Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Author: Dickens, Charles John Huffam
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het leven en de lotgevallen van David Copperfield" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | De in het origineel als uitgespatieerde tekst is weergegeven   |
  | als _uitgespatieerd_.                                          |
  | Cursieve tekst is weergegeven als #cursief#.                   |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder  |
  | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie.       |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



                      HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN

                                  VAN

                           DAVID COPPERFIELD

                                  DOOR

                            CHARLES DICKENS.

                       [Decoratieve illustratie]

                            OPNIEUW VERTAALD

                                  DOOR

                                DUTRIC.

                       [Decoratieve illustratie]

                 Met een Voorrede van B. TER HAAR Bzn.

                       [Decoratieve illustratie]

                         C. MISSET.—DOETINCHEM.



VOORREDE.


In den zomer van 1870, terwijl de Fransch-Duitsche oorlog de aandacht
van geheel Europa geboeid hield, viel een Engelsch vaartuig, dat eene
reis om de wereld had gedaan, in eene Engelsche haven binnen. Eer de
nieuw aangekomenen, na de eerste begroeting, tot hunne landgenooten de
zoo natuurlijke vraag konden richten: „Wat nieuws is er in Europa?”
klonk hun reeds de droeve tijding te gemoet: „_Dickens_ is dood!”
_Dickens_ is dood... dat was voor die Engelsche pikbroeken het
belangrijkste nieuws van alles—aan den Fransch-Duitschen oorlog
dachten zij niet.

Sprekender blijk van algemeene achting en waardeering, een schrijver
door zijn volk toegedragen, valt er moeilijk uit te denken.

Zóó bekend, zóó geliefd nu als _Dickens_ bij de Engelschen is, zal hij
in eenig ander land wel nooit worden. Zijne landgenooten toch vinden in
zijne werken zich zelven terug met al hunne eigenaardige gewoonten,
hunne bijzondere levensomstandigheden en hunne goede en slechte
eigenschappen. Zij zien daarin niet alleen hunne wereldstad met haar
onmiddellijken omtrek, maar tevens zoo menig hun bekend en geliefd
landschap afgeschilderd met photografische nauwkeurigheid. Dat kan met
een ander volk, ook met ons Nederlanders, nooit het geval worden.

Toch is _Dickens_, ook in ons vaderland, meer dan menig buitenlandsch
schrijver bekend en geliefd.

Zijne werken danken dien opgang ongetwijfeld in de eerste plaats
aan den fijnen geest, den echt Engelschen humor, waarvan zoo menige
persoonsbeschrijving, zoo menig tafereeltje tintelt, maar niet minder
aan de diepe menschenkennis, door den schrijver ten toon gespreid.
Telkens is het ons, alsof het beeld van een onzer bekenden geteekend, ja
meer nog, alsof een stukje van onze eigene innerlijke levensgeschiedenis
geschreven werd. Hoevele door hem geschetste personen zijn, ook onder
ons, tot een type geworden, zoodat wij telkens onwillekeurig uitroepen:
„dat is precies...” Vul zelf de namen maar in, lezer. Hoevele gezegden,
zijnen personen in den mond gelegd, zijn, ook onder ons, in een
spreekwijze overgegaan! Maar bovenal danken _Dickens_' werken dien
opgang aan zijne warme liefde voor de minder bedeelden in de
maatschappij, gepaard aan zijn onwrikbaar _geloof aan menschenadel_.

Tengevolge van dit alles treffen wij bij hem de gelukkigste vereeniging
van realisme en idealisme, of, juister gezegd, het ware, niet het
eenzijdige en daardoor slechts schijnbare, in den grond onware realisme
onzer dagen aan.

Volg hem gerust door de meest beruchte buurten, in de afschuwelijkste
holen der misdaad, die Londen telt. Geen spatje van den modder der
straten zal uw kleed bevlekken; geen kennismaking met eenige misdaad zal
uwe verbeelding bezoedelen.

Dat juist geeft, naar mijne meening, _Dickens_ aanspraak op den hoogsten
lof als schrijver voor zijn volk. Er gaat van zijne werken een
verheffende, veredelende invloed uit. Men wordt er frisscher,
krachtiger, moediger door.

Wie zijn werken leest, loopt geen gevaar, een weekelijke en zenuwzwakke
speelbal van een spookachtig noodlot te worden.

Met groote ingenomenheid nam ik daarom kennis van het voornemen van den
heer _Misset_ om het Nederlandsche volk een nieuwe, goedkoope uitgave
van _Dickens' meesterstuk_ „David Copperfield” aan te bieden.

De prijs is zoo laag gesteld, dat de kosten thans geen beletsel meer
zijn om _David Copperfield_ onder alle rangen der maatschappij te
verbreiden.

Wat deze nieuwe vertaling betreft, zij heeft boven de bestaande _dit_
voor, dat zij minder letterlijk en daarom gemakkelijker en aangenamer
te lezen is. Toch is daarbij de geest van het oorspronkelijke getrouw
bewaard.

De vertaler heeft getracht de dingen zoo te zeggen als _Dickens_, naar
zijne overtuiging, ze gezegd zou hebben, indien hij een Nederlander was
geweest.

Moge de Uitgever in zijne onderneming gelukkig slagen; menigeen zal hem
dan voor de hoogst aangenaam doorgebrachte uren oprecht dankbaar zijn.

                                                  B. TER HAAR Bzn.

    NIJMEGEN, Maart 1894.



                      HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN

                                  VAN

                           DAVID COPPERFIELD.



I.

Ik word geboren.


Of ik zelf dan wel een ander de held van deze geschiedenis worden zal,
zullen de volgende bladzijden moeten leeren. Om te beginnen met het
begin van mijne lotgevallen, deel ik mede dat ik—naar men mij verteld
heeft en ik ook voor waarheid aanneem—geboren ben op een Vrijdag,
te twaalf uur middernacht. De opmerking is gemaakt dat ik begon te
schreeuwen op hetzelfde oogenblik dat de klok hare twaalf slagen deed
hooren.

Dag en uur van mijne geboorte brachten de baker en eenige hoogst wijze
vrouwen uit de buurt, die gedurende de eerste maanden levendig belang
in mij stelden zonder dat ik persoonlijk kennis met haar maakte, tot
het besluit dat mij een leven vol tegenspoed te wachten stond en ik
in staat zou zijn spoken en geesten te zien; beide deze eigenschappen
waren naar haar oordeel onherroepelijk verbonden aan kinderen, die des
Vrijdags te middernacht het levenslicht aanschouwden.

Wat de eerste voorspelling betreft, daarvan behoef ik niets mede te
deelen, want deze bladzijden zullen voldoende aantoonen of er al dan
niet waarheid in gelegen is. Wat de tweede echter aangaat kan ik
slechts verklaren dat, indien deze gave mij ten deel is gevallen, ik
die als zuigeling moet hebben opgemaakt, aangezien mij daarvan op
lateren leeftijd niets is overgebleven. Ik beklaag mij daarover in
geenen deele en mocht iemand anders zich in het bezit er van verheugen,
dan zij hem dat van harte gegund.

Ik werd met een helm geboren, die in de nieuwsbladen tegen den geringen
prijs van vijftien guinjes te koop werd aangeboden. Ik weet niet of de
zeevarenden op dat tijdstip slecht bij kas waren of de voorkeur gaven
aan zwemgordels, maar het is een feit dat er slechts één bod werd
gedaan en dit wel door een wisselmakelaar, die aanbood twee pond in
contanten en de rest in sherry te betalen, maar geen penny meer wilde
geven om tegen verdrinken gewaarborgd te zijn. Dientengevolge waren de
onkosten van de advertentie noodeloos gemaakt—mijne arme moeder was
in die dagen genoodzaakt haar eigen wijn zelfs te verkoopen—en tien
jaar later werd de helm ergens in onze buurt onder vijftig deelnemers
verloot tegen een halve kroon per hoofd, terwijl de winner nog vijf
shilling zou toegeven. Ik was er bij tegenwoordig en herinner mij nog
zeer goed hoe verlegen en beschaamd ik was, dat daar met een stukje van
mij zelven op zulk eene wijze werd omgesprongen.

De helm werd gewonnen door eene oude juffrouw, die, hoewel met
tegenzin, de afgesproken vijf shilling in halvestuivers uit haar
hengelmandje te voorschijn haalde; zij gaf echter twee en een halven
stuiver te weinig en er was heel wat tijd en heel wat rekenkunst
noodig om haar dit aan het verstand te brengen. Als een hoogst
merkwaardig feit moet ik hier vermelden, dat zij niet verdronken, doch
zacht en kalm op haar bed overleden is, op haar tweeënnegentigste jaar.
Later heb ik vernomen dat zij er zich op beroemde nooit op het water
te zijn geweest dan op een brug en op hare theekransjes, waarvan zij
eene eerste liefhebster was, meermalen hare verontwaardiging lucht gaf
over de goddeloosheid van zeelieden en anderen, die de roekeloosheid
begingen om door de wereld „rond te dolen.” Te vergeefs werd haar
voorgehouden, dat allerlei geriefelijkheden—thee waarschijnlijk
daaronder begrepen—aan dit verafschuwde bedrijf te danken waren; zij
kwam telkens met nog grooter nadruk en voor zich zelve overtuigd van de
onomstootelijke waarheid terug op hare meening: „Dat ronddolen moest
niet plaats hebben.”

Ten einde ook zelf niet te gaan ronddolen, keer ik terug naar mijne
geboorte.

Ik werd geboren te Blunderstone in Suffolk, zes maanden nadat mijn
vader voor eeuwig de oogen gesloten had, zoodat ik een halve wees
was. Zelfs nu nog komt er eene zonderlinge gewaarwording in mij op,
wanneer ik bedenk dat hij mij nooit gezien heeft; maar vreemder nog
wordt het mij te moede bij de vage herinnering aan mijne eerste
kinderlijke opmerkingen over de witte zerk op het kerkhof, over
de onbarmhartigheid, dat wij hem daar alleen lieten liggen in den
duisteren nacht, terwijl in ons kleine kamertje de haard en de lamp
brandden, ja, dat wij zelfs zoo wreed waren de deur te sluiten en te
grendelen.

Eene tante van mijn vader en bijgevolg eene oudtante van mij, van
wie ik bij gelegenheid nog wel eens iets heb te vertellen, was de
voornaamste persoon in de familie. Miss Trotwood of miss Betsey, zooals
mijne moeder haar altijd noemde, wanneer zij moed genoeg had om het
gesprek op deze door haar zoo gevreesde persoon te brengen—hetgeen
slechts zelden het geval was—was getrouwd geweest met een man, die
jonger dan zij en heel mooi was, behalve in den zin van het aloude
spreekwoord: „mooi is wie mooi doet”; hij stond namelijk onder
verdenking miss Betsey geslagen en op zekeren dag, bij eene oneenigheid
over geldelijke aangelegenheden, in drift gedreigd te hebben haar
uit een venster van de tweede verdieping te zullen werpen. Dit zeer
duidelijk bewijs van de onvereenigbaarheid hunner karakters had tante
Betsey doen besluiten hem af te koopen en met wederzijdsch goedvinden
van hem te scheiden. Hij vertrok met zijn geld naar Indië en volgens
eene onzinnige overlevering in onze familie heeft iemand hem daar
ontmoet, rijdende op een olifant en in gezelschap van eene Indische
prinses. Hoe het zij, tien jaar later werd uit Indië zijn doodbericht
ontvangen. Niemand heeft ooit geweten of dit bericht mijne tante
bijzonder heeft getroffen; zij nam haar jongemeisjesnaam weder aan,
liet een huisje voor zich bouwen in een klein dorpje aan de zeekust,
vestigde zich daar metterwoon en bleef voortaan met ééne dienstmeid in
de strengste afzondering leven.

Mijn vader had, naar ik meen, altijd een wit voetje bij haar gehad,
maar zijn huwelijk kon zij hem nooit vergeven, omdat mijne moeder
volgens hare bewering „een wassen popje” was. Zij had mijne moeder
nooit ontmoet, maar wist dat zij nog niet ten volle twintig jaar oud
was. Mijn vader heeft tante Betsey nooit meer gezien. Hij was twee
malen zoo oud als mijne moeder en niet bijzonder sterk. Een jaar na het
huwelijk stierf hij en, zooals ik reeds meedeelde, zes maanden na zijn
dood aanschouwde ik het levenslicht.

Zoo was de stand van zaken in den namiddag van dien merkwaardigen
Vrijdag—men zal het mij wel niet euvel duiden dat ik dien dag
zoo noem. Ik kan er dus niet op bogen op dat tijdstip geweten te
hebben hoe de zaken stonden of mij van hetgeen volgt iets te kunnen
herinneren, dat op eigen waarneming is gegrond.

Mijne moeder zat in eene droefgeestige stemming en verre van gerust
door hare tranen heen in het vuur te staren, vol angst en kommer over
zich zelve en het kleine vaderlooze wezentje, dat door een paar lood
spelden in eene lade op de bovenkamer welkom werd geheeten in eene
wereld, wie zijne komst geen greintje belang inboezemde; mijne moeder
zat, zooals ik zeide, bij het vuur op dien helderen, stormachtigen
achtermiddag in Maart. Zij was verre van opgewekt en twijfelde of
zij de proef, die zij zou moeten doorstaan, wel zou te boven komen.
Terwijl zij nu het hoofd oplichtte om de oogen af te wisschen, zag zij
plotseling eene vreemde dame door den tuin aankomen. Een onbedriegelijk
voorgevoel zeide haar, dat die dame tante Betsey was. Zooals die
vreemde dame daar, door de ondergaande zon over het tuinhek beschenen,
kwam aanwandelen in eene stijve houding, bedaard alsof zij daar thuis
was, kon het niemand anders zijn dan tante Betsey, en toen zij de
woning bereikt had, gaf zij een overtuigend bewijs dat zij het was en
niemand anders. Mijn vader had meermalen ter loops gezegd, dat zij zich
zelden gedroeg als een gewoon christenmensch en ziet.... in plaats van
te bellen, keek zij door het venster en drukte daartoe haar neus zoo
hard tegen de ruiten dat, volgens verklaring van mijne moeder, dit
lichaamsdeel in een oogenblik geheel plat en wit was geworden.

Mijne moeder was door deze verschijning zoo ontsteld, dat ik het
ongetwijfeld aan tante Betsey te danken heb op een Vrijdag geboren te
zijn. In hare ontsteltenis was mijne moeder van haar stoel opgestaan en
had de wijk genomen naar een hoek van de kamer; maar tante Betsey bleef
onderzoekend het vertrek rondkijken tot zij mijne moeder ontdekte,
waarbij hare oogen in haar hoofd ronddraaiden als een moorenkop in
eene ouderwetsche Friesche klok. Toen nam zij mijne moeder van het
hoofd tot de voeten op en maakte, als iemand die gewoon is onmiddellijk
gehoorzaamd te worden, een gebaar om de deur te komen openen. Mijne
moeder voldeed aan haar verlangen.

„Mevrouw David Copperfield, onderstel ik?” vroeg tante Betsey; de
nadruk, dien zij op deze laatste woorden legde, had waarschijnlijk
betrekking op de rouwkleederen, die mijne moeder droeg en op den
belangwekkenden toestand, waarin zij verkeerde.

„Jawel,” antwoordde mijne moeder schuchter.

„Juffrouw Trotwood,” stelde de bezoekster zich voor. „Gij zult wel eens
over mij hebben hooren spreken, nietwaar?”

Mijne moeder antwoordde dat zij dit genoegen wel eens had gehad, maar
had daarbij de onaangename gewaarwording, dat haar toon niet zulk een
bijzonder groot genoegen te kennen gaf.

„En nu ziet gij haar voor u,” hernam tante Betsey.

Mijne moeder knikte en noodigde haar uit om binnen te komen.

Zij gingen naar het kamertje, waar mijne moeder gezeten had—in de
mooie kamer brandde geen vuur en had sinds den dood van mijn vader geen
vuur gebrand—en toen beiden hadden plaats genomen en tante Betsey
niets zeide, begon mijne moeder, na zich vruchteloos er tegen verzet te
hebben, te schreien.

„Tut, tut, tut,” zei tante Betsey met veel drukte, „dat behoeft nu
volstrekt niet! Kom, kom!” Mijne moeder kon het echter niet laten en
schreide daarom eerst uit.

„Neem uw mutsje eens af, mijn kind,” zei tante Betsey, „laat ik u eens
bekijken.”

Hoewel mijne moeder lust gevoelde om aan dit zonderlinge verzoek geen
gevolg te geven, was zij toch zoo bevreesd voor haar dat zij dit
niet durfde. Zij deed daarom wat haar verzocht werd, maar met zulke
zenuwachtig bevende handen dat haar volle, mooie haar los ging en over
haar gelaat viel.

„Wel, lieve Hemel!” riep tante Betsey, „gij lijkt waarlijk nog op een
schootkindje!”

Het was niet te loochenen dat mijne moeder er zelfs voor haar leeftijd
buitengewoon jong uitzag; zij liet haar hoofdje hangen alsof het haar
eigen schuld was, 't arme schepsel, en zei snikkend dat zij bang was
eene kinderachtige weduwe te zijn en ook eene kinderachtige moeder te
zullen wezen—als zij het leven er afbracht. Er volgde op deze woorden
een oogenblik van stilte, waarin mijne moeder meende tante Betsey's
hand op heur haar te voelen—heel zachtjes en vriendelijk—maar toen
zij zich schuchter en bedeesd omwendde, hopende zich niet vergist te
hebben, zag zij haar met den rand van haar rok opgeslagen, de handen
over een knie gevouwen en de voeten op den haardrand naar het vuur
staren.

„Waarom toch in 's Hemels naam Kraaiennest?” vroeg tante Betsey
plotseling.

„Bedoelt gij het huis, tante?”

„Waarom, Kraaiennest?” herhaalde zij. „Hoe is het mogelijk dat menschen
met gezond verstand zulk een naam aan hun huis kunnen geven?”

„Copperfield heeft dien naam gekozen,” antwoordde mijne moeder. „Toen
hij het huis kocht, nestelden hier tallooze kraaien in den omtrek.”

De avondwind blies op dit oogenblik zoo hevig door eenige oude olmen
in den tuin, dat mijne moeder noch mijne tante konden nalaten dien
kant uit te kijken. Wanneer de olmen tot elkander overbogen gelijk
reuzen, die geheimen hadden te verhandelen, en, na een oogenblik rust,
weder in heftige beweging kwamen en hunne takken als armen uitstaken,
alsof hunne vertrouwelijke mededelingen zoo snood waren dat ze hunne
gemoedsrust verstoorden, werden werkelijk op de hoogste takken eenige
verlaten kraaiennesten heen en weer geslingerd als wrakken op eene
onstuimige zee.

„Waar zijn de vogels?” vroeg tante Betsey.

„De.....?” Mijne moeder had aan andere dingen zitten denken.

„De kraaien? Wat is er mee gebeurd?” herhaalde tante Betsey.

„Zoolang wij hier gewoond hebben is er geen enkele kraai geweest,” zei
mijne moeder. „Wij meenden.... Copperfield meende.... dat er heel veel
waren, maar het bleken oude nesten te zijn, die door de vogels waren
verlaten.”

„David Copperfield op en top!” riep tante Betsey uit. „David
Copperfield op en top! Noemt het huis ‚Kraaiennest’, terwijl er geen
kraai in de buurt is en neemt maar op goed geloof aan dat er vogels
zijn als hij de nesten ziet! O! O!”

„Mijn beste Copperfield is dood,” zei mijne moeder. „Ik verwacht dat
gij niet op minachtenden toon over hem zult spreken....”

Ik geloof waarlijk dat mijne goede moeder een aanval op mijne tante op
het oog had, die haar met een pink zou hebben kunnen omgooien, zelfs al
was mijne moeder in gunstiger omstandigheden voor een gevecht geweest
dan op dezen avond. Het bleef er echter bij dat zij van haar stoel
opstond en weer ging zitten, waarna zij in eene flauwte viel.

Toen zij weder bijkwam of door tante Betsey was bijgebracht, stond deze
bij het venster. De schemering was intusschen door volslagen duisternis
opgevolgd en had de haard niet gebrand, dan zouden zij elkander in het
geheel niet hebben kunnen zien.

„Wel?” zei tante Betsey, weder plaats nemende alsof er niets gebeurd
was, „wanneer verwacht gij de nieuwe wereldburgeres?”

„Ik weet niet.... ik beef zoo....” stamelde mijne moeder. „Ik zal het
zeker niet overleven”.

„Gekheid.... drink maar een kopje thee.”

„O, lieve Hemel, zou dat goed voor mij zijn?” riep mijne moeder
radeloos uit.

„Zeker, zeker.... het is niets dan verbeelding,” hernam tante Betsey.
„Hoe heet uw meisje?”

„Maar ik weet immers niet of het een meisje zijn zal,” antwoordde mijne
moeder onschuldig.

„De Hemel beware het kind!” riep tante Betsey, de tweede spreuk op het
bakerkussen in de lade herhalend, doch in plaats van op mij, op mijne
moeder toepassende. „Dat bedoel ik niet; ik bedoel uw dienstmeisje.”

„Peggotty,” zeide mijne moeder.

„Peggotty!” herhaalde tante Betsey. „Gij zult toch niet beweren dat er
ooit een menschelijk wezen in een christenkerk gedoopt is met den naam
Peggotty?”

„Het is haar familienaam,” hernam mijne moeder bedeesd. „Copperfield
noemde haar altijd zoo, omdat zij denzelfden voornaam heeft als ik.”

„Hela! Peggotty!” riep tante Betsey, de kamerdeur openende, „breng wat
thee. Mevrouw is niet wel. Vlug wat!”

Nadat zij deze bevelen gegeven had op een toon van gezag, alsof er zoo
lang het huis had bestaan nooit iemand anders aan het hoofd van de
huishouding had gestaan dan zij, en na zich even vertoond te hebben aan
de verbaasde Peggotty, die op het geluid van de vreemde stem met een
kandelaar in de hand kwam aanloopen, sloot zij de deur en nam hare oude
plaats weer in: met de voeten op den haardrand, den rok van de japon
opgeslagen en de handen gevouwen over ééne knie.

„Gij zeidet zoo even dat gij niet wist of het een meisje zal zijn,”
begon zij. „Ik ben er zeker van dat het een meisje zijn zal. Ik heb
een voorgevoel dat het een meisje zijn zal. En, mijn kind, van het
oogenblik van de geboorte van het meisje....”

„Misschien is het een jongen,” waagde mijne moeder op te merken.

„Ik zeg u: ik heb een voorgevoel dat het een meisje zijn zal,”
herhaalde tante Betsey. „Spreek mij niet tegen. Van het oogenblik
af, dat uw meisje geboren wordt, ben ik voornemens eene vriendin voor
haar te zijn. Ik wil haar peet zijn en ik verzoek haar te noemen:
Betsey Trotwood Copperfield. _Deze_ Betsey Trotwood mag het aan niets
ontbreken in haar leven en vooral mag er niet met het hart van het arme
kind gespeeld worden. Zij moet eene goede opvoeding hebben en er voor
behoed worden, haar vertrouwen te schenken aan onwaardigen. Daarvoor
zal ik weten te zorgen.”

Na elken volzin knikte tante Betsey met het hoofd, alsof al het geleden
onrecht weder bovenkwam; blijkbaar kostte het haar moeite om er niet
telkens over te beginnen. Mijne moeder kwam dit ten minste zoo voor,
toen zij haar gadesloeg bij het doffe schijnsel van het haardvuur;
eigenlijk was zij te bang voor tante Betsey, te verlegen en te pijnlijk
om alles goed waar te nemen en te weten, wat zij antwoorden moest.

„En was David een goed echtgenoot, mijn kind?” vroeg tante Betsey na
eenige oogenblikken gezwegen te hebben; de bewegingen met het hoofd
hadden nu geheel opgehouden. „Kondt gij het goed met elkaar vinden?”

„Wij waren heel gelukkig,” antwoordde mijne moeder. „Copperfield was
eigenlijk veel te goed voor mij.”

„Hij heeft u zeker erg bedorven,” hernam tante Betsey.

„Ja, ik vrees wel dat hij het gedaan heeft,” snikte mijne moeder, „nu
ik geheel alleen ben achtergebleven en op mijne eigen beenen moet staan
in deze ruwe wereld, voel ik het maar al te goed.”

„Kom! Gij moet nu niet schreien!” zei tante Betsey. „Gij pastet niet
bij elkander—alsof ooit twee menschen bij elkander passen—daarom deed
ik deze vraag. Gij waart wees, niet waar?”

„Ja.”

„Gouvernante?”

„Ik was bonne bij eene familie waar Copperfield aan huis kwam.
Copperfield was altijd heel vriendelijk jegens mij, bewees mij allerlei
oplettendheden en bood mij eindelijk hart en hand aan. Ik wees hem niet
af en zoo trouwden wij,” antwoordde mijne moeder op hare ongekunstelde
manier.

„Och! Arm kind!” mompelde tante Betsey, terwijl zij met gefronst
voorhoofd naar het vuur keek. „En hebt gij ook verstand van een en
ander?”

„Hoe bedoelt gij dat, mevrouw?” stotterde mijne moeder.

„Van de huishouding bijvoorbeeld?”

„Niet veel, naar ik vrees,” antwoordde mijne moeder. „Niet zooveel als
ik wel wenschte, maar Copperfield was een goed leermeester....”

„En hij wist er zelf zooveel van!” riep tante Betsey uit.

„.... en ik zou zeker spoedig op de hoogte zijn geweest, want ik was
zeer begeerig om te leeren en hij geduldig in het onderrichten, indien
mij niet het groote ongeluk van zijn dood....” mijne moeder barstte
opnieuw in tranen uit en kon niet voortgaan.

„Zoo, zoo!” zei tante Betsey.

„Ik hield mijn huishoudboek geregeld aan en maakte elken avond met
Copperfield de balans op,” riep mijne moeder in wanhoop uit. Zij was op
het punt om nogmaals flauw te vallen.

„Zoo, zoo!” herhaalde tante Betsey. „Maar schrei dan toch niet zoo.”

„.... En ik verzeker u dat wij nooit een enkel woord verschil er over
hadden dan wanneer Copperfield vond, dat mijne drieën en vijven te veel
op elkaar geleken of dat ik te groote krullen aan de zevens en negens
maakte,” vervolgde mijne moeder snikkende en bleef al weder steken.

„Gij zult u nog ziek maken,” zei tante Betsey, „en dat zou noch voor u,
noch voor mijn peetdochtertje goed zijn. Kom! Laat dat nu maar!”

Dit argument bracht mijne moeder een weinig tot kalmte en nu volgden er
eenige oogenblikken stilte, alleen afgebroken door het herhaalde ‚Zoo,
zoo!’ van tante Betsey, die met de voeten op den haardrand zat.

„Ik weet dat David eene lijfrente voor zichzelven gekocht had,” sprak
zij eindelijk. „Wat heeft hij voor u gedaan?”

„Copperfield,” antwoordde mijne moeder—het kostte haar zichtbaar
inspanning—„Copperfield is zoo omzichtig geweest om een gedeelte
daarvan op mijn naam te doen overschrijven.”

„Hoeveel?” vroeg tante Betsey.

„Honderd en vijf pond 's jaars,” antwoordde mijne moeder.

„Dat had slimmer kunnen zijn,” zei tante. Het woord „slimmer” was
met het oog op de omstandigheden van dit oogenblik zeer eigenaardig
gekozen. Mijne moeder was zooveel „slimmer”, dat Peggotty, die met
de lamp en het theeblad de kamer binnenkwam, ziende hoe onwel mijne
moeder was—ware het lichter geweest, dan zou tante Betsey het ook
wel opgemerkt hebben—haar terstond naar boven, naar hare eigen kamer
bracht en haar neef, Ham Peggotty, die reeds eenige dagen heimelijk,
zonder dat mijne moeder het wist, in de keuken opgesloten was geweest
om in geval van nood als koerier dienst te doen, naar den dokter en de
baker zond.

Deze verbonden machten waren niet weinig verbaasd, toen zij,
eenige minuten na elkander binnenkomend, eene vreemde dame met een
onheilspellend uiterlijk bij den haard vonden zitten, met de muts over
den linkerarm en watten in de ooren. Peggotty kon geen opheldering
omtrent haar geven en mijne moeder sprak ook geen woord over haar,
zoodat zij daar zat als een levend geheim; terwijl het feit, dat zij
een geheele scheepslading watten in hare zakken scheen te hebben en
maar voortging met het vullen van hare ooren, volstrekt geen afbreuk
deed aan het statige in haar voorkomen.

Toen de dokter, die terstond naar boven was gegaan, weder beneden kwam
en zich, naar ik onderstel, intusschen gemeenzaam gemaakt had met het
denkbeeld, dat hij waarschijnlijk eenige uren tegenover die vreemde
dame bij den haard zou moeten zitten, had hij zonder twijfel besloten
zoo beleefd en gezellig mogelijk te zijn. Hij was de zachtzinnigste
man, dien men zich denken kan, die kleine dokter Chillip. Hij deed
altijd zijn best, om waar hij ook was zoo min mogelijk plaats in te
nemen en liep nog zachter dan het spook in Hamlet. Hij droeg het hoofd
een weinig op zijde, zoowel uit bescheiden geringschatting van zich
zelven, als om iedereen verzoenend te stemmen. Het is te weinig, indien
ik beweer dat hij zelfs geen hond een barsch woord zou hebben kunnen
toevoegen—hij zou het zelfs geen _kwaden_ hond hebben kunnen doen. Hij
zou hem misschien een vriendelijk woord of een half woord of een stukje
van een woord hebben toegevoegd, want hij sprak even zacht als hij
liep; maar hij zou hem voor geen geld ter wereld boos of barsch hebben
kunnen aanspreken.

Mijnheer Chillip dan keek mijne tante vriendelijk aan, met het hoofd op
zijde, maakte eene kleine buiging en op de watten doelende, raakte hij
even haar linker oor aan, zeggende:

„Eene plaatselijke aandoening, mevrouw?”

„Wat?” riep mijne tante, terwijl zij de watten als een kurk uit een der
ooren trok.

Mijnheer Chillip ontstelde zoo van dezen uitval, dat het, zooals
hij later aan mijne moeder vertelde, een wonder was dat hij zijne
tegenwoordigheid van geest niet verloor. Hij herhaalde op vriendelijken
toon:

„Een plaatselijke aandoening, mevrouw?”

„Nonsens!” antwoordde mijne tante en kurkte haar oor met één duw weder
dicht.

Dokter Chillip kon daarna niets doen dan nu en dan een nieuwsgierigen
blik op haar werpen, terwijl zij in het vuur zat te kijken, totdat hij
weder boven geroepen werd. Na een kwartier ongeveer kwam hij weer
beneden.

„Wel?” vroeg mijne tante, terwijl zij het oor, dat het dichtst bij hem
was, ontkurkte.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, „wij vor.... vor.... deren langzaam,
mevrouw.”

„Zoo—o—o” zeide zij en stopte het oor weer toe.

Daar lag zooveel minachting in den toon, waarop zij dit enkele woord
uitsprak, dat zelfs dokter Chillip—zooals hij later aan mijne moeder
vertelde—zich beleedigd gevoelde, wel te verstaan, alleen als
deskundige. Toch bleef hij nog twee uren lang in haar gezelschap,
terwijl zij in het vuur zat te staren. Toen werd hij weder boven
geroepen en teruggekomen, volgde dezelfde vraag:

„Wel?”

„Wel, mevrouw, wij vor.... vorderen langzaam, mevrouw.”

„Ja...a...!” zei tante Betsey en snauwde den armen dokter op zulk een
wijze af, dat hij het niet langer kon verdragen. Hij zou er geheel door
van zijn stuk zijn geraakt, verklaarde hij later. Hij gaf er daarom de
voorkeur aan op de donkere, tochtige trap te gaan zitten, tot hij weer
boven werd geroepen.

Ham Peggotty, die op de volksschool ging en uitnemend tehuis was in
zijn cathechismus, waarom hij als een geloofwaardige getuige mag
aangemerkt worden, vertelde den volgenden dag, dat, toen hij het een
uur later waagde om de deur van het kleine kamertje te kijken, hij
onmiddellijk door tante Betsey, die zenuwachtig heen en weer wandelde,
ontdekt en bij den kraag gegrepen werd; dat het geluid van voetstappen
en stemmen van de bovenkamer zonder twijfel door de watten moet zijn
gedrongen, want het bleek duidelijk dat de dame hem tot afleider
gebruikte, wanneer die geluiden het hevigst waren; dat zij voortdurend
met hem op en neer liep alsof hij ontnuchterd moest worden, hem bij
den kraag van zijne jas bleef vasthouden en hem bij elken kreet, die
van boven tot haar doordrong, door elkander schudde, zijn haar door
de war haalde, zijn boordje verkreukelde en zijne ooren dichtstopte
in de meening dat het de hare waren en hem op alle mogelijke wijzen
mishandelde en havende. Gedeeltelijk werd dit ook door zijne tante
bevestigd die hem om half één terugzag en verklaarde, dat hij toen even
rood was als ik.

De goedhartige dokter Chillip, die geen kwaad met kwaad wilde
vergelden—dat deed hij trouwens nooit—kwam, zoodra hij boven gereed
was, de kamer binnen en zeide met zijne zachtste stem: „Nu, mevrouw, ik
ben blijde u te kunnen gelukwenschen.”

„Waarmede?” vroeg mijne tante bits.

Dokter Chillip ontstelde nogmaals van den barschen, onaangenamen
toon mijner tante; hij maakte daarom weder eene kleine buiging en
glimlachte, ten einde haar wat zachter te stemmen.

„Lieve Hemel, wat een man! Wat wil hij toch?” riep tante ongeduldig
uit. „Heeft hij zijne spraak verloren?”

„Kalm, mijne waarde mevrouw,” sprak dokter Chillip bijna onhoorbaar.
„Er is volstrekt geen reden tot eenige bezorgdheid. Gij kunt gerust
zijn.”

Het mag nog altijd een wonder genoemd worden, dat mijne tante hem toen
niet, evenals Ham, bij den kraag heeft gepakt, ten einde hetgeen hij
te zeggen had uit hem te schudden. Zij boog haar eigen hoofd alleen
voorover, maar zij deed dit op eene wijze, dat al zijn moed hem in de
schoenen zonk.

„Wel, mevrouw,” herhaalde hij, toen hij zich een weinig hersteld
had, „ik ben blijde u te kunnen gelukwenschen. Alles is uitnemend
afgeloopen.”

Gedurende de vijf minuten of daaromtrent, die dokter Chillip noodig had
om deze redevoering af te steken, staarde mijne tante hem doordringend
aan.

„Hoe gaat het haar?” vroeg zij, de armen over elkander slaande,
niettegenstaande haar hoed nog over haar linker arm hing.

„Wel, mevrouw, zij zal spoedig geheel hersteld zijn, naar ik hoop,”
antwoordde dokter Chillip. „Zij zal zich spoedig zoo wel gevoelen als
eene jonge moeder onder zulke omstandigheden doen kan. Er bestaat
geen enkel bezwaar voor u om niet eens bij haar te gaan. Het zal haar
integendeel goed doen.”

„En _zij_? Hoe gaat het _haar_?” vroeg mijne tante bits.

Dokter Chillip bracht zijn hoofd nog een weinig meer op zijde en keek
haar aan als een tam vogeltje.

„Het kind,” zei mijne tante. „Hoe maakt _zij_ het?”

„Ik meende dat gij het al wist, mevrouw,” antwoordde dokter Chillip.
„Het is een jongen.”

Mijne tante sprak geen woord meer, doch nam haar hoed bij de banden,
op de wijze zooals men een slinger aanvat, sloeg er mede naar dokter
Chillip's hoofd, zette hem op en liep boos heen om niet meer terug
te komen. Zij verdween als eene misnoegde fee, of als een van die
bovennatuurlijke wezens, die, naar de overlevering luidt, voor mij
zichtbaar zouden zijn—en kwam nooit meer terug.

Neen; ik lag in mijn wiegje, en mijne moeder in haar bed, maar Betsey
Trotwood Copperfield behoorde voor altijd tot het land der droomen
en schimmen, tot het geheimzinnige land, waaruit ik zooeven was
aangekomen; en het licht uit onze kamer viel door het venster op de
laatste rustplaats van tallooze dergelijke reizigers en op die van hem
zonder wien ik er nooit zou zijn geweest.



II.

Ik begin op te merken.


De eerste voorwerpen, die eenigszins duidelijk in mijn geheugen
opdoemen, wanneer ik mij mijne eerste levensjaren voor den geest
haal, zijn mijne moeder met haar mooie haar en hare jeugdige vormen
en Peggotty zonder eenige vormen en met oogen zoo donker, dat ze
haar geheele gelaat schenen te verduisteren, en armen zoo hard en zoo
rood, dat het mij altijd verbaasde waarom de vogels niet liever daarin
pikten dan in de appels in onzen tuin. Ik herinner mij beiden zeer
goed, maar zij nemen altijd kleinere verhoudingen voor mij aan, omdat
ik ze mij voorstel gebukt of in knielende houding tegenover elkander
op den grond, terwijl ik van de eene naar de andere waggel. Ook is
mij nog de gewaarwording bijgebleven, die ik ondervond, wanneer ik
Peggotty's wijsvinger aanraakte, als zij die naar mij uitstak; die
vinger was van het naaien zoo ruw geworden als een muskaatraspje. Het
is mogelijk slechts verbeelding van mij dat ik mij dit herinner, hoewel
ik van meening ben dat onze herinnering veel verder reikt dan menigeen
vermoedt; evenzeer geloof ik dat het waarnemingsvermogen bij jonge
kinderen inderdaad verbazend scherp is in het kleine kringetje, waarin
zij zich bewegen. Ik ben zelfs van oordeel dat van menschen, die zich
door eene fijne opmerkingsgave onderscheiden, eerder gezegd kan worden,
dat zij die niet verloren dan dat zij die verkregen hebben en dit te
eerder, omdat ik meen opgemerkt te hebben, dat zulke menschen eene
zekere frischheid, zachtheid en vatbaarheid voor eenvoudige genoegens
hebben behouden, die zij als eene erfenis uit hunne kindsheid hebben
bewaard.

Ik mag wel vergeving vragen, omdat ik weder aan het ‚ronddolen’
ben gegaan, doch het aangevoerde brengt mij als van zelf tot de
opmerking, dat ik tot dit besluit gedeeltelijk gekomen ben door de
ervaring, die ik op mij zelven heb opgedaan; indien het dus in den
loop van dit verhaal mocht blijken, dat mij als kind eene buitengewone
opmerkingsgave was toebedeeld of als man eene levendige herinnering van
mijne kindsheid is bijgebleven, dan mag ik zekerlijk aanspraak maken op
deze beide eigenschappen.

Wanneer ik, zooals ik reeds zeide, op mijne eerste jeugd terugzie,
staan mijne moeder en Peggotty in mijne herinnering op den voorgrond.
Wat kan ik mij nog meer herinneren? Laat ons eens zien. Het eerst komt
het huis, waarin wij wonen, uit den nevel te voorschijn; het is niet
nieuw, maar gezellig ingericht. In de benedenverdieping is Peggotty's
keuken met eene deur, die op een plaatsje uitkomt, waarop een duiventil
stond zonder duiven en een groot hondenhok zonder hond; ook bevinden
zich daar eene menigte kippen, die bijzonder groot zijn in mijne
herinnering en deftig rondstappen. Er is één haan bij, die op een paal
vliegt om te kraaien en mij voortdurend in het oog houdt, wanneer ik
door het keukenraam naar hem kijk; in mijne herinnering ben ik bang
voor hem, zoo trotsch en kwaadaardig kijkt hij in het rond. Des nachts
droom ik van de ganzen, die mij met hunne logge lichamen nawaggelen,
wanneer ik het zijpoortje durf naderen; ik droom daarvan zooals een
man, die voortdurend tusschen de wilde dieren leeft, over leeuwen zou
droomen.

Een lange gang—in mijne herinnering een vergezicht—voert van de
voordeur naar Peggotty's keuken. Eene sombere provisiekamer komt
daarin uit en des avonds loopt men die liefst maar zoo snel mogelijk
voorbij; ik weet nog niet wat daar tusschen die tonnen en potten en
oude theekisten schuilde, die te zien kwamen wanneer daar iemand met
een klein lampje binnenging en een gemengde geur van zeep, inmaak,
peper, kaarsen en koffie door de geopende deur naar buiten drong.
Verder zijn er twee kamers: de eene, waarin wij, mijne moeder, Peggotty
en ik, 's avonds zitten—Peggotty zit altijd bij ons binnen, wanneer
zij haar werk heeft gedaan en er geen vreemden zijn—en dan de mooie
kamer, waar wij des Zondags zitten; deze is deftiger ingericht, maar
niet zoo gezellig. Deze kamer heeft een somberen, naargeestigen indruk
bij mij achtergelaten, want Peggotty vertelde mij—ik weet niet
wanneer, maar het schijnt mij eeuwen geleden toe—dat bij gelegenheid
van de begrafenis mijns vaders de volgers daar hunne zwarte mantels
omdeden. Op zekeren Zondagavond las mijne moeder Peggotty en mij daar
voor over Lazarus en diens opwekking uit den doode en was ik zoo
angstig geworden, dat men mij later uit mijn bed moest nemen en naar
het venster brengen, zoodat ik bij het heldere maanlicht het kerkhof
kon zien, waar de dooden allen rustig in hunne graven lagen.

Nooit heb ik iets gezien, dat zoo groen was als het gras op dat
kerkhof, nooit zag ik lommerrijker plekje, nooit iets dat kalmer
indruk maakte dan deze grafzerken. Wanneer ik des morgens op mijne
knietjes ging liggen in mijn bedje, dat in een afgeschoten gedeelte
van de slaapkamer mijner moeder was geplaatst, kon ik daar de schapen
zien grazen en den rooden gloed op den zonnewijzer en dacht: „zou de
zonnewijzer blijde zijn dat hij weer kan vertellen hoe laat het is?”

En dan onze bank in de kerk. Wat heeft die bank een hooge rugleuning.
Van onze plaats af kan ik door een der ramen ons huis zien en Peggotty
kan het ook zien en ziet er onder de morgengodsdienstoefening ook zoo
dikwijls naar als zij kan, om zich te overtuigen of het ook bestolen
wordt of in brand staat. Maar al dwalen Peggotty's oogen dikwijls af,
toch kijkt zij heel boos wanneer de mijnen het doen; en wanneer ik in
de bank opsta ziet zij mij met gefronste wenkbrauwen aan en beduidt
mij dat ik naar den dominee moet kijken. Maar ik kan niet voortdurend
naar den dominee kijken; ik ken hem wel, ook al heeft hij die witte
bef niet aan, en ik ben bang dat hij verwonderd zal zijn als ik hem
zoo voortdurend aankijk, dat hij zal ophouden om te vragen waarom ik
dat doe—en wat dan? Het is een vreeselijk gevoel als men in de kerk
moet gapen, maar ik kan het nu en dan niet nalaten. Ik kijk naar mijne
moeder, maar zij doet alsof zij mij niet ziet. Ik kijk naar een jongen
dicht bij den ingang en hij trekt leelijke gezichten. Ik kijk naar het
zonlicht, dat door de openstaande deur van het portaal naar binnen
dringt, en daar zie ik een afgedwaald schaap—ik bedoel geen zondaar
maar een heusch schaap—dat voornemens schijnt de kerk binnen te komen.
Ik voel dat ik, als ik er nog langer naar kijk, niet zal kunnen nalaten
iets hardop te zeggen—en wat zou er dan met mij gebeuren? Ik kijk naar
de grafschriften en tracht aan mijnheer Bodgers, den vorigen predikant,
te denken en aan het verdriet, dat mevrouw Bodgers moet gehad hebben,
toen haar echtgenoot zoo zwaar ziek lag en geen geneeskundige hulp
meer kon baten. Ik zou wel eens willen weten of zij dokter Chillip ook
geroepen hebben en of hij ook geen hulp heeft kunnen verschaffen; en
indien dit zoo is, hoe dokter Chillip het vindt om elke week daaraan
herinnerd te worden. Ik kijk van dokter Chillip in zondagsgewaad naar
den preekstoel en stel mij voor welk een prettige speelplaats deze zou
zijn, hoe goed hij voor kasteel zou kunnen dienen en hoe heerlijk het
zijn zou om, wanneer andere jongens de trap bestormden, hen met het
fluweelen kussen met kwasten om de ooren te smijten. Gaandeweg vallen
mijne oogen dicht en ik verbeeld mij dat de dominee in de warmte een
slaapliedje zingt.... ik hoor niets, totdat ik met een smak op den
grond val en Peggotty mij meer dood dan levend opbeurt en wegbrengt.

En nu zie ik de buitenzijde van ons huis met de zonneblinden voor de
vensters van de slaapkamer, die open staan om de frissche lucht binnen
te laten; ik zie de overblijfselen van de oude kraaiennesten in de
olmboomen in den voortuin. En nu ben ik in den achtertuin achter het
plaatsje, waar het ledige hondenhok en de duiventil staan—een ware
lusthof voor de kapelletjes, met eene hooge schutting, een poortje en
een hangslot, waar vruchten aan de boomen hangen, rijper en sappiger
dan in welken tuin ook en waar mijne moeder staat te plukken, terwijl
ik haastig de gesnoepte aalbessen inslik en dan rondkijk alsof er niets
gebeurd is. Er komt plotseling een hevige wind opzetten en dan is de
zomer in een oogwenk voorbij. Wij spelen in de schemering en dansen de
kamer rond en wanneer mijne moeder buiten adem is en in den grooten
leunstoel uitrust, kijk ik hoe zij hare lange krullen om hare vingers
windt en het lijf van hare japon glad trekt; niemand weet beter dan ik
hoe prettig zij het vindt, dat zij er zoo goed uitziet en hoe trotsch
zij is op haar mooi gezichtje.

Dit zijn de indrukken van mijn eerste kinderjaren, dit en een onbestemd
gevoel dat wij beiden een weinig bang waren voor Peggotty en ons in de
meeste dingen schikten naar haar wil.

Op zekeren avond zaten Peggotty en ik alleen bij den haard in het
kleine kamertje. Ik had Peggotty voorgelezen van krokodillen. Ik moet
bijzonder duidelijk gelezen of de goede ziel moet met groote aandacht
geluisterd hebben, want ik herinner mij dat, toen ik het hoofdstuk had
uitgelezen, zij in de meening verkeerde dat krokodillen een soort van
groente waren. Ik was vermoeid van het lezen en halfdood van den slaap,
maar omdat ik met veel moeite de toestemming verkregen had om op te
blijven tot mijne moeder, die bij een der buren een bezoek aflegde,
terugkwam, zou ik natuurlijk liever op mijn post zijn doodgebleven dan
naar bed te gaan. Ik had dien zekeren graad van slaperigheid bereikt,
waarin alles, ook Peggotty, reusachtige afmetingen begon aan te nemen.
Ik spalkte mijne oogleden met de beide voorste vingers open en keek
haar strak aan, terwijl zij zat te werken met het kleine eindje
waskaars voor zich, dat zij gebruikte om den draad door te halen—wat
was het oud en in alle richtingen doorsneden!—en het kleine huisje
met het rieten dak, waarin haar elletje lag, en het naaidoosje met den
schuifdeksel waarop eene voorstelling van de Sint Paulskerk met een
rozerood koepeldak geschilderd was. En dan keek ik weder naar haar
vinger met den vingerhoed van geel koper en naar haar zelve en vond
haar mooi. Ik was zoo slaperig dat ik ook werkelijk in een vasten slaap
zou zijn gevallen, als ik niet voortdurend mijne oogen op iets
gevestigd had gehouden.

„Peggotty,” vroeg ik plotseling, „zijt gij nooit getrouwd geweest?”

„Goede hemel, jongeheer David,” riep Peggotty uit, „hoe komt het in u
op?”

Zij antwoordde met zulk een drift dat ik er plotseling geheel wakker
van werd. En toen hield zij op met werken en keek mij aan, terwijl zij
de naald zoover van zich afhield als de draad lang was.

„Zijt gij heusch nooit getrouwd geweest, Peggotty?” herhaalde ik. „Gij
zijt immers een mooie vrouw.... zijt gij niet?”

Wel is waar vond ik eenig verschil tusschen haar en mijne moeder, maar
ik beschouwde haar als een uitnemend voorbeeld van eene andere soort
van ‚mooi’. Er was in onze mooie kamer een voetkussen, waarop mijne
moeder een bouquet had gewerkt. De grond van dat voetkussen en de kleur
van Peggotty's gelaat kwamen geheel overeen; wel was het kussen zacht
en Peggotty ruw, maar dat deed er niet toe.

„Ik mooi, David!” zei Peggotty. „O, Heere, neen, mijn beste jongen!
Maar hoe komt gij zoo over trouwen te denken?”

„Dat weet ik niet! Maar men mag immers maar met één persoon te gelijk
trouwen, nietwaar Peggotty?”

„Zeker,” antwoordde Peggotty zoo beslist mogelijk.

„Maar wanneer men met iemand getrouwd is en die iemand sterft, mag men
dan weder met een ander trouwen, Peggotty?”

„Jawel, beste jongen, als men dat verkiest; maar daarover denkt de een
zus en de ander zoo.”

„En hoe denkt gij er over, Peggotty?” vroeg ik, terwijl ik haar
nieuwsgierig aankeek, omdat zij mij zoo nieuwsgierig aankeek.

„Ik denk daarover,” antwoordde Peggotty, terwijl zij de oogen van
mij afwendde en haar werk opnam, „dat ik nooit getrouwd ben geweest,
jongeheer Davy, en dat ik ook wel nooit trouwen zal. Dat is alles wat
ik er van weet.”

„Gij zijt immers niet boos op mij, Peggotty?” vroeg ik, na eenige
oogenblikken te hebben gezwegen.

Ik meende inderdaad dat zij boos op mij was, omdat zij mij kortaf
geantwoord had; maar ik vergiste mij, want zij legde haar werk—een
kous van haar zelve—op zijde, breidde de armen uit, drukte mijn
krullebol tegen haar boezem en kuste mij hartelijk. Ik weet dat zij mij
stevig drukte, want aangezien zij zeer gezet was vlogen er bij meer dan
gewone inspanning altijd eenige knoopen van hare japon, die op den rug
was dichtgeknoopt. Ik herinner mij dat er twee naar den anderen kant
van de kamer vlogen toen zij mij zoo hartelijk omhelsde.

„Lees mij nu nog eens wat voor over de korkedillen,” zei Peggotty, die
den naam niet goed onthouden kon, „ik heb er nog niet half genoeg van
gehoord.”

Ik begreep volstrekt niet waarom Peggotty zoo vreemd keek en hoe zij op
eens zoo belust was geworden op de krokodillen; evenwel, wij keerden
tot die monsters terug en lieten hunne eieren in de zon uitbroeden en
ik was weder zoo wakker alsof het morgen was; wij gingen voor hen op de
vlucht en keerden ons telkens om, hetgeen zij met hunne logge lichamen
zoo vlug niet konden doen en gingen hen in het water achterna, even als
de inboorlingen en staken hun scherpe stukken hout in de keel en kwamen
eindelijk tot de overtuiging, dat krokodillen over hun gansche lichaam
een pantser hebben getrokken. Ik kwam ten minste tot die overtuiging,
maar of Peggotty het ook deed betwijfel ik; want zij zat zich onder het
voorlezen telkens met de naald in het gezicht en in de armen te pikken.

Wij hadden de krokodillen afgehandeld en begonnen aan de alligators,
toen de huisschel overging. Wij liepen de gang in en daar was mijne
moeder, die er, naar mijn oordeel, buitengewoon lief uitzag. Zij
werd thuis gebracht door een heer met prachtig zwart haar en zwarte
bakkebaarden, die den vorigen Zondag met ons uit de kerk naar huis was
gewandeld.

Toen mijne moeder mij op den drempel opnam en mij kuste, zei de vreemde
heer dat ik, zoo klein als ik was, meer bevoorrecht was dan een
koning—of iets dergelijks; ik voel zelf wel dat de ondervinding, op
lateren leeftijd opgedaan, mijn geheugen hier te hulp komt.

„Wat beteekent dat?” vroeg ik hem over mijn schouder heen.

Hij klopte mij op het hoofd, maar of ik hem of zijne zware stem niet
kon uitstaan, hoe het zij, ik wilde niet dat zijne hand mijne moeder
zou aanraken, hetgeen reeds het geval was. Ik duwde de hand weg zoo
goed als ik kon.

„O, David!” sprak mijne moeder op berispenden toon.

„Beste jongen!” zei de vreemdeling en voegde er bij: „Het verbaast mij
niets dat hij u aanbidt.”

Nooit had ik voor dien tijd mijne moeder zoo zien blozen als op dit
oogenblik. Zij beknorde mij zachtjes omdat ik zoo onvriendelijk was en
mij dicht tegen zich aandrukkende, keerde zij zich om en bedankte den
vreemden heer voor de moeite, die hij zich getroost had om haar thuis
te brengen. Zij stak hem de hand toe, terwijl zij sprak en toen zij de
zijne aanraakte, lachte zij, naar ik meende, mij toe.

„Laten wij elkander goeden nacht zeggen, lief ventje,” sprak de
vreemdeling, terwijl hij—ik zag het!—het hoofd over mijn moeders
kleine handje gebogen had.

„Goeden nacht!” zei ik.

„Kom, wij moeten goede vrienden worden,” antwoordde de vreemdeling
lachend. „Geef mij een hand.”

Mijne rechterhand lag in de linker van mijne moeder zoodat ik hem de
andere aanbood. „Wel, dat is het verkeerde handje,” zei hij, nog steeds
lachend.

Mijne moeder bracht mijne hand naar hem toe, maar ik was om de reeds
vermelde redenen vastbesloten hem die niet te geven en ik deed het ook
niet. Ik gaf hem de andere, die hij hartelijk schudde, zeggende: „gij
zijt een flinke jongen,” waarna hij heenging.

Nu nog zie ik hem den tuin doorloopen en zich omkeeren, om ons met
zijne onheilspellende zwarte oogen een laatsten blik toe te werpen, eer
de deur gesloten werd.

Peggotty, die geen woord gesproken en geen vinger verroerd had, schoof
onmiddellijk de grendels voor de deur, waarna wij te zamen naar de
huiskamer gingen. Tegen hare gewoonte—zij zat anders altijd in haar
leunstoel bij den haard—bleef mijne moeder aan het andere einde van de
kamer en neuriede een lied.

„Ik hoop dat gij een aangenamen avond gehad hebt, mevrouw,” zei
Peggotty, die met eene kaars in de hand, onbeweeglijk als een groote
ton midden in de kamer stond.

„Dank u, Peggotty,” antwoordde mijne moeder bijzonder opgeruimd. „Dank
u, ik heb een _zeer_ genoegelijken avond doorgebracht.”

„Och ja, vreemd gezelschap geeft wel eens eene aangename afwisseling,”
ging Peggotty voort.

„Ja, eene zeer aangename afwisseling inderdaad,” bevestigde mijne
moeder.

Aangezien Peggotty roerloos midden in de kamer bleef staan en mijne
moeder weder begon te neuriën, viel ik in slaap; maar ik sliep niet
zoo vast dat ik hare stemmen niet hoorde, al verstond ik niet wat zij
spraken. Toen ik uit deze onverkwikkelijke sluimering ontwaakte, vond
ik Peggotty en mijne moeder beiden in tranen en in druk gesprek.

„Zulk een zou mijnheer Copperfield zeker niet goedgevonden hebben, dat
zeg ik en daar doe ik een eed op!” zei Peggotty.

„Lieve Hemel!” riep mijne moeder, „gij zult mij nog razend maken! Welk
ongelukkig meisje werd ooit zoo slecht behandeld door hare dienstboden
als ik! Waarom doe ik mij toch onrecht door mij een meisje te noemen?
Ben ik dan niet getrouwd geweest, Peggotty?”

„God weet dat gij het geweest zijt, mevrouw,” antwoordde Peggotty.

„Hoe durft gij het dan zeggen,” sprak mijne moeder.... „gij weet wel,
dat ik niet bedoel hoe gij het durft, Peggotty, maar hoe gij zoo
onhartelijk kunt zijn om mij het leven zoo onaangenaam te maken en mij
zulke bittere woorden toe te voegen, terwijl gij heel goed weet dat ik,
behalve u, geen sterveling heb met wien ik er over spreken kan!”

„Reden te meer,” antwoordde Peggotty, „om te zeggen dat het niet
gebeuren moet. Neen! Dat het niet gebeuren moet! Neen! Voor geen geld
op de wereld mag het gebeuren! Neen!...”

Ik dacht dat Peggotty den kandelaar van zich wilde afwerpen, zoo
opgewonden zwaaide zij er mede rond.

„Hoe kunt gij toch zoo overdrijven, Peggotty?” sprak mijne moeder, in
tranen uitbarstende. „Hoe is het mogelijk op zulk eene onrechtvaardige
wijze te spreken! Hoe kunt gij zoo doorslaan alsof alles al
onherroepelijk beslist was, terwijl ik u een- en andermaal vertel,
wreed schepsel, dat er niets dan gewone burgerlijke beleefdheden zijn
gewisseld. Gij spreekt over bewonderen? Maar als de menschen zoo dwaas
zijn om mij te bewonderen, is dat dan _mijne_ schuld? Wat moet ik
daartegen doen? Ik vraag het u, wat moet ik daartegen doen? Zoudt gij
willen dat ik mijne haren liet afscheren of mijn gezicht zwart maken
of mij misvormde door een brandvlek of iets dergelijks? Ik geloof dat
gij zoo iets wel zoudt willen, Peggotty. Ik geloof dat gij er u in
verheugen zoudt, Peggotty.”

Naar het mij voorkwam trok Peggotty zich dit verwijt zeer aan.

„En mijn lieve jongen,” riep mijne moeder uit, terwijl zij op den
leunstoel toeliep en mij liefkoosde, „mijn eigen, kleine David! Zal
men wellicht willen beweren dat ik te kort schiet in liefde voor mijn
heerlijken schat, voor het liefste, kleine kereltje, dat ooit heeft
bestaan?”

„Niemand zal dat ooit beweren,” antwoordde Peggotty.

„En gij hebt het gedaan, Peggotty!” hernam mijne moeder. „Gij weet dat
gij het gedaan hebt. Wat anders kon ik afleiden uit hetgeen gij hebt
gezegd, gij, onvriendelijk schepsel; terwijl gij evengoed weet als ik,
dat ik alleen ter wille van hem laatst geen nieuwe parasol heb willen
koopen, niettegenstaande de oude groene bijna geheel versleten is en
de franje er aan ontbreekt. Dat weet gij heel goed, Peggotty. Gij kunt
dat niet ontkennen.” Daarna keerde zij zich naar mij en legde haar wang
tegen de mijne. „Ben ik eene slechte moeder voor u, Davy? Ben ik eene
slechte, wreede, zelfzuchtige moeder? Zeg dat ik het ben, mijn kind,
zeg ‚ja’, beste jongen, dan zal Peggotty van u houden en Peggotty's
liefde is veel meer waard dan de mijne. Ik heb u in 't geheel niet
lief, doe ik wel?”

Na deze woorden begonnen wij in koor te schreien. Ik vermoed dat ik het
luidst schreide, maar ik ben er zeker van dat wij het allen ernstig
meenden. Het was hartverscheurend en ik vrees in de eerste vlaag van
opgewondenheid Peggotty een „beest” genoemd te hebben. De goede, trouwe
ziel was diep bedroefd, dat herinner ik mij zeer goed, en zal bij deze
gelegenheid vermoedelijk al haar knoopjes verloren hebben, want het was
een geregeld snelvuur in de kamer, toen zij, na zich met mijne moeder
verzoend te hebben, bij den grooten leunstoel neerknielde en zich ook
met mij verzoende.

Wij gingen allen in een bedrukte stemming naar bed. Ik snikte zoo
hevig dat ik niet slapen kon en toen ik ten gevolge van een bijzonder
krachtigen snik opsprong, vond ik mijne moeder over mij heengebogen op
mijn bed zitten. Ik viel in hare armen in slaap en sliep tot laat op
den dag rustig door.

Of ik reeds den volgenden Zondag dien vreemden heer zag of dat er meer
tijd is verloopen tusschen de beide ontmoetingen kan ik mij niet meer
herinneren. De datums staan mij niet helder meer voor den geest. Maar
op dien Zondag was hij in de kerk en wandelde met ons naar huis. Hij
kwam ook binnen om eene reusachtige geranium te bewonderen, die in
het kleine kamertje stond. Het komt mij nu voor dat hij er niet veel
aandacht aan schonk, maar eer hij heenging verzocht hij mijne moeder
hem er een takje van te geven. Zij verzocht hem er zelf een uit te
kiezen, maar dat weigerde hij—ik kon niet verstaan waarom—en toen
plukte zij er een af en gaf het hem. Hij zeide toen dat hij er nooit,
nooit van zou scheiden en ik dacht dat hij erg dom moest zijn, om niet
te weten dat het binnen één of twee dagen verwelkt zou wezen.

Peggotty begon des avonds weg te blijven; zij zat niet meer altijd bij
ons, zooals zij vroeger gedaan had. Mijne moeder ontzag haar meer dan
ooit—_ik_ merkte dit zelfs op—en wij waren de beste vrienden, toch
waren wij anders dan vroeger, anders dan wij gewoon waren, wij voelden
ons niet op ons gemak. Somtijds meende ik dat Peggotty het niet kon
verkroppen als mijne moeder al de mooie japonnen droeg, die zij in de
kast had, en dat zij het niet goed vond als mijne moeder zoo dikwijls
bij diezelfde buren op visite was; maar ik kon het toch met mij zelven
niet eens worden wat er eigenlijk haperde.

Langzamerhand begon ik er mij aan te gewennen dien heer met de zwarte
bakkebaarden dikwijls te zien. Ik hield niet meer van hem dan bij de
eerste ontmoeting en bleef jaloersch op hem; maar indien ik al eenige
andere aanleiding daartoe had dan een instinctmatigen kinderlijken
afkeer en het gevoel, dat Peggotty en ik mijne moeder genoeg konden
liefhebben, dat was toch niet de aanleiding, die ik op lateren leeftijd
daartoe zou gehad hebben. Zoo iets kwam zelfs niet in mij op. Ik kon
mijne opmerkingen maken, als het ware bij gedeelten; maar van die
verschillende onderdeelen een geheel samen te stellen, daartoe was ik
veel te jong.

Op zekeren herfstmorgen was ik met mijne moeder in den voortuin, toen
mijnheer Murdstone—ik wist nu, hoe hij heette—te paard langs kwam.
Hij richtte zich in de stijgbeugels op om mijne moeder te groeten en
vertelde, dat hij op weg was naar Lowestoft om eenige vrienden te
bezoeken, die daar met een yacht waren. Hij was zoo lief om voor te
stellen mij mede te nemen voor op het zadel, ten minste als ik niet
bang was.

Het was zulk heerlijk weer en het paard scheen zelf zooveel lust
te hebben in den rit—het stond te trappelen en te snuiven bij de
tuindeur—dat het denkbeeld mij bijzonder toelachte. Ik werd dus
naar boven gezonden, naar Peggotty, om wat opgeknapt te worden en
gedurende dien tijd steeg mijnheer Murdstone af en wandelde met de
teugels over den arm langzaam op en neer langs de buitenzijde van de
heg, terwijl mijne moeder hem aan de binnenzijde gezelschap hield. Ik
herinner mij nog hoe Peggotty hen door het kleine venster van mijne
slaapkamer bespiedde; ik herinner mij nog hoe dicht zij met de hoofden
bij elkander kwamen, toen zij de heg, die tusschen hen was, met de
grootste aandacht bekeken en hoe Peggotty, die eerst zoo goed gemutst
was geweest, plotseling boos werd en mijne haren bijzonder hard den
verkeerden kant op kamde.

Mijnheer Murdstone en ik draafden een oogenblik later over het groene
gras, dat langs den weg stond. Hij hield mij met ééne hand losjes
vast en ik geloof niet, dat ik in den regel zoo onrustig was als
ditmaal; maar ik kon, terwijl ik daar voor hem zat, niet nalaten nu
en dan mijn hoofd om te wenden en hem aan te kijken. Hij had die
zekere doffe, zwarte oogen—ik kan oogen, die geen diepte hebben,
niet anders beschrijven—die, wanneer ze doelloos rondzien, door de
eene of andere eigenaardigheid van het licht misvormd schijnen, die
nu en dan scheel lijken. Telkens wanneer ik hem aankeek, merkte ik
deze eigenaardigheid met een zekeren angst op en was nieuwsgierig
naar hetgeen, waarover hij zoo zat te peinzen. Zijn haar en zijne
bakkebaarden waren zwarter en dikker dan ik ooit gemeend had. Iets
vierkants in het benedengedeelte van zijn gezicht en de sporen van den
zwarten baard, dien hij elken dag afschoor, deden mij denken aan de
wassen beelden, die een half jaar te voren in ons dorp te zien waren
geweest. Dit, zijne regelmatige wenkbrauwen en het fraaie wit, zwart
en bruin van zijne gelaatskleur—vervloekt zij zijne gelaatskleur en
zijne nagedachtenis!—brachten mij, in weerwil van mijn afkeer, tot de
overtuiging dat hij een knap man moest zijn. Ik twijfel niet of mijne
arme moeder dacht er eveneens over.

Wij stapten af aan een hôtel dicht bij het strand en vonden in eene
kamer twee heeren, die in een wolk van sigarendamp waren gehuld. Zij
lagen ieder op minstens vier stoelen en waren gekleed in wijde, ruige
buizen. In een hoek waren een aantal jassen en schippersbuizen benevens
een vlag opgestapeld.

Toen wij binnenkwamen sprongen beide heeren van hunne stoelen op—of
liever, zij lieten zich er afrollen—en riepen: „Wel, Murdstone, zijt
gij daar? Wij dachten dat gij dood waart!”

„Nog niet!” antwoordde mijnheer Murdstone.

„En wat is dat voor een kereltje?” vroeg een van hen, toen hij mij in
het oog kreeg.

„Dat is Davy,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Davy.....?” vroeg de vreemde heer nogmaals. „Jones?”

„Copperfield,” verbeterde mijnheer Murdstone.

„Wat? Een zoontje van die betooverende mevrouw Copperfield, van dat
mooie, lieve weeuwtje?”

„Quinion,” zei mijnheer Murdstone, „wees voorzichtig als ik u verzoeken
mag. Zeker iemand is bij de pinken.”

„Wien bedoelt gij?” vroeg de vreemde heer lachend.

Ik keek snel op, want ik was nieuwsgierig te weten wien hij bedoelde.

„Zekere Brooks van Sheffield,” zei mijnheer Murdstone. Ik was bepaald
honderd pond lichter nu zij mijnheer Brooks bedoelden, want in het
eerste oogenblik meende ik dat ik zelf zoo bij de pinken was.

Er scheen iets grappigs verbonden te zijn aan dien mijnheer Brooks van
Sheffield, want beide heeren barstten in lachen uit, toen zijn naam
werd genoemd en mijnheer Murdstone lachte hartelijk mede. Na eenige
oogenblikken zei de heer, dien hij Quinion genoemd had: „En hoe denkt
mijnheer Brooks van Sheffield over de plannen?”

„Wel, ik geloof niet dat mijnheer Brooks er op het oogenblik veel van
begrijpt,” antwoordde mijnheer Murdstone, „maar ik geloof ook dat zijn
oordeel niet gunstig is.”

Er werd na dit gezegde nog harder gelachen en mijnheer Quinion schelde
en bestelde sherry, ten einde op de gezondheid te drinken van mijnheer
Brooks. Toen de wijn gebracht was, schonk hij een glas halfvol, gaf
er mij een beschuitje bij en eer ik dronk, stond hij op en zei: „De
drommel hale Brooks van Sheffield!” Deze toast werd met gejuich
begroet en zij lachten zoo hartelijk dat ik begon mee te doen, waarop
zij nog harder lachten. Kortom, wij amuseerden ons kostelijk. Daarna
gingen wij op de rotsen wandelen en in het gras zitten en keken door
een verrekijker—ik zag niets, wanneer zij mij er door lieten kijken,
maar beweerde dat het heel mooi was—en toen keerden wij terug naar
het hôtel en dineerden vroeg. Zoolang wij buiten waren rookten de
beide vreemde heeren onophoudelijk door en indien ik moest afgaan op
de lucht van hunne ruige jassen, moeten zij dat wel gedaan hebben van
het oogenblik af, waarop deze van den kleermaker gekomen waren. Ik zou
bijna vergeten te vertellen dat wij ook aan boord van het yacht gingen
en dat de drie heeren, zoodra zij in de hut waren, zich verdiepten in
eenige papieren, die daar lagen. Toen ik door de lantaarn naar beneden
keek, waren zij ijverig aan het schrijven. Zij hadden mij aan de hoede
toevertrouwd van een aardigen man met een bijzonder groot hoofd, rood
haar en een glimmenden hoed van wasdoek, waarop in hoofdletters het
woord „Leeuwerik” geschreven stond. Ik meende dat hij zoo heette en
dat hij, op het schip geen straatdeur hebbende om zijn naam bij te
plaatsen, dit boven den rand van zijn hoed deed; maar toen ik hem
„mijnheer Leeuwerik” noemde, vertelde hij mij dat het de naam van het
schip was.

Ik merkte den geheelen dag op, dat mijnheer Murdstone deftiger en
bedaarder was dan de beide andere heeren, die erg vroolijk en zorgeloos
schenen. Zij schertsten veel met elkander, maar in het geheel niet met
mijnheer Murdstone. Het kwam mij voor dat hij bekwamer en voornamer
was dan zij en dat zij ongeveer op dezelfde wijze over hem dachten als
ik. Ik merkte eenige malen op dat mijnheer Quinion, als hij sprak,
mijnheer Murdstone van ter zijde aankeek, om zeker te zijn dat hij
hem niet mishaagde; en dat mijnheer Passnidge—zoo heette de andere
heer—eerstgenoemde op den voet trapte en in het geheim een wenk gaf
om eens op mijnheer Murdstone te letten, die zwijgend voor zich zat te
kijken. Op dit oogenblik herinner ik mij dat mijnheer Murdstone in het
geheel niet lachte dien dag behalve over de Brooks-van-Sheffield-grap,
die van hem zelf was.

Wij keerden des avonds vroeg naar huis terug. Het was een mooie avond
en mijne moeder en hij maakten nog eene wandeling langs de heg, terwijl
ik naar binnen werd gezonden om thee te drinken. Toen hij weg was moest
ik mijne moeder alles vertellen wat ik gezien en gehoord had en wat
zij gezegd en gedaan hadden. Ik vertelde hetgeen zij van haar gezegd
hadden, waarop zij begon te lachen en zei dat die heeren heel ondeugend
waren en onzin praatten—maar ik wist dat het haar genoegen deed. Ik
wist dat toen even goed als ik het nu weet. Ik nam de gelegenheid
waar om te vragen of zij ook een zekeren Brooks van Sheffield kende;
zij antwoordde „Neen”, doch onderstelde dat het een scharen- en
messenfabrikant was.

Kan ik zeggen dat haar gezicht, al weet ik dat ik het mij veel ouder
voorstel dan ik het mij eigenlijk voorstellen moest en dat het tot
stof is vergaan, kan ik zeggen dat het weg is, terwijl ik het mij zoo
duidelijk voor den geest kan halen als een gezicht, dat ik verkies
aan te kijken in een propvolle straat? Kan ik van hare meisjesachtige
schoonheid, die nu vergaan is, zeggen dat zij weg is, terwijl ik nu nog
haar adem op mijne wang voel evenals dien avond? Kan ik zeggen dat zij
ooit veranderd is, wanneer ik haar mij altijd slechts kan voorstellen
zooals zij toen was, wanneer mijn geheugen blijft vasthouden aan
hetgeen ik in mijne jeugd heb liefgehad?

Ik schrijf over haar zooals zij was, toen ik naar bed was gegaan op
dien avond en zij mij goeden nacht kwam zeggen. Met een lachend gezicht
knielde zij voor mijn ledikantje neer en terwijl zij haar kin op hare
gevouwen handen legde, vroeg zij:

„Wat zeiden zij ook weer, Davy? Vertel het mij nog eens. Ik kan het
niet gelooven.”

„De betooverende...,” begon ik, maar mijne moeder legde mij de handen
op den mond. „‚Betooverende’ kunnen zij niet gezegd hebben,” sprak zij
lachend. „Het kan niet ‚betooverend’ geweest zijn. Dat weet ik zeker,
Davy.”

„Jawel, betooverende mevrouw Copperfield,” herhaalde ik nogmaals. „En
‚mooie’.”

„Neen, neen, ‚mooie’ niet”, zoo viel mijne moeder mij in de rede,
terwijl zij opnieuw de hand op mijn mond legde.

„Jawel; mooi, lief weeuwtje.”

„Dwaze, onbeschaamde mannen!” riep mijne moeder lachend uit, terwijl
zij de handen voor het gelaat hield. „Het is belachelijk! Vindt gij ook
niet, Davy? Zeg eens, lieve Davy....”

„Wat is het, mama?”

„Vertel het toch niet aan Peggotty; zij zou misschien boos worden. Ik
ben ook boos op die heeren, maar ik wilde het toch liever niet aan
Peggotty vertellen.”

Natuurlijk beloofde ik het en wij kusten elkaar herhaaldelijk en
eindelijk viel ik in slaap.

Den tijd, die sedert verloopen is, in aanmerking genomen, komt het mij
voor, dat Peggotty den volgenden dag het buitengewone en avontuurlijke
voorstel deed, dat ik nu zal vertellen—en toch waren er vermoedelijk
twee maanden verloopen sedert mijn tocht naar Lowestoft.

Op zekeren avond—mijne moeder was uit—zaten wij, zooals gewoonlijk,
in gezelschap van de breikous en het elletje en het stukje waskaars en
de naaidoos met de Sint-Paulskerk op het deksel en het krokodillenboek
in de huiskamer, toen Peggotty, na mij verscheidene malen aangekeken
en haar mond geopend te hebben alsof zij iets zeggen wilde,—ik dacht
dat zij slaap had en gaapte, anders zou het mijne aandacht wel eerder
getrokken hebben—plotseling zei: „Hoe zoudt gij er over denken,
jongeheer Davy, eens veertien dagen met mij naar Yarmouth te gaan,
naar mijn broeder? Zou dat niet prettig zijn?”

„Is uw broeder een lieve man, Peggotty?” vroeg ik, om niet terstond toe
te happen.

„O, hij is zulk een lieve man!” riep Peggotty met de handen in de
hoogte. „En dan de zee... en de schepen en de schuiten... en de
visschers en het strand en Am om mede te spelen....” Zij bedoelde haar
neef Ham, over wien ik in het eerste hoofdstuk gesproken heb.

Ik was in de wolken over al de heerlijkheden, die zij opsomde, en zei
dat het inderdaad heel, heel prettig moest zijn, maar vroeg toch ook
wat mijne moeder er van zeggen zou.

„Wel, ik verwed er een guinje om,” zeide Peggotty, mij scherp
aankijkende, „dat zij ons zal laten gaan. Indien gij er lust in hebt
zal ik het haar vragen zoodra zij thuis komt. Wat zegt gij daar nu
van?”

„Maar hoe zal mama het stellen wanneer wij weg zijn?” vroeg ik, mijn
kleine elleboogjes op de tafel steunend ten einde de zaak met ernst te
bespreken. „Zij kan ons zoo slecht missen.”

Het scheen wel dat Peggotty naar een gaatje zocht in den hiel van de
kous, die zij over hare hand had getrokken; maar het moet wel een heel
klein gaatje geweest zijn—niet waard om te stoppen.

„Ik zeg, mama kan ons niet missen, Peggotty; verstaat gij mij niet?”

„Groote goedheid, weet gij het dan nog niet? Uwe mama gaat veertien
dagen bij mevrouw Grayper—zoo heette de buurdame—logeeren. Mevrouw
Grayper krijgt het huis vol gasten.”

„O, als dat zoo is, wil ik gaarne met u medegaan.”

Met het grootste ongeduld wachtte ik tot mijne moeder van haar bezoek
aan mevrouw Grayper thuis kwam, ten einde zekerheid te krijgen of
dat heerlijke plan verwezenlijkt zou kunnen worden. Mijne moeder was
volstrekt niet zoo verrast als ik gedacht had dat zij zijn zou, en
bewilligde onmiddellijk in ons verzoek; alles werd dienzelfden avond al
geregeld; er zou voor kost en inwoning betaald worden. De dag, waarop
ons vertrek bepaald was, naderde snel, voor mij zelfs te snel, hoewel
ik hem met koortsachtig ongeduld te gemoet zag en maar vreesde dat
eene aardbeving of eene uitbarsting van een vuurspuwenden berg of een
dergelijk natuurverschijnsel nog een hinderpaal zou opwerpen voor de
uitvoering. Wij zouden met den vrachtwagen gaan, die dagelijks na het
ontbijt vertrok, en ik had wel wat willen geven, als ik mij den avond
te voren maar in een deken had mogen rollen en met den hoed op en de
laarzen aan had mogen slapen.

Terwijl ik dit zoo luchthartig vertel, spijt het mij, als ik mij
herinner, hoe ik er naar verlangde mijn gelukkig tehuis te verlaten,
niet vermoedende dat het voor eeuwig zijn zoude.

Ik ben blijde mij te herinneren dat, toen de vrachtwagen voor het
tuinhek stond en mijne moeder mij kuste, een gevoel van dankbare
gehechtheid aan haar en aan de oude woning mijn hart binnensloop en
dat ik luid begon te schreien. Ik ben blijde te weten dat mijne moeder
ook schreide en dat ik haar hart tegen het mijne voelde kloppen. Ik
ben blijde mij te herinneren dat, toen de wagen zich in beweging
zette, mijne moeder het tuinhek uitliep en den voerman toeriep op te
houden, omdat zij mij nog een kus wilde geven. Ik zie nog hoe teeder en
liefdevol zij haar gelaat naar het mijne bracht en mij een kus op den
mond drukte.

Toen wij wegreden en zij aan den weg bleef staan, naderde juist
mijnheer Murdstone van den anderen kant en het scheen wel dat hij
haar beknorde, omdat zij zoo aangedaan was. Ik keek om den hoek van
de kar en was nieuwsgierig te weten, wat het hem eigenlijk aanging en
Peggotty, die langs den anderen kant van de kar keek, scheen alles
behalve tevreden; dat was duidelijk op haar gezicht te lezen, toen zij
weder rechtuit keek.

Ik zat eenigen tijd naar Peggotty te kijken, verdiept in allerlei
mogelijke en onmogelijke onderstellingen, o. a. of ik, indien zij was
uitgezonden om mij kwijt te raken evenals de jongen in het sprookje,
den weg naar huis zou kunnen terugvinden door het spoor te volgen van
de knoopjes, die zij onder weg zou verliezen.



III.

Veranderingen.


Het paard van de vrachtkar was het luiste dier van de wereld, naar ik
hoop, en liep op een sukkeldrafje met hangenden kop voort, alsof het er
vermaak in schiep de menschen, aan wie de pakjes geadresseerd waren,
te laten wachten. Ik verbeeldde mij telkens dat het nu en dan hoorbaar
lachte over dit denkbeeld, maar de voerman zei dat „zijn beestje”
verkouden was. De voerman had de gewoonte het hoofd naar beneden te
houden evenals zijn paard en droomerig voor zich te kijken, terwijl
hij mende, met een van zijne armen op beide knieën. Ik zeg „mende”,
maar ik onderstel, dat de kar ook zonder hem wel te Yarmouth zou zijn
aangekomen, want het paard volgde zijn eigen wil; spreken deed de
voerman niet, alleen floot hij nu en dan eens.

Peggotty had een mand met eetwaren bij zich, waarmede wij zouden zijn
toegekomen, al hadden wij op deze wijze naar Londen moeten rijden.
Een groot gedeelte van den tijd werd met eten, een ander gedeelte met
slapen doorgebracht. Peggotty sliep voortdurend met haar kin op het
hengsel van de mand, die zij niet losliet en ik zou het niet kunnen
gelooven, als ik het niet zelf gehoord had, dat ééne zwakke vrouw zoo
kan snorken.

Wij reden zoo dikwijls zijwegen in en weder terug, hadden zooveel
tijd noodig voor het afladen van een ledikant aan een herberg en voor
allerlei boodschappen, dat ik erg vermoeid en blijde was, toen wij
eindelijk Yarmouth voor ons zagen liggen. Toen ik een blik wierp op de
kale vlakte aan de overzijde der rivier, kwam er eene gewaarwording
in mij op, alsof ik op eene reusachtige, natte spons keek en ik vroeg
mij zelven met verbazing af hoe in mijn aardrijkskundig leerboek kon
beweerd worden, dat de aarde rond was, terwijl er zulk een onafzienbare
vlakte voor mij lag. Ik bedacht mij echter, dat Yarmouth wel aan een
van de polen kon liggen waardoor het raadsel zou zijn opgelost.

Toen wij wat dichter bij kwamen en de eindelooze horizon voor ons
lag, maakte ik tegen Peggotty de opmerking dat een berg of zoo iets
het landschap wel eenigszins verfraaid zou hebben en ook dat, als de
afscheiding tusschen het land en de zee een weinig scherper was en de
stad en het water niet zoo dooreen gemengd waren, het geheel zeker
mooier zou zijn geweest.

Maar Peggotty zei met meer geestdrift dan ik van haar gewoon was dat
men de dingen moest nemen zooals ze waren en dat zij er trotsch op was
een Yarmouther bokking te zijn.

Toen wij de straat binnenreden—voor mij reeds eene vreemde
gewaarwording—en de visch, het pek en het teer roken en de zeelui
zagen rondwandelen en de karren over de steenen hoorden ratelen, voelde
ik dat ik het nijvere plaatsje onrecht had aangedaan; ik zei dit tegen
Peggotty, die zich oprecht verblijdde over mijne ingenomenheid en mij
vertelde dat Yarmouth bekend stond—vermoedelijk alleen bij hen, die
het geluk hadden tot de bokkingen te behooren—als een van de mooiste
plaatsjes van de geheele wereld.

„Daar is mijn beste Am!” gilde zij eensklaps. „Hij is zoo gegroeid dat
ik hem bijna niet zou herkennen.”

Inderdaad stond Ham ons bij de herberg op te wachten en alsof ik een
oude kennis van hem was, vroeg hij mij hoe ik het maakte. Ik kon niet
zeggen dat ik hem even goed kende als hij mij, want al was hij sedert
den nacht, waarin ik geboren was, niet meer bij ons geweest, hij had
toch iets op mij voor. De vriendschap was echter spoedig gesloten
toen hij mij op zijn rug naar huis bracht. Hij was een sterke, grof
gebouwde kerel van zes voet lang en naar evenredigheid breed, met
ronde schouders, doch met een dom, lachend, jongensachtig gezicht en
krullend licht haar, dat hem iets schaapachtigs gaf. Hij droeg een buis
van zeildoek en zulk een stijve broek, dat dit kleedingstuk ook zonder
beenen er in rechtop zou hebben blijven staan. Ook kon men niet zeggen
dat hij een hoed op had, maar dat hij evenals een oud gebouw met iets
gedekt was, dat erg naar teer rook.

Terwijl Ham mij en een klein koffertje droeg, dat ons toebehoorde,
en Peggotty een ander koffertje voor haar rekening had genomen,
gingen wij eenige straten door, bezaaid met houtspaanders en
kleine zandheuveltjes, en langs gasfabrieken, touwslagerijen,
scheepstimmerwerven, slooperswerven, teerstokerijen, smederijen en
een aantal kleinere werkplaatsen, totdat wij de vlakte naderden, die
ik reeds op grooten afstand had gezien. Eensklaps zei Ham:

„Daar ginds is ons huis, jongeheer Davy.”

Ik keek in alle richtingen, zoover als mijn oog reikte, over de zee,
over de rivier, maar geen spoor van een huis was te ontdekken. Wel
zag ik een zwarte schuit of een ander soort afgedankt vaartuig op
eenigen afstand hoog en droog op het strand liggen; er stak een ijzeren
kachelpijp bovenuit, die voor schoorsteen dienst deed en hard rookte,
maar overigens was er geen enkele menschelijke woning te zien.

„Dat is het toch niet?” vroeg ik. „Dat ding, dat zooveel op een schip
lijkt?”

„Dat is het, jongeheer Davy,” antwoordde Ham.

Al had ik het paleis van Sultan Aladdin voor mij gezien met den vogel
Rok op den koop toe, zou ik niet meer verrukt kunnen geweest zijn
over het romantische denkbeeld om daar te wonen. Aan den zijkant was
er op kunstige wijze een deur in gemaakt, het had een dak en kleine
raampjes; maar de grootste aantrekkelijkheid was dat het een wezenlijk
schip was, dat zonder twijfel honderden malen op de zee had gevaren,
en nooit bestemd was geweest om tot woning te dienen op het land. Dat
was voor mij de grootste aantrekkelijkheid. Indien het gebouwd was voor
het doel, waartoe het nu diende, zou ik het klein, ongezellig, eenzaam
hebben gevonden, maar nu het eene andere bestemming had gehad, was het
in mijn oog eene onverbeterlijke woning.

Van binnen zag alles er even keurig en zindelijk uit. Er was een
tafel, een Friesche klok, een latafel en op de latafel stond een
theeblad terwijl er een plaat boven hing, eene dame met een parasol
voorstellend, die eene wandeling deed met een kind, dat de uniform
droeg van een militair en met een hoepel speelde. Het theeblad werd
voor vallen behoed door een bijbel en ware het theeblad gevallen
dan zou het een aantal kopjes en schoteltjes, een theepot en een
suikerpot hebben meegesleept, die om den bijbel stonden. Aan den wand
hingen eenige leelijk gekleurde teekeningen van voorstellingen uit de
Heilige Schrift, alle in lijsten en achter glas; wanneer ik later deze
teekeningen in handen zag van prentenhandelaars, kwam mij altijd het
inwendige van de woning van Peggotty's broeder weder voor den geest.
Abraham in het rood, die een blauwen Izaäk ging offeren, en Daniël
in het geel voor groene leeuwen geworpen, vielen het eerst in het
oog. Boven den schoorsteenmantel hing een afbeeldsel van den logger
„de Sarah-Jane,” die te Sunderland was gebouwd; en daaronder stond
een werkelijke houten achtersteven van een schip, een meesterwerk van
houtsnijkunst in mijne oogen en een van de meest benijdenswaardige
bezittingen, die de wereld kon opleveren. In de balken, die de
zoldering droegen, waren eenige haken geslagen, waarvan ik het doel
niet terstond raden kon; in het rond stonden eenige kastjes, kisten
en dergelijke meubels, die tot zitplaatsen dienden en dus de stoelen
vervingen.

Dit alles had ik in een oogwenk gezien, nadat ik den drempel had
overschreden—met de opmerkingsgave, die volgens mijne bewering aan
kinderen eigen is—en toen opende Peggotty eene kleine deur en wees mij
mijne slaapkamer. Het was de volmaaktste en gezelligste slaapkamer,
die ik ooit gezien heb—in den achtersteven van het schip, met een
klein raampje, waar vroeger het roer doorheen was gegaan; een kleinen
spiegel, juist hoog genoeg voor mij aan den muur opgehangen, in eene
lijst van oesterschelpen; een klein bedje, waar men bijna niet kon
instappen zonder zijn hoofd te stooten, en een ruiker van zeewier
in een blauwe vaas op de tafel. De wanden waren krijtwit en de
schitterende kleuren van de lappendeken, die over het bed lag, deden
mij pijn aan de oogen. Eén ding vooral trof mij in deze eigenaardige
woning, namelijk de vischlucht, die zoo doordringend was dat, toen
ik mijne zakdoek aan mijn neus bracht, het vermoeden in mij opkwam
of men mij ook stilletjes een kreeft in den zak had gestopt. Toen ik
deze ontdekking in vertrouwen aan Peggotty meedeelde, vertelde zij
mij dat haar broeder handel dreef in kreeften, krabben en allerlei
andere schaaldieren en later vond ik ook eene geheele verzameling van
deze dieren, die alle aan elkander vastkleefden, omdat zij hetgeen zij
eenmaal vast hadden niet meer loslieten, in een hoek van een uitbouw,
waarin de potten en pannen bewaard werden.

Wij werden verwelkomd door eene vriendelijke vrouw met een witten
boezelaar; ik had haar reeds zien wuiven toen ik, op Ham's rug
zittende, nog een kwart mijl van de woning verwijderd was. Ook was daar
een heel mooi, klein meisje—ten minste daarvoor hield ik haar—met
een snoer van blauwe kralen om den hals; zij wilde zich niet laten
kussen toen ik aanstalten daartoe maakte, maar liep weg en verschuilde
zich ergens. Toen wij het middagmaal gebruikt hadden—gekookte bot met
gesmolten boter en aardappelen en een cotelet voor mij—kwam er een
man binnen, die erg harig was, maar een vriendelijk uiterlijk had.
Hij noemde Peggotty „meid” en gaf haar een klinkenden kus op de wang,
zoodat ik, wetende dat zij de zedigheid zelve was, niet twijfelde of
deze man was haar broeder; dit bleek juist te zijn, want hij werd
voorgesteld als baas Peggotty, de eigenaar van de woning.

„Het verheugt mij u te zien, jongeheer.” zei baas Peggotty. „Gij zult
ons misschien wat ruw vinden, maar daarom meenen wij het toch goed.”

Ik bedankte hem en antwoordde dat het mij zeker wel zou bevallen in
zulk eene prettige omgeving.

„Hoe maakt het uwe mama, jongeheer?” vroeg baas Peggotty. „Was zij wel,
toen gij op reis gingt?”

Ik zei dat zij zoo wel was als ik maar wenschen kon en dat zij de
complimenten verzocht had—dit laatste was een beleefd verzinsel van
mij.

„Gij moet haar wel bedanken,” antwoordde baas Peggotty. „Welnu,
jongeheer, als gij het met haar”—hij wees op Peggotty—„en Ham en de
kleine Emily een veertien dagen hier kunt uithouden, zullen wij wat
trotsch zijn op uw gezelschap.”

Na mij verwelkomd en op zulk een gastvrije wijze de eer van zijne
woning opgehouden te hebben, ging baas Peggotty naar buiten om zich te
wasschen in een pot vol warm water, waarbij hij de opmerking voegde,
dat hij zich met koud water niet schoon kon krijgen. Hij keerde weldra
erg opgeknapt terug, maar zoo rood, dat ik niet kon nalaten aan een
kreeft te denken, die zwart in het kokende water gaat en er rood weder
uitkomt.

Na de thee, toen de deur en alle vensters en luikjes gesloten
waren—de avonden begonnen koud en mistig te worden—scheen het mij
de heerlijkste verblijfplaats, die men zich zou kunnen wenschen.
Te luisteren naar den wind, die langzamerhand uit de zee opkwam,
te weten dat daar buiten de eentonige vlakte in een dikke mist was
gehuld, naar het vuur te kijken en te denken dat er geen enkele
woning in de nabijheid en dat deze ééne een schuit was.... zie, dat
was verrukkelijk! De kleine Emily had hare schuwheid overwonnen en
zat naast mij op het laagste en kleinste bankje, dat juist groot
genoeg was voor ons beiden en juist in het hoekje van den schoorsteen
paste. Juffrouw Peggotty met den witten boezelaar zat aan den
tegenovergestelden kant te breien en Peggotty zat daar met haar
naaiwerk en haar doos met de Sint-Paul en het stukje waskaars zoo op
haar gemak bij, alsof zij hier nooit weg was geweest. Ham, die mij
mijne eerste les in het edele kaartspel gegeven had, stond zich zelven
uit een spel vuile kaarten waar te zeggen en maakte met zijn duim op
elke kaart een afdruk, die sterk naar visch riekte. Baas Peggotty
rookte een pijp en ik voelde dat het oogenblik gekomen was om een
gesprek te beginnen.

„Baas Peggotty!” zei ik.

„Wel, jongeheer?”

„Hebt gij uw zoon Ham genoemd, omdat gij in een soort ark woont?”

Baas Peggotty scheen dit eene diepzinnige vraag te vinden en antwoordde:

„Neen, jongeheer; ik heb hem in het geheel geen naam gegeven.”

„Wie gaf hem dan een naam?” vroeg ik op een toon alsof ik baas Peggotty
zijn cathechismus overhoorde.

„Zijn vader, jongeheer,” zei baas Peggotty.

„Ik meende dat gij zijn vader waart!”

„Neen; mijn broeder Joe was zijn vader,” zei baas Peggotty.

„Dood, baas Peggotty?” vroeg ik na eene kleine pauze op fluisterenden
toon.

„Verdronken,” zei baas Peggotty.

Ik was ten hoogste verbaasd dat baas Peggotty Ham's vader niet was
en begon te denken, dat ik mij ook wel eens kon vergist hebben in de
voorstelling, die ik mij gemaakt had van zijne verhouding tot alle
andere huisgenooten. Ik was zoo nieuwsgierig geworden dat ik moed vatte
om baas Peggotty uit te hooren.

„Is de kleine Emily een dochtertje van u, baas Peggotty?” vroeg ik met
een blik op mijn buurmeisje.

„Neen, jongeheer. Mijn schoonbroeder, Tom, was haar vader.”

Ik kon het niet helpen. „Dood, baas Peggotty?” fluisterde ik weder.

„Verdronken,” antwoordde baas Peggotty.

Ik voelde hoe moeilijk het was dit onderwerp verder uit te spinnen,
maar wilde toch geheel op de hoogte er van zijn; dus vroeg ik:

„Hebt gij geen kinderen, baas Peggotty?”

„Neen, jongeheer,” antwoordde hij met een glimlach. „Ik ben nooit
getrouwd geweest.”

„Nooit getrouwd geweest!” riep ik verbaasd. „En wie is dat dan, baas
Peggotty?” Ik wees daarbij op de breiende juffrouw met den boezelaar.

„Dat is juffrouw Gummidge,” zei baas Peggotty.

„Gummidge....?”

Op dit oogenblik gaf Peggotty—ik bedoel mijn eigen Peggotty—mij zulke
welsprekende wenken om niet verder te vragen, dat ik niets kon doen dan
stil zitten kijken naar het zwijgende gezelschap tot het tijd was om
naar bed te gaan. Toen Peggotty later met mij alleen was, vertelde zij
mij dat Ham en Emily een neef en een nichtje waren, die mijn gastheer,
toen zij wees waren geworden, tot zich genomen had en dat juffrouw
Gummidge de weduwe was van den medeeigenaar van de schuit en in zeer
behoeftige omstandigheden was achtergelaten. „Mijn broeder is zelf ook
wel arm,” voegde Peggotty er bij, „maar zoo goed als goud en zoo trouw
als staal”—dit waren hare geliefkoosde vergelijkingen. Het eenige,
waarover hij zich ooit driftig maakte of zich een vloek liet ontvallen,
was over zijn eigen edelmoedigheid en wanneer er ooit door een van
allen over gesproken werd, dan sloeg hij met de rechterhand op de tafel
en zwoer bij hoog en laag dat hij „gekielhaald” mocht worden, als hij
niet voor altijd wegliep, wanneer er weder over gesproken werd. Hoewel
ik niet wist wat eigenlijk „kielhalen” beduidde, begreep ik toch, dat
het iets verschrikkelijks zijn moest.

De edelmoedigheid van mijn gastheer had mij diep getroffen en nog onder
den indruk daarvan en van al de gewaarwordingen van dien dag viel ik in
slaap, na nog gehoord te hebben dat het vrouwelijk personeel aan den
anderen kant van de boot op een dergelijk kamertje als het mijne haar
bed opzocht en baas Peggotty en Ham twee hangmatten voor zich zelve
ophingen aan de haken, die mijne nieuwsgierigheid hadden opgewekt. Ik
hoorde nog hoe de wind langs de schuit en over de vlakte huilde en
gedurende een oogenblik kwam de vrees in mij op, dat de zee des nachts
het land wel eens zou kunnen overstroomen. Ik bedacht echter dat wij
dan toch in een boot waren en dat het in zulk een geval een geluk mocht
heeten een man als baas Peggotty aan boord te hebben.

Er gebeurde echter niets ergers dan dat het weder morgen werd. Bijna
onmiddellijk nadat de lijst van oesterschelpen om mijn spiegel verlicht
werd, was ik uit mijn bed en met de kleine Emily aan het steentjes
zoeken op het strand.

„Gij zult zeker ook al goed kunnen varen?” vroeg ik aan Emily. Ik
weet niet of ik het zelf geloofde, maar ik vond het beleefd iets te
zeggen van dien aard; bovendien werd op dit oogenblik in hare mooie,
schitterende oogen een zeil weerkaatst, dat in onze nabijheid was,
zoodat deze vraag plotseling in mij opkwam.

„Neen,” antwoordde Emily, haar hoofdje schuddend, „ik ben bang voor de
zee.”

„Bang!” riep ik, op het punt om stoutmoedig te worden en met een
trotschen blik naar den oceaan. „Ik ben niet bang!”

„O, de zee is zoo wreed,” zei Emily. „Ik heb gezien hoe wreed de zee
kan zijn voor sommigen. Ik heb de zee een schuit in stukken zien slaan,
zoo groot als ons huis.”

„Ik hoop toch dat het de schuit niet was, waarmede....”

.... „Mijn vader verongelukt is?” zei Emily. „Neen. Die was het niet;
ik heb die nooit gezien.”

„Maar uw vader toch wel?” vroeg ik.

De kleine Emily schudde het hoofd. „Ik kan er mij niets van herinneren.”

Dat was een punt van overeenkomst in ons leven. Ik begon onmiddellijk
te vertellen dat ik mijn eigen vader ook nooit gezien had en dat mijne
moeder en ik altijd zoo heel gelukkig samen waren geweest en hoopten
altijd zoo gelukkig te zullen blijven; dat het graf van mijn vader op
het kerkhof was dicht bij ons huis, dat er een groote boom bij stond en
dat ik daar dikwijls des morgens de vogels hoorde zingen. Toch was er
naar het bleek een groot verschil in Emily's leven en het mijne. Zij
had hare moeder nog vóór haar vader verloren en waar het graf van haar
vader was wist niemand—hij lag ergens op den bodem van de zee.

„Buitendien,” zei Emily, schelpen en steentjes zoekende, „uw vader was
een heer en uwe moeder is eene dame en mijn vader was een visscher en
mijne moeder was de dochter van een visscher en mijn oom Dan is ook een
visscher.”

„Is uw oom Dan dezelfde als baas Peggotty?” vroeg ik.

„Oom Dan.... ginds!” antwoordde Emily en wees naar ons huis.

„Ja, ik bedoel _hem_. Hij moet erg goed zijn.... ten minste, dat denk
ik zoo.”

„Goed?” zei Emily. „Als ik ooit eene dame word, geef ik hem een
hemelsblauw buis met diamanten knoopen, een nanking broek, een rood
fluweelen vest, een hoed met goud, een groot gouden horloge, een
zilveren pijp en een beurs met geld.”

Ik antwoordde dat baas Peggotty al die schatten zeker wel verdiende,
maar ik moet bekennen, dat het mij wel eenigszins moeielijk viel
mij voor te stellen, dat baas Peggotty zich erg op zijn gemak zou
gevoelen in de kleedij, die zijn dankbare, kleine nichtje voor hem had
uitverkoren, vooral wat betrof den gegaloneerden hoed; maar ik hield
deze opmerking maar voor mij zelven alleen.

De kleine Emily had het schelpen zoeken gestaakt en keek bij de
opsomming van al deze heerlijkheden naar den hemel, alsof zij daar een
visioen zag, waarin dat alles eenmaal werkelijkheid zou zijn. Daarna
gingen wij voort met onze onschuldige bezigheid.

„Zoudt gij wel eene dame willen zijn?” vroeg ik.

Emily keek mij aan en lachte en knikte „ja.”

„Heel gaarne,” zeide zij. „Dan zouden wij allen te zamen heeren en
dames zijn. Ik en Oom en Ham en juffrouw Gummidge. Dan zou het ons
weinig kunnen schelen of er stormweer in aantocht was. Ik bedoel: voor
ons zelven. Maar voor de arme visschers zouden wij heel goed zijn en
wij zouden hun geld geven wanneer er weder een ongeluk plaats had.”

Deze wensch kwam mij zeer billijk en daarom de vervulling niet al te
onwaarschijnlijk voor. Ik verdiepte mij gaarne met haar in zulk eene
schoone toekomst en kleine Emily was ondeugend genoeg om te zeggen,
hoewel schuchter:

„Meent ge nu nog dat gij niet bang zijt voor de zee?”

De zee was kalm genoeg om mij gerust te stellen, maar ik zou zonder
twijfel het hazenpad gekozen hebben, indien ik een eenigszins hooge
golf had zien aanrollen, zoo angstig had mij het verhaal van al hare
verdronken bloedverwanten gemaakt. Toch zei ik „neen” en voegde er bij:
„Gij schijnt er ook niet bang voor te zijn, al zegt gij het”; zij liep
op dit oogenblik veel te dicht langs den kant van een uitstek of houten
steiger, waarop wij gespeeld hadden en ik was bang dat zij er af zou
vallen.

„Voor mij zelve ben ik niet bang,” zei kleine Emily, „maar wanneer de
storm des nachts zoo hevig loeit, kan ik niet slapen uit angst voor
oom Dan en Ham en meen ik hen om hulp te hooren roepen. Daarom zou ik
ook zoo gaarne een dame willen zijn. Maar voor mij zelve ben ik niet
bang.... niets; kijk maar!”

Zij snelde vooruit, langs een balk, die boven het water uitstak en
geen enkel houvast aanbood. Dit voorval heeft zulk een indruk op
mij gemaakt, dat, ware ik een teekenaar, ik het nu nog zou kunnen
weergeven, juist zooals het plaats had; de kleine Emily, in haar
verderf loopende—zooals mij toen voorkwam—met den blik op de zee
gevestigd. Nimmer zal dat beeld uit mijn geheugen verdwijnen.

De kleine, lichte, vermetele gedaante kwam heelhuids bij mij terug en
weldra lachte ik om mijn angst en om den kreet, dien ik had geuit;
vruchteloos in elk geval, want er was niemand in de nabijheid. Op
lateren leeftijd heb ik dikwerf gedacht: zou het mogelijk zijn, dat
de plotselinge roekeloosheid van het kind en haar starende blik over
de eindelooze watervlakte het gevolg waren van eene geheimzinnige
aantrekkingskracht, die van haar overleden vader uitging? Heeft hij
haar dien dag tot zich gewenkt? Er zijn oogenblikken geweest in mijn
leven, waarin ik mij heb afgevraagd, of, indien haar lot mij op dat
oogenblik ware geopenbaard, zoodat een kind het begrijpen kon, en haar
behoud had afgehangen van eene enkele beweging mijner hand, ik de
hand zou hebben mogen uitstrekken om haar te redden. Er is een tijd
geweest—ik zeg niet dat die tijd lang heeft geduurd, maar hij is er
geweest—dat ik mij zelven heb afgevraagd of het niet beter geweest
ware, als ik de kleine Emily dien morgen voor mijne oogen had zien
verdrinken, en dat ik moest antwoorden: „Ja....”

Maar ik loop mijne geschiedenis vooruit. Ik schreef dit te spoedig,
doch laat het nu maar staan.

Wij speelden langen tijd te zamen en stopten onze zakken vol met
allerlei dingen, die in onze oogen zeldzaam waren, en brachten eenige
zeesterren, die op het droge verdwaald waren, zoo voorzichtig mogelijk
in het water terug—ik ben zelfs nu nog niet genoeg vertrouwd met de
gewoonten van deze dieren, om te weten of ze ons daarvoor dankbaar
moesten zijn of niet—en daarna gingen wij naar huis terug. Wij bleven
een oogenblik achter den uitbouw staan en wisselden een onschuldigen
kus, waarna wij blakend van gezondheid en levenslust op het ontbijt
aanvielen.

„Precies twee jonge lijsters,” zei baas Peggotty, welk gezegde ik als
een compliment opvatte.

Natuurlijk was ik verliefd op Emily. Ik ben overtuigd, dat ik het kind
even oprecht, even teeder, doch reiner en onzelfzuchtiger liefhad dan
eene liefde op lateren leeftijd, hoe rein en edel ook, zijn kan. In
mijne verbeelding was het lieve kind met hare mooie, blauwe oogjes een
klein hemelsch wezentje, een engeltje en had zij op een zonnigen morgen
plotseling een paar vleugeltjes uitgespreid om voor mijne oogen weg te
vliegen, dan zou mij dat volstrekt niet verbaasd hebben. Ik verwachtte
eigenlijk niet anders.

Uren achtereen wandelden wij in die dagen te zamen over de eentonige
vlakte bij Yarmouth. De dagen vlogen voorbij. Ik vertelde Emily dat
ik haar aanbad en dat, zoo zij mij dezelfde bekentenis niet deed, ik
genoodzaakt zou zijn mij met een sabel dood te steken. Zij bekende mij
echter dat zij mij ook lief had; en ik ben overtuigd dat zij het deed.
Bezwaren over verschil in opvoeding en stand of over onzen jeugdigen
leeftijd hadden wij niet; wij dachten immers niet verder dan aan het
heden. Het woord toekomst kenden wij zelfs niet. Wij dachten evenmin
aan ouder worden als aan jonger worden. Peggotty en juffrouw Gummidge
waren in ééne bewondering van ons en als wij des avonds kinderlijk
verliefd naast elkander op het kleine bankje zaten, fluisterden zij
meer dan eens: „Hemel, hoe lief!” Baas Peggotty zat, met een glimlach
op zijn gelaat, over zijne pijp heen naar ons te kijken en Ham
grinnikte den geheelen avond—anders deed hij niets. Ik vermoed dat
zij met evenveel genoegen naar ons keken als zij naar een mooi stuk
speelgoed of naar een miniatuur-afbeeldsel van het Colosseum zouden
gekeken hebben.

Spoedig kwam ik tot de ontdekking dat juffrouw Gummidge niet altijd
zulk een lief humeur had, als zij, de omstandigheden en hare verhouding
tot baas Peggotty in aanmerking genomen, wel had mogen hebben. Juffrouw
Gummidge kon zelfs bijzonder kwade buien hebben en schreide veel meer
dan in zulk een bekrompen verblijf voor de andere bewoners wenschelijk
was. Ik had veel medelijden met haar, maar er waren oogenblikken,
waarin ik dacht dat het aangenamer zou geweest zijn, indien juffrouw
Gummidge een lief kamertje voor zich alleen had gehad en daar was
gebleven tot de bui over was.

Baas Peggotty ging nu en dan naar een herberg „Het Dorstige Hart”
genaamd. Ik ontdekte dit, toen hij den derden of vierden avond van mijn
verblijf in Yarmouth uit was, aan de wijze waarop juffrouw Gummidge
telkens naar de ouderwetsche klok keek en aan haar gezegde dat hij
daarheen was en dat, wat meer zeide, zij 's morgens reeds geweten had
dat hij er heen zou gaan. Juffrouw Gummidge was den geheelen dag uit
haar humeur geweest en in den voormiddag, toen het vuur rookte, in
tranen uitgebarsten. „Ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel,” had
zij gezegd, toen die onaangename gebeurtenis voorviel, „alles loopt mij
altijd tegen.”

„O, het zal wel spoedig ophouden,” zei Peggotty—ik bedoel weder _onze_
Peggotty—„en bovendien, het is voor ons toch even onaangenaam als voor
u.”

„Ik voel het veel erger,” zei juffrouw Gummidge.

Het was een bijzonder koude dag; de wind blies scherp over de vlakte.
Juffrouw Gummidge's hoekje aan den haard scheen mij het warmste en
gezelligste plekje toe uit het geheele vertrek, evenals haar stoel de
zachtste en gemakkelijkste zitplaats was; maar dien dag was zij met
niets tevreden. Zij klaagde voortdurend over de koude en beweerde dat
deze haar een ongemak in den rug zou bezorgen, „de kruipziekte”, zooals
zij het noemde. Eindelijk begon zij ook daarover weder te schreien en
beweerde zij nogmaals, dat zij een ellendig en ongelukkig schepsel was
en dat alles haar altijd tegenliep!

„Ja,” zei Peggotty, „het is zeker erg koud; iedereen moet dat wel
voelen.”

„Ik voel het erger dan iemand anders,” antwoordde juffrouw Gummidge.

Zoo ook bij het middagmaal. Juffrouw Gummidge werd altijd onmiddellijk
na mij bediend, aan wien de voorrang werd gegeven als een gast van
aanzien. De visch was klein en graterig en de aardappelen waren
aangebrand. Wij vonden dit allen minder aangenaam, maar juffrouw
Gummidge zeide, dat zij het erger voelde dan wij en begon opnieuw te
schreien en gaf met nog grooter bitterheid de oude verklaring van zich
zelve.

Het gevolg was dat, toen baas Peggotty te ongeveer negen uur thuis
kwam, juffrouw Gummidge dood ongelukkig, met de wanhoop op het gelaat
in haar hoekje zat te breien. Peggotty daarentegen was zeer opgeruimd
en zat eveneens te werken. Ham had een paar groote waterlaarzen zitten
oplappen en ik had, met de kleine Emily naast mij, voorgelezen.
Juffrouw Gummidge had geen enkel teeken van leven gegeven dan nu en dan
een diepen zucht en sinds de thee geen enkele maal de oogen opgeslagen.

„Wel, maatjes,” zei baas Peggotty, terwijl hij op zijne gewone plaats
ging zitten, „hoe gaat het er mee?”

Allen zeiden een enkel woord om hem te verwelkomen of wierpen hem een
vriendelijken blik toe, behalve juffrouw Gummidge, die hoofdschuddend
doorbreide.

„Wat scheelt er aan?” vroeg baas Peggotty, in de handen klappend. „Moed
gevat, oudje!”

Juffrouw Gummidge scheen niet in staat om moed te vatten. Zij haalde
een ouden, zwart zijden zakdoek te voorschijn en veegde daarmede hare
oogen af, maar in plaats van den zakdoek in haar zak te steken, hield
zij dien in de hand, veegde nogmaals hare oogen af en hield den doek in
de hand gereed.

„Wat scheelt er aan, moedertje?” vroeg baas Peggotty.

„Niets,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Gij komt uit ‚Het Dorstige
Hart’, Dan?”

„Wel ja, ik heb van avond wat zitten praten in ‚Het Dorstige Hart’,”
antwoordde baas Peggotty.

„Het spijt mij dat ik u daarheen jaag,” zei juffrouw Gummidge.

„Jagen! Ik behoef volstrekt niet gejaagd te worden,” hernam baas
Peggotty, vriendelijk lachend. „Ik ga er maar al te gaarne heen.”

„Zeer gaarne,” zei juffrouw Gummidge, haar hoofd schuddende en hare
oogen afvegend. „Ja, ja, zeer gaarne. Het spijt mij, dat gij er om mij
zoo gaarne heengaat.”

„Om u? Ik ga er niet heen om u!” riep baas Peggotty. „Geloof daar toch
niets van!”

„Ja, ja, het is wel waar,” hernam juffrouw Gummidge. „Ik weet wat ik
ben. Ik weet, dat ik een ellendig, ongelukkig schepsel ben en dat alles
mij tegenloopt en ik iedereen tot last ben. Ja, ja, ik voel alles veel
erger dan andere menschen en ik toon het meer. Dat is juist mijne
rampzaligheid.”

Terwijl ik daar zat, kon ik niet nalaten te denken, dat de
rampzaligheid zich behalve tot juffrouw Gummidge ook tot de andere
leden van de familie uitstrekte; maar baas Peggotty zei niets van dien
aard; hij antwoordde slechts met eene vernieuwde uitnoodiging aan
juffrouw Gummidge om moed te vatten.

„Ik ben niet wat ik zou kunnen zijn,” hernam juffrouw Gummidge. „Dat is
er ver vandaan. Ik weet wat ik ben. Mijn verdriet maakt dat ik iedereen
tot last ben. Ik voel mijn verdriet zoo, daarom ben ik iedereen tot
last. Ik wilde dat ik het niet zoo voelde, maar ik doe het. Ik wilde
dat ik er mij tegen verzetten kon, maar dat kan ik niet. Ik ben een
lastpost in huis en dat verbaast mij niet. Ik ben uwe zuster altijd tot
last geweest en den jongeheer David...”

Ik voelde mij plotseling zoo getroffen dat ik uitriep: „Neen, juffrouw
Gummidge, dat zijt gij niet!” Ik was hevig ontroerd.

„Het is heel slecht van mij, dat ik het doe,” vervolgde juffrouw
Gummidge. „Het is zeer ondankbaar van mij. Ik deed beter naar het
werkhuis te gaan en daar te sterven. Ik ben een ellendig, ongelukkig
schepsel en deed veel beter hier niemand meer tot last te zijn. Als
alles mij toch tegen loopt en ik ook mij zelve tot last ben, laat ik
dan een lastpost zijn in mijn eigen kerspel, Dan! Ik moest liever naar
het werkhuis gaan en daar sterven... dan waart gij mij kwijt.”

Na deze woorden ging juffrouw Gummidge naar haar eigen kamer en naar
bed. Toen zij weg was, keek baas Peggotty, op wiens gelaat slechts
medelijden te lezen was geweest en nog was, ons allen een voor een aan
en zei hoofdschuddend: „Zij heeft weer aan den oude zitten denken.”

Ik begreep niet goed welken oude baas Peggotty bedoelde, maar toen
Peggotty mij naar bed bracht, legde zij mij uit dat het baas Gummidge
was; „mijn broeder is overtuigd,” voegde zij er bij, „dat juffrouw
Gummidge bij zulke gelegenheden altijd aan haar overleden echtgenoot
denkt en dit ontroert hem telkens weder.” Eenige oogenblikken nadat
baas Peggotty zijn hangmat had opgezocht, hoorde ik hem ook tegen Ham
zeggen: „Arm schepsel! Zij heeft weder aan den oude zitten denken!”
En telkens als juffrouw Gummidge gedurende ons verblijf zulk eene bui
had—dit gebeurde nog eenige malen—zei hij altijd hetzelfde tot hare
verontschuldiging en altijd op een toon, die zijn innig medelijden
verried.

Zoo gingen de veertien dagen voorbij, door niets afgewisseld dan
door het getij, dat verandering bracht in baas Peggotty's uitgaan en
thuiskomst en ook in Ham's bezigheden. Wanneer Ham niets te doen had,
wandelde hij met ons en liet hij ons de schepen en de schuiten zien en
eens nam hij ons zelfs mede in zijne roeiboot. Ik weet niet, waarom
sommige indrukken, somtijds van de onbeduidendste zaken, meer dan
andere aan eene plaats verbonden blijven, hoewel ik meen, dat zulks ten
opzichte van herinneringen uit de kinderjaren met alle menschen het
geval is. Ik hoor of lees den naam Yarmouth nooit of ik word herinnerd
aan zekeren Zondagmorgen op het strand en hoor de kerkklok luiden en
voel de kleine Emily tegen mijn schouder leunen en zie Ham peinzend
steentjes in het water werpen en de zon boven de zee door de dikke
mist heenbreken en de schepen in de verte, als schimmen van zich zelve.

Eindelijk naderde de dag van vertrek. Ik hield mij ferm bij het
afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge, maar dat ik
ook de kleine Emily verlaten moest, maakte mij bijna wanhopig. Arm
in arm wandelden wij naar de herberg waar de voerman stalde en onder
weg beloofde ik haar te zullen schrijven.—Later heb ik deze belofte
vervuld in letters zoo groot als die, waarin gewoonlijk huizen of
kamers te huur worden aangeboden.—Bij het afscheid waren wij beiden
bijna niet tot bedaren te brengen en indien ik ooit eene ledige plaats
in mijn hart heb gevoeld, was het op dezen dag.

Gedurende den geheelen tijd, dien ik te Yarmouth had doorgebracht, was
ik hoogst ondankbaar geweest jegens mijn ouderlijk huis en had ik er
bijna in het geheel niet aan gedacht. Nauwelijks was ik echter op de
terugreis of mijn geweten begon te spreken en scheen met dreigenden
vinger daarheen te wijzen; juist omdat ik zoo verdrietig was, voelde
ik dat ik daar thuis behoorde en dat mijne moeder mijne troosteres en
mijne vriendin zou zijn. Naarmate wij verder kwamen, nam dit gevoel
toe in kracht; zoodat ik, hoe dichter wij ons huis naderden en hoe
bekender alle voorwerpen mij toeschenen, hoe langer hoe meer verlangde
bij haar te zijn en mij in hare armen te werpen. Maar in plaats van dit
gevoel aan te wakkeren, deed Peggotty haar best—zij het dan ook op
vriendelijken toon—om mij tot kalmte aan te manen en zelve keek zij
verlegen en verdrietig rond.

Blunderstone's Kraaiennest zou echter, haar ten spijt, in het gezicht
komen, wanneer het paard het ten minste verkoos—en dit deed het. Hoe
goed herinner ik mij dien kouden, grauwen namiddag met die betrokken
lucht en dien voortdurenden motregen! De deur werd geopend en half
lachend, half schreiend van zenuwachtige aandoening zocht ik mijne
moeder. Zij had echter de deur niet geopend—ik zag niets dan eene
vreemde dienstmeid.

„Hoe is het nu, Peggotty,” sprak ik teleurgesteld, „is zij niet
teruggekomen?”

„Ja, zeker, jongeheer David,” antwoordde Peggotty. „Zij is thuis
gekomen. Wacht een oogenblik, jongeheer David, dan zal ik.... dan zal
ik u iets vertellen.”

Tengevolge van hare zenuwachtigheid en haar aangeboren onhandigheid
nam Peggotty, bij het verlaten van de kar, de zonderlingste houdingen
aan, maar ik was te moedeloos om er haar opmerkzaam op te maken. Toen
zij op den weg stond, nam zij mij bij de hand, bracht mij tot mijne
onbeschrijfelijke verbazing in de keuken en sloot de deur.

„Peggotty!” vroeg ik angstig, „wat is er gebeurd?”

„Niets van belang, mijn beste jongeheer David,” antwoordde zij, haar
best doende om opgeruimd te kijken.

„Er moet iets gebeurd zijn; dat weet ik zeker. Waar is mama?”

„Waar uwe mama is, jongeheer David?” herhaalde Peggotty.

„Ja, waarom is zij niet aan het hek gekomen en waarom zijn wij hier
heengegaan? O, Peggotty!” Mijne oogen schoten vol tranen en ik voelde
dat ik deze onzekerheid niet lang zou verduren.

„God zegene den lieven jongen!” riep Peggotty, mij tot zich trekkende.
„Wat is er? Spreek toch, mijn lieveling.”

„Zij is immers niet dood, Peggotty?”

Peggotty riep, „Neen!” met eene verbazend harde stem, daarna ging zij
zitten en begon te hijgen en te zuchten en zei dat ik haar een schrik
op het lijf had gejaagd.

Ik omhelsde haar, ten einde den schrik van haar af te nemen en ging
toen voor haar staan en keek haar angstig vragend aan.

„Zie, beste jongen, ik had het u al eerder moeten vertellen,”
begon zij, „maar ik had daarvoor geen gelegenheid. Ik had er eene
gelegenheid voor moeten zoeken maar ik kon er eigenlijk niet goed toe
besluiten—vergeef het mij.”

„Ga voort, Peggotty,” zei ik nog angstiger dan te voren.

„Jongeheer David,” vervolgde zij, haar hoed losmakend en sprekende
alsof zij geheel buiten adem was, „wat zegt gij daar nu wel van?....
Gij hebt weer een papa gekregen!”

Ik begon te beven en werd zoo wit als een doek. Iets—ik weet zelf niet
wat of hoe—iets dat in verband stond met het kerkhof en de opstanding
uit den dood scheen langs mij heen te strijken als een tochtwind.

„Een nieuwe,” zei Peggotty.

„Een nieuwe?” herhaalde ik.

Peggotty maakte eene beweging alsof zij een zeer hard stuk inslikte en
zeide, mij bij den arm nemende: „Kom, ga mede, dan zult gij hem zien.”

„Maar ik wil hem niet zien.”

.... „en uwe mama ook,” vervolgde Peggotty.

Ik verzette mij niet langer en wij gingen rechtstreeks naar de mooie
kamer, waar Peggotty mij alleen liet. Aan de eene zijde van den haard
zat mijne moeder, aan de andere.... mijnheer Murdstone. Mijne moeder
legde haar werk neer en stond haastig, doch, naar het mij voorkwam, met
iets schroomvalligs in hare houding, op.

„Nu, Clara, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „Herinner u wat wij
afgesproken hebben. Bedwing u zelve, bedwing u zelve altijd. Dag,
David, hoe gaat het u?”

Ik gaf hem eene hand en na een oogenblik geaarzeld te hebben, ging
ik naar mijne moeder en kuste haar; zij kuste mij ook en klopte mij
vriendelijk op den schouder en.... ging weder aan haar werk. Ik kon
haar niet aanzien, ik kon ook hem niet aanzien, ik wist zeer goed dat
hij ons beiden aankeek; ik keerde mij daarom naar het venster en keek
naar buiten, naar eenige heesters, die in de koude het hoofd lieten
hangen.

Zoodra ik kon wegsluipen, kroop ik de trap op. Mijne oude,
vriendelijke slaapkamer was geheel veranderd en ik was verhuisd naar
de andere zijde van het huis. Ik ging weder naar beneden om iets te
vinden dat hetzelfde was gebleven, zoo scheen alles veranderd, en kwam
op de plaats. Maar ik nam al heel spoedig de vlucht want het hondenhok
was bewoond door een grooten hond—met een zware stem en zwart haar,
evenals _hij_—die boos werd toen hij mij zag en uit zijn hok sprong om
mij te bijten.



