder hen is een kleine dreumes van een jongen die pruimt
als de grootste; en een vadsige heer die, om met poëzie te beginnen,
over alle onderwerpen op arithmetische en statistieke wijze spreekt;
en die altijd op denzelfden toon spreekt, met precies denzelfden
nadruk en met een allerdeftigsten ernst. Hij was zoo even uit den
wagen gestapt en vertelde me hoe de oom van een zekere jonge dame,
die door een zekeren kapitein met list ontvoerd en gehuwd was geworden,
in deze streek woonde; en hoe deze oom zoo'n razende Roeland was, dat
hij zich niet zou verwonderen of hij volgde den bewusten kapitein naar
Engeland, "en schoot hem op straat dood, waar hij hem ook tegenkwam,"
iets wat ik hem zoo grif niet toe wou geven. Ik voelde me namelijk zoo
doodmoe, dat ik mijn oogen nauwelijks open kon houden, en nu kwam 't
zeker hier vandaan, dat ik op eens trek kreeg hem tegen te spreken, en
hem daarom de opmerking maakte, dat, als die oom het hart in zijn lijf
mocht hebben om tot zoo'n krassen maatregel zijn toevlucht te nemen,
hij op een mooien morgen in de vroegte in de Old Bailey opgeknoopt
zou worden; en dat hij wel zou doen, zijn testament te maken voordat
hij vertrok, daar hij niet heel lang in Engeland zou wezen, of hij zou
't van noode hebben.

Den ganschen nacht rijden we door. Van lieverlede begint de dag
aan te breken, en nu duurt het niet lang of de eerste liefelijke
stralen der warme zon komen ons in de schuinte beschijnen. Ze wierp
overigens haar licht op een ellendige woestenij van verzengd gras,
doodsche boomen en armzalige hutten, een tooneel zoo allernaarst dat
men zich met mogelijkheid niets ergers voor zou kunnen stellen. Ja,
't was een woestijn zelf in 't bosch, waarvan de plantengroei even
dampig is en schadelijk als die welke men op de oppervlakte van
stilstaand water aantreft; waar de giftige paddestoel in den zeldzamen
voetafdruk op den drabbigen bodem groeit, en uit de reten in muur
en zolder opschiet. Afzichtelijk, niet waar? om zoo'n plek gronds
zoo dicht in de nabijheid, ja, als 't ware op den drempel eener stad
tegen te komen! Maar wat zal ik u daarvan zeggen? Jaren geleden was
die ellendige plek opgekocht, maar de eigenaar is niet op te sporen,
en nu kan de Staat er de handen niet aan slaan. Zoo blijft ze daar
dan te midden eener ontgonnen en bebouwde streek als een stuk gronds,
waar de vloek van de een of andere groote misdaad aan kleeft.



Even voor zevenen bereikten we Columbus en bleven daar dien dag en
nacht om ons wat te verfrisschen. We troffen 't goed: voortreffelijke
apartementen toch stonden ons ten dienste in een zeer groot doch
nog niet afgebouwd hotel, het Neill House genaamd, die, rijkelijk
gestoffeerd met meubelstukken van 't gepolijste hout van den zwarten
noteboom, evenals kamers eener Italiaansche huizing, op een fraai
portico en steenen veranda uitkwamen. De stad is zindelijk en aardig,
en is natuurlijk "op weg" om hoe langer hoe meer uitgebreid te
worden. Ze is de zetel van de Wetgevende Vergadering van Ohio en
maakt bijgevolg aanspraak op eenig aanzien en gewicht.



Daar er langs den weg, dien wij wenschten te volgen, den volgenden dag
geen diligence afreed, zoo huurde ik tot billijken prijs een "extra" om
ons naar Tiffin te brengen, een klein stadje van waar een spoor loopt
naar Sandusky. Dit zoogenaamde extra was een gewone diligence met vier
paarden, zooals ik die reeds beschreven heb; een rijtuig dat gedurig
van paarden en koetsiers veranderde, maar voor deze reis uitsluitend
ter onzer beschikking bleef. Ten einde ons er van te verzekeren, dat
we aan alle pleisterplaatsen paarden zouden krijgen en geen overlast
zouden hebben van vreemdelingen, stuurden de eigenaars een agent op
den bok mee, die ons den heelen weg over gezelschap zou houden; en
onder dat geleide nu, en buitendien een sluitmand vol geurige koude
vleeschspijzen, vruchten en wijn meenemende, reden we den volgenden
morgen om halfzeven welgemoed af, ook niet weinig in onzen schik dat
we onder ons waren, en met de ernstigste voornemens dat we ons zelfs
door de ruwste teleurstellingen der reis niet uit ons humeur zouden
laten brengen.

Gelukkig voor ons, dat we in zoo'n goed humeur waren, want de weg,
dien we dien dag langs reden, was zeker reeds voldoende om gestellen,
die juist niet op Mooi Weer stonden, zoodanig te schokken, dat ze
een duim of wat beneden Stormachtig kwamen. Zoo werden we in 't eene
oogenblik achter in den wagen in een hoop bij elkaar gesmeten, en
het volgende oogenblik bezeerden we onze hoofden aan den hemel. Nu
eens zat de eene kant van 't rijtuig diep in de modder, en klemden
we ons aan de andere zij vast. Dan weer lag de koets op de staarten
van de twee achterste paarden om zoo aanstonds, als in een vlaag
van razernij, in de hoogte te vliegen, terwijl al de vier paarden,
op den top eener onoverkomelijke hoogte staande, hun kop omdraaien
en er doodbedaard naar kijken alsof ze wilden zeggen: "Kom, span ons
maar uit. 't Gaat toch niet." De koetsiers op deze wegen, die zeker
op een bepaald miraculeuze wijze dit terrein overrijden, draaien
en zwaaien bij 't forceeren van een doortocht, die wel iets heeft
van een kurketrekker, zoodanig met hun paarden door al de poelen en
moerassen, dat er, keek men het portierraampje uit, volstrekt niets
vreemds in stak, wanneer men den koetsier met de enden leisels in
zijn handen, alsof hij niets meende, maar louter paardje speelde,
terwijl het voorspan dat stond aan te gapen alsof het er eenig idee
van had, om zoo aanstonds achterop te gaan staan. Een groot deel van
den weg lag over datgene wat men een Corduroyroad noemt; een weg die
hiervan wordt gemaakt, dat men blokken hout, soms heele boomstammen
in een moeras neersmijt, waar ze dan maar uit zich zelf vast moeten
gaan liggen. De lichtste van de schokken, waarmee de zware wagen van
't eene blok op 't andere viel, was genoeg, naar 't scheen, om al
de beenderen in 't menschelijk lichaam te hebben ontwricht. Het zou
dan ook onmogelijk zijn, in andere omstandigheden een dergelijke
reeks van gewaarwordingen te ondergaan, tenzij misschien als men
't eens ging probeeren, om per omnibus naar den top van de Paulskerk
te rijden. Nooit, nooit ofte nimmer was onze wagen dien dag een enkel
oogenblik in eenige stelling of soort van beweging, waar men in koetsen
gewoon aan is. Nooit ondervond men iets, dat zelfs in de verste verte
zweemde naar dat wat men gewoonlijk ondervindt onverschillig in wat
voor voertuig, dat op wielen gaat, men ook reize.

Niettemin, het was een mooie dag en liefelijk was de temperatuur, en
ofschoon wij den zomer achter ons gelaten hadden in 't Westen, en op
't punt stonden om de Lente te verlaten, waren we op reis naar den
Niagara en naar huis. Tegen den middag stapten we in een mooi bosch
af, dineerden op een omgevallen boom, en vervolgden weer vroolijk
onze reis, nadat we onze beste klieken achtergelaten hadden voor een
hutbewoner en onze slechtste voor de varkens (die, tot grooten troost
van ons commissariaat in Canada, als zandkorrels aan 't zeestrand
zoo talrijk, in deze landstreek aangetroffen worden.)



Toen de avond viel begon het pad al nauwer en nauwer te worden,
totdat het zich eindelijk zoo onder de boomen verloor, dat de voerman
instinctmatig zijn weg scheen te vinden. Ten minste hadden we den
troost te weten, dat er geen gevaar bestond dat hij in slaap zou
vallen, want ieder oogenblik kon een der wielen op zoo'n onzachte
manier in botsing komen met een ongezien blok hout, dat hij er als de
kippen bij moest wezen, om zich even gauw als stevig aan de leisels
vast te houden, wou hij niet pardoes van den bok tuimelen. Evenmin
behoefden we 'r bang voor te wezen, dat de paarden op hol zouden
raken; 't was al mooi genoeg voor de dieren om over zoo'n oneffen
weg stapvoets te rijden. En wat nu het schichtig worden betreft,
daar hadden ze geen ruimte voor: een kudde wilde olifanten kon in
zoo'n bosch, met zoo'n koets achter zich, niet aan 't hollen gegaan
zijn. Zoo sjokten we dan maar zonder de minste ongerustheid voort.



Deze boomstronken zijn een opmerkelijke bijzonderheid als men in
Amerika reist. De verschillende begoochelingen, die zij, zoodra het
maar donker wordt, het daaraan ongewone oog aanbieden, zijn waarlijk
verwonderlijk wat haar getal en werkelijkheid betreft. Nu eens
verbeeldt men zich, een Grieksche urn te zien die daar opgericht is in
't midden van een eenzaam veld; dan weer een vrouw weenende bij een
graf; nu eens een alledaagsch oud heer met een wit vest aan, met een
duim in elk armsgat van zijn jas gestoken; dan weer een student die
ijverig in een boek leest; nu eens een kruipenden neger, dan weer
een paard, of hond, of kanon, of gewapend man, of bochel die zijn
mantel afgooit en in 't licht aan komt stappen. Dikwijls vermaakte
ik me daarmee evenzeer als met zoo menig glas in een tooverlantaren,
en nooit namen ze die vormen aan op mijn bevel, maar schenen zich
tegen wil en dank bij me op te dringen; en hoe vreemd, niet waar? soms
herkende ik tegenhangers van figuren er in, die mij eens gemeenzaam
waren uit prentenboekjes, waar ik al lang niet meer om dacht.



Zelfs voor deze vermakelijkheid, werd het echter gauw te donker, en
zoo dicht stonden de boomen naast elkaar, dat hun droge takken aan
weerskanten tegen den wagen aan ratelden en ons allen noodzaakten,
onze hoofden niet uit het portierraampje te steken. Drie uur achter
elkaar weerlichtte het ook. Iedere bliksemflits was zeer helder,
blauw en lang, en daar de felle stralen door de dichte takken heen
schoten en de donder somber boven de kruinen der boomen rommelde,
dacht men er onwillekeurig om, dat er op zoo'n tijd betere buren
waren dan zulke dik begroeide wouden.

's Avonds tusschen tienen en elven daagden er echter een stuk of wat
flauwe lichten in de verte op, en Opper Sandusky, een Indiaansch dorp,
waar we tot den morgen zouden vertoeven, lag voor ons.

In de blokherberg, de eenige restauratie der plaats, lagen ze
al te bed, maar nauwelijks hadden we geklopt of ze stonden op en
haalden wat thee voor ons uit een soort van keuken of gelagkamer,
behangen met oude kranten, die tegen den muur waren aangeplakt. De
slaapkamer, die mijn vrouw en mij aangewezen werd, was een groot,
laag, spookachtig vertrek, met een massa dorre takken op den haard,
en twee deuren zonder de minste sluiting tegenover elkaar, waardoor
men den stikdonkeren avond en de woeste landstreek kon zien, en die
beide zoo gemaakt waren, dat de een altijd de ander open deed waaien:
een huisbouwkundige nieuwigheid, die ik me niet herinner vroeger gezien
te hebben, en waarvan de ontdekking me niet al te pleizierig stemde
toen ik in bed stapte, daar ik een aanzienlijke som in goud voor onze
reiskosten in een kistje bij me had. Maar doordien ik een en ander van
onze bagage voor de deur zette, was dit bezwaar gauw achter den rug,
en sliep ik dien nacht tegen alle verwachting vrij rustig.

Mijn Bostonner vriend kroop ergens op den zolder onder de dekens,
waar een andere logeergast al lag te snorken als een os. Maar daar
hij zoo vreeselijk gebeten werd dat hij 't niet langer uit kon houden,
stond hij weer op en zocht een goed heenkomen in den wagen, die voor
't huis stond te luchten. Politiek was deze stap niet, gelijk van
achteren bleek; want nauwelijks hadden de varkens de lucht van hem
gekregen, of ze zagen op de koets als een soort van pastei neer,
met een of andere vleeschspijs van binnen, met dat gevolg dat ze
'r zoo vreeselijk omheen liepen te knorren, dat hij bang was,
er uit te stappen, en er tot 's morgens in lag te trillen als een
juffrouws hondje. Ook kon men hem met den besten wil niet verwarmen
door middel van een glas brandewijn; want met een zeer goede en wijze
bedoeling verbiedt de Wetgevende macht aan de kroeghouders sterken
drank in Indiaansche dorpen te verkoopen, een voorzorg, die echter
volstrekt niet doeltreft, om de doodeenvoudige reden dat de Indianen
er wel raad op weten om zich van rondventers drank te verschaffen,
van slechter qualiteit en duurder prijs.

Deze plaats wordt door een nederzetting van de Wyandot-Indianen
bewoond. Onder 't gezelschap, waarmee we ontbeten, was een goedhartig
oud heer, die jarenlang gebruikt was geworden door de regeering
der Vereenigde Staten als bemiddelaar bij haar onderhandelingen met
de Indianen, en die juist een tractaat gesloten had met dit volk,
waarbij ze zich voor een zekere jaarlijksche som verbonden, om het
volgende jaar te verhuizen naar een zekere landstreek, bewesten den
Mississippi en een klein eindje achter St. Louis. Hij hing me een
aandoenlijk tafereel op van hun sterke verknochtheid aan de plaatsen
waar eenige herinneringen uit hun kinderlijken leeftijd aan verbonden
waren, en vooral aan de begraafplaatsen hunner nabestaanden. Ook gaf
hij me in niet minder treffende bewoordingen te kennen, hoe zij er
tegen opzagen, al dergelijke plaatsen vaarwel te moeten zeggen. Zulke
verhuizingen had hij meer dan eens bijgewoond, en altijd met tegenzin,
ofschoon hij wist dat zij tot hun eigen welzijn vertrokken. De vraag
of deze stam gaan zou of blijven, was een dag of drie geleden onder
hen besproken geworden in een opzettelijk voor dat doel opgerichte
hut, waarvan de blokken nog voor de herberg op den grond lagen. Toen
de beraadslagingen afgeloopen waren, werden de ja- en neen-stemmers
op twee rijen tegenover elkaar gezet, en bracht ieder volwassen man
op zijn beurt zijn stem uit. Zoodra de uitslag bekend was, onderwierp
de minderheid (een aanzienlijke minderheid) zich gewillig aan de rest
en onthield zich van den geringsten tegenstand.

Naderhand kwamen we sommige van deze arme Indianen op ruige hitten
tegen. Ze hadden zooveel weg van Zigeuners, dat, had ik er een stuk of
wat van in Engeland gezien, ik de gevolgtrekking zou gemaakt hebben,
als iets dat vanzelf sprak, dat ze tot dien omzwervenden en rusteloozen
volksstam behoorden.

Daar we deze stad terstond na ons ontbijt verlieten, zetten we onzen
tocht weer voort over een weg die zoo mogelijk nog slechter was dan
die van gisteren, en kwamen tegen den middag te Tiffin aan, waar we
met den "extra" vertrokken. Om twee uur gingen we per spoor; maar
aangezien ook deze weg alles behalve goed gemaakt, en de grond vochtig
en moerassig was, ging het reizen nog niet zeer vlug en kwamen we eerst
's avonds te Sandusky aan, doch nog juist bijtijds om daar te kunnen
dineeren. We stapten af aan een goed ingericht klein logement aan
den oever van 't Erie-Meer, sliepen daar dien nacht, en hadden geen
andere keus dan om tot den volgenden dag te wachten, totdat er een
stoomboot voor Buffalo op kwam dagen. De stad, die er nogal armzalig
uitzag, had wel iets van den achterhoek eener Engelsche badplaats,
als 't seizoen om is.

Onze kastelein, die er niet weinig op uit was om 't ons zoo gemakkelijk
mogelijk te maken, was een knap man van middelbaren leeftijd die naar
deze stad was toegekomen uit Nieuw Engeland, in welk gedeelte des
lands hij groot was gebracht. Als ik er nu melding van maak, dat hij
gedurig, met zijn hoed op, de kamer in- en uitliep; dat hij dan weer
staan bleef om op dezelfde vrijpostige manier met ons een praatje te
maken, of zoo lang als hij was op onze canapé ging liggen, de krant
uit zijn zak haalde en ze op zijn doode gemak las,--zie, dan maak ik
er alleen daarom gewag van, om den lezer eenigermate de eigenaardige
gewoonten des lands te doen kennen, en in de verste verte niet om mij
er over te beklagen als iets dat me eigenlijk hinderde. Thuis zou ik
me door dergelijke handelwijze ongetwijfeld beleedigd gevoeld hebben,
omdat het bij ons geen gewoonte is, en het in dat geval onbeschoft
zou mogen heeten; maar in Amerika koestert een goede, beste vent van
dit kaliber geen andere begeerte dan zijn gasten gastvrij en goed te
bedienen; en ik had niet meer recht, en gerust mag ik er bijvoegen
niet meer lust, zijn gedrag naar den Engelschen regel en standaard te
beoordeelen, dan met hem aan 't kijven te gaan, omdat hij niet precies
de lengte had, om opgenomen te kunnen worden bij de grenadiers van
de garde der Koningin. Even weinig trek had ik, om ruzie te maken met
een potsierlijke oude juffrouw, die een der eerste dienstboden van dit
etablissement was, en als ze ons bij den een of anderen maaltijd kwam
bedienen, op haar doode gemak plaats nam op den allergemakkelijksten
stoel en dan een bakerspeld voor den dag haalde om er haar tanden
mee uit peuteren, die kiesche plechtigheid zonder ophouden door
bleef verrichten en ons ondertusschen met alle deftigheid aankeek
(ons nu en dan aansporende om haar tafel wat meer eer aan te doen),
totdat het tijd was om op te staan en af te nemen. Het was ons genoeg,
dat men al wat we begeerden, even beleefd als prompt deed, ja, dat men
er zelfs op uit was, om, zooals men dat noemt, onze gedachten te raden.

Den dag na onze aankomst, een Zondag, gebruikten we wat vroeg ons
middagmaal, toen er een stoomboot in 't gezicht kwam en dadelijk aan
de kaai aanlag. Daar 't bleek dat ze op weg was naar Buffalo, repten
we ons zooveel mogelijk om aan boord te komen, en lieten spoedig
Sandusky ver achter ons. Ze was een groot schip van vijfhonderd ton
en fraai gestoffeerd, ofschoon met machines van hooge drukking,
iets waarbij ik altijd dat soort van gevoel had, dat ik, mijns
bedunkens, ondervinden zou, als ik eens op de eerste verdieping van
een kruitmolen logeerde. Ze had een lading meel in, waarvan een stuk
of wat vaten op dek waren opgeslagen. De kapitein, die naar boven kwam
om een praatje te houden en een vriend voor te stellen, ging als een
andere Bacchus met zijn voeten dwars over een dezer vaatjes zitten,
haalde daarop een groot knipmes uit zijn zak en begon het toen onder
't praten te schillen, door dunne spaandertjes van de randen af te
snijden. En dat schillen ging hem zoo fiks en zoo vlug van de hand,
dat, was hij niet heel gauw ergens anders geroepen geworden, van 't
heele vaatje niets anders zou overgebleven zijn dan meel en spaanders.

Nadat we aangelegd hadden aan een paar vlakke plaatjes, met lage
dijken die zich in 't meer uitstrekten, waar, evenals windmolens zonder
zeilen, plompe vuurtorens op stonden (een tooneel dat veel weghad van
een Hollandsch vignet), kwamen we 's nachts om twaalf uur te Cleveland
aan waar we den heelen nacht en tot 's morgens negen uur bleven liggen.

Ik was nogal nieuwsgierig ten opzichte van deze plaats. Men moet
namelijk weten, dat ik te Sandusky een proeve van haar letterkunde
gezien had in den vorm eener krant, die zich ijselijk druk maakte naar
aanleiding van Lord Ashburton's jongste aankomst te Washington, om de
geschilpunten te regelen tusschen de regeering van de Vereenigde Staten
en Groot-Brittannië, en ziehier nu wat ze haar lezers deed opmerken:
had Amerika, toen het nog de kinderschoenen aanhad, Engeland afgerost,
en het nog eens afgerost in zijn jeugd, nu was het klaarblijkelijk
noodig, dat het, thans op rijper leeftijd gekomen, Engeland nog eens
afroste. Daarbij gaf ze allen echten Amerikanen de verzekering, dat,
als mijnheer Webster maar zijn plicht deed in de ophanden zijnde
onderhandelingen en den Engelschen lord een, twee, drie naar huis
stuurde, zij, de Amerikanen, binnen twee jaar "Yankee Doodle zouden
zingen in Hyde Park, en Hail Columbia in de scharlakenroode zalen van
Westminster!" Ik vond het een aardige stad en had het genoegen het
bureau te zien, wel te verstaan van buiten, van 't dagblad waar ik
zoo even gewag van gemaakt heb. Maar het onuitsprekelijke genoegen om
den verstandigen kop te aanschouwen uit wiens brein de bovenvermelde
volzinnen voortkwamen, smaakte ik helaas niet. Ik twijfel er echter
geen oogenblik aan of in zijn soort is hij een genie, een man die
bij een uitgezochten kring zeer in tel is.

Er was een heer aan boord, wien ik zonder het te willen of te weten
veel hartzeer scheen te veroorzaken. Toevallig vernam ik het door
't dunne beschot dat onze staatsiehut scheidde van de kajuit waar
hij en zijn vrouw samen zaten te praten. Waar 't vandaan kwam, weet
ik niet, maar 't scheen dat hij me maar niet uit zijn gedachten kon
verzetten en danig het land aan me had. Het eerste van al wat ik
hem hoorde zeggen (en het grappigste van de zaak was, dat hij het
me niet directer had kunnen meedeelen, al had hij op mijn schouders
geleund en 't me ingefluisterd), het eerste nu van al wat ik hem
hoorde zeggen, was: "Boz is nog aan boord, lieve." Na een vrij lange
pauseering voegde hij er op stenenden toon bij: "Boz laat zich in
't geheel niet zien," iets wat maar al te waar was, want ik was niet
al te wel en lag met een boek in mijn hand te bed. Nu dacht ik,
dat hij me met rust zou laten, maar jawel! Alweer verliep er een
minuut of wat, in welken tusschentijd ik mij verbeeld dat hij erg
aan 't woelen zal gegaan zijn en zijn best zal gedaan hebben om den
slaap te vatten, daar barstte hij opnieuw in een jammerklacht uit:
"Weet je wat ik denk? Boz is bezig met een boek te schrijven en zet
er al onze namen in," op welke denkbeeldige gevolgtrekking van zich
aan boord te bevinden met Boz hij steende en stil werd.

Dien avond kwamen we om acht uur aan de stad Erie aan, en vertoefden
daar een uur. 's Morgens tusschen vijven en zessen arriveerden we te
Buffalo, waar we ontbeten en daar we al te dicht waren bij de Groote
Watervallen om geduldig ergens anders te wachten, spoorden we nog
dienzelfden morgen om negen uur naar den Niagara.

Het was een ellendige dag. Koud en guur was het weer; er viel een natte
mist, en kaal en winterachtig zagen de boomen er in die noordelijke
streek uit. Waar de trein ook stopte, luisterde ik naar 't gebruis,
en gestadig keek ik den kant uit, waar ik wist dat de watervallen
moesten zijn, daar ik de rivier in die richting zag stroomen. En zoo
verwachtte ik ieder oogenblik het schuim te zullen zien. Een paar
minuten voordat we stopten, niet vroeger, zag ik twee groote witte
wolken, die langzaam en statig uit de diepten der aarde oprezen. Dit
was alles. Ten laatste stapten we af; en toen hoorde ik voor 't eerst
het geweldig gebruis van water, en voelde ik den grond onder mijn
voeten dreunen.

De oever is zeer steil, en was glibberig van regen en half gesmolten
ijs. Ik weet ternauwernood hoe ik beneden kwam, maar 't duurde niet
lang of ik was op den bodem, en doof van 't geweld, half blind van
't schuim en kletsnat klauterde ik met twee officieren, die zich bij
me aangesloten hadden, over een stuk of wat gebroken rotsen heen,
en zie, we waren aan den voet van den Amerikaanschen waterval. Ik kon
een onmetelijken waterstroom van een zekere groote hoogte eensklaps
af zien bruisen, maar had geen idee van vorm of ligging, of van wat
dan ook, behalve van onbepaalde onmetelijkheid.

Toen we in 't kleine overhaalbootje zaten en de gezwollen rivier
vlak tegenover beide watervallen overstaken, begon ik te voelen wat
het was; maar zoo bedwelmd was ik dat ik den omvang van 't tooneel
niet begrijpen kon. Eerst toen ik aan de Tafelrots kwam en daar,
Groote Hemel, wat 'n val van licht groen water voor me zag!--eerst
toen deed het zich in al zijn macht en majesteit aan mij voor.

En toen 'k nu voelde, hoe dicht ik bij mijn Schepper stond, was
de eerste en de blijvende uitwerking van 't ontzagwekkend tooneel
Vrede. Zielevrede: Rust: Kalme herinneringen aan de Dooden: Groote
gedachten van Eeuwige Rust en Geluk: niets wat naar Somberheid of
Schrik geleek. Neen, Niagara was op eens in mijn hart afgedrukt
als een Beeld der Schoonheid, om daar te blijven onveranderlijk en
onuitwischbaar, tot zijn slagaderen voor altijd ophouden te kloppen.

O, hoe week de strijd en moeite van ons dagelijksch leven al meer en
meer op den achtergrond, gedurende de tien gedenkwaardige dagen die
wij op dien betooverenden grond doorbrachten! Wat al stemmen spraken
van uit het donderende water; wat al van de aarde verdwenen gezichten
keken mij van uit zijn flikkerende diepten aan; wat hemelsche belofte
glinsterde in de engeltranen, de veelkleurige droppelen, die in de
rondte neerstroomden en zich kronkelend vereenigden met de prachtige
bogen die de steeds afwisselende regenbogen vormden!

In al dien tijd bewoog ik me geen enkel oogenblik van de Canadasche
zijde, waar ik 't eerste naar toe gegaan was; en nooit stak ik de
rivier weer over, want ik wist, dat er aan den overkant menschen
waren en op zoo'n plaats is 't natuurlijk dat men vreemd gezelschap
mijdt. Den ganschen dag heen en weer te loopen, en de watervallen
uit alle gezichtspunten te beschouwen; aan den rand te staan van den
Great Horse Shoe-Val en 't dan op te merken hoe het zich reppende
water kracht schijnt te verzamelen als 't den rand nadert, maar ook
een oogenblik schijnt te wachten voor en aleer het zich werpt in den
afgrond daar beneden; van de effen watervlakte starend op te zien
naar den vloed, zooals die naar beneden stroomt; de naburige hoogten
te beklimmen en den val door de boomen te bespieden en te zien hoe
het water zich al draaiend en kronkelend haast, om zoo aanstonds met
vreeselijk gedruisch omlaag te ploffen, te drentelen in de schaduw der
statige rotsen drie mijlen beneden, en dan de rivier gade te slaan,
zooals ze, door geen zichtbare oorzaak in beweging gebracht, zwol
en draaide en de echo's wakker maakte; de Niagara voor me te hebben,
verlicht door de zon en door de maan, rood als de zon van lieverlede
ondergaat en grauw als de avond langzaam invalt; er alle dag naar te
kijken, en 's nachts wakker te worden en zonder ophouden zijn stem
te hooren: dit was genoeg.

En telkens als het thans rustig om mij heen is in de natuur, denk ik
er aan, dat diezelfde wateren nog altijd rollen en springen, en den
ganschen dag bruisen en ruischen. Dan denk ik er aan, dat, schijnt
de zon er op, ze glinsteren en blinken als gesmolten goud, en dat,
bij somber weer, ze als sneeuwvlokken neervallen of als het voorste
gedeelte van een grooten krijtberg schijnen af te brokkelen of als
dichte witte rook langs de rots schijnen af te rollen. Doch altijd
schijnt de machtige stroom te sterven als hij naar beneden komt, en
altijd verrijst uit zijn onpeilbaar graf dat schrikkelijk spook van
schuim en damp, dat nooit verdwenen is maar altijd door is blijven
spoken met dezelfde ontzettende plechtigheid sedert de Duisternis
broedde over de diepte en die eerste stroom voor den Zondvloed--het
Licht--op Gods woord zich over de schepping kwam verspreiden.



XV.

CANADA TEGENOVER DE VEREENIGDE STATEN.

    IN CANADA; TORONTO; KINGSTON; MONTREAL; QUEBEC; ST. JOHN'S. WEER
    IN DE VEREENIGDE STATEN; LIBANON; HET KWAKERDORP EN WEST POINT.


Ik wensch er mij van te onthouden, de geringste vergelijking te maken
of eenige parallel te trekken tusschen de kenmerkende eigenschappen van
't maatschappelijke leven der Vereenigde Staten en die van de Britsche
bezittingen in Canada. Om deze reden zal ik me dan ook bepalen bij
een zeer kort verslag van onze uitstapjes naar 't laatstgenoemde
grondgebied.

Maar voordat ik den Niagara verlaat, moet ik op een zekere stuitende
omstandigheid wijzen, die bezwaarlijk ontsnapt kan zijn aan de aandacht
van elken fatsoenlijken reiziger die de watervallen bezocht heeft.

Op de zoogenaamde Tafelrots staat een hut, die aan een gids behoort,
waar kleine relieken van de plaats verkocht worden en bezoekers
hun namen schrijven in een boek dat er expres voor dat doel op na
wordt gehouden. Op den muur der kamer, waar een groote menigte van
deze boeken bewaard worden, is het volgende verzoek aangeplakt: "De
bezoekers worden verzocht, van de aanteekeningen en dichterlijke
ontboezemingen uit de hier gehouden registers en albums noch
afschriften noch uittreksels mede te nemen."

Zonder dien zijdelingschen wenk had ik ze laten liggen op de tafels,
waar ze evenals boeken in een gezelschapskamer, met zorgvuldige
nalatigheid door elkaar verspreid lagen,--ik had toch rijkelijk genoeg
aan de verbazende zouteloosheid van zekere verzen met een anticlimax
aan 't einde van ieder couplet, die in lijstjes gezet en aan den
muur opgehangen waren. Maar daar dat bericht mijn nieuwsgierigheid
geprikkeld had om eens te gaan zien, wat voor geestesproducten zoo
zorgvuldig bewaard werden, sloeg ik een stuk of wat bladen om en vond
ze toen volgekrabbeld met de vuilste en smerigste liederlijkheid,
waar tweevoetige zwijnen ooit schik in hadden.

Is 't nog niet vernederend genoeg te weten, dat er onder menschen
zulke liederlijke en nietswaardige dieren gevonden worden, dat ze
'r schik in kunnen hebben, hun ellendige profanatiën tot zelfs op de
trappen van 't grootst altaar der Natuur neer te leggen?! Maar dat
deze zwijnerijen ten pleiziere van hun medezwijnen opgehoopt en op een
openbare plaats bewaard worden, waar aller oogen ze kunnen zien, kijk,
dat is een schande voor de Engelsche taal, waar ze in geschreven zijn
(ofschoon ik hoop dat maar weinig Engelschen zich aan die vuilheid
hebben schuldig gemaakt) en een verwijt voor den Engelschen kant waar
ze bewaard worden.

De kwartieren van onze soldaten bij den Niagara zijn mooi en luchtig
gelegen. Sommige daarvan zijn groote op zichzelf staande huizen op
de vlakte boven de watervallen, die oorspronkelijk voor logementen
bestemd waren; en 's avonds als de vrouwen en kinderen over de balkons
leunden om naar de mannen te kijken, die op 't gras voor de deur aan
't ballen en met andere spelen bezig waren, leverden ze dikwijls
zoo'n vroolijk en opgewekt, tafereeltje op, dat het een pleizier was,
dien weg langs te komen.

Het spreekt van zelf, dat er op elke garnizoensplaats, waar de
demarcatielijn tusschen het eene land en het andere zoo allersmalst is
als bij den Niagara, menigmaal gevallen van desertie voor moeten komen,
en redelijkerwijs mag men veronderstellen, dat, koesteren de soldaten
de wildste en dolste verwachtingen dat daar aan den overkant fortuin
en onafhankelijkheid voor hen weggelegd zijn, de impulsie om den
verrader te spelen, die zoo'n plaats laaghartige gemoederen instort,
er niet zwakker op wordt. Maar zelden, uiterst zelden gebeurt het,
dat de menschen, die deserteeren, naderhand gelukkig zijn en 't naar
hun zin hebben. Er zijn zelfs voorbeelden van in menigte, dat ze hun
smartelijke teleurstelling bekend en meteen hun ernstige begeerte
te kennen gegeven hebben, om tot hun ouden dienst terug te keeren,
als ze maar verzekerd konden zijn van pardon of ten minste van een
lichte straf. Verscheidene hunner kameraden maken er zich echter af
en toe schuldig aan; en voorvallen van soldaten, die bij hun pogingen
om de rivier over te zwemmen er het hachje bij inschieten, behooren
waarlijk niet onder de zeldzaamheden. Het is nog niet zoo lang geleden,
dat verscheidene mannen jammerlijk verdronken toen ze probeerden om
naar den overkant te zwemmen, en een, die de dolheid had om zich op
een tafel als op een vlot te vertrouwen, werd naar de draaikolk heen
gesleurd, waar zijn gehavend lijk dagen achtereen ronddraaide.

Ik voor mij geloof, dat men het gedruisch der watervallen erg
overdreven heeft voorgesteld, en dat zal des te waarschijnlijker
voorkomen, als men de diepte der groote kom, waar het water in
opgevangen wordt, in aanmerking gelieft te nemen. Zoolang wij ons
hier ophielden was de wind geen enkel oogenblik hoog of onstuimig,
en toch hebben we op een afstand van drie mijlen dat gedruisch nog
nooit gehoord, zelfs niet bij zonsondergang, wanneer alles zoo rustig
om ons heen was en wij onze ooren terdege spitsten.

Queenston, vanwaar de stoombooten naar Toronto afvaren (of ik moest
liever zeggen waar ze stoppen, want hun aanlegplaats is te Lewiston
aan den overkant), Queenston ligt in een liefelijk dal, waardoor de
Niagara, donkergroen van kleur, haar loop voortzet. Men komt aan deze
plaats langs een weg, die zich slingert onder de hoogten waar de stad
door beschut wordt, en levert, van dit punt gezien, een buitengewoon
mooi en schilderachtig gezicht op. Op de verhevenste dezer hoogten
stond een gedenkteeken opgericht door de Provinciale Vergadering ter
eere van generaal Brock, die, na de overwinning te hebben behaald
in een gevecht met de Amerikaansche legermacht sneuvelde. De een of
andere vagebond--men veronderstelt dat het een deugniet, een zekere
Lett is, die nu zit, althans nog onlangs wegens een zwaar vergrijp
in de gevangenis was--deze nu heeft dit monument voor een paar jaar
in de lucht doen vliegen, zoodat het thans een nare puinhoop is met
een lang stuk van een ijzeren leuning, dat er boven aan hangt, en
evenals een wilde klimoptak of geknotte wijngaardrank heen en weer
slingert. Het is van veel hooger gewicht dan men bij oppervlakkige
beschouwing zou veronderstellen, dat dit standbeeld op algemeene
kosten weer hersteld wierd, iets wat trouwens al sinds lang had
moeten geschieden. Ten eerste, omdat het beneden de waardigheid van
Engeland is, een gedenkteeken, dat ter eere van een zijner verdedigers
op de plaats zelve waar hij stierf opgericht is geworden, in dezen
toestand te laten. Ten tweede, omdat het gezicht van dat gedenkteeken
in zijn tegenwoordigen toestand, en de herinnering aan de ongestrafte
beleediging die daarvan de oorzaak was, waarlijk niet zeer geschikt
is, om beter gevoelens onder de hier wonende Engelsche onderdanen aan
te wakkeren of hun twisten en oneenigheden over de grensbepaling bij
te leggen.



Ik stond hier op de kaai naar de passagiers te kijken, die zich
inscheepten in een stoomboot, die de door ons verwachte boot voorafging
en deelde in de ongerustheid waarmee een sergeantsvrouw haar armzalig
boeltje bij elkaar legde. Strak hield ze haar eene afgetrokken oog
gevestigd op de kruiers, die haar goed aan boord gooiden, en haar
andere op een waschtobbe zonder hoepels, waar ze, al was het ook
het geringste stuk van haar huisraad, bijzonder veel van scheen te
houden. Ondertusschen kwamen er een stuk of vier soldaten met een
milicien aan, die aan boord gingen.

De milicien was op 't oog nog piepjong, stevig gebouwd en welgemaakt,
maar alles behalve nuchter, ja had zelfs al het voorkomen van iemand
die dagen achtereen min of meer beschonken was geweest. Hij droeg een
klein bundeltje over zijn schouder dat aan 't end van een wandelstok
was vastgemaakt, en had een korte pijp in zijn mond. Hij was even
stoffig en vuil als miliciens gewoonlijk zijn, en aan zijn schoenen kon
men zien, dat hij al een aardig eindje te voet had afgelegd. Niettemin,
hij had niet weinig schik in zijn leven. Zoo schudde hij den eenen
soldaat de handen, en klopte een ander op zijn rug, en praatte en
lachte onophoudelijk, kortom maakte een drukte als een dartele,
speelsche keffer.

De soldaten lachten eerder om dezen vroolijken snuiter dan met hem, en
zooals ze daar hun rottingen recht stonden te buigen en hem koeltjes
aankeken, schenen ze wel te zeggen: "ga je gang maar, jongelief,
doe maar net of je thuis bent! langzamerhand zal je wel ontgroend
worden".... daar viel de nieuweling, die in zijn brooddronkenheid
achteruit naar 't gangboord geloopen was, voor hun oogen pardoes in
't water en spartelde niet zoo'n klein beetje in de rivier tusschen
't schip en 't dok.

Nooit zag ik iets dat me zoo goeddeed als de verandering die ik op
eens bij deze soldaten bespeurde. Bijna voordat de man er in lag, was
al hun stijfheid en stroefheid, hun stand zoo eigen, in een ommezien
verdwenen, en legden ze de grootste geestkracht aan den dag. In minder
tijd dan vereischt wordt om 't te vertellen, hadden ze hem er weer uit,
eerst de voeten, met de panden van zijn jas die hem over zijn oogen
fladderen, terwijl alles hem verkeerd aan 't lijf hing en het water
uit iederen draad van zijn kaalgesleten kleeren stroomde. Maar op
't zelfde oogenblik dat ze hem op de been hadden geholpen en merkten
dat alles goed afgeloopen was, waren ze weer soldaten en keken stijver
en strakker dan ooit.

De halfontnuchterde milicien keek een oogenblik rond, alsof de eerste
opwelling bij hem dit was, zijn redders te bedanken, maar toen hij
zag hoe doodonverschillig zij er bij stonden en dezelfde soldaat,
die zich het drukst bij de karwei geweerd had, hem met een vloekwoord
zijn natte pijp terug gaf, toen stak hij ze in zijn mond, stopte zijn
handen in zijn vochtige zakken en ging, zonder zelf het water uit zijn
kleeren te schudden, al fluitend op en neer loopen, precies alsof er,
ik zal niet zeggen niets gebeurd was, maar alsof hij 't voor de grap
gedaan had en de grap hem volkomen was gelukt.

Zoodra deze boot weg was, kwam de onze aanstoomen en bracht ons gauw
naar de monding van de Niagara, waar de sterren en strepen van Amerika
aan den eenen kant wapperen en Engelands nationale vlag aan de andere
zij: en zoo nauw is de ruimte tusschen hen, dat de schildwachten in
ieder fort dikwijls elkaars parool kunnen verstaan. Vandaag stoomden
wij het meer Ontario in, een binnenlandsche zee, en waren tegen
halfzeven te Toronto.

Daar de landstreek rondom deze stad zeer vlak is, treft men er ook geen
opmerkelijke natuurtooneelen aan, maar de stad zelf is vol leven en
beweging, en draagt alle kenmerken dat er veel om- en vooruitgaat. De
straten zijn goed geplaveid en met gas verlicht, de huizen groot en
goed; de winkels uitmuntend. In verscheiden winkels was de uitstalling
van dien aard dat men 't op de drukste plaatsen van Engeland niet
beter kan vinden; sommige magazijnen zouden zelfs de hoofdstad niet
ontsieren. Er is een goede steenen gevangenis hier, buitendien een
mooie kerk, een gerechtshof, openbare bureaux, tal van geriefelijke
particuliere woningen, en een gouvernements-observatorium om de
magnetische veranderingen op te teekenen en er vervolgens verslag van
uit te brengen. In 't college van Opper Canada, een van de openbare
instellingen der stad, wordt een gezond onderwijs gegeven in alle
vakken die tot een beschaafde opvoeding behooren. Het leergeld is
zeer matig gesteld. Iedere leerling betaalt namelijk jaarlijks niet
meer dan hoogstens negen pond sterling. Deze school is nogal rijk in
land en bekleedt onder de nuttige maatschappelijke instellingen een
eervolle plaats.

't Was maar een dag of wat geleden, dat de gouverneur-generaal den
eersten steen had gelegd van een nieuwe school. Het zal een fraai,
ruim gebouw worden, met een lange laan tot toegang, die al geplant is
en als een openbare wandelplaats zal gebruikt worden. De stad is wel
geschikt voor een gezonde beweging in elk seizoen, want de voetpaden
in de passages, die achter de hoofdstraat liggen, zijn met planken
beschoten evenals een vloer en worden goed en zindelijk onderhouden.

Wel is het grootelijks te bejammeren, dat staatkundige geschillen
te dezer stede zoo hoog kunnen loopen, dat ze de allertreurigste en
allernadeeligste gevolgen hebben. Zoo is 't nog niet lang geleden,
dat er uit een raam geschoten werd op de gelukkige candidaten bij een
verkiezing, bij welke gelegenheid de koetsier van een hunner een schot
in zijn lijf kreeg, dat Goddank! niet doodelijk afliep. Maar er was één
man, die bij dezelfde gelegenheid gedood werd, en van 't zelfde raam
waar hij het doodelijk schot uit ontving, werd dezelfde vlag die zijn
moordenaar beschermde (niet alleen in de uitvoering zijner misdaad,
maar zelfs tegen haar gevolgen) opnieuw uitgestoken bij gelegenheid
dat de openbare plechtigheid waar ik zoo even op gezinspeeld heb,
door den gouverneur-generaal geleid werd. Van al de kleuren in den
regenboog is er maar één, die zóó gebruikt kon worden: ik behoef niet
te zeggen dat die vlag de oranje-vlag was.



Van Toronto vertrekt men 's middags naar Kingston. Den volgenden morgen
is de reiziger om acht uur aan 't eind zijner reis, die per stoomboot
afgelegd wordt op 't meer Ontario. De boot legt te Port Hope en Coburg
aan. Deze laatste plaats is een vroolijk en bedrijvig stadje. Ook de
lading dezer schepen bestaat voornamelijk uit meel. Zoo hadden wij
tusschen Coburg en Kingston niet minder dan duizend tachtig vaatjes
aan boord.



Kingston, thans de zetel der regeering in Canada, is een armzalige
stad, die er nog armzaliger uitziet, omdat er onlangs een brand geweest
is, die op haar marktplein nogal wat verwoestingen heeft aangericht. Ja
waarlijk van Kingston mag gezegd worden, dat de eene helft er van
verbrand schijnt te zijn en de ander helft niet schijnt opgebouwd te
worden. Het gouvernementsgebouw is noch sierlijk noch gemakkelijk,
en toch is 't het eenige huis van eenig gewicht in de buurt.



Men vindt hier een uitmuntende gevangenis, die met veel beleid bestuurd
wordt en waarvan de inrichting in ieder opzicht voortreffelijk mag
heeten. De mannen worden er aan 't werk gezet als schoenmakers,
touwslagers, grofsmeden, kleermakers, timmerlui en steenhouwers;
ook waren er sommige bezig met het bouwen van een nieuwe gevangenis,
die op een kleinigheid na af was. De vrouwelijke gevangenen waren
met naaiwerk in de weer. Onder haar was een mooi twintigjarig meisje,
dat er al bijna drie jaar geweest was. Tijdens den opstand in Canada
diende zij als overbrengster van geheime depêches voor de zoogenaamde
Patriotten op Navy Island, bij welke gelegenheid zij nu eens als
een meisje gekleed was en dan de depêches in haar korset verstopte,
dan weer jongenskleeren droeg en ze tusschen de voering van haar
hoed verborg. In dit laatsten karakter reed ze altijd zoo goed als
de beste jongen, iets wat niets voor haar was, want ze kon rijden
tegen den besten, ja kon met de zweep in de hand zelfs een vierspan
mennen. Op een harer patriottische zendingen eigende zij zich het
eerste het beste paard toe, dat ze machtig kon worden, welke daad
haar daar bracht waar ik ze nu zag. Zij had een allerliefst gezicht,
ofschoon er, gelijk de lezer uit deze schets van haar geschiedenis op
kan maken, een duiveltje in haar helder oog op de loer lag, waarmee
ze nogal scherp tusschen de tralies van haar gevangenis zat te gluren.

Er is hier een verbazend sterk bomvrij fort, waarvan de positie
uitnemend is, en dat zonder twijfel in oorlogstijd van grooten dienst
zou zijn, ofschoon 't mij voorkomt dat de stad te dicht bij de grenzen
ligt om in zoo'n tijd lang aan zijn doel te beantwoorden. Ook vindt men
hier een kleine marine-werf, waar een paar gouvernements-stoombooten
gebouwd werden, iets wat daar vlug van de hand scheen te gaan.

's Morgens om halftien vertrokken we van Kingston naar Montreal, en
stoomden de St. Laurentius-rivier af. Bezwaarlijk kan men zich een
denkbeeld vormen van de schoonheid van dezen edelen stroom op bijna
ieder punt, maar voornamelijk in 't begin dezer reis, als hij zich
te midden van al die honderden eilanden heenslingert. Het getal en
gestadig voor den dag komen van deze eilanden, alles groen en verbazend
houtrijk; hun afwisselende omvang, zoodat sommigen zoo groot zijn,
dat ze een half uur lang den overkant der rivier schijnen te wezen, en
sommigen zoo klein dat ze louter kuiltjes zijn in haar breeden boezem;
hun oneindige verscheidenheid van vormen, en de ontelbare mengelingen
van schoone vormen die de daarop groeiende boomen aanbieden: dat
alles maakt een schilderij uit, die geen alledaagsch genot oplevert.

In den namiddag schoten we langs eenige snelvlietende punten naar
beneden, waar de rivier op een vreemde manier kookte en borrelde en
de plotselinge heftigheid van den stroom geweldig was. Om zeven uur
bereikten we de landingsplaats van Dickenson, van waar de reizigers een
uur of drie per diligence reizen, daar de rivier hier zoo snel vliet,
dat het te gevaarlijk en te moeielijk zou wezen voor de stoombooten,
om hier den overtocht te wagen. Het getal en de lengte dier portages,
waarover slechte wegen loopen en het reizen dus langzaam gaat, maken
den weg tusschen de steden Montreal en Kingston min of meer vervelend.

Onze weg lag over een wijde, open landstreek op een kleinen
afstand van den rivieroever, van waar de helder waarschuwende
lichten op de gevaarlijke punten van de St. Laurentius-rivier
ons tegenglinsterden. Donker en guur was de avond, en de weg nogal
eentonig. Het was bij tienen toen we aan den steiger kwamen, waar de
volgende stoomboot lag. Hier gingen we aan boord, en naar bed.

Zij lag daar dien ganschen nacht, en vertrok zoodra de dag aanbrak. De
morgen werd ingewijd met een geweldigen donderstorm en was erg nat,
maar van lieverlede klaarde het weer op. Toen ik na 't ontbijt op
dek ging, keek ik vreemd op, een reusachtig vlot, met een stuk of
veertig houten huizen er op, en ten minste met even zooveel masten,
met den stroom naar beneden te zien drijven, zoodat het wel iets
weghad van een straat op zee. Naderhand zag ik verscheidene van deze
vlotten, maar nooit een dat zoo groot was. Al het timmerhout ("lumber"
noemt men dit in Amerika), dat de St. Laurentius-rivier passeert,
wordt op deze manier gevlot. Bereikt nu zoo'n vlot de plaats zijner
bestemming, dan wordt het opgebroken, het materieel verkocht, en de
vlotters keeren huiswaarts, om nieuwe vracht te halen.

Om acht uur landden we weer, en reisden vier uur achtereen per
diligence door een liefelijke en welbebouwde streek, die er in ieder
opzicht geheel op zijn Fransch uitzag: de hutten; de houding, taal
en kleeding van den boerenstand; de uithangborden voor de winkels en
kroegen; nissen met Mariabeelden er in, en kruisen langs den weg. Bijna
iedere gemeene landbouwer en jongen, al had hij geen schoenen aan zijn
voeten, droeg een sjerp van de een of andere lichte kleur om zijn
middel: gewoonlijk rood; en de vrouwen, die aan de velden en tuinen
werkten en daar allerlei arbeid verrichtten, hadden altemaal groote
platte stroohoeden op met allerbreedste randen. Er waren Roomsche
priesters en liefdezusters in de dorpsstraten; en beeltenissen van
den Zaligmaker aan de hoeken van kruisstraten en op andere publieke
plaatsen.

's Middags gingen we aan boord van een andere stoomboot, en bereikten
tegen drieën het dorp Lachine, negen mijl van Montreal. Daar verlieten
we de rivier en gingen over land.

Montreal ligt heel aardig aan den oever der Laurentius-rivier en heeft
van achteren een stuk of wat beduidende hoogten, waar bekoorlijke rij-
en wandelwegen zijn aangelegd. Over 't algemeen zijn de straten nauw
en onregelmatig, zooals in de meeste Fransche steden die een beetje
oud zijn; maar in de nieuwere gedeelten zijn ze wijd en luchtig. De
winkels, die men daar aantreft bieden nogal wat verscheidenheid aan en
zijn heel goed, en zoowel in de stad als in de voorsteden zijn tal van
uitmuntende particuliere woningen. De granietsteenen kaaien vallen in
't oog door hun schoonheid, stevigheid en uitgebreidheid.

Er bevindt zich hier een zeer groote Roomsche hoofdkerk, die eerst
onlangs is gebouwd, met twee slanke torenspitsen, waarvan de eene
nog niet af is. Op de open ruimte voor dit gebouw staat geheel op
zich zelf een sombere vierkante steenen toren, die er erg vreemd
en in 't oogloopend uitziet, weshalve de wijsneuzen der plaats dan
ook besloten hebben, hem onmiddellijk onder den voet te halen. Het
gouvernementsgebouw is veel beter dan dat te Kingston, en de stad
vol leven en vertier. In een der voorsteden is een planken weg--geen
voetpad--die een mijl of zes lang is, en een weg waar wat omgaat
ook. Al de rijwegen in den omtrek waren hier eens zoo druk geworden
door 't invallen der lente, die hier zoo op eens verschijnt, dat men
als 't ware binnen een dag uit den barren winter de bloeiende jeugd
des zomers voor zich ziet.

De stoombooten op Quebec leggen de reis 's nachts af; dat is te zeggen,
's avonds om zes uur verlaten ze Montreal en den volgenden morgen om
zes uur zijn ze te Quebec. Tijdens ons oponthoud te Montreal (dat ruim
veertien dagen duurde) hebben we dit uitstapje eenmaal gedaan, en waren
verrukt door al het belangwekkende en schoone, dat we daar aantroffen.

Met zijn duizelingwekkende hoogten, zijn citadel die als 't ware in
de lucht hangt, zijn schilderachtige steile straten en dreigende
poortwegen en de prachtige gezichten waar telkens en telkens weer
het oog op stuit, is de indruk, dien dit Gibraltar van Amerika op den
bezoeker maakt, èn eenig in zijn soort èn duurzaam. Het is een plaats
die niet vergeten, of in onzen geest met andere plaatsen verward, of
maar een enkel oogenblik in gewicht verminderd kan worden te midden
van de massa tooneelen die een reiziger in zijn geheugen terug kan
roepen. Daargelaten de werkelijkheden dezer allerschilderachtigste
stad, hechten er zich zooveel belangrijke herinneringen aan, dat het
zelfs een woestijn belangwekkend zou maken. De gevaarlijke afgrond,
bij welks rotsachtig front Wolfe en zijn dappere metgezellen het pad
der glorie beklommen; de Vlakten van Abraham, waar hij zijn doodelijke
wond ontving; de vesting, door Montcalm zoo ridderlijk verdedigd; en
het graf van zijn soldaat, door 't springen van een bom nog tijdens
zijn leven voor hem gedolven, ziedaar eenige van de herinneringen,
die waarlijk niet onder de onbeduidendste kunnen gerekend worden,
maar integendeel tot de gewichtigste episoden der geschiedenis
behooren. Meteen is dat een edel Gedenkteeken, en twee groote Natiën
waardig, dat de nagedachtenis van beide dappere generaals vereeuwigt
en waar hun namen gezamenlijk op gegriffeld staan.

De stad is rijk in openbare instellingen, en in Roomsche kerken en
gestichten van liefdadigheid, maar 't is voornamelijk in 't gezicht,
dat men van 't oude Gouvernementsgebouw en van de Citadel geniet, dat
haar weergalooze schoonheid gelegen is. De even voortreffelijke als
uitgebreide landstreek, rijk in akkers en in bosschen, in berghoogten
en in water, die daar voor u ligt, terwijl mijlen ver Canadasche
dorpen u tegenglinsteren in lange witte strepen, evenals aderen
die door 't landschap loopen; de bonte massa spitse gevels, daken,
schoorsteentoppen in de oude heuvelachtige stad onmiddellijk bij de
hand; de schoone St. Laurentius-rivier vonkelend en flikkerend in de
zon; en de nietige schepen, daar onder aan de rots vanwaar ge het
tooneel aanstaart, waarvan de tuigage, op zoo'n afstand beschouwd,
wel iets wegheeft van spinnewebben, terwijl de groote en kleine vaten
op hun dekken tot speelgoed inkrimpen en aan den gang zijnde matrozen
zooveel poppetjes worden; dit alles, omlijst als het is door een
ingezakt raam in de vesting en beschouwd van uit de beschaduwde kamer
daarbinnen, het vormt een der helderste en bekoorlijkste schilderijen
waar 's menschen oog op rusten kan.

In 't voorjaar trekken groote massa's landverhuizers die onlangs uit
Engeland of Ierland kwamen, tusschen Quebec en Montreal door, op hun
weg naar de zwarte wouden en nieuwe nederzettingen van Canada. Is het
(gelijk ik heel dikwijls ondervonden heb) een aardig tijdverdrijf,
als men 's morgens op de kaai te Montreal rondslentert en ze dan
bij groepen van honderden op de steigers ziet bij hun kisten en
koffers,--een allerbelangrijkste zaak mag het heeten, hun medepassagier
te zijn op een dezer stoombooten en, vermengd onder den grooten hoop,
ze dan onopgemerkt gade te slaan.

Het schip, waarmee we van Quebec naar Montreal terugkeerden,
krioelde van dat soort volkje, en 's nachts spreidden zij hun bedden
tusschendeks (zij althans, die een bed rijk waren) en sliepen zoo
vlak naast de deur onzer kajuit, dat de passage heen en terug gestremd
was. Bijna allen waren ze Engelschen, grootendeels uit Cloucesterhire,
en hadden een lange winterreis gehad; maar 't was verwonderlijk hoe
zindelijk de kinderen waren gehouden en hoe onvermoeid al de arme
ouders in hun liefde en zelfverloochening waren.

Laten we op dit punt nog zoo'n huichelachtigen onzin uitkramen--en
we zullen dit wel doen tot aan 't einde der dingen--het is veel
moeielijker voor den arme om deugdzaam te wezen dan voor den rijke,
en het goede, dat in hem is, schijnt daarom des te helderder. In
menige adellijke huizing woont een man, de beste echtgenoot en vader,
wiens voortreffelijkheid in beiderlei gezicht terecht hemelhoog
verheven wordt. Maar breng hem eens hier, op dit volgepropte
dek. Ontdoe zijn mooie jonge vrouw van haar zijden japonnen en
juweelen, maak los heur gevlochten haar, groef vroege rimpels boven
haar wenkbrauwen, druk op haar verflenste wang den stempel van zorg
en veel ontbering, hul haar uitgemergelde gestalte in een armzalige
opgelapte kleeding, laat er niets anders dan zijn liefde wezen om haar
te prijzen of op te schikken, en ge zult hier waarlijk de som op de
proef zetten. Verander buitendien zijn stand in de wereld, zoodat
hij in deze jonge kinderkens, die daar klauteren op zijn knieën,
geen dragers van zijn naam en rijkdom ziet, maar stumpertjes met hem
worstelend om hun dagelijksch brood, eigenlijk zooveel stroopers op
zijn dak, die zijn schralen pot nog schraler, zijn bange zorg nog
banger maken. Stapel op zijn hoofd in plaats van al datgene wat voor
de rijken de prille jeugd hunner lievelingen tot een Eden toovert, al
haar nooden en behoeften, haar ziekten en gebreken, haar knorrigheid en
luimen, en wat er al meer in de schamele hut of vochtige kelderwoning
of bedompte vliering binnensluipt en nestelt;--laat geen: "Och toe,
papa, geef me dit; och toe, mama, geef me dat," of soortgelijk gesnap
zijn ooren kittelen maar de nare, allernaarste tonen, die gorgelend
uit de zwakke keeltjes komen: "Vader, 'k heb zoo'n honger en dorst;
moeder, 'k ben zoo koud," zijn vaderhart als vaneenrijten, en... als
nu zijn vaderlijke liefde dit alles uit kan staan, en hij geduldig,
waakzaam, teeder blijft, altijd bezorgd voor 't leven zijner kinderen,
altijd deelend in hun vreugd en smart, welnu, stuur hem dan terug naar
Parlement en Kansel en Rechtbank, en hoort hij dan van die mooie,
honingzoete praatjes over de verdorvenheid van dezulken die van de
hand in den tand leven en hard werken om er op die manier nog rond
te komen, laat hem dan, als iemand die er nu alles van weet, zijn
mond open gaan doen om die wauwelaars in de ooren te donderen dat
zij, die in zoo'n gansch andere klasse dan die der armen verkeeren,
aartsengelen in hun dagelijksch leven konden zijn en moesten wezen,
en dat, vergeleken bij haar, de klasse der armen, de weg naar den
Hemel hun zoo effen gebaand is, dat zij hem als 't ware maar voor
't grijpen hebben.

Ja, wie onzer zal zeggen wat hij doen zou, als zoo'n vreeselijke
werkelijkheid, niet zoo'n bitter kleine hoop op den koop toe dat het
ooit anders zal worden, eens zijn deel ware! Wat mij betreft, toen ik
deze menschen om me heen opnam: ver van huis, zonder huis, behoeftig,
zwervend, vermoeid van al dat reizen en trekken en sloven en slaven;
en toen ik zag hoe goed zij op hun kleinen pasten; hoe zij altijd
eerst in hun behoeften voorzagen en daarna maar half in hun eigen;
toen ik zag wat edele priesteressen van geloof en hoop de vrouwen
waren; hoe de mannen door haar voorbeeld leerden; en hoe zeldzaam,
hoe uiterst zeldzaam een onvertogen woord over hun lippen kwam
of een ruwe klacht uit hun midden opsteeg,--toen ik nu van een en
ander getuige was, voelde ik dat een warmer gloed van eer en trots
op mijn medemenschen mijn hart doortintelde, en ontboezemde ik een
wensch tot God, dat menig Atheist, menigeen die het hooger deel in
's menschen natuur loochent, daar ter plaats aanwezig had mogen zijn,
om met mij deze eenvoudige les uit het Boek des Levens te lezen.



Den dertigsten Mei verlieten wij Montreal, om weer naar New-York terug
te keeren. Te dien einde staken we per stoomboot naar La Prairie
over, aan den overkant van de St. Laurentius-rivier, en spoorden
vervolgens naar St. John's, dat aan den oever van 't meer Champlain
ligt. De laatste groet, dien we in Canada kregen, was van de Engelsche
officieren in de pleizierige barakken te dier plaatse (een klasse van
heeren, die elk uur van ons bezoek gedenkwaardig hadden gemaakt door
hun gastvrijheid en vriendschap); en terwijl het "Rule Brittania"
ons nog in de ooren klonk, lieten wij 't spoedig achter ons.



Maar Canada heeft altijd een voorname plaats in mijn aandenken bekleed,
en zal die plaats altijd blijven bekleeden. Weinig Engelschen zijn
ondertusschen voorbereid, om het recht te laten wedervaren. Geen
nood! Met zijn bedaarden vooruitgang; met zijn streven en oude
geschillen bij te leggen, die dan ook trouwens al bijna in 't
vergeetboek geraakt zijn; met zijn openbare meening en particulieren
ondernemingsgeest, die beide in een gezonden en bloeienden toestand
verkeeren, terwijl niets wat naar koortsachtige gejaagdheid zweemt
zijn maatschappelijk bestaan in gevaar brengt, maar integendeel elke
polsslag gezondheid en kracht verraadt;--met dat alles nu toont Canada,
dat het een landstreek is vol hoop en vol belofte. Ik althans, gewend
als men mij had, om me dit land voor te stellen als iets dat in de
renbaan onzer vooruitgaande maatschappij heel achteraan was gebleven,
als iets, dat, verwaarloosd en vergeten, maar lag te dutten en op
die manier al dommelend wegkwijnde,--ik keek niet weinig vreemd op,
toen ik te dezen opzichte een werkelijkheid onder mijn oogen kreeg,
die daarvan hemelsbreed verschilde. Die vraag naar ambachtslui en dat
bedrag der arbeidsloonen, die drukke kaaien van Montreal, die schepen
ladende en lossend, dat aantal schepen in de verschillende havens;
die handel, die wegen en openbare werken, alles gemaakt om den tand
des tijds te kunnen verduren; die fatsoenlijkheid en rechtschapenheid
der dagbladen, en dan die teekenen van welvaart, de vrucht van noeste
vlijt en werkzaamheid,--dat alles was wel geschikt om mijn verbazing
niet weinig op te wekken. Laat me 'r nog bij voegen, dat, wat orde,
zindelijkheid en veiligheid betreft, alsmede het hoogst fatsoenlijk
karakter der kapiteins en de wijze waarop zij ze ten gerieve der
passagiers ingericht hebben, de stoombooten op de meren zelfs voor
de beroemde en op dit punt terecht bij ons zoo hoog aangeschreven
Schotsche schepen niet onder behoeven te doen. Nu is 't waar, dat
de logementen in den regel slecht zijn, omdat het hier zoo niet de
gewoonte is, evenals in de Vereenigde Staten, van de table d'hôte
gebruik te maken, en, behalve dat de Engelsche officiers, die een
groot deel van de maatschappij in iedere stad uitmaken, gewoonlijk aan
de regimentstafels eten, maar in ieder ander opzicht zal de reiziger
in Canada even plezierig, even gemakkelijk kunnen reizen als in elke
mij bekende plaats.



Er is één Amerikaansche boot--het schip dat ons over het meer
Champlain, van St. John's naar Whitehall bracht--waar ik hoogen lof
aan toebreng, maar niet hooger dan ze verdient, wanneer ik zeg dat
ze zelfs beter is dan die waarmee we van Queenston naar Toronto,
of van laatstgenoemde plaats naar Kingston stoomden, ja--ik mag er
dit gerust bijvoegen--beter dan eenige andere boot ter wereld. Deze
stoomboot, die de Burlington heet, is een modelboot, wat zindelijkheid,
sierlijkheid en orde betreft. De dekken zijn receptie-kamers; de
kajuiten boudoirs, die met smaak gestoffeerd, en met platen achter
glas, schilderijen en muziekinstrumenten versierd zijn; tot zelfs
ieder hoekje is een curiositeit van sierlijk "comfort" en schoonen
bouw. Kapitein Sherman, aan wiens vernuft en uitstekenden smaak
alleen dit alles is te danken, heeft zich bij meer dan een hachelijke
gelegenheid op de verdienstelijkste wijze onderscheiden, en wel niet
het minst bij gelegenheid dat er (gedurende den opstand in Canada)
Britsche troepen moesten getransporteerd worden en hij zedelijken moed
had, zijn vaartuig, destijds het eenige daarvoor geschikte schip,
bereidvaardig te leenen. Hij en zijn schip worden dan ook algemeen
in eere gehouden, zoowel door eigen landgenooten als door de onzen,
en nooit verdiende iemand meer de achting, die hem in zijn werkkring
zoo van alle kanten te beurt, viel, dan hij.



Met behulp nu van dit drijvende paleis bevonden we ons weer spoedig
in de Vereenigde Staten, en legden dien avond te Burlington aan, een
aardig stadje, waar we ons zoo wat een uur ophielden. Wij bereikten
Whitehall, waar we ons 's morgens om zes uur moesten ontschepen. We
hadden dit wel vroeger kunnen doen, lagen deze stoombooten 's nachts
niet verscheidene uren stil, iets wat ze wel moeten doen om reden het
meer op dat gedeelte onzer reis erg nauw en in den donker moeielijk te
bevaren is. Op één punt is 't zelfs zoo nauw, dat ze verplicht zijn,
zich van een touw te bedienen, om de boot er door te krijgen.



Nadat we te Whitehall ontbeten hadden, stapten we in de diligence naar
Albany, een groote en drukke stad, waar we dien middag tusschen vijven
en zessen arriveerden. We hadden 't dien dag erg heet gehad, want we
waren nu weer in 't hartje van den zomer. Om zeven uur vertrokken we
naar New-York, aan boord eener groote Noord-rivier-stoomboot, die zoo
propvol met passagiers was, dat het bovendek wel iets weghad van de
koffiekamer in een schouwburg onder de pauze, en het benedendek van
Tottenham Court Road op een Zaterdagavond. Maar we sliepen evenwel
als op rozen en kwamen den volgenden morgen een beetje na vijven te
New-York aan.



Hier vertoefden we alleen dien dag en nacht, om van onze laatste
vermoeienissen op ons verhaal te komen, en aanvaardden toen onze
laatste reis in Amerika. We hadden nog vijf dagen over, voor en
aleer we ons naar Engeland inscheepten, en ik voor mij wou heel graag
"het Kwakerdorp" zien, dat door een godsdienstige sekte bevolkt is,
waar het zijn naam aan ontleent.



Te dien einde stoomden we weer de Noordrivier op, tot aan de stad
Hudson toe, en huurden daar een extra rijtuig om ons naar Libanon te
brengen, dat daar dertig mijlen van af ligt. Dit Libanon is natuurlijk
een ander dorp, dan dat waar ik op ons uitstapje naar de Prairie den
nacht doorbracht.



De landstreek, waar onze weg doorheen kronkelde, was rijk en mooi,
het weer prachtig, en mijlen ver kwamen de Kaatskillbergen, waar Rip
van Winkel en de afgrijselijke Hollanders op een gedenkwaardigen
stormachtigen namiddag aan 't kegelen waren, aan den blauwen
gezichteinder als statige wolken voor den dag. Aan zeker punt, waar
we een steilen heuvel opgingen (ze waren toen juist bezig met het
aanleggen van een spoorweg, dwars over den voet van dezen heuvel),
stuitten we op een Iersche kolonie. Daar ze de middelen bij de hand
hadden, om nette, behoorlijke hutten te kunnen bouwen, bevreemdde
het mij niet weinig, hier zulke lompe, ruwe en armzalige krotten aan
te treffen. De besten beschermden de bewoners tegen weer en wind,
maar hiermee was ook alles gezegd, terwijl de slechtsten door wijde
openingen in de van gekookt gras saamgeflanste daken, en uit modder
opgetrokken muren aan weer en wind vrijen toegang verleenden. Sommigen
hadden noch deuren noch ramen; sommigen stonden op 't punt van in te
storten, en werden nog zoo goed en zoo kwaad als 't ging door staken
en palen gestut; allen waren bouwvallig en smerig. Afzichtelijk
leelijke oude vrouwen en allerdartelste jonge vrouwen, varkens,
honden, mannen, kinderen, zuigelingen, potten, ketels, mesthoopen,
afval en vullis, vunzig stroo en stilstaand water, en dat alles tot
een onafscheidelijken hoop bij elkaar gehutseld, ziedaar het meublement
van elke donkere en vuile hut.