IV.

Ik val in ongenade.


Als het kamertje, waarheen mijn bedje verplaatst was, denken en spreken
kon, zou ik er thans een beroep op doen—ik zou wel eens willen weten
wie er nu slaapt!—om getuigenis af te leggen van de stemming waarin ik
binnentrad. Ik ging de trap op, terwijl de hond op de plaats mij nog
steeds achterna blafte, keek ontmoedigd en bedeesd het kleine vertrekje
rond en ging met de kleine handen over elkander zitten peinzen.....
peinzen over de vreemdsoortigste dingen; over den vorm van de kamer,
over de reten in de zoldering, over het behangsel, over de barsten in
de ruiten, waardoor allerlei rimpels en kronkelingen in het uitzicht
ontstonden, over de waschtafel, die op hare drie pooten scheen te
waggelen en iets verdrietigs scheen te hebben, dat mij deed denken aan
juffrouw Gummidge, wanneer zij aan haar oude had gedacht.

Ik schreide al dien tijd, maar behalve dat ik koud en bedroefd was,
wist ik—daar ben ik zeker van—niet waarom ik schreide. Ten laatste
begon ik in mijn wanhoop te begrijpen dat ik hopeloos verliefd was op
de kleine Emily en van haar weggenomen was om hierheen gebracht te
worden, waar niemand mij maar half zoo noodig en half zoo lief had
als zij. Dit bracht mij zoo van streek dat ik mij in mijn deken rolde
en mij toen in slaap schreide. Ik werd wakker, omdat ik iemand hoorde
zeggen: „Hier is hij.” Te gelijkertijd werd mijn hoofd ontbloot, dat
gloeide als een vuurbol. Mijne moeder en Peggotty waren mij komen
zoeken en een van beiden had deze woorden gesproken.

„David,” zei mijne moeder, „wat scheelt er aan?”

Ik vond het zeer vreemd dat zij mij deze vraag deed en antwoordde:
„Niets.” Daarna keerde ik mij om, dat herinner ik mij nog zeer goed,
ten einde mijne bevende lippen te verbergen, die haar meer naar
waarheid zouden geantwoord hebben.

„David,” herhaalde mijne moeder. „David, mijn kind!”

Wat zij ook zou kunnen gezegd hebben, niets zou mij zoo hebben
getroffen dan dat zij mij „haar kind” noemde. Ik verborg mijne tranen
in het bedlaken en duwde hare hand weg toen zij mij wilde oprichten.

„Dat is uw werk, Peggotty, wreed schepsel, dat gij zijt!” riep mijne
moeder. „Ik twijfel er geen oogenblik aan. Hoe kunt gij het voor
uw geweten verantwoorden, mijn eigen jongen tegen mij op te hitsen
of tegen iemand, die mij dierbaar is? Waarom hebt gij dat gedaan,
Peggotty?”

Peggotty hief de handen en de oogen ten hemel en antwoordde op de wijze
zooals ik gewoon was na tafel mijn gebedje op te zeggen: „De Heer
schenke u vergiffenis, mevrouw Copperfield, voor hetgeen gij daar hebt
gezegd. Zoo gij ooit oprecht berouw daarover zult voelen....”

„Het is om waanzinnig te worden,” riep mijne moeder. „En dat in de
eerste dagen van mijn huwelijk, nu mijn ergste vijand mij zou ontzien
en mij mijn weinigje geluk en rust niet zou misgunnen! David, gij
zijt een ondeugende jongen en gij, Peggotty, gij zijt een ongevoelig
schepsel! O, lieve Hemel!” vervolgde zij, terwijl zij zich boos en
eigenzinnig, nu eens tot Peggotty dan weder tot mij wendde, „wat is
er toch een ellende in de wereld en dat in een tijd, waarin men mocht
verwachten eens louter voor zijn genoegen te leven!”

Ik voelde de aanraking van eene hand, die, dat wist ik, noch aan mijne
moeder noch aan Peggotty toebehoorde, en stond in het volgend oogenblik
naast mijn bed. Het was de hand van mijnheer Murdstone; hij hield mijn
arm vast terwijl hij zeide: „Wat is dat? Clara, lieve, hebt gij onze
afspraak vergeten? Flink zijn, lieve, flink zijn!”

„Het spijt mij zoo, Edward,” antwoordde mijne moeder, „ik meende het te
wezen, maar het valt mij niet gemakkelijk.”

„Waarlijk!” sprak hij. „Nu reeds? Dat is een slecht begin!”

„Het is wel hard voor mij dat ik zoo moet zijn,” antwoordde mijne
moeder pruilend; „het is wel.... zeer hard... is het niet?”

Hij trok haar naar zich toe, fluisterde haar iets in het oor en kuste
haar. Toen ik mijne moeder het hoofd op zijn schouder en den arm om
zijn hals zag leggen wist ik zeer goed, dat hij hare buigzame natuur
kon kneden als was—ik wist dat toen even goed als ik thans weet dat
hij het gedaan heeft.

„Ga naar beneden, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „David en ik zullen u
volgen.”

Toen mijne moeder weg was, keerde hij zich met een gelaat, zoo donker
als de nacht, naar Peggotty en vroeg: „weet gij niet hoe uwe mevrouw
heet?”

„Zij is lang genoeg mijne mevrouw geweest, mijnheer,” antwoordde
Peggotty. „Ik moet dat dus wel weten.”

„O zoo,” hernam hij, „ik meende, toen ik de trap opkwam, u een naam
te hooren uitspreken, die de hare niet meer is. Zij heeft mijn naam
aangenomen, begrijpt gij? Zult gij dat goed onthouden?”

Na mij eenige malen angstig te hebben gadegeslagen, verliet zij
buigende de kamer zonder een woord te antwoorden; zij zag in dat men
haar gezelschap missen kon en had geen enkele reden om te blijven.

Toen wij met ons beiden alleen waren, sloot hij de deur en terwijl hij
op een stoel zat en ik voor hem stond, keek hij mij gedurende eenige
oogenblikken doordringend aan. Mijne oogen werden blijkbaar door de
zijnen aangetrokken, zoodat ik hem niet minder doordringend aankeek.
Als ik mij dat oogenblik voor den geest roep, waarop wij zoo van
aangezicht tot aangezicht tegenover elkander stonden, voel ik mijn hart
nog kloppen in mijn keel.

„David,” zei hij, zijne lippen dun makende door ze op elkaar te
drukken, „wat denkt gij wel dat ik doe met een koppig paard of een
koppigen hond?”

„Dat weet ik niet.”

„Ik geef hem slaag.”

Ik had geantwoord op fluisterenden toon, bijna ademloos, maar ik voelde
dat mijne ademhaling hoe langer hoe korter werd.

„Ik laat hem voelen wat pijn is en zeg tot mij zelven: ‚hij moet er
onder; en al zou het hem al het bloed kosten dat hij heeft, hij zal er
onder.’ Wat hebt gij daar op uw gezicht?”

„Vuil,” zei ik.

Hij wist evengoed als ik dat het de sporen waren van tranen, maar al
had hij het mij twintig maal gevraagd, telkens met twintig slagen, ik
geloof dat ik het hem, zoo klein en teer als ik was, niet bekend zou
hebben.

„Gij hebt verstand in overvloed voor zoo'n kleinen jongen,” zei hij
met den hem eigen glimlach, „en gij begrijpt mij zeer goed. Wasch uw
gezicht en ga dan met mij naar beneden.”

Hij wees naar de waschtafel, die mij aan juffrouw Gummidge had doen
denken, en gaf mij door eene beweging met het hoofd te kennen dat ik
oogenblikkelijk moest gehoorzamen. Ik twijfelde er niet aan en ik
twijfel er op dit oogenblik volstrekt niet aan of hij zou mij zonder
het geringste gemoedsbezwaar geslagen hebben als ik geaarzeld had.

„Clara, lieve,” zei hij, toen wij, nadat ik zijn bevel had opgevolgd,
de huiskamer binnentraden—hij hield mijn arm weder omklemd—„het zal u
nu gemakkelijk vallen; daarvan ben ik overtuigd. Wij zullen dat jeugdig
humeurtje wel verbeteren.”

God weet, dat ik wellicht voor mijn geheele leven verbeterd zou
zijn, dat ik misschien een geheel ander mensch zou zijn geworden,
indien mij op dit oogenblik een vriendelijk woord ware toegevoegd.
Een woord van bemoediging en opheldering, van medelijden met mijne
kinderlijke onwetendheid, van welkom thuis of van verzekering dat hier
werkelijk mijn tehuis _was_, zou wellicht mijn hart tot dankbaarheid
hebben gestemd jegens den man, voor wien ik nu slechts gehoorzaamheid
huichelde; zou mij wellicht achting voor hem hebben ingeboezemd,
terwijl ik nu niets kon doen dan hem haten. Ik hoopte dat mijne moeder
spijt zou gevoelen, als zij mij daar zoo bedeesd zag staan, alsof ik
een vreemdeling was in dit huis; ik hoopte het nog, toen ik opmerkte
dat zij mij met een droeven blik nakeek, terwijl ik stilletjes naar
een stoel sloop—misschien met iets gedwongens in mijne houding—maar
dat woord werd niet uitgesproken; het geschikte oogenblik daartoe ging
verloren.

Wij gebruikten met ons drieën het middagmaal. Hij scheen erg verliefd
te zijn op mijne moeder—ik geloof niet, dat ik daarom meer van hem
hield—en mijne moeder scheen erg verliefd te zijn op hem. Uit hetgeen
zij bespraken maakte ik op, dat eene oudere zuster van hem bij ons zou
komen inwonen en dat deze dienzelfden avond verwacht werd. Ik weet
niet zeker meer of het toen of naderhand was, dat ik tot de ontdekking
kwam dat hij, zonder zelf werkzaam te zijn, aandeelen had in of een
jaarlijksch inkomen genoot van eene groote wijnzaak in Londen, waarin
zijne familie reeds bij het leven van zijn overgrootvader betrokken was
geweest en dat ook zijne zuster recht had op eene gelijke uitkeering;
ik maak er echter nu maar melding van, hetzij dan dat ik het eerst
later vernam.

Na het middagmaal, terwijl wij bij den haard zaten en ik peinsde over
een middel om Peggotty op te zoeken—ik had niet den moed om weg te
loopen uit vrees voor de ongenade van den heer des huizes—reed een
rijtuig voor en ging hij naar buiten om den bezoeker te ontvangen.
Mijne moeder volgde hem en ik volgde haar zoo bedeesd mogelijk; maar op
den drempel keerde zij zich plotseling om—het was donker—en omhelsde
mij, zooals zij vroeger gewoon was geweest en fluisterde mij in dat ik
mijn nieuwen papa moest liefhebben en gehoorzaam zijn. Zij deed het
haastig en heimelijk, alsof zij kwaad deed, maar niettemin met groote
teederheid en terwijl zij hare hand achter zich hield met de mijne er
in, kwamen wij dicht bij de plek in den tuin, waar hij stond; toen liet
zij mij los en stak haar arm door den zijne.

De aangekomene was juffrouw Murdstone, eene stuursche dame, met
een even donker uitzicht als haar broeder, met wien zij, wat haar
gelaat en hare stem betrof, zeer veel overeenkomst had; zij had in
het oog vallend zware wenkbrauwen, die elkaar boven den grooten neus
ontmoetten, alsof zij, boos over de onrechtvaardigheid dat het aan
hare sexe ontzegd was bakkebaarden te dragen, deze naar het voorhoofd
had verplaatst. Zij bracht twee verschrikkelijk harde, zwarte koffers
mede met hare initialen in harde koperen spijkers op de deksels. Toen
zij den koetsier betaalde, haalde zij het geld uit een harde, stalen
beurs en deze beurs stopte zij in een reusachtige beugeltasch, die aan
een zwaren, harden ketting aan haar arm hing en toeklapte als de muil
van een roofdier. Nooit had ik eene dame gezien, aan wie alles zoo van
metaal was als aan juffrouw Murdstone.

Zij werd naar de voorkamer gebracht en hartelijk welkom geheeten,
waarna zij mijne moeder van het hoofd tot de voeten opnam en met eene
zekere plechtigheid erkende als eene nieuwe en nauwe bloedverwante.

„Is dat uw jongen, schoonzuster?”

Mijne moeder verloochende mij niet.

„In het algemeen,” zei juffrouw Murdstone, „houd ik niet van jongens.
Hoe vaart gij, kereltje?”

Op deze bemoedigende toespraak antwoordde ik dat ik heel wel was en dat
ik hoopte dat zij ook wel was; ik zei dit op zulk een onverschilligen
toon, dat juffrouw Murdstone in twee woorden haar oordeel over mij
uitsprak: „Geen manieren.”

Nadat zij dit met groote duidelijkheid gezegd had, verzocht zij op
bijna ootmoedigen toon dat men haar hare kamer zou wijzen, die van
dat oogenblik af voor mij eene plaats werd, waaraan ik niet dan met
angst en beven kon denken, waarin de twee harde, zwarte koffers nooit
geopend gezien werden of ongesloten bleven—ik keek er een enkele maal
stilletjes binnen, wanneer zij uit was—en waar een onnoemelijk aantal
kleine stalen armbanden en kettinkjes, waarmede juffrouw Murdstone zich
tooide, wanneer zij in pontificaal was, boven den spiegel hingen.

Voor zoover ik kon nagaan, was zij gekomen om niet meer heen te gaan.
Den volgenden morgen begon zij mijne moeder te helpen en bracht
een groot gedeelte van den dag in de provisiekamer door, waar zij
alles overhoop haalde en naar haar eigen inzichten rangschikte. Het
merkwaardigste, dat ik in juffrouw Murdstone opmerkte, was haar
voortdurende achterdocht dat de meiden ergens een man hadden verstopt.
Onder den invloed van dit zelfbedrog daalde zij op de meest ongewone
uren plotseling in den brandstoffenkelder af en zelden opende zij de
deur van eene donkere kast zonder die oogenblikkelijk weder te sluiten,
in den waan dat zij „hem” nu gevangen had. Hoewel juffrouw Murdstone
niets had, waardoor zij aan een leeuwerik deed denken, kon zij toch met
deze wedijveren op het punt van vroeg opstaan. Zij was al op—als ik er
nu goed over nadenk, zocht zij dan naar dien man—eer iemand in huis
aan opstaan dacht. Peggotty beweerde dat juffrouw Murdstone altijd met
één oog open sliep, maar ik kon haar dat niet toegeven; want nadat zij
dit vermoeden geuit had, beproefde ik het meermalen en bevond dat het
niet mogelijk was.

Op den eersten morgen na hare aankomst was zij reeds bij het eerste
hanengekraai op en trok aan hare schel. Toen mijne moeder aan het
ontbijt kwam en thee wilde zetten, gaf juffrouw Murdstone haar een pik
in de wang—dit kwam haar manier om te kussen het meest nabij—en zeide:

„Nu, Clara, lieve, gij weet, ik ben hier gekomen om u zooveel
mogelijk van alle lasten te ontheffen. Gij zijt veel te mooi en te
zorgeloos—mijne moeder bloosde en lachte, en scheen deze woorden
niet zoo erg onaangenaam te vinden—om plichten op u te nemen, die ik
vervullen kan. Indien gij wel zoo goed wilt zijn mij de sleutels te
overhandigen, lieve, zal ik voortaan voor alles zorgen.”

Van dat oogenblik af had juffrouw Murdstone den geheelen dag de
sleutels in haar nijdige beugeltasch en den geheelen nacht onder
haar kussen; mijne moeder had er niet meer over te zeggen dan ik.
Mijne moeder gaf echter het opperbestuur niet over dan onder een
zweem van protest. Op zekeren avond, toen juffrouw Murdstone eenige
huishoudelijke aangelegenheden met haar broeder besprak en deze zijne
goedkeuring er aan hechtte, begon mijne moeder plotseling te schreien
en zeide dat zij toch ook wel geraadpleegd mocht worden.

„Clara!” zei mijnheer Murdstone ernstig. „Clara, ik verbaas mij over
u.”

„O, het is heel gemakkelijk te zeggen dat gij u verbaast, Edward!” riep
mijne moeder uit, „en gij hebt mooi praten over flinkheid, maar het zou
u toch ook niet aanstaan!”

Ik moet nog doen opmerken dat flinkheid de groote deugd was, waarop
mijnheer en juffrouw Murdstone zich niet weinig lieten voorstaan. Welke
verklaring ik toenmaals van deze eigenschap zou gegeven hebben, indien
men er mij naar had gevraagd, kan ik niet zeggen; maar ik begreep toch
heel duidelijk dat deze zoogenaamde flinkheid eigenlijk niets was dan
tyrannie, eene bemanteling van hun stuursch, aanmatigend, duivelachtig
karakter. Indien ik thans eene karakterschets van hen moest geven,
zou ik het aldus doen: Mijnheer Murdstone was flink; niemand in zijne
omgeving was zoo flink als mijnheer Murdstone; eigenlijk was er in
zijne omgeving niemand flink, want iedereen moest voor zijne flinkheid
buigen. Juffrouw Murdstone maakte daarop eene uitzondering; zij mocht
ook flink zijn, maar alleen omdat zij zoo na verwant was aan hem, aan
wien zij toch altijd ondergeschikt moest blijven. Hare flinkheid was
dus van eene mindere soort. Ook mijne moeder maakte eene uitzondering.
Zij mocht niet alleen flink zijn, zij moest het zijn, alleen echter om
de flinkheid van mijnheer en juffrouw Murdstone te kunnen dragen en te
gelooven, dat zij de eenige flinke menschen waren op dit ondermaansche.

„Het is zeer hard,” zei mijne moeder, „en dat in mijn eigen huis....”

„_Mijn_ eigen huis?” herhaalde mijnheer Murdstone. „Clara!”

„_Ons_ eigen huis, bedoel ik,” fluisterde mijne moeder blijkbaar
angstig—„ik hoop dat gij begrijpt wat ik bedoel, Edward—het is
zeer hard, dat ik in _uw_ eigen huis geen woord mag meespreken waar
het huishoudelijke zaken betreft. Ik ben overtuigd dat ik eene goede
huishoudster was vóór wij trouwden. Ik kan getuigen oproepen,” snikte
zij, „vraag het aan Peggotty of alles niet geregeld ging toen ik aan
het hoofd stond!”

„Edward,” zei juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen
heen.”

„Jane Murdstone,” antwoordde haar broeder, „zwijg! Hoe durft gij zelfs
maar doen vermoeden dat gij mijn karakter niet beter kent dan men uit
uwe woorden zou opmaken?”

„Ik verlang volstrekt niet,” hernam mijne moeder tot haar eigen bittere
schade, onder veel tranen, „dat er iemand heengaat. Ik zou zeer
bedroefd en ongelukkig zijn, indien er iemand heenging. Ik vraag niet
veel; ik ben niet onredelijk. Ik verlang slechts nu en dan geraadpleegd
te worden. Ik ben aan iemand, die mij helpt, zeer veel verplicht en
verlang slechts nu en dan, al is het maar voor den vorm, geraadpleegd
te worden. Ik meende, Edward, dat gij er vroeger mede ingenomen waart,
dat ik nog weinig ondervinding had en wat kinderlijk was.... ik weet
zeker dat gij het gezegd hebt, maar het schijnt wel dat gij mij nu
daarom minacht, zoo streng zijt gij.”

„Edward,” herhaalde juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga
morgen heen.”

„Jane Murdstone,” bulderde hij haar toe, „zwijg! Hoe durft gij zoo iets
uitspreken?”

Juffrouw Murdstone haalde haar zakdoek te voorschijn en hield dien voor
de oogen.

„Clara,” ging hij voort, mijne moeder aankijkende, „ik verbaas mij over
u. Ik ben een en al verbazing! Ja, het denkbeeld om in het huwelijk te
treden met eene vrouw, die nog weinig ervaren was en nog niets van de
wereld gezien had, trok mij zeer zeker aan; ik hoopte haar karakter te
kunnen vormen en haar een weinig van die flinkheid en vastberadenheid
mede te deelen, waaraan zij nog zoo zeer behoefte had. Maar wanneer
Jane Murdstone vriendelijk genoeg is mij tot dat doel hare hulp te
komen aanbieden en ter wille van mij eigenlijk eene betrekking als
huishoudster op zich te nemen, en wanneer zij dan met ondank wordt
beloond....”

„O, ik smeek u, Edward, ik smeek u, beschuldig mij niet van
ondankbaarheid!” riep mijne moeder. „Ik ben er zeker van dat ik niet
ondankbaar wil wezen. Niemand heeft ooit gezegd dat ik het was. Ik heb
veel gebreken, maar ondankbaar ben ik niet. Zeg dat toch niet, lieve
man!”

„Wanneer Jane Murdstone, zeg ik, met den zwartsten ondank wordt
beloond,” hernam hij, toen mijne moeder zweeg, „moet het gevoel, dat ik
voor u koesterde, wel verkoelen en veranderen.”

„O, zeg dat toch niet, lieve man!” smeekte mijne moeder dringend. „O,
zeg dat toch niet! Ik zou het niet kunnen dragen. Wat ik ook zijn moge,
ik heb een goed hart. Ik weet dat ik een goed hart heb; ik zou het niet
kunnen zeggen, als ik er niet zeker van was. Vraag het Peggotty, ik ben
er zeker van dat zij het ook zal zeggen.”

„Overdreven teederheid heeft niet den minsten invloed op mij, Clara,”
antwoordde mijnheer Murdstone. „Gij doet vergeefsche moeite.”

„Och, laat ons weer vrienden zijn,” sprak mijne moeder. „Koelheid en
onvriendelijkheid zouden mij dooden. Het spijt mij zoo. Ik heb zooveel
gebreken, Edward, en het is heel lief van u dat gij met uw krachtigen
geest wilt trachten mij te verbeteren. Jane, ik beklaag mij over
niets. Mijn hart zou breken indien gij er ook maar over dacht ons te
verlaten....” Mijne moeder was te overspannen om voort te gaan.

„Jane Murdstone,” sprak mijnheer Murdstone tot zijne zuster, „het is
iets ongewoons, dat er tusschen ons harde woorden vallen. Het is echter
niet mijne schuld, dat zoo iets ongewoons heden avond heeft plaats
gehad. Ik werd er door een ander in betrokken. Ook is het uwe schuld
niet. Gij werdt er ook door een ander in betrokken. Laat ons beiden
trachten het te vergeten. En aangezien dit,” voegde hij er na deze
grootmoedige woorden bij, „geen geschikt tooneel is voor kinderen....
ga naar bed, David.”

Ik kon nauwelijks de deur vinden, want mijne oogen stonden vol tranen.
Ik was zoo bedroefd, omdat mijne moeder verdriet had en ging op den
tast de kamer uit en de trap op naar mijne slaapkamer, waar het nog
donker was, zonder zelfs den moed te hebben, Peggotty goeden nacht te
zeggen of eene kaars bij haar te vragen. Toen zij ongeveer een uur
later naar mij kwam kijken, werd ik wakker en vertelde zij mij, dat
mijne moeder ongesteld was en naar bed was gegaan en dat mijnheer en
juffrouw Murdstone alleen beneden zaten.

Den volgenden morgen kwam ik vroeger dan gewoonlijk beneden en bleef
aan de deur van de huiskamer staan, want ik hoorde de stem van mijne
moeder. Zij verzocht juffrouw Murdstone in vollen ernst nederig
vergiffenis en toen deze dame wel zoo goed was die te schenken, had er
eene volledige verzoening plaats. Ik geloof niet, dat mijne moeder ooit
weder haar gevoelen uitte over de eene of andere zaak, zonder eerst dat
van juffrouw Murdstone te vragen, of zonder zich eerst overtuigd te
hebben, dat juffrouw Murdstone er eveneens over dacht; en nooit zag ik
juffrouw Murdstone, wanneer zij uit haar humeur was—zij was dikwijls
uit haar humeur—naar de nijdige beugeltasch grijpen, om er de sleutels
uit te nemen en die aan mijne moeder te overhandigen, of ik zag mijne
moeder te gelijkertijd bleek worden van schrik.

De sombere tint in het karakter der Murdstones kleurde ook hunne
godsdienstige opvattingen, die hard en liefdeloos waren. Ik heb later
wel eens gemeend, dat die hardheid en liefdeloosheid het noodzakelijke
gevolg moesten wezen van mijnheer Murdstone's flinkheid, die hem niet
toestond iemand de zwaarste straffen te onthouden, als hij maar
eenige aanleiding vond om ze uit te deelen. Hoe dit ook zijn moge, ik
herinner mij nog zeer goed de uitgestreken gezichten, waarmede wij
kerkwaarts togen en hoe daar alles veranderd scheen. De gevreesde
Zondag is weder aangebroken en ik klim in de oude bank, evenals een
welbewaakte gevangene, die zijn doodvonnis komt aanhooren. Wederom
volgt mij juffrouw Murdstone in een zwart fluweelen japon, die er
uitziet, alsof zij uit een lijkkleed gemaakt is; dan volgt mijne moeder
en eindelijk haar echtgenoot. Peggotty is er nu niet, zooals vroeger in
den goeden, ouden tijd. Wederom luister ik naar juffrouw Murdstone, die
in zich zelve alle antwoorden geeft en met een zeker wreed genoegen den
klemtoon legt op alle gevreesde woorden. Wederom zie ik hare donkere
oogen rollen, wanneer zij de kerk rondkijkt bij het uitspreken van de
woorden, „armzalige zondaars”, alsof zij die toepaste op alle leden van
het kerspel. Wederom vang ik nu en dan—heel zeldzaam—een blik op van
mijne moeder, die bedeesd hare lippen opent tot het gebed, terwijl „die
twee” haar aan weerszijden in de ooren brommen. Wederom komt plotseling
de vrees bij mij op, dat de oude geestelijke ongelijk en mijnheer en
juffrouw Murdstone gelijk kunnen hebben, dat alle engelen in den Hemel
engelen der wrake kunnen zijn. Wederom geeft juffrouw Murdstone mij een
por met haar gebedenboek, wanneer ik maar een vinger verroer of een
spier in mijn gelaat vertrek.

Ja, en wederom merk ik onder het naar huis gaan op, dat sommige buren
naar mijne moeder kijken en naar mij en dan samen fluisteren. En
wanneer het drietal arm in arm vooruitwandelt en ik achteraan kom
slenteren, volg ik eenige van die blikken en vraag ik mij af of mijne
moeder daar nog wel zoo luchtig voortstapt en of haar gezichtje nog wel
zoo mooi is als vroeger. Telkens ben ik nieuwsgierig te weten of een
van deze buren zich nog wel herinnert, zooals ik, hoe wij gewoonlijk te
zamen naar huis wandelden en daarover blijf ik den geheelen, langen,
vervelenden Zondag peinzen.

Er was over gesproken of het geen tijd werd om mij naar een kostschool
te zenden. Mijnheer en juffrouw Murdstone hadden het plan geopperd en
mijne moeder had er natuurlijk in toegestemd. Toch was er nog geen
besluit genomen en ontving ik middelerwijl onderwijs in huis.

Zal ik die lessen ooit vergeten? Zooals het heette, moest ik hetgeen
mij door den onderwijzer werd opgegeven, bij mijne moeder opzeggen,
maar eigenlijk bij mijnheer en juffrouw Murdstone; zij waren er altijd
bij tegenwoordig en grepen deze gelegenheid aan, om mijne moeder
onderricht te geven in misplaatste flinkheid, die de vloek van ons
beider leven was. Ik geloof zeker dat men mij met het oog daarop thuis
hield. Ik zou vlug en gewillig genoeg geweest zijn om te leeren,
wanneer ik met mijne moeder alleen geweest was. Ik herinner mij nog
flauwtjes hoe ik het alphabet geleerd heb, leunende tegen hare knieën.
Wanneer ik thans nog de dikke, vette letters in het AB-boek bekijk,
bekruipt mij nog hetzelfde beklemmende gevoel als in de dagen, toen
ik de letters nog niet uit elkander kon houden en de goedige rondheid
van de O, de Q en de S mij telkens weder trof. Ik herinner mij echter
niet dat ik tegenzin had in het leeren of dat het mij verveelde.
Integendeel, het komt mij voor of ik tot het krokodillenboek op rozen
wandelde; en wanneer die tijd mij voor den geest komt, hoor ik nog
duidelijk de lieve stem en zie ik nog het vriendelijke gelaat van mijne
moeder. De ernstige lessen, welke later volgden, hebben daarentegen
geen andere herinnering achtergelaten dan die van eene dagelijks
terugkeerende marteling en kwelling. Ze waren lang, talrijk en
moeilijk—somtijds zelfs geheel onbegrijpelijk en ik geloof dat mijne
moeder er even hard onder leed als ik zelf.

Laat ik eens verhalen hoe het bij deze lessen toeging en mij daartoe
een morgen in het geheugen roepen.

Ik kom na het ontbijt met mijne boeken en mijne lei in de huiskamer.
Mijne moeder zit gereed aan haar lessenaartje, maar mijnheer Murdstone
zit ook op mij te wachten in zijn leunstoel bij het venster—al doet
hij of hij leest—en juffrouw Murdstone zit stalen kralen te rijgen,
maar wacht ook op mij. Alleen reeds de aanwezigheid van deze twee heeft
zulk een invloed op mij, dat ik de woordjes, die ik met ontzaglijk
veel moeite in mijn hoofd heb gekregen, voel wegglijden, ik weet niet
waarheen. Ik zou werkelijk wel eens willen weten waar ze bleven—dit
tusschen haakjes. Ik overhandig mijne moeder het eerste boek. Ik weet
niet wat het is: taalkunde, geschiedenis of aardrijkskunde. Ik werp een
laatsten, wanhopenden blik op de pagina, die ik haar aanwijs, en begin
hardop met vervaarlijke snelheid, want het zit er nog versch in. Ik
struikel over een woord. Mijnheer Murdstone kijkt op. Nogmaals struikel
ik over een woord. Juffrouw Murdstone kijkt op. Ik krijg een kleur, ik
struikel over een half dozijn woorden, ik houd op. Als mijne moeder
gedurfd had, zou zij mij het boek hebben voorgehouden, maar zij durft
niet en zegt zachtjes: „O, David, David!”

„Nu, Clara,” zegt mijnheer Murdstone, „flink zijn, als ik u verzoeken
mag. Nu niet zeggen: ‚O, David, David!’ Dat is kinderachtig. Hij kent
zijn les of hij kent zijne les niet.”

„Hij kent zijn les niet,” valt juffrouw Murdstone in met haar
ontzagverwekkend stemgeluid.

„Ik ben waarlijk ook bang dat hij zijn les niet kent,” zegt mijne
moeder.

„Dan, Clara,” herneemt juffrouw Murdstone, „moest gij hem het boek
teruggeven en hem de les laten leeren.”

„Ja zeker,” zegt mijne moeder, „dat ben ik ook voornemens, lieve Jane.
Nu, David, beproef het nog eens, wees nu niet dom.”

Ik gehoorzaam aan het eerste gedeelte van het bevel en beproef het
nog eens, maar met het tweede gedeelte wil het niet lukken—ik ben
dommer dan dom. Ik blijf al steken, eer ik aan de vorige plaats ben
gekomen, bij een woord, dat ik zooeven nog goed kende, en houd op
om na te denken. Maar ik kan niet denken, ten minste niet over het
onderwerp van de les. Ik peins over het aantal ellen lint, dat aan
de muts van juffrouw Murdstone zou besteed zijn, aan den prijs van
mijnheer Murdstone's ochtendjas en aan allerlei dwaze dingen, die mij
niets aangaan en waarmede ik niets te maken wil hebben. Volgt eene
ongeduldige beweging van mijnheer Murdstone, die ik al lang verwacht
heb. Hetzelfde doet zich bij juffrouw Murdstone voor. Mijne moeder
kijkt beiden onderdanig aan, doet het boek dicht en legt het weg.
Dit is een les om in te halen, wanneer het overige van mijne taak is
afgedaan. Al heel spoedig ligt er een geheele stapel boeken naast mijne
moeder; het aantal in te halen lessen groeit aan als een rollende
sneeuwbal. Hoe grooter de stapel, hoe botter ik word. De zaak wordt
hopeloos; ik begin niets dan wartaal te spreken en geef elk denkbeeld
om er mij uit te redden op. Ik wacht geduldig mijn lot af. De blikken,
die mijne moeder en ik wisselen, terwijl ik meer en meer in de war
raak, zijn waarlijk wanhopend. Maar het allerergste in die ellendige
lessen is, wanneer mijne moeder, meenende dat niemand op haar let, mij
tracht te helpen door eene beweging met de lippen. Op dat oogenblik
zegt juffrouw Murdstone, die reeds van den aanvang af daarop geloerd
heeft, op waarschuwenden toon: „Clara!”

Mijne moeder schrikt, bloost en glimlacht even.

Mijnheer Murdstone staat van zijn stoel op, neemt het boek, smijt het
mij voor de voeten of slaat er mij mee om de ooren en zet mij bij een
arm de kamer uit.

Nu komt echter nog het ergste aan in den vorm van eene vreeselijke
som, door mijnheer Murdstone voor mij bedacht. Hij geeft mij die
zelf op: „Als ik naar een kaaskooper ga en vijfduizend dubbele
Gloucester-kazen koop voor vier en een halven stuiver het stuk,
tegen contante betaling... enz.” Juffrouw Murdstone zit heimelijk te
grinneken van genot.—Zonder er iets van te begrijpen of eenig licht
te krijgen, zit ik op die kazen te turen tot etenstijd; ik ben dan
nagenoeg in een Mulat veranderd door al het vuil van mijne lei in de
poriën van mijne huid te wrijven, krijg een snee brood om bij de kazen
te verorberen en blijf het verdere gedeelte van den dag in ongenade.
Nu er zooveel tijd sinds die ongelukkige lessen verloopen is, komt
het mij voor dat ze gewoonlijk dezen loop namen. Ik zou ze wel gekend
hebben als de Murdstones er maar niet bij tegenwoordig waren geweest,
maar hun invloed op mij was ongeveer gelijk aan dien van twee slangen
op een jong vogeltje. Zij betooverden mij. Zelfs wanneer ik het er
eens tamelijk afbracht, had ik niets gewonnen dan een maal eten;
want juffrouw Murdstone kon mij niet ledig zien zitten en wanneer ik
ongelukkig toonde dat ik niets te doen had, vestigde zij terstond
de aandacht van haar broeder op mij door te zeggen: „Clara, lieve,
er is niets zoo goed als bezigheid.... geef uw jongen wat te doen.”
Deze woorden misten nooit hunne uitwerking; ik kreeg dan onmiddellijk
eene nieuwe taak. Spelen met kinderen van mijn leeftijd was mij zoo
goed als ontzegd, want de Murdstones beschouwden alle kinderen als
adderengebroedsel—toch was Jezus ook eens een kind—en hielden vol dat
zij elkander maar bedierven.

Het natuurlijke gevolg van deze wijze van opvoeden, die, als ik mij
goed herinner, zes maanden of langer werd volgehouden, was dat ik
traag, dom en weerspannig werd. Niet het minst werd ik dat, omdat men
mij stelselmatig vervreemdde van mijne moeder. Eéne omstandigheid
echter bewaarde mij er voor dat ik geheel versufte. Het was de
volgende: Mijn vader had eene kleine collectie boeken nagelaten, die
in een opkamertje werden bewaard, dat aan het mijne grensde en waarin
nooit iemand kwam. Uit dit gezegende kleine kamertje kwamen Roderick
Random, Peregrine Pickle, Humphrey Clinker, Tom Jones, The Vicar of
Wakefield, Don Quichote, Gil Blas en Robinson Crusoë mij gezelschap
houden en waren hartelijk welkome gasten. Zij hielden mijne verbeelding
levendig en voedden mijne hoop, dat er buiten Blunderstone en na den
tijd, dien ik toen doorleefde, wel iets beters zou opdagen—zij en de
Arabische Nachtvertellingen—kwaad kon ik er niet uit leeren, want het
kwaad, dat uit enkele van de genoemde werken te leeren valt, kende ik
niet. Het verbaast mij nu hoe ik den tijd vond om, terwijl ik mij bijna
stompzinnig peinsde over de moeielijkste thema's en sommen, al deze
boeken te lezen. Het verbaast mij nu hoe ik mij over mijn onbeteekenend
leed—voor mij toen echter groot leed—heb kunnen troosten door de
meest geliefkoosde personen in mijne plaats te stellen, zooals ik
deed, en mijnheer en juffrouw Murdstone voor de slechte karakters te
laten optreden—zooals ik ook deed. Ik ben een week lang Tom Jones
geweest—een kinderlijke Tom Jones, een onschuldig schepsel. Ik geloof
waarlijk dat ik mij zelven een maand lang voor Roderick Random heb
aangezien. De grootste aantrekkelijkheid op de boekenplank waren eenige
deelen reisbeschrijvingen van—de naam is mij ontschoten; ik herinner
mij nu, dagen achtereen in dat gedeelte van het huis, waarin ik mij
vrij mocht bewegen, te hebben rondgeloopen met het middenstuk van een
ouden laarzentrekker—een voorstelling gevende van kapitein Dinges
van de Koninklijke Marine, door wilden aangevallen en vastbesloten
zijn leven duur te verkoopen. De kapitein verloor niets van zijne
waardigheid, al kreeg hij met een Latijnsche spraakkunst om de ooren;
toch bleef hij een held, ten spijt van alle spraakkunsten, van alle
talen der wereld, zoo doode als levende.

Dit was mijn eenige en mijn voortdurende troost. Wanneer ik daaraan
denk, komt mij altijd het tooneel voor de oogen van een zomeravond,
terwijl de buurjongens op het kerkhof speelden en ik in mijn bed
zat te lezen of het leven er van afhing. Elke schuur in den omtrek,
elke steen van de kerk, elke voetstap op het kerkhof stond in mijne
verbeelding in betrekking tot mijn boek en stelde de eene of andere
plaats daarin voor, die bijzonder mijne aandacht trok. Ik heb Tom Pipes
op den kerktoren zien klimmen; ik heb Strap met den knapzak op den rug
tegen het tuinhek zien uitrusten en ik weet dat Commodore Trunnion
zijne samenkomsten met mijnheer Pickle in het kleine kamertje van de
dorpsherberg hield.

De lezer zal dus wel begrijpen wat ik was, toen ik aan dat punt van de
geschiedenis mijner jeugd was genaderd, waarop ik nu ben teruggekomen.

Op zekeren morgen, toen ik met mijne boeken de huiskamer binnentrad,
zat mijne moeder erg angstig te kijken; juffrouw Murdstone keek „flink”
en mijnheer Murdstone was bezig iets aan het eind van een wandelstok te
binden—een taaien, buigzamen, rieten wandelstok; toen ik binnen was,
hield hij op met binden en zwaaide en sloeg er eenige malen mede in de
lucht.

„Ik verzeker u, Clara,” zei mijnheer Murdstone, „dat ik zelf ook
dikwijls een pak slaag heb gehad.”

„Dat spreekt van zelf,” zei juffrouw Murdstone.

„Zeker, lieve Jane,” stotterde mijne moeder. „Maar.... maar meent gij
dat het Edward goed heeft gedaan?”

„Meent gij dat het Edward kwaad heeft gedaan, Clara?” vroeg mijnheer
Murdstone op ernstigen toon.

„Dat is de zaak!” voegde zijne zuster er bij, waarop mijne moeder
antwoordde: „Zeker, lieve Jane,” en verder zweeg.

Ik werd beducht dat ik persoonlijk in dat gesprek betrokken was, en
hield mijnheer Murdstone voortdurend in het oog, terwijl hij mij
aankeek.

„Nu, David,” zei hij—en toen hij dit zeide, zag ik weder dat hij
loensch was, „gij moet vandaag beter opletten dan gewoonlijk.” Hij
begon weder met den stok te slaan en te zwaaien en toen hij daarmede
gereed was, legde hij dien met een veelbeteekenenden blik naast zich
neder en nam zijn boek op.

Dit alles was zeer geschikt om mijn geest op te frisschen eer ik begon.
Ik voelde de woorden wegglijden, niet woord voor woord of regel voor
regel, maar bij geheele bladzijden tegelijk. Ik trachtte ze vast te
houden, maar het scheen wel, als ik het zoo eens mag uitdrukken, dat ze
schaatsen hadden ondergebonden, zoo geleidelijk zweefden ze van mij weg.

Het begin was slecht en het ging hoe langer hoe slechter. Ik was
binnengekomen, denkende dien morgen eens te zullen uitmunten, want ik
had hard geleerd; maar ik had mij schromelijk vergist. Boek na boek
werd bij de in te halen lessen gelegd, terwijl juffrouw Murdstone
voortdurend een oog in het zeil hield. En toen wij eindelijk tot de
vijfduizend kazen genaderd waren—als ik mij goed herinner noemde hij
ze dien morgen stokken—barstte mijne moeder in tranen uit.

„Clara!” zei juffrouw Murdstone met hare harde stem.

„Ik geloof dat ik niet heel wel ben, lieve Jane”, zei mijne moeder.

Ik zag hem zijne zuster een plechtigen wenk geven, terwijl hij opstond,
den stok opnam en zeide:

„Nietwaar, Jane, wij kunnen niet verwachten dat Clara nu reeds
opgewassen zal zijn tegen al het verdriet, dat David haar dagelijks
veroorzaakt. Zij zou dan ongevoelig moeten zijn. Clara wordt veel
flinker en standvastiger, maar zooveel vooruitgang kunnen wij nog niet
van haar verwachten. Wij zullen eens samen naar boven gaan, David:
Kom, jongen.”

Toen hij mij medenam naar de deur, liep mijne moeder op ons toe; maar
juffrouw Murdstone riep: „Zijt gij krankzinnig geworden, Clara?” en
kwam tusschen beide. Ik zag nog dat mijne moeder de ooren dichtstopte
en ik hoorde haar schreien.

Hij bracht mij naar mijn kamertje, langzaam en plechtig—ik ben
overtuigd dat hij behagen schiep in deze vertooning van eene
strafoefening—en toen wij daar waren aangekomen, nam hij plotseling
mijn hoofd onder zijn arm.

„Mijnheer Murdstone, Mijnheer!” riep ik. „Doe het toch niet! Ik smeek
u, sla mij niet! Ik heb werkelijk mijn best gedaan, mijnheer, maar ik
kan mijn lessen niet opzeggen, wanneer gij en juffrouw Murdstone er bij
zijn! Ik kan het werkelijk niet!”

„Kunt gij dat niet, David?” zei hij. „Dat zullen we eens beproeven.”

Hij had mijn hoofd als in een schroef, maar ik slaagde er in eenigszins
rond te draaien, waardoor ik hem gedurende een oogenblik belette te
slaan en hem nogmaals smeekte het niet te doen. Het was echter slechts
uitstel, want onmiddellijk daarop gaf hij mij een paar hevige slagen;
maar te gelijkertijd greep ik met mijne tanden de hand, waarmede hij
mij vasthield en beet door. Wanneer ik er aan denk, knars ik nog
onwillekeurig op mijn tanden.

Hij sloeg mij toen zoo hevig, alsof hij mij wilde doodslaan. Boven
al het rumoer, dat wij maakten, uit, hoorde ik menschen de trap
opkomen en schreeuwen... ik hoorde mijne moeder om hulp roepen... en
Peggotty... Toen ging hij heen en sloot de deur van buiten af; en ik
lag koortsachtig gloeiend, met gescheurde kleeren, razend van pijn en
woede op den grond.

Hoe goed herinner ik mij nog de stilte, die er in het geheele huis
heerschte, toen ik wat tot bedaren was gekomen. Zulk eene onnatuurlijke
stilte! Hoe goed herinner ik mij nog, toen de pijn en de woede wat
gestild waren, hoe schuldig ik mij voelde! Langen tijd zat ik te
luisteren, maar geen geluid drong tot mij door. Ik kroop van den
grond op en bekeek mijn gezicht in den spiegel; het was zoo rood en
opgezwollen en misvormd, dat ik er van ontstelde. Mijn geheele lichaam
deed mij zeer en bij elke beweging had ik het wel kunnen uitschreeuwen;
maar al die pijnen beteekenden niets bij het besef van schuld, dat mij
drukte. Ik durf verklaren dat het mij zoo zwaar drukte, alsof ik de
afschuwelijkste misdaad had begaan.

Het begon duister te worden en ik had het venster gesloten—ik had
gedurende het grootste gedeelte van den tijd met het hoofd op de
vensterbank gelegen, nu eens schreiende, dan weder onrustig sluimerend
of lusteloos voor mij uit starend—toen de sleutel werd omgedraaid,
de deur geopend werd en juffrouw Murdstone binnentrad met wat brood,
vleesch en melk. Zij zette alles zonder een woord te spreken op de
tafel; staarde mij te gelijkertijd aan met voorbeeldelooze flinkheid,
ging toen heen en deed de deur achter zich op slot.

Het was reeds volslagen duister toen ik daar nog zat, nieuwsgierig of
er nog iemand komen zou. Toen mij dit voor dien avond onwaarschijnlijk
voorkwam, kleedde ik mij uit en ging naar bed; nu begon mij de angst
te bekruipen. Wat zou er met mij gedaan worden? Was hetgeen ik gedaan
had eene misdaad? Zou ik in hechtenis genomen en in de gevangenis gezet
worden? Zouden zij mij misschien ophangen?

Het ontwaken van den volgenden morgen zal ik nimmer vergeten; eerst dat
gevoel van verkwikking en toen..... het looden gewicht van de misdaad,
dat mij drukte. Juffrouw Murdstone verscheen nog eer ik uit het bed
was, vertelde mij dat ik verlof had om gedurende een half uur in den
tuin te wandelen—niet langer; waarna zij heenging en de deur open
liet, zoodat ik mij zelf helpen kon, indien ik van deze vergunning
gebruik wilde maken. Ik deed het en deed het elken morgen gedurende
mijne opsluiting, die vijf dagen duurde. Had ik mijne moeder eens
alleen kunnen spreken, ik zou op mijne knieën naar haar toegekropen
zijn om haar vergiffenis te smeeken; maar behalve juffrouw Murdstone
sprak ik gedurende dien ganschen langen tijd niemand. Des avonds werd
ik door haar naar de huiskamer gebracht om het gebed bij te wonen;
ik kwam dan wanneer allen reeds hunne plaatsen hadden ingenomen en
moest, als een kleine uitgeworpene, bij de deur blijven staan, en mijne
cipierster geleidde mij met de grootste plechtigheid naar mijne kamer
terug, nog eer iemand uit zijne deemoedige houding was opgestaan. Ik
merkte alleen op dat mijne moeder zoo ver mogelijk van mij af zat en
een anderen kant uitkeek, zoodat ik haar niet te zien kreeg, en dat
mijnheer Murdstone zijne hand in een doek droeg.

Ik kan niemand een denkbeeld geven van den ontzettend langen duur dezer
twee dagen. In mijne herinnering beslaan zij even zoo vele jaren.
De wijze, waarop ik luisterde naar al hetgeen in huis voorviel en
hoorbaar voor mij was: naar het overgaan van de huisschel, het openen
en sluiten van deuren, het gonzen van stemmen, naar de voetstappen op
de trap; naar het lachen, fluiten en zingen buiten, dat mij in mijne
eenzaamheid en mijne schande onaangenamer aandeed dan eenig ander
geluid; de onbekendheid met den tijd, hoofdzakelijk des avonds, wanneer
ik meende dat het reeds morgen was en aan de geluiden in huis hoorde,
dat de familie nog niet naar bed was en de lange, lange nacht dus nog
moest beginnen; de onrustige droomen en nachtmerries, de terugkeer van
den dag, den middag, den achtermiddag en den avond, wanneer de jongens
op het kerkhof speelden en ik hen uit mijn venster gadesloeg, zorg
dragende mij niet te vertoonen, opdat zij niet zouden weten dat ik een
gevangene was; de vreemde gewaarwording dat ik mijn eigen stem nooit
hoorde; de vluchtige tusschenpoozen van iets, dat naar opgeruimdheid
leek—steeds samenhangende met eten en drinken—; het langzame opkomen
van een regenbui op zekeren avond en de daarmede gepaard gaande
frissche lucht.... dat alles schijnt jaren in plaats van dagen te
zijn voortgegaan, zoo levendig is het mij bijgebleven.

Den laatsten avond van mijne opsluiting werd ik wakker bij het hooren
van mijn naam, die fluisterend uitgesproken werd. Ik rees overeind in
mijn bed, stak in de duisternis mijne armen uit en vroeg:

„Zijt gij daar, Peggotty?”

Ik kreeg niet onmiddellijk antwoord, maar weldra hoorde ik mijn naam
opnieuw, doch op zulk een geheimzinnigen, akeligen toon, dat ik zeker
een stuip zou hebben gekregen van angst, als mij niet was ingevallen
dat het door het sleutelgat moest zijn gekomen.

Ik kroop naar de deur en mijne lippen voor het sleutelgat plaatsend,
fluisterde ik: „Zijt gij daar, lieve Peggotty?”

„Ja, beste David, ik ben het,” antwoordde zij. „Wees zoo stil als een
muis, anders hoort ‚de kat’ ons.”

Ik begreep, dat zij juffrouw Murdstone bedoelde en was erg verlegen met
het geval, want hare kamer was vlak bij de mijne.

„Hoe maakt mama het, lieve Peggotty? Is zij erg boos op mij?”

Ik hoorde Peggotty schreien aan gene zijde van het sleutelgat, terwijl
ik het aan deze zijde deed. „Neen, niet erg,” antwoordde zij eindelijk.

„Wat zal er met mij gebeuren, Peggotty? Weet gij het?”

„Naar school... dicht bij Londen,” was Peggotty's antwoord. Ik was
genoodzaakt haar te verzoeken het te herhalen, want de eerste keer
had ik vergeten mijn mond van het sleutelgat weg te nemen, zoodat de
woorden in mijne keel terecht kwamen in plaats van in mijn oor; ik
voelde ze wel kriewelen, maar ik verstond ze niet.

„Wanneer, Peggotty?”

„Morgen.”

„Is dat de reden waarom juffrouw Murdstone mijne kleederen uit de
latafel kwam halen?” Zij had dat gedaan, al heb ik vergeten het neer te
schrijven.

„Ja,” zei Peggotty. „Koffer pakken.”

„Zal ik mama niet zien?”

„Ja, morgen.”

Daarna bracht Peggotty haar mond zoo dicht mogelijk tegen het
sleutelgat en sprak er de volgende woorden door, met zooveel innig
gevoel en ernst, als ooit woorden hun weg door een sleutelgat gevonden
hebben—daarvan ben ik overtuigd. De zinnen, telkens afgebroken door
krampachtige uitbarstingen van droefheid, werden er als het ware
doorheen gestooten.

„Als ik niet zooveel voor u... kon zijn als vroeger... lieve David...
was dit niet omdat ik.... ik u niet liefhad.... hoor. Ik heb u nog net
zoo lief.... als vroeger, mijn beste jongen.... Ik dacht dat het beter
voor u was.... en voor nog iemand anders ook.... Davy, beste jongen....
luistert gij wel?.... Kunt gij mij verstaan?”

„Ja-a-a-a, Peggotty,” antwoordde ik snikkend.

„Lieveling!” zei Peggotty op een toon, die innig medelijden verried.
„Wat ik u nog wilde zeggen is.... dat gij mij niet moogt vergeten....
Want ik zal u ook nooit vergeten.... En ik zal voor mama zoo goed
zorgen.... als ik kan, hoor, Davy.... Even goed als ik altijd voor
u gezorgd heb.... Ik zal haar niet verlaten.... Er zal wel eens een
dag komen.... dat zij blijde zijn zal.... het afgetobde hoofd..... te
kunnen neerleggen.... op den arm van de domme, oude Peggotty..... Ik
zal u schrijven, hoor.... beste.... al zal 't niet mooi zijn..... En ik
zal.... ik zal....” Peggotty kuste het sleutelgat omdat zij mij niet
kon kussen.

„Dank u, lieve Peggotty, dank u!” zei ik. „Dank u... Wilt gij mij één
ding beloven, Peggotty?... Wilt gij aan baas Peggotty en aan kleine
Emily en aan juffrouw Gummidge en aan Ham schrijven, dat ik niet
zoo slecht ben als zij misschien denken?... En dat ik hen nooit zal
vergeten... vooral kleine Emily niet.... Wilt gij hun dat schrijven,
lieve Peggotty?”

De goede ziel beloofde het en wij kusten beiden het sleutelgat met de
grootste teederheid. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ik er met de
hand over streek, alsof ik werkelijk haar eerlijk gezicht voelde. Van
dien avond af ontwikkelde zich in mijn hart voor Peggotty een gevoel,
dat ik niet onder woorden kan brengen. Zij vervulde niet de plaats van
mijne moeder; dat kon niemand doen; maar zij vulde eene ledige plaats
in mijn hart, eene plaats, waarin zij alleen haar zetel opsloeg, zoodat
ik voor haar voelde, wat ik voor geen ander menschelijk wezen ooit
gevoeld heb. Deze genegenheid had ook iets kluchtigs en toch, als zij
gestorven was, kan ik mij niet voorstellen wat ik zou gedaan hebben of
hoe ik uiting zou hebben gegeven aan mijne droefheid—want bedroefd zou
ik zeker zijn geweest.

Den volgenden morgen verscheen juffrouw Murdstone zoo als gewoonlijk
en vertelde mij dat ik naar eene kostschool zou worden gezonden; dit
was echter niet zulk groot nieuws voor mij als zij onderstelde. Zij
deelde mij mede dat ik, als ik aangekleed was, beneden in de huiskamer
mocht komen om te ontbijten. Daar vond ik mijne moeder, bleek en met
rood geschreide oogen; ik wierp mij in hare armen en smeekte haar mij
vergiffenis te schenken.

„O, David,” sprak zij, „hoe is het mogelijk dat gij iemand, dien ik
lief heb, zoo hebt kunnen behandelen? Doe uw best om een brave jongen
te worden, bid onzen lieven Heer daarom! Ik vergeef het u, maar het
spijt mij zoo dat er zulke booze hartstochten wonen in uw hart!”

Zij hadden haar opgedrongen dat ik een ondeugende jongen was en dat
veroorzaakte haar meer verdriet dan mijn heengaan. Ik voelde dit en
het bedroefde mij. Ik deed mijn best om mijn boterham naar binnen te
krijgen, maar de tranen droppelden op het brood en in de thee. Ik zag
dat mijne moeder nu eens naar mij dan weder naar de loerende juffrouw
Murdstone keek, om oogenblikkelijk daarna de oogen neer te slaan of
naar buiten te zien.

„Is de koffer van den jongeheer Copperfield daar?” vroeg juffrouw
Murdstone, toen zij paardengetrappel hoorde.

Ik keek uit naar Peggotty, maar noch zij noch mijnheer Murdstone
verscheen. Mijn kennis van voorheen, de voerman, stond bij de deur en
bracht mijn koffer naar de kar.

„Clara!” sprak juffrouw Murdstone met haar scherpe stem.

„Wij zijn gereed, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder.

„Dag, David. Gij gaat heen omdat het voor uw bestwil is. Dag, mijn
kind. Met de vacantie komt gij thuis en dan zijt gij zeker een betere
jongen geworden.”

„Clara!” herhaalde juffrouw Murdstone.

„Zeker, lieve Jane,” gaf mijne moeder ten antwoord, terwijl zij mij
omhelsde. „Ik vergeef het u, mijn jongen. God zegene u.”

„Clara!” klonk het ten derde male.

Juffrouw Murdstone had de goedheid mij naar de kar te brengen en op weg
daarheen te zeggen dat zij hoopte dat ik zou inkeeren tot berouw, want
dat het anders zeker slecht met mij zou afloopen. Daarna klom ik op de
kar, en het luie paard trok mij voort naar mijne nieuwe bestemming.



V.

Verbannen.


Wij hadden ongeveer eene halve mijl afgelegd en mijn zakdoek was
doornat, toen de kar plotseling bleef staan. Toen ik uitkeek naar
de aanleiding tot dit oponthoud, zag ik tot mijne groote verbazing
Peggotty door een heg kruipen en in de kar klimmen. Zij nam mij in
hare armen en drukte mij zoo stijf tegen haar korset, dat mijn neus
voor een oogenblik ophield een vooruitstekend lichaamsdeel te zijn; ik
dacht echter niet aan pijn voor langen tijd daarna. Peggotty sprak geen
woord. Zij liet een harer armen los en stak dien tot aan den elleboog
in haar zak, haalde er een papier uit met koekjes en stopte dat in
mijn zak, benevens een beurs, die zij mij in de hand duwde, zonder een
woord te spreken. Na mij nogmaals en nogmaals omhelsd te hebben, liet
zij zich van de kar afglijden en liep weg zoo hard zij kon; ik geloofde
toen en ik geloof het nog, dat zij op dat oogenblik geen enkel knoopje
meer rijk was aan hare japon. Ik raapte er een op—naast de kar lagen
er verscheidene—en bewaarde het als een aandenken, jaren en jaren
achtereen.

De voerman keek mij aan alsof hij van mij wilde weten of zij nog
terugkwam. Ik schudde het hoofd en zei „neen.” „Vooruit dan,” zei de
voerman tegen zijn dommelig paard, dat op die aanmaning ook werkelijk
vooruitging.

Aangezien ik nu zooveel geschreid had als mij eenigszins mogelijk
was, begon ik te begrijpen dat het tot niets diende om nog langer te
schreien, te meer wijl noch Roderick Random, noch die kapitein van de
Koninklijke Marine, voor zoo ver ik mij herinnerde, ooit geschreid
hadden in kritieke gevallen. De voerman scheen te begrijpen welk
besluit ik genomen had, en stelde voor mijn zakdoek over den rug van
het paard uit te spreiden om te drogen. Ik nam dat voorstel dankbaar
aan en o, wat leek die zakdoek klein, toen hij daar op dien breeden rug
lag.

Ik had nu tijd genoeg om de beurs te bekijken. Het was een stijf
lederen beursje met een knip en bevatte twee blanke shillingen, die
Peggotty blijkbaar met krijt had opgepoetst, om mij genoegen te doen.
Maar het kostbaarste van den inhoud waren twee halve kronen in een
papiertje, waarop mijne moeder zelve geschreven had: „Voor David, voor
mijn lieveling.” Ik was zoo ontroerd toen ik deze woorden las, dat ik
den voerman verzocht mij den zakdoek eens aan te reiken; hij meende
echter dat ik het maar zonder zakdoek doen moest, en ik meende dat hij
gelijk had, waarom ik mijne oogen met de mouw van mijn buis afveegde en
verder mijne tranen binnenhield. En—voor goed; hoewel de aandoening
van het laatste uur mij nu en dan nog wel eens een diepen snik
afperste. Nadat wij zoo eenigen tijd zwijgend waren voortgesukkeld,
vroeg ik den voerman of hij mij heelemaal wegbracht.

„Wat is heelemaal?” vroeg de voerman.

„Tot ‚daar’,” zei ik.

„Waar is ‚daar’?” vroeg hij.

„Dicht bij Londen,” zei ik.

„Wel, het paard,” antwoordde de voerman, terwijl hij de teugels aantrok
om aan te geven welk paard hij bedoelde, „zou het afgelegd hebben eer
wij half weg waren.”

„Gaat gij dan niet verder dan Yarmouth?” vroeg ik.

„Ja, tot Yarmouth,” antwoordde de voerman, „en daar breng ik u op den
omnibus en de omnibus brengt u waar gij wezen moet.”

Aangezien zulk een lang antwoord voor Barkis—zoo heette de
voerman—een heel ding was—hij scheen mij bijzonder leuk toe en een
vijand van praten—bood ik hem als blijk van erkentelijkheid een koekje
aan, dat hij in eens in den mond stak, evenals een oliphant, en dat
niet meer invloed op zijn dik gezicht had dan het bij een oliphant zou
gehad hebben.

„Heeft zij die gebakken, zeg?” vroeg Barkis, zonder uit zijne voorover
hangende houding op te staan of den arm van zijn knie af te nemen.

„Meent gij Peggotty, mijnheer Barkis?”

„Ja,” antwoordde Barkis, „ik meen haar.”

„Zij bakt en kookt alles bij ons.”

„Doet zij dat werkelijk?” vroeg Barkis. Daarna spitste hij de lippen
alsof hij wilde fluiten, maar hij floot niet. Hij staarde tusschen de
ooren van het paard door, alsof hij daar iets bijzonders zag, en bleef
zoo langen tijd zitten. Eindelijk vroeg hij: „Geen kapers?”

„Wat zegt gij, mijnheer Barkis?” Ik meende dat hij daarmede de eene
of andere eetwaar bedoelde, omdat wij het laatst over bakken hadden
gesproken.

„Een vrijer,” zei Barkis. „Heeft zij niemand om mede uit te gaan?”

„Peggotty?”

„Zij, ja.”

„O neen, zij heeft nooit een vrijer gehad.”

„Zoo, heeft zij er geen gehad?”

Weder spitste hij de lippen alsof hij wilde fluiten en floot niet, maar
keek tusschen de ooren van het paard door.

„Dus,” begon hij weder, „zij bakt al de appeltaarten en kookt alles
zelve?”

Ik herhaalde dat zij dit werkelijk deed.

„Dan zal ik u eens wat vertellen,” zei Barkis. „Misschien schrijft gij
haar wel eens?”

„Zeker zal ik haar schrijven,” antwoordde ik.

„Zoo!” zei hij, het hoofd langzaam naar mij omwendende. „Wanneer gij
haar schrijft, moet gij niet vergeten te schrijven, dat Barkis wel wil,
zult gij?”

„Dat Barkis wel wil,” herhaalde ik in mijn onschuld. „Is dat de geheele
boodschap?”

„Ja-a,” zei hij peinzend. „Ja-a, Barkis wil wel.”

„Maar gij komt morgen in Blunderstone terug, mijnheer Barkis,” zei ik,
een weinig stotterend bij de gedachte dat ik dan ver weg zou zijn, „gij
zoudt uw boodschap veel spoediger zelf kunnen overbrengen.”

Deze raad werd met een ongeduldig hoofdschudden beantwoord en nogmaals
herhaalde hij zijn verzoek door op plechtigen toon te zeggen: „Barkis
wil wel. Dat is de boodschap,” zoodat ik de opdracht bereidwillig
overnam. Toen ik dien zelfden namiddag in het logement op den omnibus
zat te wachten, verzocht ik papier, inkt en pen en schreef het
navolgende aan Peggotty: „Lieve Peggotty. Ik ben hier gezond en wel
aangekomen. Barkis wil wel. Dag, lieve mama. Uw liefhebbende David.
P.S. Barkis zegt dat gij bepaald weten moet, dat hij wel wil.”

Toen ik deze boodschap op mij genomen had, verviel Barkis weder in zijn
vorig gepeins; terwijl ik uitgeput van vermoeienis en aandoening, na
alles wat in de laatste dagen was voorgevallen, op een zak in slaap
viel. Ik sliep door tot wij Yarmouth binnenreden; het pleintje voor
de herberg, waar wij stilhielden, en alles om mij heen was zoo nieuw
voor mij, dat ik de flauwe hoop om iemand van Peggotty's familie te
ontmoeten—wie weet, kleine Emily misschien—terstond opgaf.

De omnibus stond op het binnenplein, glimmend van boven tot onder,
maar nog zonder paarden; het voertuig zag er uit, alsof er zelfs nog
nooit over gedacht was daarmede een reis naar Londen te maken. Ik stond
daarover te peinzen en was nieuwsgierig naar het lot van mijn koffer,
dien Barkis dicht bij den disselboom op het plaveisel had gezet—hij
had het pleintje omgereden, omdat hij anders niet draaien kon met zijne
kar—en ook naar hetgeen er verder met mij zelven zou gebeuren, toen er
eene juffrouw uit een uitspringend venster kwam kijken, waarin eenig
gevogelte en een paar hammen waren opgehangen. „Is u de jongeheer uit
Blunderstone?” vroeg zij.

„Ja, juffrouw,” zei ik.

„Hoe heet gij?” vroeg zij verder.

„Copperfield, juffrouw,” antwoordde ik.

„Dan heb ik den verkeerde voor,” hernam de juffrouw, „er is hier voor
iemand van dien naam geen middagmaal besteld.”

„Is het misschien Murdstone, juffrouw?”

„Zoo gij de jongeheer Murdstone zijt, waarom geeft gij dan eerst een
anderen naam op?”

Ik gaf de dame eene verklaring van het geval en onmiddellijk daarop
trok zij aan een schel en riep: „William, wijs de koffiekamer!” waarop
uit een keuken aan den tegenovergestelden kant van het pleintje een
knecht kwam aanloopen, die erg verwonderd scheen dat hij de koffiekamer
alleen aan mij moest wijzen.

De koffiekamer was een lang, ruim vertrek, waarin eenige groote
landkaarten hingen. Ik weet niet of ik mij wel eenzamer had kunnen
voelen, als ik werkelijk op eens in de vreemde landen geplaatst was,
welke deze kaarten voorstelden. Ik had een gevoel of ik erg vrijpostig
was, toen ik de vrijheid nam, om met mijn pet in de hand op een punt
van een stoel te gaan zitten, vlak bij de deur; en toen diezelfde
knecht een servet voor mij uitspreidde en een bord, mes, vork en wat
daar verder bij behoorde voor mij gereed zette, zal ik hem zeker erg
verlegen en met een kleur als vuur hebben aangekeken. Hij bracht mij
daarna een paar koteletten en groenten en nam met zulk een zwaai de
deksels van de schalen, dat ik meende hem door het een of ander boos
gemaakt te hebben. Spoedig stelde hij mij echter gerust door een stoel
bij te schuiven en op vriendelijken toon mij toe te voegen: „Nu,
zesvoeter, smakelijk eten!”

Ik bedankte hem en trok den stoel wat dichter bij de tafel, maar vond
het vreeselijk moeilijk eenigszins handig met mes en vork om te gaan
en te voorkomen, dat ik mij met jus bespatte, terwijl hij tegenover
mij stond en mij strak aankeek. Telkens wanneer ik zijn blik ontmoette,
kreeg ik een hevige kleur.

Toen ik aan de tweede kotelet wilde beginnen, zei hij: „Er is een halve
pint ale voor u besteld. Wilt gij die nu hebben?”

Ik bedankte hem weder en antwoordde: „Ja,” waarop hij het uit eene kan
in een groot glas schonk en het voor het licht hield om te laten zien,
hoe helder het was.

„Wel, wel!” zei hij. „Dat is nog al wat, hé?”

„Ja, het is heel wat,” antwoordde ik glimlachend. Ik vond het heerlijk,
dat hij zoo vriendelijk voor mij was. Hij had glinsterende oogen en
een gezicht vol puisten; zijn haar was rechtop gekamd en toen hij daar
zoo met één arm in de zijde voor mij stond en de andere hand met het
bierglas in de hoogte hield, zag hij er _bijzonder_ vriendelijk uit.

„Gisteren was hier een heer,” zei hij, „een zwaarlijvig heer, Topsawyer
heette hij.... kent gij hem wellicht?”

„Neen,” antwoordde ik, „ik geloof het niet....”

„Met korte broek en slobkousen, een hoed met een breeden rand, een
grijze overjas en een gespikkelde das,” vervolgde de knecht op
vragenden toon.

„Neen,” zei ik bijna beschaamd, „ik heb niet het genoegen dien heer te
kennen.”

„Hij kwam hier binnen,” zei de knecht, terwijl hij voortdurend het glas
tegen het licht hield, „bestelde een glas van dit bier—hij _wilde_
bepaald van dit bier hebben—ik raadde het hem nog af... maar hij
_wilde_ het hebben, dronk het ledig en viel dood neer. Het was te oud
voor hem. Het moest eigenlijk niet getapt worden, dat zou beter zijn.”

Ik was diep getroffen door dit vreeselijke voorval en zeide dat ik maar
liever water wilde drinken.

„Ja, ziet gij,” ging de knecht voort, steeds door het glas naar het
licht kijkende met één oog dicht, „de kastelein is altijd boos wanneer
iets, dat besteld is, niet gebruikt wordt. Dan acht hij zich beleedigd.
Maar _ik_ zal het opdrinken, als gij 't goed vindt. Ik ben er aan
gewend... alles went. Ik geloof niet dat het mij kwaad zal doen wanneer
ik mijn hoofd goed achterover houd en het in één teug ledig. Zal ik
maar?”

Ik zei dat hij mij zeer zou verplichten als hij het deed, ten minste
als hij het zonder gevaar doen kon, anders niet. Toen hij nu het hoofd
achterover wierp en het glas in één teug ledigde, was ik, dit moet
ik bekennen, vreeselijk bang, dat hem hetzelfde lot zou treffen als
mijnheer Topsawyer, en ik hem voor mijne voeten zou zien doodvallen.
Maar het scheen hem volstrekt niet te hinderen, integendeel, hij keek
erg vroolijk.

„En wat hebben, wij daar?” vroeg hij, een vork in een der schotels
zettende. „Zijn dat koteletten?”

„Ja, koteletten,” antwoordde ik.

„Goede Hemel!” riep hij, „ik wist niet dat het koteletten waren. Een
kotelet is juist het eenige middel om de kwade gevolgen van het bier te
voorkomen. Is dat niet een gelukkig toeval?”

Zoo sprekende nam hij de kotelet van de schaal en at die tot mijne
groote vreugde met smaak op, en toen een aardappel en toen nog een
kotelet en nog een aardappel. Toen wij gedaan hadden, bracht hij mij
een pudding, en nadat hij die voor mij had neergezet, scheen hij eenige
oogenblikken in gepeins verzonken te herkauwen.

„Hoe bevalt u die pastei?” vroeg hij, uit zijn gepeins ontwakend.

„Het is een pudding,” zei ik.

„Pudding!” riep hij uit. „Hemelsche goedheid, het is pudding!
Wat.....?” Hij bekeek de schaal nauwkeuriger. „Het is een broodpudding,
is het niet?”

„Ja, waarlijk.”

„Hé, broodpudding,” vervolgde hij, een lepel opnemend, „is mijn meest
geliefkoosde pudding. Is dat geen gelukkig toeval? Kom, kleine man,
laat ons eens zien, wie er het meest van krijgt.”

Ongetwijfeld won hij deze weddenschap. Wel spoorde hij mij
herhaaldelijk aan om mij wat te reppen; maar met zijn grooten lepel
tegen mijn theelepeltje, zijne vlugheid tegen mijne onhandigheid en
zijn eetlust tegen mijn eetlust was ik bij den eersten hap reeds achter
en had ik geen kans meer om te winnen. Nooit zag ik iemand zoo smullen
en toen de geheele pudding verdwenen was, lachte hij alsof hij nog wel
trek had in een tweede.

Aangezien de man zoo vriendelijk en bereidvaardig was, trok ik de
stoute schoenen aan en vroeg hem mij papier, pen en inkt te geven, om
den brief aan Peggotty te schrijven. Hij bracht het gevraagde niet
alleen onmiddellijk, maar was wel zoo goed over mijn schouder heen te
kijken naar hetgeen ik schreef. Toen ik gereed was vroeg hij mij naar
welke school ik ging.

„Dicht bij Londen,” antwoordde ik; meer wist ik er zelf niet van.

„O, lieve goedheid!” zei hij op neerslachtigen toon, „dat spijt mij!”

„Waarom?” vroeg ik.

„O, Hemel!” zei hij hoofdschuddend, „dat is de school, waar zij
verleden een jongen twee ribben hebben stuk geslagen—een kleinen
jongen. Als ik mij niet bedrieg was hij... laat eens zien... hoe oud
zijt gij?”

Ik vertelde hem dat ik acht en een half jaar was.

„Juist, zoo oud was die jongen ook,” zei hij. „Hij was acht en een half
toen de eerste rib werd stuk geslagen en acht jaar en acht maanden toen
de tweede volgde.”

Ik kon het noch voor mij zelven noch voor den knecht ontveinzen, dat
dit eene slechte aanbeveling was en vroeg hoe het eigenlijk gebeurd
was. Zijn antwoord was niet opwekkend voor mij, want het bestond uit
slechts twee woorden: „Ransel gehad.”

Het geluid van den hoorn des conducteurs op het binnenplein was eene
gewenschte afleiding; ik stond op en vroeg met eenige aarzeling, maar
toch trotsch op het bezit van mijne beurs, die ik te voorschijn haalde,
of ik iets te betalen had.

„Eerstens een velletje postpapier,” antwoordde de knecht. „Hebt gij wel
eens meer een velletje postpapier gekocht?”

Ik kon mij niet herinneren dit ooit gedaan te hebben.

„Het is duur,” vervolgde hij, „want er is zooveel belasting op. Drie
stuivers. Zoo zwaar worden wij in dit land belast. Verder niets dan den
knecht; den inkt hebt gij voor niets. Dat is mijn zaak.”

„Wat zoudt gij.... wat zal ik.... hoeveel moet ik.... hoeveel geeft men
gewoonlijk aan den knecht?” stamelde ik met een kleur van verlegenheid.

„Had ik geen vrouw en kinderen en hadden die kinderen niet de
koepokken,” zei de knecht, „dan zou ik geen halven shilling aannemen.
Moest ik geen ouden vader en eene lieve zuster onderhouden”—de knecht
begon aangedaan te worden—„zou ik geen duit aannemen. Had ik eene
goede betrekking en werd ik hier goed behandeld, dan zou ik liever een
kleinigheid geven dan aannemen. Maar ik leef van den afval en slaap in
het kolenhok”.... plotseling barstte hij in tranen uit.

Ik was zeer getroffen door zijn verhaal en had medelijden met hem,
zoodat ik meende dat eene fooi van minder dan negen stuivers mij
ongevoelig zou doen schijnen. Ik gaf hem daarom een van de blinkende
shillings, die hij met eene nederige buiging aannam, waarna hij
onmiddellijk tusschen beide duimen beproefde of het wel een echt
muntstuk was.

Toen ik achter op den omnibus geholpen was, bleek mij, dat ik onder
verdenking lag het geheele maal zonder eenige hulp te hebben verorberd.
Ik hoorde namelijk de juffrouw uit het vooruitspringende venster den
portier toeroepen: „Pas op dien jongen, want hij zal barsten!” en ik
zag ook de meiden naar buiten komen en naar mij wijzen, terwijl zij
elkander aanstieten en begonnen te giegelen. Mijn ongelukkige vriend,
de knecht, wiens opgeruimdheid niets meer scheen te wenschen over te
laten, scheen er zich niets van aan te trekken en in de algemeene
verbazing te deelen. Indien ik eenig wantrouwen in hem heb gehad,
dan geloof ik dat het hierdoor eigenlijk pas werd opgewekt; maar ik
ben meer geneigd aan te nemen dat ik met het natuurlijk vertrouwen
van een kind op menschen van meerderen leeftijd—een eigenschap,
die kinderen, helaas, maar al te vroeg verwisselen met eene zekere
wereldwijsheid—zelfs toen nog geen oogenblik wantrouwen gekoesterd heb.

Het was intusschen wel hard voor mij dat ik tot voorwerp van spotternij
diende tusschen den voerman en den conducteur, die beweerden, dat
de omnibus van achteren veel te zwaar geladen was en ik liever met
den vrachtwagen had moeten reizen. Het verhaal van mijn geweldigen
eetlust ging ook bij de passagiers rond en men vroeg mij of er op de
school een contract was aangegaan voor twee of drie personen, of dat
ik op de gewone voorwaarden was aangenomen en zoo meer. Het ergste van
alles was echter, dat ik mij schamen moest om, wanneer de gelegenheid
zich daartoe aanbood, nog meer te eten en ik dus na een zeer schraal
middagmaal, den geheelen avond honger zou moeten lijden—want ik had
Peggotty's koekjes in het logement laten liggen. Mijne vrees werd
bewaarheid. Toen wij uitstapten om te soupeeren, had ik niet den moed
om iets te bestellen niettegenstaande ik er grooten lust in had; ik
bleef bij de kachel zitten en zei dat ik niets begeerde. Dit belette
niet dat ik nog voortdurend aan allerlei spotternijen blootstond, een
heer met een schorre stem, die gedurende de reis niets gedaan had dan
boterhammen met vleesch eten, wanneer hij niet uit een flesch dronk,
zeide dat ik veel geleek op een boa-constrictor, die nu eens voor
langen tijd genoeg nam; dezelfde heer scheen evenwel eene weddenschap
te hebben aangegaan over de hoeveelheid gekookt ossenvleesch, die hij
in den kortst mogelijken tijd kon verorberen.

Wij waren om drie uur in den namiddag van Yarmouth vertrokken en
moesten den volgenden morgen te acht uur in Londen aankomen. Het was
heerlijk zomerweder en een prachtige avond. Als wij een dorp doorreden
stelde ik mij voor hoe de huizen er van binnen zouden uitzien en wat de
bewoners wel zouden doen; en wanneer de jongens den omnibus naliepen
en zich een eind lieten voortslepen, had ik hun wel willen vragen of
hunne vaders nog leefden en of zij thuis gelukkig waren. Ik had genoeg
om over te denken en bovendien kwam telkens de vraag bij mij op naar
welke plaats ik toch eigenlijk op weg was en—dan voelde ik mijn hart
wel eens angstig kloppen. Nu en dan, dat herinner ik mij zeer goed,
dwaalden mijne gedachten af naar mijne moeder, naar het ouderlijk
huis en Peggotty en poogde ik mij te herinneren welke soort jongen ik
geweest was, eer ik mijnheer Murdstone gebeten had; ik kon het hierover
echter volstrekt niet met mij zelven eens worden en het scheen mij toe,
dat het voorval met mijn stiefvader jaren geleden had plaats gehad.

De nacht was niet zoo aangenaam als de avond, want het was koud
geworden; ik zat bovendien tusschen twee heeren—de schorre heer en een
andere—opdat ik niet uit den wagen vallen zou; maar toen zij in slaap
vielen, zakten zij tegen mij aan en over mij heen en werd ik bijna
plat gedrukt. Nu en dan smoorden zij mij bijna met hun beiden en ik
kon dan niet nalaten uit te roepen: „O, als 't u blieft!” hetgeen zij
mij nog bovendien kwalijk namen, want zij werden daardoor in hun slaap
gestoord. Tegenover mij zat een reeds bejaarde dame in een grooten
bonten mantel en zoo ingepakt, dat zij meer op een hooimijt geleek dan
op eene dame. Zij had eene mand bij zich en langen tijd niet geweten
waar zij die zou plaatsen, totdat zij, partij trekkende van mijne
kleine beenen, de mand onder mij schoof. Dit hinderde mij zoo en deed
mij zooveel pijn, dat ik het bijna niet kon uithouden; maar als ik mij
even bewoog, en een glas, dat in de mand lag, begon te rinkelen—en dat
deed het telkens—gaf zij mij een gevoeligen schop en zeide: „Zit toch
niet zoo te draaien! Zulke jonge beenen moeten daar tegen kunnen!”

Eindelijk ging de zon op en toen schenen mijne buurlieden rustiger te
slapen. De moeilijkheden waarmede zij den geheelen nacht te kampen
hadden gehad, blijkbaar uit hun geweldig snorken en snuiven, zijn
niet te beschrijven. Toen de zon hooger steeg werd hun slaap lichter
en ontwaakten zij, de een na den ander. Ik herinner mij nog mijne
verbazing toen iedereen zich hield alsof hij niet geslapen had en allen
deze beschuldiging met verontwaardiging van zich af wierpen. Deze
verbazing is tot op den huidigen dag nog niet geweken, want zonder
uitzondering heb ik opgemerkt, dat van alle menschelijke zwakheden,
die van in een rijtuig te hebben geslapen,—waarom is mij duister—het
minst gaarne en nooit ruiterlijk erkend wordt.

Welk een verbazenden indruk Londen op mij maakte, toen ik het in de
verte zag liggen; hoe ik meende dat de avonturen van al mijn helden
daar telkens en telkens weder plaats vonden, en hoe ik een vaag
vermoeden had, dat Londen meer wonderen en meer goddeloosheid in zich
verborg dan alle andere steden op den geheelen aardbodem, behoef ik
hier niet te verhalen. Wij naderden langzaam en stapten op het bepaalde
uur aan de herberg in Whitechapel af, de plaats van bestemming. Ik heb
vergeten of het „de Blauwe Stier” of „de Blauwe Beer” was, maar ik weet
zeker dat het Blauw was en dat er eene afbeelding van geschilderd was
op den omnibus.

De conducteur hield het oog op mij gevestigd, toen hij aan de deur van
het kantoor riep: „Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in
het boek staat onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, en
zal afgehaald worden?”

Geen antwoord.

„Och, beproef het eens met den naam Copperfield, mijnheer,” vroeg ik,
hulpeloos rondkijkende.

„Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in het boek staat
onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, maar dat beweert
Copperfield te heeten en afgehaald zou worden?” vroeg hij nogmaals.
„Kom.... is er niemand?”

Neen. Er was niemand. Ik keek angstig rond; maar de vraag maakte op
geen der omstanders eenigen indruk, dan op een man met slobkousen aan
en met slechts één oog, die den raad gaf, dat men mij maar met een
koperen halsband om in den stal moest vastleggen tot er iemand kwam om
mij te halen.

Er werd een ladder tegen den omnibus geplaatst, maar ik durfde niet
opstaan vóór de dame, die zoo op een hooimijt leek, haar mand had
weggenomen. Eindelijk was de omnibus ledig en ook de bagage afgeladen;
de paarden waren reeds afgespannen en naar den stal gebracht en nu werd
ook de omnibus door een paar stalknechts uit den weg gezet.

Nog altijd was er echter niemand om dien zekeren jongen van
Blunderstone, Suffolk, op te eischen.

Eenzamer nog dan Robinson Crusoë, die ten minste door niemand bekeken
werd, zoodat niemand zag, hoe eenzaam hij daar stond, ging ik naar het
kantoor en, op uitnoodiging van een der klerken, achter de toonbank op
de weegschaal zitten. Terwijl ik daar naar de balen, zakken en boeken
zat te kijken, en eene afgrijselijke stallucht in te ademen—ik kan
sinds dien tijd niet langs een stal komen zonder aan dien morgen te
denken—ging er eene geheele reeks van vreeselijke voorstellingen door
mijne ziel. Gesteld dat er niemand zou komen om mij te halen, hoelang
zou men mij dan toestaan hier te blijven? Zouden zij mij lang genoeg
houden om de zeven shillings te verteren? Zou ik 's nachts in een van
die manden mogen slapen tusschen al die kisten en koffers en mij 's
morgens aan de pomp op de binnenplaats moeten wasschen? Of zou ik er 's
avonds worden uitgezet om 's morgens, wanneer het kantoor geopend werd,
weder te beginnen met wachten op iemand, die mij zou komen afhalen?
Gesteld dat er geen vergissing of verzuim in het spel was en mijnheer
Murdstone dit plan bedacht had om mij kwijt te raken, wat moest ik dan
beginnen? Indien zij mij toestonden hier te blijven tot mijne zeven
shillings verteerd waren, zou ik hier zeker niet kunnen blijven tot
ik begon dood te hongeren. Dat zou natuurlijk lastig en onaangenaam
zijn voor de toeschouwers en de reizigers, behalve nog dat „de Blauwe”
(wat het dan ook was) de begrafeniskosten zou moeten dragen. Als ik
terstond heenging en den terugweg aanvaardde, hoe zou ik dan den weg
kunnen vinden, hoe zou ik ooit zoo ver kunnen wandelen en al slaagde
ik er in, ons huis weder te bereiken, zou mij dan behalve Peggotty wel
iemand willen opnemen? Als ik mij eens tot de bevoegde macht wendde
om soldaat of matroos te worden, zou men dan zoo'n klein manneke wel
willen aannemen? Deze gedachten en nog honderd andere joegen mij het
angstzweet op het gelaat, alles begon mij voor de oogen te draaien.
Toen mijne verslagenheid het toppunt bereikt had, zag ik een man
binnenkomen, die op fluisterenden toon iets aan een der klerken vroeg,
waarop deze mij van de schaal nam en aan dien man overgaf, alsof ik een
stuk goed was, dat gewogen, gekocht, afgeleverd en betaald werd.

Ik keek mijn nieuwen kennis, met wien ik hand aan hand het kantoor
verliet, van ter zijde aan. Hij was een magere, bleeke, jonge man,
met ingevallen wangen en een even zwarte kin als die van mijnheer
Murdstone; daarmede was echter alles gezegd van hunne gelijkenis, want
hij droeg geen bakkebaarden, en in plaats van glanzig, krullend was
zijn haar droog en steil. Hij was gekleed in eene zwarte jas en broek,
die beide even glad en vaal waren als zijne haren; zoowel de mouwen van
de jas als de pijpen van de broek waren te kort en de witte das, die
hij droeg, was niet al te helder. Ik wist niet en weet nog niet of hij
geen ander linnen droeg dan deze das, maar het was al wat men te zien
kreeg.

„Zijt gij de nieuwe jongen?” vroeg hij.

„Ja, mijnheer.” Ik onderstelde, dat ik het was, al wist ik het niet
zeker.

„Ik ben een van de onderwijzers op Salem House,” zei hij.

Ik maakte een buiging voor hem en voelde onmiddellijk diep ontzag. Ik
schaamde mij zelfs om tegen zulk een geleerd man, die onderwijzer op
Salem House was, over mijn koffer te spreken, zoodat wij reeds een goed
eind hadden afgelegd, eer ik daartoe den moed vond. Op mijne leuke
opmerking, dat de inhoud mij wellicht naderhand zou te pas kunnen
komen, keerden wij terug en deelde hij den klerk mede, dat de voerman
van den vrachtwagen den koffer tegen den middag zou komen halen.

„Mag ik u eens vragen, mijnheer,” zei ik, toen wij ongeveer denzelfden
afstand hadden afgelegd als zoo even, „is het ver?”

„Bij Blackheath ongeveer,” antwoordde hij.

„Is dat ver, mijnheer?” herhaalde ik op schroomvalligen toon.

„Het is een flinke wandeling,” antwoordde hij, „maar wij zullen met den
omnibus gaan. Het is ongeveer zes mijlen.”

Ik was zoo flauw en zoo vermoeid, dat het denkbeeld om het nog zes
mijlen ver te moeten uithouden, mij bijna wanhopend maakte. Ik vatte
moed en vertelde hem, dat ik sedert den vorigen middag niets gegeten
had, en zei, dat ik hem zeer verplicht zou zijn, indien hij mij wilde
toestaan iets te koopen om mijn honger te stillen. Hij scheen verrast
over deze mededeeling—hij bleef staan en keek mij voor de eerste maal
eens goed aan—dacht even na en zei, dat hij nog iemand wilde bezoeken,
en ik maar wat brood moest koopen of iets anders, dat niet schadelijk
voor mijne gezondheid was en waarvan ik het meest hield; ik zou dan bij
de oude juffrouw, die hij wilde bezoeken, wel wat melk kunnen krijgen
en bij haar mijn ontbijt gebruiken.

Zoo gezegd, zoo gedaan; wij gingen een bakkerswinkel binnen en nadat
ik de vetste en zwaarste baksels, die in den winkel te krijgen waren,
had voorgesteld, en hij die allen als schadelijk voor de gezondheid had
verworpen, beslisten wij ten gunste van een klein bruin broodje, dat
mij drie stuivers kostte. In een komenijswinkel kochten wij vervolgens
een ei en een sneedje doorregen spek, zoodat ik naar mijne meening
nog genoeg van mijn tweeden blinkenden shilling overhield, om Londen
voor eene goedkoope stad te houden. Na deze inkoopen gedaan te hebben,
wandelden wij verder door eenige woelige, drukke straten, zoodat mijn
toch reeds vermoeid hoofd dreigde te barsten, en over eene brug, als ik
mij niet bedrieg, de London Bridge—ik meen werkelijk, dat hij het mij
vertelde, maar ik sliep half—tot wij de woning van de oude juffrouw
bereikten. Deze lag in een hofje, dat tot een weldadigheidsgesticht
behoorde, hetgeen ik uit de regelmatige bouworde opmaakte, en ook
uit een opschrift op een steen, waarop te lezen stond, dat hier
vijfentwintig arme vrouwen onder dak konden worden gebracht.

De ondermeester van Salem House lichtte de klink op van een der vele
zwarte deurtjes, die alle gelijk waren, en alle hadden een venster op
zijde en een met kleine ruitjes er boven; wij gingen er binnen en
vonden eene arme oude vrouw bezig den inhoud van een sauspannetje aan
de kook te brengen. Toen zij den meester zag binnenkomen legde zij de
blaasbalg op hare knie en mompelde iets, dat op „Dag Karel” geleek; mij
echter ziende, stond zij op, veegde hare handen af en maakte in hare
verlegenheid eene halve buiging.

„Kunt gij het ontbijt van dezen jongeheer ook gereed maken als 't u
blieft?” vroeg de meester.

„Of ik dat kan?” antwoordde de vrouw. „Zeker kan ik dat!”

„Hoe maakt juffrouw Tibbitson het vandaag?” vroeg mijn geleider weder,
naar eene oude vrouw kijkende, die in een grooten stoel bij het vuur
zat en zoo zeer op een hoopje kleeren geleek, dat ik nu nog dankbaar
ben, er niet bij vergissing op te zijn gaan zitten.

„Och, zij is zoo ziek,” antwoordde de juffrouw met de blaasbalg. „Zij
heeft een van hare kwade dagen. Als het vuur was uitgegaan door een of
ander toeval, zou zij ook zijn uitgegaan om nimmer terug te keeren—dat
geloof ik zeker.”

Aangezien allen naar de zieke keken, deed ik het ook. Hoewel het warm
weer was, scheen zij voor niets oogen te hebben dan voor het vuur.
Ik geloof zeker dat zij jaloersch was op de sauspan, die op het vuur
stond; ook nam zij het mij blijkbaar kwalijk, dat het gebruikt werd om
mijn ei te koken en mijn spek te bakken, want op een oogenblik, dat
niemand naar haar keek, zag ik dat zij heimelijk de vuist tegen mij
balde. De zon scheen door het kleine venster in de kamer, maar zij
zat met haar eigen rug en met den rug van den stoel naar het licht,
alsof zij het vuur moest warm houden in plaats dat het haar verwarmde.
Zij hield er met wantrouwende blikken de wacht bij. Toen mijn ontbijt
gereed was en het vuur dus weder zichtbaar werd, had zij zooveel pret,
dat zij in een schaterlach uitbarstte—een zeer onwelluidenden lach,
dat moet ik zeggen.

Daar zat ik nu voor mijn bruin broodje, mijn ei en mijn gebakken spek
en deed een Lucullusmaal, met de kom melk er bij. Toen ik in het volle
genot daarvan was, zei de oude juffrouw tegen mijn reisgenoot:

„Hebt gij uwe fluit bij u, Karel?”

„Ja,” antwoordde hij.

„Toe, blaas dan eens een wijsje,” smeekte zij op vleienden toon.

Op dit verzoek stak de meester van Salem House de hand onder de
panden van zijn jas, haalde eene fluit te voorschijn, die uit drie
stukken bestond, schroefde die aan elkander en begon te spelen. Na
de ondervinding van latere jaren is mijn eerste indruk dat niemand
op de geheele wereld slechter speelde dan hij, in geen enkel opzicht
gewijzigd. Hij maakte de afschuwelijkste geluiden, die ik ooit door
mensch of dier heb hooren uitbrengen. Ik weet niet welke wijzen hij
speelde—indien er ten minste een wijs aan ten grondslag lag, hetgeen
ik betwijfel—maar de invloed van de muziek op mij was eerst, dat al
het geleden verdriet weder in mijn geheugen werd opgeroepen, zoodat
de tranen mij weldra over de wangen begonnen te rollen; daarna dat
mij mijn eetlust werd benomen; eindelijk werd ik zóó slaperig, dat
ik mijne oogen niet open kon houden. Nu nog vallen ze dicht en begin
ik te knikkebollen, wanneer ik aan de marteling van dien morgen
herinnerd word. Het kleine kamertje met de geopende bedstede in
den hoek en de stoelen met vierkante ruggen en het steile trapje,
dat naar de bovenkamer voerde, en de drie pauwenveeren boven den
schoorsteenmantel—ik herinner mij nog, mij afgevraagd te hebben,
toen ik binnentrad en die veeren mij terstond in het oog vielen, wat
die pauw wel gedacht zou hebben als hij geweten had tot welk lot zijn
grootste sieraad hier gedoemd zou zijn—staan mij dan op eens weder
levendig voor den geest en ik voel eene bijna onoverwinbare neiging
tot slapen. Het fluitspel houdt op; in plaats daarvan hoor ik de wielen
van een omnibus en ik ben op reis. De omnibus schokt verschrikkelijk,
de fluit begint opnieuw en de meester van Salem House zit, met de
beenen over elkander gekruist, allerjammerlijkst te spelen; terwijl de
oude juffrouw met een gezicht, dat de grootste opgetogenheid verraadt,
zit te luisteren. Op hare beurt verdwijnt ook zij weder, en hij
verdwijnt, alles verdwijnt; er is geen fluit, geen meester, geen Salem
House, geen David Copperfield meer, er is niets dan—slaap. Eens
droomde ik dat, terwijl hij op die vreeselijke fluit zat te blazen, de
oude juffrouw in hare opgetogenheid en bewondering al nader en nader
was gekomen, achter op den rug van zijn stoel leunde en hem teeder
omhelsde, zoodat hij zijn spel een oogenblik staken moest. Ik verkeerde
toen in een toestand tusschen waken en slapen, juist op dat oogenblik
of iets later, want toen hij eindigde—het was een feit dat hij
opgehouden had met spelen—zag en hoorde ik dezelfde oude juffrouw aan
juffrouw Tibbitson vragen of het niet verrukkelijk was—zij bedoelde
het fluitspel—waarop juffrouw Tibbitson uitriep: „O, o, ja, ja!” en
tegen het vuur knikte, waaraan zij, daarvan ben ik overtuigd, al de eer
van de uitvoering toekende.

Toen ik vrij lang gesluimerd scheen te hebben, schroefde de meester
van Salem House de fluit weder uit elkander, stak de drie stukken in
zijn zak en ging met mij naar buiten. Wij vonden den omnibus dichtbij
gereed staan en namen bovenop plaats; maar ik was zoo doodop van den
slaap, dat men mij, toen wij stilhielden om iemand op te nemen, binnen
plaatste, waar niemand zat en waar ik gerust sliep tot ik bemerkte,
dat de omnibus stapvoets een steilen heuvel opreed tusschen het groen.
Eindelijk hielden wij stil en waren aan onze bestemming.

Eene kleine wandeling bracht ons—ik bedoel den meester en mij—naar
Salem House, dat door een hoogen, rooden muur was omringd en er zeer
somber uitzag. Boven een deur in dezen muur hing een groot bord, waarop
geschilderd was „Salem House”, en toen wij gescheld hadden, werden
wij door een getralied venstertje in deze deur bespied door een man
met een bijzonder onaangenaam uiterlijk; toen wij binnengelaten waren
zag ik, dat dit uiterlijk behoorde aan een zwaar gebouwd man met een
stierennek, een houten been, breede jukbeenderen en kort afgeknipt haar.

„De nieuwe jongen”, zei mijn reisgenoot.

De man met het houten been bekeek mij van het hoofd tot de voeten,—dit
duurde echter niet lang want er was weinig aan mij te zien—waarna hij
de deur sloot en den sleutel uit het slot nam. Wij gingen toen naar het
huis, dat tusschen zwaar geboomte lag; maar de man met het houten been
riep mijn geleider terug: „Hallo!” Wij keken om en zagen hem aan de
deur van zijn klein huisje staan met een paar schoenen in de hand.

„Hier! De schoenlapper is er geweest en heeft gezegd, dat er niets meer
aan te doen is, mijnheer Mell. Hij zei, dat er geen stukje van de oude
schoenen meer aan te vinden is en begrijpt niet hoe gij verwachten
kunt, dat hij ze nog herstelt.”

Met deze woorden wierp hij mijnheer Mell de schoenen toe, waarop deze
een paar schreden terugging om ze op te rapen, en ze erg mistroostig
aan alle kanten bekeek, terwijl wij samen voortwandelden. Ik merkte
toen eerst op, dat de schoenen, die hij droeg, erg versleten waren,
en op ééne plaats zijne kous er zelfs door heen kwam, gelijk een
uitbottend knopje.

Salem House was een groot, vierkant gebouw van baksteen, met twee
vleugels en zag er ongezellig en uitgewoond uit. Het was overal zoo
stil, dat ik mijnheer Mell vroeg of de jongens uit waren; maar hij
scheen verbaasd, omdat ik niet wist dat het vacantie was; dat al de
jongens naar huis waren; dat mijnheer Creakle, de eigenaar, met mevrouw
Creakle en de jongejuffrouw Creakle naar een zeebadplaats waren; en dat
ik in de vacantie was gekomen als straf voor mijn slecht gedrag.... dat
alles vertelde hij mij onder het voortgaan.

Het schoollokaal, waarin hij mij bracht, leek mij het akeligste en
ongezelligste vertrek toe, dat ik ooit gezien had. Ik zie het nog.
Een lange kamer met zes lange rijen banken en drie rijen lessenaars
en in het rond overal pinnen om hoeden, petten en leien op te
hangen. Brokstukken van oude schriften liggen over den stoffigen
vloer verspreid. Op een der lessenaars vind ik eenige huisjes voor
zijdewormen en twee ongelukkige witte muizen, door den eigenaar
achtergelaten, loopen in een van bordpapier en ijzerdraad vervaardigd
kasteeltje rond, met hunne roode oogjes in alle hoekjes snuffelend
om iets eetbaars te vinden. Een vogel in een kooitje, dat niet veel
breeder is dan het dier zelf, laat nu en dan een droevig geluid hooren,
wanneer het op het twee duim hooge stokje springt of van daar weer
naar beneden; sjilpen of zingen schijnt hij niet te kunnen. Er is een
vreemde, bedorven lucht in de kamer, een lucht van beschimmeld leder,
rotte appels en muffe boeken. Er kon moeilijk meer inkt over den vloer
verspreid zijn geweest, al was het huis zonder dak gebleven van den
opbouw af en al had het inkt geregend, gesneeuwd en gehageld door alle
jaargetijden heen.

Toen mijnheer Mell mij verlaten had om zijne onherstelbare schoenen
naar boven te brengen, liep ik zachtjes naar het boveneinde van de zaal
en merkte intusschen dit alles op. Plotseling ontdekte ik een stuk
bordpapier, waarop met mooie letters geschreven stond: „Pas op. Hij
bijt.”

Ik klom terstond op de lessenaar, meenende dat er minstens een groote
hond onder zou liggen; maar hoe ik ook met angstige oogen rondkeek, ik
zag niets, dat op een hond geleek. Terwijl ik nog zat rond te gluren,
kwam mijnheer Mell terug en vroeg mij wat ik deed.

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik zoek den hond,” zei ik.

„Een hond?” vroeg hij. „Welken hond?”

„Is hier dan geen hond, mijnheer?”

„Waarom moet hier een hond zijn?”

„Den hond, waarvoor men moet oppassen, omdat hij bijt, mijnheer.”

„Neen, Copperfield,” sprak hij ernstig, „dat is geen hond. Dat is een
jongen. Ik heb last gekregen, Copperfield, dit papier op uw rug te
hangen. Het spijt mij, dat wij op zulk eene wijze moeten kennis maken,
maar ik moet het doen.” Tegelijkertijd zette hij mij van de lessenaar
af en hing mij het plakkaat, dat uitsluitend voor dit doel vervaardigd
was, als een knapzak op den rug; en waarheen ik ook ging, ik moest het
meedragen. Niemand kan beseffen wat ik door dit plakkaat geleden heb.
Of iemand mij zien kon of niet, ik verkeerde altoos in de meening, dat
de een of de ander het stond te lezen. Het hielp niet of ik mij al
omkeerde en niemand vond, want ik verbeeldde mij altijd dat er iemand
achter mij stond. Die onbarmhartige man met het houten been verzwaarde
mijn leed nog. Hij had daar veel te zeggen; waar hij mij ook zag staan,
leunende tegen een boom of tegen een muur, riep hij mij met zijne
schrikverwekkende stem toe: „Hé, daar jongeheer! Hé, daar jongeheer
Copperfield! Laat uw rug maar zien, of ik zal het rapporteeren!”
De speelplaats was een kaal, met grint bestrooid pleintje, waarop
alle localen en ook de keukens uitkwamen: ik wist, dat het geheele
dienstpersoneel las wat er op mijn rug stond, dat de bakker het las en
de slager het las; iedereen, die 's morgens, wanneer ik daar _moest_
wandelen, uit- of inging, las, dat men zich voor mij in acht moest
nemen, omdat ik beet. Ik herinner mij zeer goed, dat ik bang begon te
worden voor mij zelven.

Op deze speelplaats was een oude deur, waarin de jongens hunne namen
sneden. Die deur was overdekt met namen, maar ik herinner mij heel
goed, dat ik tegen het einde van de vacantie geen naam lezen kon
zonder te denken, op welken toon en met welken nadruk zou _hij_ lezen:
„Pas op. Hij bijt.” Er was een jongen, een zekere J. Steerforth, die
zijn naam bijzonder diep had ingesneden, en ook bijzonder vaak. Deze
jongen zou het zeker met eene krachtige stem lezen en mij dan bij de
haren trekken. Er was nog een andere jongen, Tommy Traddles heette
hij, die er zeker een spelletje van maken en zeggen zou, dat hij bang
voor mij was. Van een derden jongen, George Demple, stelde ik mij voor
dat hij er een wijsje op zou maken. Ik zag hen in mijne verbeelding
allen bij elkander staan—er waren er vijf en veertig volgens mijnheer
Mell—ginds bij de deur; ik zag hen een klein, bevend jongentje met
algemeene stemmen verbannen naar Coventry, terwijl zij, ieder op zijn
eigen wijze, uitriepen: „Pas op. Hij bijt. Pas op!”

Met het plaats nemen op de banken en aan de lessenaars was 't
hetzelfde. Met de lange rijen bedden, die ik zag, toen ik in een er
van lag, was 't hetzelfde. Ik herinner mij nacht op nacht gedroomd te
hebben, dat ik weder bij mijne moeder was, zooals zij vroeger placht
te zijn, of dat ik weder bij baas Peggotty logeerde, of dat ik op den
omnibus zat, of dat ik het middagmaal gebruikte met mijn ongelukkigen
vriend, den knecht in het logement, en in al deze toestanden riepen en
keken de menschen mij na, en had ik niets aan dan mijn nachthemd en...
dat plakkaat.

In mijn eentonig leven en in mijn voortdurenden angst voor het einde
van de vacantie, was dit papier een afschuwelijke kwelling! Elken dag
kreeg ik van mijnheer Mell een taak op, maar ik deed ze af, en leerde
mijne lessen zonder moeite—er waren hier ook geen mijnheer en juffrouw
Murdstone.

Vóór en na mijn werktijd wandelde ik rond, zooals ik reeds meedeelde,
onder voortdurend toezicht van den man met het houten been. Hoe
levendig herinner ik mij nog den mist om het huis, de groene, gebarsten
plavuizen in de gang, de oude, lekkende waterton, en de kleurlooze
stammen van sommige dier oude boomen, die meer in den regen en minder
in den zonneschijn schenen gestaan te hebben dan andere boomen. Om
één uur gebruikten wij het middagmaal, mijnheer Mell en ik, aan het
boveneinde van een lange, kale eetzaal met ruw houten tafels en eene
onverdragelijke vetlucht. Daarna ging ik weder aan het werk tot de
thee, die mijnheer Mell uit een blauwe kop en ik uit een tinnen kroes
dronk. Den geheelen dag, tot zeven of acht uur 's avonds, zat mijnheer
Mell aan zijn eigen, afzonderlijk staande lessenaar in de school hard
te werken met pen, inkt, liniaal, boeken en groote papieren—dit waren,
zooals ik later ontdekte, de rekeningen van het laatste half jaar.
Wanneer hij des avonds alles had opgeborgen, kwam de fluit voor den dag
en begon hij te spelen en blies dan zoo hard, dat ik meer dan eens bang
was, dat hij zijne geheele ziel zou wegblazen door de groote klep aan
het uiteinde.

Ik zou mij zelven nog kunnen uitteekenen, zittende in de schemerachtig
verlichte schoolzaal, met de hand onder het hoofd luisterend naar het
jammerlijke spel van mijnheer Mell en met de opgegeven lessen voor
den volgenden dag voor mij. Ik zie mij nog zitten, nu zonder boeken,
luisterende naar mijnheer Mell; terwijl ik door de muziek heen allerlei
geluiden, die ik in het ouderlijk huis hoorde, en de wind over het
strand bij Yarmouth meende te hooren en mij daarbij zoo eenzaam en
verlaten voelde. Ik zie mij zelven nog naar bed gaan in die groote,
holle kamer, geheel alleen, en op den rand van het ledikant zittende
schreien om een vriendelijk woord van Peggotty. Ik zie mij zelven nog
's morgens beneden komen en door het venster op de lange gang naar de
klok op het bijgebouw met het windvaantje kijkende, opziende tegen
het tijdstip, waarop J. Steerforth en de andere jongens zouden worden
opgeroepen voor de lessen, en meer nog naar dat, waarop de man met het
houten been het knarsende ijzeren hek zou openen om dien vreeselijken
mijnheer Creakle binnen te laten. En altijd met die akelige
waarschuwing op mijn rug!

Mijnheer Mell sprak niet veel met mij, maar was ook niet hard voor mij.
Ik zou bijna kunnen zeggen, dat wij elkander gezelschap hielden zonder
te spreken. Ik vergat nog te zeggen, dat hij somtijds in zich zelven
sprak, grijnsde, de vuisten balde, op de tanden knarste en zijne haren
uitrukte, zonder dat ik eenige aanleiding kon ontdekken, waardoor zijne
woede werd opgewekt. Maar hij bezat deze eigenaardigheden nu eenmaal
en al beangstigden ze mij in het eerst, ik was er spoedig aan gewoon
geraakt.



VI.

De kring mijner kennissen breidt zich uit.


Ik had ongeveer eene maand dit leven geleid, toen de man met het houten
been begon rond te stampen met een dweil en een emmer water, hetgeen
mij deed vermoeden, dat er voorbereidingen getroffen werden tot de
ontvangst van mijnheer Creakle en de jongens. Ik had mij hierin niet
vergist, want de schoonmaakwoede strekte zich ook uit tot de schoolzaal
en joeg mijnheer Mell en mij er uit, die maar moesten zien waar wij
bleven. Gedurende eenige dagen liepen wij voortdurend twee of drie
jonge meiden in den weg, die zich tot nu toe slechts zelden vertoond
hadden; wij moesten telkens groote, dikke stofwolken trotseeren, zoodat
ik ieder oogenblik moest niezen alsof Salem House een groote snuifdoos
was.

Op zekeren dag deelde mijnheer Mell mij mede, dat mijnheer Creakle dien
avond zou thuis komen. Na de thee vernam ik, dat hij gekomen was en nog
voor ik naar bed ging, werd ik door den man met het houten been gehaald
om voor hem te verschijnen.

Het gedeelte van het huis, dat mijnheer Creakle bewoonde, was vrij wat
gezelliger ingericht dan het onze en hij had een aardig tuintje, dat
heel mooi was, vergeleken met de stofferige speelplaats, een woestijn
in miniatuur, waarin alleen kameelen en dromedarissen zich tehuis
zouden hebben gevoeld. Het kwam mij hoogst vermetel van mij voor, de
opmerking te durven maken, dat de gang er zoo netjes uitzag, toen ik
bevend van angst op weg was naar mijnheer Creakle; ik was zoo verlegen,
toen ik in zijne tegenwoordigheid verscheen, dat ik mevrouw Creakle
en juffrouw Creakle, die beiden in de kamer waren, nauwelijks zag,
ja, eigenlijk niets anders zag dan mijnheer Creakle, een zwaarlijvig
man, met een zwaren horlogeketting, waaraan eenige dikke cachetten
bengelden, gezeten in een grooten armstoel met een bierglas en een
flesch naast zich.

„Zoo!” sprak mijnheer Creakle. „Is dat de jongeheer, wiens tanden
moeten afgevijld worden? Draai hem eens om.”

De man met het houten been draaide mij rond, zoodat ik het plakkaat
naar alle windstreken vertoonde, en nadat hij de familie in de
gelegenheid gesteld had het goed te bekijken, draaide hij mij nogmaals
rond met mijn gezicht naar mijnheer Creakle, en ging toen naast zijn
meester staan. Mijnheer Creakle's gezicht was vuurrood en de kleine
oogen lagen diep in zijn hoofd; op het voorhoofd lagen eenige dik
gezwollen aderen, zijn neus was klein en zijne kin zeer breed. Hij had
een kale kruin en aan de slapen een weinig dun, grijzend haar. Wat mij
echter het meest trof was, dat hij geen stem scheen te hebben, maar
altijd fluisterde. De inspanning, die hem dit kostte, of de bewustheid,
dat hij zich niet verstaanbaar maken kon, verergerde nog de nijdige
uitdrukking op zijn breed gezicht en deed de aderen nog meer opzwellen
wanneer hij sprak, zoodat het mij, als ik aan dat oogenblik terugdenk,
niet verwondert, dat mij deze bijzonderheid het meest trof.

„Wel,” sprak hij, „welke rapporten hebt gij over dezen jongeheer?”

„Er is niets bijzonders met hem voorgevallen,” antwoordde de man met
het houten been. „De gelegenheid om kwaad te doen ontbrak geheel.”

Ik meende op te merken, dat mijnheer Creakle teleurgesteld was; doch
ik meende ook op te merken, dat mevrouw en juffrouw Creakle—die ik nu
voor het eerst durfde aankijken, en die beiden zeer mager waren en geen
woord meespraken—niet teleurgesteld waren.

„Kom hier, jongeheer!” zei mijnheer Creakle, mij tot zich wenkend.

„Kom hier!” herhaalde de man met het houten been met hetzelfde gebaar.

„Ik heb het genoegen uw stiefvader te kennen,” fluisterde mijnheer
Creakle, terwijl hij mij bij een oor nam; „hij is een braaf man met een
flink karakter. Hij kent mij en ik ken hem. Kent gij mij al? Hè!” vroeg
hij, terwijl hij mij met wreed genoegen in het oor kneep.

„Nog niet, mijnheer,” antwoordde ik, ineenkrimpend van pijn.

„Nog niet? Hè?” herhaalde mijnheer Creakle. „Gij zult mij spoedig
leeren kennen. Hè?”

„Gij zult mijnheer Creakle spoedig leeren kennen,” herhaalde de man met
het houten been. Later begreep ik, dat hij met zijne zware stem als
tolk optrad tegenover de jongens.

Ik stond te beven als een riet en zei dat ik het hoopte, indien hij
het verkoos. Gedurende al dien tijd had ik een gevoel alsof mijn oor
langzaam in een kool vuur veranderde, zoo hard kneep hij er in.

„Ik zal u eens vertellen wat ik ben,” fluisterde mijnheer Creakle,
terwijl hij mijn oor losliet met een kneep tot afscheid, die mij de
tranen in de oogen bracht.

„Ik ben een Tartaar.”

„Een Tartaar,” herhaalde de man met het houten been.

„Wanneer ik zeg, dat ik iets doen wil, dan doe ik het,” zei mijnheer
Creakle, „en wanneer ik zeg, dat ik iets gedaan wil hebben, dan wil ik
het gedaan hebben.”.... „Iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan
hebben,” herhaalde de man met het houten been.

„Ik heb een vast karakter,” ging mijnheer Creakle voort. „Dat heb ik.
Ik doe mijn plicht. Dat doe ik. Mijn eigen vleesch en bloed”—terwijl
hij dit zeide keek hij mevrouw Creakle aan—„is mijn eigen vleesch en
bloed niet, wanneer het tegen mij opstaat. Dan verloochen ik het. Is
die man hier weer geweest?” Deze laatste vraag, werd aan den man met
het houten been gedaan.

„Neen,” was het antwoord.

„Neen,” zei mijnheer Creakle. „Hij weet wel beter. Hij kent mij.
Laat hem wegblijven. Laat hem wegblijven,” herhaalde mijnheer
Creakle, terwijl hij met de hand over de tafel streek en mevrouw
Creakle aankeek, „hij kent mij. En nu hebt gij mij ook leeren kennen,
jongeheer; gij kunt nu heengaan. Breng hem weg.”

Ik was heel blij, dat ik kon heengaan, want mevrouw en juffrouw Creakle
wischten beiden hare oogen af en ik had even goed medelijden met haar
als met mij zelven. Ik had echter nog een verzoek op het hart, dat ik
niet kon uitstellen, al verwonderde het mij naderhand, dat ik den moed
had gehad het te doen.

„Mag ik u iets vragen, mijnheer....”

Mijnheer Creakle fluisterde: „Zoo? Wat dan?” en keek mij aan alsof hij
mij met zijne oogen wilde in brand steken.

„Och, mijnheer,” stotterde ik, „ik heb werkelijk zooveel berouw over
hetgeen ik gedaan heb, maar zoudt u dit papier niet willen laten
wegnemen, vóór de jongens komen....”

Of mijnheer Creakle het meende of dat hij het alleen deed om mij bang
te maken, weet ik niet, maar hij sprong van zijn stoel op, zoodat ik
hals over kop aftrok, zonder te wachten op het geleide van den man met
het houten been en niet omziende voor ik de slaapkamer bereikt had.
Toen ik bemerkte, dat ik niet vervolgd werd, begaf ik mij naar bed en
lag eenige uren achtereen te beven.

Den volgenden morgen kwam mijnheer Sharp terug. Mijnheer Sharp was de
eigenlijke hoofdonderwijzer en stond boven mijnheer Mell. Mijnheer Mell
gebruikte de maaltijden met de jongens; mijnheer Sharp met de familie
Creakle. Naar het mij voorkwam, zag mijnheer Sharp er zwak en tenger
uit; hij had een grooten neus en eene manier om zijn hoofd op zijde te
dragen, alsof het hem veel te zwaar was. Er lag een eigenaardige glans
over zijn krullend haar, maar de eerste jongen, die terugkwam, vertelde
mij terstond, dat mijnheer Sharp een pruik droeg—een half-sleetsche,
zooals hij beweerde—en elken Zaterdagnamiddag uitging om zijne pruik
te laten opkrullen.

Het was niemand anders dan Tommy Traddles, die mij deze mededeeling
deed. Hij was de eerste jongen, die terugkeerde, en maakte zich aan
mij bekend door te zeggen, dat ik zijn naam zou vinden op den rechter
hoek van de deur boven den grendel. Ik antwoordde: „O, dan zijt gij
Traddles?” waarop hij zei: „Juist geraden” en toen moest ik hem alles
vertellen van mij zelven en van mijne familie.

Het was eene gelukkige omstandigheid voor mij, dat Traddles het eerst
terugkwam. Hij had zooveel plezier in mijn plakkaat, dat hij mij de
onaangename taak bespaarde van het verborgen te moeten houden, of het
door de jongens een voor een ontdekt te zien. Aan elken jongen, groot,
en klein, vertoonde hij het onmiddellijk bij zijne aankomst ongeveer
met deze woorden: „Kijk eens hier! Wat een grap!” Gelukkig waren de
meeste jongens wat neerslachtig gestemd, zoodat zij mij niet zoo in de
maling namen, als ik gevreesd had. Eenige begonnen, wel is waar, als
Indianen om mij heen te dansen, en een groot aantal onder hen kon de
verzoeking niet weerstaan van te doen of ik een hond was, en van mij
te aaien en te streelen, opdat ik hen niet zou bijten, en van „Koest,
hond!” te roepen; maar al was dit heel vervelend voor mij, en al kostte
het mij eenige tranen, zij waren toch niet zoo uitgelaten als ik
verwacht had.

Ik werd echter nog niet als kameraad beschouwd voor J. Steerforth was
aangekomen. Voor dezen jongen, die den naam had van zeer knap te zijn,
er goed uitzag en ongeveer zes jaar ouder was dan ik, werd ik gebracht
als voor een overheidspersoon. Hij ondervroeg mij onder een afdak op de
speelplaats over de bijzonderheden van mijn misdrijf, en was daarna wel
zoo goed te zeggen, dat het „mooi schande” was mij zoo te straffen,
voor welke woorden ik hem eeuwig dankbaar beloofde te blijven.

„Hoeveel geld hebt gij medegebracht, Copperfield?” vroeg hij naast
mij loopende, nadat hij zijn oordeel op bovengenoemde wijze had
uitgesproken.

Ik vertelde hem, dat ik nog in het bezit was van zeven shillings.

„Gij deedt beter mij die te geven, om ze te bewaren,” zeide hij. „Dat
wil zeggen: gij kunt dat doen als gij het goed vindt. Gij behoeft het
niet te doen als gij het niet goed vindt.”

Ik haastte mij zijn vriendelijken raad op te volgen en schudde
Peggotty's beursje in zijne hand ledig.

„Zoudt gij er nu ook iets van willen uitgeven?” vroeg hij.

„Neen, dank u”, antwoordde ik.

„Gij kunt het, als gij wilt, begrijpt gij?” vervolgde Steerforth. „Gij
hebt slechts één woord te spreken.”

„Neen, dank u, mijnheer,” herhaalde ik.

„Misschien zoudt ge wel een paar shillings willen uitgeven voor
een flesch bessenwijn; wij kunnen die dan straks op de slaapkamer
leegdrinken,” zei Steerforth. „Ik heb gezien, dat gij bij mij op de
kamer slaapt.”

Zoo iets was zeker nog nooit bij mij opgekomen, maar ik zei: „Ja, dat
zou ik wel willen doen.”

„Heel goed,” hernam Steerforth. „Het zal u zeker wel aangenaam zijn een
anderen shilling te besteden aan amandelkoekjes?” voegde hij er bij.

„Ja,” zei ik, „dat zou ik heel aangenaam vinden.”

„En een shilling of zoo aan biscuits en een aan vruchten, hé?”
vervolgde Steerforth. „Het moet maar op, Copperfieldje!”

Ik glimlachte omdat hij ook glimlachte, maar ik was toch niet bijzonder
in mijn schik.

„Wel,” zij hij, „wij moeten er een zoo goed mogelijk gebruik van maken,
dat is alles. Ik zal mijn best voor u doen. Ik kan uitgaan, wanneer ik
wil, en zal alles wel binnensmokkelen.” Met deze woorden stak hij al
het geld in den zak en zei allervriendelijkst, dat ik er niet de minste
moeite mede mocht hebben; hij zou wel zorgen, dat alles in orde kwam.

Steerforth hield zijn woord indien namelijk „in orde” mocht genoemd
worden hetgeen ik heimelijk meende, dat volstrekt niet in orde was;
ik had het gevoel, dat ik de twee halve kronen mijner moeder op de
schromelijkste wijze verkwistte, al had ik het papier, waarin ze
gerold waren geweest, als een kostbaar aandenken bewaard. Toen wij op
de slaapkamer waren, om naar bed te gaan, had hij de zeven shillings
omgezet in allerlei lekkernijen, die hij op mijn bed zette, zeggende:
„Ziedaar, kleine Copperfield, het is een koninklijk maal, dat ik u
breng.”

Ik kon er niet aan denken de honneurs waar te nemen, terwijl hij er
bij was; hij, die zooveel ouder was dan ik; mijne hand beefde bij
het denkbeeld. Ik verzocht hem mij de gunst te willen bewijzen van
president te zijn en aangezien mijn verzoek door de andere jongens
ondersteund werd, gaf hij er gehoor aan en ging op mijn kussen zitten
om alles rond te deelen met de grootste onpartijdigheid—dat moet ik
zeggen. De bessenwijn ging rond in een klein glaasje zonder voet, dat
zijn bijzonder eigendom was. Ik zat aan zijne linkerhand, terwijl de
andere jongens om ons heen gegroepeerd waren, op den vloer en op de
andere bedden.

Hoe duidelijk zie ik ons daar nog zitten, niet anders dan fluisterend
durvende spreken; of liever ik durfde niet anders dan fluisteren,
terwijl de anderen hardop spraken. Het licht der maan scheen in onze
kamer en teekende het venster, waardoor het binnenviel, verkleind op
den grond; terwijl wij in het donker zaten, behalve wanneer Steerforth
een lucifer aanstak om iets op onze tafel te zoeken; dan verspreidde
zich een blauwachtig schijnsel over ons, dat terstond weder verdween.
Een zeker geheimzinnig gevoel, opgewekt door de duisternis om ons
heen, door het bleeke maanlicht en het op fluisterenden toon gevoerde
gesprek, maakte zich opnieuw van mij meester; naar alles wat zij mij
vertelden, luisterde ik met een onbestemd gevoel van diep ontzag en
tevens van angst, zoodat ik heimelijk blijde was, dat zij allen om
mij heen zaten en—hoewel ik veinsde te lachen—inwendig beefde toen
Traddles beweerde, dat er een spook zat in een van de hoeken.

Ik vernam allerlei dingen omtrent de school en wat daartoe behoorde. Ik
vernam, dat mijnheer Creakle niet zonder grond beweerde, een Tartaar
te zijn, dat hij de strengste en onmeedoogendste meester was, die er
bestond; dat hij elken dag om zich heen sloeg, rechts en links, op
de jongens inrende en hen onbarmhartig ranselde. Dat hij zelf niets
kende dan de wijze, waarop hij het best kon ranselen en—Steerforth
verklaarde het—nog dommer was dan de domste jongen; dat hij, vele
jaren geleden, een eenvoudig koopman in hop geweest was en een school
had opgezet, nadat hij bankroet gemaakt had in de hop en het geld van
mevrouw Creakle verdwenen was. En nog veel meer dergelijke verhalen
werden mij gedaan; terwijl ik mij verbaasde hoe de jongens ze wisten.