's Avonds tusschen negenen en tienen kwamen we te Libanon aan. Dit
plaatsje is vermaard om zijn warme baden en om een groot hotel, dat, ik
twijfel er niet aan, ten eenenmale berekend is voor den eigenaardigen
smaak van dezulken, die hier gezondheid of pleizier komen zoeken,
maar waar ik voor mij me alles behalve op mijn gemak voelde. Zoo
bracht men ons naar een verbazend groot, door twee flauw brandende
kaarsen verlicht vertrek, dat men de gezelschapskamer geliefde te
noemen, en waaruit men langs een trap in een andere groote woestijn
afdaalde, die men onder den niet minder weidschen naam van eetzaal
aanduidde. Nu onze slaapkamers. Deze vond men onder zekere lange rijen
heel dunnetjes gewitte cellen aan weerskanten van een sombere gang, en
hadden zooveel weg van gevangeniscellen, dat ik, toen ik naar bed ging,
half verwachtte opgesloten te zullen worden en er onwillekeurig naar
luisterde of de sleutel niet van buiten werd omgedraaid. Er moeten
stellig ergens anders in de buurt gelegenheden bestaan om de baden
te gebruiken, want al de overige waschbenoodigdheden waren op zoo'n
bekrompen voet ingericht, als ik ooit zelfs in Amerika zag. Begrijp
eens! Men vond in deze slaapkamers zelfs geen stoelen, een artikel
van weelde dat toch wel zeer gewoon mag heeten, niet waar? Kortom,
waren we dien ganschen nacht niet vreeselijk gebeten geworden,
we zouden waarachtig hebben durven verzekeren, dat we dien in een
slaapkamer hadden doorgebracht, waar letterlijk niets in was.



Het logement zelf is echter zeer aangenaam gelegen, en we kregen
een goed ontbijt. Toen dat op was, gingen we naar de plaats onzer
bestemming, zoo wat een mijl of twee bij ons vandaan. De weg daarheen
werd aangeduid door een handpaal, waarop geschilderd stond: "Naar
't Kwakerdorp."



Den weg langs rijdende, passeerden we een troepje Kwakers, die daar
werkten. Zij hadden zulke breede randen aan hun hoeden als ik nog nooit
in mijn leven gezien heb en waren in alle zichtbare opzichten zulke
allerhouterigste mannen, dat ik evenveel sympathie voor hen opvatte
en evenveel belang in hen stelde, als waren het zooveel van die houten
beelden op een schip geweest. Het duurde niet lang of we kwamen aan 't
begin van 't dorp, stapten af aan een huis waar de kwakers-artikelen
verkocht worden en het hoofdkwartier der oudsten gevestigd is, en
verzochten verlof om hun godsdienstoefening bij te wonen.



Terwijl dit verzoek aan een der oudsten werd overgebracht, traden
wij een sombere kamer binnen, waar verscheidene sombere hoeden aan
sombere haken hingen, en somber werd de tijd aangekondigd door een
sombere klok, die elken tik met een soort van sombere worsteling
volbracht, alsof ze de sombere stilte met weerzin en onder protest
afbrak. Tegen den muur stonden een stuk of acht stoelen met zeer hooge
ruggen, die zoo allersomberst met al dat sombere sop overgoten waren,
dat men liever op den grond was gaan zitten, dan aan een daarvan de
geringste verplichting te willen hebben.



Daar kwam, stijf als een paal, een sombere oude Kwaker dit vertrek
binnenstappen, met oogen even hard, en dof, en koud als de groote ronde
metalen knoopen van zijn jas en vest: een soort van kalm spook. Van
onze begeerte onderricht, haalde hij een krant voor den dag, waar de
vergadering der oudsten, waar hij lid van was, een dag of wat geleden
in bekend gemaakt had, dat ten gevolge van de onbetamelijke wijze
waarop vreemdelingen nu en dan hun godsdienstoefening gestoord hadden,
hun kapel voor den tijd van een jaar voor 't publiek gesloten was.



Daar tegen deze redelijke bepaling niets was in te brengen, vroegen
we permissie om een kleinigheid van hun artikelen te koopen, iets
wat op somberen toon werd toegestaan. We gingen dientengevolge naar
een magazijn in 't zelfde huis en aan de overzij van de gang, waar
een levend voorwerp in een roodbruin bankje het opzicht voerde. De
oudste zei, dat het een vrouw was. Nu, ik wil gelooven, dat het een
vrouw was, maar vermoed had ik 't niet.



Aan den overkant van den weg was hun bedehuis: een koel, zindelijk,
houten gebouw, met breede ramen en groene luiken, dat op een ruim
zomerhuis geleek. Daar we nu in deze plaats niets uit konden voeren
dan maar heen en weer drentelen en dit en andere gebouwen in 't
dorp opnemen (die gebouwen waren voornamelijk van hout, donkerrood
geschilderd, evenals Engelsche schuren, en bestonden uit verscheidene
verdiepingen, gelijk Engelsche fabrieken), zoo kan ik den lezer niets
anders meedeelen dan het weinige dat ik onder 't doen van onze inkoopen
opmerkelijk vond.



Men noemt deze menschen Kwakers [12] naar den eigenaardigen vorm
hunner godsdienstoefening, bestaande uit een dans, door mannen en
vrouwen van allerlei leeftijd uitgevoerd, die daartoe in twee rijen
tegenover elkaar gaan staan. Voordat ze beginnen, ontdoen de mannen
zich van hun hoeden en jassen, die zij deftig aan den muur ophangen,
en binden vervolgens een lint om hun hemdsmouwen, alsof ze op 't punt
stonden van gelaten te worden. Zij accompagneeren zich zelf met een
brommend, gonzend geluid, en dansen met een malle soort van draf,
nu eens vooruit- dan weer achteruitgaande, totdat ze zoo goed als
"op" zijn. Men zegt, dat de indruk, dien dit teweegbrengt, allerdolst
is. Nu, afgaande op een prent van deze plechtigheid, die ik mijn bezit
heb en volgens hen, die in de kapel geweest zijn, zeer nauwkeurig
moet wezen, is deze vertooning waarlijk dol, allerdolst.



Zij worden door een vrouw bestuurd, en alhoewel ze door een raad van
oudsten ter zijde gestaan wordt, wordt haar heerschappij verondersteld,
onbeperkt te wezen. Naar men mij verteld heeft, leeft ze, in strenge
afzondering, in zekere kamers boven de kapel en is ze nooit ofte
nimmer zichtbaar voor ongewijde oogen. Mocht ze bijgeval gelijken op
de dame, die in dat bankje zat, dan bewijst men der menschheid een
grooten liefdedienst door haar zooveel mogelijk achterbaks te houden,
en zou ik mijn dank niet krachtig genoeg kunnen betuigen over zoo'n
edelmoedige handelwijs.



Al de bezittingen en inkomsten der inrichting worden in een
gemeenschappelijke kas gestort, die door de oudsten beheerd
wordt. Hebben zij bekeerlingen gemaakt onder menschen die nogal wat
in de melk te brokken hadden, en matig en zuinig zijn, dan spreekt
het vanzelf dat dit fonds bloeit; des te meer naarmate zij veel
land hebben opgekocht. Ook is deze kolonie te Libanon niet de eenige
Kwaker-nederzetting. Ik geloof, dat er ten minste drie andere zijn.



Ze zijn goede boeren en al hun producten gaan grif van de hand en zijn
zeer gezien. "Kwakerzaden," "kwakerkruiden" en "kwaker-gedistilleerde
wateren" worden gewoonlijk in de winkels van groote en kleine steden
verkocht. Ook zijn ze goede veefokkers, en behandelen hun stomme dieren
met liefde. Bijgevolg is 't een zeldzaamheid, dat het kwakervee niet
dadelijk gekocht wordt op de markt.



Volgens de Spartaansche gewoonte eten en drinken zij gezamenlijk aan
een groote publieke tafel. Vereeniging der beide sexen vindt men onder
hen niet, en iedere Kwaker, mannelijk en vrouwelijk, is op dit punt
aan een leven van onthouding gebonden. Men heeft daaromtrent nogal wat
woorden vuil gemaakt, maar hier moet ik den lezer weer verwijzen naar
de dame in dat bankje en er bijvoegen, dat, als verscheidene van de
zusterkwakers op haar gelijken, al zulke lasterzieke praatjes onder
die praatjes dienen gerangschikt te worden die de sterkste kenmerken
van stellige onwaarschijnlijkheid aan hun voorhoofd dragen. Maar dat
zij zelfs proselieten maken onder personen, die zoo jong zijn dat
ze onmogelijk zelfkennis en evenmin die wilskracht kunnen bezitten,
welke vereischt wordt om èn op dit punt èn op andere punten de zoo
onmisbare zelfbeheersching te openbaren, ziedaar iets wat ik gerust
durf verzekeren, want met mijn eigen oogen heb ik Kwakers onder die
arbeiders aan den weg gezien, die nog piepjong waren.



Men zegt, dat ze wel berekend zijn voor de negotie, maar eerlijkheid en
goede trouw hierbij geenszins uit het oog verliezen, ja, dat ze zelfs
in den paardenhandel weerstand bieden aan dien diefachtigen trek die,
men weet niet om welke reden, wel bijna onafscheidelijk schijnt te
wezen van dezen handelstak. In alle zaken gaan zij hun eigen bedaarden
gang, leven voort in hun somberen stillen gemeenschappelijken omgang,
en leggen weinig trek aan den dag om met andere lui in aanraking
te komen.

Nu, dat alles is nog zoo kwaad niet, integendeel, maar rond opgebiecht,
ik voor mij heb het toch op de Kwakers niet bijster begrepen. Neen,
't is mij onmogelijk, hart voor hen te hebben, laat staan de
geringste sympathie. Ik heb toch zoo'n afkeer van dien boozen geest,
onverschillig door wat voor klasse of sekte hij gevoed moge worden,
die het leven van zijn gezonde genietingen ontbloot, de jeugd van haar
onschuldige genoegens berooft, den rijpen leeftijd en den ouden dag
hun liefelijke sieraden ontrukt en van ons bestaan niets anders maakt
dan een smal pad naar 't graf; dien verfoeielijken geest, die, had hij
maar het rijk alleen op aarde weten te krijgen, de verbeeldingskracht
der grootste mannen met zoo'n onvruchtbaarheid moest geslagen hebben,
dat ze, ondanks hun aangeboren vermogen om heerlijke en duurzame
beelden voor hun nog ongeboren medeschepsels op te doen rijzen, aan
de stomme dieren gelijk waren geworden; ik heb nu, wil ik zeggen,
uit den grond van mijn hart zoo'n sterken afkeer van dien boozen,
verfoeielijken geest, dat ik in deze zelfde breedgerande hoeden
en deze zelfde doodsche kleedij, met hun stijfgenekte en somber
getroniede vromigheid, onverschillig of ze 'r sluik haar op nahouden
als de Kwakers of lange nagels als in een Hindoe-tempel, de ergsten
onder de vijanden van hemel en aarde herken, die het water op de
bruiloftsfeesten dezer arme wereld niet in wijn, maar.... in gal
veranderen. En als er menschen moeten zijn, wier roeping het is,
de onschuldige fantasieën te knakken en de liefde tot onschuldige
genoegens, die een deel der menschelijke natuur zijn, en dat wel zoo
goed een deel als elke andere liefde of hoop die ons gemeenschappelijk
erfdeel is,--welnu, laten ze mijnenthalve openlijk te koop gaan staan
onder de liederlijkste sujetten; zelfs de idioten weten immers wel,
dat zij niet op den waren weg naar de Onsterfelijkheid zijn, en zullen
hun dadelijk met verachting den rug toekeeren.



Wij verlieten het kwakerdorp met een hartelijken afkeer van de oude
Kwakers en een hartelijk medelijden met de jongen, een medelijden
dat getemperd werd door de sterke waarschijnlijkheid dat ze, als ze
ouder en wijzer worden, wel weg zouden loopen, iets wat niet onder
de zeldzaamheden behoort. En zoo keerden we langs den weg, dien we
den vorigen dag ingeslagen hadden, naar Libanon terug, en vervolgens
naar Hudson. Daar maakten we gebruik van de stoomboot, die ons over de
Noordrivier naar New-York zou brengen, maar stopten zoo wat een uur
of vier later, te Westpoint, waar we ons dien nacht, en den geheelen
volgenden dag, tot den volgenden nacht incluis ophielden.

Op deze schoone plek, de schoonste onder de liefelijke Hooglanden
der Noordrivier, ingesloten door donkergroene hoogten en tot puin
vervallen sterkten, en neerziende op de in de verte liggende stad
Newburgh, langs een glinsterend pad van door de zon beschenen water
met hier en daar een bootje, waarvan het witte zeil nu eens naar den
eenen kant, dan weer naar de andere zij overbuigt, als windvlagen er
op eens tegen aan blazen uit de geulen in de heuvelen,--buitendien
van alle kanten omringd met gedenkteekenen tot eer van Washington
en van gebeurtenissen uit den omwentelingsoorlog: op deze plek nu
verrijst Amerika's Militaire School.

Ze kon op geen geschikter plek staan, en 't zou bezwaarlijk gaan,
om schooner plek aan te wijzen. De wijze waarop de jongelui opgeleid
worden is streng, maar oordeelkundig en mannelijk. Gedurende de
maanden Juni, Juli en Augustus kampeeren ze op de ruime vlakte waar
het gebouw staat, en het geheele jaar door krijgen ze dagelijks les
in de militaire exercitiën. De termijn van studie, dien de Staat van
alle cadetten eischt dat ze aan deze inrichtingen door zullen brengen,
is vier jaar; maar of dit nu komt òf van de strenge wijze waarop de
tucht gehandhaafd wordt òf van het nationale ongeduld dat geen dwang
kan velen, òf van beide oorzaken te zamen, wie zal 't beslissen? maar
zooveel is zeker, dat niet meer dan de helft van de jongelui, die hier
komen, ooit blijft om hun studiën te voltooien. Daar het getal cadetten
ten naastenbij gelijk staat met dat van de leden van 't Congres,
wordt er uit elk district een hier naar toe gezonden: dat districtslid
heeft dan invloed op de keuze. De rangen bij den dienst worden volgens
hetzelfde beginsel verdeeld. De woningen der verschillende leeraren
liggen heel mooi; ook vindt men hier een uitnemend logement voor
vreemdelingen, ofschoon er twee inconveniënten aan verbonden zijn,
en wel deze: dat het ten eerste een logement is waar men noch wijn
noch sterken drank kan krijgen (beide artikelen zijn den studenten
verboden), ten tweede dat de verschillende maaltijden er op zeer
ongeschikte uren gehouden worden: men ontbijt namelijk om zeven uur,
dineert om één uur en soupeert met zonsondergang.



De schoonheid en frischheid van dit vreedzaam lustoord, zelfs
als de zomer pas begint--'t was toen het begin van Juni--waren
inderdaad verwonderlijk. En toen ik het den zesden verliet en naar
New-York terugkeerde, om me den volgenden dag naar Engeland in te
schepen, dacht ik er dan ook met pleizier aan, dat onder de laatste
gedenkwaardige schoonheden, waar ons oog met welgevallen op gerust had,
die waren waarvan de tafereelen, geschetst door geen alledaagsche hand,
frisch aanwezig zijn in de ziel der meeste menschen, en niet licht oud
zullen worden of van kleur verschieten zullen onder 't stof des tijds:
het Kaatskill-gebergte namelijk, en Sleepy Hollow en de Tappaan zee.



XVI.

DE TERUGREIS NAAR 'T VADERLAND.

    NAAR HUIS.


Nooit in mijn leven had ik zooveel belang gesteld, en zal
allerwaarschijnlijkst wel nooit zooveel belang stellen in den staat
van den wind, als op den lang verbeiden morgen van Dinsdag den zevenden
Juni. Een zekere autoriteit op zeevaartkundig gebied had me een dag of
twee van te voren gezegd: "elke wind met wat uit 't westen er bij is
gunstig." Toen ik nu bij 't aanbreken van den dag het bed uitsprong,
en mij, zoodra ik het raam opengooide, een frissche noordwestenwind,
die 's nachts op was komen zetten, tegenwoei, viel me dat zoo frisch op
't lijf, en vielen me meteen zooveel gelukkige gedachten in, dat ik op
staanden voet een bijzondere genegenheid opvatte voor alle winden,
die uit dien hoek van 't kompas waaien, een genegenheid die me,
gerust durf ik 't verzekeren, lief en dierbaar zal blijven, totdat
mijn eigen wind zijn laatsten, zwakken zucht heeft uitgeblazen en
zich voor altijd van den kalender der sterfelijkheid verwijderd heeft.

De loods had niet geluierd om zijn voordeel te doen met dit gunstige
weer, en hetzelfde schip, dat gister nog in zoo'n volgepropt dok
gelegen had, dat het, wat toen de kans betreft om uit te kunnen
zeilen, wel gerust zijn matten voorgoed had mogen oprollen, zie,
het lag nu al ruim zestien mijlen verder. Een heerlijk gezicht
leverde het op, toen we, er per boot naar toe stoomende, het in de
verte voor anker zagen liggen, met zijn slanke masten in sierlijke
lijnen tegen de lucht afgeteekend, en elk touw, groot en klein,
schier haarfijn onderscheiden konden; ook heerlijk was 't gezicht,
toen zoodra wij aan boord waren, het anker bij 't forsche, als in
koor gezongen: "Cheerily men, o cheerily!" [13] naar boven rees,
en het schip statiglijk in 't zog kwam van de sleepboot; maar het
heerlijkst van alles was, dat, toen de boegseerlijn losgelaten was,
het dundoek van zijn masten wapperde, en het, als 't ware zijn witte
vleugelen uitslaande, op zijn vrijen en eenzamen weg heenvloog.

In de achterkajuit waren we maar met ons vijftienen passagiers; de
meesten waren uit Canada, waar sommigen onzer elkaar gekend hadden. De
nacht was ruw en buiig, de beide volgende dagen insgelijks, maar ze
vlogen gauw voorbij, en 't duurde niet lang of we vormden een partijtje
zoo pleizierig en gezellig, met een braven, degelijken kapitein aan
ons hoofd, als er ooit te land of ter zee bij elkaar kwamen met het
besluit om elkaar het leven zooveel mogelijk te veraangenamen.

We ontbeten om acht uur, dronken koffie om twaalf uur, aten om drie
uur en gebruikten onze thee om halfacht. Vermakelijkheden hadden we
bij de vleet, en het middageten was daaronder waarlijk niet het minste:
ten eerste om 't eten zelf, ten tweede omdat het zoo buitengewoon lang
aanhield. Met inbegrip van al de lange pauzen tusschen de verschillende
gerechten, duurde het namelijk zelden korter dan derde half uur, een
tijdsruimte die steeds door den gezelligsten kout werd aangevuld. Om
nu te maken dat men zich onder zoo'n lang diner niet verveelde, kwamen
de gezelligsten uit het gezelschap aan 't lager eind der tafel bij
den mast bijeen, vormden daar als 't ware een uitverkoren clubje met
een uitnemenden president aan 't hoofd, waar de bescheidenheid mij
verbiedt, verder op te zinspelen. Een prettige, en allerprettigste en
joviale instelling inderdaad! Nu, ze stond dan ook, dit dient gezegd
te worden, op een witten voet met de rest van 't gezelschap en vooral
met een zwarten hofmeester, die drie weken lang om de grappen en uien
der bewuste pretmakers heeft moeten ginnegappen, dat het een aard had.

Buitendien hadden we een schaakspel voor de liefhebbers, whist,
cribbage [14], boeken, triktrak en een glijplank. In allerlei weer,
mooi of leelijk, stil of winderig, waren we allemaal op dek, liepen
twee aan twee op en neer, of lagen in de booten, of leunden over den
kant, of stonden bij groepjes met elkaar over koetjes en kalfjes te
praten. Aan muziek hadden we ook geen gebrek, want de een speelde op
't accordéon, een ander op de viool, en nog een ander (die gewoonlijk
's morgens om zes uur al begon) op den waldhoorn, en daar ze allen,
gelijk somtijds het geval was, verschillende deuntjes speelden, op
verschillende gedeelten van 't schip, op denzelfden tijd en zonder
dat de een iets van den ander hoorde (want ieder was ijselijk met
zijn eigen instrument ingenomen), zoo was de vereenigde uitwerking
van die drie instrumenten verheven akelig.

Gebeurde het af en toe, dat we in geen dezer vermakelijkheden schik
hadden, welnu, soms kregen we een schip in 't gezicht en bezorgde ons
dat weer wat afleiding, vooral als dat schip er bij mistig weer in de
verte zoo echt spookachtig uitzag, of ons zoo dicht voorbijvoer, dat we
met behulp onzer kijkers het volk bovenop konden zien, en gemakkelijk
zijn naam en de plaats zijner bestemming konden opmaken. Ook uren
achtereen konden we staan kijken naar de dolfijnen en bruinvisschen,
zooals die om 't schip aan 't rollen en springen en duiken waren,
of naar die kleine dieren, altijd in min of meer vliegende beweging,
die onze Engelsche zeelui de kuikens van Moeder Carey noemen,--diertjes
die ons van de baai van New-York af gezelschap hadden gehouden en nu al
veertien dagen om den achtersteven van 't schip heenfladderden. Een dag
of wat was 't doodstil of woei er een heel klein koeltje. Dan vermaakte
zich het scheepsvolk met visschen of wist altemet een ongelukkigen
dolfijn aan den haak te krijgen, die dan naar boven gesjord werd en
in al zijn regenboogkleuren op 't dek krepeerde: een gebeurtenis van
zoo'n gewicht in onzen schralen kalender, dat we naderhand begonnen
te dagteekenen van den dolfijn af, en den dag waarop hij den weg van
alle vleesche ging, tot een nieuwe jaartelling maakten.

Maar we hadden nog andere afleiding. Zoo begon men, toen we een dag of
zes onder zeil waren geweest, al druk te babbelen over ijsbergen, van
welke drijvende eilanden een ongewoon getal gezien was geworden door
de schepen die een paar dagen, voordat wij die haven verlaten hadden,
New-York waren binnengeloopen; en voor wier gevaarlijke nabijheid
we gewaarschuwd werden door de plotselinge kou van 't weer en het
dalen van 't kwik in den barometer. Zoolang nu deze teekenen duurden,
werd er een dubbele wacht uitgezet; en viel de avond, dan werden er
wel eens fluisterend van die praatjes gehouden over schepen die des
nachts op zoo'n klomp ijs gestooten en naar den kelder gegaan waren,
dat men er kippevel van kreeg; maar daar de wind ons noodzaakte, een
zuidelijken koers te houden, kregen we 'r geen een van te zien, en
duurde het niet lang of de weersgesteldheid werd weer helder en warm.

Men kan licht nagaan, dat de waarnemingen, elken middag, en het
daarnaar regelen van den koers van 't schip, mede een punt van
gewicht uitmaakten in onze tegenwoordige levenswijze. Ook was er
(gelijk dit nooit het geval is) alles behalve gebrek aan wijsneuzige
twijfelaars aan de berekeningen van den kapitein, die, zoodra hij zijn
hielen gelicht had, bij gebreke van een passer met endjes koord, en
hoeken van zakdoeken, en punten van snuiters, de kaart aan 't opmeten
gingen en zonneklaar bewezen dat hij zich daar eventjes maar zoo wat
duizend mijlen vergiste. Het was erg stichtelijk, deze ongeloovigen
hun hoofden te zien schudden en de wenkbrauwen te zien fronsen, en
ze dan danig te hooren redekavelen over de zeevaart: niet dat zij
er iets van verstonden, maar omdat ze den kapitein bij stil weer of
tegenwind altijd wantrouwden. Waarlijk, 't kwik zelf is nooit zoo
veranderlijk als deze klasse van passagiers, die ge, als het schip
statig de golven doorklieft, doodsbleek van bewondering zult hooren
zweren dat de kapitein allen kapiteins ter wereld de baas is, ja die
er zelfs op zinspelen om hem door middel eener algemeene inteekening
een of ander mooi cadeau aan te bieden, terwijl diezelfde passagiers
den volgenden morgen als de wind is gaan liggen en al de zeilen slap
neerhangen, weer moedeloos hun hoofden schudden en met opgetrokken
lippen, zeggen, dat ze hopen, dat de kapitein een zeeman is, maar ze
zijn sluw genoeg om er in hun hart aan te twijfelen, ja waarachtig,
dat doen ze.

Als 't stil weer was, werd het zelfs een tijdverdrijf dat men zich
gedurig verwonderd afvroeg: kijk: 't zal me benieuwen of de wind nu
toch in den rechten hoek zal komen, waar hij--uit al de berekeningen
en vroegere gevallen bleek dit duidelijk--al lang geleden had moeten
zijn. Den eersten stuurman, die daar lustig over liep te fluiten, keek
men niet weinig naar de oogen omdat hij zoo voet bij stuk hield, ja
zelfs de ongeloovigen hielden hem voor een matador onder de zeelui. En
als hij dan, terwijl het diner aan den gang was, door de lantaren
der kajuit af en toe een somberen blik wierp naar de klapperende
zeilen, dan nam bij sommigen de treurigheid zoodanig de overhand dat
ze hun stoute schoenen aantrokken en voorspelden dat we eerst half
Juli thuis zouden wezen. Nu vindt men aan boord altijd menschen van
een sanguinisch en van unmelancholisch temperament. Deze laatste
categorie speelde gedurende dit gedeelte der reis weinig op haar
poot en zegevierde, telkens als men bijeen kwam om wat te gebruiken,
over de sanguinischen door hun namelijk de vraag voor te leggen waar
zij veronderstelden dat de Great Western (die New-York een week na
ons verlaten had) nu was; en waar zij veronderstelden dat de Cunard
stoompacket nú was; en wat zij nú dachten van zeilschepen vergeleken
met stoomschepen: allemaal kwaadaardige vragen, niet waar? waarop zij,
de sanguinischen, dan ook maar om des lieven vredes wille een gezicht
trokken zoo melancholisch als iets.

Dit nu kon men meerekenen onder de aanhangsels van de lijst onzer
vermakelijkheden, maar er was nog een andere bron van afleiding,
en waarlijk niet zonder belang. We hadden namelijk in 't vooronder
zoowat een honderd passagiers: een kleine wereld van armoede; en
daar we 'r nu af en toe sommigen van te zien kregen door op het dek
te kijken waar zij over dag een luchtje kwamen scheppen en hun eten
kookten, het heel dikwijls opaten ook; werden we nieuwsgierig naar
hun geschiedenissen. Ja graag wilden we eens weten met wat voor
verwachtingen zij naar Amerika vertrokken waren, en met wat voor
doel zij de terugreis naar 't vaderland aanvaardden en in wat voor
omstandigheden zij verkeerden. De inlichtingen, die we daaromtrent
van den timmerman kregen die het opzicht had over dit volkje, waren
dikwijls van de vreemdste soort. Zoo waren sommigen hunner maar drie
dagen in Amerika geweest, sommigen maar drie maanden, en sommigen
hadden de laatste reis van datzelfde schip meegedaan waar ze nu weer
huiswaarts mee keerden. Anderen hadden hun kleeren verkocht om de
vracht te betalen en hadden nauwelijks lompen om zich te dekken;
anderen hadden geen voedsel en leefden van de liefdadigheid van de
rest; en één man was er bij (dit werd ontdekt toen de reis bijna
afgeloopen, was, niet vroeger, want hij liet van zijn geheim niets
uitlekken en zocht geen medelijden) die nergens anders van leefde dan
van de beentjes en stukjes vet, overgeschoten van 't middageten in de
achterkajuit, en die hij dan van de borden opzocht als ze weggehaald
waren om gewasschen te worden.

Het heele stelsel om deze ongelukkige personen in te schepen en te
vervoeren is van dien aard, dat een wezenlijke herziening hoog noodig
is. Als eenige klasse verdient, door het gouvernement beschermd en
bijgestaan te worden, dan is 't die klasse van menschen, die door de
ellende uit hun geboorteland verbannen worden en nu in den vreemde
geen rijkdom maar louter een middel van bestaan gaan zoeken. Al wat
het diepste medelijden en de menschlievendheid van den kapitein en
diens onderhoorigen voor deze arme lui kon doen, was gedaan, maar hun
ellendige toestand vereischt meer, veel meer. De wet is verplicht, ten
minste van den kant der Engelschen, om toe te zien dat er niet te veel
van die ongelukkigen aan boord van één schip gestopt worden, en dat men
op betamelijke wijze voor hen zorge, niet zóó dat de onzedelijkheid
en losbandigheid in de hand gewerkt worden. Zij is ook verplicht,
in naam der algemeene menschenliefde, te verklaren dat niemand
aan boord mag toegelaten worden voor en aleer een daarvoor geschikt
ambtenaar, na behoorlijk onderzoek hoe het met den levensvoorraad van
den landverhuizer geschapen staat, dienaangaande een geruststellende
verklaring afgelegd hebbe. Zij is verplicht, voor geneeskundige hulp
te zorgen, of althans te eischen dat daarvoor gezorgd worde, terwijl
men er op zulke schepen tevergeefs naar om zou zien, niettegenstaande
ziekte van volwassenen en sterfgevallen van kinderen gedurende de
reis aan de orde van den dag zijn. Boven alles is het de plicht van
de regeering, onverschillig of ze monarchaal of republikeinsch zij,
tusschen beiden te treden en een einde te maken aan dat stelsel,
waardoor een firma van handelaars in landverhuizers van de eigenaars
het heele tusschendek van een schip opkoopt en dan, zonder de minste
notitie te nemen hetzij van de inrichting van 't vooronder, hetzij van
't aantal kooien of van de wijze waarop mannen en vrouwen gehuisvest
zullen worden, kortom zonder iets hoe ook genaamd in aanmerking te
nemen behalve hun eigen profijt, maar zooveel van die arme stumperts
aan boord stuurt als er met mogelijkheid geborgen kunnen worden. En
zelfs dit is nog niet eens het ergste van 't verfoeilijk stelsel, want
zekere agenten dezer huizen, die als ronselaars of zielverkoopers
in hun dienst staan, en als zoodanig provisie krijgen van al de
passagiers die ze in weten te palmen, zijn gedurig op de been om al
de plaatsen af te loopen, waar armoede en ontevredenheid rijp zijn,
en spelen dan den verzoeker bij de lichtgeloovigen door hun als vrucht
hunner landverhuizing gouden bergen voor te spiegelen, terwijl zij
heel goed weten dat daar nooit iets van verwezenlijkt kan worden,
maar dien ellendigen integendeel nog meer ellende wacht.

Van ieder gezin, dat we aan boord hadden, was de geschiedenis vrij
wel één potnat. Nadat ze gepot, en geleend, en gebedeld, en al wat
los en vast was verkocht hadden, om de passage te kunnen betalen,
waren ze naar New-York vertrokken, in de stellige verwachting daar de
straatsteenen van goud te zullen vinden, en lacy! ze hadden geen andere
straatsteenen gevonden dan gewone straatsteenen, zeer hard nog wel. Wat
nu te beginnen? Met den ondernemingsgeest was 't treurig gesteld; aan
landbouwers bestond geen gebrek; karweitjes kon men nog wel krijgen,
maar... geen duiten. Zoo keerden ze dan met hangende pootjes naar
hun vaderland terug, nog armer dan ze 't verlaten hadden. Een hunner
bracht een open brief mee van een jong Engelsch handwerksman, die
een veertien dagen in New-York geweest was, aan een vriend dicht bij
Manchester, wien hij sterk op 't gemoed drukte om hem te volgen. Een
der scheepsbeambten bracht me dien brief voor de aardigheid. "Dit
is me eerst een landje, Koos," dus luidde de inhoud. "Ik hou dan ook
niet zoo'n klein beetje van Amerika. Hier wor' je niet gekoejonneerd,
en dat is toch maar het voornaamste. Men bedelt om ambachtslui in
allerlei vakken, en de loonen zijn razend hoog. Je hebt maar een vak
te kiezen, en klaar is Koos. Ik heb er nog geen uitgekozen, Koos,
maar zal 't gauw doen. Voor 't oogenblik ben ik 't nog niet met me
zelf eens wat ik zal worden: een timmerman of een kleerenmaker."

We hadden nog een ander slag van passagier, maar dat was dan ook een
slag op zich zelf: een man, die bij stil weer of een licht koeltje
voortdurend een onderwerp onzer gesprekken en opmerkingen was. 't
Was een Engelsch zeeman, van top tot teen een kranige Engelsche
oorlogsmatroos, die bij de Amerikaansche zeemacht diende en nu met
verlof op weg was om zijn vrienden eens op te zoeken. Toen hij zich
aanmeldde om een plaats te nemen en ook te betalen, was 't hem in den
mond gegeven dat hij, als knap zeeman, zijn vracht wel inverdienen,
en zoodoende zijn geld besparen kon, maar jawel! door dien wenk
voelde Janmaat zich zoo erg op zijn teenen getrapt, dat hij met
heftige verontwaardiging uitvoer: "'k ben gloeiend verd... als
'k dit keer niet aan boord kom zoogoed als 'n meneer." Er zat dus
niets anders op, dan om zijn geld naar zich toe te strijken, maar
zoo gauw was hij niet aan boord, of hij borg zijn boeltje en ging in
't vooronder, schikte aan tafel bij de bemanning, en den eersten
den besten keer dat er handen uit de mouw moesten gestoken worden,
was hij haantje de voorste en zoo vlug als een kat. En dat ging zoo
de heele reis over: de eerste om te brassen, de laatste op de ra's,
kortom, overal hielp hij een handje, maar altijd met een afgemeten
deftigheid in zijn manieren en een afgemeten lach op zijn gezicht,
waar duidelijk deze woorden uit spraken: "ik doe 't als 'n heer. Voor
mijn eigen plezier, vergeet dit niet!"

Eindelijk en ten laatste kwam de beloofde wind in allen ernst opzetten,
en met elke windvlaag, die het zeildoek zwellen deed, stoven wij weer
vooruit, en kliefden stout de baren. Er was zoo iets grandioos in de
beweging van 't prachtige schip, zooals het daar, overschaduwd door
de massa zijner zeilen, met woedende vaart over de golven heengleed,
dat het den aanschouwer met een onbeschrijfelijk gevoel van trots
en opgetogenheid vervulde. En als 't zich dompelde in een schuimende
vallei, hoe graag zag ik dan de groene, diep met wit omzoomde golven
tegen den steven aankomen stuiven, om 't naar hun welgevallen op
te beuren en er omheen te kronkelen als 't weer nederboog, maar
't niettemin erkennende als hun fiere meesteres! [15] Ondertusschen
ijlden we voort, altijd voort, met een telkens wisselende lichttint
over 't water, daar we ons nu in de gezegende streek van als een vlies
zoo doorschijnende wolken bevonden, en een heldere zon ons over dag
verlichtte en een heldere maan des nachts, terwijl de wimpel rechtuit
huiswaarts wees, evenals de trouwe wegwijzer voor den gunstigen wind en
onze opgeruimde harten, totdat met zonsopgang, op een mooien Maandag
ochtend--den zeven en twintigsten Juni, niet licht zal ik dien dag
vergeten--kaap Clear, God zegene ze! voor ons lag. Ja, daar lag ze
voor ons, de oude kaap, en als een wolk zag ze 'r in den nevel van
den vroegen morgen uit: voor ons de helderste en meest welkome wolk,
die ooit het gelaat verborg van 's Hemels gevallen zuster--ons Te-huis.

Hoe 'n schemerachtig vlekje het op zoo'n verre afstand ook mocht zijn,
maakte het toch den opgang der zon tot een vroolijker gezicht, en zette
er een soort van belangrijkheid aan bij, wat er op zee aan schijnt te
haperen. Evenals overal elders, gaat ook daar de terugkomst van den dag
onafscheidelijk gepaard met een zeker gevoel van hernieuwde blijdschap
en hoop; maar als het licht over de akelige waterwoestijn schijnt en
er al haar omvang en eenzaamheid van laat zien, dan levert dit een
plechtig schouwspel op, dat zelfs de nacht, die daar zijn donkeren,
geheimzinnigen sluier overtrekt, geenszins overtreft. Het opkomen der
maan is meer in overeenstemming met den eenzamen oceaan en heeft iets
droefgeestig groots, dat, in zijn zachten en liefelijken invloed, al
brengt het ook in droeve stemming, nochtans schijnt te vertroosten. Zoo
herinner ik me nog heel goed, dat ik me op zeer jeugdigen leeftijd
verbeeldde, dat de weerkaatsing der maan in 't water een pad was
naar den Hemel, betreden door de geesten van brave menschen op hun
weg naar God; en zie, dit oude gevoelen overkwam me weer dikwijls,
toen ik op een stillen avond op zee een dergelijk schouwspel gadesloeg.

Er was al heel weinig wind op dezen zelfden Maandagmorgen, maar hij was
nog in den rechten hoek, en zoo lieten we van lieverlede kaap Clear
achter ons, en zeilden door, met de Iersche kust in 't gezicht. En
hoe vroolijk we allen waren, en hoe loyaal jegens George Washington,
en hoe vol wederkeerige gelukwenschen, en hoe stout in 't voorspellen
van 't juiste uur dat we te Liverpool aan zouden komen, dit zal men
licht na kunnen gaan, niet waar? Ook, hoe hartelijk we dien dag onder
't diner op de gezondheid van den kapitein dronken, en hoe we rust noch
duur kregen om onzen boel te pakken, en hoe een stuk of drie van de
levendigste gestellen het denkbeeld verwierpen om den ganschen nacht
naar bed te gaan, als iets dat, nu men zoo dicht bij de kust was,
eigenlijk de moeite niet meer waard was, doch die evenwel nochtans
en desalniettemin onder de wol kropen en sliepen als een os, en hoe
het bewustzijn van zoo dicht bij 't eind onzer reis te wezen, aan een
pleizierigen droom gelijk was, waar men tegen opzag om uit te ontwaken.



Den volgenden dag weerde de vriendelijke bries zich weer terdege,
en deed ons nog eens voortstuiven dat het een aard had. Ondertusschen
kregen we nu en dan een Engelsch schip in de gaten, dat met gereefde
zeilen huiswaarts keerde, terwijl wij, met iederen duim van ons
zeildoek ontplooid, luchtig voorbijstoven en onze buurvrouw ver achter
ons lieten. Tegen den avond sloeg het weer om, werd het mistig en begon
het te stofregenen. Het duurde zelfs niet lang, of de mist werd zoo
dik, dat we als 't ware in een wolk zeilden. En zoo ijlden we voort
als een spookschip, en menig oog gluurde naar boven, naar den mast,
waar de wacht op den uitkijk stond naar Holyhead.



Ten laatste werd zijn lang verwachte kreet gehoord, en op 't zelfde
oogenblik glinsterde ons op eens uit den dikken nevel een helder licht
tegen, dat dadelijk verdween, en gauw zich weer liet zien, en spoedig
weer verdween. Telkens als het terugkwam, schitterde en vonkelde aller
oog aan boord als het licht zelf: en daar stonden we nu allemaal te
kijken naar dit omwentelend licht op de rots Holyhead, en we loofden
het om zijn helderheid en vriendelijke waarschuwing, kortom, prezen
het boven alle andere seinlichten, die ooit hun glans verspreidden,
totdat het nog eens, ver achter ons, flauwtjes in de verte glinsterde.



Toen was het tijd een kanonschot te lossen om een loods; en bijna
voordat de rook daarvan was weggetrokken kwam er een bootje met
een licht aan de steng, door de duisternis heen, als een pijl uit
den boog naar ons toe. Ondertusschen waren onze zeilen gestreken,
en nu kwam het bootje ons op zij, en zie, daar stond de schorre
loods, terdege toegestopt en gemoffeld in pijjekker en bouffante,
die zijn gezicht bedekte tot aan 't puntje van zijn neus, die zoo
menigen zilten druppel geroken had.--daar stond hij in levenden lijven
onder ons op dek. En ik denk, had die loods ons vijftig pond voor een
onbepaalden tijd en zonder de minste zekerheid ter leen gevraagd, we
zouden onder ons niet de minste ruggespraak gehouden, maar ze hem grif
geleend hebben voor en aleer zijn boot achter aan 't schip vastlag,
of (wat op 't zelfde neerkomt) voor en aleer ieder stukje nieuws in
de krant, die hij meegebracht had, aller gemeenschappelijk eigendom
aan boord was geworden.

Dien avond gingen we nog al laat naar bed en stonden den volgenden
morgen nogal vroeg op. Tegen zessen kwamen we allemaal op dek bij
elkaar, kant en klaar om zoo aanstonds aan wal te gaan, en keken naar
de torens, en de daken en den rook van Liverpool. Om acht uur zaten
we allen in een zijner logementen, om voor 't laatst samen te eten
en te drinken. En tegen negenen hadden we allen over en weer elkaar
de hand gedrukt en ons gezelschap voor altijd opgebroken.

De landstreek langs den spoorweg was in ons oog, toen we 'r overheen
ratelden, een prachtigen tuin gelijk. De schoonheid der velden (wat
zagen ze 'r klein uit!), de hagen en de boomen; de lieve optrekjes,
de bloembedden, de oude kerkhoven, de ouderwetsche huizen, en ieder
welbekend voorwerp; kortom, het uitgezocht genoegen, dat de reis
van dien eenen dag opleverde, een genoegen, dat in 't kort bestek
van een enkelen zomerdag de vreugd van menig jaar bijgebracht en
ons Te-huis en al wat het zoo dierbaar maakt, voor onzen geest
vertegenwoordigde,--geen tong kan 't vertellen, mijn pen kan 't
niet beschrijven.



XVII.

DE SLAVERNIJ.

    DE SLAVERNIJ.


De aanhangers van de slavernij in Amerika, van de afschuwelijkheden van
welk stelsel ik geen woord zal schrijven, waar ik niet het doorslaandst
bewijs voor heb, kunnen in drie groote klassen verdeeld worden.

De eerste klasse bestaat uit die gematigde en redelijkdenkende
eigenaars van menschenvee, die er op dezelfde wijs aan gekomen zijn
als aan zoo menigen rijksdaalder voor hun bedrijfskapitaal, maar in
't afgetrokkene den vreeselijken aard der Instelling aannemen en de
gevaren inzien dien zij voor de maatschappij meebrengt: gevaren, die,
wat voor cordon van voorzorgsmaatregelen er ook omheen getrokken worde
en hoe langzaam ze ook aan komen stappen, niettemin op haar schuldig
hoofd neer zullen vallen zoo zeker als de Dag des Oordeels is.

De tweede klasse bestaat uit al die eigenaars, fokkers, gebruikers,
koopers en verkoopers van slaven, die ze, luk of raak, willen eigenen,
fokken, gebruiken, koopen en verkoopen net zoolang tot dat bloedig
liedje aan zijn bloedig end gekomen is, die brutaalweg al het
afgrijselijke van dit stelsel heeten te liegen, al duwt ge hun een
massa bewijsstukken onder den neus zooals nog nooit bij eenig ander
onderwerp te berde werd gebracht, bewijsstukken waar ten overvloede
de ondervinding van iederen dag nog haar ontzettend gewicht bij
in de schaal legt; die 't met plezier aan zouden zien als Amerika
vandaag of morgen in een binnen- of buitenlandschen oorlog gewikkeld
werd, als daarvan dit maar doel en uitslag was, dat zij in hun recht
gehandhaafd bleven, om de slavernij in stand te houden en de slaven
af te beulen zonder dat eenig menschelijk gezag daar een stokje
voor mocht steken; die, als zij van Vrijheid spreken, de vrijheid
bedoelen om hun medemenschen te verdrukken en zich als Nero's aan te
stellen; en van wie ieder exemplaar op zijn eigen grond--en dat in
't republikeinsch Amerika--een meer volkomen en ongenadig, en minder
verantwoordelijk dwingeland is, dan de Kalief Haroun Al raschid in
zijn ontzaginboezemend scharlakenrood gewaad.

De derde klasse, en niet de minst talrijke of invloedrijke, bestaat
uit al die fatsoenlijke burgers die geen meerdere kunnen velen en
huns gelijken kunnen luchten noch zien; met andere woorden, uit
de klasse wier heele republikeinsche gezindheid hierop neerkomt:
"Ik duld niemand boven me, en van allen die beneden me staan moet
geen een het wagen, mij te na te komen;" wier dwaze hoogmoed, in een
land waar vrijwillige dienstbaarheid geschuwd wordt als de pest, door
slaven moet bediend worden en wier onvervreemdbare rechten alleen door
de verongelijkingen, den negers aangedaan, kunnen gehandhaafd worden.

Men heeft soms aangevoerd, dat men in de vruchtelooze pogingen,
die er aangewend zijn geworden om de zaak der persoonlijke vrijheid
in de republiek van Amerika te bevorderen (wel vreemd tusschen twee
haakjes dat men, over Amerika, het vrije Amerika, schrijvende, zoo'n
punt heeft te behandelen), nu heeft men, zeg ik, soms aangevoerd,
dat men bij al zulke pogingen niet genoegzaam acht geslagen heeft op
't bestaan van de door ons zoo even aangeduide eerste klasse van
personen, en, zoo werd er dan verder geredeneerd, nu ging het niet
aan, ja deed men die eerste klasse bepaaldelijk onrecht, door haar
met de tweede over één kam te scheren. Ongetwijfeld is dit het geval;
op edele voorbeelden zou men kunnen wijzen van personen die zich in
't belang hunner slaven geldelijke en persoonlijke opofferingen
getroost hebben, en wel is 't te bejammeren dat de kloof tusschen
hen en de pleitbezorgers der emancipatie door al dergelijke scheeve
voorstellingen als anderszins nog wijder kan gemaakt zijn, des te meer
daar er buiten kijf onder deze slavenhouders verscheidene goedgezinde
meesters gevonden worden, die zachtmoedig, neen teeder zijn in de
uitoefening hunner onnatuurlijke macht. Edoch dit neemt de vrees
niet weg, dat deze oprechtheid onafscheidelijk verbonden is aan een
staat van zaken waar menschelijkheid en waarheid geroepen zijn, een
appeltje mee te schillen. De slavernij is er geen zier draaglijker
om, omdat er sommigen zijn aan te wijzen, wier edelmoedig hart de
harde gevolgen dezer instelling gedeeltelijk weet te verzachten,
ook mag de stroom van den heiligen toorn niet stil blijven staan,
al stuit hij in zijn steeds voortgaanden loop op enkele weinigen die
onder een heir van schuldigen vergelijkenderwijs onschuldig zijn.

Ziehier wat deze betere menschen onder de pleitbezorgers der
slavernij ons bij wijze van zelfverdediging gewoonlijk te gemoet
voeren. "Een slecht stelsel is het, nu ja, en hing 't van mij af,
ik zag het graag, heel graag aan den dijk gezet. Maar zoo slecht
als jelui het in Engeland afschildert, is het niet. Weet je, wat met
jelui 't geval is? al die mooie voorstellingen van de apostelen der
emancipatie hebben jelui ingepalmd, daar zit 'm de knoop! Zoo zijn
de meesten van mijn eigen slaven aan mij gehecht, en waarlijk niet
zoo'n klein beetje. Nu zal jelui zeggen, dat ik er voor zorg dat
ze niet streng behandeld worden, maar eilieve, ik zet het jelui, te
gelooven dat het een algemeene praktijk kàn zijn om ze ònmenschelijk
te behandelen. Zoo iets zou immers hun waarde verminderen en--dit is
zoo klaar als 'n klontje--tegen 't belang hunner meesters wezen!"

Nu vraag ik op mijn beurt: Is 't in 't belang van iemand om te stelen,
te dobbelen, zijn gezondheid en geestvermogens door dronkenschap te
verwoesten, te liegen, valsche eeden af te leggen, aan de inblazingen
van den haat toe te geven, in zijn razernij op wraak en altijd op wraak
uit te zijn, of zich aan moord of doodslag schuldig te maken? Immers
neen. Al deze wegen toch voeren ten verderve. En waarom zijn er dan
menschen, die ze bewandelen? Waarom? Omdat zulke neigingen mede tot
de booze eigenschappen van 't menschdom behooren. Neen, vrienden der
slavernij, wischt eerst van de lijst der menschelijke hartstochten
den brutalen lust uit, en de wreedheid, en het misbruikmaken
van onverantwoordelijke macht (van alle verzoekingen op aarde de
moeilijkste om er weerstand aan te bieden), en hebt ge dát gedaan,
dan, maar niet vroeger, zullen wij eens aan 't onderzoeken gaan of
't in 't belang van een meester zij, de slaven, over wier levens en
ledematen hij een onbeperkt gezag uitoefent, met de zweep te slaan
en te verminken.

Maar er is meer. Èn deze klasse, èn die laatste die ik opgenoemd heb,
de ellendige aristocratie, die teelt eener valsche republiek,--ze
verheffen gezamenlijk hun stem en roepen uit: "De openbare meening,
en de openbare meening alleen, is ruimschoots voldoende om zoo'n
wreedheid als door u aan de kaak gesteld wordt te voorkomen." Och
kom, de openbare meening! Maar is de openbare meening in de
Slaven-staten niet juist vóór de slavernij? spreek op!... Helaas,
maar al te waar! Ja, de openbare meening heeft, in de Slaven-staten,
de slaven aan de genade of ongenade hunner meesters overgegeven. De
openbare meening heeft de wetten gemaakt en hun alle wettelijke
bescherming ontzegd. De openbare meening heeft de zweep geknoopt,
het brandijzer heet gemaakt, de buks geladen en den moordenaar in
bescherming genomen. De openbare meening bedreigt den abolitionist,
d. i. voorstander der afschaffing, met den dood, als hij het hart mocht
hebben, één voet in 't Zuiden te zetten, en sleurt hem, met een touw
om zijn middel, op klaarlichten dag door de eerste stad in 't Oosten,
't Is nog zoo heel lang niet geleden, dat de openbare meening een
slaaf levend verbrand heeft boven een langzaam gestookt vuur in de
stad St. Louis; en tot op den huidigen dag heeft de openbare meening
dien achtingswaardigen rechter in zijn rang gehandhaafd, die de Jury,
daar opgeroepen om de moordenaars te verhooren, op 't gemoed drukte om
ten deze niet uit het oog te verliezen, dat hun afgrijselijke daad een
handeling der openbare meening was en bijgevolg niet gestraft moest
worden door de wetten die het openbaar gevoelen gemaakt had. En de
openbare meening? Met een wild gebrul juichte zij deze leer toe, en
stelde de gevangene op vrije voeten, zoodat ze zich evenals voorheen,
als mannen van aanzien, invloed en stand, frank en vrij in de stad
konden bewegen.

De openbare meening! Wat voor klasse van menschen heeft een onmetelijk
overwicht over de rest, wat de macht betreft om de openbare meening
in de Wetgevende Vergadering te vertegenwoordigen? Wie anders dan de
slavenhouders? Zijn zij 't die uit hun twaalf Staten honderd leden
afvaardigen; de veertien vrije Staten, met een vrije bevolking die
bijna eens zoo groot is, daarentegen maar honderd twee en veertig. Voor
wien buigen de candidaten voor den presidentszetel het nederigst;
wien smeren ze den meesten honig om den mond, en wien kijken zij het
onderdanigst naar de oogen? altijd en eeuwig de slavenhouders.

De openbare meening! Luister eens naar de openbare meening van 't vrije
Zuiden, zooals die uitgedrukt wordt door zijn eigen leden in 't Huis
der Volksvertegenwoordigers te Washington. "Ik heb allen eerbied voor
den president," zei Noord Carolina, "ja, allen eerbied heb ik voor hem
als lid van 't Huis, ook heb ik allen eerbied voor hem persoonlijk;
en louter die eerbied houdt me tegen, om naar de tafel te vliegen en
die petitie in stukken te scheuren die zoo even ingeleverd is geworden
om de slavernij in 't district Columbia af te schaffen."--"Ik waarschuw
de abolitionisten," zegt Zuid Carolina, "onwetende, razende barbaren
die ze zijn, dat, mocht een van hen bijgeval in onze handen vallen
hem de dood van een misdadiger wacht."--"Laat," schreeuwt een derde,
een collega van dat teerhartige Carolina, "laat een abolitionist eens
het hart in zijn lijf hebben om binnen de grenzen van Zuid Carolina te
komen, en we zullen hem wel inrekenen en voor de rechtbank brengen,
en al zouden alle gouvernementen ter wereld, de Bondsvergadering
incluis, tusschen beiden treden, OPHANGEN zullen we hem toch."

De openbare meening heeft deze wet gemaakt.--Zij heeft verklaard dat
in Washington in dezelfde stad die haar naam ontleent aan den vader
der Amerikaansche vrijheid, elke vrederechter elken neger, die daar
op straat gezien wordt, mag boeien en in de gevangenis werpen: het is
niet eens noodig, dat de zwarte het geringste misdaan heeft, och neen,
de justitie redeneert op dit punt eenvoudig zoo: "Ik zie daar een
zwarte, die zwarte is stellig weggeloopen," en zonder complimenten
te maken, sluit ze hem op. De openbare meening verleent den man
der wet de macht om, zoodra hij dit gedaan heeft, den neger in de
nieuwsbladen te zetten, den eigenaar waarschuwende om over te komen
en hem op te eischen, bij gebreke waarvan hij in veiling gebracht
zal worden, ten einde de gemaakte gevangeniskosten te vergoeden. Maar
gesteld nu eens, dat hij een vrije zwarte is en geen eigenaar heeft,
dan zal hij--dit vermoeden ligt immer als iets dat vanzelf spreekt
voor de hand--toch wel op vrije voeten gesteld worden. Of hij zelfs
in dát geval op vrije voeten gesteld wordt? Wel neen! DAN WORDT HIJ
VERKOCHT OM ZIJN CIPIER SCHADELOOS TE STELLEN. Zoo iets heeft zich
telkens en telkens weer voorgedaan. Hij toch, de arme maar vrije
slaaf, hij heeft geen middelen om te bewijzen dat hij vrij man is; hij
heeft geen raadsman, geen boodschaplooper of iemand die hem, op welke
wijze dan ook, met raad of daad ter zijde staat; er wordt zelfs geen
onderzoek ingesteld met betrekking tot zijn zaak. Hij, een vrij man,
die misschien jaren lang dienstbaar geweest is en zijn vrijheid heeft
gekocht, hij wordt zonder vorm van proces, om geen misdaad, zelfs niet
op vermoeden van misdaad, in de gevangenis geworpen en.... verkocht,
verkocht om zijn gevangeniskosten te betalen. Dit schijnt onmogelijk,
zelfs van Amerika, maar de wet is nu eenmaal zoo, en de wet wortelt
in de openbare meening.

Het is alweer de openbare meening, waar men zich aan houdt in gevallen
als het volgende, dat in de nieuwsbladen bij wijze van hoofdartikel
behandeld wordt:


"Belangrijke rechtzaak.

"Een belangrijke zaak wordt nu behandeld voor het Hoog
gerechtshof. Ziehier wat er aanleiding toe gegeven heeft. Een heer,
die in Maryland woonde, had, verscheidene jaren geleden, een bejaard
paar zijner slaven feitelijke, alhoewel niet wettelijke vrijheid
geschonken. In dien staat was hun een dochter geboren, die in dezelfde
vrijheid opgroeide, totdat ze een vrijen neger huwde en met dezen in
Pennsylvanië ging wonen. Zij hadden verscheidene kinderen en leefden
ongemoeid totdat de oorspronkelijke eigenaar kwam te overlijden,
waarop zijn erfgenaam probeerde of hij ze niet weer in zijn macht kon
krijgen; maar de overheid, waar zij voor gebracht werden, besliste
dat zij in dit geval geen uitspraak kon doen. De eigenaar liet nu de
vrouw en haar kinderen 's nachts oplichten en bracht ze naar Maryland."


"Contant geld voor negers", "contant geld voor negers", "contant
geld voor negers", staat dikwijls in de lange kolommen der
compres gedrukte kranten met hoofdletters boven de advertentiën te
lezen. Houtsnee-vignetten, voorstellende een weggeloopen neger met
geboeide handen, die voor de voeten kruipt van een ruwen vervolger die
hem gesnapt heeft en bij de keel grijpt--ziedaar wat strekken kan tot
meerdere opluistering van den op zich zelf al zoo prettigen tekst. Het
hoofdartikel verzet zich tegen "die afschuwelijke en helsche leer van
de afschaffing, die zoowel tegen elke goddelijke wet als tegen elke
natuurwet aandruist." Mamaatje, die de krant in haar koele verandah
zit te lezen, stemt glimlachend in met dit vermakelijk mopje en sust
haar jongste kind, dat lastig begint te worden, door den jongen,
o hoe lief, niet waar? een zweepje te beloven, een zweepje om er
de negertjes mee te slaan.--Maar de negers, klein en groot, worden
immers door de openbare meening beschermd!!!

Laat ons deze openbare meening nog eens op eene andere manier den
pols voelen en wel met dien verstande dat zij zelf het nu zal wezen,
die ons de zaak in quaestie uit drieërlei nieuwe gezichtspunten zal
doen beschouwen. Me dunkt, zoo iets kan niet onbelangrijk geacht
worden. We zullen namelijk nu eens gaan zien ten eerste: hoe wanhopig
bleu slavenhouders tegenover de openbare meening zijn, in hun kiesche
beschrijving van voortvluchtige slaven in wijd en zijd verspreide
nieuwsbladen; ten tweede; hoe volmaakt de slaven in hun schik zijn
en hoe uiterst zelden ze wegloopen; ten derde hoe maagdelijk rein
de slaven gehouden worden van litteekens en van al wat een wreede
behandeling ten gevolge zou kunnen hebben, gelijk dit blijken zal
uit de schilderijen daarvan opgehangen, niet door leugenachtige
abolitionisten, maar door hun eigen waarheidslievende meesters.

Men houde daarbij wel in 't oog, dat de volgende staaltjes maar enkele
weinige specimens zijn van de advertentiën in de nieuwsbladen. Het
is nog maar vier jaar geleden sinds de oudste daarvan verschenen is;
en anderen van 't zelfde allooi worden er, dag-in dag-uit, bij de
vleet gepubliceerd.

"Weggeloopen, de negerin Caroline. Had een halsband om met één tand
naar beneden gekeerd."

"Weggeloopen, een zwarte vrouw, Betsy. Had een ijzeren beugel om
haar rechterbeen."

"Weggeloopen, de neger Manuel. Heeft nog al wat moeten van ijzers op
zijn lichaam."

"Weggeloopen, de negerin Fanny. Had een ijzeren band om haar hals."

"Weggeloopen, een negerjongen van ongeveer twaalf jaar. Had om zijn
hals een hondenhalsband met de ""de Lampert"" er in gesneden."

"Weggeloopen de neger Hown. Heeft een ijzeren ring om zijn
linkervoet. Ook Grisy, zijn vrouw, die een ring en ketting om 't
linkerbeen heeft."

"Weggeloopen, een negerjongen, met name Koo. Deze jongen was geboeid,
toen hij me verliet."

"Gevangen gezet, een man die zich Jan noemt. Aan zijn rechtervoet
heeft hij een ijzeren blok, dat wel een pond of vijf zal wegen."

"In de politiegevangenis gezet, de zwarte lichtekooi Myra. Heeft
verscheidene striemen van ZWEEPSLAGEN en ijzer aan haar voeten."

"Weggeloopen, een negerin en twee kinderen; een dag of wat voordat
ze wegliep, BRANDDE IK HAAR MET EEN GLOEIEND IJZER OP DEN LINKERKANT
VAN HAAR GEZICHT. Ik probeerde, de letter M te maken."

"Weggeloopen, een neger Hendrik genaamd; zijn linkeroog kwijt, sommige
litteekenen van een dolk aan en onder zijn linkerarm, en vol striemen
van de zweepslagen."

"Honderd dollars belooning, voor een negerknaap Pompey, 40 jaar. Hij
is gebrandmerkt op de linkerwang."

"Gevangen gezet, een neger. Heeft geen teenen aan den linkervoet."

"Weggeloopen, een negerin Rachel genaamd. Al haar teenen kwijt behalve
de groote.

"Weggeloopen, Sam. Kort geleden had hij een schot gekregen door de
hand, en heeft verscheidene schoten in zijn linkerarm en zij."

"Weggeloopen, mijn neger Dennis. Gezegde neger heeft een schot
gekregen in den linkerarm tusschen den schouder en elleboog waardoor
de linkerhand verlamd is geworden."

"Weggeloopen, mijn neger Simon genaamd. Men heeft hem geschoten in
zijn rug en rechterarm, maar niet al te raak."

"Weggeloopen, een neger met name Arthur. Heeft een groot litteeken
dwars door zijn borst, en iederen arm, met een mes gemaakt; spreekt
graag over Gods goedheid."

"Vijf en twintig dollars belooning voor mijn knecht Isaäc. Hij heeft
een litteeken aan zijn voorhoofd, door een klap veroorzaakt; en een
in zijn rug, door een pistoolschot."

"Weggeloopen, een negermeid, Marie genaamd. Heeft een klein litteeken
over haar oog, is nogal wat tanden kwijt, de letter A is op haar wang
en voorhoofd gebrand."

"Weggeloopen, neger Ben. Heeft een litteeken aan zijn rechterhand,
daar zijn duim en wijsvinger gekwetst zijn door een schot dat onlangs
op hem gelost is geworden. Een gedeelte van 't been stak er uit. Hij
heeft ook een of twee groote litteekens aan zijn rug en heupen."

"Gevangen gezet, een mulat, Tom genaamd, Heeft een litteeken aan de
rechterwang, en schijnt met kruit op 't gezicht gebrand te zijn."

"Weggeloopen, een neger, Ned genaamd. Drie zijner vingers zijn door
een snee in de palm zijner hand kromgetrokken. Heeft een litteeken
achter aan zijn hals, zoowat half rond, door een mes veroorzaakt."

"Was gevangen gezet, een neger. Zijn naam is Josiah. Zijn rug
vol striemen van de zweep; gebrand op de dij en heupen op drie of
vier plaatsen, dus (JM). Zijn rechter-oorlelletje is afgebeten of
afgesneden geworden."

"Vijftig dollars belooning, voor mijn knaap Eduard. Hij heeft een
litteeken om den hoek van zijn mond, twee sneden aan en onder zijn arm,
en letter E op zijn arm."

"Weggeloopen, de negerjongen Ellie. Heeft een litteeken aan een zijner
armen van den beet van een hond."

"Weggeloopen, van de plantage van James Surgette, de volgende negers:
Randal, heeft één oor afgekapt; Bob, is één oog kwijt; Kentucky Tom,
heeft één kaak gebroken."

"Weggeloopen, Anthony. Een zijner ooren afgesneden, en zijn linkerhand
met een bijl afgehakt."

"Vijftig dollars belooning voor den neger Jim Blake. Uit elk oor
is hem een stukje gesneden en de middelste vinger der linkerhand is
afgesneden tot het tweede gewricht."

"Weggeloopen, een negerin Maria genaamd. Heeft een litteeken aan
de eene zij van haar wang, door een snee. Sommige litteekens aan
haar rug."

"Weggeloopen de mulattin-lichtekooi Mary. Heeft een snee op den
linkerarm, een litteeken op den linkerschouder, en is twee boventanden
kwijt."



(Tot opheldering van 't laatste gedeelte dezer beschrijving, zal ik
misschien geen overtollig werk verrichten door te doen opmerken,
dat onder de andere zegeningen die de openbare meening der negers
verzekert, de algemeen in zwang zijnde gewoonte behoort, hun met
geweld de tanden uit te stooten. Om ze over dag en 's nachts ijzeren
halsbanden te laten dragen en de honden tegen hen aan te hitsen, dat
zijn van die praktijken bijna te ordinair om er opzettelijk melding
van te maken.)



"Weggeloopen, mijn man Fontein. Heeft gaten in zijn ooren, een
litteeken aan den rechterkant van zijn voorhoofd, heeft een schot
beet in de achterdeelen zijner beenen, en heeft striemen op zijn rug
van de zweep."

"Tweehonderd vijftig dollars belooning voor mijn neger Jim. Zijn
rechterdij draagt nogal wat litteekens van een schot. Het schot kwam er
aan den buitenkant in, halverwege tusschen de heup en kniegewrichten."

"Naar de gevangenis gebracht, Jan. Linkeroor afgehakt."

"Opgevangen, een neger. Heeft nogal wat litteekens over zijn gezicht
en lijf, en is zijn linkeroor kwijt, dat hem afgebeten is."

"Weggeloopen, een zwarte meid, Mary genaamd. Heeft een litteeken aan
haar wang, en de top van een harer teenen afgesneden."

"Weggeloopen, mijn mulattin Judy. Haar rechterarm is gebroken."

"Weggeloopen, mijn neger Levi. Zijn linkerhand is verbrand geworden,
en ik geloof dat hij den top van zijn wijsvinger kwijt is."

"Weggeloopen, een neger, WASHINGTON GENAAMD. Heeft een stuk van zijn
middelsten vinger verloren, en den top van zijn pink."

"Vijf en twintig dollars belooning voor mijn man Jan. Het puntje van
zijn neus is afgebeten."

"Vijf en twintig dollars belooning voor den negerslaaf Sally. Loopt
alsof hij kreupel was in den rug."

"Weggeloopen, Joe Dennis. Heeft een kleine kerf in een zijner ooren."

"Weggeloopen, negerjongen Jack. Mist een klein stukje van zijn
linkeroor, dat er van afgekapt is."

"Weggeloopen, een neger Ivoor genaamd. Mist een klein stukje van
iedere oorlel, dat er uitgesneden is."



Van ooren gesproken, zal ik zoo vrij zijn, bij deze gelegenheid
nog mee te deelen, dat een deftig abolitionist in New-York eens
een negeroor ontving, dat vlak bij 't hoofd afgesneden was. Dit oor
gewerd hem over de post en in een gewonen brief, en was verzonden
door den vrijen en onafhankelijken heer, die het af had laten zetten,
terwijl er het beleefd verzoek was bijgevoegd, om het specimen in zijn
"collectie" een plaatsje te verleenen.

Ik kon deze lijst vermeerderen met gebroken armen, en gebroken beenen,
en gekorven vleesch en ontbrekende tanden, en opengereten ruggen, en
hondenbeten, en ontelbare brandmerken met gloeiend heete ijzers. Maar
aangezien mijn lezers aan al 't voorafgaande reeds zoo rijkelijk hun
bekomst zullen hebben dat ze 'r misschien al misselijk van geworden
zijn, wil ik uit dit vermakelijk boek, dat ons zoo'n aardig kijkje
verleent in de waardij der Amerikaansche openbare meening, nog een
andere niet minder vermakelijke bladzij openslaan.

De bovenstaande advertenties, waarvan een dergelijke collectie elk
jaar, en maand, en week, en dag kon opgemaakt worden, en die men in
den huiselijken kring leest als dingen die van zelf spreken en onder
het nieuws van den dag en bij de koetjes en kalfjes thuis behooren,
kunnen daartoe bijdragen om den belanghebbende te toonen hoe bijster
erg de slaven van de openbare meening profiteeren en hoe teer zij zich
te hunnen aanzien gedraagt. Maar 't is ook niet van belang ontbloot,
eens na te gaan hoe de slavenhouders, en de klasse der maatschappij,
waaronder velen hunner dienen gerangschikt te worden, de openbare
meening naar de oogen kijken in hun gedrag, niet jegens hun slaven maar
jegens elkaar; hoe zij gewoon zijn, hun hartstochten te bedwingen;
hoe hun houding is onder hen zelf; of ze opvliegend zijn of zacht;
of hun maatschappelijke gewoonten brutaal, bloeddorstig en heftig
zijn of den stempel van beschaving en verlichting dragen.

Opdat men ons niet kunne beschuldigen van partijdiglijk onze
bewijzen aan abolitionisten te hebben ontleend, zal ik alweer tot
hun eigen nieuwsbladen terugkeeren en mij ditmaal bepalen tot een
keur van paragrafen, die, tijdens mijn bezoek aan Amerika, van dag
tot dag verschenen en altemaal betrekking hebben op gebeurtenissen
die voorvielen terwijl ik daar was. Evenals in de voorgaande, ben ik
het die ook in deze uittreksels onderstreept heb.

Naar men zien zal, vonden deze gevallen wel is waar niet allen plaats
op grondgebied dat thans tot wettig erkende Slavenstaten behoort,
ofschoon het met de meeste en ergste scènes wel deugdelijk het geval
was; maar de ligging van de plaatsen waar zij voorvielen zoo dicht
in de nabijheid van districten waar de slavernij wet is, en de sterke
gelijkenis tusschen die soort van gewelddadigheden en de rest: ziehier
een feit dat tot het niet onjuiste vermoeden leidt dat het karakter
van de daarin betrokken personen in slaven-districten gevormd en door
daar in zwang zijnde gewoonten verdierlijkt was.

Laat ons beginnen.



"VREESELIJK TREURSPEL.

"Uit een strook van The Southport Telegraph, Wisconsin, vernemen wij
dat de EdelAchtb. heer Charles C. P. Arndt, lid van den Raad voor
't graafschap Brown, op den vloer van de Raadkamer doodgeschoten
is door James R. Vinyard, lid voor 't graafschap Grant. De zaak
ontstond uit een benoeming tot Sheriff in 't graafschap Grant. De heer
E. S. Baker stond op de nominatie en werd ondersteund door den heer
Arndt. Deze nominatie werd bestreden door Vinyard, die verlangde dat
zijn eigen broeder die betrekking kreeg. In den loop van 't debat
kwam de overledene met eenige opgaven te berde die Vinyard voor
valsch verklaarde, zich daarbij van een heftige en beleedigende taal
bedienende, die doorspekt was van allerlei hatelijke personaliteiten,
waar de heer A. geen antwoord op gaf. Na de verdaging ging de heer
A. naar Vinyard toe, en verzocht hem, zijn woorden in te trekken,
wat hij weigerde, de beleedigende woorden herhalende. De heer Arndt
sloeg toen naar Vinyard, die een voetstap achteruitweek, een pistool
trok en hem doodschoot.

"Het schijnt dat deze afloop geprovoceerd is geworden door Vinyard,
die, het kostte wat het wilde, het besluit had opgevat om de
benoeming van Baker te verijdelen, en zelf uit het veld geslagen,
al zijn wraakgierigheid en wrok tegen den ongelukkigen Arndt keerde."


"HET WISCONSINSCHE TREURSPEL.

"Hoog loopt de openbare verontwaardiging op het grondgebied van
Wisconsin naar aanleiding van den moord, die in de zaal der Wetgevende
Vergadering van 't grondgebied gepleegd is geworden. Meetings
zijn er gehouden in verschillende graafschappen van Wisconsin, om
te protesteeren tegen de gewoonte om in 't geheim wapens bij zich
te dragen in de Wetgevende Kamer des lands. Wij hebben het verslag
ingezien van de Verwijdering van James R. Vinyard, den bedrijver der
bloedige daad, en zijn verbaasd te hooren, dat na deze verwijdering
door hen die Vinyard den heer Arndt zagen dooden in 't bijzijn van
zijn ouden vader die zijn zoon op was komen zoeken en er zeker al
bitter weinig van gedroomd had dat hij getuige zou zijn van diens
vermoording, rechter Dunn Vinyard onder borgtocht vrijgelaten heeft
[16]. De Miners' Free Press spreekt in bewoordingen van verdienden
afkeer over de beleediging daardoor de gevoelens van 't volk van
Wisconsin aangedaan. Vinyard stond niet meer dan op armslengte van
den heer Arndt af, toen hij zoo doodelijk op hem aanlegde, dat hij
nooit meer sprak. Zoo dicht naast hem staande, had Vinyard, als hij
maar gewild had, hem alleen kunnen wonden, maar neen, hij verkoos
hem te dooden."


"MOORD.

"Door een brief in een nieuwsblad van St. Louis van den 14 vernemen
wij een vreeselijk voorval te Burlington, Iowa. Daar een zekere
heer Bridgman een geschil gehad had met een burger van de plaats,
den heer Ross, voorzag een schoonbroeder van laatstgenoemden zich van
een Colt revolver, kwam den heer B. op straat tegen, en loste de vijf
pistoolloopen op hem: ieder schot was raak. Alhoewel verschrikkelijk
gewond, en stervende bleef de heer B. hierop het antwoord niet
schuldig, maar schoot Ross op de plaats dood."


"SCHRIKKELIJKE DOOD VAN ROBERT POTTER.

"Uit de ""Caddo'sche courant"" van den 12 l.l. vernemen wij den
vreeselijken dood van kolonel Robert Potter.... In zijn eigen huis
werd hij door een vijand, een zekere Rose, omsingeld. Hij sprong
zijn bed uit, greep zijn geweer en vloog in zijn nachtkleeren het
huis uit. Daar hij zijn vijand zoo wat tweehonderd el vooruit was,
scheen zijn vlugheid zijn vervolgers te verschalken, maar verward
rakende in kreupelhout werd hij gevangen genomen. Rose zei hem daarop,
dat hij van plan was, zich eens edelmoedig te gedragen, en gaf hem nog
een kans voor zijn leven. Hij, Potter, mocht namelijk wegloopen en tot
op zekeren afstand zou men hem niets doen. Op het commandowoord vloog
Potter weg, en voordat er een geweer was afgeschoten had hij het meer
al bereikt. Het eerst wat bij hem opkwam, was, in 't water te springen
en onder te duiken, wat hij dan ook deed. Rose zat hem dicht op de
hielen en formeerde zijn manschappen op den oever in dier voege, dat
ze kant en klaar waren om hem dood te schieten als hij met zijn hoofd
boven water kwam. Na verloop van eenige oogenblikken kwam hij boven,
om adem te halen; en nauwelijks stak zijn hoofd boven de oppervlakte
des waters uit, of het werd geheel verbrijzeld door de schoten hunner
geweren, en zonk hij, om niet meer levend op het droge te komen!"


"MOORD IN ARKANSAS.

"Wij vernemen dat er weinig dagen geleden een ernstige ontmoeting
heeft plaats gevonden in 't Land der Senecas tusschen den heer Loose,
den onderagent van de vereenigde stammen der Senecas, Quapaws en
Shawnees, en den heer James Gillespie, van de handelsfirma Thomas
G. Allison en Co, van Maysville, Benton, graafschap Ark, bij welke
gelegenheid de laatste met een bowie-mes gedood werd. Er had al sinds
eenigen tijd eenige moeilijkheid tusschen de partijen bestaan. Men
zegt dat majoor Gillespie den aanval met een rotting begon. Hierop
volgde een hevig gevecht, waarbij twee pistolen werden afgeschoten,
een door Gillespie en een door Loose. Loose doorstak toen Gillespie
met een dier nooit missende wapens, een bowie-mes. De dood van majoor
G. wordt zeer betreurd, daar hij een vrijzinnig en degelijk man
was. Sinds het bovenstaande gezet was, hebben we vernomen dat majoor
Allison aan sommige onzer burgers in de stad verzekerd heeft, dat de
heer Loose den eersten slag gegeven had. Wij onthouden er ons van,
in verdere bizonderheden te treden, aangezien de zaak het onderwerp
van een gerechtelijk onderzoek zal zijn."


"LEELIJKE DAAD.

"De stoomboot Thames, zoo even van de Missouri aangekomen, bracht ons
een biljet, waarmee een belooning uitgeloofd werd van 500 dollars voor
den persoon die in den nacht van den 6 l.l. Lilburn W. Baggs, onlangs
gouverneur van dezen Staat, te Independence vermoordde. Gouverneur
Baggs was, gelijk in een geschreven memorandum verklaard wordt,
niet dood, maar doodelijk gewond.

"Sinds het bovenstaande was geschreven, kregen we een nota van
den boekhouder van de Thames, waar de volgende bijzonderheden in
voorkomen. Gouv. Baggs werd Vrijdagavond den 6 l.l., terwijl hij in
zijn kamer in zijn eigen huis te Independence zat, door den een of
anderen schurk doodgeschoten. Zijn zoon, een jongen, die een knal
hoorde, vloog de kamer in, en vond den gouverneur in zittende houding
in zijn stoel. Zijn kaak was geheel uitgezakt en zijn hoofd hing
achterover. Zoodra de knaap merkte wat men zijn vader gedaan had,
maakte hij alarm. In den tuin werden eronder 't raam voetstappen
gevonden en een pistool opgeraapt waarvan men veronderstelde dat het
overladen en door de hand van den onverlaat, die het afschoot, daar
neergesmeten was geworden. Drie schoten, die zwaar waren geladen,
hadden doel getroffen. Het eene was namelijk door zijn mond gegaan,
het tweede in de hersenpan en het derde waarschijnlijk in of bij de
hersenpan, terwijl alle drie tot heel achter in den nek en in 't hoofd
doorgedrongen waren. Op den morgen van den 7 leefde de gouverneur nog;
maar zijn vrienden koesteren in 't geheel geen hoop op zijn herstel,
zijn geneesheeren maar bitter weinig hoop.

"Men had vermoeden op een man, en de Sheriff heeft hem op dit oogenblik
allerwaarschijnlijkst reeds in zijn macht.

"De pistool behoorde tot een koppel, dat een dag of wat geleden van
een bakker te Independence ontvreemd was geworden, en de overheid
heeft de beschrijving van het andere."


"ONTMOETING.

"Een ongelukkige zaak vond Vrijdagavond in Chastres Street plaats,
waar een onzer achtingswaardigste burgers met een dolk een gevaarlijke
wond in den onderbuik werd toegebracht. Uit de Bij (New Orleans)
van gisteren vernemen we dienaangaande de volgende bijzonderheden:
Het schijnt dat er Maandag laatstleden een artikel in 't Fransche
gedeelte dier krant stond, waarin eenige critische aanmerkingen
voorkwamen op het artillerie-bataljon, wegens het afvuren namelijk
van zijn kanonnen op Zondagmorgen, in antwoord op die van de Ontario
en Woodbury, waardoor veel alarm veroorzaakt was geworden onder de
families van die personen, welke den geheelen nacht op de been waren
geweest om de rust der stad te bewaren [17]. Daarover geraakt, ging
majoor C. Gally, de bataljons-commandant, bij 't bureau der redactie
aan, en vroeg den naam van den schrijver. Men zei dat de schrijver
P. Arpin heette, die toen afwezig was. Met een der eigenaars van 't
blad werden toen eenige bittere woorden gewisseld, waar een uitdaging
op volgde. Wel deden de vrienden van beide partijen hun best om de
zaak bij te leggen, maar tevergeefs. Vrijdagavond, tegen zevenen kwam
majoor Gally den heer P. Arpin in Chastres Street tegen en sprak hem
aan: "Is u m'nheer Arpin?"

""Ja m'nheer."

""Dan heb ik u eenvoudig te zeggen, dat je een" (hier volgde een
toepasselijk scheldwoord) "bent."

""Ik zal u aan uw woorden herinneren, m'nheer."

""Maar ik heb gezegd dat ik m'n stok op je schouder stuk zou slaan."

""Dat weet ik, maar ik heb den eersten slag tot nog toe niet gevoeld."

"Op deze woorden sloeg Majoor Gally, die een rotting in zijn hand had,
den heer Arpin dwars over 't gezicht, waarop deze een dolk uit zijn
zak haalde en den Majoor in den onderbuik trof.

"Men koestert vrees dat de wond doodelijk zal zijn. Wij vernemen
dat de heer Arpin zekerheid heeft gegeven dat hij voor het Crimineel
gerechtshof zal verschijnen om zich te verantwoorden."


"VECHTPARTIJEN IN MISSISSIPPI.

"Op den 27 l.l. werd er bij een vechtpartij in de nabijheid van
Carthago, graafschap Leake, Mississippi, tusschen James Cottingham en
John Wilburn door den laatsten op den eersten geschoten, en werd hij
zoo schrikkelijk gewond dat er geen hoop was op zijn herstel. Den 2
l.l. ontstond er een vechtpartij te Carthago tusschen A. C. Sharkey en
George Goff, waarin de laatste een schot kreeg, dat men voor doodelijk
hield, Sharkey gaf zich bij de autoriteit aan, maar bedacht zich
later en ontvluchtte!"


"ONEENIGHEID.

"Eenige dagen geleden werd in Sparta de kastelein van een logement
handgemeen met een zekeren Bury. Het schijnt dat Bury een beetje
luidruchtig was geworden en dat de kastelein, vast besloten om de orde
te bewaren, gedreigd had om Bury dood te zullen schieten, waarop Bury
een pistool voor den dag haalde en den kastelein neerschoot. Volgens
de laatste berichten was hij niet dood, maar bestond er weinig hoop
op zijn herstel."


"DUEL.

"De boekhouder van de stoomboot Tribune bericht ons dat er laatstleden
Dinsdag nog een tweegevecht heeft plaats gevonden en wel tusschen
den heer Robbins, een ambtenaar aan de Bank te Vicksburg, en den heer
Fall, den uitgever van de Vicksburger Schildwacht. Volgens afspraak
hadden de partijen elk zes pistolen, die zij, op 't woord "vuur!" zoo
dikwijls als ze verkozen, zouden afschieten. Fall schoot tweemaal
zonder gevolg. Het schot van den heer Robbins was raak en wel in de dij
van Fall, die neerviel en het gevecht niet langer voort kon zetten."


"VECHTPARTIJ IN 'T GRAAFSCHAP CLARKE.

"Een ongelukkige vechtpartij vond er Dinsdag den 19 l.l. plaats in
't graafschap Clarke (Mo) bij Waterloo. Deze vechtpartij ontstond uit
een regeling van zaken betrekkelijk de vennootschap der heeren Kane en
Allister, die een likeurstokerij gedreven hadden, en eindigde met den
dood van den laatstgenoemden, die door den heer Kane neergeschoten
werd, omdat hij getracht had zich in bezit te stellen van zeven
vaatjes whiskey, het eigendom van Kane, die Allister bij gerechtelijke
verkooping tegen één dollar per vaatje waren toegewezen geworden. Kane
vluchtte onmiddellijk, en volgens de laatste berichten was het der
politie niet gelukt, hem in handen te krijgen.

"Deze ongelukkige vechtpartij veroorzaakte daarom zoo geweldige
opschudding in de buurt, omdat beide partijen mannen waren met talrijke
huisgezinnen, die van hen afhingen, en goed ter naam en faam in de
gemeente bekend stonden."

Nu zal ik nog maar een enkel voorbeeld aanhalen, een voorbeeld dat
om zijn monsterachtige ongerijmdheid de kroon op deze afgrijselijke
daden zal zetten.


"EEREZAAK.

"Wij hebben zoo even de bijzonderheden gehoord van een ontmoeting die
Dinsdag plaats had op Six Mile Island, tusschen twee jonge bloeden
van onze stad: Samuel Thurston, oud vijftien, en William Hine, oud
dertien jaar. Ze werden door jongeheeren van denzelfden leeftijd
gesecondeerd. De bij deze gelegenheid gebruikte wapens waren een
paar van Dicksons beste buksen; de afstand, dertig el. Zij schoten
eenmaal op elkaar, zonder dat de eene partij de andere eenig letsel
toebracht, behalve dat de kogel uit Thurston's geweer door den bol
van Hine's hoed ging. Door de tusschenkomst van den Raad van Eer werd
de uitdaging ingetrokken en het geschil vriendschappelijk bijgelegd."



Als nu de lezer zich eens voor wil stellen met wat voor soort van
Raad van Eer we hier te doen hebben, die zoo vriendschappelijk het
geschil bijlegde tusschen deze twee kleine jongens, die in elk ander
deel der wereld heel vriendschappelijk op een bank waren gelegd,
waar men ze heel vriendschappelijk met berkenroeden afgestraft zou
hebben,--ik maak me sterk, dat hij al het bespottelijke van deze
"Eerezaak" niet minder in zal zien dan ik, die, telkens als ik er om
denk, er hartelijk om lachen moet.

En nu, met deze stuitende bewijzen van den wezenlijken toestand der
maatschappij in en bij de slavendistricten in Amerika voor oogen, nu
doe ik een beroep op ieder mensch die een greintje gezond verstand en
een beetje gevoel bezit, op ieder mensch die onbevooroordeeld is en
redelijk denkt, onverschillig van welke staatkundige of kerkelijke
kleur, en ik vraag: kunnen zij in 't minst twijfelen aan den
werkelijken toestand waarin de slaaf verkeert, of kunnen ze voor een
oogenblik vrede sluiten tusschen deze instelling of eenige van haar in
't oog springende vreeselijke kenmerken, en hun billijk oordeelende
gewetens? Zullen zij, al is 't eenigszins vergroot, van een of ander
verhaal van afgrijselijke wreedheid zeggen, dat het onwaarschijnlijk
is, als ze de openbare prenten kunnen raadplegen, en onder 't loopen
getuige kunnen zijn van daden als deze, gepleegd jegens elkander,
door menschen die heerschappij uitoefenen over de slaven?

Weten we dan niet, dat al wat de slavernij maar leelijks en wanstaltigs
in den hoogsten graad heeft aan te wijzen, èn de oorzaak èn het
gevolg is van de verregaandste buitensporigheid, die deze vrijgeboren
bandieten zich veroorloven? Weten we niet, dat de man die onder de
verkeerdheden der slavernij is geboren en grootgebracht geworden;
die in zijn kindsheid gezien heeft hoe mannen genoodzaakt werden om op
het woord van commando hun eigen vrouwen af te ranselen, hoe vrouwen
op onbetamelijke wijze gedwongen werden, haar eigen kleeren op te
houden, opdat de mannen des te zwaarder slagen op haar beenen konden
toebrengen, hoe vrouwen tijdens haar barensnood werden afgejakkerd
en getreiterd door brutale opzichters en onder de zweepslagen moeder
werden; die beschrijvingen van weggeloopen mannen en vrouwen en hun
verminkte personen gelezen heeft of zijn jeugdige zuster heeft zien
lezen, die elders onmogelijk duidelijker opgegeven konden worden,
ook al gold het de viervoetige bewoners van een boerderij of een
tentoonstelling van dieren;--weten we niet, wil ik nu eenvoudig
gevraagd hebben, dat, als de toorn van zoo iemand maar ontstoken is,
die man een brutale wilde zal zijn? Weten we niet, dat evengoed als
hij een lafaard is, die, mèt zijn zware zweep gewapend, onder zijn van
schrik ineenkrimpende slaven en slavinnen heen en weer loopt, hij zoo
ook een lafaard zal wezen buitendeurs, en, eens lafaards wapenen in
zijn borst verborgen houdende, iemand waar hij woorden mee krijgt, op
staanden voet doodschieten of doodsteken zal? En als ons verstand ons
deze en soortgelijke dingen niet leerde; als we zulke idioten waren
om onze oogen te sluiten voor die prachtige methode, volgens welke
zulke mannen opgevoed worden, zouden we dan nòg niet weten, dat zij,
die in de zaal der wetgevende vergaderingen, en op 't kantoor, en op 't
marktplein, en wat vreedzame plaatsen er nog meer in onze maatschappij
gevonden worden, onder huns gelijken dadelijk met dolk en pistool in de
weer zijn, voor hun onderhoorigen, ook al waren zij vrije dienstboden,
zooveel ongenadige en onverbiddelijke dwingelanden moeten wezen?

Hoe! Zullen we uitvaren tegen Ierlands onwetenden boerenstand,
en.... dadelijk water in onzen wijn doen, als er sprake is van deze
Amerikaansche bazen?! Zullen we ach en wee roepen over de brutaliteit
van hen die het vee de kniepees doorsnijden, en.... de Lichten der
Vrijheid op aarde sparen, van die Lichten die mannen en vrouwen de
ooren afkappen, die aardige spreuken snijden in 't lillend vleesch,
die les geven hoe men met gloeiend ijzeren pennen op 't menschelijk
aangezicht kan schrijven, die hun dichterlijke phantasie pijnigen om
verminkingslivreien te verzinnen die hun slaven gedurende hun leven
dragen en naar 't graf meenemen zullen, die, evenals de krijgsknechten
deden die den Zaligmaker der wereld bespotten en doodden, levende
ledematen breken en weerlooze schepsels neerzetten om er schijf op te
schieten?! Zullen we jeremieeren over legenden van de pijnigingen,
die de Heidensche Indianen elkaar aandoen, en... glimlachen over
de wreedheden van christenmenschen?! Zullen we, zoolang deze dingen
aanhouden, juichen op de verstrooide overblijfselen van dat statige
ras, en victorie kraaien, als de blanken zich in 't bezit hunner
uitgebreiden landen verheugen? Och, wat mij aangaat, herstel dan
liever der Indianen bosch en dorp; laat in plaats van sterren en
strepen zoo'n nietige veer in den wind wapperen; vervang de straten en
pleinen door wigwams; en al moge de lijkzang van een honderdtal fiere
krijgers door de lucht weergalmen, bij den gil van één ongelukkigen
slaaf zal 't ons als muziek in de ooren klinken.

Kom, laat ten opzichte van een onderwerp, dat we dagelijks voor
oogen hebben en waaromtrent ons nationaal karakter van lieverlede
verandert, de klinkklare waarheid gesproken worden, en laat ons
niet, als lafaards, uitvluchten bedenken, door op den Spanjaard en
den opvliegenden Italiaan te wijzen. Trekken Engelschen het mes als
ze ruzie krijgen, laat men er dan openlijk voor uitkomen en zeggen:
"Deze verandering danken we aan de Republikeinsche Slavernij. Dit nu
zijn de wapens der Vrijheid. Met scherpe punten en kanten zooals deze,
hakt en houwt de Vrijheid in Amerika haar slaven; of wil dit altemet
niet vlotten, geen nood! dan wijden haar zonen diezelfde kanten en
punten tot een beter gebruik, en keeren ze.... tegen elkaar."



XVIII.

SLOTOPMERKINGEN.

    SLOTOPMERKINGEN.


Er komen verscheidene passages in dit boek voor, waar 't me inderdaad
eenige moeite heeft gekost, de verzoeking te weerstaan, om mijn lezers
met mijn eigen gevolgtrekkingen en slotsommen lastig te vallen. Ik
voor mij gaf er toch de voorkeur aan, dat zij voor zich zelf zouden
oordeelen en wel uit zulke gegevens als ik onder hun oogen gebracht
heb. Ja, mijn eenige plan in den beginne was, ze getrouwelijk overal
mee te nemen waar ik naar toe ging, en van die taak heb ik me gekweten.

Maar men zal 't mij niet ten kwade kunnen duiden, dat ik, alvorens
dit boek af te sluiten, begeerig ben, met een paar woorden mijn
eigen gevoelen uit te drukken over zoo'n onderwerp als het algemeen
karakter van 't Amerikaansche volk en het algemeen karakter van
hun maatschappelijk stelsel, gelijk zich dat aan des vreemdelings
oog voordoet.

Van nature zijn de Amerikanen openhartig, degelijk, hartelijk, gastvrij
en vriendschappelijk. De beschaving en verlichting schijnen de warmte
van hun hart en hun vurige geestdrift eer goed dan kwaad te doen;
en nu is 't juist het bezit van deze laatstgenoemde eigenschappen
in een alleropmerkelijksten graad, dat een welopgevoed Amerikaan tot
een der beminnelijkste en edelmoedigste vrienden maakt. Nooit heeft
een klasse van menschen mij zoozeer voor zich ingenomen als deze;
nooit schonk ik mijn volle vertrouwen en achting zoo spoedig en zoo
van harte als aan hen; nooit kan ik weer, in een half jaar tijds,
zooveel vrienden maken wien ik zooveel genegenheid toedroeg als had
ik ze al de helft mijn levens gekend.

Onvoorwaardelijk geloof ik, dat deze eigenschappen het geheele volk
eigen zijn. Dat ze evenwel in haar wasdom jammerlijk ondermijnd en
bedorven worden onder den grooten hoop, en dat er invloeden werkzaam
zijn, waaronder deze zelfde eigenschappen er nog meer gevaar loopen,
zóó zelfs dat er voor 't oogenblik bitter weinig uitzicht op bestaat,
dat ze haar normale gezondheid ooit terugkrijgen: ziedaar een waarheid
die niet verzwegen mag worden.

Het is een wezenlijk deel van elk nationaal karakter, machtig grootsch
te zijn op zijn gebreken, en juist uit de overdrijving, waar men zich
te dezen opzichte aan schuldig maakt, de teekenen van zijn deugd en
wijsheid af te leiden. Zoo is er één groote vlek in 't volkskarakter
van Amerika, en de vruchtbare bron van ontelbare verkeerdheden;
en die is? Een algemeen Wantrouwen. De Amerikaansche burger geeft
echter zoo grif niet toe, dat dit een vlek is. Integendeel! Hij laat
zich nogal iets voorstaan op dezen geest, ook zelfs dan nog, wanneer
hij onbevooroordeeld genoeg is, om al het verderfelijke, dat er uit
voortvloeit, op te willen merken; en niettegenstaande zijn eigen
verstand hem van 't tegendeel overtuigd, zal hij het zelfs als een
voorbeeld aanhalen van de groote schranderheid en scherpzinnigheid
zijner landgenooten en hun superieure slimheid en zelfstandigheid.

"Gij brengt," zegt de vreemdeling, "dezen naijver en dit wantrouwen in
elke handeling van 't openbare leven over. Doordien ge waardige mannen
uit uw wetgevende vergaderingen weert, is er een klasse van candidaten
voor den dag gekomen, waarmee het stemrecht nu te rekenen heeft, die,
in elk hunner daden, uw Instellingen en uw volkskeus in kwaden reuk
brengen. Het heeft u zoo wispelturig en veranderlijk gemaakt, dat
uw onstandvastigheid tot een spreekwoord is geworden, want zoo gauw
zet ge den een of anderen afgod niet goed en wel neer, of ge kijkt,
om zoo te zeggen al naar de gereedschappen om, waarmee ge hem straks
van zijn voetstuk afrukken en verbrijzelen zult. En waarom doet ge
dat nu? Waarom? Omdat zoodra ge een weldoener van 't volk, of een
openbaar ambtenaar, beloont, gij hem, louter omdat hij beloond is,
ook op staanden voet wantrouwt en onmiddellijk aan 't visschen gaat
of gij altemet ook te scheutig met de bewijzen uwer erkentelijkheid
geweest zijt, of hij, nu de aap toch binnen is, misschien ook aan
't slabakken is en zich van zijn taak met een Jantje van Leiden
afmaakt. Van den President af, kan ieder, die een hooge plaats onder u
inneemt, gerust zijn val van dat oogenblik dagteekenen; want de eerste
de beste gedrukte leugen, die de een of andere bekende schavuitige
penvoerder in omloop weet te brengen, al druischt die leugen ook ten
eenenmale tegen 't karakter en den levenswandel van den bekladde in,
ze maakt op eens uw wantrouwen gaande en.... wordt geloofd. In één
woord, op den weg van 't vertrouwen, hoe eerlijk ook gewonnen en hoe
welverdiend, zult ge een mug uitzuigen, maar een heele karavaan van
kemels zult ge doorzwelgen, als ze maar beladen zijn met onwaardige
twijfelingen en lage vermoedens. Nu vraag ik u zelf in gemoede af:
zou zoo'n gedragslijn wel de geschiktste wezen om in uw midden het
karakter der bestuurders of bestuurden te verheffen?"

Het antwoord komt onveranderlijk hierop neer: "Bij ons bestaat, naar
ge weet, vrijheid van meening. Zoo denkt iedereen voor zich zelf,
en wij zijn er de mannen niet naar, om ons zoo gemakkelijk een knol
voor een citroen in de hand te laten stoppen. Ziedaar de reden waarom
ons volk achterdochtig is geworden."



Een andere in 't oogloopende trek in 't Amerikaansche volkskarakter
is de zucht om in zijn handel en wandel "bij de hand" te zijn,--een
eigenschap, die menige zwendelarij en verregaande kwade trouw, menige
openbare en particuliere knoeierij verguldt, en menigen schurk,
die een strop driedubbel verdient, in staat stelt om met zijn hoofd
in zijn nek den besten onder de oogen te zien--alhoewel datzelfde
"bij de hand zijn" in een tijdsverloop van slechts weinig jaren meer
gedaan heeft om het openbaar krediet te benadeelen en de openbare
hulpbronnen te verstoppen, dan domme eerlijkheid, onbezonnen als die
soms te werk gaat, in een eeuw kon gedaan hebben. De "verdiensten"
van een mislukte speculatie, of bankroet, of fortuinlijken gauwdief
worden dan ook niet beoordeeld naar den maatstaf van den gulden
regel; "Doe, zooals ge wilt dat men tegenover u doe," och neen,
maar naarmate er, met betrekking tot de zaak of den persoon, van
meer of minder "bij de hand zijn" sprake is. Zoo herinner ik me,
dat ik, beide keeren toen ik dat slecht ter naam staande Caïro
bij den Mississippi passeerde, eenige opmerkingen maakte over de
nadeelige gevolgen, die zulke op groote schaal gedreven bedriegerijen
teweeg moesten brengen als ze aan 't daglicht kwamen. "Komen zulke
knoeierijen uit," in dier voege redeneerde ik onder anderen, "dan
spreekt het vanzelf, dat men buitenlands over 't algemeen wantrouwen
krijgt en huiverig wordt om met u handel te drijven." Hierop trachtte
men mij aan 't verstand te brengen, dat men met dat al aardig geld
wist te verdienen en het alleraardigste van dat "bij de hand zijn"
nog dit was, dat men al die aardige dingetjes in 't buitenland heel
gauw vergat en weer aan 't speculeeren ging alsof er niets gebeurd
was. De volgende samenspraak heb ik wel honderdmaal gehouden: "Is 't
niet erg te bejammeren, dat zoo'n man als N. N. op zoo'n verfoeielijk
gemeene manier aan zooveel geld komt, en ondanks al de misdaden waar
hij zich aan schuldig heeft gemaakt, door uw burgers zelfs geholpen
wordt? Is zoo iemand eigenlijk geen lastpost en schandvlek in de
maatschappij?"--"Ja, m'nheer."--Een overtuigd leugenaar?"--"Ja,
m'nheer."--"Hij is geschopt, heeft klappen om zijn ooren gekregen,
en is op rottingsmeer getrakteerd, niet waar?"--"Ja, m'nheer."--"En
hij is in den hoogsten graad wat men, plat doch duidelijk uitgedrukt,
onder een uitgekotsten ploert verstaat?"--"Ja, m'nheer."--"Maar waar
steekt dan toch in vredesnaam zijn verdienste in?"--"Wel, m'nheer,
't is een man die bij de hand [18] is."



Op dezelfde manier worden allerlei bekrompen en onstaatkundige
gebruiken op rekening gesteld van den nationalen handelzucht, ofschoon
er, grappig genoeg, een vreemdeling een erge grief van zou gemaakt
worden, bijaldien hij de Amerikanen als een volk van kooplui aanzag. De
handelzucht wordt aangewezen als een reden voor die met alle comfort
zoo ten eenenmale in strijd zijnde, doch niettemin in landsteden zoo
sterk overheerschende gewoonte, dat getrouwde lui in logementen wonen,
geen eigen haard er op nahouden, en elkaar van den vroegen morgen tot
den laten avond zelden ontmoeten, of 't moest aan de tables d'hôte
zijn, waar alles nog wel zeer haastig in zijn werk gaat ook. De
handelzucht is een reden waarom Amerika's letterkunde voor altijd
onbeschermd moet blijven: "want wij zijn een handeldrijvend volk en
bekommeren ons niet om poëzie," ofschoon wij, om dit van onzen kant in
't voorbijgaan te doen opmerken, wèl voorgeven dat we erg grootsch zijn
op onze dichters, maar gezonde vermakelijkheden, vroolijke middelen
van uitspanning, en heilzame phantasieën het veld doen ruimen voor
de stroefgetroniede maar dubbeltjes opleverende handelspret.

Deze drie kenmerkende eigenschappen nu van 't Amerikaansche
volkskarakter vallen den vreemdeling telkens en telkens weer in 't
oog. Maar de zoo weinig tierende woekerplant van Amerika's verderf
heeft nog een knoestiger wortel dan deze en slaat haar vezelen diep
in zijn losbandige Pers.

In Oost en West, in Noord en Zuid mogen er scholen opgericht worden,
waar honderden bij honderden, duizenden bij duizenden leerlingen worden
onderwezen door ontelbare onderwijzers; colleges mogen er bloeien,
kerken mogen er propvol zijn, matigheidsgenootschappen mogen er
handen vol werk hebben, en met reuzenschreden moge de uitwendige
beschaving in elken anderen vorm vooruitgaan, het zij zoo! maar
zoolang de krantenpers van Amerika op haar tegenwoordigen lagen
trap, of daaromtrent, blijft staan, zoolang is de innerlijke, de
wezenlijke beschaving in dat land hopeloos. Jaar-in jaar-uit moet en
zal ze achteruitgaan; jaar-in jaar-uit moet de standaard der openbare
meening lager zinken; jaar-in jaar-uit moet zoowel het Congres als de
Senaat minder in tel geraken bij alle fatsoenlijke lieden; en jaar-in
jaar-uit moet de nagedachtenis van de groote Vaderen der Omwenteling
hoe langer hoe meer gehoond worden in den slechten levenswandel hunner
verbasterde kinderen.

Onder de massa kranten, die in de Vereenigde Staten worden uitgegeven,
zijn er sommige--behoef ik 't den lezer eigenlijk wel te zeggen? die
karakter hebben en krediet. Een persoonlijke kennismaking met hoogst
beschaafde heeren, die aan de hier bedoelde bladen verbonden waren,
heeft me dan ook veel genoegen verschaft, ja ik heb er zelfs voordeel
van getrokken. Maar helaas! de naam van deze klasse is Weinige, en
van de andere Legio; en machteloos is de invloed der goede Pers om
het doodelijk gif der slechte tegen te werken.

Onder de fatsoenlijke burgerij van Amerika; onder de goed en
bedaardgezinden; onder de geleerden; aan de balie en rechtbank is er,
en kan er trouwens niet anders dan één meening zijn ten opzichte van
't verderfelijk karakter dezer schandbladen. Soms wordt het betwist,
dat hun invloed zoo groot zou zijn als een vreemdeling allicht zou
veronderstellen.--Nu, ik zal niet zeggen, dat mij zoo iets bevreemdt,
o neen; niets natuurlijker toch dan om verontschuldigingen te zoeken
voor zoo'n schande: als men 't mij maar niet kwalijk wil nemen,
wanneer ik van mijn kant zoo vrij ben, hiertegen aan te voeren,
dat er geen gegronde reden bestaat, om 't te kunnen betwisten, daar
al de op dit punt maar al te welsprekende feiten tot een lijnrecht
daartegenover staande slotsom leiden.

Zoodra iemand, van eenige kennis of karakter, tot de een of andere
openbare onderscheiding, 't komt er niet op aan welke, in Amerika op
kan klimmen zonder eerst de voetveeg te zijn geweest van dit monster
van verdorvenheid; zoodra iemand van uitnemende hoedanigheden veilig is
voor zijn aanvallen; zoodra dat monster het maatschappelijk vertrouwen
onaangerand laat of de banden van maatschappelijke betamelijkheid
en eer maar eenigermate ontziet; zoodra iemand in dat Vrije Land
vrijheid van meening heeft en vrijelijk voor zijn meening uit mag
komen, zonder verplicht te zijn in allen ootmoed een censorschap naar
de oogen te kijken, dat hij, om zijn verwaten onwetendheid en lage
karakterloosheid, in zijn hart tot in de hel verafschuwt; zoodra
zij, die, 't diepst onder zijn schandvlekkend juk gebukt gaande,
't levendigst gevoelen wat voor oneer het over de natie uitstort en
elkander daar het meest over durven onderhouden, nu dan ook hun hielen
op dat monster durven zetten en 't openlijk ten aanschouwen van Jan
en alleman verpletteren; zoodra dàt alles gebeurt, welnu, dàn zal
ik gaan gelooven dat zijn invloed aan 't tanen is en de menschen in
Amerika hun vijf zinnen weer terugkrijgen. Maar... zoolang die Pers
haar boosaardig oog in ieder huis durft slaan en haar zwarten neus
in elke benoeming tot een landsbetrekking, van een president af tot
een brievenbesteller toe, durft steken; zoolang ze, met niets anders
tot voorraad dan liederlijke lastertaal, de letterkundige standaard is
van een verbazend groote klasse van menschen, die kranten moeten lezen
of ze lezen niemendal... zoolang moet haar vuile adem het aangezicht
des lands bezoedelen en het kwade, dat zij wrocht, zoo klaar als het
licht zichtbaar wezen in de Republiek.

Heeren die gewoon zijn om de Engelsche, of andere fatsoenlijke
bladen van 't Vasteland te lezen; heeren die gewoon zijn aan al wat
maar gedrukt wordt,--zelfs hen zou men met geen mogelijkheid eenig
denkbeeld kunnen geven van dat vreeselijk werktuig der menschelijke
gedachte in Amerika, tenzij ik uit de verschillende nieuwsbladen
een berg van uittreksels overnam, waartoe ik nog plaatsruimte noch
lust heb. Maar mocht iemand verlangend zijn, om datgene bevestigd te
zien wat ik dienaangaande zoo onverbloemd dorst schrijven, welnu,
hij bezoeke doodeenvoudig de een of andere publieke plaats in onze
goede stad Londen, waar men dergelijke kranten bij de vleet aan
zal treffen; dan moge hij zijn eigen meening vormen. (Of laat hem
daarover een degelijk en alleszins met de waarheid overeenkomend
artikel in The Foreign Quarterley Review lezen, dat in October
1842 is uitgekomen, een artikel dat mijn aandacht getrokken heeft,
sinds de vorige vellen afgedrukt waren; dan toch zal hij een menigte
bijzonderheden ontmoeten, die wel is waar hoegenaamd niet belangrijk
zijn voor iemand die in Amerika geweest is, maar iemand die dat land
niet bezocht heeft daarentegen ruimschoots belang zullen inboezemen.)

Het is aan geen twijfel onderhevig, of 't zou voor de Amerikaansche
natie, in haar geheel genomen, vrij wat beter zijn, als ze wat minder
van 't Reëele en wat meer van 't Ideale hield. Ja vrij wat beter
zou het voor haar zijn, als men in haar midden de luchthartigheid
en opgeruimdheid wat meer aanmoedigde en al wat schoon is wat meer
beoefende, ook al levert het schoone in de allereerste plaats en
rechtstreeks geen stoffelijk voordeel op. Maar ik vermeen dat men
hier, en niet ten onrechte, met de algemeene tegenwerping voor den
dag zal komen: "Wij zijn een nieuw land", een tegenwerping die zoo
vaak vooropgezet wordt als een verontschuldiging voor gebreken die ten
eenenmale onverschoonlijk zijn, omdat het inderdaad geen nieuw land,
maar de langzame uitlooper is van een oud; en daarom hoop ik eens
te zullen hooren dat er behalve de krantenpolitiek nog eenig ander
nationaal amusement in de Vereenigde Staten gevonden wordt.

Een geestig, humoristisch volk zijn ze zeker niet, en hun temperament
maakte op mij altijd dezen indruk, dat het van een saaien en somberen
aard is. In gevatheid en een zekere onbuigzame ingenomenheid met zich
zelf spelen de Yankee's of het volk van Nieuw Engeland, ontegenzeglijk
de eerste viool, wat ze trouwens op verstandelijk gebied in den regel
doen. Maar, gelijk ik al in vorige gedeelten van dit werk heb doen
opmerken, op mijn uitstapjes buiten de groote steden, hinderde het
mij geweldig, zooals die ernstige en droefgeestige koopmansachtige
tronies in 't oog vielen, een verschijnsel dat zoo algemeen en zoo
eentonig was, dat ik in iedere stad, waar ik aankwam, precies dezelfde
menschen meende tegen te komen, die ik den laatsten keer verlaten
had. Zulke gebreken als welke op te merken zijn in de volkszeden,
schijnen mij voor een groot deel hieraan toe te schrijven te zijn,
dat men van de oude, gemeene sleur niet verkiest af te wijken en
tegen beschaafde manieren als overtolligen ballast op de levensreis
opziet. Washington, die in zake de uiterlijke wellevendheid bij uitstek
nauwgezet was, moet de neiging zijner landgenooten, om zich op dit
punt te bezondigen, stellig bespeurd hebben, en we kunnen er op aan,
dat hij ook zijn uiterste best gedaan heeft, om ze daarvan te genezen.

Ik ben 't niet eens met andere schrijvers over deze onderwerpen, dat
de aanwezigheid van zooveel geheel uiteenloopende sekten in Amerika
zelfs eenigermate te danken is aan 't feit, dat daar te lande geen
gevestigde of zoogenaamde Staatskerk bestaat. Och neen, bij mij staat
het vast, dat de volksaard, ook al duldde hij dat zoo'n instelling in
hun midden opgericht werd, er hen vanzelf toe zou brengen, om er zich
niet aan te houden, louter omdat ze gevestigd wàs. Maar gesteld eens,
zoo'n Kerk bestond in Amerika, toch zou ik in twijfel durven trekken of
ze wel aan haar doel zou beantwoorden, om namelijk de dolende schapen
in één grooten stal onder dak te brengen, om de doodeenvoudige reden
dat het bij ons in Engeland om zoo te zeggen sekten regent; en ook
omdat ik in Amerika geen enkelen godsdienstvorm aantrof waar wij
in Europa, ja zelfs in Engeland, onbekend mee zijn. Evenals andere
menschen vloeien er dissenters bij de vleet naar toe, om de eenige
reden dat het een toevluchtsland is voor Jan en alleman; en groote
nederzettingen van hen worden er gesticht, omdat daar, waar vroeger
geen moederziel gevonden werd, grond aangekocht, steden en dorpen
gebouwd kunnen worden. Ja zelfs de Kwakers emigreerden uit Engeland;
ons land is den heer Joseph Smith, den apostel van 't Mormonisme, of
diens in den donker rondwroetende jongeren niet onbekend; met mijn
eigen oogen heb ik in sommige onzer volkrijke steden godsdienstige
tooneelen gezien die bezwaarlijk overtroffen kunnen worden door een
zoogenaamde Amerikaansche kampmeeting, en ik ben er me niet bewust
van, dat eenig voorbeeld van bijgeloovig bedrog aan den eenen kant
en bijgeloovige lichtgeloovigheid aan de andere zij haar oorsprong
gehad heeft in de Vereenigde Staten, 't welk wij niet ruimschoots
vergelijken kunnen met de precedenten van mevrouw Southcote, Mary Tofts
de konijnenfokster, ja zelfs van den heer Thom van Canterbury, welk
laatste geval ontstond, kort nadat de donkere eeuwen voorbij waren.



Ongetwijfeld leiden de republikeinsche instellingen van Amerika er het
volk toe, om de achting voor zich zelf en hun gelijkheid te bevestigen;
maar een vreemdeling dient zich van deze instellingen wel terdege
rekenschap te geven, anders loopt hij niet weinig gevaar, zich al heel
spoedig te ergeren, wanneer hij namelijk de familiariteit ondervindt
van menschen die hem thuis niet anders dan op behoorlijken afstand
en met den hoed in de hand zouden durven naderen. Wat mij betreft,
als deze karaktertrek maar niet getint werd door mallen hoogmoed en
een fatsoenlijke bediening niet in den weg stond, dan heb ik mij
daardoor nooit beleedigd gevoeld, en uiterst zelden (als 't ooit
gebeurd is!) ben ik een Amerikaan tegengekomen die dezen eigenaardigen
trek in hun karakter op eene ruwe of stuitende wijze openbaarde. Een
paar malen had ik op dit punt een koddige ontmoeting. Ik zal dit
voor de aardigheid eens meedeelen, maar voeg er nadrukkelijk bij,
dat dit ten eerste alles behalve van dien aard was om er boos over
te worden, integendeel, en buitendien zelfs in de verste verte als
geen doorgaanden regel mag beschouwd worden.



In een zekere stad had ik een paar laarzen noodig, want ik had geen
andere om mee te reizen dan die met de gedenkwaardige kurken zolen,
die veel te heet waren voor 't dek eener stoomboot. Vandaar dat ik een
kruier naar een "artist in laarzen" stuurde met een boodschap in dezen
trant: wel de complimenten van den heer Dickens, en ik zou me gelukkig
achten, als ZEd. zoo vriendelijk zou willen wezen, om eens even bij
me aan te komen. Waarop de "artist in laarzen" heel vriendelijk ten
antwoord gaf, dat hij dien avond om zes uur eens "kijken" zou.



Ik lag op de canapé met een boek en een glas wijn naast me. 't Was bij
zessen. Daar ging de deur open, en een heer, zoo wat in de dertig, met
een stijve das om, trad binnen. Met handschoenen aan en zijn hoed op,
liep hij dadelijk naar den spiegel, streek zijn haar in orde, trok
zijn handschoenen uit, en haalde langzaam een maat uit de diepste
diepte van zijn jaszak en verzocht me op een lijmerigen toon om mijn
souspieds los te maken en mijn laarzen uit te trekken. Ik deed dat,
maar keek meteen een beetje nieuwsgierig naar zijn hoed, dien hij
nog altijd ophad. Of 't nu daarvan kwam, of van de warmte--genoeg,
hij nam hem af. Toen ging hij op een stoel tegenover me zitten,
leunde met een arm op elke knie, boog zooveel mogelijk voorover en
met veel inspanning gelukte het hem, om op die manier het proefstuk
van hoofdstedelijke nijverheid, dat ik zoo even uitgetrokken had,
van den grond op te beuren. Ondertusschen floot hij dat het een lust
was om te hooren. Hij draaide de laars om, en nog eens om; bekeek ze
met een minachting die geen taal kan uitdrukken, en vroeg me of ik
er op gesteld was dat hij me een laars maakte zooals die? Hoffelijk
antwoordde ik hem daarop, dat, als de laarzen maar groot genoeg waren,
ik de rest aan hem overliet. "Als ze mij"--in dezer voege liet ik me
uit--"als ze mij maar makkelijk zitten en 't u niet al te moeielijk
is, dan heb ik voor mij er niets tegen, als ze wat lijken op 't
model dat u daar voor u heeft; maar overigens laat ik 't geheel en
al aan uw oordeel en discretie over."--""Dan staat u er zeker niet
op, dat de hiel zóó gemaakt wordt? Weet u, dat doen we hier op 'n
andere manier."" Ik herhaalde mijn laatste opmerking. Alweer keek
hij in den spiegel. Ditmaal ging hij er zelfs dichter voor staan om
wat stof, dat in den hoek van zijn eene oog geraakt scheen te zijn,
uit te peuteren. Ook zijn das kreeg een beurt. In al dien tijd zat
ik daar, met een Jobsgeduld, met mijn been en voet in de hoogte. "Is
u bijna klaar, mijnheer?" vroeg ik. "O zoo aanstonds," zei hij,
"hou uw voet maar strak." Ik hield èn voet èn gezicht zoo strak
mogelijk. Ondertusschen was hij klaar gekomen met het stof in zijn
oog, waarop hij zijn potlood kreeg, mij de maat nam en het noodige
opteekende. Zoodra hij gedaan had, verviel hij in zijn oude houding,
nam de laars weer in zijn hand, en bekeek ze eenigen tijd. "En dit is
nu," zei hij eindelijk, "een Engelsche laars! Dit is 'n Londensche
laars, niet waar?"--"Dat is," antwoordde ik, "een Londensche laars,
m'nheer." Alweer monsterde hij ze, op de manier waarop Hamlet met
Yorick's schedel te werk ging; schudde het hoofd, als wou hij zeggen:
"ik beklaag de Instellingen die tot de productie van zoo'n laars
leidden!" stond op, stak zijn potlood, aanteekeningen en papier in
zijn zak--al dien tijd in den spiegel kijkende--zette zijn hoed op;
trok op zijn doode gemak zijn handschoenen aan, en stapte ten langen
leste op. Hij was nog geen minuut weg geweest, of de deur ging weer
open, en weer zag ik zijn hoed en hoofd verschijnen.... Hij kijkt
de kamer rond, en weer naar de laars, die nog op den vloer ligt,
schijnt eenige oogenblikken in gepeins verzonken en zegt toen: "Nou,
goeien avond."--"Goeden avond, m'nheer," zeg ik daarop, en hiermee
was de conferentie met den artist-laarzenmaker afgeloopen.



Er is nog maar een punt, waar ik een aanmerking op wensch te maken,
en dat is op de openbare gezondheid. In zoo'n uitgebreid land,
waar duizenden millioenen morgen lands onbewoond en onbebouwd zijn,
en op elke roede dier onmetelijke vlakten de plantengroei jaarlijks
tot ontbinding overgaat; waar zooveel groote rivieren zijn, en het
klimaat hier zóó en daar zus is,--dáár, 't kan niet missen, moeten in
zekere gedeelten des jaars allerlei ziekten heerschen. Maar, na mijn
onderhoud met verscheidene beoefenaars van de geneeskunde in Amerika,
durf ik gerust verzekeren, niet alleen te staan in de meening, dat,
als men maar enkele gewone voorzorgsmaatregelen in acht wou nemen,
veel van die heerschende ziekten kon voorkomen worden. Grooter
middelen van persoonlijke zindelijkheid zijn te dien einde onmisbaar;
de gewoonte om, driemaal daags, groote hoeveelheden dierlijk voedsel
door 't keelgat te jagen en na iederen maaltijd dadelijk zich aan
stilzittende bezigheden over te geven, deze gewoonte dient veranderd
te worden; de teere sekse moet wijzer gekleed gaan en wat meer gezonde
beweging nemen; en wat dit laatste betreft, dienen ook de mannen mee te
doen. Maar 't is vooral in openbare inrichtingen, en in iedere groote
of kleine stad, dat het stelsel van ventilatie, drainage en afvoering
van onzuivere stoffen een geheele herziening vereischt. Ja, er is geen
plaatselijk bestuur in Amerika, dat het voortreffelijk verslag des
heeren Chadwick, over den Gezondsheidstoestand van onze arbeidende
klassen, niet met onmetelijk voordeel zou kunnen bestudeeren.



En nu ben ik aan 't einde van dit werk gekomen. Afgaande op zekere
wenken, die mij sinds mijn terugkeer in Engeland gegeven zijn,
heb ik maar bitter weinig reden om te gelooven, dat het door 't
Amerikaansche volk hartelijk of gunstig zal ontvangen worden. Het
zij zoo! Ik vermeen onder de zoodanigen te behooren, die in staat
zijn, een oordeel te vellen en hun meening uit te spreken; en mij
hoofdzakelijk richtende tot de zoodanigen, was 't mij slechts hierom
te doen, de Waarheid te schrijven, niets meer en niet minder. Dat
ik volstrekt niet verlangd heb, populaire toejuiching te verwerven,
door me van onbehoorlijke middelen te bedienen: ziedaar iets waar
men zich onder de lezing van heeft moeten overtuigen.

Het is me genoeg, te weten, dat wat ik in de vorigen bladzijden heb
neergeschreven, mij aan den overkant van den Atlantischen Oceaan
geen enkelen vriend kan kosten, die in eenigerlei opzicht dien naam
verdient. Overigens stel ik mijn volle vertrouwen op den geest waarin
mijn mededeelingen zijn ontworpen en opgesteld, en kan ik mijn tijd
afwachten.

Ik heb geen melding gemaakt van de wijze waarop men mij ontvangen
heeft; evenmin heb ik toegelaten, dat die ontvangst van invloed kon
zijn op 't geen ik heb geschreven, want in een van beide gevallen
had ik maar met een povere erkenning voor den dag kunnen komen,
pover in vergelijking met de gevoelens die ik in mijn ziel jegens
die partijdige lezers van mijn vorige boeken aan de overzij der zee
koester, welke mij met een open hand te gemoet kwamen, en niet met
een hand die een ijzeren muilband vastmaakte.


                    EINDE DER SCHETSEN UIT AMERIKA.



TAFEREELEN UIT ITALIË.

LEZERS PASPOORT.


Willen de lezers van dit werk de vriendelijkheid hebben, van den
schrijver zelven hunne geloofsbrieven te nemen voor de verschillende
plaatsen, die het onderwerp zijner herinneringen uitmaken, dan zullen
zij ze, in hunne verbeelding, wellicht op des te aangenamer wijze
bezoeken, en beter begrijpen wat zij mogen verwachten.

Er zijn veel boeken over Italië geschreven, welke talrijke middelen
opleveren ter beoefening der geschiedenis van dat belangwekkende land
en de tallooze associatiën die er zich om heen winden. Ik verwijs
schaars tot dat magazijn van kennis; want al heb ik, in mijn eigen
voordeel, toevlucht genomen tot de voorraadschuur, dan beschouw ik
het daarom toch niet als een noodzakelijk gevolg er van, dat ik haar
licht toegankelijken inhoud voor de oogen mijner lezers moet ontvouwen.

In deze bladen zullen zij evenmin een ernstig onderzoek van het
bestuur of wanbestuur van dat land vinden. Het kan niet missen,
of een bezoeker van dat schoone land moet, ten aanzien van dat
onderwerp, eene innige overtuiging verkrijgen; maar vermits ik
het, als vreemdeling, gedurende mijn verblijf aldaar, verkoos, mij
te onthouden van het redetwisten over dergelijke vraagpunten met
Italianen, van welke rang ook, zou ik thans maar liever niet in dat
onderzoek treden. Gedurende de twaalf maanden, dat ik een huis te
Genua bewoonde, heb ik nooit ondervonden, dat de bestuursmachten,
uit den aard achterdochtig, mij wantrouwden; en het zou me spijten,
als ik ze reden gaf om hare onbekrompen hoffelijkheid, ten aanzien
van mij zelven of eenigen mijner landgenooten, te beklagen.

Waarschijnlijk is er in geheel Italië geen beroemd schilderstuk
of standbeeld, dat niet begraven kon worden onder een berg gedrukt
papier, gebruikt tot verhandelingen er over. Daarom zal ik niet in
het breede uitweiden over beroemde schilderijen en beeldhouwwerken,
hoezeer ik een warm bewonderaar der schilder- en beeldhouwkunst ben.

Dit boek is eene reeks van zwakke weerkaatsingen--enkel schaduwen
op het water--van plaatsen, welke de verbeeldingskracht der meeste
menschen in hooger of minder graad aantrekken; aan welke zich de mijne
jaren lang heeft gehecht, en welke voor allen eenigermate belangwekkend
zijn. Het grootste gedeelte dezer beschrijvingen werden op de plaats
zelve ten papiere gebracht en van tijd tot tijd in vriendschappelijke
brieven naar huis gezonden. Die omstandigheid vermeld ik niet als
eene verschooning voor eenige leemten, daarin te vinden, want dat zou
geene verontschuldiging zijn; maar als een waarborg voor den lezer,
dat zij ten minste zijn geschreven toen ik van het onderwerp vol was
en onder de levendigste indrukken der nieuwheid en frischheid.

Hebben zij misschien het voorkomen van iets hersenschimmigs en
beuzelachtigs, wellicht dat de lezer zal veronderstellen, dat ze
geschreven zijn in de schaduw, op een zonnigen dag, te midden van de
voorwerpen waarover ze handelen, en zij zullen hem er niet te minder
om bevallen, dat ze blijk geven van zoodanig een invloed van het land.

Ik hoop niet, dat ik, ten aanzien van eenig ding, in deze bladen
vervat, met eenige waarschijnlijkheid verkeerd zal worden verstaan
door de belijders van het katholiek geloof. In een mijner vroegere
voortbrengsels heb ik mijn best gedaan, hun recht te laten wedervaren;
en ik hoop, dat zij het in dit werk ten mijnen opzichte zullen
doen. Maak ik melding van eenigerhande vertooning, die mij ongerijmd
of onaangenaam voorkwam, dan zoek ik die niet in verband te brengen,
noch erken, dat ze noodwendig in verband staan met het wezenlijke van
hun geloof. Als ik handel over de plechtigheden in de Heilige Week,
dan spreek ik alleen over het uitwerksel er van; dan doe ik daarom
geen aanval op des goeden en geleerden Dr. Wiseman's verklaring
van deze. Als ik er een wenk van geef, dat ik een tegenzin heb van
nonnenkloosters voor jonge meisjes, die de wereld afzweren alvorens
zij ooit een proef van deze genomen of haar gekend hebben; of als ik
twijfel aan de heiligheid, krachtens het ambt (ex officio), van alle
priesters en monniken; doe ik niets meer dan menig nauwgezet katholiek,
in mijn land zoowel als in den vreemde.

Ik heb deze tafereelen vergeleken bij schaduwen op het water geworpen,
en zou gaarne de hoop koesteren, dat ik het water nergens zoo ruw heb
geroerd, dat er die schaduwen door zijn bedorven. Ik kon nooit sterker
verlangen, met al mijne vrienden op goeden voet te staan, dan thans,
nu zich al wederom ver gelegen bergen op mijn weg verheffen: want ik
heb niet noodig te aarzelen in het afleggen der bekentenis, dat ik er
op gezet ben, een kort geduurd hebbenden misslag te erkennen, welken
ik, niet lang geleden, beging, door het storen der oude betrekkingen
tusschen mij en mijne lezers, en dat ik, voor een oogenblik afwijkende
van mijne oude bezigheden, op het punt sta, die met opgeruimdheid
in Zwitserland weder op te vatten; waar ik, gedurende nog een jaar
afzijns, tegelijkertijd onafgebroken de plannen kan uitwerken, welke ik
nu in mijn hoofd heb; en, terwijl ik mijne Engelsche toehoorders binnen
het bereik mijner woorden houd, tevens mijne kennis kan uitbreiden
van een edel land, dat onuitsprekelijk aantrekkelijk voor mij is.

Dit boek is zoo toegankelijk mogelijk gemaakt, omdat het mij groot
genoegen ware, zoo ik mocht hopen, door middel daarvan, mijne
indrukken te vergelijken met die van eenigen onder de menigte,
welke de geschetste tooneelen later met belangstelling en genoegen
zullen bezoeken.

En nu heb ik alleen nog maar, naar de wijze der reispassen, het
signalement mijner lezers te schetsen, hetwelk ik hoop dat, voor
beiderlei sekse vooronderstellenderwijze, in dier voege geschetst
kunne worden:


               Kleur                   Schoon.
               Oogen                   Zeer vroolijk.
               Neus                    Niet trotsch.
               Mond                    Lachend.
               Aangezicht              Stralend.
               Algemeene uitdrukking   Uiterst aangenaam.



DOOR FRANKRIJK.


Op een schoonen Zondagochtend, in het midden van den zomer des jaars
achttienhonderd vier en veertig, was het, goede vriend, dat--schrik
geenszins; niet dat men twee reizigers had kunnen opmerken, hoe zij
traag hun weg vervorderden, op den schilderachtigen en oneffen grond,
langs welke men gewoonlijk het eerste hoofdstuk van een middeleeuwschen
roman bereikt--maar, dat een Engelsche reiswagen van aanmerkelijken
omvang, zoo pas gehaald uit de belommerde zalen van Pantechnicon [19]
bij Belgrave-Square te Londen, werd gezien door een zeer klein Fransch
soldaat (want ik zag dat hij er naar keek), hoe deze de poort uitreed
van het hotel Meurice, in de straat Rivoli te Parijs.

Ik ben niet sterker verplicht opheldering te geven, waarom de Engelsche
familie, die met dit rijtuig--binnenin en buitenop--reisde, van al de
dagen der week, juist op Zondag naar Italië zou trekken, dan tot het
aantoonen der reden, waarom in Frankrijk al de kleine manspersonen
soldaat en al de dikke mannen postiljon zijn: dat een onveranderlijke
regel is. Maar zij hadden, ik twijfel er niet aan, eenigermate reden
voor hetgeen zij deden; en hunne reden, in het geheel genomen, daar
te zijn, was, zooals gij weet, dat zij een jaar lang het schoone
Genua gingen bewonen; en, dat het hoofd des gezins voornemens was,
gedurende dat tijdsbestek overal rond te zwerven waar zijn rustelooze
geest hem zou voeren.

En het had mij luttel genoegen gebaard, aan de bevolking van Parijs
in het algemeen, de verklaring te geven, dat ik hoofd en aanvoerder
was, en niet de stralende verlichamelijking van opgeruimdheid, die
naast mij zat in den persoon van een Fransch koerier--de beste der
bedienden en de glansrijkste man! Om de waarheid te zeggen, zag hij
er aanmerkelijk meer aartsvaderlijk uit dan ik, die in de schaduw
zijner heftige diklijvigheid tot volstrekt niets wegkromp.

Er was natuurlijk in het voorkomen van Parijs zeer weinig--daar
wij in de nabijheid der akelige Morgue [20] en over de Pont-Neuf
rolden--dat ons verwijten deed om ons reizen op den Zondag. De
wijnhuizen (om de andere woning) dreven een handel vol rumoer,
aan de buitenzijde der koffiehuizen werden zeilen gespannen en
stoelen en tafels gerangschikt, als voorbereidsels tot het eten van
ijs en het gebruiken van verkoelende dranken, dat later op den dag
plaats had; schoenpoetsers waren bezig op de bruggen; winkels waren
geopend; karren en wagens rolden af en aan; de nauwe, oploopende en
trechtervormige straten, aan de overzijde der rivier, waren zoo menige
volgepropte perspectieven van gewoel en gedrang, gedeeltelijk gekleurde
slaapmutsen, tabakspijpen, blauwe kielen, wijde laarzen en ruigharige
koppen; op dat uur was er niets dat een rustdag verkondigde, behalve
hier en daar het verschijnen van een gezin, dat een speeltochtje
ging doen, gestopt in een lomp, oud, waggelend rijtuig, of van
eenig bespiegelend rustdagvierder, in de meest vrije en gemakkelijke
ochtendkleeding, die uit een laag zoldervenstertje leunde, wachtende,
met een kalm genoegen, op het drogen van zijne pas gepoetste schoenen,
staande op de kleine borstwering daar buiten (als 't een heer was),
of (was het een dame) op het drogen harer kousen in de zon.

Eens verlost van het onvergetelijke of onvergeeflijke plaveisel,
dat Parijs omgeeft, zijn de drie eerste dagen naar Marseille stil en
eentonig genoeg. Naar Sens. Naar Avallon. Naar Chalons. Eene schets
van den eenen dag is eene schets van alle drie; en hier is zij.

Wij hebben vier paarden en een postiljon, die eene zeer lange zweep
heeft, zijn span besturende zoo wat in den smaak van den koerier van
St. Petersburg, in het paardrijdersspel van Astley of Franconi; behalve
dat hij op zijn paard zit in plaats van er op te staan. De reusachtige
stijve laarzen, door deze postiljons gedragen, zijn somtijds eene eeuw
of twee oud, en zoo bespottelijk ongeëvenredigd aan den voet van hem
die ze draagt, dat de spoor, welke geplaatst is waar zijn eigen hiel
zit, gemeenlijk halfweg van de schaft der laarzen staat. Vaak komt de
man het stalplein af, met zijne zweep in de hand en zijne schoenen aan
de voeten, en brengt, met beide handen, eerst de eene en dan de andere
laars naar buiten, welke hij, met groote deftigheid, naast zijn paard
op den grond nederzet, tot alles gereed is. Is dat het geval--en och
hemel! welk geraas maken zij er om!--dan stapt hij, met schoenen en al,
in de laarzen, of wordt er door een paar goede vrienden in geheschen;
schikt de strengen in orde, die met verheven werk zijn voorzien door
den arbeid van tallooze duiven in de stallen, brengt al de paarden
aan het schoppen en steigeren, klapt met zijne zweep als een dolleman;
schreeuwt: "En route--Hu!" en daar gaan we. Voor we nog ver weg zijn,
ligt hij, daarvan is hij zeker, met zijn paard overhoop, en noemt
het dan een dief, een struikroover en een zwijn, en wat niet al;
en slaat het op den kop, als ware het van hout.

In de eerste twee dagen vertoont zich weinig meer dan ééne
verscheidenheid in het voorkomen der streek. Van een akelige vlakte
in eene eindelooze laan; en uit eene eindelooze laan wederom op
eene nare vlakte. Er zijn eene menigte wijnstokken in het open veld,
maar van eene kleine en gemeene soort, en niet in festoenen, maar om
rechte staken gewonden. Overal zijn daar tallooze bedelaars; maar eene
buitengewoon dungezaaide bevolking, en minder kinderen dan ik ooit heb
ontmoet. Ik geloof niet, dat wij tusschen Parijs en Chalons honderd
kinderen hebben gezien. Misselijke, oude steden met ophaalbruggen
en muren; met wonderlijke torentjes op de hoeken, die er uitzien als
snaaksche maskers; als had de muur een grijns voorgedaan en omlaag in
de gracht starende. Andere vreemde torentjes, in tuinen en velden,
en hellende lanen en op werven van hoeven, allen alleenstaande
en altijd rond, met een spits dak, en nimmer tot eenig gebruik
dienende; bouwvallige woningen van alle soort: somtijds een stadhuis,
soms een wachthuis, soms een woonhuis, soms een kasteel met een
verwilderden tuin, die vruchtbaar is in leeuwentand [21], en bewaakt
door torentjes met dompervormige kappen en pinkoogende venstertjes;
dit zijn de vaste voorwerpen welke telkens herhaald worden. Soms
komen wij eene dorpsherberg voorbij, met een daartoe behoorenden,
afbrokkelenden muur, en eene volslagen stad van bijgebouwen, en op
welker poort is geschilderd: "Stalling voor zestig paarden;" zooals
er dan ook inderdaad stalling voor twintigmaal zestig zou zijn,
als daar eenige paarden waren te stallen, of zich iemand daar zou
ophouden, of als zich omtrent die plaats iets verroerde, behalve
een slingerende krans, die zinspelende op den wijn daar binnen,
in den wind heen en weer fladdert, en wat werkeloosheid betreft,
een goed tegenhanger vormt met wat er rondom is; en gewis nooit een
groenen ouderdom heeft, ofschoon hij althans zoo oud is, dat hij
in stukken valt. Gedurende den geheelen dag komen er, al rammelend,
vreemdsoortige, kleine, smalle wagentjes, in reeksen van zes of acht
voorbij, die kaas uit Zwitserland aanvoeren, en waarvan de geheele
rij vaak onder het bestuur is van een enkelen man, ja zelfs van een
enkelen knaap die zeer dikwijls in de voorste kar ligt te slapen,
terwijl de paarden de bellen op hunne tuigen slaperig doen rinkelen,
en er uitzien alsof zij meenden (en ongetwijfeld is dit hun gevoelen)
dat hunne groote, blauwe, wollige tuigen, van eene verbazende zwaarte
en dikte, en voorzien van een paar potsierlijke horens, die uit de
hamen opschieten, veel te warm zijn voor het weer in het hartje van
den zomer.

Dan is er, twee of driemalen daags de diligence met de bestoven
passagiers, die buitenop zitten in blauwe kielen als slagers:
en die er binnen, met witte slaapmutsen, en de carbriolet, boven
op het verhemelte, knikkebollend en schuddend als het hoofd van
een simpele: en zijn jeune France passagiers uit de ramen turende,
met baarden, die op hunne vesten nederhangen, en blauwe brillen, die
hunne krijgszuchtige oogen op ontzagwekkende wijze overschaduwen, en
zeer dikke stokken, die in hunne nationale vuist zijn geklemd. Verder
de brievenmail, met slechts een paar passagiers, voortrennende met
een waren waaghalsdraf, en in een ommezien uit het gezicht. Stevige,
oude pastoors, nu en dan hossebossend voorbijkomende, in rijtuigen zoo
rommelend en roestig, beschimmeld en rammelend, dat het een Engelschman
niet zou gelooven; en doodmagere vrouwen, welke in eenzame plaatsen
rondslenteren, daar zij de koeien onder het grazen aan een touw
vasthouden, of graven en hakken, of nog zwaarder veldarbeid verrichten,
of werkelijke herderinnen met hare kudden voorstellen--en van welk
bedrijf en zijne volgers in eenig land men een juist denkbeeld kan
verkrijgen, als men maar een of ander herdersdicht of soortgelijk
schilderstuk neemt, en zich datgene verbeeld wat het meest, wat
hemelsbreed verschilt van de daar gegeven afbeeldingen.