Ik vernam ook dat de man met het houten been Tungay heette en een
onhandelbare barbaar was; hij had medegedaan in de hop en was aan
de school verbonden, omdat hij, volgens sommige jongens, zijn been
gebroken had in dienst van mijnheer Creakle, allerlei oneerlijke
handelingen met mijnheer Creakle bedreven had en al diens geheimen
kende. Ik vernam, dat Tungay allen, die tot de inrichting behoorden,
meesters zoowel als jongens,—mijnheer Creakle uitgezonderd—als zijne
natuurlijke vijanden beschouwde en dat zijn eenige genoegen daarin
bestond altijd knorrig en kwaadaardig te zijn. Ik vernam dat mijnheer
Creakle een zoon had, die geen vriend was geweest van Tungay en die, in
de school helpende, zich eens verzet had tegen zijn vader, toen deze
eene bijzonder wreede tuchtiging had bedacht; ook zou hij—maar dit
wist men niet zeker—zijn opgekomen tegen de wijze, waarop mijnheer
Creakle zijne moeder behandelde. Mijnheer Creakle zou hem toen de deur
hebben gewezen en mijnheer en mevrouw Creakle zouden na dien tijd
steeds in onmin geleefd hebben en nog leven.

Het verwonderlijkste, dat ik echter aangaande mijnheer Creakle vernam,
was dat er één jongen op de school was, dien hij het niet waagde ook
maar met een hand aan te raken en dat deze jongen J. Steerforth was.
Steerforth bevestigde dit verhaal zelf en voegde er bij, dat hij wel
eens zou willen zien, dat mijnheer Creakle het probeerde. Toen een van
de zachtzinnigste jongens (ik niet) hem vroeg, wat hij dan zou doen,
stak hij een lucifer af, opdat wij niet alleen zouden hooren, maar ook
zouden zien wat hij doen zou. „Ik zou hem,” zei hij, „een slag geven
met de inktflesch tegen het voorhoofd, zoodat hij neerviel als een
gedolde stier.” Wij zaten na dit antwoord eenigen tijd sprakeloos en
ademloos in het duister.

Ik vernam, dat mijnheer Sharp en mijnheer Mell, volgens het vermoeden
van de jongens, erbarmelijk betaald werden en dat, wanneer er warm en
koud vleesch op mijnheer Creakle's tafel was, van mijnheer Sharp altijd
verwacht werd, dat hij het koude vleesch zou verkiezen; dit werd al
weder door J. Steerforth bevestigd, de eenige jongen die wel eens aan
mijnheer Creakle's tafel at. Ik vernam, dat mijnheer Sharp's pruik
hem niet paste en hij er niet zoo mede behoefde te pronken—„er mee
te geuren,” zei een van de jongens—want dat zijn roode haren er van
achteren toch onderuit kwamen.

Ik vernam, dat van een jongen, een zoon van een kolenkoopman, de
schoolrekening met kolen betaald werd en hij daarom „Wissel- of
Ruilhandel” genoemd werd, een naam, dien men in een der rekenboeken
gevonden had. Ik vernam, dat het bier aan tafel een middel was om
de ouders af te zetten, en dat de pudding niets was dan bedrog. Ik
vernam dat men algemeen geloofde, dat juffrouw Creakle verliefd was
op Steerforth, en ik moet zeggen, toen ik daar in het donker zijne
welluidende stem hoorde en aan zijn knap gezicht, zijne aangename
manieren en zijn krullekop dacht, toen achtte ik dit volstrekt niet
onwaarschijnlijk. Ik vernam, dat mijnheer Mell over het geheel niet
kwaad was, maar dat hij nooit een stuiver op zak had en dat de oude
juffrouw Mell, zijne moeder, zoo arm was als Job. Ik dacht toen aan
mijn ontbijt in Londen en aan iets, dat geklonken had als „mijn Karel,”
maar ik zweeg hierover als een muis; ik herinner mij dat altijd nog met
genoegen.

Al deze en nog vele andere verhalen duurden nog voort, toen het souper
reeds was afgeloopen. Het grootste gedeelte van de gasten was naar bed
gegaan, toen er niets meer te eten en te drinken was; en wij, die half
ontkleed waren blijven fluisteren en luisteren, volgden eindelijk hun
voorbeeld.

„Goeden nacht, Copperfieldje”, zei Steerforth. „Ik zal voor u zorgen,
hoor!”

„Gij zijt wel vriendelijk”, antwoordde ik dankbaar. „Ik ben u zeer
verplicht.”

„Hebt gij ook eene zuster?” vroeg hij geeuwende.

„Neen”, antwoordde ik.

„Dat is jammer”, hernam hij. „Indien gij er eene hadt, zou zij zeker
een mooi, lief, klein meisje zijn met schitterende oogjes. Ik zou dan
wel eens kennis met haar willen maken. Goeden nacht, Copperfieldje.”

„Goeden nacht, mijnheer”, antwoordde ik.

Toen ik te bed lag, moest ik voortdurend aan hem denken, en ik herinner
mij, dat ik in bed ging opzitten om hem te zien, zooals hij daar door
de maan beschenen in bed lag, met zijn mooi gezicht naar mij toe en
den arm onder het hoofd. Hij was in mijne oogen iemand, die veel had
in te brengen, en daarom was mijne ziel zoo met hem vervuld. Van de
schaduw, die de toekomst over zijn beeld zou werpen, was nog niets te
zien. Zijne voetstappen hadden nog geen sporen achtergelaten in den
heerlijken tuin, waarin ik dien geheelen nacht in mijne droomen met hem
wandelde.



VII.

Mijn eerste halfjaar op Salem House.


Den volgenden dag begon de school. Ik herinner mij nog zeer goed,
welk een indruk het op mij maakte, toen het gegons der stemmen in het
schoollokaal plotseling ophield—mijnheer Creakle stond in de deur en
keek op ons neer, zooals de reus uit het sprookje op zijn slachtoffers.
Tungay stond naast hem, maar behoefde, naar het mij voorkwam, volstrekt
niet zoo doordringend „Stilte!” te roepen, want alle jongens zaten
zwijgend en onbewegelijk op hunne plaatsen.

Wij zagen mijnheer Creakle spreken en hoorden Tungay het volgende
uitbulderen:

„Nu, jongens, zijn wij aan het begin van een nieuw halfjaar. Past op,
dat gij uw best doet in dit halfjaar. Leert uwe lessen flink, want ik
sla er flink op los. Ik zal niet zwak zijn. Het helpt niet of gij u al
wrijft; de striemen blijven toch zichtbaar. En nu, alle jongens aan het
werk!”

Toen deze geduchte toespraak geëindigd was en Tungay stampend was
heengegaan, kwam mijnheer Creakle naar de plaats, die mij aangewezen
was en vertelde mij, dat als ik zoo'n kwade bijter was, hij ook een
kwade bijter zijn kon. Hij liet mij toen een Spaansch riet zien en
vroeg mij of ik niet dacht, dat dit ook voor tand kon dienen? Was het
een scherpe tand, zeg? Was het een oogtand, zeg? Was het er een met een
scherpe punt, zeg? Beet hij goed, zeg? Beet hij goed? Bij elke vraag
gaf hij mij een slag met het riet, die mij deed krimpen van de pijn; ik
was dus al heel spoedig thuis op Salem House—zooals Steerforth later
zei—en ook heel spoedig in tranen.

Ik heb niet willen zeggen, dat alleen mij zulk eene onderscheiding te
beurt viel, integendeel, aan een groot aantal jongens—vooral aan de
kleinsten—werd dezelfde eer bewezen, toen mijnheer Creakle de school
rondging. De helft van de jongens zaten, nog voor de les begon, te
wrijven en te schreien; en hoeveel er nog gewreven en geschreid hadden
voor de dagtaak was afgedaan, durf ik niet neerschrijven, uit vrees,
dat men mij van overdrijving zou beschuldigen.

Ik geloof, dat er nooit een man geleefd heeft, die meer van zijn beroep
genoot dan mijnheer Creakle. Hij vond het bepaald een genot de jongens
te ranselen, zooals een hongerig mensch geniet van een goeden maaltijd.
Ik merkte op, dat hij het vooral op dikke jongens gemunt had; zulke
jongens schenen een toovermacht op hem uit te oefenen, zoodat hij geen
rust scheen te hebben, eer hij hen weder had afgerost. Ik behoorde
blijkbaar niet tot de mageren, zooals ik maar al te gevoelig ondervond.
Wanneer ik nu nog aan dien „kerel” denk, begint mijn bloed te koken van
dezelfde onpartijdige verontwaardiging, die in mij zou opkomen, indien
ik alles van hem wist zonder ooit in zijn macht te zijn geweest; maar
het kookt over, omdat ik hem heb leeren kennen als een redeloos dier,
als iemand, die niet meer recht had op het vertrouwen, dat hij genoot,
dan op eene aanstelling als Admiraal van de vloot of Commandant van
het leger; in beide betrekkingen zou hij zeker minder onheil gesticht
hebben dan in die van opvoeder der jeugd.

En wij, kleine aanbidders van een onbarmhartigen afgod, wij kropen voor
hem! Wanneer ik nu aan dit begin van ons eigenlijk leven terugdenk,
o hoe komt mijn ziel dan in verzet tegen zulk eene laagheid! Hoe
vreeselijk om zoo slaafsch onderworpen te zijn aan zulk een onmensch!

Daar zit ik in gedachten weder aan mijn lessenaar, naar hem
opkijkende—ootmoedig naar hem opkijkende, terwijl hij een rekenschrift
linieert voor een ander slachtoffer, wiens hand juist kennis heeft
gemaakt met dezelfde liniaal en die nu de striemen poogt weg te wrijven
met een zakdoek. Ik heb werk genoeg. Het is geen luiheid van mij dat
ik hem zit aan te kijken, maar omdat ik in zijne oogen wil lezen wat
hij verder doen zal, en of ik zelf het eerstvolgende slachtoffer zijn
zal, dan wel een ander. Een geheele rij jongens van mijne grootte
staren hem met dezelfde angstige belangstelling aan. Ik vermoed dat
hij het wel ziet, al beweert hij het tegendeel. Onder het liniëeren
trekt hij allerlei leelijke gezichten en nu valt zijn oog plotseling
op onze rij en wij kijken in onze boeken en beven over al onze leden.
In het volgende oogenblik zijn onze blikken weder op hem gevestigd.
Een ongelukkig slachtoffer, dat zijne thema's niet netjes genoeg
heeft geschreven, nadert op zijn bevel. De schuldige stottert eene
verontschuldiging en belooft het den volgenden dag beter te zullen
doen. Mijnheer Creakle zegt een aardigheid voor hij hem begint te
ranselen, en wij—wij lachen! Ellendige kleine slaven, wij lachen, met
gezichten zoo bleek als de muur en het hart in de schoenen!

Daar zit ik weder aan mijn lessenaar. Het is een heete, loome
zomernamiddag. Er is een gebrom en gegons in de zaal alsof er
paardevliegen in plaats van jongens om mij heen zitten. Ik heb nog den
nasmaak in den mond van het walgelijk vette, lauwe vleesch—wij hebben
eenige uren geleden het middagmaal gebruikt—en mijn hoofd is zoo zwaar
als lood. Ik zou wel, ik weet zelf niet wat, willen geven als ik mocht
slapen. Terwijl ik elke beweging van mijnheer Creakle met de oogen
volg, zit ik te knipoogen als een jonge uil. Op een oogenblik overmant
mij de slaap, maar ik blijf hem toch zien liniëeren; daar nadert hij
zachtjes en wekt mij met een bloedigen striem over mijn rug.

Nu ben ik op de speelplaats en ofschoon ik hem niet zien kan, oefenen
zijne oogen toch macht op mij uit. Het venster van de kamer, waar hij
zit te eten—en dat weet ik—vervult die taak, en mijne oogen zijn er
voortdurend op gevestigd. Als zijn gelaat daar zichtbaar wordt, neemt
het mijne eene smeekende, onderdanige uitdrukking aan. Als hij door
het venster kijkt, blijft de onverschrokkenste jongen—Steerforth
uitgezonderd—steken in een vreugdekreet of in zijn spel en staart
peinzend voor zich uit. Op zekeren dag gooit Traddles—de ongelukkigste
jongen van de wereld—een van de ruiten van dat venster in met een
bal. Ik huiver nog wanneer ik aan dat vreeselijk oogenblik denk; toen
ik het zag gebeuren, onmiddellijk beseffende, dat de bal op mijnheer
Creakle's heilig hoofd moest zijn neergekomen!

Arme Traddles! In zijn nauw hemelsblauw buisje, waarin zijne armen op
Duitsche worsten geleken, was hij de vroolijkste en ongelukkigste van
ons allen. Hij kreeg altijd slaag—ik geloof, dat hij in dit half jaar
elken dag slaag kreeg behalve op een Pinkster-Maandag, toen hij alleen
maar met de liniaal op beide handen geslagen werd—en zou er altijd aan
zijn oom over schrijven, maar deed het nooit.

Na eenige oogenblikken met het hoofd op de lessenaar gelegen te hebben,
richtte hij zich weder op, begon te lachen en geraamten te teekenen
op zijne lei, nog eer zijne oogen droog waren. In het eerst vroeg ik
mij zelven met verbazing af, welke troost Traddles vinden kon in het
teekenen van geraamten, ja, zelfs beschouwde ik hem eenigen tijd als
een soort kluizenaar, die zich door dit symbool van de sterfelijkheid
telkens weder wilde te binnen brengen, dat slaag krijgen toch niet
eeuwig kon duren. Nu geloof ik echter, dat hij het alleen deed, omdat
ze gemakkelijk te teekenen en er geen gelaatstrekken bij noodig zijn.

Traddles was een beste, edele jongen, die het als een heilige plicht
beschouwde van jongens om elkander trouw te blijven. Hij moest
daarvoor bij verscheidene gelegenheden zwaar boeten; vooral op zekeren
Zondag, toen Steerforth in de kerk gelachen had en de kerkeknecht,
meenende, dat Traddles de schuldige was, dezen wegjoeg. Ik zie hem
nog wegbrengen, door de geheele gemeente veracht. Nooit heeft hij
gezegd wie de dader was, hoewel hij er zwaar voor werd gestraft en zoo
lang opgesloten werd, dat hij terugkomende zijn Latijnsch woordenboek
geheel met geraamten had overdekt—genoeg voor een kerkhof vol. Hij
werd echter beloond, want Steerforth zei, dat Traddles nimmer een
lafhartigheid zou kunnen begaan en wij allen voelden, dat hem geen
grooter lof kon worden geschonken. Wat mij aangaat, ik zou veel voor
hem hebben kunnen verdragen—al was ik niet half zoo dapper en ook veel
jonger dan Traddles—om zulk eene belooning te verdienen.

Steerforth naar de kerk te zien wandelen, gearmd met juffrouw Creakle,
was een schouwspel, dat ik nooit heb kunnen vergeten. Ik was van
oordeel, dat juffrouw Creakle lang zoo mooi niet was als de kleine
Emily en ik was ook niet verliefd op haar—ik zou het niet gedurfd
hebben—; maar ik vond haar een allerliefst en aantrekkelijk meisje.
Wanneer Steerforth met zijn witte broek haar parasol mocht dragen, was
ik er trotsch op hem Steerforth te mogen noemen; ik meende, dat zij hem
niet alleen moest liefhebben, maar hem moest aanbidden. Mijnheer Sharp
en mijnheer Mell waren in mijne oogen achtenswaardige personen, maar
zij stonden tot Steerforth in dezelfde verhouding als de sterren tot de
zon.

Steerforth ging voort mij te beschermen en bleek een zeer nuttig
vriend voor mij te zijn, want geen van de jongens waagde het iemand te
plagen, dien hij zijne vriendschap waardig keurde. Hij kon mij niet
verdedigen—ten minste hij deed het niet—tegen mijnheer Creakle, die
zeer streng voor mij was; maar wanneer ik eens erger mishandeld was dan
gewoonlijk, zei hij altijd, dat ik wat van zijn moed moest overnemen en
dat hij het niet zou hebben verdragen; ik begreep, dat hij dit zeide om
mij aan te moedigen en vond het zeer vriendelijk van hem. Er was ééne
goede zijde, maar ook slechts ééne, in mijnheer Creakle's overdreven
gestrengheid. Het plakkaat zat hem in den weg, wanneer hij achter de
bank doorging, waarop ik zat, en mij in het voorbijgaan wilde afrossen;
om deze reden werd het spoedig verwijderd en zag ik het nooit terug.

Eene toevallige omstandigheid versterkte den vriendschapsband tusschen
Steerforth en mij op eene wijze, die niet weinig mijne eigenliefde
streelde en mij groote voldoening schonk, hoewel er somtijds wel eens
onaangenaamheden uit voortvloeiden. Bij zekere gelegenheid, dat hij
mij de eer bewees op de speelplaats tegen mij te spreken, waagde ik de
opmerking, dat iets of iemand—ik weet het nu niet meer—leek op iets
of iemand in Peregrine Pickle. Hij antwoordde niet op deze opmerking,
doch toen wij des avonds naar bed gingen, vroeg hij mij of ik dat boek
had.

Ik antwoordde, dat ik het niet had en vertelde hem toen ook, wanneer
ik dat boek en alle andere boeken, waarvan ik reeds vroeger melding
maakte, gelezen had.

„En hebt gij er wat van onthouden?” vroeg Steerforth.

„O, zeker,” antwoordde ik, „ik heb een goed geheugen en zal er zeker
wel wat van onthouden hebben.”

„Dan zal ik u eens wat zeggen, kleine Copperfield; gij moet er mij
van vertellen. Ik kan 's avonds nooit in slaap komen en word 's
morgens altijd veel te vroeg wakker. Wij zullen ze allen een voor een
doorloopen. Wij zullen er ware Arabische nachten van maken.”

Ik voelde mij uitermate gestreeld door deze afspraak en wij brachten
ons plan reeds denzelfden avond ten uitvoer. Hoe ik mijne uitverkoren
schrijvers mishandelde, terwijl ik hunne verhalen trachtte na te
vertellen, kan ik nu niet meer zeggen en zou ik ook niet gaarne weten;
maar ik beschouwde al hetgeen ik van hen gelezen had, als de zuivere
waarheid en voor zoover ik het mij herinneren kan, vertelde ik alles op
eenvoudige, ernstige wijze, en deze beide eigenschappen hielpen er mij
goed doorheen.

De keerzijde van de medaille was, dat ik 's avonds dikwijls slaperig
of niet helder was en dientengevolge weinig lust had om mijn verhaal
te beginnen; dan was het eene moeielijke taak, maar zij moest toch
afgedaan worden, want Steerforth teleur te stellen kwam zelfs niet
in mij op. Ook 's morgens, wanneer ik nog heel gaarne een uurtje zou
hebben geslapen, was het verre van aangenaam, gewekt te worden, evenals
de sultane Scheherezade, en eene lange geschiedenis te vertellen voor
de bel werd geluid, die het sein gaf om op te staan; maar Steerforth
bleef op zijn stuk staan en wanneer hij mij dan hielp bij mijne sommen
en thema's of mij iets, dat te moeilijk voor mij was, uitlegde, was
ik in geenen deele de verliezende partij. Laat ik echter rechtvaardig
zijn jegens mij zelven. Ik werd volstrekt niet door zelfzuchtige
beweegredenen gedreven, noch door vrees voor hem. Ik bewonderde hem
en hield van hem en zijn tevreden gezicht was belooning genoeg voor
mij. Ik schatte die belooning zoo hoog, dat ik met weemoed aan al deze
beuzelarijen terugdenk. Steerforth was ook steeds bezorgd voor mij
en toonde dit bij zekere gelegenheid op in het oog loopende wijze;
voor den armen Traddles en de overige jongens was dit eene ware
Tantaluskwelling. Al heel spoedig namelijk kwam Peggotty's brief—welk
een heerlijke brief was dat!—vergezeld van een koek, eenige
sinaasappelen en twee flesschen kruidenwijn. Zooals de plicht het
gebood, legde ik dezen schat aan de voeten van Steerforth, met verzoek
uitdeeling te houden.

„Ik zal u eens wat vertellen, Copperfieldje,” zei hij; „wij zullen den
wijn bewaren om uw keel te smeren wanneer gij aan het vertellen zijt.”

Ik bloosde bij de gedachte aan zulk een zelfzuchtig gebruik en verzocht
hem in mijne bescheidenheid, dat denkbeeld te laten varen. Hij zeide
echter opgemerkt te hebben dat ik wat schor was—wat schraperig, zei
hij eigenlijk—en daarom zou geen droppel op andere wijze gebruikt
worden dan hij had besloten. Dientengevolge werden de flesschen in zijn
koffer weggesloten, door hem zelven overgegoten in een medicijnfleschje
en wanneer ik een hartversterking noodig had, mocht ik er wat van
gebruiken door een penneschacht, die door de kurk gestoken was. Ten
einde het middel wat krachtiger te maken, kneep hij er nu en dan een
sinaasappel in uit of liet hij er pepermunt of gemberkoekjes in smelten
en hoewel ik niet kan toegeven, dat door deze bijvoegsels de smaak werd
verhoogd, of dat dit mengsel nu bepaald gekozen zou zijn voor eene
maagversterking—hetzij des morgens of des avonds—slurpte ik het toch
dankbaar op en was zeer gevoelig voor zijne herhaalde oplettendheden
voor mij.

Het komt mij nu voor alsof wij maanden aan Peregrine en nog eens
maanden aan de overige verhalen besteed hebben. Ik ben overtuigd, dat
het nooit haperde, omdat ik uitverteld was en de hoeveelheid wijn was
even rekbaar als de stof. Traddles—ik kan nooit aan dien jongen denken
zonder een eenigszins vreemdsoortigen aandrang tot lachen, terwijl
mij tevens tranen in de oogen komen—trad gewoonlijk op als publiek
en deed, alsof hij bij de grappige gedeelten een stuip kreeg van het
lachen en alsof de angst hem om het hart sloeg, wanneer het verhaal
een akelige wending nam. Meermalen werd ik door zijne hartstochtelijke
uitbarstingen afgeleid. Een van zijne grappen bestond in de bewering,
dat hij het klappertanden niet kon nalaten, wanneer er sprake was van
een Alguazil in verband met de avonturen van Gil Blas en ik herinner
mij nog, dat toen Gil Blas den rooverkapitein in Madrid ontmoette,
de onverbeterlijke grappenmaker zich uit louter angst—zooals hij
beweerde—zoo aanstelde, dat mijnheer Creakle, die op de gang
spionneerde, hem hoorde en hem een pak ransel gaf wegens wanordelijk
gedrag op de slaapzaal.

Al het romantische en droomerige in mijne natuur werd door dit
sprookjes vertellen in het donker in geen geringe mate opgewekt en
uit dat oogpunt zal het waarschijnlijk niet in mijn belang zijn
geweest. Ik voelde dit toen reeds eenigszins, maar dat ik op onze
kamer geliefkoosd werd als een stuk speelgoed, wetende, hoe er over
mijn talent als verteller onder de jongens werd gesproken en dat ik,
hoewel de jongste, daaraan een zeker aanzien te danken had, dat alles
spoorde mij aan om er mede voort te gaan. Het is zeer onwaarschijnlijk,
dat in eene school, waar wreedheid aan het roer is, al staat er geen
domkop aan het hoofd, veel geleerd zal worden. Ik geloof dat onze
jongens in het algemeen dommer waren dan welke andere jongens ook
van onzen leeftijd; zij waren steeds bevreesd voor slaag—wanneer
zij namelijk een pak gehad hadden—zoodat zij niet in staat waren
hunne aandacht aan het leeren te wijden; zij konden dat evenmin met
lust en ijver doen, als iemand iets met lust en ijver doen kan, die
voortdurend geplaagd en mishandeld wordt en zich ongelukkig gevoelt.
Mijne kinderlijke ijdelheid dreef mij echter met de hulp van Steerforth
voort en zonder mij voor veel—zoo al voor eenige—straf te vrijwaren,
was ik toch gedurende den tijd, dien ik op Salem House doorbracht, eene
uitzondering op den algemeenen regel in zoover ik nog eenige, zij het
ook weinige, kennis opdeed. Ik werd hierin zooveel mogelijk bijgestaan
door mijnheer Mell, die veel van mij toonde te houden, waarvoor ik hem
thans nog dankbaar ben. Het deed mij altijd onaangenaam aan, wanneer ik
opmerkte, dat Steerforth hem met stelselmatige minachting behandelde en
zelden eene gelegenheid liet voorbijgaan, om hem te kwetsen of anderen
op te zetten het te doen. Dit kwelde mij langen tijd, te meer, omdat ik
reeds heel spoedig aan Steerforth, voor wien ik evenmin een geheim kon
bewaren als een koekje of eenig ander tastbaar voorwerp, verteld had,
dat Mijnheer Mell mij medegenomen had naar twee oude juffrouwen en wat
ik daar beleefd had; ik verkeerde na dien tijd in voortdurenden angst,
dat Steerforth het aan het licht zou brengen of er hem een verwijt van
maken.

Wij konden niet vermoeden—geen van beiden, durf ik zeggen—toen
ik dien morgen mijn ontbijt gebruikte en in de schaduw van de
pauwenveeren, bij het liefelijk fluitspel, in slaap viel, welke
gevolgen het bezoek van mijn onbeteekenend persoontje in dit hofje
hebben zou. Toch zou het onverwachte en in hunne soort zeer ernstige
gevolgen hebben.

Op zekeren dag, dat mijnheer Creakle wegens ongesteldheid zijne kamer
hield, hetgeen natuurlijk met onverdeelde vreugde werd vernomen,
ging het gedurende de morgenuren zeer onstuimig toe in de school.
De verademing en de blijdschap waren oorzaak, dat de meeste jongens
onhandelbaar waren en hoewel de gevreesde Tungay twee of drie malen op
zijn houten been kwam binnenstampen en de namen van eenige belhamels
opschreef, maakte dit weinig indruk. Zij wisten immers zeker, dat zij
den volgenden dag toch weder afgerost zouden worden, wat zij ook deden
of nalieten, en gaven er daarom wijselijk de voorkeur aan, dien dag
eens flink den baas te spelen.

Het was eigenlijk maar een halve dag, want het was Zaterdag; maar
aangezien het leven op de speelplaats mijnheer Creakle gehinderd zou
hebben en het weder niet gunstig was voor eene wandeling, werden
wij in de school gehouden en kregen wij wat minder moeilijk werk
dan gewoonlijk. Het was ook de dag, dat mijnheer Sharp uitging om
zijne pruik te laten opkrullen, zoodat mijnheer Mell, die altijd de
onaangenaamste baantjes kreeg, alleen in de school was.

Indien ik het begrip „beer of stier” kon verbinden aan iemand, zoo
zachtmoedig als mijnheer Mell, zou ik zeggen, dat hij dien namiddag,
toen het tumult het toppunt bereikt had, zeer veel overeenkomst
vertoonde met zulk een dier, wanneer het door duizend honden wordt
vervolgd en opgejaagd. Ik zie hem nog voor mij, met het gloeiende
hoofd in de magere hand, gebogen over het groote boek op zijne
schrijftafel en te vergeefs beproevend voort te gaan met zijn vervelend
en eentonig werk te midden van een kabaal, dat zelfs den voorzitter
van het Lager Huis zou hebben doen duizelen. De jongens zaten geen
oogenblik op hunne plaatsen, speelden stuivertje verwisselen in de
hoeken van de zaal; daar waren lachende jongens, zingende jongens,
pratende jongens, dansende jongens, brullende jongens; daar waren
jongens, die met hunne voeten zaten te schuifelen, jongens, die om
mijnheer Mell heendraaiden, jongens, die grijnsden, die leelijke
gezichten trokken of grimassen maakten achter zijn rug, den spot dreven
met zijne armoede, zijne laarzen, zijn jas, zijne moeder, ja met alles,
dat hem toebehoorde en—dat zij hadden behooren te eerbiedigen.

„Stilte!” riep mijnheer Mell, terwijl hij plotseling opstond en met
zijn boek op de lessenaar sloeg. „Wat moet dat beduiden? Dat is niet
uit te staan! Het is om razend te worden! Hoe kunt gij mij dat nu
aandoen, jongens?”

Het was mijn boek, waarmede hij op de tafel sloeg, en terwijl ik naast
hem stond en den blik volgde, waarmede hij de zaal rondkeek, zag ik dat
de jongens ophielden; sommige schenen verrast, andere bevreesd, enkelen
gevoelden wellicht spijt.

Steerforth's plaats was aan het andere einde van de lange zaal. Hij
leunde met den rug tegen den muur, had de handen in de zakken en toen
mijnheer Mell sprak, keek hij hem aan en begon te fluiten.

„Stilte, jongeheer Steerforth!” riep mijnheer Mell.

„Houd zelf je mond,” gaf Steerforth terug, met een kleur als vuur.
„Tegen wien spreekt gij?”

„Ga zitten,” zei mijnheer Mell.

„Ga zelf zitten,” antwoordde Steerforth, „en doe je werk.”

Er werd gegiegel en een zacht applaus gehoord, maar mijnheer Mell was
zoo bleek geworden, dat er onmiddellijk stilte volgde en een jongen,
die achter hem geslopen was om op nieuw zijne moeder na te apen, hield
plotseling op en gaf voor dat zijne pen vermaakt moest worden.

„Indien gij meent, Steerforth,” zei mijnheer Mell, „dat ik niet weet
welk eene macht gij op iedereen hier oefent”—hij legde, zonder te
weten wat hij deed, veronderstel ik, zijne hand op mijn hoofd—„of
dat ik niet heb opgemerkt, hoe gij de kleintjes opzet tegen mij, dan
vergist gij u.”

„Ik geef mij zelfs de moeite niet om over je te denken,” antwoordde
Steerforth op onverschilligen toon; „er is dus van vergissen geen
sprake.”

„En zoo gij van uwe bevoorrechte positie in dit huis gebruikt maakt
om een fatsoenlijk man te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell met
trillende lippen....

„Een wat?.... Waar is die?” vroeg Steerforth.

Op dit oogenblik riep een van allen: „Schaam je, Steerforth! Dat is te
erg!” Het was Traddles, wien mijnheer Mell, door hem te verzoeken zijn
mond te houden, onmiddellijk uit het veld sloeg.

.... „Iemand te beleedigen, die niet gelukkig is in zijn leven en u
nooit iets heeft misdaan; terwijl gij oud en wijs genoeg zijt om de
vele redenen te begrijpen, die er zijn om hem niet te beleedigen,”
vervolgde mijnheer Mell, terwijl zijne lippen hoe langer hoe heviger
begonnen te trillen, „dat is laag en karakterloos. Gij kunt opstaan of
blijven zitten, zooals gij verkiest, jongeheer Steerforth. Ga voort,
Copperfield.”

„Copperfieldje,” zei Steerforth nadertredende, „wacht nog even. Ik zal
u eens vooral wat vertellen, mijnheer Mell. Als gij de vrijheid neemt
mij laag en karakterloos te noemen of iets van dien aard, zijt gij een
onbeschaamde bedelaar. Gij zijt altijd een bedelaar, begrijpt gij, maar
als gij dat doet, zijt gij een onbeschaamde bedelaar.”

Ik weet niet of hij mijnheer Mell te lijf wilde of dat mijnheer
Mell hem wilde slaan, of dat beiden dat plan hadden. Ik zag echter
plotseling de geheele school als het ware versteenen; ik zag mijnheer
Creakle midden tusschen ons staan met Tungay aan zijne zij; ik zag
mevrouw en juffrouw Creakle met den angst op het gelaat door de
geopende deur kijken. Mijnheer Mell stond roerloos met de ellebogen op
zijn lessenaar en het gelaat in zijne handen begraven.

„Mijnheer Mell,” zei mijnheer Creakle, terwijl hij hem bij een arm
heen en weer schudde—hij sprak nu zoo verstaanbaar, dat Tungay zijne
woorden niet behoefde te herhalen—„gij hebt u zelven immers niet
vergeten, hoop ik?”

„Neen, mijnheer, neen,” antwoordde mijnheer Mell, terwijl hij hem
hoofdschuddend aankeek en in de grootste vertwijfeling in zijne handen
wreef. „Neen, mijnheer. Neen. Ik ben mij zelven gebleven, mijnheer.
Neen, mijnheer Creakle, ik heb mij zelven niet vergeten.... ik.... ik
ben mij zelven gebleven, mijnheer. Ik wilde wel, dat gij wat eerder
aan mij gedacht hadt, mijnheer Creakle. Dat..... dat zou vriendelijker
geweest zijn, mijnheer, veel vriendelijker en rechtvaardiger ook,
mijnheer. Dat zou mij iets bespaard hebben, mijnheer.”

Mijnheer Creakle keek hem strak aan, legde zijne hand op Tungay's
schouder, zette den voet op de naastbij zijnde bank en ging op de
lessenaar zitten. Na nogmaals mijnheer Mell strak aangekeken te hebben,
terwijl deze voortging zenuwachtig in de handen te wrijven, keerde
mijnheer Creakle zich tot Steerforth en zeide:

„Nu, jongeheer Steerforth, als hij zich niet verwaardigt mij te
vertellen, wat er gebeurd is, doe gij het dan.”

Steerforth was door deze vraag een oogenblik van zijn stuk gebracht;
hij keek zijn tegenstander minachtend en toornig aan en bewaarde
het stilzwijgen. Ik kon het niet helpen, dat ik op dit oogenblik
dacht—ik herinner het mij zeer goed—wat is hij toch een kranige
figuur, vergeleken met mijnheer Mell, die daar zoo treurig en hulpeloos
tegenover staat.

„Waarom sprak hij over gunstelingen of iets dergelijks?” zei Steerforth
eindelijk.

„Gunstelingen?” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn
voorhoofd hevig zwollen. „Wie sprak van gunstelingen?”

„Hij,” zei Steerforth.

„Wat bedoeldet gij daarmede, mijnheer?” vroeg mijnheer Creakle, terwijl
hij zich met een toornigen blik naar zijn onderwijzer richtte.

„Ik bedoelde, mijnheer Creakle,” antwoordde mijnheer Mell op zachten
toon, „wat ik zeide; dat geen der leerlingen het recht heeft van zijne
begunstigde positie gebruik te maken, om mij te beleedigen.”

„U te beleedigen?” riep mijnheer Creakle. „Groote Goedheid! Maar sta
mij toe u te vragen, mijnheer—Hoe heet gij ook weer?”—mijnheer
Creakle sloeg de armen, met stok en al, over elkander en trok de
wenkbrauwen zoo dicht bij elkaar, dat er bijna niets meer van zijne
oogen te zien was, „of gij, toen gij van gunstelingen spraakt, den
noodigen eerbied hebt bewezen aan mij? Aan mij, mijnheer,” herhaalde
hij, zijn hoofd met een ruk voor en weder achterover buigend, „uw
patroon, het hoofd van de school?”

„Het was niet oordeelkundig, mijnheer, dat wil ik wel aannemen,”
antwoordde mijnheer Mell. „Ik zou het niet gedaan hebben, indien ik
kalm gebleven was.”

Nu viel Steerforth in.

„Hij heeft ook gezegd, dat ik laag was en hij heeft gezegd, dat ik
karakterloos was en toen noemde ik hem een bedelaar. Als ik kalm was
geweest, zou ik hem wellicht geen bedelaar hebben genoemd. Ik deed het
en ben nu bereid de gevolgen te dragen.”

Zonder te vermoeden welke gevolgen hij zou te dragen hebben, rees
hij door dit kloeke gezegde zoo mogelijk nog meer in mijne achting.
Ook op de andere jongens maakten zijne woorden indruk; er kwam eenige
opschudding onder hen, hoewel niemand een woord durfde spreken.

„Het verbaast mij, Steerforth, al doet uwe oprechtheid u eer aan,”
zei mijnheer Creakle,..... „u zeer zeker eer aan—het verbaast mij,
Steerforth, dat moet ik zeggen, dat gij iemand, die aan Salem House
verbonden is en door mij betaald wordt, zulk een bijnaam kunt geven.”

Steerforth lachte even.

„Dat is geen antwoord, jongeheer,” zei mijnheer Creakle, „dat is geen
antwoord op mijne opmerking. Ik verwacht eene nadere verklaring van u,
Steerforth.”

Mocht mijnheer Mell er zooeven nietig hebben uitgezien tegenover den
knappen Steerforth, het is onmogelijk te zeggen, hoe nietig mijnheer
Creakle thans in mijne oogen was geworden.

„Laat het hem ontkennen als hij kan,” zei Steerforth.

„Ontkennen dat hij een bedelaar is?” riep mijnheer Creakle. „Waar gaat
hij dan bedelen?”

„Indien hij zelf al geen bedelaar is, dan is toch een zeer nauwe
bloedverwant van hem een bedelaar,” antwoordde Steerforth. „Dat is
hetzelfde.”

Hij glimlachte tegen mij en mijnheer Mell klopte mij vriendelijk op
den schouder. Ik keek op met een blos op het gelaat en schaamte in het
hart, doch mijnheer Mell's oogen waren op Steerforth gericht. Hij ging
voort mij vriendelijk op den schouder te kloppen, maar bleef Steerforth
aankijken.

„Indien gij wenscht, dat ik mij rechtvaardigen zal, mijnheer Creakle,”
zei Steerforth, „dat ik zeggen zal wat ik bedoel.... wat ik te zeggen
heb, is dat zijne moeder van aalmoezen leeft in een hofje.”

Mijnheer Mell bleef hem aankijken en mij op den schouder kloppen en
zei, als ik het goed vernam, fluisterend tot zich zelven. „Dat dacht
ik wel.”

Mijnheer Creakle keerde zich tot zijn ondermeester met een streng
gelaat en gemaakt beleefden toon:

„Gij hoort wat deze jongeheer zegt, mijnheer Mell. Heb de goedheid hem
in het bijzijn van de geheele school te logenstraffen.”

„Hij zegt de waarheid, mijnheer, ik behoef hem niet te logenstraffen,”
sprak mijnheer Mell te midden van eene doodsche stilte. „Het is de
zuivere waarheid.”

„Wil dan zoo goed zijn te verklaren”, vervolgde mijnheer Creakle,
terwijl hij zijn hoofd op zijde hield en zijne oogen door hunne kassen
rolden, „of ik daarvan tot op dit oogenblik iets geweten heb?”

„Ik geloof niet rechtstreeks”, antwoordde mijnheer Mell.

„Hoe, weet gij dat niet?” zei mijnheer Creakle. „Weet gij dat niet,
man?”

„Ik vermoed, dat gij mijne omstandigheden nooit voor schitterend hebt
gehouden”, antwoordde mijnheer Mell. „Gij weet hoe mijne positie is en
altijd hier is geweest.”

„En ik vermoed”, zei mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn
voorhoofd hoe langer hoe dikker werden, „dat gij hier nooit op uwe
plaats zijt geweest en deze school voor een liefdadigheidsinrichting
hebt aangezien. Wij zullen scheiden, mijnheer Mell—hoe eerder hoe
beter.”

„Niet beter dan terstond,” antwoordde mijnheer Mell, zich oprichtende.

„Zeer juist, mijnheer!” zei mijnheer Creakle.

„Ik zal afscheid van u nemen, mijnheer Creakle, en van u allen!” zei
mijnheer Mell, terwijl hij de geheele school rondkeek en mij nogmaals
vriendelijk op den schouder klopte. „En u, James Steerforth, kan ik
niets beters toewenschen dan dat gij u nog eens zult schamen over
hetgeen gij heden hebt gedaan. Op het oogenblik zou ik liever alles
anders in u willen zien dan een vriend van mij of van iemand in wien ik
belang stel.”

Nogmaals klopte hij mij op den schouder, nam toen zijne fluit en
eenige boeken uit de schrijftafel, waarin hij den sleutel achterliet
voor zijn opvolger, en verliet de school met zijn eigendom onder den
arm. Mijnheer Creakle hield toen met Tungay's mond een toespraak,
waarin hij Steerforth bedankte, dat hij—misschien met wat al te veel
ijver—den goeden naam en het fatsoen van Salem House had opgehouden,
en die hij besloot met Steerforth de hand te schudden, terwijl wij
driemaal „hoezee!” riepen; ik wist niet goed waarom, maar onderstelde,
dat het voor Steerforth was, zoodat ik met vuur meeschreeuwde, hoewel
ik volstrekt niet vroolijk gestemd was. Daarop werd Traddles afgerost,
omdat mijnheer Creakle tranen op zijn gezicht ontdekte en hij geen
hoezee riep, waarna mijnheer Creakle terug ging naar de sofa of het
bed, waarop hij gelegen had.

Wij waren nu aan ons zelve overgelaten en ik herinner mij zeer
goed, dat wij elkander eenigszins verlegen aankeken. Wat mij zelven
aangaat, ik voelde zooveel zelfverwijt en wroeging over hetgeen er
was voorgevallen, dat alleen de vrees voor Steerforth mijne tranen
terug hield. Ik zag, dat hij telkens naar mij keek, en vreesde dat hij
het onkameraadschappelijk of, ons verschil in leeftijd in aanmerking
genomen, ongepast zou vinden, indien ik toonde, dat ik bedroefd was
over het voorgevallene. Op Traddles was hij zeer boos en hij verklaarde
blijde te zijn, dat Traddles een pak slaag had gehad.

Arme Traddles! Hij was het tijdperk van met het hoofd op de lessenaar
te liggen reeds voorbij en troostte zich als gewoonlijk met het
teekenen van geraamten.

„Ik geef er niets om, maar mijnheer Mell is gemeen behandeld!” riep hij.

„Wie heeft hem gemeen behandeld, jongejuffrouw?” vroeg Steerforth.

„Wie? Gij!”

„Wat heb ik dan gedaan?”

„Wat gij gedaan hebt?” vroeg Traddles. „Gij hebt hem beleedigd en hem
zijne betrekking doen verliezen.”

„Beleedigd!” herhaalde Steerforth op minachtenden toon. „Hij zal
dat wel spoedig te boven komen, dat verzeker ik u. Hij is niet zoo
teergevoelig als gij, juffrouw Traddles. En zijne betrekking was toch
al niet zoo bijzonder schitterend—vindt gij wel? En dacht gij niet,
dat ik naar huis zal schrijven en zorgen dat hem wat geld gezonden
wordt?”

Wij vonden dit denkbeeld zeer edel van Steerforth, wiens moeder eene
rijke weduwe was en, zooals ik reeds vertelde, alles deed wat hij
vroeg. Wij waren blijde, dat Traddles op zulk eene wijze den mond
gesnoerd werd en verhieven Steerforth hemelhoog, vooral toen hij ons
vertelde, zooals hij zich wel verwaardigde te doen, dat hetgeen hij
had gedaan, alleen om ons, tot ons bestwil was gedaan en dat hij
meende recht te hebben op onze dankbaarheid door zoo onbaatzuchtig te
handelen. Toen het avond was en ik in het duister zat te vertellen,
meende ik echter voortdurend het klagende geluid van mijnheer Mell's
fluit te hooren, en toen Steerforth, die vermoeid was, niet meer
luisterde en ik in mijn eigen bed lag, verbeeldde ik mij telkens, dat
hij ergens in mijne nabijheid heel treurig zat te spelen en voelde ik
mij diep ongelukkig.

Al heel spoedig echter had het verdriet over mijnheer Mell plaats
gemaakt voor bewondering van Steerforth, die geheel vrijwillig
en zonder boeken—het kwam mij voor, dat hij alles van buiten
kende—eenige lessen waarnam tot er een nieuwe onderwijzer was
gevonden. Deze kwam van een gymnasium en werd, voor hij in functie
trad, uitgenoodigd om in den familiekring het middagmaal te gebruiken,
ten einde aan Steerforth te worden voorgesteld. Steerforth roemde
hem zeer en vertelde ons, dat hij een kraan was. Zonder duidelijk te
begrijpen wat Steerforth daarmee bedoelde, keek ik toch reeds hoog
tegen hem op en twijfelde er niet aan of hij moest wel zeer knap zijn;
hij trok zich echter veel minder van mij aan—niet dat hij mij had
moeten begunstigen—dan mijnheer Mell gedaan had.

Er gebeurde in dit eerste halfjaar nog iets buiten het gewone
schoolleven, dat om verscheidene redenen een indruk op mij maakte voor
het leven.

Op zekeren namiddag, terwijl er in de school eene treurige verwarring
heerschte en mijnheer Creakle duchtig van zijn rietje gebruik maakte,
kwam Tungay binnen en riep met zijne gewone forsche stem: „Bezoek voor
Copperfield!”

Er werden eenige woorden gewisseld tusschen hem en mijnheer Creakle
aangaande den aard van het bezoek en over de kamer, waarin de bezoekers
ontvangen moesten worden; daarna werd mij, die, volgens de gewoonte in
dergelijke gevallen, was opgestaan en van verbazing en verlegenheid
een kleur had gekregen, bevolen de achtertrap op te gaan en een schoon
boordje om te doen eer ik mij naar de eetzaal begaf. Ik gehoorzaamde
werktuigelijk aan dit bevel, maar was zoo gejaagd en zenuwachtig als
ik mij zelven nooit had gezien; toen ik den knop van de eetkamerdeur
reeds in de hand had en de gedachte in mij opkwam, dat het misschien
mijne moeder kon zijn—ik had aan niemand dan aan mijnheer en juffrouw
Murdstone gedacht—trok ik de hand terug en moest ik eerst uitsnikken
voor ik binnenging.

In het eerste oogenblik zag ik niemand, maar aangezien ik eene drukking
tegen de deur voelde, keek ik eens rond en ziet, daar stonden tot mijne
niet geringe verbazing baas Peggotty en Ham, buigingen makende met de
hoeden in de hand en elkander tegen den muur drukkende. Ik kon het niet
helpen, dat ik lachte, maar het was veel meer uit pleizier van hen
terug te zien dan om de dwaze vertooning, die zij maakten. Wij schudden
elkander op de meest kameraadschappelijke wijze de hand en ik lachte en
lachte, tot ik mijn zakdoek te voorschijn moest halen om mijne oogen
af te wisschen.

Baas Peggotty, die gedurende dit bezoek geen oogenblik den mond sloot,
scheen zeer aangedaan, toen hij mij dit zag doen en stiet Ham met den
elleboog aan, om iets te zeggen.

„Wees maar vroolijk, jongeheer Davy!” zei Ham met zijn gewoon onnoozel
lachje. „Wel, wel, wat zijt gij groot geworden!”

„Ben ik groot geworden?” vroeg ik, mijne oogen afdrogend. Ik schreide
niet om iets of om een reden, maar het terugzien van oude vrienden deed
mij zonder twijfel zoo aan—anders begrijp ik het niet.

„Groot geworden, jongeheer Davy? Of hij groot geworden is!” zei Ham.

„Of hij groot geworden is!” herhaalde baas Peggotty.

Zij lachten beiden, zoodat ik ook weder moest lachen en toen lachten
wij alle drie, totdat ik weder op het punt was om in tranen uit te
barsten.

„Weet gij ook hoe mijne mama het maakt, baas Peggotty?” vroeg ik. „En
hoe mijne oude, lieve, lieve Peggotty het maakt?”

„Opperbest,” antwoordde baas Peggotty.

„En de kleine Emily en juffrouw Gummidge?”

„Opperbest,” herhaalde baas Peggotty.

Nu volgde er een oogenblik stilte. Ten einde daaraan een einde te maken
haalde baas Peggotty twee reusachtige kreeften, een groote krab en een
zak van zeildoek vol versche garnalen te voorschijn en stapelde die op
Ham's armen op.

„Gij ziet,” zei baas Peggotty, „wij hebben goed onthouden, dat gij veel
van een lekker hapje houdt, en daarom waren wij zoo vrij dit voor u
mede te brengen. Ons oudje heeft ze gekookt. Juffrouw Gummidge heeft
ze gekookt. Ja,” herhaalde hij zachtjes, bij het onderwerp blijvende,
omdat hij op het oogenblik geen ander bij de hand had, „ja, juffrouw
Gummidge heeft ze gekookt.”

Ik betuigde hun mijn dank en nadat baas Peggotty eerst Ham had
aangekeken, die met zijn schaapachtig gezicht maar stond te grinniken,
zonder een enkele maal eene poging te doen om zijn oom te helpen, zei
hij:

„Wind en getij waren gunstig, ziet gij, en daarom zijn wij met een van
onze Yarmouther loggers naar Gravesend gekomen. Mijne zuster schreef
mij den naam van deze plaats en dat, als ik eens te Gravesend kwam,
ik hierheen moest gaan en vragen hoe jongeheer Davy het maakt en hare
groeten doen en hem gezondheid wenschen en zeggen, dat allen het
opperbest maken. De kleine Emily, ziet ge, zal nu, als ik terugkom,
aan mijne zuster schrijven, dat ik u gezien heb en dat gij het ook
opperbest maakt—zoo gaat het als in een molentje rond.”

Ik moest een oogenblik nadenken, eer ik deze vergelijking van baas
Peggotty begreep. Ik bedankte hem toen hartelijk en zeide, ongetwijfeld
met eene kleur als vuur, dat kleine Emily zeker veel veranderd en
grooter geworden zou zijn, sinds wij schelpen zochten aan het strand?

„O, zij is al haast een groote meid, dat is ze,” antwoordde baas
Peggotty. „Vraag dat maar aan Ham.”

Ham's gezicht straalde van genoegen boven den zak met garnalen, terwijl
hij toestemmend knikte.

„Zij krijgt een gezichtje!” zei baas Peggotty en zijn eigen gezicht
straalde daarbij van louter vreugde.

„En zij leert zoo goed!” zei Ham.

„En zij schrijft zoo mooi!” vulde baas Peggotty aan. „De letters zijn
zoo zwart als gitten en zoo groot, dat gij ze in de verte al kunt
lezen.”

Het was een waar genot te zien met welk een geestdrift baas Peggotty
bezield werd, als hij over zijn aangenomen dochtertje sprak. Terwijl ik
dit schrijf, staat hij weder voor mij met zijn ruw en harig gezicht,
waarop niets dan liefde en trots te lezen zijn, een gezicht, dat
ik onmogelijk beschrijven kan. Zijne eerlijke oogen schitteren en
flikkeren, alsof daar binnen iets in beweging wordt gebracht. Zijne
ademhaling gaat sneller dan gewoonlijk en zijne groote, slappe handen
schijnen elkaar onwillekeurig te vinden en worden gevouwen; terwijl hij
in het volgend oogenblik, als om den ernst van zijne woorden ingang te
doen vinden, den rechterarm oplicht, die in de oogen van een dwergje,
zooals ik, een voorhamer gelijkt.

Ham gaf hem in opgewondenheid over de kleine Emily niets toe. Ik
geloof, dat zij nog veel meer van haar verteld zouden hebben, als
Steerforth niet onverwacht was binnengekomen, die, mij in gesprek
vindende met twee vreemde mannen, het liedje, dat hij zong, afbrak en
zeide: „Ik wist niet, dat gij hier waart”—het was niet de gewoonte
bezoekers in de eetkamer te ontvangen—en ons voorbijstapte bij het
verlaten van de kamer.

Of ik het deed uit trots op zulk een vriend als Steerforth dan wel
uit verlangen om hem te verklaren, hoe ik aan zulke vrienden kwam als
baas Peggotty en Ham, daarvan ben ik niet zeker, maar ik riep hem
terug. Ik zei—Goede Hemel, hoe is het mogelijk, dat mij dit na zulk
een langen tijd nog zoo helder voor den geest staat!—„Ga niet heen,
Steerforth, als 't u blieft. Hier zijn twee Yarmouther visschers,
goede, vriendelijke menschen, familie van het meisje, dat mij als kind
verzorgd heeft; zij zijn van Gravesend gekomen om mij op te zoeken.”

„Wel, wel,” zei Steerforth. „Ik ben blijde u te zien. Hoe vaart gij?”
Hij was zoo ongedwongen in zijne manieren, zoo vroolijk en luchtig
zonder eenige aanmatiging, dat hij de menschen terstond voor zich
innam. Ik geloof nog, dat hij door zijne houding, zijne levendigheid,
zijne welluidende stem, zijn knap gelaat en zijne slanke gestalte en
misschien ook door een zekere aangeboren aantrekkingskracht, zooals
weinig menschen bezitten, eene toovermacht op hen uitoefende, waarvoor
men uit natuurlijke zwakheid zwichten moest. Ik kon mijne oogen niet
van hem afhouden, toen ik zag hoe ingenomen zij met hem waren en hoe
zij in een oogenblik hunne harten voor hem openden.

„Gij moet ook in dien brief aan huis laten zetten, baas Peggotty,” zei
ik, „dat mijnheer Steerforth zoo vriendelijk voor mij is en dat ik niet
zou weten, hoe ik het hier stellen moest, indien hij er niet was.”

„Gekheid!” zei Steerforth lachend. „Gij moet zulke dwaasheden niet
vertellen.”

„En als mijnheer Steerforth ooit in Norfolk of Suffolk komt, terwijl ik
daar ben, baas Peggotty,” vervolgde ik, „kunt gij er op rekenen, dat ik
hem medebreng naar Yarmouth. Hij moet uw huis eens zien. Gij hebt nooit
zulk een aardig huis gezien, Steerforth. Het is van een schip gemaakt!”

„Van een schip gemaakt?” vroeg Steerforth. „Dan is het juist een huis
voor zulk een onverschrokken zeeman.”

„Ja, ja, dat is het, mijnheer, dat is het,” zei Ham grinnikend. „Gij
hebt gelijk, mijnheer. Jongeheer Davy, die mijnheer heeft gelijk. Een
onverschrokken zeeman! Ha, ha, ha! Dat is hij ook, zeker, dat is hij
ook!”

Baas Peggotty was niet minder ingenomen met dit compliment dan zijn
neef, maar zijne bescheidenheid verbood hem het op even luidruchtige
wijze te toonen.

„Wel, jongeheer,” antwoordde hij buigend en lachend, terwijl hij de
uiteinden van zijne das wegmoffelde. „Ik dank u, ik dank u. Ik doe op
mijne manier mijn best, mijnheer.”

„Men kan niet meer doen dan zijn best, mijnheer Peggotty,” antwoordde
Steerforth. Hij had den naam reeds opgevangen.

„Ik ben er zeker van, dat gij ook uw best doet, jongeheer,” zei baas
Peggotty, zijn hoofd schuddend—„en meer kan men niet doen. Ik ben u
zeer verplicht voor uwe vriendelijke ontvangst, jongeheer. Ik ben wat
ruw, jongeheer, maar ik meen het goed—ten minste, ik doe mijn best,
begrijpt gij? Aan mijn huis is niet veel te zien, maar het staat voor u
open, wanneer gij eens met jongeheer Davy wilt komen om het te zien. Ik
ben een echte plakker,” vervolgde hij, waarmede hij bedoelde, dat hij
maar niet kon wegkomen; want na elk gezegde had hij daarmede een begin
gemaakt, maar was telkens weder teruggekomen; „maar ik wensch u beiden
gezondheid en voorspoed!”

Ham herhaalde dezen wensch en wij namen op de hartelijkste wijze
afscheid. Ik kwam dien avond in groote verzoeking om Steerforth het
een en ander van de lieve, kleine Emily te vertellen, maar ik was te
beschroomd om haar naam te noemen en te bevreesd, dat hij mij zou
uitlachen. Ik herinner mij nog, dat ik langen tijd en met een gevoel
van onrust nadacht over baas Peggotty's gezegde, dat zij bijna een
volwassen meisje was, maar kwam toch tot het besluit, dat dit gekheid
was.

Wij brachten de versnapering, die baas Peggotty meegebracht en zelf
dien naam gegeven had, onopgemerkt naar onze kamer en dien avond was er
groot souper. Voor Traddles had dit echter onaangename gevolgen; hij
was te ongelukkig om, zooals alle anderen, goed door zulk een souper
heen te komen. Des nachts werd hij ziek tengevolge van de krab en na
volgens Demple, wiens vader apotheker was, genoeg drankjes en pillen
te hebben geslikt om een paard te vergeven, kreeg hij een pak slaag
met mijnheer Creakle's rietje en zes hoofdstukken uit het Grieksche
testament over te schrijven, omdat hij weigerde de namen te noemen van
zijne mededischgenooten.

Het overige gedeelte van het halfjaar is in mijne herinnering een
mengelmoes van dagelijks terugkeerende rietslagen en ellende; van
het heengaan van den zomer en het wisselende jaargetij; van de kille
ochtenden, wanneer de bel ons uit het bed luidde en de koude, donkere
avonden, wanneer wij er weer in geluid werden; van de slecht verlichte
en karig verwarmde zaal, waar de avondschool werd gehouden, en van
de morgenuren op school, waarin wij allen zaten te bibberen; van
de geregelde afwisseling tusschen gekookt ossenvleesch en gebraden
ossenvleesch, van propjes klei, die met den weidschen naam van
boterhammen betiteld werden, van gekookt schapenvleesch en gebraden
schapenvleesch; van boeken met ezelsooren, gebarsten leien, met tranen
doortrokken schrijfboeken, stokslagen, afstraffingen met de liniaal,
haarsnijden, regenachtige Zondagen, vette poddingen, alles in een
atmospheer, waarvan inkt het hoofdbestanddeel uitmaakte.

Ik herinner mij echter nog zeer goed, hoe het verwijderd vooruitzicht
op de vacantie, eerst zoo ver af, langzamerhand begon in te krimpen;
hoe wij van maanden op weken en van weken op dagen kwamen en hoe bang
ik was, dat ik niet zou gaan. Hoe Steerforth mij uit den brand hielp
door mij te zeggen, dat ik zeker gaan zou en hoe bevreesd ik was, dat
ik voor dien tijd mijn been nog zou breken. Hoe de dag van vertrek
naderde, eerst over drie weken, dan over veertien dagen, eindelijk de
volgende week, over-overmorgen, overmorgen, morgen, van avond—toen zat
ik weder in den omnibus naar Yarmouth, op weg naar huis.

Ik deed menig dutje in den Yarmouther omnibus en werd door tallooze
droomen over al deze dingen bezig gehouden; maar als ik nu en
dan wakker werd, was hetgeen ik uit het raampje zag niet meer de
speelplaats van Salem House en de geluiden, die ik opving, waren niet
meer de slagen op den rug van dien armen Traddles, maar die van de
zweep op de ruggen der paarden.



VIII.

Mijne vacantie; meer bepaald een zekere gelukkige namiddag.


Toen wij vóór het aanbreken van den dag hij het logement aankwamen,
waar de omnibus stilhield—het was niet hetzelfde, waar die vriend
van mij kellner was—werd mij een klein, net slaapkamertje gewezen,
op welks deur een dolfijn was geschilderd. Ik herinner mij, dat ik,
in weerwil van den kop heete thee, dien men mij beneden bij een
groot haardvuur had laten opdrinken, steenkoud was; dat ik met innig
welgevallen in bed kroop, de dekens over het hoofd sloeg en weldra
rustig sliep.

Te negen uur zou ik door mijn vriend Barkis gewekt worden, maar ik was
reeds om acht uur op, een weinig huiverig ten gevolge van de korte
nachtrust, en stond op den bepaalden tijd vóór hem. Hij ontving mij
zooals hij zou gedaan hebben, als wij elkander vijf minuten geleden nog
gezien hadden en ik even de gelagkamer was binnengegaan om een shilling
te wisselen of iets dergelijks te doen.

Zoodra ik en mijn koffer waren opgeladen en de voerman gezeten was,
stapte het luie paard in zijn gewonen gang met ons voort.

„Gij hebt u goed gehouden, Barkis,” zei ik, meenende dat hij gaarne zoo
iets zou hooren.

Barkis veegde zijn wang af met zijne mouw en bekeek deze daarna,
vermoedelijk in de onderstelling, dat hij er iets van zijn blos op zou
terugvinden; hij gaf echter op geen andere wijze te kennen, dat hij
erkentelijk was voor mijn complimentje.

„Ik heb uwe boodschap overgebracht, Barkis,” zei ik; „ik schreef aan
Peggotty.”

„Zoo!” zei hij. Hij scheen knorrig te zijn en antwoordde op zeer
stroeven toon.

„Was het zoo niet goed, Barkis?” vroeg ik na eene kleine aarzeling.

„Wat niet?” vroeg Barkis.

„De boodschap?”

„De boodschap was zeker goed genoeg,” zei hij, „maar daarmede was het
uit.”

Ik begreep volstrekt niet wat hij bedoelde en herhaalde op vragenden
toon: „Was het uit, Barkis?”

„Er is niets van gekomen,” verklaarde hij, mij eenigszins scheel
aankijkende. „Geen antwoord.”

„Hadt gij dan een antwoord verwacht, Barkis?” vroeg ik met groote
oogen. Er ging een nieuw licht voor mij op.

„Wanneer een man zegt, dat hij wel wil,” zei Barkis, terwijl hij mij
voor de eerste maal zijn geheele gelaat toonde, „dan wil dat zooveel
zeggen als dat hij een antwoord verwacht.”

„Jawel, Barkis.”

„Jawel,” herhaalde hij, terwijl hij weer tusschen de ooren van zijn
paard doorkeek, „die man heeft sinds dien tijd op een antwoord gewacht.”

„Hebt gij haar dat ook gezegd, Barkis?”

„N....een,” bromde hij; maar hij scheen toch over deze wijsgeerige
opmerking na te denken. „Ik kon toch niet naar haar toegaan en haar dat
vertellen. Ik heb nog geen zes woorden met haar gewisseld. _Ik_ kan
niet naar haar toegaan en haar dat vertellen.”

„Wenscht gij, dat ik het zal doen, Barkis?” vroeg ik aarzelend.

„Als gij wilt, moogt gij het haar zeggen,” antwoordde hij en keerde mij
nogmaals zijn gelaat toe. „Barkis wacht op antwoord. Zeg maar—hoe is
haar naam ook?”

„Haar naam?”

„Ja, ja,” zei Barkis knikkende.

„Peggotty.”

„Doopnaam?”

„Neen, dat is haar doopnaam niet. Haar doopnaam is Clara.”

„Zoo, waarlijk!” zei Barkis.

Het scheen wel, dat deze omstandigheid hem ontzaglijk veel stof tot
overdenking gaf, want hij zat een geruimen tijd te peinzen en zachtjes
te fluiten.

„Welnu!” hernam hij eindelijk. „Gij zegt: „Peggotty, Barkis wacht op
antwoord.” Zegt zij dan wellicht: „Waarop wacht Barkis antwoord?” Dan
zegt gij: „Op hetgeen ik u schreef!” Dan zegt zij: „Wat schreeft gij
mij dan?” En zegt gij: „Barkis wil wel!””

Deze buitengewoon vernuftige ingeving liet Barkis vergezeld gaan van
een elleboogstoot, die mij gedurende eenige oogenblikken pijn in de
zijde berokkende. Daarna bleef hij op de gewone wijze recht vooruit
kijken met den voorarm op de knie en roerde het onderwerp niet meer
aan; een half uur later haalde hij een stuk krijt uit den zak en
schreef tegen den binnenwand van de kar: „Clara Peggotty,” blijkbaar om
nu en dan zijn geheugen eens te gemoet te komen.

O, wat was het eene vreemde gewaarwording, naar huis te gaan terwijl
het mijn thuis niet meer was; te ondervinden dat elk voorwerp, dat ik
zag, mij herinnerde aan den heerlijken ouden tijd, die mij toescheen
als een droom, dien ik nimmer meer droomen kon. De tijd, toen mijne
moeder en ik en Peggotty alles en alles voor elkander waren, toen
er nog niemand tusschen ons was gekomen, stond mij zoo helder voor
den geest, doch wekte zulke droeve herinneringen bij mij op, dat ik
niet zeker ben of ik niet liever had willen wegblijven en alles in
Steerforth's gezelschap vergeten. Maar daar was ik er; ik zag ons huis
weder en de kale oude olmen, die hunne takken als even zoo vele armen
in de koude winterlucht staken en de overblijfselen van de verlaten
kraaiennesten naar alle winden hadden verstrooid.

De voerman zette mijn koffer bij het tuinhek neer en liet mij alleen
staan. Ik wandelde langs het pad naar huis, turende naar de vensters
en bij elken stap vreezende het gelaat van mijnheer of juffrouw
Murdstone te zullen ontdekken. Maar er was geen enkel gezicht te zien,
en toen ik het huis genaderd was, opende ik de deur, die als van ouds
bij dag niet gesloten was, en ging naar binnen.

God weet met welk een kinderlijk gevoel ik daar in de gang stond,
terwijl het geluid van de stem mijner moeder uit de huiskamer tot mij
doordrong. Zij zat zachtjes te zingen. Ik vermoed, dat zij ook zoo
gezongen heeft toen ik als een zuigeling in hare armen lag. De wijs was
nieuw voor mij en toch zoo oud, dat mijn hart tot berstens toe vol was.

Uit den mijmerenden toon, waarop mijne moeder haar liedje neuriede,
meende ik te kunnen opmaken, dat zij alleen was. Zachtjes ging ik de
kamer binnen; zij zat bij den haard, met een kindje aan de borst, dat
het kleine mollige handje om haar hals had geslagen. Hare oogen waren
op het kleine gezichtje gevestigd, terwijl zij het in slaap trachtte te
zingen. In zoo ver had ik dus goed geraden; ander gezelschap had zij
niet.

Ik sprak haar toe; zij schrikte en gaf een gil. Maar toen zij mij zag,
noemde zij mij haar lieve David, haar eigen jongen! en terwijl zij mij
halverwege te gemoet liep, knielde zij voor mij neer en kuste mij en
legde mijn hoofd tegen hare borst naast het kleine schepseltje, dat
zich daar genesteld had, en bracht de kleine handjes naar mijne lippen.

O, ware ik op dat oogenblik gestorven! Ware ik gestorven met dat gevoel
in mijn hart! Ik zou dan zeker meer recht hebben gehad op eene plaats
in den Hemel dan ooit daarna.

„Het is uw broertje,” zei mijne moeder, mij liefkoozend. „Davy, beste
jongen! Mijn arm kind!” Daarna kuste zij mij nogmaals en nogmaals en
sloeg den arm om mijn hals. Zoo stonden wij nog, toen Peggotty kwam
aansnellen en op den grond naast ons neerviel en gedurende een kwartier
ongeveer zich aanstelde of zij dol was.

Het scheen, dat men mij niet zoo vroeg had verwacht; de vrachtwagen was
veel eerder dan gewoonlijk aangekomen. Ook scheen het, dat mijnheer en
juffrouw Murdstone een bezoek brachten in de buurt en vóór den avond
niet zouden terugkeeren. Ik had dit niet durven hopen. Ik had nooit
aan de mogelijkheid durven denken, dat wij nog eens ongestoord met
ons drieën bij elkander zouden zijn; voor het oogenblik had ik het
gevoel alsof de oude tijd was teruggekeerd. Wij gebruikten te zamen het
middagmaal. Peggotty wilde ons bedienen, maar mijne moeder wilde het
niet toestaan; zij moest mede aanzitten. Ik at van mijn eigen bordje,
waarop een oorlogsschip geteekend was in volle zeilen; Peggotty had het
gedurende al dien tijd als een reliquie bewaard en zou het, zooals zij
beweerde, voor geen honderd pond hebben afgestaan of gebroken. Ik dronk
uit mijn oude kroesje met „David” er op en gebruikte mijn eigen vorkje
en mijn eigen mes, dat nog altijd niet wilde snijden.

Terwijl wij zoo bij elkander zaten, meende ik eene geschikte
gelegenheid te hebben om Peggotty over Barkis te spreken; maar nog eer
ik had uitgesproken, begon zij te lachen en wierp den boezelaar over
het gelaat.

„Peggotty,” vroeg mijne moeder, „wat is er aan de hand?”

Peggotty bleef maar lachen en hield den boezelaar stijf over haar
gezicht, toen mijne moeder dien wilde wegtrekken.

„Wat, doet gij toch, mal schepsel!” vroeg mijne moeder lachend.

„Och, die dwaze vent wil met mij trouwen,” riep Peggotty.

„Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, is 't wel?” sprak mijne moeder.

„O, dat weet ik niet,” zei Peggotty. „Spreek er niet van! Ik zou hem
niet willen hebben, al was hij van goud gemaakt! Ik wil geen man
hebben!”

„Waarom zegt gij hem dat dan niet, dwaze meid?” vroeg mijne moeder.

„Het hem zeggen?” antwoordde Peggotty, achter haar boezelaar
uitkijkend. „Hij heeft er nog geen woord met mij over gesproken. Hij
past wel op. Als hij er een woord van tegen mij durfde zeggen, zou ik
hem een klap in het gezicht geven.”

Haar eigen gezicht was zoo rood als ik ooit een gezicht gezien heb; zij
bedekte het echter opnieuw en kreeg weder een geweldige lachbui, die
nog door twee of drie andere gevolgd werd, waarna zij weder begon te
eten.

Ik maakte in mij zelven de opmerking, dat al glimlachte mijne moeder,
wanneer zij naar Peggotty keek, zij toch in eene ernstige stemming
verkeerde en over iets scheen na te denken. Voor het eerst zag ik nu
ook, dat zij veranderd was. Wel was zij nog mooi, maar haar gelaat
droeg de sporen van veel zorg en over het algemeen was zij veel
tengerder geworden; hare handen waren zoo dun en mager, dat men er wel
doorheen kon zien. Bovendien werd zij op dit oogenblik nog door vrees
geplaagd; zij was nu eenmaal spoedig angstig en zwaartillend.

„Peggotty,” sprak zij, terwijl zij hare hand op den arm der oude
dienstbode legde, „gij zult toch niet gaan trouwen?”

„Ik, mevrouw?” antwoordde Peggotty verbaasd, „lieve hemel, neen!”

„Immers niet zoo heel spoedig?” vroeg mijne moeder weder, zoo
vriendelijk mogelijk.

„Nimmer!” riep Peggotty.

Mijne moeder nam Peggotty's hand in de hare en sprak: „Gij moogt mij
niet verlaten, Peggotty. Gij moet bij mij blijven. Het zal misschien
niet lang zijn. Wat zou ik beginnen zonder u?”

„Ik u verlaten, mijn schat!” riep Peggotty. „Voor al het goud der
wereld niet! Wie heeft u dit toch in dat kleine, onnoozele hoofdje
gehaald?”—Peggotty had tot gewoonte aangenomen mijne moeder somtijds
nog als een kind toe te spreken.

Mijne moeder antwoordde niet dan om haar te bedanken, waarop Peggotty
voortging: „Ik u verlaten? Ik wilde mij zelve dat wel eens zien doen!
Peggotty van u heengaan? Ik wilde haar wel eens daarop betrappen! Neen,
neen,” vervolgde zij, het hoofd schuddend en met de armen kruiselings
over de borst, „dat doet zij niet, liefste. Er zijn weliswaar een paar
katten, die dat gaarne zouden zien, maar ik zal hun dat genoegen niet
gunnen. Ik zal hen sarren, zoo lang ik kan. Ik blijf bij u tot ik een
suf, oud vrouwtje ben. En wanneer ik te doof en te lam en te blind en
te aftands ben om nog ergens goed voor te zijn, zelfs niet om bekeven
te worden, dan ga ik naar mijn Davy en vraag hem om mij op te nemen.”

„En Peggotty,” zei ik, „ik zal heel blijde zijn als gij komt, en gij
zult een leven bij mij hebben als een prinses.”

„Groote goedheid!” riep zij uit, „dat weet ik; daarvoor ken ik u
genoeg!” En bij voorbaat kuste zij mij uit dankbaarheid voor mijne
gastvrijheid. Daarna bedekte zij het hoofd weder met haar boezelaar,
en lachte nog eens hartelijk om Barkis. Zij nam daarop het kleintje uit
de wieg en suste het in slaap, ruimde vervolgens de tafel op en kwam
weder binnen met een andere muts en haar werkdoosje en het ellemaatje
en het stukje waskaars, juist zooals vroeger. Wij zaten om de kachel
en praatten heel gezellig. Ik vertelde hun welk een gestrenge en
hardvochtige meester mijnheer Creakle was, en beiden hadden medelijden
met mij. Ik vertelde hun hoe Steerforth mij in bescherming had genomen,
en Peggotty verklaarde, dat zij twintig mijlen zou willen loopen om hem
te zien. Daarna nam ik mijn kleine broertje, dat weer wakker was
geworden, van haar over, om het op mijne beurt te sussen. Toen hij in
slaap was, kroop ik dicht tegen mijne moeder aan, zooals lang geleden
mijne gewoonte geweest was, en zat met mijne armen om haar middel, en
mijne kleine roode wang tegen haar schouder, en voelde heur zachte
haren over mijn gezicht vallen—ik herinner mij, dat ik ze altijd
vergeleek bij de vleugels van een engel—en was volmaakt gelukkig.

Terwijl ik daar zoo in het vuur zat te kijken en allerlei figuren
zag in de gloeiende kolen, begon ik bijna te gelooven, dat ik nooit
weg was geweest; dat mijnheer en juffrouw Murdstone slechts in mijne
verbeelding bestonden en zouden verdwijnen evenals de figuren in het
vuur; en dat van al hetgeen ik in het laatste jaar had ondervonden
alleen mijne moeder en Peggotty en ik werkelijk bestaande wezens waren.

Peggotty zat zoo lang zij maar eenigszins zien kon hare kous te
stoppen, en bleef toen zitten met de kous als een handschoen om hare
linkerhand en een naald in de rechter, gereed om nog een steekje
te doen, telkens wanneer het vuur eens opvlamde. Ik kan mij niet
voorstellen wiens kousen Peggotty altijd, zoolang ik mij harer
herinner, zat te stoppen of waar die onuitputtelijke hoeveelheid altijd
vandaan kwam. Van mijne vroegste jeugd af heb ik haar nooit aan iets
anders bezig gezien.

„Ik zou wel eens willen weten,” zei Peggotty eensklaps—zij had
dikwijls zulke wonderlijke invallen—„wat er toch wel van Davy's
oud-tante mag geworden zijn?”

„Lieve Hemel, Peggotty!” riep mijne moeder, die door deze vraag uit
haar gepeins ontwaakte, „hoe komt gij daar nu op eens aan?”

„Ik zou het waarlijk gaarne eens weten, mevrouw.”

„Hoe komt dat mensch u zoo opeens in de gedachten?” vroeg mijne moeder.
„Zijn er geen menschen genoeg om aan te denken?”

„Ik weet niet hoe het komt,” zei Peggotty; „het zal wel zijn omdat ik
zoo dom ben, maar ik kan de menschen, aan wie ik moet denken, nooit
zelf kiezen. Zij gaan en komen en zij gaan niet en komen niet, juist,
zooals zij zelve willen. Ik ben waarlijk heel nieuwsgierig naar hetgeen
van haar geworden is.”

„Wat kunt gij toch dwaze invallen hebben, Peggotty,” antwoordde mijne
moeder. „Men zou meenen, dat gij gesteld waart op een tweede bezoek van
dat mensch.”

„De Hemel beware mij daarvoor!” riep Peggotty.

„Welnu, spreek dan niet over zulke onverkwikkelijke dingen, dwaze
meid!” zei mijne moeder. „Juffrouw Betsey woont veilig en wel in haar
huisje aan het strand en zal daar ongetwijfeld wel stilletjes blijven.
Vermoedelijk is zij ook niet voornemens ons ooit weder lastig te komen
vallen.”

„Neen!” mompelde Peggotty. „Neen, dat is niet waarschijnlijk; ik ben
toch nieuwsgierig of zij Davy nog iets zal nalaten bij haar dood!”

„Goede Hemel, Peggotty!” barstte mijne moeder uit. „Wat kunt gij toch
dwaze taal uitslaan! Gij weet immers hoe boos zij was toen de arme
jongen ter wereld kwam!”

„Ik vermoed, dat zij nu in het geheel niet geneigd zal zijn om het hem
te vergeven,” mompelde Peggotty.

„Waarom zou zij dat niet?” vroeg mijne moeder, ietwat scherp.

„Omdat hij nu een broertje heeft, bedoel ik,” antwoordde Peggotty.

Mijne moeder begon onmiddellijk te schreien en verwonderde zich over
Peggotty's driestheid om zoo iets te durven zeggen.

„Alsof dat kleine onschuldige ding daar in de wieg u of iemand anders
ooit leed heeft gedaan, jaloersche meid!” sprak zij snikkend. „Gij
deedt maar beter met Barkis, den voerman, te trouwen. Waarom doet gij
het niet?”

„Als ik dat deed, zou ik juffrouw Murdstone al te gelukkig maken,”
antwoordde Peggotty.

„Wat zijt gij toch eigenlijk slecht, Peggotty!” hernam mijne moeder.
„Gij zijt zoo jaloersch op juffrouw Murdstone als zoo'n mal schepsel
maar zijn kan. Gij zoudt zelve de sleutels wel in uw bezit willen
hebben en alles uitgeven, nietwaar? Het zou mij niets verbazen, als
gij dat wildet. Gij weet, dat zij het alleen uit vriendelijkheid en met
de beste bedoelingen doet. Dat weet gij, Peggotty—dat weet gij heel
goed.”

Peggotty mompelde nog iets van „beste bedoelingen, die de drommel mocht
halen” en dat zij van die bedoelingen al meer dan genoeg had.

„Ik weet wel wat gij bedoelt, knorrepot, die gij zijt. Ik begrijp u
heel goed, Peggotty,” vervolgde mijne moeder. „Gij weet wel, dat ik
het doe en het verbaast mij, dat gij geen kleur krijgt als vuur. Maar
laat ons bij juffrouw Murdstone blijven en dat andere punt laten varen,
maar wat juffrouw Murdstone betreft..... gij hebt haar dikwijls genoeg
hooren zeggen, dat zij mij te gedachteloos vindt en.... te.... te....”

„Te mooi,” vulde Peggotty aan.

„Welnu,” hernam mijne moeder lachend, „als zij dwaas genoeg is om dat
te zeggen, kan ik dat helpen?”

„Niemand beweert, dat gij 't kunt helpen,” antwoordde Peggotty.

„Nu, dat mag ik waarlijk ook hopen! Hebt gij haar niet herhaaldelijk
hooren zeggen dat zij mij van alle zorgen wil ontheffen, waarvoor zij
meent, dat ik niet berekend ben en waarvoor ik—dat heb ik zelve leeren
inzien—niet berekend ben; en is zij niet het eerste op en het laatst
in bed en loopt zij niet den geheelen dag trap op, trap af, en doet zij
niet alles? Kruipt zij niet in het kolenhok en in de provisiekast en
waarin al niet? Dat is toch ver van plezierig—en zoudt gij nu willen
beweren, dat zij dat alles niet doet uit „liefde voor mij?” Zoudt gij
haar in verdenking willen brengen?”

„Ik breng niemand in verdenking,” zei Peggotty.

„Dat doet gij wel, Peggotty,” antwoordde mijne moeder. „Behalve uw werk
doet gij niets anders. Gij brengt altijd iedereen in verdenking. Gij
hebt daar plezier in. En wanneer gij spreekt over de goede bedoelingen
van mijnheer Murdstone....”

„Daarover heb ik nog nooit gesproken.”

„Neen, Peggotty, maar gij maakt ze verdacht. Dat is juist wat ik
zooeven zeide. Dat is slecht van u. Gij _wilt_ iedereen in verdenking
brengen. Ik zei zooeven, dat ik u begreep en nu ziet gij dat ik
waarheid sprak. Wanneer gij spreekt over mijnheer Murdstone's goede
bedoelingen—ik kan niet gelooven, dat gij die in uw hart zoudt
minachten—dan moet gij wel evenals ik overtuigd wezen, dat ze goed
zijn en hoe hij zich daardoor geheel laat leiden. En als hij voor zeker
iemand wat streng schijnt te zijn, Peggotty—gij begrijpt en Davy zal
het ook begrijpen, dat ik niemand bedoel, die hier aanwezig is—is dit
alleen omdat hij overtuigd is, dat het voor het bestwil is van die
zeker iemand. Om mijnentwil heeft hij zeker iemand lief en alles wat
hij doet, is ter wille van die zeker iemand. Hij is beter in staat om
dat te beoordeelen dan ik; want ik weet heel goed, dat ik een zwak,
kinderachtig schepsel ben en dat hij een flink, ernstig man is. En
hij heeft—de tranen keerden in hare oogen terug en biggelden langs
hare zachte wangen—hij heeft veel moeite met mij; ik behoor hem zeer
dankbaar en zelfs in mijne gedachten onderdanig te zijn. En als ik
dat niet ben, Peggotty, dan heb ik berouw en beschuldig mij zelve van
ondankbaarheid en voel twijfel opkomen in mijn hart en weet niet wat ik
doen zal.”

Peggotty zat zwijgend, met de kin op den voet van de kous, in het vuur
te staren.

„Kom, Peggotty,” sprak mijne moeder eindelijk, op geheel anderen
toon, „laat ons vrede met elkander houden, want ik kan niet tegen
onaangenaamheden. Gij zijt eene trouwe vriendin voor mij, dat weet
ik; de trouwste, die ik in de wereld bezit. Wanneer ik u een lastig
schepsel of een malle meid noem, of iets dergelijks, Peggotty, bedoel
ik daar alleen mede, dat gij mijne trouwe vriendin zijt en altijd
geweest zijt sinds den avond, toen mijnheer Copperfield mij dit huis
binnen bracht en gij mij aan het hek te gemoet kwaamt.”

Peggotty draalde niet met het geven van een antwoord en bekrachtigde
den vriendschapsband door mij eenige malen te omhelzen. Ik geloof wel,
dat ik iets begreep van dit gesprek op dat oogenblik; maar thans ben ik
er zeker van, dat het goede schepsel er alleen aanleiding toe gaf en er
aan deelnam, opdat mijne moeder haar hart nog eens zou ontlasten. Haar
doel werd volkomen bereikt, want mijne moeder was gedurende het overige
gedeelte van den avond meer op haar gemak—ik herinner mij dit zeer
goed.

Toen wij thee hadden gedronken, het vuur was opgerakeld en de kaarsen
waren aangestoken, las ik Peggotty een hoofdstuk voor uit het
krokodillenboek, ten einde ons nog eens in den ouden tijd te verdiepen.
Zij haalde het boek uit haar zak—ik weet niet of zij het al dien tijd
daarin bewaard had—en toen spraken wij over Salem House en kwamen
weder op Steerforth, over wien ik nooit was uitgepraat. Wij waren innig
gelukkig; en deze avond, de laatste van dien aard en bestemd om dat
gedeelte van mijn leven voor goed af te sluiten, zal nimmer uit mijn
geheugen gaan.

Het was bijna tien uur, toen wij het geratel van wielen hoorden. Wij
stonden alle drie op en mijne moeder zei haastig, dat het al zoo
laat was en dat mijnheer en juffrouw Murdstone niets verderfelijker
achtten voor kinderen dan laat naar bed gaan, zoodat ik mij maar
te rusten moest begeven eer zij binnen kwamen. Ik omhelsde haar en
ging onmiddellijk met mijne kaars de trap op. Het was waarschijnlijk
kinderlijke verbeelding, dat ik, naar het kamertje gaande, waar ik
gevangen gezeten had, een kouden tocht voelde, dien zij in huis
brachten en die de vertrouwelijkheid uit vroegere dagen, waarvan
wij dezen avond zoo volop genoten hadden, als een veder wegblies.

Toen ik den volgenden morgen naar beneden zou gaan om te ontbijten,
bekroop mij eene onaangename gewaarwording. Ik had mijnheer Murdstone
nog niet gezien, nadat ik mijne gedenkwaardige misdaad had gepleegd.
Evenwel, het moest, dus ik ging naar beneden, en trad, na twee malen
halverwege te zijn geweest en op mijne teenen naar mijne kamer
teruggekeerd te zijn, de huiskamer binnen.

Mijnheer Murdstone stond met zijn rug naar den haard en zijne zuster
zat voor het theeblad. Hij keek mij strak aan, toen ik binnentrad,
doch gaf geen enkel bewijs van herkenning. Na een oogenblik bedremmeld
te zijn blijven staan, ging ik naar hem toe en zeide: „Wilt u het mij
vergeven, mijnheer? Ik heb groot berouw over hetgeen ik gedaan heb.”

„Het doet mij genoegen te hooren, dat gij berouw hebt, David,”
antwoordde hij.

De hand, die hij mij gaf, was dezelfde, waarin ik gebeten had. Ik kon
niet nalaten een oogenblik te blijven kijken naar het roode lidteeken,
dat was achtergebleven, maar het was niet zoo rood als ik werd, toen ik
de sombere uitdrukking op zijn gelaat opmerkte.

„Hoe vaart gij, juffrouw?” vroeg ik aan juffrouw Murdstone.

„Goede Hemel!” zuchtte zij, terwijl zij mij het theeschepje gaf in
plaats van hare hand, „hoe lang duurt die vacantie?”

„Een maand, juffrouw.”

„Van wanneer af?”

„Van vandaag, juffrouw.”

„O,” sprak zij. „Dan is er bijna één dag om.”

Elken morgen schreef zij op haar kalender een dag af. Vóór zij tot tien
was gekomen deed zij het met een knorrig gezicht, maar toen zij telkens
een getal van twee cijfers kon doorslaan, helderde het langzamerhand op
en hoe meer wij het einde naderden, hoe vroolijker het werd.

Reeds op den eersten dag had ik het ongeluk op de hevigste wijze haar
toorn op te wekken. Ik kwam in de kamer waar zij en mijne moeder
zaten. Mijn broertje, nog slechts eenige weken oud, lag op moeder's
schoot en ik nam hem met de grootste behoedzaamheid in mijne armen.
Hoewel over het algemeen volstrekt niet zoo weekhartig van aard, gaf
juffrouw Murdstone plotseling zulk een hartverscheurenden gil, dat ik
het wichtje tengevolge van den schrik bijna had laten vallen.

„Maar, lieve Jane!” riep mijne moeder.

„Goede Hemel, Clara, zie toch eens!” schreeuwde juffrouw Murdstone
letterlijk.

„Wat moet ik zien, lieve Jane?” vroeg mijne moeder, „waar....!”

„Hij heeft het kind!” riep juffrouw Murdstone. „De jongen heeft het
kind!”

Zij was bijna ineengezakt van ontzetting, maar vermande zich om op mij
toe te schieten en mij den kleine af te nemen. Daarna viel zij flauw
en voelde zich zoo naar, dat men haar kersenbrandewijn moest geven om
bij te komen. Toen zij hersteld was, verbood zij mij plechtig mijn
broertje, onder welk voorwendsel ook, ooit weder aan te raken en mijne
arme moeder, die, zooals ik zag, het anders gewenscht had, herhaalde
gedwee het verbod, zeggende: „Ik twijfel niet of gij zult wel gelijk
hebben, lieve Jane.”

Bij eene andere gelegenheid, toen wij weder met ons drieën bij elkander
zaten, was hetzelfde lieve wichtje—ik had het werkelijk lief ter wille
van mijne moeder—de onschuldige oorzaak, dat juffrouw Murdstone's
drift opnieuw werd opgewekt. Terwijl het op den schoot mijner moeder
lag, had deze naar de kleur van zijne oogjes gekeken en zei:

„Kom eens hier, Davy, en kijk mij eens aan.”

Ik zag dat juffrouw Murdstone haar werk neerlegde.

„Precies dezelfde,” sprak mijne moeder zacht. „Zonder twijfel de kleur
van de mijne. Verwonderlijk, zooals zij elkaar gelijken.”

„Wat praat gij toch, Clara?” vroeg juffrouw Murdstone.

„Lieve Jane,” stotterde mijne moeder, een weinig uit het veld geslagen
door haar barschen toon, „ik vind dat de kleine en Davy precies
dezelfde oogen hebben.”

„Clara!” zei juffrouw Murdstone, toornig opstaande, „gij schijnt nu en
dan uw verstand verloren te hebben!”

„Maar, lieve Jane,” bracht mijne moeder hiertegen in.

„Gij zijt eene zottin!” zei juffrouw Murdstone. „Wie anders zou mijns
broeders kind kunnen vergelijken met uw jongen? Zij gelijken niets op
elkander! Zij gelijken volstrekt niets op elkander! Zij verschillen in
alle opzichten! Ik hoop dat zij dit ook zullen blijven doen! Ik wil
zulke zotte vergelijkingen niet langer aanhooren!” Zij stond op en ging
de kamer uit, terwijl zij de deur hard achter zich dichtsmeet.

Kortom, ik stond niet in de gunst bij juffrouw Murdstone; ik stond
eigenlijk bij niemand in de gunst, zelfs niet bij mij zelven; want
zij, die van mij hielden, konden het niet toonen, en zij die niet
van mij hielden, toonden dit zoo in het oog vallend, dat ik rondliep
met het bewustzijn, er altijd even gedwongen en saai uit te zien. Ik
voelde, dat ik eigenlijk niets dan een lastpost voor hen was. Kwam ik
de kamer binnen, waar zij zaten te praten met elkander, dan veranderde
het gelaat van mijne moeder terstond, hoe opgeruimd zij bij mijn
binnentreden ook scheen. Als mijnheer Murdstone in zijn beste humeur
was, bracht mijne verschijning hem er uit en juffrouw Murdstone, die
altijd in een slecht humeur was, versterkte ik slechts daarin. Mijn
waarnemingsvermogen was genoeg ontwikkeld om te zien dat mijne moeder
altijd het slachtoffer was; dat zij bang was om tegen mij te spreken
of vriendelijk voor mij te zijn, omdat zij, door de wijze, waarop
zij het deed, altijd hunne ontevredenheid opwekte en dan later eene
terechtwijzing ontving; dat zij niet alleen bang was zelve iets te
misdoen, maar voortdurend in angst verkeerde dat ik hun op eenigerlei
wijze aanstoot zou geven, zoodat zij met een benauwd gezicht de
geringste mijner bewegingen gadesloeg. Ik besloot daarom hun zoo weinig
mogelijk in den weg te komen, en menige winteravond vond mij, in een
overjas gehuld, op mijne sombere slaapkamer, verdiept in een of ander
boek.

Nu en dan zat ik des avonds in de keuken bij Peggotty. Daar voelde ik
mij op mijn gemak en was ik niet verlegen met mij zelven. Dit waren
echter uitspattingen, die in de huiskamer niet werden goedgekeurd en de
alles overheerschende zucht tot plagen maakte er spoedig een einde aan.
Ik was nog noodig om mijne moeder flinkheid te leeren; zij moest daarin
proeven afleggen en daarbij kon men mij goed gebruiken.

„David,” zei mijnheer Murdstone op zekeren dag na afloop van het
middagmaal, toen ik als naar gewoonte de kamer wilde verlaten, „het
spijt mij opgemerkt te hebben, dat gij zoo eenzelvig van aard zijt.”

„Zoo stug en norsch als een beer,” voegde juffrouw Murdstone er bij.

Ik bleef staan met gebogen hoofd.

„En, David,” vervolgde mijnheer Murdstone, „een eenzelvig, gesloten
karakter is het slechtste, dat een mensch hebben kan.”

„Ik heb nooit stugger, weerspanniger jongen gezien,” voegde juffrouw
Murdstone er weder bij. „Mij dunkt, Clara, gij moet dat toch ook wel
opmerken?”

„Ik vraag u wel excuus, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder, „maar
zijt gij er wel zeker van—ik ben overtuigd, dat gij mijne opmerking
niet euvel zult duiden—dat gij Davy goed begrijpt?”

„Ik zou mij schamen, Clara,” hernam juffrouw Murdstone, „als ik dezen
jongen, of welken jongen ook, niet goed begrijpen kon. Ik beweer
volstrekt niet knap te zijn, maar ik maak toch aanspraak op gezond
verstand.”

„O, zonder twijfel, lieve Jane, ik bewonder steeds uw goed
verstand....”

„O, goede Hemel! Zeg dat toch niet, Clara,” zoo viel juffrouw Murdstone
mijne moeder bijna driftig in de rede.

„Maar ik ben er van overtuigd,” hervatte mijne moeder, „en iedereen is
er van overtuigd, dat gij zulk een helder verstand hebt.... ik doe er
elken dag op allerlei wijzen mijn voordeel mede... ik behoorde dat ten
minste te doen... niemand kan er meer van overtuigd zijn dan ik. Daarom
geef ik ook nu en dan slechts met de grootste angstvalligheid eene
opmerking ten beste, lieve Jane, dat verzeker ik u.”

„Wij zullen aannemen, dat ik den jongen niet begrijp, Clara,”
antwoordde juffrouw Murdstone, hare stalen armbanden wat verschuivend.
„Ik wil bekennen, zoo gij wilt, dat ik den jongen volstrekt niet
begrijp. Zijn karakter is veel te diepzinnig voor mij. Wellicht echter,
dat mijn broeder met zijn helderen blik eenig inzicht kan krijgen in
zijn karakter en ik meen, dat mijn broeder juist over dit onderwerp
begonnen was, toen wij hem—niet zeer beleefd—in de rede vielen.”

„Ik ben van oordeel, Clara,” zei mijnheer Murdstone op ernstigen toon,
„dat er betere en kalmere beoordeelaars in deze zaak zijn dan gij.”

„Edward,” antwoordde mijne moeder beschroomd, „gij zijt een veel beter
beoordeelaar in alle zaken dan ik ooit zal beweren te zijn. Gij en
Jane, beiden, zijt dat. Ik wilde alleen zeggen...”

„Gij hebt weder getoond, hoe zwak gij zijt en u onbedachtzaam
uitgelaten,” antwoordde hij. „Doe uw best om dat te voorkomen, Clara en
zet een wachtpost voor uwe lippen.”

Mijne moeder's lippen bewogen zich even, alsof zij antwoordde: „Ja,
lieve Edward,” maar zij sprak die woorden niet hoorbaar uit.

„Ik herhaal, David, het spijt mij,” ging mijnheer Murdstone voort, zich
naar mij omkeerende en mij strak aankijkend, „te hebben opgemerkt, dat
gij zulk een eenzelvig, gesloten karakter hebt. Zulk een karakter
kan ik niet onder mijne oogen zien ontwikkelen, zonder eene poging te
doen om het te verbeteren. Gij moet uw best doen, jongetje, om het te
veranderen. Wij zullen ook ons best doen om het te veranderen.”

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” sprak ik stotterend, „ik heb nooit
eenzelvig willen zijn, zoo lang ik hier terug ben.”

„Verschuil u niet achter een leugen, jongen!” antwoordde hij zoo
toornig, dat ik mijne moeder reeds onwillekeurig de handen zag
uitsteken om tusschen beiden te komen. „Gij zijt alleen op uwe
kamer gaan zitten, wanneer gij hier behoordet te zijn. Gij hebt u
daar teruggetrokken in uwe eenzelvigheid. Gij weet thans, eens voor
altijd, dat ik u hier verlang te zien. Verder verlang ik, dat gij hier
gehoorzaam zijn zult. Gij kent mij, David. Ik wil het zoo.”

Juffrouw Murdstone liet een heesch gegrinnik hooren.

„Ik eisch, dat gij u eerbiedig, bereidwillig en dienstvaardig zult
betoonen jegens mij,” ging hij voort, „jegens uwe moeder en jegens
juffrouw Jane Murdstone. Ik wil niet, dat deze kamer geschuwd wordt,
alsof er besmetting heerscht en dat nog wel door een kind. Ga zitten.”

Hij commandeerde mij als een hond en ik gehoorzaamde als een hond.

„En nog iets,” hernam hij. „Ik heb ook opgemerkt, dat gij een neiging
bezit om met menschen om te gaan beneden uw stand. Gij behoort u niet
gemeenzaam te maken met de dienstboden. In de keuken zult gij geen
verbetering vinden van de vele gebreken, die u aankleven. Van de vrouw,
die u opstookt, zeg ik niets, omdat gij, Clara,” hij wendde zich tot
mijne moeder op ietwat lager toon, „omdat gij uit oude betrekking en
ten gevolge van eene reeds te lang gevoede luim, een zwak voor haar
hebt, waarvan ik mij geen denkbeeld kan maken.”

„En dat eene onverklaarbare dwaasheid is,” vulde juffrouw Murdstone
aan.

„Ik zeg alleen,” hervatte hij, zich tot mij wendende, „dat ik uwe
voorkeur van het gezelschap van juffrouw Peggotty afkeur en gij er dus
van moet afzien; gij begrijpt mij, David, nietwaar, en gij weet ook wat
de gevolgen zijn, als gij mij niet stipt gehoorzaamt.”

Ik wist het en—vooral ter wille van mijne ongelukkige
moeder—gehoorzaamde ik hem stipt. Ik bleef niet meer op mijne kamer,
ik ging niet meer naar de keuken, sprak Peggotty nauwelijks meer; ik
zat mij dag in, dag uit in de huiskamer te vervelen, wachtende op den
avond en des avonds op het tijdstip, dat ik naar bed mocht gaan.

Onder welk een ontzettenden dwang zat ik daar, uur op uur, in dezelfde
houding, bang om een arm of been te bewegen, uit vrees, dat juffrouw
Murdstone zou klagen—zooals zij bij het minste deed—over mijne
ongedurigheid; bang ook om een oog te verdraaien, uit vrees, dat ik een
ontevreden of uitvorschenden blik zou ontmoeten, die in mijn oogopslag
nieuwe reden tot klagen zou vinden. Hoe ondragelijk vervelend daar te
zitten luisteren naar het tikken van de pendule; te zitten kijken, hoe
juffrouw Murdstone de kraaltjes aan een draadje reeg; mij duizendmaal
af te vragen of zij wel ooit trouwen zou en zoo ja, hoe ongelukkig die
man dan wel zou zijn; telkens en telkens weer de afdeelingen te tellen
in het snijwerk van den schoorsteenmantel en mijne oogen langs de
figuren en de krullen van het behangsel naar boven te laten dwalen, tot
de zoldering!

Hoeveel wandelingen maakte ik niet langs modderige paden in het gure
winterweer, de huiskamer met mijnheer en juffrouw Murdstone er in in
gedachten meedragende, overal heen: een ontzaglijk zware vracht, die ik
verplicht was te torsen; een dagmerrie, die ik onmogelijk kon afwerpen;
een gewicht, dat mijn geest drukte en mij suf maakte!

Hoeveel maaltijden gebruikte ik niet, zwijgend en verlegen voor mij
kijkende, telkens weder voelend, dat daar een mes en een vork te veel
waren—de mijne; een bord en een stoel te veel waren—de mijne; een
honger te veel was—de mijne; een persoon te veel was—ik zelf!

Hoeveel avonden bracht ik niet door, wanneer de kaarsen binnengebracht
waren en men van mij verwachtte, dat ik mij bezig zou houden, terwijl
ik geen onderhoudend boek durfde lezen, maar op een onbegrijpelijk,
wreed uitgedacht rekenboek zat te turen; wanneer de tafels van maten
en gewichten zich op wijzen zetten, als ‚Rule Britannia’ of ‚Weg zijn
nu al mijn zorgen’; en als ze dan niet wilden stil staan om geleerd
te worden, maar, gelijk de draad door het oog van mijn grootmoeder's
naald, naar mijn ongelukkig hoofd kropen, het eene oor in, het andere
uit!

Wat zat ik soms te gapen en te slapen, in weerwil van al mijn strijd;
wat kon ik opschrikken, meenende, dat men het woord tot mij richtte,
terwijl ik nooit antwoord kreeg op de enkele opmerking, die ik waagde
te maken; ik had een gevoel alsof allen langs mij heen keken—ik was
niets, ik bestond eigenlijk niet voor hen—en toch was ik hun allen te
veel; het eenige genotvolle oogenblik van den geheelen avond was, als
ik juffrouw Murdstone met een zucht hoorde zeggen, dat het negen uur en
voor mij dus bedtijd was!

Zoo ging de vacantie voorbij, tot de morgen aanbrak, dat juffrouw
Murdstone zei: „Dit is de laatste dag!” en mij het laatste kopje thee
inschonk. Ik vond het volstrekt niet onaangenaam, dat ik weder zou
vertrekken. Ik was langzamerhand in een staat van verdooving geraakt
en het vooruitzicht Steerforth te zullen terugzien—al doemde het
gezicht van mijnheer Creakle achter hem op—bracht mij weder eenigszins
op streek. Nogmaals verscheen Barkis met zijne kar voor het tuinhek
en nogmaals hoorde ik de waarschuwende stem van juffrouw Murdstone
zeggen: „Clara!” toen mijne moeder zich over mij heen boog en mij
vaarwel wenschte.

Ik kuste haar en het kleine broertje en was toen erg bedroefd; niet
omdat ik heenging, want er was toch reeds een klove tusschen ons,
die met elken dag grooter werd. En niet de kus, dien zij mij bij
het heengaan gaf, leeft in mijne herinnering voort, al was die zoo
hartelijk mogelijk, maar wel hetgeen op die omhelzing volgde.

Ik zat reeds in de kar, toen ik haar nog hoorde roepen; ik keek
achterom en zag haar in het tuinhek staan met haar kindje hoog
opgelicht, om mij mijn broertje nog eens te laten zien. Het was koud,
stil weer en geen haar op haar hoofd, geen plooi van haar kleed bewoog,
terwijl zij daar naar mij stond te kijken met haar kindje in de hoogte.

Zoo zag ik haar voor het laatst. Zoo zag ik haar later in mijne droomen
naast mijn bed staan, mij aankijkende met denzelfden strakken blik en
met haar kindje in de armen.



IX.

Een merkwaardige verjaardag.


Ik ga in stilte alles voorbij wat op de school voorviel tot mijn
verjaardag in Maart. Behalve dat Steerforth beminnenswaardiger was dan
ooit, herinner ik er mij niets meer van. Hij zou tegen het einde van
het semester, zoo niet vroeger, heengaan, en was knapper en flinker nog
dan te voren—in mijne oogen ten minste—zoodat ik nog meer met hem
was ingenomen; verder herinner ik mij niets. De groote gebeurtenis,
waardoor dit tijdsbestek gekenmerkt is, schijnt de herinnering aan
alle minder belangrijke feiten te hebben verduisterd en is alleen
levendig gebleven. Het is mij zelfs moeilijk, aan te nemen, dat er
tusschen mijn terugkeer op Salem House en dien verjaardag twee maanden
zijn verloopen; ik moet het echter wel aannemen, omdat het een feit
is; omdat ik thans weet, dat het zoo moet geweest zijn; anders zou ik
geneigd zijn om te gelooven, dat de eene gebeurtenis de andere op den
voet is gevolgd.

Hoe goed herinner ik mij welk soort weder het was dien dag! Ik ruik den
mist nog, die over de speelplaats hing; ik zie nog den glinsterenden
rijp, die over alles was verspreid; ik voel nog hoe vochtig en klam
mijne haren langs mijn hoofd hingen; ik zie de schoolzaal nog, half
in de schemering, hier en daar een kaars om ten minste iets te kunnen
lezen; en den adem van de jongens, zich kronkelend door de koude
ochtendlucht, wanneer zij in de handen bliezen en met de voeten op den
grond stampten om eenige doorstraling te krijgen.

Wij hadden ontbeten en waren van de speelplaats naar binnen geroepen,
toen mijnheer Sharp binnentrad en zeide:

„David Copperfield wordt in de spreekkamer verzocht.”

Ik verwachtte een mandje van Peggotty en sprong verheugd op. Enkelen
van de jongens fluisterden mij in, dat zij bij de verdeeling van
de verwachte heerlijkheden niet vergeten mochten worden, en met
een gelaat, dat van blijde verwachting straalde, ging ik naar de
spreekkamer.

„Haast u maar niet zoo, David,” zei mijnheer Sharp. „Er is tijd genoeg,
beste jongen, haast u maar niet zoo.”

Had ik er acht op geslagen, dan zou ik zonder twijfel getroffen zijn
geweest door den gevoelvollen toon, waarop hij sprak; maar ik lette
daar niet op. Ik snelde naar de spreekkamer en vond daar mijnheer
Creakle met de courant en het onafscheidelijke rietje naast zich en
mevrouw Creakle met een geopenden brief in de hand. Geen mand echter.

„David Copperfield,” sprak mevrouw Creakle, terwijl zij mij naar de
canapé geleidde en naast mij kwam zitten, „ik moet eens met u spreken.
Ik heb u iets te vertellen, mijn jongen.”

Mijnheer Creakle, dien ik natuurlijk voortdurend in het oog hield,
schudde het hoofd, zonder naar mij te kijken, en drong een zucht terug
met een groot stuk geroosterd brood.

„Gij zijt nog te jong om te weten hoe de wereld dagelijks verandert,”
sprak mevrouw Creakle, na eene kleine pauze.... „waren allen tehuis
wel?”...... Nogmaals eene pauze.... „Was uwe mama wel?”

Ik begon te beven, al wist ik zelf niet waarom, en keek haar vragend
aan, zonder echter een woord uit te brengen.

„Omdat,” vervolgde zij, „omdat ik tot mijn spijt u vertellen moet, dat
uwe mama erg ziek is.”

Het scheen mij plotseling toe of er een nevel opkwam tusschen mevrouw
Creakle en mij en of haar gelaat daarin zweefde. Daarna voelde ik heete
tranen langs mijne wangen glijden en was de nevel verdwenen.

„Zij is zeer gevaarlijk ziek,” voegde zij er bij.

Nu wist ik alles.

„Zij is dood.”

Mevrouw Creakle behoefde mij dit niet meer te vertellen. Ik had reeds
een kreet van wanhoop geuit, want ik voelde, dat ik nu geheel alleen
stond in de wereld. Mevrouw Creakle was zeer lief voor mij; zij hield
mij den geheelen dag bij zich en liet mij ook nu en dan alleen; en
ik schreide en viel van uitputting in slaap, werd wakker en schreide
opnieuw. Toen ik niet meer kon schreien, begon ik na te denken en
nu eerst voelde ik de zwaarte van den slag ten volle en begon ik te
begrijpen, dat voor zulk een smart geen leniging te vinden was. Toch
kon ik mijne gedachten niet bepalen bij de ramp zelve; maar hielden ze
zich bezig met bijzaken. Ik dacht aan ons huis, dat nu zeker gesloten
zou zijn. Ik dacht aan mijn kleine broertje, dat, zooals mevrouw
Creakle zeide, in den laatsten tijd erg kwijnde en nu ook wel sterven
zou. Ik dacht aan het graf van mijn vader, op het kerkhof achter ons
huis, en vroeg mij af of mijne moeder daar nu ook zou worden begraven
onder den boom, dien ik zoo goed kende. Ik ging, toen ik alleen was, op
een stoel staan, om in den spiegel te zien hoe rood mijne oogen waren
en of ik erg bedroefd keek. Na eenige uren, toen mijne tranen, naar
het scheen, niet meer zoo rijkelijk wilden vloeien, begon ik mij af te
vragen wat mij, met betrekking tot mijn groot verlies, wel het meest
zou aandoen wanneer ik naar huis reed—want ik zou naar huis gaan, om
de begrafenis bij te wonen. Ik herinner mij, dat de jongens mij met een
zekeren eerbied aankeken, dat ik tengevolge van mijne droefheid een
persoon van gewicht geworden was in hunne oogen.

Indien ooit een kind oprecht bedroefd was, dan was ik het. Toch
herinner ik mij dat deze belangrijkheid eene soort van voldoening voor
mij was, toen ik dien namiddag op de speelplaats rondwandelde, terwijl
de jongens in de school waren. Wanneer ik hen door de ramen naar mij
zag kijken, terwijl zij van de eene klasse naar de andere gingen,
gevoelde ik een zekere onderscheiding; ik keek bedroefder en wandelde
langzamer. Toen de schooltijd om was en zij naar buiten kwamen en met
mij spraken, vond ik het bijzonder welwillend van mij, dat ik niet
hoogmoedig was en aan allen dezelfde aandacht bleef schenken als de
vorige dagen.

Den volgenden avond zou ik naar huis gaan, niet met den postwagen, maar
met een reusachtige diligence, die des avonds vertrok en de „boerenkar”
werd genoemd, omdat zij gewoonlijk gebruikt werd door landlieden, die
korte afstanden hadden af te leggen. Dien avond werd er niet verteld
en Traddles stond er op mij zijn hoofdkussen te leenen. Ik weet niet
waarom hij meende mij daarmede goed te doen, want ik had er zelf een;
maar het was alles wat hij kon uitleenen, de arme jongen, behalve een
velletje postpapier, vol geteekend met geraamten en dat gaf hij mij,
toen ik vertrok, om troost en kalmte bij te vinden.

In den namiddag van den volgenden dag verliet ik Salem House, weinig
denkende, dat ik er nimmer meer zou terugkomen. Wij reden den geheelen
nacht zeer langzaam door en bereikten Yarmouth niet voor negen of
tien uur in den morgen. Ik keek rond of ik Barkis ook zag, maar hij
was er niet en in plaats van hem verscheen een dik, rond, kortademig,
levendig, oud mannetje in het zwart, met vaalkleurige strikjes aan de
knieën, zwarte kousen en een hoed met breeden rand, aan het portierraam
en vroeg:

„Jongeheer Copperfield?”

„Die ben ik, Mijnheer.”

„Wilt gij wel zoo goed zijn met mij mede te gaan, jongeheer?” vroeg
hij, het portier openend, „ik zal het genoegen hebben u naar mijn huis
te brengen.”

Ik legde mijne hand in de zijne, nieuwsgierig om te weten wie hij
was, en zoo wandelden wij naar een winkel in een nauw straatje, waar
ik las: OMER, _Lakenhandelaar_, _Kleedermaker_, _Koopman_, _Bedienaar
bij begrafenissen_, _enz._ Het was een benauwd, somber winkeltje, vol
allerlei gemaakte en niet-gemaakte kleederen; terwijl één venster
geheel ingenomen was door vilten mannen- en vrouwenhoeden.

Wij gingen een klein achterkamertje binnen, waar wij drie jonge meisjes
bezig vonden aan allerlei zwart goed te naaien, waarvan eene groote
hoeveelheid op de tafel lag, terwijl een aantal snippers en vodden den
grond bedekten. Het was warm in de kamer en er heerschte eene benauwde
lucht van warm zwart krip—ik wist toen nog niet wat ik eigenlijk rook,
maar nu weet ik het.

De drie jonge meisjes, die zeer ijverig en welgemoed schenen, lichtten
even het hoofd op, om te zien wie daar binnenkwam, en zetten daarna
haar werk voort: Pik, pik, pik. Op hetzelfde oogenblik kwam er uit eene
werkplaats, aan de overzijde van een plaatsje, waarop een der vensters
uitzag, een regelmatig geluid van hamerslagen, die, zonder eenige
variatie, aanhoudend hetzelfde wijsje aangaven: Rat-tat, tat, Rat-tat,
tat, Rat-tat, tat......

„Wel,” vroeg mijn leidsman aan een van de meisjes, „hoe staat gij er
mee, Minnie?”

„O, als het tijd is om te passen, zijn wij klaar,” antwoordde zij op
levendigen toon, zonder op te kijken. „Maak u volstrekt niet ongerust,
vader.”

Mijnheer Omer nam zijn breedgeranden hoed af, en ging hijgend zitten.
Hij was zoo dik, dat hij eenigen tijd moest uitblazen eer hij kon
zeggen:

„Dat is goed.”

„Vader,” zei Minnie op schertsenden toon, „wat wordt gij toch een
dikzak!”

„Ja, ik weet niet waarvan, mijn kind!” antwoordde hij, nadenkend. „Ik
ben nu eenmaal zoo.”

„Gij hebt een veel te gemakkelijk leventje,” zei Minnie. „Dat zal het
wel zijn.”

„Waarom zou ik mij zelven dat niet gunnen, mijn kind!” zei mijnheer
Omer.

„Ja, dat is zoo,” hernam zijne dochter. „Wij hebben het allen, Goddank,
goed. Nietwaar vader?”

„Dat zal waar zijn,” verzekerde mijnheer Omer. „Wanneer ik wat op adem
ben gekomen, zal ik dit jongmensch de maat nemen. Wilt gij met mij
medegaan naar den winkel, jongeheer Copperfield?”

Op deze uitnoodiging ging ik mijnheer Omer voor en nadat hij mij een
rol goed had laten zien, dat, volgens zijne verklaring, uiterst solide
en te goed was, om voor iemand anders dan voor een vader of eene moeder
gedragen te worden, nam hij mij de maat en schreef die in een boek
op. Terwijl hij hiermede bezig was, vestigde hij mijne aandacht op
zijn grooten voorraad goederen en op de nieuwe modes, die juist waren
aangekomen, en op de oude modes, die juist waren afgeschaft. „Men
verliest daarmede dikwijls een klein kapitaal op één dag,” zei hij.
„Maar de modes zijn evenals de menschen. Zij komen en niemand weet
wanneer, van waar of hoe; en zij verdwijnen en niemand weet wanneer,
waarom of hoe. En zoo gaat het naar mijne meening in het menschelijk
leven ook.”

Ik was te bedroefd om deze redeneering te volgen, die toch vermoedelijk
ook in andere omstandigheden boven mijn bevattingsvermogen zou geweest
zijn; bovendien bracht mijnheer Omer mij weder naar het achterkamertje,
waar hij hijgend en zwoegend met mij aankwam. Daarna riep hij bovenaan
een steile trap: „Breng de thee en de boterhammen boven!”

Nadat ik nog eenigen tijd had zitten rondkijken en peinzen en luisteren
naar het pikken van de naalden en het wijsje in het hameren aan de
overzijde van de plaats, werd het gevraagde op een presenteerblad boven
gebracht en voor mij neergezet.

„Ik ken u van vroeger,” zei mijnheer Omer, na mij eenige oogenblikken
te hebben aangekeken, waarin ik weinig eer bewezen had aan het
ontbijt—al dat zwarte goed benam mij den eetlust—„ik ken u al heel
lang, vriendje.”

„Zoo, mijnheer?”

„Zoo lang als gij leeft,” zei mijnheer Omer. „Ik mag wel zeggen: reeds
voor uwe geboorte. Ik kende uw vader ook. Hij was vijf voet en negen en
een halve duim lang en de kist was vijf voet en twintig duim.”

„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat”—klonk het van de overzijde.

„De kist was vijf voet en twintig duim, in ronde cijfers,” herhaalde
mijnheer Omer, met een zeker genoegen telkens weder dit onderwerp
aanroerende. „Hij had het zelf zoo besteld of zij deed dit—dat is mij
ontschoten.”

„Weet gij ook hoe het met mijn kleine broertje gaat?” vroeg ik.

Mijnheer Omer schudde het hoofd.

„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat.”

„Hij ligt in de armen van zijne moeder,” antwoordde hij.

„Och, het arme, kleine ventje! Is hij dood?”

„Gij moet u dat niet zoo erg aantrekken,” sprak mijnheer Omer. „Ja, het
kindje is ook gestorven.”

Dit bericht deed de nog versche wond opnieuw bloeden. Ik liet het
nauwelijks aangeroerde ontbijt staan en ging in een hoek van de kamer
met mijn hoofd op de tafel liggen, die Minnie haastig leeg maakte,
opdat ik het rouwgoed niet zou bevlekken met mijne tranen. Zij was een
lief, goedhartig meisje en streek mij met eene zachte hand de haren uit
de oogen; maar zij was vroolijk, omdat haar werk bijna gereed was, en
dus in eene geheel andere stemming dan ik!

Nu hield het gehamer op en een knappe, jonge man kwam dwars door den
tuin en de kamer binnen. Hij had een hamer in de hand en een aantal
draadnagels in den mond, zoodat hij die er eerst uit moest nemen
alvorens hij spreken kon.

„Wel, Joram!” zei mijnheer Omer, „hoe staat gij er mede?”

„Ik ben gereed,” antwoordde Joram, „ze is af.”

Minnie kreeg even een kleur en de beide andere meisjes glimlachten
tegen elkander.

„Wat? Hebt gij dan bij kaarslicht gewerkt, terwijl ik gisterenavond
naar de club was? Hebt gij dat werkelijk gedaan?” vroeg mijnheer Omer
met één oog dicht.

„Ja, gij hadt immers gezegd, dat wij er een uitstapje van konden maken,
Minnie en ik en—gij? Dat wij er te zamen zouden heenrijden?”

„O, ik dacht, dat gij mij vergat en mij alleen wildet laten,” sprak
mijnheer Omer lachend tot hij weder eene hoestbui kreeg.

„Gij waart zoo goed ons dat te beloven,” hernam de jonge man, „en
daarom toog ik met ijver aan het werk, begrijpt gij. Wilt gij ook eens
zien of ik mijne taak goed heb volbracht?”

„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Omer opstaande. „Wel,” voegde hij
er, zich tot mij wendende bij, „wilt gij ook eens zien hoe.....”

„Neen vader,” zoo viel Minnie hem in de rede.

„Ik meende, dat het hem aangenaam zou zijn, beste meid,” zei mijnheer
Omer. „Evenwel—gij hebt misschien gelijk.”

Ik kon onmogelijk zeggen hoe ik wist, dat zij de lijkkist bedoelden van
mijne lieve, beste moeder. Ik had er nooit een hooren maken; ik had er,
voor zoover ik weet, nooit een gezien; maar ik had plotseling begrepen,
wat het geluid was, dat ik hoorde, en toen de jonge man binnenkwam,
wist ik ook wat hij gemaakt had.

Toen het werk was afgeloopen, schudden de beide meisjes, wier namen
ik niet vernam, de pluizen en draadjes van hare kleederen en gingen
naar den winkel om er wat op te ruimen en de klanten af te wachten.
Minnie bleef achter om hetgeen zij gemaakt hadden op te vouwen en in
twee manden te pakken. Zij deed dit op hare knieën, terwijl zij er
een vroolijk wijsje bij neuriede. Joram—hij was haar verloofde—ik
twijfelde daaraan geen oogenblik—kwam binnen en stal een kus, terwijl
zij bezig was—hij scheen mij niet op te merken—en zei, dat haar vader
was uitgegaan om een rijtuig te bestellen en dat hij zich haasten
moest om tijdig gereed te zijn. Daarna ging hij heen, terwijl zij haar
vingerhoed en haar schaar in den zak en een naald met een zwarten draad
voor op hare japon stak, en achter de glazen deur, zoodat ik al hare
bewegingen kon blijven gadeslaan, haar hoed opzette en een smaakvol
manteltje omdeed.

Ik merkte dit alles op, terwijl ik nog steeds in hetzelfde hoekje zat,
met de hand onder het hoofd, peinzend over de meest verschillende
onderwerpen. Weldra kwam het rijtuig voor; eerst werden de manden
ingeladen, daarna mijn persoontje en vervolgens mijnheer Omer, Minnie
en haar verloofde. Ik herinner mij, dat het een rijtuig was, dat
gedeeltelijk voor verhuiskar was ingericht en door een zwart paard
met een langen staart getrokken werd. Het was met eene doffe kleur
geschilderd, en er was ruimte genoeg voor ons vieren.

Ik geloof, dat ik nooit aan zulke vreemdsoortige gewaarwordingen ben
blootgesteld geweest—ik ben nu verstandiger—dan toen ik daar tusschen
die menschen zat en bedacht waarmede zij zich, zoo even nog onledig
hadden gehouden, terwijl zij thans in eene vroolijke, opgeruimde
stemming verkeerden. Ik was niet boos op hen; ik was eerder bevreesd
voor hen, alsof ik daar plotseling gezeten was tusschen wezens, die van
een geheel ander maaksel waren dan ik. Zij waren uitgelaten vroolijk.
De oude heer zat op de voorste bank en mende en de jongelui zaten
achter hem en telkens, wanneer hij tegen hen sprak, bogen zij zich
naar voren, de een aan de eene zijde, en de ander aan de andere zijde
van zijn vet gezicht en hadden het bijzonder druk met hem. Zij zouden
ook wel met mij gesproken hebben, maar ik bleef in mijn hoekje zitten
pruilen, afgeschrikt door hunne vroolijkheid en hunne verliefdheid,
hoewel zij volstrekt niet luidruchtig waren; het verbaasde mij
eigenlijk, dat hunne hardvochtigheid niet gestraft werd.

Toen wij stilhielden om het paard te voeren en zij gingen eten en
drinken en vroolijk waren, kon ik niets aanraken, dat zij aanraakten,
en bleef vasten. Toen wij voor ons huis stilhielden, verliet ik zoo
spoedig mogelijk het rijtuig, ten einde niet langer in hun gezelschap
te blijven voor de gesloten vensters, die mij aanstaarden als een
blinde, wiens oogen vroeger hadden geschitterd van levenslust. Toen
ik het venster van de kamer mijner moeder en dat van mijn vroegere
kamertje gesloten zag, behoefde ik mij niet af te vragen waaraan ik
moest denken om de meeste tranen te storten.

Nog eer ik de deur bereikt had, lag ik reeds in Peggotty's armen en
zij nam mij terstond mede in huis. Hare smart uitte zij nu eerst, nu
zij mij bij zich had; zij wist zich echter spoedig te beheerschen,
sprak op fluisterenden toon en liep zachtjes door het huis, alsof zij
de doode uit haar slaap zou kunnen wekken. Zij was in vele nachten niet
naar bed geweest; zij had alle nachten gewaakt. Zoo lang hare arme
lieveling nog boven den grond was, kon zij haar niet alleen laten,
vertelde zij mij.

Mijnheer Murdstone sloeg geen acht op mij, toen ik de huiskamer
binnentrad, waar hij in een leunstoel bij den haard zat te schreien.
Juffrouw Murdstone zat aan hare schrijftafel, die overdekt was met
brieven en papieren; zij gaf mij een paar ijzige vingertoppen en vroeg
of men mij de maat had genomen voor mijn rouwpak.

„Ja”, antwoordde ik.

„En uwe hemden,” vroeg zij, „hebt gij uwe hemden meegebracht?”

„Ja, juffrouw; ik heb al mijne kleeren meegebracht.”

Dit was alle troost, die zij in hare „flinkheid” voor mij over had.
Het lijdt geen twijfel of zij vond het een waar genot, bij zulke
gelegenheden te toonen hoe zij zich zelve beheerschen kon, hoe „flink”
zij was, hoeveel geestkracht en gezond verstand, en hoe al hare
duivelachtige eigenschappen nog meer heeten mogen, zij bezat. Zij was
vooral trotsch op hare „flinkheid” in zaken en toonde dit thans door
alles terug te brengen tot pen en inkt, en niet de minste ontroering
te laten blijken. Zij zat het geheele overige gedeelte van den dag
aan hare schrijftafel en ook den volgenden dag van den morgen tot den
avond; voortdurend hoorde ik het krassen van hare harde pen, terwijl
zij tegen iedereen op denzelfden onverstoorbaren fluistertoon sprak;
geen spier in haar gelaat vertrok; geen oogenblik klonk hare stem
zachter: hare japon en haar kapsel waren even glad als altijd.

Mijnheer Murdstone nam nu en dan een boek op, maar ik zag hem nooit
lezen. Hij opende het en keek er in alsof hij las, maar al sloeg ik hem
ook een uur achtereen gade, er werd geen blad omgekeerd; dan legde hij
het weder weg en wandelde de kamer op en neer. Ik had niets te doen
dan met gevouwen handen naar hem te zitten kijken en zijne voetstappen
te tellen, uren achtereen. Hij sprak slechts zelden eenige woorden tot
zijne zuster; tot mij in het geheel niet. Hij scheen in het stille huis
„het” eenige te zijn, dat zich bewoog, behalve de klok.

In de dagen, die aan de begrafenis voorafgingen, zag ik Peggotty bijna
niet; wanneer ik echter de trap op- of afkwam, vond ik haar altijd in
de nabijheid van de kamer, waar mijne moeder en haar kindje lagen, en
des avonds zat zij bij mijn bed totdat ik sliep. Eén of twee dagen voor
de begrafenis—ik meen ten minste, dat het één of twee dagen was, want
ik kan mij dien droeven tijd niet meer met juistheid voor den geest
brengen, omdat er geen enkel rustpunt in was—nam zij mij mede in de
kamer. Ik kan mij daarvan nog slechts herinneren, dat daar, onder een
wit laken en door frissche bloemen omringd, voor mijn gevoel de oorzaak
scheen te liggen van de plechtige stilte, die in het geheele huis
heerschte; en dat ik, toen zij dat laken wilde oplichten, hare hand
tegenhield en „o, neen, o, neen!” riep.

Indien de begrafenis gisteren had plaats gehad, zou ik mij die niet
beter kunnen herinneren. De muffe lucht in de mooie kamer, toen ik
binnenkwam, het knappend vuur in den haard, het tintelen van den wijn
in de karaffen, de fatsoenen van de glazen en de borden, de flauwe
zoete lucht van koek, de geur, door juffrouw Murdstone's japon de
kamer rondgedragen, onze zwarte kleederen—dat alles is mij altijd
bijgebleven. Dokter Chillip was ook in de kamer en kwam mij toespreken:
„En hoe maakt jongeheer David het?” vroeg hij vriendelijk.

Ik kon onmogelijk antwoorden: „Heel goed!” Ik gaf hem eene hand en hij
hield die in de zijne.

„Wel, wel,” zei hij, „wat worden zulke kleintjes toch spoedig
groot!”—Er glinsterde iets in zijne oogen.—„Hij groeit ons boven het
hoofd, juffrouw!”

Juffrouw Murdstone, tot wie deze woorden gericht waren, gaf geen
antwoord.

„Het is hier treurig afgeloopen, mejuffrouw,” sprak dokter Chillip.

Een zuur gezicht en een stijve buiging was alles wat de goedhartige
dokter ten antwoord kreeg, waarom hij mij medenam naar een hoek van de
kamer en het stilzwijgen bewaarde.

Ik vermeld dit, omdat ik alles vermeld wat er gebeurde, hoewel ik er
weinig belang in stelde. Eindelijk gaat de huisschel over en komen
mijnheer Omer en nog een man binnen om ons aan te kleeden. Peggotty had
mij lang geleden dikwijls verteld, dat zij, die het lijk van mijn vader
naar hetzelfde graf gevolgd waren, ook in deze kamer waren aangekleed.

Ditmaal zijn de volgers: Mijnheer Murdstone, onze buurman, mijnheer
Grayper, dokter Chillip en ik. Toen wij de deur uittraden, waren de
dragers met hun last reeds in den tuin; zij gingen voor ons uit, het
pad af, langs de olmen en door het hek, het kerkhof binnen, waar ik zoo
menigen zomermorgen de vogels had hooren zingen.

Daar stonden wij om het graf. In mijne herinnering verschilt deze dag
van alle andere dagen in mijn leven en schijnt de zon omfloerst te zijn
geweest. Nu heerscht er plechtige stilte; wij hebben die blijkbaar
uit ons huis medegebracht met de lieve doode, die daar in de geopende
groeve wordt neergelaten; wij staan blootshoofds en ik hoor de stem van
den geestelijke, die zegt: „Ik ben het Leven en de Opstanding, zegt
de Heer!” Daarna hoor ik snikken en zie ik tusschen de omstanders het
beschreide gezicht van onze goede, trouwe dienstbode, van Peggotty, het
wezen, dat ik op deze aarde het meest lief heb en tot wie—daarvan is
mijn kinderlijk hart overtuigd—de Heer eenmaal zal zeggen: „Welgedaan.”

Er is meer dan een bekend gezicht onder die omstanders; gezichten, die
ik ken uit de kerk, waar ik altijd zat rond te kijken; gezichten van
menschen, die mijne moeder gekend hebben, toen zij in den vollen bloei
harer jeugd in het dorp kwam. Ik let niet op hen—ik denk slechts aan
mijn groot verdriet—en toch zie en hoor ik hen allen; zelfs zie ik
op den achtergrond het gezicht van Minnie, die voortdurend naar haar
verloofde kijkt; Joram staat vlak bij mij.

Het is voorbij, de kuil is gevuld—wij keeren naar huis terug. Daar
staat het voor ons, zoo lief en onveranderd, zoo vereenzelvigd met
haar, die nu van ons is heengegaan, dat het verdriet van de vorige
dagen niet is te vergelijken met de gewaarwording, die mij thans
overmeestert. Zij nemen mij echter mede en dokter Chillip spreekt
mij toe en laat mij thuis komende een glas water drinken, en als ik
hem vraag naar mijn eigen kamertje te mogen gaan, brengt hij mij met
vrouwelijke zachtheid er heen.

Dit alles schijnt mij toe gisteren gebeurd te zijn. Voorvallen uit
latere jaren zijn spoorloos verdwenen naar de kust, waar al wat
vergeten is weder te voorschijn zal komen; maar de gebeurtenis van
dezen dag staat als eene onwrikbare rots te midden van den Oceaan.

Ik wist dat Peggotty mij in mijne kamer zou opzoeken. De sabbathstilte
om ons heen—ik vergat te zeggen, dat de dag zooveel op een Zondag
geleek—deed ons beiden weldadig aan. Zij zat naast mij op mijn kleine
bedje en hield mijne hand vast, die zij nu en dan aan hare lippen
bracht of streelde, zooals zij het handje van mijn kleine broertje zou
gedaan hebben, en vertelde mij op hare eigenaardige wijze alles wat er
in de laatste maanden was voorgevallen.

„Zij was al lang niet wel”, vertelde Peggotty. „Zij werd voortdurend
heen- en weergeslingerd en voelde zich volstrekt niet gelukkig. Toen
broertje geboren was, meende ik in het begin, dat zij geheel herstellen
zou, maar zij was te zwak en ging bij den dag achteruit. Vóór de
geboorte van den kleine zat zij gaarne alleen en meermalen betrapte ik
haar, dat zij zat te schreien; naderhand had zij de gewoonte aangenomen
van te zingen—zoo zacht, dat ik eens, toen ik haar hoorde, meende eene
stem te vernemen, die langzaam naar omhoog zweefde. Ik geloof, dat zij
in den laatsten tijd nog angstiger en bedeesder was geworden en dat
een hard uitgesproken woord haar pijn deed. Voor mij bleef zij altijd
dezelfde. Voor hare malle Peggotty bleef zij altijd dezelfde, die
lieveling.”

Peggotty hield een oogenblik op en streelde eenigen tijd mijne hand.

„De laatste keer, dat ik haar gezien heb, zooals zij vroeger was—in
den goeden, ouden tijd—was de avond toen gij thuis kwaamt, mijn beste.
Den dag toen gij weder naar school gingt, zeide zij tegen mij: ‚Ik zal
mijn lieveling nimmer terugzien; ik heb er een voorgevoel van, dat mij
niet kan bedriegen.’

„Zij deed daarna haar best om zich goed te houden en menigmaal dat zij
haar van luchthartigheid en onnadenkendheid beschuldigden, scheen zij
ook werkelijk zoo te zijn; maar het was niet zoo. Zij vertelde haar
echtgenoot nooit hetgeen zij mij verteld had—zij was bang om het aan
iemand anders te vertellen—vóór zekeren avond, ongeveer eene week voor
het werkelijk zoo was. ‚Lieve man’, sprak zij toen, ‚ik geloof dat ik
sterven ga.’

„‚Ziezoo, nu is het van mijn hart, Peggotty,’ snikte zij, toen ik haar
dien avond in bed hielp. ‚Hij zal het eenige dagen lang, van dag tot
dag meer en meer gaan gelooven, de arme man... en dan is alles voorbij.
O, ik ben zoo moe. Blijf bij mij zitten tot ik slaap; laat mij niet
alleen. God zegene mijne beide kinderen! God bescherme en behoede mijn
vaderloozen jongen!’

„Ik verliet haar toen niet meer. Dikwijls sprak zij met die twee,
beneden—want zij hield van hen; zij kon er niet buiten iedereen lief
te hebben uit hare omgeving—maar wanneer zij weg waren, keerde zij
zich altijd weder naar mij, alsof zij alleen bij mij rust vinden en
anders niet in slaap komen kon.

„Den laatsten avond gaf zij mij een kus en zeide: ‚Als mijn kleintje
ook mocht sterven, Peggotty, leg hem dan in mijn armen en laat ons
samen begraven.’—Haar vermoeden was juist geweest, want het arme
schaap overleefde haar maar één dag.—‚Laat mijn beste jongen medegaan
naar mijne laatste rustplaats,’ vervolgde zij, ‚en zeg hem, dat zijne
arme moeder hem op haar ziekbed niet éénmaal, maar duizendmalen
gezegend heeft.’”

Wederom volgden er eenige oogenblikken stilte en wederom streelde zij
mijne hand.

„Het was reeds tamelijk ver in den nacht,” ging Peggotty voort, „toen
zij mij een weinig drinken vroeg en toen zij gedronken had, lag er zulk
een dankbare glimlach om haar mond... o, zij was toen zoo mooi, mijn
lieveling!—De dag was aangebroken, toen zij mij begon te vertellen,
hoe goed en zorgzaam mijnheer Copperfield altijd voor haar geweest was,
hoeveel geduld hij met haar had gehad en hoe menigmaal hij gezegd had,
als zij ontevreden was op zich zelve: dat een liefhebbend hart beter
en meer waard was dan wijsheid en dat hij zoo gelukkig was in haar
bezit. ‚Och, Peggotty, beste meid,’ vervolgde zij toen, ‚leg mij wat
dichter naar u toe’; zij was zoo zwak. ‚Leg uw arm onder mijn hoofd,’
verzocht zij, ‚en keer mij naar u toe, want het is mij alsof uw gezicht
zoo veraf is en ik wilde zoo graag dicht bij u zijn!’—Ik deed wat zij
verzocht en o, Davy! de tijd was daar, dat de woorden, waarmede ik eens
afscheid van u genomen had, waarheid werden: zij was blijde haar arm
hoofd op den arm van hare oude, knorrige Peggotty te leggen en stierf
als een kind, dat langzaam in slaap valt.”

       *       *       *       *       *

Zoo eindigde Peggotty's verhaal. Van het oogenblik af, dat ik den dood
mijner moeder vernam, was haar beeld, zooals ik haar het laatste jaar
gezien had, uitgewischt. Van dat oogenblik af, bleef zij in mijne
herinnering de jonge moeder, zooals ik mij haar uit mijne eerste
levensjaren herinnerde, de lange krullen om haar vinger draaiend en
met mij door de kamer dansend in de gezellige schemeruurtjes. Hetgeen
Peggotty mij verteld had, bracht mij slechts de moeder uit mijne
vroegste jeugd in herinnering. Het moge vreemd schijnen, toch is het
waar. Met haar dood waren ook de beide laatste jaren uitgewischt en
keerde zij tot mij terug, zooals zij geweest was in haar kalmen,
onbezorgden tijd.

De moeder, die op het kerkhof lag, was de moeder uit mijn kindsheid;
het kleine wezentje in hare armen, was ik, zooals ik eenmaal geweest
was, toen zij mij aan haar boezem in slaap wiegde.



X.

Ik word verwaarloosd en—verzorgd.


Het eerste, dat juffrouw Murdstone deed daags na de begrafenis, toen
het licht weder vrijen toegang had tot de woning, was Peggotty den
dienst op te zeggen. Over eene maand kon zij vertrekken. Met hoeveel
tegenzin Peggotty in zulk een dienst zou zijn gebleven, geloof ik
toch, dat zij ter wille van mij niet zou zijn heengegaan, al was haar
de beste en voordeeligste dienst van de wereld aangeboden. Zij deelde
mij mede, dat wij moesten scheiden en vertelde mij ook, waarom; wij
beklaagden elkander in alle oprechtheid des harten.

Over mij en mijne toekomst werd geen woord gesproken; toch durf ik
verklaren, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij mij, evenals
Peggotty, met eene maand opzeggens kwijt waren geweest. Op zekeren
dag vatte ik moed en vroeg juffrouw Murdstone wanneer ik weder naar
school zou gaan, waarop zij antwoordde, dat ik er misschien wel in het
geheel niet meer zou heengaan. Verder vernam ik niets. Wel was ik zeer
nieuwsgierig naar hetgeen er verder van mij worden zou en Peggotty niet
minder, maar noch zij, noch ik kon dienaangaande iets gewaar worden.

Er was eene verandering in mijne omstandigheden gekomen, die mij veel
onaangenaamheden bespaarde, doch mij, indien ik in staat geweest was
om er eens grondig over na te denken, zonder twijfel de toekomst
donker zou hebben doen uitzien. Het was deze: De dwang, dien men mij
had opgelegd, was geheel opgeheven. Wel verre van mij steeds in de
huiskamer te willen zien zitten, fronste juffrouw Murdstone zelfs nu
en dan de wenkbrauwen als ik binnenkwam en gaf zij mij te kennen, dat
ik maar liever heen moest gaan. Als ik mijn gezelschap maar niet aan
mijnheer of juffrouw Murdstone opdrong, mocht ik gerust bij Peggotty
in de keuken zitten; er werd nooit naar mij gezocht of gevraagd. In
het eerst vreesde ik, dat mijnheer Murdstone zich verder met mijne
opvoeding zou belasten of dat zijne zuster zich daaraan zou wijden;
maar al spoedig begon ik in te zien, dat deze vrees geheel ongegrond
was geweest en mij niets anders te wachten stond dan verwaarloozing.

Ik zal volstrekt niet beweren, dat deze ontdekking mij toenmaals erg
verontrustte. Ik was nog versuft door den slag, die mij getroffen
had, en onverschillig voor alles wat niet in betrekking stond tot de
overledene. Ik herinner mij wel, nu en dan de mogelijkheid, te hebben
overwogen, dat ik niets meer zou leeren of nergens voor zou opgeleid
worden; dat ik zou opgroeien tot een armoedig, onbruikbaar mensch, die
nergens toe deugde en een onnut leven zou leiden op het dorp; ook is
het wel eens in mij opgekomen, of ik mij niet, even als de helden in
de boeken, die ik gelezen had, aan zulk een lot moest onttrekken en
zelf mijn fortuin zoeken in de wereld; maar dit waren voorbijgaande
visioenen, droombeelden, die ik, wakend, op den wand van mijne kamer
zag geschilderd of geschreven, doch die even spoedig weder verdwenen,
zoowel van den wand als uit mijn brein.

„Peggotty,” fluisterde ik op zekeren avond, toen ik bij de keukenkachel
mijne handen kwam warmen, „Peggotty, ik geloof, dat mijnheer Murdstone
mij nog minder mag lijden dan vroeger. Hij heeft nooit veel van mij
gehouden, maar hij zou mij nu wel willen wegkijken als hij kon.”

„Misschien is daarvan zijne droefheid de oorzaak,” antwoordde Peggotty,
mijne haren streelende.

„Ik ben ook bedroefd, Peggotty, dat verzeker ik u. Indien ik gelooven
kon, dat zijn verdriet de oorzaak was, dan zou ik er niet over denken.
Maar dat is het niet, o, neen, dat is het niet.”

„Hoe weet gij, dat het dat niet is?” vroeg Peggotty, na eene pauze.

„O, zijn verdriet is het niet. Hij is op dit oogenblik, terwijl hij
met juffrouw Murdstone bij den haard zit, erg bedroefd; maar als ik nu
binnenkwam, Peggotty, zou hij wat anders worden.”

„Wat zou hij dan worden?” vroeg Peggotty.

„Boos”, antwoordde ik en bootste onwillekeurig zijn gezicht na. „Als
hij alleen bedroefd was, zou hij mij niet zoo aankijken als hij doet.
Ik ben alleen bedroefd, maar dat stemt mij zachter.”

Peggotty sprak gedurende eenige oogenblikken geen woord en ik warmde
mijne handen, eveneens zwijgend.

„Davy”, zeide zij ten laatste.

„Wat is het, Peggotty?”

„Ik heb alles beproefd, beste, alles gedaan wat ik kon—alle manieren
beproefd, die er zijn en alle manieren, die er niet zijn—om hier, in
Blunderstone, een goeden dienst te krijgen, maar er is er geen, mijn
lieveling.”

„En wat denkt gij nu te gaan doen, Peggotty?” fluisterde ik. „Gaat gij
nu uw fortuin zoeken?”

„Ik geloof, dat ik zal moeten besluiten naar Yarmouth te gaan en daar
af te wachten of zich iets voordoet,” antwoordde Peggotty.

„Gij hadt verder van mij af kunnen gaan,” zei ik, een weinig
gerustgesteld, „zoodat gij geheel voor mij verloren waart. Ik zal
u nu ten minste nu en dan kunnen zien, Peggotty. Gij zult dan ten
minste niet aan het andere einde van de wereld zijn.”

„Dat verhoede de Hemel!” riep Peggotty met vuur. „Zoo lang gij hier
zijt, lieveling, zal ik elke week overkomen om te zien hoe gij het
maakt. Elke week éénmaal, zoo zeker als ik leef.”

Ik voelde mij na deze belofte duizend pond lichter; maar dit was nog
niet alles, want Peggotty ging voort: „Zooals ik zeide, ga ik eerst een
veertien dagen bij mijn broeder logeeren, om eens uit te zien en wat
tot mij zelven te komen. Wellicht zouden zij, als gij hen hier toch te
veel zijt, wel willen toestaan, dat ik u medeneem?”

Indien iets ter wereld—tenzij met de huisgenooten, behalve Peggotty,
op een anderen voet te komen—mij op dit oogenblik genoegen had kunnen
doen, dan was het dit plan. Het denkbeeld opnieuw omringd te zijn door
al die eerlijke gezichten, opnieuw door hen verwelkomd te worden;
opnieuw het vredige gevoel te ondervinden, wanneer des Zondags morgens
de kerkklokken luidden; opnieuw de steentjes in het water te zien
plassen en de schepen uit den mist te zien opduiken; dagelijks met de
kleine Emily op- en neer te gaan en haar te vertellen van mijn groot
verdriet, steentjes en schelpen met haar te zoeken op het strand—dat
alles bracht mijn geschokt gemoed tot kalmte. In het volgende
oogenblik echter bekroop mij reeds de vrees, dat juffrouw Murdstone
hare toestemming zou weigeren; maar ik werd spoedig gerustgesteld, want
terwijl wij nog aan het praten waren, kwam zij hare avond-inspectie
houden over de provisiekast, en met een stoutmoedigheid, die mij
verbaasde, bracht Peggotty onmiddellijk de zaak op het tapijt.

„De jongen zal daar leeg loopen,” zei juffrouw Murdstone, een pot
met augurken bekijkend, „en ledigheid is des duivels oorkussen. Maar
hij loopt hier ook ledig en zal overal ledig loopen—daarvan ben ik
overtuigd.”

Peggotty had een toornig antwoord op de lippen—dat zag ik: maar zij
hield het in, ter wille van de goede zaak, en bewaarde het stilzwijgen.

„Hm!” vervolgde juffrouw Murdstone, nog steeds de diepte peilend van
den pot met augurken, „het voornaamste van alles is—van het grootste
belang is het zelfs—dat mijn broeder met niets worde lastig gevallen.
Het zou wellicht beter zijn, als ik ‚ja’ zei.”

Ik bedankte haar zonder eenige vreugde te toonen, want dan zou zij
waarschijnlijk hare toestemming hebben ingetrokken. Ik kon niet nalaten
te onderstellen, dat ik zeer voorzichtig had gehandeld; zij keek mij
plotseling met zulk een zuur gezicht aan, dat de gedachte in mij opkwam
of al het zuur uit den pot door hare zwarte oogen was opgezogen. Hoe
het zij, de toestemming werd gegeven en niet weder ingetrokken en toen
de maand uit was, waren Peggotty en ik gereed om te vertrekken.

Barkis kwam in huis om Peggotty's koffers te halen. Ik geloof, dat
hij nog nooit binnen het tuinhek geweest was, maar nu kwam hij zelfs
in huis en toen hij met den laatsten koffer op den schouder de deur
uitging, lag er in den blik, waarmede hij mij aankeek, eene bijzondere
uitdrukking, voor zoover ten minste het gezicht van Barkis uitdrukking
hebben kon.

Peggotty was in eene gedrukte stemming, nu het oogenblik was
aangebroken, waarop zij de woning verlaten zou, die zooveel jaren haar
tehuis was geweest en waar zij de teederste betrekkingen van haar
leven—met mijne moeder en mij—had aangeknoopt. Zij was al heel vroeg
naar het kerkhof gegaan en zat nu in de kar met den zakdoek voor de
oogen.

Zoo lang zij in deze stemming bleef, gaf Barkis geen teeken van leven;
hij zat in zijne gewone, trage houding op zijne gewone plaats, als
een groote pop; maar toen Peggotty begon rond te kijken en met mij te
spreken, knikte hij eenige malen met het hoofd en grinnikte daarbij
vergenoegd. Ik begreep volstrekt niet, wat hem daartoe aanleiding gaf
of wat hij er mee bedoelde.

„Mooi weer, vandaag, Barkis!” zei ik bij wijze van beleefdheid.

„Niet slecht,” antwoordde hij. Barkis was altijd zeer voorzichtig in
zijne uitdrukkingen en scheen niet gaarne de verantwoordelijkheid op
zich te nemen van een beslist oordeel.

„Peggotty voelt zich nu weder geheel op haar gemak, Barkis,” zei ik om
hem genoegen te doen.

„Zoo, is zij?” vroeg Barkis.

Nadat hij over dit feit met een wijsgeerig gezicht eenigen tijd had
nagedacht, keek Barkis haar aan en vroeg: „Zijt gij nu weder geheel op
uw gemak?”

Peggotty lachte en antwoordde in bevestigenden zin.

„Maar zeg mij nu eens eerlijk en oprecht: Zijt gij het waarlijk?”
bromde Barkis, terwijl hij wat dichter naar haar toeschoof en haar met
den elleboog aanraakte. „Zijt gij waarlijk op uw gemak? Waarlijk? Hé!”

Bij elke vraag schoof hij nog wat nader en gaf hij haar een duw met den
elleboog, zoodat wij eindelijk met ons drieën in den linkerhoek van de
kar waren terecht gekomen en ik zoo in de verdrukking zat, dat ik niet
dan met moeite kon ademhalen.

Peggotty wees hem op mijne ongemakkelijke houding, waarop Barkis
terstond ruimte begon te maken en gaandeweg weder in zijn gewone
hoekje kwam te zitten. Ik kon echter niet nalaten in mij zelven de
opmerking te maken, dat Barkis zich scheen te verbeelden zeer gelukkig
te zijn geweest in het uitvinden van eene nette, aangename en handige
manier om uiting aan zijne gevoelens te geven, zonder tot spreken
genoodzaakt te zijn. Hij zat er blijkbaar eenigen tijd in zich zelven
over te grinniken. Nu en dan keerde hij zich eens naar Peggotty om,
en de vraag herhalende, of zij zich nu waarlijk meer op haar gemak
voelde, drong hij weder zoo lang op, tot mij de adem benomen werd. En
dit herhaalde hij hoe langer hoe vaker, telkens met denzelfden uitslag.
Ten laatste stond ik op, wanneer ik hem zag aankomen, en ging op de
voetplank staan, alsof ik van het uitzicht wilde genieten en—bevond
mij daar goed bij.

Barkis was zoo beleefd om, geheel tot ons genoegen, aan een herberg
stil te houden en ons op gebraden schapevleesch en bier te onthalen.
Telkens wanneer Peggotty wilde drinken, kreeg hij een van zijne
opdring-buien, zoodat zij zich herhaaldelijk verslikte. Toen wij echter
het einde van onze reis naderden, had hij allerlei beslommeringen en
dientengevolge minder tijd voor liefdesverklaringen, en toen wij op
het Yarmouther plaveisel toch reeds tegen elkander werden geworpen en
gehotst en geschud, kon hij aan niets anders denken.

Baas Peggotty en Ham wachtten ons op het oude plekje op. Zij ontvingen
Peggotty en mij op de vriendelijkste wijze en schudden Barkis de hand.
Hij stond, met den hoed achter op het hoofd en de beenen wijd van
elkaar, zoo verlegen te kijken, dat hij, naar mij voorkwam, een treurig
figuur maakte. Zij namen Peggotty's bagage op en wij waren op het punt
van heen te gaan, toen Barkis mij heimelijk een teeken gaf met den
wijsvinger, om even onder de poort te komen.

„Zeg eens,” bromde hij, „alles is in orde.”

Ik keek hem aan en antwoordde, moeite doende om eene even diepzinnige
uitdrukking op mijn gelaat te krijgen als hij: „Zoo!”

„Wij zien elkaar nog terug,” vervolgde Barkis, terwijl hij mij
vertrouwelijk toeknikte. „Het is in orde.”

Nogmaals antwoordde ik: „Zoo!”

„Ge weet wie wel wilde,” zeide mijn vriend, „het was Barkis. Ja, Barkis
wil wel.”

Ik knikte bevestigend.

„Alles is in orde,” herhaalde hij en schudde mij de hand; „ik blijf uw
vriend. Gij hebt het goed aangelegd. Alles is in orde.”

In zijne pogingen om bijzonder duidelijk te zijn, was Barkis zoo
ontzettend geheimzinnig, dat ik hem wel een uur lang had kunnen
aankijken, zonder meer wijsheid uit zijn gelaat te putten dan uit de
wijzerplaat van eene stilstaande klok. Peggotty riep mij echter toe dat
het tijd werd. Toen wij voortwandelden vroeg zij mij wat Barkis gezegd
had, en ik antwoordde, dat hij mij gezegd had: „Alles is in orde.”

„Heb ik ooit zoo'n onbeschaamdheid meer gezien!” riep Peggotty uit.
„Maar dat doet er niet toe, beste jongen. Wat zoudt gij wel zeggen,
lieve Davy, als ik eens ging trouwen?”

„Wel,” antwoordde ik na eenige aarzeling, „ik onderstel, dat gij even
veel van mij houden zoudt als nu, Peggotty.”

Tot groote verbazing van de voorbijgangers, zoowel als van baas
Peggotty en Ham, die vooruit liepen, voelde de goede ziel zich
verplicht te blijven staan en mij te omhelzen, onder herhaalde
betuigingen van hare onveranderlijke liefde.

„Vertel mij nu eens wat gij er wel van zoudt zeggen, lieveling?” vroeg
zij nogmaals toen wij verder gingen.

„Als gij met Barkis gingt trouwen, Peggotty?”

„Ja.”

„Ik geloof dat gij dan heel goed zoudt doen. Want, nietwaar, Peggotty,
dan zoudt gij altijd het paard en de kar tot uwe beschikking hebben om
mij te komen bezoeken; het zou u dan geen geld kosten en gij zoudt ook
zeker zijn dat er plaats was.”

„Waar haalt die jongen het verstand vandaan!” riep zij. „Dat is het
juist, waarover ik nu reeds een maand lang heb zitten peinzen! Ja,
mijn lieveling, en ik denk ook, dat ik dan minder gebonden zal zijn,
ziet ge? En het is ook aangenamer in zijn eigen huis te werken dan
in dat van een ander. Ik weet niet of ik nog wel geschikt zou zijn
om onder vreemden te dienen. En dan blijf ik ook altijd dicht bij de
laatste rustplaats van mijn „beste” en kan er heengaan wanneer ik wil,”
vervolgde zij peinzend, „en wanneer ik zelve eenmaal het hoofd neerleg,
kan ik dicht bij mijn „beste” begraven worden!”

Gedurende eenige oogenblikken spraken wij geen van beiden een woord.

„Maar,” zei Peggotty eindelijk, „ik zou er in het geheel niet meer aan
willen denken als mijn Davy er iets tegen had—al waren wij driemaal
afgekondigd in de kerk en al versleet de verlovingsring in mijn zak.”

„Kijk mij eens aan, Peggotty,” zei ik „en zie zelve of ik niet heel
blij ben en of ik het zelf ook niet wensch.” En waarlijk, dat deed ik
ook van ganscher harte.

„Welnu, beste,” zei Peggotty, mij aan haar hart drukkende, „ik heb er
dag en nacht over gedacht, op alle manieren en ik hoop ook op de juiste
manier; maar ik zal er nog eens over denken en er met mijn broeder over
spreken en intusschen houden wij het nog geheim, nietwaar, Davy? Barkis
is een eenvoudige, beste man,” vervolgde Peggotty, „en indien ik mijn
plicht tracht te doen bij hem, dan moet het wel mijn eigen schuld zijn
als ik niet..... niet geheel op mijn gemak bij hem ben.” Zij lachte uit
volle borst na deze woorden.

Deze aanhaling van Barkis' woorden was zoo te pas, en wekte
zoodanig onzen lachlust op, dat wij telkens opnieuw begonnen en in
de vroolijkste stemming bij de woning van baas Peggotty aankwamen.
Behalve dat deze in mijne oogen een weinig was ingekrompen, zag zij er
nog juist zoo uit als vroeger, en juffrouw Gummidge stond aan de deur
te wachten, alsof zij daar al dien tijd gestaan had. Van binnen was
alles hetzelfde gebleven, tot de zeeplanten in de blauwe kan op mijn
slaapkamertje toe. Ik ging het uitgebouwde schuurtje binnen om eens
rond te kijken en schijnbaar lagen daar nog dezelfde kreeften, krappen
en schaalvisschen, behept met denzelfden lust om de geheele wereld te
knijpen, op dezelfde wijze in elkander verward, in hetzelfde hoekje
bijeen. Maar wie ik niet zag, dat was de kleine Emily en daarom vroeg
ik baas Peggotty waar zij gebleven was.

„Zij is naar school, jongeheer,” antwoordde baas Peggotty, de
zweetdroppelen van het voorhoofd wisschend, die het dragen van
Peggotty's koffer daarop had te voorschijn geroepen; „zij zal”—hij
keek op de oude Friesche klok—„over twintig minuten of een half uur
thuis zijn. Wij missen haar allen, dat verzeker ik u.”

Juffrouw Gummidge slaakte een zucht.

„Kom, moedertje, moed gehouden!” riep baas Peggotty.

„Ik voel het erger dan iemand anders,” zei juffrouw Gummidge; „ik ben
een ellendig, ongelukkig schepsel en zij was de eenige, voor wie ik nog
geen lastpost was.”

Al kreunende en klagende ging juffrouw Gummidge het vuur aanblazen en
baas Peggotty keek den kring rond en op haar wijzende, zeide hij achter
zijne hand, op fluisterenden toon: „Ze denkt weer aan den oude!” Ik
maakte hieruit op, dat er sedert mijn laatste bezoek geen verbetering
gekomen was in juffrouw Gummidge's gemoedsgesteldheid.

Hoe het kwam, wist ik niet, maar de woning en wat er in en om was,
maakte niet zulk een indruk op mij als den vorigen keer. Toch was
er niets veranderd. Ik was zelfs een weinig teleurgesteld—misschien
omdat Emily er niet was. Maar ik kende den weg, dien zij moest afkomen
en wandelde in die richting op, ten einde haar te ontmoeten. Weldra
zag ik op vrij grooten afstand een gedaante aankomen, die ik spoedig
als Emily herkende; zij was wel gegroeid, maar toch nog altijd klein;
toen zij naderbij kwam en ik zag dat hare blauwe oogen nog blauwer,
en de kuiltjes in hare wangen nog dieper en zij zelve nog mooier en
vroolijker geworden was, maakte zich eene zonderlinge gewaarwording van
mij meester, zoodat ik deed alsof ik haar niet kende en haar voorbij
liep, alsof ik heel in de verte naar iets keek. In latere jaren heb ik
zoo iets wel meer gedaan, als ik mij niet vergis.

De kleine Emily trok er zich niets van aan. Zij herkende mij heel
goed, maar in plaats van om te keeren en mij terug te roepen, liep zij
lachend verder. Hierdoor was ik genoodzaakt haar achterna te loopen,
maar zij liep zoo hard, dat wij reeds vlak bij de woning waren eer ik
haar gevangen had.

„O, waart gij het?” sprak zij.

„Wist gij dan niet wie ik was, Emily?”

„En wist gij dan niet wie ik was?”

Ik wilde haar een kus geven, maar zij bedekte hare kersroode lippen met
hare handen, zeide dat zij nu geen klein kind meer was en snelde heen,
harder lachend dan ooit. Het scheen wel dat zij er pleizier in had mij
te plagen en deze verandering in haar verbaasde mij. De theetafel was
gereed en het bankje, dat ons vroeger tot zitplaats had gediend, stond
nog op de oude plaats; maar in plaats van naast mij te komen zitten,
schonk zij haar gezelschap aan de jammerende juffrouw Gummidge en op
de vraag van baas Peggotty, waarom zij niet op hare oude plaats ging
zitten, wierp zij hare krullen over haar gezicht, om het te verbergen
en deed niets dan lachen.

„O, het is zoo'n katje!” zei baas Peggotty, terwijl hij haar met zijn
breede hand over het hoofd streelde.

„Ja, dat is ze! Dat is ze!” riep Ham. „Ja, jongeheer Davy, dat is ze!”
Al grinnikend bleef hij haar aankijken, vol bewondering en verrukking,
zoodat zijne wangen langzamerhand met een gloeienden blos werden
overtogen.

De kleine Emily werd door allen bedorven en door niemand erger dan
door baas Peggotty zelven, van wien zij alles gedaan kon krijgen,
alleen door hare zachte wang tegen zijn ruwen bakkebaard te leggen.
Zoo meende ik tenminste, toen ik haar dat zag doen en ik vond dat baas
Peggotty in zijn volle recht was. Zij was zoo lief en zoo zacht en kon
zoo schalksch en zoo bedeesd tevens zijn, dat zij mij meer dan ooit in
verrukking bracht. Zij had een goed hart ook, want toen wij na de thee
om het vuur zaten en baas Peggotty onder het genot van zijn pijpje het
verlies besprak, dat ik geleden had, stonden de tranen in hare oogen en
keek zij mij over de tafel heen zoo weemoedig aan, dat ik haar innig
dankbaar was.

„Ja,” zei baas Peggotty, terwijl hij hare krullen door zijne grove hand
liet glijden, „hier is ook een weesje, jongeheer. En hier,” vervolgde
hij, Ham een duw gevend, „is er nog een, al ziet hij er niet naar uit.”

„Als ik u tot voogd had, baas Peggotty”, zei ik, het hoofd schuddende,
„zou ik het ook niet zoo voelen.”

„Goed gezegd, jongeheer Davy!” riep Ham met warmte uit. „Hoezee! Goed
gezegd! Gij zoudt het niet voelen! Hoort gij 't? Hoort gij 't wel?” Hij
gaf bij deze laatste woorden baas Peggotty den duw van zooeven terug en
de kleine Emily stond op en kuste haar voogd.

„En hoe maakt het uw vriend, jongeheer?” vroeg baas Peggotty.

„Bedoelt gij Steerforth?”

„Juist, zoo heet hij!” riep baas Peggotty, zich tot Ham wendende. „Ik
wist wel, dat het een naam is, die in ons bedrijf te pas komt.”

„Ik meende, dat gij hem Rudderford hadt genoemd,” zei Ham lachend.

„Welnu!” hernam baas Peggotty. „Gij stuurt immers met het roer, is 't
niet? Zoo heel ver waart gij er dus niet vandaan. Hoe maakt hij het,
jongeheer!”

„Toen ik heenging, was hij heel wel, baas Peggotty.”

„Dat is een vriend!” zei baas Peggotty, zijne pijp uitkloppend. „Dat is
een vriend, als gij spreekt van vrienden. Men zou een uur loopen om hem
te zien!”

„Hij is een knappe jongen, nietwaar?” zei ik, verrukt over den lof op
mijn boezemvriend.

„Knap!” riep baas Peggotty uit. „Hij stond daar voor ons als.....
ja..... als..... ik weet niet als wat. Als een prins misschien wel!”

„Ja, daar lijkt hij op.... op een prins!” antwoordde ik. „Hij is zoo
dapper, zoo stoutmoedig als een leeuw, baas Peggotty; en gij kunt u
geen denkbeeld maken van zijn rondborstigheid.”

„En, voor zoover ik er over kan oordeelen,” hernam baas Peggotty, „zal
hij in het leeren uit allerlei boeken ook wel iedereen de baas zijn.”

„Ja,” zei ik, opgetogen, „hij weet alles; hij is verbazend knap.”

„Dat is me een vriend!” herhaalde baas Peggotty binnensmonds.

„Niets schijnt hem eenige moeite te kosten,” hernam ik. „Hij kent
zijn les als hij er maar even in gekeken heeft. Hij is de beste
cricket-speler, dien gij ooit hebt gezien. En bij het dammen, zal hij u
zooveel schijven voor geven als gij maar wilt, en het toch gemakkelijk
van u winnen!”

Baas Peggotty knikte met het hoofd alsof hij wilde zeggen: „Dat spreekt
van zelf.”

„Hij spreekt zoo rad, dat hij iedereen kan overreden, en ik gaf wat,
baas Peggotty, als gij hem eens kondt hooren zingen.”

Nogmaals knikte baas Peggotty met het hoofd, als wilde hij zeggen: „Ik
twijfel er niet aan.”

„Bovendien heeft hij zulk een edelmoedig karakter, is hij zulk een
ferme, trouwhartige jongen,” vervolgde ik, meegesleept door mijn
meest geliefkoosd onderwerp, „dat men hem moeielijk zooveel lof kan
toezwaaien als hij verdient. Ik ben overtuigd, dat ik nooit dankbaar
genoeg kan zijn voor de edelmoedigheid, waarmede hij mij heeft
beschermd, mij, die zooveel jonger was en zooveel lager op de school
zat dan hij.”

Zoo bleef ik bijna zonder ophouden aan het doorslaan; tot mijn oog
viel op de kleine Emily, die, over de tafel gebogen, met de grootste
aandacht zat te luisteren. Zij hield haar adem in; hare blauwe oogen
schitterden als twee diamanten en op hare wangen lag een donkere blos.
Zij keek zoo buitengewoon ernstig en zag er zoo bijzonder lief uit, dat
ik eensklaps zweeg en haar met bewondering aanstaarde; op hetzelfde
oogenblik waren aller blikken op haar gevestigd; want toen ik ophield,
keken zij lachend naar haar gezichtje.

„Het gaat Emily als mij,” zei baas Peggotty, „zij zou hem gaarne eens
zien.”

Emily werd onder al die blikken verlegen; zij liet haar hoofdje
hangen en een donkere blos verspreidde zich over haar gelaat en haar
hals. Toen zij een oogenblik later opkeek en al die oogen nog op zich
gevestigd zag—ik had haar wel een uur lang kunnen aankijken—snelde
zij heen en bleef weg tot het bedtijd geworden was.

Ik sliep in het oude bed in den achtersteven van de schuit, en de wind
loeide over de vlakte evenals vroeger. Ik kon echter niet nalaten mij
te verbeelden, dat de klaagtonen, die ik hoorde, hen golden, die niet
meer onder de levenden behoorden; in plaats van te denken, dat de zee
in den nacht zou opkomen en de schuit medenemen, meende ik, dat de
zee werkelijk opgekomen was, sinds ik het laatst deze zelfde geluiden
had vernomen, en mijn gelukkig ouderlijk huis had medegesleept in de
diepte. Ik herinner mij dat, toen de geluiden, door den wind en de zee
voortgebracht, hoe langer hoe zwakker werden, ik mijn gebedje eindigde
met de bede, dat ik, eenmaal groot zijnde, met de kleine Emily mocht
trouwen—en zoo viel ik met de liefelijkste gedachten in slaap.

De dagen gingen even genoegelijk voorbij als de eerste maal, met
uitzondering echter—voor mij eene zeer gewichtige uitzondering—dat
de kleine Emily zelden met mij langs het strand wandelde. Zij moest
lessen leeren, had allerlei naaiwerk en was het grootste gedeelte van
den dag afwezig. Ik voelde echter wel, dat al ware zij den geheelen
dag thuis geweest, wij toch niet meer zoo prettig zouden gewandeld
hebben. Zij was wild en vol kinderlijke grillen, maar begon reeds meer
de gewoonten aan te nemen van een volwassen meisje, dan ik had kunnen
onderstellen. Het scheen wel, dat er een groote afstand tusschen ons
gekomen was in dat jaar. Zij hield wel van mij, maar zij lachte mij uit
en plaagde mij; ging ik haar tegemoet, dan nam zij een anderen weg en
stond mij, als ik teleurgesteld thuis kwam, aan de deur uit te lachen.
De aangenaamste oogenblikken waren die, wanneer zij op den drempel zat
te naaien en ik haar, op het houten trapje aan hare voeten zittende,
voorlas. Het komt mij nu voor, alsof ik de zon nooit zoo schitterend
heb gevonden als op die heerlijke namiddagen in April; dat ik nooit
zulk een zonnig klein meisjesfiguurtje gezien heb als de kleine Emily,
zittende op den drempel van de huisdeur—als ik den hoofdtoegang tot de
schuit zoo noemen mag—; dat de lucht nooit zoo helder, de zee nooit
zoo effen was, dat ik nooit zulke heerlijke schepen aan den purperen
horizon heb zien verdwijnen als toen.

Op den eersten avond na onze aankomst verscheen Barkis, bedremmeld en
verlegen, en met een zakdoek vol sinaasappelen. Aangezien hij met geen
woord over zijn eigendom sprak, onderstelden wij, dat hij ze vergeten
had mede te nemen, toen hij heenging. Ham snelde hem achterna, om ze
hem ter hand te stellen, maar kwam terug met de boodschap, dat ze voor
Peggotty bestemd waren. Na deze overwinning op zich zelven behaald te
hebben, verscheen hij elken avond, prompt op hetzelfde uur, altijd
met een of ander pakje bij zich, waarover hij geen woord sprak en dat
hij geregeld achter de deur zette en daar liet liggen. Deze bewijzen
van zijne liefde waren van den meest verschillenden en zonderlingsten
aard. Ik herinner mij o. m. een paar varkenspootjes, een vervaarlijk
speldenkussen, zoo om en bij een half mud appelen, een paar gitten
oorbellen, een rist Spaansche uien, een dominospel, een kanarievogel
met kooi en een gerookte ham.

Over het geheel waren Barkis' liefdesbetuigingen, voor zoo ver ik mij
herinner, van zonderlingen aard. Hij zei bijna nooit iets, maar zat
bij het vuur in dezelfde houding als op de kar en staarde Peggotty,
die tegenover hem zat, met strakke oogen aan. Op zekeren avond nam
hij, naar ik onderstel door liefde gedreven, plotseling het stukje
waskaars weg, dat Peggotty gebruikte om het garen glad te maken, stak
het in zijn vestzak en nam het mede. Na dien tijd was het zijn grootste
vermaak het te voorschijn te halen, wanneer het noodig was; het was
half gesmolten en kleefde aan de voering vast, maar toch stak hij het
telkens weder bij zich. Hij scheen zich bijzonder te vermaken en geen
roeping te gevoelen om te praten. Zelfs wanneer hij Peggotty medenam
om eene wandeling langs het strand te doen, maakte hij het zich niet
druk en vergenoegde zich, naar ik onderstel, met nu en dan te vragen of
zij zich wel goed op haar gemak voelde. Ik herinner mij, dat Peggotty
nu en dan na zijn vertrek, den boezelaar over haar gezicht wierp en
eene lachbui kreeg, die langer dan een half uur duurde. Waarlijk,
wij verkeerden allen min of meer in zulk eene stemming, behalve de
ongelukkige juffrouw Gummidge, wier verlovingstijd waarschijnlijk
onder dergelijke omstandigheden was voorbijgegaan, zoodat zij telkens
aan „den oude” herinnerd werd.

Toen het einde van mijn bezoek aan de vriendelijke visschersfamilie
reeds nabij was, werd er besloten, dat Barkis en Peggotty eens een dag
uit zouden gaan en dat Emily en ik hen zouden vergezellen. Ik sliep
den nacht, die vooraf ging, zeer onrustig in het vooruitzicht van een
ganschen dag met Emily samen te zullen zijn. Wij waren 's morgens voor
dag en dauw op en toen wij nog aan het ontbijt zaten, zagen wij in de
verte Barkis reeds aankomen in een soort sjees, die hij zelf mende in
de richting van het voorwerp zijner liefdedroomen.

Peggotty droeg als gewoonlijk haar zindelijk, glad rouwkleed; maar
Barkis was gedost in eene nieuwe jas, die de kleermaker zoo ruim had
gemeten, dat de mouwen hem zelfs bij het koudste weder handschoenen
bespaarden, terwijl de kraag zijne haren steil in de hoogte duwde. De
blinkende knoopen waren eveneens van de grootste soort. Verder droeg
hij een broek van grijs laken en een lichtgeel vest, zoodat hij in mijn
oog een toonbeeld van deftigheid was.

Toen wij allen buiten waren, zag ik, dat baas Peggotty een ouden schoen
in de hand hield, die ons achterna zou geworpen worden, opdat de tocht
goed zou afloopen en die juffrouw Gummidge hem tot dat doel overhandigd
had.

„Neen,” had zij gezegd, „het is beter, dat een ander het doet, Daniël.
Ik ben een ellendig en ongelukkig schepsel; het zou hun ook maar
tegenloopen in de wereld, evenals mij altijd alles tegenloopt.”

„Kom, oudje!” riep baas Peggotty. „Neem aan en gooi op!”

„Neen, Dan,” hernam zij op huilerigen toon en het hoofd schuddend. „Als
ik alles maar minder voelde, zou ik ook meer kunnen. Gij voelt niet
zooals ik, Dan; alles loopt u ook niet zoo tegen—doe het daarom liever
zelf.”

Maar Peggotty, die van den een naar den ander was gegaan en allen
gekust had, riep uit de sjees, waarin wij nu met ons vieren hadden
plaats genomen—Emily en ik op twee kleine stoeltjes—dat juffrouw
Gummidge het doen moest. En zoo deed zij het, maar het spijt me te
moeten vertellen hoe zij de vreugde van onzen feestelijken uittocht
bedierf door onmiddellijk in tranen uit te barsten en machteloos in
Ham's stevige armen te zinken, verklarende wel te weten, dat zij een
lastpost was en naar het armenhuis gebracht moest worden. Naar het mij
voorkwam was dit een zeer verstandig denkbeeld van haar en had Ham het
maar onmiddellijk ten uitvoer moeten brengen.

Eindelijk ving de rijtoer aan en het eerste wat wij deden was bij eene
kerk stil te houden, waar Barkis het paard aan een paal vastbond en
met Peggotty naar binnen ging, terwijl Emily en ik alleen in de sjees
bleven. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik om mijn arm om Emily's
hals te slaan en haar voor te stellen, dat wij met het oog op mijn
aanstaand vertrek den geheelen dag heel veel van elkander zouden houden
en heel veel pleizier zouden hebben. Toen Emily hierin toestemde en mij
zelfs veroorloofde haar een kus te geven, werd ik wanhopig verliefd;
ik herinner mij zeer goed haar toen betuigd te hebben, dat ik nimmer
een ander meisje zou kunnen liefhebben en bereid was om ieder, die haar
over liefde zou durven spreken, overhoop te steken.

O, wat maakte de kleine Emily zich vroolijk over deze ontboezeming!
Wat trok zij een nuffig gezichtje, alsof zij veel ouder en wijzer was
dan ik, toen zij mij een „onnoozele jongen” noemde; en zij lachte
daarbij zoo hartelijk, zoo bekoorlijk, dat ik de pijn, die deze
geringschattende toespraak mij veroorzaakte, geheel vergat door het
genoegen van haar te mogen zien.

Barkis en Peggotty bleven geruimen tijd in de kerk, maar kwamen er
toch eindelijk weer uit en toen reden wij naar buiten. Onder het
rijden keerde Barkis zich om en vroeg mij, een knipoogje makend—ik had
eigenlijk gedacht, dat hij geen knipoogjes _kon_ maken—: „Welke naam
was het ook, dien ik op de kar heb geschreven?”

„Clara Peggotty,” antwoordde ik.

„En welken naam zou ik nu opschrijven, als er plaats voor was?” vroeg
hij nogmaals met een knipoogje.

„Weer, Clara Peggotty,” raadde ik.

„Mis, Clara Peggotty Barkis,” antwoordde hij en barstte in zulk een
schaterlach uit, dat de sjees er van schudde. Kortom, zij waren
getrouwd en voor geen ander doel de kerk binnengegaan. Peggotty had
gewild, dat het huwelijk in alle stilte zou voltrokken worden, zoodat
er geen andere getuigen waren geweest dan de koster. Zij werd wat
verlegen toen Barkis op zulk eene luidruchtige wijze hunne vereeniging
bekend maakte en kon mij dien dag maar niet genoeg kussen en omhelzen,
ten bewijze van hare onverflauwde toegenegenheid; spoedig werd zij
echter weder de oude en verklaarde zij blijde te zijn, dat het achter
den rug was.

Wij reden naar eene kleine herberg aan een zijweg, waar wij blijkbaar
verwacht werden, een goeden maaltijd en een aangenamen dag hadden. Als
Peggotty in de laatste tien jaren elke maand eens getrouwd was, zou zij
niet méér op haar gemak kunnen zijn geweest: er was geen verschil in
haar te bespeuren; zij was zoo gewoon, zoo kalm, alsof er niets gebeurd
was en ging vóór de thee een wandeling maken met kleine Emily en mij;
terwijl Barkis met een wijsgeerig gezicht zijn pijpje zat te rooken
en zich, naar het mij voorkwam, zat te verkneuteren in zijn geluk.
Indien dit zoo was, dan had dit peinzen zijn eetlust opgewekt, want, ik
herinner het mij duidelijk, dat, hoewel hij aan het middagmaal zich te
goed had gedaan aan varkensvleesch en groenten en ook zijn deel van de
kippen niet had versmaad, bestelde hij bij de thee koud, gekookt spek
en verorberde er, zoo kalm mogelijk, eene flinke portie van.

Na dien tijd heb ik dikwijls gedacht wat eene wonderlijke, onschuldige,
zonderlinge bruiloft het toch geweest was! Toen de duisternis was
ingevallen stapten wij weder in de sjees en reden in de opgeruimdste
stemming huiswaarts, terwijl wij den tijd doorbrachten met naar de
sterren te kijken en er over te praten. Ik was de hoofdpersoon en
opende voor Barkis eene geheel nieuwe wereld. Ik vertelde hem alles
wat ik wist, maar hij zou alles geloofd hebben wat maar in mijn hoofd
was opgekomen om hem te vertellen; want hij had diep ontzag voor mijne
knapheid en deelde zijne vrouw in mijne tegenwoordigheid mede, dat ik
een wonder van geleerdheid was.

Toen wij de sterren hadden afgehandeld, of liever, toen ik van Barkis'
verstand niet meer kon vorderen, sloegen kleine Emily en ik een ouden
paardedeken om, waaronder wij tot het einde van den rit bleven zitten.
O, wat had ik haar lief. Welk een geluk—zoo dacht ik—om met haar
getrouwd te zijn en ergens buiten met haar te gaan wonen, altijd
dezelfden te blijven, niet ouder en niet wijzer te worden, altijd als
kinderen, hand aan hand door den zonneschijn en de groene velden te
wandelen, onze hoofden des nachts op het zachte mos neer te leggen en
daar in alle onschuld en reinheid te slapen en door de vogels begraven
te worden als wij dood waren. Dergelijke tafereelen, zonder werkelijke
wereld, beschenen door het licht onzer onschuld en vaag als de verst
verwijderde sterren, doemden gedurende den geheelen verderen rit voor
mijn geestesoog op. Ik verheug er mij nog in, dat er bij Peggotty's
huwelijk twee zulke argelooze harten als Emily en ik tegenwoordig
waren, dat de minnegoodjes in hun eenvoudigen bruidsstoet zulke
kinderlijke vormen hadden aangenomen.

Laat in den avond kwamen wij gezond en wel aan onze oude schuit terug
en daar namen Mijnheer en Mejuffrouw Barkis afscheid van ons en reden,
dicht naast elkander gezeten, naar hunne eigene woning. Ik voelde
toen voor het eerst dat ik Peggotty verloren had. Hadde hetzelfde dak
Emily's hoofd niet beschermd, ik zou met een bezwaard hart naar bed
zijn gegaan.

Baas Peggotty en Ham begrepen zeer goed wat er in mijn hart omging; zij
zaten ons met een avond-boterham op te wachten en hunne vriendelijke,
gastvrije gezichten verdreven spoedig alle zorgen. De kleine Emily
kwam naast mij op het bankje zitten—de eenige keer gedurende mijn
bezoek—en zoo kwam er aan dezen wonderbaren dag een wonderbaar slot.

Het was dien nacht vloed en spoedig, nadat wij naar bed waren, gingen
baas Peggotty en Ham op de vischvangst uit. Ik was er wat trotsch op
alleen te zijn gelaten ter bescherming van juffrouw Gummidge en de
kleine Emily, en wenschte maar, dat er een leeuw of een slang of eenig
ander kwaadaardig monster zou opdagen om ons aan te vallen, opdat ik
het zou kunnen vernietigen en mijzelven met roem overladen. Er daagde
echter geen enkel soortgelijk dier aan het Yarmouther strand op en zoo
vergenoegde ik mij met den geheelen nacht tot laat in den morgen over
draken te droomen.

Tegen den morgen kwam Peggotty en riep mijn naam zooals gewoonlijk
onder het venster van mijne kamer, alsof het bestaan van een zekeren
Barkis evenzoo van het begin tot het einde een droom geweest was. Na
het ontbijt nam zij mij mede naar haar eigen woning, een lief, klein
huisje. Van alle meubelen, die er stonden, schijnt een oud bureau
van donkerkleurig hout in de mooie kamer—de keuken met den vloer
van tegels was tevens huiskamer—den meesten indruk op mij gemaakt
te hebben. Het had een klep, die neergeslagen kon worden en dan als
schrijftafel dienst deed; terwijl er een exemplaar in quarto van Fox'
Geschiedenis der Martelaren in lag. Ik ontdekte dit kostbare werk
terstond en maakte er mij meester van. Ik herinner mij er niets meer
van, maar zoo vaak ik later bij Peggotty Barkis kwam, klom ik op
een stoel, opende de bewaarplaats van dit juweel, spreidde de armen
over den neergeslagen klep uit en begon het boek met frisschen moed
te verslinden. Ik vrees het meest aangetrokken geweest te zijn door
de prenten, voorstellingen van de afschuwelijkste martelingen van
allerlei aard; de martelaren en Peggotty's huis zijn sinds dien tijd
onafscheidelijk geweest in mijne herinnering, en zijn het nog.

Eindelijk nam ik afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge
en kleine Emily; ik bracht den laatsten nacht door in Peggotty's woning
op een klein dakkamertje—het krokodillenboek lag op eene plank aan
het hoofdeneinde—dat steeds voor mij beschikbaar zou blijven, zooals
Peggotty zeide, en altoos in denzelfden toestand zou gehouden worden.

„Oud of jong, beste Davy, zoo lang ik leef en dit dak boven mijn hoofd
heb,” sprak Peggotty, „zult gij uw kamertje vinden alsof ik u elk
oogenblik verwachtte. Ik zal het elken dag ‚doen’, mijn lieveling,
zooals ik uw oude kamertje in Blunderstone ‚deed’; en al gaat gij ook
naar China, het kamertje blijft zooals het nu is.”

De liefde en aanhankelijkheid van mijne oude kindermeid deden mij goed,
en ik betuigde haar, zoo goed als ik kon, mijn dank. Veel kon ik niet
zeggen, want zij had de armen veel te stijf om mijn hals geslagen. Zij
en Barkis brachten mij met de kar naar huis; aan het tuinhek namen
zij afscheid en een zonderling gevoel maakte zich van mij meester,
toen ik de kar zag wegrijden met Peggotty, en ik alleen bleef onder de
oude olmboomen, opziende naar het huis, waarin geen enkel gelaat mij
tegenblonk, dat mij liefderijk of zelfs maar vriendelijk ontving.

Er ving nu een tijdperk in mijn leven aan, waarin ik aan verwaarloozing
was prijs gegeven, en waaraan ik niet dan met leedwezen kan denken. Ik
stond geheel alleen, zonder dat iemand zich eigenlijk mijner aantrok,
zonder speelkameraden van mijn leeftijd, afgezonderd van alles, alleen
met mijne moedelooze gedachten, waarvan de herinnering mij thans nog,
terwijl ik dit schrijf, droefgeestig stemt. Wat zou ik niet gegeven
hebben als men mij naar de strengste kostschool gezonden had, die ooit
bestaan heeft! Had ik maar onderwijs gekregen, op welke wijze dan ook!
Die hoop was echter ijdel. Zij hadden een hekel aan mij; op norsche,
stroeve wijze hielden zij mij onder gestadig toezicht. Ik geloof, dat
mijnheer Murdstone's inkomen in dien tijd vrij beperkt was, maar dat
deed niets ter zake. Hij kon mij niet uitstaan, en door mij uit zijn
huis te verwijderen, trachtte hij, naar ik meen, ook het denkbeeld te
verdrijven, dat ik eenige aanspraken kon doen gelden—en dat gelukte
hem.

Ik werd niet mishandeld in den gewonen zin van dit woord. Ik werd
niet geslagen, men liet mij geen honger lijden; maar het onrecht,
dat men mij aandeed, werd nooit afgebroken door tusschenpoozen
van zachtmoedigheid; alles ging stelselmatig, zonder eenige
hartstochtelijkheid. Dagen, weken, maanden achtereen werd ik eenvoudig
verwaarloosd.

Wanneer ik aan dien tijd denk, komt menigmaal de vraag bij mij op, wat
zij wel zouden gedaan hebben, als ik ziek geworden was; zouden zij
mij alleen hebben laten liggen op mijn eenzaam kamertje en langzaam
hebben laten wegkwijnen of beter worden—zou men mij met hulp hebben
bijgestaan?

Waren mijnheer en juffrouw Murdstone thuis dan gebruikte ik de
maaltijden met hen; waren zij uit dan zat ik alleen op mijn
kamertje. Zonder eenige beperking zwierf ik dagelijks om het huis
en door den omtrek rond, al was het denkbeeld, dat ik hier of daar
vriendschapsbanden zou aanknoopen, hun onaangenaam, vermoedelijk
uit vrees, dat ik mij beklagen zou over de wijze, waarop zij mij
behandelden. Hoewel dokter Chillip mij meermalen uitnoodigde om hem te
bezoeken—hij was weduwnaar en had, eenige jaren te voren, zijn tenger,
blond vrouwtje verloren, dat ik mij herinner in verbinding met een wit
schildpadden katje—genoot ik om diezelfde reden slechts zelden het
geluk, een avond in de kamer achter zijne apotheek te mogen zitten
lezen in geheel nieuwe boeken, met al de luchtjes van de apotheek in
mijn neus, of onder zijn toezicht het een of ander te mogen fijnstampen
in den grooten mortier.

Om dezelfde reden—waarbij zonder twijfel ook de afkeer, dien zij
van haar hadden, in de schaal mag worden gelegd—werd mij slechts
zelden toegestaan aan Peggotty een bezoek te brengen. Getrouw aan hare
belofte, bezocht zij mij of ontmoette ik haar ergens in de buurt elke
week en nooit kwam zij met ledige handen; maar dikwijls en bitter werd
ik teleurgesteld, wanneer ik verzocht haar een bezoek terug te mogen
brengen in hare woning. Eenige malen echter, met lange tusschenpoozen,
mocht ik gaan en dan deed ik telkens de ondervinding op, dat Barkis
eigenlijk een gierigaard of, zooals Peggotty het uitdrukte, een weinig
schriel was, en eene goede som gelds bewaarde in een kist onder zijn
bed, terwijl hij beweerde, dat er oude kleeren in waren. Hij hield zijn
schatten zoo hardnekkig verborgen, dat zelfs de kleinste sommen niet
anders dan door list te verkrijgen waren en Peggotty des Zaterdags
avonds een geheel plan—van de soort als het Buskruitverraad—moest
beramen, om het noodige voor de wekelijksche inkoopen machtig te
worden.

Al dien tijd voelde ik zeer goed, dat ik al het geleerde weder vergat
en in alle opzichten verwaarloosd werd, zoodat ik mij ongetwijfeld diep
ellendig zou gevoeld hebben, indien ik mijne oude boeken niet gehad
had. Ze waren mijn eenige troost en ik was hun even trouw als zij mij
en las en herlas ze, ik weet niet hoeveel malen.

Ik ben thans aan een tijdperk in mijn leven genaderd, dat ik nimmer zal
vergeten, omdat al hetgeen daarin voorviel mij te levendig voor den
geest staat; de herinnering daaraan rijst thans nog—ook buiten mijn
wil—menigmaal voor mij op en heeft vaak mijne gelukkigste oogenblikken
verbitterd.

Op zekeren dag was ik uit geweest; ik had rondgezworven, of liever
uit lusteloosheid en verveling rondgeslenterd, zooals ik zoo dikwijls
deed, toen ik bij het omslaan van een hoek in de nabijheid van ons huis
mijnheer Murdstone in gezelschap van een vreemden heer zag aankomen.
Waarom weet ik niet, maar ik voelde mij verlegen en wilde hen voorbij
loopen, toen de vreemde heer riep:

„Is dat niet Brooks?”

„Neen, mijnheer,” zei ik, „ik heet David Copperfield.”

„Nu geloof ik dat gij mij beet wilt hebben,” antwoordde hij, „gij heet
Brooks, Brooks van Sheffield.”

Ik keek den vreemdeling na deze woorden eens aandachtig aan. Zijne
wijze van lachen kwam mij bekend voor—het was mijnheer Quinion, dien
ik te Lowestoft ontmoet had, toen ik met mijnheer Murdstone daar
geweest was—het is niet noodig mij dat bezoek te herinneren.

„En hoe gaat het u, en waar ligt gij op school, Brooks?” vroeg mijnheer
Quinion.

Hij had zijne hand op mijn schouder gelegd en keerde mij om, opdat ik
mede zou wandelen. Ik wist niet wat ik zou antwoorden en keek mijnheer
Murdstone verlegen aan.

„Hij is tegenwoordig thuis,” zei deze. „Hij is niet op school. Ik
weet eigenlijk niet wat ik met hem moet aanvangen. Hij is een lastig
heertje.”

Ik zag gedurende eenige oogenblikken den zekeren loenschen blik weder
op mij gevestigd; daarna fronste hij de wenkbrauwen en wendde zich met
zichtbaren afkeer van mij af.

„Hm!” zei mijnheer Quinion, van hem naar mij kijkende. „Mooi weer
vandaag.”

Er volgde een oogenblik stilte, waarin ik er over peinsde hoe ik mij
op de beste wijze van zijne hand kon bevrijden en mijn eigen weg gaan,
toen hij zeide:

„Gij zijt zeker wel een slim kereltje, Brooks!”

„Ja, hij is slim genoeg,” viel mijnheer Murdstone in. „Gij hadt beter
gedaan hem te laten gaan; hij zal u niet dankbaar zijn dat gij hem
ophoudt.”

Op dezen wenk liet mijnheer Quinion mijn schouder los en ik sloeg den
weg naar huis in. Toen ik in den tuin was, keek ik om en zag mijnheer
Murdstone met den rug tegen den kerkhofmuur staan in druk gesprek met
mijnheer Quinion. Zij keken mij beiden na en ik voelde dat zij over mij
spraken.

Mijnheer Quinion bleef dien nacht logeeren. Den volgenden morgen, na
het ontbijt, had ik mijn stoel weggezet en wilde de kamer uitgaan, toen
mijnheer Murdstone mij terugriep. Hij nam met een zekere plechtigheid
aan eene andere tafel plaats, waaraan ook zijne zuster gezeten was.
Mijnheer Quinion stond met de handen in de zakken uit het venster te
kijken en ik zelf keek hen allen beurtelings aan.

„David,” zei mijnheer Murdstone, „jonge menschen zijn op de wereld om
te werken, niet om te droomen en baloorig rond te loopen.....”

„Zooals gij,” voegde juffrouw Murdstone er bij.

„Jane Murdstone, laat deze zaak aan mij over, als 't u belieft! Ik
zeg, David, jonge menschen zijn op de wereld om te werken, niet om te
droomen en baloorig rond te loopen. Vooral is dit noodzakelijk voor
een jongen zooals gij, die in bijna alles veel zal moeten veranderen
en verbeteren; zulk een jongen als gij kan men geen grooter dienst
bewijzen dan hem de wereld in te zenden om te werken, ten einde hem
zijne koppigheid af te leeren.”

„Want koppigheid komt niet te pas,” voegde zijne zuster er bij. „Zulk
een harde kop moet gebroken worden en zal ook gebroken worden.”

Hij wierp haar een half bestraffenden, half instemmenden blik toe en
ging voort:

„Ik onderstel dat gij weet, David dat ik niet rijk ben. In elk geval
weet gij het nu. Gij hebt reeds heel wat kunnen leeren, maar zulk een
school kost veel geld en al was dit niet zoo en al kon ik het betalen,
zou ik toch van oordeel zijn, dat het verblijf op zulk eene school voor
u niet deugt. Gij zult u zelf door de wereld moeten slaan en hoe eerder
gij daarmede aanvangt, hoe beter.”

Het kwam mij voor, dat ik op mijne wijze reeds daarmede begonnen was;
hoe het zij, op dit oogenblik komt het mij voor.

„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over ‚het kantoor’,” vervolgde
mijnheer Murdstone.

„Het kantoor, mijnheer?” herhaalde ik.

„Ja, het kantoor van Murdstone en Grinby, in wijnen,” antwoordde hij.

Ongetwijfeld zal ik erg verbaasd hebben staan kijken, want hij ging
haastig voort:

„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over het kantoor, of de zaak,
of de kelders, of iets dergelijks?”

„Ik meen wel eens over ‚de zaak’ te hebben hooren spreken, mijnheer,”
antwoordde ik, want ik herinnerde mij vaag, iets vernomen te hebben van
de inkomsten van hem en zijne zuster. „Ik weet echter niet wanneer.”

„Dat doet er ook niet toe,” antwoordde hij. „Mijnheer Quinion bestuurt
tegenwoordig de zaken.”

Ik keek mijnheer Quinion, die nog steeds bij het venster stond, met een
zekeren eerbied aan.

„Mijnheer Quinion vertelde mij, dat er meer jongens in de zaak werkzaam
zijn en ik zie daarom niet in, waarom gij daar ook niet werkzaam zoudt
zijn, onder dezelfde voorwaarden.”

„Omdat hij geen andere vooruitzichten heeft,” merkte mijnheer Quinion
op langzamen toon op, terwijl hij zich even omwendde.

Zonder op deze woorden acht te slaan, ging mijnheer Murdstone
ongeduldig, bijna toornig voort:

„Deze voorwaarden zijn, dat gij genoeg zult verdienen om voor uw eigen
eten, drinken en zakgeld zorg te dragen. Uw inwoning wordt door mij
betaald, dat is reeds geregeld. Uw wasch insgelijks....”

„Daarvoor zal ik de begrooting opmaken,” voegde juffrouw Murdstone er
bij.

„Ook zal voor uwe kleeding gezorgd worden,” hernam mijnheer Murdstone,
„zoo lang gij die zelf nog niet kunt bekostigen. Gij gaat dus nu naar
Londen, David, met mijnheer Quinion en moet dus beginnen u zelf door de
wereld te helpen.”

„Gij zijt dus bezorgd,” voegde zijne zuster er bij, „en moet nu uw
plicht maar doen.”

Hoewel ik zeer goed begreep, dat het doel van deze geheele regeling
was, mij kwijt te zijn, kan ik mij niet goed herinneren of het
denkbeeld mij genoegen deed of schrik aanjoeg. Ik vermoed, dat ik op
dat oogenblik zelf niet wist of ik er mij in verheugen moest of niet.
Ik had trouwens geen tijd om er lang over te denken, want mijnheer
Quinion zou den volgenden dag vertrekken.

En daar zat ik den volgenden morgen met een half versleten, witten hoed
met een zwarten band—een rouwband om mijne moeder—een zwart buis en
een broek van hard, stijf bombazijn, dat juffrouw Murdstone de beste
beschutting voor de beenen vond in den strijd tegen de wereld, dien ik
nu ging ondernemen; daar zat ik, aldus uitgedost, met alles, wat ik op
de wereld bezat, in een klein koffertje—een arm, ongelukkig schepsel,
zou juffrouw Gummidge gezegd hebben—in de postkar, die mijnheer
Quinion te Yarmouth op de diligence naar Londen zou brengen. Zie, hoe
ons huis en de kerk al kleiner en kleiner worden, hoe het graf onder
den boom achter andere boomen en struiken verdwijnt, verdwijnt met
alles wat mij aan mijne kinderjaren herinnert, hoe ledig alles wordt om
mij heen..... ook in mijn hart!



XI.

Ik treed de wereld in, maar de wereld bevalt mij niet.


Ik ken de wereld nu genoeg om mij over niets meer te verbazen, maar
toch ben ik nu en dan nog verbaasd over de wijze, waarop men mij
op zulk een jeugdigen leeftijd heeft kunnen afstooten. Ik had een
uitmuntenden aanleg, een goed gezond verstand en eene groote gave van
opmerken; ik was vlug van bevatting en had een teer gestel—daarom
verbaast het mij dat niemand zich voor mij in de bres stelde. Maar het
was nu eenmaal zoo en ik werd op tienjarigen leeftijd leerjongen bij de
firma Murdstone en Grinby.

Het wijnpakhuis van de firma Murdstone en Grinby stond aan den
waterkant, beneden de Blackfriar's brug. Die plek is later door
allerlei verbouwingen geheel veranderd; maar het was het laatste huis
van eene nauwe straat, die steil afliep naar den waterkant en in eene
trap eindigde, waar de schuiten aanlegden. Het was een oud, bouwvallig
huis met een werf, die bij vloed aan het water en bij eb aan de modder
grensde en letterlijk wemelde van de ratten. De met hout beschoten
kamers, zwart van het vuil en de rook van meer dan honderd jaren;
de halfvergane zolderingen en de krakende trappen; het snuffelen en
piepen van de grijze ratten in de kelders; de duffe, vunzige lucht—dat
alles staat mij zoo levendig voor den geest als had ik het gisteren
ondervonden. Ik zie dat alles voor mij, evenals in het rampzalig uur,
toen ik met mijne hand in die van mijnheer Quinion voor de eerste maal
daar binnenstapte.

Murdstone en Grinby leverden aan allerlei soort van menschen, doch de
voornaamste tak van handel was de uitvoer naar het buitenland. Ik heb
vergeten waar de volgeladen schepen heengingen, maar ik denk dat ze
zoowel voor Oost- als voor West-Indië bestemd waren. Ik weet dat het
gevolg van dien uitgebreiden handel eene groote hoeveelheid ledige
flesschen was en dat sommige mannen en vrouwen en jongens gebruikt
werden om ze tegen het licht te houden, degenen, die vuil, waren, te
spoelen, en die gebarsten waren achteraf te zetten. En wanneer er geen
ledige flesschen te spoelen waren, stonden er volle in overvloed,
om van etiquetten te voorzien, te kurken, te lakken en in manden te
pakken. Dit alles was mijn werk en onder de jongens, die daarvoor
gebruikt werden, behoorde ook ik.

Mijne werkplaats was met drie of vier andere jongens in een hoekje
van het pakhuis, waar mijnheer Quinion mij kon zien, wanneer hij op
de laagste sport van zijn kantoorstoel ging staan en door het raampje
boven de schrijftafel keek. Hier werd op den morgen, toen ik met zulke
prachtige vooruitzichten de wereld intrad, de oudste jongen opgeroepen
om mij mijne werkzaamheden aan te wijzen. Hij heette Mick Walker en
droeg een gescheurden voorschoot en een papieren muts. Hij vertelde mij
dat zijn vader schuitevoerder was en bij den intocht van den Lord-Mayor
met een zwart fluweelen hoofdtooisel in den stoet liep. Ook vertelde
hij mij, dat er nog een jongen tot onze „club” behoorde, dien hij mij
voorstelde onder den naam van „de melige aardappel”. Ik kwam evenwel
spoedig tot de ontdekking dat hij niet onder dien naam was gedoopt,
maar dat men hem dien naam in het pakhuis gegeven had, omdat hij zoo
bleek was als een aardappel, die melig is. De vader van den „melige”
was een waterdrager, wien de groote eer was te beurt gevallen tot
brandspuitgast te worden aangesteld; in welke functie hij in een der
groote schouwburgen dienst deed, waar een zusje of een nichtje van den
„melige” in een pantomime optrad als kaboutermannetje.

Woorden kunnen onmogelijk den geheimen zielsangst weergeven, waaronder
deze kameraadschap mij deed gebukt gaan; ik voelde mij vernederd
wanneer ik dit gezelschap vergeleek met de speelgenootjes mijner
jeugd—om nog niet van Steerforth en Traddles te spreken—ik voelde
ook, dat ik de hoop, om eenmaal een beschaafd en geletterd man te
worden, nu wel kon opgeven. Ik zal het gevoel van die eerste dagen
nimmer vergeten; ik schaamde mij over de positie, waarin ik geplaatst
was; ik voelde mij diep ellendig bij de gedachte, dat ik alle hoop
op de toekomst kon laten varen, dat ik al hetgeen ik geleerd had
zou vergeten en ook werkelijk meer en meer vergat, dat alles waarin
ik ambitie had gehad, alles wat mijn leergierigheid, mijn eerzucht
geprikkeld had, nu voor altijd voorbij was en nimmer zou terugkeeren.
O, ik kan dat gevoel niet beschrijven! Zoo dikwijls Mick Walker dien
eersten morgen heenging, vermengden zich mijne tranen met het water,
waarin ik de flesschen spoelde, en snikte ik, alsof mij het hart zou
breken.

De kantoorklok sloeg half een en iedereen scheen zich gereed te maken
om het middagmaal te gaan gebruiken, toen mijnheer Quinion aan het raam
van het kantoor klopte en mij wenkte binnen te komen. Ik gaf aan zijn
verlangen gehoor en vond daar een zwaarlijvig heer van middelbaren
leeftijd, gekleed in een bruine overjas, zwarte broek en rijgschoenen,
met niet meer haar op het hoofd—hij had een groot glimmend hoofd—dan
op de schaal van een ei, en met een vollemaansgezicht, dat hij in de
volle breedte naar mij toekeerde. Zijne kleederen waren afgedragen en
vuil, maar zijn halsboord was hagelwit.

Hij had een stok in de hand van bijzonderen vorm en voorzien van een
paar verkleurde kwastjes; en uit zijn jas hing een lorgnet—zooals ik
naderhand bemerkte, diende dit alleen tot sieraad, want hij keek er
zelden door en dan zag hij niets.

Toen ik binnentrad, wees mijnheer Quinion op mij, zeggende: „Daar hebt
gij hem.”

„Is dit,” vroeg de vreemde heer op galmenden toon, doch met een
welwillenden klank in zijne stem, waardoor ik mij aangetrokken
gevoelde, „is dit de jongeheer Copperfield? Ik hoop dat gij welvarend
zijt, jongeheer?”

Ik antwoordde, dat ik zeer welvarend was en hoopte dat hij dit ook van
zich zelven kon zeggen. De Hemel weet hoe ellendig ik mij voelde op dat
oogenblik; maar in dat tijdperk van mijn leven was het mijne gewoonte,
niet te klagen; daarom zei ik maar dat ik welvarend was.

„Den goden zij dank,” antwoordde de vreemde heer, „ben ik zeer
welvarend. Ik heb een brief ontvangen van mijnheer Murdstone, waarin
hij mij verzocht, een vertrek in mijn huis, dat, om kort te gaan...
een vertrek, dat op het oogenblik onbewoond is, te verhuren als
slaapkamer”—hij deed eenigszins alsof hij er verlegen mede was—„als
slaapkamer aan een jongeheer, die pas de wereld is ingetreden... om
kort te gaan, dus... ik heb nu het genoegen gehad kennis met u te
maken...” hij wuifde mij toe en verborg zijn onderkin in de hooge
boorden...

„Mijnheer Micawber,” zei mijnheer Quinion.

„Juist, zoo is mijn naam,” antwoordde de dikke heer.

„Mijnheer Micawber is een kennis van mijnheer Murdstone. Mijnheer
Micawber neemt orders voor de firma op, wanneer hij ze krijgen kan; hij
heeft een brief ontvangen van mijnheer Murdstone over uw logies en wil
u gaarne huisvesten.”

„Mijn adres,” zei mijnheer Micawber, „is Windsor Terrace, City Road.
Daar... kortom, woon ik,” voegde hij er bij op denzelfden welwillenden
en vertrouwelijken toon.

Ik maakte eene buiging voor mijnheer Micawber. „Overwegende,” zei
hij, „dat uwe bekendheid met deze wereldstad nog niet groot kan zijn,
en gij dus moeielijkheden zoudt kunnen ondervinden bij het zoeken
in den doolhof van dit moderne Babylon... kortom”—weder diezelfde
vertrouwelijkheid in toon en stem—„dat gij zoudt kunnen verdwalen, zal
het een waar genoegen voor mij zijn, u heden avond te komen afhalen en
met den naasten weg bekend te maken.”

Ik bedankte hem uit den grond van mijn hart voor zijne vriendelijkheid,
om zich zulk een last op den hals te halen.

„Hoe laat?” vroeg mijnheer Micawber, „zal ik...”

„Tegen acht uur,” antwoordde mijnheer Quinion.

„Tegen acht uur,” herhaalde mijnheer Micawber. „Ik zal u dan nu niet
langer ophouden, mijnheer Quinion.” Hij zette zijn hoed op en ging heen
met den stok onder den arm, rechtop, en toen hij buiten was, begon hij
een deuntje te fluiten.

Nu werd ik door mijnheer Quinion formeel in dienst genomen bij de
firma Murdstone en Grinby, tegen een weekloon van zes shilling—meen
ik. Ik weet niet zeker meer of het zes of zeven shilling was, en
vermoed daarom, dat het eerst zes, daarna zeven shilling was. Hij
betaalde mij eene week vooruit—uit zijn zak, geloof ik—en ik gaf
„den melige” daarvan een halven shilling, om mijn koffer dien avond
naar Windsor Terrace te brengen: zoo klein als het was, ging het mijn
zwakke krachten te boven. Voor mijn middagmaal, bestaande uit een
vleeschpasteitje en een slok water uit een naburige pomp, betaalde ik
ook een halven shilling, en den tijd, die daarvoor was toegestaan,
bracht ik op straat door.

Op het vastgestelde uur verscheen des avonds mijnheer Micawber. Ik
waschte mijn gezicht en mijne handen, ten einde zulk een door en door
fatsoenlijk man geen schande aan te doen, en daarna wandelden wij te
zamen naar onze woning—ik onderstelde ten minste, dat ik zijne woning
voortaan zoo moest noemen. Mijnheer Micawber vestigde mijne aandacht
op de namen van de straten, die wij doorwandelden, en op de gevels van
enkele hoekhuizen, opdat ik alleen den weg zou kunnen terugvinden.

Toen wij aan het huis in Windsor Terrace aankwamen—ik teeken hier aan,
dat het er even armoedig uitzag als mijnheer Micawber zelf, maar toch
ook evenveel vertooning maakte als hij—stelde mijnheer Micawber mij
voor aan mevrouw Micawber, eene magere, bleeke dame, niet zoo heel jong
meer. Zij zat met een kindje aan de borst, in eene kamer op de tweede
verdieping—de eerste verdieping was geheel ongemeubeld en de luiken
waren gesloten, ten einde den buren geen argwaan te geven. Het kleintje
was een van een tweeling en ik mag niet nalaten hier te vermelden, dat
ik, zoolang ik met de familie heb omgegaan, mevrouw Micawber bijna
nooit zonder een van het tweetal heb gezien; een van de twee was altijd
aan de borst.

Er waren nog twee kinderen; de jongeheer Micawber, ongeveer vier jaar
oud, en jongejuffrouw Micawber, drie jaren oud. Verder een jonge maagd
met een donker uiterlijk, die de gewoonte had een snuivend geluid met
haar neus te maken. Zij was de dienstbode van de familie Micawber en
voltooide het huisgezin. Eer een half uur verloopen was, had zij mij
ingelicht, dat zij een weeskind was en uit het St. Lukaswerkhuis kwam.
Mijne kamer was boven in het huis, aan de achterzijde; een benauwd,
schamel gemeubeld vertrekje, met een behangsel, waarvan het patroon mij
deed denken aan in elkander verwarde, blauwe paaschbroodjes.

„Ik had niet gedacht,” sprak mevrouw Micawber, toen zij met de
tweelingen op den arm naar boven kwam om mij mijne kamer te wijzen, en
op een stoel neerviel om adem te scheppen, „ik had, toen ik nog bij
papa en mama woonde, nooit gedacht, ooit in de noodzakelijkheid te
zullen komen, om kamers te verhuren. Maar aangezien mijnheer Micawber
in ongelegenheid is geraakt, moeten alle persoonlijke gevoelens naar
den achtergrond worden gedrongen.”

„Zeker, mevrouw,” zei ik.

„Mijnheer Micawber is op dit oogenblik zelfs overstelpt met
ongelegenheden,” vervolgde mevrouw Micawber; „ik weet niet, hoe het
mogelijk zijn zal hem er weder bovenop te brengen. Toen ik nog bij
papa en mama woonde, wist ik nauwelijks wat het beteekende in den
zin, waarin ik het nu gebruik, maar zooals papa placht te zeggen:
‚experienta is alles’.”

Ik kan het niet met mij zelven eens worden of mevrouw Micawber mij
verteld heeft, dat haar man zeeofficier was geweest of dat ik het
gedroomd heb. Ik weet alleen, dat ik nog op dit oogenblik van meening
ben, dat hij bij de marine gediend had, hoewel ik niet kan verklaren,
waarom ik dat meen. Hij was nu zoo iets als commissionair voor
verschillende firma's, maar ik vrees, dat hij er zich weinig of in het
geheel niet voor inspande en dus ook zoo goed als niets verdiende.

„Als mijnheer Micawber's schuldeischers geen geduld _willen_ hebben,”
vervolgde mevrouw Micawber, „dan moeten zij de gevolgen maar
ondervinden en hoe eerder zij er dan een einde aan maken, hoe beter.
Men kan echter geen veeren plukken van een kikvorsch, maar evenmin kan
ik nog iets op crediet krijgen en dan spreek ik nog niet eens van de
gerechtskosten.”

Ik heb nooit goed kunnen begrijpen of mevrouw Micawber, omdat ik zoo
vroeg op mij zelven moest staan, mij voor ouder hield dan ik was, dan
wel of zij zoo vervuld was met dit onderwerp, dat zij er zelfs over
zou gesproken hebben met haar tweeling, als zij niemand anders tot
deelgenoot had kunnen maken; dit onderwerp besprak zij echter altijd
en, zoolang ik haar gekend heb, op dezelfde zonderlinge wijze.

Arme mevrouw Micawber! Zij zeide, dat zij getracht had haar best te
doen en ik geloof zeker, dat zij het ook gedaan had. Het middenpaneel
van de huisdeur werd geheel ingenomen door een koperen plaat, waarop
gegraveerd was: „Mevrouw Micawber, Instituut voor jongejuffrouwen,”
ik heb er echter nooit een jong meisje zien komen noch gehoord dat
er een komen zou, noch eenige voorbereiding gezien voor de ontvangst
van eene jongejuffrouw. De eenige bezoekers, die ik er ooit gezien of
gehoord heb, waren schuldeischers, die op alle uren kwamen en somtijds
zeer brutaal waren. Eén van hen, een man met een gemeen gezicht, een
schoenmaker, als ik mij niet bedrieg, drong gewoonlijk 's morgens om
zeven uur reeds de gang binnen en riep dan naar boven: „Kom, _mijnheer_
Micawber! Nu zijt gij toch nog niet uit, hé! Betaal mij nu! Verberg je
maar niet, dat is gemeen! Ik zou niet zoo gemeen willen zijn als ik u
was! Betaal mij nu; komaan, hoort gij mij niet?” Wanneer hij dan op
deze aanmaningen geen antwoord ontving, ging hij in zijne woede over
tot de namen: „afzetters” en „oplichters” en wanneer ook daarmede het
gewenschte doel niet werd bereikt, nam hij aan de overzijde van de
straat plaats en bleef hij naar de vensters van de tweede verdieping
kijken, waar hij wist dat mijnheer en mevrouw Micawber zich ophielden.
Bij zulke gelegenheden was mijnheer Micawber buiten zich zelven van
spijt en hartzeer, zoo zelfs, dat hij eens—mevrouw Micawber maakte
er mij door een hartverscheurenden gil opmerkzaam op—zeer verdachte
bewegingen met een scheermes stond te maken; een half uur later zou
hij echter met buitengewone zorg zijne schoenen poetsen en, een
deuntje fluitende, uitgaan met een zwier, alsof hij een prins van den
bloede was. Mevrouw Micawber was even luchthartig als haar gemaal.
Ik heb het bijgewoond dat zij om drie uur bij de komst van den
deurwaarder eene flauwte kreeg en om vier uur aan lamscoteletten met
warm bier zat te smullen, waarvoor twee theelepeltjes naar de bank van
leening waren gebracht. Op zekeren dag, toen er juist beslag op den
boedel was gelegd, kwam ik toevallig reeds om zes uur thuis en vond
haar—natuurlijk met een van de tweelingen—in eene flauwte voor den
haard liggen met de haren los en over haar gezicht; ik zag haar echter
nooit vroolijker dan denzelfden avond, toen zij onder het genot van
een kalfscotelet voor het keukenvuur mij van haar papa en mama zat te
vertellen en van den heerlijken tijd, dien zij als jong meisje gehad
had.

In dit huis en met deze familie bracht ik mijn ledigen tijd door. Des
morgens kocht ik zelf voor een stuiver brood en een stuiver melk en
ontbeet alleen; een tweede broodje met een stukje kaas bewaarde ik op
een plank in eene kast, die mijne bijzondere eigendommen bevatte. Dit
was bestemd voor mijn souper als ik des avonds thuiskwam. Hiermede was
reeds een groot gedeelte van mijne zes of zeven shillingen verbruikt,
dat weet ik wel; toch moest ik ook het overige gedeelte van den dag
van dat geld leven. Maar wat moest ik doen? Van Maandagochtend tot
Zaterdagavond had ik niemand, die mij raad gaf, troostte, aanmoedigde,
hielp of bijstond—zoo waar als ik in den Hemel hoop te komen!

Ik was nog zoo jong en kinderlijk, zoo weinig geschikt om op eigen
beenen te staan—hoe kan het ook anders!—dat ik meermalen des morgens,
wanneer ik naar het pakhuis ging, de verzoeking niet kon weerstaan om
eenige sneden pastei van den vorigen dag te koopen, die de bakkers
voor half geld aanboden en zoo doende het geld uitgaf, dat ik voor
mijn middageten had moeten besteden. Ik bleef dan des middags maar
zonder eten of kocht een broodje of een schijf podding. Ik herinner
mij twee poddingwinkels, die ik, naar gelang van den stand mijner
beurs, met de klandizie begunstigde. De eene was op een pleintje
bij de Sint-Martinikerk, die nu reeds langen tijd afgebroken is. De
podding uit dezen winkel was met krenten en bijzonder lekker, maar
duur; voor twee stuivers kreeg men daar geen grooter schijf dan in
den anderen winkel voor één stuiver. Die andere winkel was in het
_Strand_—ongeveer in het gedeelte, dat thans herbouwd is. Dit was
eene voedzame, kleffige podding met rozijnen, die erg ver van elkander
zaten; op mijn etensuur was deze podding gewoonlijk warm en menigen
dag heb ik er mijn middagmaal mede gedaan. Wanneer ik het op mijne
manier er eens van wilde en ook kon nemen, kocht ik een worstje en een
stuivers broodje, of een portie gekookt ossenvleesch voor vier stuivers
bij een kok; of een broodje met kaas en een glas bier tegenover het
pakhuis, in een onooglijke herberg, „de Leeuw” genoemd, of de Leeuw met
nog iets—dat ben ik vergeten. Ik herinner mij één middag, toen ik mijn
broodje mede had gebracht van huis en daarmede in een papier gewikkeld
onder den arm een beroemd nieuwerwetsch restaurant in de buurt van
Drury Lane binnenliep en een kleine portie biefstuk bestelde. Wat de
kellner wel van zulk eene kleine verschijning dacht, die daar alleen
binnenstapte, kan ik niet zeggen; maar ik zie hem nog naar mij kijken,
terwijl ik zat te eten; ik hoor hem nog de andere kellners roepen om
ook te komen kijken. Ik gaf hem een halven stuiver fooi en hoopte dat
hij dien niet zou aannemen.

Als ik het mij goed herinner, hadden wij op het theeuur een half uur
vrijaf. Had ik geld genoeg, dan nam ik niets dan een kop te voren
gezette koffie en een snede brood met boter. Kon ik niets besteden, dan
stond ik gewoonlijk voor een poelierswinkel in Fleet-street te kijken;
of ik wandelde naar Covent Garden om de ananassen te bewonderen. Ik
was verzot op de Adelphi, omdat mij die donkere bogen zoo geheimzinnig
toeschenen. Ik zie mij nog op zekeren avond onder een van die bogen
uitkomen en naar een kleine herberg gaan met een pleintje er voor, waar
eenige kolendragers een dansje deden. Ik ging op een bank zitten, om
naar hen te kijken en ben nieuwsgierig te weten, wat zij wel van mij
dachten!

Ik was nog zoo geheel en al een kind, nog zoo klein, dat men menigmaal,
wanneer ik eene herberg inliep en een glas ale of porter bestelde
om mijn sober middagmaal door te spoelen, bang was het gevraagde te
geven. Ik herinner mij dat ik eens, op een warmen avond, een herberg
binnentrad en den waard vroeg: „Wat is uw lekkerste—uw allerlekkerste
bier?” Het moet wel eene bijzondere gelegenheid geweest zijn—mijn
verjaardag misschien—ik kan mij dat echter niet meer herinneren.

„Genuine Stunning ale,” antwoordde de waard, „het kost twee en een
halven stuiver per glas.”

„Geef mij dan,” zei ik, het geld op de toonbank uittellende, „een glas
Genuine Stunning, als 't u blieft, met een flinken kop schuim.”

De waard bekeek mij over de toonbank heen van het hoofd tot de voeten,
met eene vreemde uitdrukking op het gezicht; in plaats van mij in te
schenken, stak hij het hoofd om het beschot en zei iets tegen zijne
vrouw, die daar zat. Zij kwam achter de toonbank en bekeek mij ook, met
haar naaiwerk in de hand. Ik zie ons daar nog staan met ons drieën: de
waard in zijne hemdsmouwen, tegen het venster leunende, de vrouw en
ik elkander aankijkende. Ik voelde mij erg verlegen en zij deden mij
allerlei vragen, als: hoe ik heette, hoe oud ik was, waar ik woonde,
hoe ik daar gekomen was; vragen, die ik, ten einde niemand te kwetsen,
niet allen naar waarheid beantwoordde. Ik vrees ten minste dat ik
het niet deed. Zij schonken mij een glas ale in—het was geen Genuine
Stunning—en de vrouw kwam achter de toonbank vandaan, gaf mij mijn
geld terug en een kus, half uit bewondering, half uit medelijden, maar
zeker welgemeend.

Ik weet dat ik noch met opzet, noch onwillekeurig de schraalheid van
mijne verdiensten of de moeielijkheid van mijn leven overdrijf. Ik
weet dat ik elken shilling, dien mijnheer Quinion mij gaf, aan mijn
eten of mijn thee besteedde, ik weet dat ik van 's morgens vroeg tot
laat in den avond werkte met mannen en jongens uit den laagsten stand.
Ik weet dat ik onvoldoende gevoed langs de straten slenterde. Ik weet
ook, dat, had de Hemelsche Vader Zijne beschermende hand niet over mij
uitgestrekt, ik een dief of een vagebond zou zijn geworden—zoo weinig
werd er op mij gelet.

Toch stond ik in het pakhuis in zeker aanzien. Behalve dat mijnheer
Quinion deed wat zulk een onverschillig mensch, die het zoo druk
had, doen kon om mij op eenigszins andere wijze te behandelen dan de
overigen, gaf ik nooit, door woord of daad, aan iemand van hen te
kennen hoe ik daar gekomen was, noch liet ik ooit blijken, dat het mij
speet, daar te moeten zijn. Dat ik heimelijk leed, ontzettend leed,
heeft niemand ooit geweten dan ik zelf. Zooals ik reeds zeide, wat
ik leed, is met geen pen te beschrijven. Ik ging stil mijn gang en
deed mijn werk. Ik begreep van het eerste oogenblik af, dat, als ik
mijn werk niet even goed deed als de anderen, ik mij aller minachting
op den hals zou halen. Hoewel ik dus kameraadschappelijk met hen
omging, was en bleef er toch iets in mijne manieren, dat mij van hen
onderscheidde. Gewoonlijk noemden zij mij „de kleine jongeheer”, of „de
jonge Suffolker.” Een zekere man, Gregory genaamd, de meesterknecht in
de zaak Murdstone en Grinby, en de voerman, een zekere Tipp, die een
rood buis droeg, noemden mij gewoonlijk „David”, maar ik meen mij te
herinneren dat zij het alleen deden, wanneer wij eens vertrouwelijk bij
elkander zaten, en ik poogde hun het een en ander te vertellen uit de
oude boeken, die ik langzamerhand begon te vergeten. De „melige” voelde
zich op zekeren dag beleedigd, omdat men mij, zooals hij beweerde, met
te veel onderscheiding behandelde: doch Mick Walker bracht hem terstond
tot bedaren.

Verlossing uit dezen toestand scheen mij hopeloos toe, en ik gaf dit
denkbeeld dan ook op. Ik ben heilig overtuigd, dat ik er mij geen
uur mee heb kunnen verzoenen, of mij anders dan diep ongelukkig heb
gevoeld; maar ik droeg mijn ongeluk zonder morren, en zelfs in mijne
brieven aan Peggotty—en ik heb er heel wat geschreven gedurende dien
tijd—verzweeg ik, gedeeltelijk uit liefde voor haar en uit schaamte,
den waren toestand.

De benarde omstandigheden van mijnheer Micawber konden mijne
naargeestigheid slechts vergrooten. Eenzaam en verlaten als ik was,
begon ik mij hoe langer hoe meer aan de familie te hechten, en was
ik op mijne wandelingen voortdurend bezig met mevrouw Micawber's
geldzorgen, alsof ik zelf bezwaard was met mijnheer Micawber's
schuldenlast. Zaterdag's avonds—voor mij een feestavond, zoowel omdat
ik mij dan met de zes of zeven shillingen in den zak erg voornaam
voelde, en voor tal van winkels bleef staan, om te overleggen wat ik
voor die som wel zou kunnen koopen, en ook omdat ik dan vroeger naar
huis ging—deed mevrouw Micawber mij gewoonlijk de hartverscheurendste
verhalen, evenals des Zondag's morgens, wanneer ik de koffie van den
vorigen avond opwarmde en langer zat te ontbijten dan gewoonlijk. Het
was volstrekt niet ongewoon, dat mijnheer Micawber aan het begin van
deze Zaterdagavond-gesprekken als een wanhopende zat te snikken en
eindigde met een vroolijk deuntje te zingen. Ik heb het bijgewoond,
dat hij tranen stortende thuis kwam met de verklaring, dat er nu niets
meer voor hem overbleef dan de gevangenis, en dat hij naar bed ging,
eene berekening makende van de onkosten van balcons voor de ramen—„als
er zich eens iets opdeed”, hetgeen zijne meest geliefkoosde uitdrukking
was. En mevrouw Micawber was precies hetzelfde.

Een zonderlinge vriendschapsband, vermoedelijk ontstaande uit onze
eenigszins gelijksoortige omstandigheden, vormde zich tusschen deze
menschen en mij, niettegenstaande het aanmerkelijk verschil in jaren.
Ik liet mij echter nooit overhalen eene uitnoodiging aan te nemen om
met hen te eten of te drinken, als ik niet zeker wist dat zij hetgeen
zij mij aanboden, konden missen,—ik was te goed bekend met hun slechte
verstandhouding met bakker en slager, zoodat zij menigmaal niet genoeg
hadden voor zichzelve en de kinderen—totdat mevrouw Micawber mij eens
in vertrouwen nam. Dit had plaats op zekeren avond op de volgende wijze:

„Jongeheer Copperfield”, sprak zij, „ik beschouw u niet als een
vreemde en maak er u dus ook geen geheim van, dat mijnheer Micawber's
ongelegenheden tot een crisis zijn geklommen.”

Het was zeer pijnlijk voor mij dit te moeten hooren en ik richtte met
het innigste medelijden den blik op mevrouw Micawber's roode oogen.

„Met uitzondering van een hompje Hollandsche kaas—voor jonge kinderen
minder geschikt voedsel—is er letterlijk geen stukje van wat ook in
de provisiekamer over. Ik was zoo gewoon om over de provisiekamer te
spreken, toen ik nog bij papa en mama thuis was, zoodat ik dit woord nu
gebruik zonder daarbij te denken. Wat ik bedoel is, dat er niets meer
te eten is in het geheele huis.”

„Goede Hemel!” riep ik hevig ontsteld uit.

Ik had nog twee of drie shillingen in mijn zak—waaruit ik opmaak dat
dit gesprek op Woensdagavond plaats had—en haalde ze terstond voor
den dag, om ze diep ontroerd mevrouw Micawber aan te bieden. Zij gaf
mij een kus en verzocht mij, dat geld weer in den zak te steken, want
zij kon er niet aan denken het aan te nemen.

„Neen, lieve jongeheer Copperfield”, sprak zij; „ik kan er zelfs niet
aan denken! Gij zijt echter, wat uw verstand betreft uw leeftijd ver
vooruit en kunt mij, indien gij wilt, een dienst bewijzen, een dienst,
dien ik dankbaar van u zal aannemen.”

Ik verzocht mevrouw Micawber te zeggen wat zij bedoelde.

„Ik heb vroeger het zilver zelve weggebracht”, vertelde zij. „Zes
theelepeltjes, twee zoutlepeltjes en een suikertang heb ik op
verschillende tijdstippen beleend. Ik deed dit natuurlijk heimelijk.
De tweelingen binden mij echter thans de handen en bovendien stuit
het mij, die bij papa en mama zoo heel anders ben opgevoed, zeer
tegen de borst. Ik heb nog eenige kleinigheden, die wij wel kunnen
missen, maar mijnheer Micawber zou zich nimmer laten overhalen om ze
weg te brengen—daartoe is hij veel te trotsch; en Clickett”—zoo
heette het weesmeisje—„staat te laag voor dergelijke vertrouwelijke
mededeelingen; zij zou er misbruik van maken en zich allerlei vrijheden
gaan veroorloven. Indien gij daarom, jongeheer Copperfield....”

Nu begon ik mevrouw Micawber te begrijpen en verzocht ik haar over
mij te beschikken wanneer zij maar wilde. Dienzelfden avond bracht
ik reeds eenige kleinigheden naar de bank van leening en bijna elken
morgen voor ik naar het pakhuis ging, volgde een of ander meubelstuk
of sieraad denzelfden weg. Het eerst waren eenige boeken van mijnheer
Micawber aan de beurt, die op een kleine chiffonière stonden, waaraan
hij den weidschen titel gaf van bibliotheek. Ik bracht ze, het eene
na het andere, naar een boekenstalletje in City Road—waarvan één
gedeelte, dicht bij onze woning, hoofdzakelijk uit boekenstalletjes
en vogelkraampjes bestond—en verkocht ze voor hetgeen men er voor
wilde geven. De eigenaar van dit stalletje was elken avond dronken
en werd elken morgen door zijne vrouw uitgescholden voor al wat
leelijk was. Wanneer ik des morgens bijzonder vroeg kwam, werd
ik meermalen aan zijn bed ontvangen en zag ik, dat hij bij zijne
nachtelijke buitensporigheden een gat in het hoofd of een blauw oog had
opgeloopen—ik vrees dat hij een zoogenaamden kwaden dronk had.—Met
bevende hand zocht hij dan in al zijne zakken naar het benoodigde geld;
zijne kleederen lagen gewoonlijk over den grond verspreid, terwijl
zijne vrouw met een zuigeling op den arm en afgetrapte schoenen zonder
ophouden met schelden voortging. Soms had hij zijn geld verloren
en verzocht mij terug te komen; maar zijne vrouw had het altijd
gevonden—ik vermoed dat zij het weggenomen had, terwijl hij dronken
was—en sloot dan heimelijk den koop op de trap.

Ook aan de bank van leening begon men mij langzamerhand te kennen. Een
der heeren—ik meen de boekhouder—was bijzonder vriendelijk en liet
mij nu en dan, terwijl hij de zaken afdeed, een Latijnsch werkwoord
vervoegen of een naamwoord verbuigen.

Na al dergelijke gelegenheden legde mijnheer Micawber een klein
feestje aan, gewoonlijk een souper; er was een eigenaardige smaak aan
de gerechten, die dan werden opgedischt, een smaak, dien ik nimmer
vergeten zal.

Eindelijk bereikten mijnheer Micawber's ongelegenheden werkelijk een
crisis en werd hij op zekeren morgen, heel in de vroegte gearresteerd
en overgebracht naar King's Bench-gevangenis. Toen hij het huis
uitging, zei hij dat zijn zon nu voor goed was ondergegaan en ik meende
dat zijn hart gebroken was evenals het mijne. Later vernam ik dat hij
dienzelfden avond lustig aan het kegelen was geweest.

Den eersten Zondag nadat hij gearresteerd was, bracht ik hem een
bezoek en gebruikte het middagmaal bij hem. Ik moest eerst den weg
vragen naar een zeker pleintje en dicht daarbij zou ik nog een pleintje
zien, en bij dat pleintje nog een, dat ik moest oversteken en dan
rechtuit loopen tot ik een cipier zag. Ik deed dit en toen ik eindelijk
een cipier vond en mij herinnerde, dat er, toen Roderick Random in de
grijzeling zat, een man was, die geen ander kleedingstuk droeg dan eene
oude deken, kwam er plotseling een nevel op tusschen den cipier en mij
en begon mijn hart hevig te kloppen. Ik was ook nog zoo'n klein bang
kereltje!

Mijnheer Micawber wachtte mij op in de poort en wij gingen de trap op
naar zijne kamer—bovenste verdieping op één na—en ik herinner mij
dat ik schreide. Hij bezwoer mij plechtig een waarschuwend voorbeeld
te nemen aan het lot, dat hem getroffen had, en te bedenken, dat als
men een jaarlijksch inkomen heeft van twintig pond en men negentien
pond en negentien en één halven shilling verteert, men gelukkig is;
maar dat men, twintig pond en één shilling verterende, even ellendig
en rampzalig wordt als hij. Nadat hij deze wijze les ten beste had
gegeven, leende hij een shilling van mij voor een flesch porter, gaf
mij eene schuldbekentenis mede op mevrouw Micawber, stak den zakdoek,
waarmede hij langs de oogen gewreven had, in den zak, en werd zoo
vroolijk als ooit.

Wij zaten voor een klein vuur, dat in een roestigen haard was aangelegd
tusschen twee steenen, ten einde niet te veel kolen te verbranden, toen
er een tweede gevangene binnenkwam, die ook wegens schulden achter
de tralies was gezet en de kamer met mijnheer Micawber deelde. Hij
had een schaperibbetje gereed gemaakt, waarmede wij te zamen onzen
maaltijd zouden doen. Mijnheer Micawber zond mij eerst naar boven,
naar een zekeren kapitein Hopkins, met het beleefd verzoek, of de
kapitein aan mij, mijnheer Micawber's jongen vriend, een mes en een
vork wilde leenen. Kapitein Hopkins leende mij het gevraagde en gaf mij
de groeten mede aan mijnheer Micawber. In kapitein Hopkins' kamer zag
ik eene dame, die er allerslordigst uitzag, benevens twee fletse jonge
meisjes, zijne dochters, met leelijke, hooge kapsels. Ik kwam tot de
overtuiging, dat het beter was kapitein Hopkins' mes en vork te leenen,
dan zijn kam. Hij zelf zag er ontzettend verwaarloosd uit, had zware
bakkebaarden en droeg een oude bruine overjas, zonder meer. Zijn bed
lag opgerold in een hoek van het benauwde kamertje; al wat hij bezat
aan borden, schotels en kommen, stond op een plank, en ik vermoedde—de
Hemel weet hoe het in mijn brein opkwam—dat, al mochten de twee
meisjes met de hooge kapsels ook al kapitein Hopkins' dochters zijn,
de slordige dame, die er bij zat, niet kapitein Hopkins' vrouw was. Ik
bleef niet langer dan een paar minuten bedeesd op den drempel staan,
maar toch maakte ik al deze opmerkingen en was er, toen ik beneden
kwam, even zeker van, als ik het mes en de vork in de hand had.

In weerwil van dit alles hadden wij toch een aangenaam middagmaal. Na
afloop bracht ik kapitein Hopkins het mes en de vork terug en ging toen
naar huis, om mevrouw Micawber te troosten met een verslag van mijn
bezoek. Toen zij mij zag aankomen viel zij flauw, maar later maakte zij
een keteltje warmen wijn gereed om onzen moed wat op te wekken, terwijl
wij over mijn bezoek praatten.

Ik weet niet of het huisraad ten voordeele van de familie verkocht
werd, noch wie het verkocht; alleen weet ik dat _ik_ het niet deed, en
_dat_ het verkocht en met een kar weggevoerd werd, met uitzondering van
de bedden, een paar stoelen en een keukentafel. Met deze bezittingen
kampeerden wij, als het ware, in twee kamers van het ledige huis
op Windsor Terrace—mevrouw Micawber, de kinderen, het weesmeisje
en ik. Nacht en dag brachten wij er in door. Ik kan niet zeggen
hoe lang dit duurde, maar in mijne herinnering komt het mij vrij
langdurig voor. Eindelijk besloot mevrouw Micawber naar de gevangenis
te verhuizen, waar mijnheer Micawber de vrije beschikking over een
kamer had gekregen. Ik bracht den huissleutel aan den eigenaar, die
blijde was toen hij dien weder in zijn bezit had; de bedden werden
naar King's Bench gezonden, uitgezonderd het mijne. Voor mij werd een
kamertje gehuurd buiten de muren, maar in de onmiddellijke nabijheid
van de gevangenis; dit was zeer naar mijn zin, want ik had reeds
te veel ellende met de Micawbers gedeeld om vrijwillig van hen te
scheiden. Het weesmeisje werd in dezelfde buurt goedkoop onder dak
gebracht. Mijn kamertje was eigenlijk een achterzoldertje met een
schuin dak en een vroolijk uitzicht op eene timmerwerf, en toen ik het
in bezit nam en bedacht, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden nu
eindelijk een crisis hadden bereikt, scheen het mij een klein paradijs
toe.

Gedurende al dien tijd bleef ik werkzaam in het pakhuis van de firma
Murdstone en Grinby aan dezelfde weinig opwekkende bezigheden, met
dezelfde laag staande kameraden en met hetzelfde gevoel van onverdiende
vernedering als de eerste dagen. Gelukkig voor mij, zooals ik later
inzag, knoopte ik geen enkele kennismaking, geen enkel gesprek aan
met de vele jongens, die ik dagelijks op mijne wandelingen door de
straten ontmoette, als ik naar het pakhuis of naar mijne kamer ging.
Ik leed onder dat eenzame, afgezonderde leven, maar ik leed zonder
mij bij anderen te beklagen. De eenige veranderingen, die met mij
plaats vonden, voor zoover ik weet, waren: dat ik er hoe langer
hoe meer verwaarloosd begon uit te zien en ontheven was van mijne
bekommering over de zorgen van mijnheer en mevrouw Micawber; want
eenige bloedverwanten en vrienden hadden hulp verschaft voor het
oogenblik, zoodat zij in de gevangenis een veel beter leven hadden
dan zij in den laatsten tijd gekend hadden. Ik ontbeet nu met hen,
waarvoor ik eenige vergoeding gaf...... hoeveel is mij ontschoten. Ook
weet ik niet meer hoe laat de poort van de gevangenis geopend werd,
wel echter dat ik dikwijls al om zes uur op was en ik dan het liefst
bleef wachten op de oude London Bridge, waar ik op een van de steenen
banken ging zitten kijken naar de voorbijgangers of naar de zon op het
water en naar het groote monument, welks top zich scheen te baden in
goud. Het weesmeisje kwam nu en dan bij mij zitten en vertelde mij dan
allerlei verbazingwekkende dingen van de werven en den Tower, waarvan
ik niets kan navertellen dan dat ik hoop, dat ik ze zelf geloofde. Des
avonds ging ik gewoonlijk nogmaals naar de gevangenis en wandelde dan
met mijnheer Micawber de binnenplaats op en neer of luisterde naar
de verhalen van mevrouw Micawber over haar papa en mama. Of mijnheer
Murdstone wist waar ik den tijd doorbracht, durf ik niet zeggen. Ik
bewaarde er bij Murdstone en Grinby het stilzwijgen over.

Hoewel de crisis nu voorbij was, schenen mijnheer Micawber's zaken
hoogst ingewikkeld te zijn door eene zekere „akte”, waarvan ik veel
hoorde vertellen en die, zooals ik later begreep, eene vroeger gemaakte
overeenkomst met zijne schuldeischers inhield; in die dagen begreep
ik er niets van en ik vermoed nu, dat ik dat document verwarde met de
duivelsche briefjes, die men drie eeuwen geleden zoo veelvuldig in
Duitschland krijgen kon.

Eindelijk scheen dit papier echter op de eene of andere wijze uit den
weg geruimd te zijn, tenminste het was niet meer zulk een struikelblok
als vroeger en mevrouw Micawber vertelde mij, dat „hare familie” had
aangeraden ontslag uit de gevangenis te verzoeken op grond van de wet
op de Insolvente schuldenaren, zoodat zij binnen zes weken hunne
vrijheid zouden terugkrijgen.

„En dan,” zei mijnheer Micawber, die daarbij tegenwoordig was, „dan
twijfel ik er niet aan of, zoo de Heer wil, zal ik wel vooruit komen in
de wereld en een geheel ander leven beginnen, indien zich.... kortom,
indien zich maar iets voordoet.”

Als een staaltje van de wijze, waarop mijnheer Micawber trachtte
vooruit te komen in de wereld, zij hier vermeld, dat hij in deze dagen
eene petitie opstelde aan het Lager Huis, om eene wijziging te brengen
in de wet op de gijzeling. Ik schrijf deze herinnering neer, als een
voorbeeld voor mij zelven van de wijze, waarop ik alles wat ik beleefde
en wat ik op straat zag, en al de menschen, die ik ontmoette, op
voorvallen en helden terugbracht uit de boeken, die ik vroeger gelezen
had; en hoe sommige hoofdtrekken van het karakter, dat ik, mijn leven
beschrijvende, onmerkbaar zal bloot leggen, in dezen tijd langzamerhand
gevormd werden.

Er bestond in de gevangenis een club, waarin mijnheer Micawber, de
eenige, die nog aanspraak maakte op den naam van _gentleman_, de
hoofdpersoon was. Hij had het denkbeeld om deze petitie op te stellen
in de club geopperd en allen hadden het luide toegejuicht; waarop de
goedhartige man, die zoo ijverig was in alle zaken—behalve in zijn
eigene—als iemand maar zijn kon, die nooit gelukkiger was dan wanneer
hij iets kon ondernemen, waarvan hij zelf niet het minste voordeel
trok, aan het werk toog, de petitie opstelde, op een kolossaal vel
papier overschreef, op eene tafel uitspreidde en een tijdstip aangaf,
waarop alle leden van de club en allen binnen de muren der gevangenis,
die zulks verkozen, hunne handteekening er onder konden plaatsen.

Toen ik vernam welke plechtigheid naderde, was ik zoo verlangend om
hen allen te zien binnenkomen, een voor een, al kende ik hen voor het
meerendeel en al kenden zij mij, dat ik mijnheer Quinion verzocht
een uur vroeger te mogen heengaan, en in een hoekje van de kamer
plaats nam. Zooveel van de voornaamste leden van de club als er in de
kleine kamer konden staan, zonder die al te vol te maken, schaarden
zich tegenover mijnheer Micawber voor het groote papier, terwijl
kapitein Hopkins—mijn oude vriend had zich gewasschen ter eere van
de plechtigheid—naar voren trad en de petitie voorlas aan allen,
die den inhoud nog niet kenden. Daarna werd de deur geopend en kwam
de geheele bevolking van de gevangenis één voor een binnen; terwijl
de een zijne handteekening plaatste, wachtten de anderen buiten. Aan
ieder afzonderlijk werd door kapitein Hopkins gevraagd: „Hebt gij het
gelezen?”—„Neen.” „Wilt gij dat ik het u voorlees?”—Bij de geringste
toestemmende beweging las kapitein Hopkins woord voor woord voor, met
zijne zware, doch welluidende stem, en zonder twijfel zou hij het
twintig duizend maal hebben voorgelezen, indien er maar twintig duizend
onderteekenaars waren geweest. Ik herinner mij nog hoe hij sommige
uitdrukkingen en volzinnen als het ware over zijn tong liet rollen:
„De vertegenwoordigers van het volk in het Parlement vergaderd.”—„De
ondergeteekenden naderen daarom eerbiedig uw edelachtbaar Huis”—„Hare
Majesteit's ongelukkige onderdanen,” enz. Het scheen mij toe alsof hij
deze woorden werkelijk in zijn mond voelde, of ze hem lekker smaakten.
Mijnheer Micawber stond intusschen te luisteren met de ijdelheid
van den ontwerper en schrijver en—volstrekt niet met een strengen
blik—naar de scheurbroeken te kijken op den muur aan de overzijde.

Wanneer ik dagelijks den afstand aflegde tusschen Southwark en
Blackfriars en in de schofttijden door de sombere zijstraten wandelde,
waarvan het plaveisel misschien wel door mijne kindervoeten is
uitgesleten, vroeg ik mij zelven af hoeveel menschen er nog ontbraken
in den drom, die mij telkens weder voor oogen stond, terwijl kapitein
Hopkins' stem mij in de ooren klonk. En wanneer mijne gedachten thans
teruggaan naar dien ellendigsten tijd van mijne jeugd, vraag ik mij
zelven af hoeveel van de romans, die ik van zulke menschen verdichtte,
de werkelijkheid nabij kwamen! En wanneer ik dienzelfden grond weder
betreed, stel ik mij een onschuldig, romantisch knaapje voor, dat zijne
denkbeeldige wereld samenstelt uit allerlei vreemdsoortige ervaringen
van de laagste soort, en ik beklaag dat knaapje met mijn gansche hart.



XII.

De wereld, die ik ben ingetreden, blijft mij slecht bevallen. Ik neem
een gewichtig besluit.


Mijnheer Micawber's verzoekschrift werd ingediend en hij zelf tot
mijne groote blijdschap ontslagen. Zijne schuldeischers waren niet
onverbiddelijk en mevrouw Micawber deelde mij mede, dat dezelfde
schijnbaar wraakzuchtige schoenmaker voor het Hof verklaard had geen
wrok te koesteren, maar indien men hem geld schuldig was, ook gaarne
betaling ontving. Nu, dat was niet meer dan natuurlijk.

Mijnheer Micawber keerde, toen de zaak beslist was, naar King's
Bench terug, omdat er nog eenige kosten te betalen en formaliteiten
te vervullen waren, eer hij feitelijk ontslagen kon worden. De club
ontving hem met veel geestdrift en hield dien avond eene gezellige
bijeenkomst te zijner eer; terwijl mevrouw Micawber en ik ons, omringd
door de slapende kinderen, aan een lamsgebraad te goed deden.

„Bij deze gelegenheid zal ik u nog eens inschenken, jonge Copperfield,”
sprak mevrouw Micawber—wij hadden al eenige glazen warm bier
gedronken—„ten einde op de nagedachtenis te drinken van papa en mama.”

„Zijn zij dood, mevrouw?” vroeg ik, na het wijnglas geledigd te hebben.

„Mijne mama heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld,”
antwoordde mevrouw Micawber, „alvorens mijnheer Micawber's
ongelegenheden een aanvang namen, tenminste, alvorens zij van alle
kanten kwamen opdringen. Mijn papa bleef herhaalde malen borg voor
mijnheer Micawber en stierf toen, door een talrijken vriendenkring
betreurd.”

Mevrouw Micawber schudde het hoofd en liet op de zuigeling, die op
het oogenblik aan de beurt was om bij zijne moeder te zijn, een traan
vallen, die getuigenis moest afleggen van hare kinderlijke liefde.

Aangezien ik niet kon verwachten eene betere gelegenheid te vinden om
eene zaak te behandelen, die voor mij van het grootste belang was,
vroeg ik:

„Mag ik ook weten, wat gij en mijnheer Micawber voornemens zijt te
doen, nu mijnheer Micawber's ongelegenheden uit den weg geruimd zijn en
hij zijne vrijheid terug zal krijgen? Hebt gij dat al bepaald?”

„Mijne familie,” antwoordde mevrouw Micawber, die deze woorden altijd
op plechtigen toon uitsprak, zonder dat ik ooit heb kunnen gewaar
worden, wie zij daarmede bedoelde, „mijne familie is van oordeel, dat
mijnheer Micawber beter deed Londen te verlaten, en zijne talenten
ergens in de provincie meer winstgevend aan te wenden. Mijnheer
Micawber is een man met groote talenten, jongeheer Copperfield.”

Ik zei daarvan overtuigd te zijn.

„Van groote talenten,” herhaalde mevrouw Micawber. „Mijne familie is
van oordeel, dat met een weinig voorspraak voor een man van mijnheer
Micawber's bekwaamheden wel eene betrekking aan het tolkantoor te
vinden zal zijn. Aangezien de invloed mijner familie echter plaatselijk
is, verlangt men, dat mijnheer Micawber naar Plymouth zal verhuizen.
Zij achten het onvermijdelijk dat hij zelf ter plaatse is.”

„Om bij de hand te zijn?” vroeg ik.

„Juist,” antwoordde mevrouw Micawber. „Om bij de hand te zijn, wanneer
zich iets voordoet.”

„En gaat gij ook mede, mevrouw?”

De gebeurtenissen van den dag, misschien ook de tweelingen en het warme
bier, hadden mevrouw Micawber zenuwachtig gemaakt; zij zwom letterlijk
in hare tranen toen zij zeide: „Ik verlaat mijnheer Micawber nooit.
Mijnheer Micawber mag al de ongelegenheden, waarin hij gekomen was, in
den eersten tijd voor mij verborgen hebben gehouden, hij was volkomen
te goeder trouw toen hij meende, dat hij die wel te boven zou komen.
Het parelsnoer en de braceletten, die ik van mijne mama erfde, zijn
ver beneden de waarde verkocht; het stel koralen, het bruidsgeschenk
van papa, is zoo goed als weggegeven; maar toch zal ik mijnheer
Micawber nooit verlaten. Neen!” riep zij uit, en scheen hoe langer hoe
zenuwachtiger te worden. „Neen, dat doe ik nooit! Men behoeft mij dat
niet eens te vragen!”

Ik werd verlegen met de zaak—alsof mevrouw Micawber kon
veronderstellen dat ik haar ooit zoo iets vragen zou!—en keek haar met
een angstigen blik aan.

„Mijnheer Micawber heeft zijne gebreken. Ik zal niet ontkennen dat hij
onvoorzichtig is. Ik zal niet ontkennen dat hij mij onkundig heeft
gelaten, zoowel van zijne inkomsten als van de verplichtingen, die hij
op zich genomen heeft,” ging zij voort, naar den muur kijkende, „maar
mijnheer Micawber verlaten—dat nooit!”