Gij hebt nu dofgeestig genoeg voortgereisd, zooals men over
het algemeen op het laatste gedeelte van den dag doet; en de
zes en negentig bellen der paarden--ieder paard heeft er vier en
twintig--hebben u een half uur of daaromtrent slaperig in de ooren
geklonken, en het is eene zware soort van sukkeldraf, eene eentonige,
vermoeiende soort van bezigheid geworden; en ge hebt degelijk nagedacht
over het middagmaal, dat gij op het naaste station zult houden; als
aan het lager einde van een lange laan, welke gij thans doorreist,
zich de eerste teekens eener stad vertoonen, in de gedaante van eenige
verstrooide hutten; en het rijtuig begint te ratelen en te rollen over
een schrikkelijk oneffen plaveisel. Als ware het rijtuig een groot
vuurwerk, en als had het gezicht alleen van den rookenden schoorsteen
eener stulp het doen ontvlammen, begint het dadelijk te kraken en
een leven te maken als zat er de baarlijke duivel in. Krak, krak,
krak, krak. Krak-krak-krak. Krik-krak. Krik-krak. Holla! Hort! Hu!
Dief! Schelm! Hu! Hu! Hu! voor-r-r-r-r-uit. Zweep, raderen, voerman,
steenen, bedelaars, kinderen; krak, krak, krak; holla! hort! eene
aalmoes asjeblieft! krik, krik-krak, krak, krik, krik, krik, bof,
bom, krak, plof krik, krak; den hoek om, de nauwe straat op, en aan de
andere zijde den bestraten heuvel af; in de goot; bof, bof; bom, hots,
krik, krik, krik, krak, krak, krak; in de winkelruiten, ter linkerzijde
der straat, eventjes voor ge een slingerenden draai neemt binnen de
houten poortdeur, ter rechterzijde; r-r-r-r-; klap-klap-klap, krik,
krik, krik, en hier zijn we op het plein van het hotel de l'Écu d'Or;
vermoeid, buiten adem, dampend en uitgeput, maar soms onverwachts
een loozen sprong doende, zonder dat er iets van komt--zooals het
vuurwerk op het laatst doet.

Hier is de kasteleines van het hotel de l'Écu d'Or, en hier is de
kastelein van het hotel de l'Écu d'Or en de kamenier van het hotel de
l'Écu d'Or is er ook, en een heer in eene glimmende pret, met rooden
baard als een boezemvriend, die in het hotel de l'Écu d'Or vertoeft,
is hier. Mijnheer de pastoor wandelt in een hoekje van de binnenplaats
alleen op en neer, met een driekanten hoed op het hoofd en een zwart
kleed aan het lijf, en een boek in de eene, en een zonnescherm in
de andere hand; en een ieder behalve Monsieur le Curé, staat met
gapenden mond en opgespalkte oogen voor het geopende rijtuigportier. De
kastelein van het hotel de l'Écu d'Or is zóó verzot op den postiljon,
dat hij nauwelijks zijn afstijgen kan afwachten, maar, terwijl hij
daarmede bezig is, zijne beenen en laarzen reeds omvat.

"Mijn koerier! Mijn goede koerier! Mijn vriend! Mijn broeder!" De
kasteleines heeft hem lief, de kamenier zegent hem, de knecht aanbidt
hem. De koerier vraagt of zijn brief ontvangen is? Zeker is hij
dat. Zijn de kamers gereed? Zeker zijn ze dat. De beste vertrekken
voor mijn edelen koerier. De pronkkamers voor mijn hupschen koerier;
het geheele huis staat ten dienste van mijn besten vriend! Hij legt
zijne hand op het rijtuigportier, en doet eene andere vraag om de
verwachting te spannen. Hij draagt een groen lederen tasch aan een
riem. De leegloopers kijken er naar, een er van raakt ze aan. Ze
is vol met vijf-frankstukken. Onder de jongens wordt een gemurmel
van bewondering gehoord. De kastelein valt den koerier om den hals
en drukt hem aan de borst. Hij is veel dikker geworden dan hij was,
zegt hij! Hij ziet er zoo blozend en goed uit!

Het portier wordt geopend. Ademlooze verwachting. De dame des
gezins komt er uit. Ha! een lieve dame! Een mooie dame! De zuster
van de dame des gezins komt er uit. Hemel! die juffrouw ziet er
bekoorlijk uit! De eerste kleine jongen klimt er uit. O! wat een
mooi jongetje! Het eerste meisje komt er uit. O! maar dat is eerst
een innemend kind! Het tweede meisje komt er uit. De kasteleines,
gehoor gevende aan de schoonste aandrift van onzen algemeenen aard,
vangt het in de armen op. Het tweede knaapje komt er uit. O wat een
lief jongetje. O wat aardige kleintjes! Het kleinste kind wordt uit
den wagen gereikt. Een engelachtig dotje. De zuigeling heeft alles
overtroffen. Al de verrukking komt op den zuigeling neer! Daarop
strompelen er de twee kindermeiden uit; en daar de geestdrift tot
uitzinnigheid klimt, wordt de geheele familie als ware het op eene
wolk de trap opgedragen, terwijl de lanterfanters zich rondom het
rijtuig verdringen, en er in kijken, en er rondom slenteren, en het
aanraken. Want een rijtuig aan te raken, dat zooveel menschen heeft
bevat, wil wat zeggen. Dat kan men als een legaat aan de kinderen
nalaten.

De vertrekken zijn op de eerste verdieping, behalve de slaapkamer
der kinderen, dat een groot leeg vertrek is met vier of vijf bedden:
een donkere gang door, twee treden op, vier af, eene pomp voorbij,
tegenover een balkon en naast den stal. De andere slaapvertrekken
zijn ruim en luchtig; elk met twee kleine bedsteden, evenals de ramen,
smaakvol behangen met roode en witte gordijnen. Het woonvertrek is van
belang. Er is reeds voor drie personen gedekt en de servetten zijn
opgevouwen in den vorm van punthoeden. De vloeren zijn van roode
estrikken. Er zijn geene vloerkleeden en ook niet veel meubelen,
waarvan men zou kunnen spreken, maar er is een overvloed van spiegels,
en er zijn groote, met kunstbloemen gevulde vazen onder glazen stolpen,
en er zijn eene menigte uurwerken. Alles is in beweging. Vooral de
goede koerier is overal: hij beziet de bedden, nadat zijne keel,
door zijn liefhebbenden, broederlijken vriend, den kastelein, met
wijn is gesmeerd, en komkommers, altijd komkommers etende--de hemel
weet waar hij ze vandaan haalt--met welke hij, in elke hand een,
als commando-staven, rondwandelt.

Men bericht dat men heeft opgedischt. Daar is zeer dunne soep; er zijn
groote broodjes,--een per persoon; een visch, daarna vier gerechten;
daarna eenig gevogelte, daarna dessert, en wijn geen gebrek. Er is
wel niet veel op de schotels, maar de spijze zijn zeer goed en altijd
dadelijk gereed. Nu, daar het omtrent avond is geworden, komt de
goede koerier, na het eten der twee in schijfjes gesneden komkommers,
overgoten met den inhoud van eene tamelijk groote flesch olie en eene
andere met azijn, uit zijn benedenverblijf te voorschijn, en doet
den voorslag tot het bezoeken der hoofdkerk, welker zware torens zuur
neerzien op de voorplaats van het logement. Wij vertrekken; en zij is
zeer statig in het schemerlicht, op het laatst zoo duister geworden,
dat de beleefde oude koster, met zijn ingevallen kaken, een klein
eindje kaars in de hand houdt, om daarmede naar de grafsteenen te
zoeken; en tusschen de stroeve zuilen, juist er uitziende, als een
verdwaalde geest die zijn eigen graf opzoekt.

Bij onzen terugkeer zijn de mindere bedienden in de open lucht aan het
avondmaal, aan eene groote tafel onder het balkon: het gerecht bestaat
uit gestoofd vleesch en groenten, dat kokend heet, en opgedischt
was in den ijzeren ketel, waarin het te vuur had gestaan. Zij hebben
eene kruik lichten wijn en zijn zeer vroolijk; vroolijker dan de heer
met den rooden baard, die aan het biljartspelen is, in het verlichte
vertrek, ter linkerzijde der plaats, waar schaduwen met keuen in de
handen en sigaren in den mond aanhoudend voor het venster heen en weer
kruisen. Nog wandelt de magere pastoor met zijn boek en zonnescherm
alleen op en neer. En nog wandelt hij daar, en nog rammelen de
biljartballen hier, lang nadat wij in vasten slaap zijn gevallen.

Wij zijn ten zes uur des ochtends op. Het is een verrukkelijke dag, die
het slijk van gisteren beschaamt, dat op het rijtuig zit; zoo er eenig
ding ware, dat een rijtuig kon beschamen, in een land waar rijtuigen
nooit worden schoongemaakt. Iedereen is frisch; en terwijl wij eindigen
met ontbijten, komen de paarden al rammelend uit het posthuis op de
plaats van het logement. Elk ding, dat uit het rijtuig genomen was,
wordt er weder in geplaatst. De goede koerier bericht dat alles gereed
is, nadat hij elk vertrek doorgeloopen en overal rondgekeken heeft
om zeker te zijn, dat er niets is achtergelaten. Een ieder stijgt
in. Een ieder, die in betrekking is met het hotel de l'Écu d'Or, is
weer betooverd. De goede koerier loopt het huis in om een pakje te
halen, bevattende koud gevogelte, gesneden ham, brood en beschuit voor
het twaalfuurtje; hij reikt het in het rijtuig, en loopt weer terug.

Wat houdt hij nu in de hand? Nog al meer komkommers? Neen. Eene lange
strook papier. Het is de rekening.

De goede koerier heeft dezen ochtend twee riemen om: een waaraan
de tasch hangt, en een andere met een zeer goede soort van lederen
flesch, tot aan den hals gevuld, met den besten, lichten Bordeauxwijn
die er in huis is. Hij betaalt nooit de rekening vóór die flesch is
gevuld. Dan beknibbelt hij die.

Thans beknibbelt hij ze heel erg. Nog is hij des kasteleins broeder,
maar van een ander vader, of eene andere moeder. Hij is niet meer zoo
nauw met hem verwant als den vorigen avond. De kastelein krabt zich
het hoofd. De goede koerier wijst op zekere figuren in de rekening,
en geeft te verstaan, dat, zoo die er op blijven staan, het hotel de
l'Écu d'Or van nu af en voor altijd een hotel de l'Écu de cuivre zal
zijn [22]. De kastelein treedt een klein kantoortje binnen. De brave
koerier volgt hem, stopt hem de rekening en eene pen in de hand,
een spreekt veel rasser dan hij nog heeft gedaan. De kastelein vat
de pen. De koerier glimlacht. De kastelein maakt er eene verandering
in. De koerier slaat thans eene aardigheid uit. De kastelein is
vriendelijk, maar niet meer zoo hartelijk als vroeger. Hij verdraagt
het als een man. Hij schudt zijn braven broeder de hand, maar omhelst
hem niet. Nog houdt hij van zijn broeder; want hij weet, dat hij,
op den een of anderen goeden dag, wederom langs dezen weg met eene
andere familie zal terugkeeren, en hij voorziet, dat diens hart zich
weder over hem zal ontfermen. De brave koerier gaat eens om het rijtuig
heen, bekijkt de strengen, schouwt de raderen, stijgt met een sprong
op, geeft een teeken, en--daar gaan wij!

Het is de ochtend van een marktdag. De markt wordt gehouden op het
kleine plein daar buiten, tegenover de hoofdkerk. Het is volgepropt
met mannen en vrouwen, in het blauw, in het rood, in het groen en in
het wit; met overdekte stallen en fladderende koopwaren. De landlieden
zijn er omheen geschaard met hunne zindelijke korven voor zich. Hier
de kantkramers, daar de boter- en eierventers; hier de fruitverkoopers
en daar de schoenmakers. De geheele plaats ziet er uit als ware zij
het tooneel van een grooten schouwburg, en als ware de gordijn juist
opgehaald, ter vertooning van een schilderachtig ballet. En daar is,
als het schutsdoek op het tooneel, de hoofdkerk, geheel somber en
zwart van uiterlijk, en bouwvallig en koud; de straatsteenen op eene
plaats met zwakke purperen droppels bespattende, daar de morgenzon,
door een klein raam aan de oostzijde invallende, door eene bevlekte
glasruit aan de westzijde heendringt.

Binnen vijf minuten zijn wij voorbij het ijzeren kruis, met een klein
verwaarloosd plaatsje van graszoden om er op te knielen, dat op de
grens van het stadsgebied staat, en zijn alweer op weg.



LYON, DE RHONE EN DE TOOVERKOL VAN AVIGNON.


Chalons is eene lieve verblijfplaats uithoofde van het goede logement
op den oever der rivier, en de kleine op- en afvarende stoombooten,
die er, rood en groen geschilderd als zij zijn, vroolijk uitzien, en
die, na de stuivende wegen, een vermakelijk en verfrisschend tooneel
opleveren. Maar ge zoudt Chalons kwalijk tot verblijfplaats begeeren,
ten ware ge mocht verkiezen te wonen op een onmetelijk plein met
ongelijke rijen van onregelmatige populieren, die er van verre uitzien
als even zooveel kammen met gebroken tanden, en ten ware gij er op
gezet zoudt zijn, uw leven te verslijten zonder in de mogelijkheid te
zijn een heuvel te bestijgen, of iets anders op te klimmen dan trappen.

Waarschijnlijk zou ze echter meer in uw smaak vallen dan Lyon, welke
stad gij, desbegeerende, met eene der bovengenoemde stoombooten in
acht uren kunt bereiken.

Welk eene stad is dat Lyon. Spreek eens van eene bevolking, die zich in
ongelukkige tijden gevoelt als ware zij uit de wolken gevallen! Hier is
eene geheele stad die, op eene of andere wijze, uit de lucht gevallen,
en gelijk andere steenen, welke uit die streek neerkomen, eerst is
opgeraapt van uit moerassen en onvruchtbare plaatsen, die een akelig
voorkomen hebben. De twee hoofdstraten, door welke de beide groote
rivieren stroomen, en al de kleine straten, wier naam legio (eene
groote menigte) is, waren verschroeiend, blakerend en verzengend. De
huizen hoog en ruim, uitermate morsig, rottig als oude kaas en
zwaar bevolkt. Tot zelfs op de heuvels, die de stad omringen, is het
krielend vol van die huizen; en de mijten daarbinnen, op luie wijze
uit de ramen liggende en hunne kleeding-lompen op stokken drogende,
en de deur in- en uitkruipende en naar buiten komende, om op het
plaveisel te hijgen en te snakken, en in- en uitkruipende, tusschen
hooge stapels en balen van vunze, muffe, stinkende goederen; en tot
hun tijd zou komen, levende, of om beter te zeggen niet stervende,
in een vergaarbak. Als men alle fabrieksteden versmolt tot een enkele,
dan zou die kwalijk een indruk op mij kunnen maken, gelijk aan dien,
welken Lyon mij baarde toen het zich aan mij vertoonde; want al de
natte, morsige eigenschappen eener vreemde stad schenen daar geënt
op de ingeboren ellendigheden eener fabriekplaats, en brengen zulke
vruchten voort, dat ik een omweg van eenige mijlen zou willen maken,
om geen andere van dien aard te ontmoeten.

In de avondkoelte, of liever in de verminderde hitte van den dag,
gingen wij de hoofdkerk bezichtigen, waar onderscheidene oude vrouwen
en eenige weinige honden in beschouwing waren verdiept. Wat het
stuk der zindelijkheid betreft, was er geen onderscheid te bespeuren
tusschen het plaveisel van deze en dat der straten; en daar was een
wassen heiligenbeeld in een kistje, als een kompashuis aan boord,
met een glas er voor, waarvan mevrouw Tussaud niet zou willen
hebben, dat men in eenig opzicht kwaadsprak, en waardoor zelfs
de Westminster-abdij beschaamd zou kunnen worden. Zoudt ge iets
willen weten omtrent den bouwstijl van deze of eenige andere kerk,
hare stichting, uitgebreidheid, hare begiftiging en geschiedenis;
is dit dan niet vermeld in den Reisgids van den heer Murray, en kunt
ge het dan daar niet lezen met gevoelens van dankbaarheid jegens hem,
zooals ik deed.

Om die reden zou ik me ook onthouden melding te maken van
't zonderlinge uurwerk in de Lyonsche hoofdkerk, als ik niet wilde
spreken van eenen kleinen misslag, dien ik ten aanzien van dat werktuig
beging. De kerkbewaarder was er zeer op gezet dat het vertoond zou
worden, deels ter eere van het gebouw en der stad, en wellicht ook
omdat er een presentje voor hem voortvloeit uit de achteraankomende
bewondering. Hoe 't er ook mede zij, het werd in beweging gebracht, en
daarop vlogen een tal van deurtjes open en ontelbare kleine beeldjes
waggelden er uit, en draaiden vanzelven weder naar binnen, met die
eigenaardige onstandvastigheid van doen, en 't hortende in den gang,
als gewoonlijk wordt opgemerkt in beelden die door uurwerk in beweging
worden gebracht. Onderwijl stond de koster die wonderen uit te leggen,
en toonde ze, door behulp eener roede, afzonderlijk aan. Daar was
in het midden een beeld van de Maagd Maria, en, dicht bij haar, een
klein hok waaruit eene andere pop kwam, die er zeer leelijk uitzag
en eene van de snelste duikelingen maakte, welke ik ooit heb zien
bewerkstelligen, en, toen hij haar zag, dadelijk terugsprong en het
deurtje met geweld achter zich dichtsloeg. Daar ik dit opnam als het
zinnebeeld der zegepraal over zonde en dood, en er niet afkeerig van
was, te toonen, dat ik het onderwerp volkomen verstond, vóórdat de
man het mij uitlegde, zeide ik met spoed: "Aha! dat is zeker de booze
geest. Met dien is het spoedig afgeloopen."--"Verschoon mij, mijnheer,"
zei de koster, met eene beleefde beweging van zijne hand naar het
deurtje wijzende, alsof hij iemand voorstelde.--"De engel Gabriël."

Kort na zonsopgang van den volgenden dag stoomden wij de Rhône af,
met eene snelheid van twintig mijlen [23] per uur, in een zeer morsig
vaartuig vol koopmansgoederen en slechts drie of vier andere passagiers
tot reisgenooten: onder welke zich het meest deed opmerken een onnoozel
ridder, die een zachtaardig gelaat had, knoflook at, overmatig beleefd
was, en een smerig reepje rood lint in zijn knoopsgat had, als was
het er door hem ingeknoopt om zich iets te herinneren, zooals Tom
Knikkebol in het kluchtspel, knoopen in zijn zakdoek legt.

Gedurende de laatstverloopen twee dagen hadden wij groote sombere
bergen gezien, als de eerste teekens van de Alpen, die in de verte
opdoemden. Nu ijlden we er langs, soms zeer dicht er naast, soms
gescheiden door een tusschenliggende glooiing, die met wijnstokken
was bedekt. Dorpen en kleine steden, als midden in de lucht hangende,
benevens groote olijfbosschen, welke men door de sierlijk opengewerkte
torens der kerken kon zien, en wolken die zachtkens voortdreven
boven de steile hoogten er achter; op elke hoogte kasteelen, welke
in puinhoopen lagen; en huizen, die verspreid waren in de kloven en
geulen der heuvels; dit alles maakte het zeer schoon. De groote hoogte
van deze was oorzaak, dat de gebouwen er zoo net uitzagen, dat zij al
het bevallige hadden van elegante modellen. Hunne buitengewone witheid
afstekende bij het bruine der rotsen, of het sombere, donkere, doffe
en droeve groen der olijfboomen; de kleine gedaante en de langzame
wandeling der Lilliputsche mannen en vrouwen op den oever, leverden
een bekoorlijk tafereel op. Er waren tallooze overhaalschuiten en
bruggen; de beroemde Pont d'Esprit, met ik weet niet hoeveel bogen;
steden, die geachte wijnsoorten opleveren, Valence, waar Napoleon
studeerde; en de edele rivier, die bij het omvaren van elke bocht
nieuwe schoonheden in het gezicht bracht.

Denzelfden namiddag lag de gebroken brug van Avignon voor ons, met
de geheele stad, die in de zon braadde, omringd door een muur met
kanteelen, welke de kleur had van eene halfgaar gebakken pasteikorst,
en die nimmer bruin zal worden, ofschoon hij eeuwen lang braadt.

De druiven hingen bij trossen in de straten neer, en de schitterende
oleander stond overal in vollen bloei. De straten zijn oud en zeer
nauw, maar tamelijk zuiver, en overschaduwd door zeilen, welke van
het eene huis tot aan het andere reiken. Aangezien schitterende
stoffen en zakdoeken, zeldzaamheden, oude lijsten van gesneden hout,
oude stoelen, kerktafels, heiligen- en Moedergodsbeelden, engelen,
gekladde portretten die u aanstaarden, daaronder ten verkoop waren
uitgestald, was het er recht aardig en levendig. Dit alles kreeg
ook meer luister door de blikken, welke roestige, half openstaande
deuren toelieten te werpen op stille, vakerige binnenplaatsen,
waarachter zich statige oude huizen bevonden, die zwijgend waren als
het graf. Alles geleek tamelijk wel op eene van de beschrijvingen
in de Duizend-en-één-nacht-vertelsels; de drie eenoogigen hadden
aan eene dezer deuren kunnen kloppen tot de straat weergalmde, en
de portier, die volhield met het doen van vragen--de man, die de
keurige aankoopen van den ochtend in zijn korf had gedaan--zou ze
zeer natuurlijk hebben geopend.

Na den volgenden ochtend te hebben ontbeten, spoedden wij ons heen om
het merkwaardige te zien. Uit het noorden blies een zoo verrukkelijk
koeltje, dat de wandeling daardoor bekoorlijk werd, ofschoon de
straatsteenen en de steenen van muren en huizen veel te heet waren
om er met schik de hand op te kunnen leggen.

Vóór alles stegen wij eene rotsachtige hoogte op naar de hoofdkerk,
waar de mis werd gelezen voor een gehoor, dat zeer veel had van dat te
Lyon, namelijk: onderscheiden oude vrouwen, een klein kind en een zeer
bedaarde hond, die zich een klein loopperk of vlakte had uitgekozen,
om er lichaamsoefeningen te houden, beginnende aan het altaar-hek en
eindigende aan de deur, waar hij gedurende den dienst geregeld op en
neer wandelde, zoo stelselmatig en bedaard als eenigerhande oude heer
daar buiten. Het is eene naakte, oude kerk, en de schilderstukken
der zoldering zijn door tijd en vochtig weer op eene droevige wijze
verwoest; maar de zon scheen er door de roode gordijnen der ramen
heerlijk in, en deed de altaarversiersels schitteren; het zag er naar
den aard blinkend en vroolijk uit.

Mij in deze kerk afzonderende om eene schilderij te beschouwen,
welke door een Fransch kunstenaar en zijn leerling in fresco was
uitgevoerd, kreeg ik aanleiding, nauwkeuriger dan ik anders zou
hebben gedaan, een groot aantal gelofte-offeranden (ex voto) op te
merken, met welke de muren der verschillende kapellen overvloedig
waren behangen. Ik zal niet zeggen versierd; want ze waren zeer
ruw en potsierlijk toegetakeld: waarschijnlijk waren ze 't werk van
uithangbord-schilders, die op deze wijze hun bestaan verbeterden;
't waren altemaal kleine schilderijtjes, welke ieder eene ziekte of
kwaal verbeeldde, waaraan de persoon, die het er had neergehangen,
door tusschenkomst van zijn of haar beschermheilige of van de moeder
Gods was ontkomen. En ik kan er op verwijzen als goede stalen van de
algemeene soort. Zij zijn in Italië in overvloed aanwezig.

In potsierlijke hoekigheid van omtrek, en het onmogelijke van het
perspectief, waren zij niet ongelijk aan de houtsneden in oude
boeken maar het waren olieverf-stukken, en, evenals de schilder der
familie Primrose [24], was de kunstenaar niet karig met zijne kleuren
geweest. In een van deze werd aan eene dame een teen afgezet--eene
operatie waarover werd gewaakt door een persoon, als heilige
voorgesteld, die op een wolk in het vertrek was komen zeilen. In een
ander tafereel lag eene dame te bed, die zeer netjes en zorgvuldig
was ingepakt, en met veel bedaardheid staarde op een drievoet met een
groot bekken er op, in den gewonen vorm van eene waschtafel, en zijnde,
behalve hare legerstede, het eenige meubelstuk in haar vertrek. Nooit
zou men hebben verondersteld, dat zij aan eenige ongesteldheid leed,
behalve het ongemak, dat zij op eene wonderdadige wijze klaar wakker
was gehouden, indien niet de schilder op het denkbeeld ware gevallen,
haar geheele gezin geknield in een hoek te plaatsen, met de beenen als
laarzen-beenen achteruitstekende op den grond, waarboven de Maagd,
op eene soort van blauwen divan (of sofa), beloofde, de lijderes
te herstellen. In een ander stuk was eene dame voorgesteld, op het
oogenblik dat zij onmiddellijk buiten de stadsmuren werd overreden,
door eene soort van wagen in den vorm eener piano-forte. Maar ook
daar was de Maagd er bij. Hetzij nu de bovennatuurlijke verschijning
het paard (een kastanjebruine griffioen) had moeten doen stilstaan,
of hetzij die onzichtbaar voor het beest was, ik weet het niet;
maar het galoppeerde heen, ding-dong, zonder den minsten eerbied
of wroeging. Op elke schilderij waren de woorden "Ex voto" met gele
hoofdletters in de lucht geschilderd.

Ofschoon gelofte-offeranden in de heidensche tempels niet onbekend
waren, en blijkbaar behooren tot de veelvuldige schikkingen, gemaakt
tusschen den valschen en den waren godsdienst, toen de laatste in
zijne kindsheid was, zou ik wenschen dat al de andere capitulatiën even
onschadelijk waren. Dankbaarheid en godsdienstigheid zijn christelijke
deugden; en een dankbare, christelijke geest moge de vervulling er
van voorschrijven.

Vlak naast de hoofdkerk staat het oude paleis der pausen, waarvan
een gedeelte nu een gewoon gevangenhuis, en het andere eene vunzige
kazerne is, terwijl sombere reeksen van staatsie-vertrekken, die
gesloten en verlaten waren, hun eigen oude praal en roem bespotte,
evenals de gebalsemde lichamen van vorsten. Maar wij waren er niet
heengekomen om staatsie-kamers, noch om soldaten-kwartieren, noch
om eene gewone gevangenis te bezichtigen, ofschoon wij eenig geld
lieten vallen in eene er buiten geplaatste bus voor de gevangenen,
terwijl de gekerkerden zelven tusschen de ijzeren staven in de hoogte
tuurden en ons reikhalzend bespiedden. Wij gingen de puinhoopen zien
van de schrikbarende vertrekken, in welke de inquisitie gewoon was
zitting te houden.

Een oud vrouwtje van een somber voorkomen en met een paar glinsterende
zwarte oogen--een bewijs, dat de wereld den duivel in haar niet had
bezworen, ofschoon ze er een zestig of zeventig jaren tijd toe had
gehad--kwam uit de kazerne-herberg, waarvan zij de eigenaresse was,
met eenige groote sleutels in de hand en geleidde ons den weg op,
dien wij hadden te volgen. Hoe zij onderweg verhaalde, dat zij een
lands-ambtenares was concierge du palais apostolique--(bewaarster van
het pauselijk paleis) en dit reeds, ik weet niet hoeveel jaren lang
was geweest; en hoe zij deze kerkerholen aan vorsten had getoond;
en hoe zij de beste uitlegster van kerkerholen was; en hoe zij
van kindsbeen af in het paleis had gewoond--en er, als ik mij wel
herinner, geboren was--heb ik niet noodig mede te deelen. Maar zulke
eene trotsche, kleine, vlugge, vonkelende, nadrukkelijke duivelin heb
ik nimmer gezien. Zij was den geheelen tijd door vuur en vlam. Haar
doen en laten was uiterst hevig. Zij sprak nooit, of zij bleef daartoe
opzettelijk stilstaan. Zij stampvoette, greep ons bij den arm, nam
bepaalde houdingen aan, en hamerde, om meer klem te geven, met hare
sleutels tegen de muren; nu fluisterde zij als ware de inquisitie
er nog, dan gilde zij alsof zij zelve op de pijnbank lag. Zij had
eene geheimzinnige, heksachtige manier, als zij de overblijfselen van
eenige nieuwe ijselijkheden naderde, met eene beweging des wijsvingers,
achterwaarts te zien, steelswijze te loopen, en schrikbarende gezichten
te trekken.--En deze enkele handeling zou haar bevoegd hebben gemaakt,
met uitsluiting van alle andere beelden, eens zieken beddedeken op
en neer te wandelen gedurende den geheelen duur der koorts.

Het binnenplein overgaande, tusschen groepen werkelooze soldaten, namen
wij den weg door eene poort, welke deze vrouwelijke heks ontsloot
om ons den toegang te verschaffen, en achter ons weer dichtsloot,
en kwamen op eene enge binnenplaats, die nog nauwer was gemaakt door
gevallen steenen en hoopen puin; waarvan een gedeelte den toegang
stopte eener onderaardsche gang, welke voorheen gemeenschap had (of
van welke gezegd wordt dat zij die had) met een ander kasteel aan den
tegenoverliggenden oever der rivier. Dicht bij deze binnenplaats is
een hol--in het volgende oogenblik stonden wij er in--in den akeligen
toren des oubliettes, waar Rienzi gekerkerd was en vastgeklonken, aan
denzelfden muur die er nog stond, maar gesloten voor het uitspansel
dat er nu in neerzag. Een paar stappen brachten ons in de kerkers
waar de gevangenen der inquisitie, na hunne gevangenneming, gedurende
acht en veertig uren zonder eten of drinken werden opgesloten, ten
einde hunne standvastigheid aan het wankelen mocht worden gebracht,
alvorens men ze in de tegenwoordigheid hunner sombere rechters
voerde. Tot deze had het daglicht nog geen toegang verkregen. Nog
zijn het kleine cellen, ingesloten door vier stugge, stevige, dicht
bijeenstaande, dikke muren, die nog volslagen donker, en nog stevig
van deuren voorzien en gesloten waren als in vroeger dagen.

De heks, op de door mij beschreven wijze, achterwaarts ziende, ging
zachtkens voort naar een gewelfd vertrek, thans gebezigd als magazijn
en, voorheen gediend hebbende tot kapel van het heilig officie. De
plaats waar de vierschaar zat was eenvoudig. Het verhemelte is
mogelijk gisteren pas weggenomen. Verbeeld u, dat de gelijkenis van den
barmhartigen Samaritaan op den muur van een dezer inquisitie-vertrekken
geschilderd was. Maar dit was er en zal er nog wel bestaan.

Hoog in de nijdige muren zijn nissen, waar de stamelende antwoorden der
beschuldigden werden gehoord en opgeschreven; velen van hen waren uit
dezelfde cel, waarin wij zoo angstig hadden gekeken, langs dezelfde
steenen gang gevoerd geworden. Wij waren in hunne eigene voetstappen
getreden.

Ik staarde rondom mij met al den afschrik, welken de plaats inboezemt,
toen de heks mijne vuist vatte, en niet haar dorren vinger, maar het
bovengedeelte van een sleutel op hare lip legde. Zij noodigde mij met
een zwaai haar te volgen. Ik deed het. Zij geleidde mij naar buiten,
en naar een naastbijgelegen vertrek,--een lomp vertrek, met eene
trechtervormige ineengekrompen zoldering, die, aan den top, voor
den schoonen dag geopend was. Ik vraag haar wat dit is. Zij slaat
de armen over elkander, lonkt op eene afschuwelijke wijze en blijft
star-oogen. Ik vraag haar nogmaals. Zij blikt rond, om te zien of er
het geheele kleine gezelschap bijeen is, zet zich op een hoop steenen,
slaat hare armen naar boven, en gilt als een booze geest uit: "la salle
de la question!" (De martelkamer). En de zoldering was dan daarom in
dien vorm gemaakt om het geschreeuw der slachtoffers te verstikken! O
heks, heks! laat ons daarover een wijl in stilte nadenken. Zwijg,
heks! Blijf slechts vijf minuten zitten op dien hoop steenen, met uw
korte armpjes kruiselings over uwe korte beentjes geslagen, en dan
werp weder vlammen uit.

Minuten! er zijn geene seconden door de klok van het paleis aangeduid,
of de heks vliegt, daar hare oogen vuurstralen uitschieten, naar het
midden der kamer, waar zij met hare door de zon verschroeide armen
een kring van hevige slagen beschrijft. Dus snorde het rond, roept
de heks, bof, bof, bof! Een eindeloos bonzen van zware hamers. Bons,
bons, bons op des lijderes ledematen. Ziedaar de steenen trog! zegt
de heks, voor de watermarteling! Gorgel, zuip, zwel, barst, ter
eere des Heilands! zuig bij elken ademtocht het bloedige lor diep
in uw ongeloovig lichaam, ketter dat gij zijt [25], en als de beul
het er uitrukt, terwijl het dampt van de kleine geheimenissen van
Gods waar evenbeeld, ken ons dan als Zijne uitverkoren dienaars,
die waarlijk gelooven aan de Bergrede: als uitgekozen leerlingen van
Hem, die nooit anders een wonderwerk deed dan om ons te heelen: die
nooit een mensch sloeg met beroerte, blindheid, doofheid, stomheid,
krankzinnigheid of eenigerhande bezoeking der menschen; en nooit Zijn
gezegende hand uitstrekte, dan om hulp en verlichting aan te brengen.

Zie! roept de heks. Daar was het fornuis. Daar maakten zij de
ijzers gloeiend. Deze holten droegen den scherpen paal, aan welken
de gemartelden opgeheschen werden, en daar met hunne geheele zwaarte
van de zoldering bleven neerhangen en slingeren. "Maar," en de heks
zegt dit op fluisterenden toon, "heeft mijnheer van dezen toren
gehoord? Ja? Laat mijnheer dan omlaag zien!"

Een koude lucht, bezwangerd met een aardreuk, slaat tegen mijnheers
aangezicht; want zij heeft onder het spreken een luik in den muur
geopend. Mijnheer kijkt er in. Naar beneden op den grond, naar boven
tegen de spits van een steilen, donkeren, hoogen toren, recht akelig,
heel donker, zeer koud. De beul der inquisitie, zegt de heks, haar
hoofd er in dringende om ook naar beneden te zien, wierp hier hen,
welke over al de verdere martelingen heen waren, naar beneden. Maar
kijk! Ziet mijnheer de zwarte vlekken op de muren? een blik over den
schouder naar het scherpziend oog der heks toont mijnheer--en zou
het zonder hulp van den aanwijzenden sleutel--waar zij waren. "Wat
is dat? Bloed!"

In October 1791, toen de revolutie hier op het hoogst was, werden
zestig personen: mannen en vrouwen (en priesters, zegt de heks,
"priesters") vermoord, en de stervenden en de dooden in dien
verschrikkelijken put geworpen waar eene menigte ongebluschte kalk
op hunne lichamen werd neergestort. Die afgrijselijke overblijfselen
van den moord waren weldra verdwenen; maar zoolang een steen van het
hechte gebouw, waarin die daad werd verricht, op den ander zal staan,
zullen zij zoo duidelijk in der menschen geheugen liggen als men nu
de bloedspatten op den muur kan zien.

Was het een gedeelte van het groote ontwerp der vergelding, dat de
wreede daad in die plaats moest worden ten uitvoer gebracht! Dat
een gedeelte der afschuwelijkheden en monsterachtige instellingen,
welke tientallen van jaren achtereen bezig waren met het veranderen
der menschelijke natuur, ze op het laatst in verzoeking zou brengen,
door de onder de hand liggende middelen, hunne razende en beestachtige
woede te voldoen. Dat dit hen in staat zou stellen zich, in den
hoogsten graad hunner dolheid, niet erger te vertoonen dan eene
groote plechtstatige en wettelijke instelling, op de grootste hoogte
van hare macht! Niet erger? veel beter! Zij gebruikten den toren der
vergetenen in den naam der vrijheid--hunne vrijheid; een schepsel van
lage geboorte, gevoedsterd in het zwarte slijk van de grachten en
holen der Bastille, en noodwendig menigvuldige blijken gevende van
zijne ongezonde opvoeding--terwijl de Inquisitie dien in den naam
des hemels gebruikte.

De vinger der heks is opgeheven, en zij sluipt er weer uit naar
de kapel van het heilig officie. Zij blijft staan bij een zeker
gedeelte van den vloer. Haar groot effect is nabij. Zij wacht op
de overigen. Zij werpt een blik op den braven koerier, die bezig
is met het uitleggen van iets, geeft hem met den grootsten sleutel
een klinkenden tik op den hoed en verzoekt hem stil te zijn. Zij
brengt ons allen bijeen, rondom een klein valluik in den grond,
als om een graf. "Voilà!" Zij blikt neer op den ring, en rukt
het luik met haar heksen-nadruk, met een krassend geluid open,
ofschoon het eene niet onbeduidende zwaarte heeft. "Voilà les
oubliettes! Voilà les oubliettes! (ziedaar de holen der vergetenen)
onderaardsch! Schrikkelijk! Donker! IJselijk! Doodelijk! Les oubliettes
de l'Inquisition! (de holen der vergetenen van de Inquisitie)."

Mijn bloed stolde, toen ik den blik, van de heks af, naar beneden
wierp, in de kelders, waar die vergeten schepsels, met herinneringen
van de wereld daar buiten, van vrouwen, vrienden, kinderen, broeders,
den hongerdood stierven, en de steenen deden klinken door hun
vruchteloos gesteen. Maar de rilling, welke ik gevoelde bij het zien
van den vervloekten muur beneden, die vervallen en doorgebroken was,
en hoe de zon er in scheen door zijne gapende wonden, was gelijk aan
een gevoel van zegepraal en overwinning. Ik gevoelde mij verheven door
het grootsche genot, dat ik in deze ontaarde tijden leefde, om het
te zien, als ware ik de held van eenige grootsche verrichting! Het
licht in de ijselijke gewelven was het beeld des lichts, dat er was
gestroomd op alle vervolging in den naam Gods, maar dat nog niet
de middaghoogte heeft bereikt! Het kan niet liefelijker schijnen op
een blinde, die kortelings het gezicht heeft herkregen, dan op een
reiziger die het ziet, hoe het kalm en majestueus de duisternis diens
helpoels vernietigt.



VAN AVIGNON NAAR GENUA.


Toen de heks de oubliettes had getoond, gevoelde zij dat haar groote
slag geslagen was; zij liet het luik knarsend vallen en stond er
bovenop, met hare armen in de zijden en vervaarlijk snuivende.

Toen wij de plaats verlieten, vergezelde ik haar naar hare woning, die
in de buitenste poort van het front was, om eene kleine geschiedenis
van het gebouw te koopen. Haar kroeg, een donker vertrek, door
kleine raampjes verlicht, zonk in den dikken muur, in het verzachte
licht en met een schoorsteen, gelijkende naar dien eener smidse;
het kleine buffetje bij de deur, met flesschen, kruiken en glazen
er op; het keukengereedschap en de kleedingstukken langs de muren,
en een vrouw van een nuchter voorkomen (zij moest een leven leiden
gelijksoortig met dat van de heks), die aan de deur breide--het zag
er volkomen uit als eene schilderij van Ostade.

Ik wandelde de buitenzijde van het gebouw rond, in een soort van droom
en had echter het bekoorlijke gevoel, dat ik er uit ontwaakt was,
waarvan het licht, dat in de gewelven nederviel, mij de verzekering
had gegeven. De bovenmatige dikte en duizelende hoogte der muren,
de verbazende sterkte der stevige torens, de groote uitgestrektheid
van het gebouw, zijne reusachtige evenredigheden, gefronst voorkomen
en barbaarsche onregelmatigheid, baren ontzag en verbazing. De
herinnering van de tegenstrijdige doeleinden, waartoe het voorheen
werd gebruikt--eene onneembare forteres, een weelderig paleis,
eene verschrikkelijke gevangenis, eene plaats van marteling, het
hof der inquisitie: op een en denzelfden tijd een huis van festijnen
en gevechten, van godsdienst en bloed, maakt elken steen van zijne
verbazend hooge gedaante vreesbarend en belangwekkend tevens, en deelt
eene nieuwe beteekenis mede aan het onovereenkomstige daarvan. Ik
kon echter toen, en nog lang naderhand, aan niets anders denken
dan aan de zon in de holen. Dat het paleis was verlaagd tot eene
slenterplaats van luidruchtige soldaten, en gedwongen was hunne ruwe
taal en gemeene vloeken terug te kaatsen, en toe te laten, dat hunne
kleedingen uit zijne morsige ramen fladderden, was eenigermate eene
vernedering van zijn vorigen staat, en tevens iets genoegenbarends;
maar het daglicht in de cellen, en de hemel tot dak van zijne aan de
wreedheid gewijde vertrekken--dit was de storing en de nederlaag er
van. Indien ik het had zien in vlam staan, van de gracht tot aan den
wal, dan zou ik hebben gevoeld, dat niet dit licht, evenmin als al
het licht van al het vuur dat er brandt, het derwijze kon verwoesten,
als de zonnestralen in zijne geheime raadkamers en kerkers.

Alvorens dit pauselijk paleis te verlaten, wil ik uit de korte
beschrijving, zoo even door mij vermeld, eene kleine geschiedenis
mededeelen, geheel geschikt voor het gebouw en in verband staande
met het wedervaren er van.

"Eene oude overlevering bericht, dat in 1441 een neef van Pierre de
Lude, de pauselijke legaat, eene verregaande beleediging deed aan
eenige voorname dames van Avignon, wier betrekkingen, om zich te
wreken, den jonkman vatten en schrikkelijk verminkten. Gedurende
eenige jaren begroef de legaat zijne wraak in zijn eigen boezem,
maar had niettemin besloten zich die eindelijk te verschaffen. Na
een lang tijdsverloop deed hij zelfs de eerste stappen tot een
volkomen verzoening; en toen de schijnbare oprechtheid er van de
zege had behaald, noodigde hij zekere gezinnen, geheele gezinnen,
welke hij wilde verdelgen, tot een luisterrijk gastmaal in dit
paleis. Het gastmaal werd gekruid door de grootste vroolijkheid;
maar de maatregelen van den legaat waren wel getroffen. Toen het
nagerecht op tafel stond, kwam de portier binnen, met het bericht,
dat een vreemd gezant om een buitengewoon gehoor verzocht. De legaat,
die voor een oogenblik verlof van zijne gasten nam, verwijderde zich,
door zijne ambtenaren gevolgd wordende. Weinige oogenblikken later
waren vijfhonderd personen in asch verkeerd, doordien men den geheelen
vleugel des gebouws met eene verschrikkelijke ontploffing in de lucht
had doen springen!"

Na het bezichtigen der kerken (ik wil u juist nu niet met kerken lastig
vallen) verlieten wij Avignon in den namiddag. Om de zeer sterke hitte
waren de wegen buiten de stadsmuren bezaaid met menschen, die op elk
beschaduwd plekje vast sliepen, of met werkelooze groepen, tusschen
slapen en waken in waren, en daar wachtten tot de zon laag genoeg zou
zijn gedaald om tusschen de verzengde boomen en op den stuivenden
weg te kunnen kegelen. De oogst was hier reeds binnengehaald, en
muilezels en paarden waren bezig het koorn in de velden uit te treden
[26]. Tegen donker kwamen wij in eene woeste en heuvelachtige streek,
die eens door struikroovers berucht was, en trokken langzaam tegen
eene steile hoogte op. Aldus gingen we voort tot 's avonds elf uur,
toen wij stilhielden in de stad Aix, op twee stations van Marseille,
om er nachtverblijf te houden.

Het logement, waarvan al de zonneschermen en blinden gesloten waren,
om er licht en hitte buiten te houden, was den volgenden morgen
aangenaam en luchtig, en de stad was zeer zindelijk; maar zoo heet
en zoo bovenmatig schitterend van licht, dat, toen ik des middags
uitging het juist was alsof men plotseling uit eene donkere kamer in
een fel brandend vuur keek. De lucht was zoo helder, dat verafgelegene
heuvels en rotsachtige punten slechts een uur gaans schenen: terwijl
de stad in mijn bereik--met een soort van blauwachtig waas tusschen
mij en haar--gloeiend geleek, en en heeten gloed uit hare oppervlakte
scheen te verspreiden.

Wij verlieten deze stad tegen den avond, en begaven ons op weg naar
Marseille. Het was een stoffige weg; de huizen waren alle gesloten,
en de wijngaarden wit bestoven. Bijna aan alle deuren der boerenhutten
waren vrouwen bezig met uien in aarden kommen te schillen en voor het
avondmaal in schijfjes te snijden. Dit hadden zij ook den vorigen
avond langs den geheelen weg van Avignon gedaan. Wij trokken langs
een of twee schaduwrijke, sombere kasteelen, met boomen omgeven en
met koele waterkommen versierd; die des te meer indruk maakten uit
hoofde van de groote schaarschheid van dergelijke verblijfplaatsen
langs den weg dien wij hadden afgelegd.

Toen wij Marseille naderden, begon de weg bedekt te worden met lieden
in hun feestgewaad gedost. Voor de herbergen waren eenigen bezig met
rooken, drinken, dam- en kaartspel en (ééns) met dansen. Maar stof,
stof, overal stof. Wij gingen verder, door eene lange, verstrooide
vuile voorstad, propvol van menschen. Links lag een naakt glooiend
stuk grond, waarop de buitenplaatsen der kooplieden van Marseille,
altijd verblindend wit, door elkander en zonder de minste regelmaat
opgehoopt zijn, achter-, voor-, zij-gevels en daken, naar alle streken
van het kompas; totdat wij, ten laatste, in de stad kwamen.

Ik was daar, twee- of driemalen naderhand in fraai en in slecht weder;
en ik vrees dat er geen twijfel bestaat, of het is eene morsige en
onaangename plaats. Maar het uitzicht van de versterkte hoogten
op de schoone Middellandsche zee, met hare bevallige rotsen en
eilanden, is allerverrukkendst. Deze hoogten zijn een wenschelijke
afzonderingsplaats, om minder schilderachtige redenen--om eene
mengeling van onaangenaam riekende dampen te ontvluchten, die
voortdurend opstijgen uit een haven vol stilstaand water en besmet met
hetgeen tallooze schepen, met allerhande ladingen, geweigerd hadden
in te nemen; wat, bij warm weder, in den hoogsten graad te vreezen is.

Daar waren vreemde zeelieden, van alle natiën op straat; met
roode hemden, blauwe hemden, gesteven hemden, taankleurige hemden
en oranjekleurige hemden, met roode mutsen, blauwe mutsen, groene
mutsen, zware baarden en baardeloos; met Turksche tulbanden, glimmende
Engelsche hoeden, en Napolitaansche hoofddeksels.

Daar waren stedelingen, groepsgewijs op het voetpad zittende, of
zich verluchtende op de daken hunner huizen, of de nauwste en minst
luchtige Boulevards op en neer wandelende; en daar waren hoopen
volks van de geringe klasse, die er trotsch uitzagen en gedurig
den weg versperden. Te midden van al dat geraas en oproer stond het
krankzinnigengesticht; een laag, saamgedrongen, ellendig gebouw, dat
recht op de straat uitzag, zonder de minste beschutting of voorhof;
waar snaterende krankzinnige mannen en vrouwen, door geroeste staven,
omlaag, naar de gapende aangezichten staarden, terwijl de zon, met
fierheid in hunne kleine cellen schuin invallende, hunne hersenen
schenen te verdrogen en te pijnigen, evenals werden ze door een koppel
honden nagezeten.

Wij waren tamelijk wel gehuisvest in het hotel du Paradis, dat in een
nauwe straat stond, waarin zeer hooge huizen waren. Er tegenover was
een kapperswinkel, voor een raam twee levensgroote wassen damesbeelden
ten toon stellende, die heen en weder draaiden, hetgeen de kapper zelf
zoo verrukte, dat hij en zijn huisgezin, in armstoelen, en luchtig
gekleed, midden op de straat zaten, zich met eene luie waardigheid
verheugende in de voldoening der voorbijgangers. Het huisgezin had
zich ter ruste begeven, toen wij te middernacht naar bed gingen;
maar de kapper (een gezet man met lakensche muilen) zat er nog, met
zijne voeten recht voor hem uitgestoken, en kon klaarblijkelijk niet
verdragen, dat men de blinden sloot.

Den volgenden dag gingen we naar de haven, waar zeelieden van alle
natiën bezig waren te ontschepen en ladingen van alle soort in te
nemen: vruchten, wijnen, olie, zijden-, wollen-, fluweelen stoffen en
alle soort koopmansgoederen. Uit het groot aantal vroolijke bootjes
één kiezende, dat zeilen had, welke gestreept waren, op eene wijze,
die voor het oog bevallig was, roeiden wij weg, onder de achterstevens
van groote schepen, onder touwen en kettingen, tegen en onder andere
booten, en veel te dicht langs de boorden van andere schepen, die
met sinaasappelen bevracht waren, naar de Marie Antoinette, eene
nette stoomboot, naar Genua bestemd, liggende aan den ingang der
haven. Langzamerhand kwam het rijtuig, die logge "kleinigheid van
het Pantechnicon," op een platboomd vaartuig, op gekke wijze langs
boord liggen, tegen alles aanstootende, en aanleiding gevende tot
een wonderbaarlijk aantal vloeken en gezichtsverdraaiingen; tegen
vijf uur stoomden wij naar de ruime zee.

Het schip was uiterst zindelijk; de maaltijden werden opgedischt onder
een zeil op dek; de nacht was kalm en helder; de rustige schoonheid
van de zee en van den hemel onuitsprekelijk.

Wij reisden den volgenden morgen vroegtijdig naar Nizza af, en voeren
bijna den geheelen nacht langs de kust, tot op eenige mijlen van den
Cornice-weg (waarover later nader). Voor drie uur hadden wij Genua
in het gezicht; en het waarnemen der langzame ontwikkeling van deze
prachtige, amphitheatersgewijze gebouwde stad: terrassen op terrassen,
tuin op tuin, paleis op paleis, heuvel op heuvel--hield ons genoeg
bezig, tot wij de trotsche haven waren binnengevaren.

Na ons hier buitengewoon verwonderd te hebben over eenige Kapucijner
monniken, die het wegen van hout op de werf gadesloegen, vertrokken wij
naar Albaro, een paar mijlen verder, waar wij een huis hadden gehuurd.

Onze weg voerde ons door de voornaamste straten, maar niet door
Strada Nuova, of Strada Balbi, die de beroemde straten der paleizen
zijn. Nimmer in mijn leven was ik meer teleurgesteld! De wonderbare
nieuwheid van alles, de ongewone reuk, de onverklaarbare morsigheid
(hoewel men het voor de zindelijkste stad van Italië houdt) de verwarde
mengeling van smerige huizen, het eene boven op het andere gebouwd;
de stegen, vuiler en nauwer dan die in St. Giles, of het vroegere
Parijs; waarin en waaruit geene landloopers kwamen, maar welgekleede
vrouwen, met witte sluiers en groote waaiers, heen en weder gingen;
het volstrekt gemis van gelijkenis in eenig woonhuis, of winkel, of
muur, of stijl, of pilaar, met iets dat ik ooit vroeger gezien had;
en de ontmoedigende vuilheid, het ongemak en verval verbaasden mij ten
hoogste. Ik verviel in eene treurige mijmering. Mij is bewust, dat ik
koortsachtig en verward gedroomd heb van heiligen en madonna's in hunne
nissen aan de hoeken der straten,--van een groot aantal monniken en
soldaten,--van groote roode gordijnen, die voor de deuren der kerken
fladderden,--van altijd bergop te gaan, en toch iedere nieuwe straat
en steeg steeds te zien rijzen,--van fruitstalletjes, met versche
citroenen en oranjeappelen, die aan festoenen van wijngaardranken
hingen,--van een wachthuis, en eene ophaalbrug--en van poortlanen,--en
van verkoopers van ijswater, met hunne kleine stalletjes aan den kant
van het kanaal zittende--en dit is alles wat mij bewust is, totdat ik
nedergezet werd op een vunzig, akelig, met onkruid begroeid plein,
voor een soort van rood gevangenhuis; en men tot mij zeide, dat ik
daar woonde.

Weinig dacht ik dien dag, dat ik ooit gehechtheid zou gevoelen voor de
steenen zelfs in de straten van Genua, en met liefde terugblikken naar
die stad, uit hoofde van de menigte gelukkige en rustige uren, welke ik
daar heb doorgebracht. Maar dit zijn mijne eerste indrukken, eerlijk
ternedergesteld; en hoe ze veranderden zal ik ook mededeelen. Laat
ons thans ademhalen na deze langgerekte dagreis.



GENUA EN HARE OMSTREKEN.


De eerste indruk van een dergelijke plaats als Albaro, de voorstad
van Genua, waar ik mij thans neergezet heb, moest natuurlijk, volgens
mijne wijze van zien, droevig en teleurstellend zijn. Het vereischt
een weinig tijd en gewoonte om de neerslachtigheid te overwinnen,
die in het begin gevoeld wordt en het gevolg is van eene zoodanige
verwaarloozing en van een dergelijk plichtverzuim. Nieuwheid,
die iedereen behaagt, bevalt mij buitengemeen. Ik wordt niet licht
mistroostig als ik de middelen bezit mijne eigene denkbeelden en
bezigheden te volgen; en ik vermeen, dat ik een bijzonderen aanleg
heb om mij naar de omstandigheden te schikken.--Maar, tot nog toe,
zwerf ik rond in alle hoekjes en gaatjes der nabuurschap, in een
voortdurenden staat van verwondering; en keer ik naar mijne villa
terug: de villa Bagnerello, (de naam klinkt romantisch, maar signor
Bagnerello is een slachter uit de nabijheid), dan heb ik genoeg te doen
om over mijne nieuw opgedane ondervinding te peinzen en haar, zeer tot
mijn eigen vermaak, te vergelijken met mijne verwachtingen, totdat
ik weder dolen ga. De villa Bagnerello, of het Roode Gevangenhuis,
eene veel juistere uitdrukking voor het huis, is zoo prachtig gelegen
als men zich slechts verbeelden kan. In hare nabijheid bevindt zich de
trotsche golf van Genua en de donkerblauwe Middellandsche zee; oude,
verlaten, monsterachtige huizen en paleizen zijn overal verspreid;
hooge bergen, wier toppen zich dikwerf in de wolken verschuilen, en
wier sterke forten in de hoogte tegen hunne ruwe hellingen aanleunen,
zijn ter linkerzijde in de nabijheid, en vóór u, van de muren
van het lusthuis tot aan de vervallen kapel, die zich op de fiere
schilderachtige rotsen aan den oever der zee verheft, zijn groene
wijngaarden, waar gij den geheelen dag kunt wandelen, gedeeltelijk
in de schaduw, en, zoover uw oog reikt, slechts druiventrossen ziet,
die, over de smalle paden heen, om een ruw latwerk geslingerd zijn.

Van dit eenzame plekje loopen zulke smalle paden, dat wij, bij het
tolkantoor aankomende, bevonden, dat de lieden de maat genomen hadden
van het smalste van alle, en wachtende waren om ze met deze breedte van
het rijtuig te vergelijken: de plechtigheid werd ernstig volvoerd op
straat, terwijl wij allen in angstige verwachting er bij stonden. Het
scheelde wel niet veel, maar er bestond eene mogelijkheid, en meer
niet--zooals ik alle dagen herinnerd word, door het beschouwen der
verschillende groote gaten, welke het rijtuig aan weerszijden in den
muur stootte toen het er tusschen doortrok. Men heeft mij verhaald,
dat wij gelukkiger zijn dan eene bejaarde dame, welke, niet lang
geleden, een lusthuis in deze streken huurde, en in eene steeg met
haar rijtuig bleef vastzitten, en daar het onmogelijk was een der
portieren te openen, was zij verplicht zich te onderwerpen aan de
onwaardige behandeling, door een der kleine raampjes aan de voorzijde
getrokken te worden, evenals een harlekijn.

Wanneer gij die nauwe stegen door zijt, dan komt gij aan eene gewelfde
poort, onvolkomen gesloten door een oud verroest hek--mijn hek. Aan
dit verroeste, oude hek prijkt eene schel, waaraan gij zoo lang
kunt trekken als gij wilt, en waarop niemand u zal antwoorden, daar
zij volstrekt niet met het huis in verband staat. Maar daar is nog
een oude verroeste klopper, ook--vrij slecht vastgemaakt, zoodat hij
rondglipt, wanneer gij hem aanraakt--en als gij den slag er van leert,
en lang genoeg klopt, komt er iemand. De brave koerier komt en laat u
in. Gij betreedt een klein vruchtbaar tuintje, geheel verwilderd en
vol onkruid: van hier neemt de wijngaard een aanvang: ga het door,
loop in eene vierkante zaal als een kelder, klim eene gescheurde
marmeren trap op en treed in eene verschrikkelijk groote kamer,
met eene gewelfde zoldering en gewitte muren; bijna als eene groote
kapel van Methodisten. Dat is de sala. Zij heeft vijf ramen en vijf
deuren en is versierd met schilderijen, welke de schilderij-opknappers
zouden doen watertanden, die in Londen, als een uithangbord, eene
schilderij ophangen, welke verdeeld is evenals de dood en de dame,
boven aan de oude ballade, en u altijd in een staat van onzekerheid
laat, of de kundige professor de eene helft schoon of de andere heeft
smerig gemaakt. Het ameublement van deze sala is een soort van roode
gebloemde stof. Al de stoelen zijn onverschuifbaar en de sofa weegt
verscheidene tonnelasten.

Op dezelfde verdieping, en in deze kamer uitkomende, bevinden zich de
eetzaal, de receptiezaal, en verschillende slaapkamers: elk met een
menigte deuren en vensters voorzien. Boven zijn verscheidene andere
naakte kamers en eene keuken, en beneden is eene andere keuken,
welke, met alle soorten van vreemdaardige inrichtingen voorzien
om houtskolen te branden er uitziet als het laboratorium eens
scheikundigen. Er zijn ook nog een half dozijn kleine kamers, waar
de bedienden, gedurende deze warme Julidagen, de hitte van het vuur
kunnen ontvluchten, en waar de brave koerier den ganschen avond alle
soorten van muziekinstrumenten van zijn eigen maaksel bespeelt. Het
is een zoo oud, verstrooid, spookachtig weergalmend, onvriendelijk,
kaal huis, als ik ooit te voren gezien of gedroomd heb.

Van uit de receptiezaal komt men op een klein, met wijnranken bedekt
terras; onder dit terras, en eene zijde van den kleinen tuin vormende,
bevindt zich, wat vroeger een stal was. Het is thans een koestal
en er staan drie koeien in, zoodat wij emmers vol versche melk
krijgen. Daar er geen weiland in de nabijheid is komen ze nooit
uit den stal, maar liggen steeds neer en doen zich te goed aan de
wijngaardbladen--volmaakte Italiaansche koeien--den geheelen dag het
dolce far niente (het zoete nietsdoen) genietende; zij staan onder
het opzicht van een oud man, Antonio genaamd, en van zijn zoon, die
beiden daar slapen, beiden van Sienna geboren, door de zon verbrand,
met bloote beenen en voeten, die elk een hemd en eene broek dragen en
een rooden gordel om het lijf hebben, en een reliek of gewijde amulet,
evenals de boon uit een driekoningenkoek, om den hals hebben hangen.

De oude man is zeer verlangend, mij tot het katholieke geloof over te
halen, en preekt mij dikwijls voor. Des avonds zitten wij somtijds
op een steen bij de deur, eene omgekeerde herhaling van Robinson
Crusoë en Vrijdag gevende, en gewoonlijk verhaalt hij, om mijne
bekeering te bevorderen, een uittreksel der geschiedenis van Sint
Petrus,--voornamelijk, zoo geloof ik wegens het onuitsprekelijk
genoegen dat hij smaakt in zijne nabootsing van den haan.

Het uitzicht, zooals ik reeds vroeger zeide, is verrukkend; maar op
den dag moet men de zonneschermen gesloten houden, anders zou de zon u
razend maken; en als de zon ondergaat, moet gij al de ramen sluiten,
of de muskieten zouden u in de verzoeking brengen een zelfmoord te
begaan. Omstreeks dezen tijd van het jaar ziet gij weinig van het
inwendige der huizen. Wat de vliegen betreft, gij geeft er niet
om. Even zoo min om de vlooien, die een verschrikkelijken omvang
bezitten, en wier getal Legio is, en die het koetshuis zoodanig
bevolken, dat ik dagelijks verwacht, het rijtuig vanzelf te zien
voortgaan, door myriaden nijvere, opgetuigde vlooien getrokken. De
ratten worden op eene aangename wijze verdreven door benden magere
katten, die in den tuin tot dit doeleinde rondzwerven. Om de hagedissen
bekommert zich natuurlijk niemand; zij spelen in de zon en bijten
niet. De kleine schorpioenen vallen alleen wat nieuwsgierig. De
torren komen wat laat, en zijn nog niet verschenen. De kikvorschen
zijn gezelschap. In de gronden van de naastgelegene villa is er een
voorraad van, en als het avond is geworden, zou men denken, dat geheele
hoopen vrouwspersonen met klakken aan de voeten, zonder een oogenblik
op te houden, op een vochtig steenen plaveisel heen en weer gingen;
juist zulk een geraas maken zij.

De vervallen kapel aan den schilderachtigen en schoonen zee-oever was
vroeger aan St. Johannes den Dooper gewijd. Ik geloof er bestaat eene
overlevering, dat de beenderen van St. Johannes daar met verschillende
plechtigheden ontvangen zijn geworden, toen zij het eerst naar
Genua werden gevoerd; want Genua bezit ze tot heden nog. Als er
een buitengewone storm op zee heerscht, worden zij naar buiten
gebracht, en aan het onstuimige weder vertoond, dat zij onmisbaar
doen bedaren. Uit hoofde dezer betrekking tusschen St. Johannes en de
stad worden een aantal lieden der geringere klasse Giovanni Battista
(Joannes de Dooper) genaamd. Dit laatste woord wordt in het Genueesch
patois (volkstaal) "Batchietcha" uitgesproken, evenals iemand die
niest. Het klinkt een vreemdeling vrij zonderling en vermakelijk in
de ooren, op Zon- en feestdagen, wanneer er veel volk op de been is,
hen elkander Batchietcha te hooren toeroepen.

De smalle lanen loopen op groote villa's uit; wier muren (buitenmuren
bedoel ik) beschilderd zijn met alle soorten van onderwerpen; treurige
en heilige. Maar het weder en de zeelucht hebben ze bijna uitgewischt;
en zij zien er uit als de ingang der Vauxhall tuinen op een zonnigen
dag. De voorpleinen dezer lusthuizen zijn met gras en onkruid
begroeid; allerlei afzichtelijke vlakken bedekken de voetstukken
der standbeelden, als waren zij door eene huidziekte aangetast; de
buitenhekken zijn verroest, en de ijzeren tralies van de onderste
vensters zijn alle op het punt van naar beneden te storten. Het
brandhout wordt in zalen bewaard, waar misschien de kostbaarste
schatten kunnen zijn opgehoopt; de watervallen zijn uitgedroogd en
verstopt; fonteinen, te dommelig om het water op te spuiten, en te
lui om het te doen neervallen, herinneren zich nog juist zóóveel van
hare bestemming, om in haar slaap de nabuurschap vochtig te maken;
en de sirocco-wind waait dikwijls dagen achtereen over al deze zaken,
evenals over een reusachtigen uitgedoofden oven.

Voor eenigen tijd had er een feestdag plaats, ter eere van de moeder
der H. Maagd: toen de jongelieden uit de nabuurschap, bij den een of
anderen optocht groene ranken en wijngaardbladen hebbende gedragen,
zich bij hoopen in het vocht der vrucht baadden. Het zag er zeer
wonderlijk en aardig uit. Hoewel ik bekennen moet, dat ik (die op
dien tijd niets van het feest wist) dacht, en er bijna zeker van was,
dat die ranken hun denzelfden dienst moesten doen als aan de paarden,
namelijk de vliegen van het lijf te houden.

Spoedig daarop was er een andere feestdag, ter eere van zekere Sint
Nazaro. Een van de jongelieden van Albaro bracht, kort nadat wij
ontbeten hadden, twee groote ruikers, en naar boven komende in de
groote sala, bood hij zelf ze aan. Dit was eene beleefde wijze om een
bijdrage te verzoeken, ten einde de onkosten te bestrijden van eenige
muziek, ter eere van den Heilige; ik herinner mij niet meer wat wij
gaven, maar zijn afgezant vertrok, wel voldaan. Des avonds ten zes
uur gingen wij naar de kerk--dicht in de buurt,--eene zeer zwierige
plaats, geheel behangen met festoenen en schitterende draperieën, en,
van het altaar tot den hoofdingang, opgepropt met vrouwen, die allen
zaten. Zij dragen hier geen mutsen; maar alleen een langen, witten
sluier--de "mezzero" genaamd; en het was de luchtigste, vroolijkst
uitziende schaar, welke ik immer zag. Over het algemeen zijn de
jonge meisjes niet fraai, maar zij bezitten eene statige houding,
en vertoonen in hare manieren en in het omslaan harer sluiers veel
aangeboren bevalligheid en sierlijkheid. Er waren eenige mannen
aanwezig, maar niet veel, en enkelen van hen lagen geknield in de
zijvleugels, waar iedereen over hen struikelde. Tallooze waskaarsen
brandden in de kerk; de kleine stukjes zilver en tin aan de heiligen
(vooral in het halssnoer van de Heilige Maagd) blonken glinsterend;
de priesters zaten om het hoofdaltaar; het orgel speelde lustig op,
en een welbezet orkest deed hetzelfde: terwijl een orkestmeester, in
eene kleine galerij er vlak tegenover, met eene rol papier op den voor
hem bestemden muzieklessenaar hamerde; en een tenor, die volstrekt
geene stem had, begon te zingen. Het orkest speelde deze, het orgel
gene wijs; de zanger koos eene derde, en de ongelukkige orkestmeester
sloeg en sloeg, en zwaaide zijne rol, naar een hem eigen stelsel,
klaarblijkelijk wel voldaan over de geheele uitvoering. Ik heb nooit
een dergelijk wangeluid gehoord. Al dien tijd was het smoorwarm.

De mannen met roode mutsen, en wijde buizen die over hunne schouders
hangen (zij trekken ze nooit aan), gingen, zoodra zij de kerk
uitwaren, aan het kegelen en het koopen van lekkernijen. Wanneer
een zestal een spel geëindigd had, kwamen zij onder de zijvleugels,
kruisten zich met wijwater, knielden voor een oogenblik neder,
en gingen dan weder naar buiten om een spelletje te kegelen. Zij
zijn daarin bijzonder handig en zullen in de met steenen bezaaide
lanen en straten en op den ruwsten grond, die voor dat doel het
minst geschikt is, met evenveel nauwkeurigheid spelen als op een
biljart. Maar het meest geliefkoosde spel is het volksspel, de Mora,
dat zij met een verwonderenswaardigen ijver doorspelen en waarop zij
alles zullen zetten wat zij bezitten. Het is een allerverderfelijkst
dobbelspel, dat geene andere hulpmiddelen behoeft dan de tien vingers,
die altijd--ik bedoel er geen kwinkslag mee--bij de hand zijn. Twee
mannen spelen te zamen. De een noemt een getal--stel het hoogste:
tien. Hij duidt aan wat gedeelte hij er van wil, door drie, vier of
vijf vingers in de hoogte te steken; en zijne tegenpartij moet op
hetzelfde oogenblik, op goed geluk af, en zonder naar zijne hand te
zien, zooveel vingers uitsteken als waardoor juist het ontbrekende moet
worden aangevuld. Hunne oogen en handen worden hieraan zóó gewend en
bewegen zich met zulk eene wonderlijke snelheid, dat een oningewijd
toeschouwer het vrij moeielijk, zoo niet onmogelijk zou vinden den
voortgang van het spel na te gaan. De ingewijden echter, waarvan
er altijd een met geestdrift bezielde troep toeziet, verslinden het
met de hevigste gretigheid; en daar er altijd eenigen bereid zijn,
zich als kampvechters op te werpen bij een of ander verschil, dat
tamelijk dikwijls het geval is, zoo is het doorgaans eene zeer woelige
zaak. Het is nooit het stilste spel ter wereld; want de getallen worden
altijd met eene luide, sterke stem uitgeroepen, en volgen elkander zoo
spoedig op als zij geteld kunnen worden. Wanneer gij op een feestavond
aan uw venster staat, of in den tuin wandelt, of over straat gaat,
of slentert op eenig bekoorlijk plekje in de nabijheid der stad, zult
gij dit spel tegelijk aan den gang hooren in een reeks van wijnhuizen;
of wanneer gij het oog over eenige wandelplaatsen van wijngaarden laat
weiden, of welken hoek ge ook omslaat, stuit ge op een hoopje spelers,
die luidkeels schreeuwen. Het is opmerkenswaardig, dat de meeste
menschen zekere geneigdheid hebben, een bijzonder getal vaker dan
een ander te noemen, en de ijver, met welke twee scherpziende spelers
wederkeerig beproeven deze zwakheid op te sporen, en hun spel daarnaar
in te richten, is zeer belangwekkend en onderhoudend. De uitwerking
wordt grootelijks verhoogd door de algemeene snelheid en hevigheid der
gebaren; twee menschen spelen om een klein koperen muntstuk met eene
inspanning die slechts op het spel let,--als goldt de inzet het leven.

Hier in de nabijheid is een groot paleis, vroeger behoord hebbende
aan een lid der familie Brignole, maar dat thans gehuurd was door eene
school van Jezuïeten, om er hunne zomerkwartieren in te houden. Laatst
op een avond, omstreeks het ondergaan der zon, doorwandelde ik zijne
ontmantelde omstreken, en gevoelde mij gedrongen eene wijl op en
neder te loopen, en dommelig het uitzicht op de stad te genieten,
dat zich hier aan alle zijden herhaalt.

Ik slenterde op en neer, onder een zuilengang, twee zijden vormende van
een met gras en onkruid begroeid voorplein, waarvan het huis eene derde
zijde uitmaakte, en eene wandelplaats op een laag terras, vanwaar
men den tuin en de naburige heuvelen kon overzien, de vierde. Ik
geloof niet dat er in het geheele plaveisel één gave steen was. In het
midden stond een beeld van een droefgeestig uiterlijk zoo bevlekt in
zijn verval, dat het er uitzag alsof het met kleefpleister bedekt,
en daarna gepoeierd was geworden. De stallen, de koetshuizen, de
keukens waren allen ledig, allen vervallen, allen geheel verwoest.

De deuren hadden hare scharnieren verloren en werden nog slechts door
klinken vastgehouden; de vensters waren gebroken, het beschilderd
pleister was afgeschilferd en lag in brokken in den omtrek; vogels
en katten hadden zich zoodanig van de buitengebouwen meester gemaakt,
dat ik mij niet kon weerhouden aan de tooversprookjes te denken, en ze
met argwaan aan te staren, alsof het betooverde dienaren waren, die
afwachtten hunne natuurlijke gedaante te herkrijgen. Eene oude poes
in 't bijzonder: een mager beest, met groene hongerige oogen (ik ben
inderdaad geneigd te gelooven, dat het vroeger een arme bloedverwant
was), kwam loerend om mij heen draaien, alsof zij voor het oogenblik
vermeende, dat ik de held zou kunnen zijn, die gekomen was om de juffer
te huwen en alles in orde te brengen; maar haar misslag bemerkende,
begon zij eensklaps schrikkelijk te mauwen, en liep met zulk een
vervaarlijken staart weg, dat zij niet in het kleine gat kon kruipen,
waarin zij huisvestte; maar verplicht was er buiten te wachten,
totdat èn hare verontwaardiging èn haar staart geslonken waren.

Eenige Engelschen hadden hier in dezen zuilengang, evenals wormen
in eene noot, gewoond, in een soort van zomerhuisje, of wat het
ook moge geweest zijn, maar de Jezuïeten hadden hen gewaarschuwd te
verhuizen, en zij waren verhuisd; en dat was ook gesloten. Van het
huis, eene verstrooide, weergalmende, gedruischmakende barak, waren de
benedenvensters, zooals gewoonlijk, gesloten, maar de deur stond wijd
open; en ik twijfel er niet aan of ik zou er hebben kunnen binnengaan,
en er mij te bed leggen en sterven, en niemand zou er iets van geweten
hebben. Alleen was er eene reeks van kamers op eene bovenverdieping
bewoond, en uit een van deze kwam de stem eener jonge, muzikale dame,
die lustig bravura aansloeg om den stillen avond op te luisteren.

Ik ging in den tuin, die verbeelden moest proper en netjes te zijn,
met lanen en terrassen, en oranjeboomen, en standbeelden, en water in
steenen kommen; en alles was groen, uitgeteerd, met onkruid bezet,
verwilderd, overal begroeid, uitgeslagen, vochtig, en rijkelijk
voorzien van alles wat maar vuil, klam, kruipend en onaangenaam
was. Er was niets schitterends in het geheele tafereel, dan eene
vuurkapel--eene enkele vuurkapel, die bij de donkere boschjes afstak,
als ware zij het laatste restje van den vervlogen roem des huizes;
en zelfs fladderde het in scherpe hoeken op en neer, en verliet eene
plaats met een zwaai, en beschreef een onregelmatigen cirkel, en kwam
op dezelfde plaats terug met een ruk, die iemand verbaasd deed staan,
alsof zij zocht naar het overschot van den roem, en zich verwonderde
(de hemel weet dat het mogelijk is!) om 't geen er van was geworden.

Binnen twee maanden losten zich de zwevende vormen en schaduwen van
mijne droefgeestige mijmerij trapsgewijze in meer gemeenzame vormen
en zelfstandigheden op, en ik begon toen alreeds te gevoelen, dat
wanneer over een jaar de tijd zou naderen om den langen feestdag te
besluiten en naar Engeland terug te keeren, ik Genua met een geheel
ander gevoel dan blijdschap zou verlaten.

Het is eene stad die u dagelijks meer inneemt. Het schijnt of er
altijd nog iets is te ontdekken. Er zijn de meest buitengewone stegen
en bijpaden om er in rond te wandelen. Gij kunt, desbegeerende,
twintigmalen per dag verdwalen (hoe aangenaam, als men werkeloos
is!) en onder de meest onverwachte en verrassendste moeielijkheden
weder terecht komen. Er is overvloed van de vreemdsoortigste
tegenstrijdigheden; dingen die schilderachtig, leelijk, gemeen,
heerlijk, bekoorlijk en beleedigend zijn, vallen u bij elken keer in
het oog.

Zij, die begeeren te weten, hoe schilderachtig de streek is die Genua
onmiddellijk omringt, moeten (bij helder weder) opklimmen naar den top
van Monte-Faccio, of ten minsten rondom de stadsmuren rijden: eene zaak
die gemakkelijker gaat. Er is geen verschiet, dat meer afgewisseld
en liefelijker kan zijn, dan de verscheidenheid van gezichten der
haven en de oevers van de beide rivieren, de Polcevera en de Bizagno,
op welker hoogten de zeer versterkte wallen voortgebouwd zijn, als de
groote Chineesche muur in het klein. In het niet minst schilderachtige
gedeelte van dezen rit is een schoon model van eene ware Genueesche
herberg, waar de bezoeker goede sier kan maken met echte Genueesche
gerechten, als: Tagliarini, Ravioli, Duitsche saucijsjes, sterk van het
knoflook, in schijven gesneden en met versche, groene vijgen gegeten;
hanekammen en schapenieren, met er onder gehakt schapevleesch en
lever; kleine stukjes van eenig onbekend gedeelte van een kalf,
in kleine reepjes gesneden, in de pan gebakken, en in een grooten
schotel opgedischt als een waterzoodje: en andere aardigheden van
dat slag. Vaak krijgen zij, in die gaarkeukens der voorstad, wijn uit
Frankrijk, Spanje en Portugal, welke door geringe kapiteins van kleine
koopvaarders aangevoerd wordt. Zij koopen dien tegen zooveel de flesch,
zonder te vragen wat het is, of zonder de moeite te nemen zich dat
te herinneren, als iemand hun dat zegt, en verdeelen dien gewoonlijk
in twee hoopen, van welke zij den eenen merken met "Champagne" en
den anderen met "Madeira." De verscheidenheid der tegenstrijdige
geuren, qualiteiten, landen, ouderdom en gewassen, welke onder die
twee algemeene namen zijn begrepen, is zeer buitengemeen. De meest
beperkte reeks gaat waarschijnlijk van den koelen Gruel tot den ouden
Marsala, en daalt weer af tot appelwijn.

De straten zijn verreweg het grootste gedeelte zóó nauw als eenige
doorloop of steeg slecht kan wezen, waarin men aanneemt, dat het volk
(en zelfs het Italiaansche volk) leeft en wandelt; daar het slechts
gangen zijn, met hier en daar een put en een plekje om lucht te
scheppen. De huizen zijn bovenmatig hoog, in allerhande kleuren
geschilderd, en zijn in elken rang en graad van beschadiging,
morsigheid en behoefte aan herstelling. Gewoonlijk worden zij
verdiepingsgewijze verhuurd, als de huizen in de oude stad Edinburgh,
of vele huizen te Parijs. Er zijn weinig straatdeuren; de voorhallen
of voorportalen worden grootendeels aangezien als openbaar eigendom;
en een tamelijk ondernemend vuilnisman zou een aardig fortuintje
bijeenbrengen met ze schoon te maken. Koetsen kunnen onmogelijk in deze
straten doordringen; er zijn daarom draagstoelen, vergulde en andere,
op verschillende plaatsen te huur. Onder den adel en den deftigen
burger worden ook eene menigte eigen draagstoelen gehouden; en des
avonds worden deze in alle richtingen af- en aangedragen, voorafgegaan
door personen die groote lantarens dragen, vervaardigd van linnen,
dat op een raam is gespannen. De draagstoelen en lantarens zijn de
wettige opvolgers van de lange rijen geduldige en zeer mishandelde
muilezels, welke, onder het rinkelen hunner belletjes, den geheelen
dag door deze nauwe straten gaan. Zij volgen deze zoo geregeld,
als de sterren op de zon.

Ik vergeet niet licht de straten vol paleizen: de Strada Nuova
en de Strada Balbi, en ook niet hoe de eerste er uitzag op een
zomerdag, toen ik haar voor het eerst zag onder het schitterendste en
donkerst blauwe gewelf van eene zomerlucht: met haar eng verschiet
van uitgestrekte gebouwen zich voordoende als eene flikkerende en
allerkostelijkst glansrijke streep, die afstak bij de donkere schaduw
van het lagereinde. Eene helderheid, die zelfs in Juli en Augustus
niet zoo gewoon is, dat men ze middelmatig zou kunnen noemen; want,
moet ik met de waarheid voor den dag komen, dan waren er geene acht
blauwe luchten in evenvele weken van den middenzomer; uitgenomen soms
in den vroegen ochtend; op welk tijdstip, als men zijne oogen naar
zee richtte, het water en het uitspansel één geheel van donker en
schitterend blauw vertoonden. Op andere tijdstippen waren er wolken en
nevel genoeg, om een Engelschman in zijn eigen klimaat te doen morren.

De eindelooze details van deze rijke paleizen, welke muren--althans
van eenige--aan de binnenzijde bezield zijn door meesterstukken van
Van Dijk! De groote, zware, steenen balkons, welke boven elkander
al nauwer en nauwer zijn gebouwd, en hier en daar een dat breeder
is dan de overige, overdekt met een hoog opgaand torenvormig
marmeren verhemelte. De voorhallen, die zonder deuren zijn, met de
onderste ramen van dikke staven voorzien, overmatig groote trappen,
ten algemeenen nutte; dikke marmeren zuilen, en sterke bogen, naar
kerkerholen gelijkende; treurige, droomerige, weergalmende, gewelfde
kamers, waarlangs het oog onophoudelijk gaat, daar elk paleis door
een ander wordt opgevolgd--de terrasvormige tuinen, tusschen het
eene huis en het andere, met groene bogen van wijngaardranken,
en groepen van oranjeboomen en blozende oleanders in vollen bloei,
twintig, dertig, veertig voet boven de straat--de geschilderde zalen,
vervallende, verschietende en vergaande in de vochtige hoeken, en
nog uitblinkende door schoone kleur en wellustige tafereelen, waar
de muren droog zijn--de verbleekte beelden aan de buitenzijde der
huizen, kransen en kronen houdende; die op- en nederwaarts vliegen,
en in nissen staan, en hier en daar machteloozer en zwakker uitzien
dan elders, door het afsteken bij eenige frissche Cupidootjes, die
van een gedeelte van den voorgevel, welks versiersels van later tijd
zijn, iets uitsteken, dat het voorkomen heeft van eene deken, doch
inderdaad een zonnewijzer is,--de steil oploopende straten van kleine
paleizen (dat desniettemin zeer groote paleizen zijn), met marmeren
terrassen, die het uitzicht hebben op nabijgelegen dwarsstegen--de
prachtige en tallooze kerken; en de snelle overgang van eene straat
vol statelijke gebouwen naar een doolhof van de ergste morsigheid,
dat den ongezondsten stank verspreidt, en krioelt van halfnaakte
kinderen en eene geheele wereld van smerig volk--dit alles te zamen
vormt zulk een verwonderlijk tafereel: zoo levendig en toch zoo
doodsch: zoo luidruchtig en toch zoo stil: zoo opdringend en toch
zoo bedeesd en nederig: zoo klaar wakker en toch in zoo diepen slaap:
dat het voor den vreemdeling eene soort van dronkenschap is, voort en
voort te wandelen en rond te zien. Eene bedwelmende geestverschijning,
met al het ongerijmde van een droom, en al het lijden en verblijden
van eene buitensporige wezenlijkheid.

Het onderscheiden gebruik, waartoe eenige dier paleizen tegelijk
dienen, is karakteristiek. Bij voorbeeld: de Engelsche bankier
(mijn uitmuntende en gastvrije vriend) heeft zijn kantoor in een
welgelegen Palazzo in de Strada Nuova. In het voorhof (van hetwelk
iedere plek met zorg is beschilderd, maar dat zoo morsig is als
een wachthuisje der politie te Londen) verkoopt een arabierenkop
met een adelaarsneus en eene verbazende hoeveelheid zwart haar,
(waaraan een man vast zit), wandelstokken. Aan de andere zijde van
den ingang verkoopt eene dame (ik meen dat het de vrouw van den
Arabier is), met een prachtigen zakdoek tot hoofdsieraad, voorwerpen
die zij zelve heeft gebreid, en somtijds ook bloemen. Een weinigje
verder bedelen, nu en dan, twee of drie blinde lieden. Soms worden
zij bezocht door een man zonder beenen, op een klein loopwagentje,
maar die een aangezicht heeft, dat zoo blozend en levendig van
kleur is, en een zoo eerbiedwekkend en weldoorvoed lichaam, dat
hij er uitziet als ware hij tot aan de middel in den grond gezakt,
of als ware hij maar ter halver lijve eene keldertrap opgekomen, om
met iemand te spreken. Een weinig verder naar binnen liggen wellicht
eenige menschen op het midden van den dag te slapen; of misschien zijn
het de zeteldragers, die daar wachten op hunne afwezige vracht. Is
dit het geval, dan hebben zij hunne draagstoelen met zich gebracht,
en dan staan die er ook. Ter linkerzijde van het voorhof is een
klein vertrek: een hoedenmakerswinkel. Op de eerste verdieping is
het Engelsche bankierskantoor. Op dezelfde eerste verdieping is
tevens een geheel huis en een goede, ruime woning ook. De hemel
weet wat daar boven is; maar zijt gij er, dan hebt gij pas begonnen
met trappen klimmen. En komt gij dan weder de trap af, terwijl gij
daarover nadenkt, en gaat gij eene groote vermolmde deur uit, aan de
achterzijde van het voorportaal, in plaats van den anderen weg op te
gaan om weder op straat te komen, dan slaat die achter u toe, onder
het voortbrengen van de akeligste echo, en gij staat op eene plaats
(de plaats van hetzelfde huis), die het voorkomen heeft van sedert
eene eeuw door geen menschelijken voet te zijn betreden. Geen geluid
stoort daar de stilte. Geen hoofd, uit een van de grommige, donkere,
nijdige ramen gestoken, die in het gezicht zijn, doet het onkruid
tusschen de gebroken vloersteenen flauwhartig worden, door het de
mogelijkheid voor te spiegelen, dat er handen bestaan, die het konden
uitwieden. Tegenover is een in steen gehouwen reusachtig beeld, dat
met een arm achteroverleunt op een kunstmatig en rijzig grotwerk. Uit
de urn slingert het overgeschoten stuk van een looden pijp, welke eens
een klein beekje langs de rots uitgoot; maar de oogholten van den reus
zijn niet droger dan die stroom thans is. Hij schijnt zijne urn, welke
bijna recht op en neer staat, een laatsten stoot te hebben gegeven,
en na als een kinderbeeldje op een grafsteen te hebben aangeduid:
"Alles is voorbij!" in een steenen stilzwijgen te zijn vervallen.

In de straten waar zich de winkels bevonden, zijn de huizen veel
kleiner, maar desniettemin altijd nog groot en bovenmate hoog. Zij
zijn zeer morsig en, mag ik eenigermate mijn neus gelooven, nooit
schoongemaakt, en geven een eigenaardige lucht van zich, gelijk
aan dien van uiterst slechte kaas, welke in zeer ware dekens wordt
bewaard. In weerwil van de hoogte der huizen, schijnt het alsof
er gebrek aan ruimte in de stad ware; want overal worden nieuwe
huizen tusschen gedrongen. Overal waar er mogelijkheid bestond,
een verhuurbaar krot tusschen eene gleuf of in een hoek te stoppen,
daar is het ook geschied. Is er ergens in een kerkmuur een hoekje
of een holletje, of eene scheur in eenigen anderen blinden muur,
daar zijt ge ook zeker, eene soort van woning te vinden, die er
uitziet als ware zij er opgeschoten gelijk een paddestoel. Tegen
het gouvernementshuis, tegen het oude senaatsgebouw, rondom elk
groot gebouw, zijn kleine winkels gedrongen, gelijk ongedierte op
het groote geraamte. Daarom, blik waarheen ge wilt, naar boven,
naar beneden, overal zijn onregelmatige huizen, achteruitdeinzende,
vooruitspringende, in puin vallende, leunende tegen die er naast staan,
zich zelven of hunne makkers, op eene of andere wijze, verminkende,
tot er een, nog onregelmatiger dan de anderen, den weg verspert en
ge niet verder voor u uit kunt zien.

Een van de morsigste gedeelten der stad is, naar mij voorkomt, dat,
hetwelk beneden bij de landingsplaats ligt. Mogelijk is het nochtans,
dat dit een dieper indruk op mijn geest hebbe gemaakt, doordat het
er op den avond onzer aankomst zeer morsig uitzag. Ook dáár zijn de
huizen zeer hoog en vertoonen eene eindelooze verscheidenheid van
wanstaltige vormen, en hangt er (evenals in de meeste huizen) iets
uit de zeer talrijke ramen, welks vunze reuk door het koeltje wordt
voortgedragen. Soms is het eene gordijn; soms een vloerkleed; soms
een bed; soms eene geheele reeks van kleeren; maar bijna overal is er
iets. Voor den voet dier huizen loopt er een booggang over het voetpad,
welke zeer lomp, donker en laag is, als een oude crypta [27]. De steen
of de kalk, waarvan die is opgemetseld, is geheel zwart geworden; en
allerlei soort van vuilnis en afval van dieren schijnt vanzelve aan te
groeien tegen elke van die zwarte zuilen. De verkoopers van macaroni en
polenta slaan hunne kraampjes, die er geenszins aanlokkelijk uitzien,
onder sommige der bogen op. De afval eener vischmarkt, die er dicht bij
is, dat wil zeggen van een achtersteegje, waar menschen op den grond en
op onderscheidene oude schotten en afdakjes zitten en visch verkoopen,
als zij er eenigen in hunne macht hebben--en van eene groenmarkt,
op denzelfden voet ingericht, dragen bij tot de verfraaiing van die
wijk; en daar alle handel hier gesloten wordt en het er den geheelen
dag stikvol is, heerscht er een zeer sterke reuk.

De Porto Franco of vrijhaven (waar goederen, die van buitenslands
worden ingevoerd, geene rechten betalen voor zij verkocht en er
uitgehaald worden, evenals in een Engelsch entrepot) is hier beneden
ook. Onheilspellende ambtenaren, met driekanten hoeden op het hoofd,
staan aan de poort, om u, verkiezen zij het, te doorzoeken en er
monniken en vrouwen af te wijzen. Immers men heeft ondervonden,
dat heiligheid zoowel als schoonheid geen weerstand kan bieden aan
de verzoeking tot smokkelen, en dat ze het beiden op dezelfde wijze
volbrengen; namelijk: door het gesmokkelde onder de ruime kleederen te
verbergen. Uit dien hoofde mogen er heiligheid en schoonheid volstrekt
niet komen.

De Genueesche straten zouden er niet te minder om zijn, als men er
eenige priesters van een innemend voorkomen invoerde. Om den vierden of
vijfden man ontmoet men een priester of een monnik, en men is er bijna
zeker van, ten minste één reizend geestelijke te zien in of op elken
postwagen op de naburige wegen. Ik ken elders geene meer terugstootende
gedaanten dan men onder die heeren vindt. Zoo het handschrift der
natuur maar eenigermate leesbaar is, dan kan men kwalijk onder eenige
menschenklasse ter wereld eene grootere verscheidenheid van traagheid,
bedrog en verstandelijke verdooving opmerken.

De heer Pepys hoorde eens een geestelijke, als een toelichting van zijn
eerbied voor de priesterlijke waardigheid, in zijne preek aanvoeren,
dat, indien hij een priester en een engel tegelijk ontmoeten mocht,
hij den priester het eerst zou groeten. Ik ben veeleer van hetzelfde
gevoelen als Petrarcha, die, toen zijn leerling Boccaccio hem uiterst
verdrietig schreef, dat hij om zijne geschriften was bezocht en
vermaand geworden door een Karthuizer monnik, die verklaard had dat
hij een bode was, te dien einde onmiddellijk door den hemel gezonden,
er op antwoordde: dat hij, wat hem betrof, de vrijheid zou nemen de
wezenlijkheid van de zending te toetsen door persoonlijke waarneming
van des zendelings gelaat, oogen, voorhoofd, gedrag en gezegden.

Ten gevolge eener gelijksoortige waarneming moet ik, voor mij aannemen,
dat men menig hemelsch zendeling zonder lastbrief kan zien sluipen
in de straten van Genua, of zijn leven in andere Italiaansche steden
in werkeloosheid doorbrengen.

Ofschoon de Kapucijnen geene geleerde vereeniging vormen, zijn zij,
als orde, wellicht de beste vrienden des volks. Zij schijnen er zich,
als raadslieden en troosters, meer onmiddellijk onder te mengen, en
de zieken vaker te bezoeken, en minder dan sommige andere ordes de
familiegeheimen te besnuffelen, ten einde een rampzalig overwicht te
verkrijgen op de zwakkere leden er van, en door een minder brandende
begeerte bezield te worden tot het maken van proselieten, en, als
die eens zijn gemaakt, ze dan naar lichaam en ziel in het verderf
te laten zinken. Men kan ze in hunne grove kleeding in alle wijken
der stad en op alle tijden, en, in den vroegen ochtend, bedelend op
de marktplaatsen ontmoeten. Ook de Jezuïeten vertoonen zich veel
op straat, en loopen sluipend en zonder gedruisch bij paren rond,
als zwarte katten.

In sommige nauwe stegen zijn afzonderlijke bedrijven bijeen. Er is eene
straat van juweliers, en er is eene straat van boekverkoopers; maar op
plaatsen zelfs waar niemand in een rijtuig ooit kan of kon doordringen,
staan zeer oude paleizen, ingesloten door de somberste en hoogste
muren en volstrekt voor de zon afgesloten. Zeer weinig kooplieden
hebben er eenig denkbeeld van, hoe zij hunne goederen aan den man
moeten brengen of uitstallen. Moet ge, als vreemdeling iets koopen,
dan ziet gij gewoonlijk den winkel rond tot gij het vindt; vat het
dan, als het onder uw bereik is, en vraagt naar den prijs. Ieder ding
wordt op de oneigenaardigste plaats verkocht. Moet men koffie hebben,
dan gaat men gewoonlijk naar een banketbakkerswinkel; hebt ge vleesch
noodig, dan zult ge het waarschijnlijk vinden achter eene oude geruite
gordijn, een half dozijn treden af, in eenig afgezonderden hoek, die
zoo moeielijk te ontdekken is, alsof dat levensmiddel vergif ware en
de wetten van Genua hem, die het verkocht, met den dood straften.

De meeste apothekerswinkels zijn groote verzamelplaatsen van
leegloopers. Hier zitten deftige menschen, met stokken, uren lang in de
schaduw bij elkander, eene kleine Genueesche courant uit de eene hand
in de andere doende overgaan, en slaperig en bij tusschenpoozen over
het nieuws sprekende. Twee of drie van dezen zijn arme dokters, die
gereed zijn, in dringende gevallen die er voorkomen, zich als zoodanig
bekend te maken, en weg te ijlen met een of ander boodschapper die er
mocht komen. Gij kunt ze kennen aan de wijze hoe zij den hals uitrekken
om te luisteren als ge binnentreedt, en aan den zucht, met welken zij
weer in hunne donkere hoeken terugzinken, als zij bemerken, dat ge
slechts geneesmiddelen noodig hebt. Weinige leegloopers vindt men in
de barbierswinkels, ofschoon die zeer talrijk zijn, daar bijna niemand
zich zelven scheert. Maar de apotheek heeft haar troep ledigloopers,
die tusschen de flesschen zitten, terwijl hunne hand over den knop
van den rotting is geslagen. Daar zitten ze zoo stil en roerloos,
dat gij ze in den donkeren winkel òf niet bemerkt, òf voor iets anders
aanziet--zooals ik eens een spookachtig man in een flesch-groenen rok,
en een hoed als eene prop--voor een paardendrank aanzag.

Evenals de oude Genueezen er van hielden, huizen neer te zetten,
zoo zijn de tegenwoordige er liefhebbers van, zich in de zomeravonden
te plaatsen op elke geschikte plek binnen en buiten de stad. In alle
stegen en gangen, en op elke kleine verhevenheid, en op elk muurtje
en op alle traptreden vindt men ze in zwermen als de bijen. Onderwijl
(en vooral op feestdagen) luiden de kerkklokken aanhoudend; niet
in de gewone of elke andere bekende soort van gelui, maar met een
afschuwelijk, onregelmatig schokkend, dingle, dingle, dingle; met een
plotseling stoppen, op elken vijftienden klepelslag of daaromtrent;
waardoor men bijna dol wordt. Dit wordt gewoonlijk verricht door
een knaap, in het klokkenhuis, die den klepel of een daaraan hangend
touw, vasthoudt en harder poogt te luiden dan elk andere knaap die een
dergelijk werk verricht. Men acht dit rumoer bijzonder schadelijk voor
booze geesten; maar als men zijne oogen eens naar de klokkenhuizen
opslaat, en die jonge christenen in dier voege bezig ziet en hoort,
dan zou men ze op zeer natuurlijke wijze voor den booze houden.

In het begin van den herfst zijn er zeer talrijke feestdagen. Om
die feesten waren al de winkels twee dagen in de week gesloten, en
op zekeren avond waren al de huizen in de nabijheid eener bijzondere
kerk geïllumineerd, terwijl de kerk zelve aan de buitenzijde verlicht
was door fakkels, en ook eene groep vlammende toortsen op eene opene
ruimte buiten eene der stadspoorten was geplaatst. Dit gedeelte
der plechtigheid is veel fraaier en meer zonderling, als men een
weinig verder buiten de stad komt, waar, langs den geheelen weg,
de geïllumineerde hutten op de helling van een steilen heuvel zich
voor uw oog teekenen, en waar gij geheele slingers van waskaarsen
voorbijgaat, die bij het heldere stergeflonker wegbranden voor een
of ander alleen staand huisje op den weg.

Op die dagen wordt de kerk van den Heilige, ter wiens eere het feest
wordt gehouden, zeer vroolijk opgesierd. Festoenen van verschillende
kleuren en met goud gestikt hangen van de bogen neder; de altaartooi
is tentoongesteld; en soms zijn zelfs de hooge pijlers van boven tot
beneden omzwachteld met juist sluitende draperieën. De hoofdkerk
is toegewijd aan St. Laurentius. Op St.-Laurentiusdag bezochten
wij deze, juist toen de zon onderging; ofschoon die versieringen
gewoonlijk in een zeer eentonigen smaak zijn, was de uitwerking op
dat oogenblik inderdaad zeer grootsch. Het geheele gebouw was rood
behangen, en de ondergaande zon, die door eene groote roode gordijn
aan het hoofdportaal naar binnen stroomde, deelde zijn gloed aan al
die pracht mede. Toen de zon meer onderging en het er binnen geheel
duister was, behalve dat er nog een paar flikkerende waskaarsen
op het hoofdaltaar, en eenige heen en weer slingerende zilveren
lampjes, wat licht verspreidden, werd het er recht geheimzinnig en
was vol effect. Maar tegen den avond in een van de kerken te zitten,
is gelijk aan eene kleine hoeveelheid opium.

Gewoonlijk wordt het versieren der kerk, het huren der muzikanten
en het waslicht, betaald met het geld, hetwelk op een feestdag
ingezameld wordt. Blijft er iets over (dat naar mij dunkt wel zelden
zal gebeuren), dan trekken de zielen, die in het vagevuur zijn, de
voordeelen daarvan. Evenals er voorondersteld wordt, dat zij de baten
genieten van zekere kleine knaapjes die geldbusjes doen rammelen voor
eenige geheimzinnige huisjes, gelijkende naar dorps-tolhekken, welke
(gewoonlijk potdicht) geopend worden op dagen, die een rooden letter in
den almanak hebben, en inwendig een beeld en eenige bloemen vertoonen.

Even buiten de stadspoort aan den weg naar Albaro is een huisje
met een altaar er in, en eene vaste bus, evenzeer ten voordeele der
zielen in het vagevuur. Om de liefdadigheid nog sterker op te wekken,
is er aan elke zijde der getraliede deur een zeer groot tafereel op
de kalk geschilderd, voorstellende eene uitgelezen partij brandende
zielen. Een van deze heeft een grijzen knevelbaard en een met zorg
bewerkt hoofd met grijs haar, als ware die uit een kapperswinkel
weggenomen en in het fornuis geworpen. Daar vertoont hij zich nu
als eene uiterst snaaksche en afzichtelijk komieke oude ziel, die
voor immer blakert in de wezenlijke zon, en in het afgebeelde vuur
verbrandt, tot voordeel en verbetering (en voor de bijdragen) der
Genueezen van de geringste klasse.

Het is geen volk, dat uitgelaten vroolijk is; en men ziet ze op hunne
feestdagen zelden dansen, terwijl de kerken en openbare wandelwegen
de voornaamste plaatsen van uitspanning, voor de vrouwen zijn. Zij
zijn van een zeer goed humeur, dienstvaardig en vol nijverheid. De
nijverheid heeft hen niet zindelijk gemaakt, want hunne woningen
zijn uiterst morsig, en hunne gewone bezigheid op een schoonen
Zondagochtend is, voor hunne deuren te zitten, en elkanders hoofd als
een jachtveld aan te zien. Maar hunne woningen zijn zóó bekrompen en
dicht opeengepakt, dat, ingeval Massena, ten tijde der verschrikkelijke
belegering, die gedeelten der stad had platgeschoten, hij dan, bij
zooveel ellende, één algemeen voordeel had aangebracht.

De boerinnen, wier voeten en beenen naakt zijn, houden zich zóó
aanhoudend bezig met het wasschen van kleedingstukken in de openbare
waterbekkens en in alle stroomen en slooten, dat men, te midden van
al die morsigheid, zich wel met verbazing de vraag moet doen, wie het
goed dan toch wel draagt, als het schoon is. Men heeft de gewoonte, het
natte linnen, dat schoongemaakt moet worden, op een gladden steen te
leggen en er met een vlakken, houten hamer op te kloppen. En ze kloppen
er met zooveel verwoedheid op toe, als wilden zij zich op de kleeren in
het algemeen wreken, als in verband staande met 's menschen zondenval.

Het is niet vreemd, tegelijkertijd op den rand der waterkom, of op
een anderen vlakken steen, een ongelukkig zuigeling te zien liggen,
die met armen en beenen in een verbazend groot aantal windsels of
luiers stijf opgebakerd, en buiten staat is, een teen of vinger
te verroeren. Deze gewoonte (vaak op oude schilderijen afgebeeld)
is onder de mindere klasse algemeen. Een kind wordt ergens gelaten
zonder dat er mogelijkheid bestaat, dat het kan wegkruipen; of het
wordt bij toeval van eene plank afgeworpen, of buitelt het bed uit,
of het wordt nu en dan aan een haak opgehangen, waar het dan blijft
slingeren, als eene pop in een Engelschen voddenwinkel, zonder dat
er iemand eenig nadeel door lijdt.

Op een Zondag, kort na mijne aankomst, zat ik eens in de kleine
dorpskerk van San Martino, een paar (Eng.) mijlen van de stad, terwijl
er werd gedoopt. Ik zag den priester en een bedienaar met eene groote
kaars, benevens een man, eene vrouw en eenige anderen; maar vóór de
plechtigheid geheel afgeloopen was, kwam het even weinig in mij op,
dat het eene doopplechtigheid was, of dat het zonderlinge, kleine,
stijve voorwerp--het zag er uit als een kort pookijzer--hetwelk onder
de plechtigheid door den een aan den ander werd overgegeven, een kind
was, als ik aan mijn eigen doop dacht. Ik nam het kind naderhand
een paar minuten in handen (het lag toen dwars op de doopvont) en
bemerkte, dat het zeer rood in het aangezicht, maar heel stil was,
en met geene mogelijkheid gebogen kon worden. Van dat oogenblik af
verwonderde ik mij niet meer over het aantal kreupelen op straat.

Er zijn natuurlijk eene menigte reliekenkastjes van Heiligen en
Moedermaagden, die over het algemeen aan de hoeken der straat
zijn geplaatst. Het gedenkstuk, dat het meest geliefd wordt door
de geloovigen in den omtrek van Genua, is een schilderstuk, dat
een knielenden boer voorstelt, met eene spade en eenige andere
landbouwgereedschappen naast zich, aan wien de Madonna, met het
Heilige Kind op den arm, in eene wolk verschijnt. Dit is de legende
der Madonna della Guardia, eene kapel op een berg, een paar mijlen
ver, welke zeer beroemd is. Het schijnt dat die boer geheel alleen
woonde en eenige aarde op den top des bergs bracht, waar hij, die
een godsdienstig man was, dagelijks, in de open lucht, zijn gebed
tot de Heilige Maagd richtte; want zijne hut was zeer armoedig. Op
zekeren dag verscheen hem de Maagd, zooals op de schilderij, en zeide:
"Waarom bidt gij in de open lucht en zonder priester?"

De boer antwoordde, dat dit geschiedde om dat er noch priester noch
kerk in het bereik was--inderdaad eene zeer ongewone klacht in Italië.

"Ik zou dan wel wenschen," zeide de hemelsche verschijning, "dat er
hier eene kapel werd gebouwd, in welke de gebeden der geloovigen konden
worden opgezonden." "Maar Santissima Madonna (allerheiligste Maagd),"
zeide de boer, "ik ben een arm man; en om kapellen te kunnen bouwen
is er geld noodig. En deze, Santissima, moet ook worden onderhouden;
want eene kapel te hebben en die niet onbekrompen te onderhouden,
is snoodheid--doodzonde."

Deze gevoelens voldeden der bezoekster uitermate. "Ga!" zeide zij. "Er
is zoo en zoo een dorp in het dal ter linker- en zoo en zoo een
dorp in het dal ter rechterzijde, en zoo en zoo nog een ander dorp
elders, die gaarne zullen bijdragen tot het bouwen der kapel. Ga er
heen! verhaal wat gij hebt gezien; en houd u overtuigd, dat er geld
genoeg zal komen om mijne kapel op te richten, en dat ze naderhand
goed zal worden onderhouden." Al hetwelk (op wonderdadige wijze)
geheel en al verwezenlijkt werd. En tot bewijs van deze voorzegging
en openbaring, bestaat de kapel der Madonna della Guardia tot den
huidigen dag in rijkdom en bloei.

Men kan schier niet te veel zeggen van de pracht en verscheidenheid
der Genueesche kerken. Vooral de kerk der Annunciata--evenals vele
andere, gebouwd ten koste van een enkel edel geslacht en aan welker
herstel men nu traag werkt--is, te beginnen van de buitenste deur
tot aan het hoogste punt van den verheven koepel, met zooveel zorg
geschilderd en verguld, dat zij (gelijk het wordt beschreven door
Simond in zijn bekoorlijk boek over Italië) er uitziet als eene
groote geëmailleerde snuifdoos. De meeste der kerken, die rijker dan
de gewone zijn, bevatten eenige schoone schilderstukken, of andere
versierselen van groote waarde, bijna alle zij aan zij geplaatst
naast misteekende afbeeldsels van leelijke monniken, en het grootste
prulwerk en klatergoud, dat men ooit heeft gezien.

Er bestaat hier--en dit mag wel het gevolg zijn, dat men des volks
geest en zak zoo vaak aanspreekt ten behoeve van de zielen in het
vagevuur--er bestaat hier zeer weinig gevoel voor de lichamen der
dooden. Voor de zeer armen zijn er, onmiddellijk aan de buitenzijde
van een hoek der wallen en achter een vooruitspringend punt der
vestingwerken, nabij de zee, zekere gemeene putten--een voor elken
dag van het jaar--welke alle gesloten blijven tot de beurt van elken
put komt om de lijken van den dag op te nemen. Onder de soldaten in
de stad zijn gewoonlijk eenige Zwitsers. Als er van deze sterven,
dan worden zij begraven uit een fonds, hetwelk onderhouden wordt
door hunne te Genua woonachtige landgenooten. Dat er gezorgd wordt
voor doodkisten ten behoeve dier lijken, baart de bestuursmachten
grootelijks verwondering.

Inderdaad, dit gemengd en schaamtelooze afwerpen van gestorven menschen
in zoovele putten, brengt een slecht uitwerksel voort. Het omringt
den dood met eene aaneenschakeling van terugstootende gedachten,
welke van lieverlede met hen in verband gebracht worden, wier sterfuur
nadert. Het natuurlijke gevolg er van is, dat men onverschillig voor
hen wordt en ze vermijdt; en dat al de verzachtende invloed der groote
smart op ruwe wijze vernield wordt.

Als er een oud heer of iemand van dien aard sterft, dan heeft er de
plechtigheid plaats, dat er in de hoofdkerk banken op elkander worden
gestapeld, welke zijn lijkbaar voorstellen; deze worden met een zwart
fluweelen doodkleed overdekt; men plaatst zijn hoed en degen bovenop;
omringt het geheel door zitplaatsen, in een vierkant geschikt; en
zendt, in behoorlijken vorm, uitnoodigingen aan zijne vrienden en
bekenden, om hier te komen plaats nemen en de mis te hooren, welke
wordt gelezen op het hoofdaltaar, dat bij die gelegenheid met tallooze
waskaarsen is versierd.

Indien er iemand van de meer gegoede klasse sterft of op sterven ligt,
dan vertrekken de naaste verwanten over het algemeen, en zonderen zich
op het land af, om eene kleine afwisseling te hebben, en laten ten
aanzien van het lijk alles schikken, zonder eenig toezicht van hunne
zijde. Gemeenlijk wordt de lijkstoet gevormd, de kist gedragen en de
lijkstaatsie bestuurd door eene vereeniging van personen, confraternita
genoemd, welke het begraven der dooden, bij geregelde toerbeurten,
als eene soort van vrijwillige boete op zich hebben genomen; maar die,
eenige hoovaardij onder hunne nederigheid, mengende, gekleed zijn met
een wijd gewaad, dat hen geheel bedekt, en een hoofddeksel dragen,
dat het hoofd vermomt en alleen gaten heeft om er door te ademen en
tot openingen voor de oogen.

Deze kleeding doet zich zeer akelig voor, vooral die van zekere blauwe
confraternita, te Genua thuis behoorende, die, om er niet te veel
van te zeggen, al heel leelijke klanten zijn, en welke--als men ze
op straat plotseling in hunne vrome plichtvervulling tegenkomt--er
uitzien als waren zij vampyren of helsche geesten, die het lichaam
voor zich zelven weghalen.

Ofschoon nu ook zulk een gebruik behept moge zijn met het misbruik aan
veel Italiaansche gewoonten eigen, namelijk aangezien te worden als
een middel om rekening-courant met den Hemel te kunnen houden, op welke
men, al te gemakkelijk, voor toekomstige slechte daden kan trekken, of
als eene boetedoening voor begane misdaden, moet men echter toegeven,
dat dit gebruik goed en practisch is, en onwedersprekelijk goede
eigenschappen bevat. Een vrijwillige dienst als deze, is voorzeker
beter dan de opgelegde boete (in het geheel niets zeldzaams), dezen
of genen steen van het plaveisel der hoofdkerk zoo- en zooveel malen
te likken; of, dan eene gelofte aan de Madonna gedaan, gedurende een
of twee jaren geen andere dan blauwe kleuren te dragen. Dit wordt
verondersteld daar boven een groot genoegen te geven; uit hoofde het
blauw--zooals men weet--de geliefkoosde kleur der Madonna is. Men
ziet zeer dikwijls vrouwen op straat wandelen, welke deze daad van
vroom geloof hebben op zich genomen.

In de stad zijn drie schouwburgen, en ook nog een oude, die
thans zeldzaam wordt geopend. De belangrijkste--de Carlo Felice:
de Genueesche opera--is een zeer luisterrijke, ruime en schoone
schouwburg. Bij onze aankomst werd er door een troep tooneelisten
gespeeld: na hun vertrek kwam er een opera-gezelschap van den tweeden
rang. Het voorname speelseizoen is niet vóór carnavaltijd--in de
lente. Niets maakte gedurende mijne bezoeken aldaar, (die nogal
talrijk waren), zulk een indruk op mij als het buitengewoon hard en
wreed karakter van het publiek, dat het minste gebrek kwalijk neemt,
niets goed opvat, altijd schijnt te loeren op eene gelegenheid tot
sissen en de tooneelspeelsters even weinig als de acteurs spaart. Maar
vermits er niets anders van eenigen openbaren aard is, waaromtrent
zij de minste afkeuring aan den dag mogen leggen, is het misschien
een genomen besluit, het volste gebruik van deze gelegenheid te maken.

Er zijn ook een groot aantal Piemonteesche officieren, wien het
voorrecht is toegestaan, hunnen voeten om niet in den bak te zetten;
daar de gouverneur er op staat, dat die heeren in alle openbare of
half openbare vermakelijkheden kosteloos of tot lagen prijs toegang
worde gegeven. Dienvolgens zijn zij hooghartige berispers, en spannen
hunne vorderingen oneindig hooger dan wanneer zij des directeurs
fortuin maakten.

Het Theatro Diurno, of de dagschouwburg, is een overdekt theater in de
open lucht, waar de voorstellingen bij daglicht, in de namiddagkoelte,
worden gegeven; beginnende ten vier of vijf uur, en omtrent drie uren
durende. Het is aardig als men daar onder de menschen zit, tevens
een schoon uitzicht te hebben op de naburige heuvels en huizen,
en de buren uit hunne vensters te zien toekijken, en de klokken der
kerken en kloosters te hooren luiden, op oogenblikken, die geheel in
strijd zijn met wat er op het tooneel voorvalt. Behalve dit en de
nieuwheid van het genoegen, eene tooneelvoorstelling te zien in de
frissche en streelende lucht, met het vallen van den avond er bij, is
er in de voorstellingen niets zeer opwekkends of karakteristieks. De
acteurs zijn middelmatig; en ofschoon zij somtijds een van Goldoni's
blijspelen vertoonen, is het grootste gedeelte der tooneelstukken van
Franschen oorsprong. Al wat maar eenigszins naar volksgeest gelijkt,
is gevaarlijk voor de despotische regeeringen, en vorsten welke door
Jezuïeten zijn belegerd.

Het poppentheater of Marionetti--een beroemd gezelschap uit Milaan--is,
zonder eenige uitzondering, de kluchtigste vertooning welke ik ooit
heb gezien. Nooit heb ik iets gezien, dat zoo bij uitnemendheid
lachverwekkend was. Zij schijnen eene lengte te hebben van vier of
vijf voet, maar zijn inderdaad veel kleiner; want zet een muzikant
in het orkest, bij toeval, zijn hoed op het tooneel neer, dan
wordt die zoo reusachtig, dat men er bang van wordt, en verbergt
een acteur. Gewoonlijk spelen zij een blijspel en een ballet. De
komiek in het blijspel, dat ik op een zomeravond zag, is knecht in
een logement. Sedert de schepping der wereld heeft er nooit zulk
een beweeglijk acteur bestaan. Men heeft ten zijnen aanzien veel
moeite genomen. Hij heeft buitengewone geledingen in zijn beenen,
en een beweegbaar oog waarmede hij in den bak wenkt, op eene wijze,
die voor een vreemdeling volstrekt onverdraaglijk is, maar hetwelk
door het ingewijde publiek, grootendeels samengesteld uit gemeen volk,
geheel wordt opgenomen, (gelijk al het andere,) als eene natuurlijke
zaak en als ware het een mensch. Zijn geest is verbazend. Aanhoudend
schudt hij met zijne beenen en pinkt met zijn oog. Dan is er een dikke
vader met grijs haar, die op de geregelde gewone tooneelbank zit, en
zijne dochter op de gewone conventioneele manier zegent, die overdreven
is. Niemand zou de mogelijkheid vooronderstellen, dat eenigerhande
levend mensch zóó vervelend kon zijn. Het is de triomf der kunst.

In het ballet loopt een toovenaar met de bruid weg, juist op het
uur dat zij zal trouwen. Hij voert haar naar zijn hol en poogt haar
tot bedaren te brengen. Zij zetten zich neder op eene sofa (eene
behoorlijke sofa, behoorlijk geplaatst aan het tweede scherm!) en een
optocht van muzikanten komt binnen; waarbij een beeldje op de trom
slaande, en bij elken slag zwikkende. Daar deze haar geen vermaak
geven, komen er dansers op. Eerst vier; daarop twee, en die twee zijn
vleeschkleurig. De manier waarop zij dansen, de hoogte hunner sprongen,
de onmogelijke en onmenschelijke wijdte hunner pirouettes; het ten
toon spreiden hunner averechtsche beenen, het neerkomen, na een rust,
op de punt der teenen, als de muziek dat vordert; het achteruitgaan van
den danser als het de beurt der danseres is; en het terugtrekken der
dame als het de toer des dansers is, en ten slotte de hartstochtelijke
pas de deux; en het vertrekken met een sprong!--Neen! ik zal nooit
weer een wezenlijk ballet met een bedaard gezicht aanzien.

Op een anderen avond ging ik deze poppen een tooneelstuk zien spelen,
getiteld "St. Helena of de dood van Napoleon." Het begon met de
voorstelling van Napoleon, met een overmatig groot hoofd, gezeten op
eene sofa in zijne kamer te St. Helena, terwijl de knecht binnenkomt
met de onduidelijke aankondiging: "Sir Yoe ud se on Lou!"

Sir Hudson Lowo (hadt gij maar zijne uniform gezien) was, bij Napoleon
vergeleken, een mammouth van een man; afschuwelijk leelijk, met een
monsterachtig ongeëvenredigd gelaat en eene groote onderkaak als een
blok, om zijn tirannieken en verstokten aard aan te duiden. Hij begon
zijn vervolgingsstelsel, door zijn gevangene, "Generaal Buonaparte"
te noemen, waarop de ander in den verhevensten treurspeltoon hernam:
"Sir Yoe ud se on Lou, noem mij niet aldus; verlaat mij veeleer dan die
uitdrukking te herhalen. Ik ben Napoleon, keizer van Frankrijk!" Sir
Yoe ud se on Lou, die niets vreesde, ging voort met hem te onderhouden
over een bevel der Britsche regeering, dat den staat regelde, welken
hij nu zou voeren, en de meubelen zijner vertrekken; en zijn gevolg
op vier of vijf personen bepaalde. "Vier of vijf voor mij!" zeide
Napoleon. "Mij! Kort geleden stonden honderd duizenden onder het
bevel van mij alleen; en die Engelsche officier komt mij hier van
vier of vijf voor mij spreken!"

Door het geheele stuk heen was Napoleon (die sprak op eene wijze,
welke tamelijk gelijk was aan die van den waren Napoleon, en altijd
kleine alleenspraken hield) zeer bitter ten opzichte van "die Engelsche
officieren," en "die Engelsche soldaten," tot groot genoegen van het
publiek, dat er geheel door verrukt was Lou te hooren afsnauwen;
en dat, telkens als Lou zeide "Generaal Buonaparte" (hetwelk hij
gedurig deed; gedurig dezelfde berisping ontvangende), hem geheel
verfoeide. Het zou moeielijk vallen te zeggen waarom, daar de Italianen
weinig reden hebben met Napoleon te sympathiseeren. Dit weet de Hemel.

Er was volstrekt geene intrige in, behalve dat een Fransch officier,
als een Engelschman vermomd, een plan ter ontvluchting kwam voorslaan,
en, toen het ontdekt was (doch niet dan nadat Napoleon op grootmoedige
wijze geweigerd had zijn vrijheid te stelen), op bevel van Lou
dadelijk weggevoerd werd om opgeknoopt te worden. Er werden twee
lange aanspraken gedaan welke Lou gedenkwaardig maakte door ze op te
sieren met "Yas!"--om te toonen dat hij een Engelschman was--die eene
donderende toejuiching teweegbrachten. Door dit voorval was Napoleon
zoo aangedaan, dat hij op de plaats flauw viel en door twee andere
poppen werd weggedragen. Uit hetgeen later gebeurde zou het schijnen,
dat hij zich nooit van dien schok herstelde; want in het volgende
bedrijf lag hij in een helder hemd in een bed (met karmozijnroode en
witte gordijnen), waar eene dame, voorbarig in rouwgewaad gedost,
twee kleine kinderen bracht, welke naast het bed nederknielden,
terwijl hij op eene fatsoenlijke manier stierf. "Vatterlo" was het
laatste woord dat over zijne lippen kwam.

Het was onuitsprekelijk lachverwekkend. Buonaparte's laarzen waren
boven alle denkbeeld verwonderlijk, en verrichten uit zich zelve hoogst
verbazende dingen: zij vouwden zich vanzelve op, geraakten onder de
tafel, slingerden in de lucht en gleden, zonder dat het iemand wist,
met hem weg, als hij midden in het spreken was--welke ongelukjes niet
minder ongerijmd werden door de onveranderlijke droefgeestigheid,
welke op zijn gezicht was afgeteekend. Om een einde te maken aan een
onderhoud met Lou, moest hij naar eene tafel treden, en een boek lezen;
't was het schoonste tooneel, dat mij ooit onder de oogen is gekomen,
zijn lijf over het boek gebogen te zien als een laarzentrekker, en
zijne sentimenteele oogen onverzettelijk in den bak te zien staren. In
het bed maakte hij, met een schrikkelijk grooten boord aan zijn hemd
en zijne handjes op de deken, eene verbazend goede vertooning. Zoo was
Dr. Antomarchi voorgesteld door eene pop met lange sluike haren, als
wormen, en die, ten gevolge van eenige verwarring in de ijzerdraden,
als een gier over het bed zweefde en zijne meening als arts in de
lucht hangende, uitbracht. Hij was--zoowel als Lou--een uitgemaakte
Lomperd en gemeene kerel, zonder eenige mogelijkheid dat men zich
daarin kon bedriegen, ofschoon de laatste iets verhevens had. Lou
was overheerlijk op het einde, toen hij, den dokter en den bediende
hoorende zeggen: "De Keizer is dood!" zijn horloge uithaalde en het
stuk (niet het horloge) opwond, door met karakteristieke ruwheid uit
te roepen. "Ha! ha! Elf minuten voor zessen. De Generaal dood! en de
spion gehangen!" En daarmede viel de gordijn op zegepralende wijze.

Er is, naar men zegt (en ik geloof het), geen bekoorlijker
verblijfplaats in Italië dan het Pallozzo Peschiere (of het paleis
der vischvijvers), waarheen wij ons begaven zoodra ons vierendeeljaars
huur der roode gevangenis te Albaro opgezegd en afgeloopen was.

Het staat op een hoogte binnen de muren van Genua, maar afgescheiden
van de stad, omringd door schoone tuinen, die er bij behooren, en
versierd zijn met standbeelden, vazen, fonteinen, marmeren waterkommen,
terrassen, wandelplaatsen met oranje- en citroenboomen en groepen van
rozen en camelia's. Al de vertrekken er van zijn schoon geëvenredigd
en versierd; maar de groote zaal, omtrent vijftig voet hoog, met
drie ramen aan het einde, die het uitzicht hebben op de geheele stad
Genua, de haven en de naburige zee, levert een van de betooverendste
en bekoorlijkste gezichten ter wereld. Men kan zich bezwaarlijk iets
vroolijkers verbeelden dan het inwendige der groote kamers, maar zeker
niets bekoorlijkers dan het uitzicht bij zonneschijn of maanlicht. Het
heeft veel meer van een betooverd paleis in een oostersch verhaal,
dan van eene deftige en statige woning.

Hoe gij van kamer tot kamer ronddolen kunt, en nimmer moe wordt de
wild phantastische beelden der muren en zolderingen te beschouwen,
even schitterend en frisch van kleur als waren zij gisteren geschilderd
geworden; of hoe eene verdieping, of zelfs de groote zaal, waarin acht
andere kamers uitkomen, eene ruime wandeling daarstelt; of hoe er
gangen en slaapkamers boven zijn, die wij nooit gebruiken en zelden
bezoeken, en waar wij schier geen weg weten; of hoe het uitzicht aan
elk der vier zijden van het gebouw geheel verschillend is; dit alles
doet weinig af. Maar het uitzicht van de zaal is evenals een droom
voor mij. Honderdmalen op een dag keer ik er, in mijne verbeelding,
evenals ik in kalme wezenlijkheid heb gedaan, terug, en sta daar te
staren, terwijl de liefelijke geuren van den tuin naar mij opstijgen
en ik droom van volkomen geluk.

Daar ligt geheel Genua, in schoone wanorde, met vele kerken,
abdijen en kloosters, waarvan de spitse torens naar den zonnigen
hemel reiken; en onder mij, juist waar de daken een aanvang nemen,
de borstwering van een eenzaam klooster, gevormd als een galerij,
met een ijzeren kruis aan het einde, in welke ik somtijds, vroeg in
den morgen, een kleine groep dicht gesluierde droefgeestige nonnen
heen en weder heb zien gaan, en nu en dan stilstaande om den blik
te werpen op de ontwakende wereld, waaraan zij geen deel hebben. De
oude Monte Faccio, de schitterendste der bergen in goed weder, maar
de korzeligste van allen, wanneer stormen naken, ligt hier aan uwe
linkerzijde. Het fort binnen de muren (de goede koning bouwde het om
de stad in bedwang te houden, en de huizen der Genueezen over hunne
hoofden te doen instorten, indien zij ontevreden mochten worden)
bestrijkt de hoogte aan de rechterzijde.

De ruime zee ligt er recht tegenover, en die kustlinie daar, bij den
vuurtoren beginnende en als eene enkele vlek in het rozenkleurige
verschiet wegdommelende, is de schoone kunstweg die naar Nizza
leidt. De tuin is hier onmiddellijk bij, tusschen de daken en huizen;
hij is rood van de rozen en wordt verfrischt door kleine fonteinen. De
Aqua Sola, eene openbare wandelplaats, waar de muziek der troepen op
vroolijke wijze speelt, en de witte sluiers bij hoopen worden gezien,
en de Genueesche adel rond- en weder rondrijdt, in staatsie-kleederen
en rijtuigen, maar niet met volstrekte behoedzaamheid. Binnen eene
steenworps lengte is, naar het blijkt, de plaats van het Dag-tooneel,
zijnde het publiek met de aangezichten naar ons toe gezeten. Maar
vermits men het tooneel niet kan zien, levert het, zonder te weten
wat het is, een gek gezicht op, het gelaat der lieden zoo plotseling
van ernst tot lachen te zien overgaan, en nog veel gekker is 't,
aanhoudend in de avondschemering de uitbarstingen der toejuiching te
hooren, onder welke de gordijn valt. En aangezien het Zondagavond is,
spelen zij hun beste en aanlokkendste stuk. En nu gaat de zon onder,
in zulk een prachtigen tooi van rood en groen en gouden licht als door
groepen noch penseel kan worden afgemaald; en onder het luiden der
vesperklokken, valt het duister plotselijk en zonder schemerlicht
in. Dan beginnen er lichten in Genua en op den weg er buiten te
flikkeren; en de terugkaatsende lantaren daar buiten aan de zee, voor
een oogenblik den gevel en het portiek van dit paleis bestralende,
verlicht het, als kwam plotseling de heldere maan van achter eene
wolk te voorschijn; en dompelt het dan in diepe duisternis. En dit is,
zoover mij bekend, de eenige reden waarom de Genueezen dit paleis na
het invallen der duisternis ontwijken en denken dat het er spookt.

Mijn geest zal er in spoken, nog menigen aanstaanden nacht; maar niets
erger, dat wil ik verzekeren. Dezelfde geest zal nu en dan wegdrijven,
evenals ik op een bevalligen herfstavond in het schitterend verschiet
deed, en de ochtendlucht te Marseille inademde.

De dikke kapper zat er nog in zijne muilen, buiten de deur van
den winkel, maar de draaiende dames voor het venster hadden, met
de eigenaardige onstandvastigheid van haar geslacht, opgehouden te
draaien en kwijnden, stokstijf, met hare schoone aangezichten naar
de donkere hoeken van den winkel gekeerd, waar het voor de blikken
harer bewonderaars onmogelijk was, door te dringen.

De stoomboot was van Genua gekomen met eene kostelijke vaart van
achttien uur, en wij zouden van Nizza teruggaan langs den Cornice-weg,
niet tevreden zijnde met de fraaie steden alleen van buiten gezien
te hebben, die in schilderachtig witte groepen oprijzen tusschen de
olijfboschjes, en rotsen en heuvels, aan den oever der zee. De boot,
die dezen avond ten acht uur, naar Nizza zou vertrekken, was zeer
klein en zoodanig met goederen beladen, dat er bijna geene ruimte was
om er zich te bewegen; ook was er niets te eten aan boord, behalve
brood; noch te drinken, behalve koffie. Maar daar wij om acht uur in
den ochtend, of daaromtrent, te Nizza moesten zijn, was dit van geen
aanbelang. Toen wij nu begonnen flonkerende starren toe te knikken,
als eene onwillekeurige vergelding, dat zij ons toeknikten, begaven
wij ons naar onze kooien, in eene opgepropte, kleine, koele kajuit,
en sliepen gerust door tot den morgen.

De boot eene zoo ellendige en sombere boot zijnde als ooit gebouwd
is geworden, was het omstreeks één uur in den namiddag, toen wij de
haven van Nizza binnenstoomden, waar wij weinig anders verwachtten
dan een ontbijt.

Maar we hadden wol geladen, en wol mag in het entrepot van Marseille
niet langer dan twaalf maanden achter elkander blijven liggen,
zonder rechten te betalen. Het is de gewoonte, looze uitvoeren van
onverkochte wol te doen, ten einde die wet te ontduiken; als de twaalf
maanden bijna zijn afgeloopen, voert men ze ergens heen, brengt
ze rechtstreeks terug, en slaat ze voor bijna een jaar als nieuwe
lading op. De wol welke wij medevoerden was oorspronkelijk van eene
plaats in het Oosten. Op het oogenblik dat wij de haven binnenkwamen,
werd ze herkend als een oostersch product. Uit dien hoofde werden de
vroolijke bootjes, vol feestdagvierende menschen, die van wal waren
gestoken om ons te begroeten, door de autoriteiten gewaarschuwd
weder terug te keeren; wij werden onder quarantaine gelegd, en er
werd plechtig een groote vlag geheschen aan den mastpaal op de werf,
ten einde het aan de geheele stad bekend te maken.

Het was een zeer heete dag. Wij waren niet geschoren, niet gewasschen,
ongekleed, hadden niets gegeten, en konden het schier niet dulden,
dat wij zouden liggen te blakeren, in eene doodsche haven, met de
stad op een eerbiedigen afstand in het gezicht, en allerlei mannen
met knevels en driekanten hoeden over ons lot te zien redetwisten
bij een verwijderd wachthuis, met gebaren (wij keken door telescopen
nauwkeurig naar hen), die ons ten minste eene achtdaagsche opsluiting
verkondigden; en dit, in weerwil van al hetgeen er in dien tusschentijd
mocht gebeuren. Maar zelfs in die crisis behaalde de brave koerier
eene zegepraal. Hij seinde iemand (ik zag niemand) die, hetzij op
eene natuurlijke wijze in verband stond met het logement, of voor die
gelegenheid alleen met het etablissement in betrekking was gesteld. Die
telegrafische seinen werden beantwoord, en binnen minder dan een half
uur werd er een luiden kreet van uit het wachthuis gegeven.

Men had den kapitein noodig. Iedereen hielp den kapitein in zijne
boot. Iedereen kreeg zijne goederen en zeide dat wij vertrekken
zouden. De kapitein roeide weg en verdween achter een kleinen
vooruitstekenden hoek van de gevangenis der galeislaven, en kwam zeer
knorrig met iets terug. De brave koerier hielp hem op dek en ontving
het iets, als de rechtmatige eigenaar er van. Het was eene teenen mand,
in een linnen laken gewikkeld; daarin waren twee groote flesschen wijn,
een gebraden vogel, wat zoutevisch met fijngehakt knoflook, een groot
lang brood, een dozijntje perziken, en eenige andere kleinigheden. Toen
wij ons eigen ontbijt uitgekozen hadden, verzocht de brave koerier
eenige uitverkorenen om deze ververschingen met hem te deelen,
en verzekerde hun dat zij zich niet kieschheidshalve behoefden
te onthouden, daar hij eene tweede mand zou bestellen voor hunne
rekening. Hetgeen hij ook deed--niemand wist hoe--en toen naderhand
de kapitein weder geroepen werd, keerde hij weer gemelijk terug met
een ander iets, waarover mijn populaire bediende het bestuur nam,
en voorsneed met een knipmes, zijn eigen lijfelijk eigendom, iets
kleiner dan een Romeinsch zwaard.

Allen aan boord werden vroolijk door dezen onverwachten toevoer:
maar niemand méér dan een klein spraakzaam Franschman, die binnen
vijf minuten dronken werd, en eene forsche Kapucijnermonnik, die
iedereen bijzonder beviel, en, zooals ik inderdaad geloof, één der
beste monniken van de wereld was.

Hij had een vrij en open gelaat, en een kastanjebruinen, krullenden
baard en was een bijzonder schoon man, omstreeks vijftig jaren oud.

Vroeg in den ochtend was hij bij ons gekomen, en vraagde, of wij er
zeker van waren, tegen elf uur te Nizza te wezen; zeggende, dat het
hem van bijzonder belang was, dit te weten; want, bereikten wij die
plaats tegen dien tijd, dan moest hij de mis lezen en vasten, tot hij
den gewijden ouwel had gebruikt: waarom hij, als er geene kans was
tegen dien tijd daar te zijn, onmiddellijk wilde gaan ontbijten. Hij
deelde dit mede, in de meening, dat de brave koerier de kapitein was;
en inderdaad had deze meer het voorkomen er van dan iemand anders aan
boord. Toen hij de zekerheid had gekregen, dat wij op een behoorlijken
tijd zouden aankomen, vastte hij en sprak al vastende met iedereen,
en in de bekoorlijkste goede luim; en de kwinkslagen ten koste
van monniken beantwoordende met andere kwinkslagen, ten koste van
leeken, en zeggende, dat hij, ofschoon een monnik, aannam, de twee
sterkste personen aan boord, een na den ander, met zijne tanden op
te nemen en ze het dek rond te dragen. Niemand stelde hem echter in
de gelegenheid er toe, maar ik durf zeggen, dat hij het had kunnen
doen; want het was een man van eene wakkere en edele gedaante, zelfs
in de kleederdracht der Kapucijnen, die de slechtste en lompste is,
welke men zou kunnen bedenken.

Dit alles deed een machtig genoegen aan den spraakzamen Franschman, die
den monnik gaandeweg meer gunst toedroeg, en mededoogen met hem scheen
te hebben, als met iemand die door geboorte Franschman had kunnen
wezen, indien een ongelukkig lot dit niet anders had gewild. Ofschoon
deze begunstiging van een aard was als die, welke eene muis aan een
leeuw zou kunnen bewijzen, had hij nochtans een hoogen dunk er van, dat
hij vrijwillig tot hem afdaalde, en in den ijver van dat gevoel ging
hij nu en dan op de teenen staan om den monnik op den rug te kloppen.

Toen de manden aankwamen, en het voor de mis te laat was geworden,
ging de monnik dapper aan den slag; hij at verbazend veel van het
brood en koud vleesch, en dronk volle teugen wijn; rookte sigaren,
snoof, hield aan alle zijden een onafgebroken gesprek gaande, en
liep nu en dan naar het boord der boot, praaide iemand op den wal,
en riep er het bericht heen, dat wij op eene of andere wijze van de
quarantaine ontslagen moesten worden, aangezien hij in den namiddag
deel moest nemen aan eene groote godsdienstige processie. Daarna kwam
hij dan terug, hartelijk lachende en vol vroolijke luim; terwijl de
Franschman zijn klein aangezicht in duizend plooien trok, en er van
sprak, hoe kluchtig hij het vond, en wat een knappen vent die monnik
was. Eindelijk werd de Franschman, door de hitte der zon buiten en
die van den wijn in hem, vakerig, zoodat hij, in den bloeitijd van
zijn beschermheerschap over den reusachtige monnik, tusschen de wol
ging liggen en begon te snorken.

Het was vier uur vóór wij ontslagen werden; en de morsige, wollige
en met snuif bemorste Franschman sliep nog toen de monnik aan land
ging. Zoodra wij in vrijheid waren gesteld, liepen wij allen heen om
ons te wasschen en te kleeden, opdat wij bij de processie fatsoenlijk
voor den dag konden komen. Ik zag of hoorde niets meer van den
Franschman, tot wij ons eene plaats hadden gekozen in de hoofdstraat,
om die processie te zien voorbijtrekken,--toen hij zich op een
voorplein drong, dat met zorg vernieuwd was, zijn rokje terugsloeg,
om een fluweelen vest met breede strepen en vol bezet met sterren,
te laten zien, en zich en zijn rotting in dier voege schikte, dat hij
den monnik, als die voorbijkwam, volstrekt in de oogen moest vallen
en van stuk brengen.

De processie duurde zeer lang, en bevatte eene ontelbare menigte volks,
in kleine groepen verdeeld, waarvan elke door den neus en voor zich
zelve, zonder eenig verband met eenige andere zong en een zeer akelig
accoord vormde. Er waren engelen, kruisen, H. Maagden, welke gedragen
werden op vlakke planken, omringd door Cupido's, kronen, heiligen,
misboeken, infanterie, waskaarsen, monniken, nonnen, relieken,
kerkelijke dignitarissen met groene hoeden, onder karmozijnkleurige
zonneschermen, en hier en daar een soort van gewijde straatlamp, aan
een paal opgeheschen. Wij zagen reikhalzend uit naar de Kapucijnen,
en nu zag men hunne bruine kleeding en touwen gordels bij elkander
aankomen.