Mevrouw Micawber's zenuwachtigheid scheen nu het toppunt bereikt te
hebben; zij gilde de laatste woorden letterlijk uit, zoodat ik mij
ongerust begon te maken en naar de kamer snelde, waar de club bijeen
was. Ik stoorde mijnheer Micawber, die aan het hoofd van eene lange
tafel zat en behalve als president ook als cantor scheen te fungeeren,
met de tijding dat ik mij ongerust maakte over mevrouw Micawber; waarop
hij onmiddellijk in tranen uitbarstte en met mij medeging, met de
koppen en staarten van de garnalen, die hij gegeten had, nog op zijn
vest.

„Emma, mijn engel!” riep mijnheer Micawber, de kamer binnenstormend,
„wat scheelt u?”

„Ik zal u nooit.... nooit verlaten, Micawber!” riep zij uit.

„Mijn leven! Mijn alles!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar
omhelsde, „dat weet ik! Daarvan ben ik overtuigd!”

„Hij is de vader van mijn kinderen! Hij is de vader van mijn
tweelingen!” riep mevrouw Micawber, zenuwachtig snikkend. „Hij is mijn
eerste en eenige liefde! Ik zal hem nooit.... no.. ooit verlaten!”

Mijnheer Micawber was zoo getroffen door hare hartstochtelijke
ontboezeming—wat mij betreft ik zwom letterlijk in mijn tranen—dat
hij haar nogmaals en nogmaals omhelsde en haar smeekte hem aan te
zien en kalm te zijn. Maar hoe vaker hij mevrouw Micawber vroeg hem
aan te kijken, hoe strakker zij in de ledige ruimte bleef staren en
hoe meer hij haar tot kalmte aanmaande, hoe opgewondener zij werd.
Dientengevolge geraakte mijnheer Micawber langzamerhand in eene
weekhartige stemming en vermengden zich zijne tranen met de hare en de
mijne, tot hij mij eindelijk verzocht een stoel mede te nemen en op het
portaal te gaan zitten, omdat hij haar te bed wilde helpen. Ik wilde
afscheid nemen, maar hij verkoos daarvan niet te hooren voor de bel het
sein gaf dat de bezoekers moesten vertrekken. En zoo bleef ik op het
portaal zitten tot hij met een anderen stoel de kamer uitkwam en bij
mij plaats nam.

„Hoe gaat het nu met mevrouw Micawber?” vroeg ik.

„Erg zwak”, antwoordde mijnheer Micawber, het hoofd schuddend. „Het
is de reactie. O, welk een vreeselijken dag hebben wij doorleefd. Wij
staan nu geheel alleen—wij bezitten niets meer!”

Mijnheer Micawber drukte mij de hand, slaakte een zucht en begon
daarna tranen te storten. Ik was ook aangedaan, maar niet minder
teleurgesteld, want ik had gedacht, dat wij allen vroolijk zouden zijn
op dezen lang verbeiden dag. Mijnheer en mevrouw Micawber schenen
echter zoo aan hunne ongelegenheden gewoon geraakt, dat het denkbeeld,
er thans uit verlost te zijn, hen geheel van streek bracht. Al hunne
veerkracht was gebroken; ik zag hen nooit zoo neerslachtig als op
dezen avond, en toen de bel werd geluid en mijnheer Micawber mij naar
de portierswoning bracht, waar hij met een zegenbede afscheid van mij
nam, joeg het denkbeeld, dat ik hem alleen moest laten, mij angst aan,
zoo diep ellendig scheen hij zich te voelen. Ik zelf was ook door
aandoeningen geheel overstelpt, en voelde zeer goed, dat mijnheer en
mevrouw Micawber met de geheele familie Londen zouden verlaten, zoodat
ons scheidingsuur aanstaande was. En gedurende mijne wandeling naar
huis en in de slapelooze uren, dien nacht doorgebracht, kwam voor het
eerst de gedachte in mij op—hoe is mij nog altijd een raadsel—die
langzamerhand rijpte tot een onwrikbaar besluit.

Ik was op zulk een vertrouwelijken voet gekomen met de Micawbers, en
had in alle dingen zoo met hen meegeleefd, dat het vooruitzicht, om
opnieuw uitbesteed te worden en nogmaals onder vreemden te gaan, mij
toescheen alsof ik mijn tegenwoordig leven opnieuw moest beginnen—en
dat, terwijl ik nu zoo goed wist wat mij te wachten stond. Al mijn
trots, die zoo gevoelig was gekwetst, al de schaamte, die mij had
terneergedrukt, ontwaakte opnieuw, toen ik al hetgeen ik ondervonden
had overpeinsde, en ik kwam tot de overtuiging, dat mijn leven
ondragelijk was en zoo niet kon voortduren. Dat het niet mogelijk was
aan dezen ondragelijken toestand te ontkomen, indien ik niet zelf
handelde, wist ik maar al te goed. Van juffrouw Murdstone vernam ik
zelden iets, van mijnheer Murdstone nooit; er was twee malen een
bezending kleeren voor mij aangekomen aan mijnheer Quinion's adres, en
beide keeren had ik er een klein strookje papier in gevonden, waarop
geschreven stond: „J. M. hoopt dat D. C. ijverig zijn werk zal doen,
en zich geheel aan zijne plichten zal wijden”—niet de geringste wenk
dat er ooit iets anders van mij zou worden dan flesschenspoeler, dat ik
mij ooit eens zou mogen toeleggen op minder geestdoodend en vernederend
werk dan waartoe ik thans was veroordeeld.

Reeds den volgenden dag, terwijl ik nog geheel onder den indruk was
van mijne nachtelijke overpeinzingen, begon ik in te zien dat mevrouw
Micawber niet zonder reden gesproken had over haar aanstaand vertrek.
Zij namen in dezelfde woning, waarin ik mijn zolderkamertje had,
voor eene week hun intrek, waarna zij de reis naar Plymouth zouden
aanvaarden. Mijnheer Micawber kwam zelf op het kantoor om mijnheer
Quinion te vertellen, dat hij mij aan mijn lot zou moeten overlaten
en om eene lofspraak op mij te houden, die ik meende wel verdiend
te hebben. Mijnheer Quinion riep Tipp den vrachtrijder binnen, die
getrouwd was en een kamer te verhuren had, en bezorgde mij voorloopig
bij dezen man een onderkomen. Vermoedelijk verkeerde hij in de meening
dat ik er mede instemde, want ik zei niets; maar mijn besluit stond nu
vast.

Gedurende ons gemeenschappelijk verblijf onder hetzelfde dak bracht
ik mijne avonden met mijnheer en mevrouw Micawber door, en ik ben
overtuigd, dat wij hoe langer hoe meer van elkander begonnen te houden
naarmate het scheidingsuur naderde. Den laatsten Zondag verzochten zij
mij bij hen het middagmaal te gebruiken; wij hadden een varkensribbetje
met appelmoes en een podding. Ik had een gespikkeld houten paardje
gekocht als afscheidsgift voor Wilkins Micawber—zoo heette de oudste
zoon—en een pop voor de kleine Emma. Ook gaf ik een shilling aan het
weesmeisje, dat de dienst was opgezegd.

Wij hadden een prettigen dag, al waren wij in eene eenigszins
weemoedige stemming met het oog op de naderende scheiding.

„Ik zal nimmer aan den tijd, dat mijnheer Micawber in ongelegenheid
was, terugdenken, jongeheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber, „zonder
ook aan u te denken. Gij hebt u altijd even kiesch gedragen en ons veel
vriendschap betoond. Gij zijt geen commensaal voor ons geweest; gij
waart een vriend.”

„Lieve vrouw,” voegde mijnheer Micawber er bij, „Copperfield,” zoo had
hij zich in den laatsten tijd aangewend mij te noemen, „heeft een hart,
dat medevoelt voor zijne natuurgenooten, wanneer zij in ongelegenheid
zijn geraakt; een hoofd, dat mede denkt; eene hand, die.... in 't kort,
alles, wat nog eenige waarde heeft, zoo voordeelig mogelijk aan den man
weet te brengen.”

Ik zei, dat ik zeer dankbaar was voor deze loftuiting en dat het mij
zeer speet te moeten scheiden.

„Mijn beste jonge vriend,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben ouder
dan gij; ik heb ondervinding opgedaan in het leven en.... en ook
eenige ondervinding, in 't kort, in de moeilijkheden, die het leven
medebrengt—in het algemeen gesproken. Voor het tegenwoordige, tot zich
iets opdoet—hetgeen ik zeer spoedig meen te mogen verwachten—kan ik
u niets geven dan goeden raad. Echter is mijn raad in zoover wel het
aanhooren waard, dat.... in 't kort, dat ik dien zelf nooit heb gevolgd
en daardoor het”—tot op dit oogenblik had mijnheer Micawber met zijn
geheele gezicht gelachen, maar nu kwam er een sombere trek op zijn
gelaat en fronste hij het voorhoofd—„het rampzalige schepsel geworden
ben, dat gij hier voor u ziet....”

„Maar beste Micawber!” riep zijne wederhelft. „Ik zeg,” antwoordde hij,
zich zelven geheel vergetende en weder met een glimlach om de lippen,
„ik zeg: het rampzalige schepsel, dat gij hier voor u ziet. Mijn raad
is deze: doe nimmer morgen wat gij heden doen kunt. Uitstellen is
diefstal van tijd. Houd dien stelregel altijd voor oogen!”

„Ach,” zei mevrouw Micawber, „de stelregel van mijn goeden papa.”

„Lieve,” hernam mijnheer Micawber, „uw papa was op zijne wijze een heel
verstandig man en de Hemel verhoede, dat ik iets ten nadeele van hem
zou zeggen. Hij moge geweest zijn wie hij was, wij zullen nimmer....
in 't kort.... iemand ontmoeten.... waarschijnlijk.... die op zijn
leeftijd zulke beenen had om slobkousen te dragen en in staat was om
zonder bril zulk een fijnen druk te lezen. Hij paste echter dezen
stelregel ook op ons huwelijk toe, lieve, en dientengevolge werd dit
in zoo verre eenigszins in overijling aangegaan, dat ik de toenmaals
gemaakte onkosten nooit te boven ben gekomen.” Mijnheer Micawber keek
zijne vrouw van ter zijde aan en liet er onmiddellijk op volgen: „Niet
dat ik het betreur. Integendeel, lieve.” Daarna bleef hij ongeveer een
minuut ernstig voor zich kijken.

„Mijn anderen raad, Copperfield, kent gij. Jaarlijksch inkomen twintig
pond, jaarlijks uitgeven negentien pond negentien en een halven
shilling—geluk. Jaarlijksch inkomen twintig pond, jaarlijks uitgeven
twintig pond en een halven shilling—ellende. De bloesem valt af,
het blad verdort, de god des daags beschijnt een droevig tooneel
en—en, in 't kort, gij valt in een afgrond! Zooals ik!” Teneinde deze
ontboezeming meer indruk te doen maken dronk mijnheer Micawber met een
gezicht, dat straalde van vergenoegdheid en zelfvoldoening, een glas
punch in een paar teugen ledig en begon toen een dansje te fluiten.

Ik liet niet na hem de verzekering te geven dat ik zijne raadgevingen
ter harte zou nemen, hoewel ik dit eigenlijk niet behoefde te doen,
want ik was er zichtbaar door ontroerd. Den volgenden morgen bracht
ik de geheele familie naar het diligence-kantoor en zag hen met een
droevig gevoel van verlatenheid op de achterste bank plaats nemen.

„God zegen u, jongeheer Copperfield!” zei mevrouw Micawber. „Ik zal
nimmer kunnen vergeten al wat..... gij weet wat ik bedoel... en ik zou
het niet willen vergeten al kon ik het.”

„Copperfield, mijn jongen, vaarwel!” zei mijnheer Micawber. „Voorspoed
en geluk! Indien ik na verloop van jaren tot de overtuiging kan komen,
dat mijn jammervol bestaan een waarschuwend voorbeeld heeft mogen zijn
voor u, zou ik mij zelven troosten met de gedachte, dat ik niet te
vergeefs de plaats van een ander op dit ondermaansche heb ingenomen.
In geval er zich iets opdoet—en ik vertrouw _dat_ zich spoedig iets
zal opdoen—zal ik er mij zeer in verheugen als ik instaat mocht zijn
eenige verbetering te brengen in uwe vooruitzichten.”

Ik geloof, dat, toen mevrouw Micawber met de kinderen achterop de
diligence zat en ik met een droevigen blik naar hen opkeek, er een
nevel voor hare oogen werd weggevaagd en zij nu eerst opmerkte welk een
klein kereltje ik eigenlijk nog was. Ik geloof dit, want zij gaf mij
met moederlijke teederheid een wenk om tot haar op te klimmen, en toen
sloeg zij de armen om mijn hals en gaf mij een kus, zooals zij haar
eigen kind er een zou gegeven hebben. Ik had nauwelijks tijd genoeg om
naar beneden te springen, toen de diligence zich in beweging stelde, en
ik kon hen allen nauwelijks zien achter al de wuivende zakdoeken. Een
minuut later waren zij verdwenen. Het weesmeisje en ik stonden elkander
midden op de straat een oogenblik aan te staren; toen gaven wij
elkander de hand en namen afscheid; vermoedelijk ging zij terug naar
het St. Lukaswerkhuis, terwijl ik mijne moeilijke dagtaak bij Murdstone
en Grinby weder aanvaardde.

Het was echter niet mijn voornemen dat nog dikwijls te doen. Neen—ik
was vastbesloten weg te loopen..... te gaan, hoe dan ook, naar
de eenige bloedverwante, die ik nog in de wereld bezat, en mijne
geschiedenis te vertellen aan tante Betsey.

Ik heb reeds doen opmerken dat ik niet weet hoe dit denkbeeld in mijn
brein was opgekomen. Toen dit echter eenmaal het geval was, bleef het
daar ook en ontwikkelde zich tot een plan zoo stout, als ik er ooit een
heb opgevat in mijn later leven. Ik ben er volstrekt niet zeker van dat
ik een oogenblik aan een goeden uitslag geloofde, maar ik was er zoo
zeer mede vervuld, dat het ten uitvoer moest worden gebracht.

Telkens en telkens weder en honderde malen nog sinds den nacht, toen
het denkbeeld voor de eerste maal in mij was opgekomen en den slaap
van mijne kinderlijke legerstede had gebannen, had ik het verhaal
van hetgeen bij mijne geboorte was voorgevallen en dat mijne moeder
mij zóó dikwerf verteld had, dat ik het van buiten kende, in mij
zelven herhaald. In dat verhaal trad mijne tante op als een gevreesd,
onbegrijpelijk wezen, maar toch was er iets in hare wijze van doen,
waarbij mijne gedachten telkens stil stonden en dat mij moed gaf,
al was het weinig. Ik kon niet vergeten hoe mijne moeder telkens
meende hare zachte hand op hare mooie krullen te voelen en hoe in de
herinnering mijner moeder die aanraking volstrekt niet van teederheid
was ontbloot geweest; en hoewel dit misschien alleen in de verbeelding
mijner moeder bestaan en op geen enkelen redelijken grond gesteund had,
maakte ik er voor mij zelven toch een klein tafereeltje van en zag
ik mijne vreeselijke tante voor mij, verteederd door de kinderlijke
schoonheid van haar, die mij zoo helder voor den geest stond en
die ik zoo lief had gehad en in mijne herinnering nog had—en door
dat tafereeltje kreeg het verhaal waarde voor mij. Het is ook wel
mogelijk dat dit tafereel mij reeds lang voor oogen had gestaan en mij
langzamerhand tot mijn besluit had gebracht.

Aangezien ik niet wist waar tante Betsey eigenlijk woonde, schreef
ik een langen brief aan Peggotty en vroeg haar, alsof mij dit zoo
toevallig uit de pen vloeide, of zij zich den avond mijner geboorte nog
herinnerde; ik voegde er bij, dat, ik van eene dame had hooren spreken,
die mij aan tante Betsey deed denken en ergens—ik noemde maar een
plaatsje—in de buurt van Londen woonde en nu nieuwsgierig was te weten
of deze dame en tante Betsey dezelfde persoon kon wezen. Ook schreef
ik aan Peggotty, dat ik bijzonder verlegen was om een halve guinje en
dat zij mij zeer zou verplichten, als zij mij die som wilde leenen, tot
ik in staat zou zijn, haar die terug te geven; later zou ik haar wel
vertellen, waarvoor ik die had noodig gehad.

Peggotty's antwoord volgde per omgaande post en was, zooals altijd,
vol hartelijke en teedere belangstelling. De halve guinje was
ingesloten—ik onderstelde, dat het haar heel wat moeite moest gekost
hebben, om die uit de kist van Barkis aan het daglicht te brengen—en
zij schreef mij, dat juffrouw Betsey in de buurt van Dover woonde, maar
of het in Dover zelf was, of in Hythe, Sundgate of Folkestone, dat kon
zij niet zeggen. Een van de pakhuisknechts, bij wien ik inlichtingen
vroeg, vertelde mij echter, dat deze plaatsjes alle vlak bij elkander
lagen. Ik achtte dit voldoende voor mijn plan en besloot het tegen
het einde van de week ten uitvoer te brengen. Hoe klein ik ook was,
ik was eerlijk en wilde geen slechten naam achterlaten bij Murdstone
en Grinby; daarom achtte ik mij verplicht om tot Zaterdagavond te
blijven en, aangezien mij mijn weekloon vooruitbetaald werd, op het
uur van afrekenen niet op het kantoor te verschijnen om mijn loon te
ontvangen. Juist daarom had ik de halve guinje geleend; ik behoefde dan
niet geheel ontbloot van eenig geld op reis te gaan. Overeenkomstig dit
plan vroeg ik aan Mick Walker, terwijl wij, zooals elken Zaterdagavond,
in het pakhuis stonden te wachten, en Tipp, de wachtrijder, binnen was,
of hij, als hij aan de beurt was, wilde zeggen dat ik mijn kist naar
het huis van Tipp overbracht, en na een laatst vaarwel aan den „melige”
haastte ik mij weg te komen.

Mijn koffer was nog in mijne oude woning aan de overzijde van de
rivier en ik had er een adres voor geschreven op de achterzijde van
een kaartje, zooals wij op de vaten spijkerden: „Jongeheer David. Zal
afgehaald worden; diligence-kantoor Dover.” Ik had dit in mijn zak
om het op den koffer te bevestigen, nadat ik hem in veiligheid zou
gebracht hebben, en toen ik mij naar mijne oude woning begaf, keek ik
rond naar iemand, die hem voor mij naar het kantoor zou willen brengen,
waar de diligence afreed. Ik ontmoette een jongen met lange beenen en
eene ledige ezelkar bij de Obelisk in Blackfriars Road; hij vroeg mij
of hij iets van mij aan zijn lichaam droeg, omdat ik hem zoo aankeek.
Ik bleef staan en verzekerde hem, dat ik het niet deed om hem te
grieven, maar omdat ik niet zeker wist of hij wat zou willen verdienen.

„Waarmede zou ik wat kunnen verdienen?” vroeg de langbeenige jongen.

„Met een koffer weg te brengen,” was mijn antwoord.

„Welken koffer?”

Ik vertelde hem dat het mijn koffer was en dat hij in gindsche straat
stond en naar het kantoor van de diligence naar Dover gebracht moest
worden. Ik zou er hem een halven shilling voor geven.

„Dat doe ik!” antwoordde hij, ging terstond op zijne kar
zitten—eigenlijk niets dan een houten bak op wielen—en rende in zulk
een vaart heen dat ik moeite had om den ezel bij te houden. Er was iets
terugstootends in het gezicht van dien jongen en vooral in de wijze,
waarop hij, op een strootje kauwend, mij aankeek, dat mij niet beviel;
maar de overeenkomst was gesloten en ik nam hem mede naar de kamer, die
ik ging verlaten, en samen brachten wij den koffer naar beneden en op
de kar. Ik achtte het niet geraden nu reeds het adres aan den koffer
te bevestigen, vreezende dat mijn huisbaas of iemand van zijne familie
ontdekken zou wat ik voornemens was te doen; ik verzocht daarom den
langbeen bij den blinden muur van King's Bench een oogenblik stil te
houden. De woorden waren nauwelijks uit mijn mond of hij rende weg,
alsof hij, de kar, de ezel en de koffer bezeten waren, zoodat ik hem
geheel buiten adem van het loopen op de bedoelde plek inhaalde.

Ik was geheel van streek en beefde van zenuwachtigheid, zoodat ik
bij het te voorschijn halen van het kaartje de halve guinje op den
grond liet vallen. Haastig raapte ik het geldstuk op en verborg het
veiligheidshalve in mijn mond. Juist had ik met bevende handen mijne
adreskaart te voorschijn gehaald, toen ik plotseling een stomp onder de
kin kreeg van den langbeen en de halve guinje mij uit den mond en in
zijne hand vloog.

„Wat is dat!” zei de jongen, terwijl hij mij bij den kraag van mijn
buis greep, met een grijns, die mij angst aanjoeg. „Dat is een
politiezaak! Gij wilt u uit de voeten maken! Ga mee naar de politie,
kleine deugniet, ga mee naar de politie!”

„Geef mij mijn geld terug!” zei ik, bevend van angst, „en ga uw weg.”

„Ga mee naar de politie!” riep de langbeen nogmaals. „Gij zult bij de
politie bewijzen dat het uw eigendom is.”

„Geef mij mijn koffer en mijn geld terug, als 't u belieft?” riep ik,
in tranen uitbarstende.

De jonge man herhaalde: „Ga mee naar de politie!” en drong mij op zulk
een hevige wijze tegen den ezel aan, alsof er eenige overeenkomst
bestond tusschen dit dier en een magistraatspersoon. Eensklaps scheen
hij van plan te veranderen; hij sprong in de kar, ging op mijn koffer
zitten en rende zoo hard hij kon heen, roepende dat hij de politie zou
halen.

Ik rende hem na zoo hard ik kon, maar ik kon onmogelijk roepen of
schreeuwen en zou het ook niet hebben durven doen al had ik gekund.
Minstens twintig malen was ik op het punt om overreden te worden. Nu
eens had ik hem uit het gezicht verloren, dan zag ik hem weder en een
oogenblik later was hij weder uit het gezicht, nu eens kreeg ik een
slag, dan viel ik in den modder, stond weer op, rende iemand in de
armen of liep blindelings tegen een paal. Eindelijk, geheel verbijsterd
door angst en drift en meenende dat half Londen nu waarschijnlijk op
de been zou zijn om mij aan te houden, liet ik den langbeen met mijn
koffer en mijn guinje heenrijden waar hij wilde. Snikkend en geheel
buiten adem sloeg ik den weg in naar Greenwich, dat, naar ik gehoord
had, aan den weg naar Dover lag, weinig meer uit de wereld meenemende
op mijne vlucht naar tante Betsey, dan ik er had ingebracht in den
nacht, toen mijne komst hare ontevredenheid zoo had opgewekt.



XIII.

Hoe mijn besluit verder ten uitvoer werd gebracht.


Voor zoover ik weet had ik, toen ik de vervolging van den jongen met
de ezelkar opgaf en den weg naar Greenwich insloeg, geen ander plan
dan in één adem door naar Dover te loopen. Ik kwam echter spoedig tot
een ander inzicht, want bij den weg naar Kent bleef ik staan bij een
plantsoen met een vijvertje, waarin een groot, leelijk beeld stond, een
zeenimf voorstellend. Ik ging hier eenige oogenblikken op een stoep
zitten, uitgeput van vermoeienis na de inspanning van het laatste uur
en nauwelijks in staat om te schreien over het verlies van mijn koffer
en de halve guinje.

Het was intusschen donker geworden; ik hoorde de klok tien slaan, toen
ik daar zat. Gelukkig was het midden in den zomer en heerlijk weder.
Toen ik wat tot kalmte gekomen en het gevoel, alsof ik zou stikken,
verdwenen was, stond ik op en zette mijn weg voort. Hoe wanhopend
ik ook was, het kwam niet in mij op terug te keeren. Ik twijfel of
dit zelfs wel het geval zou zijn geweest als er een Zwitsersche
sneeuwjacht op den weg naar Kent gewoed had. Dat ik daar stond met drie
stuivers in den zak—ik begrijp nog niet, hoe die op Zaterdagavond er
inkwamen!—joeg mij geen oogenblik angst aan, terwijl ik voortliep;
maar ik stelde mij toch voor hoe er wellicht over eenige dagen in de
courant zou staan, dat men mij dood aan den kant van den weg of onder
een heg had gevonden, en dit denkbeeld sloeg mij wel eenigszins ter
neer. Evenwel, ik was uit mijn slavenbetrekking verlost en liep voort
tot ik aan een winkeltje kwam, waar men vrouwen- en mannenkleederen
opkocht en den hoogsten prijs betaalde voor lompen, botten en ander
afval. De eigenaar zat in zijne hemdsmouwen voor de deur te rooken
en aangezien er een menigte jassen en broeken aan de lage zoldering
hingen te bengelen en er slechts twee kaarsen brandden om dien geheelen
voorraad te verlichten, verbeeldde ik mij, dat die man een wraakgierig
monster was, dat al zijne vijanden daar had opgehangen en zich nu in
het aanschouwen van zijne slachtoffers zat te verlustigen.

De ondervinding bij mijnheer en mevrouw Micawber opgedaan, wekte het
vermoeden in mij op, dat ik hier wellicht het middel vinden kon om mij
nog eenigen tijd in het leven te houden. Ik ging de eerste zijstraat
in, trok mijn vest uit, rolde het netjes op en kwam met dat rolletje
onder den arm aan den winkel terug. „Als 't u blieft, mijnheer,” zei
ik, „wilt gij dit voor een billijken prijs van mij koopen?”

Mijnheer Dolloby—deze naam stond ten minste boven de winkeldeur—nam
het vest aan, zette zijn pijp op den kop tegen den deurpost en ging
voor mij uit den winkel binnen; daarna snoot hij de beide kaarsen met
zijne vingers, spreidde het vest op de toonbank uit, bekeek het, hield
het tegen het licht, bekeek het nog eens en zei eindelijk:

„En wat noemt gij een billijken prijs voor dit prul?”

„O, dat weet gij zelf het best, mijnheer,” antwoordde ik bedeesd.

„Ik kan geen kooper en verkooper te gelijk zijn,” hernam mijnheer
Dolloby. „Geef een prijs op, manneke.”

„Zou achttien stuivers...?” vroeg ik na eenige aarzeling.

Mijnheer Dolloby rolde het vest op en gaf het mij terug. „Ik zou mijn
huisgezin bestelen,” zei hij, „indien ik er de helft voor bood.”

Dit was eene onaangename manier van zaken doen, want ik, een
vreemdeling, werd daardoor in de noodzakelijkheid gebracht hem te
verzoeken zijn huisgezin ter wille van mij te bestelen. Aangezien ik
echter dringend verlegen was om eenig reisgeld, zei ik, dat ik met
negen stuivers tevreden zou zijn. Niet zonder tegenspraak betaalde
mijnheer Dolloby mij negen stuivers uit. Ik wenschte hem goeden avond
en verliet zijn winkel, negen stuivers rijker, doch een vest armer. Als
ik mijn buis dichtknoopte, had dit echter niet veel te beduiden.

Het was te voorzien dat het niet lang zou duren, of mijn buis zou
denzelfden weg volgen, zoodat ik het laatste gedeelte van den weg naar
Dover in mijn hemd en broek zou moeten afleggen en mij nog gelukkig zou
mogen prijzen als ik er in dat toilet aankwam. Ik dacht echter nog niet
zoo ver vooruit. Behalve een vaag denkbeeld van den grooten afstand,
dien ik moest afleggen, en eene onaangename herinnering aan den jongen
met de ezelkar, geloof ik niet, dat de benarde toestand, waarin ik
eigenlijk verkeerde, mij helder voor den geest stond, toen ik de negen
stuivers in mijn zak liet glijden en mijne wandeling voortzette.

Voor een nachtverblijf was een plan in mij opgekomen, dat ik nu ten
uitvoer ging brengen. Ik wilde mij namelijk achter den muur van
mijne oude school te slapen leggen op eene plaats, waar vroeger een
hooischelf stond en verbeeldde mij, dat het denkbeeld, al de jongens en
de slaapzaal, waarin ik zoo menigen nacht had doorgebracht, in mijne
onmiddellijke nabijheid te weten, veel zou vergoeden, al wisten de
jongens niet dat ik daar lag te slapen en al zou mijne ligplaats wel
harder zijn dan mijn oude bedje. Ik had een vermoeienden dag gehad en
was doodop, toen ik eindelijk, al klimmende, de hoogte van Blackheath
bereikte. Het kostte mij eenige moeite Salem House te vinden, maar
eindelijk vond ik het toch en vond ik ook de hooischelf in den hoek,
en na eerst den muur omgewandeld en mij overtuigd te hebben, dat allen
in huis sliepen en daar binnen alles stil en donker was, legde ik mij
te slapen. Nimmer zal ik het gevoel van verlatenheid vergeten, dat mij
bekroop, toen ik daar lag zonder dak boven mijn hoofd! Gelukkig sliep
ik weldra in, evenals zoo vele andere verworpelingen, voor wie de
huisdeuren gesloten en de waakhonden losgelaten waren dien avond—en ik
droomde dat ik op mijn oude bedje lag en de jongens naar mijne verhalen
zaten te luisteren en werd wakker, rechtop zittende, met den naam
Steerforth op de lippen, in mijn half wakenden toestand, verbaasd, dat
ik de sterren zoo helder zag flikkeren. Toen ik mij herinnerde waar ik
was, bekroop mij een gevoel van angst, dat mij deed opstaan en eenigen
tijd rondwandelen, hoewel ik niet wist waarover ik mij eigenlijk
angstig maakte.

Toen het licht der sterren begon te verflauwen en aan den hemel zich de
kenteekenen van den naderenden dag begonnen te vertoonen, week ook mijn
angst; mijne oogleden werden zwaarder, ik ging weder liggen en sliep
in met het flauwe bewustzijn, dat het koud was—en ik bleef slapen tot
de warme zonnestralen en de ontbijtbel op Salem House mij wekten. Had
ik geweten, dat Steerforth daar nog was, ik zou mij verborgen hebben
totdat hij bij toeval eens alleen buiten kwam; maar ik wist dat hij
reeds langen tijd te voren de school had vaarwel gezegd. Traddles was
er nog, wellicht, toch betwijfelde ik ook dit; bovendien had ik te
weinig vertrouwen op zijne stilzwijgendheid en zijn goed gesternte,
al was ik overtuigd van zijn goed hart, om hem mijn geheim toe te
vertrouwen. Daarom kroop ik uit mijn schuilhoek, terwijl de jongens
van mijnheer Creakle aan het ontbijt zaten, en sloeg den langen,
stoffigen weg in naar Dover, dien ik, toen ik nog op Salem House was,
zoo menigmaal had gadegeslagen, niet vermoedende, dat ooit iemand mij
daarop zou zien onder omstandigheden als deze.

Hoe verschilde deze Zondag-ochtend van die heerlijke Zondag-ochtenden
te Yarmouth. Wel hoorde ik op den gewonen tijd de klokken luiden,
terwijl ik voortliep; wel ontmoette ik allerlei menschen, die naar de
kerk gingen, en kwam ik langs twee of drie kerken, waar de gemeente
verzameld was en de kerkeknecht in het portaal of onder een ouden
iepeboom zat uit te blazen, terwijl hij mij met een boos gezicht
nakeek; overal was op dien Zondag-ochtend vrede en kalmte, behalve
in mij.—Dat was het verschil! Ik voelde dat men mij voor een halven
heiden moest aanzien, zoo bestoven en verwaarloosd zag ik er uit met
mijn verwarde haren. Telkens stond mij echter weder het tooneeltje voor
den geest van mijn jonge, mooie moedertje, schreiend bij het haardvuur,
terwijl tante Betsey door het zien van hare jeugd en schoonheid
verteederd werd—zonder dit zou ik waarschijnlijk niet den moed hebben
gehad om verder te gaan. Maar het bleef voor mij uitgaan en ik volgde
het.

Ik legde dien Zondag drieëntwintig mijlen af op den rechten weg;
het viel mij niet gemakkelijk, want deze inspanning was mij nieuw.
Ik zie mij tegen den avond nog over de brug te Rochester gaan, met
doorgeloopen voeten, doodvermoeid en niets voor mijn avondeten dan
een stuk droog brood, dat ik onder weg had gekocht. Wel had ik een
begeerigen blik geworpen op een of twee kleine huisjes met het
uithangbord: „Logies voor den reizenden man,” maar ik durfde de weinige
stuivers, die ik nog over had, niet uitgeven en was ook bang voor
de brutale gezichten van allerlei landloopers, die ik dien dag had
ontmoet of ingehaald. Ik zocht daarom geen ander dak dan den blooten
hemel en toen ik Chatham was binnengestrompeld—bij avond maakte
het den indruk op mij van een verward droomgezicht, waarin krijt,
ophaalbruggen, mastelooze schepen met daken, zooals op de arke
Noach's, en eene modderige rivier door elkander wriemelden—vond ik
een schuilplaats in het gras van eene batterij, waar een schildwacht
voortdurend heen- en weerliep. Ik legde mij neer bij een kanon,
gerustgesteld door de voetstappen van den schildwacht, al wist deze
evenmin, dat ik boven hem lag, als de jongens op Salem House geweten
hadden, dat ik achter den muur eene schuilplaats had gezocht—maar ik
sliep vast tot den volgenden morgen.

Stijf en pijnlijk werd ik wakker en keek vreemd op, toen ik
tromgeroffel en marcheerende soldaten hoorde, die mij aan alle
kanten schenen in te sluiten, toen ik naar beneden kroop en de nauwe
straat trachtte te bereiken. Ik voelde dat ik dien dag niet ver zou
kunnen gaan, wilde ik mijne krachten sparen voor het laatste gedeelte
van mijne reis; ik besloot daarom eene poging te wagen om mijn buis
te verkoopen, hetgeen dus mijne voornaamste bezigheid zou zijn.
Ten einde mij vast aan het gemis te wennen, trok ik het buis uit,
en het ineengerold onder den arm dragend, ging ik de verschillende
uitdragerswinkels eens bezichtigen.

Het scheen een uitstekend plaatsje te zijn om een buis te verkoopen,
want de handelaars in oude kleeren waren ontelbaar, en bijna allen
stonden in de deuren naar klanten rond te kijken. De meesten hadden
echter ook officiersuniformen met de epauletten er op aan hunne
zoldering hangen, zoodat ik terugdeinsde bij het zien van zooveel
kostbaarheden, en langen tijd bleef rondzwerven, zonder mijn eenvoudig
buis te koop aan te durven bieden.

In mijne bescheidenheid vestigde ik meer de aandacht op winkels, zooals
die van mijnheer Dolloby, dan op zulke deftige uitdragerijen. Eindelijk
vond ik er een, die, naar ik meende, voor mijn doel geschikt was, op
den hoek van een morsig steegje, dat op den met brandnetels begroeiden
wal doodliep. Aan eenige palen hingen matrozenpakken te bengelen,
waarvoor in den winkel geen plaats meer was, te midden van hangmatten,
roestige geweren, oliehoeden en eenige tonnen vol verroeste sleutels,
zoo verschillend van vorm, dat men daarmede wel alle sloten van de
wereld zou hebben kunnen openen.

Dezen winkel, die klein en laag was, vol hing met allerlei
kleedingstukken en verlicht—men zou eerder hebben kunnen zeggen donker
gemaakt—werd door een klein raampje vol spinnewebben, ging ik langs
twee trapjes met een kloppend hart binnen: mijn angst verminderde
niet, toen er uit een morsig hokje achter den winkel een afschuwelijk
leelijke, oude man verscheen, met een grijzen stoppelbaard, en mij bij
de haren pakte. Die man was vreeselijk om aan te zien in zijn vuilen
flanellen borstrok, en bracht een alles overheerschende brandewijnlucht
mede. Zijn ledikant, waarover een vuile, gescheurde lappendeken was
uitgespreid, stond in het hokje, waaruit hij gekomen was, en waar
men door een klein raampje het uitzicht had op een geheel bosch van
brandnetels, waaraan een kreupele ezel zich scheen te goed te doen.

„Wat moet gij hier?” schreeuwde de oude man met een kwaadaardige stem
en op huilenden toon. „O mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O
mijn long en lever, wat moet gij hier? O goroe, goroe!”

Ik was zoo ontsteld door deze uitroepen, en voornamelijk door de
laatste woorden, die ik niet kende, en die klonken als een soort
gerochel, achter in zijn keel, dat ik geen antwoord kon geven; de oude
man hield mij intusschen nog steeds bij de haren vast en herhaalde:

„O, wat moet gij hier? O, mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier?
O, mijn long en lever, wat moet gij hier? O, goroe, goroe!” en hij
schreeuwde, vooral deze laatste woorden, zoo hard, dat zijne met bloed
beloopen oogen uit hunne kassen puilden.

„Ik wilde vragen,” antwoordde ik bevend, „of gij een buis wilt koopen?”

„Laat mij dat buis zien!” riep hij. „O, mijn brandend hart, laat mij
dat buis dan zien! O, mijn oogen, mijn leden, haal het buis dan voor
den dag!”

Nu trok hij zijn handen, die op de klauwen van een roofvogel geleken,
uit mijn verwarde haren en zette een grooten bril op, die zijn rooden
oogen in geenen deele tot sieraad strekte.

„O, hoeveel voor dat buis?” riep hij, na het bekeken te hebben. „O,
goroe, hoeveel voor dit buis?”

„Een halve kroon,” antwoordde ik, eenigszins bekomen van den eersten
schrik.

„O, mijn long en lever,” riep hij, „neen! O, mijn oogen, neen! O, mijn
leden, neen! Achttien stuivers! Goroe!”

Telkens wanneer hij dezen uitroep liet hooren, schenen zijne oogen
gevaar te loopen om uit hunne kassen te springen, en alles wat hij
zeide klonk als een deuntje, altijd hetzelfde, het best te vergelijken
met een windvlaag, die zacht begint en langzamerhand in kracht toeneemt.

„Welnu,” antwoordde ik, blijde den koop gesloten te hebben, „voor
achttien stuivers laat ik u het buisje.”

„O, mijn lever!” riep de oude vrek, terwijl hij het buis op een plank
wierp. „Den winkel uit! O, mijn long, den winkel uit! O, mijn oogen en
ledematen... goroe!... vraag mij geen geld! Neem wat in ruil!”

Ik ben nooit in mijn leven zoo bang geweest, vóór noch na dat
oogenblik; ik vertelde hem toch zoo nederig mogelijk, dat ik het geld
noodig had, dat ik niets van al hetgeen hij mij in ruil zou willen
geven, kon gebruiken, maar dat ik buiten zou wachten als hij dat goed
vond, en ik hem volstrekt niet zou haasten. Ik ging terstond naar
buiten en in een schaduwrijk hoekje zitten; ik zat daar zoo lang dat de
zonnestralen de schaduw vervingen, en de schaduw de zonnestralen, maar
ik wachtte nog steeds te vergeefs op mijn geld.

Ik hoop dat nooit zulk een dronken dolleman als hij het uitdragersvak
heeft uitgeoefend. Dat hij goed bekend was in de buurt en onder
verdenking stond zijn ziel aan den duivel verkocht te hebben, begon ik
spoedig te begrijpen uit de bezoeken van de jongens, die voortdurend
zijn winkel inliepen en dan dit sprookje luide verkondigden, hem
toeroepende zijn geld voor den dag te halen. „Gij zijt niet zoo arm,
Charley, als gij u voordoet! Laat uw geld eens zien! Laat het geld eens
zien, waarvoor gij u aan den duivel verkocht hebt! Kom! Het zit in de
matras, Charley! Snijd de matras open, en laat het ons eens zien!”
Deze uitroepen en de tallooze aanbiedingen om hem tot dat doel een mes
te leenen, deden hem telkens woedend opstuiven, waarop hij naar buiten
kwam en de jongens op de vlucht gingen. In zijn toorn hield hij mij nu
en dan voor een van hen en wilde dan op mij toeloopen, alsof hij van
plan was mij in stukken te scheuren; maar als hij zich dan nog juist
bijtijds herinnerde, wie ik was, sloop hij den winkel weer binnen en
ging op zijn bed liggen, naar ik uit de geluiden, die hij maakte,
vermoedde; waarna ik hem een oogenblik later „Nelson's dood” hoorde
uitgalmen, met een „O!” voor elken regel en doorspekt met tallooze
„goroe's”.

Alsof ik nog niet ongelukkig genoeg was, meenden de jongens, dat ik
op de eene of andere wijze aan de uitdragerij verbonden was, omdat ik
daar met zooveel geduld en volharding, half gekleed, bleef zitten; zij
plaagden mij den geheelen dag en wierpen mij met steenen en slijk.

De oude kleerkooper deed vele pogingen om mij tot een ruilhandel te
bewegen, nu eens met een vischhengel of een viool, dan weder met een
driekanten steek of een fluit naar buiten komende. Ik wees echter al
deze aanbiedingen van de hand en bleef half wanhopend zitten, terwijl
ik hem telkens met tranen in de oogen smeekte, mij het geld voor mijn
buisje te geven. Eindelijk begon hij mij met halve stuivers te gelijk
te betalen en had twee uur noodig om het tot een shilling te brengen.

„O, mijn oogen, mijn leden!” riep hij toen, zijn afzichtelijk hoofd
buiten de deur stekend, „wilt gij heengaan voor twee stuivers?”

„Ik kan het niet doen,” zei ik. „Ik zal van honger omkomen.”

„O, mijn long en lever! Wilt gij dan voor drie stuivers heengaan?”

„Ik zou wel zonder meer geld willen heengaan, als ik kon,” zei ik,
„maar ik heb het geld zoo noodig.”

„O, goroe.... go—roe!”—het is niet mogelijk te beschrijven, hoe hij
dit tusschenwerpsel uit het diepst van zijn keel te voorschijn wrong,
terwijl hij mij om den deurpost bespiedde en niets vertoonde dan zijn
oud, walgelijk hoofd—„wilt gij voor vier stuivers heengaan?”

Ik was zoo moe en afgemat, dat ik met dit aanbod genoegen nam en, na
het geld uit zijn vuile hand genomen te hebben, heenging, hongeriger en
dorstiger dan ik ooit geweest ben.

Het was even voor zonsondergang. Ik besteedde drie stuivers voor mijn
avondbrood en voelde mij toen zoo verkwikt, dat ik dien avond nog zeven
mijlen aflegde. Mijn bed was weder een hooischelf, waarin ik heerlijk
sliep, na mijne voeten, die vol blaren waren, in een beek gewasschen en
met koele bladeren belegd te hebben. Toen ik den volgenden morgen mijn
tocht voortzette, zag ik, dat mijn weg tusschen uitgestrekte hopvelden
en boomgaarden doorliep. De herfst naderde reeds, zoodat de appels in
de boomgaarden rijp waren en mij schenen toe te lachen; op sommige
plaatsen waren de hopplukkers reeds aan het werk. Ik vond dit alles zoo
mooi, dat ik opgewekt voortwandelde en besloot den nacht tusschen de
hop door te brengen; want ik verbeeldde mij, dat die onafzienbare rijen
staken met de sierlijk daarom heengeslingerde ranken prettig gezelschap
voor mij moesten zijn.

Het aantal landloopers was bijzonder groot dien dag en zij vervulden
mij met een gevoel van angst, dat mij levendig is bijgebleven. Sommigen
hadden gemeene, brutale gezichten en namen mij van het hoofd tot de
voeten op, toen ik hen voorbij ging; eenigen bleven staan en riepen
mij terug, en als ik het dan op een loopen zette, wierpen zij mij met
steenen. Een van hen, een jonge man—een ketellapper, te oordeelen naar
zijn knapzak en een komfoor dat hij droeg—had eene vrouw bij zich; zij
keken mij beiden aan en toen ik reeds een eind weg was, riep hij mij
met zulk eene vervaarlijke stem terug dat ik bleef staan en angstig
rondkeek.

„Kom hier als ik je roep,” zeide hij, „of ik snij je den hals af.”

Ik meende het best te doen terug te keeren en toen ik bij hen was, keek
ik hen met een ootmoedigen blik aan, waarbij ik opmerkte, dat de vrouw
een blauw oog had.

„Waar gaat gij heen?” vroeg de ketellapper, terwijl hij mij met zijne
zwarte hand bij de borst greep.

„Naar Dover,” antwoordde ik.

„Waar komt gij vandaan?” vroeg hij weder, terwijl hij mijn hemd om
zijne hand draalde, om mij steviger vast te hebben.

„Van Londen,” antwoordde ik.

„Wat doet gij voor den kost.... zakkenrollen?”

„Ne....en.”

„Wat dan, voor den duivel? Als gij hier wilt pochen op je eerlijkheid,
sla ik je de hersens in,” hernam hij.

Hij maakte met de hand, die hij vrij had, eene dreigende beweging en
bekeek mij van het hoofd tot de voeten.

„Hebt gij geld bij je voor een pint bier?” vroeg hij. „Als gij 't hebt,
dan geef het op, of ik neem het zelf.”

Zonder twijfel zou ik het gegeven hebben, maar op dit oogenblik ving ik
een blik op van de vrouw, die bijna onmerkbaar het hoofd schudde en met
de lippen eene beweging maakte, alsof zij „neen” zeide.

„Ik ben heel arm,” zei ik met eene poging om te glimlachen, „ik heb
geen geld bij mij.”

„Wat... wat zegt gij daar?” riep de ketellapper en keek mij zoo
doordringend aan, dat ik vreesde, dat hij het geld in mijn zak zou zien.

„Mijnheer!” stamelde ik.

„Waarom draagt gij een halsdoek, die aan mijn broeder behoort?” vroeg
hij. „Geef hier!” In een oogenblik had hij mij den doek van den hals
getrokken, waarna hij dien aan zijne vrouw toewierp.

De vrouw barstte in een schaterlach uit, alsof zij meende dat het
maar eene grap was, en wierp de das naar mij terug; terwijl zij nog
eens knikte, even onmerkbaar als zoo even, en hare lippen het woord
„wegloopen” schenen uit te spreken. Eer ik echter hare waarschuwing kon
opvolgen, had de ketellapper mij de das met zooveel ruwe kracht uit de
hand getrokken, dat ik bijna omgetuimeld was en terwijl hij de das om
zijn eigen hals sloeg, keerde hij zich naar zijne vrouw en gaf haar een
vuistslag, die haar achterover deed vallen. Ik zal het nooit vergeten
zooals zij daar op den harden weg lag met loshangende haren—de muts
was haar van het hoofd gegleden;—toen ik, na te zijn weggeloopen zoo
hard ik kon, omkeek, zat zij op het verhoogde voetpad en veegde met
een punt van haar boezelaar het bloed van haar gelaat, terwijl de
ketellapper zijn weg vervolgde.

Ik was door deze ontmoeting zoo bang geworden, dat ik, als ik later
dergelijk volk zag aankomen, terugging tot ik ergens eene schuilplaats
vond, waar ik bleef zitten tot zij voorbij waren; en dit gebeurde
zoo vaak, dat ik daardoor aanmerkelijke vertraging ondervond. Bij al
deze hinderpalen, zoowel als op mijne gansche reis scheen ik echter
voortgeleid te worden door het beeld van mijne moeder, zooals zij er
in hare jeugd moest hebben uitgezien, voor ik ter wereld kwam. Het
stond mij altijd voor den geest. Ik zag het voor mij uitgaan, ik zag
het tusschen de hopranken, wanneer ik mij neerlegde om te slapen en
wanneer ik wakker werd. In mijne herinnering is het onafscheidelijk
van de zonnige straten van Canterbury, van de oude grijze huizen en
poorten, van de statige kathedraal en van de kraaien, die om de torens
zwierden. Toen ik eindelijk op de kale uitgestrekte duinvlakte bij
Dover kwam, verlevendigde het dit eentonig tooneel met blijde hoop, en
het verliet mij niet, eer ik het eerste doel van mijne reis bereikt had
en den voet in de stad zette. Maar toen ik daar met mijne verscheurde
schoenen, mijn stoffig, door de zon verbrand gelaat en bijna zonder
kleederen in de zoo vurig gewenschte plaats stond, scheen het, vreemd
genoeg, plotseling te verbleeken en mij hulpeloos en moedeloos aan mijn
lot over te laten.

Ik vroeg bij verscheidene schippers naar mijne tante en ontving
verschillende antwoorden. De een zeide, dat zij bij den lichttoren van
South Foreland woonde en dientengevolge haar baard geschroeid had;
een ander vertelde, dat zij lag vastgemeerd aan de groote boei buiten
de haven en alleen bij eb kon bezocht worden; een derde, dat zij te
Maidstone in de gevangenis zat wegens kinderdiefstal; een vierde, dat
men haar gedurende den laatsten storm op een bezemstok regelrecht naar
Calais had zien vliegen. De koetsiers, bij wie ik daarna inlichtingen
vroeg, waren even geestig en even oneerbiedig en de winkeliers, die mij
liever niet in hun winkel zagen, antwoordden, zonder op mijne vraag te
letten, dat zij niets gaven. Ik voelde mij ellendiger en wanhopender
dan ik mij ooit op mijn langen tocht gevoeld had. Mijn geld was op: ik
had niets meer om te verkoopen, had honger en dorst, was doodmoe en
scheen nog verder van het doel verwijderd dan toen ik te Londen was.

Intusschen was de geheele voormiddag voorbijgegaan met deze nasporingen
en ik zat op de stoep van een ledigen winkel dichtbij de markt te
overwegen of het niet wenschelijk was naar een van de andere plaatsen
te gaan, die genoemd waren, toen er een rijtuig aankwam, waarvan de
koetsier een paardedeken liet vallen. Toen ik die opraapte en aan hem
teruggaf, trof mij de goedhartige uitdrukking in zijn gelaat, waardoor
ik werd aangemoedigd hem te vragen of hij ook wist, waar juffrouw
Trotwood woonde; ik had die vraag al zoo dikwijls gedaan, dat ze mij
bijna op de lippen bestierf.

„Trotwood,” herhaalde hij. „Laat eens zien. Ik ken dien naam. Een oude
dame?”

„Ja,” zei ik, „tamelijk.”

„Een weinig stijf in den rug?” vroeg hij zich oprichtende.

„Ja,” zei ik, „dat geloof ik wel.”

„Draagt zij een tasch bij zich?” vroeg hij weder—„eene vrij groote
tasch?..... zij is niet gemakkelijk en brommig.....”

Het hart bonsde mij in de keel, want de juistheid van zijne
beschrijving kon mij niet langer doen twijfelen.

„Welnu dan,” zei hij, „luister goed: Ga dien kant uit”—hij wees met
zijn zweep naar de hoogten in de richting van het Zuiden—„en loop
rechtuit tot gij aan eenige huizen komt, dichtbij het strand; daar
zult gij wel van haar hooren. Ik vermoed echter, dat zij u niets geven
zal—hier hebt gij een stuiver.”

Ik nam deze gift dankbaar aan en kocht er een broodje voor, dat ik, al
voortwandelend in de richting, die de goede man mij had aangewezen,
opat. Ik legde een vrij grooten afstand af, eer ik de door hem bedoelde
huizen bereikte, maar eindelijk vond ik ze, ging een klein winkeltje
binnen—wij zouden het in Londen een komenijswinkel genoemd hebben—en
vroeg of iemand de goedheid wilde hebben mij te zeggen, waar juffrouw
Trotwood woonde. Ik deed deze vraag aan een man, die achter de
toonbank stond en bezig was rijst af te wegen voor een dienstmeisje;
laatstgenoemde scheen deze vraag als tot haar zelve gericht te
beschouwen, keerde zich haastig om en zei: „Mijn juffrouw; wat moet
gij van mijn juffrouw hebben, jongetje?”

„Ik moet haar spreken,” antwoordde ik. „Wilt gij mij wijzen, waar zij
woont?”

„Om te bedelen, natuurlijk,” hernam zij.

„Neen,” antwoordde ik, „waarlijk niet.” Plotseling echter bedacht ik
mij, dat ik eigenlijk met geen ander doel hierheen was gegaan en ik
zweeg met een blos van verlegenheid op de wangen.

De dienstmaagd van mijne tante—uit hetgeen zij gezegd had maakte ik
op dat zij dat was—nam haar mandje van de toonbank en verliet den
winkel, zeggende dat ik haar maar volgen moest, als ik wilde weten
waar juffrouw Trotwood woonde. Ik had geen tweede aanmoediging noodig,
hoewel ik op dat oogenblik zoo zenuwachtig en angstig was, dat mijne
knieën knikten. Ik volgde het meisje en wij kwamen al heel spoedig aan
een klein, net huisje met een balconnetje en naar buiten openslaande
vensters, die op een vierkant pleintje uitkwamen, dat zorgvuldig
onderhouden was, terwijl de bloemengeur mij reeds van verre tegemoet
kwam.

„Hier woont juffrouw Trotwood,” zei het meisje. „Nu weet gij het;
verder bemoei ik er mij niet mede.” Met deze woorden haastte zij zich
om in huis te komen, alsof zij alle verantwoordelijkheid voor mijn
bezoek van zich wilde afschuiven, en liet mij aan het tuinhek staan,
van waar ik juist het venster van de huiskamer kon zien. Er hingen
neteldoeksche gordijntjes voor, die in het midden een weinig waren
weggeschoven; op de vensterbank stond een groote, ronde, groene waaier;
verder ontdekte ik eene groote, ronde tafel en een leunstoel, waarin ik
mij mijne tante op dat oogenblik voorstelde, ontzagwekkender en stijver
dan ooit.

Mijne schoenen verkeerden in een betreurenswaardigen toestand. De
zolen waren er bij stukken en brokken afgevallen en het bovenleder was
gescheurd en gebarsten; de geheele vorm van de schoenen was verloren
gegaan. Mijn hoed, die mij tevens tot slaapmuts had gediend, was zoo
gedeukt en ingedrukt, dat zelfs een ineengetrapt sauspannetje zonder
handvat zich niet had behoeven te schamen om er op de mestvaalt naast
te liggen. Mijn broek en mijn hemd waren zoo gescheurd en zoo vol
vlekken ten gevolge van het zweeten en van het slapen op den Kentschen
kleigrond, dat ze alleen nog konden dienen om er een vogelverschrikker
mede aan te kleeden. Mijne haren hadden kam noch borstel gevoeld sinds
ik uit Londen wegliep. Mijn gezicht en mijn hals waren evenals mijne
handen verbrand, weinig gewend als ze waren, om gedurende zoo langen
tijd aan de lucht en de zonnewarmte te zijn blootgesteld. Ik was van
het hoofd tot de voeten bestoven, alsof ik zoo even uit een kalkoven
gekomen was. In zulk een toilet en bewust van den verwaarloosden
toestand, waarin ik verkeerde, wachtte ik het oogenblik af, waarop
ik mij aan mijne alom gevreesde tante zou voorstellen.

De onafgebroken stilte achter het venster van de zijkamer deed het
vermoeden in mij opkomen, dat mijne tante daar niet zat; ik vestigde
daarom mijne oogen op het bovenraam, waarachter ik een welgedaan
heertje opmerkte met een vergenoegd gezicht en grijs haar. Hij scheen
mij reeds eenigen tijd te hebben gadegeslagen en kneep nu en dan
op snaaksche wijze één oog dicht, knikte mij goeden dag, schudde
het hoofd, lachte en verdween. Ik had lang genoeg met angst aan de
ontvangst gedacht, maar door deze zonderlinge handelwijze was ik
geheel uit het veld geslagen en op het punt om weg te sluipen en te
overdenken, wat mij nu te doen stond, toen ik plotseling een statige
dame uit de deur zag komen, met den zakdoek over de muts geknoopt en
een paar tuinhandschoenen aan, een tuinschort voor en een groot mes in
de hand.

Dat _moest_ tante Betsey zijn, want zij stapte juist zoo het huis uit
als zij volgens de beschrijving van mijne arme moeder den tuin te
Blunderstone was komen binnenstappen.

„Ga heen!” sprak zij, hoofdschuddend en een gat in de lucht slaande met
haar mes. „Ga heen! Ik wil geen jongens in mijn tuin hebben!”

Het hart klopte mij in de keel, terwijl ik haar nakeek; zij begaf zich
naar een hoekje van den tuin om een wortel of iets dergelijks uit te
graven; zonder een greintje moed, louter uit wanhoop naderde ik haar en
raakte haar even met den vinger aan.

„Als 't u blieft, mevrouw,” begon ik. Zij ontstelde en keek op.

„Als 't u blieft, tante.”

„Hè?!” riep zij op een toon van verbazing, zooals ik nooit door iemand
anders heb hooren uiten.

„Als 't u blieft, tante, ik ben uw neef.”

„Groote goedheid!” riep zij en in het volgend oogenblik zat zij plat op
den grond.

„Ik ben David Copperfield uit Blunderstone in Suffolk...... gij zijt
daar geweest op den avond, toen ik geboren ben, en hebt toen mijne
lieve moeder gezien. Ik ben heel erg ongelukkig geweest, nadat zij
gestorven is. Ik ben verwaarloosd en heb niets geleerd; ik moest mijn
eigen brood verdienen en werk doen, dat mij niet paste. Daarom ben ik
weggeloopen. Eer ik aan het diligencekantoor was, ben ik bestolen en nu
heb ik den geheelen weg te voet afgelegd en geen enkelen nacht in een
bed geslapen, zoolang de tocht heeft geduurd.”

Nu was het echter gedaan met mijne standvastigheid en volharding; ik
maakte nog eene beweging met mijne handen, om haar te wijzen op mijn
verwaarloosden toestand en dezen te hulp te roepen om te getuigen,
hoeveel ik had moeten doorstaan, en barstte toen in tranen uit. Ik had
ze immers eene week lang moeten inhouden!

Mijne tante, op wier gelaat geen andere uitdrukking dan verbazing te
lezen was, bleef mij, op den grond zittende, aanstaren tot ik begon te
schreien; toen stond zij haastig op, nam mij bij den kraag van mijn
hemd en trok mij met zich voort naar de zijkamer. Haar eerste werk was
eene kast te openen, er eenige flesschen uit te voorschijn te halen en
mij uit elke flesch iets in den mond te gieten. Ik vermoed, dat zij
er maar blindelings eenige had weggepakt, want ik weet zeker, dat ik
anisette, ansjovissaus en sla-nat proefde.

Toen zij mij deze hartversterking had toegediend en ik nog altijd
zenuwachtig bleef snikken, liet zij mij op de sofa plaats nemen met
een omslagdoek onder mijn hoofd en haar eigen zakdoek onder mijne
voeten, uit vrees, dat ik het overtrek vuil zou maken; daarna ging zij
zelve achter den grooten, groenen waaier zitten, waarvan ik straks
reeds gesproken heb, zoodat ik haar gezicht niet kon zien, maar haar
met gelijkmatige tusschenpoozen hoorde zeggen: „Genadige Hemel!” op de
wijze van noodschoten, die om de minuut gelost worden.

Toen zij zoo eenigen tijd had gezeten, trok zij aan de schel. „Janet,”
sprak zij, toen het dienstmeisje binnenkwam, „ga eens naar boven en zeg
aan mijnheer Dick, dat ik hem gaarne eens zou willen spreken.”

Janet keek niet weinig verbaasd, toen zij mij daar op de sofa zag
liggen—ik durfde mij niet bewegen uit vrees van mijne tante te zullen
storen in hare overpeinzingen—maar ging toch terstond hare boodschap
doen. Intusschen wandelde mijne tante met de handen op den rug de kamer
op en neer, tot de heer, dien ik in het raam van de bovenkamer had
gezien, lachend de kamer binnenkwam.

„Mijnheer Dick,” zei mijne tante, „doe nu niet, alsof gij niet goed
bij uw verstand waart, want niemand kan zoo verstandig zijn als gij.
Dat weten wij allen. Als gij maar wilt. Wees dus eens heel verstandig
vandaag.”

De kleine, welgedane man begon terstond heel ernstig te kijken en wierp
mij een blik toe, alsof hij mij wilde vragen niets te vertellen van de
gezichten, die hij achter het venster getrokken had.

„Mijnheer Dick,” vervolgde mijne tante, „gij hebt mij wel eens hooren
spreken over David Copperfield? Doe nu maar niet, alsof uw geheugen op
den loop is, want dat weet ik wel beter.”

„David Copperfield?” herhaalde mijnheer Dick, die op mij den indruk
maakte, dat hij er zich niets van herinnerde. „David Copperfield? O,
ja, zeker, David, jawel.”

„Welnu,” vervolgde tante, „ziedaar zijn.... zoon. Hij zou op zijn
vader gelijken, zooals nooit iemand op zijn vader geleken heeft, als
hij ook niet op zijne moeder leek.”

„Zijn zoon?” vroeg mijnheer Dick. „David's zoon? Waarlijk?”

„Ja,” vervolgde tante, „en hij heeft een fraai stukje uitgehaald. Hij
is weggeloopen. Och, och! Zijne zuster, Betsey Trotwood, zou nooit zijn
weggeloopen.” Mijne tante schudde het hoofd, vol vertrouwen op het
karakter en de braafheid van het meisje, dat nooit geboren was.

„Zoo, denkt gij, dat zij nooit zou zijn weggeloopen?” vroeg mijnheer
Dick.

„De Hemel beware dien man!” riep tante op bitsen toon. „Wat praat hij
toch! Weet ik dan niet, dat zij het nooit gedaan zou hebben? Zij zou
bij hare pleegmoeder gewoond hebben en wij zouden voor elkaar geleefd
hebben. Van wie zou zijn zusje Betsey Trotwood zijn weggeloopen en
waarheen zou zij zijn gegaan!”

„Van niemand! Nergens heen!” antwoordde mijnheer Dick.

„Welnu dan,” hernam tante, wat zachter gestemd door dit antwoord, „hoe
kunt gij nu beweren, dat er een bij u op den loop is, terwijl gij zoo
scherp kunt zijn als een lancet? Welnu, hier ziet gij voor u den jongen
David Copperfield en nu vraag ik u, wat ik met hem moet aanvangen?”

„Wat gij met hem zult aanvangen?” herhaalde mijnheer Dick bijna
onhoorbaar en zijn hoofd krabbende. „Juist, met hem aanvangen?”

„Ja,” zei mijne tante, hoogst ernstig en met den wijsvinger in de
hoogte. „Kom, geef mij nu eens een heel verstandigen raad.”

„Wel, als ik u was,” zei mijnheer Dick, nadenkend en mij wezenloos
aanstarende, „zou ik”.... het scheen, dat hij door mij aan te kijken
een inval kreeg, want plotseling voegde hij er op haastigen toon bij:
„ik zou hem wasschen!”

„Janet,” zei mijne tante, met een zegevierenden blik rondkijkende,
waarvan ik op dit oogenblik de beteekenis nog niet begreep. „Janet,
mijnheer Dick heeft het weer bij het rechte eind. Steek de badkachel
aan.”

Terwijl dit voor mij zoo uiterst belangrijke gesprek plaats had, kon
ik niet nalaten mijne tante, mijnheer Dick en Janet eens goed aan te
kijken en mijne oogen eens door de kamer te laten rondgaan. Mijne tante
was lang en slank; had forsche gelaatstrekken, doch kon volstrekt niet
leelijk genoemd worden. Er was iets onverzettelijks in de uitdrukking
van haar gelaat, in hare stem, iets onbuigzaams in hare houding en haar
gang, iets dat voldoende den indruk verklaarde, dien zij op zulk een
teeder schepseltje, als mijne moeder, gemaakt had; hare gelaatstrekken
waren echter eerder mooi dan leelijk, al sprak haar gelaat ook van
gestrengheid en onverstoorbare kalmte. Ik merkte ook op dat zij groote,
levendige oogen had, waarin eene verstandige uitdrukking lag. Hare
grijze haren waren in het midden gescheiden en gingen schuil onder eene
muts, die men een nachtmuts zou hebben kunnen noemen; eene muts, zooals
men in dien tijd veel meer zag dragen dan tegenwoordig, voorzien van
zijstukken, die onder de kin werden vastgeknoopt. Hare japon had de
kleur van lavendel en zat onberispelijk, al was die zoo krap mogelijk
geknipt; blijkbaar verlangde zij zoo weinig mogelijk stof op hare
rekening te zien. Ik herinner mij zeer goed, dat de japon den indruk op
mij maakte van een rijkleed, waarvan de sleep, als geheel overtollig,
was afgeknipt. Zij droeg een gouden heerenhorloge, zooals ik uit den
vorm en de grootte meende te moeten opmaken, benevens een zwaren gouden
ketting en cachetten; haar hals was omsloten door een kraagje, dat op
den kraag van een manshemd geleek en de polsen door dingen, die mij aan
datzelfde kleedingstuk deden denken.

Mijnheer Dick had, zooals ik reeds zeide, grijs haar en een blozend
uiterlijk; ik zou hiermede alles van hem gezegd hebben, ware zijn hoofd
niet op zonderlinge wijze gebogen geweest. Het was volstrekt niet uit
ouderdom zoo gebogen, doch herinnerde mij aan het hoofd van een der
jongens op de kostschool, wanneer mijnheer Creakle zijn stok ophief om
hem te slaan. Hadden zijne groote, grijze oogen niet zoo uit zijn hoofd
gepuild en mij ten gevolge van de waterachtige uitdrukking, in verband
met zijne onderdanige houding tegenover mijne tante en met zijne
blijdschap, wanneer deze hem prees, niet al doen vermoeden, dat hij
niet goed bij zijn verstand was, het verbaasde mij toch zeer, dat hij
werkelijk niet goed wijs zijnde, bij mijne tante in huis was. Hij was
gekleed, zooals ieder fatsoenlijk man gekleed was, in een loshangende
grijze ochtendjas, een vest van dezelfde kleur en witte broek, had
een horloge in zijn vestzak en geld in zijne broekzakken. Op dit
geld scheen hij bijzonder trotsch te zijn, want hij liet het telkens
rammelen.

Janet was een knap, frisch, jong meisje, negentien of twintig jaar oud
en een voorbeeld van netheid. Ik was niet in de gelegenheid om mijne
opmerkingen omtrent haar voort te zetten; alleen wil ik hier nog iets
vermelden, dat ik pas later ontdekte, namelijk, dat zij een van de vele
beschermelingen was, die mijne tante in haar dienst had genomen om ze
op te voeden in algeheele verzaking van het mannelijk geslacht en—die
gewoonlijk hare moeite beloonden door met den bakker of den slager te
trouwen.

De kamer was even keurig netjes als Janet en mijne tante. Wanneer ik
later mijne pen eens neerlegde om mij de huiskamer mijner tante in
het geheugen te roepen, kwam mij dezelfde frissche zeelucht, vermengd
met de geuren van honderde bloemen weder te gemoet; dan zag ik weder
de ouderwetsche, spiegelglad geboende meubels, den „bijna heiligen”
stoel van mijne tante en haar tafeltje bij den groenen, ronden waaier
op de vensterbank, het effen grijze tapijt, de kat, de theestoof, de
twee kanaries, het oude porselein, de punch-bowl, gevuld met gedroogde
rozenbladeren, de groote kast met flesschen en potten van allerlei
soort en wonderlijk afstekend bij dit alles, mij zelven, zoo vuil
en bestoven als ik was, op de sofa liggende, alles en allen met de
grootste aandacht bekijkende.

Janet was heengegaan om het bad gereed te maken, toen mijne tante, tot
mijn grooten schrik plotseling bleek van verontwaardiging opstond en
nauwelijks in staat was om te roepen: „Janet, Janet! Ezels!” Hierop
stormde Janet de trap af met een haast, alsof het huis in lichterlaaie
stond, en snelde naar buiten, naar een klein grasveld vóór het huis,
ten einde twee ezels van daar te verdrijven, die, door een paar jonge
meisjes bereden, het waagden hunne hoeven daarop te zetten; terwijl
mijne tante eveneens het huis uitstormde, een derden ezel, die een kind
op zijn rug droeg, bij den teugel nam, omdraaide en van de geheiligde
plek verwijderde, tegelijkertijd den ongelukkigen dreumis, die het
gewaagd had met zijn ezels dit verboden terrein te betreden, eenige
oorvijgen toedienende.

Tot op dit uur weet ik nog niet welk recht mijne tante kon laten gelden
op dit grasveldje maar zij had zich nu eenmaal in het hoofd gezet,
dat zij er recht op had en dat was voor haar genoeg. De grootste
beleediging, die men haar kon aandoen en die altijd wraak eischte, was,
dat een ezel dit gewijde plekje betrad. Waarmede zij ook bezig was,
hoeveel belang haar een gesprek, waarin zij deelde, ook inboezemde, de
verschijning van een ezel gaf terstond eene andere, wending aan hare
gedachten en onmiddellijk stormde zij er op los. Kannen en gieters vol
water werden op verborgen plaatsen gereed gehouden om op de schuldige
jongens te worden uitgestort; achter de deur lagen stokken gereed
om hen af te rossen; op alle uren van den dag keerden dergelijke
uitvallen terug, zoodat men eigenlijk voortdurend in oorlogstoestand
verkeerde. Waarschijnlijk was dit een pretje voor de ezeljongens,
tenzij de schrandersten onder de ezels, begrijpende, hoe de zaken
stonden, met de hun aangeboren halsstarrigheid dezen weg bij voorkeur
insloegen. Ik weet alleen, dat er drie malen alarm werd geroepen, eer
het bad gereed was en ik bij den laatsten en wanhopigsten uitval, mijne
tante handgemeen zag met een vlasharigen jongen van ongeveer vijftien
jaar en zij zijn vlaskop eenige malen met haar eigen tuinhek moest
laten kennismaken, eer hij goed begreep wat zij eigenlijk van hem
wilde. Deze tusschenbedrijven kwamen mij te vermakelijker voor, omdat
mijne tante bezig was mij bouillon te voeren met een paplepel—zij was
vast overtuigd, dat ik op het punt was om van honger om te komen en
achtte het daarom noodig mij slechts kleine hoeveelheden te gelijk te
geven—en zij eenmaal, op het oogenblik, dat ik den mond geopend had
om te happen, den lepel in de kom wierp en roepende: „Janet! Janet!
Ezels!” tot den aanval overging.

Het bad was heerlijk. Ik begon hevige pijn in al mijne leden te
voelen tengevolge van het slapen in de open lucht en op den harden
grond en was nu zoo afgemat en zoo zwak, dat ik mijne oogen geen vijf
minuten achtereen kon openhouden. Toen ik met het bad gereed was,
voorzagen zij—ik bedoel tante en Janet—mij van een hemd en een broek
van mijnheer Dick, en wikkelden mij daarna in twee of drie groote
omslagdoeken; waarop ik, zoo ingepakt, geleken heb, kan ik niet zeggen,
maar ik werd zoo warm, alsof ik gestoofd werd en aangezien mijne
loomheid daardoor nog vermeerderde, lag ik spoedig weder op de sofa en
viel in een rustigen slaap.

Mogelijk is het een droom geweest, voortspruitende uit hetgeen mij al
deze dagen had bezig gehouden, maar ik ontwaakte in de verbeelding,
dat mijne tante zich over mij gebogen, mij het haar uit het gelaat
gestreken en mijn hoofd wat gemakkelijker gelegd had en nu voor mij
stond.

De woorden, „aardige jongen” of „arme jongen”, klonken mij nog in de
ooren; overigens was er niets, waaruit ik kon opmaken, dat ze door
mijne tante waren uitgesproken, die achter haar groenen waaier naar de
zee zat te kijken, toen ik wakker werd. Ik bemerkte nu, dat deze waaier
op een soort krukje stond en naar goedvinden kon gedraaid worden.

Spoedig, nadat ik wakker was geworden, gebruikten wij het middagmaal,
dat uit een gebraden hoentje en een podding bestond; ik zat aan tafel,
zelf veel gelijkende op een opgemaakten vogel, en kon mijne armen bijna
niet bewegen. Aangezien tante zelve mij zoo had ingebakerd, durfde ik
er mij niet over beklagen. Ik was vreeselijk nieuwsgierig te weten, wat
zij met mij voor had maar zij at zwijgend voort, behalve wanneer zij
mij nu en dan van ter zijde aankeek en zei: „Groote goedheid! Hoe is 't
toch mogelijk!” waardoor ik echter niet veel wijzer werd.

Toen de tafel was afgenomen en er eene flesch sherry gereed was
gezet—ik kreeg ook een glas—liet mijne tante mijnheer Dick verzoeken
beneden te komen en mede aan te zitten. Hij keek zoo verstandig als hem
mogelijk was, toen tante hem uitnoodigde, naar mijne geschiedenis te
luisteren, die zij mij door een reeks van vragen van #a# tot #z# liet
vertellen.

Gedurende mijn verhaal hield zij de oogen voortdurend gevestigd op
mijnheer Dick, die, naar het mij voorkwam anders in slaap zou zijn
gevallen en telkens, wanneer er een glimlach om zijn mond dreigde
te komen, door een bestraffenden blik van mijne tante hiervan werd
teruggehouden.

„Wat mag dat ongelukkige kind toch bewogen hebben, om voor de tweede
maal te trouwen!” zei tante, toen ik aan het einde was, „ik kan het
mij niet begrijpen.”

„Misschien was zij verliefd op haar tweeden man,” sprak mijnheer Dick
als zijn vermoeden uit.

„Verliefd!” herhaalde tante. „Wat bedoelt gij daarmede? Waarom zou zij
verliefd zijn geweest?”

„Misschien,” antwoordde mijnheer Dick met een gemaakt lachje, na even
te hebben nagedacht, „misschien vond zij het prettig verliefd te zijn.”

„Prettig! Nu nog mooier!” hernam tante. „Het is nog al een pretje
voor zoo'n kind, om haar vertrouwen te schenken aan zulk een ruwen
kerel, die haar zeker mishandeld heeft. Ik zou toch wel eens willen
weten wat zij zich heeft voorgesteld? Zij had immers een man gehad.
Zij had David Copperfield, die altijd op zulke wassen popjes verliefd
was, naar de andere wereld zien gaan; zij had een kind—o, daar waren
dien Vrijdagavond, toen deze jongen geboren werd, twee kinderen bij
elkaar!—wat wilde zij dan toch?”

Mijnheer Dick schudde heimelijk het hoofd tegen mij, alsof hij meende,
dat niemand daarop een antwoord geven kon.

„Zij kon niet eens een kind krijgen zooals ieder ander,” zei mijne
tante. „Waar is de zuster van dezen jongen? Waar is Betsey Trotwood?
Achterwege gebleven! Vertel mij toch niets!”

Mijnheer Dick scheen het benauwd te krijgen.

„En dat doktertje met het hoofd op zij,” vervolgde tante, „dat
kereltje, Chellips of hoe hij heeten mocht, wat kon _die_? Alles wat
hij kon was mij te zeggen, op een toon of een roodborstje het floot:
het is.... het is een jongen! Een jongen! Ba, hij was even dom als die
heele troep!”

Zij was zoo driftig, terwijl zij dit uitriep, dat mijnheer Dick er van
schrikte en, om de waarheid te zeggen, ik ook.

„En toen, alsof het nog niet genoeg was, dat zij de zuster van
dezen jongen, Betsey Trotwood, onrecht had aangedaan,” vervolgde
mijne tante, „trouwt zij voor de tweede maal.... trouwt met een
moordenaar—de naam had tenminste iets daarvan—en doet _dit_ kind weer
onrecht aan. En het natuurlijk gevolg, dat iedereen, die geen kind meer
was, had kunnen voorzien, was, dat het de wijde wereld werd ingejaagd
en als een vagebond moet rondzwerven. Hij lijkt sprekend op Kaïn,
zooals deze er in zijne jeugd moet hebben uitgezien.”

Mijnheer Dick keek mij onderzoekend aan, alsof hij het Kaïnteeken zocht.

„En dan was daar nog die vrouw met dien heidenschen naam, die Peggotty,
en dat mensch gaat me waarlijk ook al trouwen! Zij had zeker nog
niet gezien, hoevelen haar ongeluk te gemoet gaan. Daar gaat zij me
ook al trouwen, zooals de jongen vertelt! Ik hoop maar,” ging zij
hoofdschuddend voort, „dat zij een man heeft gekregen, die haar flink
afrost; de kranten zijn vol van dergelijke huwelijken.”

Ik kon het niet goed aanhooren, dat men zoo over mijne oude kindermeid
sprak en dat iemand haar zoo iets toewenschte. „Die Peggotty was de
beste, de trouwste, de eerlijkste, de ontbaatzuchtigste dienstbode en
vriendin van de wereld,” vertelde ik aan mijne tante. „Zij heeft mij
altijd even hartelijk liefgehad, zij heeft ook mijne moeder altijd
hartelijk liefgehad; in hare armen is mijne moeder gestorven en op
hare wangen heeft mijne moeder den laatsten dankbaren kus gedrukt.”
De herinnering aan beiden ontroerde mij zoo hevig, dat de woorden
mij in de keel bleven steken, toen ik trachten wilde te zeggen, dat
Peggotty's huis altijd voor mij open stond, dat ik bij haar een
onderkomen zou gezocht hebben, als zij niet tot een anderen stand had
behoord, waardoor ik vreesde haar overlast te zullen aandoen—ik kon
niet voortgaan, zooals ik zeg, toen ik dit wilde vertellen en bedekte
mijn gezicht met beide handen.

„Nu, ja,” zei tante, „het kind heeft gelijk, dat het geen kwaad
toewenscht... Janet, Janet! Ezels!”

Ik ben er bijna van overtuigd, dat wij het zonder die ongelukkige ezels
wel eens zouden zijn geworden, want tante had de hand op mijn schouder
gelegd en, daardoor aangemoedigd, was ik op het punt om de armen om
haar hals te slaan en hare bescherming in te roepen. Maar de stoornis
en de zenuwachtigheid, tengevolge van het gevecht met de ezeljongens,
joegen alle zachtere gewaarwordingen op de vlucht; toen zij in de kamer
terugkeerde, gaf zij aan hare verontwaardiging lucht en zei, dat zij de
bescherming zou inroepen van de wetten des lands en alle ezelhouders te
Dover in rechten zou betrekken—en daarover sprak zij voort tot de thee
werd binnengebracht.

Gedurende de thee zaten wij bij het raam—te oordeelen naar tante's
strak gezicht zat zij voortdurend op den uitkijk naar de langooren—tot
het donker werd en Janet kaarsen en een trictracbord gereed zette en de
gordijnen neerliet.

„Nu, mijnheer Dick,” begon mijne tante met dezelfde ernstige
uitdrukking op het gelaat en haar wijsvinger in de hoogte evenals 's
middags, „ik wil u eene andere vraag doen. Kijk dezen jongen eens aan.”

„David's zoon?” vroeg mijnheer Dick met een aandachtig, doch benauwd
gezicht.

„Juist,” antwoordde tante. „Wat zoudt gij nu met hem doen?”

„Met David's zoon?”

„Ja, ja, met David's zoon.”

„O, ja, wat ik doen zou? Ik zou hem naar bed sturen.”

„Janet!” riep tante met denzelfden vergenoegden, zegevierenden blik als
ik reeds eerder had opgemerkt. „Mijnheer Dick heeft 't weer bij het
rechte eind. Als het bed gereed is, zullen wij hem er in leggen.”

Janet antwoordde dat boven alles gereed was, en dus werd ik naar boven
gebracht; met de meeste welwillendheid, maar toch eenigszins als een
gevangene: mijne tante ging vooruit en Janet kwam achter mij aan. De
eenige omstandigheid, die mijne hoop een weinig verlevendigde, was
dat tante plotseling op de trap bleef staan om te vragen, van waar de
brandlucht kwam, die zij rook; waarop Janet antwoordde, dat zij tonder
gemaakt had van mijn oude hemd. In mijne kamer vond ik echter geen
andere kleederen, dan de wonderlijke verzameling, die ik aan mijn lijf
had, en toen ik alleen op mijn kamer stond met een klein kaarsje, dat
volgens de waarschuwing van mijne tante ongeveer vijf minuten branden
zou, hoorde ik, dat mijne deur aan de buitenzijde werd afgesloten. Toen
ik hierover nadacht, begon ik plotseling in te zien, dat tante, die mij
volstrekt niet kende, wellicht vermoedde dat wegloopen een gewoonte van
mij was en daarom de noodige voorzorgen nam.

Het was een vroolijk kamertje boven in het huis met het uitzicht op de
zee, die door de maan schitterend werd verlicht. Nadat ik mijn gebedje
had opgezegd en de kaars was uitgebrand, bleef ik naar het maanlicht op
het water zitten kijken—ik herinner mij dat zeer goed—als hoopte ik
mijne toekomst daarin te kunnen lezen of mijne moeder met haar kindje
uit den hemel te zullen zien neerdalen langs dat blinkende pad, om mij
aan te zien, zooals zij gedaan had, toen ik den laatsten keer van haar
wegreed. Ik herinner mij met welk een plechtig gevoel ik eindelijk de
oogen afwendde en hoe dankbaar ik gestemd was, toen ik daar dat bed
zag staan met de helderwitte gordijnen en hoe sterk dat gevoel werd,
toen ik mij heerlijk innestelde tusschen de zachte kussens! Ik herinner
mij nog, hoe ik dacht aan al de eenzame plekjes onder den nachtelijken
hemel, waar ik geslapen had en hoe ik God bad, dat ik toch nimmer meer
zonder dak mocht wezen en nooit de armen zou vergeten, wien hetzelfde
lot te beurt viel, dat mij getroffen had. Ik herinner mij ook nog, hoe
ik toen langs dat zacht glanzende pad over de zee het land der droomen
scheen binnen te zweven.



XIV.

Mijne tante neemt een besluit te mijnen opzichte.


Toen ik den volgenden morgen beneden kwam, vond ik tante met de hand
onder het hoofd zoo diep in gepeins verzonken aan de ontbijttafel
zitten, dat de inhoud van den waterketel het geheele servet overstroomd
zou hebben, als ik haar niet in hare overpeinzingen was komen storen.
Ik wist bijna zeker, dat ik het onderwerp daarvan geweest was en was
nieuwsgieriger dan ooit naar de plannen, die zij met mij had. Ik mocht
mijne nieuwsgierigheid echter niet doen blijken, wilde ik hare stemming
niet bederven. Mijne oogen, die ik niet zoo in bedwang had als mijne
tong, dwaalden echter gedurende het ontbijt meermalen naar haar toe.

Ik kon haar geen twee seconden achtereen aankijken, of ik zag dat
zij ook naar mij keek; zij deed dit met eene zonderlinge, peinzende
uitdrukking in hare oogen, alsof ik heel ver af was in plaats van aan
het kleine tafeltje tegenover haar. Toen zij met haar ontbijt gereed
was, ging tante heel gemakkelijk in haar grooten stoel zitten, trok de
wenkbrauwen samen, sloeg de armen over elkander en bekeek mij op haar
gemak en zoo aandachtig, dat ik er verlegen onder werd. Ik trachtte
mijne verlegenheid te verbergen door voort te gaan met mijn ontbijt,
maar mijn mes wipte over mijn vork en mijn vork sprong weer over het
mes heen; de stukjes spek, die ik afsneed, maakten luchtsprongen
in plaats van in mijn mond terecht te komen; ik verslikte mij in
mijn thee, die met geweld het verkeerde keelgat in wilde, en gaf het
eindelijk op, waarna ik, blozend onder den uitvorschenden blik van
mijne tante, stil bleef zitten.

„Heila!” riep zij, na mij langen, langen tijd zoo te hebben aangestaard.

Ik keek op, maar bleef eerbiedig zwijgen.

„Ik heb hem geschreven,” sprak zij.

„Aan wien!”

„Aan uw stiefvader”, antwoordde tante. „Ik heb hem een brief
geschreven, dien hij mij beantwoorden zal, of hij krijgt met mij te
doen, daar kan hij op rekenen.”

„Weet hij dan nu waar ik ben, tante?” vroeg ik angstig.

„Ik heb het hem geschreven,” antwoordde zij met een hoofdknik.

„Moet .... ik .... dan weer ... naar hem .... terug?” vroeg ik
stotterend.

„Dat weet ik niet. Wij zullen zien?”

„O, ik weet niet wat ik doen zal,” riep ik uit, „als ik weer naar
mijnheer Murdstone terug moet.”

„Ik weet er nog niets van,” sprak tante, het hoofd schuddend. „Ik kan
er nog niets van zeggen. Wij zullen zien.”

Deze woorden deden mij het hart in de schoenen zinken. Zonder aan mijne
neerslachtigheid veel aandacht te schenken, stond tante op, deed een
keukenschort voor, die zij uit de kast nam, waschte eigenhandig het
theegoed af en toen alles weder schoon op het blad gezet was, vouwde
zij het servet op, legde het er over heen en belde Janet om het weg te
zetten. Daarna veegde zij alle kruimeltjes op met een bezempje,—na
eerst handschoenen aangetrokken te hebben—totdat er zelfs met een
microscoop geen enkel meer op het karpet te ontdekken was; vervolgens
werd overal het stof afgenomen en alles in de kamer opnieuw geschikt,
niettegenstaande er geen stofje te ontdekken was en alles keurig op
zijne plaats stond. Toen deze taak naar haar genoegen was afgeloopen,
deed zij het schortje af, trok de handschoenen uit, legde ze in
hetzelfde hoekje, waar zij ze vandaan had gehaald, zette haar naaidoos
op haar eigen tafeltje en begon, door den groenen waaier tegen het
scherpe zonlicht beschermd, te naaien.

„Gij moest eens naar boven gaan,” sprak zij, een draad instekend, „en
uit mijn naam aan mijnheer Dick zeggen, dat ik verlangend ben te weten,
hoe ver hij met zijne Memorie gevorderd is.”

Ik stond blijmoedig op ten einde mij van deze opdracht te kwijten.

„Gij zult den naam van mijnheer Dick wel erg kort vinden, nietwaar?”
vroeg tante, terwijl zij mij even oplettend aankeek, als zij den naald
gedaan had.

„Gisteren vond ik het een bijzonder korten naam,” bekende ik.

„Gij moet niet denken, dat hij geen langeren naam heeft; als hij dien
maar wilde gebruiken,” zei tante met zekeren hoogmoed. „Babley....
Mijnheer Richard Babley is zijn waren naam.”

Ik wilde met de bescheidenheid, die aan mijn jeugdigen leeftijd paste,
en onder den indruk dat ik mij, zooals thans bleek, reeds aan al te
groote familiariteit had schuldig gemaakt, in overweging geven of het
niet beter was hem met zijn waren naam aan te spreken, toen tante zei:
„Noem hem toch nooit bij dien langen naam. Hij kan dien niet uitstaan.
Dat is een van zijne eigenaardigheden. Vreemd kan ik het echter niet
vinden, want hij is slecht genoeg behandeld door menschen, die dezen
naam dragen, om er een afschuwelijken hekel aan te hebben—dat weet de
Hemel. Hier is zijn naam: mijnheer Dick; en overal elders... als hij
ooit nog eens elders heengaat, dat ik niet geloof. Zorg dus, mijn kind,
dat gij hem nooit anders noemt dan mijnheer Dick.”

Ik beloofde het en ging naar boven om mijne boodschap over te brengen,
denkende, dat als mijnheer Dick altijd zoo hard zat te werken, als ik
hem nu door de deur, die openstond, bezig zag, de Memorie wel spoedig
gereed moest zijn of bijzonder lijvig worden. Ik vond hem dan druk
bezig met een ontzettend lange pen en het hoofd bijna op het papier.
Hij scheen er zoo mede vervuld, dat ik volop gelegenheid had om op te
merken, dat er een groote vlieger in een van de hoeken van de kamer
stond, dat overal bundels geschreven schrift opgestapeld lagen en dat
hij zich juist scheen te hebben voorzien van ontelbare grossen pennen
en halve fleschjes inkt—hij scheen die bij dozijnen op te doen—eer
hij mijne tegenwoordigheid opmerkte.

„Zoo, Phoebus!” sprak mijnheer Dick, terwijl hij de pen neerlegde. „Hoe
gaat het in de wereld? Ik zal u eens wat vertellen,” voegde hij er op
zachteren toon bij, „ik zou niet gaarne willen, dat men er over sprak,
maar het is een”—hij maakte een knipoogje en bracht zijn mond vlak bij
mijn oor—„het is een gekke wereld. Zoo gek als Bedlam, jongen.” Hij
nam na deze woorden een snuifje uit een ronde doos, die op de tafel
stond, en lachte uit volle borst.

Zonder zoo vermetel te zijn om mijn gevoelen op dit punt te uiten, deed
ik mijne boodschap.

„Wel,” antwoordde mijnheer Dick „doe mijne complimenten en zeg haar dat
ik.... dat ik een goed eind gevorderd ben. Ik geloof, dat ik een goed
eind gevorderd ben,” herhaalde mijnheer Dick, terwijl hij met de hand
door zijne grijze haren woelde en een ver van rustigen blik wierp naar
zijn manuscript.

„Zijt gij op school geweest?”

„Jawel, mijnheer,” antwoordde ik, „maar niet lang.”

„Herinnert gij u den datum,” ging hij voort, terwijl hij mij ernstig
aankeek en de pen opnam om mijn antwoord op te teekenen, „den datum
waarop Koning Karel I onthoofd is?”

Ik antwoordde, dat het, naar ik meende, in 1649 moest geweest zijn.

„Ja,” zei mijnheer Dick, terwijl hij zich met de pen achter het oor
krabde en mij aankeek met een blik, die twijfel verried. „Ja, zoo staat
het in de boeken, maar ik kan mij niet begrijpen dat het waar is.
Als het zoo lang geleden was, hoe zouden dan de menschen, die er bij
zijn geweest, zoo in de war hebben kunnen zijn om een gedeelte van de
onrust, die hem kwelde, uit zijn hoofd in het mijne te stoppen?”

Ik was ten hoogste verbaasd over deze vraag, maar kon hem dienaangaande
geen inlichtingen geven.

„Het is heel vreemd,” ging mijnheer Dick voort, met een angstigen blik
op zijne papieren en voortdurend met de hand in zijn haar, „dat ik
daarover nooit volkomen zekerheid kan krijgen. Maar, geen nood! Geen
nood!” vervolgde hij op vroolijken toon en blijkbaar moed scheppende,
„er is tijd genoeg. Doe mijne complimenten aan juffrouw Trotwood en zeg
haar dat ik heel goed vorder.”

Toen ik wilde heengaan, vestigde hij mijne aandacht op den vlieger.
„Hoe vindt gij dien vlieger?” vroeg hij.

Ik antwoordde, dat ik het een mooien vlieger vond. Naar mijne schatting
was het er een van meer dan zeven voet hoogte.

„Dien heb ik gemaakt. Willen wij hem samen eens oplaten?” vroeg
mijnheer Dick. „En hebt gij dit wel gezien?”

Hij liet mij zien, dat de vlieger beplakt was met zeer dicht in
elkander, keurig net beschreven papier; het schrift was echter zoo
duidelijk, dat ik, er langs kijkende, herhaalde malen toespelingen op
het hoofd van Karel I lezen kon.

„Er is touw genoeg bij,” zei mijnheer Dick, „en wanneer hij hoog genoeg
staat, kan iedereen lezen wat er op staat. Dat is nu mijne manier om
mijn denkbeelden te verspreiden. Ik weet volstrekt niet, waar ze zullen
neerkomen; dat hangt af van de omstandigheden, van den wind en zoo
voort; maar dat laat ik aan het toeval over.”

Hij keek zoo vriendelijk en vergenoegd rond en op zijn frisch, blozend
gezicht lag tevens zooveel goedhartigheid verspreid, dat ik niet zeker
wist of hij eigenlijk niet met mij schertste. Ik lachte en hij lachte
en zoo scheidden wij als de beste vrienden.

„Wel, mijn kind,” vroeg tante, toen ik beneden kwam. „Hoe vaart
mijnheer Dick van morgen.”

Ik bracht haar zijne groeten over en deelde haar mede, dat hij goed
vorderde.

„En wat denkt gij wel van hem?” vroeg zij verder.

Wel kwam de lust in mij op om te trachten een ontwijkend antwoord te
geven en te zeggen, dat ik mijnheer Dick een aardige man vond; maar
tante liet zich niet zoo afschepen, want zij legde haar werk neer,
vouwde de handen er overheen en zeide: „Kom! Uwe zuster Betsey Trotwood
zou mij onmiddellijk verteld hebben, wat zij van iemand dacht. Doe dus
zooals zij en spreek uw gevoelen uit.”

„Is hij.... is mijnheer Dick.... ik vraag het, omdat ik het niet weet,
tante.... is hij wel geheel bij zijn verstand?” vroeg ik stotterend; ik
voelde, dat ik mij op gevaarlijk terrein bewoog.

„Wel degelijk is hij dat,” antwoordde tante.

„O, zoo!” fluisterde ik.

„Als er iemand op de wereld bij zijn verstand is,” zei tante zeer
beslist en met den eigenaardigen nadruk, dien zij op hare woorden kon
leggen, „is het mijnheer Dick.”

Ik kon hierop niets antwoorden dan nogmaals met een zucht uit te
spreken: „O, zoo!”

„Zij hebben hem gek _genoemd_,” vervolgde tante. „Het is voor mij een
zelfzuchtig genoegen te kunnen zeggen, dat zij hem gek genoemd hebben;
want anders zou ik gedurende de laatste tien jaren het voorrecht van
zijn gezelschap en zijn raad gemist hebben—van den dag af, waarop uwe
zuster Betsey mij zoo te leur stelde.”

„Zoo lang reeds?” vroeg ik.

„Het was fijn volkje, dat hem gek wilde verklaren,” ging tante voort.
„Mijnheer Dick is nog een verre bloedverwant van.... nu, dat doet er
ook niet toe; het is niet noodig, dat ik dit nog eens ophaal. Als ik
niet was tusschen beiden gekomen, zou zijn broeder hem zijn leven lang
hebben laten opsluiten. Dat is alles.”

Ik vrees, dat het wel een weinig huichelachtig van mij was, maar toen
ik zag, dat mijne tante zich die zaak zoo aantrok, beproefde ik te
kijken, alsof ik dat ook deed.

„Een trotsche gek!” sprak zij. „Omdat zijn broeder een weinig
zonderling was—hoewel hij niet half zoo zonderling is als menig
ander—wilde hij hem niet bij zich in huis hebben en zond hem naar een
particulier gesticht, niettegenstaande zijn vader hem op diens sterfbed
had laten beloven voor zijn broeder te zorgen. Hij is waarschijnlijk
zelf niet goed bij zijn verstand; anders had hij zoo niet kunnen
handelen.”

Tante keek alsof zij innig overtuigd was van de waarheid harer woorden
en ik trachtte daarom ook te kijken of ik er van overtuigd was.

„Maar ik kwam tusschen beiden,” hernam tante na een kleine pauze,
„en deed hem een voorstel. Uw broeder, zei ik, is heel goed bij zijn
verstand, veel beter dan gij zijt en ooit zult zijn; betaal hem daarom
zijn jaarlijksch inkomen uit en laat hem bij mij komen wonen. Ik ben
niet bang voor hem, ik ben niet trotsch, ik ben bereid voor hem te
zorgen en zal hem niet slecht behandelen, zooals sommige menschen—o.
a. in het gesticht—gedaan hebben. Na veel heen- en weerpraten kreeg
ik mijn zin en hij is bij mij gebleven tot op den huidigen dag. Hij is
de vriendelijkste en inschikkelijkste man, die er leeft.... en wat het
geven van goeden raad betreft!... Maar niemand kent hem ook zoo goed
als ik.”

Tante streek hare japon glad en schudde het hoofd, alsof zij ten spijt
van de geheele wereld alles van den een wilde afstrijken en op den
ander overschudden.

„Hij had eene zuster, van wie hij veel hield,” vervolgde zij, „een
goed schepsel, die heel lief voor hem was. Maar zij deed wat alle
meisjes doen—zij ging trouwen. En haar echtgenoot deed wat alle
mannen doen—hij maakte haar ongelukkig. Dit maakte zulk een indruk op
mijnheer Dick—_dat_ was toch geen bewijs van krankzinnigheid, hoop
ik—dat hij er ziek van werd; de onvriendelijkheid van en de vrees voor
zijn broeder misten bovendien hunne uitwerking niet. Dit alles had
plaats, voor hij bij mij kwam, maar de herinnering er aan drukt hem
zelfs nu nog ter neer. Heeft hij u iets verteld aangaande Koning Karel
I?”

„Ja, tante.”

„A zoo!” sprak zij haar neus wrijvend, alsof dit haar onaangenaam was.
„Dat is eene zinnebeeldige manier om zich uit te drukken. Hij schrijft
zijne ziekte toe aan groote overspanning en angst, natuurlijk, en dat
is het beeld of de gelijkenis, die hij verkiest te gebruiken. En waarom
zou hij niet, als hij dat goedvindt?”

„Zeker, tante.”

„Het is nu wel een zeer bijzondere manier om zijne gedachten uit te
drukken, eene manier, zooals in de wereld weinig voorkomt. Ik kan er
mijne goedkeuring ook niet aan hechten en daarom sta ik er op, dat er
geen woord van mag voorkomen in zijne Memorie.”

„Is die Memorie eene levensbeschrijving van hem zelven, tante?”

„Ja, mijn kind,” antwoordde tante, opnieuw haar neus wrijvend. „Hij
schrijft eene Memorie voor den Lord Kanselier of den Lord.... a, ik
weet niet hoe al die lords heeten; maar het is voor iemand, die betaald
wordt om zulke memories te krijgen—en geeft daarin een verhaal van
al hetgeen hij ondervonden heeft. Ik vermoed dat hij zijne Memorie
eerstdaags zal inzenden. Het is hem niet gelukt die af te maken,
zonder zich nu en dan tot die bijzondere manier van schrijven te
laten verleiden. Maar het beteekent niets; het houdt hem bezig.”

Inderdaad kwam ik later tot de ontdekking, dat mijnheer Dick reeds
tien jaren achtereen beproefd had Koning Karel I uit zijne Memorie te
houden; telkens was diens naam er weder in gekomen en hij stond er
ditmaal weer in.

„Ik zeg nog eens,” begon mijne tante weder, „dat niemand dien man zoo
goed kent als ik en dat hij de vriendelijkste en inschikkelijkste man
is, die er leeft. Wat doet het er toe of hij nu en dan lust heeft
om een vlieger op te laten? Franklin liet ook vliegers op. Hij was
een kwaker of iets dergelijks, als ik mij niet bedrieg. En wat is nu
belachelijker dan een kwaker, die een vlieger oplaat?”

Had ik kunnen vermoeden, dat tante mij deze bijzonderheden vertelde,
om mij een bewijs van vertrouwen te geven, dan zou ik dit eene groote
onderscheiding geacht en deze vertrouwelijkheid als een gunstig
voorteeken beschouwd hebben. Maar ik kon niet nalaten op te merken, dat
zij er toe was overgegaan, omdat hare ziel er geheel mede was vervuld
en ook, dat zij mij tot toehoorder had gekozen, omdat zij niemand
anders had om er naar te luisteren. Ik moet hier echter bijvoegen,
dat de edelmoedige wijze, waarop zij de partij had opgenomen voor
den armen, onnoozelen mijnheer Dick, mijn jonge hart met blijde hoop
voor mij zelven vervulde niet alleen, maar het ook, zonder eenige
zelfzucht, warm voor haar deed kloppen. Ik begon te begrijpen, dat er
in mijne tante, in weerwil van hare zonderlinge en dwaze gewoonten,
iets was, dat eerbied en vertrouwen afdwong. Hoewel zij dien dag even
kortaf was als den vorigen, zich even vaak boos maakte over de ezels
en eenmaal gloeiend verontwaardigd opsprong, omdat een jonge man in
het voorbijgaan een knipoogje maakte tegen Janet—in tante's oogen
het grootste vergrijp tegen hare waardigheid—scheen zij mij toch
langzamerhand meer eerbied, ten minste minder vrees, in te boezemen.

De angst, dien ik uitstond in den tijd, die noodzakelijk verloopen
moest eer het antwoord kon komen op den brief aan mijnheer Murdstone,
is niet te beschrijven; maar ik deed mijn best om dien te onderdrukken
en mij bij mijne tante en mijnheer Dick zoo aangenaam mogelijk voor te
doen. Laatstgenoemde zou reeds den vlieger met mij hebben opgelaten,
maar ik had nog geen andere kleederen dan het alles behalve sierlijk
gewaad, waarin men mij op den dag van mijne aankomst gestoken had en
dat mij noodzaakte thuis te blijven, behalve des avonds in het donker,
als tante het voor mijne gezondheid noodzakelijk achtte eenigen tijd
met mij op het strand heen en weer te loopen, eer ik naar bed ging.

Eindelijk kwam er antwoord van mijnheer Murdstone, en tante deelde
mij tot mijn niet geringen schrik mede, dat hij den volgenden dag
persoonlijk met haar over mij zou komen spreken. Dien volgenden dag zat
ik, nog steeds in hetzelfde wonderlijke toilet, de minuten te tellen,
die zoo vreeselijk langzaam voorbij gingen; hoop en vrees voerden
voortdurend een woedenden strijd in mijn binnenste en ik beefde bij het
vooruitzicht ieder oogenblik dat barsche gelaat voor mij te kunnen zien.

Mijne tante was nog wat ongenaakbaarder en stroever dan gewoonlijk,
doch andere kenteekenen, dat zij zich gereed maakte om den gevreesden
bezoeker te ontvangen, werd ik niet gewaar. Zij zat bij het venster te
werken en ik zat bij haar, terwijl mijne gedachten zich bezighielden
met allerlei mogelijke en onmogelijke gevolgen van mijnheer Murdstone's
bezoek en—dat duurde tot vrij laat in den namiddag. Ons middagmaal
was onbepaald uitgesteld, maar het was zoo laat geworden, dat tante
eindelijk last had gegeven om te dekken, toen zij eensklaps den
alarmkreet liet hooren, dat er ezels waren, en ik tot mijne groote
verbazing en schrik juffrouw Murdstone zag aankomen, dwars over het
grasperk rijdende. Vlak voor het huis bleef haar ezel staan.

„Maak dat gij wegkomt!” riep tante hoofdschuddend, terwijl zij haar
vuist dreigend ophief.—Zij was gelukkig nog binnenskamers.—„Gij hebt
hier niets te maken! Hoe durft gij over mijn eigendom rijden! Maak dat
gij wegkomt, brutale tang.”

Tante was zoo woedend over de koelbloedigheid, waarmede juffrouw
Murdstone haar aankeek, dat zij als met verlamming scheen geslagen en
geen voet verzette, om tot den gewonen aanval op te rukken. Ik nam deze
gelegenheid waar om haar te vertellen, wie het was en dat de heer, die
achteraan kwam—de helling was vrij steil—mijnheer Murdstone was.

„Het kan mij niet schelen wie het is!” riep tante hoofdschuddend en
gebarenmakend achter het venster, die alles behalve „welkom” beduidden,
„ik wil geen overlast aangedaan worden! Ik verkies het niet! Ga heen!
Janet, laat hem keert maken. Breng hem weg!” Achter tante staande
woonde ik nu een formeel gevecht bij; de ezel weerstond alle pogingen
en bleef met de vier pooten wijd van elkander in het grasveld staan,
terwijl Janet trachtte hem bij den teugel om te trekken, mijnheer
Murdstone hem vooruitdreef, juffrouw Murdstone met de parasol op Janet
lossloeg en een aantal jongens, die op het geraas waren aangekomen,
stonden te juichen van de pret. Tante ontdekte echter plotseling
onder al die deugnieten den drijver van den ezel, een van de ergste
overtreders, al was hij nauwelijks tien jaar oud; in het volgend
oogenblik was zij op het slagveld en had zij hem bij den kraag van zijn
buis, dat zij hem over het hoofd trok, in de worsteling al roepende,
dat Janet de politie en de justitie moest halen, ten einde hem op
staanden voet te straffen. Zij had den jongen medegetrokken tot in
den tuin, maar hij was tante te slim af en wist zich los te werken,
waarna hij, eenige diepe sporen van zijne hakken in de bloembedden
achterlatende, juichend wegliep en zijn ezel in triomf medevoerde.

Juffrouw Murdstone was intusschen afgestegen en wachtte nu met haar
broeder onder aan de stoep, tot tante in de gelegenheid zou zijn hen te
ontvangen; maar deze liep, hoewel door de worsteling een weinig uit de
plooi geraakt, met groote deftigheid langs hen heen het huis binnen en
sloeg geen acht op hen, alvorens zij door Janet waren aangediend.

„Zal ik heengaan, tante?” vroeg ik bevend.

„Neen, jongeheer,” antwoordde zij. „Zeer zeker niet!”

Te gelijker tijd duwde zij mij in den hoek achter hare plaats en zette
een stoel voor mij neer, zoodat ik, als het ware in eene gevangenis
zat. Gedurende het geheele onderhoud bleef ik daar staan en dáár zag ik
ook mijnheer en juffrouw Murdstone de kamer binnentreden.

„O,” zei mijne tante, „ik wist niet, wie ik eigenlijk het genoegen had
van mijn erf te jagen. Ik sta niemand toe over dat grasperk te rijden;
dat is nu eenmaal niet anders en ik maak geen uitzonderingen. Ik sta
dat aan niemand toe.”

„Voor vreemdelingen is die verordening bijzonder lastig,” deed juffrouw
Murdstone opmerken.

„Zoo?” vroeg tante.

Mijnheer Murdstone scheen eene herhaling van de vijandelijkheden te
duchten en zei daarom:

„Juffrouw Trotwood....”

„Neem mij niet kwalijk!” viel tante hem op scherpen toon in de rede
„zijt gij mijnheer Murdstone, die de weduwe van wijlen mijn neef David
Copperfield van Kraaiennest in Blunderstone trouwdet? Waarom het
Kraaiennest was, heb ik nooit begrepen....”

„Dat ben ik,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Gij zult het mij zeker wel niet ten kwade duiden,” ging tante voort,
„als ik zeg, dat het beter en, voor haar vooral, veel gelukkiger zou
zijn geweest, als gij dat arme kind nooit gezien hadt.”

„In zoover moet ik juffrouw Trotwood gelijk geven,” viel juffrouw
Murdstone daarop in, terwijl zij het hoofd trotsch in den nek wierp,
„dat onze diep betreurde Clara wel getoond heeft in alle opzichten nog
een kind te zijn.”

„Het is voor u en mij een troost, juffrouw,” antwoordde tante, „dat
men, nu wij wat op jaren komen en met onze schoonheid geen ongelukken
meer zullen maken, van ons niet hetzelfde zeggen zal.”

„Zonder twijfel,” zei juffrouw Murdstone, ofschoon, naar mij voorkwam,
deze toestemming niet van ganscher harte gegeven werd. „En het zou ook
oneindig beter zijn geweest, ook voor het geluk van mijn broeder, als
hij dat huwelijk nooit had aangegaan. Zoo heb ik er trouwens altijd
over gedacht.”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik,” gaf tante ten antwoord en belde
Janet, aan wie zij beval mijnheer Dick te verzoeken beneden te komen.

Tot mijnheer Dick binnenkwam, bleef tante stokstijf op haar stoel
zitten, terwijl zij zwijgend en met gefronst voorhoofd naar den muur
keek. Toen hij kwam, presenteerde zij hem:

„Mijnheer Dick, een oud en beproefd vriend, aan wiens raad ik zeer veel
waarde hecht,” zei tante, ten einde mijnheer Dick, die op zijn nagels
stond te bijten en een vrij dwaas gezicht trok, wat moed in te spreken.

Mijnheer Dick nam op dezen wenk den vinger uit den mond en bleef met
een ernstig gezicht en de grootste aandacht naar mijnheer Murdstone
luisteren, die nu voortging: „Juffrouw Trotwood, toen ik uw brief
ontving, meende ik mij zelven het best te kunnen rechtvaardigen en u de
meeste achting te bewijzen....”

„Wel verplicht,” zei tante, terwijl zij hem voortdurend scherp
aankeek; „gij kunt er mij wel buiten houden.”

„Door u mondeling te antwoorden, hoe lastig de reis ook is,” vervolgde
mijnheer Murdstone. „Deze ondeugende jongen, die is weggeloopen van
zijne vrienden en uit zijn werk....”

„En die er zoo schandelijk en verwaarloosd uitziet,” viel zijn zuster
hem in de rede en vestigde daardoor aller aandacht op mijn zonderling
kostuum.

„Jane Murdstone,” zei haar broeder, „wees zoo goed mij niet in de
rede te vallen. Deze ondeugende jongen, juffrouw Trotwood, is de
oorzaak geweest van veel onaangenaamheden en huiselijken twist, zoowel
gedurende het leven van mijne lieve vrouw als daarna. Hij heeft een
wreveligen, weerbarstigen aard, een driftig karakter, is in één woord
onhandelbaar. Mijne zuster en ik hebben getracht hem te verbeteren
en van zijne vele ondeugden te genezen, doch te vergeefs. En ik heb
begrepen—wij hebben beiden begrepen, want mijne zuster deelt geheel in
mijn vertrouwen—dat gij deze ernstige en onpartijdige uitspraak uit
onzen eigen mond moest aanhooren.”

„Het zal nauwelijks noodig zijn de woorden van mijn broeder nog
te bevestigen,” zei juffrouw Murdstone, „maar ik verzoek u wel in
aanmerking te willen nemen, dat er geen slechter jongen in de wereld is
dan deze.”

„Het is sterk!” zeide tante.

„Doch niet te sterk voor de feiten,” antwoordde juffrouw Murdstone.

„Zoo! Welnu, mijnheer....”

„Ik heb mijn eigen denkbeelden,” hernam mijnheer Murdstone, wiens
gezicht hoe langer hoe donkerder werd, naarmate hij en tante elkander
langer aankeken, hetgeen zij met de grootste aandacht deden, „over
de wijze van opvoeding van zulk een jongen; denkbeelden, gegrond op
de kennis van zijn karakter en op mijn eigen middelen en inkomsten.
Ik ben daarvoor aan mij zelven verantwoording schuldig en ik zal
handelen zonder meer daarover te zeggen dan mij goed dunkt. Het is
genoeg dat ik dezen jongen in een fatsoenlijke betrekking plaats, onder
het toezicht van een mijner beste vrienden; dat hem dit niet bevalt,
dat hij wegloopt, als een vagebond langs den weg zwerft en hier bij u
aankomt in lompen gehuld, heeft hij geheel aan zichzelven te wijten en
is slechts een bewijs te meer voor zijn weerspannige inborst, juffrouw
Trotwood. Ik wensch u, voor zoover mij dat mogelijk is, openhartig de
gevolgen voor te houden, indien gij wellicht genegen waart, de partij
op te nemen voor dezen knaap.”

„Voor gij verder gaat, zou ik gaarne iets wenschen te weten van den
aard der fatsoenlijke betrekking, waarover gij spreekt,” zei tante.
„Zoudt gij hem, indien hij uw eigen zoon was, in dezelfde betrekking
hebben geplaatst?”

„Indien hij een eigen kind van mijn broeder geweest was,” kwam juffrouw
Murdstone te hulp, „zou zijn karakter heel anders geweest zijn.”

„En zou hij ook in dezelfde fatsoenlijke betrekking zijn gegaan, als
dat kind, zijne moeder, nog geleefd had?” vroeg tante weder.

„Ik geloof niet, dat mijne lieve Clara zich verzet zoude hebben
tegen maatregelen, die mijne zuster en ik als de beste beschouwden,”
antwoordde mijnheer Murdstone met een hoofdknik.

En juffrouw Murdstone bevestigde het met een hoorbaar gemompel.

„Hm!” zei tante. „'t Ongelukkige schepseltje!”

Mijnheer Dick, die gedurende al dien tijd met zijn geld had staan
rammelen, deed dit thans zoo hevig, dat tante het noodig vond hem met
een wenk tot kalmte aan te manen; daarna ging zij voort:

„Het jaargeld van het arme kind is zeker met haar gestorven?”

„Hield met haar dood op,” bevestigde mijnheer Murdstone.

„En er bestaat geen enkele bepaling, waardoor het huis en het
erf—Kraaiennest zonder kraaien—op dezen knaap zijn overgegaan?”

„Kraaiennest was haar door haar eersten echtgenoot nagelaten zonder
eenige voorwaarde,” hernam mijnheer Murdstone, maar tante viel hem
driftig en ongeduldig in de rede. „Mijn Hemel, man, dat behoeft gij
mij niet te vertellen! Nagelaten zonder voorwaarden! Hoe zou David
Copperfield vooruit hebben kunnen zien; hij zag niets, al stond het
vlak voor zijn neus! Natuurlijk was die nalatenschap onvoorwaardelijk!
Maar toen zij voor de tweede maal in het huwelijk trad.... toen zij
den betreurenswaardigen stap deed door.... kortom—door met u te
trouwen—dat is zoo duidelijk mogelijk—heeft toen niemand een woord
in het midden gebracht ten gunste van dezen knaap?”

„Mijne vrouw had haar tweeden echtgenoot lief, juffrouw Trotwood, en
vertrouwde hem onvoorwaardelijk,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Uwe vrouw, mijnheer, was een ongelukkig, onhandig kind, dat niet
zóóveel verstand van zaken had,” zei tante en knipte daarbij met
vinger en duim in de richting van mijnheer Murdstone, terwijl zij
onheilspellend met het hoofd begon te schudden. „Dat was zij. En wat
hebt gij nu nog verder te vertellen?”

„Eenvoudig dit, juffrouw Trotwood. Ik ben hier om David mede te
nemen—David mede te nemen zonder mij eenige voorwaarde te laten
stellen, ik zal met hem doen wat ik goed acht en daarmee uit. Ik ben
hier niet gekomen om eenige belofte af te leggen of aan iemand eenige
verantwoording te doen. Ik zal met hem handelen zooals mij rechtmatig
voorkomt. Gij zoudt wellicht plan hebben om hem in zijn verzet te
stijven en zijn wegloopen te vergoelijken, juffrouw Trotwood—de
toon, dien gij tegen mij aanneemt, doet mij zoo iets dergelijks
vermoeden—maar ik moet u waarschuwen; want neemt gij hem eenmaal
onder uwe hoede, dan houdt gij hem ook voor goed; wilt gij u plaatsen
tusschen dien jongen en mij, dan behoudt gij die plaats voor goed. Ik
ben hier voor de eerste en laatste maal, om den jongen op te halen,
juffrouw Trotwood. Is hij gereed om met mij mede te gaan? Indien hij
niet gereed is en gij zegt: neen—om welke reden dan ook, dat is mij
onverschillig—dan is mijn deur voortaan voor hem gesloten en de uwe,
bijgevolg, voor hem geopend.”

Mijne tante had gedurende deze geheele toespraak recht als eene kaars
en met een gezicht, om bang voor te worden, zitten luisteren. Toen hij
uitgesproken had, wendde zij hare oogen zooveel naar den kant waar
juffrouw Murdstone stond, dat zij deze zien kon; overigens veranderde
zij niets in hare houding.

„Wel, juffrouw, hebt gij er ook nog iets bij te voegen?” vroeg zij.

„Waarlijk, juffrouw Trotwood,” antwoordde juffrouw Murdstone, „al wat
ik zou kunnen zeggen is zoo goed door mijn broeder gezegd, en alle
omstandigheden zijn zoo goed door hem uiteengezet, dat ik niet weet wat
ik er nog zou kunnen bijvoegen dan mijn dank voor uwe voorkomendheid,
voor uwe overgroote voorkomendheid.” Zij sprak dit uit met eene ironie,
die tante even weinig van haar stuk bracht als het kanon, waaronder ik
te Chatham geslapen had, er door van zijne plaats zou zijn gebracht.

„En wat zegt de jongen zelf er van?” zei tante. „Zijt gij gereed om met
mijnheer Murdstone mede te gaan, David?”

Ik antwoordde, dat ik niet gereed was en smeekte haar mij bij zich te
houden. Ik zei, dat noch mijnheer, noch juffrouw Murdstone ooit van
mij gehouden hadden, dat geen van beiden ooit vriendelijk voor mij
geweest was. Ik zei, dat zij mijne mama, die mij altijd lief had gehad,
tegen mij hadden opgestookt; dat ik dit zeer goed wist en dat Peggotty
het ook wist. Ik zei, dat ik ongelukkiger geweest was dan iemand
vermoeden kon, die wist hoe jong ik nog was en ik smeekte en bad tante
Betsey—ik weet niet meer in welke bewoordingen, maar herinner mij zeer
goed, dat ik hevig ontroerd was—mij te beschermen en te helpen ter
wille van mijn vader.

„Mijnheer Dick,” zei tante, „wat moet ik met den jongen doen?”

Mijnheer Dick dacht na, aarzelde... maar eensklaps helderde zijn
gezicht op en zei hij: „Hem onmiddellijk de maat laten nemen voor een
pak kleeren.”

„Mijnheer Dick,” zei tante Betsey met een zegevierenden blik, „geef mij
eene hand, want uw raad pleit voor uw gezond verstand.” Nadat zij hem
hartelijk de hand had geschud, duwde zij mij naar hem toe en zei tot
mijnheer Murdstone: „Gij kunt wel heengaan als gij wilt; ik zal het
wagen met den jongen. Indien hij al de slechte eigenschappen bezit, die
gij hem toedicht, kan ik altijd nog met hem doen wat gij gedaan hebt.
Maar ik geloof er geen woord van.”

„Juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Murdstone, schouderophalend en
van zijn stoel opstaande: „indien gij een man waart....”

„Och wat, zotteklap, anders niets!” zei tante. „Spaar u de moeite om
verder tegen mij te spreken.”

„Hoe uiterst beleefd!” riep juffrouw Murdstone opstaande uit.
„Waarlijk, gij overstelpt ons met beleefdheden!”

„Meent gij soms, dat ik niet weet,” ging mijne tante voort, alsof zij
niets verstond van hetgeen juffrouw Murdstone zeide en heviger dan ooit
met het hoofd schuddend tegen haar broeder, „meent gij soms, dat ik
niet weet, hoe gij dat arme, ongelukkige, bedrogen kind hebt behandeld?
Meent gij, dat ik niet weet, welk een heillooze dag het voor dat zachte
schepseltje geweest is, toen gij voor het eerst haar weg kruistet—met
een gelegenheidslachje en een paar oogen—daarop wil ik een eed
doen—alsof gij nog geen boe! tegen eene gans zoudt durven zeggen!”

„Ik heb nooit zoo iets fijns gehoord!” riep juffrouw Murdstone uit.

„Meent gij, dat ik niet begrijp, hoe gij er toen moet hebben
uitgezien, al ben ik er niet bij geweest? Nu ik kennis met u heb
gemaakt—hetgeen, oprecht gezegd, alles behalve een genoegen voor mij
is—weet ik dat maar al te goed. Och ja, goede Hemel! Wat zult gij
bloemzoet geweest zijn in het begin! Het arme, onwetende kind had nooit
zulk een man ontmoet! Al zachtheid in al zijn doen! Hij aanbad haar,
hij droeg haar op de handen! En haar jongen? Wel, hij was verzot op den
knaap! Hij zou een tweede vader voor hem zijn en zij zouden allen te
zamen leven als in een paradijs! Nietwaar?.... Ba! Ga uit mijn oogen!”
riep zij uit.

„Als ik nu toch ooit in mijn leven zulk een mensch meer ontmoet heb!”
verklaarde juffrouw Murdstone.

„En toen gij u meester gemaakt hadt van het kleine gekkinnetje—de
Hemel vergeve mij, dat ik haar zoo noem, nu zij daar is, waar gij niet
zoo spoedig komen zult—en gij haar en de haren nog geen onrecht genoeg
hadt aangedaan, moest gij haar gaan opvoeden, nietwaar? Gij moest haar
africhten als een vogel in een kooitje en haar een ellendig leven laten
leiden, opdat zij _uwe_ deuntjes zou leeren fluiten?”

„Dat mensch is òf dronken òf krankzinnig,” zei juffrouw Murdstone,
woedend omdat zij niet bij machte was den stroom van tante's
welsprekendheid naar haar zelve te leiden, „ik vermoed, dat het
krankzinnigheid is.”

Zonder de minste notitie te nemen van dezen uitroep, ging tante Betsey
voort zich tot mijnheer Murdstone te wenden, alsof er geen juffrouw
Murdstone en geen krankzinnigheid op de wereld waren.

„Gij waart een dwingeland voor het arme schaap,” ging zij voort, met
den vinger dreigend, „gij hebt haar hart gebroken. Ik weet, dat zij
veel kon liefhebben—ik wist dit al jaren vóór gij haar zelfs gezien
hadt—en gij hebt van hare zwakheid gebruik gemaakt om haar de wonden
toe te brengen, waaraan zij gestorven is. Dat is de zuivere waarheid,
of gij die hooren wilt of niet. Gij en uwe handlangers kunt er van
denken wat gij wilt!”

„Sta mij toe te vragen, juffrouw Trotwood,” zoo viel juffrouw Murdstone
haar in de rede, „wie gij wel zoo goed zijt in een woordenvloed, dien
ik niet volgen kan, de handlangers van mijn broeder te noemen?”

Tante Betsey bleef nog steeds stokdoof voor die stem; zij scheen
er zich niet het minst van aan te trekken, maar ging voort: „Het
was duidelijk genoeg, jaren reeds voor gij haar voor de eerste maal
zaagt—waarom de Voorzienigheid in Zijne ondoorgrondelijke wijsheid
u op haar weg bracht, is voor een gewoon menschenverstand niet te
begrijpen—welnu, het was duidelijk, dat het arme, kleine ding nog eens
zou trouwen, maar dat het zoo slecht zou afloopen, had ik niet kunnen
verwachten. Dat was in den tijd, mijnheer Murdstone, toen zij het
levenslicht schonk aan dezen jongen, aan dit kind hier, waarmede gij
haar later gemarteld hebt; dat is eene onaangename herinnering voor u,
en daarom is deze knaap u een doorn in het oog. Ja, ja, gij behoeft er
niet zoo van te schrikken! Ik weet toch wel dat het waar is.”

Hij had al dien tijd bij de deur gestaan en haar met een glimlach om
den mond aangestaard, ofschoon zijne dikke, zwarte wenkbrauwen dicht
waren saamgetrokken. Ik merkte nu ook op, dat, al bleef de glimlach om
zijn mond, alle kleur uit zijn gelaat verdwenen was, en hij naar adem
scheen te snakken, alsof hij hard geloopen had.

„Goeden dag, mijnheer,” zei tante, „vaarwel! En u ook, goeden dag,
juffrouw,” voegde zij er bij, terwijl zij zich plotseling naar zijne
zuster omwendde. „Laat ik u nog eens op een ezel over mijn grasperk
zien rijden, dan zal ik, zoo zeker als gij een hoofd op uw schouders
hebt, u den hoed afslaan en er op trappen!”

Ik wenschte, dat er een schilder bij de hand geweest ware—en geen
gewone schilder—om tante's gezicht op het doek te brengen, toen zij
dit geheel onverwachte slot aan haar toespraak maakte, en dat van
juffrouw Murdstone, toen zij het aanhoorde. De toon, waarop tante
sprak, en ook hetgeen zij zeide, was zoo dreigend, dat juffrouw
Murdstone, zonder een woord te antwoorden, den arm door dien van haar
broeder stak en met hoog opgeheven hoofd de deur uitstapte. Tante keek
hen uit het venster na, gereed—daarvan ben ik overtuigd—om bij de
wederverschijning van de ezels hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer
te brengen.

Er werd echter zelfs geen poging gedaan om haar te tarten, zoodat de
strakheid langzamerhand van haar gelaat verdween, en er zelfs een
tevreden trek op kwam, waardoor ik werd aangemoedigd om beide armen
om haar hals te slaan en haar met een hartelijken kus te bedanken.
Daarna schudde ik mijnheer Dick de hand en mijnheer Dick schudde mij
telkens weer de hand, en zoo besloten wij den gelukkigen afloop van de
onderhandeling met eens hartelijk samen te lachen.

„Ik verzoek u mede op te treden als voogd van dit kind, mijnheer Dick,”
zei tante.

„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde hij, „dan voogd te wezen
over een kind van David.”

„Heel goed,” zei tante, „dat is dus uitgemaakt. Ik heb er over gedacht,
mijnheer Dick, hem voortaan Trotwood te noemen.”

„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Dick, „zeker. David's zoon,
Trotwood.”

„Trotwood Copperfield, bedoelt gij zeker,” hernam tante.

„Ja, ja, zeker. Ja. Trotwood Copperfield,” herhaalde mijnheer Dick, een
weinig uit het veld geslagen.

Dit denkbeeld beviel mijne tante zoo zeer, dat eenige kleedingstukken,
welke dien avond werden thuisgebracht, onmiddellijk werden gemerkt: T.
C. Zij deed dit eigenhandig met onuitwischbaren merkinkt, voor ik ze
mocht aantrekken; voorts werd bepaald, dat alle kleederen, die voor
mij gemaakt werden—een kompleet uitzet werd dien namiddag besteld—op
dezelfde wijze gemerkt zouden worden. Zoo begon ik dus een nieuw leven
met een nieuwen naam en alles nieuw om mij heen. Nu de twijfel was
opgeheven, leefde ik eenige dagen als in een droom. Ik dacht geen
oogenblik, dat ik in mijne tante en mijnheer Dick een paar zonderlinge
voogden had; ik dacht aan hetgeen mij zelven betrof eigenlijk nooit
helder. Hetgeen mij het duidelijkst voor den geest stond, was, dat het
leven te Blunderstone veel langer geleden was en dat de tijd, dien ik
bij Murdstone en Grinby had doorgebracht, voor altijd vergeten moest
worden. Niemand heeft dien tijd ooit weder opgerakeld. Ik zelf heb dien
tijd in dit verhaal slechts even aangeroerd, tegen mijn zin, om er
terstond weder een gordijn voor te laten vallen. De herinnering daaraan
is met zooveel zielelijden, zooveel ellende, zooveel hopeloosheid
verbonden, dat mij zelfs de moed ontbreekt na te gaan, hoe lang ik
tot dat leven ben veroordeeld geweest. Ik weet niet meer of het een
jaar geduurd heeft, of langer of korter. Ik weet alleen, dat die tijd
er geweest is en dat er een einde aan gekomen is, dat ik dien moest
beschrijven, maar het daarbij ook laat.



XV.

Ik begin opnieuw.


Mijnheer Dick en ik werden weldra de beste vrienden en meermalen gingen
wij des avonds, wanneer zijne dagtaak was afgeloopen, uit om den
grooten vlieger op te laten. Elken dag zat hij aan zijne memorie te
werken, die nooit afkwam, want hoe hij ook zijn best deed, Koning Karel
I kwam er telkens weer in voor en dan werd het geschrevene op zij
gelegd en opnieuw begonnen. Het geduld en de lijdzaamheid, waarmede hij
deze telkens terugkeerende teleurstellingen droeg; het bewustzijn, dat
er iets met koning Karel I niet in orde was; de zwakke pogingen, die
hij in het werk stelde om hem uit de memorie te houden en de zekerheid,
waarmede hij er telkens weder in kwam en de geheele memorie in duigen
deed vallen, dat alles maakte een diepen indruk op mij. Wat mijnheer
Dick zich voorstelde, dat het gevolg zou zijn van de memorie, als zij
af was; wat hij er mede zou doen, of wat iemand ter wereld er aan zou
hebben, wist hij evenmin als iemand anders. Maar het was ook volstrekt
onnoodig, dat hij zich met deze vragen het leven lastig maakte, want
als er iets zeker was onder de zon, dan was het wel dit, dat de memorie
nimmer ten einde zou worden gebracht.

Ik herinner mij nog goed, welk een aandoenlijk schouwspel het was hem
met den vlieger te zien, wanneer deze hoog in de lucht stond. Hetgeen
hij mij op zijne kamer verteld had omtrent de verspreiding van zijne
denkbeelden door middel van den vlieger, die werkelijk geheel beplakt
was met afgekeurde memories, moge een uitvloeisel zijn geweest van
zijne ziekelijke verbeelding; wanneer de vlieger hoog in de lucht
stond en hij het touw in zijne hand voelde rukken en trekken, geloofde
hij het onvoorwaardelijk. Hij keek nooit zoo ernstig als in die
oogenblikken. En wanneer ik dan des avonds bij hem zat in het gras en
hem zoo kalm naar den vlieger zag turen, kwam meermalen de gedachte bij
mij op, of deze wellicht de verwarring, die in zijn geest heerschte,
had medegenomen in de wolken. Wond hij het touw weder op en daalde de
vlieger al lager en lager, totdat hij den grond raakte en daar als dood
ter nederlag, dan scheen de arme man uit een droom te ontwaken; ik
herinner mij nog, hoe hij den vlieger dan opnam en wezenloos rondkeek,
alsof met dezen ook weder de verwarring in zijne ziel was teruggekeerd
en o, dan had ik zoo'n innig medelijden met hem.

De toenemende vriendschap en vertrouwelijkheid tusschen mijnheer
Dick en mij deed mij niet achteruit gaan in de gunst van zijne
onafscheidelijke vriendin, van mijne tante. Zij was zoo zeer met
mij ingenomen, dat zij na eenige weken reeds mijn aangenomen naam
Trotwood tot Trot afkortte en mij zelfs te kennen gaf dat ik, indien ik
voortging zooals ik begonnen was, eene even ruime plaats in haar hart
zou innemen als mijne zuster Betsey Trotwood.

„Trot,” sprak zij op zekeren avond, toen het trictracbord als naar
gewoonte tusschen haar en mijnheer Dick was geplaatst, „Trot, wij mogen
uwe opvoeding niet vergeten.”

Dit was het eenige waarover ik mij nu en dan bezorgd maakte, zoodat ik
zeer verheugd was toen zij er over begon.

„Zoudt gij wel naar Canterbury op school willen gaan?” vroeg tante.

Ik antwoordde, dat ik het heel prettig zou vinden, vooral omdat ik dan
toch dicht bij haar zou blijven. „Goed”, hernam zij. „Zoudt gij morgen
willen gaan?” Tante's voortvarendheid was mij niet vreemd meer, zoodat
de spoed, waarmede zij ook ditmaal weder haar plan ten uitvoer wilde
brengen, mij volstrekt niet verbaasde. Ik zei dus: „Jawel, tante.”

„Goed,” herhaalde zij. „Janet, bestel het wagentje met den grijzen hit
tegen morgen ochtend, tien uur, en pak van avond nog de kleeren in van
jongeheer Trotwood.”

Ik was opgetogen van blijdschap toen ik deze maatregelen hoorde nemen,
maar een oogenblik later verweet ik mij in stilte mijn zelfzucht, toen
ik de uitwerking zag, welke tante's woorden op mijnheer Dick hadden;
hij was zoo terneergeslagen in het vooruitzicht van onze scheiding en
speelde dientengevolge zoo slecht, dat tante, na hem met haar beker
verscheidene tikjes op de hand gegeven te hebben, het trictracbord
dichtsloeg en verklaarde niet meer met hem te willen spelen. Toen
hij echter van tante vernam, dat ik nu en dan des Zaterdags zou
overkomen en hij mij, zoo vaak als hij verkoos, des Woensdags mocht
bezoeken, herleefde hij en beloofde voor die gelegenheden een vlieger
te zullen maken van veel grootere afmetingen dan de reeds bestaande.
Den volgenden morgen was hij weder zeer terneergeslagen en zou troost
hebben gezocht door mij al het geld, dat hij bezat, goud en zilver, te
geven, als mijne tante het niet voorkomen en zijn gift beperkt had tot
vijf shillings, die echter op zijn dringend verzoek tot tien werden
aangevuld. Wij namen aan het tuinhek op aandoenlijke wijze afscheid en
mijnheer Dick ging niet het huis binnen, voordat mijne tante en ik om
een hoek van den weg verdwenen waren.

Tante Betsey, die zich van de publieke opinie niets aantrok, mende
zelve en bracht den grijzen hit op meesterlijke wijze door de straten
van Dover. Zij zat stijf en rechtop als een echte koetsier, had haar
paardje goed in de hand en stond het geen enkele maal toe zijn eigen
zin te doen. Toen wij den grooten weg hadden bereikt, liet zij het
echter een weinig meer vrij en zich tot mij wendende—ik zat veel lager
dan zij—vroeg zij mij of ik mij gelukkig gevoelde.

„Heel gelukkig, tante, werkelijk, tante,” zei ik, „ik ben u heel
dankbaar.”

Tante scheen bijzonder tevreden met dit antwoord en aangezien zij geen
harer handen vrij had, tikte zij mij met de zweep even op het hoofd.

„Is het een groote school, tante?” vroeg ik.

„Dat weet ik niet,” antwoordde zij. „Wij gaan eerst naar mijnheer
Wickfield.”

„Is mijnheer Wickfield het hoofd van de school?”

„Neen, Trot; mijnheer Wickfield heeft een kantoor.”

Ik deed geen vragen meer aangaande mijnheer Wickfield, omdat tante uit
zich zelve geen verdere inlichtingen gaf, zoodat wij over allerlei
andere onderwerpen spraken, tot wij Canterbury binnenreden. Het was
marktdag en tante moest al hare aandacht wijden aan den hit, dien
zij tusschen karren, manden, allerlei soorten van groenten en andere
koopwaren liet voortdraven. Nu en dan scheelde het een haar of zij was
tegen het een of ander aangereden en de opmerkingen, die ons naar het
hoofd werden geslingerd, waren niet altijd van vriendschappelijken
aard; maar tante stoorde er zich volstrekt niet aan en reed door; zij
zou, geloof ik, met hetzelfde stalen gezicht door een vijandelijk land
gereden zijn.

Eindelijk hielden wij stil voor een heel oud huis, waarvan de
bovenverdieping een weinig vooruitstak, een huis met lage vensters, die
ook weder vooruitstaken en zware balken met gebeeldhouwde koppen aan de
uiteinden, die nog weder verder vooruitstaken, zoodat het mij voorkwam
of het geheele huis voorover hing, ten einde te zien wie de nauwe
straat doorkwam. Het huis maakte een bijzonder zindelijken indruk. De
ouderwetsche metalen klopper op de lage boogvormige deur schitterde als
eene ster tusschen de gebeeldhouwde guirlandes van vruchten en bloemen;
de twee steenen trapjes, die tot deze deur toegang gaven, waren zoo wit
alsof ze met fijn damast waren belegd, en al de hoekjes en uitstekjes
en al de onderdeelen van het beeldhouwwerk en de aardige kleine ruitjes
en de nog aardiger kleine venstertjes, hoewel zoo oud als de omringende
heuvelen, waren zoo helder en blank als de blankste sneeuw, die ooit op
deze heuvelen gevallen was.

Toen de hittenwagen voor de deur stil hield en ik het huis van onderen
tot boven bekeek, zag ik een lijkkleurig gezicht achter een der
vensters van de benedenverdieping—in een klein rond torentje, dat
de eene zijde van het huis vormde—even verschijnen, om onmiddellijk
daarop weder te verdwijnen. Daarna werd de lage huisdeur geopend en
datzelfde gezicht kwam buiten. Het was toen even lijkkleurig als toen
ik het door het venster had opgemerkt, hoewel de huidkleur hier en daar
de sporen van die zekere roode kleur vertoonde, welke aan menschen met
rood haar eigen is. Dat gezicht behoorde aan een roodharigen jongen van
vijftien jaar—ik weet dit nu, maar hij zag er veel ouder uit—wiens
haar zoo kort was afgeknipt, dat zijn hoofd een stoppelveld geleek
en die bijna geen wenkbrauwen en volstrekt geen ooghaartjes had; dit
gemis maakte op mij den indruk of hij zijne bruine oogen volstrekt niet
sluiten kon, zoodat ik mij met verbazing afvroeg hoe hij kon slapen.
Hij had hooge schouders en een grof beenderengestel, was stemmig in
het zwart gekleed met eene witte stropdas; zijne rok was tot aan den
hals dichtgeknoopt en hij had lange, smalle, skeletachtige handen, die
bijzonder mijne aandacht trokken, toen hij er aanhoudend zijne kin mede
wreef, terwijl hij bij den kop van den hit naar ons stond te kijken.

„Is mijnheer Wickfield thuis, Uriah Heep?” vroeg tante.

„Mijnheer Wickfield is thuis, juffrouw Trotwood,” antwoordde hij, „wees
zoo goed binnen te gaan”—hij wees met zijne lange hand naar de kamer
waar mijnheer Wickfield was.

Wij stegen uit en terwijl Uriah Heep buiten bleef om den hit vast te
houden, gingen wij eene lage kamer binnen, die op de straat uitzag;
zoodra wij daar binnen waren, zag ik door het venster, dat Uriah Heep
den hit in de neusgaten blies en deze terstond met de hand bedekte,
alsof hij het dier wilde betooveren. Tegenover den hoogen ouderwetschen
schoorsteenmantel hingen twee portretten: het eene was van een heer met
grijs haar—hoewel volstrekt geen oud man—en zwarte wenkbrauwen, die
eenige papieren bekeek, welke met een rood bandje waren saamgebonden;
het andere van eene jonge dame met een vriendelijk, lief gezicht
waarmede zij mij scheen aan te kijken.

Ik meen, dat ik mij omkeerde om Uriah's portret te zoeken, toen
aan het einde van het vertrek eene deur geopend werd en een heer
binnentrad, waarop ik mij terstond omwendde naar het eerst vermelde
portret, ten einde mij te overtuigen, dat het niet uit de lijst gekomen
was. Het hing er echter nog onaangeroerd en toen de heer wat meer in
het licht kwam, zag ik dat het portret reeds eenige jaren geleden
vervaardigd moest zijn.

„Kom binnen, juffrouw Betsey Trotwood,” zei mijnheer Wickfield—want
deze was het. „Ik was druk bezig; gij zult mij dat wel niet kwalijk
nemen, want gij kent mijn eenige levensdoel.”

Tante Betsey beantwoordde deze toespraak met eenige beleefde woorden,
waarna wij zijne kamer binnengingen, die geheel als een kantoor was
gemeubeld met boeken, papieren, blikken trommels en dergelijke zaken.
Deze kamer zag in den tuin uit en er was een groote ijzeren brandkast
in den muur gemetseld, zoo vlak boven den schoorsteenmantel, dat ik mij
zelven met verbazing afvroeg hoe de schoorsteenvegers er om heen konden
komen.

„Wel, juffrouw Trotwood,” vroeg mijnheer Wickfield, die notaris en
tevens rentmeester van een rijk landedelman was, „wat voert u hierheen?
Toch geen onaangename redenen?”

„Neen,” antwoordde tante, „ik kom niet om rechtszaken te behandelen.”

„Zooveel te beter, juffrouw,” zei mijnheer Wickfield. Zijn haar was nu
spierwit, hoewel zijne wenkbrauwen nog altijd zwart waren. Hij had een
innemend gelaat, dat, naar mij voorkwam, knap mocht genoemd worden.
Zijne gelaatskleur deed mij aan portwijn denken—Peggotty had mij deze
wijsheid geleerd—en ik verbeeldde mij, dat ook zijne stem mij daaraan
herinnerde en hij er zijne zwaarlijvigheid aan verschuldigd moest
zijn. Hij was zeer net gekleed in eene blauwe rok, gestreept vest en
nankingschen broek en zijn fijn geplooid overhemd en batisten das waren
zoo zacht en wit, dat ze mij in mijne kinderlijke verbeelding aan het
dons van een zwaan deden denken.

„Deze jongen is een neef van mij,” zei tante.

„Ik wist niet, dat gij er een rijk waart, juffrouw Trotwood,”
antwoordde mijnheer Wickfield.

„Hij is eigenlijk een achterneef,” deed tante opmerken.

„Ik geef u mijn woord, dat ik niets van dien achterneef wist,” zei
mijnheer Wickfield.

„Ik heb hem aangenomen,” vervolgde tante, met hare hand wuivende als
wilde zij zeggen, dat het haar volmaakt onverschillig was of hij het
al of niet wist, „en ik heb hem hier gebracht om hem op eene school te
doen, waar hij degelijk onderwijs ontvangt en goed behandeld wordt.
Vertel mij nu eens of hier zulk eene school bestaat, waar die is en hoe
die is—vertel mij er, in één woord, alles van wat gij weet.”

„Voor ik u degelijken raad kan geven,” zei mijnheer Wickfield,—„moet
ik u de vraag doen, die gij van oudsher kent. Welke zijn uwe
beweegredenen?”

„Groote goedheid, wat wil die man toch!” riep tante uit. „Altijd
hengelen naar beweegredenen, terwijl ze voor de hand liggen. Natuurlijk
om van dit kind een gelukkig en tevens een nuttig lid van de
maatschappij te maken.”

„Ik vermoed dat uwe beweegredenen toch tweeledig zijn... gemengd,”
hernam mijnheer Wickfield hoofdschuddend en met een ongeloovig lachje.

„Loop toch rond met uwe beweegredenen! Waarom zouden ze tweeledig
zijn? Ge zegt altijd slechts één beweegreden te hebben bij uw werk;
meent gij wellicht, dat gij de eenige zijt op de wereld, die zonder
nevenbedoelingen handelt?”

„Ja, zeker, ik heb maar één beweegreden voor mijn werk, maar één
levensdoel, juffrouw Trotwood,” hernam hij glimlachend. „Andere
menschen hebben er een dozijn, twintig, honderd! Ik heb er maar één.
Dat is het verschil. Evenwel, dat is nu de vraag niet. De beste
school? Wat uwe beweegredenen ook zijn, gij wilt de beste hebben.”

Mijne tante knikte toestemmend.

„Op de beste, die wij hier hebben,” vervolgde mijnheer Wickfield,
nadenkend, „zal uw neef op dit oogenblik niet in den kost kunnen komen.”

„Maar hij zou ergens anders in den kost kunnen zijn, zou ik denken,”
meende tante.

Mijnheer Wickfield meende dat ook. Na eenig heen- en weerpraten stelde
hij voor mijne tante naar de bedoelde school te vergezellen, opdat
zij persoonlijk kon zien en oordeelen; bovendien zou hij haar bij een
drietal families brengen, waar ik, volgens zijne meening, wel in den
kost zou kunnen komen. Mijne tante nam dit voorstel aan en wij waren
reeds met ons drieën buiten, toen hij bleef staan en zei:

„Onze jonge vriend zou wellicht beweegredenen kunnen hebben om bezwaren
te maken tegen onze beschikkingen. Zou het dus niet beter zijn hem
thuis te laten?”

Mijne tante scheen zich tegen dat voorstel te willen verklaren, maar
om de zaak te bespoedigen zei ik, dat ik gaarne wilde achterblijven,
indien zij dat goed vonden; ik keerde dus naar mijnheer Wickfield's
kantoor terug en nam daar op denzelfden stoel plaats, waarop ik zoo
even gezeten had, ten einde hunne terugkomst af te wachten.

Toevallig stond deze stoel tegenover een nauw gangetje, dat uitkwam in
de kleine torenkamer, waar ik het eerst Uriah Heep's gezicht achter het
venster gezien had. Toen Uriah den hit naar een naburigen stal gebracht
had, was hij weder aan zijn werk gegaan in die kamer, achter eene
groote lessenaar, waarop een koperen hekje stond. Aan dit hekje hingen
een aantal papieren, en ook dat, waarvan hij op dit oogenblik eene
copie zat te maken. Hoewel hij met het gezicht naar mij toezat, meende
ik, dat hij mij niet kon zien, omdat dit papier tusschen ons hing; maar
toen ik eens opmerkzamer toekeek, ontdekte ik, dat nu en dan zijne
haarlooze oogen als twee roode zonnen onder het papier doorkeken en mij
telkens wel een minuut lang aanstaarden, terwijl toch de pen over het
papier werd bewogen als zat hij ijverig te schrijven. Deze ontdekking
deed eene onaangename gewaarwording in mij opkomen. Ik stelde allerlei
pogingen in het werk om mij aan die blikken te onttrekken—ik ging
boven op mijn stoel staan, ten einde een kaart te bekijken, die aan de
andere zijde van de kamer hing; ik boog mij over een Kentsch nieuwsblad
heen—maar telkens trokken die beide roode zonnen mij weder tot zich,
en wanneer ik ook keek, ik was zeker ze te vinden, hetzij dat ze juist
opkwamen of juist ondergingen.

Eindelijk werd ik uit dezen pijnlijken toestand verlost en kwamen mijne
tante en mijnheer Wickfield na eene vrij langdurige afwezigheid terug.
Zij waren niet zoo goed geslaagd als wij gewenscht hadden, want hoe
aanbevelenswaardig de school ook was, kosthuizen waren niet te vinden.

„Het is wel jammer,” zei tante. „Ik weet werkelijk niet wat ik doen
moet, Trot.”

„Het treft zeker ongelukkig,” zei mijnheer Wickfield, „maar ik zal u
zeggen wat gij doen kunt, juffrouw Trotwood.”

„Wat dan?” vroeg tante nieuwsgierig.

„Laat uw neef voorloopig hier blijven. Hij lijkt mij een flinke jongen,
en zal 't mij niet lastig maken. Hij heeft hier uitstekende gelegenheid
om te studeeren; het is hier zoo stil als in een klooster en bijna even
ruim. Laat hem maar hier.”

Mijne tante was blijkbaar zeer ingenomen met dit aanbod evenals ik,
doch hare bescheidenheid verbood haar, het zoo maar aan te nemen.

„Kom, juffrouw Trotwood,” hernam mijnheer Wickfield, „dit is de eenige
wijze om alle moeielijkheden te boven te komen. Bovendien is het
slechts eene tijdelijke maatregel, begrijpt gij. Gaat het niet goed,
of bevalt het een van beide partijen niet, dan kunnen wij altijd naar
andere maatregelen omzien. Er zal intusschen wel hier of daar eene
gelegenheid openkomen. Gij kunt niet beter doen dan hem voorloopig hier
laten.”

„Ik ben u zeer verplicht voor uw aanbod en... Trot ook, naar ik opmerk;
maar...”

„Kom, kom, ik weet wat gij bedoelt,” riep mijnheer Wickfield. „Gij
behoeft volstrekt geen verplichtingen te maken, juffrouw Trotwood. Gij
kunt voor hem betalen als gij wilt. Wij zullen het over de condities
wel eens worden...”

„Op die voorwaarde,” antwoordde tante, „wil ik hem gaarne hier laten;
al neemt dit niets weg van de verplichting, die ik aan u heb.”

„Ga dan maar eens mede om kennis te maken met mijn kleine
huishoudstertje,” zei mijnheer Wickfield.

Wij gingen dientengevolge een verbazend oude trap op, met eene leuning
zoo breed, dat wij even gemakkelijk daar langs hadden kunnen gaan, en
een schemerachtig verlichte ontvangkamer binnen, waarin drie of vier
van die aardige vensters waren, welke ik van de straat af had gezien.
De eikenhouten vensterbanken schenen van dezelfde houtsoort te zijn
gemaakt als er thans nog boomen om het huis stonden en waaruit ook
de zwarte, uitstekende balken gezaagd waren. De kamer was gezellig
gemeubeld met eene piano, met levendig rood en groen overtrokken
meubelen en hier en daar bloemen. Overal zag men gezellige hoekjes en
in elk hoekje een vreemdsoortig gevormd tafeltje of kastje of stoel of
iets anders, zoodat ik telkens het hoekje, waarop mijne aandacht viel,
het gezelligste vond uit de geheele kamer; keek ik dan weder naar een
volgend, dan vond ik dit weder het gezelligst en zoo voort. Op elk
voorwerp lag dezelfde stempel van netheid en gezelligheid, die ook het
huis van buiten kenmerkte.

Mijnheer Wickfield klopte op eene deur in den met hout beschoten wand,
waarop een meisje binnenkwam, ongeveer van mijn leeftijd, en de armen
om zijn hals sloeg. Ik herkende terstond het kalme, zachte gelaat van
het portret, dat ik beneden gezien had. Het scheen mij toe alsof het
portret ouder geworden en het origineel kinderlijk gebleven was. Hoewel
haar gezichtje opgewekt en vroolijk stond, lag er toch eene zekere
kalmte over verspreid, die trouwens haar geheele wezen kenmerkte; ik
heb dien eersten indruk nooit vergeten en—zal dien ook nimmer vergeten!

Dit was zijn kleine huishoudstertje, zijne dochter Agnes, zooals
mijnheer Wickfield vertelde. Toen ik hoorde hoe hij dat zei en ik zag
hoe hij hare hand in de zijne hield, begreep ik wat het eenige doel van
zijn leven was.

Zij had een klein sleutelmandje aan den arm en keek zoo stemmig en zoo
bescheiden als een huishoudstertje in zulk een groot, oud huis maar
doen kon. Met een blij gezichtje luisterde zij naar haar vader, toen
deze haar een stukje van de geschiedenis van mijn jonge leven vertelde
en toen hij uitgesproken had, stelde zij tante voor met haar naar
boven te gaan en mijne kamer eens te bekijken. Wij gingen er samen
heen—zij vooruit. En o, het was zulk eene aardige, ouderwetsche kamer,
met dezelfde eikenhouten balken en dezelfde raampjes als beneden en
dezelfde breede leuning liep tot mijn kamertje door.

Ik kan mij niet herinneren, waar ik in mijne kindsheid geschilderde
vensters in eene kerk gezien heb. Ook herinner ik mij niet wat de
schildering voorstelde. Maar ik weet wel, dat toen ik haar in het
getemperde licht op de trap zich zag omkeeren en boven op ons wachten,
ik aan dat venster dacht, en ik later altijd den zachten gloed op dat
venster in verband bracht met Agnes Wickfield.

Mijne tante was even verheugd over de gemaakte schikking als ik en wij
gingen zeer tevreden en vergenoegd naar de ontvangkamer terug. Tante
wilde er niet van hooren te blijven om het middagmaal te gebruiken,
omdat zij voor het invallen van de duisternis met haar hit thuis
moest zijn en aangezien mijnheer Wickfield haar genoegzaam scheen
te kennen om te weten, dat zij op een eenmaal genomen besluit niet
terugkwam, werd er het een en ander voor haar gereed gezet en gingen
Agnes en mijnheer Wickfield aan hunne bezigheden. Zij deden dit uit
bescheidenheid, ten einde ons in de gelegenheid te stellen afscheid
te nemen en nog het een en ander te bespreken. Zij vertelde mij, dat
mijnheer Wickfield in alles voor mij zorgen zou, dat het mij aan
niets zou ontbreken en gaf mij den besten raad. „Trot,” sprak zij tot
besluit, „wees u zelven, mij en mijnheer Dick tot eer, dan zal God met
u zijn.”

Ik was hevig aangedaan en kon haar slechts telkens en telkens opnieuw
mijn dank betuigen en mijne groeten medegeven aan mijnheer Dick.

„Wees nooit laag,” zei tante, „wees oprecht in alles wat gij zegt en
doet, wees niet valsch en niet wreed. Ontwijk deze drie ondeugden,
Trot, dan blijf ik de beste verwachtingen van u koesteren.”

Ik beloofde haar, zoo goed als ik kon, dat ik nimmer misbruik zou maken
van hare vriendelijkheid en hare wijze lessen nimmer zou vergeten.

„De wagen is voor,” sprak zij eindelijk, „ik moet weg. Blijf gij hier.”

Met deze woorden omhelsde zij mij haastig, en ging de kamer uit,
terwijl zij de deur achter zich sloot. Het eerste oogenblik was ik een
weinig geschrikt van dit overhaast vertrek en kwam de vrees in mij op,
of ik ook iets gedaan of gezegd had, dat haar onaangenaam was geweest;
maar toen ik naar buiten keek en zag hoe bedrukt zij in haar wagentje
klom en hoe zij wegreed zonder nog eens om te kijken, begreep ik haar
beter en deed haar geen onrecht meer aan.

Tegen vijf uur, het gewone etensklokje van mijnheer Wickfield, had ik
mijne gewone opgewektheid terug en was gereed om alle eer te bewijzen
aan het middagmaal. Er was slechts voor twee personen gedekt, maar
Agnes had boven op haar vader zitten wachten en nam tegenover hem
plaats. Ik geloof ook, dat hij zonder haar niet zou hebben kunnen eten.

Na afloop van het middagmaal bleven wij niet zitten, maar gingen weder
naar de ontvangkamer, waar Agnes in een der vele gezellige hoekjes
eenige glazen en een karaf portwijn voor haar vader gereed zette. Als
andere handen dat gedaan hadden, zou de wijn zeker den gewonen geur
hebben gemist.

In dat hoekje bleef hij ongeveer twee uur zitten en gebruikte eene
flinke hoeveelheid van den wijn; terwijl Agnes piano speelde en nu en
dan een praatje met ons maakte. Gedurende het grootste gedeelte van
den tijd was hij vroolijk en opgewekt en schertste en praatte hij met
ons; maar nu en dan bleven zijne oogen op Agnes gevestigd en keek hij
peinzend voor zich uit. Zij merkte dat meestal spoedig op en dan bracht
zij hem door eene vraag of eene liefkoozing tot de werkelijkheid terug,
waarna hij voortging met wijn drinken.

Agnes schonk thee en daarna ging de tijd voorbij, evenals na den
maaltijd, tot zij naar bed ging; haar vader nam haar in zijne armen,
kuste haar en beval licht aan te steken in zijn kantoor. Dit was voor
mij een wenk om ook mijn bed op te zoeken.

In den loop van den avond was ik nog even de deur uitgegaan en had
de straat eens doorgewandeld, ten einde het oude huis en de domkerk
te bekijken; vreemd! ik was op mijn tocht naar Dover deze straat ook
doorgegaan en herinnerde mij niets meer daarvan. Toen ik terugkwam,
vond ik Uriah Heep bezig het kantoor te sluiten en aangezien ik jegens
iedereen vriendelijk wilde zijn, ging ik ook naar hem, bleef eenige
oogenblikken met hem praten en gaf hem bij het heengaan een hand. Maar
brr! Wat was die hand klam! Ik had een gevoel alsof ik een slang had
aangeraakt, en wreef heengaande mijne hand om er weder warmte in op te
wekken, en om dat akelige gevoel kwijt te raken.

Het was zulk eene akelige hand, dat ik, toen ik boven op mijne kamer
kwam, nog steeds die koude, natte aanraking voelde, en toen ik even uit
het venster keek, en mijn oog op een van de koppen aan de uiteinden van
de balken viel, meende ik dat het Uriah Heep was, die daar op de eene
of andere wijze was opgeklommen, en sloot haastig het venster.



XVI.

Ik word een andere jongen in meer dan één opzicht.


Den volgenden morgen na het ontbijt begon ik mijn schoolleven opnieuw.
Mijnheer Wickfield bracht mij naar de plaats, waar ik mijne afgebroken
studiën zou voortzetten—een deftig gebouw met een grooten tuin. Er lag
een waas van geleerdheid over verspreid, dat zeer wel overeenkwam met
de enkele verdwaalde kraaien en kauwen, die van de domkerk naar beneden
kwamen en in alle deftigheid over het voorplein stapten.

Mijn nieuwe meester, doctor Strong, zag er, naar mijn oordeel, even
oud uit als de hooge ijzeren tralies van het hek, dat wij waren
doorgekomen, en even stijf en log als de groote steenen vazen, die op
regelmatige afstanden op den steenen muur waren geplaatst, bij wijze
van een reusachtig kegelspel om den Tijd mede te laten spelen. Hij zat
in zijne bibliotheek—ik bedoel doctor Strong—met slecht afgeborstelde
kleeren en slecht gekamde haren; de gespen van zijne korte broek waren
niet dichtgehaald, en de knoopjes van zijne lange, zwarte slobkousen
niet toegemaakt, terwijl zijne schoenen op het haardkleedje stonden.
Hij keek mij aan met een paar oogen, waaruit alle glans scheen
verdwenen en die mij herinnerden aan een oud, blind paard, dat op
het kerkhof te Blunderstone het gras tusschen de graven placht af te
vreten; hij zei blijde te zijn mij te zien, en toen hij mij eene hand
gaf, wist ik niet wat ik er mede moest doen, want de zijne deed ook
niets.

Niet ver van hem af zat een mooie jonge dame, die hij Annie noemde—ik
vermoedde dat zij zijne dochter was. Zij hielp hem uit de verlegenheid
door voor hem neer te knielen en hem handig en vlug zijne laarzen aan
te trekken en zijne slobkousen vast te knoopen. Toen zij er mede gereed
was en wij naar de schoolzaal gingen, was ik ten hoogste verbaasd
mijnheer Wickfield te hooren zeggen: „Goeden morgen, mevrouw Strong” en
ik meende nog te moeten aannemen, dat zij eene schoondochter van doctor
Strong was, toen deze mij onwillekeurig inlichtte.

„A propos, Wickfield,” zei hij, terwijl hij in de gang bleef staan met
de hand op mijn schouder, „hebt gij nu nog niets gevonden voor dien
neef van mijne vrouw?”

„Neen,” antwoordde mijnheer Wickfield. „Neen, nog niet.”

„Ik verlang zeer dat er een einde aan komt, Wickfield,” hernam doctor
Strong, „want Jack Maldon is zoo arm als een kerkrot en bovendien lui,
twee eigenschappen, die zelden tot iets goeds leiden. Wat zegt doctor
Watts ook weer?” voegde hij er bij, terwijl hij mij aankeek en op de
maat van den aangehaalden versregel met het hoofd knikte. „‚De duivel
vindt altijd iets te doen voor ledige handen.’”

„Nu, doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield, „indien doctor Watts de
wereld goed gekend had, zou hij er met even veel recht hebben kunnen
bijvoegen: ‚de Duivel vindt voor werkzame handen altijd wat te doen.’
O, de werkzame menschen stichten zooveel kwaad, wees daarvan verzekerd.
Hoeveel kwaad is er niet gesticht door de menschen, die in de laatste
tweehonderd jaren tot macht en aanzien zijn weten te komen!”

„Jack Maldon zal nimmer tot macht en aanzien komen, dat is zeker,” zei
doctor Strong, nadenkend zijne kin wrijvend. „Daartoe is hij te lui.”

„Vermoedelijk niet,” hernam mijnheer Wickfield, „en daarmede herinnert
gij mij aan de vraag, die tot dit gesprek heeft aanleiding gegeven.
Neen, ik heb nog geen plaatsing kunnen vinden voor Jack Maldon.
Ik geloof,” voegde hij er na eenige aarzeling bij, „dat ik uwe
beweegredenen doorzie en dat maakt de zaak moeilijker voor mij.”

„Mijne beweegredenen,” antwoordde doctor Strong, „is eene fatsoenlijke
betrekking te vinden voor een neef en oud-speelmakker van Annie.”

„Ja, dat weet ik,” zei mijnheer Wickfield, „hier of buitenslands.”

„Ja, zeker, hier of buitenslands.” Doctor Strong scheen een weinig
verbaasd over den nadruk, dien mijnheer Wickfield op deze woorden legde.

„Dat zijn uw eigen woorden, zooals gij u wel zult herinneren.”

„Zeker, zeker.... het een of het ander.”

„Het een of het ander? Geen voorkeur?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Neen.”

„Geen?” herhaalde mijnheer Wickfield verbaasd.

„Niet de minste.”

„Geen beweegredenen om liever buitenslands dan hier eene betrekking
voor hem te wenschen?”

„Neen,” herhaalde de doctor.

„Ik moet u wel gelooven en daarom doe ik het ook,” zei mijnheer
Wickfield. „Het zou mijne opdracht zeer veel gemakkelijker hebben
gemaakt, als ik het te voren geweten had. Ik beken echter een anderen
indruk gekregen te hebben.”

Doctor Strong keek hem verlegen en verbaasd aan, maar in het volgend
oogenblik zag ik weder een glimlach om zijn mond, hetgeen voor mij een
bemoedigend gezicht was, want ik mocht daaruit besluiten, dat hij
een goedhartig en zachtaardig karakter had. Bovendien lag er zooveel
eenvoud in zijne geheele wijze van doen, als hij voor een oogenblik
zijne geleerdheid vergeten had; voor een jeugdigen leerling, zooals ik,
voorwaar, een verblijdend en aanmoedigend gezicht. Nog eens herhalende
„neen” en „niet de minste” en dergelijke korte verzekeringen was doctor
Strong ons voorgegaan in een wonderlijken, onregelmatigen pas. Mijnheer
Wickfield keek heel ernstig en schudde, zooals ik opmerkte, eenige
malen het hoofd, zonder te weten, dat ik hem gadesloeg.

De schoolzaal was een vrij groot vertrek aan de stilste zijde van
het huis, met het uitzicht op een half dozijn van de groote vazen en
met een kijkje op den particulieren tuin van den doctor, waarin de
perziken tegen den zuidelijken muur reeds rijp waren. Op het gras voor
de vensters stonden twee aloë's in groote tobben en sedert zijn de
groote bladeren van deze plant, die er uitzien alsof ze van geschilderd
blik gemaakt zijn, voor mij het symbool van stilte en afzondering. Toen
wij binnen kwamen, zaten er een vijfentwintigtal jongens over hunne
boeken gebogen, maar zij stonden op om den doctor goeden morgen te
wenschen en bleven staan, toen zij mijnheer Wickfield en mij zagen.

„Een nieuwe jongen, jongelui!” zei de doctor, „Trotwood Copperfield
heet hij.”

Zekere Adams, de hoogste van de school, kwam van zijne plaats om
mij welkom te heeten. Hij zag er uit als een jonge dominee met zijn
witte das, maar hij was heel vriendelijk en opgeruimd, wees mij
mijne plaats en stelde mij aan de meesters voor op een wijze, die
mij zeer zeker op mijn gemak zou hebben gebracht, indien iets dit
had kunnen doen. Het kwam mij echter zoo lang geleden voor sinds ik
met dergelijke jongens van mijn eigen leeftijd had omgegaan—behalve
met Mick Walker en den „melige”—dat ik mij zoo vreemd voelde als ik
mij ooit ergens gevoeld heb. Ik was nog zoo vol van de tooneelen,
waarvan zij zich geen denkbeeld konden vormen, en mij zoo bewust van
de ondervinding, die ik had opgedaan en die nog zoo vreemd moest zijn
aan iemand van mijn leeftijd, voorkomen en stand, dat ik het bijna
bedrog achtte daar als een gewone schooljongen aan te komen. Ik had in
den tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht—het moge
dan lang of kort zijn geweest—alle spelen en gewoonten van jongens
van mijn leeftijd verleerd, zoodat ik achterlijk was in de meest
alledaagsche dingen en den indruk maakte van lomp en onhandig te
zijn. Hetgeen ik ooit geleerd had was verloren gegaan in dien tijd
vol beslommeringen van de laagste soort; toen men mij aan een klein
examen onderwierp, wist ik niets meer, zoodat ik in de laagste klasse
geplaatst werd. Maar hoe mij mijne weinige bedrevenheid en geleerdheid
ook kwelde, de gedachte, dat hetgeen ik wel wist mij veel verder
afbracht van mijne kameraden dan hetgeen ik niet wist, griefde mij
oneindig meer. Ik vroeg mij zelven af wat zij wel van mij zouden
denken als zij eens wisten hoe gemeenzaam ik was met de King's Bench
gevangenis. Zou er niets aan mij te zien zijn dat mijn omgang met de
familie Micawber verried—al die wandelingen naar het pandjeshuis, al
dat geschacher en die soupeetjes tegen wil en dank? Als een van de
jongens mij eens door Canterbury had zien loopen, half kreupel en
zonder kleederen en—mij herkende. Wat zouden zij wel zeggen, zij,
die zoo weinig om geld gaven, als zij eens wisten, hoe ik mijn halve
stuivers had samengeschraapt, om dagelijks een stuk worst en een glas
bier of een snee podding te kunnen koopen! Wat zouden zij ontstellen,
zij, die niets van Londen en Londen's straten kenden, als zij ontdekten
hoe bekend ik was—ik schaamde mij daarover—met de gemeenste buurten!
Dit alles ging mij dezen eersten dag op de school van doctor Strong
meermalen door het hoofd; ik wantrouwde den onbeduidendsten blik, de
geringste beweging; kromp bijna ineen van schrik, telkens wanneer een
van mijne nieuwe schoolmakkers mij naderde, en snelde heen, zoodra de
schooltijd om was, uit vrees dat ik een antwoord zou moeten geven op
een of andere vriendelijke toespraak.

Het oude huis van mijnheer Wickfield oefende echter zulk een invloed op
mij, dat, toen ik den koperen klopper deed overgaan met mijne nieuwe
schoolboeken onder den arm, elk gevoel van onrust verdween. Het scheen
wel dat, toen ik naar mijn aardig, ouderwetsch kamertje ging, de
schaduwen van de breede trap ook op mijn angsten en twijfelingen vielen
en het verleden mij daardoor minder duidelijk voor den geest stond.
Ik bleef daar ijverig in mijne boeken lezen tot etenstijd—de school
duurde tot drie uur—en ging toen naar beneden, vervuld met de blijde
hoop, dat er toch nog wel een betamelijken jongen van mij zou kunnen
groeien.

Agnes zat in de ontvangkamer op haar vader te wachten, die nog iemand
bij zich op het kantoor had. Zij ontving mij met een allerliefsten
glimlach en vroeg mij hoe de school mij bevallen was. Ik antwoordde,
dat de school mij langzamerhand wel zou bevallen, maar dat ik er mij
voorloopig nog vreemd voelde.

„Gij zijt nooit op school geweest, nietwaar?” vroeg ik.

„O, zeker! Altijd!”

„Zoo, maar gij krijgt zeker les in huis?”

„Papa wilde mij niet missen,” antwoordde zij glimlachend. „Zijn
huishoudstertje moet altijd thuis zijn, begrijpt gij?”

„Hij houdt veel van u; dat heb ik reeds opgemerkt,” zei ik.

Zij knikte en ging naar de deur om te luisteren of hij nog niet kwam,
ten einde hem op de trap te gemoet te gaan. Maar hij kwam nog niet en
daarom ging zij weer zitten.

„Mama is reeds gestorven toen ik nog heel klein was,” vertelde zij op
hare eigenaardige, kalme wijze. „Ik ken haar alleen van het portret,
dat beneden hangt. Gisteren zag ik dat gij er naar keekt. Begreept gij
wie het was?”

„Ja,” zei ik, „want het lijkt sprekend op u.”

„Dat zegt papa ook,” zei Agnes met een tevreden lachje. „Luister....
daar komt papa de trap op.”

Haar lief, vroolijk gezichtje straalde van blijdschap, toen zij hem
te gemoet liep en zij, hand aan hand, de kamer binnenkwamen. Mijnheer
Wickfield groette mij vriendelijk en zei, dat ik het zeker heel prettig
zou vinden op school, want doctor Strong was een van de beste menschen,
die hij kende.

„Misschien zijn er wel menschen.... ik weet niet of er zijn.... die
misbruik maken van zijne goedheid,” vervolgde mijnheer Wickfield. „Doe
daar nooit aan mede, Trotwood, in geen enkel opzicht. Hij kent geen
achterdocht en dit moge een deugd of een gebrek zijn, als men met
doctor Strong in aanraking komt, hetzij in kleine of in groote zaken,
moet men deze omstandigheid in aanmerking nemen.”

Hij sprak, naar het mij voorkwam, of hij vermoeid of over het een of
ander ontevreden was; maar ik had geen tijd om mij verder daarin te
verdiepen, want het middagmaal was gereed, zoodat wij naar beneden
gingen en op dezelfde wijze plaats namen als den vorigen dag.
Nauwelijks waren wij begonnen, of Uriah Heep stak zijn rood hoofd en
zijne lange, slappe hand door de deur en zeide:

„Daar is mijnheer Maldon, die u een oogenblik wenscht te spreken,
mijnheer.”

„Mijnheer Maldon is juist heengegaan,” zei mijnheer Wickfield.

„Ja, mijnheer,” antwoordde Uriah, „maar mijnheer Maldon is
teruggekomen, en heeft u slechts een paar woorden te zeggen.”

Terwijl hij daar in de deur stond, keek Uriah naar mij, naar Agnes,
naar de schotels, naar alles wat in de kamer was; zoo kwam het mij
tenminste voor—en toch scheen hij naar niets te kijken; zoolang hij
daar stond, maakte hij dezen indruk, terwijl hij zijne bruine oogen
eerbiedig op zijn meester gevestigd hield.

„Neem mij niet kwalijk; ik wilde u alleen maar zeggen dat ik mij reeds
bedacht heb,” klonk eene stem achter Uriah, waarna het roode hoofd
moest plaats maken voor een ander.—„Ik vraag verschooning voor mijn
indringen,—het schijnt wel, dat mij geen andere keus overblijft: hoe
eerder ik dus heenga, hoe beter. Mijn nichtje Annie zei, toen ik er
haar over sprak, dat zij hare vrienden liever in hare nabijheid heeft
dan verbannen, en de oude doctor——”

„Bedoelt gij doctor Strong?” viel mijnheer Wickfield hem op ernstigen
toon in de rede.

„Natuurlijk bedoel ik doctor Strong,” antwoordde de stem. „Ik noem hem
altijd ‚de oude doctor’, dat is hetzelfde, begrijpt gij wel?”

„Ik begrijp het niet,” antwoordde mijnheer Wickfield.

„Welnu dan, doctor Strong dacht er evenzoo over, meen ik. Maar nu mij
uit den loop, dien ons gesprek genomen heeft, gebleken is, dat hij van
opinie veranderd schijnt te zijn, wel, dan is het maar beter dat ik zoo
spoedig mogelijk vertrek. Ik kwam terug om u dat te zeggen. Als men
toch in het water wil springen, waarom zal men dan nog langs den kant
gaan slenteren?”

„Wij zullen zorg dragen, dat gij niet lang behoeft te slenteren,
mijnheer Maldon, reken daarop,” zei mijnheer Wickfield.

„Wel bedankt,” antwoordde de ander. „Zeer verplicht. Het is niet
beleefd een gegeven paard in den bek te zien, maar dit durf ik wel
zeggen, mijn nichtje Annie had het heel anders kunnen regelen. Ik
onderstel dat zij maar tot den ouden doctor had behoeven te zeggen....”

„Gij bedoelt, dat mevrouw Strong slechts tot haar echtgenoot had
behoeven te zeggen.... begrijp ik u zoo goed?” zei mijnheer Wickfield.

„Volkomen,” antwoordde de ander,—„had slechts behoeven te zeggen, dat
zij dit of dat zus of zoo hebben wilde, en het zou zus of zoo geweest
zijn, dat spreekt van zelf.”

„En waarom spreekt dat van zelf, mijnheer Maldon?” vroeg mijnheer
Wickfield, die intusschen kalm doorat.

„Wel, omdat Annie een bekoorlijk jong vrouwtje is, en de oude
doctor—ik bedoel doctor Strong—is volstrekt geen bekoorlijke jonge
man,” antwoordde Jack Maldon lachend. „Ik wil volstrekt niemand
kwetsen, mijnheer Wickfield; ik bedoel alleen, dat in dergelijke
huwelijken eenige schadeloosstelling niet meer dan billijk is.”

„Schadeloosstelling aan eene dame, mijnheer?” vroeg mijnheer Wickfield
op denzelfden ernstigen toon als zoo straks.

„Ja, aan de dame, mijnheer,” antwoordde Jack Maldon nog altijd lachend.
Hij merkte echter op, dat mijnheer Wickfield op dezelfde kalme wijze
met zijn middagmaal voortging en er niet de minste kans bestond om hem
ook maar een spier van zijn onverstoorbaar gelaat te doen vertrekken,
waarom hij er bijvoegde: „Ziezoo, nu heb ik gezegd, waarom ik terugkwam
en vraag nogmaals verschooning voor mijn indringen. Ik ga heen en zal
natuurlijk uw raad opvolgen en deze zaak beschouwen als geheel alleen
tusschen u en mij besproken en er dus bij den doctor over zwijgen.”

„Hebt gij al gegeten?” vroeg mijnheer Wickfield met eene uitnoodigende
beweging zijner hand.

„Dank u, ik ga eten bij mijn nichtje Annie,” zei mijnheer Maldon.
„Goeden middag.”

Zonder op te staan, keek mijnheer Wickfield den vertrekkende peinzend
na. In weerwil van zijn knap uiterlijk, zijne gladde tong en zijne
ongedwongen manieren scheen die mijnheer Jack Maldon mij toch een
oppervlakkig jongmensch toe. Ik had niet verwacht hem zoo spoedig te
zullen zien, toen ik 's morgens doctor Strong zijn naam hoorde noemen.

Toen het middagmaal was afgeloopen, gingen wij naar boven en zag ik de
herhaling van hetgeen ik den vorigen avond had bijgewoond. Agnes zette
de glazen en de karaf in hetzelfde hoekje en mijnheer Wickfield ging
er bij zitten en dronk weder tamelijk veel. Agnes speelde piano voor
hem, zat bij hem te werken en te praten en speelde met mij een paar
spelletjes domino. Toen het tijd was, schonk zij thee en later, toen
ik met mijne boeken beneden kwam, keek zij er eens in en wees mij aan,
wat zij er van kende—zij voegde er bij, dat het weinig was, maar ik
was dat volstrekt niet met haar eens—en vertelde mij wat de beste en
gemakkelijkste wijze was, om ze te leeren begrijpen. Ik zie haar nog
met haar lief gezichtje en hare kalme, bescheiden manieren; ik hoor
nog hare mooie, welluidende stem, terwijl ik dit schrijf. De invloed
ten goede, dien zij in lateren tijd op mij oefende, doet zich weder
gevoelen. Ik heb kleine Emily lief en Agnes niet—neen, volstrekt niet
op dezelfde wijze—maar ik voel, dat waar Agnes is, daar is zachtheid,
waarheid en vrede; het zachte, getemperde licht van het geschilderde
venster, dat ik ergens gezien heb, lang geleden, ligt altijd over haar
verspreid en beschijnt ook mij en alles, waarmede zij in aanraking komt.

Toen het tijd was voor haar om naar bed te gaan en zij ons verlaten
had, gaf ik mijnheer Wickfield eene hand en maakte mij ook gereed om
mijn kamertje op te zoeken. Hij hield mij echter terug en vroeg: „Zoudt
gij gaarne bij ons blijven, Trotwood, of liever elders heengaan?”

„Blijven,” antwoordde ik haastig.

„Zijt gij daar zeker van?”

„O, ja.... als ik mag!”

„Het is hier anders een eentonig leven, mijn jongen.”

„Voor mij toch niet eentoniger dan voor Agnes, mijnheer. Volstrekt
niet vervelend.”

„Dan voor Agnes,” herhaalde hij, langzaam naar den grooten
schoorsteenmantel wandelend. „Dan voor Agnes!”

Hij had dien avond, naar het mij voorkwam, veel wijn gedronken, want
zijne oogen waren met bloed doorloopen. Op dit oogenblik, terwijl hij
daar tegen den schoorsteen geleund stond, kon ik ze niet zien, want hij
hield ze half dicht en bedekte ze met de hand; maar ik had het te voren
reeds opgemerkt.

„Het zal mij verwonderen,” mompelde hij binnensmonds, „of Agnes mij
niet moede zal worden. Maar hoe zou ik ooit Agnes moede worden! Maar,
enfin, dat is ook heel wat anders..... heel wat anders.”

Hij sprak in zich zelven—niet tegen mij; ik bewaarde dus het
stilzwijgen.

„Een vervelend ouderwetsch huis,” zei hij, „en een eentonig leven; maar
ik moet haar altijd bij mij hebben. Ik moet haar dicht bij mij houden.
Wanneer de gedachte, dat ik sterven kan en mijn lieveling alleen
achterlaten, of dat zij sterven kan en mij achterlaten als een spook
voor mij oprijst, kan ik die alleen verdrijven door....” Hij sprak het
woord niet uit, maar wandelde langzaam naar zijne plaats terug, nam
werktuigelijk de ledige karaf op en deed alsof hij zijn glas volschonk,
waarna hij weder even langzaam naar den schoorsteen terugwandelde.

„Het is al zoo zwaar te dragen, wanneer zij bij mij is,” mompelde hij
weder, „hoe zou het dan zijn, wanneer zij was heengegaan? Neen, neen,
dat zou ik niet uithouden.”

Hij stond daar zoo lang te peinzen bij den schoorsteen, dat ik niet
wist of ik hem uit dien staat van halve verdooving zou wekken door heen
te gaan, of zou blijven zwijgen tot hij er van zelf uit zou ontwaken.
Eindelijk werd hij wakker en keek de kamer rond, tot zijn oog op mij
viel.

„Blijf bij ons, Trotwood, hoor,” zei hij, op een toon alsof hij
antwoord gaf op iets, dat ik juist had gezegd.

„Het zal mij veel genoegen doen. Gij kunt ons beiden gezelschap houden.
Het is aangenaam voor mij u bij ons te hebben, het is ook aangenaam
voor Agnes en wellicht voor ons alle drie.”

„Voor mij is het zeker aangenaam,” zei ik. „Ik ben heel blijde, dat gij
mij bij u wilt houden.”

„Gij zijt een beste jongen,” antwoordde hij, „en zoo lang gij gaarne
bij ons blijft, moogt gij dat ook.” Hij schudde mij de hand, klopte
mij op den rug en zei dat, als ik 's avonds, wanneer Agnes naar bed
was, nog wat wilde lezen of iets anders doen, ik dan in zijn kamer kon
komen zitten, als hij thuis was en ik gaarne gezelschap wilde hebben.
Ik bedankte hem voor dit vriendelijk aanbod en toen hij een oogenblik
later naar beneden ging, volgde ik hem met een boek, ten einde reeds
dadelijk van zijne toestemming gebruik te maken. Ik zag echter licht
in het kleine ronde kantoortje en voelde mij onmiddellijk aangetrokken
tot Uriah Heep, die eene zekere toovermacht op mij oefende, en ging er
binnen. Uriah zat met zulk een ingespannen aandacht in een groot, dik
boek te lezen, dat zijn lange wijsvinger de regels volgde, terwijl hij
las, en kleverige afdruksels achterliet op het papier, alsof er een
slak over geloopen had.

„Gij werkt nog laat,” zei ik binnenkomende.

„Ja, jongeheer Copperfield, dat moet ik ook,” antwoordde hij.

Terwijl ik op een hoogen kantoorstoel tegenover hem plaats nam, ten
einde meer op mijn gemak met hem te kunnen praten, merkte ik op, dat
hij eigenlijk niet kon glimlachen, maar alleen zijn mond breeder
maakte, zoodat er zich aan weerszijden twee plooien in zijne wangen
vertoonden.

„Ik doe nu geen kantoorwerk, jongeheer Copperfield,” zei Uriah.

„Wat doet gij dan?” vroeg ik.

„Ik ben bezig mij een weinig in de rechtsgeleerdheid te bekwamen,
jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Ik lees nu in ‚Tidd's
Practice’. Die Tidd moet een geleerd man zijn geweest, jongeheer
Copperfield!”

Van mijne hooge zitplaats af had ik de beste gelegenheid om hem
aandachtig gade te slaan, toen hij na dezen geestdriftigen uitroep
weder begon te lezen en zijn wijsvinger de regels liet volgen; ik
merkte toen op, dat zijne dunne, scherpe neusvleugels zich regelmatig
uitzetten en samentrokken, hetgeen het onaangename en afstootende
in zijn uiterlijk nog verhoogde. Ook merkte ik op, dat er in zijne
neusvleugels even veel en even lange gleufjes of kloofjes waren en dat
de beweging, die hij er mede deed, waarschijnlijk het knipoogen van
andere menschen verving, want zijne oogen bleven altijd wijd geopend.

„Gij zult zeker wel spoedig een knap rechtsgeleerde zijn?” vroeg ik, na
hem eenigen tijd te hebben gadegeslagen.

„Maar, jongeheer Copperfield!” riep hij. „O, neen, daarvoor ben ik veel
te nederig.”

Hetgeen ik omtrent zijne handen had opgemerkt, was geen verbeelding,
dat zag ik nu; want hij wreef telkens de binnenvlakken tegen elkander,
alsof hij ze droog en warm wilde wrijven en ook veegde hij ze meermalen
heimelijk met zijn zakdoek af.

„O, ik weet, dat ik de nederigste persoon van de wereld ben,” zei Uriah
zoo bescheiden mogelijk, „laat de ander wezen, wie hij wil. Mijne
moeder is ook heel nederig. Wij hebben eene nederige woning, jongeheer
Copperfield, maar zijn uiterst dankbaar. Mijn vader had ook een nederig
beroep; hij was doodgraver.”

„En wat is hij nu?” vroeg ik.

„Hij is nu deelgenoot van de heerlijkheid Gods, jongeheer Copperfield,”
antwoordde hij. „Wij hebben echter veel reden tot dankbaarheid. Hoe
dankbaar moet ik niet zijn, dat mijnheer Wickfield mij wel bij zich op
het kantoor heeft willen nemen!”

Ik vroeg of hij al lang bij mijnheer Wickfield was. „Ik ben reeds
vier jaar bij mijnheer Wickfield,” zei hij, terwijl hij het dikke boek
sloot na zorgvuldig te hebben aangeteekend, waar hij gebleven was. „Een
jaar na mijns vaders dood kwam ik bij mijnheer Wickfield. Ik ben er
zoo dankbaar voor. Hoe dankbaar moet ik mijnheer Wickfield niet zijn,
dat hij een contract met mij heeft willen sluiten; mijne moeder en ik
hadden gedacht, dat wij daarvoor veel te nederig zouden zijn.”

„Wanneer uw contract is afgeloopen, wordt gij zeker zelf notaris?”
vroeg ik.

„Zoo God wil, ja, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah.

„Gij wordt dan misschien wel compagnon van mijnheer Wickfield,” ging
ik voort om hem iets aangenaams te zeggen; „dan lezen wij Wickfield en
Heep, of Heep, voorheen Wickfield.”

„O neen, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij hoofdschuddend,
„daarvoor ben ik veel te nederig.”

Terwijl hij daar zoo zat in al zijne nederigheid, mij met schuinsche
blikken aanstarend, met zijn breeden mond en de plooien in de wangen,
geleek hij sprekend op een van de gezichten aan de uiteinden der balken
aan de buitenzijde van het huis.

„Mijnheer Wickfield is een uitmuntend mensch, jongeheer Copperfield,”
zei Uriah. „Als gij hem wat langer kent zult gij dat ook zeggen, daar
ben ik zeker van; hij is veel beter dan de meeste menschen.”

Ik antwoordde, dat ik daarvan overtuigd was, al kende ik hem nog niet
lang, maar dat hij een vriend was van mijne tante.

„O, zeker, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Uwe tante is een
allerliefst mensch, jongeheer Copperfield.”

Hij had eene manier om zich te wringen, wanneer hij het noodig vond
iets met geestdrift te zeggen, die mij afkeer inboezemde; mijne
aandacht werd dientengevolge afgetrokken van het compliment, dat hij
mijne tante gemaakt had, en geheel ingenomen door zijne slangachtige
kronkelingen.

„Een allerliefste dame, jongeheer Copperfield,” herhaalde Uriah.
„Zij schijnt een en al bewondering te zijn van jongejuffrouw Agnes,
jongeheer Copperfield.... tenminste ik meen dat opgemerkt te hebben.”

Ik antwoordde stoutweg „Ja,” hoewel ik er niets van had opgemerkt. De
Hemel moge 't mij vergeven!

„Ik hoop dat gij ook in bewondering van haar zijt, jongeheer
Copperfield... o, ik weet zeker dat gij het zijt.”

„Dat moet iedereen wel zijn,” antwoordde ik.

„O, ik dank u, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „voor dit oordeel.
Het is zoo waar! Zoo nederig als ik ben, weet ik dat het waar is! O, ik
dank u, jongeheer Copperfield!”

Hij wrong zich half van zijn stoel in zijne opgewondenheid, en toen hij
er af was begon hij zich gereed te maken om te vertrekken.

„Moeder zal mij wachten,” zei hij op zijn horloge kijkend, waarvan het
glas zoo dof was, dat de wijzers bijna niet waren te onderscheiden,
„en zich misschien ongerust maken; want al zijn wij nederig, jongeheer
Copperfield, wij zijn toch zeer aan elkander gehecht. Als gij ons een
bezoek zoudt willen brengen en een kop thee gebruiken in onze nederige
woning, zou moeder even trotsch op uw gezelschap zijn als ik.”

Ik beloofde hem te zullen komen.

„Dank u, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, het dikke boek op
eene plank leggend.

„Ik onderstel, dat gij hier eenigen tijd blijven zult, jongeheer
Copperfield?”

Ik zei, dat ik hier vermoedelijk mijn geheelen schooltijd zou
doorbrengen.

„Zoo, waarlijk!” riep Uriah uit. „Dan zult gij zeker later in de zaak
komen, jongeheer Copperfield!”

Ik gaf te kennen, dat dergelijke plannen nog nooit in mij waren
opgekomen en dat vermoedelijk niemand ooit aan zoo iets had gedacht,
maar Uriah beantwoordde al mijne verzekeringen door telkens op
walgelijk zoeten toon te herhalen: „O, jawel, jongeheer Copperfield,
ik geloof het zeker! O, jawel, jongeheer Copperfield, ik geloof het
zeker!” Toen hij eindelijk gereed was om huiswaarts te gaan, vroeg hij
of hij het licht maar zou uitdraaien en op mijn toestemmend antwoord,
deed hij het oogenblikkelijk. Wij gaven elkander de hand—ik had een
gevoel alsof ik een kikvorsch in de mijne kreeg—en toen opende hij de
deur, die op de straat uitkwam, halverwege, wrong zich door de opening
heen en sloot de deur weder; terwijl hij mij in de duisternis den weg
liet zoeken in huis. Ik kon dien slechts met moeite vinden, na mij
duchtig bezeerd te hebben door een val over zijn stoel. Dit was, naar
ik meen, de naaste aanleiding, waarom ik bijna den geheelen nacht van
hem droomde; zoo, bijvoorbeeld, dat hij met de schuit van baas Peggotty
op zeeroof was uitgegaan, met eene zwarte vlag in de mast, waarop
geschreven stond: „Tidd's Practice”, en dat hij Emily en mij medenam
om ons in de Spaansche golf te verdrinken.

Den volgenden dag voelde ik mij op school reeds wat beter op mijn gemak
en den daarop volgenden dag nog beter: mijne verlegenheid verdween en
was eindelijk geheel geweken, zoodat ik mij na veertien dagen al geheel
thuis voelde onder mijne nieuwe kameraden. Wel was ik nog onhandig
in hunne spelen en achterlijk in het leeren; maar de gewoonte zou
mij wel behendiger maken en door hard te leeren zou ik het verzuimde
wel inhalen. Zoo hoopte ik ten minste. Ik legde mij dus met grooten
ijver toe, zoowel op het spel als op de studie, en werd meer dan eens
geprezen. Het duurde dan ook niet lang of het leven bij Murdstone
en Grinby kwam mij als een droom of een sprookje voor, terwijl mijn
tegenwoordige leven mij zoo gewoon toescheen, alsof ik jaren achtereen
geen ander gekend had.

De school van doctor Strong was uitmuntend en geleek even weinig op
die van mijnheer Creakle als goed op kwaad gelijkt. Alles was er goed
en ordelijk geregeld volgens een gezond systeem; in alle dingen werd
gerekend op het eergevoel en de goede trouw van de jongens; zoolang zij
zich dit niet onwaardig toonden, wisten zij, dat men het bezit van deze
eigenschappen op den voorgrond stelde en dit deed wonderen. Wij voelden
allen, dat wij mede verantwoordelijk waren voor den goeden naam van de
inrichting. Dientengevolge waren wij aan onze school gehecht—ik was
dit ten minste en ik herinner mij uit mijn tijd geen enkelen jongen,
die het niet was—en leerden met den grootsten ijver, ten einde den
naam van de school hoog te houden. Buiten de schooltijden werd ons veel
vrijheid gelaten en konden wij ons met allerlei spelen bezig houden;
maar men prees ons, zooals ik later hoorde, algemeen in de stad en
zelden gaven wij aanleiding tot een minder gunstig oordeel over doctor
Strong of over doctor Strong's scholieren.

Eenige van de oudste scholieren waren bij doctor Strong in den kost
en door hen vernam ik—dus uit de tweede hand—eenige bijzonderheden
van doctor Strong's geschiedenis; zoo o. a. dat hij ongeveer een jaar
geleden getrouwd was met het mooie jonge vrouwtje, dat ik in zijne
studeerkamer had gezien; dat zij geen shilling in de wereld bezat
doch wel eene geheele kolonie van arme bloedverwanten, die er op uit
waren den doctor uit huis en hof te verdrijven, maar—dat hij haar uit
liefde getrouwd had. Ook vernam ik dat de peinzende uitdrukking op het
gelaat van doctor Strong het gevolg was van zijn zoeken naar Grieksche
wortels, hetgeen ik in mijne onschuld en mijne onwetendheid voor eene
botanische liefhebberij van den doctor hield, te meer wijl hij altijd
naar den grond keek op zijne wandelingen; tot ik tot de ontdekking kwam
dat hij wortels van woorden zocht, ten einde een nieuw woordenboek
samen te stellen. Adams, de oudste jongen, die heel ver in de wiskunde
was, had eene berekening gemaakt van den tijd, dien doctor Strong, als
hij op deze wijze voortging, zou noodig hebben om het woordenboek te
voltooien en was tot het besluit gekomen, dat het, gerekend van des
doctors laatsten of twee-en-zestigsten verjaardag, in een duizend zes
honderd negen-en-veertig jaar gereed kon zijn.

De doctor was de afgod van de geheele school en het gehalte van de
jongens moest al zeer slecht geweest zijn, als hij dat niet geweest
was, want hij was de vriendelijkste man, dien men zich bedenken kan;
bovendien was hij zoo eenvoudig en waar, dat zelfs de harten van de
steenen vazen op den muur er door getroffen moesten worden. Wanneer hij
op het voorplein heen en weer wandelde, waar de kraaien en kauwen hem
met het kopje op zijde nastaarden, alsof zij wel wisten, hoeveel beter
zij op de hoogte waren van hetgeen er in de wereld te koop was dan hij,
en een of andere bedelaar kans zag dicht genoeg bij zijne krakende
schoenen te komen om hem een wanhopend verhaal van zijne armoede op te
disschen, was die bedelaar voor de volgende twee dagen weder geholpen.
Dit was zoo bekend in huis, dat de onderwijzers en de oudste jongens
hun best deden, om dien vagebonden den pas af te snijden en uit het
venster springende, hen van het voorplein te verjagen, eer zij hunne
tegenwoordigheid aan den doctor hadden kunnen verraden; somtijds
gebeurde dit op eenige ellen van hem af, zonder dat hij er iets van
bemerkte. Buiten zijn domein en onbeschermd, was hij als een schaap
in handen van de scheerders. Hij zou zijne slobkousen uitgetrokken en
weggegeven hebben. Inderdaad ging er een verhaal onder ons rond—ik
weet volstrekt niet en heb ook nooit geweten wie er de zegsman van was,
maar ik heb er zooveel jaren geloof aan geslagen dat ik overtuigd ben
van de waarheid—dat hij op zekeren kouden winterdag zijne slobkousen
aan eene bedelaarster had gegeven, die daarna in de buurt niet
weinig schandaal verwekte, door met een heel klein kindje, in deze
kleedingstukken gewikkeld, van deur tot deur te gaan; want iedereen
kende doctor Strong's slobkousen, waarvan hij onafscheidelijk was. De
legende zegt, dat hij de eenige persoon was, die ze niet herkende,
toen ze korten tijd later aan de deur van een slecht befaamden
uitdragerswinkel te koop hingen, waar dergelijke zaken in ruil werden
genomen voor jenever; dat hij zelfs meermalen voor dien winkel bleef
staan en ze met een goedkeurenden blik betastte, alsof het fatsoen iets
nieuws voor hem was, iets dat beter was dan die welke hij zelf droeg.

Het was alleraardigst den doctor te zien met zijne jonge vrouw. Er was
iets vaderlijks, iets welwillends in de wijze, waarop hij haar zijne
teederheid toonde, waaruit alleen reeds was op te maken, dat hij een
goedhartig man was. Menigmaal zag ik hen samen wandelen in den tuin bij
de perziken, en somtijds kon ik hen nog nauwkeuriger gadeslaan in de
studeerkamer of de huiskamer. Het scheen mij toe dat zij zeer bezorgd
was voor den doctor en veel van hem hield, ofschoon ik niet geloof, dat
zij veel belang stelde in zijn woordenboek, waarvan de doctor altijd
eenige lijvige brokstukken in zijne zakken of in de voering van zijn
hoed had, die hij haar dan onder het wandelen trachtte uit te leggen.

Ik zag mevrouw Strong dikwijls, zoowel omdat zij een soort van
moederlijke genegenheid voor mij had opgevat dien morgen, toen ik mijne
intrede deed op de school, later altijd heel vriendelijk voor mij was
en veel belang in mij bleef stellen, als omdat zij dol veel hield van
Agnes, bij wie ik haar ook later nog dikwijls ontmoette. Tusschen haar
en mijnheer Wickfield, voor wien zij bang was naar het mij toescheen,
bestond een gedwongen verhouding, die ook door den tijd niet beter
werd. Wanneer zij daar nu en dan een avond doorbracht, deed zijn aanbod
om haar thuis te brengen, haar telkens weder van schrik ineenkrimpen,
en dan snelde zij gewoonlijk ijlings met mij weg. Somtijds, als wij
vroolijk over het plein voor de domkerk wandelden, denkende niemand te
zullen ontmoeten, kwamen wij Jack Maldon tegen, die dan altijd zeer
verrast was ons te zien.

De mama van Mevrouw Strong was eene dame, die ons niet weinig
vermaakte. Zij heette mevrouw Markleham, maar de jongens noemden haar
nooit anders dan „de oude Overste”, omdat zij zulk een kranig, militair
figuur had en zoo behendig hare familieleden tegen den doctor in het
strijdperk wist te brengen. Zij was een klein vrouwtje met tintelende
oogjes en droeg schijnbaar steeds dezelfde muts, opgemaakt met eenige
kunstbloemen en twee kunstkappelletjes, die om de bloemen moesten
fladderen. Onder ons had het bijgeloof wortel geschoten, dat deze muts
in Frankrijk vervaardigd moest zijn en alleen door deze vernuftige
natie kon zijn uitgevonden; maar het eenige, dat ik zeker weet, was,
dat waar mevrouw Markleham zich ook vertoonde de muts ook tegenwoordig
was; dat zij die naar vriendschappelijke samenkomsten meebracht in een
Oostersch mandje; dat de kappelletjes altijd in beweging waren en in de
woning van doctor Strong veeleer nijvere bijtjes geleken, die zich ten
koste van den doctor te goed deden.

Ik had het voorrecht „de oude Overste”—men zal toch niets oneerbiedigs
zoeken in deze benaming—eens te kunnen gadeslaan op zekeren avond, die
onvergetelijk voor mij is gebleven om nog een ander voorval, dat ik zal
vertellen. Het was de avond, waarop de doctor een partijtje gaf naar
aanleiding van Jack Maldon's vertrek naar Indië—hij zou daarheen gaan
als.... ja, dat weet ik niet; mijnheer Wickfield had die zaak in orde
gebracht. Dit feestje viel toevallig samen met den verjaardag van den
doctor. Wij hadden dien dag vacantie gehad, hem 's morgens cadeautjes
gegeven, een toespraak tot hem gehouden bij monde van den oudsten
jongen en „lang zal hij leven” geroepen tot wij heesch waren en bij hem
de waterlanders verschenen. En 's avonds dronken mijnheer Wickfield,
Agnes en ik thee in zijne studeerkamer.

Mijnheer Jack Maldon was er reeds vóór ons. Mevrouw Strong, gekleed in
eene witte japon met kersrood garneersel, zat piano te spelen toen wij
binnenkwamen en Maldon sloeg de bladen om van het muziekstuk. Naar het
mij voorkwam zag zij er niet zoo frisch en bloeiend uit als gewoonlijk;
maar toch was zij mooi, o zoo mooi!

Toen wij hadden plaats genomen, zei de mama van mevrouw Strong: „ik heb
vergeten, doctor, u het compliment van den dag te maken; hoewel, zooals
gij wel begrijpen kunt, mijn gelukwensch meer dan een vorm is. Ik hoop
dat gij dezen dag nog dikwijls zult beleven.”

„Dank u, mevrouw,” zei de doctor.

„Dikwijls, heel, heel dikwijls,” herhaalde de oude Overste. „En niet
alleen ter wille van u zelven, maar ook ter wille van Annie, van Jack
Maldon en van zooveel anderen. Het heugt mij nog, John, alsof het
gisteren gebeurd was, dat ik u als kleine jongen, nog een hoofd kleiner
dan jongeheer David, met Annie achter de bessenstruiken bruid en
bruidegom zag spelen.”

„Maar lieve mama,” zei mevrouw Strong, „laat die herinneringen toch
rusten.”

„Maar, lieve Annie,” antwoordde hare moeder, „wees toch niet dwaas. Als
gij nu nog bloost over zulke dingen, nu gij een oude getrouwde vrouw
zijt, wanneer zult gij dan niet meer blozen?”

„Oud?” riep mijnheer Maldon uit. „Annie oud? Kom!”

„Ja John!” hernam de oude Overste. „Wel degelijk, een oude getrouwde
vrouw. Al is uw nichtje niet oud in jaren—wie heeft ooit beweerd
dat een meisje van twintig jaren oud is!—zij is eene oude getrouwde
vrouw, omdat zij de vrouw is van doctor Strong. Het is heel goed voor
u, John, dat uw nichtje nu de vrouw is van den doctor. Gij hebt in
hem een invloedrijken, welwillenden vriend gevonden, die—dat durf ik
voorspellen—nog welwillender voor u zijn zal dan gij verdient. Ik
aarzel nooit te bekennen dat sommige leden van onze familie zulk een
vriend behoeven. Gij zelf behoordet onder hen, eer uwe nicht u door
haar invloed zulk een vriend bezorgde.”

Doctor Strong gaf in zijne goedhartigheid een teeken met de hand, als
wilde hij zeggen, dat hetgeen hij voor Jack Maldon gedaan had niets
beteekende en hij hem de herinnering daaraan wilde besparen. Mevrouw
Markleham verwisselde echter van zitplaats en ging naast den doctor
zitten, legde de hand, waarin zij haar waaier had, op zijn arm en zei:

„Neen, beste doctor, waarlijk, gij moet mij toestaan daarover nog eens
uit te weiden, want het heeft mij zoo diep getroffen. Ik denk er steeds
aan en moet er altijd over spreken; het wordt eene manie bij mij. Gij
zijt onze reddende engel geweest, begrijpt gij?”

„Dwaasheid, dwaasheid,” zei de doctor.

„Neen, neen, ik vraag wel excuus;” ging de oude Overste voort. „Nu hier
niemand tegenwoordig is dan onze brave en vertrouwde vriend, mijnheer
Wickfield, kan ik er onmogelijk over zwijgen. Als gij zoo spreekt
zal ik van mijn recht als schoonmoeder gebruik maken en u bekijven.
Ik spreek oprecht en zeg niets anders dan ik meen. Hetgeen ik zeg is
hetzelfde als wat ik zeide, toen gij mij zoo verbaasd deedt staan—gij
weet hoe verbaasd ik was—met uw aanzoek om Annie. Niet dat die vraag
zoo zonderling was—het zou belachelijk zijn dit te zeggen!—maar omdat
gij haar armen vader gekend hebt en ook haar gekend hebt van een kind
van zes maanden af; daarom had ik nooit gedacht dat gij nog eens mijn
schoonzoon worden zoudt, ja, eigenlijk had ik gedacht, dat gij nooit
meer trouwen zoudt—dat was het alleen, begrijpt gij?”

„Ja wel, ja wel,” antwoordde de doctor vroolijk. „Laat dat nu maar
rusten.”

„Maar ik kan het niet laten rusten,” hernam mevrouw Markleham, terwijl
zij den waaier op zijne lippen legde. „Ik denk er steeds aan. Ik spreek
er over, opdat men mij zou kunnen tegenspreken als ik ongelijk heb.
Welnu! Ik sprak met Annie en vertelde haar wat er was voorgevallen.
‚Lieve’, zei ik, ‚doctor Strong is hier geweest en heeft zoo waarlijk
eene mooie liefdesverklaring aan u gedaan en u ten huwelijk gevraagd?’
Heb ik toen het minst invloed geoefend op haar? Neen. Ik zei: ‚Wel,
Annie, vertel mij eens, is uw hart nog vrij?’ ‚Mama’, antwoordde
zij schreiend, ‚ik ben nog zoo vreeselijk jong’—dat was de zuivere
waarheid—‚ik weet niet of ik eigenlijk wel een hart heb?’ ‚Dan’,
zei ik, ‚kunt gij er op aan, kindlief, dat het vrij is. In elk geval
moet doctor Strong, die erg zenuwachtig is, spoedig antwoord hebben.
Wij mogen hem niet lang in het onzekere laten.’ ‚Mama’, vroeg Annie,
‚zou hij ongelukkig zijn als ik zijn aanbod afsloeg? Als dat zoo is,
dan.... ik acht hem zoo hoog.... dan zal ik hem nemen!’—En toen was
de zaak beklonken!—En toen, niet eerder, zei ik tegen Annie: ‚Annie,
doctor Strong zal niet alleen de plaats van een echtgenoot, maar ook
die van uw overleden vader vervullen; hij zal het hoofd worden van
de geheele familie, want hij is de wijste, de aanzienlijkste en, ik
mag zeggen, ook de vermogendste van de familie en zal, in het kort,
onze reddende engel zijn.’—Ik gebruikte dat woord toen en ik heb het
heden weer gebruikt. Wat men dus van mij zeggen mag, ik kan niet van
wispelturigheid beschuldigd worden.”

Het jonge vrouwtje had gedurende deze geheele redevoering stil en
zwijgend naar den grond zitten kijken en haar neef stond naast haar en
keek ook naar den grond. Heel zachtjes en met bevende stem sprak zij
nu: „Ik hoop dat gij nu aan het einde zijt, mama?”

„Neen, lieve Annie,” antwoordde de Overste, „ik ben nog niet aan het
einde. Omdat gij het mij vraagt, lieve, moet ik antwoorden dat ik nog
niet alles gezegd heb. Ik moet mij over u beklagen omdat gij een weinig
onnatuurlijk zijt tegenover uwe eigen familie en aangezien het mij niet
baat of ik al bij u mijn beklag indien, zal ik het bij uw echtgenoot
doen. Kijk dat onnoozele vrouwtje nu eens goed aan, beste doctor.”

Toen de doctor zijn vriendelijk gelaat met den eenvoudigen,
welwillenden glimlach naar haar toekeerde boog zij het hoofd nog
dieper. Ik zag ook dat mijnheer Wickfield haar voortdurend gadesloeg.

„Toen ik laatst eens aan dat ondeugende ding vertelde,” ging hare
moeder voort, terwijl zij het hoofd schudde en haar met haar waaier
dreigde, „dat er eene zekere omstandigheid in de familie was, die
zij u eens moest meedeelen—ik meen zelfs verplicht was u mede te
deelen—antwoordde zij dat dit hetzelfde was als u eene gunst te
vragen, en aangezien gij zoo goed zijt en al hare wenschen zelfs
voorkomt, wilde zij het niet doen.”

„Maar, lieve Annie,” zei de doctor. „Dat was niet goed van u. Gij hebt
mij van een genoegen beroofd.”

„Bijna dezelfde woorden, die ik tot haar gesproken heb!” riep mevrouw
Markleham uit. „Nu, als er weder zoo iets is en zij het u niet
vertellen wil, waarde doctor, dan heb ik grooten lust het u zelve te
vertellen.”

„Ik zal heel blijde zijn als gij dat wilt doen,” antwoordde doctor
Strong.

„Zult ge waarlijk?”

„Zeker!”

„Welnu, dan doe ik het ook!” zei de oude Overste.

„Dat is afgesproken!”

Naar ik onderstelde was zij nu waar zij wezen wilde; zij klopte
den doctor eenige malen met haar waaier—waarop zij eerst een kus
drukte—op de hand en keerde met een zegevierend gelaat naar hare
eerste plaats terug.

Er kwamen nu langzamerhand meer menschen, o. a. de twee onderwijzers en
Adams, zoodat het gesprek meer algemeen werd; natuurlijk werd het op
Jack Maldon gebracht, op zijne reis, op het land, waarheen hij vertrok,
op zijne plannen en vooruitzichten. Hij zou dien zelfden avond met de
postkar naar Gravesend vertrekken, waar het schip lag, waarmede hij de
reis zou maken, en—als hij niet met verlof of wegens ziekte naar huis
kwam—zou hij, ik weet niet hoeveel jaren wel, uitblijven. Ik herinner
mij nog hoe men het algemeen eens was, dat de meeste menschen zich eene
verkeerde voorstelling maken van Indië en het een heerlijk land was,
behalve dat er een paar tijgers waren en het er wat warm was op het
midden van den dag. Wat mij zelven aangaat, ik zag in Mijnheer Maldon
een modernen Sinbad, en stelde mij hem nu reeds voor als de vriend van
alle Radjah's in het Oosten, zittende onder een troonhemel, uit gouden
pijpen rookend, die, recht getrokken, wel een mijl lang waren.

Mevrouw Strong had een mooie stem; ik wist dit, want ik had haar, als
zij alleen was, dikwijls hooren zingen. Maar, of zij niet gaarne in
gezelschap zong of niet goed bij stem was, zij kon dien avond niet
zingen. Zij beproefde een duet met Jack Maldon, maar bracht het niet
verder dan den eersten regel; en later toen zij het alleen wilde
beproeven, begaf de stem haar plotseling en bleef zij verdrietig zitten
met het hoofd over de toetsen gebogen. De goede doctor zei dat zij wat
zenuwachtig was, en stelde, om de aandacht van haar af te leiden, een
gezelschapsspel met kaarten voor, waarvan hij evenveel verstand had als
van het bespelen der trombone. Ik bemerkte echter dat de oude Overste
onmiddellijk beslag op hem legde en een compagnieschap met hem aanging,
waarvoor hij echter beginnen moest, haar al het zilvergeld te geven,
dat hij in den zak had.

Wij speelden heel prettig en amuseerden ons het meest met de
vergissingen van den doctor, die hij elk oogenblik beging, in weerwil
van de waakzaamheid der kappelletjes en tot groote teleurstelling van
hare eigenares. Mevrouw Strong had afgezien van het spel, omdat zij
zich niet wel voelde, en Jack Maldon speelde niet mede, omdat hij nog
het een of ander te pakken had. Toen hij daarmede gereed was, kwam hij
terug en ging met mevrouw Strong op de canapee zitten praten. Van tijd
tot tijd stond zij eens op en keek dan over den schouder van den doctor
heen, om hem te zeggen wat hij spelen moest. Zij was erg bleek en ik
meende zelfs den vinger, waarmede zij de kaart aanwees, te zien beven;
maar de doctor was verrukt over hare oplettendheid en scheen van hare
bleekheid niets op te merken.

Aan het souper waren wij niet meer zoo vroolijk. Iedereen scheen
te voelen dat het geen gewone reis was, die een der gasten ging
ondernemen, en hoe meer het uur van vertrek naderde, hoe gedrukter de
stemming werd, waarin het gezelschap scheen te verkeeren. Mijnheer
Maldon deed zijn best om zoo spraakzaam mogelijk te zijn, maar hij
was niet op zijn gemak en maakte de zaak nog erger. Ook de oude
Overste, die telkens voorvallen uit mijnheer Maldon's jeugd ophaalde,
had beter gedaan te zwijgen. De doctor daarentegen, die—daarvan ben
ik overtuigd—in de meening verkeerde, dat iedereen zich uitstekend
amuseerde, had zelf het grootste pleizier en vermoedde niets van eene
gedrukte stemming.

„Annie, lieve,” zei hij, na op zijn horloge gekeken en zijn glas gevuld
te hebben, „het is al meer dan tijd voor uw neef, en wij moeten hem
niet ophouden, want de tijd en het getij, die beide in deze zaak
betrokken zijn, wachten niet. Mijnheer Jack Maldon,” ging hij voort met
het glas in de hand, „gij hebt eene lange reis en een vreemd land voor
u, maar menigeen heeft dat voor zich en zal dit nog voor zich hebben in
den loop der tijden. De winden, die gij gaat tarten, hebben duizenden
en duizenden naar hun geluk gevoerd en evenveel duizenden gelukkig
teruggebracht.”

„Het is toch aandoenlijk,” zei mevrouw Markleham—„hoe men de zaak ook
bekijkt, het is aandoenlijk—een netten jongen man, dien men van zijne
prilste jeugd af heeft gekend, naar het andere einde van de wereld te
zien vertrekken, allen, die hij lief heeft achterlatende en zonder te
weten, wat vóór hem ligt. Een jonge man, die zich zooveel opofferingen
getroost, verdient wel dat men hem voortdurend”—bij deze woorden keek
zij den doctor aan—„hulp en steun verleent.”

„De tijd zal voor u omvliegen,” vervolgde de doctor, „evenals voor
ons. Volgens den natuurlijken loop der dingen kunnen sommigen van ons
nauwelijks verwachten u bij uwe terugkomst te begroeten. Het beste is
het te hopen en—dat doe ik ook. Ik zal u niet vermoeien met allerlei
raadgevingen; gij hebt te lang reeds een goed voorbeeld gehad in uwe
nicht Annie—tracht hare deugden na te streven.”

Mevrouw Markleham scheen het erg benauwd te krijgen, want zij schermde
druk met haar waaier en schudde telkens het hoofd.

„Vaarwel, Jack,” zoo eindigde de doctor opstaande, welk voorbeeld
door ons allen gevolgd werd. „Wij wenschen u eene voorspoedige reis,
eene prachtige loopbaan daar ginds aan de overzijde en een behouden
terugkomst!”

Wij ledigden allen ons glas na dezen toast en schudden mijnheer Jack
Maldon hartelijk de hand, waarna hij haastig afscheid nam van de
aanwezige dames en naar de deur snelde, waar hij ontvangen werd
met luide hoezee's van de jongens, die zich daartoe buiten hadden
opgesteld. Ten einde hunne gelederen te versterken, voegde ik mij bij
hen en was vlak bij de postkar, toen deze wegreed; nimmer zal ik den
indruk vergeten, dien ik kreeg, toen ik daar Jack Maldon met een
ontroerd gezicht en iets roods in zijne hand zag vertrekken.

Na nog een hoezee! voor den doctor en nog een voor de doctorsvrouw,
verdwenen de jongens en ging ik in huis terug, waar ik de gasten allen
om den doctor vereenigd vond, pratende over de wijze, waarop Jack
Maldon was heengegaan, hoe hij zich gehouden had en wat hij gevoeld
moest hebben en zoo meer. Te midden van deze woordenwisseling riep
mevrouw Markleham eensklaps: „Waar blijft Annie toch?”

Maar Annie was er niet en toen wij haar overal riepen, gaf zij geen
antwoord. Allen stormden de deur uit om haar te zoeken en eindelijk
vonden wij haar in de gang liggen. In het eerst was de schrik
onuitsprekelijk tot men ontdekte, dat het eene gewone flauwte was, die
onmiddellijk week voor de gewone middelen. De doctor had haar hoofd op
zijne knie gelegd, streek de krullen zacht uit haar gelaat en zei, den
kring rondkijkende: „Arme Annie! Zij is zoo trouw en zoo teerhartig!
Zonder twijfel is het vertrek van den speelgenoot harer jeugd, van haar
liefsten neef, er de oorzaak van. Het is jammer! Het spijt mij zeer!”

Toen zij de oogen opende en zag waar zij was en hoe wij allen om haar
heen stonden, richtte zij zich met een weinig hulp op en terwijl zij
dit deed, wendde zij het hoofd om en legde het op den schouder van den
doctor—of verborg het—dat weet ik niet zeker. Wij gingen naar het
salon, ten einde haar met den doctor en haar moeder alleen te laten,
maar zij zeide dat zij, naar het scheen, beter was dan zij zich den
geheelen dag gevoeld had en liever weder bij het gezelschap wilde
komen; zij brachten haar binnen, nog een weinig bleek, naar ik meende,
en lieten haar op de sofa plaats nemen.

„Lieve Annie,” zei hare moeder op eens, terwijl zij het toilet van hare
dochter een weinig in orde bracht, „zie eens hier! Gij hebt een strik
verloren. Wil iemand zoo goed zijn eens te zoeken; het is een roode
strik.”

Het was de eenige, dien zij op haar boezem gedragen had. Wij zochten
allen—ik zelf zocht overal, daarvan ben ik overtuigd—maar de strik
was niet te vinden.

„Herinnert gij u ook waar gij hem het laatst gehad hebt?” vroeg de
overste.

Het verbaasde mij wel een weinig, dat zij eerst zoo bleek en daarna
zoo gloeiend rood werd, toen zij antwoordde dat zij hem een oogenblik
geleden nog gehad had, maar dat het niet der moeite waard was er naar
te zoeken. In weerwil daarvan werd er nog gezocht, doch met denzelfden
ongunstigen uitslag. Zij smeekte dat men er toch mede eindigen zou,
maar nu en dan werd er nog gezocht, tot zij weder heel wel was en het
gezelschap vertrok.

Mijnheer Wickfield, Agnes en ik wandelden langzaam naar huis—Agnes en
ik de maan en de sterren bewonderende, terwijl mijnheer Wickfield de
oogen bijna niet van den grond ophief. Toen wij eindelijk onze woning
hadden bereikt, bemerkte Agnes dat zij haar werktaschje vergeten had.
Blijde haar een dienst te kunnen bewijzen, snelde ik onmiddellijk terug
om het te halen. Toen ik de kamer, waar wij gesoupeerd hadden en waar
het liggen moest, binnentrad was deze donker en verlaten; maar ik zag
nog licht in de studeerkamer van den doctor en klopte daar aan, om te
zeggen wat ik kwam doen en een kandelaar te vragen.

De doctor zat in zijn gemakkelijken stoel bij den haard en zijne jonge
vrouw op een bankje aan zijne voeten. Met een gezicht, dat straalde van
welgevallen, las hij haar de eene of andere bespiegeling voor uit dat
eindelooze woordenboek en zij keek naar hem op en scheen aandachtig te
luisteren. Maar zulk een gelaat zag ik nooit. De schoone lijnen kwamen
zoo tot haar recht, het was zoo vaalbleek, het was zoo strak tengevolge
van hare afgetrokkenheid, dat ik den indruk kreeg alsof ik eene
slaapwandelaarster zag, die geschrikt was van een afgrijselijk visioen.
Hare oogen waren wijd geopend, hare bruine krullen lagen als dikke
slangen op hare schouders en langs hare witte japon, die tengevolge
van het gemis van den strik niet meer zoo nauwsluitend was als in het
begin van den avond. De uitdrukking, die in hare oogen lag, kan ik niet
beschrijven, maar zal ik nimmer vergeten. Thans zelfs, nu ik ouder ben
geworden en meer ondervinding heb, zou ik het niet kunnen. Berouw,
verootmoediging, schaamte, trots, liefde en vertrouwen—alles zie ik
nog in dien blik en toch ook dat alles overheerschende, dat afgrijzen
van ik weet niet wat. Toen ik binnentrad en zeide wat ik verlangde,
scheen zij uit haar droom te ontwaken. Ook de doctor was gestoord, want
toen ik den kandelaar terugbracht, had hij haar hoofd op vaderlijke
wijze tusschen zijne handen en zeide, dat hij een onbarmhartige droomer
was om haar nu nog met zijn voorlezen te plagen, want dat zij naar bed
moest gaan.

Zij verzocht hem echter op hare vlugge, dringende manier te mogen
blijven, te mogen voelen dat zij dezen avond geheel in zijn vertrouwen
was—ik vernam tenminste eenige afgebroken klanken, welke dezen indruk
op mij maakten. En toen zij, na mij bij mijn vertrek een glimlach te
hebben toegeworpen, weder ging zitten, zag ik haar de handen vouwen
over hare knieën en met hetzelfde gelaat, doch wat geruster, naar hem
opkijken, terwijl hij voortging met lezen. Dit maakte een diepen indruk
op mij en ik herinnerde mij dien indruk nog langen tijd daarna. Als de
tijd daartoe gekomen is, zal ik vertellen bij welke gelegenheid dat was.



XVII.

Er komt iemand opdagen.


Het is niet in mij opgekomen melding te maken van Peggotty in de
laatste bladzijden; natuurlijk schreef ik haar een brief, zoodra ik te
Dover was aangeland en een tweeden, langeren, met alle bijzonderheden,
toen tante Betsey mij voor goed onder hare veilige vleugelen had
genomen. Op den eersten dag van mijn verblijf bij doctor Strong
schreef ik haar nogmaals en deelde haar mede hoe gelukkig ik was en
hoe heerlijk nu mijne vooruitzichten waren. Zeker had ik van het geld,
dat mijnheer Dick mij bij het afscheid in de hand had gestopt, niet
meer genoegen kunnen hebben dan hetgeen ik smaakte, toen ik in mijn
laatsten brief aan Peggotty de halve gouden guinje terugzond, die zij
mij geleend had; in dezen brief, niet eerder, vertelde ik haar tevens
de geschiedenis met den jongen en de ezelkar.

Op al deze mededeelingen antwoordde Peggotty even spoedig, zij het
dan ook al niet even beknopt als een kantoorklerk. Zij putte al hare
zeggingskracht—die in inkt niet heel groot was—uit in pogingen
om mij te doen gevoelen wat zij geleden had bij het lezen van mijn
reisverhaal. Vier zijdjes vol afgebroken volzinnen en tusschenwerpsels,
zonder punten, hier en daar gevlekt, waren ontoereikend om lucht te
verschaffen aan haar opgekropt gemoed. Deze vlekken zeiden mij echter
meer dan de best gestelde brief had kunnen doen; ze zeiden mij dat
Peggotty boven het papier had zitten schreien; kon ik meer verlangen?

Ik begreep zonder veel moeite dat zij zich tante Betsey nog maar
niet kon voorstellen als eene vriendelijke dame. Zij had te lang
een vooroordeel tegen haar gekoesterd om zoo plotseling te kunnen
veranderen. „Wij kennen de menschen eigenlijk nooit,” schreef zij,
„maar te denken dat tante Betsey zoo geheel anders was dan zij
gemeend had, dat ging haar te hoog”—dit waren hare eigen woorden.
Blijkbaar was zij nog bang voor tante, want zij verzocht heel
schroomvallig hare groeten; en vermoedelijk was zij ook bang voor
mij en op de waarschijnlijkheid bedacht, dat ik spoedig weer zou
wegloopen—tenminste ik moest dat wel opmaken uit de meer dan eenmaal
herhaalde verklaring, dat het geld voor de vracht per diligence naar
Yarmouth altijd voor mij gereed lag.

Eén bericht in haar brief trof mij zeer; zij schreef dat er aan onze
oude woning eene verkooping van meubelen had plaats gehad; dat mijnheer
en juffrouw Murdstone naar elders vertrokken waren en mijn ouderlijk
huis te koop of te huur stond. De Hemel weet dat ik er volstrekt geen
belang bij had of zij daar bleven of niet, maar de gedachte dat het
lieve, oude huis nu zoo eenzaam en verlaten daar stond, dat het onkruid
welig tieren zou op de paden en de dorre bladeren in den tuin en op het
graf van mijn vader en mijne moeder zouden blijven liggen—die gedachte
pijnigde mij meer dan ik hier kan beschrijven. Ik stelde mij voor hoe
de wind des winters om het huis zou huilen, hoe de koude regen tegen de
vensters zou kletteren en hoe de maan haar spookachtig wit licht zou
laten schijnen op de kale muren van de ledige kamers. Ik dacht aan het
graf mijner ouders onder den grooten boom en het scheen mij toe of het
huis nu ook dood was, alsof alle banden, waarmede ik aan mijn vader en
mijne moeder gehecht was, verbroken waren.

Ander nieuws bevatten Peggotty's brieven niet. Barkis was een
voorbeeldig echtgenoot, schreef zij, alleen een beetje schriel; maar
wij hebben allen onze gebreken en zij zelve had er in overvloed—het
zou mij onmogelijk geweest zijn er een op te noemen—; Barkis zond mij
zijne groeten en had gezegd dat mijn kleine kamertje altijd gereed was
om mij ontvangen. Baas Peggotty was heel gezond en Ham was heel gezond
en juffrouw Gummidge was maar zoo zoo en de kleine Emily wilde geen kus
voor mij in den brief sluiten en had gezegd dat Peggotty zelve het maar
doen moest als zij er lust in had.

Van al deze berichten deed ik trouw verslag aan mijne tante; alleen
hield ik dat van de kleine Emily voor mij zelven, wel wetende dat tante
dit niet heel vriendelijk zou opnemen. Toen ik pas bij doctor Strong
was, kwam zij mij meermalen bezoeken, maar altijd onverwachts—ten
einde mij te verrassen, denk ik. Maar zij vond mij altijd nuttig bezig
en aangezien ik mij een goeden naam maakte en zij van alle kanten
vernam, dat ik heel vlijtig was, staakte zij deze bezoeken al heel
spoedig. Ik zag haar des Zaterdags om de drie of vier weken, als ik
voor pleizier naar Dover ging, en ik zag mijnheer Dick des Woensdags
om de veertien dagen; hij kwam dan tegen den avond met de diligence en
bleef tot den volgenden morgen.

Bij dergelijke gelegenheden reisde mijnheer Dick nooit zonder zijne
lederen schrijfportefeuille, waarin zich het noodige schrijfgereedschap
en de memorie bevonden; ten opzichte van deze laatste begon het hem nu
duidelijk te worden, dat het tijd werd om zich wat te haasten en dat
het nu werkelijk eens tot eene uitgave komen moest.

Mijnheer Dick was een hartstochtelijk liefhebber van peperkoek, en ten
einde hem zijn bezoeken zoo aangenaam mogelijk te maken, had tante mij
last gegeven een crediet voor hem te openen in een koekwinkel, echter
onder de beperkende voorwaarde, dat ik op een en denzelfden dag niet
meer dan een shilling mocht besteden. Dit en de omstandigheid, dat al
de kleine rekeningetjes van de herberg, waar hij sliep, aan mijne tante
moesten gezonden worden eer zij betaald werden, wekte het vermoeden
bij mij op dat mijnheer Dick wel met zijn geld mocht rammelen, maar
het niet mocht uitgeven naar believen. Bij een nader onderzoek bleek
mij dat mijn vermoeden juist was, tenminste dat er eene overeenkomst
bestond tusschen tante en hem, en hij al zijne uitgaven aan haar
verantwoordde. Aangezien het niet in hem opkwam haar te bedriegen
en hij niets liever wenschte dan haar genoegen te doen, was op deze
eenvoudige wijze alle verkwisting buitengesloten. Mijnheer Dick was
op dit punt, zoowel als op alle andere punten, overtuigd dat tante de
verstandigste en bewonderenswaardigste aller vrouwen was; zooals hij
mij menigmaal in diep geheim en op fluisterenden toon verzekerde.

„Trotwood,” vroeg hij met eene geheimzinnige uitdrukking op zijn
gelaat, na mij op zekeren Woensdag deze vertrouwelijke mededeeling
weder gedaan te hebben, „weet gij wie die man is, die zich in de buurt
van ons huis schuil houdt en haar telkens angst aanjaagt?”

„Tante angst aanjaagt, mijnheer?”

Hij knikte bevestigend. „Ik meende,” zei hij, „dat niets haar angst zou
kunnen aanjagen, want zij is,”—hij begon weder te fluisteren—„vertel
dat aan niemand, de verstandigste en bewonderenswaardigste aller
vrouwen.” Toen hij dit gezegd had, deed hij een stap achteruit, ten
einde de uitwerking van zijne woorden beter te kunnen gadeslaan.

„De eerste keer dat hij kwam,” ging hij voort, „was... laat mij eens
zien... zestienhonderd negen-en-veertig werd koning Karel onthoofd....
gij zeidet immers zestienhonderd negen-en-veertig?”

„Ja, mijnheer.”

„Ik begrijp niet hoe het mogelijk is,” antwoordde hij, erg in de war en
voortdurend het hoofd schuddende. „Ik ben toch nog niet zoo oud?”

„Maar was het dan in dat jaar, dat die man voor het eerst verscheen?”
vroeg ik.

„Maar hoe is dat mogelijk!” riep mijnheer Dick. „Ik begrijp volstrekt
niet hoe het in dat jaar kan geweest zijn, Trotwood. Hebt gij dien
datum uit de geschiedenisboeken geleerd?”

„Ja, mijnheer.”

„Kunnen geschiedenisboeken wel eens onwaarheid vermelden?” vroeg hij op
een toon, die nog een zweempje hoop verried.

„Wel neen, mijnheer,” antwoordde ik zoo beslist mogelijk. Ik was nog
jong en naïef, en meende werkelijk dat het zoo was.

„Ik kan het niet uitmaken,” hernam hij hoofdschuddende. „Er moet iets
in de war zijn, wat het is weet ik niet. Hoe het zij, het moet spoedig
nadat men zich zoo vergist en het geharrewar uit koning Karel's hoofd
in het mijne gebracht heeft, geweest zijn. Toen is die man voor de
eerste maal verschenen. Ik maakte na de thee een wandeling met juffrouw
Trotwood, en toen wij tegen het donker thuiskwamen, stond hij vlak bij
de deur.”

„Gingt gij wandelen?” vroeg ik.

„Wandelen?” herhaalde mijnheer Dick. „Laat eens zien. Ik moet het mij
eens goed herinneren. N..ee..een, hij ging niet wandelen.”

Als de kortste manier om er achter te komen, vroeg ik: „Wat deed hij
dan?”

„Wel, hij was er niet,” antwoordde hij, „hij kwam achter ons aan en
fluisterde iets. Toen keerde juffrouw Trotwood zich om en viel flauw
en ik bleef staan en keek hem aan en toen ging hij heen; maar het
zonderlinge van het geval is dat hij sinds dien avond ergens, in den
grond geloof ik, verborgen is.”

„Is hij sinds dien tijd ergens verborgen geweest?”

„Zeker, _is_ hij dat,” antwoordde mijnheer Dick. „Hij kwam nooit te
voorschijn vóór gisteren avond! Wij gingen weer wandelen en hij kwam
ons weer achterop en ik herkende hem terstond!”

„En schrikte tante ook weer?”

„Zij beefde over haar gansche lichaam,” antwoordde hij, de aandoening
nabootsend en met de tanden klapperend; „zij hield zich aan het
tuinhek vast... zij schreeuwde. Maar, Trotwood, kom eens hier,”—hij
trok mij dicht tegen zich aan en vroeg op fluisterenden toon: „waarom
gaf zij dien man geld? Ik heb het bij het maanlicht duidelijk gezien.”

„Misschien was hij een bedelaar?”

Mijnheer Dick schudde hevig met het hoofd, alsof hij deze oplossing van
het raadsel met alle kracht wilde ontkennen, en na een aantal malen
met de innigste overtuiging gezegd te hebben: „Neen, geen bedelaar,
geen bedelaar, geen bedelaar, jongeheer!” ging hij voort: „uit mijn
venster heb ik laat op den avond gezien, dat uwe tante dien man buiten
het tuinhek geld gaf en dat hij toen weder wegzonk”—hij meende zeker
in den grond—„en niet meer werd teruggezien. Uwe tante kwam daarna
haastig en zoo geheimzinnig mogelijk aan de achterzijde het huis
weder binnen en was den volgenden morgen heel anders dan gewoonlijk.”
Blijkbaar verontrustte deze geschiedenis mijnheer Dick; maar ik
twijfelde geen oogenblik of die onbekende bestond alleen in zijne
verbeelding en moest op één lijn geplaatst worden met den ongelukkigen
vorst, die hem zooveel hoofdbreken kostte; maar na eenig nadenken begon
ik de vraag te overwegen of er niet twee malen eene poging kon zijn
gedaan om den ongelukkigen mijnheer Dick zelf aan tante's bescherming
te onttrekken en of wellicht tante, wier genegenheid voor hem mij
bekend was—ik wist uit haar eigen mond immers hoe zij hem genegen
was—zich genoopt had gevoeld eene som gelds te geven, ten einde hem
vrede en rust te verschaffen. Ik was zelf ook zeer aan mijnheer Dick
gehecht en zijn welzijn ging mij zeer ter harte, zoodat de vrees mij
sterkte in mijn eenmaal opgevat vermoeden. Langen tijd nog daarna
bekroop mij elken Woensdag weder de angst, dat ik hem niet in de
diligence zou zien zitten. Telkens was die angst echter ongegrond,
want op de vastgestelde dagen zat hij altijd met zijn grijze hoofd en
denzelfden tevreden glimlach om den mond op dezelfde plaats en nooit
had hij iets meer te vertellen van den man, die mijne tante zulk een
schrik had aangejaagd.

Deze Woensdagen waren de gelukkigste dagen in mijnheer Dick's
tegenwoordig leven en zeker waren ze niet de minst gelukkige van het
mijne. Weldra kenden al de jongens mijnheer Dick; en hoewel hij nooit
aan eenige andere uitspanning deelnam dan aan het oplaten van vliegers,
stelde hij toch groot belang in al onze spelen. Hoe menigmaal heb ik
hem niet met de grootste belangstelling zien turen naar onze knikkers
en tollen, zóó vol aandacht, dat hij op het beslissende oogenblik
nauwelijks ademhaalde. Hoe menigmaal heb ik hem bij het krijgertje
spelen niet op een heuveltje zien staan; allen aanmoedigend en met
den hoed boven het hoofd zwaaiend, Koning Karel's hoofd en alles wat
daarmede in betrekking stond vergetend! Hoe menig uurtje—voor hem
slechts eenige zalige oogenblikken—bracht hij des zomers door op het
cricketveld! Hoe menigen kouden winterdag heb ik hem met een blauwen
neus in den Oostenwind zien staan kijken naar de jongens, als zij in
langen rijen de zelf gemaakte glijbanen afgleden! Hoe vergenoegd kon
hij dan in zijne dikke handschoenen klappen!

Hij was aller vriend en zijne schranderheid in kleinigheden ging ieders
verstand te boven. Hij kon uit sinaasappelen de vreemdsoortigste dingen
snijden, waarover iedereen verbaasd was; van een vleeschpen, ja, van
alles maakte hij bootjes, van beenderen uit het vleesch vervaardigde
hij stukken voor het schaakbord; van oude kaarten Romeinsche
zegewagens, wielen met spaken van garenklosjes en vogelkooien van
oud ijzerdraad. Van bindtouw en stroo kon hij alles maken wat hij
wilde—daarvan waren wij allen overtuigd. Zijne vermaardheid drong
spoedig door tot buiten de school. Nadat hij eenige malen te
Canterbury geweest was, informeerde doctor Strong bij mij naar mijnheer
Dick en ik vertelde hem alles wat mijne tante mij verteld had. Doctor
Strong's nieuwsgierigheid werd daardoor opgewekt en den eerstvolgenden
Woensdag verzocht hij mij hem de gelegenheid te verschaffen kennis
met hem te maken. Ik stelde de heeren aan elkander voor en toen de
doctor mijnheer Dick uitnoodigde, om, wanneer ik eens niet aan het
diligencekantoor of de ochtendles nog niet geëindigd mocht zijn, bij
hem te komen wachten, werd het spoedig eene gewoonte, dat mijnheer
Dick op het voorplein heen en weer bleef wandelen, tot ik met mijn
werk gereed was, hetgeen 's Woensdags gewoonlijk vrij lang duurde.
Hier maakte hij kennis met de mooie, jonge doctorsvrouw—die er
den laatsten tijd bleeker uitzag dan vroeger en zich ook aan mij
zeldzamer vertoonde, niet meer zoo vroolijk was als voorheen maar
niet minder mooi—en zoo werd hij langzamerhand gemeenzamer met
allen en kwam eindelijk in de school om daar te wachten. Hij zat
altijd in een bijzonder hoekje en op een bijzonder bankje, dat „Dick”
genoemd werd naar hem; hier bleef hij dan zitten met het grijze hoofd
voorovergebogen, luisterende naar alles, dat om hem heen voorviel, en
met den diepsten eerbied voor al de geleerdheid, die hij zelf nooit had
kunnen machtig worden.

Deze vereering strekte zich ook uit tot den doctor, die in zijn
oogen de geleerdste en diepzinnigste wijsgeer was, waarvan de wereld
ooit gewaagde. Het duurde lang eer mijnheer Dick hem ooit anders dan
blootshoofds durfde naderen en zelfs toen de doctor en hij reeds
vriendschap hadden gesloten en zij te zamen op dat gedeelte van het
voorplein wandelden, dat onder ons het „doctorspad” genoemd werd, nam
mijnheer Dick telkens nog zijn hoed af, om zijn eerbied te toonen voor
wijsheid en kennis. Hoe het kwam dat de doctor op deze wandelingen uit
brokstukken van zijn woordenboek begon te lezen, heb ik nooit begrepen;
vermoedelijk was dit voor hem hetzelfde alsof hij het voor zich alleen
las. Hoe het zij, het werd eene gewoonte en mijnheer Dick luisterde met
een gelaat, dat glom van blijden trots, en scheen te gelooven dat het
Grieksche woordenboek van den doctor de heerlijkste lectuur was van de
wereld.

Als ik nu nog denk aan die wandelingen langs de schoolramen—de
doctor met een vergenoegden glimlach om den mond, lezende en nu en
dan zwaaiende met het manuscript of deftig met het hoofd knikkende;
en mijnheer Dick met de grootste aandacht luisterend, terwijl zijne
gedachten op de vleugelen dier bijna niet uit te spreken woorden, de
Hemel weet waarheen, vlogen—komen zij mij nog voor als een van de
grappigste dingen, die ik ooit gezien heb. Ik krijg dan een gevoel
alsof zij daar eeuwig hadden kunnen heen- en weerwandelen en de wereld
daardoor beter zou zijn geworden; alsof duizend dingen, waarover de
wereld zich druk maakt, niet half zoo goed zijn geweest voor haar en
voor mij.

Agnes was spoedig op een goeden voet met mijnheer Dick en zoo maakte
deze ook spoedig kennis met Uriah Heep. De vriendschap tusschen
mijnheer Dick en mij nam voortdurend toe en terwijl het heette, dat hij
naar mij kwam zien als voogd, raadpleegde hij mij bij elk gevoel van
twijfel dat in hem oprees; hij koesterde niet alleen grooten eerbied
voor mijne aangeboren schranderheid, maar was overtuigd dat ik ook een
goede dosis van mijne tante geërfd had.

Op zekeren Donderdagmorgen, terwijl ik, alvorens weder naar school te
gaan—wij hadden een uur les voor het ontbijt—mijnheer Dick van het
hôtel naar het diligencekantoor bracht, ontmoette ik Uriah, die mij
aan mijne belofte herinnerde om bij hem en zijne moeder thee te komen
drinken, terwijl hij, zich in allerlei bochten draaiend, er bijvoegde:
„Maar ik had niet verwacht dat gij het doen zoudt, jongeheer
Copperfield; wij zijn al te nederig.”

Ik was het werkelijk tot nu toe nog niet met mij zelven eens kunnen
worden, of ik van Uriah hield dan wel of ik een afschuw van hem had en
toen ik daar op straat tegenover hem stond en hem vlak in het gezicht
keek, verkeerde ik nog steeds in denzelfden twijfel. Ik wilde echter in
geen geval voor trotsch doorgaan en zei daarom dat ik wachtte op eene
uitnoodiging.

„O, als dat zoo is, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „en het waarlijk
niet onze nederigheid is, die u terughoudt, kom dan van avond? Maar als
wij te nederig zijn, hoop ik dat gij niet aarzelen zult het te zeggen,
jongeheer Copperfield; want wij zijn onze nederigheid volkomen bewust.”

Ik antwoordde dat ik het mijnheer Wickfield zou vragen, en als deze
er niets tegen had, waaraan ik geen oogenblik twijfelde, zou ik met
genoegen komen. Het was een avond, waarop het kantoor vroeg gesloten
werd, en zoo deelde ik te zes uur aan Uriah mede, dat ik gereed was om
hem naar zijne moeder te vergezellen.

„Moeder zal er zeker trotsch op zijn,” zei hij, terwijl wij samen
voortwandelden. „O, zij zou er zeker trotsch op zijn, als dat geen
zonde was, jongeheer Copperfield.”

„En toch maaktet gij dezen morgen geen oogenblik bezwaar om te
onderstellen dat ik trotsch was,” antwoordde ik.

„O, Hemel, neen, jongeheer Copperfield!” riep Uriah. „O, geloof mij,
neen! Eene dergelijke gedachte is niet in mij opgekomen! Ik zou het
volstrekt niet trotsch van u gevonden hebben, als gij ons te nederig
hadt gevonden voor u. Want wij zijn zoo heel nederig.”

„Hebt gij in den laatsten tijd veel gestudeerd?” vroeg ik, om van dit
onderwerp af te stappen.

„O, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij op den meest bescheiden
toon, „het weinige dat ik lees kan geen studeeren genoemd worden. Ik
heb eenige avonden een uur of twee met Mr. Tidd doorgebracht.”

„Zeker moeilijk te begrijpen?” vroeg ik.

„Voor mij is hij dikwijls moeilijk te begrijpen,” antwoordde hij, „maar
ik weet niet of hij voor meer begaafden dan ik ben ook zoo moeilijk te
begrijpen zal zijn.”

Na al wandelende eenigen tijd met de voorste vingers van zijn beenige
hand op zijne kin getrommeld te hebben, ging hij voort: „Daar zijne
uitdrukkingen in Mr. Tidd's werk, jongeheer Copperfield, die voor
iemand met mijne nederige talenten moeilijk te begrijpen zijn, vooral
het Latijn en Grieksch.”

„Zoudt gij gaarne Latijn leeren?” vroeg ik. „Ik wil er u gaarne les in
geven”, voegde ik er bereidwillig bij.

„O, dank u, jongeheer Copperfield”, antwoordde hij hoofdschuddend. „Het
is wel vriendelijk van u mij zulk een aanbod te doen, maar ik ben veel
te nederig om het te durven aannemen.”

„Hoe dwaas, Uriah!”

„Neen, waarlijk niet, jongeheer Copperfield; ik ben u zeer verplicht
en ik zou niets liever wenschen, dat verzeker ik u; maar ik ben al te
nederig. Er zijn menschen genoeg, die mij in mijn nederigen staat wel
zouden willen vertrappen, al geef ik hun geen oogenblik aanstoot door
mijne geleerdheid. Want ik ben niet geleerd en zal het nimmer worden.
Iemand als ik moet laag bij den grond blijven; wil ik vooruitkomen in
de wereld dan moet ik nederig zijn, jongeheer Copperfield.”

Nooit zag ik zijn mond zoo wijd geopend, noch de plooien in zijne
wangen zoo diep dan bij deze ontboezeming; hij schudde voortdurend
met het hoofd en wrong zich uit bescheidenheid in de vreemdsoortigste
bochten.

„Ik kan u geen gelijk geven, Uriah,” zei ik. „Ik geloof dat ik u veel
dingen zou kunnen leeren, indien gij lust daarin hadt.”

„O, ik twijfel daar niet aan, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij,
„niet het minst. Maar omdat gij zelf niet tot zulk een nederigen stand
behoort, kunt gij misschien niet goed oordeelen over hen, die wel
nederig zijn. Ik wil mijn meerderen niet lastig vallen met geleerdheid,
dank u wel. Ik ben veel te nederig. Hier is onze nederige woning,
jongeheer Copperfield!”

Wij traden zoo van de straat eene lage, ouderwetsche kamer binnen
en vonden daar juffrouw Heep, het sprekend evenbeeld van haar zoon,
maar verkleind. Zij ontving mij met eene onderdanige buiging en
verzocht verschooning, omdat zij haar zoon een kus gaf, waarbij zij de
opmerking maakte, dat al waren zij nederig, zij toch hun natuurlijk
gevoel hadden, hetgeen naar zij hoopte, niemand aanstoot zou geven.
Het was een heel zindelijke kamer, half zitkamer half keuken, maar
geen prettige kamer. Het theeblad stond op de tafel gereed en boven
het vuur hing een ketel water. Er stond een laag bureautje met drie
laden, waaraan Uriah des avonds zat te lezen of te schrijven; verder
lag er Uriah's blauwe portefeuille vol papieren; dan stonden er Uriah's
boeken allen op een rij, met Mr. Tidd aan het hoofd, een hoekkastje
met allerlei huisraad en verder de gewone meubelen. Ik herinner mij
niet dat er één voorwerp in die kamer was, dat er bepaald armoedig of
kaal uitzag, maar ik herinner mij wel dat het geheel dien indruk op mij
maakte.

Het scheen bij juffrouw Heep's nederigheid te behooren, dat zij nog in
den rouw was. Niettegenstaande er reeds een zeer lange tijd verloopen
was sinds den dood van haar man, droeg zij nog steeds weduwenrouw.
Als ik het mij goed herinner, was het fatsoen van den kap eenigszins
gewijzigd, maar overigens was zij nog in even zwaren rouw als in de
eerste dagen.

„Dit is een dag, die ons lang zal heugen, Uriah, dat is zeker,” zei
juffrouw Heep, terwijl zij thee zette, „wij zullen het niet gemakkelijk
vergeten dat jongeheer Copperfield ons wel een visite heeft willen
brengen.”

„Ik heb al gezegd dat gij er zoo over zoudt denken, moeder,” antwoordde
Uriah.

„Als ik ooit gewenscht heb dat vader bij ons mocht gebleven zijn,” ging
juffrouw Heep voort, „zou het zijn om met ons gezelschap van heden
avond kennis te maken.”

Ik werd verlegen onder al deze complimenten; maar ik vond het ook wel
aardig zoo geëerd te worden als gast en juffrouw Heep was in mijne
oogen een allerliefste vrouw.

„Mijn Uriah,” zei juffrouw Heep, „heeft langen tijd naar dezen avond
gewenscht, jongeheer. Hij vreesde dat onze nederigheid een beletsel
zijn zou en ik deelde die vrees met hem. Wij zijn nu eenmaal nederig,
wij zijn altijd nederig geweest en zullen nederig blijven; daarbij
bevinden wij ons het best.”

„Ik meen toch wel te mogen zeggen dat gij niet zoo nederig behoeft te
zijn,” gaf ik ten antwoord, „tenzij gij het zelve wenscht.”

„Ik dank u wel, jongeheer,” antwoordde juffrouw Heep, „wij weten waar
wij moeten staan en zijn dankbaar voor hetgeen wij hebben.”

Ik merkte op dat juffrouw Heep hoe langer hoe dichter naar mij
toeschoof, en dat Uriah vlak tegenover mij had plaats genomen, terwijl
zij mij als om strijd bedienden van het lekkerste, dat op tafel
stond. Er was wel niet veel keus, maar ik nam den wil voor de daad
en was erkentelijk voor hunne oplettendheden. Weldra begonnen zij te
vertellen van tantes en ik vertelde van de mijne; en van vaders en
moeders en ik vertelde van de mijne; en toen bracht Uriah het gesprek
op stiefvaders en ik vertelde weer van den mijnen,—maar ik brak mijn
verhaal spoedig af, want tante had mij den raad gegeven over dit punt
liever te zwijgen. Een zacht klein kurkje zou echter niet beter bestand
geweest zijn tegen een flinken kurketrekker, een melktandje tegen
een kiezentrekker of een volant tegen een palet dan ik tegen Uriah
en juffrouw Heep. Zij deden met mij wat ze wilden en ontwrongen mij
dingen, die ik volstrekt niet had willen vertellen; en zij deden dit
met een gemak en een zekerheid, dat ik er nu nog over bloos, als ik er
aan denk, te meer wijl ik het deed met eene openhartigheid, die alleen
haar oorzaak vond in mijn jeugdigen trots; ja, ik was er trotsch op,
dat men mij zoo in het vertrouwen nam en voelde, dat ik daar zat als de
meerdere van de beide aandachtige luisteraars.