Ik sloeg het Franschmannetje gade, hoe hij schaterde van het lachen
door het denkbeeld, dat de monnik, als die hem met zijn vest met
breede strepen zag, bij zich zelven zou uitroepen: "Is dat mijn
beschermer. Die aanzienlijke man!" en dan geheel van zijn stuk zou
geraken. O! nooit was de Franschman zoo teleurgesteld geworden. Toen
onze vriend de Kapucijn aankwam, met kruiselings over elkander
gelegde armen, zag hij het Franschmannetje strak in het aangezicht,
met eene goedaardige, heldere en ernstige afgetrokkenheid, die niet
beschreven kan worden. Er was niet het minste spoor van herkenning of
vroolijkheid op zijn gelaat zichtbaar; niet de minste herinnering
van brood en vleesch, wijn, snuif of sigaren. "C'est lui-même"
(dat is hij zelf) hoorde ik het Franschmannetje met eenigen twijfel
zeggen. O ja, hij zelf was het. Het was niet zijn broeder of neef die
op hem geleek, hij zelf was het. Hij trad voort met groote staatsie,
daar hij een van de opperhoofden der orde was, en trok een deel der
bewondering tot zich. Er was nooit iets volmaakters in zijne soort,
dan de bespiegelende wijze, waarmede hij zijn zachtaardig starenden
blik op ons, zijne vroegere reisgenooten, deed rusten; als had hij
ons nooit in zijn leven gezien en als zag hij ons ook toen niet. De
Franschman, die zich geheel vernederd gevoelde, nam eindelijk den
hoed af, maar toch ging de monnik voorbij, met dezelfde onverstoorbare
bedaardheid; en het vest met breede strepen, dat in de menigte wegzonk,
werd niet meer gezien.

De processie trok op onder het afvuren van handgeweer, dat al de
ramen der stad deed schudden. Den volgenden namiddag vertrokken wij
naar Genua, langs den beroemden Cornice weg.

De half-Fransch en half-Italiaansche Vetturino, die aangenomen
had, ons met zijn ratelend rijtuig met twee paarden in drie dagen
daarheen te brengen, was een zorgelooze knaap van een goed voorkomen,
wiens luchthartigheid en zanglust geene grenzen kenden, zoolang wij
zachtkens voortgingen. Zoolang dit het geval was, had hij een woord
en een glimlach, en een klap met zijne zweep, voor al de boerenmeiden,
en stukken en brokken van de Somnambula [28] voor de echo over. Zoolang
dit het geval was, trok hij rinkelend door elk dorpje, met bellen aan
zijne paarden en ringen in zijne ooren: als een waar toonbeeld van
galanterie en vroolijkheid. Maar het was iets zeer karakteristieks,
hem te zien bij den minsten tegenspoed, toen wij op onzen tocht
aan eene nauwe plaats kwamen, waar een wagen gebroken was en den
weg versperde. Hij wroette dadelijk met de handen in zijne haren,
als waren al de schrikkelijke rampspoeden des levens plotseling op
zijn ongelukkig hoofd neergekomen. Hij vloekte in het Fransch, bad
in het Italiaansch, liep op en neer en stampvoette in eene vlaag van
wanhoop. Rondom den gebroken wagen stonden onderscheiden karrelieden
en muilezeldrijvers; en eindelijk deed een man, van een zonderlingen
aard, den voorslag, eene algemeene en gezamenlijke poging te doen om
de zaken weer in orde te brengen en ruim baan te maken--een denkbeeld
dat, naar mijn gevoelen nooit zou zijn opgekomen bij onzen vriend,
al waren wij er tot op dit oogenblik gebleven. Het werd met weinig
arbeid bewerkstelligd; maar bij elke rust in de karwei draaiden zijne
handen zich in het haar, als ware er geen straal van hoop om zijne
ellende te verlichten. Zoodra zat hij nochtans niet weer op den bok,
en reed klappend en vroolijk den heuvel af, of hij keerde terug tot
de Somnambula en de boerendeernen, als stond het niet in de macht
des tegenspoeds hem neer te drukken.

Veel van het romantische der schoone steden en dorpen op dezen
heerlijken weg gaat verloren wanneer men ze binnentrekt; want velen
zijn zeer ellendig. De straten zijn nauw, donker en morsig, de bewoners
mager en smerig, en de tanige oude vrouwen met hare grijze haren,
op de kruin in een wrong gedraaid, als een kussen om er lasten op
te dragen, zijn zoo innig leelijk, zoowel langs de rivier in Genua,
dat ze, als ze daar zoo in de donkere deuren rondzwerven met hunne
spinnewielen, of aan de hoeken kakelen, gelijken naar eene bevolking
van tooverheksen--behalve dat men er zich geenszins bezems of eenig
ander werktuig voor zindelijkheid bij moet verbeelden. Ook dienen
de jonge varkenshuiden, welke algemeen gebruikt worden om er wijn
in te bewaren, en in alle richtingen in de zon hangen te drogen,
geenszins tot sieraad; aangezien zij altoos den vorm van opgeblazen
varkens behouden van welke men den kop en de pooten heeft afgesneden,
en die aan den staart hangen en heen en weer slingeren.

Die steden echter, zooals zij zich bij het naderen vertoonen, met
hare talrijke daken en torens, tusschen boomen genesteld, tegen
steile berghellingen, of gebouwd aan den zoom van trotsche baaien,
zijn bekoorlijk. De plantengroei is overal weelderig en schoon, en
palmboomen schenken het nieuwe tafereel een nieuw aanzien. In eene
stad, San Remo--eene zeer ongewone plaats, gebouwd op sombere, wijde
bogen, zoodat men de geheele stad onderdoor zou kunnen zwerven--zijn
lieve tuinen, op terrassen; in andere steden hoort men het dreunen
van scheepstimmermanshamers, bij het bouwen van kleine schepen aan
het strand. In sommige der ruime baaien zouden de vloten van geheel
Europa voor anker kunnen gaan. In elk geval vertoont iedere groep
van huizen, op een afstand gezien, eene betooverende mengeling van
schilderachtige en grillige vormen.

De weg zelf, thans verre gelegen boven de glinsterende zee, die tegen
den voet van den afgrond klotst, buigt nu eens inwaarts, om den zoom
eener baai te volgen, en steekt dan eens de steenachtige bedding
van een bergstroom over. Hij daalt nu eens af naar de baai, of klimt
dan weer op tusschen gespleten rotsen van velerlei vorm en kleur: nu
eens geschakeerd door een eenzamen, vervallen toren, een van de linie
van torens, in ouden tijd gebouwd om de kust te beschermen tegen de
invallen van Barbarijsche zeeroovers, en levert elk oogenblik nieuwe
schoonheden op. Als men de treffende natuurtooneelen er van voorbij is
en hij zich uitstrekt over eene lange lijn der voorstad, op het vlakke
strand gelegen, tot aan Genua, dan vormen de flikkeringen dier edele
stad en hare haven een nieuwe bron van belangstelling, die vernieuwd
wordt door elk hoog opstijgend, zwaar gebouwd, half bewoond, oud huis,
buiten de stadsmuren, en de grootste hoogte bereikt als men aan de
stadspoort is gekomen, en geheel Genua, met zijne schoone haven en
naburige heuvels, zich plotseling en trotsch voor oogen stelt.



NAAR PARMA, MODENA EN BOLOGNA.


Ik trok op den 6den November van Genua weg, met het voornemen een
goed aantal plaatsen (en daaronder ook Engeland) te bezoeken; het
allereerst zou ik echter naar Piacenza gaan; naar welke stad ik in de
Coupé van eene machine, eenigermate gelijk aan eene reizende karavaan,
heentrok, in gezelschap van den braven koerier en eene dame met een
grooten hond, die alle nachten, bij tusschenpoozen, op eene nare
wijze huilde. Het was zeer vochtig en zeer koud; zeer donker en zeer
akelig; wij reisden met een snelheid van slechts vier mijlen per uur
en hielden nergens stil om ververschingen te gebruiken. Den volgenden
ochtend ten tien uur wisselden wij te Alessandrië van rijtuig, waar
wij in eene andere koets werden gepakt (welker lichaam, door den
magerste, smal had kunnen genoemd worden), in gezelschap van een oud
priester en een jong Jezuïet, die hem verzelde,--zijne getijde- en
andere boeken droeg--en die, door zijne pogingen om binnen de koets
te komen, eene gaping van een pink breedte had daargesteld tusschen
zijne zwarte kous en zijne zwarte kniebroek, hetwelk herinnerde
aan een van Hamlet in Ophelia's vertrek--behalve dat die aan beiden
beenen zichtbaar was,--een advocaat uit eene provinciestad en een
heer met een rooden neus, die een buitengewonen glans bezat, welken
ik nimmer te voren bij een menschelijk wezen had opgemerkt. Op deze
wijze reisden wij voort, tot des namiddags vier uur--daar de wegen nog
altijd slecht waren te berijden en de koets zeer langzaam voortging. Om
er de kroon op te zetten, werd de oude priester geplaagd met kramp in
zijne beenen, zoodat hij genoodzaakt was, bijna elke tien minuten een
verschrikkelijken gil te geven en door de vereenigde pogingen van het
gezelschap er uit geheschen moest worden, terwijl de koets gedurig
met groote deftigheid ten zijnen behoeve ophield. Deze ongesteldheid
en de wegen waren voor het grootste gedeelte de onderwerpen van het
gesprek. Daar ik in den namiddag bemerkte, dat de Coupé twee menschen
had uitgezet en slechts één passagier binnenin had--een gedrochtelijk
leelijke Toskanees, met een grooten purperen knevel, waarvan niemand
de einden kon zien, als hij den hoed ophad--maakte ik gebruik van
die betere gelegenheid en reisde voort met dezen heer (welke zeer
onderhoudend en opgeruimd was), tot omtrent elf uur 's avonds, toen de
voerman berichtte, dat er aan geen verder trekken kon worden gedacht,
en wij dienvolgens stilhielden bij eene plaats, Stradella genaamd.

Het logement bestond uit eene reeks van vreemdsoortige galerijen,
die eene binnenplaats omgaven, waar onze koets, en een paar wagens, en
eene partij gevogelte en brandhout, holder de bolder opgehoopt waren,
zoodat ge niet hadt kunnen weten of er op zweren, wat een vogel en
wat eene kar was. Wij volgden er een slaperigen man met eene brandende
fakkel in een groote koude kamer, waar zich twee schrikkelijk breede
bedden bevonden, die gespreid waren op iets, dat het voorkomen had van
twee verbazend breede planken eettafels te zijn; eene andere planken
tafel van gelijke afmetingen in het midden van den naakten vloer;
vier ramen en twee stoelen. Men zeide mij, dat het mijne kamer was;
en ik wandelde er omtrent een half uur op en neer, terwijl ik staarde
naar den Toskanees, den ouden priester, den jongen priester en den
advocaat (de roodneus woonde in de stad en was naar huis gegaan),
die op de bedden zaten en wederkeerig naar mij staarden.

Het uitgemaakt droevig-gekke van dien stand van zaken wordt afgebroken
door het bericht van den braven koerier (die middelerwijl kok is
geweest), dat het avondmaal gereed is; en wij gaan allen naar de
kamer van den priester (die naast aan gelegen en een tegenhanger
is van de mijne). Het eerste gerecht is eene kool met een groote
hoeveelheid rijst in eene terrine vol water gekookt, en met kaas
gekruid. Dit is zóó heet en wij zijn zóó koud, dat het zeer aangenaam
smaakt. Het tweede gerecht bestaat uit eenige stukjes varkensvleesch
met nieren van speenvarkens gebraden. Het derde bestaat uit twee roode
vogels. Het vierde uit twee kleine, roode kalkoenen. Het vijfde is een
sterk gerecht van knoflook en truffels, en ik weet niet wat al nog;
en dit besloot den maaltijd.

Alvorens ik in mijne eigen kamer kan gaan zitten, en nagaan, dat zij
onder de vochtigste behoort, gaat de deur open en de brave koerier komt
binnenzeilen te midden van zulk eene hoeveelheid brandhout, dat hij er
uitziet als een geheel bosch dat eene winterwandeling gaat doen. Hij
ontsteekt dien hoop in een oogwenk en brengt eene groote kruik met
heeten brandewijn en water; want zijne eigen flesch wisselt af met de
jaargetijden en bevat thans niets dan den zuiversten brandewijn. Na
deze verrichting begeeft hij zich ter ruste; en ik hoor hem nog een
uur naderhand, en zelfs nog tot ik inslaap, hoe hij kwinkslagen maakt
in een ander buitengebouw, waar hij (waarschijnlijk goed ingezeept)
aan het sigaren rooken is met een aantal vertrouwde vrienden. Hij is
nooit te voren hier in huis geweest; maar hij kent overal iedereen,
zoodra hij ergens vijf minuten is geweest, en is er zeker van, in
hetzelfde tijdsverloop, al de personen van het huis op het innigste
aan zich verknocht te hebben.

Dit gebeurt te middernacht. Den volgenden ochtend te vier uur is
hij reeds weder op, frisscher dan eene pas ontloken roos. Hij stookt
vlammende vuren, zonder de minste vergunning van den waard, en levert
ons kroezen kokende koffie, als niemand zich iets anders dan koud
water kan verschaffen; en loopt de donkere straten rond, en schreeuwt
om versche melk, of wellicht iemand, die eene koe bezit, uit zijn bed
stapt, om hem er van te voorzien. Terwijl we op de paarden wachten,
doe ik een uitstapje in de stad. Zij schijnt één enkel plein te vormen,
en daarbij een koude vochtige wind die afwisselend in en uit de bogen
waait; en, om zoo te zeggen, een soort van patroon vormt. Maar het is
stikdonker en het stortregent, en ik zou haar morgen niet herkennen
indien ik daar teruggevoerd werd om het te beproeven. Dat de hemel
verhoede!

De paarden zijn er binnen omtrent een uur. In den tusschentijd vloekt
de voerman, en slaat nu eens christelijke en dan weer heidensche
vloeken uit. Is het somtijds een lange, samengestelde vloek, dan
begint hij met het christendom en daalt tot in het heidendom neer. Er
worden verschillende boden afgezonden; niet zoozeer om de paarden,
als wel om elkander op te zoeken; want de eerst gezondene komt maar
niet terug, en de rest doet als hij. Eindelijk komen de paarden aan,
door al de boden omringd, die ze deels schoppen, deels voorttrekken,
terwijl allen ze een vloed van scheldwoorden toevoegen. Daarop nemen
de oude priester, de jonge priester, de advocaat, de Toskanees en
wij allen onze plaatsen; en er wordt uit de deuren van schuurtjes
op verschillende plaatsen van het binnenplein door slaperige stemmen
uitgeroepen: "Addio corrière mio! Buon' viaggio, corrière!" (Vaarwel,
lieve koerier! Goede reis, koerier!) Er worden groeten gewisseld met
den koerier, die ze, met een gelaat tot één monsterachtig, lachend
gegrijns vertrokken, op dezelfde wijze beantwoordt, terwijl wij door
het slijk weghotsen.

Te Piacenza, op vier of vijf uren afstand van de herberg te Stradella,
ging ons klein gezelschap voor de deur van het logement uiteen, terwijl
van alle zijden verschillende betuigingen van vriendschappelijke
gevoelens werden gedaan. De oude priester kreeg alweer de kramp,
voor hij ter helft van de straat was gekomen; en de jonge priester
legde het pakje boeken op een deurdrempel, terwijl hij plichtmatig de
beenen van den ouden heer wreef. De cliënt van den advocaat wachtte hem
af aan de poort van den hof, en kuste hem op elken wang met zulk een
klappenden smak, dat ik vrees, òf dat zijne zaak zeer slecht staat, òf
dat hij eene slecht gespekte beurs heeft. De Toskanees ging slenterend
heen, met eene sigaar in den mond en hield zijn hoed in de hand, om
de einden zijner uit elkander geraakte knevels des te beter te kunnen
opdraaien. En terwijl de brave koerier en ik heendwaalden om de plaats
te bezien, begon hij dadelijk mij te onderhouden met de bijzondere
geschiedenis en de huiselijke zaken van het geheele gezelschap.

Piacenza is eene vervallen oude stad en ziet er somber uit. De plaats
is verlaten, eenzaam en met gras begroeid, en hare wallen liggen
in puinhoopen, met half gevulde loopgraven, die eene smerige weide
opleveren voor de magere koeien welke daar rondloopen, en straten
met sombere, onvriendelijke huizen die pruilen tegen de andere
huizen aan de overzijde. De slaperigste en meest havelooze soldaten
wandelen er rond, onder de dubbele bezoeking van luiheid en armoede,
op onhebbelijke wijze hunne slecht gemaakte uniformen kreukelende: de
morsigste kinderen spelen met hun impromptu speelgoed (speenvarkens
en slijk) in de smalste goten; de magerste van alle honden loopen
de naaste deuren in en uit, en zoeken er eeuwig eenig voedsel,
dat zij er volstrekt niet schijnen te vinden. Een geheimzinnig en
statig paleis dat bewaakt wordt door twee kolossale standbeelden
(tweelings-geniën der stad), staat met deftigheid in het midden der
doodsche stad; en de koning met de marmeren beenen, die ten tijde der
Duizend-en-één-nacht bloeide, had daarbinnen vergenoegd kunnen leven,
en in zijne bovenhelft van vleesch en bloed nooit de zielskracht
hebben, om behoefte te gevoelen er buiten te komen.

Welk eene vreemde, treurig verrukkelijke druilpartij is het niet,
rond te dwalen in die plaatsen, welke gaan slapen en zich in de zon
koesteren! Elke van deze schijnt op hare beurt de voornaamste te
zijn onder al de beschimmelde, nare steden in de wijde wereld. Op
dit heuveltje gezeten, waar vroeger een bastion bestond, en ten
tijde toen de oude Romeinen zich hier hadden nedergezet eene
luidruchtige vesting was, begon ik te vermoeden, dat ik tot nu
toe nooit had geweten, wat het wilde zeggen, vadsig te zijn. In
juist zulk een staat moet voorzeker het mormeldier verkeeren, vóór
het zich terugtrekt in zijne woning; of de schildpad voor ze zich
begraaft. Ik gevoel dat ik roestig word; dat elke poging tot denken
verzeld zou zijn van een knarsend geluid; dat er nergens iets is te
doen, of iets gedaan behoeft te worden; dat daar, in geen opzicht,
menschelijke vooruitgang, beweging, streven of bevordering meer is,
dat het geheele ontwerp hier, eeuwen geleden, is blijven steken,
en ter ruste gelegd tot den dag des oordeels.

Neen! dat niet, zoolang de brave koerier zal leven. Zie hem eens,
hoe hij al rinkelend Piacenza verlaat, en langs den weg waggelt
in de hoogste postsjees welke men ooit heeft gezien, zoodat hij
uit het voorste raam ziet, als keek hij over een tuinmuur, terwijl
de postiljon, waarin al de haveloosheid van geheel Italië schijnt
samengeperst, een oogenblik met zijn levendig gesprek ophoudt, om
zijn hoed aan te raken voor een stompneuzig beeldje der H. Maagd,
schier niet min haveloos er uitziende dan hij, hetwelk, in eene
poppenkastachtige nis van pleister, buiten de stad staat.

In Genua en de omstreken wordt het wijngaardloof geleid langs latwerk,
dat door lompe, vierkante palen wordt gedragen, hetwelk op zich
zelf alles behalve schilderachtig is. Maar hier slingeren zij het
om boomen en laten het langs de heggen voortspruiten. De wijngaarden
zijn vol boomen, welke met dat doel regelmatig zijn geplant en ieder
een eigen wijngaardstok hebben, die er omheen slingert en er zich
om ophoopt. Hunne bladeren vertoonen nu het schitterendste goud,
en het gloeiendste rood, en nooit was er iets zoo betooverend,
bevallig en zoo vol schoonheid. Mijlen ver slingert de weg door die
verrukkelijke vormen en kleuren. De wilde festoenen; de smaakvolle
kransen en kronen en guirlandes van allen vorm; de tooverachtige
netten over groote boomen geslagen, en die ze (als uit kortswijl)
tot gevangenen maken; de hoopjes en verhevenheden van afgevallen
bladen, die in alle vormen op den grond liggen; hoe rijk en schoon
is dit alles niet! En elk oogenblik ontmoet men eene lange, lange
rij boomen, welke alle door slingers met elkander verbonden zijn,
als hielden zij elkander vast en kwamen dansend het veld op!

Parma heeft, voor eene Italiaansche stad, vroolijke, woelige
straten, en is bijgevolg niet zoo karakteristiek als vele andere,
min aanmerkelijke plaatsen. Hiervan moeten in alle gevallen worden
uitgezonderd de Piazza (het plein) waar de hoofdkerk, het doophuis en
de Campanile (de klokketoren)--oude gebouwen, van eene somber bruine
kleur, versierd met ontelbare groteske gedrochten en droomerig ziende
schepsels, in marmer en rooden steen gehouwen--in edele en luisterrijke
rust opeengehoopt zijn. Hunne zwijgende aanwezigheid werd mij eerst
aangeduid, toen ik ze bemerkte door het klapwieken eener groote
menigte vogels, die de scheuren in de steenen en kleine holen in
de bouwversiersels, waar zij hun nest hadden, in- en uitvlogen. Zij
waren bezig met uit de koude schaduw van tempels, door menschenhanden
gemaakt, op te stijgen naar den zonnigen hemel. Zoo deden niet zij,
die daar binnen baden en naar denzelfden vakerigen zang luisterden,
of voor dezelfde soort van beelden en waskaarsen knielden, of met
neergebogen hoofd, in de eigen donkere biechtstoelen fluisterden,
welke ik in Genua en overal elders had ontmoet.

De vervallen en verminkte schilderstukken, waarmede deze kerk bedekt
is, oefenen, naar mij dunkt, een merkbaar treurigen en onderdrukkenden
invloed uit. Het is een ellendig schouwspel, wanneer men verheven
kunstwerken--eenigermate de ziel der schilders--ziet verwelken en
vergaan als menschelijke gedaanten. Deze hoofdkerk riekt naar de
rottende fresco's, in den koepel door Correggio geschilderd. De
hemel weet hoe schoon zij eens mogen geweest zijn. Kenners worden
er nog door verrukt; maar zulk een doolhof van armen en beenen,
zulke hoopen van geknotte ledematen, in elkander verward, gedraaid en
gestrengeld, zou geen krankzinnig geworden chirurgijn zich in zijne
wildste ijlhoofdigheid kunnen verbeelden.

Er bestaat hier eene zeer belangwekkende onderaardsche kerk, welker
dak gedragen wordt door marmeren zuilen, achter ieder van welke ten
minste één bedelaar in hinderlaag schijnt te liggen; ik zwijg er van,
wat de graftombes en afgezonderde altaren verbergen. Uit elke van
deze schuilhoeken kwam zulk eene groote menigte spookachtige mannen en
vrouwen--die tot geleiders verstrekten van andere mannen en vrouwen met
verdraaide ledematen, klapperende kaken, of gebaren van een verlamde,
of koppen van simpelen, of eenig ander treurig gebrek--naar voren
strompelen om te bedelen, dat, indien de vernielde fresco's daar
boven in de hoofdkerk plotseling bezield geworden en naar beneden in
de kerk getrokken waren, er geen grootere verwarring veroorzaakt, of
geen akeliger vertooning van armen en beenen gemaakt had kunnen worden.

Daar is ook het gedenkteeken van Petrarcha en het doophuis met zijne
schoone bogen en reusachtige doopvont, en eene galerij die eenige zeer
opmerkenswaardige schilderijen bevat, van welke er eenige weinige
werden gekopieerd door kunstenaars met behaarde aangezichten, en
fluweelen mutsen, die meer van, dan op het hoofd zaten. Men heeft er
ook het paleis van Farnese en daarin een van de akeligste tafereelen
van verval, dat ooit gezien is,--een groote, oude, sombere schouwburg,
die in puinhoopen valt.

Het is een groot houten gebouw van hoefijzer-vorm. De onderste
zitplaatsen zijn gerangschikt naar de Romeinsche wijze, maar boven
deze heeft men groote, lompe vertrekken--daarvan hebben zij meer dan
van loges--waar de edellieden in hun trotsche staatsie, afgezonderd
zaten. Met zulk eene verwoesting als dit tooneel heeft ondergaan,
en welke in den geest des bezoekers verhoogd wordt door de vroolijke
strekking en het doel er van, kunnen zich slechts wormen gemeenzaam
maken. Er zijn nu honderd tien jaren verloopen sedert daar eenig
stuk is vertoond. De hemel schijnt door de scheuren der zoldering;
de loges, die neervallen en waaraan het verderf knaagt, worden
slechts door ratten bewoond; vochtigheid en schimmel besmetten
de verwelkte kleuren, en vormen spookachtige landkaarten op de
paneelen; smerige lappen hangen slingerend af van plaatsen, waar
vroeger vroolijke festoenen aan het Proscenium (voorste gedeelte van
het tooneel) waren. Het tooneel is zóó verrot, dat er eene smalle
houten galerij dwars overheen is gelegd, daar anders de vloer onder
den voet zou wegzinken en den bezoeker in de donkere diepte er onder
zou begraven. Verwoesting en verval maken hier op al de zinnen indruk.

De lucht heeft een rottenden reuk en een aardachtigen smaak, en
eenigerhande los geluid, dat er met een of ander verloren zonnestraal
binnensluipt, is onduidelijk en dof; en de wormen, de maden en de
ratten hebben de oppervlakte van het hout geheel en al veranderd,
evenals een zachte hand door den tijd gerimpeld en ruw wordt. Als er
ooit geesten comedie spelen, dan zullen zij het op dit spookachtig
tooneel doen.

Onder het overheerlijkste weder kwamen wij te Modena, waar de
duisternis der sombere zuilengangen boven de voetpaden, die de
hoofdstraat aan beide zijden bezoomen, verfrisschend en aangenaam
werd gemaakt door den schitterenden hemel, die heerlijk blauw
was. Ik ging, uit al het schitterende van den dag, in eene duistere
hoofdkerk, waar de hoogmis werd gelezen, dunne waskaarsen brandden,
en menschen geknield lagen voor alle soorten van heiligen-kastjes,
en dienstdoende priesters den gewonen zang op den gewonen, diepen,
zwaarmoedigen, gerekten toon afdreunden.

Terwijl ik zoo bij mij zelven er over nadacht, hoe vreemd het was, in
elke onbeweeglijk stilstaande stad mijn eigen hart te voelen kloppen
met denzelfden eentonigen polsslag, als het middelpunt van hetzelfde
verdoofde en lustelooze stelsel, trad ik eene andere deur uit, waar
mij plotseling een doodschrik op het lijf werd gejaagd, door het steken
van de schetterendste trompet, welke er ooit heeft geklonken. Dadelijk
daarop kwam er met groot gedruisch een troep Parijsche paardrijders
aandraven, die zich in orde stelden langs de muren van de kerk,
en met de hoeven hunner paarden de griffioenen, leeuwen, tijgers
en andere steenen en marmeren monsters beschimpten, welke het
uitwendige van het gebouw versieren. Het eerst kwam er een statig
edelman, met een goede portie haar en zonder hoed, eene reusachtige
banier dragende, waarop te lezen was: "Hedenavond! Mazeppa!" Toen
kwam er een Mexikaansch hoofdman, die, als een Hercules, eene groote
peervormige knots op den schouder droeg. Toen volgden er zes of acht
Romeinsche karren, elke met een schoone dame, in een uiterst kort
rokje en met onnatuurlijk stijve, roode beenen. Deze dames wierpen
stralende blikken op de menigte, in welke echter eene heimelijke
uitdrukking was van ongerustheid en angst, waarvan ik me geene
reden kon geven, tot ik in de opene achterzijde van de karren kon
zien, en bemerkte, met welk eene verbazende moeite de roode beenen
den loodrechten stand bewaarden op het oneffen plaveisel der stad:
waardoor ik een geheel nieuw denkbeeld kreeg van de oude Romeinen en
Britten. De optocht werd besloten door zoo wat een dozijn ontembare
krijgslieden van verschillende natiën, die twee aan twee reden, en vol
trotschheid neerzagen op de tamme bevolking van Modena; terwijl zij
zich van tijd tot tijd verwaardigden het volk te begiftigen met eenige
programma's. Nadat zij tusschen de leeuwen en tijgers rondgesprongen
en de vertooning van dien avond onder het schetteren der trompetten
verkondigd hadden, trok de stoet af langs het andere einde van het
plein en liet eene nieuwe en zeer toegenomen doodschheid achter.

Toen de optocht zoo volkomen voorbij was, dat de schelle trompet
door den afstand zacht klonk en de staart van het allerlaatste paard
voorgoed om den hoek was, keerde het volk, dat de kerk had verlaten
om den stoet aan te staren, er weder binnen. Maar eene oude dame,
die op de vloersteenen der kerk, dicht bij de deur geknield lag, had
alles gezien, en gevoelde, zonder op te staan, hare belangstelling
verbazend opgewekt, en het mocht mij gelukken den blik dier dame
bij die ontmoeting op te vangen, en dit wel tot onze wederzijdsche
verwarring. Zij maakte echter spoedig een einde aan onze verlegenheid,
door zich op vrome wijze te kruisen en zich, met haar aangezicht op den
grond, geheel ter aarde te werpen, voor een beeld in een zonderling
kleed en met eene vergulde kroon, hetwelk zoozeer geleek op een der
personages van den optocht, dat zij misschien tot op dit oogenblik
mag denken, dat de geheele verschijning een hemelsch visioen was. Hoe
het ook zij, ik zou haar, al ware ik haar biechtvader geweest, hare
belangstelling in het paardrijdersspel hebben vergeven.

Er was in de hoofdkerk een mannetje met vurige oogen en een hoogen
schouder, die het zeer euvel nam, dat ik geene poging deed om den
putemmer te zien (in een ouden toren bewaard wordende), welken het
volk van Modena, in de veertiende eeuw, aan dat van Bologna ontnam en
om welken een oorlog werd gevoerd, terwijl er door Tasso een comisch
heldendicht op werd gemaakt. Naardien ik zeer wel tevreden was,
de buitenzijde van den toren te beschouwen en mij op den emmer er
binnen in verbeelding te vergasten, en bij voorkeur ronddrentelde in
de schaduw van den hoogen Campanile, en in den omtrek der hoofdkerk,
heb ik, tot op den dag van heden, geene persoonlijke kennis met den
emmer gemaakt.

Inderdaad waren wij ook te Bologna, alvorens de oude man (of het
Reisboek) had kunnen denken, dat wij de wonderen van Modena maar voor
de helft gerechtigheid hadden laten wedervaren. Maar het heeft voor
mij iets zoo bekoorlijks, nieuwe tooneelen achter mij te laten, en toch
voort te trekken, en nog nieuwere tooneelen te ontmoeten--en bovendien
heb ik zulk eene ongelukkige natuur met betrekking tot gezichten die
gegraveerd, gedroogd en voorgepreekt worden--dat ik vrees, op elke
door mij bezochte plaats, tegen gelijksoortig gezag te zondigen.

Maar hoe 't hiermede zij, men kon mij den volgenden ochtend zien
wandelen op het bevallige kerkhof te Bologna, tusschen de statige
marmeren grafteekens en zuilengangen, in gezelschap van een grooten
troep boeren en verzeld door een kleinen gids uit die stad, welke
buitengemeen ijverde voor hare eer, en er zich aan gelegen liet liggen
mijne aandacht af te trekken van de slechte monumenten, terwijl hij
niet ophield de goede te verheffen. Daar ik zag, dat dit mannetje
(van opgeruimden aard, en die niets dan blinkende tanden en oogen in
zijn gezicht scheen te hebben) strak naar zeker plekje gras keek,
vraagde ik hem wie daar begraven was. "De armen, Signore!" zeide
hij met een zucht en een glimlach, en stond stil, ten einde naar
mij om te zien--want hij ging steeds een weinig vooruit,--en nam
zijn hoed af om elk nieuw grafteeken te groeten, "slechts de armen,
Signore! het is zeer vroolijk, 't is recht lief. Hoe groen is het
er en koel, 't lijkt wel een weiland! Er zijn vijf--en tevens stak
hij al de vingers zijner rechterhand op om het getal uit te drukken,
wat de Italiaansche landlieden steeds doen als het onder 't bereik van
hunne tien vingers valt,--er zijn vijf van mijne kindertjes begraven,
Signore; juist daar een weinigje naar de rechterzijde! Welnu! God zij
gedankt! 't Is er zeer vroolijk. Hoe groen en koel is het er! Het is
een volmaakt weiland!"

Hij zag mij strak in het aangezicht, en bemerkende dat ik hartzeer om
hem gevoelde, nam hij een snuifje (ieder Cicerone snuift) en maakte
eene kleine buiging; deels om zich te verontschuldigen dat hij zulk
een onderwerp het aangeroerd en gedeeltelijk ter nagedachtenis der
kinderen en ter eere van zijn schutsheilige.

Het was eene zoo ongemaakte en geheel natuurlijke buiging als er ooit
iemand heeft gemaakt. Onmiddellijk daarop nam hij zijn hoed geheel
en al af, en verzocht mij hem naar het naaste gedenkteeken te volgen;
en zijne oogen en tanden schenen glinsterender dan te voren.



TUSSCHEN BOLOGNA EN FERRARA.


Op het kerkhof, waar de kleine Cicerone zijne kinderen begraven had,
was een zóó net gekleed wachter, dat, toen de kleine Cicerone mij
fluisterend te kennen gaf, dat er geene beleediging in zou steken,
deze bediende een paar paoli [29] aan te bieden, ik ongeloovig naar
zijn driekanten hoed, zeemleeren handschoenen, net gemaakte uniform
en schitterende knoopen zag, en den kleinen Cicerone met een ernstig
hoofdschudden bestrafte. In luisterrijk voorkomen stond hij ten minste
gelijk met den deurwaarder van het Hoogerhuis; en het denkbeeld,
dat, zooals Jeremias Diddler zou zeggen, zulk een heer, "zoo iets
als tien stuivers," zou aannemen, scheen monsterachtig. Hij nam het
evenwel niet euvel op, toen ik zoo vermetel was hem die te geven,
en trok zijn steek af met een zwier, die een koopje zou zijn geweest
voor het dubbele geld.

Het scheen zijn plicht te wezen, de gedenkteekenen aan het volk uit te
leggen--ten minste deed hij het; en toen ik hem, evenals Gulliver in
Brobdignag deed, vergeleek "met de inrichtingen van mijn eigen geliefd
land, kon ik mij niet weerhouden, tranen van trotschheid en blijdschap
te storten." Hij had geen vasten stap; evenmin als eene schildpad. Hij
slenterde als het volk slenterde, opdat het zijne nieuwsgierigheid
zou voldoen; en stond hen zelfs toe, nu en dan, de opschriften
der graven te lezen. Hij was haveloos noch brutaal, onbeschoft noch
onwetend. Hij sprak zijne eigene taal volkomen naar behooren, en scheen
zich, op zijne wijze, als een soort van onderwijzer voor het volk te
aanschouwen, en een gepasten eerbied zoowel voor zich zelven als voor
het volk te koesteren. Men zou evenmin een dergelijk man als bode in
de Westminster-Abdy willen hebben, als het volk binnenlaten (gelijk
zij in Bologna doen) om de gedenkteekenen kosteloos te beschouwen.

Weder eene oude, sombere stad, onder den schitterenden hemel, met
zware gewelfde gangen over de voetpaden in oude straten, en lichtere
en vroolijke bogen in de nieuwere gedeelten der stad. Weder zijn er
sombere, gewijde gebouwen, met nogal vogels, die in en uit de reten
der steenen vliegen; en nogal grijnzende monsters aan de voetstukken
der pilaren. Weder rijke kerken, eene dommelige menigte, ten hemel
stijgende wierook, klinkende schellen, priesters in schitterende
kleeding, schilderijen, waskaarsen, geborduurde altaarkleeden, kruisen,
beelden en kunstbloemen.

Er waait u eene ernstige en geleerde lucht in de stad tegen, en er
ligt eene aangename duisternis over gespreid, zoodat zij zelfs boven
vele steden een duidelijken en onderscheiden indruk op den geest
zou achterlaten, indien zij zich niet nog meer in het geheugen van
den reiziger vestigde, door de beide steenen hellende torens (op
zich zelven, 't moet erkend worden afzichtelijk genoeg), kruiswijs
overhellende alsof zij stijf tegen elkander bogen--waardoor het
perspectief, van eenige der nauwe straten, op zonderlinge wijze wordt
gesloten. Ook de colleges, kerken en paleizen, en vooral de academie
der schoone kunsten, waar een menigte belangwekkende schilderijen zijn,
voornamelijk van Guido, Domenichino en Ludovico Caracci, doen haar
bijzonder heugen. Zelfs indien men er niet deze, en ook niets anders
vond, dat haar in het geheugen kon terugroepen, dan zou de groote
Meridiaan (middaglijn) op het plaveisel der kerk van San Petronio,
waar de zonnestralen den tijd, te midden van het knielende volk,
aantoonen, haar een fantastisch en behaaglijk belang doen inboezemen.

Daar Bologna vol toeristen [30] was, die hier opgehouden werden door
eene overstrooming, welke den weg naar Florence ontoegankelijk maakt,
had ik mijn kwartier boven in den top van een hotel, in eene afgelegene
kamer, die ik nooit kon vinden, waarin eene bedstede was, groot
genoeg voor eene kostschool, waarin ik niet in slaap kon komen. De
voornaamste der bedienden, die dit eenzaam vertrekje bezocht, waar
geen ander gezelschap was dan de zwaluwen op de breede bogen boven
het venster, was een man, met betrekking tot de Engelschen, met ééne
gedachte bezield; en het onderwerp dezer onschuldige monomania was
Lord Byron. Ik ontdekte het bij toeval, toen ik, bij het ontbijt, hem
de opmerking maakte, dat de matten, waarmede de vloer bedekt was, in
dezen tijd van het jaar zeer aangenaam waren; waarop hij onmiddellijk
antwoordde, dat Mylor Bryon zeer gehecht was geweest aan dat soort
matten. Ter zelfder tijd bemerkende, dat ik geene melk gebruikte, riep
hij met geestdrift uit, dat Mylor Bryon die nooit had aangeraakt. In
het eerst hield ik mij in mijne eenvoudigheid verzekerd, dat hij een
van Byron's bedienden was geweest; maar neen, hij zeide neen, hij
had de gewoonte met Engelsche heeren over Mylor te spreken, dat was
alles. Hij wist alles van hem, zeide hij; ten bewijze hiervan bracht
hij hem in verband met ieder mogelijk onderwerp, van den wijn bij het
middagmaal (die op een landgoed was gegroeid, dat hem toebehoord had)
tot zelfs met het groote bed, dat juist als het zijne was.

Toen ik het logement verliet, voegde hij bij zijne laatste buiging
op het plein eene laatste verzekering, dat Mylor Bryon het liefst
den weg had bereden, langs welken ik vertrok, en vóór de hoeven der
paarden zich op de steenen deden hooren, snelde hij vlug de trappen op,
waarschijnlijk om een anderen Engelschman, in eene andere afgelegene
kamer, te verhalen, dat de gast zoo even vertrokken, het levend
evenbeeld van Lord Byron was.

Ik was Bologna op den laten avond binnengetrokken--bijna te
middernacht--en langs den geheelen weg er naar toe, zoodra wij op
Pauselijk grondgebied waren--dat nergens bijzonder wel bestuurd wordt,
daar de sleutels van Sint Petrus thans wel wat geroest zijn--was de
voerman zóó gejaagd, door het gevaar van door roovers aangevallen
te worden als men in het donker reisde, en had die vrees zóózeer
aan den braven koerier medegedeeld, en beiden hadden zóó gedurig
stilgehouden, en waren uit- en afgeklommen, om naar een valies te zien,
hetwelk achterop gebonden was, dat ik hem, die het had weggenomen,
bijna bedankt zou hebben. Van toen af werd het bepaald, dat, wanneer
wij Bologna verlieten, wij op zulk een uur zouden vertrekken, dat
wij te Ferrara niet later dan omstreeks acht of negen uur zouden
aankomen; en het was eene aangename achtermiddag- en avondreis,
niettegenstaande zij door laag liggende landen ging, die trapsgewijs
moerassiger werden door het overstroomen der beekjes en rivieren,
sedert de onlangs plaats gehad hebbende hevige regenbuien.

Toen ik tegen zonsondergang alleen voortwandelde, terwijl de paarden
rustten, bereikte ik eene kleine plaats, welke, door eene dier
zonderlinge werkingen van den geest, welke wij allen ondervinden,
mij volmaakt bekend toescheen, en die ik thans nog duidelijk voor mij
zie. Er stak niet veel bijzonders in; in het donkerroode licht werd een
somber meertje door den avondwind in beweging gebracht; aan den kant
eenige boomen. Op den voorgrond was eene groep zwijgende boerenmeisjes,
liggende over de leuning van eene kleine brug en ziende, nu eens naar
den hemel, dan weder naar het water; in de verte eene doffe klok;
de schaduw van den naderenden nacht rustte op alles. Ware ik daar
in eenig vroeger leven vermoord geworden, dan had ik mij de plaats
niet beter of met eene dieper gevoelde huivering kunnen herinneren;
en de wezenlijke heugenis daarvan, in dat oogenblik verkregen, is
zóó versterkt door de hersenschimmige, dat ik bijna betwijfel of ik
het zou kunnen vergeten.

Oud Ferrara is eenzamer, meer ontvolkt en verwoest, dan eenige deftige
zusterstad. Het gras groeit zoo hoog in de stille straten, dat iedereen
er, in den letterlijken zin van het woord, zoolang de zon schijnt, hooi
zou kunnen maaien. Maar de zon schijnt met verminderde vroolijkheid
in het barsche Ferrara; en er gaat zoo weinig volk langs de markten,
dat het vleesch van hare bewoners inderdaad gras zou kunnen zijn en
op de pleinen groeien.

Het verwondert mij, dat de voornaamste smid in eene Italiaansche stad
altoos naast een logement woont, of er tegenover, en bij den bezoeker
een gevoel verwekt, alsof de slaande hamers zijn eigen hart waren,
dat met eene doodelijke drift klopte! Ik verwonder mij er over, waarom
de slaapkamer van alle zijden omgeven is door gangen, uit argwaan
vervaardigd, die haar met onnoodige deuren vullen, en niet gesloten
of geopend kunnen worden, en eene akelige duisternis veroorzaken.

Ik verwonder mij, waarom het niet voldoende is, dat deze wantrouwende
geniën den geheelen nacht iemands droomen staan aan te gapen, maar
dat er nog ronde gaten moeten zijn, hoog in den muur, die er u van
verwittigen wanneer er eene muis of rat achter het beschot wordt
gehoord, of iemand den muur met zijne teenen schraapt, terwijl hij
poogt een dezer gaatjes te bereiken en er door te zien.

Ik verwonder mij, waarom de takkenbossen zoodanig zijn gemaakt, dat zij
geen ander uitwerksel kennen dan eene overmatige hitte, wanneer ze in
vlam geraken, en op alle andere tijden doen rillen van kou en stikken
van de rook. Vooral verwonder ik mij, waarom het 't eigendommelijk
kenmerk van burgerlijke bouwkunde in de Italiaansche logementen is,
dat al het vuur in den schoorsteen trekt, behalve de rook.

Het antwoord doet niets af. Smeden, deuren, kijkgaten, rook-
en takkenbossen zijn mij welkom. Toon mij het glimlachend gelaat
van den bediende, hetzij man of vrouw; de hoffelijke manieren, het
beminnelijke verlangen om te behagen, het luchthartig, aangenaam,
eenvoudig voorkomen--als zoovele juweelen in het slijk--en morgen
ben ik er weer.

Het huis van Ariosto, de gevangenis van Tasso, eene zeldzame,
oude, gothische hoofdkerk en, natuurlijk, nog meer kerken, zijn het
bezienswaardigste van Ferrara. Maar de lange stille straten, en de
vervallen paleizen, waar het klimop waait in plaats der banieren,
en waar weelderig onkruid traag over de trappen kruipt, die sinds
lang door geen menschelijken voet betreden waren, zijn het schoonst.

Het gezicht van deze treurige stad, een half uur voor het opgaan
der zon, op zekeren schoonen morgen, toen ik haar verliet, was even
schilderachtig als het fantastisch en spookachtig scheen. Het kwam er
niet op aan, dat de menschen nog niet waren opgestaan; want al waren
zij allen op, en bezig geweest, dan zou het in deze woestenij nog
weinig onderscheid hebben gemaakt. Het was 't best het te aanschouwen,
zonder een enkel beeld in het tafereel: eene stad der dooden zonder
een enkelen overgeblevene.

De pest zou de straten, pleinen en markten gevaagd kunnen hebben, en de
plundering en inneming der stad de oude huizen doen instorten, hunne
deuren en vensters nedergeworpen en hunne zoldering vaneen gereten
hebben.--In een gedeelte verhief zich een oude toren hemelwaarts;
het eenige in dit droefgeestig uitzicht, waarop het oog rustte.

In een ander gedeelte stond in de verte een wonderbaarlijk kasteel,
omgeven door eene gracht, eene onvriendelijk uitziende stad op zich
zelve. In de donkere kerkers van dit kasteel werden Parisina en haar
minnaar, in het holste van den nacht, onthoofd. Toen ik er opnieuw
naar zag, kleurde het morgenlicht, dat aanbrak, zijne buitenmuren
rood, evenals zij, in vroegere dagen, meer dan eens van binnen waren
bepurperd; maar bij het minste geritsel zou het kasteel en de stad
door alle menschelijke schepsels geschuwd worden, sedert het oogenblik
dat de bijl op de laatste der beide minnenden nederviel en er nooit
een anderen klank weer is teruggekaatst,


    Dan van de bijl, die forsch en met een doffen schok,
    En spier en wervel klieft en neerploft op het blok.


Aan de Po gekomen, die zeer gezwollen was en trotsch voortrolde,
trokken wij eene schipbrug over, bereikten zoo het Oostenrijksch
grondgebied, en vervolgden onze reis door eene landstreek, die eenige
mijlen in het rond grootendeels onder water stond. De brave koerier
en de soldaten hadden in het eerst, gedurende een half uur of meer,
gekeven over ons eeuwig paspoort.

Maar dit was eene dagelijksche uitspanning voor den braven koerier,
die altijd stokdoof was, als armoedig gekleede ambtenaren in uniform
naar ons toekwamen, zooals zij voortdurend deden, en houten doosjes
uitstaken opdat we er naar zouden zien--of, met andere woorden, om
te bedelen--en die, onwillig tot het voldoen aan mijne verzoeken,
dat men den man eene kleinigheid zou geven, opdat wij onze reis in
vrede konden vervolgen, gewoon was de beambten in gebroken Engelsch te
vermanen; terwijl het gezicht van den ongelukkigen man, die volstrekt
niet begreep, wat er te zijnen nadeele gezegd werd, een afbeeldsel
was van de diepste zielesmart, waarvan het portierraam de lijst vormde.

In den loop van de dagreis hadden wij tot postiljon een zoo
wilden en woesten, knappen landlooper, als ge verlangen zoudt te
zien. Hij was eene lange, forsch-gebouwde, donkerkleurige kerel,
met een overvloed van zwart haar, dat over zijn gezicht hing, en
groote zwarte bakkebaarden, die tot onder zijne keel doorliepen. Zijne
kleeding bestond uit een gescheurd pak van jagers-groen laken, hier en
daar met rood versierd; een spits toeloopenden, kalen hoed, met eene
bemorste en gebroken veer tusschen het lint gestoken; en een vuurrooden
halsdoek die over zijne schouders hing. Hij zat niet op den zadel,
maar rustte geheel op zijn gemak op een soort van laag voetbankje,
aan de postsjees, beneden tusschen de paardenstaarten--bijzonder
geschikt om ieder oogenblik zijne hersens uit het hoofd te laten
schoppen. Tot dezen roover zeide de brave koerier, bij toeval, toen
wij op een redelijk drafje gingen, of er geene mogelijkheid was om
sneller te rijden.

Hij ontving het voorstel met een spottend gehuil, zwaaide zijn zweep
over het hoofd (en welk eene zweep! het geleek meer op een Engelschen
schietboog), wierp zijne hielen boven de paarden uit, en verdween
bij zulk een aanval ergens in de nabijheid van den wagenboom. Ik
verwachtte zeker hem op den weg te zien liggen, honderd yards [31]
achter ons, maar daar stak de spitse hoed in het volgend oogenblik er
weer boven uit, en ik zag hem uitrusten, als in eene sofa, terwijl
hij daarover nadacht, en uitriep: "Ha! ha! wat nu weer. O! te
duivel! Meer aanstappen! Shoe--hoe--oe--oe!" Deze laatste uitroep
was een onuitsprekelijk tartend geschreeuw. Daar ik verlangend was
onze onmiddellijke bestemming nog dien avond te bereiken, waagde ik
zelf nu en dan de eigen proef. Zij bracht juist dezelfde uitwerking
voort. De zweep vloog met denzelfden verachtelijken zwaai in het
rond, de hielen vlogen naar de hoogte, de spitse hoed naar de laagte
en daarop vertoonde hij zich weder, uitrustende als te voren en tot
zich zelven zeggende: "Ha! ha! wat nu weer! Meer aanstappen. O! te
duivel! Shoe--hoe--oe--oe."



EEN ITALIAANSCHE DROOM.


Ik had eenige dagen lang gereisd, des nachts weinig uitrustende en
nooit op den dag. De snelle en onafgebroken opvolging van nieuwigheden,
die mij voorbijgetrokken waren, kwamen als halfgevormde droomen voor
mijn geest, en eene menigte onderwerpen waarden, onder het voorttrekken
langs een eenzamen weg, in de grootste verwarring door mijn brein. Bij
tusschenpoozen stond er een, bij het rusteloos heen en weder zweven,
als het ware, stil, en stelde mij in staat er oplettend naar te zien,
en het duidelijk te onderscheiden en te beschouwen.

Na eenige oogenblikken verflauwt het, evenals de voorwerpen van
eene tooverlantaren; en terwijl ik een gedeelte er van duidelijk
voor mij zag, en een ander gedeelte flauwer, en weder een in het
geheel niet, vertoonde het mij een ander beeld van de vele plaatsen,
welke ik onlangs had gezien, achteraan zwevende en er doorheen
schijnende. Zoodra dit zichtbaar was versmolt het, op zijne beurt,
in iets anders.

Het eene oogenblik stond ik weder voor den ouden bruinen hechten
kerker van Modena. Terwijl ik de zonderlinge pilaren herkende met
hunne voetstukken vol grijnzende monsters, scheen ik ze op zich
zelve staande te zien, op het stille plein te Padua, waar de oude,
stemmige Hoogeschool was, en de beelden, zedig gekleed, hier en daar
in de open ruimte er om verspreid. Dan weder zwierf ik rond in de
voorsteden der bevallige stad, en bewonderde de buitengewone netheid
der huizen, tuinen en wijngaarden, als had ik ze slechts een paar uren
te voren gezien. In hare plaats verrezen onmiddellijk de twee torens
van Bologna; en de hardnekkigsten van al deze onderwerpen zonken weg,
bij het monsterachtig, omwalde kasteel van Ferrara, dat, als eene
opluistering eener grillige ballade, door den rooden gloed der zon
beschenen, zich opnieuw aan mijne oogen voordeed, zegepralende over
de eenzame, met gras begroeide, vervallen stad.

In het kort, ik gevoelde deze onsamenhangende schudding der hersenen,
waaraan reizigers licht onderhevig zijn en zorgeloos bevorderen. Iedere
schok van het rijtuig waarin ik zat, half dommelend in het duister,
scheen eene nieuwe herinnering uit, of eene andere nieuwe in hare
plaats te brengen, en in dezen staat viel ik in slaap.

Na eenigen tijd ontwaakte ik (zooals ik dacht) door het ophouden van
het rijtuig. Het was nu geheel donker, en wij waren aan den kant van
het water. Daar lag eene zwarte boot met een klein huisje of kajuitje
er in van dezelfde donkere kleur. Toen ik daarin neergezeten was,
werd de boot door twee mannen voortgeroeid, naar een groot licht,
in de verte op het water liggende.

Nu en dan deed zich een akelige zucht van den wind hooren. Hij
bracht het water in beweging, en schudde de boot en dreef de wolken
weg die de sterren bedekten. Ik kon mij niet weerhouden te denken,
hoe vreemd het was, op dit uur weg te varen, het land achter zich
te laten, en voort te gaan naar dit licht op het water. Het begon
spoedig meer schitterend te worden, en veranderde van één licht in
een hoop waskaarsen, flonkerende en op het water schijnende, hoe meer
de boot naderde, langs een droomerig soort van spoor, kenbaar op het
water aan palen en stijlen.

Wij hadden vijf mijlen of daaromtrent voortgevaren over het
donkergroene water, toen ik het, in mijn droom, hoorde kabbelen tegen
eenige hinderpalen in de nabijheid. Aandachtig uitkijkende, zag ik door
den nevel iets zwarts en lomps--evenals de kust, maar vlak en dicht op
het water liggende, gelijk een vlot--waarlangs wij voorbijgleden. Het
opperhoofd der beide roeiers zeide, dat het eene begraafplaats was.

Geheel bezield met belangstellende verwondering over eene
begraafplaats, die daar lag, te midden der eenzame zee, wendde ik mij
om, om haar te bezichtigen, daar zij uit ons spoor zou verdwijnen,
toen ik haar plotseling uit mijne oogen verloor. Voor ik wist hoe of
wat, zag ik, dat wij over eene straat gleden--eene spookstraat; de
huizen, aan beide zijden, uit het water rijzende, en de zwarte boot
voortglijdende onder hunne vensters. Uit eenige dezer ramen schenen
lichten, die hunne weerkaatsende stralen tot op den bodem van den
duisteren stroom schoten, maar alles was in diepe stilte verzonken.

Zoo trokken wij door deze geestenstad, voortgaande onzen koers
te richten door nauwe straten en stegen, allen gevuld met, en
overvloeiend van het water. Enkele hoeken, waar onze weg van richting
veranderde, waren zoo scherp en nauw, dat het voor de lange, ranke boot
onmogelijk scheen, er omheen te wenden; maar de roeiers een flauwen,
welluidenden, waarschuwenden kreet slakende, gleden er langs zonder te
rusten. Somtijds herhaalden de roeiers, van eene andere zwarte boot
evenals de onze, den kreet, en hunne vaart vertragende (gelijk ik
dacht dat het met de onze 't geval was) kwamen zij ons voorbijvaren,
evenals een duistere schaduw. Andere booten, van dezelfde sombere tint,
lagen vastgemeerd, zooals ik dacht, aan geschilderde pilaren, naast
donkere, geheimzinnige deuren, die onmiddellijk op het water uitkwamen.

Eenige van deze waren ledig; in andere lagen de roeiers te slapen, naar
ééne zag ik eenige beelden uit een sombere gewelfde gang komen, van uit
het inwendige van een paleis, en begeleid door toortsdragers. Ik zag ze
maar ter vlucht; want eene brug, zoo laag en zoo dicht bij de boot,
dat zij gereed scheen om neer te storten en ons te verpletteren,
één van die menigte bruggen, die den droom in de war brengen,
bracht ze oogenblikkelijk uit mijne oogen. Wij voeren verder, naar
het midden dezer vreemde plaats--met water overal om ons heen waar
nooit ergens anders water was--rijen huizen, kerken, groepen statige
gebouwen, die er boven uitstaken--en, overal dezelfde buitengewone
stilte. Onmiddellijk doorkliefden wij een breeden en open stroom,
en voeren, zooals ik dacht, voorbij eene ruime, bestrate kaai, waar
de flonkerende lampen, waarmede zij verlicht was, lange rijen bogen en
pilaren deden zichtbaar worden, van eene lompe, sterke samenstelling en
belangrijke hechtheid, maar even rank voor het oog als spinnewebben of
St.-Maria's-draden--en waarop ik voor het eerst volk zag wandelen--en
kwamen bij trappen aan, die van het water naar een groot huis leidden,
waar ik, na tallooze gangen en gaanderijen te zijn doorgegaan, mij
ter ruste nedervleide; luisterende naar het geraas door de donkere
booten teweeggebracht, welke door het kabbelende water tegen het
venster op en neer werden bewogen, totdat ik in slaap viel.

De glans van den dag, die mij in dezen droom bescheen; zijne frischheid
en beweging, het drijvende er van, het schijnen van de zon op het
water, zijn helderblauwe hemel en het suizen der lucht, kunnen door
geene woorden van wakenden verhaald worden.

Maar van uit mijn venster zag ik naar beneden op de booten en sloepen;
op masten, zeilen, touwwerk, vlaggen; op groepen bezige zeelieden,
werkende aan de ladingen dezer schepen; op ruime kaaien, met balen,
kisten en koopmansgoederen van alle soort bedekt; en groote schepen,
in de nabijheid liggende in statige luiheid; op eilanden, bezaaid
met prachtige koepels en torens; en waar gouden kruisen in het
licht schitterden, boven op wonderlijke kerken, die uit de zee
ontsprongen. Naar beneden gaande, langs den kant der groene zee,
wier baren voor de deur rolden en al de straten vulden, kwam ik op
een plein van zulk eene alles overtreffende schoonheid en grootheid,
dat al het overige nietig en flauw was, in vergelijking met de
liefelijkheid er van, die alle aandacht tot zich trok.

Het was een groot Piazza, naar het mij voorkwam; geankerd, evenals de
rest, op den diepen Oceaan. Op zijne breede vlakte stond een paleis,
meer majestueus in zijn hoogen ouderdom dan al de gebouwen der aarde in
den grootsten bloei en volheid van hunne jeugd. Kloosters en galerijen,
zoo rank dat zij misschien het werk van toovernimfen waren; zoo sterk,
dat eeuwen er tevergeefs op gebeukt hebben, wendden zich om dit paleis,
en omgaven het benevens eene hoofdkerk, schitterend door de wilde,
weelderige phantasieën van het Oosten. Niet ver van zijn ingang
staat een hooge toren; afgescheiden en zijn trotsch hoofd eenzaam ten
hemel verheffende, overziet hij de Adriatische zee. Nabij den kant
des strooms stonden twee roode granieten, onheilspellende pilaren;
de een heeft op zijn top een beeld, met zwaard en schild gewapend;
de ander een gevleugelden leeuw. Weder niet ver van deze, een tweede
toren, in al zijn versierselen de rijkste onder de rijken, zelfs hier,
waar alles rijk was; omhoog houdende een grooten wereldkloot, die
glinsterde van het goud en het donkerste blauw; de twaalf teekenen van
den dierenriem waren er op geschilderd, en eene kunstmatig nagebootste
zon wentelde er zich omheen; terwijl vlak er boven twee metalen reuzen
de uren op eene klok sloegen. Een ovaal plein met hooge huizen van
den allerwitsten steen, omringd door een ranken en fraaien booggang;
en hier en daar verhieven zich van het plaveisel van den weeken grond
sierlijke, spits toeloopende masten, om er de vlaggen aan te hijschen.

Mij dacht dat ik in de hoofdkerk trad, en in- en uitging onder hare
menigte bogen, die door hare geheele lengte loopen. Een grootaardige
en vakerige bouwstijl van onmetelijke evenredigheden; verguld met oude
mozaïeken; overladen met welriekende geuren, beneveld door den wierook;
kostbaar door schatten van edelgesteenten en metalen, flonkerend achter
ijzeren tralies; geheiligd door de lichamen der martelaren; als de
regenboog geschakeerd met vensters van gekleurd glas, duister door het
uitgesneden hout en het gekleurde marmer; somber in hare uitgestrekte
hoogten en verwijderde afstanden; glinsterende van zilveren lampen
en flikkerende lichten, denkbeeldig, phantastisch, eerbiedwekkend,
overal onbegrijpelijk. Mij dacht, ik betrad het oude paleis; mijne
schreden richtende door oude galerijen en raadkamers, waar de vroegere
bestuurders van de beheerscheresse der wateren, ernstig, in portret,
van de muren voor zich zagen, en waar hare hooggeroemde galeien, op het
doek nog altijd zegepralend, als vroeger streden en overwonnen. Mij
dacht, ik zwierf door zijne staatsie- en zegehallen--nu naakt en
ledig,--en terwijl ik staarde naar zijne vervlogen trotschheid en macht
(want dat alles was voorbij; alles) hoorde ik eene stem uitroepen:
"Eenige teekens van zijne oude heerschappij, en enkele troostredenen
voor zijn val, kunnen hier thans vrij opgespoord worden!" Ik droomde,
dat men mij toen voortleidde in eenige kamers, waar ik nog niet was
geweest, en die verbonden waren met eene gevangenis, nabij het paleis;
die daarvan gescheiden was door eene hooge brug, welke over eene nauwe
straat liep; en, zooals ik droomde, de Brug der Zuchten genoemd werd.

Maar eerst ging ik voorbij twee spleten, in den steenen muur
uitgehouwen: de Leeuwenmuilen--nu tandeloos--waarin, het kwam mij
ten minste in de ontroerende akeligheid van mijn slaap zóó voor,
aanklachten tegen onschuldigen, bij den ouden, slechten Raad
ingeleverd, meer dan eens in een donkeren nacht, werden geworpen.

Toen ik nu de raadkamer zag, waar dergelijke gevangenen ondervraagd
werden, en de deur, waar zij doorgingen, als zij veroordeeld
waren--eene deur, die nimmer dichtviel achter een man, die nog hoop
had te leven--scheen mijn hart in mijn boezem te willen barsten.

Het werd nog meer aangedaan toen ik, met eene fakkel in de hand, van
uit het vroolijke daglicht nederdaalde in twee rijen afgrijselijke,
akelige, verschrikkelijke, steenen cellen, de eene rij onder de andere;
zij waren geheel donker. In elke was een gat in den hechten muur,
waar, in vroeger tijd, iederen dag eene fakkel geplaatst werd--zoo
droomde ik--om den gevangene, die daarin was, voor een half uur
licht te verschaffen. De gevangenen hadden bij den glans dezer
kortstondige stralen, in de donkere gewelven, opschriften gekrast
en uitgehouwen. Ik zag deze. Want hun werk, door de punt van een
roestigen spijker voortgebracht, heeft hunne doodsangsten en hen
zelven, langer dan vele geslachten, overleefd.

Ik zag eene cel, waarin niemand langer dan vier en twintig uren
verbleef--daar hij ter dood veroordeeld was, voor hij haar betrad;
vlak er bij, eene andere, nog akeliger cel, waar de biechtvader te
middernacht kwam--een in het bruin gehulde monnik--die er overdag en
in de vrije, heldere lucht spookachtig uitzag, maar in de schemering
dezer duistere gevangenis alle hoop deed verdwijnen, en den heraut
van den moord geleek.

Ik stond met mijn voet op de plaats, waar, op hetzelfde gevreesde uur,
de gevangene, na gebiecht te hebben, geworgd werd, en raakte met mijne
hand de bewuste deur aan--die laag en als verborgen was,--door welke
de zware zak naar eene boot werd gedragen, en weggeroeid, en in het
water geworpen, dáár, waar men op doodstraf geen net mocht uitwerpen.

Om dezen hechten kerker en boven eenige gedeelten er van: tegen de
ruwe buitenwallen aanspoelende en ze van binnen door vochtigheid en
drab doende uitslaan: de spleten en scheuren vullende met vochtig wier
en met al hetgeen de zee uitwerpt, alsof zelfs de steenen en tralies
monden hadden, die gestopt moesten worden: een gemakkelijken weg
opleverende voor het wegvoeren van de lichamen der geheime slachtoffers
van den Staat--een zoo bereidwilligen weg, dat hij met hen meeging en
voor hen uitliep, evenals een wreede scherprechter--stroomde hetzelfde
water dat ik in mijn droom gezien had, en deed het zelfs toen naar
een droom gelijken.

Uit het paleis naar beneden gaande, langs eene trap, die, zooals ik
dacht, de Reuzentrap genoemd werd--ik meende mij te herinneren, dat
een oud man afstand deed, en langzamer en zwakker de trappen afklom,
toen hij de klok hoorde luiden, die zijn opvolger verkondigde--vertrok
ik met eene dier donkere booten, tot wij aan een oud tuighuis
kwamen, dat door vier marmeren leeuwen bewaakt werd. Om mijn droom
nog monsterachtiger en onwaarschijnlijker te maken, had één van
dezen woorden en zinspreuken op zijn lichaam, daar gegrift op een
ongekenden tijd en in eene ongekende taal; zoodat hun doel voor
iedereen geheim was.

Daar was een licht gehamer in deze plaats hoorbaar, daar men er
schepen bouwde en kleine werkzaamheden verrichtte; want de grootheid
der stad bestond niet meer, zooals ik gezegd heb. Het scheen inderdaad
een wrak te zijn, dat drijvende op het water was gevonden, met eene
vreemde vlag ten top geheschen en vreemdelingen aan zijn roer.

Een prachtig versierd vaartuig, waarmede zijn vroeger opperhoofd op
zekere tijden van het jaar wegvoer, om den Oceaan te huwen, lag, meen
ik, niet meer hier; maar, in zijne plaats, lag er een klein model,
vervaardigd uit het geheugen, evenals de grootheid der stad vroeger:
en het sprak tot mij van hetgeen geweest was (zoo worden de sterken
en de zwakken in het stof gelijk), bijna even welsprekend als de
hechte pilaren, bogen en zolderingen, opgericht om de fraaie schepen
te overschaduwen, die nu geen andere schaduw hadden, op het water of
op de aarde.

Nòg was er eene wapenkamer. Geplunderd en vernield, maar toch eene
wapenkamer, met een trotschen standaard, op de Turken veroverd,
die kwijnde in de sombere lucht van zijne kooi. Rijk versierde
malierustingen, door voorname krijgslieden gedragen, waren daar
bijeenverzameld; kruisbogen en werpspietsen; kokers vol pijlen, speren,
zwaarden, dolken, knotsen, schilden en zware strijdbijlen. Platen van
bewerkt staal en ijzer, om van het edele ros eene monster te maken,
geheel in metaal gesloten; en een werktuig (dat gemakkelijk op de
borst kon gedragen worden), geschikt om zonder gedruisch dienst te
doen: namelijk om de lieden met vergiftigde pijlen te doorschieten.

Eene kast of een gat zag ik, vol met gevloekte marteltuigen, op
afgrijselijke wijze daargesteld om de beenderen der menschen saam te
drukken, en in elkander te knijpen en te vermalen, en te verpletteren,
en ze vaneen te rijten en te verdraaien onder eene pijn, als stierf
men duizend dooden. Twee ijzeren helmen en borststukken lagen er voor,
om de hoofden der nog levende martelaars te drukken en te omsluiten;
en boven op elken was eene kleine verhevenheid, evenals eene aambeeld,
waarop de duivel, die de marteling bestuurde, zijn elleboog kon doen
rusten en zich vooroverbuigen om naar de klaagtonen en bekentenissen
van de ongelukkigen te hooren. De ijzeren helmen hadden nog een
flauwe gelijkenis met het menschelijk gelaat--zij waren vormen van
aangezichten, waarvan het zweet afliep en die door pijn verwrongen
waren--zoodat het moeielijk viel te denken, dat ze ledig waren; en
vreeselijke kramptrekkingen, die er nog in zweefden, schenen mij te
volgen, toen ik mij weder naar mijne boot begaf en naar eene soort van
publieke wandeling op zee roeide, waar gras en boomen waren. Maar ik
vergat die folteringen toen ik aan het uiterste einde er van stond--ik
stond daar in mijn droom--en langs de kust zag, naar de ondergaande
zon: vóór mij, in de lucht en op de diepte een karmozijnrooden gloed,
en achter mij, de geheele stad, die zich oploste in strepen van rood
en purper op het water.

In de bovenmatige verwondering over een zoo zeldzamen droom, lette ik
niet op den tijd en begreep weinig van zijne vlucht. Maar er waren
dagen en nachten in, en als de zon hoog aan den hemel stond en als
de stralen der lampen weerkaatst werden door het snelvlietende water
dreef ik nog steeds, (zooals ik dacht) met het opkomen van het getij,
dat mijn donkere boot, door de straten deed varen, tegen de slibberige
muren en huizen plassende.