Eén ding was zeker; zij hielden veel van elkander. Ik onderstel dat dit
indruk op mij maakte omdat het zoo natuurlijk was; maar de handigheid,
waarmede de een doorging op hetgeen de ander gezegd had, was niet
natuurlijk—dat was kunstmatig en daartegen was ik in het geheel niet
bestand. Toen ik niets meer over mij zelven te vertellen had—over mijn
verblijf bij Murdstone en Grinby bewaarde ik het stilzwijgen—begonnen
zij over mijnheer Wickfield en Agnes te spreken. Uriah wierp den bal
naar zijne moeder en deze ving hem handig op en wierp hem terug naar
Uriah; Uriah hield hem een oogenblik vast en wierp hem toen terug naar
juffrouw Heep en zoo ging het voort, tot ik volstrekt niet meer wist
wie hem had en geheel in de war was. Ook was er telkens een andere
bal. Nu eens was mijnheer Wickfield, dan weder Agnes aan de beurt; nu
eens was de voortreffelijkheid van mijnheer Wickfield, dan weder mijne
bewondering voor Agnes het onderwerp van het gesprek; nu eens spraken
wij over mijnheer Wickfield's zaken en inkomsten, dan weder over ons
samenzijn aan tafel of over den wijn, dien mijnheer Wickfield dronk,
over de reden waarom hij dien dronk, of betreurden wij het, dat hij
zooveel wijn dronk; nu het een dan het ander, dan weder alles tegelijk.
Gedurende al dien tijd en niet tegenstaande ik weinig sprak, maar hen
alleen nu en dan eens aanmoedigde opdat zij niet al te zeer onder
den indruk zouden geraken van hunne eigen nederigheid en van de eer
van mijn gezelschap—gedurende al dien tijd betrapte ik er mij zelven
telkens op, het een of ander los te laten, dat ik niet had moeten
loslaten en zag ik de uitwerking daarvan in de trillende neusvleugels
van Uriah. Ik begon mij reeds minder op mijn gemak te gevoelen en mij
ver weg te wenschen, toen er iemand de straat afkwam—het was warm
zoodat de deur open stond—nog eens terugliep en eindelijk binnenkwam,
uitroepende: „Copperfield! Zijt gij het waarlijk?”

Het was mijnheer Micawber! Het was mijnheer Micawber in eigen persoon,
met zijn lorgnet en zijn wandelstok en zijn overhemdje en zijn
vriendelijk gezicht en zijne galmende stem.... mijnheer Micawber—niets
veranderd!

„Mijn waarde Copperfield,” sprak hij, zijne hand uitstekende, „dit is
inderdaad eene ontmoeting, die wel geschikt is om ons al de onzekerheid
en de onstandvastigheid van het aardsche te doen beseffen—kortom, het
is eene buitengewone ontmoeting. Terwijl ik de straat doorliep om te
zien of zich ook iets zou opdoen—waarop ik tegenwoordig zeer veel hoop
heb—vind ik daar een jongen, maar zeer gewaardeerden vriend terug, die
verbonden is aan een der merkwaardigste tijdperken in mijn leven, ja,
ik mag wel zeggen aan een keerpunt in mijn leven. Copperfield beste
jongen, hoe maak je 't?”

Ik kan niet zeggen .... ik kan werkelijk niet zeggen—dat ik blijde was
mijnheer Micawber _daar_ te zien; maar toch was ik blijde hem te zien
en schudde hem hartelijk de hand, terwijl ik hem vroeg, hoe mevrouw
Micawber het maakte.

„Dank u,” zei hij, als van ouds met de hand wuivend en zijne kin
in zijn halsboord drukkend. „Mevrouw Micawber is vrij wel. De
tweelingen putten niet langer de noodzakelijke bestanddeelen voor hun
levensonderhoud uit de bronnen der Natuur,.... Kortom,” voedde hij er
in eene uitbarsting van vertrouwelijkheid bij, „zij zijn gespeend en
mevrouw Micawber heeft mij hierheen vergezeld. Zij zal blijde zijn,
Copperfield, de kennismaking te hernieuwen met iemand, die altijd
getoond heeft een waardig priester te zijn aan het altaar der
vriendschap.”

Ik zeide, dat het mij ook zeer aangenaam zou zijn haar te zien.

„Gij zijt wel goed,” antwoordde mijnheer Micawber met een glimlach,
waarna hij opnieuw zijne kin in de plooi zette en het vertrek rondkeek.

„Ik heb mijn jongen vriend Copperfield gevonden,” hernam mijnheer
Micawber op hoffelijken toon, doch zonder zich bepaald tot iemand te
wenden, „niet in de eenzaamheid, maar deelnemende aan een huiselijken
maaltijd met eene weduwe en nog een persoon, die vermoedelijk tot haar
kroost behoort—kortom, haar zoon. Het zal mij eene groote eer zijn aan
beiden voorgesteld te worden.”

Onder deze omstandigheden kon ik niet minder doen dan mijnheer Micawber
in kennis te brengen met Uriah Heep en zijne moeder, hetgeen ik dan ook
deed. Toen zij eene buiging voor hem maakten, nam mijnheer Micawber een
stoel, ging zitten en wuifde op de hoffelijkste wijze zeer genadig met
zijne hand.

„De vrienden van mijn vriend Copperfield,” zei hij, „kunnen ook
aanspraak maken op mijne vriendschap.”

„Wij zijn veel te nederig, mijnheer,” zei juffrouw Heep, „mijn zoon
en ik zijn veel te nederig om ons vrienden te noemen van jongeheer
Copperfield. Hij is wel zoo goed geweest bij ons te komen theedrinken
en wij zijn hem dankbaar voor zijn gezelschap.... evenals u voor uwe
woorden van zoo even.”

„Mejuffrouw,” antwoordde mijnheer Micawber met eene buiging, „gij zijt
wel beleefd; en wat doet gij tegenwoordig, Copperfield? Nog altijd in
den wijnhandel?”

Ik verlangde vreeselijk mijnheer Micawber weg te krijgen en antwoordde
met mijn hoed in de hand en zonder twijfel met een kleur als vuur, dat
ik op school was bij doctor Strong.

„Op school?” vroeg mijnheer Micawber, zijne wenkbrauwen optrekkende.
„Het verheugt mij zeer dat te hooren. Evenwel, een geest als die van
mijn jongen vriend”—hierbij wendde hij zich tot Uriah en juffrouw
Heep—„heeft niet zulk een leerschool noodig als het geval zou wezen
zonder zijne voortreffelijke kennis van menschen en dingen; zijn geest
is als een vruchtbare bodem, waarin elk zaadje welig ontkiemt...
kortom”—weder zulk eene uitbarsting van vertrouwelijkheid—„kortom
niemand zal het zoo ver in de klassieken brengen als hij.”

Uriah wreef zijne lange, magere handen langzaam over elkander en, om
zijne instemming met deze lofspraak op mij te betuigen, wrong hij zijn
bovenlijf als een kurketrekker.

„Mag ik met u meegaan en mevrouw Micawber een bezoek brengen?” vroeg
ik, ten einde hem maar weg te krijgen.

„Indien gij haar deze eer wilt aandoen, Copperfield,” antwoordde
mijnheer Micawber opstaande. „Ik aarzel niet in tegenwoordigheid
van onze vrienden hier te verklaren, dat ik gedurende eenige jaren
met geldelijke moeilijkheden heb te kampen gehad, kortom, dat
ik in ongelegenheden ben geraakt.”—Ik wist zeker, dat hij iets
dergelijks zeggen zou, want hij liep altijd te koop met zijne
ongelegenheden.—„Somtijds heb ik mij boven mijne ongelegenheden
kunnen verheffen; somtijds hebben de ongelegenheden mij—kortom, zijn
ze mij te machtig geweest. Er zijn tijden geweest, dat ik ze van mij
af heb weten te houden; er zijn ook tijden geweest, dat ze in te
grooten getale kwamen opdagen en ik het onderspit moest delven en tot
mevrouw Micawber de woorden van Cato herhalen: ‚Plato, gij spreekt
goed. Het is gedaan, ik geef den strijd op.’ Maar nooit heb ik
grooter vreugde gekend dan in den tijd, toen ik mijn verdriet—als ik
ongelegenheden, voorspruitende uit dagvaardingen van deurwaarders en
wissels op twee en drie dagen, zoo noemen mag—aan mijn jongen vriend
Copperfield mocht toevertrouwen.”

Mijnheer Micawber besloot deze openhartige bekentenis met te zeggen:
„Mijnheer Heep! Goeden avond. Mejuffrouw Heep! Uw dienaar!” en stapte
toen met den zwier van een millionair de deur uit, terwijl hij een
vroolijk deuntje floot en een ontzettend leven maakte met zijn schoenen
op de straatsteenen.

Mevrouw Micawber had haar intrek genomen in eene kleine herberg, waar
men hun eene kamer gegeven had, die van de gelagkamer afgeschoten
en doortrokken was van tabaksrook. Ik vermoed, dat dit hokje boven
de keuken gelegen was, want er drong eene warme vetlucht door de
reten in den vloer naar boven en de muren waren met eene glibberige
zelfstandigheid bedekt. Het buffet scheen tegen het beschot te staan
want er heerschte eene doordringende lucht van spiritus. Uitgestrekt
op eene kleine sofa onder eene schilderij, die een wedren voorstelde,
vond ik daar mevrouw Micawber, met het hoofd dicht bij het vuur,
terwijl haar eene voet op het punt was om een mosterdpotje van een
dientafeltje aan het andere einde van de kamer af te schoppen. Toen wij
binnentraden, zei mijnheer Micawber, die vooruitging: „Lieve, vergun
mij u voorstellen een leerling van de school van doctor Strong.”

Het trok mijne aandacht, dat, hoewel mijnheer Micawber, evenals vroeger
in de war scheen ten aanzien van mijn leeftijd en mijn stand, zich nu
toch herinnerde, dat ik een scholier was van doctor Strong. Mevrouw
Micawber was even verbaasd als verheugd, toen zij mij zag. Ik was
ook blijde haar terug te zien en na eene hartelijke begroeting van
weêrzijden, nam ik naast haar op de sofa plaats.

„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „als gij Copperfield eens wildet
meedeelen, hoe onze tegenwoordige omstandigheden zijn, waarin hij
zonder twijfel zeer veel belang zal stellen, dan zal ik de couranten
eens gaan inkijken; wellicht doet zich onder de advertentiën iets op.”

„Ik meende, dat gij te Plymouth waart, mevrouw,” zei ik toen mijnheer
Micawber weg was.

„Mijn beste Copperfield,” antwoordde zij, „wij zijn ook naar Plymouth
geweest.”

„Om bij de hand te zijn,” voegde ik er bij.

„Juist,” hernam zij, „om bij de hand te zijn. Maar, om u de waarheid
te zeggen, een man van mijnheer Micawber's talenten kon men aan
het tolkantoor niet gebruiken. De invloed van mijne familie daar
ter plaatse was geheel ontoereikend om mijnheer Micawber aan eene
betrekking te helpen. Zij wilden iemand als mijnheer Micawber juist
_niet_ hebben. Hij zou de anderen te veel in de schaduw stellen.
Bovendien, ik wil dat voor u niet verhelen, jongeheer Copperfield, toen
de tak van mijne familie, die te Plymouth woont, vernam, dat mijnheer
Micawber in gezelschap was van mij, den kleinen Wilkins, diens zuster
en de tweelingen, hebben zij hem niet zulk eene warme ontvangst bereid,
als ik na zijn ontslag uit de gevangenis wel verwacht had. Inderdaad,”
vervolgde zij en liet hare stem een weinig dalen,—„maar dit blijft
tusschen ons—de ontvangst was koel.”

„Waarlijk!” zei ik.

„Ja,” hernam zij. „Het is wel pijnlijk de menschheid van zulk eene
zijde te leeren kennen, jongeheer Copperfield, maar onze ontvangst
was inderdaad zeer koel. Daaromtrent kan geen twijfel bestaan. De tak
mijner familie, die te Plymouth woont, werd zelf onaangenaam tegen
mijnheer Micawber, nog eer wij eene week daar woonden.”

Ik zei en ik meende het ook, dat zij zich schamen moesten.

„Ja en toch was het zoo,” vervolgde mevrouw Micawber. „En wat zou
een man van mijnheer Micawber's karakter onder zulke omstandigheden
beginnen? De eenige weg, die voor hem openstond, was: van dien tak
mijner familie het geld te leenen om naar Londen terug te keeren, wat
het ook mocht kosten.”

„En keerdet gij toen allen terug mevrouw?” vroeg ik.

„Wij keerden allen terug,” antwoordde mevrouw Micawber. „Ik heb toen
den raad ingewonnen van andere takken mijner familie, om den weg te
leeren, dien mijnheer Micawber te volgen had—want ik houd vol, dat hij
den een of anderen weg moet inslaan, jongeheer Copperfield,” voegde zij
er op haar gewonen betoogtrant bij. „Het is duidelijk, nietwaar, dat
eene familie van zes personen, behalve de dienstmeid, niet van den wind
kan leven.”

„Zeker, mevrouw,” antwoordde ik.

„De raad, dien wij van deze andere takken der familie kregen,”
vervolgde mevrouw Micawber, „was dat mijnheer Micawber onmiddellijk
zijne aandacht moest vestigen op de kolen.”

„Op wat, mevrouw?”

„Op de kolen,” was mevrouw Micawber's antwoord. „Op den handel in
steenkolen. Na een gehouden onderzoek is mijnheer Micawber dan ook tot
het besluit gekomen, dat er voor iemand van zijne talenten wellicht
eene plaatsing zou zijn te bekomen bij den kolenhandel op de Medway.
Toen was het—mijnheer Micawber zag dit, als gewoonlijk, weder zeer
juist in—een eerste vereischte de Medway te _zien_. Wij gingen er dus
heen en zagen de Medway. Ik zeg, ‚wij’, jongeheer Copperfield, omdat ik
nimmer, nimmer mijnheer Micawber zal verlaten.” Zij zei dit met eene
stem, die trilde van aandoening.

Ik liet een goedkeurend gemompel hooren en zij ging voort: „Wij kwamen
aan de Medway en zagen de Medway. Mijne opinie omtrent den kolenhandel
op die rivier is, dat er zeker talent toe behoort om dien met voordeel
te drijven, maar ook.... kapitaal. Talent.... heeft mijnheer Micawber
te over; maar kapitaal heeft mijnheer Micawber niet. Wij zagen,
vermoed ik, het grootste gedeelte van de Medway en hetgeen ik zoo even
zei, is mijne vaste overtuiging. Nu wij zoo dicht bij Canterbury waren,
kwam het mijnheer Micawber bijna zondig voor den kathedraal niet eens
te gaan bekijken, eerstens omdat de kathedraal van Canterbury zeer
bezienswaardig is en wij dien nooit gezien hadden; ten tweede, omdat
de mogelijkheid niet was uitgesloten, dat er zich in eene stad met
een kathedraal iets voor hem zou opdoen. Wij zijn hier nu drie dagen
en tot op dit oogenblik heeft zich nog niets opgedaan en het zal u
niets verbazen, jongeheer Copperfield,—omdat wij geen vreemden voor u
zijn—als ik u vertel, dat wij op dit oogenblik een wissel wachtende
zijn uit Londen, ten einde de vertering in dit hôtel te betalen. Tot de
aankomst van dien wissel,” sprak zij aangedaan, „ben ik gescheiden van
mijn huis—ik bedoel onze kamers te Pentonville—van mijne kinderen....
van mijne tweelingen.”

Ik voelde diep medelijden met mijnheer en mevrouw Micawber in deze
netelige omstandigheden en sprak dit ook uit, er bijvoegende, dat
ik niets liever wenschte dan geld genoeg te hebben om hen van het
noodige te voorzien. Het antwoord van mijnheer Micawber gaf mij het
duidelijkste bewijs van de onrust, die zich van zijn gemoed had meester
gemaakt. Hij schudde mij de hand en zei: „Copperfield, gij zijt een
trouw vriend, maar als de nood op het hoogst is heeft elk man een
trouwen vriend in zijn scheerkistje.” Bij deze droevige toespeling
sloeg mevrouw Micawber de armen om den hals van haar echtvriend en
smeekte hem moed te houden. Hij schreide; maar in het volgend oogenblik
had hij zich reeds genoegzaam hersteld, om te schellen en den knecht
twee warme nierbroodjes en een schaaltje garnalen te bestellen als
ontbijt voor den volgenden morgen.

Toen ik afscheid van hem nam, drongen zij er beiden zoo op aan, dat
ik dikwijls moest komen en ook eens bij hen het middagmaal moest
gebruiken, dat ik het niet kon weigeren. Ik wist echter, dat ik den
volgenden dag veel te werken zou hebben en dus niet kon komen, waarop
mijnheer Micawber afsprak, dat hij doctor Strong een bezoek zou
brengen—de wissel zou den volgenden morgen zeker komen—en mij voor
den volgenden dag uitnoodigen, indien dit beter met mijne werkzaamheden
was overeen te brengen. Den volgenden voormiddag werd ik dan ook uit
de school geroepen en vond ik mijnheer Micawber in de spreekkamer; hij
vertelde mij, dat het diner den volgenden dag zou plaats hebben en op
mijne vraag of de wissel was aangekomen, drukte hij mij de hand en ging
zwijgend heen.

Toen ik dien avond uit het raam keek, was ik hoogst verbaasd en
verontrustte het mij, mijnheer Micawber met Uriah Heep, arm in arm
te zien voorbijkomen: Uriah hoogst gevoelig voor de eer, die hem
werd aangedaan; mijnheer Micawber innig vergenoegd, dat hij zijne
beschermende hand over Uriah mocht uitstrekken. Maar hoe steeg mijne
verbazing, toen ik den volgenden dag aan het „hôtel” kwam op het
vastgestelde uur—de familie dineerde te vier uur, had mijnheer
Micawber gezegd—en vernemen moest, dat mijnheer Micawber met Uriah
naar huis was gegaan en een glas cognacgrog gedronken had bij de Heeps.

„Ik zal u eens iets vertellen, beste Copperfield,” zei mijnheer
Micawber, „uw vriend Heep is een jongmensch die zeker eenmaal procureur
zal worden. Indien ik dat jonge mensch gekend had in het tijdperk,
waarin mijne ongelegenheden het toppunt hadden bereikt, dan, ja, ik
kan niet anders zeggen dan dat mijne schuldeischers veel handelbaarder
zouden zijn gemaakt dan zij nu waren.”

Ik begreep niet goed, hoe dit mogelijk zou geweest zijn, omdat ik
mijnheer Micawber nooit iets had zien afbetalen, maar ik vroeg er niet
verder naar. Ook wilde ik de hoop niet uitspreken, dat hij niet al te
mededeelzaam mocht geweest zijn tegenover Uriah, noch hem vragen of zij
veel over mij gesproken hadden. Ik was bang, mijnheer Micawber's gevoel
te kwetsen of misschien dat van mevrouw Micawber, die in eene bijzonder
weekhartige stemming verkeerde; maar toch maakte het mij ongerust en
moest ik er telkens aan denken.

Wij hadden een keurig middagmaal: een sierlijken schotel visch,
een gebraden lendestuk, sausijsjes, een koppel patrijzen en een
podding. Verder stond er wijn en ale op tafel en na afloop van het
diner maakte mijnheer Micawber eigenhandig een punchbowl. Mijnheer
Micawber was bijzonder opgeruimd; nooit had ik hem nog in zulk eene
stemming ontmoet. Zijn gezicht begon op het laatst te glimmen van de
punch, zoodat het scheen alsof het gevernist was. Hij werd aandoenlijk,
toen hij over de stad begon te praten, dronk een glas op haar welzijn
en gaf te kennen, dat mevrouw Micawber en hij er met groot genoegen
eenige dagen hadden doorgebracht. Later dronk hij een glas op mijne
gezondheid en met ons drieën bespraken wij nog eens den tijd, waarin
onze kennismaking had plaats gehad, en verkochten daarbij nog eens elk
stuk, dat ik had weggebracht. Daarna dronk ik op de gezondheid van
mevrouw Micawber; ten minste ik zei erg verlegen: „indien gij het mij
wilt toestaan, mevrouw Micawber, zal ik nu het genoegen hebben op uwe
gezondheid te drinken.” Hierin vond mijnheer Micawber aanleiding eene
lofrede te houden op mevrouw Micawber's deugden, „zij is altijd mijn
gids, mijn raadgeefster en mijne vriendin geweest,” zei hij, „en mocht
gij ooit voor u zelven huwelijksplannen smeden, tracht dan eene vrouw
te krijgen als zij—indien er namelijk een tweede zooals zij te vinden
is.”

Naarmate de punch verdween, werd mijnheer Micawber opgeruimder en
vertrouwelijker. Ook mevrouw Micawber werd een weinig geanimeerd en wij
zongen met ons drieën het bekende lied:

„_Auld Lang Syne_” en toen wij aan de regel kwamen: „_Geef mij de hand,
mijn trouwe broeder_”, gaven wij elkander ook om de tafel heen de hand,
zoodat wij een kring vormden en toen wij den laatsten regel zongen,
waarvan wij geen woord begrepen, waren wij werkelijk aangedaan.

In één woord, ik zag zelden guller en aangenamer gastheer dan mijnheer
Micawber en dat bleef hij tot het laatst van den avond, toen ik
afscheid nam van hem en zijne lieve vrouw. Het spreekt van zelf, dat ik
er volstrekt niet op voorbereid was den volgenden morgen te zeven uur
het volgende briefje te ontvangen, gedateerd van den vorigen avond half
tien, een kwartier nadat ik hem verlaten had.

  „Mijn beste, jonge vriend!

De teerling is geworpen—alles is voorbij! Terwijl ik de knagende
zorgen achter een masker van vroolijkheid verborg, heb ik u heden
avond niet medegedeeld, dat alle hoop op een wissel vervlogen is.
Onder deze omstandigheden, vernederend om te dragen, vernederend om
aan te zien, vernederend om te verhalen, heb ik mij van de geldelijke
verplichtingen, die ik in dit hôtel op mij geladen heb, gekweten door
een wissel af te geven op mijn naam, te betalen over veertien dagen aan
mijne woonplaats, Pentonville, Londen. Die wissel zal niet gehonoreerd
worden op den vervaldag en dan is het met mij gedaan. Het onweder
steekt op, de boom wordt geveld!

De ongelukkige man, die thans aan u schrijft, beste Copperfield, zij
u ten waarschuwend voorbeeld. Hij schrijft u met die bedoeling en in
die hoop. Kon hij denken ooit tot iets nuttig te zijn, dan, wellicht,
zou er nog een straaltje zonlicht doorbreken in zijn troosteloos
bestaan—hoewel op dit oogenblik twijfel bij hem oprijst of dat bestaan
nog langer zal worden gerekt.

Dit is het laatste bericht, mijn waarde Copperfield, dat gij zult
ontvangen van

                                            den balling-bedelaar
                                                Wilkins Micawber.”

De inhoud van dit hartroerende schrijven deed mij zoo ontstellen, dat
ik terstond naar het kleine hotel liep met het voornemen mijnheer
Micawber een hart onder den riem te steken. Op weg daarheen ontmoette
ik echter de diligence naar Londen; mijnheer en mevrouw Micawber
zaten achterop; mijnheer als een toonbeeld van stille vergenoegdheid,
glimlachende tegen zijne eega en in druk gesprek, terwijl hij
voortdurend noten at uit een zakje en de hals van eene flesch uit zijn
borstzak kwam kijken. Aangezien zij mij niet opmerkten, meende ik, de
omstandigheden in aanmerking genomen, het best te doen hen ook maar
niet op te merken. Van een zwaren last bevrijd wandelde ik door een
zijstraatje naar school, en ik kan niet anders zeggen dan dat over
het geheel het vertrek van de familie Micawber mij eenige verademing
schonk; toch hield ik heel veel van hen.



XVIII.

Een terugblik.


Mijn schooljaren! Hoe stil gleed ik in deze dagen voort op de
levensbaan, zonder zichtbare vorderingen te maken, terwijl ik toch
allengs de jongelingsjaren naderde! Wanneer ik terugdenk aan dat
stroomend beekje, thans eene opgedroogde, met bladeren gevulde bedding,
komen mij allerlei kenteekenen voor den geest, waaruit ik ongeveer den
juisten loop kan bepalen.

Ik zie mij zitten op mijne vaste plaats in de kerk, waar wij elken
Zondagmorgen te zamen heengingen, na ons tot dat doel in de school
verzameld te hebben. De eigenaardige aardlucht, de bewolkte hemel,
het gevoel van de wereld afgezonderd te zijn, de galmende orgeltoonen
tusschen de zwarte en witte, overwelfde galerijen en zijgangen, dat
alles staat mij nog zoo levendig voor den geest, dat ik, er aan
denkende, telkens weder in een half wakenden, half droomerigen toestand
geraak.

Ik ben niet de laagste van de school. Binnen eenige maanden ben ik
verscheidene jongens over het hoofd gesprongen. De eerste jongen van de
school is echter in mijn oogen een wezen, dat op eene duizelingwekkende
hoogte geplaatst en voor mij onbereikbaar is. Agnes zegt: „Neen,” maar
ik zeg „Ja” en vertel haar, dat zij zich niet kan voorstellen, welk
een schat van kennis dat wonder van knapheid reeds heeft vergaderd,
wiens plaats zij meent, dat ik, zwakke beginner, eenmaal zou kunnen
innemen. Hij is niet, zooals Steerforth was, mijn persoonlijke vriend
of beschermer, maar ik draag hem grooten eerbied en onverdeelde
achting toe. Ik ben ten hoogste benieuwd naar hetgeen hij worden zal,
wanneer hij de school van mijnheer Strong verlaat, en naar hetgeen de
menschheid doen zal om zich tegenover hem staande te houden.

Maar wie stoort mij daar in mijne overpeinzingen? Het is de
jongejuffrouw Shepherd, op wie ik verliefd ben.

De jongejuffrouw Shepherd is een kostleerlinge op het instituut van
de dames Nettingall. Ik aanbid de jongejuffrouw Shepherd. Zij is een
klein meisje, dat een spencer draagt, een rond gezichtje en vlasblond,
krullend haar heeft. De jongejuffrouwen van het instituut komen
Zondags ook in de domkerk; ik kan onmogelijk in mijn boek zien, doch
moet altijd naar de kleine Shepherd kijken. Wanneer het koor zingt,
hoor ik haar stem; de preek schijnt mij toe voor haar bestemd en het
gebed voor de koninklijke familie betreft ook haar. Thuis, op mijn
eigen kamer, kan ik somtijds niet nalaten uit te roepen: „O, lieve
jongejuffrouw Shepherd!” zoo verliefd ben ik op haar.

Langen tijd moet ik in duister rondtasten en blijf ik in twijfel
omtrent hare gevoelens voor mij; maar eindelijk is het lot mij gunstig
en ontmoeten wij elkander op de dansles. Zij is zelfs mijn danseuse.
Ik raak even haar handschoen aan en voel eene trilling door mijn
rechterarm tot in mijne haren. Ik zeg haar geen enkele lievigheid, maar
wij begrijpen elkander. Wij weten, dat wij niet zonder elkander meer
kunnen leven.

Ik zou wel eens willen weten, hoe dikwijls ik haar in het geheim twaalf
Braziliaansche noten in de hand heb gestopt. Waarom deed ik dat toch?
Ze zijn geen zinnebeelden van de liefde; ze zijn moeilijk bijeen te
voegen tot een eenigszins regelmatig pakje; ze zijn zoo hard, dat men
ze bijna niet kan kraken, zelfs niet tusschen een deur, en zijn ze
gekraakt, dan smaken ze olieachtig; en toch voel ik, dat ze een zeer
toepasselijk geschenk zijn voor de jongejuffrouw Shepherd. Ook koop ik
zachte anijsbeschuitjes en ontelbare sinaasappels voor haar. Eens heb
ik haar in de kleedkamer een kus gegeven. O, zaligheid! Wie beschrijft
mijne verontwaardiging, wie mijn angst toen den volgenden morgen het
gerucht tot mij doordrong, dat de dames Nettingall haar voeten tusschen
twee plankjes hadden gezet, omdat hare teenen binnenwaards groeiden!

De kleine Shepherd, zooals ik haar noem, is het onderwerp van al mijne
droomen, zoodat ik niet begrijp hoe er ooit eene klove tusschen ons is
ontstaan! Er wordt gefluisterd, dat de kleine Shepherd liever heeft,
dat ik haar niet altijd zoo aankijk, dat zij jongeheer Jones boven
mij verkiest.... Jones, een jongen zonder eenige verdienste! De klove
tusschen jongejuffrouw Shepherd en mij wordt hoe langer hoe dieper.
Eindelijk kom ik de kostschool van de dames Nettingall op de wandeling
tegen en.... de kleine Shepherd steekt de tong tegen mij uit en lacht
mij uit. Nu is alles voorbij. De toewijding van een geheel leven—het
schijnt mij zoo toe, maar het is hetzelfde—is ten einde; jongejuffrouw
Shepherd behoort des Zondags niet meer tot de koninklijke familie.

Ik ben opgeklommen in de school en mijne rust wordt niet meer gestoord.
Ik ben nu niet meer zoo beleefd voor de jongejuffrouwen van het
instituut en word niet meer verliefd, al waren er nog twintigmaal meer
en al waren zij nog tienmaal mooier. Ik vind de dansles vermoeiend
en begrijp niet, waarom de meisjes niet met elkaar kunnen dansen en
ons ongemoeid laten. Ik begin Latijnsche verzen te leeren en verzuim
telkens mijn laarzen dicht te rijgen. Doctor Strong roemt mij in het
openbaar als een veelbelovend leerling; mijnheer Dick is bijna woest
van blijdschap en tante zendt mij met de eerstvolgende post een guinje.

De schim van een slagersjongen rijst bij mij op evenals het gewapende
hoofd in Macbeth. Wie is die slagersjongen? Hij is de schrik van de
geheele Canterburysche jeugd. Een duister verhaal doet de ronde,
als zou het rundervet, waarmede hij zijne haren insmeert, hem
bovennatuurlijke kracht geven, zoodat hij zelfs niet bang is voor
een volwassen man. Hij heeft een breed gezicht en een korten, dikken
nek, ruwe, roode wangen, een leelijk karakter en eene tong, waarmede
hij altijd kwaad spreekt. Vooral op de jonge heeren van de school van
doctor Strong heeft hij het gemunt. Hij zegt aan iedereen, dat, indien
zij iets van hem hebben moeten, hij het hun geven zal. Hij noemt er bij
name—mij ook—die hij met ééne hand een pak slaag wil geven, terwijl
de andere op den rug is vastgebonden. De kleinste jongens wacht hij
telkens af om hen, onbeschermd als zij zijn, af te ranselen en mij
schreeuwt hij op de openbare straat na voor al wat leelijk is. Om al
deze redenen besluit ik mij met hem te meten.

Volgens afspraak wacht ik hem op een zomeravond in een hoekje van den
wal op en ben vergezeld van de keurbende van de school. De slager heeft
twee andere slagers, een jongen herbergier en een schoorsteenveger bij
zich. De toebereidselen worden gemaakt en daar staan de slager en ik
tegenover elkander. In een oogenblik heeft hij tienduizend vonken doen
spatten uit mijn linkeroog; in het volgende oogenblik weet ik niet,
waar de wal is en waar ik zelf ben. Ik weet nauwelijks meer, wie ik
ben en wie de slager is, zoo verwoed hebben wij elkander vast en zoo
ineengestrengeld rollen wij over het platgetrapte gras. Soms zie ik den
slager, bebloed doch vol zelfvertrouwen; somtijds zie ik niets, terwijl
ik zit te hijgen op de knie van mijn secondant; een volgend oogenblik
loop ik moedig op mijn vijand in en sla mijn knokkels kapot op zijn
gezicht, zonder dat het hem iets schijnt te deren. Eindelijk ontwaak
ik, met een wonderlijk gevoel in het hoofd, als uit een vasten slaap en
zie den slager heengaan, gelukgewenscht door de beide andere slagers,
den herbergier en den schoorsteenveger, terwijl hij loopende zijn buis
aantrekt; ik besluit daaruit, dat de overwinning aan zijn kant is
geweest.

Ik word in een jammerlijken toestand thuis gebracht; men legt rauw
vleesch op mijn oogen, wascht mijn gezicht met azijn en brandewijn
en op mijn bovenlip ontstaat een groote, witte plek, die ontzettend
opzwelt. Gedurende de eerste drie of vier dagen moet ik thuis blijven,
zie er ontoonbaar uit en moet eene groene kap boven de oogen dragen;
ware Agnes geen zuster voor mij, dan zou ik zeker zeer ontmoedigd zijn;
maar zij troost mij en leest mij voor en zorgt, dat de tijd mij niet
lang valt. Ik vertel altijd alles aan Agnes en zoo krijgt zij nu ook
het geheele verhaal van den slager en, al huivert zij, zij meent toch
ook, dat ik het niet heb kunnen laten.

Ongemerkt gaat de tijd voorbij, want Adams is niet meer de eerste van
de school, al is hij dit menig jaar geweest. Adams heeft de school al
lang geleden verlaten, zoodat niemand behalve ik hem kent, toen hij op
zekeren dag doctor Strong een bezoek komt brengen. Adams zal eerstdaags
door de balie worden opgeroepen, hij wordt dan advocaat en moet een
pruik dragen. Het verbaast mij hem veel nederiger te vinden dan ik
gedacht heb; hij maakt volstrekt niet meer den indruk van vroeger. Ook
heeft hij de wereld nog niet doen ontstellen, want alles gaat—voor
zoover ik kan nagaan—nog evenals vroeger en alsof hij er zich nooit in
begeven had.

Een tijdruimte, waarin de helden in de dichtkunst en de helden uit de
geschiedenis in onafzienbare rijen, statig langs mij heentrokken—en
wat volgt dan? Nu ben ik de eerste van de school; nu kijk ik neer op
de geheele reeks jongens, die onder mij staan, en verwaardig mij wel
belang te stellen in degenen, die mij mij zelven in herinnering brengen
uit den tijd toen ik pas hier kwam. Dat kleine jongentje ben ik zelf
niet meer, ik denk er aan als aan iets, dat ik op mijn levensweg heb
achtergelaten, als aan iets dat ik heb beleefd, zonder dat ik het zelf
geweest ben, meestal denk ik aan hem alsof hij iemand anders geweest is.

En waar is het jonge meisje gebleven, dat ik ontmoette bij mijn eerste
bezoek aan mijnheer Wickfield? Eveneens verdwenen! In hare plaats
beweegt zich nu eene sprekende, geen kinderlijke gelijkenis meer door
het huis en Agnes, mijne lieve zuster, zooals ik haar beschouw, mijn
raadgeefster en vriendin, de goede engel van allen, die onder haar
kalmeerenden, weldadigen, zelfverloochenden invloed komen, is bijna
volwassen.

Welke veranderingen hebben nog met mij plaats gehad behalve dat ik
grooter en breeder ben geworden en in kennis ben vooruitgegaan? Ik
draag een gouden horloge en een gouden ketting, een ring aan mijn pink,
en een lange jas; ik gebruik veel berenvet, hetgeen een slecht teeken
is in verband met den ring. Ben ik dan weer verliefd? Ja, ik maak het
hof aan juffrouw Larkins.

De oudste juffrouw Larkins is geen klein meisje meer. Zij is volwassen,
al heeft zij een slank figuur, en boogt op een paar donker zwarte
oogen. De oudste juffrouw Larkins is volstrekt geen piepkuiken meer,
want de jongste is het zelfs niet meer en de oudste is ongeveer drie of
vier jaar ouder. De oudste juffrouw Larkins zal ongeveer dertig zijn;
doch ik ben smoorlijk op haar verliefd.

De oudste juffrouw Larkins heeft kennissen onder de officieren; ik vind
dat minder aangenaam, want zij spreken haar op straat aan en loopen
straatjes om, ten einde haar tegen te komen als zij maar een puntje
ontwaren van haar hoed—zij maakt heel veel werk van haar hoeden. En
dan lacht zij en praat met hen en schijnt het erg aardig te vinden.
Een groot gedeelte van mijn vrijen tijd breng ik door met op en neer
wandelen, ten einde haar te ontmoeten. Als ik maar eens per dag eene
buiging voor haar maken kan—ik ken mijnheer Larkins genoeg om dat
te mogen doen—voel ik mij veel gelukkiger. Ik verdien ook wel nu
en dan een buiging, want de zielsangst, dien ik uitsta, wanneer zij
het bal na de wedrennen bijwoont en daar danst met de officieren, is
onbeschrijfelijk en mag wel vergoed worden, indien de rechtvaardigheid
nog niet uit de wereld verdwenen is.

Mijne verliefdheid jaagt mijn eetlust op de vlucht en is oorzaak,
dat ik elken dag mijn nieuwe zijden das draag. Ik kan niets doen om
mij zelven wat te verheffen dan mijn beste kleederen aantrekken en
zorgen, dat mijne schoenen goed blinken. Ik heb dan een gevoel of
ik der oudste juffrouw Larkins meer waardig ben. Alles wat met haar
in verband staat of haar toebehoort, wekt mijne belangstelling op.
Mijnheer Larkins, een norsche, oude heer met een onderkin en één oog,
dat onbewegelijk in zijn hoofd staat, geniet eveneens de eer van mijne
belangstelling. Kan ik zijne dochter niet ontmoeten dan ga ik ergens
heen, waar ik zeker weet hem te zullen zien. Te zeggen „Goeden middag,
mijnheer Larkins. Hoe vaart u? Zijn de jonge dames en is uwe familie
wel?” komt mij zoo brutaal voor, dat ik er bij bloos.

Ik moet telkens aan mijn leeftijd denken. Waarom zou ik vertellen,
dat ik pas zeventien ben en dat zeventien jaar wel wat jong is voor
de oudste juffrouw Larkins? Ik zal wel maken, dat ik in een ommezien
een en twintig ben. Des avonds wandel ik geregeld voor het huis van
mijnheer Larkins op en neer al snijdt het mij door de ziel, wanneer
ik er de officieren zie uit- en ingaan en de oudste juffrouw Larkins
in het salon op de harp hoor spelen. Zelfs loop ik nu en dan als
een dief het huis rond, nadat de familie reeds te bed is, hopende
te kunnen ontdekken, welke kamer die van de oudste juffrouw Larkins
is,—ik durf het nu wel zeggen dat ik die van mijnheer Larkins er
voor hield—; somtijds komt de wensch in mij op dat er brand zal
uitbarsten, dat niemand van ontsteltenis het huis durft binnengaan en
dat ik met een ladder door de menigte heendring, die tegen het raam
plaats en de oudste juffrouw Larkins in mijne armen opvang, terugga
om iets te halen, dat zij vergeten heeft, en in de vlammen omkom.
Meestal is mijne liefde geheel belangeloos en meen ik mij tevreden
te kunnen stellen met de eene of andere heldendaad te verrichten en
dan onder juffrouw Larkins' oogen den laatsten adem uit te blazen.
Meestal—niet altijd. Er rijzen ook wel eens schitterender visioenen
voor mij op. Terwijl ik mij kleed—eene bezigheid, die ruim twee uur
duurt—om naar een bal te gaan bij de familie Larkins, waarop ik mij
reeds drie weken lang heb verheugd, rijzen de schoonste tafereelen voor
mijne oogen op. Ik stel mij voor, dat ik den moed zal hebben om aan
de oudste juffrouw Larkins eene liefdesverklaring te doen. Ik stel
mij haar voor met het hoofd op mijn schouder, zeggende: „O, mijnheer
Copperfield, mag ik mijne ooren gelooven?” Ik stel mij mijnheer Larkins
voor, zooals hij den volgenden morgen op mij zal zitten te wachten en
zeggen: „Mijn waarde Copperfield, mijn dochter heeft mij alles verteld.
Jeugd is geen hinderpaal. Hier hebt gij twintig duizend pond. Maak haar
gelukkig!” Ik stel mij mijne tante voor, hoe zij ons met tranen in de
oogen haar zegen geeft, en zie reeds de gezichten van mijnheer Dick en
doctor Strong op onze bruiloft. Ik ben een verstandige jongen—ik meen
dat ik geloofde het te zijn—en heb geen hoog denkbeeld van mij zelven,
maar toch komen al deze gedachten in mij op.

Ik maak mij op naar het tooverpaleis en kom er binnen. Daar staat de
oudste juffrouw Larkins, schooner dan ooit, te midden van een zee van
licht, van bloemen, muziek, officieren—tot mijn leedwezen—in een
hemelsblauw toilet, met blauwe bloemen in het haar. Ik meen, dat het
vergeet-mij-nietjes waren. Alsof zij die noodig heeft! Het is de eerste
groote-menschenpartij, waarop ik genoodigd ben, en ik voel mij niet zoo
erg op mijn gemak, want ik heb het gevoel van bij niemand te behooren,
en niemand schijnt iets tegen mij te zeggen te hebben, behalve mijnheer
Larkins, die mij vraagt hoe de schoolkameraden het maken, dat hij wel
had kunnen nalaten, want ik was niet gekomen om beleedigd te worden.

Nadat ik eenigen tijd bij de deur heb gestaan, den blik onafgewend
gevestigd op de godin van mijn hart, nadert zij mij... zij, de oudste
juffrouw Larkins!—en vraagt mij op vriendelijken toon of ik dans.

Ik stamel met een buiging: „Met u, juffrouw Larkins?”

„Met niemand anders?” vraagt zij.

„Ik heb geen lust om met iemand anders te dansen.”

Juffrouw Larkins glimlacht en bloost—ik meen dat zij bloost—en zegt:
„Het zal mij heel aangenaam zijn.... den volgenden dans.”

Het oogenblik nadert. „Ik meen, dat het een wals is,” merkt juffrouw
Larkins op, als ik mij kom aanmelden. „Walst gij? Anders zal kapitein
Bailey...”

Maar ik wals, en vrij goed ook, gelukkig, en voer de oudste juffrouw
Larkins in den kring. Zonder eenig mededoogen beroof ik kapitein Bailey
van haar gezelschap. Hij voelt zich ongelukkig, daaraan twijfel ik geen
oogenblik, maar ik heb mij immers ook ongelukkig gevoeld! Ik wals met
de oudste juffrouw Larkins! Ik weet niet waar ik ben, tusschen welke
paren, en hoe lang ik met haar wals? Ik weet alleen, dat ik door het
luchtruim zweef met een blauwe engel in mijne armen in een staat van
zalige bedwelming, tot ik weder tot mij zelven kom en mij terugvind
in een klein kamertje, naast haar op de sofa. Zij zit een bloem te
bewonderen—een roode camelia japonnica, dit mij een halve kroon heeft
gekost—in mijn knoopsgat; ik geef haar die en zeg:

„Ik vraag er een hoogen prijs voor, juffrouw Larkins.”

„Ja, waarlijk?” zegt juffrouw Larkins.

„Een takje van uw bouquet om als goud te bewaren.”

„Gij zijt een vermetele jongen,” antwoordt juffrouw Larkins. „Ziedaar.”

Zij is volstrekt niet onvriendelijk als zij me het takje geeft, waarop
ik een kus druk om het daarna in mijn vest te verbergen. Juffrouw
Larkins lacht, trekt mijn hand door haar arm en zegt: „Wilt gij mij nu
weder bij kapitein Bailey brengen?”

Ik ben nog geheel onder den indruk van dit heerlijk gesprek en van de
wals, als zij bij mij terugkomt met een leelijk, oudachtig heer, die
den geheelen avond aan de whisttafel gezeten heeft, en zegt: „O, daar
is mijn vermetel vriendje! Mijnheer Chestle wenscht kennis met u te
maken, mijnheer Copperfield.”

Ik voel, dat hij een vriend des huizes moet zijn en ben zeer vereerd
met de kennismaking.

„Ik bewonder uwe keus, mijnheer,” zegt mijnheer Chestle. „Doet u eer
aan. Ik onderstel, dat gij weinig belang stelt in hop, maar ik kweek
die in het groot en zoo gij ooit in de buurt komt—in de buurt van
Ashford—en onze kweekerij eens wilt bezichtigen, zult gij ons veel
genoegen doen.”

Ik bedank mijnheer Chestle en wij schudden elkander de hand. Ik meen
een gelukkigen droom te hebben. Nogmaals wals ik met de oudste juffrouw
Larkins—zij zegt, dat ik heel goed dans—en ik ga naar huis in de
zaligste stemming en blijf in mijne verbeelding den geheelen nacht
walsen met den arm om de blauwe leest van mijne godin. Eenige dagen
lang geniet ik van de onuitsprekelijk zalige herinnering, maar ik zie
haar niet op straat en krijg belet. Het half vergane takje kan mij
slechts matig troosten over deze teleurstelling.

„Trotwood,” zei Agnes op zekeren dag na het eten. „Wie denkt gij wel,
dat morgen trouwt? Iemand, die gij aanbidt!”

„Gij toch niet, Agnes?”

„Neen, ik niet!” riep zij, terwijl zij met haar lief gezichtje opkeek
van de muziek, die zij copieerde. „Hoort gij wat hij zegt, papa?—De
oudste juffrouw Larkins.”

„Met..... met kapitein Bailey?” Ik had nog juist de kracht om deze
vraag te stamelen.

„Neen, niet met een kapitein. Met mijnheer Chestle, hopkweeker.”

Gedurende een of twee weken ben ik ziek van neerslachtigheid. Ik doe
mijn ring af, draag mijne oudste kleeren, heb geen berenvet noodig en
jammer telkens over de vergane bloem van wijlen juffrouw Larkins.
Aangezien mij deze wijze van leven begint te vervelen en ik eene
nieuwe uitdaging van den slager gekregen heb, werp ik het takje weg,
neem de uitdaging aan en behaal een glansrijke overwinning.

Dit, de verzoening met mijn ring en een matig gebruik van berenvet zijn
de laatste herinneringen uit den tijd vóór mijn zeventiende jaar.



XIX.

Ik kijk rond en doe eene ontdekking.


Ik weet niet of ik blijde was, toen ik de school van doctor Strong
verliet, dan wel of het mij speet. Ik was daar heel gelukkig geweest,
hield zeer veel van den doctor en in die kleine wereld was ik een
persoon van gewicht. Om deze redenen speet het mij, maar om andere,
die ik toch niet zou kunnen noemen, was ik blijde, dat dit tijdperk
afgesloten was. Een geheimzinnig gevoel dat ik nu een jongmensch was,
die op zijn eigen beenen moest staan, dat zulk een jongmensch in staat
was de wonderlijkste dingen te zien en te doen, en zonder twijfel
een grooten invloed zou oefenen op de maatschappij, had zich van mij
meester gemaakt. Zoo machtig was de indruk, welke deze hersenschimmige
denkbeelden op mijn jongensgemoed maakten, dat ik, naar het mij thans
voorkomt, de school zonder eenig gevoel van leedwezen schijn te hebben
verlaten. De scheiding maakte niet zulk een indruk op mij, als bij
latere gelegenheden een afscheid wel gedaan heeft. Ik doe vergeefsche
moeite om mij te herinneren wat ik voelde en onder welke omstandigheden
ik heenging; ik kan mij dat op het oogenblik niet te binnen brengen.
Ik onderstel, dat het vooruitzicht op mijn nieuw leven mij te veel
heeft bezig gehouden. Ik weet wel, dat al de ervaring, die ik in mijne
jeugd had opgedaan, waardeloos was geworden, en het leven mij één lang
sprookje toescheen, dat ik nu zou beginnen te lezen.

Tante en ik voerden menig ernstig gesprek over het beroep, dat
ik kiezen zou. Een jaar geleden had ik reeds moeite gedaan om
een bevredigend antwoord te vinden op deze vraag, waarop tante
herhaaldelijk terugkwam. „Wat ik het liefst zou worden?” Ik had
echter geen bepaalde voorkeur voor iets. Indien ik echter door eene
ingeving plotseling bedreven ware geweest in de zeevaartkunst en met
het bevel ware belast geworden over eenige snelvarende schepen, om
er een zegevierenden tocht om de wereld mede te maken, nieuwe landen
te ontdekken, enz., dan geloof ik wel, dat ik mij daartoe geroepen
zou hebben gevoeld. Maar nu zulk eene wonderlijke bestiering achterwege
bleef, wilde ik mij toeleggen op een beroep, dat niet al te zeer drukte
op hare beurs, en was het mijn voornemen mijn plicht te doen, wat en
hoe dat beroep dan ook zou wezen.

Mijnheer Dick was altijd tegenwoordig bij onze overleggingen en trok
dan een zeer ernstig en verstandig gezicht. Hij maakte slechts eenmaal
eene opmerking en stelde bij die gelegenheid voor—hoe het in hem
opkwam is mij nog een raadsel—dat ik koperslager zou worden. Tante nam
zijn voorstel zoo euvel op, dat hij het niet waagde een ander maal zich
ongevraagd in ons gesprek te mengen, hij bepaalde zich tot geduldig
wachten op hetgeen tante zelve zou voorstellen, en rammelde intusschen
met zijn geld.

„Ik zal u eens wat zeggen, beste Trot,” zei tante op zekeren morgen,
omstreeks Kerstmis, nadat ik de school reeds verlaten had, „nu dit
ingewikkelde vraagstuk nog niet is opgelost, en wij, indien wij ons
overhaasten, wellicht kunnen mistasten, geloof ik dat het beter is nog
wat bedenktijd te nemen. Intusschen moet gij trachten de zaak uit een
ander oogpunt te bekijken dan uit dat van een schooljongen.”

„Dat beloof ik u, tante.”

„Het komt mij voor,” vervolgde tante, „dat een weinig afwisseling en
een kijkje in de wereld u behulpzaam zou kunnen zijn in het nemen van
een besluit. Als gij eens een reisje gingt maken. Als gij eens een
bezoek bracht aan die plaats, waar gij al meer geweest zijt en aan
dat rare mensch met dien onmogelijken naam.” Zij kon Peggotty nooit
volkomen vergeven, dat zij Peggotty heette.

„Er is niets, dat ik liever zou doen, tante.”

„Welnu, dat is gelukkig want ik vind het heel goed. Maar het is
natuurlijk en ook verstandig, dat gij het ook gaarne wilt. Ik ben
trouwens vrij wel overtuigd, Trot, dat alles wat gij doet natuurlijk en
verstandig zijn zal.”

„Dat hoop ik van harte, tante.”

„Uwe zuster, Betsey Trotwood,” hernam tante, „zou ook een natuurlijk
en verstandig meisje geweest zijn als zij ooit het levenslicht had
aanschouwd. Gij zult harer waardig zijn, nietwaar Trot.”

„Ik hoop dat ik uwer waardig zijn zal, tante. Dat zal steeds mijn
streven zijn.”

„Het is eigenlijk maar gelukkig dat uwe moeder, dat ongelukkige, lieve
kind niet meer in leven is”, zei tante, mij onderzoekend aankijkende,
„want zij zou zoo trotsch zijn geweest op haar zoon, dat haar arme
hoofdje geheel op hol zou zijn geraakt, als er tenminste nog iets in
was, dat op hol zou kunnen gaan. Goede Hemel, Trot, wat doet gij mij
aan haar denken!”

„Ik hoop dat u deze gelijkenis genoegen doet, tante!” antwoorde ik.

„Hij gelijkt sprekend op haar, Dick,” vervolgde zij opgewonden, „hij
lijkt op haar zooals zij er uitzag voor zij ongelukkig werd—als gij
mij zoo met beide oogen aankijkt, lijkt gij sprekend op haar.”

„Zoo, waarlijk?” zei mijn heer Dick.

„En hij lijkt ook op David!” zei mijne tante op beslisten toon.

„Hij lijkt zeer veel op David!” bevestigde mijnheer Dick.

„Wat ik vooral hoop, dat gij worden zult, Trot,” hernam tante, „—ik
bedoel geestelijk, niet lichamelijk; lichamelijk zijt gij goed genoeg
ontwikkeld—dat is: een ferme man. Een ferme man met een eigen wil. Een
vastberaden man” voegde zij er nog bij, terwijl zij het hoofd schudde
en de vuist dichtkneep. „Vastberaden, een man van karakter, Trot! Een
man, die zich niet laat influenceeren dan ten goede, door niemand,
door niets. Dat is het wat ik hoop, dat gij worden zult. Dat hadden
ook uw vader en uwe moeder kunnen zijn en dat zou hun geluk verhoogd
hebben—dat weet de Hemel!”

Ik zei te hopen aan hare beschrijving te zullen beantwoorden.

„Ten einde u te gewennen op uzelven te leeren vertrouwen en in
kleinigheden voor uzelven te zorgen, zal ik u dat reisje alleen laten
doen. Ik had er eerst over gedacht mijnheer Dick met u mede te laten
gaan, maar bij nader inzien is het beter, dat mijnheer Dick hier blijft
om voor mij te zorgen.”

Een oogenblik keek mijnheer Dick een weinig teleurgesteld, maar de eer
en de waardigheid om voor de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld
te zorgen, brachten weder een zonnestraal op zijn goedig gezicht.

„Bovendien”, voegde tante er bij, „de memorie is nog niet af.”

„Ja juist”, zei mijnheer Dick haastig, „het is mijn plan, Trotwood,
de memorie nu onmiddellijk af te maken.... onmiddellijk! En dan zend
ik haar in, begrijpt ge.... en dan......” voegde hij er na eene kleine
pauze bij, „dan kan het goede leven beginnen.”

Ingevolge het lieve plan van tante, vertrok ik eenige dagen later,
met eene welgevulde beurs, een nieuw reiskoffertje en vele goede
raadgevingen. Bij mijn vertrek gaf tante mij menigen goeden raad
en een aantal hartelijke kussen mede en zeide, dat aangezien hare
bedoeling was dat ik eens in de wereld zou rondkijken en eens over
verdere plannen nadenken, zij mij aanbeval op de heen- of op de
terugreis eenige dagen in Londen door te brengen. In één woord, ik was
vrij om te doen en te laten wat ik wilde gedurende drie of vier weken,
zonder eenige bindende voorwaarde dan rond te kijken en na te denken en
minstens driemalen 's weeks een trouw verslag van mijn wedervaren in te
zenden.

Ik ging eerst naar Canterbury, ten einde afscheid te nemen van Agnes
en van mijnheer Wickfield—en van mijn oude kamertje, dat ik eigenlijk
nog niet voorgoed verlaten had—en van den goeden, ouden doctor Strong.
Agnes was blijde mij te zien en vertelde mij, dat het huis scheen
uitgestorven nadat ik weg was.

„Ik verzeker u, dat ik niet weet hoe ik het heb, nu ik hier weg ben,”
zei ik. „Ik heb een gevoel, alsof ik mijn rechterhand mis, als ik u
niet bij mij heb. Dit zegt wel weinig, want er is noch een hoofd, noch
een hart in mijn rechterhand. Iedereen, die u kent, Agnes, wint uw raad
in en wordt gaarne door u geleid.”

„Iedereen, die mij kent, bederft mij,” antwoordde Agnes, „geloof dat
maar.”

„Neen, dat komt omdat er geen tweede meisje bestaat zooals gij. Gij
zijt zoo goed en heb zulk een zacht humeur. Gij zijt zoo lief en zoo
zacht en hebt altijd gelijk.”

„Gij spreekt”, zei Agnes, in een schaterlach uitbarstend, „als ware ik
de oudste juffrouw Larkins.”

„Foei, het is niet mooi van u misbruik te maken van hetgeen ik u in
vertrouwen heb meegedeeld,” antwoordde ik, blozende bij de herinnering
aan mijn blauwe zielsvriendin. „Maar ik blijf u toch vertrouwen, Agnes.
Ik zal dat nooit kunnen laten. Wanneer ik ziek of verliefd ben, zal ik
het u altijd meedeelen, als ik het u ook mag laten weten wanneer ik
eens in ernst verliefd wordt.”

„Zijt gij dan niet altijd in ernst verliefd geweest?” vroeg Agnes
lachend.

„O, toen was ik nog een kind, een schooljongen!” antwoordde ik, op
mijne beurt lachend, maar toch ook een weinig beschaamd. „De tijden
zijn nu veranderd en ik onderstel op zekeren dag heel ernstig verliefd
te zullen zijn. Wat mij echter verwondert, is waarom gij nog niet
ernstig verliefd zijt, Agnes.”

Agnes schudde lachend het hoofd.

„O, ik weet zeker, dat gij niet verliefd zijt, anders zoudt gij het mij
wel hebben verteld,” hernam ik. „Of, tenminste,” ging ik voort, omdat
ik zag, dat zij een kleur kreeg, „gij zoudt het mij wel hebben laten
raden. Maar er is, voor zoover ik weet, niemand, die verdienen zou u
lief te hebben Agnes. Iemand, wien ik mijne toestemming zou geven,
moet een veel edeler karakter hebben en uwer veel waardiger zijn dan
een van de jongere heeren, die ik hier heb ontmoet. Ik zal voortaan
een waakzaam oog houden op alle aanbidders en voor dengene, wien het
geluk te beurt valt in uw smaak te vallen, zeer veeleischend zijn, dat
verzeker ik u.”

Zoo gingen wij eenigen tijd voort op dien vertrouwelijken toon, waarin
scherts en ernst elkaar afwisselden en die het natuurlijk gevolg was
van den gemeenzamen omgang, van onze kinderjaren af.

Plotseling keek Agnes mij met hare lieve oogen zeer ernstig aan en zei
op een geheel anderen toon:

„Trotwood, ik moet u nog iets vragen en zal daartoe waarschijnlijk in
langen tijd niet in de gelegenheid zijn—iets, dat ik zeker aan niemand
dan u zou willen vragen. Hebt gij niet opgemerkt dat papa in den
laatsten tijd veranderd is?”

Ik had reeds lang verandering bij haar vader opgemerkt en mij verbaasd,
dat zij het ook niet deed. Ook moet ik dat getoond hebben, want zij
sloeg hare oogen neer en ik zag, dat zij hare tranen niet kon inhouden.

„Zeg mij dan eens wat gij daarvan denkt?” vroeg zij zacht.

„Zal ik heel openhartig zijn, Agnes? Gij weet, dat ik veel van uw vader
houd.”

„Ja,” antwoorde zij.

„Ik geloof, dat hij verkeerd doet door toe te geven aan de slechte
gewoonte, die, sinds ik hier ben, hoe langer hoe sterker is geworden.
Hij is dikwijls erg zenuwachtig—of verbeeld ik mij dat?”

„Dat verbeeldt gij u niet,” zei Agnes hoofdschuddend.

„Zijne handen beven, zijne spraak is eenigszins belemmerd en zijne
oogen dwalen rond. Ik meen ook opgemerkt te hebben, dat hij altijd
geroepen wordt, juist wanneer hij het minst geschikt is om zaken te
doen.”

„Door Uriah,” zei Agnes.

„Ja en het gevoel van ongeschikt te zijn om zaken te behandelen, van
ze niet begrepen te hebben, of van zich in dien toestand te hebben
vertoond, schijnt hem dan zoo te vervolgen, dat het den volgenden dag
nog erger is en den daarop volgenden weer erger, zoodat hij hoe langer
hoe meer verslapt en vermagert. Schrik niet van hetgeen ik u vertel,
Agnes, maar ik zag hem laatst 's avonds in dien toestand achter zijn
lessenaar zitten, met het hoofd op zijne handen en schreiend als een
kind!”

Zacht legde zij hare hand op mijn mond, toen ik nog meer wilde
zeggen, en in het volgende oogenblik liep zij haar vader te gemoet,
die de kamer inkwam. Beiden keken mij aan en de uitdrukking, die op
dit oogenblik in haar gelaat lag, trof mij diep. Er lag zulk eene
teederheid in voor hem, zulk een dankbaarheid voor al zijne liefde en
zorg, zulk eene dringende bede aan mij, om hem zelfs in mijne geheimste
gedachten met verschooning te behandelen en niet hard voor hem te zijn;
zij was op eens zoo trotsch op hem en zoo in aanbidding van zijn goede
hart en toonde daarbij zooveel medelijden en verdriet en zooveel
vertrouwen op mijn medegevoel, dat zij met woorden geen dieperen
indruk op mij had kunnen maken of mij meer had kunnen ontroeren.

Wij gingen theedrinken bij den doctor op het gewone uur en vonden
doctor Strong met zijne jonge vrouw en haar moeder om den haard
zittende. De doctor, die over mijn heengaan sprak, alsof ik naar China
ging, ontving mij als een hooggeachten gast en liet nog een blok hout
op het vuur werpen, ten einde het gelaat van zijn oudsten leerling nog
eens te zien gloeien.

„Ik zal in Trotwood's plaats niet veel nieuwe gezichten meer zien,
Wickfield,” zei de doctor, terwijl hij zijne handen warmde: „ik word
lui en verlang naar rust. Over een half jaar zeg ik al mijn jongelui
vaarwel en ga stil leven.”

„Dat hebt gij tien jaar geleden ook al gezegd doctor,” antwoordde
mijnheer Wickfield.

„Maar nu meen ik het en zal het gebeuren. Mijn oudste onderwijzer zal
mij opvolgen—het is mij nu ernst—zoodat gij spoedig ons contract zult
dienen op te maken, ten einde ons te binden, alsof wij de grootste
schelmen zijn.”

„En zorg te dragen,” voegde mijnheer Wickfield er bij, „dat gij niet
bedrogen uitkomt, nietwaar? En dat zoudt gij zeker bij elk contract,
dat gij zelf zoudt opmaken. Welnu, ik ben tot uw dienst. Er worden mij
wel onaangenamer bezigheden opgedragen.”

„Ik behoef dus aan niets te denken,” zei de doctor, „dan aan mijn
dictionnaire en.... aan dit lastpostje”—hij wees op Annie.

Toen mijnheer Wickfield glimlachend naar haar keek—zij zat bij Agnes
aan de theetafel—kwam het mij voor, dat zij zijn blik met zulk eene
ongewone schroomvalligheid vermeed, dat het zijn aandacht trok, alsof
hij zich iets moest te binnen brengen.

„Zooals ik zie, is er een post aangekomen uit Indië,” zei hij na een
oogenblik van algemeene stilte.

„Ja, ja,” antwoordde de doctor, en ook een brief van Jack Maldon.

„Wel zoo!”

„Arme Jack!” zei mevrouw Markleham hoofdschuddend. „Dat ellendige
klimaat! Men heeft mij verteld, dat het daar is als woonde men onder
een brandglas op een zandhoop! Hij zag er wel sterk uit, doch was het
niet. Het was niet zijn gestel, dat hem zoo vermetel deed schijnen,
beste doctor, maar zijn sterke geest. Gij zult u nog wel herinneren,
Annie, dat uw neef nooit sterk was, niet wat men forsch zou kunnen
noemen,” voegde zij er met nadruk bij, terwijl zij ons een voor een
aankeek.... „gij herinnert u dat zeker nog wel uit den tijd, toen gij
beiden nog kinderen waart en den ganschen dag samen speeldet.”

Annie gaf geen antwoord.

„Moet ik uit hetgeen gij daar zegt tot het besluit komen, dat mijnheer
Maldon ziek is, mevrouw?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Ziek?” riep de oude Overste. „Mijn waarde heer, hij is van alles!”

„Behalve gezond?”

„Behalve gezond, ja waarlijk zoo is het,” antwoordde mevrouw Markleham.
„Hij heeft zeker reeds meer dan eenmaal een hevigen zonnesteek gehad
en dan plagen hem de moeraskoortsen en allerlei andere kwalen, die gij
maar bedenken kunt. En wat zijn lever aangaat, och, daarvan deed hij
reeds afstand nog eer hij wegging!”

„En schrijft hij u dat alles?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Schrijven? Maar, mijn waarde heer,” riep de oude Overste, met haar
hoofd en haar waaier schuddende, „gij kent mijn armen Jack Maldon niet
als gij zulk eene vraag kunt doen! Schrijven? Eerder zou hij zich door
vier wilde paarden in stukken laten scheuren!”

„Mama!” riep mevrouw Strong.

„Annie, lieve”, hernam hare moeder, „eens voor altijd verzoek ik u
mij niet in de rede te vallen dan om hetgeen ik zeg te bevestigen.
Gij weet zeer goed dat uw neef Maldon zich liever door vier wilde
paarden—maar waartoe zou ik mij bepalen tot vier? Ik _wil_ mij niet
bepalen tot vier—door acht, zestien, twee-en-dertig wilde paarden in
stukken zou laten scheuren, dan zich te beklagen over hetgeen de doctor
over hem besloten heeft.”

„Het geschiedde op voorstel van Wickfield”, zei de doctor, terwijl hij
zijn raadgever berouwvol aankeek. „Dat wil zeggen, wij hebben eigenlijk
samen het plan opgemaakt. Ik heb gezegd: hier of buitenslands.”

„En ik heb gezegd,” voegde mijnheer Wickfield er op plechtigen toon
bij, „buitenslands. Ik achtte het beter, dat hij buitenslands ging. Ik
draag dus alle verantwoordelijkheid.”

„O! verantwoordelijkheid!” zei de oudste Overste. „Alles is gedaan tot
zijn bestwil, mijn waarde heer Wickfield; alles is gedaan met de beste
en vriendelijkste bedoelingen, dat weten wij wel. Maar indien de arme
jongen daar niet leven kan, dan kan hij daar ook niet leven. En indien
hij er niet leven kan, zal hij er sterven, liever dan de plannen van
den doctor in de war te sturen. Ik ken hem,” zei de oudste Overste,
al waaiende en met een aandoenlijken profetischen blik herhaalde zij
nogmaals: „liever zal hij sterven dan de plannen van den doctor in de
war sturen.”

„Wel, mevrouw,” zei de doctor op blijmoedigen toon, „ik ben niet zulk
een vereerder van mijn eigen plannen, dat ik ze niet zelf in de war
zou kunnen sturen! Ik kan er immers andere voor in de plaats stellen.
Indien mijnheer Jack Maldon terugkeert, omdat hij ziek is, mag hij niet
meer daarheen gaan; wij zullen dan trachten hier eene betrekking voor
hem te vinden, die beter voor hem geschikt is.”

Mevrouw Markleham was zoo ontroerd door deze edelmoedige woorden—die
zij, ik behoef dat niet te zeggen, noch voorzien noch uitgelokt
had—dat zij alleen de verklaring kon afleggen, dat de doctor weder
alleen zijn goede hart liet spreken, waarbij zij eenige malen een kus
op haar waaier en dezen op de hand van den doctor drukte. Daarna wendde
zij zich tot hare dochter en beknorde haar op vriendelijken toon,
omdat zij niet meer vreugde aan den dag legde, nu men, ter wille van
haar, haar ouden speelmakker zooveel welwillendheid bewees; eindelijk
onthaalde zij ons nog op eenige bijzonderheden aangaande sommige
verdienstelijke familieleden, die nog op hunne verdienstelijke beenen
geholpen moesten worden.

Gedurende al dien tijd sprak hare dochter Annie geen woord en sloeg
zelfs hare oogen niet op. Gedurende al dien tijd bleven mijnheer
Wickfield's oogen onafgewend op haar gevestigd. Het scheen mij toe dat
hij meende door niemand te worden gadegeslagen, want hij was zoo in
gedachten over haar verdiept, dat hij nergens anders acht op sloeg.
Eindelijk vroeg hij wat Jack Maldon over zich zelven geschreven had en
aan wien de brief was gericht?

„Wel, hier is hij!” zei mevrouw Markleham, over het hoofd van den
doctor heen een brief van den schoorsteen nemende, „de beste jongen
schrijft aan den doctor zelven.... waar staat het? O, hier.... ‚Het
spijt mij u te moeten mededeelen, dat mijne gezondheid volstrekt niet
goed is en ik vrees genoodzaakt te zullen zijn voor eenigen tijd naar
het vaderland terug te keeren zijnde dit voor mij de eenige hoop op
herstel!’ Dit is nog al duidelijk! De arme jongen! Zijn eenige hoop
op herstel! De brief van Annie is nog duidelijker! Geef mij dien eens
Annie!”

„Nu niet, mama”, sprak Annie, bijna op smeekenden toon.

„Lieve kind, in sommige dingen zijt gij het zonderlingste schepsel dat
ik ken”, zei de oude Overste, „en handelt gij onnatuurlijk tegenover
de leden uwer familie. Ik geloof, dat wij nooit een woord van dezen
brief vernomen zouden hebben, als ik er niet naar gevraagd had. Noemt
gij dat vertrouwen stellen in doctor Strong? Het verbaast mij zeer. Gij
behoordet beter te weten.”

De brief werd met tegenzin te voorschijn gehaald en toen ik dien aannam
om hem aan mevrouw Markleham over te reiken, zag ik hoe haar handje
beefde.

„Laat ons nu eens zien,” zei de oude Overste, terwijl zij haar lorgnet
opzette, „waar staat het ook? ‚De herinnering aan vroegere dagen....
neen.... dat is het niet. En hoe maakt onze beminnelijke oude proctor
het?’... Goede Hemel, Annie, wat schrijft hij onleesbaar en wat ben
ik dom! ‚Doctor’, natuurlijk! Ja, wel beminnelijk!” Zij hield even
op, kuste den waaier nogmaals en wuifde er mede in de richting van
doctor Strong, die stil en vergenoegd naar ons zat te kijken.... „Nu
heb ik het: ‚Het zal u niet verbazen te vernemen, Annie!’.... neen,
zeker niet, want zij wist altijd dat hij niet sterk was; waar ben
ik ook gebleven?.... ‚dat ik genoeg heb uitgestaan in het afgelegen
land om te besluiten het hoe eerder hoe beter te verlaten, kan het,
met een verlof wegens ziekte, is dit onmogelijk, dan moet ik mijn
ontslag wel nemen. Hetgeen ik hier heb uitgestaan en nog uitsta, is
met geen pen is beschrijven!’ En zonder de welwillendheid van den
besten aller menschen,” voegde mevrouw Markleham er bij, terwijl zij
weder op dezelfde wijze naar doctor Strong telegrapheerde en den brief
dichtvouwde, „zou mij de gedachte aan zijn lijden geen oogenblik rust
laten.”

Mijnheer Wickfield sprak geen woord, ofschoon de oude dame hem aankeek,
alsof zij zich gereed hield alle opmerkingen die hij op den inhoud van
den brief maken wilde, te wederleggen; zwijgend en met eene gestrenge
uitdrukking op zijn gelaat keek hij naar den grond. Lang nadat dit
onderwerp en nog vele andere, die er niets mede te maken hadden, waren
afgehandeld, bleef hij zoo zitten; nu en dan sloeg hij de oogen eens
op en keek dan met peinzend gefronste wenkbrauwen den doctor of diens
vrouw of beiden eenige oogenblikken aan.

De doctor hield veel van muziek en Agnes zoowel als mevrouw Strong
hadden lieve, zachte stemmen. Zij zongen en speelden eenige duetten,
zoodat wij een klein concert hadden. Ik merkte echter twee dingen op:
ten eerste, dat, hoewel Annie weder volkomen kalm was, er tusschen
haar en mijnheer Wickfield eene klove scheen te zijn, die hen geheel
van elkander scheidde; ten tweede, dat de vriendschap tusschen zijne
dochter en mevrouw Strong mijnheer Wickfield scheen te mishagen en hij
die met eene zekere ongerustheid scheen gade te slaan. En thans moet ik
bekennen, dat hetgeen ik had waargenomen op den avond van het vertrek
van Jack Maldon in mijne herinnering eene beteekenis kreeg, die ik er
nooit aan gehecht had. Annie's mooi, onschuldige gezichtje was niet
zoo mooi en onschuldig meer in mijne oogen als vroeger; ik begon de
aangeboren aanvalligheid in hare manieren te wantrouwen en wanneer ik
aan Agnes dacht, die naast haar zat, en bedacht hoe goed en trouw Agnes
was, kwam het vermoeden in mij op, dat de vriendschap van Agnes voor
het jonge vrouwtje misplaatst was.

Annie scheen echter zoo gelukkig en Agnes ook dat zij den avond
deden voorbijvliegen. Er gebeurde nog iets, dat ik mij herinner.
Toen wij afscheid namen en Agnes hare vriendin wilde omhelzen en
kussen, drong mijnheer Wickfield als bij toeval tusschen haar in en
nam Agnes haastig mede. En toen zag ik dezelfde uitdrukking op het
gelaat van mevrouw Strong als dien avond van Jack Maldon's vertrek,
toen ik het echtpaar verraste en zij haar gelaat tot den doctor had
opgeheven. Ik kan niet zeggen welken indruk dit op mij maakte of hoe
onmogelijk het mij later was, wanneer ik aan haar dacht, haar in mijne
herinnering terug te roepen zonder dien blik, mij haar gezichtje in al
de frissche bekoorlijkheid van hare jeugd voor den geest te brengen.
Naar huis gaande vervolgde het mij langs den geheelen weg. Het scheen
mij toe alsof het huis van den doctor in eene donkere, sombere wolk
was gehuld. De eerbied, dien ik had voor zijne grijze haren, ging
thans gepaard met medelijden met het vertrouwen, dat hij stelde in hen,
die hem verrieden, en met weerzin aan hen, die hem onrecht aandeden.
Als een dreigende onweerswolk zag ik een groote ramp naderen, zag ik,
zonder dat ik er een bepaalden vorm aan kon geven, schande komen over
het stille plekje, waar ik gewerkt en gespeeld had als jongen. Ik kon
niet langer met genoegen denken aan de reusachtige, breedgekroonde
aloë's, die alle een tijdperk van een honderd jaren vertegenwoordigden,
noch aan het gladde, keurig onderhouden grasperk en aan de steenen
vazen en aan het doctorspad en aan het eentonig geluid van de klok
in de domkerk, dat over alles heenzweefde. Het was alsof het
heiligdom uit mijn knapentijd was bestormd en uitgeplunderd in mijne
tegenwoordigheid, en de vrede, die daar steeds had gewoond, de goede
naam, dien het altijd had gehad, naar alle winden verstrooid waren.

De morgen brak aan en daarmede mijn afscheid van het oude huis, dat
Agnes onvergetelijk voor mij had gemaakt, hiermede was mijne ziel
geheel vervuld. Zonder twijfel zou ik, spoedig zelfs, daar nog eens
terugkomen, wellicht nog meermalen op mijn oude kamertje slapen; maar
de dagen, waarin ik het bewoonde, waren voorbij; _die_ goede oude tijd
behoorde tot het verleden. Toen ik mijne boeken en kleederen, die nog
naar Dover gezonden moesten worden, inpakte, greep mij dit meer aan dan
ik aan Uriah Heep wilde laten blijken, hij was zoo vriendelijk mij te
helpen, maar ik kon toch de booze gedachte niet onderdrukken, dat hij
blijde was mij te zien vertrekken.

Ik slaagde er echter in bij het afscheid van Agnes en van haar vader
een zekere onverschilligheid ten toon te spreiden en nam plaats op den
bok van de diligence op Londen. Toen ik door de straten van het oude
stadje reed, was ik zoo zachtmoedig en vergevensgezind gestemd, dat ik
op het punt was om tegen mijn ouden vijand, den slager te knikken en
hem vijf shillings toe te werpen om op mijne gezondheid te drinken.
Hij keek echter zoo stuursch, terwijl hij in zijn winkel het groote
hakblok stond af te schrappen, en had nog altijd zulk een onaangenaam
uiterlijk—nadat ik hem een voortand had uitgeslagen was dit niet
verbeterd—dat ik het maar beter vond hem niet in zijn werk te storen.

Toen wij eenmaal op weg waren, dit herinner ik mij zeer goed, was het
mijn voornaamste zorg mij tegenover den koetsier zoo oud mogelijk voor
te doen en mijne stem grover te doen schijnen dan zij was. Dit laatste
vooral viel mij uiterst moeilijk, maar ik hield het vol, omdat ik
begreep dat hij mij dan voor volwassen zou houden.

„Rijdt gij door, mijnheer?” vroeg de koetsier.

„Ja, William,” antwoordde ik op vertrouwelijken toon—ik kende hem zeer
goed—„ik ga naar Londen. Later reis ik door naar Suffolk.”

„Op de jacht, mijnheer?” vroeg hij.

Ik wist evengoed als hij dat men in dien tijd van het jaar met
denzelfden ernst kon beweren in Suffolk op de walvischvangst te gaan;
maar dat deed er niet toe, ik voelde er mij toch door gestreeld.

Ik deed het voorkomen alsof ik nog niet vast besloten was en zei: „ik
weet niet of ik nog zal gaan jagen.”

„De patrijzen moeten bijzonder schuw zijn dit jaar,” zei William.

„Ja, dat heeft men mij ook verteld,” antwoordde ik.

„Zijt gij in Suffolk geboren, mijnheer?”

„Ja, Suffolk is mijn graafschap,” gaf ik met eene zekere deftigheid
ten antwoord.

„De appelkoeken moeten daar zoo lekker zijn, heb ik wel eens hooren
zeggen,” hernam William. Ik was er mij niet van bewust, doch vond het
noodzakelijk de eigenaardigheden van mijn graafschap in eere te houden
en mijne bekendheid daarmede te veinzen; ik schudde daarom het hoofd
alsof ik wilde zeggen: „Nu dat zou ik denken!”

„En paarden!” vervolgde William. „Een goed Suffolksch paard is zijn
gewicht in goud waard. Hebt hij ooit paarden gefokt in Suffolk?”

„N....een,” antwoordde ik! „zelf niet.”

„Hier, achter ons zit een heer, die ze bij honderdtallen gefokt heeft.”

De heer, dien hij bedoelde, was ontzettend scheel, had een ver
vooruitstekende kin, droeg een lagen witten hoed met een smallen,
platten rand en de pijpen van zijne nauwe, grijsachtige broek waren
van de schoenen tot de heupen, bij wijze van slobkousen, met knoopjes
vastgemaakt. Hij keek over den schouder van den koetsier en was met
zijn gezicht zoo dicht bij mij, dat ik zijn adem tegen mijn achterhoofd
voelde en toen ik mij omwendde om naar hem te kijken, knipoogde hij
heel vertrouwelijk met het oog, dat niet scheel was.

„Hebt gij niet?” vroeg William.

„Of ik wat heb?” zei de vreemdeling achter mij.

„Honderde paarden gefokt in Suffolk?”

„Nu, dat zou ik meenen,” antwoordde de schele heer. „Er is geen
soort van paarden, dat ik niet gefokt heb, en geen soort van honden
ook. Paarden en honden worden door sommige menschen uit liefhebberij
gehouden; maar voor mij zijn ze eten en drinken..... woning, vrouw en
kinderen.... lezen, schrijven en rekenen.... snuif, tabak en slaap.”

„Dat is eigenlijk geen man om achter den bok te zitten, is hij wel?”
fluisterde William mij in, terwijl hij de teugels een weinig aantrok.

„Ja, als gij gaarne hier zoudt willen zitten,” zei ik, „dat is wellicht
beter.” Ik begreep dat deze opmerking den wensch in zich sloot, dat ik
mijn plaats zou afstaan, hetgeen ik met deze woorden blozend deed.

Ik heb dit altijd beschouwd als de eerste misstap in mijn leven. Toen
ik aan het diligencekantoor plaats genomen had, had ik den boekhouder
een halve kroon in de hand gestopt om een plaats op den bok machtig
te worden. Ik had deze plaats ingenomen, gedost in eene bijzonder
lange jas, ten einde mij deze onderscheiding waardig te toonen, ik
had er mij op laten voorstaan en gevoeld dat ik aan de diligence een
zekere deftigheid gaf. En ziet, nog vóór het eerste station, werd ik
verdrongen door een slecht gekleeden, scheelzienden man, wiens eenige
verdienste was, dat hij naar den stal rook en die, terwijl de paarden
in galop waren, meer gelijk een vlieg dan als een menschelijk wezen
langs mij heen stapte!

Een gevoel van wantrouwen in mij zelven, dat mij in mijn leven bij
kleinigheden meermalen heeft vervolgd, vooral dan wanneer het beter
achterwege zou zijn gebleven, werd door dit kleine voorval op de
diligence van Canterbury naar Londen zeker niet in zijne ontwikkeling
gestuit. Het was te vergeefs of ik al mijn toevlucht zocht in eene
grove stem. Mijne stem kwam gedurende het overige gedeelte van de reis
uit het diepst van mijn maag, maar ik voelde mij toch achterafgezet
en vreeselijk jong. Hoe het zij, het was ook een eigenaardig gevoel
daar welopgevoed, goed gekleed, en met volop geld op zak achter die
vier paarden te zitten en te kijken naar de plaatsen, waar ik op
mijn vermoeienden tocht geslapen had. Ik had gelegenheid genoeg om
mij alles voor den geest te brengen, bij elk kenteeken op den weg.
Terwijl ik van mijne verheven plaats neerkeek op de landloopers die
wij voorbijreden, en dezelfde verloopen tronies herkende, voelde ik de
zwarte hand van den ketellapper weder tegen mijne borst. Toen wij door
de nauwe straten van Chatham reden, kon ik een vluchtigen blik werpen
in de steeg, waar dat oude monster woonde, die mijn buis had gekocht,
en strekte ik den hals uit om naar de plek te kijken, waar ik in de zon
en in de schaduw op mijn geld had zitten wachten. En toen wij eindelijk
dicht bij Londen, voorbij Salem House reden, waar mijnheer Creakle mij
zoo menigmaal zijne zware hand had doen voelen, zou ik al wat ik bezat
gegeven hebben voor het verlof, om daar af te stappen, naar binnen te
gaan, hem flink af te ranselen en aan al de jongens de vrijheid te
geven, als aan eene kooi vol musschen. Wij reden naar het Gouden Kruis
bij Charing Cross, in die dagen een herberg van den tweeden rang in
een dichtbevolkte buurt. Een bediende wees mij de koffiekamer en een
kamermeisje bracht mij naar mijn kleine slaapkamertje, waarin een lucht
heerschte als in een muffe huurkoets en het uitzicht zoo vroolijk was
als in een grafkelder. Ik werd—dit ter loops—telkens herinnerd dat ik
nog heel jong was, want niemand scheen eenig ontzag voor mij te hebben:
het kamermeisje toonde zich zelfs onverschillig voor alles wat ik
waagde op te merken en de knecht was familiaar en wilde mij met goeden
raad te hulp komen.

„Wel?” vroeg hij op vertrouwelijken toon, „wat verlangt gij te eten?
Jongeheeren houden gewoonlijk veel van kippen; er zijn hoentjes!”

Ik vertelde hem op eenigszins hoogen toon dat ik geen trek had in
hoentjes.

„Zoo?” vroeg de knecht. „Jongeheeren hebben gewoonlijk genoeg van
ossen- en schapenvleesch; ik heb een kalfskarbonade voor u!”

Ik nam met dit voorstel genoegen omdat ik niets anders wist te bedenken.

„Zijt gij gesteld op aardappelen?” vroeg hij weder met een familiaren
glimlach en het hoofd eenigszins op zijde. „Jongeheeren laten de
aardappelen gewoonlijk staan.”

Ik beval hem met een zoo grof mogelijke stem een kalfskarbonade met
aardappelen en wat daar verder bij behoorde voor mij te bestellen en
tevens aan het buffet te vragen of er ook brieven waren voor Mijnheer
Trotwood Copperfield, hoewel ik zeer goed wist dat er geen konden zijn.
Ik deed echter of ik een heel pak verwachtte.

Hij kwam spoedig terug met het bericht dat er geen waren—ik legde
de grootste verbazing aan den dag—en begon een tafeltje voor mij te
dekken bij den haard. Terwijl hij daarmede bezig was, vroeg hij mij wat
ik drinken zou en op mijn antwoord: „een glas sherry”, achtte hij het,
naar ik vrees, eene gunstige gelegenheid om uit de verschraalde klieken
in eenige karaffen een glasvol voor mij bij elkander te zoeken. Ik kwam
tot dit vermoeden, omdat ik hem, terwijl ik de courant las, achter een
laag, houten beschot bezig zag met den inhoud van verscheiden karaffen
in ééne te gieten, evenals de apothekers en de drogisten doen, wanneer
zij een recept gereed maken. Toen hij mij den wijn gebracht had, vond
ik dien flauw en ongetwijfeld was er meer Engelsch water in dan in een
buitenlandschen wijn verwacht kon worden; ik was echter te bedeesd om
er iets van te zeggen en dronk er twee glazen van ledig.

Eenmaal in eene genoegelijke stemming gekomen, waaruit ik opmaak,
dat een vergiftigings-proces in sommige stadiën niet onaangenaam is,
besloot ik naar de komedie te gaan. Ik koos Covent Garden Theatre
uit en daar woonde ik, achter in een middenloge, de voorstelling bij
van Julius Caesar, gevolgd door de nieuwe Pantomime. Al die edele
Romeinen daar voor mij te zien leven en voor _mijn_ genoegen daar
te zien komen en gaan, in plaats van, zooals op de school, hunne
namen en heldendaden van buiten te moeten leeren, was een nieuw en
ongekend genot voor mij. Maar deze mengeling van werkelijkheid en
geheimzinnigheid, de invloed van de schoone verzen, van de muziek, van
de menschen om mij heen, van de verbazingwekkende snelheid, waarmede
de schitterende decoraties elkander afwisselden, dat alles was zoo
overstelpend en opende mij zulk een onafzienbaren hemel van genot, dat
ik, te ongeveer middernacht op straat in den regen staande, een gevoel
had, alsof ik, na eenige eeuwen achtereen een romantisch leven in de
wolken geleid te hebben, regelrecht was neergedaald in een joelende,
plassende, modderige, ellendige wereld, vol natte parapluies, klotsende
klompen en tegen elkander botsende huurkoetsen.

Ik was door een andere deur buiten gekomen en bleef eenigen tijd
op straat staan, alsof ik werkelijk een vreemdeling op de aarde
was; maar de menigte stooten en duwen, die mij onophoudelijk werden
toegediend, riepen mij spoedig tot de werkelijkheid terug en deden mij
den weg inslaan naar mijn logement, waar ik, na met oesters en porter
gesoupeerd te hebben, tot over éénen in de koffiekamer bij den haard
bleef zitten en al het genotene in stilte overdacht.

Ik was zoo vervuld van het spel en van mijn verleden—want het geheele
tooneel leek mij een chassinet toe, waarin ik al de episodes uit mijn
vroegere leven zag voorbijtrekken—dat ik niet weet, wanneer een zeker
net gekleed, slank gebouwd jongmensch, dien ik zeer goed kende, de
kamer was binnengetreden. Ik herinner mij echter, dat ik nog steeds
bleef zitten peinzen, nadat ik zijne tegenwoordigheid reeds had
opgemerkt.

Eindelijk stond ik op om naar bed te gaan, tot groote verlichting van
den slaperigen bediende, die kramp in zijne beenen scheen te hebben,
want hij wreef en sloeg en wrong ze in allerlei bochten in zijn nauw
hokje. Naar de deur gaande, kwam ik voorbij den persoon, die juist was
binnengekomen. Ik keek hem aan, keerde terug, keek hem nogmaals aan;
maar hij herkende mij niet, terwijl ik terstond zag, wie hij was.

In andere omstandigheden zou ik den moed en het zelfvertrouwen gemist
hebben, om hem aan te spreken en dit uitgesteld hebben tot den
volgenden dag; maar in de stemming, waarin de tooneelvoorstelling mij
had gebracht, meende ik hem zooveel verschuldigd te zijn voor de mij
vroeger verleende bescherming en kwam het oude gevoel van vriendschap
met zooveel frissche kracht naar boven, dat ik met een bonzend hart op
hem toeliep en zeide:

„Steerforth! Wilt gij mij niet meer kennen?”

Hij keek mij aan, zooals hij vroeger ook zoo dikwijls kijken kon, maar
ik zag niet, dat hij mij herkende.

„Ik vrees dat gij u mij niet herinneren zult”, hernam ik.

„Groote goden!” riep hij eensklaps uit. „Het is de kleine Copperfield!”

Ik nam zijne beide handen in de mijne en kon ze in het eerste oogenblik
niet los laten. Had ik mij niet geschaamd en bovendien gevreesd dat het
hem zou mishagen, dan ware ik hem om den hals gevallen en in tranen
uitgebarsten.

„Ik ben nooit, nooit, nooit zoo blij geweest. O, beste Steerforth, het
doet mij zoo'n genoegen u te zien!”

„En mij doet het ook genoegen u te zien!” riep hij met een hartelijken
handdruk. „Kom, kom, Copperfield, oude jongen, maak je niet zoo van
streek!” En toch was hij, naar ik meende, blij te zien dat de vreugde
over deze ontmoeting mij zoo aandeed.

Ik veegde de tranen af, die mij, in weerwil van mijn innerlijk verzet,
in de oogen waren gesprongen, deed mijn best om te lachen en daar zaten
wij.... vlak naast elkander.

„En hoe komt gij zoo hier?” vroeg Steerforth, terwijl hij mij
vertrouwelijk op den schouder klopte.

„Ik ben hier vandaag aangekomen met de diligence van Canterbury. Ik ben
door een tante, die daar in de buurt woont, als kind aangenomen en heb
mijne opvoeding daar voltooid. En wat komt gij hier doen, Steerforth?”

„Wel, ik ben een Oxforder, zooals men de studenten daar noemt”,
antwoordde hij, „dat wil zeggen, ik ga mij daar geregeld een gedeelte
van het jaar vervelen en ben nu op weg naar huis. Gij zijt een
duiv....aardige jongen geworden, Copperfield. Gij zijt niets veranderd,
nu ik u goed aankijk.”

„Ik herkende u dadelijk”, zei ik, „maar gij zijt ook gemakkelijker te
herkennen.”

Hij lachte, terwijl hij met de hand door zijne krullende haren streek,
en zei op schertsenden toon:

„Ik ga een plicht vervullen. Mijne moeder woont op eenigen afstand van
de stad en aangezien de wegen zoo vreeselijk modderig zijn en het thuis
nog al eentonig is, blijf ik van nacht hier. Ik ben nog geen zes uur in
de stad en heb bijna al dien tijd in de komedie zitten dutten.”

„Ik ben ook in de komedie geweest”, viel ik in. „In Covent Garden. Wat
is dat prachtig, Steerforth!”

„Beste David!” zei Steerforth, hartelijk lachend en mij nogmaals op
den schouder kloppend, „beste David, wat zijt gij toch nog groen! Het
gras kan, zelfs bij zonsopgang niet groener zijn dan gij! Ik ben ook in
Covent Garden geweest, maar ellendiger spel heb ik nooit gezien! ......
Heila, Jan!”

De bediende, die met de grootste belangstelling onze ontmoeting op een
afstand had gadegeslagen, kwam nu eerbiedig nader.

„Waar hebt gij mijn vriend mijnheer Copperfield, gestopt?” vroeg
Steerforth.

„Wat blieft u, mijnheer?”

„Welke kamer heeft mijnheer? Welk nummer? Gij weet wel wat ik bedoel?”
zei Steerforth.

„Jawel, mijnheer,” antwoordde de bediende, op verontschuldigenden
toon: „Mijnheer Copperfield heeft op het oogenblik vier-en-veertig,
mijnheer.”

„Hoe, duivel, komt het in je op, mijnheer Copperfield boven een stal op
een zolderkamertje te logeeren!” hernam Steerforth.

„Wij wisten niet,” antwoordde de bediende, zich nog steeds
verontschuldigend, „dat mijnheer Copperfield een vriend van u was. Wij
kunnen mijnheer Copperfield twee-en-zeventig geven, mijnheer, indien
mijnheer dat verkiest. Naast u, mijnheer.”

„Natuurlijk verkiest mijnheer Copperfield dat,” hernam Steerforth.
„Breng de kamer onmiddellijk in orde!”

De bediende verdween terstond om de verwisseling te bewerkstelligen.
Steerforth lachte hartelijk om mijn eenvoud, omdat ik mij met no.
44 had laten tevreden stellen, klopte mij nogmaals op den schouder
en noodigde mij uit om den volgenden morgen te tien uur met hem te
ontbijten—eene uitnoodiging, waarop ik maar al te trotsch was en die
ik stralend van blijdschap aannam. Het was intusschen laat geworden,
zoodat wij onze kandelaars opnamen en naar boven gingen. Voor de deur
van Steerforth's kamer namen wij hartelijk afscheid en toen ik no. 72
binnentrad, zag ik terstond dat deze veel beter was dan die, waarmede
men mij had afgescheept; het rook er volstrekt niet duf en er stond
een ledikant, ongeveer zoo groot als een klein landgoed. Tusschen een
aantal kussens, waaraan zes personen genoeg zouden hebben gehad, sliep
ik spoedig in en droomde van het oude Rome, van Steerforth en van
vriendschap, tot het geratel van de diligences onder de poort mij in
het rijk van den dondergod verplaatste.



XX.

Steerforth's ouderlijke woning.


Toen het kamermeisje te acht uur op mijne kamerdeur klopte en mij
meldde, dat het scheerwater gereed stond, kreeg ik in mijn bed een
kleur bij de pijnlijke gewaarwording, dat ik daaraan nog geen behoefte
had. Het vermoeden, dat zij gelachen had, toen zij het mij toeriep,
hield mij voortdurend bezig, terwijl ik mij aankleedde, en toen ik naar
beneden ging om te ontbijten en haar op de trap tegenkwam, sloop ik
haar als het ware met een schuldig gevoel voorbij. Ik was inderdaad zoo
onder den indruk van het verlangen om ouder te zijn dan ik was, dat ik
eerst niet goed kon besluiten om haar voorbij te gaan; ik schaamde mij
en bleef, terwijl ik haar de trap hoorde afstoffen, uit het venster
kijken naar Koning Karel I te paard, die er tusschen een ontelbare
menigte huurkoetsjes, in den bruingrijzen mist alles behalve koninklijk
uitzag. Eindelijk werd ik door den bediende gewaarschuwd, dat mijnheer
Steerforth mij wachtte.

Ik vond hem niet in de koffiekamer, doch in een afzonderlijk vertrekje
met roode gordijnen en een Turksch tapijt; er brandde een helder
vuurtje en op de keurig gedekte tafel stond een fijn, warm ontbijt
gereed, terwijl de geheele kamer, de tafel, het ontbijt, Steerforth
en alles in het rond in het kleine, ronde spiegeltje boven het buffet
werd weerkaatst. Ik voelde mij verlegen onder Steerforth's meerderheid,
hij zat daar zoo op zijn gemak, zoo gewoon, zoo in alle opzichten—ook
in leeftijd—mijn meerdere, zijn beschermheerschap ging hem echter
zoo gemakkelijk af, dat ook ik mij spoedig op mijn gemak gevoelde. Ik
kon de verandering, die het Gouden Kruis in mijne oogen door zijne
komst had ondergaan, niet genoeg prijzen en moest telkens het gevoel
van verlatenheid, waaraan ik den vorigen dag ten prooi was geweest,
vergelijken met de comfort en de gezelligheid van dezen morgen.
De familiaire toon en houding van den bediende waren als door een
tooverslag verdwenen. Hij bediende ons alsof wij twee prinsen van den
bloede waren.

„Wel, Copperfield,” zei Steerforth toen wij eindelijk met ons beiden
waren, „ik ben benieuwd te vernemen, wat uwe plannen zijn, waar gij
heengaat, in één woord, alles wat u betreft. Ik beschouw u altijd alsof
gij een stukje van mij zelf waart.”

Blijde dat hij nog zooveel belang in mij bleek te stellen, vertelde ik
hem dat mijne tante mij had voorgesteld eens op reis te gaan en deelde
hem mijne verdere plannen mede.

„Gij hebt dus volstrekt geen haast,” zei Steerforth, „ga dan met mij
mede naar Highgate, naar mijne moeder en breng daar eenige dagen door.
Mijne moeder zal verrukt van u zijn—zij is een weinig ijdel op haar
zoon, maar dat zult gij haar wel vergeven—en gij zult verrukt zijn van
haar.”

„Ik zou van het eerste wel even zeker willen zijn, als gij vriendelijk
genoeg zijt te beweren,” antwoordde ik met een glimlach.

„O,” zei Steerforth, „iedereen, die van mij houdt, kan aanspraken doen
gelden, die zeer zeker worden erkend.”

„Dan zal ik ongetwijfeld in hare gunst komen.”

„Goed dan!” hernam Steerforth. „Ga mede om u er van te overtuigen.
Wij hebben nu nog een paar uur tijd en zullen de leeuwen in den
Zoölogischen tuin gaan bezichtigen; het is een genot zulk een groentje
als gij zijt, Copperfield, het een en ander van Londen te laten zien.
Wij nemen dan later de diligence naar Highgate.”

Ik kon nauwelijks gelooven dat ik niet droomde en niet in no. 44 wakker
zou worden, om beneden de ongezellige koffiekamer en den familiairen
bediende te vinden. Na mijne tante een brief geschreven te hebben,
waarin ik haar mijne gelukkige ontmoeting met mijn veelbewonderden
ouden schoolmakker meedeelde en haar tevens vertelde, dat ik zijne
uitnoodiging, om eenige dagen bij zijne moeder op Highgate door te
brengen, had aangenomen, lieten wij een huurkoetsje voorkomen en
bezochten het Panorama en eenige andere merkwaardigheden van Londen,
o. a. het Museum, waar ik niet kon nalaten op te merken, hoe goed
Steerforth van verschillende dingen op de hoogte was en hoe weinig hij
zijn eigen kundigheden telde.

„Gij zult zeker wel een hoogen graad behalen op de Academie,
Steerforth,” zei ik, „als gij het niet reeds gedaan hebt. Uwe moeder
zal zeker wel reden hebben om trotsch op u te zijn.”

„Ik een graad behalen!” riep Steerforth. „Nimmer, mijn best Groentje!
Wilt gij mij toestaan u ‚Groentje’ te noemen?”

„Wel zeker,” antwoordde ik.

„Gij zijt een brave jongen, Groentje,” hernam Steerforth lachend. „Ik
verlang volstrekt niet op die wijze uit te munten. Ik heb voor mijn
doen mij al genoeg uitgesloofd en al heel wat mee te dragen.”

„Maar voor de eer van uw naam...” begon ik weder.

„O, gij romanesk Groentje!” zei Steerforth nog hartelijker lachend;
„waarom zou ik mij zoo inspannen? Omdat een troep botterikken mij met
verbazing zouden aangapen? Laten zij dat anderen doen; ik gun die eer
aan iedereen.”

Ik was een weinig beschaamd omdat ik dit punt had aangeroerd, en bracht
het gesprek op een ander onderwerp. Gelukkig was dit niet moeielijk,
want Steerforth kon met de grootste onverschilligheid en behendigheid
van het eene onderwerp op het andere overstappen.

Wij gebruikten onderweg ons tweede ontbijt, en de dagen waren reeds
zoo kort, dat de duisternis was ingevallen toen ons koetsje bij een
ouderwetsch huis op den top van den heuvel, waarop Highgate gebouwd
is, stilhield. Eene oudachtige dame, hoewel niet oud in jaren, slank
gebouwd en met een fijn besneden gelaat, wachtte ons in de gang op en
ontving Steerforth met den uitroep: „Lieve James!” Hij stelde mij aan
haar voor met de woorden: „Mijne moeder” en zij heette mij hartelijk
welkom en bood mij de hand.

Het was een lief ouderwetsch huis, waarin de grootste stilte en orde
heerschte. Uit de ramen van mijne kamer zag ik op een afstand Londen
liggen, in een dichten nevel gehuld, waarin hier en daar een mat
licht flikkerde. Terwijl ik mij kleedde had ik even tijd genoeg om
de stevige meubels en de teekenlappen te bekijken, welke laatste,
naar ik onderstel, door Steerforth's moeder vervaardigd waren, toen
zij nog een jong meisje was. Ik was juist bezig eenige met krijt
geteekende portretten van dames in keurslijven en met gepoeierd haar te
bezichtigen, toen ik aan tafel geroepen werd. In de eetkamer vond ik
nog eene tweede dame; klein van gestalte, donker, die, hoewel niet van
schoonheid ontbloot, toch geen innemend uiterlijk bezat. Zij trok mijne
aandacht: wellicht omdat ik haar niet had verwacht; wellicht omdat ik
tegenover haar zat; wellicht omdat zij toch iets aantrekkelijks voor
mij had. Zij had zwart haar en stekelige zwarte oogen, was mager en
had een litteeken op de lip. Het was een oud litteeken—een naad moest
ik het liever noemen, want het was kleurloos en reeds jaren geleden
geheeld—van eene wond, die over den mond tot op de kin had geloopen,
doch thans, over de tafel heen, bijna niet meer zichtbaar was dan op
de bovenlip, waarvan de vorm eenigszins veranderd was. Ik kwam in
mij zelven tot het besluit, dat zij ongeveer dertig jaar moest zijn
en gaarne getrouwd zou wezen. Zij zag er wat vervallen uit, ongeveer
zooals een oud huis, dat lang te huur heeft gestaan; maar was, zooals
ik reeds opmerkte, volstrekt niet leelijk te noemen. Hare magerheid
scheen mij toe het gevolg te zijn van een vuur, dat haar inwendig
verteerde en door hare eenigszins holle oogen een uitweg vond. Zij werd
mij voorgesteld als juffrouw Dartle en zoowel Steerforth als zijne
moeder noemden haar Rosa. Ik vernam, dat zij daar woonde en sinds
jaren tot gezelschap diende van mevrouw Steerforth. Het kwam mij voor
dat zij, hetgeen zij te zeggen had, nooit ronduit zeide, maar langs
omwegen, zoodat zij voor alles veel meer woorden gebruikte dan noodig
was. Zoo mevrouw Steerforth bijvoorbeeld meer in scherts dan in ernst
te kennen gaf dat haar zoon, naar zij vreesde, wel wat al te vroolijk
leefde, waarop juffrouw Dartle aldus begon:

„O, zoo? Waarlijk? Gij weet, hoe onnoozel ik ben en dat ik alleen vraag
om ingelicht te worden, maar is dat dan niet altijd zoo? Ik meende, dat
men op de academie altijd zoo leefde... is 't niet?”

„Gij bedoelt zeker, dat het leven aan de academie eene voorbereiding
is tot een hoogst ernstig beroep, nietwaar, Rosa,” antwoordde mevrouw
Steerforth op koelen toon.

„O! Ja! Dat is waar,” hernam juffrouw Dartle. „Maar is het ook
eigenlijk niet....? Ik vraag alleen inlichtingen en wil gaarne te recht
gewezen worden, indien ik 't mis heb..... Is 't het niet eigenlijk?”

„Wat bedoelt gij met ‚eigenlijk’?” vroeg mevrouw Steerforth.

„O! Meent gij dat het _niet_ is!” antwoordde juffrouw Dartle. „Wel,
ik ben blijde het te vernemen! Nu weet ik, wat ik doen moet. Dat is
het voordeel van vragen. Ik zal voortaan niemand meer toestaan in
mijne tegenwoordigheid over de losbandigheid en de verkwisting aan de
academie te spreken... wien ook.”

„En daaraan zult gij goed doen,” zei mevrouw Steerforth. „De voogd van
mijn zoon is een zeer nauwgezet man; stelde ik niet volkomen vertrouwen
in mijn zoon, dan zou ik het toch in hem stellen.”

„Zoudt gij?” vroeg juffrouw Dartle. „Goede Hemel! Is hij nauwgezet?
Werkelijk nauwgezet?”

„Ja, daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde mevrouw Steerforth.

„Hoe heerlijk!” riep juffrouw Dartle. „Hoe geruststellend! Werkelijk
nauwgezet? Dus is hij niet.... neen, natuurlijk kan hij dat niet zijn,
als hij zoo nauwgezet is. Wel, ik zal hem nu altijd in een ander licht
beschouwen. Gij kunt u niet voorstellen, hoe hij in mijne schatting is
gerezen, nu ik zoo zeker weet, dat hij werkelijk nauwgezet is!”

Op dezelfde langdradige wijze behandelde juffrouw Dartle alle
dingen, of zij het er mede eens was of er bedenkingen tegen had,
somstijds met grooten nadruk en zelfs was zij het meermalen oneens
met Steerforth—tot mijne groote verbazing natuurlijk. Voor het
middagmaal was afgeloopen had nog het volgende voorval plaats. Mevrouw
Steerforth sprak met mij over mijn plan om naar Suffolk te gaan, waarop
ik zoo terloops opmerkte hoe blijde ik zijn zou, indien James mij
wilde vergezellen. Ik vertelde hem dat ik mijne oude kindermeid ging
opzoeken en bij de Peggotty's zou logeeren, die hij zich zeker nog wel
herinneren zou van hun bezoek op de school.

„O, die ruwe gast!” zei Steerforth. „Jawel, hij had zijn zoon bij zich!”

„Neen, dat was zijn neef,” antwoordde ik, „hij heeft hem als zijn
zoon aangenomen. Ook is er nog een alleraardigst nichtje, dat hij als
eene dochter lief heeft. Kortom, zijn huis—of liever zijn boot, want
hij woont in een schip op het strand—is vol menschen, die van zijne
edelmoedigheid en zijne vriendelijkheid leven. Het zou u zeker genoegen
doen dit huishouden eens te zien.”

„Waarlijk?” zei Steerforth. „Ja, ik denk wel dat ik het aardig
zou vinden. Ik zal eens zien. Het zou mij wel de reis waard
zijn—afgescheiden nog van het genoegen om met u te reizen,
Groentje—om zulk soort van menschen eens van nabij te leeren kennen.”

Mijn hart zwol bij het vooruitzicht van dit onverwacht genoegen. Naar
aanleiding van den toon, waarop hij gesproken had van ‚dat soort van
menschen’, nam juffrouw Dartle, die met schitterende oogen naar ons
gesprek had zitten luisteren, nu het woord.

„O waarlijk! vertel er mij eens wat van? Zijn zij werkelijk?” vroeg zij.

„Zijn zij wat? En wie zijn wat?” hernam Steerforth.

„Die soort van menschen? Zijn zij werkelijk als het redelooze vee, zijn
zij werkelijk wezens van een ander maaksel? Ik zou dat, o, zoo gaarne
weten.”

„Nu, er is groot onderscheid tusschen hen en ons,” antwoordde
Steerforth op onverschilligen toon. „Men kan niet verwachten dat zij
zoo fijngevoelig zijn als wij. Men beleedigt of kwetst hun gevoel
niet zoo spoedig. Zij zijn ontzettend deugdzaam, dat moet gezegd
worden—sommige menschen beweren het ten minste en ik ben overtuigd dat
ik hen niet zou moeten tegenspreken—maar heel gevoelig zijn zij niet,
evenmin als hunne ruwe huid en daar mogen zij blijde om zijn.”

„Waarlijk!” riep juffrouw Dartle. „Wel ik weet niet dat mij ooit iets
meer genoegen heeft gedaan dan dit te hooren. Het is mij bepaald een
troost te weten, dat al moeten zij lijden, zij het niet zoo voelen. Ik
heb mij menigmaal ongerust gemaakt over zulk soort van menschen, maar
voortaan zal ik met een kalmer gevoel aan hen kunnen denken. Men kan
toch zijn geheele leven door leeren. Ik moet bekennen dat ik twijfelde,
maar thans is mijn twijfel opgeheven. Ik weet nu wat ik niet wist,
waaruit men weder zien kan hoe goed het is te vragen .... is 't niet
zoo?”

Ik verkeerde in de meening, dat Steerforth in scherts gesproken had of
om juffrouw Dartle aan het praten te brengen, en verwachtte dat hij mij
dit zou zeggen, toen de dames waren heengegaan en wij te zamen bij den
haard zaten. Hij vroeg mij echter alleen maar hoe ik juffrouw Dartle
vond.

„Zij is heel schrander, is zij niet?” vroeg ik.

„Schrander! Zij gebruikt bij alles een slijpsteen,” zei Steerforth, „en
slijpt alles even scherp als haar gelaat en haar figuur in de laatste
jaren geworden is. Door het vele slijpen is zij zelve versleten. Zij is
nu aan alle kanten zoo scherp als een vlijm.”

„Wat heeft zij een zonderling litteeken op hare lip!” zei ik.

Steerforth's gezicht betrok en hij bleef een oogenblik zwijgen.

„Dat heb ik gedaan”, antwoordde hij eindelijk.

„Bij ongeluk?”

„Neen, ik was nog een jongen en toen heb ik haar met een hamer gegooid,
omdat zij mij boos maakte. Ik moet een veelbelovend jong engeltje
geweest zijn!”

Het speet mij zulk een pijnlijk onderwerp te hebben aangeroerd, maar er
was niets meer aan te doen.

„Zooals gij ziet,” ging Steerforth voort, „heeft zij sinds dien tijd
dat merkteeken gedragen en zij zal het blijven dragen tot in het
graf,—indien zij ooit in een graf rusten zal; ik betwijfel het of zij
wel ooit ergens rust zal vinden. Zij was eene weeze, een kind van een
neef van mijn vader en toen haar vader stierf, nam mijne moeder, die
toen ook weduwe was, haar bij zich om haar wat gezelligheid aan te
brengen. Zij bezit een paar duizend pond sterling en voegt elk jaar
weder de rente bij het kapitaal. Dat is de geschiedenis van juffrouw
Rosa Dartle.”

„En ik twijfel er niet aan of zij heeft u lief als een broeder?” vroeg
ik.

„Hm!” zei Steerforth, in het vuur kijkende. „Er zijn broeders, die
men niet zoo heel lief heeft en andere.... maar schenk u nog eens in,
Copperfield. Laat ons op het groene gras drinken als een complimentje
aan u en op de leliën des velds, die niet arbeiden en niet spinnen,
als een compliment aan mij—waarover ik mij behoor te schamen.” Toen
hij dit gezegd had helderde zijn gelaat weer op en werd hij weder even
vroolijk en opgeruimd als altijd.

Ik kon niet nalaten eens naar het litteeken te kijken toen wij om de
theetafel zaten. Het duurde niet lang of ik merkte op dat het litteeken
het gevoeligste plekje van haar gelaat was, want als zij verbleekte,
veranderde dit het eerst van kleur en werd een doffe, leikleurige
streep gelijk; het werd dan geheel zichtbaar evenals een merkteeken,
dat, met onzichtbaren inkt geschreven, voor het vuur moet gehouden
worden om leesbaar te zijn. Steerforth en zij hadden eene kleine
woordenwisseling bij het triktrak, en één oogenblik meende ik dat zij
woedend zou worden, want het heele litteeken werd zichtbaar, evenals
het oude geschrift op den muur.

Het was voor mij niet vreemd dat mevrouw Steerforth haar zoon
verafgoodde. Zij scheen over niets en niemand anders te denken; liet
mij zijn portret zien als heel klein kindje, in een medaillon met
zijne eerste haren; en één uit den tijd, toen ik hem voor het eerst
had leeren kennen; terwijl zij om haar hals een keten droeg met een
medaillon, waarin zich een portret bevond uit den allerlaatsten
tijd. Zij had al zijne brieven in een afzonderlijk laadje van hare
schrijftafel bewaard, en zou ze mij alle, een voor een, hebben
voorgelezen, indien Steerforth het niet belet had.

„Mijn zoon vertelde mij, dat gij elkaar bij mijnheer Creakle hebt
leeren kennen,” zei mevrouw Steerforth toen wij met ons beiden aan
de theetafel zaten, terwijl Steerforth en juffrouw Dartle triktrak
speelden. „Ik herinner mij zeer goed, dat hij in dien tijd veel sprak
over een jongen, die jonger was dan hij, doch van wien hij heel veel
hield; uw naam was mij echter uit het geheugen gegaan zooals gij wel
begrijpen kunt.”

„Ik kan u de verzekering geven, mevrouw,” antwoordde ik, „dat hij in
die dagen getoond heeft zeer edelmoedig te zijn; ik had zulk een
vriend noodig; zonder hem zou men mij doodgeslagen hebben.”

„Hij heeft altijd een edelmoedig karakter gehad,” zei mevrouw
Steerforth met een trotschen blik op haar zoon.

Ik stemde volkomen in met deze moederlijke ontboezeming; dat weet
de Hemel. En zij wist dit ook, want zij was alleen deftig tegen mij
wanneer zij den lof van haar zoon verkondigde; zij nam dan tegenover
iedereen een trotsche houding aan.

„Het was over 't algemeen geen bijzonder geschikte school voor
mijn zoon,” sprak zij; „verre van daar; er waren echter bijzondere
omstandigheden, die bij de keuze van eene school in aanmerking moesten
genomen worden. De buitengewone geestesgaven van mijn zoon maakten
het noodig hem te plaatsen bij iemand, die zijne meerderheid voelde,
en zich daaronder wilde schikken; in mijnheer Creakle meenden wij zoo
iemand gevonden te hebben.”

Ja, dat wist ik maar al te goed. Toch verachtte ik hem daarom
niet meer; ik was van meening, dat deze eigenschap eenigszins tot
verontschuldiging kon dienen van zijne vele ondeugden—hoe zou hij
iemand, zoo onweerstaanbaar als Steerforth, hebben kunnen weerstaan!

„De buitengewone bekwaamheden van mijn zoon moesten daar wel aan
het licht komen,” ging de verblinde moeder voort; „hoe men hem ook
tegengewerkt zou hebben, hij zou toch geworden zijn wat hij geweest
is, de koning van de school. Hij zou onder alle omstandigheden zijner
waardig zijn gebleven. Dat ligt nu eenmaal zoo in zijn karakter.”

Ik erkende van ganscher harte dat het in zijn karakter lag.

„Mijn zoon vatte dientengevolge geheel uit vrijen wil een ijver op,
waardoor hij, als hij verkiest, elken mededinger ver achter zich kan
laten,” ging zij voort. „James vertelde mij, mijnheer Copperfield, dat
gij zoo bijzonder aan hem gehecht waart en dat u gisteren, toen gij
hem herkendet, de tranen in de oogen stonden. Ik zou veinzen, indien ik
mij verbaasd toonde over de aandoening, die mijn zoon bij u opwekte;
maar ik kan evenmin onverschillig zijn tegenover iemand, die zijne
verdiensten op prijs weet te stellen; ik ben daarom zeer blijde u hier
te zien en kan u verzekeren, dat hij u ook zeer genegen is en gij op
zijne bescherming kunt blijven rekenen.”

Juffrouw Dartle speelde triktrak met evenveel vuur als zij alles
deed. Had ik haar voor het eerst aan het triktrakbord ontmoet, dan
zou wellicht de onderstelling in mij zijn opgekomen, dat zij door het
spelen zoo mager was geworden en zulke groote oogen gekregen had. Ik
zou mij echter zeer moeten vergissen, indien haar een woord van ons
gesprek ontsnapte of haar een blik ontging, terwijl ik met mevrouw
Steerforth zat te praten en met haar vertrouwen werd vereerd; zoodat ik
mij veel ouder gevoelde dan ik nog één oogenblik na mijn vertrek uit
Canterbury gedaan had.

Toen de avond bijna teneinde was en er een blad met glazen en karaffen
werd binnengebracht, beloofde Steerforth mij er ernstig over te zullen
denken om met mij naar Suffolk te gaan. „Er is geen haast bij,” zei
hij; over een week kon het ook wel; en zijne moeder was gastvrij genoeg
om hetzelfde te zeggen. Terwijl wij zoo te zamen zaten te praten,
noemde hij mij meer dan eens Groentje, hetgeen juffrouw Dartle's
nieuwsgierigheid prikkelde.

„Maar, zeg mij toch eens mijnheer Copperfield,” vroeg zij, „is dat uw
bijnaam? En wie gaf u dien? Is het... misschien... omdat men meent
dat gij nog zoo jong en onschuldig zijt? Ik ben zoo dom in dergelijke
dingen.”

Ik kreeg een kleur toen ik antwoordde, dat ik wel geloofde dat het
daarom was.

„O!” riep zij, „wat ben ik blijde dat ik het weet! ik vraag altijd
naar inlichtingen en ben zoo blijde als ik ze krijg. Nu weet ik het
toch maar weer. Hij meent daarmede, dat gij nog jong en onschuldig zijt
en daarom zijt gij zijn vriend. Dat is alleraardigst!”

Spoedig daarna ging zij naar bed, weldra gevolgd door mevrouw
Steerforth. Nadat Steerforth en ik nog ongeveer een half uur bij den
haard hadden zitten praten over Traddles en over zoo velen van onze
oude school op Salem-House gingen wij samen naar boven. Steerforth's
kamer was naast de mijne en ik ging er binnen om er een kijkje te
nemen. Al wat weelde en gemak hadden kunnen bijeenbrengen, was daar
door de moederhand bijeengebracht, die zelve de stoelen en kussens had
bewerkt. Haar lief, innemend gelaat staarde uit een vergulde lijst op
haar lieveling neer, alsof zij het haar plicht rekende hem ook in zijn
slaap nog te bewaken.

Ik vond het vuur in den haard op mijne kamer nog brandende en de
gordijnen voor de vensters en voor mijn bed neergelaten, zoodat het
geheel een gezelligen indruk op mij maakte. In een grooten leunstoel
bleef ik nog eenigen tijd over mijn geluk zitten peinzen, toen ik
plotseling boven den schoorsteenmantel een portret van juffrouw Dartle
ontdekte, die mij scherp in het oog hield. De gelijkenis was treffend
en dientengevolge joeg het mij een weinig angst aan. De schilder had
het litteeken weggelaten, maar ik zag het er toch op, nu eens op de
bovenlip, zooals ik het aan tafel gezien had, dan weder in zijne
geheele lengte zooals het zich vertoonde, wanneer zij in vuur was.

Ik vroeg mij zelven op korzeligen toon af, waarom men dat portret nu
juist hier, bij mij, had opgehangen. Ten einde mij aan haar scherpen
blik te onttrekken, ontkleedde ik mij schielijk, blies het licht uit
en ging naar bed. Maar toen ik in slaap viel, kon ik niet vergeten,
dat zij daar nog hing en meende ik haar telkens te hooren vragen: „Is
het werkelijk waar? Ik zou het zoo gaarne weten”, en toen ik midden in
den nacht wakker werd, betrapte ik mij, dat ik in mijne droomen aan
allerlei menschen gevraagd had of het werkelijk waar was—zonder zelf
te weten wat ik bedoelde.



XXI.

De kleine Emily.


Er was een knecht in huis, een man, die, zooals ik later begreep,
aan de academie in dienst was gekomen bij Steerforth en hem
overal vergezelde, een man, die in zijn stand een toonbeeld was
van fatsoenlijkheid. Ik geloof niet, dat er in dien stand ooit
fatsoenlijker man geboren werd. Hij sprak weinig, liep zacht, had
zeer bedaarde manieren, was onderdanig, opmerkzaam, altijd bij de
hand als men hem noodig had en nooit in de nabijheid als men hem niet
noodig had; maar zijne grootste verdienste was zijn buitengewone
fatsoenlijkheid. Hij had geen bewegelijk gezicht, eerder een stijven
nek en een rond glad hoofd met kort haar, dat tegen de slapen was
vastgeplakt; hij sprak altijd zacht en had de eigenaardige gewoonte om
de letter S zoo duidelijk uit te spreken, dat het scheen alsof hij die
letter vaker gebruikte dan alle andere; maar welke eigenaardigheden
hij ook bezat, ze waren alle hoogst fatsoenlijk. Al had zijn neus het
onderste boven gestaan, zou hij er toch fatsoenlijk hebben uitgezien.
Hij hulde zich in een waas van fatsoenlijkheid en wandelde daarin met
de grootste zekerheid rond. Hij was zoo fatsoenlijk, dat men onmogelijk
iets verkeerds in hem had kunnen ontdekken. Niemand zou het in de
gedachte gekomen zijn hem in livrei te steken—daartoe was hij veel te
fatsoenlijk. Door eenig vernederend werk van hem te vorderen, zou men
het gevoel van een fatsoenlijk man op baldadige wijze hebben gekwetst.
De vrouwelijke dienstboden waren zich dat onwillekeurig bewust en deden
al het werk zelven, terwijl hij bij de kachel in de dienstbodenkamer
de krant zat te lezen. Nooit ontmoette ik zulk een zelfgenoegzaam man,
maar ook deze hoedanigheid, evenals elke andere die hij bezat, scheen
hem des te fatsoenlijker te maken. Zelfs de omstandigheid dat niemand
zijn doopnaam kende, maakte een deel uit van zijn fatsoen. Wat kon men
ook hebben tegen zijn familienaam Littimer, waaronder hij bij iedereen
bekend was? Peter kon opgehangen, Tom naar de galeien verwezen zijn; de
naam Littimer was zoo fatsoenlijk als men wenschen kon.

Ik vermoed, dat het tengevolge van de hoogst eerwaardige soort van
zijne fatsoenlijkheid was, dat ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo
bijzonder jong voelde. Ik kon onmogelijk gissen hoe oud hij zelf was,
maar ook dat kwam weder ten voordeele van dezelfde hoedanigheid; want
de fatsoenlijke kalmte, waarmede hij alles deed, maakte den indruk van
een vijftiger zoowel als van een man van dertig jaren.

Nog eer ik den eersten morgen uit mijn bed was, stond Littimer
reeds in mijne kamer met dat beleedigende scheerwater, terwijl hij
tegelijkertijd mijne kleederen kwam halen om ze af te borstelen. Toen
ik de gordijnen op zijde schoof en uit mijn bed keek, zag ik hem daar
staan, in zijn gelijkmatig waas van fatsoenlijkheid, waarop zelfs de
noordoostenwind in Januari geen invloed scheen te hebben, want zijn
adem was niet zichtbaar. Hij plaatste mijne laarzen in het eerste tempo
van de polka en blies eenige stofjes van mijn jas, die hij daarna zoo
omzichtig neerlegde, alsof het een pasgeboren kindje was.