Somtijds klom ik af aan de deuren van kerken en groote paleizen,
en wandelde van kamer tot kamer, van zijvleugel tot zijvleugel,
door doolhoven van rijke altaren, oude gedenkteekenen en vervallen
vertrekken, waar de meubelen, half vreeselijk, half belachelijk
wegrotten. Er waren schilderijen, waaruit zulke eene oneindige
schoonheid en uitdrukking, zulk een hartstocht, waarheid en macht
straalde, dat zij even zoovele jonge en versche wezenlijkheden
schenen, te midden van een leger geesten. Ik verbond ze, in mijne
verbeelding, met de oude dagen der stad; met hare schoonheden,
aanvoerders, burgers, kooplieden, makelaars, priesters; ja, zelfs
met hare steenen en pleinen; allen omringden mij weder, met een
nieuw leven bezield. Vervolgens eenige marmeren trappen afklimmende,
waar het water tegen sloeg en af zijpelde, stapte ik in mijne boot,
en voer, al droomende, verder.

Ik ging door nauwe straten, waar timmerlieden, in hunne winkels met
zaag en beitel aan het werk, lichte krullen in het water slingerden,
waar ze evenals wier lagen, of, door den vloed, als een saamgepakte
hoop langs mij heen werden gevoerd. Ik trok langs openstaande deuren,
vervallen en verrot, omdat ze lang in het nat stonden, door welke
een kleine reep van een wijngaard groen en helder schitterde, en met
zijne lispelende bladen ongewone schaduwen op de straat wierp. Ik
trok langs kaaien en terrassen, waar vrouwen, bevallig gesluierd,
heen en weder gingen, en waar luiaards in den zonneschijn op de
steenen of op de trappen lagen. Ik trok langs bruggen, waar ook
menschen waren, die heen en weder slenterden en nu en dan over de
leuning keken. Daaronder waren steenen balkons, zóó gebouwd, voor de
hoogste vensters van de hoogste huizen, dat ze hem duizelig maakten,
die er naar keek;--trok voorbij tuinen, schouwburgen, reliekenkastjes,
wonderbare groepeering van bouwwerken--Gothische--Saraceensche--grillig
met beelden van alle tijden en landen versierd; trok langs gebouwen,
die hoog en laag, en zwart, en wit, en recht, en krom, gemeen en
grootsch, vervallen en sterk waren;--verwarrende te midden van een
dichten hoop booten, en ten laatste terecht komende in eene groote
gracht! Daar verbeeldde ik mij, in mijn droom, den ouden Shylock heen
en weder over de brug te zien gaan, die geheel met winkels bebouwd
was en van waar een gegons van menschenstemmen oprees. Een vorm, die
mij toescheen Desdemona te zijn, boog voorover, onder een zonneblind
door, om een bloem te plukken. En in den droom dacht ik, dat de geest
van Shakespeare ergens over het water zweefde, en door de stad waarde.

Des avonds, toen er twee lampen brandden voor een beeld van de
H. Maagd, in eene galerij aan de buitenzijde der hoofdkerk, bij het
dak, verbeeldde ik mij, dat het groote Piazza van den Gevleugelden
Leeuw helder verlicht was, en dat zijne geheele rij van bogen vol volk
was, terwijl hoopen menschen zich vermaakten in prachtige koffiehuizen,
die er op uitkwamen--en die, naar mij dacht, nooit gesloten waren,
maar den ganschen nacht open bleven. Toen de bronzen reuzen het
middernachtsuur op de klok sloegen, dacht ik, dat al het leven en de
geestdrift dezer stad hier bijeenverzameld was; en toen ik wegroeide,
langs de stille kaaien, zag ik de lieden nog alleen als kleine stipjes
hier en daar, met slapende roeiers, die in hunne mantels gewikkeld,
zoo lang ze waren, op de steenen lagen.

Maar, dicht bij de kaaien en kerken, paleizen en gevangenissen;
schurende tegen de muren en opwellende in de geheimste plaatsen
der stad, kletst het water altijd. Zonder gedruisch en waakzaam, en
in vele plooien er omheen geslingerd, evenals eene oude slang, den
tijd afwachtende--zoo kwam het mij voor--dat men in zijne diepten
zou kijken, om een steen der oude stad te vinden die zich zijne
beheerscheresse noemde.

En zoo spoelde het mij weg, totdat ik ontwaakte op de oude marktplaats
te Verona. Ik heb meermalen naderhand aan dezen vreemden droom op het
water gedacht, mij half bevreemd vragende of die stad er nog liggen
zou, en of haar naam Venetië is.



DOOR VERONA, MANTUA EN MILAAN OVER DEN BERGWEG VAN DEN SIMPLON,
NAAR ZWITSERLAND.


Ik had half en half geaarzeld, naar Verona te gaan, in de vrees
dat het mij de beguicheling zou ontnemen ten aanzien van Romeo en
Julia. Doch zoodra ik op de oude marktplaats was aangekomen, werd de
vergissing uit den weg geruimd. Het is zulk eene grillige, aardige en
schilderachtige plaats, gevormd door zulk een buitengewone en rijke
verscheidenheid van phantastische gebouwen, dat er niets beters kon
worden gevonden, zelfs in het hartje dier romantische stad, die het
tooneel is van een der meest romantische en schoone geschiedenissen.

Het spreekt vanzelf, dat ik, van de markt, rechtstreeks naar het
huis der Capulets ging, dat nu ontaard is in een hoogst ellendig
herbergje. Luidruchtige voerlieden en bemodderde marktkarren betwistten
elkander het bezit van den hof, waar men tot over de enkels in de
vuilnis trad, en waar zich een troep beslijkte en bespatte ganzen
bevond; verder was er een hond met een grimmigen kop, op kwaadaardige
wijze hijgende bij den ingang eener deur, en die Romeo zeker bij het
been zou hebben gepakt, zoodra hij het over den muur stak, indien hij
namelijk toen bestaan en losgeloopen had. De boomgaard is in andere
handen gevallen, en is er, eenige jaren geleden, van afgescheiden
geworden, maar er was er een die bij het huis behoorde, of in allen
gevalle is het mogelijk, dat er een geweest zij--en de hoed [32],
het oude wapenteeken der familie, kan er nog, boven de deur van den
hof in steen gehouwen, worden gezien. De ganzen, de marktkarren,
de voerlieden van deze en de hond bedierven, het moet erkend worden,
de geschiedenis eenigermate, en het zou veel aardiger zijn geweest
het huis ledig te vinden, en door de onbewoonde vertrekken te kunnen
wandelen; maar het zien van den hoed was mij onuitsprekelijk aangenaam,
en de plaats waar vroeger de tuin was, schier niet minder. Buitendien
ziet er het huis zoo wantrouwend en nijdig uit als men er een kan
wenschen te zien, ofschoon het van zeer middelmatige hoogte is. Ik had
er daarom vrede mede, als het wezenlijke huis van den ouden Capulet,
en was dienovereenkomstig erkentelijk ten aanzien van eene uiterst
on-sentimenteele vrouw van middelbaren ouderdom, de waardin uit het
huis, die werkeloos op den drempel stond en naar de ganzen keek,
en die ten minste in het eenige bijzondere opzicht naar de Capulets
geleek, dat zij--in den dagelijkschen zin van het woord--zwaar was.

Van Julia's huis naar Julia's graf is de overgang, voor den bezoeker,
zoo natuurlijk als naar Julia zelve of naar de meest trotsche Julia om
wie ter eeniger tijd de heldere toortsen zijn ontstoken.--Ik ging alzoo
met een gids naar een ouden, zeer ouden tuin, die eens, naar ik geloof,
behoort had tot een oud, zeer oud klooster, en nadat ons eene vrouw
met schitterende oogen, die bezig was met het wasschen van kleeren,
door een verbrijzelde poort had binnengelaten, ging ik naar eenige
wandeldreven, waar versche planten en jonge bloemen lustig opschoten
tusschen brokstukken van oude muren en borstweringen, welke met klimop
waren begroeid. Daar werd mij een kleinen vijver of watertrog getoond,
welke door de vrouw met glinsterende oogen--terwijl zij de armen met
haar doek afdroogde--"La tomba di Giulietta la sfortuata" (Het graf
der ongelukkige Julia) werd genoemd. Met de sterkste geneigdheid om
te gelooven, kon ik het niet verder brengen dan te gelooven, dat de
vrouw met de schitterende oogen zelve het geloofde, zoodat ik haar
dat groote vertrouwen en bovendien hare gewone fooi in klinkende
munt schonk. Dat Julia's rustplaats vergeten was, baarde veeleer
genoegen dan teleurstelling. Hoe troostrijk het ook voor Yorick's
geest moge geweest zijn, op de steenen boven zijn hoofd voetstappen,
en twintigmalen op een dag zijn naam te hooren herhalen, is het echter
voor Julia beter buiten de treklijn der toeristen te liggen, en geene
andere bezoekers te krijgen dan die in voorjaarsregen, zachte lucht
en zonneschijn op de graven komen.

Verona is streelend! Met zijne schoone oude paleizen en bekoorlijk
landschap in het verschiet, dat zich uit de terraswandelingen,
en uit de statelijke, van hekken voorziene galerijen opdoet. Met
zijne Romeinsche poorten, die nog de fraaie straten bespannen, en
in het zonnelicht van heden de schaduw werpen van tweehonderd jaren
vroeger. Met zijne in marmer gekleede kerken, hemelhooge torens,
rijke bouwversierselen en aardige, stille, oude stegen, waar het
geschreeuw der Montagu's en Capulets eens weergalmde:


En deed Verona's oude burgerschaar,
Hun graf onlvloôn, een passend siersel zijn
Voor 't voeren van een hellebaard.


Met zijne snelvlietende rivier, schilderachtige, oude brug,
groot kasteel, lispelende cipressen, verrukkelijk en vroolijk
verschiet! Streelend Verona!

Tusschen dit alles op de Piazza di Bra--als een geest van de grijze
aloudheid, te midden der gemeenzame werkelijkheid van het vluchtige
thans--staat het groote Romeinsche Amphitheater, zóó wel bewaard en
zorgvuldig onderhouden, dat iedere rij zitplaatsen nog ongeschonden
is. Op enkele der bogen kunnen de Romeinsche cijfers nog gezien
worden, en er zijn gangen en trappen, en onderaardsche wegen voor de
beesten, en slingerpaden, boven en onder den grond, evenals toen de
trotsche duizendtallen er uit- en in snelden, begeerig de bloedige
vertooning van het strijdperk te aanschouwen. Thans nestelen in
sommige der schaduwrijke en holle plaatsen van de muren smeden en
hunne werkplaatsen, en eenige kramers in het klein, die het een
en ander te koop hebben, en op de borstwering is groenend onkruid,
en bladen, en gras. Maar anders is er weinig veranderd.

Toen ik alles met groote belangstelling had doorgeloopen en tot
de bovenste zitplaatsgalerij was gegaan, en, mij afwendende van
het schoone panorama, dat door de nabijgelegen Alpen omsloten werd,
naar beneden zag in het gebouw, scheen het voor mij te liggen als het
inwendige van een verschrikkelijk grooten hoed van gevlochten stroo,
met een zeer breeden rand en een ondiepen bol: de vlechten worden
voorgesteld door de vier en veertig rijen zitbanken. De vergelijking
is huiselijk en phantastisch, ten minste bij herinnering en op papier,
maar zij kwam, desniettemin, oogenblikkelijk onwederstaanbaar bij
mij op.

Eenigen tijd te voren was hier een paardrijderstroep geweest--dezelfde
troep, denk ik, die aan de oude dame in de kerk te Modena verscheen--en
had eene plaats aan het eene einde van het strijdperk opgeruimd,
waar zij hunne kunsten vertoonden en de sporen van de pooten hunner
paarden nog aanwezig waren.

Onwillekeurig stelde ik mij een handvol toeschouwers voor, op een
of twee van deze oude steenen zitbanken bijeen, en een met lovertjes
voorzien ruiter, die beleefd was, of een grappige Polichinello, waar
de barsche wallen op neerzagen. Bovenal dacht ik er aan, hoe vreemd
die Romeinsche zwijgenden naar het geliefkoosde grappige tooneel van
de reizende Engelschen zoude staren, waarin een Engelsch edelman
(Lord John), met een zeer dikken buik, gekleed in een blauwen rok
met panden tot aan de hielen, hooggele broek en een witten hoed,
opkomt, op een steigerend paard zittende met eene Engelsche dame
(Lady Betsey), uitgedost met een strooien hoed, een groenen sluier
en een rood spencer, en die altijd eene reusachtige reticule en eene
opgeslagen parasol met zich voert.

Ik wandelde het overige van den dag de stad door, en kon er, naar ik
geloof, tot nu toe gewandeld hebben. Op eene plaats was er een zeer
aardige nieuwerwetsche schouwburg, waar zij toen juist de opera Romeo
en Julia (die in Verona altijd gaarne gezien wordt) opvoerden.

In een andere was er, onder een zuilengang, eene verzameling Grieksche,
Romeinsche en Etrurische overblijfselen, waarbij een oud man zat,
die zelf wel een Etrurische reliek geleek; want hij was niet sterk
genoeg om het ijzeren hek open te duwen, toen hij het ontsloten
had, en had geen stem genoeg om zich te doen hooren, toen hij de
zeldzaamheden beschreef, noch gezicht genoeg om ze te zien; zoo
heel oud was hij. Op eene andere plaats was er eene galerij van
schilderstukken; zoo schrikkelijk slecht, dat het verrukkelijk was,
die te zien wegrotten. Maar overal, in de kerken, in de paleizen,
in de straten, op de brug, of beneden langs de rivier, was Verona
altijd behaaglijk, en zal het in mijn geheugen altijd blijven.

Ik las dien avond Romeo en Julia in mijne eigen kamer in het
logement--en natuurlijk had een Engelschman dat daar nooit te voren
gelezen--en vertrok den volgenden dag met zonsondergang naar Mantua,
waar ik (gezeten in de coupé van een omnibus en naast den conducteur,
die de Mystères de Paris las, bij mij zelven de regels herhaalde:


Daar is geen wereld, buiten dezen muur,
Maar kwelling, vagevuur, de helle zelf;
Van hier verbannen is verjaagd van de aard,
En zulk een ban is dood-- [33];

waardoor mij werd te binnen gebracht, dat, wanneer men de zaak op
de keper beschouwt, Romeo slechts uit een omtrek van vijf en twintig
mijlen buiten de stad was gebannen, en dit nam wel wat weg van mijn
vertrouwen op zijne geestkracht en fierheid.

Het zou mij bijster verwonderen, dat de weg naar Mantua in zijn tijd
zoo schoon ware geweest! Slingerde hij toen door even groene weiden,
schitterende door dezelfde glansrijke stroomen en geschakeerd door
frissche groepen bevallige boomen! Die purperen bergen lagen er stellig
toen reeds; en de kleeding van die boerendeernen, welke een groote
zilveren pen droegen, die van een knopje voorzien en van achteren door
de haren was gestoken, daarin zal wel kwalijk eenige verandering zijn
gekomen. Het hoopgevend gevoel, door zulk een schoonen ochtend en zulk
een overheerlijken zonsopgang verwekt, voor zoo iets kan geen hart,
ook zelfs dat niet van een uitgebannen minnaar koel blijven, en Mantua
zelf moet hem in het verschiet tegengeblonken hebben, met zijne torens,
en muren, en water, bijna als eene bruiloftskoets vol gasten op een
openbaar plein. Wellicht keerde en wendde hij zich op dezelfde scherpe
wijze over twee rammelende ophaalbruggen en dezelfde lange bedekten
houten brug, en naderde de roestige poort van het stilstaande Mantua,
terwijl hij het drabberige water daarachter verliet.

Zoo er ooit een mensch heeft bestaan, die goed paste voor een
dergelijke woonplaats, en eene woonplaats, die geschikt ware voor
hem, dan pasten de magere apotheker en Mantua volmaakt goed bij
elkander. Wellicht dat het toen woeliger geweest zij. Is dit het geval,
dan was de apotheker een man, die zijn tijd vooruit was, en voorzag
wat Mantua in achttienhonderd vier en veertig zou wezen. Hij vastte
veel en dit hielp hem in zijne voorwetenschap.

Ik stapte af aan het logement de Gouden Leeuw, en was in mijne kamer
met den koerier bezig plannen te maken, toen er een bescheiden tikje
aan de deur werd gedaan, welke op eene buitengalerij uitkwam die om
eene binnenplaats liep. Een zeer haveloos mannetje komt naar binnen,
om te vragen of mijnheer ook een cicerone begeerde om hem de stad te
toonen; zijn gelaat zag er zoo ernstig en ijverig uit, toen hij daar
zoo in de geopende deur stond, en er sprak zooveel armoede uit zijn
kale kleeding en gedeukten hoed, en uit zijne afgesleten handschoenen,
waarmede hij dien vasthield--en dat er niet te minder in uitgedrukt
lag, ofschoon het blijkbaar zijne haastig aangetrokken Zondagsche
kleeren waren--dat ik even gaarne hem zou vertreden als afgewezen
hebben. Ik nam hem op staanden voet aan, en hij kwam dadelijk binnen.

Terwijl ik de redekaveling eindigde met welke ik juist bezig was,
stond hij stralende van vreugd in een hoek en maakte een looze
vertooning alsof hij mijn hoed met zijn arm opwreef. Had zijn loon
zooveel Napoleons bedragen als het nu franken bedroeg, dan had er
over de schemering zijner haveloosheid niet zulk een zonnestraal
kunnen schitteren als er thans op den man glom nu hij aangenomen was.

"Wel," zeide ik, toen ik gereed was, "willen wij nu uitgaan?"

"Als 't mijnheer belieft. 't Is een schoone dag. Wel wat koeltjes,
maar toch aangenaam, recht lief. Gelieft mijnheer, dat ik de deur
open? Dit is de plaats van het logement. De hof van den Gouden
Leeuw. Mijnheer moet oppassen, dat hij op de trap niet uitglijdt."

Wij stonden nu op straat.

"Dit is de straat van den Gouden Leeuw. Dit is de buitenzijde van
den Gouden Leeuw. Het belangwekkende raam, daar boven op de eerste
verdieping, waar die ruit gebroken is, is het raam van mijnheers
kamer!"

Nadat ik al die opmerkelijke voorwerpen had bekeken, vraagde ik,
of er te Mantua veel te zien was.

"Wel, mijnheer! Inderdaad niet. Niet veel! zoo zoo," zeide hij,
zijne schouders, bij wijze van verantwoording, ophalende.

"Veel kerken?"

"Neen. Bijna allen zijn door de Franschen afgeschaft."

"Kloosters?"

"Neen. Alweer door de Franschen! Bijna allen zijn door Napoleon
afgeschaft."

"Is er veel handel?"

"Zeer weinig handel."

"Veel vreemdelingen?"

"Och hemel!"

Ik dacht dat hij in flauwte zou vallen.

"Wat zullen wij," zeide ik, "dan doen als we ginds de twee groote
kerken hebben bezichtigd?"

Hij keek de straat op en af, en wreef op bedeesde wijze zijne kin,
en zeide toen, terwijl hij mij in het aangezicht keek, alsof er een
lichtstraal in zijn geest was gevallen, en tevens met een nederig,
volslagen en onweerstaanbaar beroep op mijne toegeeflijkheid!

"Signore! wij kunnen eene kleine wandeling in de omstreken der stad
doen (Si può far' un piccolo giro delle città)."

Die voorslag kon mij slechts aangenaam wezen en wij gingen te zamen
zeer opgeruimd uit. In zijne vergenoegdheid opende hij zijn hart,
en pakte zooveel van Mantua uit als een cicerone kan doen.

"Men moet eten," zeide hij, "maar Pah! het is ongetwijfeld eene
akelige plaats."

Hij maakte zooveel hij maar kon van de hoofdkerk van St. Andreas--eene
statige kerk--en van een afgesloten gedeelte van het plaveisel,
om hetwelk waskaarsen brandden en eenigen knielden; en onder welke,
naar men zegt, de Sangreal der oude romancen is bewaard. Toen wij
deze kerk en nog eene andere (de hoofdkerk van San Pietro) hadden
bezichtigd, gingen wij naar het Museum, dat gesloten was. "Dat
beteekende niet veel," zeide hij. "Bah! Er binnen is niet veel te
zien!" Toen gingen wij het Piazza del Diavolo (het Duivelsplein)
zien, dat door den duivel (met geen bijzonder doel) in een enkelen
nacht was gebouwd; vervolgens het Piazza Virgiliana, daarna het
standbeeld van Virgilius--onze dichter, zooals mijn kleine vriend
zei, een oogenblik zijn geest eene vaart doende nemen, en zijn hoed
een weinigje schuin opzettende. Toen gingen wij naar eene akelige
soort van werf eener hoeve, langs welke men toegang verkreeg tot
eene schilderij-verzameling. Op het oogenblik dat de poort van dit
verblijf werd geopend, kwamen er eene groote vijfhonderd ganzen om
ons heen waggelen, en strekten hare halzen uit, en kwaakten op de
akeligste wijze, alsof ze riepen: "O! daar is volk om de schilderijen
te kijken! Ga niet naar boven! Ga niet naar boven!" Terwijl wij
opklommen, wachtten zij, tot een hoop samengeschoold, heel stil bij de
deur, en kakelden daar, eens te hooi en te gras, op halfluiden toon;
maar op het oogenblik dat we ons weer vertoonden, kwamen hunne halzen
weer vooruitsteken als kleine verrekijkers, en begonnen ze een groot
rumoer te maken, dat ongetwijfeld moet beteekenen: "Hoe! wilt ge
alweer heengaan? Wat zegt ge er van! Hoe vindt ge 't!" Zij wachtten
ons af aan het buitenhek en vervolgden ons spottend tot aan Mantua.

De ganzen, die het Kapitool hebben gered, waren, in vergelijking met
deze, niet meer dan zwijnenvleesch in verhouding tot een geleerd
speenvarken. Welk eene galerij! Ten aanzien van een onderwerp van
kunst, zou ik hunne meening zelfs hooger stellen dan de redevoeringen
van Sir Joshua Reynolds.

Nu we weer op straat stonden, nadat we op schandvolle wijze daarheen
waren geëscorteerd was mijn kleine vriend volstrekt bepaald bij de
"Piccolo giro" of kleine wandeling door de stad, welke hij vroeger
had voorgeslagen. Maar mijn inval het Palazzo Tè te bezoeken (waarvan
ik veel had gehoord als van een vreemd en wild gebouw), schonk hem
nieuw leven, en we gingen heen.

Het geheim van de lengte der ooren van Midas zou nog meer algemeen
zijn bekend geworden, ingeval zijn bediende, die het tusschen het riet
uitfluisterde, in Mantua had gewoond, waar riet en biezen genoeg zijn
om het aan geheel de wereld te verkondigen.

Het Palazzo Tè staat op een veenachtigen grond, te midden van
dergelijke plantgewassen, en is voorzeker een van de zonderlingste
plaatsen, welke ik ooit heb gezien.

Niet om zijn treurigheid, ofschoon het droevig genoeg is. Noch om zijne
vochtigheid, ofschoon het zeer vochtig is. Noch om zijn berooiden
toestand, ofschoon die zoo berooid en veronachtzaamd is als een
huis het kan wezen. Maar hoofdzakelijk om de ontelbare nachtmerriën,
waarmede het inwendige (onder andere voorwerpen van eene meer malsche
behandeling) is versierd door Giulio Romano. Daar is een glurende
reus boven zekeren schoorsteenmantel, en er zijn reuzen bij dozijnen
(Titans, die tegen Jupiter strijden); op de muren van een ander
vertrek, die zoo onbegrijpelijk leelijk en grotesk zijn, dat men er
over verwonderd staat, hoe eenig mensch zich zulke schepsels kan hebben
voorgesteld. In de kamer, waarin men er een overvloed van vindt, zijn
die gedrochten met opgezwollen aangezichten en bolle wangen, en alle
soort van verdraaide blikken en ledematen, afgemaald, als wankelende
onder de zwaarte van neerstortende gebouwen, en onder de puinhoopen
bedolven, en rotsmassa's oplichtende, en zich er onder begravende;
terwijl zij tevergeefs pogen de zuilen in stand te houden van zware
zolderdaken, die op hunne hoofden neervallen; en in één woord, hoe
zij alle soort van uitzinnige en duivelachtige vernieling ondergaan
en uitvoeren.

De beelden zijn van eene verbazende grootte, en overdreven tot
den hoogsten graad van onhebbelijkheid; het koloriet is hard en
onaangenaam; en het effect van het geheel doet, naar ik meen, veel
meer dan eenig werkelijk tafereel door de hand eens kunstenaars
voor oogen gesteld, het bloed op geweldige wijze naar het hoofd
der aanschouwers opstijgen. Deze tafereelen, waarvan men kippevel
krijgt, werden vertoond door een ziekelijk schijnende vrouw,
wier voorkomen, naar ik het waag te zeggen, het gevolg is van de
schadelijke uitwasemingen der moerassen. Het was echter moeielijk
zich vrij te houden van de gedachte, of zij niet al te zeer werd op-
en nagejaagd door de reuzen, die haar door verschrikking den dood op
het lijf joegen; haar, die geheel alleen was in dat paleis, dat als
een uitgedroogde regenbak stond tusschen riet en biezen, met al den
nevel, die er buiten omheen hing en er zich aanhoudend omheen bewoog.

Onze wandeling door Mantua vertoonde ons, in bijna elke straat,
eenige buiten dienst gestelde kerk; nu eens voor een magazijn van
koopwaren, dan eens voor niemendal gebruikt; alle op den hoogst
mogelijken graad gebrekkig en verwaarloosd, en op het punt van in te
vallen. De moerassige stad was zoo dof en eentonig, dat de morsigheid,
die er op zat, daar niet scheen gekomen te zijn op de gewone wijze,
maar op hare oppervlakte te zijn bezonken, en aangeslibd als in
stilstaand water. En echter ging er nogal wat handel om, en werd
er nog wat voordeel verkregen; want er waren bogen, waaronder vele
Israëlieten aan de buitenzijde hunner winkels zaten, en hunne stapels
stoffen en wollen goederen en schitterende zakdoeken en snuisterijen
ten toon spreidden, en er in alle opzichten zoo spraakzaam en druk
bezig uitzagen als hunne geloofsbroeders in Houndsditch te Londen.

Toen ik een Vetturino had gekozen uit de nabijzijnde christenen,
die aannam ons in derdehalven dag naar Milaan te brengen, en den
volgenden ochtend met het openen der poorten te vertrekken, keerde
ik naar den Gouden Leeuw terug en gebruikte een lekker middagmaal op
mijn kamer, in een engen doorgang tusschen twee bedsteden, waarover
een rookend vuur en aan de andere zijde eene latafel was. Op den
volgenden ochtend ten zes uur rinkelden wij, in het donker, door den
natte, kouden mist, die de stad bedekte: en vóór het middaguur begon
de voerman (een inboorling van Mantua en omstreeks zestig jaren oud),
den weg naar Milaan te vragen.

Deze leidde door Bozzolo: voorheen eene kleine republiek, en thans een
van de meest verlaten en met armoede bezochte steden; waar de kastelein
uit het ellendige logement--'t was zijne wekelijksche gewoonte (God
zegene hem daarvoor!)--zeer kleine muntstukjes uitdeelde onder een
luidruchtigen troep vrouwen en kinderen, wier lompen fladderden in
den wind en den regen buiten de deur, waar zij te hoop geloopen waren
om zijne aalmoes te ontvangen.

De weg leidde dien dag en den geheelen volgenden door mist, en slijk,
en regen, en wijnstokken, die laag bij den grond waren. De eerste
rustplaats was Cremona, gedenkwaardig om hare sombere kerken, van
tichelsteenen gebouwd, en hare verbazend hooge torens: de Torazzo--om
van hare violen te zwijgen--van welke zij in deze ontaarde tijden
geen enkele voortbrengt; en de tweede Lodi. Toen gingen wij voort,
door nog meer slijk, mist en regen en moerassige gronden, en door
zulk een dikken nevel, dat de Engelschen, die sterk zijn in het
geloof aan hunne eigene grieven, geneigd zijn te gelooven, dat zij
een dergelijken in hun eigen land alléén aantreffen; dit duurde tot
wij de geplaveide straten van Milaan binnenreden.

De nevel was daar zóó dik, dat men evenveel van de torenspits der wijd
vermaarde hoofdkerk kon zien, als stond zij te Bombay. Maar daar wij
er eenige dagen bleven om ons te ververschen, en tegen den volgenden
zomer er weder terugkeerden, had ik ruime gelegenheid den heerlijken
bouwstijl er van in al zijne majesteit en schoonheid te aanschouwen.

Elk christen behoort hulde te doen aan den Heilige die er in rust. Er
mogen vele goede en echte heiligen in den almanak staan, maar San
Carlo Borromeo bezit--als ik bij zulk een onderwerp juffrouw Primrose
[34] mag aanhalen--"mijn warm hart." Hij was een liefderijk geneesheer
voor de zieken, en weldadig vriend voor de armen, en dit alles niet
door een geest van blind bijgeloof, maar als de fiere tegenstander
van geweldige gebruiken in de kerk van Rome: zijne nagedachtenis
vereer ik. Ik vereer ze er niet te minder om, dewijl hij bijna
werd omgebracht door een priester, door priesters omgekocht om
hem voor het altaar te vermoorden, ter vergelding zijner pogingen,
ter hervorming van eene valsche en huichelachtige broederschap van
monniken. De hemel bescherme alle navolgers van San Carlo Borromeo,
zooals Hij hem beschutte! Een hervormingsgezinde paus zou zelfs nu
wel een weinigje bescherming noodig hebben.

De onderaardsche kapel, in welke het lichaam van San Carlo Borromeo
wordt bewaard [35], vertoont een contrast zoo treffend en akelig,
als er in eenige plaats kan worden gezien. De waskaarsen, welke daar
beneden branden, blikkeren en glimmen tegen haut-reliefs (verheven
beeldwerk) in goud en zilver, op kunstige wijze bewerkt door bekwame
handen, en de voornaamste gebeurtenissen voorstellende uit het leven
van den Heilige. Edelgesteenten en edele metalen blinken en glinsteren
aan alle zijden. Door een windas wordt de voorzijde des altaars
langzaam op zijde geschoven, en daarbinnen, in eene prachtige kist
van goud en zilver, ziet men, door albast heen, de gerimpelde mummie
van een man; de priesterlijke gewaden die het versieren, schitterend
als zij zijn van diamanten, smaragden, robijnen en alle soorten van
kostbare en prachtige steenen. De ineengeschrompelde hoop ellendige
aarde, te midden dier groote schittering, wekt meer medelijden dan
indien het op een mesthoop lag. Er is geen straal van weergekaatst
licht in al de schittering en het vuur der juweelen, of hij schijnt
te spotten met de donkere holten, die eens oogen hebben bevat. Elke
draad zijde in de rijke kleederen schijnt slechts voorraad van wormen,
die spinnen ten gerieve van wormen, die in graven voorttelen.

In de oude eetzaal van het vervallen klooster van Santa Maria delle
Grazia is het kunstwerk wellicht meer dan eenig ander ter wereld
bekend: Het Avondmaal door Leonard Da Vinci--waarin de snuggere
Dominicaner monniken eene deur hebben gemaakt, om de bezigheden van
den maaltijd met meer gemak te kunnen volbrengen.

Met het practische gedeelte der schilderkunst ben ik niet bekend, en
heb geene andere middelen om over eene schilderij te oordeelen, dan
wanneer zij de natuur gelijkt en verfraait en bevallige samenstellingen
van vormen en kleuren aanbiedt. Daarom behoeft men mij niet te
gelooven, wat de "behandeling" van dezen of genen meester betreft;
hoewel ik zeer wel weet, (zooals iedereen weten kan, die over de zaak
nadenkt) dat zeer weinig voorname meesters, met eenige mogelijkheid,
in hun leeftijd de helft van de schilderijen kunnen vervaardigd hebben,
die hun naam dragen en die door vele menschen, aanspraak makende op
een goeden smaak, als ontwijfelbaar oorspronkelijke werken erkend
worden. Maar dit tusschen twee haakjes.

Over het Laatste Avondmaal, te Milaan, zal ik alleen opmerken,
dat zij, wat compositie en ordonnantie aangaat, eene wonderschoone
schilderij is, maar dat zij het niet is om hare oorspronkelijke
kleur of hare eigenaardige uitdrukking van eenig gezicht of van
gelaatstrekken. Behalve de schade, welke zij door de vochtigheid, het
verval en verzuim geleden heeft, is het (zooals Bary [36] aantoont) zoo
bij- en overgeschilderd, en nog wel zóó ellendig, dat verscheidene der
koppen volstrekt mismaakt zijn met strepen verf en kalk, smetten, die
er aanhangen evenals wennen en de uitdrukking geheel verwringen. Dáár,
waar de oorspronkelijke kunstenaar de indruksels van zijn genie aan
een gelaat mededeelde, dat hem door eene enkele lijn of toets van
mindere schilders onderscheidde, en hem maakte wat hij was, volgden
broddelaars hem op, scheuren en spleten opvullende en beschilderende,
en die buiten staat waren zijne manier na te bootsen; en zij hebben
er strepen, en wenkbrauwfronsingen en rimpels van hun eigen maaksel
bijgevoegd en het meesterstuk beklad en bedorven.

Dit is eene zoo geschiedkundige daadzaak, dat ik haar niet zou
herhalen, en daardoor de kans loopen van vervelend te worden, had
ik niet een Engelsch heer voor de schilderij opgemerkt, die zich
groote moeite gaf, in zachte stuiptrekkingen (zoo zou ik ze ten minste
beschrijven), te vallen, op het zien van eenige fijne bijzonderheden
van uitdrukking, die er niet meer in aanwezig zijn. Waarom het, voor
reizigers zoowel als voor beoordeelaars, aangenaam en niet meer dan
billijk zou zijn, om eindelijk te begrijpen, dat het volstrekt ééns een
werk van groote verdiensten moet geweest zijn, wanneer, bij zoo weinig
van hare overgebleven oorspronkelijke schoonheden, het grootsche van
de oorspronkelijke teekening thans nog voldoende is om haar naam op
te houden als eene schilderij vol belangstelling en waardigheid.

Wij beschouwden, natuurlijk, ook al het andere bezienswaardige in
Milaan; en het is een fraaie stad, hoewel niet zoo onbedrieglijk
Italiaansch, dat men dit op het eerste gezicht zien zou; evenmin
bezit zij de eigenaardige hoedanigheden van vele steden, die op
zich zelve minder belangrijk zijn. Het Corso, waar de Milaneesche
rijken in hunne koetsen op en neer rijden (en liever dan dit niet
te doen, binnenshuis half van honger zouden willen sterven), is
een allerstatigste publieke wandelweg, door lange lanen van boomen
overschaduwd. In den prachtigen schouwburg, van La Scala werd, na de
opera, een heldenballet opgevoerd, Prometheus genaamd; waar, bij den
aanvang er van, een paar honderd mannen en vrouwen ons sterfelijk ras
voorstelden, zooals het was voordat de verfijningen der kunsten en
wetenschappen, der liefde en der bevalligheden op aarde kwamen om het
te beschaven. Ik heb nooit iets gezien, dat meer effect maakte. In
het algemeen is de gebaren-taal der Italianen opmerkelijker wegens
haar plotselingen en onstuimigen aard dan wegens hare keurige
uitdrukking; maar in dat geval werden de kwijnende eentonigheid;
het matte, ellendige, lustelooze, vadsige leven; de schraapzuchtige
hartstochten en begeerten van menschelijke schepsels, beroofd van dien
geestverheffenden invloed, waaraan wij zooveel verschuldigd zijn, en
aan welker voorstanders wij zoo weinig er voor in de plaats geven,
op eene inderdaad krachtige en aandoenlijke wijze uitgedrukt. Ik
zou het bijna onmogelijk geacht hebben, een zoodanig denkbeeld zoo
krachtig op het tooneel voor te stellen zonder behulp der spraak.

Ten vijf uur des ochtends hadden wij Milaan reeds verlaten, en
vóórdat het vergulde beeld op den top van de spits der hoofdkerk
met den blauwen hemel ineensmelt, vertoonden zich de Alpen voor onze
oogen, als een verwarde hoop van bergtoppen en kruinen, door wolken
en sneeuw omgeven.

Evenwel vervolgden wij onzen koers daarheen, tot het donker werd;
en den geheelen dag namen de bergtoppen, wanneer de weg ze ons van
verschillende kanten deed beschouwen, vreemdsoortige, veranderlijke
vormen aan. De schoone dag spoedde juist ten einde, toen wij het Lago
Maggiore (groote meer) met zijne bekoorlijke eilanden bereikten. Want
hoe grillig en phantastisch het Isola Bella (schoone eiland) ook zijn
moge, het is nochtans schoon. Alles wat uit dit blauwe water opduikt,
omringd door zulk een landschap, moet schoon zijn.

Ten tien uur des avonds kwamen wij te Domo d'Ossola, aan den voet der
bergengte van den Simplon. Maar daar de maan helder scheen en er geen
wolkje in de met sterren bezaaide lucht zweefde, was het geen tijd
om naar bed te gaan, of iets anders te doen dan voort te reizen. Na
dus een weinig uitgerust te hebben, kregen wij een klein rijtuigje,
en begonnen wij naar boven te rijden.

Het was op het einde van November en de sneeuw lag vier of vijf voet
hoog op den gebaanden weg op den bergtop; op andere gedeelten was
de nieuwe laag alreeds dik; de lucht was doordringend koud. Maar
de helderheid van den nacht, en het grootsche uitzicht op den weg,
met zijne ondoordringbare schaduwen en dikke duisternis, en zijne
plotselinge wendingen bij het maanlicht, en het onophoudelijk geraas
van het neerstortend water, maakten de reis bij iedere schrede meer
en meer verheven.

De weg begon, na van de kalme Italiaansche dorpen, die onder ons
in het maanlicht sluimerden, te zijn afgeweken, tusschen de sombere
boomen te loopen, en kwam na eenigen tijd in eene barre, steile en
moeielijk te genaken streek, waar het maanlicht helder en schitterend
scheen. Trapsgewijze werd het geraas van het vallend water luider; en
het wonderbare spoor, na den stroom op eene brug te zijn overgestoken,
schoot tusschen twee hechte, steile rotsmuren, die het schijnsel
der maan geheel uitsloten en alleen eenige weinige sterren lieten
schijnen in de nauwe streep van den hemel er boven. Maar ook dit
ging teloor in de diepe duisternis van een hol in de rots, waardoor
de weg gegraven was; daar de verschrikkelijke waterval er vlak onder
klaterde en donderde, met zijn schuim en zijne wateren, die als een
nevel voor den ingang hangen. Uit dit hol opnieuw in het maanlicht
komende, en over eene vreemdsoortige brug gaande, kruipt en wendt de
weg zich opwaarts, door de bergengte van Gondo, woest en grootsch,
boven eenige beschrijving verheven, met bevallige uitziende afgronden,
die aan beide zijden in de hoogte rezen en elkander bijna boven onze
hoofden ontmoetten.

Zoo trokken wij den geheelen nacht, langs den ruwen weg, al hooger en
hooger, zonder ons een oogenblik vermoeid te gevoelen, verloren als
wij waren in de beschouwing der donkere rotsen, der verschrikkelijke
hoogten en diepten, der zachte sneeuwvelden, die thans tusschen spleten
en holen lagen, en de trotsche stroomen, die eensklaps in den diepen
afgrond nederstortten.

Met het aanbreken van den dag bereikten wij de sneeuwvelden, waar een
scherpe wind vinnig woei. Na met eenige moeite de bewoners opgeklopt
te hebben van een houten huis, dat in deze eenzame plaats stond,
en waar de wind akelig omheen huilde, en de sneeuw wegblies en
deed rondwarrelen, kregen wij een soort van ontbijt in eene kamer
vervaardigd van ongeschaafde planken, maar goed verwarmd door middel
van eene kachel en goed ingericht (zooals het ook noodig was) om de
zware stormen er buiten te houden. Nadat er eene slede gereed was en
vier paarden er voor gespannen waren, trokken wij verder, de sneeuw
doorploegende. Steeds opwaarts; maar nu in de koude morgenlucht,
die door de groote witte woestijn, waar wij doorreisden, duidelijk
en helder werd.

Wij waren op den top van den berg: vóór ons was het ruwe houten kruis,
dat zijne grootste hoogte boven de oppervlakte der zee aanduidt--toen
de stralen der opkomende zon plotseling op de smeltende sneeuw vielen
en haar een donkerroode kleur deden aannemen. Het grootsche van dit
eenzame tooneel vertoonde zich toen ten top zijner verhevenheid.

Toen wij zoo voortgleden, kwam er uit het godshuis, door Napoleon
gesticht, een troep reizende landlieden, met stokken en knapzakken,
die er hadden overnacht. Zij werden verzeld door een paar monniken,
hunne gastvrije verzorgers, die langzaam met hen voortstapten om
hun gezelschap te houden. Het was prettig hun een goeden morgen te
wenschen, en aardig ze een goed eind wegs na te staren, ten einde te
zien hoe ze naar ons omkeken, en, als een van onze paarden struikelde
of viel, dadelijk weifelden of zij al of niet zouden terugkeeren, om
ons te helpen. Maar het was dan weder spoedig op de been, door de hulp
van een ruwen voerman, wiens span hier ook was blijven vastzitten,
en toen we hem tot vergelding uit dien tegenspoed hadden geholpen,
verlieten wij hem, daar hij langzaam naar hen heen zwoegde, en gingen
gemakkelijk en snel voort, langs den zoom van een steilen afgrond,
tusschen de pijnboomen die op den berg groeiden.

Toen wij kort daarop weder in het rijtuig waren, begonnen wij snel
den berg af te rijden, onder eeuwige ijsbergen komende, die den vorm
hadden van boogvormige galerijen, van welke eene menigte ijskegels
neerhingen; boven en onder schuimende watervallen; in de nabijheid van
schuilplaatsen, en galerijen om er opkomende gevaren te ontgaan, door
holen, over welker boogvormige zolderingen de sneeuwvallen in de lente
heenglijden, en zich in de niet doorzochte kloof daar beneden begraven;
naar beneden, over hooge bruggen en door schrikbarende ravijnen: eene
kleine afgescheiden plek in de uitgestrekte en woeste tooneelen van ijs
en sneeuw en monsterachtige granietrotsen. Naar omlaag door den diepen
bergpas van Saltine, waar men verdoofd wordt door den stroom, die
tusschen de naakte rotsblokken, in het vlakke land, daar ver omlaag,
woedend naar beneden valt. Naar omlaag langs heen en weer slingerende
wegen, en liggende tusschen een hooger en een lager gelegen afgrond,
naar warmer weder, kalmer lucht, en liefelijker landschap, tot wij
de kerken en kerktorens van eene Zwitsersche stad, met metaal gedekt,
met roode, groene en gele kleuren als goud en zilver vóór ons in den
dauw en den zonneschijn zagen glinsteren.

Daar de onderwerpelijke herinneringen alleen Italië betreffen,
en het dus mijne zaak is, zoo snel als mogelijk is daarheen terug
te hollen, wil ik (hoewel ik degelijk de verzoeking er toe gevoel)
niet vermelden, hoe de Zwitsersche dorpen, groepsgewijze liggende
aan den voet van reusachtige bergen, er uitzien als speelgoed;
en hoe verward de huizen opeengehoopt en opgestapeld zijn; of hoe
de straten er nauw zijn, om den huilenden wind des winters geen te
grooten toegang te verschaffen; en hoe de gebroken bruggen door de
woedende stroomen, in de lente plotseling van banden ontslagen waren
medegesleurd. Of hoe daar boerinnen waren met groote, ronde, bonte
kappen, die als zij het venster uitkeken en alleen het hoofd deden
zien, het voorkomen hadden eener bevolking van zwaarddragers van
den Lord Mayor te Londen; of hoe schoon de stad Vevay zich voordeed,
aan het bekoorlijke meer van Genève gelegen; of hoe het standbeeld
van St. Pieter, in de straat van Freyburg, den grootsten sleutel in
de vuist klemt, die er ooit is gezien; of dat Freyburg beroemd is om
de twee hangbruggen en het groote orgel der hoofdkerk.

Of hoe tusschen die stad en Bazel de weg als een doolhof loopt,
tusschen welvarende dorpen van houten hutten, met overhangende
rieten daken en lage, vooruitstekende vensters, beglaasd met kleine,
ronde vensterruiten als drieguldenstukken; of hoe er in elk klein
Zwitsersch erf, met de kar of wagen, zorgvuldig naast het huis onder
dak geplaatst, en het tuintje, pluimgedierte en de groepen van kinderen
met blozende wangen, een voorkomen van welvaart heerschte, dat, na
Italië te hebben gezien, zeer nieuw en zeer streelend was; hoe de
kleeding der vrouwen weder veranderde, en er geen zwaarddragers meer
waren te zien, maar in plaats daarvan, zich helderwitte borstlappen, en
groote, zwarte, waaiervormige gaasachtige kappen in menigte vertoonden.

Of hoe bekoorlijk de streek was in de nabijheid van het Jura-gebergte,
met sneeuw besprenkeld, door de maan verlicht en met de muziek van
het neerstortende water; of hoe, onder de vensters van het groote
hotel de Drie Koningen te Bazel, de gezwollen Rijn met snellen loop
en groene kleur voortstroomde; of hoe hij te Straatsburg, even snel
maar minder groen, en, naar men zegt, lageraf mistig was: en dat hij,
zóó laat in het jaar, eene veel minder zekere reisbaan opleverde dan
de groote weg naar Parijs.

Of hoe Straatsburg zelf met zijne prachtige, oude, Gothische hoofdkerk
en ouderwetsche huizen, met hunne spitse daken en gevels, eene kleine
galerij van vreemde en belangwekkende gezichten opleverde; of hoe
er binnen in de hoofdkerk, tegen den middag, eene menigte menschen
verzameld waren, om het beroemde uurwerk in beweging te zien, bij het
slaan van het middaguur. Hoe bij het slaan daarvan een geheel leger
van poppen eene menigte vernuftig bedachte bewegingen verrichtten; en
hoe, onder deze, een groote kunstmatige haan, die op den top stond,
twaalf maal luid en helder kraaide. Of welk een wonderlijk gezicht
het opleverde, hoe die haan groote moeite deed om te klapwieken en
zijn hals uit te rekken, maar blijkbaar geen verband had met zijne
eigen stem, die een groot eind lager uit de klok voortkwam.

Of hoe de weg naar Parijs, een enkele zee van slijk was; en vandaar
naar de kust, door eene ingevallen harde vorst, een weinig beter
werd. Of hoe Dover's duinen een behaaglijk gezicht opleverden, en
Engeland zoo verwonderlijk lief er uitzag--ofschoon het, dit dient
erkend, op een winterdag donker en kleurloos is.

Of hoe het, een paar dagen naderhand, koud was bij het weder
oversteken van het Kanaal, met ijs op het dek en tamelijk veel
sneeuw in Frankrijk; of hoe de postkoets door de sneeuw krabbelde,
in de heuvelachtige streken door een aantal moedige paarden op een
klein galopje voortgetrokken; of hoe er, vóór 't dag was, buiten
het plein van het postkantoor te Parijs, zonderlinge avonturiers in
hoopen lompen, met kleine harken, in de besneeuwde straten rakelden,
om naar prullen en vodden te zoeken.

Of hoe tusschen Parijs en Marseille terwijl de sneeuw er zeer hoog
lag, dooi inviel, en dat de mail, de volgende driehonderd mijlen
of daaromtrent, meer waadde dan reed; hoe er, des Zondagsavonds, de
veeren van braken, en zij hare twee passagiers uitzette, opdat deze
zich, middelerwijl zij hersteld werd, konden verwarmen en ververschen
in ellendige biljartkamers, waar een harig gezelschap om de kachel
vergaârd zat en kaart speelde; welke kaarten zeer veel naar hen zelven
geleken, daar ze uiterst slap en morsig waren.

Of hoe wij te Marseille werden opgehouden door stormweer, en
stoombooten aankondigden dat ze zouden vertrekken, en het toch niet
deden; of hoe de goede stoompakket Charlemagne (Karel de Groote)
eindelijk uitvoer en zulk weer trof, dat ze nu eens dreigde binnen
te loopen in Toulon, en dan eens in Nizza, doch, doordat de wind ging
liggen, geen van beide deed, maar in plaats er van, de haven van Genua
binnenliep, waar mij de bekenden klokken zoet in de ooren klonken. Of
hoe er een reisgezelschap aan boord was, waarvan een lid zeer ziek
lag in het vertrekje dat naast het mijne was, en, door zijne ziekte
korzelig geworden, weigerde het woordenboek te geven, dat hij onder
zijne peluw bewaarde, en daardoor zijn reisgezelschap noodzaakte
elk oogenblik bij hem naar beneden te komen, om te vragen, hoe men
een klontje suiker, een glas brandewijn en water--hoe laat is het,
enz. in het Italiaansch zeide; hetwelk hij altijd met zijne eigene,
zieke oogen wilde opzoeken daar hij weigerde het boek aan eenige
levende ziel toe te vertrouwen.

Evenals Grumio, had ik u dit en nog iets meer kunnen vertellen--maar
het zou weinig hebben gebaat ware ik er niet in belet door de
herinnering, dat ik mij met Italië moet bezighouden. Dus zal het,
zooals Grumio's geschiedenis, "in de vergetelheid sterven."



NAAR ROME DOOR PISA EN SIËNA.


Voor mij bestaat er in Italië niets schooners dan de kustweg
tusschen Genua en Spezzia. Aan de eene zijde ziet men, soms veraf,
soms nabij en gelijk met den grond, en vaak omzoomd door gebroken
rotsen van veelsoortigen vorm: dáár de blauwe zee met hier en daar eene
schilderachtige feluca (een soort vaartuig), die zachtkens voortglijdt;
op de andere zijde, hooge heuvels, bergkloven met witte stulpjes
bestrooid, plekken van donkere olijfbosschen, dorpskerken met hare
ranke, opengewerkte torens en vroolijk geschilderde landhuizen. Op
alle heuveltjes en dijken langs den weg, de wilde cactus en de aloë in
kwistigen overvloed bloeiende, en de tuinen der schoone dorpen langs
den weg, des zomers gloeiende van groepen der Belladonna, terwijl
zij in den herfst en den winter rieken van de oranje- en citroenboomen.

Eenige van de dorpen zijn bijna uitsluitend door visschers bewoond,
en het is aardig, hunne groote booten op het strand gehaald te zien, en
eene geringe oppervlakte beschaduwende waarin zij liggen te slapen, of
waar de vrouwen en kinderen zitten te snateren en naar de zee te zien,
terwijl zij hunne netten op den oever herstellen. Daar is eene stad,
Camoglia, met hare kleine haven, honderden voeten lager dan de weg,
aan de zee gelegen, waar huisgezinnen van zeevarenden wonen, die,
zeer lang geleden, te dezer plaatse reeders van kustvaarders waren
en op Spanje en op andere landen handel dreven. Van den weg gezien
die er boven ligt, doet zij zich voor als eene schrale afspiegeling
aan den kant der gerimpelde watervlakte, schitterende in het licht
der zon. Daarheen afgedaald zijnde, langs de slingerende sporen der
muilezels, is zij eene volmaakte afbeelding in het klein van eene
oorspronkelijke zeeplaats: de zoutwaterigste, ruwste, roofziekste,
kleine stad, die er ooit gezien is. Groote verroeste ijzeren ringen
en meer-kettingen, kaapstanders en brokken van oude masten en sparren
verstoppen den weg; kloeke booten, om in slecht weer uit te varen,
en zeemansplunjes fladderen in de kleine haven of liggen op de
zonnige steenen te drogen; op de borstwering van den ruwen steiger
liggen eenige kerels te slapen, die er als waterrotten uitzien,
met hunne voeten over den wal slingerende, alsof land en water hun
hetzelfde was; en glipten zij er in, zij zouden wegdrijven, genoeglijk
voortsluimerende te midden der visschen; de kerk schittert van de
gedenkteekenen, uit zee medegebracht, en van de gelofte-offeranden,
ter herinnering aan redding uit storm of schipbreuk. De woonhuizen, die
niet onmiddellijk op de haven uitkomen, zijn toegankelijk door middel
van donkere, lage gewelfde gangen en uitgesleten trappen, alsof ze,
in duisternis en moeielijkheid om te genaken, gelijk moesten zijn aan
het ruim van een schip, of aan ongemakkelijke kajuiten onder water;
en overal riekt het naar visch, en zeewier en oud touw.

De kustweg, van waar men Camoglia reeds van verre in de laagte kan zien
liggen, is in het warme jaargetijde, voornamelijk in eenige gedeelten
der omstreken van Genua, beroemd door de St.-Jans-torren. Op een
duisteren nacht daar langs wandelende, heb ik deze schoone insecten
één schitterend uitspansel zien daarstellen; zoodat de verafzijnde
sterren verbleekten bij den glans en het geflonker, welke op ieder
olijfboschje en langs elke helling der heuvelen schitterden en de
geheele lucht vervulden.

Het was evenwel niet in zulk een tijd van het jaar, dat wij langs
dezen weg trokken om ons naar Rome te begeven. Het midden van
Januari was juist voorbij, en het was zeer somber en donker weer,
en zeer vochtig bovendien. Toen wij door den schoonen bergpas van
Bracco trokken, overviel ons zulk eene mist- en regenbui, dat wij
den geheelen weg als in eene wolk voorttrokken. Wij zagen daar zòò
weinig van de Middellandsche Zee alsof er geene in de wereld was,
behalve wanneer eene plotselinge windvlaag, den mist, die haar omgaf,
voor een oogenblik opklarende, de onstuimige zee verre beneden ons
vertoonde, hoe zij de verwijderde rotsen geeselde en haar schuim
woedend opspatte. Het regende onophoudelijk; iedere beek en stroom
was hevig gezwollen; en zulk een oorverdoovend klotsen, en bruisen,
en hol gonzen des waters, heb ik in mijn leven niet meer gehoord.

Toen wij van daar te Spezzia kwamen, vonden wij dat de Magra, eene
rivier zonder brug op den grooten weg naar Pisa, te gezwollen was,
om ons zonder gevaar in de pont te doen overzetten; en wij waren
genoodzaakt te wachten, tot op den achtermiddag van den volgenden
dag, toen zij gedeeltelijk gevallen was. Spezzia evenwel is eene
goede plaats om er te wachten; ten eerste, wegens hare schoone baai;
ten tweede, wegens haar spookachtig logement; ten derde, wegens het
hoofddeksel der vrouwen, die, aan de eene zijde van haar hoofd, een
kleinen poppenstroohoed dragen in het haar vastgestoken; zekerlijk
het zonderlingste en zotste hoofddeksel, dat ooit is bedacht.

Nadat wij de Magra zonder gevaar in de pont waren overgestoken--de
overtocht is geenszins aangenaam, wanneer de stroom sterk en gezwollen
is--kwamen wij binnen eenige uren te Carrara aan. Den volgenden morgen
kregen wij vroegtijdig eenige hitjes, en reden uit om de marmergroeven
te zien.

Er zijn vier of vijf groote bergkloven, oploopende tusschen eene rij
hooge heuvelen, totdat zij niet hooger kunnen en plotseling door de
natuur worden ineengewrongen. De groeven of "kelders", zooals zij
ze hier noemen, zijn zoovele openingen, boven aan de heuvels, op
beide zijden dezer engten, waarin men groeven en uithollingen maakt
om marmer te zoeken, dat goed of slecht kan uitvallen, en zeer snel
iemands fortuin kan maken, of hem arm doen worden, door de hooge
arbeidsloonen voor iets, dat niets waard is. Eenige dezer groeven
zijn door de oude Romeinen geopend, en zijn thans nog in denzelfden
staat waarin zij ze gelaten hebben.

Velen anderen zullen nog heden, andere weder morgen, de volgende
week, de volgende maand ontgonnen worden, andere groeven blijven
onverkocht, en er wordt zelfs niet eens aan gedacht. Er ligt overal
nog meer marmer verborgen dan er noodig is voor een aantal eeuwen,
gelijk aan die er zijn vervlogen sedert men voor het eerst tot deze
plaats zijne toevlucht nam; en dat geduldig den tijd afwacht, waarin
het ontdekt zal worden.

Als gij langs een dezer steile bergengten klimt en klautert (nadat
gij den buikriem van uw hitje, een mijl of twee lager, in het
water bevochtigd hebt), hoort gij elk oogenblik de waarschuwende
en droefgeestige tonen van de hoorn, stiller dan de vorige stilte,
tusschen de heuvelen weergalmen,--een sein voor de mijngravers om
weg te spoeden. Dan hoort men een donderenden slag, die van den eenen
heuvel tot den anderen teruggekaatst wordt, en groote stukken der rots
worden dan soms in de lucht geworpen; en gij klimt hooger, totdat een
nieuw hoorngeschal, van eene andere zijde komende, u onmiddellijk doet
ophouden, om niet in de nabijheid eener nieuwe ontploffing te komen.

Boven op die heuvelen--aan de zijde--was een aantal mannen bezig,
de brokken steen en aarde uit den weg te ruimen en naar beneden te
werpen, om plaats te maken voor de marmerblokken, die opgegraven
waren. Deze stukken, door onzichtbare personen geworpen, kwamen naar
beneden rollen in de nauwe vallei, en onwillekeurig dacht ik aan de
steile bergengte (juist eene als deze), waarin de vogel Roc, Sinbad
den zeeman achterliet, en waar de kooplieden groote stukken vleesch
van boven afwierpen opdat er de diamanten zouden aankleven. Hier waren
geene arenden, om in hunne vlucht de stralen der zon te onderscheppen
en op het vleesch neer te schieten, maar het was er even wild en
woest alsof er honderden tegenwoordig waren.

Maar welk een weg is het, waarlangs het marmer komt, hoe groot ook
de blokken zijn! Moge de genius van het land en de beschermgeest van
zijne instellingen dien weg bestraten; dien herstellen; er over waken;
dien in stand houden! Verbeeld u een stroom die over een rotsachtig
bed loopt, dat met steenen van alle grootte en vorm bezaaid is,
en door het midden der vallei slingert; en dit is de weg--omdat het
voor vijfhonderd jaren de weg was.

Verbeeld u de lompe karren van voor vijfhonderd jaren, die tot heden
toe, evenals vroeger, nog gebruikt en voortgetrokken worden door ossen,
waarvan de voorouders, voor vijfhonderd jaren zich doodgewerkt hebben,
evenals hunne ongelukkige nakomelingen thans in twaalf maanden sterven,
door het lijden en den doodsangst bij dit wreede werk. Twee paren,
vier paren, twintig paren voor een blok, naarmate van de grootte;
langs dezen weg moet het naar beneden. Zoo tobben zij van steen tot
steen, terwijl zij verschrikkelijk zware lasten achter zich slepen,
totdat zij meermalen op de plaats zelve den laatsten snik geven; en
zij niet alleen; want hunne hartstochtelijke drijvers, die somtijds in
hunne drift nedervallen, worden dan onder de wielen verpletterd. Maar
het was goed vijfhonderd jaren geleden, en het moet ook nu goed
zijn; en een spoorweg langs eene dezer steilten aan te leggen (het
gemakkelijkste ding ter wereld) zou godslasterend zijn.

Toen wij er bij stonden, om eene dezer karren, slechts door een paar
ossen voortgetrokken, naar beneden te zien komen (want er lag maar
een klein blok marmer op), begroette ik in mij zelven den man, die
op het zware juk zat, om het de arme beesten op den nek te houden--en
nog wel ruggelings--als den duivel van het zuivere despotisme. Hij had
een grooten stok, met eene ijzeren punt, in de hand, en als zij niet
meer konden voortzwoegen of hun weg vervolgen, door het losse bed van
den stroom, en een oogenblik ophielden, stak hij ze hun in het lijf,
sloeg hen op het hoofd, draaide haar in hunne neusgaten heen en weder,
en kreeg ze, door de hevigheid hunner woedende pijnen, eenige ellen
verder voort; herhaalde, brandende van verlangen zijn doel te bereiken,
wanneer zij weer ophielden, al zijne overtuigingsmiddelen in dubbele
mate, en kreeg ze nog eens voort, dwong en dreef ze tot aan een meer
afloopend gedeelte der helling: en wanneer de hevige pijnen en de
zwaarte achter hen ze aanzetten om, onder eene wolk van opspattend
water, door den afgrond te gaan, dan zwaaide hij den stok boven
zijn hoofd en slaakte een vreugdekreet, alsof hij iets van belang
verricht had; maar scheen er niet aan te denken, dat de beesten hem
konden afwerpen, en blindelings zijne hersenen op den weg vertrappen,
te midden zijner zegepraal.

Dezen achtermiddag in een van de menigvuldige werkplaatsen van
Carrara staande--want het is een groot atelier, vol van de schoonste,
afgewerkte kopieën in marmer, van bijna ieder beeld, elke groep en
buste die ons bekend zijn--kwam het mij in het eerst zoo vreemd voor,
dat die keurige vormen, vol bevalligheid, geest en heerlijke standen,
uit al dit werk en zweet en uit al deze martelingen ontstaan zouden.

Maar ik vond spoedig eene parallel en eene uitlegging er voor in
iedere deugd die op een ellendigen grond ontspringt, en elke zaak
die ontstaat te midden van kommer en ellende; en van uit het groote
raam van het atelier des beschouwers naar de bergen ziende, waar de
marmergroeven zijn, die rood en gloeiend waren bij het vallen van den
avond, dacht ik: hoevele groeven van menschelijke harten en zielen, die
veel fraaier uitkomsten konden opleveren, zijn niet ontgonnen en liggen
weg te rotten; terwijl reizigers, die het leven slechts vermaakshalve
schijnen door te trekken, hunne aangezichten onder het voorbijgaan
afwenden, en sidderen voor de somberheid en ruwheid die ze bedekt.

De toen regeerende hertog van Modena, wien dit grondgebied gedeeltelijk
toebehoorde, maakte op de hooge onderscheiding aanspraak, de eenige
vorst in Europa te zijn, die Lodewijk Philips niet heeft erkend als
koning van Frankrijk! Hij boertte niet, maar meende het ernstig. Ook
hij was een tegenstander van spoorwegen, en zou, als sommige lijnen tot
stand kwamen, die in overweging genomen waren door de andere vorsten,
waartusschen zijn gebied gelegen is, waarschijnlijk het genoegen smaken
een omnibus te bezitten, die over zijne niet uitgestrekte bezittingen
reed, om reizigers van de eene wachtplaats naar de andere te brengen,

Carrara, door hooge heuvelen omringd, ziet er zeer schilderachtig
en fier uit. Slechts toeristen verwijlen hier; en de bewoners staan
allen op de eene of andere wijze in betrekking met het bewerken
van het marmer. Bij de groeven zijn ook dorpen, waar het werkvolk
woont. De stad bezit een fraaien kleinen schouwburg, onlangs gebouwd:
en het is hier eene zeer belangwekkende gewoonte, de koren saam te
stellen uit lieden die in de marmergroeven arbeiden, en welke zich
zelven onderrichten en alleen op het gehoor zingen. Ik heb een komiek
zangspel en een bedrijf van Norma van hen gehoord, en ze voerden het
vrij goed uit; niet gelijk de geringe klasse in Italië gewoonlijk
doet, welke (behalve eenige uitzonderingen onder de Napolitanen)
erg valsch zingt en eene zeer onaangename stem heeft.

Van den top van een heuvel aan gene zijde van Carrara, is het
eerste uitzicht over de vruchtbare vlakte, waarin de stad Pisa
ligt--benevens Livorno, als eene purperen vlek in het verwijderd
verschiet--verrukkend. Ook is het niet het verschiet alléén, dat
het uitzicht betooverend maakt; want de vruchtrijke streek en de
boschjes van olijfboomen, door welke de weg zich heenslingert, maken
het verrukkend.

De maan scheen toen wij Pisa bereikten, en nog lang zagen wij
achter den muur den overhellenden toren in het weifelende licht;
het schaduwachtig oorspronkelijke van de oude prent-afbeeldingen in
schoolboeken, die "de wonderen der wereld" beschrijven.

Evenals de meeste zaken, die in verband staan met schoolboeken en
schooljaren, was hij te klein. Ik gevoelde het innig. Hij stak in het
geheel niet zoo hoog boven den muur uit als ik gehoopt had. Het was
weder eene van die menigte bedriegerijen, uitgeoefend door mijnheer
Harris, aan den hoek van St.-Paul's-kerkhof te Londen. Zijn toren was
eene hersenschim, maar dit was wezenlijkheid. Evenwel zag hij er toch
vrij goed uit, en was wel zooveel buiten de loodlijn als men hem had
voorgesteld. Ook het stille voorkomen van Pisa; het groote wachthuis
aan de poort met slechts twee kleine soldaten er in; de straten, waarin
men ternauwernood eenig volk bemerkte; en de Arno, die bevallig door
het midden der stad stroomde, waren uitmuntend goed. Aldus koesterde
ik geen wrok meer tegen mijnheer Harris (daar ik mij zijn goeden wil
herinnerde), maar vergaf 't hem, alvorens te gaan dineeren, en ging
uit in het vertrouwen den volgenden morgen den toren te zien.

Ik zou het beter hebben kunnen weten; maar ik verwachtte hem op de eene
of andere wijze te zien, hoe hij zijne lange schaduw in eene straat
liet vallen, waar den geheelen dag volk uit- en inging. Het baarde mij
verwondering, hem te vinden op eene ernstige, stille plaats van het
algemeen gewoel verwijderd, en met zachte, groene zoden bedekt. Maar
de hoop gebouwen, op en rond dit groenend vloertapijt geschaard:
bestaande uit den toren, het doophuis, de hoofdkerk en de kerk van
het Campo Santo, is misschien de opmerkenswaardigste en schoonste
van de geheele wereld; en dewijl ze aldaar te zamen opgehoopt zijn,
verwijderd van de gewone bezigheden en neringen der stad, zoo bezitten
ze een zeldzaam, eerwaardig en indrukwekkend voorkomen. Ze zijn de
uitgelezen bouwwerken eener oude, rijke stad, welke van al de gewone
gebouwen is ontdaan en gezuiverd.

Sismondi vergelijkt den toren met de gewone afbeeldingen in
kinderboekjes van den Toren van Babel. Het beeld is gelukkig gekozen,
en geeft een beter denkbeeld van het gebouw, dan geheele hoofdstukken
eener uitvoerige beschrijving. Niets kan de bevalligheid en lichtheid
der bouworde te boven gaan; niets kan opmerkenswaardiger zijn, dan zijn
geheel voorkomen. Wanneer men naar den top klimt (door middel van eene
gemakkelijke trap), is de overhelling niet zeer merkbaar, maar wordt
dit aan den top, en doet eene gewaarwording ontstaan, als ware men op
een schip dat door de eb overhelt. De uitwerking aan den lagen kant om
het zoo te noemen--als men van de galerij naar beneden kijkt, en den
koker naar zijne basis ziet terugwijken--is om er van te schrikken;
en ik zag een zenuwachtig reiziger, die naar beneden had gezien,
onwillekeurig den toren vasthouden, als dacht hij hem te stutten.

Het gezicht aan de binnenzijde van den grond af--naar boven ziende,
als door eene schuine buis--is zeer zonderling. Hij helt zekerlijk
zooveel over als de bloedrijkste toerist verlangen kan. De natuurlijke
aandrift van negen en negentig menschen van de honderd, die op het
punt stonden zich op het gras er onder neer te leggen en de naburige
gebouwen te beschouwen, zou waarschijnlijk zijn: niet onder de
overhellende zijde te gaan liggen;--zoo schuin is hij.

De veelvuldige schoonheden van de hoofdkerk en het doophuis behoeven
niet door mij herhaald te worden; maar wanneer ik ze mij herinner,
dan vind ik 't in dit geval en in honderd andere moeielijk, mijn eigen
vermaak af te scheiden van uwe verveling, als ik ze zou uitmeten. In
de eerste is de beeltenis van Sinte Agnes, door Andreas del Sarto,
en in het laatste zijn eene menigte rijk versierde kolommen, die mij
sterk in verzoeking brengen.

Ik breek, zoo ik hoop, geenszins mijn besluit om in geene uitvoerige
beschrijvingen te vervallen, wanneer ik mij het Campo Santo herinner;
waar graven, met gras begroeid, zijn gemaakt in aarde, meer dan
zeshonderd jaren geleden uit het Heilige Land aangevoerd; en hetwelk
omringd wordt door zulke kloosters, met zoodanig beweegbaar licht
en schaduwen, door hun keurig beitelwerk op het steenen plaveisel
vallende, dat zeker het verstomptste geheugen het nimmer zou
vergeten. De muren van deze statige en bekoorlijke plaats zijn
versierd met oude fresco's, zeer beschadigd en vervallen, maar zeer
bezienswaardig. Zooals gewoonlijk het geval is in iedere verzameling
van schilderstukken in Italië, van welken aard ook, waar vele koppen
zijn afgebeeld, is er, in een van dezen, eene toevallige treffende
gelijkenis met Napoleon. Er was een tijd dat ik er behagen in vond,
mij zelven af te vragen, of deze oude schilders, al werkende, een
voorgevoel hadden van den man, die eens zou opstaan om zulk eene
vernieling in de kunst aan te richten, wiens soldaten mikschijven van
groote schilderijen zouden maken en te midden van de pronkstukken der
bouwkunde hunne paarden zouden stallen. Maar hetzelfde Korsikaansche
gelaat wordt, op den huidigen dag, in sommige streken van Italië
zóó overvloedig gevonden, dat eene meer alledaagsche oplossing der
toevalligheid onvermijdelijk is.

Indien Pisa, krachtens zijn toren, het zevende wonder der wereld is,
mag het vorderen, ten minste het tweede of derde te zijn uit hoofde
van zijne bedelaars.

Deze pogen telkens den ongelukkigen bezoeker te belagen, vergezellen
hem tot aan iedere deur waar hij binnentreedt, en liggen, aanzienlijk
versterkt, voor elke deur op hem te wachten, waaruit zij weten
dat hij moet komen. Het gekras van de deur op hare scharnieren is
het teeken voor een algemeenen kreet, en op het oogenblik dat hij
verschijnt, wordt hij omringd en aangevallen door hoopen van lompen
en grijnzende lieden. De bedelaars schijnen zich van al den handels-
en ondernemingsgeest van Pisa meester te maken. Niets verroert zich
in de straten, dan de warme lucht. Wanneer men de straten doorgaat,
zien de voorgevels der slaperige huizen er als achterhuizen uit. Zij
zijn allen zoo stil en rustig, en gelijken zóó weinig naar huizen
waarin menschen wonen, dat het grootste gedeelte der stad er uitziet
evenals eene stad in den vroegen morgen, of als hield de gansche
bevolking de siesta (het middagslaapje). Of het gelijkt nog meer naar
de achtergevels op gewone prentverbeeldingen, of oude platen, waar de
vensters en deuren ternauwernood zijn aangetoond, en men een beeld
(natuurlijk een bedelaar) eenzaam op en neder ziet wandelen in een
grenzenloos perspectief.

Dit is niet het geval met Livorno, (bekend doordien Smolet er begraven
ligt, waar lediggang verdreven wordt door den handel. De wetten op den
handel en voor de kooplieden zijn hier zeer vrijzinnig; en de stad
heeft er, natuurlijk, veel voordeel van. Livorno heeft een slechten
naam, wat moordenaars aangaat, en men moet het bekennen, met eenig
recht. Weinige jaren geleden was daar eene moordenaars-club, waarvan
de leden niemand in het bijzonder eenigen haat toedroegen, maar des
nachts op straat iemand (die hun geheel onbekend was) vermoordden,
alleen ter aanprikkeling en vermaakshalve. Ik geloof, dat de voorzitter
van dat lieve gezelschap een schoenmaker was. Hij werd echter gevat
en de club ging uiteen. Waarschijnlijk zou die in den natuurlijken
loop der gebeurtenissen verdwenen zijn, vóór de spoorweg tusschen
Livorno en Pisa geopend ware; die vrij goed is, en reeds Italië
verwonderd heeft, door een voorbeeld te geven van nauwkeurigheid,
orde, eerlijke handelwijze en verbetering--de gevaarlijkste en meest
naar ketterij riekende reden, die verwondering baart over alles. Er
moet zekerlijk eene kleine onaangename gewaarwording, evenals die
bij eene aardbeving, op het Vatikaan gevoeld zijn geworden, toen de
eerste Italiaansche spoorweg geopend werd.

Wij keerden naar Pisa terug en huurden een goed geluimd Vetturino
en zijne vier paarden, om ons naar Rome te brengen. Wij trokken door
bevallige Toskaansche dorpen en hadden den geheelen dag een vroolijk
uitzicht. De kruisen aan den weg zijn in dit gedeelte van Italië
talrijk en zonderling. Zelden is er een beeld aan het kruis, doch
soms een aangezicht; maar zij zijn opmerkelijk wegens de kleine houten
modellen waarmede zij versierd zijn, van ieder mogelijk voorwerp dat
betrekking heeft op den dood van den Zaligmaker. De haan, die kraaide
toen Petrus zijn Meester driemaal verloochend had, is gewoonlijk
bovenop geplaatst, en een wonder onder de vogelen. Beneden dezen is
het opschrift (I. N. R. I.). Dan hangen aan het dwarshout: de speer,
het riet, met de spons vol azijn en water aan het einde vastgehecht,
de rok zonder naad waarom de krijgslieden dobbelden, de beker waarmee
zij de dobbelsteenen wierpen, de hamer die de ijzeren nagels indreef,
de nijptang die ze er uithaalde, de ladder welke tegen het kruis was
gezet, de doornenkroon, de geeselroeden, de lantaren, waarmede Maria
naar den grafkelder ging (ten minste zoo denk ik), en het zwaard,
waarmede Petrus den dienaar van den hoogepriester versloeg--een
volmaakte poppenwinkel van kleine voorwerpen, welke iedere vier of
vijf mijlen langs den geheelen straatweg herhaald wordt.

Op den avond van den tweeden dag nadat wij Pisa verlaten hadden,
bereikten wij de fraaie, oude stad Siëna. Er was, wat zij een
Carnavalsvreugd noemen, aan den gang; maar daar het geheim bij een
paar hoopjes volk berustte, die er zeer droefgeestig uitzagen, de
voornaamste straten, met grof beschilderde momaangezichten, op en neder
liepen en, indien het mogelijk ware, nog treuriger zagen dan hetzelfde
slag van volk in Engeland, zoo zal ik er niets meer van zeggen. Wij
gingen den volgenden morgen vroegtijdig de hoofdkerk bezichtigen,
die, zoowel van binnen als van buiten, er hoogst schilderachtig
uitziet, voornamelijk aan de buitenzijde--benevens het marktplein
of de groote Piazza, dat vrij ruim is, en waarop eene groote fontein
staat met eene gebroken voorzijde, eenige vreemdsoortige, gothische
huizen, en een hoogen vierkanten, tichelsteenen toren, aan welks
buitenzijde--een vreemd verschijnsel bij dergelijke gezichten in
Italië, eene vervaarlijk groote klok hangt. De stad gelijkt wel iets
naar Venetië, zonder het water.

Er zijn eenige bezienswaardige, oude paleizen in de stad, die zeer
oud is, en die, zonder mij de belangstelling van Verona en Genua in
te boezemen, zeer droomerig en phantastisch en allerbelangwekkendst is.

Zoodra wij deze zaken gezien hadden, reden wij verder, door eene vrij
schrale landstreek (daar waren tot nu toe niets dan wijngaarden,
die om dezen tijd van het jaar veel naar wandelstokken geleken) en
hielden, als gewoonlijk, tusschen een en twee uren op het midden van
den dag stil, om de paarden te laten rusten--daar iedere Vetturino
zulks te voren bedingt. Daarna reden wij verder, door eene streek,
die trapsgewijs schraler en woester en eindelijk zoo bar en akelig
werd als de Schotsche moerassen. Toen het duister was geworden,
hielden wij op aan de osteria (herberg) van La Scala, een geheel
eenzaam huis, waar het huisgezin om een vuur zat, dat in de keuken
op een steenen verhevenheid, drie of vier voet boven den grond,
aangelegd was, en dat groot genoeg was om er een os voor te braden.

Op de bovenste en ook de eenige verdieping van dit logement was eene
groote zaal, die er woest uitzag, met een klein venstertje in een
hoek, en vier zwarte deuren, die in verschillende richtingen toegang
verleenden naar vier donkere slaapkamers. Om nog niet eens te spreken
van eene andere groote, zwarte deur die toegang verleende naar eene
andere groote, donkere zaal, waar men, door een soort van luik in den
vloer, dadelijk op eene trap kwam en waar de daksparren boven uw hoofd
zichtbaar waren; noch van een kleinen hoop argwaanwekkende lieden,
die zich in een donkeren hoek van de kamer verborgen, in welke al de
messen van het huis in verschillende richtingen verspreid lagen. De
haard was van de zuiverste Italiaansche bouworde, zoodat het, door
den rook, volslagen onmogelijk was dien te kunnen onderscheiden. De
herbergierster geleek naar de vrouw van een roover uit een drama,
en droeg hetzelfde hoofddeksel. De honden blaften alsof ze dol waren;
de echo's weerkaatsten die wellevendheden. Daar was geen ander huis,
twaalf mijlen in het rond, en de zaken hadden een treurig voorkomen,
of liever dat van een moordhol.

Dit verbeterde niet, toen ons geruchten van roovers ter oore kwamen,
die, weinige nachten geleden, sterk in aantal en stoutmoedig
ronddoolden, en den postwagen in de nabijheid dezer plaats hadden
aangehouden. Het was bekend dat zij, nog niet lang geleden, eenige
reizigers op den berg Vesuvius zelven overvallen hadden, en men sprak
van hen in al de herbergen, aan den weg gelegen. Daar wij er evenwel
niets mede te maken hadden (omdat wij weinig verliezen konden), zoo
lachten wij er mede, en waren spoedig zoozeer op ons gemak als noodig
was. Wij namen het gewone middagmaal in dit eenzame huis; en wanneer
men er zich aan heeft gewend, is het een zeer goed middagmaal. Er
wordt iets opgebracht met groenten of rijst er in, dat eene soort
van vergoeding is van een willekeurigen aard voor soep, en dat vrij
wel smaakt als ge het gekruid hebt met veel geraspte kaas, rijkelijk
zout en overvloedig peper. Er is een halve vogel, waarvan de soep is
gekookt geworden. Er is eene gestoofde duif, waaromheen de maag en
de lever van haar zelve en die van andere vogels liggen. Er is een
stukje gebraden vleesch, zoo groot als een klein Fransch broodje. Er
is een stukje Parmezaansche kaas, en vijf kleine, verkleurde appelen,
alles door elkander op een kleinen schotel gehoopt, en tegen elkander
aangedrukt, alsof ze beproefden de kans te ontkomen van opgegeten te
worden. Dan is er koffie, en een bed. Gij maalt niet om een steenen
vloer; gij maalt niet om onsluitbare deuren of open- en dichtslaande
vensters; gij maalt er niet om of uwe eigen paarden onder het bed
gestald en zoo dicht bij u zijn, dat ge iederen keer wakker wordt,
als er een paard hoest of niest. Als gij goed geluimd zijt tegen de
menschen in uwe nabijheid, en aardig spreekt, en er vroolijk uitziet,
geloof mij vrij, dan kunt ge, zelfs in de ergste Italiaansche herberg,
wel onthaald worden, en altijd op de verplichtendste wijze;--en van
het eene eind van de landstreek naar het andere gaan (in weerwil
van alle vertelseltjes, die het tegendeel verhalen) zonder dat uw
geduld ergens geducht op de proef zal gesteld worden. Voornamelijk
niet indien gij zulken wijn in mat-flesschen krijgt, als de Orvieto
of de Monte Pulciano.

Het was een gure ochtend toen wij deze plaats verlieten; en wij
trokken, gedurende twaalf mijlen, door eene streek, even bar, even
steenachtig en even woest als Cornwallis is in Engeland, totdat wij
Radicofani bereikten, waar eene spookachtige geestenherberg is, vroeger
een jachtslot, toebehoord hebbende aan de hertogen van Toskane. Het
is zóó vol van slingergangen en groote kamers, dat al de spook- en
moord verhalen, die ooit geschreven zijn, in dit huis hun oorsprong
kunnen gehad hebben. Daar zijn eenige verbazend oude paleizen in Genua;
één voornamelijk, dat er van buiten veel naar gelijkt; maar dit huis
te Radicofani is zulk een winderig, krakend wormstekig, rammelend
verblijf, waarvan de deur gedurig open- en dichtslaat, en waar men
geen voet op de trappen kan zetten zonder uit te glijden, als ik
nooit ergens anders gezien heb. De stad, zooals ze dan is, ligt langs
de helling van een heuvel boven het huis, en er vlak tegenover. De
inwoners zijn allen bedelaars; en zoodra zij een rijtuig zien aankomen,
gieren ze naar omlaag en er op aan, als zoovele roofvogels.

Toen wij de bergengte bereikt hadden, die aan gene zijde der stad
ligt, begon de wind (gelijk zij ons in de herberg gewaarschuwd hadden)
zoo hevig op steken, dat wij verplicht waren mijne wederhelft uit het
rijtuig te halen, om haar niet met rijtuig en al te laten omverwaaien,
en ons aan den kant, van waar de wind kwam, er aan vast te klemmen
(zoo goed als wij van 't lachen konden), om het rijtuig te verhinderen
weggevoerd te worden, de Hemel weet waarheen. Wat de kracht van
den wind betreft, zoo zou die landorkaan kunnen wedijveren met eene
windvlaag in den Atlantischen Oceaan en eene redelijke kans hebben
om de zege te behalen. De rukwind kwam aanzetten, gierende door
de breede kloven, tusschen de rij bergen ter rechterzijde; zoodat
wij met wezenlijken angst naar een groot moeras, ter linkerzijde,
staarden, en zagen dat er geen heester of takje was om er ons aan
vast te houden. Het scheen alsof wij, eenmaal door een wind opgenomen,
naar zee of in de ruimten moesten gedreven worden.

Het sneeuwde en hagelde en regende en bliksemde en donderde,
en er heerschte eene neveljacht, die met ongeloofelijke snelheid
voortdreef. Het was uiterst donker en akelig; er waren bergen boven
bergen, in sombere wolken gehuld; en er was overal zulk eene vinnige,
jagende, hevige, woelige haast, dat het tooneel er onuitsprekelijk
opwekkend en grootsch door werd.

Desniettemin was het eene groote verlichting, toen wij het achter
den rug hadden, zelfs nu wij het nare, morsige Kerkelijk Gebied
moesten overtrekken. Wij kwamen door twee stadjes; in een van welke,
Acquapendente, juist een carnavalsfeest gevierd werd, bestaande in een
man, gekleed en gemaskerd als eene vrouw, en eene vrouw, gekleed en
gemaskerd als een man, die op droefgeestige wijze tot over de enkels in
het straatslijk liepen. Daarna kwamen wij tegen donker in het gezicht
van het meer van Bolsena, op welks oever eene stad van denzelfden naam
ligt, die beroemd is om hare moeraskoorts. Buiten die armoedige stad
is er op de oevers van het meer of in de nabijheid er van geen enkel
stulpje (want niemand waagt het er te slapen), noch eene boot op het
water, noch een stronk of struik om de akelige eentonigheid van zeven
en twintig waterige mijlen te breken. Wij kwamen laat aan, daar de
wegen door de sterke regens slecht waren geworden; en toen het donker
werd, was het tooneel zóó akelig, dat het volstrekt niet te dulden was.

Den volgenden avond kwamen wij met zonsondergang op een geheel ander
en nog schooner tooneel van verwoesting. Wij waren Montefiascone
(beroemd om zijn wijn) en Viterbo (om zijne fonteinen) doorgetrokken,
en nadat wij een heuvel, van acht of tien mijlen uitgestrektheid
hadden beklommen, kwamen wij plotseling aan den zoom van een eenzaam
meer. In een gedeelte was het zeer schoon met een welig bosch, en in
een ander zeer onvruchtbaar, en ingesloten door zwarte vulkanische
heuvels. Waar zich nu het meer bevindt was voorheen eene stad,
welke op zekeren dag werd verzwolgen; en in plaats er van kwam er
dit water. Er bestaan oude overleveringen (welke men in onderscheiden
streken der wereld vindt), dat men de verdronken stad kon zien, als
het water helder was; doch hoezeer de mogelijkheid er van bestaat,
van deze plek gronds is zij verdwenen. De grond kwam daar opborrelen
tegelijk met het water, en daar staan ze nu als geesten, achter wie
de andere wereld zich heeft gesloten, en die geen middel hebben om
er terug te keeren. Zij schenen op de naastvolgende aardbevingen,
in den loop der eeuwen, te wachten, wanneer zij weder in den grond
zouden duiken, zoodra die zijne kaken opsparde, en niet weer gezien
zullen worden. De ongelukkige stad daaronder is niet meer verloren
en treurig dan deze verschroeide heuvels en het stilstaande water er
boven. De roode zon zag er vreemd op neer, als ware het deze bewust,
dat zij voor holen en duisternis waren gemaakt, en het landziekige
water kabbelde en kletste over het slijk, en kroop traag tusschen het
moerassige gras en riet, alsof het verzwelgen van al de oude torens en
nokken van huizen, en de dood van al het vroegere volk daar geboren,
thans zwaar zijn geweten drukte.

Een kleine rit bracht ons van dit meer naar Ronciglione; eene kleine
stad, die naar een groot varkenskot geleek, waar wij den nacht
doorbrachten. Den volgenden dag ten zeven uur reisden wij naar Rome af.

Dadelijk nadat we 't varkenskot hadden verlaten, kwamen wij in de
Campagna Komana (eene golvende vlakte, naar gij weet), waar weinige
menschen kunnen leven; en waar, mijlen en mijlen ver, niets is dat
de schrikbarende eentonigheid en naargeestigheid afwisselt. Van alle
soort van omstreken, welke bij eenige mogelijkheid buiten de poorten
van Rome kunnen liggen, is deze de meest gepaste en geschiktste
begraafplaats voor de Doode Stad, zoo somber, zoo doodsch; zoo geheim
in het overdekken en verbergen van groote massa's puinhoopen; zoo
geheel gelijk aan de woeste plaatsen in welke de menschen, door duivels
bezeten, in de oude dagen van Jeruzalem gewoonlijk hun akelig gehuil
gingen maken en zich verscheuren. Wij moesten dertig mijlen van die
Campagna doortrekken; en gedurende twee en twintig van deze, gingen wij
voort en voort, zonder iets te zien dan nu en dan een afgezonderd huis,
of een herder met een schurkachtig voorkomen, met gevlochten haren,
die hem over het geheele gezicht hingen, en hij zelf tot aan de kin in
een smerigen bruinen mantel gewikkeld, zijne schapen weidende. Toen wij
dien afstand hadden afgelegd, hielden wij stil om de paarden te voeren
en een twaalf-uurtje te gebruiken in eene gemeene, afschrikkende,
kleine herberg, die er uitzag als ware zij door de moeraskoorts
aangetast; waarvan elke plek van muur en balk er binnen (als naar
gewoonte) op zulk eene ellendige wijze beschilderd en versierd was,
dat elk vertrek er uitzag als ware het de buitenzijde eener andere
kamer, en, met zijne ellendige nabootsing van draperieën en de kleine,
hoekige, gekladde liertjes, het voorkomen had alsof men daartoe het
tooneel van een reizenden paardrijderstroep had uitgeplunderd.

Toen wij weder weggereden waren, begonnen wij met volslagen
koortsachtige inspanning naar Rome uit te zien; en toen, nog een paar
mijlen verder, de Eeuwige Stad eindelijk in het verschiet voor ons
gezicht oprees, geleek zij--ik ben half en half bevreesd het woord
terneder te schrijven--op Londen!!! Daar lag zij onder eene dikke
wolk, met tallooze torens en torenspitsen en daken van huizen ten
hemel stijgende; en boven dat alles stak een koepeldak uit. Ik geef
de verzekering, dat, hoe sterk ik ook de blijkbare ongerijmdheid der
vergelijking gevoelde, zij op een afstand zoozeer op Londen geleek,
dat, had ge haar mij door een kijkglas getoond, ik haar voor niets
anders zou hebben gehouden.



ROME.


Wij reden op den dertienden Januari, omstreeks vier uur in den
achtermiddag, door de Porta del Popolo, de Eeuwige Stad binnen, en
kwamen onmiddellijk--het was een donkere, modderige dag, en het had
hevig geregend--aan de uiterste grenzen van de vastenavondvreugd. Wij
wisten toen nog niet, dat wij alleen het uitschot der gemaskerden
zagen, die langzaam de Piazza rondreden, totdat zij eene goede
gelegenheid konden vinden om tusschen de massa rijtuigen en ter goeder
tijd in het midden van de vreugd te geraken. Maar wij voor ons, zoo
plotseling er tusschen te komen, bestoven en vermoeid door de reis,
waren niet goed voorbereid om het tooneel te genieten.

Wij waren twee of drie mijlen te voren over den Tiber getrokken, bij
de Ponte Molle. Hij zag er zoo geel uit als hij behoorde te zien, en
beloofde, terwijl hij tusschen zijne oude en modderige oevers stroomde,
een gezicht van verval en verwoesting. De vermommingen aan het einde
der vastenavondvreugd weerspraken deze belofte. Daar waren geene groote
bouwvallen, geene statige teekens der oudheid, te zien;--zij liggen
allen aan de andere zijde der stad. Daar schenen lange straten met
gewone huizen en winkels te zijn, zooals in iedere andere Europeesche
stad kunnen gevonden worden; er was bezig volk, rijtuigen, gewone
wandelaars en eene menigte kakelende vreemdelingen. Het was evenmin
mijn Rome (het Rome van iemands verbeelding, hetzij man of jongen:
ontaard en vervallen en sluimerende in de zon te midden van eenige
puinhoopen), als de Place de la Concorde te Parijs er op gelijkt. Een
bewolkte hemel, een akelige, koude regen en morsige straten, alles had
ik verwacht, maar niet dit; en ik beken, dat ik mij dien avond naar
bed begaf in een vrij ontstemd humeur en met eene vrij aanmerkelijk
verminderde geestdrift.

Zoodra wij den volgenden dag uitgingen, snelden wij naar de
St.-Pieterskerk. Zij deed zich in de verte verschrikkelijk groot voor;
maar toen wij er naderbij kwamen, zag zij er vergelijkenderwijze, vrij
klein uit. Niets kan de schoonheid van het plein, waarop zij staat,
met zijne rijen keurige kolommen en zijne spuitende fonteinen--zoo
frisch, zoo ruim, en vrij, en schoon--te boven gaan. Het eerste gezicht
op het inwendige, met al die uitvoerige majesteit en glorie, en het
allermeest het opzien naar den koepel, verwekt een gevoel dat nimmer te
vergeten is. Maar, er waren toebereidselen voor een Festa gemaakt. De
pilaren van trotsch marmer werden met eenige uitstekend roode en
gele lappen omwikkeld; het altaar en de ingang tot de onderaardsche
kapel (die er voor is, in het midden der kerk) waren gelijk aan een
goudsmidswinkel of een der eerste tooneelen van een zeer schitterende
pantomime. En hoewel ik (naar ik hoop) de schoonheid van het gebouw zoo
diep mogelijk gevoelde, werd ik niet sterk getroffen. Ik ben oneindig
sterker aangedaan geworden in vele Engelsche hoofdkerken, wanneer het
orgel speelde, of in menige Engelsche dorpskerk, als de gemeente aan
het zingen was. In de hoofdkerk van St. Marcus te Venetië had ik eene
veel sterker gewaarwording van geheimzinnigheid en verwondering.

Toen wij weder buiten de kerk kwamen (wij stonden omtrent een uur
te staren naar den koepel, en zouden de hoofdkerk toen voor geen
prijs ter wereld hebben voorbijgegaan), zeiden wij tot den voerman:
"naar het Coliseum." Binnen een kwartier hield hij stil voor de poort
en wij gingen er binnen.

Het is geene verbeelding, maar klare, droge, eerlijke waarheid,
als ik zeg, dat het op dit uur zoo duidelijk is en u zoo bezielt,
dat, wie het ook begeert,--door er binnen te treden--gedurende een
oogenblik, het geheele groote beeld zich voor den geest kan halen,
zooals dit er vroeger uitzag, met duizenden van vinnige aangezichten,
die in het strijdperk neerzagen, benevens een maalstroom van gevechten,
en bloed en stof, welken geen taal vermag te beschrijven.

De eenzaamheid, sombere schoonheid en volslagen verwoesting er van
vallen den vreemdeling in het volgende oogenblik op het hart als
eene gelenigde smart; en wellicht zal hij nooit in zijn leven zich
derwijze bewogen en getroffen gevoelen door een gezicht, hetwelk niet
onmiddellijk in verband staat met zijne eigen genegenheid of verdriet.

Het daar te zien, hoe het elk jaar een ziertje afkruimelt; zijn muren
en bogen met groenende kruiden begroeid; zijne portalen voor den dag
geopend; het lange gras in zijne portieken groeiende; jonge boompjes,
die opschieten uit zijne gehavende borstweringen en vruchten dragen, en
een toevallig voortbrengsel zijn van de zaden, die er de vogels hebben
laten vallen, welke hunne nesten hebben gebouwd in zijne scheuren
en spleten; zijne kampruimte met aarde gevuld en het vreedzame kruis
in het midden geplaatst te zien; naar de bovenverblijven te klimmen
en van daar neder te zien op puinhoopen, niets dan puinhoopen en
puinhoopen overal; de zegebogen van Constantijn, Septimus Severus en
Titus; het Romeinsche Forum, het paleis der Cesars; de tempels van
den ouden godsdienst, ingestort en verdwenen: dit alles is het zien
van den geest van oud Rome, de snoode, wonderbaarlijke, oude stad,
op denzelfden grond spokende waarop zijne bevolking trad. Het is het
indrukwekkendste, statigste, luisterrijkste en treurigste gezicht,
waarvan men zich een denkbeeld kan vormen. Nooit kan het gezicht
van het reusachtig Coliseum in den bloedigsten bloei er van, en toen
het vol en overvol was van het wakkerste leven, het hart zóó bewogen
hebben als het allen moet treffen, die er thans op neerzien, nu het
een puinhoop is. God zij geloofd, een puinhoop!

Evenals het uitsteekt boven de andere bouwvallen, en er staat als een
berg tusschen graven, zoo heeft zijn vroegere invloed al de andere
overblijfselen van de oude godenleer en oude slachtwoede van Rome,
in Rome's trotsche en wreede bevolking overleefd. De Italiaansche
gelaatstrekken veranderen naarmate de vreemdeling de stad nadert;
de schoonheid er van wordt duivelsch en onder het gemeene volk op
straat is er onder de honderd aangezichten nauwelijks één, dat zich
morgen in een hernieuwd Coliseum niet thuis zou gevoelen.

Hier was eindelijk Rome inderdaad; en zulk een Rome als niemand zich
in de volle en ontzaglijkste grootschheid er van zou kunnen voor
den geest brengen! Wij gingen langs den Appiaanschen Weg er uit, en
trokken mijlen ver voort, tusschen graven die in puinhoopen lagen en
vernielde muren, met hier en daar een vervallen en onbewoond huis. Wij
kwamen voorbij den Circus van Romulus, waar de renplaats der wagens,
de plaatsen der rechters, der mededingers en toeschouwers nog even
duidelijk zijn te zien als in ouden tijd. Wij kwamen voorbij het
graf van Cecilia Metella--en elke omheining, heg, of stuk muur,
of schutting--naar de open Campagna, waar, aan deze zijde van Rome,
niets is te zien dan puinhoopen. Uitgezonderd dáár, waar de afgelegen
Apennijnen het uitzicht ter linkerzijde bepalen, is het geheele, ruime
verschiet één onafgebroken veld van ruïnen. Gebroken waterleidingen,
waarvan de schilderachtigste partijen van bogen zijn overgebleven;
gebroken tempels; gebroken graven. Eene woestenij van ruïnen, wier
somberheid en verwoesting geene uitdrukking vermag af te schilderen,
en waarvan elke steen, die er op den grond verspreid ligt, eene
geschiedenis verhaalt.

Op Zondag nam de paus deel aan het bedienen der hoogmis in
de St.-Pieterskerk. De indruk, door de hoofdkerk bij dat tweede
bezoek op mijn geest gemaakt, was volkomen gelijk aan den eersten,
en aan wat die is gebleven nadat ik ze veel malen had bezocht. Zij
maakt geen godsdienstig effect. Het is een verbazend groot gebouw,
waarin geen enkel punt is waarop het oog kan rusten, dat vermoeid
wordt van het aanhoudend omdwalen. De ware bestemming der plaats is
niet uitgedrukt in iets van hetgeen gij er ziet, tenzij ge het in
de bijzonderheden onderzoekt--en alle onderzoek van détails is niet
overeenkomstig met de plaats zelve.

Zij kan een Pantheon, of een Senaathuis, of een groot architectonisch
zegeteeken wezen, dat geen ander doel heeft, dan een triomf der
bouwkunst. Wel is waar, er is onder een rood verhemelte, een zwart
standbeeld van St. Pieter, dat meer dan levensgroot is, en welks groote
teen aanhoudend wordt gekust door goede Katholieken. Dit nu moet u
wel in de oogen vallen, daar het zoozeer vooruitspringt en populair
is. Maar het verhoogt den indruk der kerk, als kunstgewrocht, niet,
en drukt--voor mij althans--hare verheven bestemming niet uit.

Eene breede ruimte achter het altaar was voorzien van loges, in
vorm gelijk aan die van de Italiaansche opera te Londen, maar wat
de versiering aangaat, veel zwieriger. In het midden van die soort
tooneelzaal, aldus afgeperkt, was eene zitplaats met verhemelte, waar
's pausen zetel stond. Het plaveisel was bedekt met een helder groen
vloerkleed, hetwelk met dat groen, en met het onverdraaglijke rood
en karmozijn en de gouden randen der behangsels, een geheel vormde,
dat er uitzag als een verbazend groot bonbon. Op elke zijde van het
altaar was eene groote loge voor vreemde dames in zwarte kleederen
en zwarte sluiers. De heeren van de pauselijke lijfwacht, met roode
rokken, leeren broeken, en rij-stevels, bewaarden die afgesloten
ruimte met getrokken zwaarden, die in elk opzicht tot sieraad dienden;
en van het altaar langs het geheele schip was er een breede doorgang
afgezet, door de Zwitsersche garde van den paus, die een wonderlijk
gestreepten rok droegen en gestreepte spanbroeken, en hellebaarden,
gelijk aan dezulke, welke gewoonlijk rusten op de schouders van
zoodanige tooneelmatige bijvoegsels, die nooit snel genoeg van het
tooneel kunnen gaan, en die men gewoonlijk kan zien slenteren in het
vijandelijke legerkamp, zoo eenige stuip der natuur het open veld,
door de andere partij bezet, in het midden doorspleet.

Ik ging tot aan den rand van het groene vloerkleed, in gezelschap
van eene groote menigte andere heeren, die in het zwart waren (er
wordt geen ander paspoort vereischt), en stond er, gedurende de
mis, op mijn gemak. De zangers bevonden zich in een vertrekje van
draadwerk (gelijkende naar eene groote vliegenkast of vogelkooi)
in een der hoeken, en zongen op afgrijselijke wijze. Overal rondom
het vloerkleed was eene menigte volk, dat zich langzaam bewoog, en
met elkander praatte en door kijkglaasjes naar den paus gluurde, en,
in oogenblikken van steelswijze nieuwsgierigheid, de een den ander
afstootte van gevaarlijke plaatsjes op de voetstukken van pilaren,
en de dames op afschuwelijke wijze aangrijnsde. Hier en daar waren
troepjes monniken (Franciskanen of Kapucijnen, in hunne grove,
bruine kleederen en spitse hoeden), welke vreemd afstaken bij de
zwierige geestelijken van hooger rang, en wier nederigheid op het
hoogst voldaan moest zijn over de stooten, die ze rechts en links en
alle aan zijden van schouders en ellebogen ontvingen. Eenigen van hen
droegen bemodderde sandalen en zonneschermen en gevlekte kleederen,
daar zij van het land waren aangekomen.

De gelaatstrekken van het grootste aantal waren zoo grof en plomp als
hunne kleeding; hun grommig, dom en eentonig staren op al den glans
en pracht had iets aan zich, dat half ellendig en half belachelijk was.

Op het groene vloerkleed zelf, en om het altaar geschaard, was een
geheel heir van kardinalen en priesters in het rood, goud, purper,
paars, wit en fijn linnen. Eenige, die van dezen waren afgedwaald,
gingen door het gedrang af en aan, praatten met elkander, stelden
anderen voor, of lieten zich zelven voorstellen en wisselden groeten;
andere ambtenaren in gala-kleeding waren op gelijke wijze bezig. In
het midden van die allen en van gluipende Jezuïeten, welke in- en
uitslopen, en de uiterste rusteloosheid van Engelands jeugd, die
onophoudelijk rondwandelde, zag men eenige weinige deftige personen
in zwarte tabberden, welke, met hun aangezicht tegen den muur
neergeknield, over hunne misboeken gebogen waren en onwillekeurig
eene soort van gevleeschte menschen knippen werden, en met hunne
eigene vrome beenen die van anderen bij dozijnen deden struikelen.

Naast mij op den grond lag een groote hoop kaarsen, welke aan al
de geestelijken met veel ijver werden uitgedeeld, door een zeer
oud man in eene roestige, zwarte kleeding met opengewerkten kraag,
evenals een geknipt papieren zomerversiersel voor een vuurhaard. Elk
kreeg er een. Zij slenterden er eenigen tijd mede rond en hielden ze
onder den arm als een wandelstok, of in hunne handen als een staf van
commando. Op zeker tijdstip der plechtigheid echter bracht een ieder
zijne kaars naar den paus, legde ze dwars op diens knieën om ze te
laten zegenen, nam ze weer weg en trok daarna af. Dit werd, naar gij
kunt vooronderstellen, in een zeer gedunden optocht gedaan en duurde
langen tijd. Niet als werd er veel tijd vereischt om eene kaars door
en door te zegenen, maar omdat er zooveel kaarsen gezegend moesten
worden. Eindelijk waren ze alle gezegend, en werden alle opgestoken;
en toen werd de paus met stoel en al opgenomen en de kerk rondgedragen.

Ik moet bekennen, nooit iets gezien te hebben, dat zoozeer geleek naar
het Engelsche herinneringsfeest van den vijfden November [37]. Een
bos zwavelstokken en eene lantaren zou der gelijkenis de kroon hebben
opgezet. Ook bedierf de paus de gelijkenis volstrekt niet, ofschoon
hij een aangenaam en eerwaardig gelaat had; want daar dit gedeelte
der plechtigheid hem duizelig en misselijk maakt, zoo sluit hij zijne
oogen als ze plaats heeft; en als hij daar nu zoo zijne oogen houdt
gesloten, en een grooten mijter op het hoofd heeft, en zijn hoofd
heen en weer waggelt, naarmate hij onder het dragen geschud wordt,
ziet hij er uit alsof zijn masker op het punt was van af te vallen. De
twee reusachtige waaiers, welke altijd aan weerszijden worden gedragen,
vergezelden hem natuurlijk bij die gelegenheid. Onderwijl hij gedragen
werd, zegende hij het volk met het geheimzinnig teeken; en terwijl
hij voorbijging, knielde het volk neer. Toen hij de kerk rond was
geweest, werd hij weder teruggebracht, en, bedrieg ik mij niet,
dan werd dit in het geheel driemalen gedaan. Voorzeker was er niets
plechtigs of indrukwekkends in, en gewis zeer veel dat snaaksch en
bont was. En deze aanmerking geldt de geheele plechtigheid, behalve
het opheffen der hostie, toen elk man van de garde dadelijk op ééne
knie viel en het bloote zwaard tegen den grond sloeg, dat eene schoone
vertooning maakte.

Den volgenden keer toen ik de hoofdkerk zag, was het twee of drie
weken naderhand. Ik klom toen naar den koepel; en daar men de gordijnen
af- en het vloerkleed opgenomen, maar al het latwerk er gelaten had,
zagen de overblijfselen van die versiersels er uit als een afgestoken
vuurpijl.

Daar Vrijdag en Zaterdag plechtige feestdagen waren geweest,
en de Zondag altijd een dag is welke niet meetelt in de
carnavalsvermakelijkheden, hadden wij met eenig ongeduld en
nieuwsgierigheid naar het begin der volgende week verlangd: dewijl
Maandag en Dinsdag de laatste en beste carnavalsdagen zijn.

Des Maandagnamiddags ten een of twee uur begon er een groot geratel van
rijtuigen op de plaats van het hotel, en liepen al de bedienden heen
en weer. Nu en dan kwam er uit eene deur of op een balkon een of ander
achtergebleven vreemdeling in eene maskerade-kleeding voor den dag, aan
welk gewaad de persoon te weinig gewoon was om er zich met gemak in te
bewegen en de volksmeening te trotseeren. Al de rijtuigen waren open,
terwijl de voering zorgvuldig bedekt was met wit of gedrukt katoen,
om te beletten, dat de zindelijke versiersels er van bedorven wierden
door het aanhoudend werpen van suikergebak. Men zag de menschen in
elk rijtuig, dat op het gezelschap wachtte, aan het daarin pakken
en stoppen van verbazende zakken en manden vol suikergebak, en ook
zulke hoopen bloemen in ruikertjes gebonden, dat sommige rijtuigen
niet slechts vol waren van bloemen, maar er werkelijk van overliepen,
en bij elken schok en dreun van de veeren iets van den overvloed op
den grond wierpen. Om in die wezenlijke bijzonderheden niet achter
te blijven, zorgden wij, twee tamelijk groote zakken suikergoed
(waarvan elk omtrent drie voet hoog was) en eene groote baliemand, met
bloemen gevuld, in alle haast in ons huurrijtuig, te doen plaatsen:
welke schikkingen wij van onze plaats op een van de bovenste balkons
met de levendigste voldoening gadesloegen. Daar de rijtuigen nu hun
gezelschap begonnen in te nemen en weg te rijden, stapten ook wij
in het onze en reden af, terwijl wij ons gelaat bedekten met kleine
maskers van draadwerk; aangezien het suikergoed, evenals Falstaffs
[38] vervalschte kanariewijn, met lijm was vermengd.

De Corso is eene straat van een mijl lang; eene straat van winkels,
paleizen en burgerhuizen, die somtijds uitkomen op een ruim plein. Er
zijn bijna aan elk huis veranda's en balkons, van alle gedaanten en
vormen--alleen op ééne verdieping, maar dikwijls voor een of andere
kamer op iedere verdieping--en, in het algemeen, daar met zoo weinig
orde en regelmaat aangebracht, dat, indien het, jaar op jaar en
jaargetij op jaargetij, balkons geregend, of gehageld, of gesneeuwd,
of gewaaid had, zij ternauwernood op eene meer ongeregelde wijze
konden neergevallen zijn.

Dit is de voornaamste bron en het hoofdbrandpunt van de
carnavalsvreugd. Maar al de straten, waarin men vastenavond houdt,
worden nauwkeurig door dragonders bewaakt en daarom is het voor
rijtuigen noodzakelijk, dadelijk en naar volgorde door een anderen
doortocht te rijden, en zoo op het Corso te komen, nabij het uiteinde
dat het verst is verwijderd van de Piazza del Popolo, die het aan eene
zijde begrenst. Alzoo kwamen wij tusschen de reeks van rijtuigen, en
hotsten gedurende eenigen tijd vrij gerust mede, nu eens zeer langzaam
voortsukkelende, dan weder eenige ellen dravende, en dan weer eens heel
en al ophoudende, naarmate de voorsten meer of minder in het gedrang
waren. Als eenig onstuimig rijtuig uit de reeks snelde en voorwaarts
reed, met het wilde denkbeeld bezield, spoediger vooruit te komen,
werd het plotseling ontmoet, of tegengehouden, door een dragonder,
die, evenals zijn eigen getrokken zwaard, voor alle vertoogen doof,
het onmiddellijk verzelde naar het uiterste eindje der rij, en het in
het verschiet als een klein stipje deed voorkomen. Nu en dan hielden
wij schutgevaarte van confetti met het rijtuig, dat het dichtst voor
of achter ons reed, maar tot nog toe was het veroveren dezer zwervende
en ronddolende rijtuigen door de militairen, het voornaamste vermaak.

Daarop kwamen wij in eene nauwe straat, waar eene reeks van rijtuigen
op-, en eene andere afreed. Hier begonnen het suikergebak en de ruikers
vrij aardig rond te vliegen; en ik was gelukkig genoeg een heer op
te merken, uitgedost als een grieksch krijgsman, en welke een licht
gesnorbaarden roover (die bezig was een ruiker te werpen naar een jonge
dame, welke voor een venster op de eerste verdieping stond) op den neus
raakte, met eene juistheid, die zeer sterk door de aanschouwers werd
toegejuicht. Terwijl deze zegepralende Griek eene koddige aanmerking
maakte tegen een dik heer, die in de deur stond--en half zwart en half
wit was, alsof hij ter halver lijve afgeschilderd was--en die hem met
het volvoeren van zijne heldendaad gelukgewenscht had, ontving hij,
van den top van een huis, een oranje-appel juist op zijn linkeroor
en was zeer verbluft. Voornamelijk daar hij toen overeind stond en
het rijtuig op hetzelfde oogenblik plotseling voortging, zoodat hij
schandelijk waggelde en zich onder zijne eigene bloemen begroef.

Nadat wij omstreeks een kwartier op die wijze waren voortgegaan,
kwamen we op het Corso; en het zou moeielijk zijn, zich iets zóó
vroolijks, zóó schitterends en levendigs voor te stellen, als het
geheele tafereel daar was. Van de tallooze balkons (van de verste
en hoogste even als van de laagste en meest nabij zijnde) fladderden
in het schitterende zonlicht helder roode, groene, blauwe, witte en
gouden gordijnen. Uit vensters, en van borstweringen, en van de toppen
der huizen wapperden vlaggen van de rijkste kleuren, en draperieën
van de vroolijkste en schitterendste tinten in de straten neer. De
huizen schenen letterlijk het binnenste buiten gekeerd en al hunne
vroolijkheid naar de straat gewend te hebben.

Uitstallingen van winkels werden ingenomen en de vensters, evenals
loges in een schitterenden schouwburg, met gezelschap gevuld;
deuren werden uit hare scharnieren gelicht en deden lange gangen
zichtbaar worden, met tapijten versierd en met festoenen van bloemen en
palmtakken behangen. Metselaars-stellages waren in prachtige tempels
veranderd, schitterende van het zilver, goud en scharlaken; en in
iederen hoek, en in elk holletje, van de voetpaden tot aan de toppen
der schoorsteenen waar vrouwenoogen glinsteren konden, daar dansten
en lachten en flonkerden zij, evenals het licht op het water. Iedere
soort van betooverende, malle kleeding was daar aanwezig. Kleine,
gekke, scharlaken buisjes; rare oude rijglijven, ondeugender dan
de netste korsetten; Poolsche jassen, gespannen en nauw om het lijf
sluitend, evenals rijpe kruisbessen; kleine Grieksche mutsjes, die
schuins op het hoofd stonden en, de hemel weet op welke wijze, stevig
op het donkere haar vastzaten. Iedere wilde, rare, stoute, bloode,
korzelige dollemanssmaak werd opgeluisterd door eene kleederdracht;
en iedere smaak was in de vroolijke drukte even spoedig door zijn
vinder vergeten alsof de drie oude waterleidingen, die nog in haar
geheel staan, dienzelfden morgen, over hare sterke bogen, de Lethe
naar Rome hadden gevoerd.

De rijtuigen stonden nu bij drieën naast elkander; op breedere
plaatsen vier; dikwijls moesten zij allen langen tijd stilstaan. Zij
vertoonden zich altijd als een saamgepakten hoop van afwisselende
schittering; en langs de geheele straat, te midden van een regen van
bloemen, deden zij zich voor als bloemen van een grootere soort. Van
sommige waren de paarden met prachtige dekken en tuigen versierd,
bij andere waren zij van den kop tot de pooten met fladderende linten
getooid. Enkele werden gereden door koetsiers met verschrikkelijke
groote, dubbele mommen, waarvan het eene gezicht naar de paarden keek
en het andere zijne buitengewone oogen naar het rijtuig wendde, en
beide kletterend onder den hagel van suikergebak. Andere koetsiers
waren als vrouwen gekleed, met krullen gekapt en zonder mutsen,
en die, wanneer er eenige wezenlijke moeielijkheden met de paarden
plaats hadden (dat bij zulk een samenloop van omstandigheden niets
zeldzaams was,) er nog belachelijker uitzagen dan men verhalen of
beschrijven kan. In stede van op de banken, in de rijtuigen te zitten,
plaatsen zich de schoone Romeinsche vrouwen om beter te kunnen zien
en gezien te worden, in dezen tijd van algemeene teugelloosheid,
voorop, met hare voeten op de kussens--en o! de fladderende rokken en
aardige middeltjes, de gezegende vormen en lachende gezichten, het
vrije, goed geluimde, bevallige figuur dat ze vertoonden! Er waren
ook groote rijtuigen, vol bekoorlijke meisjes--dertig of misschien
meer te zamen,--en de volle lagen, die uit en naar deze branders
vol toovernimfen gevuurd werden, vervulden de lucht gedurenden
tien minuten, met bloemen en bonbons. Rijtuigen vol menschen,
die lang op eene plaats moesten wachten, begonnen een geregelden
aanval tegen andere rijtuigen, insgelijks met volk opgepropt, of
tegen de lieden aan de benedenvensters; en somtijds mengden zich de
toeschouwers, van een hooger gelegen balkon of venster in de grap,
en ledigden, terwijl ze beide partijen aanvielen, groote zakken
confetti, die als eene wolk neerkwamen, en ze, in een oogenblik,
zoo wit maakten als molenaars. Weder volgen rijtuigen op rijtuigen,
kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen
zonder ophouden. Mannen en jongens die zich aan de wielen en achter
aan de rijtuigen vasthouden, en hun spoor volgen, en onder de pooten
der paarden bukken, om de verspreide bloemen op te rapen en ze weer te
verkoopen. Gemaskerden te voet (meestal de grappigsten) in phantastisch
overdreven hofkleedingen, die het gedrang door monsterachtig groote
lorgnetten beschouwen en altijd een aanval van liefde krijgen, op
het gezicht van eene of andere oude dame aan een venster. Geheele
rijen Policinelli, die in de rondte slaan met blazen, aan stokken
vastgehecht; een wagen vol uitgelaten, razende en tierende dollemannen;
een rijtuig vol ernstige mammelukken, benevens hun standaard met
paardestaarten, in het midden; eene partij heidinnetjes, die het
erg te kwaad hadden met een schip vol matrozen. Een man verkleed
als een aap op een kruk, omgeven door vreemdsoortige dieren, met
varkenskoppen en leeuwenstaarten, door hen onder den arm meegesleept
of bevallig op den schouder gedragen. Rijtuigen volgen op rijtuigen,
kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen,
en dat zonder ophouden.

Wanneer men het aantal gemaskerden in aanmerking neemt, dan werden er
misschien niet veel wezenlijke karakters volgehouden of voorgesteld,
maar het hoofdvermaak van het tafereel is in de volkomen goede
luim er van gelegen; in de schitterende, oneindige en flikkerende
verscheidenheid, en dáárin, dat men zich geheel aan de gekke gril
van het oogenblik overgeeft--en zóó geheel en al besmettelijk,
onweerstaanbaar is het, dat de bedaardste vreemdeling, tot aan zijn
middel in bloemen en suikergoed staande, evenals de wildste van al
de Romeinen van zich afslaat, en tot halfvijf uur aan niets denkt,
wanneer hij door het steken der trompet en door de dragonders, die
hij (tot zijne bittere smart) de straten ziet schoonvegen, plotseling
herinnerd wordt, dat hij daarvoor alléén niet op de wereld is.

Hoe de straat ooit schoongeveegd wordt voor den wedren, die ten vijf
uur zal plaats hebben, en hoe de paarden voortrennen, zonder eenige
lieden te vertrappen, is meer dan ik zeggen kan. Maar de rijtuigen
vertrekken door de dwarsstraten, of langs de Piazza del Popolo,
en een aantal menschen zitten in tijdelijk opgeslagen galerijen op
het laatstgenoemde plein, en duizenden staan aan beide zijden er van,
als de paarden op de Piazza gebracht worden, aan den voet van dezelfde
kolom, welke, eeuwen geleden, neerzag op de spelen en wedrennen van
den Circus Maximus.

Op een gegeven teeken vertrekken zij. Zij snellen, als de wind, voorbij
de levende laan op het Corso: zonder berijders, zooals iedereen
weet: met glinsterende versiersels op hunne ruggen en door hunne
gevlochten manen gedraaid: en met kleine zware kogeltjes, vol punten,
aan hunne zijden slingerende, om ze aan te prikkelen. Het gerinkel
der versiersels, en het gekletter hunner hoeven op de harde steenen;
de woede en snelheid van hunne vaart langs de weergalmende straten;
ja, zelfs het kanon dat afgevuurd wordt--al dit geraas is niets bij
het gejoel der menigte, hare kreten, het klappen in de handen. Maar
het is spoedig gedaan--bijna dadelijk. Nog meer kanonschoten doen de
stad dreunen. De paarden zijn door de tapijten gegaan, die over de
straat zijn gespannen om ze tegen te houden; de eindpaal is bereikt;
de prijzen zijn gewonnen (zij worden gedeeltelijk door de arme joden
gegeven, als eene vergoeding, dat zij zelven niet in het renperk
behoeven te loopen), en nu is er een einde aan de pret van den dag.

Maar indien het tafereel op den voorlaatsten dag schitterend en
vroolijk en volgepropt is, bereikt het, den volgenden dag, zulk
een rijkdom van glinsterende kleuren; er is zulk eene krioelende
menigte en dartel rumoer, dat alléén de herinnering er van mij op
het oogenblik nog duizelig maakt. Dezelfde vermaken, grootendeels
verhoogd en versterkt door den ijver, waarmede ze nagejaagd worden,
duren een langen tijd. De wedren vangt weder aan, de kanonnen
worden afgevuurd, de kreten en het handgeklap worden herhaald;
weder hoort men kanonschoten; de wedren is voorbij en de prijzen
zijn gewonnen. Maar de rijtuigen, van binnen gevuld met suikergoed,
zijn van buiten zoo bepoeierd en stoffig, dat men ze ternauwernood
voor dezelfde voertuigen herkennen kan van drie uren vroeger. In
plaats van zich in alle richtingen te verspreiden, verzamelen zij
zich op het Corso, waar zij spoedig in elkander geklemd worden,
als eene zich ternauwernood bewegende massa. Want het vermaak met
de Moccoletti, de laatste vroolijke dolheid van den vastenavond, zal
nu plaats grijpen; en verkoopers van kleine waskaarsen, evenals die,
welke in Engeland kerstmiskaarsjes genoemd worden, schreeuwen lustig
aan beide zijden van den weg: "Moccoli, Moccoli! Ecco Moccoli (ziehier
waskaarsjes)!" een nieuwe kreet in het rumoer, die den anderen kreet,
welke men reeds bij tusschenpoozen den ganschen dag boven alle andere
heeft gehoord, den kreet namelijk van: "Ecco Fiori! Ecco Fior-r-r-i
(ziehier bloemen)!" geheel en al overschreeuwt.

Wanneer de schitterende behangsels en kleedingen tegen het vallen van
den avond eene nare, zwaarmoedige, algemeene tint aannemen, beginnen
hier en ginds lichten te flikkeren: voor de ramen, op de toppen der
huizen, op de balkons, in de rijtuigen, in de handen van voetgangers:
langzamerhand; trapsgewijs; al meer en meer; totdat de gansche, lange
straat ééne glansrijke en schitterende vlam is. Dan zoekt iedereen,
daarbij tegenwoordig, maar één doel te bereiken, namelijk, de kaarsjes
van andere lieden uit te dooven, en zijn eigen brandend te houden;
en iedereen, man, vrouw of kind, heer of dame, vorst of landman,
ingeboren of vreemdeling, gilt en schreeuwt en joelt zonder ophouden,
om den overwonnene te bespotten: "Senza Moccolo, Senza Moccolo (zonder
kaarsje)!" totdat men niets meer verneemt dan een reusachtig koor,
dat deze beide woorden herhaalt, met een schaterend gelach vermengd.

Op dien tijd is het tafereel een der buitengewoonste dat men zich
verbeelden kan. Rijtuigen, die langzaam voortrijden, terwijl iedereen
op de zitplaatsen of voor op den bok staat, en zijn kaarsje, tot
meerdere zekerheid, op armslengte van zich af houdt; sommigen in een
papier als een peperhuisje: anderen met een hoop onbeveiligde kaarsjes,
allen brandende; eenigen met brandende fakkels; anderen met kleine
dunne kaarsjes; voetgangers, die tusschen de wielen doorkruipen om
hunne kans af te wachten en naar een bijzonder licht te springen en
het uit te slaan; anderen tegen de rijtuigen opklimmende, om zich met
geweld van de lichtjes meester te maken. Eenigen jagen een ongelukkigen
voetganger om zijn eigen rijtuig heen, ten einde het licht, dat hij
ergens gekregen of gestolen heeft, uit te blazen, vóórdat deze bij
zijn gezelschap, in het rijtuig stapt, en het in staat kan stellen
hunne uitgeblazen kaarsjes te ontsteken. Weder anderen, die, met den
hoed in de hand, aan het portier van een rijtuig staan en nederig eene
of andere goedhartige dame een vlammetje verzoeken, om eene sigaar
op te steken; en wanneer zij nog in twijfel staat of ze het doen zal
of niet, deze de kaars uitblaast, welke zij met zooveel teederheid
in haar handje gevat hield; andere lieden aan het venster, die met
lijnen en hoeken naar kaarsjes visschen, of lange wilgen-teenen,
aan welker einde zakdoeken gebonden zijn, naar beneden houden, en
de kaarsjes behendig uitslaan, wanneer de eigenaar er trotsch op is
dat ze nog branden; anderen, die hun slag waarnemen, op hoeken van
straten, met verschrikkelijk groote dompers evenals hellebaarden,
en die plotseling op vlammende fakkels nedervallen; weder anderen,
die om eene koets staan en daar blijven staan; anderen, die eene kleine
koppige lantaren onder een regen van oranjeappelen en ruikers pogen te
bedelven, of in geregelden aanval eene piramide van menschen bestormen,
die een man in de hoogte beuren, welke een klein, dun kaarsje boven
zijn hoofd houdt, waarmede hij ze allen tart! Senza Moccolo! Senza
Moccolo! Schoone vrouwen, die in de rijtuigen staan, en spottend naar
uitgedoofde lichten wijzen en onder het voorbijrijden in hare handen
klappen, en uitroepen: "Senza Moccolo! Senza Moccolo!" Lage balkons vol
lieve gezichtjes en bevallige kleedingen, strijdende tegen aanvallers
op straat. Eenige houden ze terug als zij er tegen opklimmen, eenige
die zich naar omlaag buigen, eenige die overleunen en eenige die
achteruitspringen--keurig gevormde armen en borstbeelden--figuren vol
bevalligheid--brandende lichten, fladderende kleederen. Senza Moccolo,
Senza Moccolo, Senza Mo-cco-loo-o-o-o!--totdat, in de allergrootste
geestdrift van het geschreeuw en de dolste verrukking van de pret,
de klokken het Ave-Maria luiden en de vastenavond terstond is
geëindigd--als eene waskaars uitgeblazen, met één ademtocht.

Des avonds was er een gemaskerd bal in den schouwburg, even naar
en vervelend als een te Londen, en alléén opmerkelijk wegens de
bondige wijze, waarmede de zaal ten elf uur ontruimd werd; hetwelk
geschiedde door eene rij soldaten, die zich op den achtergrond van
het tooneel tegen den muur schaarde, en, evenals een groote bezem,
het geheele gezelschap voor zich uitdreef. De pret met de Moccoletti
(in het enkelvoud is het Moccoletto, dat eene verkleining van Moccolo
is, en eene kleine lamp of kaars beteekent) wordt door sommigen
voorondersteld eene belachelijke rouw plechtigheid te zijn voor de
overlijdende vastenavondvreugd--daar kaarsen bij een katholieken rouw
onmisbaar zijn.

Maar of het zoo is, dan of het een overblijfsel der oude Saturnalia
zij, of eene samenstelling van beide, of zijn oorsprong aan iets
anders te danken hebbe--altijd zal ik mij de pret herinneren als een
allerschitterendst en bekoorlijkst gezicht; niet minder opmerkelijk
wegens de goede luim van allen, die er bij tegenwoordig waren, zelfs
tot de heffe des volks (en onder degenen, welke op de rijtuigen
klommen, waren onderscheidene mannen en jongens van de gemeenste
klasse), als om zijne onschuldige levendigheid. Want, hoe vreemd
het ook moge klinken, voor een spel, zóó vol gedachteloosheid en
waardoor de persoonlijke bevalligheden zoozeer aan den dag worden
gelegd, is het zoo vrij van eenige smet van onzedelijkheid als eenige
algemeene vergadering der beide geslachten met mogelijkheid zijn kan;
en terwijl het aan den gang is, schijnt er in het algemeen een gevoel
van bijna kinderlijke eenvoudigheid en vertrouwen te bestaan, dat men
zich met smart herinnert, als het Ave-Maria het voor een geheel jaar
heeft uitgeluid.

Gebruik makende van een gedeelte van de stille verpoozing tusschen het
einde van de vastenavondvreugde en het begin der Heilige Week, gingen
wij gemoedelijk aan het werk, om Rome te zien; en daar wij iederen
ochtend vroegtijdig uitgingen, en elken avond laat terugkwamen, en den
geheelen dag hard werkten, zoo geloof ik, dat wij bekend raakten met
iederen paal en pilaar der stad en van de naastbijgelegene streken,
en voornamelijk zoovele kerken bezochten, dat ik dit gedeelte van de
onderneming geheel opgaf vóór het half voleindigd was; daar ik anders,
wat mij betreft, zoo lang ik leef nooit weder een voet in eene kerk
gezet zou hebben. Maar ik droeg er zorg voor, dat ik bijna iederen
dag, hetzij vroeg of laat, naar het Coliseum ging, of naar buiten in
het open veld, aan gene zijde der graftombe van Cecilia Metella.

Op deze tochten ontmoetten wij dikwijls een gezelschap Engelsche
toeristen; en steeds had ik een grooten, maar nooit voldanen lust, een
gesprek met hen aan te knoopen. Het bestond uit zekeren mijnheer Davis
en eenige zijner vrienden. Het was onmogelijk den naam van mevrouw
Davis niet gewaar te worden, daar zij in groot aanzien stond bij haar
gezelschap, dat overal was. Gedurende de Heilige Week was het bij elk
gedeelte van ieder tooneel, van elke plechtigheid. Veertien dagen of
drie weken te voren bezochten zij iedere grafplaats en kerk, en galerij
van schilderstukken en elken bouwval; en gedurende al dien tijd heb
ik bijna niet gemerkt, dat mevrouw Davis een oogenblik stilzweeg.

Diep onder den grond, boven op de St.-Pieterskerk, buiten op het
veld, en bijna stikkende in het Joden-kwartier, bleef mevrouw Davis
altijd dezelfde. Ik geloof niet, dat ze ooit naar iets zag; en ze
had altijd iets verloren uit eene strooien mand, die ze vasthield,
en hetwelk zij met al hare macht beproefde te vinden van onder eene
aanzienlijke hoeveelheid Engelsche halfstuiverstukken, die op den
bodem er van lagen, evenals zand op den oever der zee. Ambtshalve was
er altijd een Cicerone aan het gezelschap verbonden (dat bij contract
van Londen was overgevoerd, vijftien à twintig koppen sterk), en als
hij maar naar mevrouw Davis keek, dan berispte zij hem onmiddellijk,
door te zeggen: "Wel, God zegen je, man, maak het me niet lastig! Ik
versta geen woord van al wat je kakelt, en zal het ook niet verstaan,
al zou je babbelen tot je blauw in je gezicht werdt!" Mijnheer
Davis droeg altijd eene snuifkleurige overjas, en eene groote groene
paraplu in zijne hand, en bezat eene talmende nieuwsgierigheid die
voortdurend in hem brandde en die hem aanspoorde buitengewone dingen
te verrichten, zooals de deksels van lijkbussen op te lichten, en er
in te kijken alsof zij zuurgoed inhielden; met de punt zijner paraplu
langs opschriften te strijken en met diepdenkendheid te zeggen: "Ziet
ge, hier is eene B, en daar is eene R, en zoo zullen wij het vinden;
is het niet?" Zijne oudheidkundige gewoonten waren oorzaak, dat hij
dikwijls achterbleef; en een van de doodsangsten van mevrouw Davis,
en van het gezelschap in het algemeen, was eene eeuwigdurende vrees
dat Davis verloren zou raken. Dit was oorzaak, dat ze om hem riepen
in de allervreemdste plaatsen en op de meest ongelegene tijden. En
wanneer hij dan eindelijk langzaam uit een of andere begraafplaats kwam
stappen, evenals eene vreedzame vampyr, uitroepende: "Hier ben ik,"
dan was het onveranderlijk antwoord van mevrouw Davis: "Je zult nog
levend begraven worden in een vreemd land, Davis; en er helpt niets
aan of men u waarschuwt of niet."

Mijnheer en mevrouw Davis en hun gezelschap waren waarschijnlijk
binnen negen of tien dagen van Londen overgevoerd. Achttienhonderd
jaren geleden wilden de Romeinsche legioenen, onder Claudius, niet
naar het land van mijnheer en mevrouw Davis gevoerd worden, voor
reden gevende, dat het buiten de grenzen der wereld lag.

Onder de ploerten (of mindere lieden naar de mode van Rome) was er een
die mij bijzonder vermaakte. Men kan er hem ten allen tijde vinden;
en zijn hol is op de trappen van de Piazza di Spagna (het spaansche
plein), welke naar de kerk van Trinita del Monte voeren. Duidelijker
gesproken, zijn die trappen de groote verzamelplaats voor kunstenaars'
"Modellen", en daar wachten ze geduldig tot ze gehuurd worden. De
eerste maal dat ik die trappen opklom kon ik niet begrijpen, waarom
die gezichten mij zoo bekend voorkwamen, of waarom zij mij reeds voor
jaren schenen omgeven te hebben, in alle mogelijke verscheidenheid
van kleeding of handeling, en wat de oorzaak was, dat zij in Rome in
het heldere daglicht voor mij oprezen, evenals zoovele gezadelde en
getoomde nachtmerries. Ik zag spoedig, dat wij reeds sedert eenige
jaren de kennis hadden aangeknoopt en voortgezet langs de muren der
verschillende schilderijtentoonstellingen. Daar is een oud man, met
lange witte haren en een verschrikkelijk grooten baard, die, zoover
mij bekend is, den halve catalogus van de Koninklijke Academie heeft
doorgewandeld. Dit is het eerwaardige of aartsvaderlijke model. Hij
draagt een langen stok, en iedere kwast en draai van den stok heb ik,
getrouw nageteekend, herhaalde malen gezien. Daar is een andere man,
in een blauwen mantel, die zich altijd het voorkomen geeft alsof
hij in den zonneschijn (als dezen er is) ligt te slapen, en die,
ik behoef het, geloof ik, niet te zeggen, altijd klaar wakker is en
zeer nauwkeurig op de schikking zijner beenen acht geeft. Dit is het
dolce far niente model. Daar is een ander man, in een bruinen mantel,
die tegen een muur leunt, met zijne armen in den mantel gevouwen, en
rondziet met gluipende oogen, die juist zichtbaar zijn onder zijn breed
geranden hoed. Dit is het moordenaarsmodel. Daar is een ander man, die
gedurig over zijn schouder ziet, en altijd doet, alsof hij vertrekt,
maar nimmer weggaat. Dit is het trotsch en versmadend model. Wat
huiselijk geluk en heilige families betreft, deze moeten zeer goedkoop
zijn, want zij zitten bij hoopen op de trappen; en het aardige van
de zaak is, dat zij de meest valsche landloopers der wereld zijn,
voornamelijk te dien einde afgericht en huns gelijken niet hebbende
in Rome of in eenig ander gedeelte van den bewoonbaren aardbol.

Ik herinner mij, dat ik in mijne vorige vermelding van de
vastenavondvreugd gezegd heb, dat men die voor een snaaksche vrouw
hield (want zij eindigt met deze plechtigheid) om de grappen en
vroolijkheden van de Vasten, en dit herinnert mij weder aan de
wezenlijke begrafenissen en rouwprocessiën van Rome, welke hier,
evenals in andere gedeelten van Italië, voornamelijk door een
vreemdeling opgemerkt worden, wegens de onverschilligheid waarmede men,
in het algemeen, het aardsch omhulsel beschouwt, nadat het leven er
uit is ontvloden. En dit geschiedt niet omdat de overlevenden den tijd
gehad hebben de nagedachtenis der dooden van hunne wel-herinnerde
verschijning en vorm op aarde af te scheiden; want de begraving
volgt te spoedig op den dood, daar zij bijna altijd binnen de vier
en twintig, en somtijds binnen de twaalf uren plaats heeft.

Te Rome zijn de grafputten in eene groote, vlakke, open, akelige
ruimte, evenals ik ze reeds te Genua beschreven heb. Toen ik ze
omstreeks den middag bezocht, zag ik eene enkele kist van geschaafde
planken, niet gedekt door eenig doodkleed en zóó licht gemaakt,
dat de hoef van een of anderen voorttredenden muilezel haar zou
hebben ingetrapt. Men had haar zorgeloos, op eene zijde liggende,
aan den ingang van een dezer graven, alleen gelaten, in regen en
zonneschijn. "Hoe komt die hier?" vroeg ik den man, die mij de
plaats rondvoerde. "Zij is een half uur geleden hier gebracht,
Signor!" zeide hij. Ik herinnerde mij, dat ik de processie ontmoet
had, toen zij terugkwam en die vrij stevig aanstapte. "Wanneer zal
zij in het graf neergelaten worden?" vraagde ik hem. "Als de kar komt
en de put heden avond geopend wordt," antwoordde hij. "Hoeveel kost
het om op zulk eene wijze hier gebracht te worden, in plaats van met
de kar?" vraagde ik hem. "Tien scudi," zeide hij, (ongeveer vijf en
twintig gulden en vijftig centen Nederlandsch courant). "De andere
lijken, waarvoor men niets betaalt, worden naar de kerk van Santa
Maria della Consolazione gevoerd," vervolgde hij, "en hier des nachts
gezamenlijk met de kar gebracht." Ik stond een oogenblik naar de kist
te turen, op welker deksel twee letters gekrast waren, en wendde het
hoofd af, met eene uitdrukking op mijn gelaat, waaruit hij, zooals ik
vooronderstel, geene goedkeuring van zijne wijze van zien bespeurde;
want hij zeide, terwijl hij zijne schouders met groote levendigheid
optrok en vriendelijk glimlachte: "Maar hij is dood, Signor, hij is
dood. Waarom niet?"

Onder de talrijke kerken is er eene, die ik verkozen heb om er
bijzonder melding van te maken. Het is de kerk van de Ara Coeli, die
men vooronderstelt, op de plaats van den ouden tempel van Jupiter
Teretrius gebouwd te zijn, en aan eene zijde genaderd wordt door
eene hooge steile trap, die onvolmaakt schijnt zonder eene groep
gebaarde wichelaars er bovenop. Zij is opmerkenswaardig, omdat zij een
wonderdadig Bambino of houten pop bezit, den Zaligmaker, als kind,
voorstellende, en ik zag het eerst dit wonderdadig Bambino (kind:
het is de vaste naam er van) op de volgende wijze:

Wij doolden op zekeren achtermiddag door de kerk en zagen langs hare
reeks sombere pilaren, (want al deze oude kerken, op de puinhoopen van
oude tempels gebouwd, zijn duister en treurig), toen de brave koerier
kwam binnenloopen met een grijns op zijn gelaat, die zich van het
eene oor naar het andere uitstrekte, en ons verzocht hem zonder een
oogenblik