Ik wenschte hem goeden morgen en vroeg hoe laat het was, waarop hij het
fatsoenlijkste horloge uit zijn vestzak te voorschijn haalde, dat ik
ooit gezien heb, met zijn duim het deksel liet openspringen, naar de
wijzerplaat keek met een gezicht alsof hij een orakel raadpleegde, het
horloge dicht deed en zeide dat het „met mijn welnemen half negen was.”

„Mijnheer Steerforth zou gaarne willen weten hoe uw nachtrust geweest
is, mijnheer?”

„Dank u,” antwoordde ik, „zeer goed. Heeft mijnheer Steerforth goed
geslapen?”

„Dank u, mijnheer Steerforth heeft vrij wel geslapen.”—Hij gebruikte
nooit superlatieven; dat was ook weder een van zijne eigenaardigheden.
Hij bewandelde steeds in alles den middenweg, behalve in zijne
fatsoenlijkheid.

„Mag ik de eer hebben nog iets voor u te doen, mijnheer? De eerste
bel wordt te negen uur geluid; de familie gebruikt te half tien het
ontbijt.”

„Neen, dank u, niets.”

„Ik dank u, mijnheer—met uw welnemen”; met deze woorden en een
lichte buiging, terwijl hij het bed voorbij ging, als verzocht hij
verschooning voor zijne terechtwijzing, ging hij heen en sloot de deur
zoo zacht, alsof ik juist in eene weldadige sluimering gevallen was,
waarvan mijn leven afhing.

Elken morgen hielden wij ditzelfde gesprek; nooit meer, maar ook nooit
minder: en toch, hoe ik mij des avonds ook vereerd had gevoeld door het
gezelschap en het vertrouwen van mevrouw Steerforth en haar zoon, of
door de gesprekken met juffrouw Dartle, in tegenwoordigheid van dezen
hoogst fatsoenlijken man kwam ik mij zelven weer voor als een knaap.

Littimer huurde paarden voor ons en Steerforth, die alles kende, gaf
mij rijles. Littimer bezorgde ons degens en handschoenen, Steerforth
gaf mij les in het schermen—en onder leiding van denzelfden meester
begon ik boksen te leeren. Geen oogenblik voelde ik eenige schaamte,
omdat Steerforth mij een nieuweling vond in al deze zaken, maar het
hinderde mij telkens, wanneer ik blijken gaf van mijne onkunde in
tegenwoordigheid van den fatsoenlijken Littimer. Ik had volstrekt geen
aanleiding te onderstellen dat Littimer zelf een meester was in al deze
lichaamsoefeningen; hij gaf mij nooit, zelfs niet door eene trilling
van zijne hoogst fatsoenlijke oogleden aanleiding om dit te vermoeden
en toch, wanneer hij bij de lessen tegenwoordig was, had ik een gevoel,
alsof ik de domste en onhandigste sterveling van de wereld was. Ik weid
over dezen man zoo uit, omdat hij zulk een bijzonderen indruk op mij
maakte en om hetgeen later voorviel.

De week ging op de aangenaamste wijze voorbij, maar zooals men
begrijpen kan, voor mij, voor wien alles nieuw was, veel te vlug. Ik
had de beste gelegenheid om Steerforth beter te leeren kennen en om
duizend redenen te bewonderen, zoodat het mij op het einde der week
toescheen of ik veel langer met hem samen geweest was. De ongedwongen
wijze, waarop hij mij eigenlijk als een stuk speelgoed beschouwde, was
mij aangenamer dan welke andere behandeling zijnerzijds mij zou kunnen
geweest zijn. Ik werd daardoor herinnerd aan onze eerste kennismaking,
waarvan deze behandeling mij het natuurlijke gevolg toescheen; ik zag
daaruit dat hij niet veranderd was; ik voelde mij nooit bezwaard,
wanneer ik mij bij hem vergeleek en mij afvroeg, of ik wel zooveel
aanspraak maken mocht op zijne vriendschap en bovendien, zijne wijze
van omgang met mij was zoo ongedwongen, zoo vertrouwelijk als met geen
ander. Evenals hij op de school anders met mij was omgegaan dan met
alle anderen, ging hij ook thans anders met mij om dan met alle andere
vrienden. Ik geloof dat ik grooter plaats in zijn hart had ingenomen
dan alle andere vrienden en ik zelf voelde mij onweerstaanbaar tot hem
aangetrokken.

Zijn besluit om met mij mede te gaan naar Suffolk stond nu vast en
de dag voor ons vertrek was bepaald. Hij had lang geaarzeld of hij
Littimer mede zou nemen, maar besloot eindelijk hem thuis te laten. De
fatsoenlijke man, die tevreden was met elke beschikking ten opzichte
van zijn persoon, pakte onze valiezen, legde ze in het wagentje, dat
ons naar Londen zou brengen en nam mijn bescheiden gift in ontvangst
met een gezicht, waarop geene dan eene zeer fatsoenlijke uitdrukking
lag.

Wij namen afscheid van mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle met
hartelijke dankbetuigingen mijnerzijds en eene dringende uitnoodiging
van de trotsche moeder om nog eens terug te komen. Het laatste, dat
ik zag, was Littimer's gezicht, waarop thans—dat verbeeldde ik mij
tenminste—te lezen stond dat ik nog heel jong was.

Wat ik gevoelde, toen ik, zoo in mijn voordeel veranderd, naar die
oude geliefkoosde, plekjes terugkeerde, kan ik onmogelijk beschrijven.
Wij reisden met den postwagen en ik was zoo bezorgd voor de eer van
Yarmouth, dat toen Steerforth, gedurende onzen rit door de nauwe
straten, zeide, dat het nog wel een aardig stadje was, ik ten hoogste
ingenomen was met deze verklaring. Onmiddellijk na onze aankomst gingen
wij naar bed en eerst laat in den morgen gebruikten wij het ontbijt.
Toen wij langs de herberg kwamen, waar ik bij mijn vertrek naar
Salem-House een onderkomen had gevonden, zag ik een paar morsige
schoenen met slobkousen aan de deur staan en vermoedde dat ze den
bediende, die toen zoo vriendelijk voor mij geweest was, toebehoorden,
hetgeen een reden voor mij was om den anderen kant uit te kijken.
Steerforth was in eene bijzonder vroolijke stemming en had, eer ik op
was, reeds een wandeling langs het strand gemaakt en met de helft van
de visschers vriendschap aangeknoopt, naar hij zeide. Bovendien had hij
op een afstand een schuit zien liggen, die volgens mijne beschrijving
het huis moest zijn van baas Peggotty; de rook steeg zoo lustig uit
den schoorsteen naar boven, dat hij op het punt was geweest er heen te
gaan en te verklaren, dat hij David Copperfield en zóó gegroeid was,
dat niemand hem zou herkennen.

„Wanneer denkt gij mij daar aan die brave lieden voor te stellen,
Groentje?” vroeg hij. „Ik ben gereed; bepaal dus zelf maar het
tijdstip!”

„Mij dunkt.... van avond, als zij allen rondom het vuur zitten. Ik zou
u zoo gaarne een gezelligen indruk van het geheel laten krijgen; 't is
zoo'n aardige woning.”

„Goed dan!” antwoordde Steerforth, „van avond.”

„Ik zal hun niet laten weten dat ik hier ben, begrijpt ge?” zei ik
opgeruimd. „Wij zullen hen verrassen.”

„O, natuurlijk! Alle aardigheid zou er af zijn, als wij hen niet
verrasten,” zei Steerforth. „Wij moeten hen in hun natuurlijksten
toestand zien.”

„Al behooren zij tot dat soort van menschen, waarover gij 't laatst met
juffrouw Dartle zoo druk hadt?” vroeg ik.

„Hoe? Denkt gij nog aan mijn woordenstrijd met Rosa?” riep Steerforth
uit en keek mij daarbij met een ondeugenden blik aan. „Die feeks! Ik
ben bang voor haar! Zij is altijd mijne kwelduivel geweest. Maar laat
ik mij niet warm over haar maken! Wat zullen wij nu gaan doen? Gaat gij
die kindermeid misschien een bezoek brengen?”

„Ja, dat is goed,” antwoordde ik, „eerst naar Peggotty!”

„Welnu,” hernam Steerforth, „als ik u dan eens twee uur geef om met
haar te zitten huilen. Is dat lang genoeg?”

Ik antwoordde lachend dat wij in dien tijd heel wat zouden kunnen
afdoen, maar dat hij ook daar moest komen; hij zou de ondervinding
opdoen dat de faam hem reeds was vooruitgesneld en hij bijna even hoog
aangeschreven stond als ik.

„Ik wil overal heengaan waar gij gaat,” zei Steerforth, „en alles
doen wat u aangenaam zijn kan. Vertel mij maar waar ik komen moet
en over twee uur zal ik mij aanmelden, in de stemming die gij
verkiest—sentimenteel of grappig.”

Ik duidde hem zoo uitvoerig mogelijk uit waar Barkis, de vrachtrijder
op Blunderstone, enz. woonde en ging toen alleen op het pad. De lucht
was helder en strak, de grond droog, de zee woelig; de zon verspreidde
veel licht, maar geen warmte, alles zag er even frisch en levenslustig
uit. Ik was zelf ook frisch en levenslustig en zoo verheugd dat ik weer
hier was, dat ik iedereen, dien ik tegenkwam op straat, wel de hand zou
hebben willen schudden.

De straten kwamen mij natuurlijk erg nauw voor. Zoo gaat het, geloof
ik, met alle dingen, die wij als kind gezien hebben. Ik herinnerde mij
echter alles en vond niets veranderd tot ik den winkel van mijnheer
Omer genaderd was. ‚Omer en Joram’ stond nu op de plaats waar vroeger
alleen ‚Omer’ stond; het opschrift: ‚Lakenkooper, Kleedermaker, Garen-
en Bandverkooper en Bedienaar van begrafenissen’ was hetzelfde gebleven.

Nadat ik dit alles gelezen had, richtten zich mijne schreden als van
zelf naar den winkel; ik stak de straat over en keek naar binnen. Er
stond eene knappe vrouw achter de toonbank met een dansend kind op den
arm, terwijl een tweede peuzel aan haar boezelaar stond te trekken. Ik
herkende in dit drietal oogenblikkelijk Minnie en hare kinderen. De
glazen deur van het kantoor was niet geopend, maar uit de werkplaats
aan de overzijde van de binnenplaats klonk mij hetzelfde deuntje van
vroeger in de ooren, alsof het nooit had opgehouden.

„Is mijnheer Omer thuis?” vroeg ik binnengaande. „Ik zou hem gaarne
even spreken.”

„O, jawel, mijnheer, hij is thuis,” antwoordde Minnie, „zijn asthma
verbiedt hem bij dit weer uit te gaan. Joe, roep grootvader eens!”
De kleine knaap, die aan haar knie gestaan had, zette zulk een keel
op, dat hij zelf bang scheen te worden voor zijn geschreeuw en zijn
gezichtje in de plooien van haar boezelaar verborg, hetgeen Minnie
met moederlijke bewondering aanstaarde. Maar, reeds hoorde ik iemand
hijgend en blazend door de gang komen en in het volgend oogenblik stond
mijnheer Omer, nog kortademiger maar niet veel verouderd, voor mij.

„Uw dienaar, mijnheer,” zei hij. „Waarmede kan ik u van dienst zijn?”

„Gij kunt mij de hand geven, mijnheer Omer, als gij wilt,” antwoordde
ik, hem de mijne aanbiedende. „Gij zijt eens heel goed en vriendelijk
voor mij geweest en ik herinner mij, dat ik mij toen niet dankbaar
daarvoor toonde.”

„Zoo, was ik dat?” antwoordde de oude man. „Het verheugt mij dit te
hooren, maar ik herinner er mij niets van. Zijt gij wel zeker van
hetgeen gij zegt?”

„O, ja, heel zeker!”

„Dan zal mijn geheugen evenals mijn adem hoe langer hoe korter worden,”
zei mijnheer Omer, mij aankijkende en met het hoofd schuddende; „ik kan
u niet thuis brengen.”

„Herinnert gij u niet dat gij mij hebt afgehaald van de diligence en
mij hier hebt laten ontbijten en dat wij toen samen naar Blunderstone
zijn gereden; gij en ik en juffrouw Joram en mijnheer Joram.... die
toen nog niet getrouwd waren?”

„Wel, goede Hemel!” riep mijnheer Omer, na van de hoestbui, die de
verrassing hem bezorgd had, bekomen te zijn, „nu gij 't zegt, ja!
Minnie, lieve, herinnert gij 't u niet? Goede Hemel, ja...... was er
niet eene dame gestorven?”

„Ja, mijne moeder.”

„Juist.... ja.... juist!” zei mijnheer Omer, terwijl hij den wijsvinger
tegen mijn vest zette, „en was er geen kind ook? Juist twee dooden! Ze
zijn samen in één kist begraven! In Blunderstone.... zeker, nu herinner
ik het mij heel goed! En hoe is het u sinds dien tijd gegaan?”

„O, heel goed, dank u; ik hoop dat gij ook altijd wel zijt geweest?”

„O, ik mag niet klagen, begrijpt ge,” antwoordde mijnheer Omer. „Mijn
adem wordt wel korter, maar die wordt nooit langer als men ouder wordt.
Ik schik er mij in en behoud er mijne opgeruimdheid bij. Dat is het
best, is 't niet?”

Mijnheer Omer lachte en begon dientengevolge weer te hoesten en te
hijgen, zoodat zijne dochter hem moest helpen; zij stond nu vlak naast
ons en haar kleinste kind zat op de toonbank.

„Goede Hemel!” zei mijnheer Omer. „Ja zeker, er waren twee dooden!
Wel, op dienzelfden rit—gij zult het niet willen gelooven—is de dag
bepaald voor het huwelijk van Minnie en Joram. „Noem dan toch een dag,
mijnheer!” zei Joram. „Ja, doe dat, vader,” zei Minnie. En nu is hij in
de zaak en... dit is de jongste!”

Minnie lachte en streek met de hand langs de slapen, terwijl haar vader
zijn vinger in het handje van het kind stak, dat op de toonbank zat te
dansen.

„Twee tegelijk!” herhaalde mijnheer Omer, „juist, juist! En Joram is op
het oogenblik weer bezig zilveren spijkertjes in een kistje te slaan,
op twee duim na zoo groot als dit”—hij wees op het dansende kind—.
„Wilt gij ook iets gebruiken?”

Ik sloeg dat aanbod dankend af.

„Laat eens zien,” hernam mijnheer Omer. „De vrouw van Barkis, den
vrachtrijder.... de zuster van Peggotty, den visscher.... die staat met
uwe familie in verband, nietwaar? Zij heeft bij uwe moeder gediend,
zeker, zeker!”

Mijn bevestigend antwoord deed hem zichtbaar genoegen. „Ik vermoed, dat
mijn adem weer langer zal worden, want mijn geheugen wordt ook langer,”
zei hij. „Wel, mijnheer, wij hebben een jeugdig lid van de familie in
onze zaak gekregen; zij heeft een smaak bij het maken van toiletten,
dat geen hertogin in geheel Engeland het haar verbeteren zou.... dat
verzeker ik u.”

„De kleine Emily toch niet?” riep ik onwillekeurig uit.

„Jawel, zij heet Emily,” antwoordde mijnheer Omer, „en zij is ook
klein. En gij moogt het gelooven of niet, zij heeft zulk een mooi
gezichtje, dat de helft van de vrouwen in het stadje woedend op haar
zijn.”

„Dwaasheid, vader!” riep Minnie.

„Lieve,” zei Mijnheer Omer, „ik zeg niet dat gij tot die helft behoort,
maar”—hij gaf mij een wenk—„maar ik zeg dat de helft van de vrouwen
in Yarmouth, o, en vijf mijlen in het rond! woedend op het ding zijn.”

„Dan had zij in haar eigen stand moeten blijven, vader,” zei Minnie,
„en geen aanleiding moeten geven tot praatjes, dan konden zij niet boos
op haar zijn.”

„Niet kunnen!” riep mijnheer Omer uit. „Niet kunnen! Hebt _gij_ nog
niet meer ondervinding opgedaan in het leven? Wat zou eene vrouw niet
kunnen en niet willen ook—wanneer het om het mooie gezicht van eene
andere te doen is?”

Ik meende werkelijk, dat het met mijnheer Omer gedaan was, toen hij
deze lasterlijke aantijging had uitgesproken. Hij hoestte zoo hevig
en deed zulke wanhopende pogingen om zijn adem meester te worden, dat
ik niet anders dacht of ik zou in het volgende oogenblik zijn hoofd
achter de toonbank zien verdwijnen en zijn kleine kuitebeentjes met
de verschoten linten aan de knieën in een laatste stuiptrekking zien
te voorschijn komen. Eindelijk bedaarde de aanval, maar hij was zoo
afgemat, dat hij hijgend moest plaats nemen op het kantoorstoeltje,
achter den lessenaar.

„Gij moet weten,” ging hij daarna met moeite ademhalende voort, „zij
heeft nooit vriendinnetjes gehad, en nooit kennisjes of vriendjes
willen opzoeken, veel minder zich met aanbidders opgehouden. Natuurlijk
heeft dit aanleiding gegeven tot het boosaardige praatje, dat Emily een
dame worden wil. Naar mijne overtuiging is dit praatje ontstaan uit de
omstandigheid, dat zij op school wel eens gezegd heeft: „als ik een
dame ben, zal ik dit en dat voor mijn oom doen en dit en dat moois
voor hem koopen”, begrijpt ge?”

„Ik verzeker u, mijnheer Omer, dat zij dit meermalen tegen mij heeft
gezegd, toen wij nog kinderen waren,” antwoordde ik met vuur.

Mijnheer Omer knikte met het hoofd en wreef zijn kin. „Juist, juist! En
dan had zij den slag om zich van weinig geld veel sierlijker te kleeden
dan anderen van veel geld—dat wekte de jaloezie op. Bovendien had zij
wel eens kuren—ik wil zelfs zoo ver gaan om te zeggen wat ik kuren
noem—zij wist soms niet goed wat zij wilde en was een weinig verwend
en kon zich in het begin niet goed naar anderen schikken. Meer heeft
men toch nooit van haar verteld, nietwaar Minnie?”

„Neen, vader,” antwoordde juffrouw Joram. „Dat was het ergste, als ik
het wel heb.”

„Eerst ging zij in eene conditie, tot gezelschap van eene oude dame,”
vervolgde mijnheer Omer, „maar zij konden niet goed met elkaar overweg
en daarom bleef zij er niet lang. Eindelijk kwam zij hier voor drie
jaar in de leer. Er zijn er nu bijna twee van om en zij heeft zoo goed
haar best gedaan als ik maar wenschen kan. Zij is zooveel waard als zes
andere. Is zij dat tegenwoordig niet, Minnie?”

„Ja, vader,” antwoordde Minnie. „Ge kunt ook niet zeggen dat ik ooit
kwaad van haar heb gesproken.”

„Heel goed,” hernam Mijnheer Omer. „Juist zoo! En nu, jongeheer,”
voegde hij er bij, terwijl hij voortging zijn kin te wrijven, „opdat
gij mij niet voor even langdradig zoudt houden als ik kortademig ben,
verklaar ik dit onderwerp afgehandeld.”

Aangezien zij zacht gesproken hadden, begreep ik dat Emily in de
nabijheid moest zijn. Op mijne vraag waar zij was, knikte mijnheer
Omer met het hoofd in de richting van de achterkamer. Ik verzocht en
verkreeg de toestemming om even naar binnen te mogen kijken, en toen
ik door de ruiten keek, zag ik haar aan haar werk bezig. O, wat was zij
een heerlijk klein schepseltje geworden! Met dezelfde schitterende,
blauwe oogen, waarmede zij in mijn kinderhart een eerste vonkje had
ontstoken, keek zij nu naar een van Minnie's kinderen, dat naast haar
op den grond zat te spelen; daar lag eigenzinnigheid genoeg in haar
lief gezichtje om hetgeen ik zoo even vernomen had te rechtvaardigen,
terwijl ook de oude nukkigheid en schuwheid nog niet verdwenen scheen
te zijn; maar overigens was er niets in haar gelaat te ontdekken, dat
aanleiding zou kunnen gegeven hebben tot eenige bezorgdheid voor hare
toekomst of tot twijfel aan hare deugdzaamheid.

Het deuntje, dat nooit scheen opgehouden te hebben—helaas, het _zal_
nimmer ophouden!—klonk mij al dien tijd zacht in de ooren.

„Wilt gij niet binnengaan?” vroeg mijnheer Omer, „en haar eens
aanspreken? Ga binnen en maak een praatje met haar, mijnheer! Doe alsof
gij thuis waart.”

Ik was te bevreesd om aan die uitnoodiging gevolg te geven, te bang om
haar te storen; maar ik verzocht het uur te mogen weten, waarop zij des
avonds naar huis ging, ten einde het tijdstip van ons bezoek daarnaar
te regelen; daarna nam ik afscheid van mijnheer Omer en zijne knappe
dochter en mooie kleinkinderen en sloeg den weg in naar de woning van
mijne lieve, oude Peggotty.

Toen ik aankwam was zij bezig in de met tegels bevloerde keuken het
middagmaal gereed te maken. Ik klopte aan de deur en toen zij opendeed,
vroeg zij wat er van mijn dienst was. Ik keek haar glimlachend aan,
maar zij beantwoordde dien glimlach niet. Ik had de briefwisseling
altijd aangehouden, maar er waren zeven jaar verloopen sinds wij elkaar
voor de laatste maal gezien hadden.

„Is Barkis thuis, juffrouw?” vroeg ik, mijn uiterste best doende om
met een grove stem te spreken.

„Jawel, mijnheer, Barkis is thuis,” antwoordde Peggotty, „maar hij
lijdt erg aan de rheumatiek.”

„Rijdt hij nog op Blunderstone?”

„Ja, als hij gezond is, wel.”

„Gaat gij daar nog wel eens heen, juffrouw Barkis?” Zij bekeek mij nu
wat aandachtiger en ik zag dat zij eene trekking had in hare handen
alsof zij ze ineen wilde slaan.

„Ik wenschte eenige inlichtingen te vragen omtrent een huis te
Blunderstone, dat men.... ja, hoe is 't ook weer?.... het Kraaiennest
noemt,” zei ik.

Zij deed een stap achteruit en stak een weinig angstig de handen uit,
alsof zij mij wilde tegenhouden.

„Peggotty!” riep ik nu.

„Mijn beste jongen!” riep zij terug en daar lagen wij in elkaars armen,
terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.

O, o, welk een buitensporigheden beging zij! Nu eens begon zij te
lachen dan weder te schreien; wat was zij trotsch op mij en blijde mij
te zien en wat speet het haar, dat zij, wier vreugde en trots ik had
kunnen zijn, mij nooit in de armen zou kunnen sluiten.... ik kan dat
alles niet beschrijven. Geen oogenblik werd ik gekweld door de vraag
of het ook al te jongensachtig van mij was, dat ik aangedaan werd. Ik
durf zeggen, dat ik in mijn geheele leven niet zoo dikwijls gelachen en
geschreid heb als dien morgen bij Peggotty.

„Wat zal Barkis blij zijn!” zei Peggotty, terwijl zij hare oogen
afwischte met de punt van haar boezelaar, „dat zal hem meer goed doen
dan een pond smeersel. Mag ik hem gaan vertellen dat gij hier zijt?
Gaat gij met mij mede naar boven, beste jongen, om hem te zien?”

Natuurlijk wilde ik dat gaarne doen, maar Peggotty kon niet zoo
gemakkelijk de kamer uitkomen, als zij gedacht had, want telkens
wanneer zij bij de deur was, keek zij weder naar mij om en viel zij
mij lachend en schreiend om den hals. Eindelijk ging ik, ten einde
het haar gemakkelijker te maken, de trap op en na een oogenblik buiten
de deur gewacht te hebben, tot zij Barkis een weinig op mijne komst
had voorbereid, stond ik voor den invalide. Hij ontving mij met
ongehuichelde opgewondenheid. Wel was hij te pijnlijk om mij de hand
te geven, maar hij verzocht mij de pluim van zijne muts te schudden,
hetgeen ik met de grootste bereidvaardigheid deed. Toen ik naast zijn
bed zat, zeide hij, dat het hem onuitsprekelijk veel goed deed het
gevoel te hebben of hij met mij langs den weg naar Blunderstone reed.
Zooals hij daar in bed lag met niets onbedekt dan zijn gezicht—als een
plafondengeltje—maakte hij een wonderlijken indruk.

„Welken naam schreef ik ook weer op de kar?” vroeg hij met een
glimlach, die hem pijn scheen te doen, ten gevolge van de rheumatiek.

„Ja, ja, Barkis,” zei ik, „wij hebben over die zaak heel wat samen
gesproken.”

„Ik was al lang klaar, nietwaar, mijnheer?” zei Barkis.

„Al lang,” antwoordde ik.

„En ik heb er geen berouw van,” hernam Barkis. „Herinnert gij u nog wat
gij mij verteld hebt van de appeltaarten, die zij zoo lekker bakken
kon?”

„Ja, ja; heel goed,” zei ik.

„En dat was waar,” vervolgde Barkis met zijn pluimmuts knikkende—het
eenige middel om zijne gewaarwordingen te kennen te geven—„dat was zoo
waar als dat ik belasting moet betalen. En niets is meer waar dan dat.”

Barkis wendde zijne oogen naar mij toe, alsof hij verwachtte, dat ik
deze bed-bespiegeling zou bevestigen, en ik deed het.

„Niets is zoo waar als dat,” herhaalde Barkis; „zulk een arm man als
ik ondervind dat dubbel, wanneer hij niet werken kan. Ik ben heel arm,
mijnheer.”

„Het spijt mij dat te hooren, Barkis.”

„Werkelijk heel arm,” herhaalde hij.

Nu kwam zijn rechterhand langzaam en aarzelend onder de dekens uit
en tastte onzeker in het rond naar een stok, die met een touwtje
losjes aan den rand van het bed was vastgebonden. Na er eenige
oogenblikken mede rondgetast te hebben, waarbij zijn gelaat de grootste
verscheidenheid vertoonde van ingehouden gewaarwordingen, stootte de
stok tegen een kist, waarvan de punt gedurende al dien tijd zichtbaar
voor mij was geweest. Toen eerst scheen hij gerust te zijn.

„Oude kleeren,” zeide hij.

„O!” zei ik.

„Was het maar geld, Mijnheer!”

„Nu, dat zou ik voor u ook wenschen,” zei ik.

„Maar het is geen geld,” verzekerde hij, terwijl hij beide oogen zoo
wijd mogelijk opende.

Ik zeide daarvan overtuigd te wezen en nu vestigde hij zijne oogen met
wat meer teederheid op zijne vrouw, zeggende:

„Die C. P. Barkis is de knapste en beste aller vrouwen. Al den lof,
dien men haar mocht toezwaaien, verdient zij dubbel en dwars. Zult gij
zorgen dat er wat lekkers te eten en te drinken is van middag?”

Ik wilde mij verzetten tegen dezen onnoodigen omslag te mijner eer,
maar aangezien ik opmerkte hoe angstig Peggotty mij achter het
hoofdeneind van het bed stond aan te kijken, hield ik mijne woorden
binnen.

„Ik heb hier of daar nog wat geld, vrouw,” zei Barkis, „maar ik ben nu
te vermoeid om er naar te zoeken; als gij en mijnheer David nu naar
beneden zoudt willen gaan, dan kon ik eerst wat gaan slapen en daarna
trachten het te vinden.”

Ingevolge dit verzoek verlieten wij de ziekenkamer. Toen wij buiten
de deur waren, verzekerde Peggotty mij, dat Barkis tegenwoordig nog
schrieler was dan vroeger, altijd tot dezelfde list zijne toevlucht
nam, eer hij een halve kroon uit zijne kist te voorschijn haalde en
dat hij onduldbare pijnen leed als hij uit zijn bed kroop, om een
greep te doen in die noodlottige kist. Werkelijk hoorden wij hem
onderdrukte kreten uiten, want deze eksterachtige manoeuvre bezorgde
hem helsche pijn in al zijn leden. Peggotty's oogen stonden vol tranen
van medelijden, maar zij zeide dat deze edelmoedige opwelling hem goed
zou doen en het dus beter was hem niet te storen. Zoo kreunde hij
voort tot hij weder in bed was—het was een ware marteling voor hem
geweest—toen riep hij ons, verzekerde dat hij juist ontwaakt was uit
een verfrisschende slaap en haalde onder zijn hoofdkussen een guinje te
voorschijn. De zelfvoldoening, dat hij ons met zulk een goeden uitslag
had misleid en dat het geheim van de kist bewaard was gebleven, scheen
voldoende vergoeding te zijn voor de doorstane marteling.

Ik bereidde intusschen Peggotty voor op de komst van Steerforth en het
duurde niet lang, of hij meldde zich aan. Ik ben overtuigd dat zij
eigenlijk niet goed wist of hij een weldoener van haar zelve of een
goede vriend van mij was geweest; maar in beide gevallen zou zij hem
met dezelfde dankbare vereering hebben ontvangen. Zijne ongedwongen
manieren, zijne geestigheid, zijn knap uiterlijk en zijne aangeboren
handigheid om terstond in der menschen zwak te tasten, hadden haar
binnen vijf minuten geheel voor hem ingenomen. Trouwens, zijne
vriendschap voor mij zou voldoende geweest zijn om hem in hare gunst te
brengen. Al deze redenen te zamen echter waren oorzaak, dat zij, voor
hij des avonds heenging, in eene soort van aanbidding tot hem opzag.

Hij bleef met mij bij juffrouw Barkis eten—indien ik zeg „gaarne”
dan druk ik slechts ten halve uit met hoeveel bereidwilligheid en
opgewektheid hij de uitnoodiging aannam. Toen hij de kamer van Barkis
binnentrad scheen het of er met hem licht en lucht binnenstroomden,
als ware hij het mooie, frissche weer in eigen persoon. Daar was
geen gedruisch, geen gemaaktheid bij hetgeen hij deed; hij wist
zelf niet wat hij deed; alles geschiedde ongedwongen; blijkbaar was
het onmogelijk dat hij iets op eene andere of betere wijze deed dan
zooals hij alles gewoon was te doen, zoo bevallig, zoo natuurlijk en
gemakkelijk, dat ik er zelfs, als ik het mij nu weer in het geheugen
roep, nog over verwonderd ben.

Wij zaten vroolijk bijeen in het voorkamertje, waar het Martelaarsboek,
waarin sinds ik er uit had voorgelezen, niemand een oog had geslagen,
als van ouds op den lessenaar lag; nogmaals sloeg ik al de akeligheden
op, die mij herinnerden aan tallooze aandoeningen, zonder die echter
weder op te wekken.

Toen Peggotty begon te spreken over het kleine hokje, zooals zij mijn
kamertje noemde, en vertelde dat het gereed was om mij te ontvangen,
terwijl zij de hoop uitsprak dat ik er gebruik van zou maken, had
Steerforth, nog eer ik hem aarzelend had kunnen aanzien, de geheele
zaak reeds begrepen.

„Het spreekt van zelf,” zei hij, „dat gij hier blijft slapen en dat ik
in het logement mijn intrek neem.”

„Dat is een mooie kameraadschap,” antwoordde ik; „eerst breng ik u hier
heen Steerforth, en dan zouden wij niet bij elkaar blijven!”

„Maar, in 's Hemels naam, waar behoort gij thuis?” vroeg hij. „Wat
beteekent kameraadschap bij hetgeen gij hier vindt?” Het was ineens
uitgemaakt.

Tot acht uur, toen wij naar baas Peggotty's schuit gingen, bleef hij
dezelfde aangename innemende gast. Zijne vele goede eigenschappen
kwamen zelfs hoe langer hoe meer uit, naarmate de tijd verstreek,
en thans twijfel ik er niet meer aan, dat de bewustheid van den
goeden uitslag op zijne pogingen om te behagen zijn vernuft op dit
punt scherpte, zoodat het hem hoe langer hoe gemakkelijker begon
te vallen. Indien iemand mij verteld had dat hij slechts een
verraderlijk spel speelde om aan een oogenblikkelijke opwelling te
voldoen, om gedachteloos zijn zucht tot uitblinken te bevredigen,
eenvoudig om iets te veroveren, dat waardeloos voor hem was en zoo
straks zou worden weggeworpen—ik zeg, indien iemand mij toen zulk een
leugen had opgedischt, zou ik niet geweten hebben hoe ik aan mijne
verontwaardiging lucht had moeten geven. Waarschijnlijk zou dat mijne
eenigszins romantische vriendschap en trouw voor hem nog versterkt
hebben, terwijl ik naast hem voortwandelde over het donkere strand
naar de oude schuit; de wind blies en huilde nog veel akeliger en
onstuimiger om ons heen dan in den eersten nacht, dien ik in de schuit
had doorgebracht.

„Wat is het hier woest, hè, Steerforth?” zei ik.

„Onheilspellend genoeg in de duisternis,” antwoordde hij, „en de zee
huilt alsof ze ons zou willen inslikken. Is dat de boot, ginds, waar ik
dat licht zie?”

„Dat is de boot.”

„Dan is het dezelfde, die ik vanmorgen reeds heb gezien,” antwoordde
Steerforth. „Ik onderstel dat mijn instinct mij er heen heeft gedreven.”

Toen wij het licht genaderd waren, spraken wij niet meer, doch openden
zachtkens de deur. Met de hand aan de klink fluisterde ik Steerforth
in, vlak achter mij aan te komen en ging binnen. Een gemompel van
stemmen was buiten hoorbaar geweest en op het oogenblik, dat wij
binnentraden, hoorden wij in de handen klappen; tot mijne groote
verbazing zag ik dat dit laatste gedruisch door de gewoonlijk zoo
verdrietige juffrouw Gummidge veroorzaakt werd. Maar juffrouw Gummidge
was niet de eenige persoon, die zoo buitengewoon vroolijk scheen. Baas
Peggotty, wiens gelaat van buitengewone voldoening straalde en die
zat te schudden van het lachen, had zijne sterke armen wijd geopend
alsof hij de kleine Emily uitnoodigde er in te snellen; Ham, op wiens
gelaat een gemengde uitdrukking lag van bewondering, verrukking en
bedeesdheid, die hem bij zijn logge beweging heel goed stond, had
de kleine Emily bij de hand alsof hij haar aan baas Peggotty wilde
voorstellen; eindelijk kleine Emily zelve, blozend en beschroomd, doch
vergenoegd, omdat baas Peggotty zoo vergenoegd was, hetgeen duidelijk
in hare van opgeruimdheid stralende oogen te lezen was, zij zag ons
het eerst en werd door onze binnenkomst gestoord in haar voornemen,
om zich van Ham los te rukken en zich in de armen van baas Peggotty
te nestelen. Bij ons binnentreden uit den kouden, donkeren nacht in
het warme, verlichte vertrek vonden wij hen in den bovenbeschreven
toestand, terwijl juffrouw Gummidge achter de tafel in de handen stond
te klappen, alsof zij van haar verstand was beroofd.

Deze kleine schilderij werd door onze binnenkomst zoo plotseling
uitgewischt, dat er twijfel bij mij oprees of ik wel goed gezien had.
Ik stond in het midden van de verwonderde familie, vlak tegenover baas
Peggotty, met uitgestoken hand, toen Ham plotseling riep:

„Het is jongeheer Davy! 't Is jongeheer Davy!” In het volgende
oogenblik waren wij allen onder elkander aan het handen schudden en
aan het vragen hoe wij 't maakten en aan het betuigen hoe blijde wij
waren elkander te zien—allen praatten tegelijk. Baas Peggotty was
zoo vereerd en zoo blijde ons bij zich te zien dat hij niet wist wat
hij zeggen of doen zou; hij deed niets dan ons om beurten de handen
schudden en zijn ruige haren over zijn hoofd strijken; hij was zoo
uitgelaten en lachte zoo triomfantelijk, dat het een lust was hem aan
te zien.

„Wel, wel, dat gij daar met u beiden... heeren, ja, waarlijk, heeren,
in den avond hierheen komt, nu, juist dezen avond!” zei baas Peggotty,
„dat had ik nooit durven droomen zelfs! Emily, schatje, kom eens hier!
Kom eens hier, kleine heks! Hier is een vriend van jongeheer Davy!
Hier is die heer van wien Ham en ik u wel verteld hebben, Emily! Hij
komt kennis met u maken en daar is jongeheer Davy ook! En dat op den
gelukkigsten avond, dien uw oom ooit gehad heeft of hebben zal. Lang
zullen zij leven!”

Na deze woorden in één adem te hebben uitgesproken, waarbij hij
buitengewone geestdrift en vroolijkheid aan den dag had gelegd, nam
baas Peggotty het gezichtje van zijn nichtje tusschen zijne beide grove
handen, kuste haar wel twaalf maal, drukte het met innige teederheid
tegen zijne breede borst en streelde het alsof hij een dameshandje
had. Daarna liet hij haar los en toen zij het kleine kamertje, waar ik
geslapen had was binnengevlucht, keek hij naar ons, gloeiend en buiten
adem ten gevolge van zijne buitengewone opgewondenheid en blijdschap.

„Indien gij beiden, heeren, ja waarlijk, heeren en zulke heeren....”
zei baas Peggotty.

„Dat zijn zij, dat zijn zij!” riep Ham. „Goed gezegd! Dat zijn zij.
Jongeheer Davy..... een echte heer..... dat zijn zij!”

„Indien gij beiden, heeren, ja, waarlijk heeren,” begon baas Peggotty
weder, „mij nog niet zult kunnen vergeven dat ik zoo opgewonden ben,
als gij verneemt wat daartoe de aanleiding is, zal ik u vergeving
vragen. Emily, schatje! Ja, zij weet wel dat ik het zal vertellen”....
opnieuw barstte hij in lachen uit—„en daarom is zij weggeloopen. Wilt
gij eens kijken waar zij gebleven is, moedertje?”

Juffrouw Gummidge knikte en verdween.

„Als dit niet de gelukkigste avond van mijn leven is,” hernam baas
Peggotty, tusschen ons in bij den haard plaats nemende, „mag ik een
schelvisch worden. De kleine Emily, mijnheer,” voegde hij er op
fluisterenden toon tegen Steerforth bij: „de kleine, die zoo straks
zulk een kleur kreeg.”

Steerforth knikte even met het hoofd, maar hij deed dit met zooveel
vriendelijke belangstelling, dat baas Peggotty hem antwoordde alsof hij
iets gezegd had.

„Gij kunt er zeker van zijn,” zei baas Peggotty. „Dat is zij en zoo is
zij. Wel bedankt, mijnheer.”

Ham knikte mij verscheidene malen toe, alsof hij hetzelfde zou gezegd
hebben.

„Deze kleine Emily van ons,” vervolgde baas Peggotty, „is in dit huis
geweest, wat ik vermoed—ik ben geen geleerd man, maar ik vermoed het
toch—wat zulk een lief schepseltje met zulke schitterende oogjes in
een huis zijn _kan_. Zij is mijn kind niet; ik heb nooit kinderen
gehad; maar ik zou van mijn eigen kinderen niet meer kunnen houden.
Begrijpt gij? Ik zou het niet kunnen!”

„Ik begrijp het zeer goed,” zei Steerforth.

„Ik weet dat ge het begrijpt, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „en ben
u zeer verplicht. Jongeheer Davy zal zich herinneren wat zij voor ons
was; gij kunt zelf oordeelen wat zij is; maar geen van u beiden kunt
weten wat zij geweest is, is en worden zal. Ik ben maar een eenvoudig
man, mijnheer, en zoo ruw als een zee-egel, maar niemand, tenzij
misschien eene vrouw, kan begrijpen, wat zij voor mij geweest is.
Maar... dit tusschen ons”—hij liet zijne stem een weinig dalen—„die
vrouw heet niet juffrouw Gummidge, al heeft deze een ware schat van
goede eigenschappen.”

Baas Peggotty streek weder met beide handen zijne haren naar achteren,
als inleiding tot hetgeen hij nog verder te zeggen had en ging toen
voort met de handen op de knieën.

„Er was zeker iemand, die Emily gekend heeft sinds haar vader
verdronken is, haar voortdurend heeft gezien als kind, als jong meisje
en volwassen. Zoo op het oog was hij niet veel bijzonders, zoowat van
mijn soort, ruw, een echte zeebonk, maar een brave, eerlijke jongen,
die zijn hart op de rechte plaats heeft.”

Ik geloof dat ik Ham nooit zoo heb zien grinniken als hij op dit
oogenblik tegen ons deed.

„Wat zou deze gelukkige pikbroek nu anders doen,” ging baas Peggotty
voort met een glans van genoegen op het gelaat, „dan datzelfde hart
aan de kleine Emily verliezen? Hij loopt haar overal na, maakt zich
zoo goed als tot haar knecht, verliest grootendeels zijn eetlust en
eindelijk wordt het mij duidelijk waar de schoen hem wringt. Gij
begrijpt dat ik niets liever wensch dan de kleine Emily goed getrouwd
te zien. In de eerste plaats wensch ik haar getrouwd te zien met
een braaf en eerlijk man, die haar houw en trouw zal zijn. Ik weet
niet hoelang ik nog zal leven of hoe spoedig ik zal sterven, maar ik
weet wel dat als ik eens op een nacht hier, in de baai van Yarmouth
omsla en voor het laatst de lichten van de stad boven de branding zie
glinsteren, ik geruster naar den grond zal gaan als ik weet dat daar
een man is, zoo trouw als staal voor de kleine Emily, God zegene haar!
en niemand mijn Emily kan deren, zoolang die man leeft.”

De eenvoudige, ernstige man wuifde met zijn rechterarm, als zag hij op
dit oogenblik de lichten van de stad voor het laatst boven de branding
uitsteken en ging toen voort, na met Ham een knikje van verstandhouding
gewisseld te hebben:

„Welnu, ik raad hem aan met Emily te spreken. Hij is groot en zwaar
genoeg, maar nog bedeesder dan een kleine jongen; hij durft niet. Ik
spreek daarom zelf met haar. ‚Wat? _Hem_?’ zegt Emily. ‚_Hem_, dien
ik zooveel jaren van nabij gekend heb en van wien ik zooveel houd?
O, neen, oom, hem krijg ik nooit! Hij is veel te goed voor mij!’ Ik
geef haar een kus en zeg niets meer dan: ‚Mijn lieveling, gij moogt uw
eigen hart laten spreken, gij kunt zelve kiezen en zijt zoo vrij als
een klein vogeltje.’ Ik ga naar hem en zeg: ‚Ik wilde dat het zoo had
kunnen zijn, maar het kan niet. Gij kunt beiden blijven wat ge zijt en
wat ik u heb te zeggen is: wees voor haar wat gij altijd voor haar zijt
geweest en wees een man!’ Hij schudde mij de hand en zei: ‚dat zal ik!’
En hij heeft zijn woord gehouden, eerlijk, als een man, want het is nu
twee jaar geleden en wij zijn allen voor elkander gebleven, wat wij
voor dien tijd waren.”

Het gezicht van baas Peggotty dat gedurende dit verhaal tallooze
veranderingen had ondergaan, nam nu dezelfde triomfantelijke
uitdrukking weder aan, terwijl hij de eene hand op mijne knie en de
andere op Steerforth's knie legde of liever er op sloeg, ten einde
hetgeen volgen zou meer kracht bij te zetten.

„Op het onverwachtst komt Emily op zekeren avond—en dat wel dezen
avond—van den winkel thuis... met hem! Dat beteekent nu wel niet
veel, zult ge wellicht zeggen, omdat hij altijd als een broeder op
haar past, zoowel bij donker als bij helder weer. Maar die pikbroek
heeft hare hand in de zijne en roept mij vol blijdschap toe: ‚Kijk
nu eens. Dit wordt mijn kleine vrouwtje!’ En zij zegt half trotsch,
half bedeesd, lachend en schreiend te gelijk: ‚Ja, oom, als het u goed
is.’—Of het mij goed is!” riep baas Peggotty in eene uitbarsting van
opgewondenheid het hoofd heen en weer schuddende. „Goede Hemel, alsof
ik ooit iets anders zou willen!—‚Als het u goed is; ik heb er nog eens
over nagedacht en zal een beste, trouwe vrouw voor hem zijn, want hij
is een beste trouwe jongen!’ Juffrouw Gummidge begon in haar handen te
klappen van blijdschap en toen kwaamt gij binnen. Dat was hetgeen hier
plaats had toen gij binnenkwaamt en daar staat de man, die met haar zal
trouwen, zoodra haar leertijd om is.”

Ham wankelde ten gevolge van den stomp, dien baas Peggotty hem in
zijne uitbundige blijdschap als een bewijs van zijne hartelijkheid en
vriendschap toebracht; maar aangezien hij zich verplicht achtte ook
iets tot ons te zeggen, begon hij, stotterend en hakkelend:

„Zij was niet grooter dan gij zelf, jongeheer Davy.... toen gij voor 't
eerst hier waart,... toen dacht ik al, hoe zij er zou uitzien, als zij
groot was.... Ik zag haar opgroeien.... heeren.... als een bloempje. Ik
zou gaarne mijn leven voor haar gegeven hebben, jongeheer Davy.... O,
met liefde.... Zij is meer voor mij, heeren.... dan.... zij is alles
voor mij, wat ik ooit wenschen.... en meer dan ik ooit.... dan ik ooit
zeggen kan. Ik.... ik heb haar lief met.... met mijn geheele hart. Er
is geen man in het gansche land.... en er vaart er geen op al de zeeën
te zamen.... die meer van zijn meisje houden kan dan ik van haar.... al
is er menig oneerlijk man, die beter kan zeggen, wat hij bedoelt....
dan ik.”

Het was treffend zulk een stoeren kerel, als Ham was, te zien beven
van aandoening bij de gedachte aan hetgeen hij voelde voor het
lieve, kleine meisje, dat hij zijn hart geschonken had. Zelfs in
het vertrouwen, dat baas Peggotty en hij ons schonken, vond ik iets
aandoenlijks. De geheele geschiedenis had mij aangedaan. In hoever
mijne gewaarwordingen nog den invloed ondervonden van de herinneringen
uit mijne jeugd, durf ik niet zeggen. Ik weet alleen dat hetgeen ik
hoorde en zag mij met blijdschap vervulde; in het eerste oogenblik
echter met eene soort weemoedige blijdschap, die door een kleinigheid
in smart had kunnen overgaan. Zou er nog een vonkje van de liefde uit
mijne jeugd in mijn hart zijn achtergebleven?

Ware het daarom mijne taak geweest de snaar, die thans in de harten van
deze menschen trilde, met vaardige hand in dezelfde stemming te houden,
dan zou mij dit zeker niet gelukt zijn. Steerforth nam echter deze taak
op zich en hij deed het met zulk eene vaardigheid, dat wij binnen
eenige oogenblikken allen zoo kalm en zoo gelukkig bijeenzaten als
mogelijk was.

„Baas Peggotty,” zei hij, „gij zijt een door en door brave man en
verdient zoo gelukkig te zijn, als heden avond het geval is. Ik geef
u mijn hand daarop! Ik wensch u geluk, Ham, brave jongen! Mijn hand
daarop! Groentje, stook het vuur wat op en laat het helder vlammen en
baas Peggotty, zoo gij uw nichtje, voor wie deze plaats aan den haard
bestemd is, niet bewegen kunt, terug te komen, ga ik heen. Op zulk een
avond mag er geen ledige plaats zijn aan den haard—voor al de schatten
van Indië zou ik hier geen ledige plaats willen zien!”

Baas Peggotty ging dan naar het kleine kamertje om Emily te halen en
toen zij niet wilde komen, ging Ham. Hij bracht haar mede naar den
haard, wel in den aanvang een weinig beschroomd en verlegen; maar toen
hij bemerkte, hoe aardig en beleefd Steerforth tot haar sprak; hoe
behendig hij alles wist te vermijden, dat haar verlegen zou kunnen
maken; hoe hij met baas Peggotty over de boot sprak; hoe hij het bezoek
van baas Peggotty en Ham op Salem-House in herinnering bracht; hoeveel
belangstelling hij toonde voor de boot en voor alles wat er in was;
hoe los en gemakkelijk hij zoo voortging, ons allen als het ware
betooverend...... toen was hare beschroomdheid spoedig verdwenen.

Emily sprak weinig dien avond; zij keek rond en luisterde en haar
gezichtje straalde van opgeruimdheid—zij was in één woord bekoorlijk.
Steerforth deed een verhaal van eene allerakeligste schipbreuk, waartoe
zijn gesprekken met baas Peggotty hem aanleiding gaven, alsof hij er
bij tegenwoordig was geweest en de oogen van de kleine Emily waren al
dien tijd op hem gevestigd en er lag eene uitdrukking in alsof zij het
zag gebeuren. Tot afwisseling vertelde hij een grappig avontuur van
zich zelven, zoo vroolijk en opgewekt alsof het verhaal even nieuw
was voor hem als voor ons, en de kleine Emily lachte en lachte zoodat
hare welluidende stem door de boot weergalmde en wij allen, Steerforth
ook, medelachten. Hij haalde baas Peggotty over te zingen of liever te
brullen: ‚Als de stormwind blaast!’ en hij zong zelf een matrozenlied,
zoo mooi en aandoenlijk, dat ik mij bijna begon te verbeelden dat de
wind, die klagend om de boot suisde, ophield om er naar te luisteren.

En juffrouw Gummidge! Wel, hij bracht dit slachtoffer van
zwaarmoedigheid in zulk eene opgewekte stemming, als nog aan niemand
sinds den dood van haar echtgenoot gelukt was volgens het oordeel van
baas Peggotty. Hij liet haar zoo weinig tijd om ellendig te zijn, dat
zij den volgenden dag verklaarde betooverd te zijn geweest.

Hij legde echter niet voortdurend beslag op de algemeene aandacht of
het gesprek. Toen de kleine Emily wat meer moed begon te krijgen, en,
hoewel nog bedeesd, langs den haard heen een gesprek met mij aanknoopte
over onze vroegere wandelingen langs het strand en onze kiezelsteenen-
en schelpenverzameling en ik haar vroeg of zij zich nog wel herinnerde
hoe verliefd ik toen op haar was geweest en wij beiden lachten en een
kleur kregen, werd hij stil en sloeg ons peinzend en oplettend gade.
Den geheelen avond zat zij op het oude bankje in haar oude hoekje
bij den haard, terwijl Ham naast haar zat—op mijn oude plaats. Ik
weet niet of het haar oude zucht om te plagen of hare maagdelijke
schroomvalligheid was, die haar zoo ver mogelijk van hem af deed
schuiven, maar ik zag dat zij het deed—den geheelen avond.

Indien ik het mij goed herinner was het ongeveer middernacht toen
wij scheidden. Wij hadden beschuit gehad met gedroogde visch voor
ons souper en Steerforth had uit zijn zak een volle flesch punch te
voorschijn gehaald, die wij, mannen—ik zeg nu, wij mannen, zonder te
blozen—hadden geledigd. Wij namen in de vroolijkste stemming afscheid
en toen zij allen in de deur stonden om ons pad zoo ver mogelijk te
verlichten, zag ik hoe Emily's zachte blauwe oogen ons, achter den rug
van Ham om, nakeken en hoorde ik hare lieve stem ons naroepen, dat wij
voorzichtig moesten zijn.

„Wat een allerliefst, mooi meisje!” zei Steerforth, mijn arm nemende.
„En wat een alleraardigst gezelschap en wat een alleraardigst huis! Dat
is nu weder eens eene geheel nieuwe ondervinding.”

„Maar wat troffen wij het ook,” antwoordde ik, „dat wij juist getuige
konden zijn van hunne blijdschap over dat aanstaande huwelijk. Ik zag
nooit vier menschen zoo gelukkig bijeen. Hoe heerlijk om zoo iets bij
te wonen en getuige te mogen zijn van zooveel onvermengde vreugde!”

„Hij is toch eigenlijk een ongelikte beer, zooals hij daar naast dat
verrukkelijke meisje zat!” zei Steerforth.

Hij was zoo vriendelijk jegens hem en jegens allen geweest, dat dit
onverwachte en onheusche gezegde mij angst aanjoeg. Ik keerde mij om en
toen ik een lach in zijne oogen bespeurde, antwoordde ik:

„O, Steerforth, gij kunt gemakkelijk met zulke eenvoudige lieden den
spot drijven. Gij moogt vrij met juffrouw Dartle schermutselen en uw
gevoel voor mij verbergen—ik weet wel beter. Als ik zie hoe volmaakt
gij hen begrijpt, hoe hartelijk gij in een geluk als dat van dien
eenvoudigen visscher kunt deelen, hoe gij een liefde als die van mijne
oude kindermeid voor mij op prijs weet te stellen, dan weet ik ook
dat geen vreugde of verdriet of aandoening van dergelijke menschen
u koud zal laten. En ik bewonder u daarom en houd daarom van u—nog
twintigmaal meer dan vroeger.”

Hij bleef staan en keek mij aan. „Groentje,” zei hij, „ik geloof
dat gij een goede jongen zijt en het ernstig meent. Waren wij allen
maar zooals gij!” In het volgende oogenblik zong hij vroolijk
baas Peggotty's lied, terwijl wij in een flinken pas naar Yarmouth
terugkeerden.



XXII.

Oude tooneelen en nieuwe menschen.


Steerforth en ik bleven langer dan veertien dagen te Yarmouth. Wij
waren meestal bij elkaar, dat behoef ik eigenlijk niet eens te zeggen;
maar er waren toch ook wel uren waarin wij ieder onzen eigen weg
gingen. Hij hield veel van zeilen en ik niet, gewoonlijk bleef ik dus
aan wal, wanneer hij met de boot van baas Peggotty uitging. Bovendien
was ik in zekere mate gebonden, omdat ik bij Peggotty logeerde, want
daar ik wist, dat zij den geheelen dag aan het ziekbed van Barkis
doorbracht, kon ik des avonds niet zoo laat thuiskomen, terwijl
Steerforth, die in het logement zijn intrek had genomen, alleen aan
zichzelven behoefde te denken. Dit was dan ook de oorzaak, dat ik
niet tegenwoordig was bij zijne bezoeken in de herberg ‚Het trouwe
Hart’, waar baas Peggotty gewoonlijk kwam en waar Steerforth nu de
visschers tracteerde, terwijl ik reeds in bed lag, dat ik eerst later
vernam hoe hij soms heele nachten, in een visscherspak uitgedost, op
zee rondzwalkte en eerst 's morgens, bij het opkomen van den vloed,
terugkwam. Ik wist echter toen reeds dat zijne rustelooze natuur en
zijn woelige geest zich gaarne lucht verschaften in ruwen arbeid en
guur weder, zoowel als in alles wat nieuw en vreemd voor hem was, ik
verbaasde mij daarom volstrekt niet over hetgeen hij deed.

Een andere oorzaak, die onze wegen nu en dan uit elkander deed loopen,
was dat ik mij natuurlijk aangetrokken voelde tot Blunderstone en tot
de oude plekjes uit mijn jeugd; terwijl Steerforth, na eenmaal met mij
daar een bezoek gebracht te hebben, geen lust had dit te herhalen. Zoo
gebeurde het drie of vier malen, dat wij, na vroeg ontbeten te hebben,
afscheid namen en elkaar niet eerder dan aan het middagmaal terugzagen.
Ik kon volstrekt niet vermoeden, hoe hij al dien tijd besteedde; alleen
vernam ik, dat hij in de stad zeer bemind was en twintig middelen had
om zich te verstrooien, waar een ander er wellicht één had gevonden.

Wat mij aangaat, ik hield mij op mijne pelgrimstochten onledig met
de herinneringen, die bij elken voetstap voor mij opdoemden; en het
opzoeken van alle oude plekjes werd ik nooit moede. Ik zocht ze alle
weder op, zooals ik zoo menigmaal in gedachten gedaan had en toefde
langen tijd bij het graf onder den grooten boom, waar mijne ouders
begraven lagen en waarop ik zoo menig uur had gestaard, toen het
nog alleen mijns vaders graf was en waarbij ik in doffe wanhoop had
gestaan, toen het geopend was om mijn lieve moeder en haar kind te
ontvangen—het graf, dat door Peggotty's trouwe zorg al dien tijd
keurig was onderhouden, zoodat het een tuintje leek, waarbij ik uren
achtereen verwijlde, verdiept in herinneringen aan mijne kinderjaren.

Het lag op eenigen afstand van het kerkpad in een rustig hoekje, niet
zoo ver, of ik kon de namen op den steen lezen, terwijl ik op- en
neerwandelde en telkens werd opgeschrikt door het geluid van de klok,
die de uren aangaf, hetgeen mij in de ooren klonk als een verwijderde
stem. Meermalen dwaalden mijne gedachten af naar de rol, die ik in mijn
verder leven spelen, en de wijze, waarop ik mij onderscheiden zou. Het
scheen mij toe, alsof ik naar huis gekomen was om luchtkasteelen te
bouwen aan de zijde van eene levende moeder.

Het ouderlijke huis had groote veranderingen ondergaan. De verlaten
kraaiennesten waren verdwenen en de boomen waren zoo gesnoeid en
gekapt, dat ze den ouden vorm geheel verloren hadden. De tuin was
geheel verwilderd en de meeste vensters waren gesloten. Het werd
bewoond door een armen krankzinnige en diens oppassers. De ongelukkige
zat den geheelen dag bij het kleine venster van mijn oude kamertje naar
het kerkhof te kijken en ik zou gaarne geweten hebben of zijn dwalende
geest zich ooit bezig hield met dezelfde beelden, die mij verschenen
waren, wanneer ik des morgens bij het opgaan van de zon in nachttoilet
naar buiten gluurde en de schapen zag weiden in het malsche gras.

Onze oude buren, mijnheer en mevrouw Grayper, waren naar Zuid-Amerika
verhuisd en de regen had een weg gevonden door het dak van hun verlaten
woning en de muren aan alle kanten doen uitslaan. Dr. Chillip was
hertrouwd met een lange, magere vrouw met een wipneus en zij hadden één
kind; een nietig kind met een waterhoofd, dat veel te zwaar voor het
wicht was, en twee flauw starende oogjes, waarmede het altijd scheen te
vragen, waarom het eigenlijk geboren was.

Een gemengd gevoel van droefheid en genot doorstroomde mij, terwijl
ik daar zoo eenzaam in mijne geboorteplaats ronddoolde tot de roode
winterzon mij herinnerde, dat het tijd werd om naar huis terug
te keeren. Maar wanneer ik het dorpje weer achter den rug had en
voornamelijk, wanneer ik met Steerforth, weder aan den gezelligen
disch zat bij een knappend haardvuur, dan voelde ik mij gelukkig omdat
ik er geweest was. En datzelfde gelukkige gevoel maakte zich van mij
meester, wanneer ik des avonds mijn kleine kamertje opzocht en het
krokodillenboek opsloeg, dat altijd open op tafel lag, en mij met een
dankbaar hart herinnerde hoe heerlijk het voor mij was, dat ik zulk een
vriend bezat als Steerforth, zulk eene vriendin als Peggotty en zulk
eene plaatsvervangster voor al wat ik verloren had, als mijne brave,
grootmoedige tante.

Wilde ik den kortsten weg teruggaan van Blunderstone naar Yarmouth dan
moest ik mij laten overzetten. Ik kwam dan aan op eene vlakte tusschen
de stad en de zee, die ik dwars kon oversteken, waardoor ik mij een
grooten omweg bespaarde, en aangezien de woning van baas Peggotty dan
geen honderd el buiten mijn weg lag, ging ik er altijd even binnen.
Ik was bijna zeker Steerforth daar te vinden, mij wachtende, en dan
stapten wij te zamen door den scherpen wind en den opkomenden nevel op
de flikkerende lichten van de stad aan.

Op zekeren donkeren avond, dat ik later dan gewoonlijk stadwaarts
keerde,—ik had dien dag eenige bezoeken afgelegd te Blunderstone,
omdat wij voornemens waren spoedig te vertrekken—vond ik Steerforth
geheel alleen en in gepeins verzonken bij den haard zitten in
Peggotty's woning. Hij was zoo in zijn gedachten verdiept, dat hij
niets bespeurd had van mijne aankomst. Nu zou dat ook mogelijk geweest
zijn al was hij minder met zijn eigen gedachten vervuld geweest, want
in het zand waren de voetstappen bijna onhoorbaar; maar ook mijne
binnenkomst deed hem niet ontwaken uit zijne droomerijen. Ik stond vlak
bij hem en keek hem aan, maar nog ontwaakte hij niet.

Toen ik mijne hand op zijn schouder legde ontstelde hij zoo, dat ik
zelf ook ontstelde.

„Gij komt tot mij,” zei hij, bijna boos, „als een dreigend spook!”

„Ik was wel verplicht mij op de eene of andere wijze aan te melden,”
antwoordde ik. „Heb ik u uit den zevenden hemel opgeroepen?”

„Neen,” zeide hij. „O, neen!”

„Waaruit dan?” vroeg ik, terwijl ik naast hem plaats nam.

„Ik keek naar de grillige figuren in de vlammen.”

„En nu verstoort gij ze voor mij!” zei ik, toen hij er met een
brandend stuk hout doorheen woelde, zoodat een groote zwerm vonken den
schoorsteen instoof.

„Gij zoudt ze niet gezien hebben,” antwoordde hij. „Ik haat dien tijd
tusschen licht en donker. Hoe laat is het? Waar zijt gij geweest?”

„Ik heb voor het laatst mijn gewone wandeling gedaan,” zei ik.

„En ik,” hernam Steerforth, de kamer rondkijkende; „heb hier zitten
bedenken, dat al de menschen, die wij op den avond van onze aankomst
zoo vroolijk bijeen vonden, nu wel over de aarde verspreid of dood of
ongelukkig kunnen zijn—zoo verlaten vond ik de woning. O, David, had
ik toch maar een verstandigen vader gehad!”

„Maar, beste Steerforth, wat scheelt u?”

„Ik zou ik weet zelf niet wat geven, als ik eene betere opvoeding had
gehad!” riep hij uit, „en als ik mij zelven beter kon leiden!”

De toon, waarop hij sprak, was zoowel hartstochtelijk als zwaarmoedig,
zoodat ik mij over hem verbaasde. Hij was zoo weinig zichzelf, dat ik
hem bijna niet herkende.

„Het zou beter zijn iemand te wezen als deze arme Peggotty of als die
lummelachtige Ham,” zei hij, opstaande en bleef in eene neerslachtige
houding tegen den schoorsteenmantel leunen met het gezicht naar het
vuur. „Dat zou veel beter wezen dan wat ik nu ben, twintig maal
rijker en twintig maal geleerder, maar mij zelven tot last, zooals ik
gedurende dit laatste half uur in deze duivelsche schuit ben geweest.”

Ik was zoo getroffen door de verandering, die in hem had plaats
gegrepen, dat ik in het eerst niets doen kon dan hem in stilte
gadeslaan, zooals hij daar met het hoofd op de hand geleund in het
vuur stond te staren. Eindelijk smeekte ik hem met al den ernst,
die in mij was, mij te vertellen wat tot deze ongewone stemming had
aanleiding gegeven en mij in de gelegenheid te stellen medelijden met
hem te hebben, indien ik hem al geen raad kon geven. Eer ik echter had
uitgesproken begon hij reeds te lachen—eerst gemelijk maar weldra uit
volle borst.

„Och, kom, het is niets, Groentje! Niets, hoor!” zei hij. „Ik vertelde
u reeds in het hotel te Londen, dat ik somtijds lastig gezelschap ben
voor mij zelven. Ik ben mijn eigen nachtmerrie geweest zoo even ....
ik moet er zeker een gehad hebben. Wanneer ik zoo somber gestemd ben,
komen mij allerlei bakersprookjes in het geheugen, zonder dat ik ze
herken. Ik geloof dat ik mij zelven zooeven gehouden heb voor dien
ondeugenden jongen, die nergens bang voor was en eindelijk door leeuwen
werd opgegeten—wat met andere woorden zeggen wil, dat er niets van hem
terecht kwam. Ik heb, zooals oude vrouwen zeggen, een rilling gehad
over mijn geheele lichaam. Ik was bang voor mijzelven.”

„Anders zijt gij voor niets bang geloof ik,” antwoordde ik.

„Misschien niet, maar er kan toch nog genoeg opdagen, waarvoor ik wel
bang zou zijn. Maar het is nu voorbij en ik ben niet meer van plan mij
spoedig nogmaals zoo te laten beetnemen, David; maar ik zeg u, beste
kerel, nog eens, dat het goed voor mij—voor meer anderen ook—zou zijn
als ik een flinken, verstandigen vader gehad had!”

Er lag gewoonlijk veel uitdrukking in zijn gelaat, maar ik zag er nooit
zooveel somberen ernst in dan toen hij deze woorden sprak, terwijl hij
nog steeds in het vuur staarde.

„Dat geef ik er voor!” zei hij, terwijl hij met de vingers knipte. „Het
is voorbij, nu ben ik weer een man,” haalde hij uit Macbeth aan. „En nu
gaan wij eten! Tenminste als ik niet—evenals Macbeth—het middagmaal
danig in de war heb gestuurd, Groentje.”

„Ik zou toch wel eens willen weten waar zij allen zijn!” zei ik.

„Dat weet de Hemel!” antwoordde Steerforth. „Nadat ik eenigen tijd op
het strand op u had staan wachten, wandelde ik hierheen en vond de
kooi ledig. Dat gaf mij te denken, en zoo vondt gij mij hier zitten
peinzen.”

De komst van juffrouw Gummidge met een mandje aan den arm, helderde de
zaak op. Zij had haastig eenige boodschappen gedaan eer baas Peggotty
terugkwam met den vloed, en de deur opengelaten, opdat Ham en Emily,
die haar vrijen avond had, het huis zouden kunnen binnenkomen. Nadat
Steerforth met een deftigen groet en eene omhelzing haar in eene
vroolijke stemming gebracht had, nam hij mijn arm en trok mij haastig
mede. Hij was zelf in een niet minder vroolijke stemming geraakt dan
juffrouw Gummidge, en praatte onderweg onophoudelijk door.

„En dus,” zei hij schertsend, „zeggen wij morgen dit zwerversleven
vaarwel, nietwaar?”

„Dat was onze afspraak,” antwoordde ik. „En zooals ge weet zijn de
plaatsen op de diligence genomen.”

„Dus er is niets meer aan te veranderen, bedoelt gij? Ik zou haast
vergeten dat er nog andere dingen op de wereld te doen zijn, dan hier
op de zee rond te zwalken. Was het maar zoo!”

„Zoolang het een nieuwtje bleef, zou het wel aardig zijn,” antwoordde
ik lachend.

„Dat is wel mogelijk,” hernam Steerforth, „hoewel deze opmerking al
zeer sarcastisch klinkt uit den mond van zulk een Groentje. Ik wil wel
bekennen dat ik wat wispelturig ben, David; ik weet dat ik het ben,
maar zoolang het ijzer heet is, wil ik het smeden ook. Ik zou al vrij
goed als loods kunnen dienen in dit gedeelte van het vaarwater.”

„Baas Peggotty zegt, dat gij een wonder zijt.”

„Een zeemirakel, nietwaar?” vroeg hij lachend.

„Waarlijk, hij zei het en gij weet, hoe oprecht hij is; bovendien weet
gij, hoe spoedig gij u iets eigen kunt maken en hoe gemakkelijk u alles
afgaat. Daarom verbaast het mij, Steerforth, dat gij tevreden zoudt
zijn met zulk een luttel gebruik van uwe vermogens.”

„Tevreden?” antwoordde hij opgeruimd. „Ik ben nooit tevreden dan
wanneer ik mij maar verheugen kan in uwe onnoozelheid, mijn best
Groentje. En wat nu het gebruik van mijn vermogens aangaat, ik ben niet
van plan mij op een rad te laten binden, zooals de moderne Ixions doen,
en mij maar in het rond te laten draaien. Gij weet dat ik hier een boot
gekocht heb?”

„Wat zijt gij toch een zonderling wezen, Steerforth!” riep ik uit,
terwijl ik verbaasd bleef staan—ik had er nog niets van vernomen. „En
als gij nu nooit meer hierheen komt?”

„Dat weet ik nog niet,” antwoordde hij. „Ik heb dit plekje lief
gekregen. Hoe het zij, ik heb een schuit gekocht—baas Peggotty zegt
dat het een klipper is en hij zal er mee uitgaan, als ik er niet ben.”

„Aha, nu begrijp ik u, Steerforth!” riep ik opgetogen uit. „Gij hebt
gedaan alsof gij die schuit voor u zelven kocht, maar eigenlijk wilt
gij er hem gelukkig mede maken. Ik had dat terstond moeten begrijpen,
omdat ik u zoo goed ken! Wat zijt gij toch edelmoedig!”

„Tut, tut, tut!” zei hij met een kleur. „Hoe minder gij er van zegt,
hoe beter!”

„Wist ik het niet?” riep ik uit, „zeide ik niet dat de vreugde, het
verdriet, de aandoening van zulke brave lieden u niet onverschillig
kunnen zijn?”

„Zoo, zoo,” antwoordde hij, „meent gij dat? Welnu laat ons er verder
over zwijgen, wij hebben er nu lang genoeg over gepraat.”

Huiverig om hem boos te maken, indien ik dit onderwerp, waarvan
hij zich op zulk een luchtigen toon afmaakte, nog langer besprak, bleef
ik er in gedachten mede bezig, terwijl wij nog sneller voortstapten dan
zoo even.

„De schuit moet geheel nieuw opgetuigd worden,” zei Steerforth; „ik zal
Littimer hier laten, om er een oogje op te houden. Heb ik u al verteld
dat Littimer hier is?”

„Neen.”

„Ja, hij kwam van morgen met een brief van mijne moeder.”

Toen onze blikken elkander ontmoetten, zag ik dat hij zeer bleek was,
al keek hij mij opgeruimd aan. Ik vreesde dat een geschil met zijne
mama hem in de sombere stemming gebracht mocht hebben, waarin ik hem,
eenzaam bij den haard zittende, gevonden had, en vroeg hem dit terloops.

„O, neen!” zei hij hoofdschuddend en met een eenigszins gedwongen lach.
„Niets van dat alles! Ja, hij is hierheen gekomen, de brave Littimer.”

„Nog altijd dezelfde?” vroeg ik.

„Ja, nog altijd dezelfde,” antwoordde Steerforth, „zwijgend en stil als
de Noordpool. Hij zal toezien dat het scheepje een nieuwen naam krijgt.
Het heet nu ‚Stormzwaluw’. Waarom hecht baas Peggotty zooveel aan
stormzwaluwen? Ik heb het herdoopt.”

„En hoe zal dit heeten?”

„De kleine Emily.”

Aangezien hij mij strak bleef aankijken begreep ik dat hij volstrekt
niet geprezen wilde worden voor zijne edelmoedigheid, maar ik kon niet
voorkomen dat mijn gelaat verried hoe ingenomen ik er mede was; ik zei
echter niets en langzamerhand verscheen de oude glimlach weder om zijn
mond, alsof mijne stilzwijgendheid hem gerust stelde.

„Kijk eens!” riep hij plotseling, „daar komt de echte Emily aan! En Ham
is bij haar! Nu, hij is een trouw ridder! Hij laat haar geen oogenblik
alleen!”

Ham, die altijd grooten aanleg getoond had voor scheepstimmerman, was
langzamerhand een knap werkman geworden. Hij was in zijn werkpak en
zag er wel is waar ruig genoeg maar tevens heel flink uit, als een
waardige beschermer voor het kleine schepseltje, dat hij geleidde. Zijn
open, eerlijk gelaat, dat blonk van trots op zijne kleine Emily en
waarop duidelijk te lezen stond hoe lief hij haar had, maakte op mij
een indruk als een mooie schilderij. Toen zij naderbij kwamen vond ik
zelfs dat zij zeer goed bij elkaar pasten.

Toen wij bleven stilstaan om haar aan te spreken, trok zij haar arm uit
dien van Ham en bloosde, terwijl zij Steerforth en mij de hand gaf.
Nadat wij eenige woorden gewisseld hadden, gingen wij ieder onzen weg,
maar zij legde hare hand niet meer op den arm van haar verloofde en
scheen een weinig gedwongen naast hem voort te wandelen. Ik vond dat
alles aardig en lief en Steerforth scheen van dezelfde meening te zijn,
toen wij hen nakeken en zij in het licht der opkomende maan verdwenen.

Eensklaps kwam ons eene jonge vrouw voorbij, die blijkbaar het tweetal
volgde; wij hadden haar niet zien aankomen, maar in het voorbijgaan
meende ik mij hare gelaatstrekken te herinneren. Zij was licht gekleed,
in het oog vallend opgeschikt, had holle wangen en glinsterende
oogen, die onbeschaamd rondkeken, voor het oogenblik scheen zij aan
niets anders te denken dan aan degenen, die voor haar uitliepen en
zelfs de hevige wind scheen haar niet te deren. Evenals de duistere
vlakte achter ons Ham en de kleine Emily als 't ware scheen te hebben
verzwolgen, zoo verdween ook hare gestalte.

„Welk een zwarte schaduw volgt het meisje daar,” zei Steerforth,
terwijl hij stil bleef staan. „Wat zou dat beteekenen?”

Hij sprak op fluisterenden toon, die mij zelfs vreemd in de ooren klonk.

„Zij zal willen bedelen, naar het mij voorkomt,” antwoordde ik.

„Een bedelaarster zou hier geen vreemd verschijnsel zijn,” hernam
Steerforth, „maar het is wel vreemd dat eene bedelaarster juist zulk
een donkeren avond kiest.”

„Waarom?”

„Om geen andere reden dan die, waaraan ik dacht toen zij daar op
eenmaal verscheen. Wat duivel, ik zou wel eens willen weten, waar zij
zoo opeens vandaan is gekomen?”

„Ik vermoed dat zij in de schaduw van dezen muur gestaan heeft,”
antwoordde ik, toen wij juist aan een weg kwamen, die aan eene zijde
door een muur werd begrensd.

„Zij is nu weg!” hernam hij, achterom kijkend. „Kom, het eten wacht
ons.”

Maar hij keek nog eens achterom en nog eens en praatte op onze verdere
wandeling over niets anders dan over deze zonderlinge ontmoeting; zelfs
toen wij warm en gezellig aan tafel zaten, scheen hij die nog niet
vergeten te hebben. Wij vonden Littimer in het hôtel en hij maakte weer
juist denzelfden indruk op mij. Toen ik zeide te hopen dat mevrouw
Steerforth en juffrouw Dartle wel waren, antwoordde hij op hoogst
eerbiedigen en—natuurlijk hoogst fatsoenlijken toon, dat beiden zeer
wel waren en hare groeten verzocht hadden; waarna hij mij fatsoenlijk
bedankte. Dat was alles en toch scheen hij, zoo duidelijk als iemand
het maar doen kon, te zeggen: „Wat zijt gij toch nog bitter jong!”

Wij hadden ons maal bijna geëindigd, toen hij eenige schreden in de
richting van de tafel deed uit het hoekje, waarin hij ons—of liever
mij—had staan gadeslaan, en zeide: „Neem mij niet kwalijk, mijnheer,
maar juffrouw Mowcher is hier.”

„Wie?” riep Steerforth, ten hoogste verbaasd.

„Juffrouw Mowcher, mijnheer.”

„Wat moet die in 's Hemels naam hier doen?” vroeg Steerforth.

„Zij schijnt hier ergens geboren te zijn, mijnheer, en vertelde mij dat
zij elk jaar eenmaal voor zaken hier komt. Ik kwam haar van avond op
straat tegen en zij wenschte te weten of zij de eer mocht hebben u een
bezoek te brengen, mijnheer.”

„Kent gij de reuzin, waarover Littimer spreekt, Groentje?” vroeg
Steerforth.

Ik was verplicht te bekennen—ik schaamde mij voor Littimer—dat die
dame en ik elkaar geheel onbekend waren.

„Dan zult gij haar leeren kennen,” antwoordde Steerforth, „want zij
behoort tot de zeven wonderen der wereld. Laat juffrouw Mowcher
binnenkomen zoodra zij zich aanmeldt.”

Ik was wel wat nieuwsgierig naar de bedoelde dame, vooral omdat
Steerforth telkens wanneer ik haar naam noemde, in lachen uitbarstte en
op stelligen toon weigerde op elke vraag, die ik aangaande haar deed,
antwoord te geven. Ik bleef daarom in gespannen verwachting zitten tot
de tafel al ongeveer een half uur was afgenomen en wij ons, met eene
flesch wijn tusschen ons in, bij den haard hadden opgesteld.—Eensklaps
kondigde Littimer met zijne gewone deftige kalmte de komst van de lang
verbeide dame aan:

„Mejuffrouw Mowcher!”

Ik keek naar de deur en zag niets en nog steeds keek ik naar de
geopende deur; meenende dat het lang duurde, eer juffrouw Mowcher zich
vertoonde, toen er eensklaps tot mijne groote verbazing om de sofa, die
tusschen mij en de deur stond, een klein gedrocht kwam aandribbelen,
van veertig of vijfenveertig jaar, met een groot hoofd en een lang
gezicht, een paar ondeugende, grijze oogjes en zulke in het oog vallend
kleine armen, dat toen zij, Steerforth met een lach begroetend, haar
vinger tegen haar stompen neus wilde brengen, zij dien halverwege te
gemoet moest komen door haar hoofd voorover te buigen. Haar kin, die
voorzien was van een zware onderkin, was zoo vet, dat de linten van
haar hoed er door bedekt werden. Een hals had zij niet; een middel had
zij niet; beenen had zij niet noemenswaard; want hoewel zij boven haar
middel—als zij er namelijk een gehad had—van de gewone grootte was,
en hoewel zij evenals alle stervelingen in een paar voeten eindigde,
was zij zoo klein dat zij bij een gewonen stoel stond als een mensch
van middelmatige grootte bij een tafel, en een zak, dien zij had
medegebracht, op de zitting neerlegde. Zij was losjes en gemakkelijk
gekleed en terwijl zij haar voorvinger op de bovenbeschreven wijze
tegen den neus bracht en, met het hoofd een weinig op zijde,
Steerforth met hare schalksche oogen toelonkte, brak zij in den
volgenden woordenstroom los:

„Wat! Mijn bloempje!” begon zij schertsend, terwijl zij haar groot
hoofd schudde. „Zijt gij daar, gij daar! O, gij ondeugd, gij moest
u schamen, wat doet gij zoo ver van huis? Gij hebt zeker wat in den
zin, dat wil ik wedden! Ja, ja, Steerforth, gij zijt een lief kind en
ik ook! Ha! ha! ha! Gij zoudt nu zeker wel honderd pond hebben durven
zetten tegen vijf, dat gij mij hier niet zien zoudt, nietwaar? Maar,
och Heere, ik ben overal! Ik ben hier en daar en waar niet, evenals de
halve kroon van den goochelaar in een dameszakdoek. Maar, van zakdoeken
gesproken en van dames gesproken, wat zijt gij toch een troost voor uwe
beste moeder, mijn lieve jongen, nietwaar... wij begrijpen elkander!”

Juffrouw Mowcher maakte nu haar hoed los, wierp de linten naar achteren
en nam, vermoeid van het praten op een voetenbankje bij den haard
plaats, waarbij de tafel een soort afdak vormde boven haar hoofd.

„O, maan en sterren!” riep zij, terwijl zij met beide handen op hare
knietjes sloeg en mij met een schelmschen blik aankeek. „Weet gij,
wat mijn ongeluk is, Steerforth? Ik word te dik. Als ik een trap ben
opgegaan, heb ik groote moeite om op adem te komen en hijg als een
stoommachine. Als gij mij uit een bovenraam ziet kijken, zoudt gij mij
voor een knap vrouwtje aanzien, nietwaar?”

„Maar dat doe ik, waar ik u ook zie,” antwoordde Steerforth.

„Och, loop toch heen, ondeugd!” riep het kleine menschje, terwijl zij
met den zakdoek, waarmede zij haar gelaat afwischte, naar hem sloeg,
„wilt gij wel eens wat minder brutaal zijn! Maar ik geef u mijn woord
van eer dat ik verleden week bij Lady Mithers geweest ben—dat is eerst
een vrouw! Die draagt haar jaren met eere! Ik zat op haar te wachten
en toen kwam mijnheer Mithers binnen—dat is eerst een man! Die draagt
zijn jaren met eere. En zijn pruik ook! Hij heeft al tien jaar een
pruik—en hij was zoo beleefd en maakte mij zooveel complimentjes, dat
ik meende genoodzaakt te zullen zijn eens aan de schel te trekken. Ha,
ha, ha! Hij is een aardige man, maar een man zonder beginselen.”

„Wat moest gij bij Lady Mithers doen?” vroeg Steerforth.

„Oho, jongenlief, dat zou uit de school klappen zijn!” antwoordde zij,
terwijl zij weder tegen haar neus tikte, haar gezicht in een ernstigen
plooi zette en met haar oogen knipte, alsof zij een kaboutertje was,
met een bovennatuurlijk verstand. „Wat zou het u ook aangaan! Gij zoudt
niet willen weten of ik haar een middel heb gegeven tegen het uitvallen
van het haar of om ze voor grijs worden te bewaren of een verfje voor
haar wenkbrauwen, nietwaar? Eenmaal zult gij het weten, mijn beste—als
ik het u vertel. Weet gij wel, hoe mijn overgrootvader heette?”

„Neen.”

„Walker, lieve jongen,” ging juffrouw Mowcher voort, „hij stamde van
eene lange rij voorvaderen af, die allen Walker heetten, zoodat ik al
de Hoockey-landerijen erfde.”

Ik heb nooit iets gezien, dat met juffrouw Mowcher's lonkjes te
vergelijken was, behalve juffrouw Mowcher's koelbloedigheid. Zij had
ook eene eigenaardige manier om te luisteren naar iets, dat tot haar
gezegd werd, of naar een antwoord op iets dat zij zelve gezegd had; zij
draaide dan haar hoofd op zijde en had schijnbaar maar één oog open, op
de wijze als een ekster doet. Kortom, ik was een en al verbazing en zat
haar aan te kijken, zonder mij, naar ik vrees, ook maar eenigszins te
storen aan de wetten der wellevendheid.

Zij had intusschen den stoel naar zich toegetrokken en was bezig
met uit haar zak—waarin zij telkens haar korte armpje tot aan
den schouder instak—een aantal kleine fleschjes, sponzen, kammen,
borstels, stukjes flanel, friseerijzers en andere instrumenten te
voorschijn te halen, die zij alle op de zitting uitstalde. Eensklaps
staakte zij deze bezigheid en vroeg tot mijne groote verlegenheid:

„Hoe heet uw vriend, Steerforth?”

„Mijnheer Copperfield,” antwoordde Steerforth, „hij verlangde zeer
kennis met u te maken.”

„Welnu, daartoe is hij in de gelegenheid. Ik meende al aan zijn gezicht
te zien dat hij er naar verlangde,” sprak zij en kwam te gelijkertijd
met haar zak in de hand naar mij toe dribbelen. Zij lachte en zei: „Een
gezichtje als een perzik!” waarbij zij op haar teenen ging staan om mij
in de wangen te knijpen. „Verleidelijk! Ik ben verzot op perziken! Ik
ben heel blijde kennis met u te maken, mijnheer Copperfield, dat kan ik
u verzekeren.”

Ik verklaarde mij zelven geluk te wenschen met de eer van onze
kennismaking; de blijdschap was dus wederzijdsch.

„O, groote goedheid! Wat zijt gij beleefd!” riep juffrouw Mowcher uit,
terwijl zij eene wanhopige poging deed om haar groot gelaat met haar
kleine handje te bedekken. „Wat is de wereld toch vol bedrog! Is ze
niet?”

Deze uitriep was tot ons beiden gericht, want het kleine handje ging
van het gelaat af en verdween opnieuw, met den arm in den zak.

„Hoe bedoelt gij dat, juffrouw Mowcher?” vroeg Steerforth.

„Ha, ha, ha! Wat zijn wij toch eene aardige verzameling
humbug-verkoopers, is 't niet, mijn beste jongen? Zijn wij dat niet?”
vroeg het kleine vrouwtje op hare beurt, terwijl zij met het hoofd op
zijde en met één oog open in den zak loerde. „Kijk eens!” riep zij.
„Hier hebt gij afgeknipte nagels van een Russischen prins! Ik noem hem
altijd „de Prins met het onderste boven gekeerde alphabet”, want in
zijn naam staan alle letters kris en kras door elkander.”

„Dus is die Russische prins een klant van u?” vroeg Steerforth.

„Nu, dat zou ik denken, mijn ventje. Ik houd zijn nagels in orde.
Tweemaal 's weeks! Vingers en teenen!”

„En ik hoop, dat hij u goed betaalt?”

„Hij betaalt zooals hij spreekt, beste jongen—dat wil zeggen: grof,”
antwoordde juffrouw Mowcher. „Neen, de prins behoort niet tot de kalen!
Gij moest zijn knevels maar eens zien! Van nature rood, maar zwart door
de kunst!”

„Door uwe kunst, natuurlijk?” zei Steerforth.

Juffrouw Mowcher knikte toestemmend. „Hij _moest_ wel om mij sturen.
Er was niets aan te doen. Het klimaat deed zijn knevel verkleuren; in
Rusland hield de kleur zich goed, maar hier was het mis. Nooit in uw
leven zaagt gij zulk een roestigen prins als hij toen was. Precies oud
ijzer.”

„Noemdet gij hem daarom zoo straks een humbug-verkooper?” vroeg
Steerforth.

„O, wat zijt gij toch een slimmerd!” zei juffrouw Mowcher, hevig
het hoofd schuddend. „Ik zei, dat wij zulk een aardige verzameling
humbug-verkoopers zijn en liet u de nagels van den prins zien om dat
te bewijzen. Die nagels doen mij in het gewone leven meer voordeel
dan al mijn talenten te zamen. Ik draag ze altijd bij mij. Ze zijn de
beste introductie voor mij. Als juffrouw Mowcher de nagels knipt van
een prins, _moet_ zij wel overal welkom zijn. Ik geef ze aan de jonge
dames, die ze in hare albums leggen, als ik mij niet bedrieg. Ha, ha,
ha! de geheele sociale quaestie—zooals de heeren in het Parlement
zeggen in hunne hoogdravende redevoeringen—is niets dan een quaestie
van prinselijke nagels!” zei het dwergje, terwijl zij hare armen over
elkander trachtte te slaan en haar groote hoofd schudde.

Steerforth lachte hartelijk en ik deed mede. Juffrouw Mowcher bleef al
dien tijd het hoofd schudden, dat erg naar ééne zijde overhing, terwijl
zij met één oog in de lucht keek en met het andere knipte.

„Maar kom,” sprak zij, terwijl zij met beide handen op hare knietjes
klopte en tegelijkertijd opsprong, „dat is geen zaken doen. Kom,
Steerforth, laat mij de poolstreken eens inspecteeren!”

Zij nam toen van de uitstalling op den stoel twee of drie instrumenten
benevens een klein fleschje, en vroeg tot mijne groote verbazing of
de tafel haar zou kunnen dragen. Op Steerforth's bevestigend antwoord
zette zij er een stoel tegen, vroeg mijne hand te hulp en klom er
tamelijk vlug op, met een air alsof zij een tooneel beklom.

„Indien een van u beiden mijn enkels gezien heeft,” sprak zij, toen zij
veilig was aangeland, „zeg het, dan ga ik naar huis en maak mij van
kant.”

„Ik niet,” zei Steerforth.

„Ik ook niet,” zei ik.

„Welaan dan!” riep zij, „dan zal ik in het leven blijven. En nu,
eendjelief, eendjelief, kom bij juffrouw Bond en laat u slachten.”

Dit was eene uitnoodiging voor Steerforth om zich aan hare handen over
te geven; hij ging dan ook met den rug naar de tafel zitten, terwijl
zijn lachend gezicht naar mij toegekeerd was, en liet zijn hoofd door
haar inspecteeren, vermoedelijk met geen ander doel dan om ons eens
te laten lachen. Het was een vermakelijk schouwspel, zooals juffrouw
Mowcher daar op de tafel stond, en met een groot, rond vergrootglas
zijn weelderigen haardos bekeek.

„Gij zijt een knappe jongen,” zei juffrouw Mowcher na eene kortstondige
inspectie. „Als ik er niet was zoudt gij spoedig een kruin hebben zoo
kaal als een monnik. Heb een halve minuut geduld, mijn jonge vriend,
dan zullen wij u een zalfje geven, dat uw haren voor de eerste tien
jaren bewaren zal.” Na deze woorden goot zij iets van den inhoud van
het kleine fleschje op een lapje flanel, en nam met een borsteltje
iets daarvan af; daarna begon zij hiermede over Steerforth's hoofd te
wrijven met een ijver, als ik zelden iemand heb zien betoonen, terwijl
zij voortdurend praatte.

„Daar hebt gij Charley Pyegrave, de zoon van den hertog,” sprak zij.
„Gij kent Charley immers?” Bij deze vraag boog zij zich langs hem heen
om hem aan te kijken.

„Een weinig,” antwoordde Steerforth.

„Wat een man! En wat heeft die prachtige bakkebaarden! En zijn beenen,
wel, als ze maar een paar vormden—dat ze niet doen—dan zouden er
geen mooiere beenen op de wereld zijn. Wilt gij wel gelooven, dat
hij getracht heeft het zonder mij te stellen.... toen hij bij de
Life-Guards was?”

„Hij is gek,” zei Steerforth.

„Het heeft er veel van. Evenwel, gek of niet, hij heeft het
beproefd,” ging juffrouw Mowcher voort. „Wat doet hij? Hij gaat een
parfumeriewinkel binnen en wil een fleschje Madagascar-tinctuur
koopen.”

„Deed Charley dat?”

„Dat deed Charley. Maar zij verkoopen daar geen Madagascar-tinctuur.”

„Wat is dat? Kan men dat drinken?” vroeg Steerforth.

„Drinken?” herhaalde juffrouw Mowcher, terwijl zij ophield om hem een
tikje op de wang te geven. „Om zelf zijn knevel mede te onderhouden;
begrijpt gij het nu? Daar was een vrouw in den winkel,... al op
jaren.... een echte draak die het nooit had hooren noemen. ‚Neem mij
niet kwalijk, mijnheer,’ zei de draak tegen Charley, ‚bedoelt gij
ook...... ook..... _rouge_?’ ‚Rouge?’ herhaalde Charley. ‚Dat men
fatsoenlijke lippen nooit hoort uitspreken? Meent gij dat ik _rouge_
noodig heb?’ ‚Houd het mij ten goede, mijnheer,’ zei de draak, ‚dat
wordt ons onder zooveel namen gevraagd; ik meende dus dat gij _rouge_
bedoeldet’. Welnu, mijn jongen,” ging juffrouw Mowcher al wrijvende
voort, „is dat nu ook geen humbug? Ik doe er ook wel een beetje aan....
misschien veel.... misschien weinig.... pas maar op, beste jongen....
en hiermee basta.”

„Waaraan doet gij mee? Aan _rouge_?” vroeg Steerforth.

„Ja, dat zijn geheimen, zooals ze in elk beroep bestaan, mijn ijverige
leerling,” zei de voorzichtige juffrouw Mowcher. „Ik zeg dat ik er ook
aan meedoe. Eene zekere douairière noemt het lippenzalf. Eene andere
noemt het handschoenen. Eene derde noemt het een ruche. Weer een ander
een waaier. En ik noem het zooals _zij_ het noemen. Ik bezorg het haar
en wij houden ons tegenover elkander zoo goed en trekken er zulk een
ernstig gezicht bij, dat zij het evenmin in mijne tegenwoordigheid
zouden aanwenden als in een salon vol vriendinnen. En wanneer ik op
haar wacht, vragen zij soms—met een dikke laag op de wangen—‚Hoe zie
ik er uit, Mowcher? Ben ik niet bleek?’ Ha! ha! ha! Is dat nu niet
kostelijk, mijn jonge vriend?”

Nooit in mijn leven aanschouwde ik iets, dat met dit tooneeltje te
vergelijken was: juffrouw Mowcher, op de tafel staande, hartelijk
lachend over haar ‚kostelijke grap’ en steeds met den grootsten ijver
Steerforth's hoofd wrijvend, terwijl zij mij daar overheen lonkjes
toewierp.

„Maar,” hernam zij, „naar zulke dingen wordt hier niet gevraagd. Ik
keer dus spoedig terug. Ik heb geen een mooi meisje gezien sinds ik
hier ben.”

„Niet?” vroeg Steerforth.

„Zelfs geen schim van een mooi meisje,” antwoordde juffrouw Mowcher.

„Nu, wij zouden er haar een kunnen laten zien in levenden lijve, niet
waar Groentje?” zei Steerforth, terwijl hij mijne oogen opzocht.

„Ja, zeker,” zei ik.

„Aha!” riep het kleine vrouwtje, mij scherp aankijkende en toen weder
om Steerforth's hoofd heenbuigend om hem in het gezicht te zien. „Hm!
Hm!”

De eerste uitroep scheen ons beiden te gelden, maar de laatste
was blijkbaar alleen tot Steerforth gericht. Zij scheen noch op
Steerforth's noch op mijn gelaat een antwoord te lezen en ging voort
met wrijven, met haar hoofd op zijde en één oog wijd geopend, alsof zij
een antwoord in de lucht zocht en zeker geloofde het daar spoedig te
zullen vinden.

„Is zij eene zuster van u, mijnheer Copperfield?” riep zij na eene
kleine pauze en nog steeds in de lucht kijkende. „Wel, Wel!”

„Neen,” antwoordde Steerforth nog eer ik het doen kon. „Volstrekt niet.
Integendeel, mijnheer Copperfield was—of ik heb het mis—altijd een en
al bewondering voor haar.”

„En is hij dat nu niet meer?” vroeg juffrouw Mowcher. „Is hij
wispelturig? O, foei! Heeft hij elk bloempje gekust, is hij elk uur
veranderd tot Polly eindelijk zijne liefde beantwoordde?—Heet zij niet
Polly?”

Deze onverwachte vraag, die zij op guitigen toon deed, en de
onderzoekende blik, waarmede zij mij aankeek, brachten mij een
oogenblik in verlegenheid. „Neen, juffrouw Mowcher,” zei ik. „Haar naam
is Emily.”

„Aha!” riep zij, precies op denzelfden toon als zooeven. „Hm! Hm!
Wat ben ik toch aan het doorslaan! Vindt gij mij niet een kluchtig
schepsel, mijnheer Copperfield?”

Haar toon en haar blik wekte eene onaangename gewaarwording bij mij op
in verband met het onderwerp van ons gesprek. Op ernstiger toon dan een
van ons nog had aangeslagen, zei ik daarom: „Zij is even deugdzaam als
mooi. Zij is verloofd met een braven, werkzamen man uit haar stand.
Ik acht haar evenzeer om haar verstand als ik haar bewonder om hare
bevalligheid.”

„Goed gezegd!” riep Steerforth. „Hoor, hoor, hoor! Nu zal ik aan de
nieuwsgierigheid van deze kleine Fatima maar in eens voldoen door
haar alles te vertellen wat zij weten mag. Zij is tegenwoordig op den
winkel, juffrouw Mowcher, of in de leer, als gij het zoo noemen wilt,
bij Omer en Joram, lakenhandelaars, heeren- en dameskleedermakers,
enz. Let gij wel op? Omer en Joram. De verloving, waarvan mijn vriend
spreekt, is aangegaan met haar neef; doopnaam: Ham; familienaam:
Peggotty; beroep: scheepstimmerman; bij gevolg: hier woonachtig. Zij
woont bij een bloedverwant; doopnaam: onbekend; familienaam: Peggotty;
beroep: visscher; bij gevolg: ook hier woonachtig. Zij is het mooiste,
liefste schepseltje van de wereld. Ik bewonder haar—evenals mijn
vriend—in hooge mate. Indien het niet zou schijnen, dat ik haar
verloofde minachtte, hetgeen mijn vriend zou spijten, zou ik er wel
willen bijvoegen dat zij zich, naar mijn oordeel, weggooit, dat zij
veel betere partij zou kunnen doen en, volgens mijne overtuiging,
geboren is om eene dame te worden.”

Juffrouw Mowcher luisterde naar deze langzaam en duidelijk uitgesproken
woorden met het hoofd op zijde en haar oog in de lucht, alsof zij weder
een antwoord zocht. Toen hij ophield, werd zij in een oogenblik weer
levendig en praatte met verbazende radheid een geheelen tijd door.

„O! En is dat alles wat gij van haar te zeggen hebt?” riep zij uit,
terwijl zij met een klein schaartje, dat met bliksemsnelheid om zijn
hoofd flikkerde, zijne bakkebaarden aanpuntte. „Heel aardig! Heel
aardig! Een lang verhaal! Dat behoort te eindigen: ‚en zij leefden heel
gelukkig te zamen’, is 't niet? Hoe is dat pandspel ook weer? Alles
begint dan met V. Ik bemin haar omdat zij zoo verrukkelijk is; ik haat
haar omdat zij verloofd is; ik schaak haar omdat... ja, ik ken het
niet meer. Ha, ha, ha! Vindt gij mij geen kluchtig schepsel, mijnheer
Copperfield?”

Zij bleef mij voortdurend met een ondeugend gezicht aankijken en zonder
een antwoord af te wachten, ging zij voort:

„Ziezoo, als er ooit een deugniet netjes gekapt is geweest, zijt
gij het, Steerforth. Als ik één bol op de wereld ken, dan is het de
uwe. Hoort gij wel wat ik zeg, lieve jongen? Ik weet precies wat er
in dat bolletje omgaat! En nu moogt gij verdwijnen, ventje, dan kan
mijnheer Copperfield op den stoel plaats nemen om dezelfde operatie te
ondergaan.”

„Wel, Groentje?” vroeg Steerforth lachend en zijn stoel afstaande:
„Wilt gij u ook laten adoniseeren?”

„Dank u, juffrouw Mowcher, van avond niet.”

„Zeg toch niet neen,” sprak het kleine vrouwtje, terwijl zij mij met
een kennersblik opnam, „als wij alleen de wenkbrauwen eens wat langer
maakten?”

„Dank u,” antwoorde ik, „bij eene andere gelegenheid.”

„Ze moeten ongeveer een vierde van een duim meer naar de slapen
gebracht worden,” ging juffrouw Mowcher voort, „binnen veertien dagen
zijn wij daarmede gereed.”

„Neen, dank u, voorloopig niet.”

„Niet? Welnu, laat ons dan het begin maken voor een paar nette
bakkebaarden. Kom, neem plaats!”

Ik kon niet nalaten te blozen toen ik ook dit afwees, want zij had mij
hiermede in mijn zwak getast. Maar, juffrouw Mowcher zag, dat ik mij
voorloopig niet van hare kunst wilde bedienen en bestand bleef voor de
verleiding, zelfs toen zij den inhoud van, het fleschje tegen het licht
hield, teneinde hare overredingskracht te hulp te komen; zij zeide dat
ik binnenkort wel tot haar zou komen en verzocht daarop den steun van
mijne hand, om vlug van haar verheven standplaats af te komen.

„En hoeveel ben ik u schuldig?” vroeg Steerforth.

„Vijf shilling,” antwoordde juffrouw Mowcher, „is 't niet schandekoop,
mijn hartje? Vindt gij mij niet kluchtig, mijnheer Copperfield.”

Heel beleefd antwoordde ik: „Volstrekt niet.” Ik meende echter het
tegendeel en werd daarin nog versterkt door de wijze, waarop zij de
beide halve kronen aannam, in de hoogte wierp, opving en in den zak
stak, waarna zij een luiden klap er op gaf.

„Dit is mijn geldlaadje!” zei juffrouw Mowcher, toen zij weer bij
haar stoel stond en haar zak inpakte. „Heb ik nu alles? Ik geloof
het wel. Ik zou niet graag Ned Beadwood navolgen, die, toen men hem
afhaalde om te trouwen, in de kerk verscheen zonder bruid. Ha, ha,
ha! Een ondeugende schelm, die Ned!—En nu weet ik dat ik uw hart
zal breken, maar ik ben genoodzaakt u te verlaten. Gij moet al uwe
standvastigheid maar verzamelen, en trachten het te dragen. Vaarwel,
mijnheer Copperfield! Wat heb ik gebabbeld! Dat is uwe schuld, gij
deugnieten! Ik vergeef het u! „Bob _swore_!” (Bob vloekte,) zei zekere
Engelschman, die pas Fransch leerde, voor „Bonsoir”. „Bob swore, beste
jongens!””

Met den grooten zak aan den arm trippelde zij naar de deur en de gang
in, al voortbabbelende; toen ik meende dat zij al weg was, keerde
zij nog eens terug en vroeg: „Zal ik ook een lok van mijn haar voor
u achterlaten? Vindt gij mij niet kluchtig?” voegde zij er bij en
ging toen, met den vinger tegen den neus en het hoofd op zijde, heen.
Steerforth barstte in zulk een schaterlach uit, dat ik niet kon nalaten
mede te lachen, hoewel ik daartoe, naar ik meen, zonder die opwekking
niet zou zijn overgegaan. Toen wij na eenigen tijd tot bedaren waren
gekomen, hetgeen vrij lang duurde, vertelde Steerforth mij, dat
juffrouw Mowcher zich jegens verschillende soorten van menschen op
verscheidene wijzen verdienstelijk maakte. „Sommigen vermaken zich
slechts met hare zonderlinge manieren,” vertelde hij, „maar zij is zulk
eene sluwe, fijne opmerkster als ik ooit iemand ontmoet heb; haar
verstand is in dezelfde mate ontwikkeld als hare armpjes klein gebleven
zijn.”

Hij zei, dat hetgeen zij omtrent hare bezoeken bij deze en die
verteld had, de waarheid was; dat zij gedurig op het platteland kwam,
overal klanten scheen te vinden en iedereen kende. Ik vroeg hem naar
haar karakter; of zij nooit onheil stichtte en altijd wel het goede
voorstond; maar na twee of drie malen te vergeefs getracht te hebben
zijne aandacht op deze vragen te vestigen, zag ik van eene herhaling
af. Daarentegen vertelde hij mij met radde tong, dat zij zeer bekwaam
was in haar vak, veel geld verdiende en ook heel goed koppen kon
zetten, hetgeen hij mij aanried te onthouden voor het geval ik die eens
mocht noodig hebben. Zij bleef dien geheelen avond het voornaamste
onderwerp uitmaken van ons gesprek en toen wij afscheid namen, riep
Steerforth mij nog over de leuning van de trap na:

„Bob swore, Groentje!”

Toen ik de woning van Barkis naderde, was ik zeer verbaasd Ham daar
voor te zien op en neerloopen; maar mijne verbazing werd nog grooter,
toen hij mij vertelde, dat Emily binnen was. Ik vroeg natuurlijk,
waarom hij ook niet binnen was gegaan in plaats van daar voor het huis
op en neer te loopen?

„Ziet ge, jongeheer Davy,” antwoordde hij op aarzelenden toon, „Emily
moet daar met iemand spreken.”

„Ik zou meenen,” hernam ik glimlachend, „dat dit een reden te meer voor
u moest zijn om binnen te gaan, Ham.”

„Ja, jongeheer Davy, over het algemeen zou het dat ook zijn,”
antwoordde hij, „maar ziet ge, jongeheer Davy”—hij liet zijne stem
dalen en zijn toon werd ernstiger—„er is een meisje binnen.... een
meisje, dat Emily vroeger gekend heeft en nu niet meer behoort te
kennen.”

Toen ik dit vernam, ging mij een licht op over de gestalte, die ik hem
eenige uren geleden had zien volgen.

„Zij is een ongelukkig schepsel, jongeheer Davy,” ging Ham voort,
„de geheele stad werpt met steenen naar haar. Overal! Er ligt op het
gansche kerkhof niets onder den grond, waarvan de menschen meer gruwen
dan van haar.”

„Kan ik haar van avond op het strand ontmoet hebben, nadat wij u waren
tegengekomen?”

„Dat is wel mogelijk, jongeheer Davy,” antwoordde Ham. „Ik wist niet,
dat zij ons volgde, maar korten tijd daarna kwam zij onder het venster
van Emily's kamertje, waar zij licht had gezien, en fluisterde: ‚Emily,
Emily, toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene
ongelukkige vrouw; ik ben eenmaal ook zoo geweest als gij.’ Dat waren
hartverscheurende woorden, jongeheer Davy.”

„Dat waren ze wel, Ham. En wat deed Emily?”

„Emily vroeg: ‚Zijt gij het, Martha? O, Martha, hoe is het
mogelijk!’—Zij hadden menigen dag samen zitten werken bij Omer.”

„Ik herinner mij haar nu zeer goed!” riep ik uit en dacht daarbij aan
een der meisjes, die ik bij mijn eerste bezoek daar ontmoet had.

„Martha Endell,” zei Ham. „Zij is twee of drie jaar ouder dan Emily,
maar was met haar op dezelfde school.”

„Ik heb haar naam nooit gehoord,” zei ik. „Maar .... ik had u niet in
de rede moeten vallen.”

„Wat haar betreft, alles is eigenlijk gezegd in die woorden: ‚Emily,
toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene ongelukkige
vrouw; ik ben ook eenmaal geweest als gij.’ Zij wenschte Emily te
spreken. Maar Emily kon niet met haar spreken, want haar beste oom
was thuis en haar oom zou het niet willen hebben—neen, jongeheer
David,” zei Ham met den grootsten ernst, „hij zou het niet willen
hebben, hoe goedhartig en teergevoelig hij is; hij zou die twee niet
bij elkander kunnen zien—voor alle schatten, die de zee reeds heeft
verslonden, niet!”

Ik voelde dat hij gelijk had; ik wist het op dit oogenblik even zeker
als Ham.

„Emily schreef daarom een paar woorden op een stukje papier,” ging
hij voort, „en gaf het haar om het hier heen te brengen. ‚Breng dit
aan mijne tante, aan juffrouw Barkis,’ sprak zij, ‚zij zal u wel een
plaatsje aan den haard geven uit liefde voor mij, tot oom uit is en
ik bij u komen kan.’ Naderhand vertelde zij mij wat ik u nu vertel,
jongeheer Davy, en vroeg mij haar hier heen te brengen. Wat kon ik
doen? Zij behoort zulke meisjes niet meer te kennen, maar als ik
tranen in hare oogen zie—hoe zou ik haar dan iets kunnen weigeren?”

Hij stak de hand in den borstzak van zijn ruig buis en haalde een
aardig klein beursje te voorschijn.

„En al kon ik haar iets weigeren, wanneer ik tranen in hare oogen zie,
jongeheer Davy,” ging hij voort, terwijl hij het beursje met zijne ruwe
hand omklemde, „hoe kon ik het haar weigeren toen zij mij dit te dragen
gaf,... wetende waarvoor zij het wenscht te gebruiken. Kijk eens, hoe
mooi! En dan zulk een beetje geld! 't Is zeker alles wat het lieve kind
heeft kunnen besparen!”

Toen hij het beursje weder in den zak had gestoken, schudde ik hem
met warmte de hand—ik voelde daaraan meer behoefte dan om iets te
zeggen—waarna wij eenigen tijd zwijgend op en neer bleven wandelen.
De deur werd geopend en Peggotty kwam buiten, Ham wenkende om binnen
te komen. Ik wilde mij achteraf houden, maar zij verzocht mij ook naar
binnen te gaan. Ik zou echter geweigerd hebben in de kamer te komen,
waar zij allen bijeen waren, indien men niet van de straat onmiddellijk
in de zindelijke, met tegels bevloerde keuken had gestaan. Ik was dus,
eer ik er zelf aan dacht, midden in het gezelschap.

Het meisje—hetzelfde, dat wij op het strand ontmoet hadden—zat bij
den haard op den grond, met het hoofd op den arm, die op een stoel
lag. Uit deze houding maakte ik op, dat Emily even te voren van dezen
stoel was opgestaan en dat het ongelukkige schepsel met het hoofd op
Emily's schoot had gelegen. Ik zag slechts een klein gedeelte van haar
gezicht, want de haren hingen er over heen alsof zij ze zelve had
losgemaakt; ik zag echter wel dat zij nog jong was en een fraai teint
had. Peggotty had geschreid en Emily ook. Toen wij binnen kwamen werd
er in de eerste oogenblikken geen woord gesproken, en de Friesche klok,
bij het aanrecht, scheen in die stilte tweemaal zoo hard te slaan als
gewoonlijk.

„Martha wil naar Londen gaan,” zei Emily eindelijk tegen Ham.

„Waarom naar Londen?” vroeg Ham.

Hij stond tusschen beiden in en ik zal nimmer den blik vergeten,
dien hij op het ongelukkige schepsel wierp, een blik, waarin zoowel
medelijden met haar lot als bezorgdheid over de nauwe aanraking met
het liefste, dat hij op de wereld kende, waren te lezen. Zij spraken
over haar, alsof zij ziek was, op zachten, medelijdenden toon, dien men
nauwelijks verstaan kon, ofschoon zij toch volstrekt niet fluisterden.

„Beter daar dan hier,” klonk een derde stem vrij luid. Het was die van
Martha, ofschoon zij zich in het geheel niet bewoog. „Niemand kent mij
daar. Hier kent mij iedereen.”

„En wat wilt gij daar doen?” vroeg Ham.

Zij lichtte het hoofd op en keek een oogenblik met een somberen blik
in het rond; daarna legde zij haar hoofd weder neer en sloeg den
rechterarm om haar hals, zooals eene vrouw zich zou wringen in hevige
pijn of in doodsangst.

„Zij wil trachten beter te worden,” zei de kleine Emily. „Gij weet niet
wat zij ons verteld heeft. Is 't wel, tante.... weten zij dat wel?”

Peggotty schudde medelijdend het hoofd.

„Ik zal trachten beter te worden,” zei Martha, „indien gij mij wilt
helpen. Ik kan niet slechter worden dan ik geweest ben. Ik zal beter
worden. O!”—zij huiverde—„help mij om deze stad te verlaten, waar
iedereen mij gekend heeft als kind.”

Toen Emily hare hand voor Ham ophield, zag ik dat hij er een klein
linnen zakje in stopte. Zij nam het aan, meenende dat 't haar beursje
was, en deed twee schreden naar voren; toen zag zij pas, dat zij zich
vergist had, kwam bij hem terug en liet het hem zien.

„Dat is voor u, Emily,” hoorde ik hem zeggen. „Ik bezit niets op de
wereld dat niet van u is, liefste. Wat zou ik er aan hebben, als gij
het niet gebruiktet?”

De tranen sprongen haar in de oogen, maar zij stond op en ging naar
Martha. Ik weet niet wat zij haar gaf. Ik zag hoe zij zich over haar
heen bukte en eenig geld tusschen de plooien van hare japon liet
glijden; waarop zij eenige woorden tot haar sprak en vroeg of het
genoeg was?—„Meer dan genoeg,” zei de andere en kuste hare hand.

Toen stond Martha op, sloeg haar doek om haar hoofd en half over haar
gezicht, en ging langzaam naar de deur. Eer zij de woning verliet bleef
zij staan, alsof zij iets wilde zeggen of wilde terugkeeren, maar er
kwam geen woord over hare lippen. Achter den omslagdoek vernam ik
echter hetzelfde kermende geluid, en toen ging zij heen.

Nadat de deur gesloten was, keek Emily ons drieën een voor een aan, en
begon toen luid te snikken met de handen voor 't gelaat.

„Doe dat niet, Emily!” zei Ham, haar teeder op den schouder kloppende.
„Doe dat niet! Gij moogt niet zoo schreien liefste.”

„O, Ham!” riep zij uit, nog steeds snikkend. „Ik ben niet zulk een
braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik niet altijd zoo
dankbaar ben, als ik behoorde te zijn!”

„Ja, ja, dat zijt gij wel, zeker,” zoo stelde Ham haar gerust.

„Neen, neen!” riep zij, snikkend en hoofdschuddend. „Ik ben niet zoo
braaf als ik behoorde te zijn. O, lang niet, lang niet!” Zoo bleef zij
voortschreien alsof haar het hart zou breken.

„Ik verg te veel van uwe liefde! Dat weet ik!” riep zij snikkend. „Ik
ben menigmaal bits tegen u en nukkig, terwijl ik heel anders zijn
moest. Gij zijt nooit zoo tegen mij. Hoe zou ik zoo tegen u kunnen
zijn, terwijl ik aan niets anders denk dan aan de wijze waarop ik u
mijne dankbaarheid zou kunnen toonen en u gelukkig maken!”

„Gij maakt mij altijd gelukkig,” zei Ham. „Ik ben al gelukkig als ik u
maar zie. Ik ben den geheelen dag gelukkig, want ik denk altijd aan u.”

„Maar dat is niet genoeg!” riep zij. „Dat is, omdat gij braaf zijt,
maar niet omdat ik het ben! O, lieve Ham, het zou veel beter geweest
zijn, als gij verliefd waart geworden op een ander meisje, op een, die
standvastiger en uwer meer waard was, die altijd aan u dacht en nooit
ijdel en onstandvastig was zooals ik.”

„Arme, kleine lieveling,” zei Ham met zachte stem. „Martha heeft u
geheel van streek gebracht.”

„Och, tante,” zei Emily nog steeds snikkend, „kom eens hier en laat mij
tegen u aanliggen. O, ik voel mij zoo ongelukkig van avond, tante. Ik
ben niet zulk een braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik
niet ben zooals ik zijn moest!”

Peggotty was haastig naar den stoel bij den haard gegaan en Emily
knielde, met de handen om haar hals geslagen, voor haar neer en keek
haar ernstig aan.

„O, tante, ik smeek u, tracht mij te helpen! En Ham, beste, gij moet
mij ook helpen! En mijnheer David zal, indien hij aan vroegere dagen
terugdenkt, mij ook wel helpen! Ik moet een beter meisje worden dan ik
ben. Ik moest u allen honderdmaal dankbaarder zijn dan ik ben. Ik moest
het meer voelen, welk een zegen het is de vrouw te worden van zulk een
besten man en een vredige toekomst te hebben. O! hoe bonst mijn arm
hart!”

Na deze jammerklachten, die door den angstigen toon, waarop ze werden
uitgesproken, nu eens aan eene vrouw dan weder aan een kind deden
denken—trouwens dezen indruk kreeg men van alles wat zij deed;
dat was juist hare aantrekkelijkheid en paste zoo goed bij hare
schoonheid—wierp zij zich aan de borst van hare tante en schreide
bittere tranen, terwijl Peggotty haar suste als een kind. Langzamerhand
werd zij kalmer, en toen brachten wij haar verder tot bedaren door
haar bemoedigend toe te spreken, ook wel door met haar te schertsen,
tot zij eindelijk het hoofd oprichtte en ons begon te antwoorden. Zoo
gingen wij voort tot zij weder een glimlach ten beste gaf en eindelijk,
half beschaamd, begon te lachen; terwijl Peggotty hare krullen naar
achteren streek, hare oogen afdroogde en haar weer opknapte, opdat haar
oom niet zou vragen waarom zijn lieveling geschreid had.

Ik zag haar dien zelfden avond iets doen wat ik nog nooit gezien had.
Ik zag haar een onschuldigen kus drukken op Ham's wang, terwijl zij
zich tegen zijne forsche gestalte aan vleide, alsof die haar beste
steun was. Toen zij te zamen in het witte maanlicht verdwenen, en
ik, hen nastarende, de wijze van hun vertrek vergeleek bij Martha's
haastige verdwijning, zag ik dat zij met beide handen op zijn arm
steunde en zich dicht tegen haar aanstaanden echtgenoot aandrukte.



XXIII.

Ik kies een beroep.


Toen ik den volgenden morgen wakker werd, moest ik terstond aan
de kleine Emily denken en aan hare ontroering, nadat Martha was
heengegaan. Ik had een gevoel alsof ik toevallig getuige geweest was
van een tooneeltje, dat alleen voor de naaste familieleden bestemd was
geweest; alsof ik in een heilig vertrouwen genomen was, dat ik zelfs
tegenover Steerforth niet mocht schenden. Er was toen niemand op de
wereld aan wie ik met meer teederheid dacht dan aan het lieve, mooie
schepseltje, aan het speelmakkertje uit de dagen mijner jeugd, dat ik,
daarvan ben ik overtuigd en zal ik altijd overtuigd blijven, toenmaals
innig liefhad. Voor iemand—zelfs voor Steerforth—te herhalen,
hetgeen zij niet had kunnen binnenhouden, toen zij toevallig in mijne
tegenwoordigheid haar hart uitstortte, zou onedel zijn geweest, mijner
onwaardig; zou den lichtkrans, die sinds de dagen onzer jeugd steeds
haar hoofd had omstraald, verduisterd hebben. Ik besloot daarom alles
wat ik had bijgewoond in mijn hart op te sluiten en dáár schonk het
haar beeld nieuwe bekoorlijkheid.

Terwijl wij aan het ontbijt zaten, ontving ik een brief van mijne
tante. Ik meende dat Steerforth mij omtrent den inhoud goeden raad zou
kunnen geven, beter zelfs dan iemand anders; en aangezien ik er mij op
verheugde zijn raad in te winnen, scheen het mij het geschiktst toe
den brief te bewaren tot ons vertrek en dien gedurende onze terugreis
tot het onderwerp van ons gesprek te maken. Voor het oogenblik hadden
wij genoeg te doen met afscheid te nemen van onze vrienden. Barkis
betreurde ons vertrek zeker niet het minst en zou, daarvan ben ik
overtuigd, gaarne nogmaals een guinje uit zijn kist te voorschijn
gehaald hebben, indien hij ons daarmede nog twee dagen in Yarmouth had
kunnen houden. Peggotty en de geheele familie, allen betreurden het
dat wij heengingen. Bij Omer en Joram liep alles uit om ons vaarwel te
zeggen en toen onze valiezen naar de diligence gebracht moesten worden,
boden zich zooveel handen aan, dat, al hadden wij de bagage van een
regiment gehad, er geen gebrek aan dragers zou geweest zijn. In één
woord, wij vertrokken betreurd en bewonderd door allen, met wie wij in
aanraking geweest waren en lieten een aantal menschen achter, die ons
niet dan noode zagen vertrekken.

„Denkt gij nog lang hier te blijven, Littimer?” vroeg ik hem. Hij stond
te kijken naar het inladen.

„Neen, mijnheer,” antwoordde hij, „waarschijnlijk niet heel lang,
mijnheer.”

„Hij kan dat moeielijk juist bepalen,” zei Steerforth op onverschilligen
toon. „Hij weet wat hij te doen heeft en dat zal hij doen.”

„O, daarvan ben ik overtuigd,” voegde ik er bij. Littimer raakte even
aan zijn hoed als bewijs van erkentelijkheid voor de goede opinie, die
ik van hem had, en ik had een gevoel alsof ik ongeveer acht jaar oud
was. Hij raakte er nogmaals aan om ons goede reis te wenschen en wij
lieten hem op het plaveisel staan, even deftig en geheimzinnig als de
geheimzinnigste pyramide in Egypte.

Gedurende korten tijd bleven wij zwijgen; Steerforth was gewoonlijk
niet zeer spraakzaam en ik had genoeg te doen met te denken aan mij
zelven en aan de oude plekjes, die wij voorbij zouden rijden, en aan de
veranderingen, die zij en ik zouden hebben ondergaan. Eindelijk werd
Steerforth plotseling spraakzaam en opgeruimd—hij kon alles plotseling
worden—en trok mij aan de mouw van mijne jas.

„Spreek op, David,” zei hij. „Wat hebt gij mij uit den brief te
vertellen, dien gij aan het ontbijt ontvangen hebt?”

„O!” zei ik, den brief te voorschijn halende. „Hij is van mijne tante.”

„En waarover wenscht gij mij te raadplegen?”

„Wel, Steerforth,” zei ik, „zij herinnert er mij aan, dat ik op reis
ging om eens wat in de wereld rond te kijken en eens na te denken over
mijne toekomst.”

„En dat hebt gij natuurlijk gedaan?”

„Ik kan werkelijk niet zeggen dat ik het gedaan heb. Om u de waarheid
te zeggen, ik geloof, dat ik het vergeten heb.”

„Welnu, kijk dan rond en doe boete voor uwe achteloosheid,” zei
Steerforth. „Kijk rechts en gij ziet een vlak land, tamelijk moerassig;
kijk links en gij ziet hetzelfde. Kijk recht vooruit en gij vindt geen
verschil; kijk achter u en gij zult hetzelfde ontwaren.”

Ik lachte en zei dat ik in hetgeen ik in het rond aanschouwde geen
passende betrekking zag; waarschijnlijk was de vlakheid van het
omringende landschap daarvan wel de oorzaak.

„En wat zegt uwe tante dienaangaande?” vroeg Steerforth, op den brief
wijzende, dien ik in de hand had. „Raadt zij u iets aan?”

„O ja,” antwoordde ik. „Zij vraagt mij hoe ik er over zou denken
‚proctor’ te worden? Wat is uw oordeel daaromtrent?”

„Ja, dat weet ik niet,” zei Steerforth langzaam. „Mij dunkt, gij kunt
dat even goed worden als wat anders.”

Ik kon niet nalaten te lachen omdat hij weder bezig was alle ambten en
betrekkingen over één kam te scheren en ik zei hem dat ook.

„Wat is eigenlijk een proctor?” vroeg ik.

„Een proctor is een soort procureur,” antwoordde Steerforth. „Zij
bestaan nog bij enkele ouderwetsche rechtbanken in Doctors' Commons—in
een oud, vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof—en komen het meest
overeen met de procureurs bij de gerechtshoven. Het zijn ambtenaren,
die, volgens den gewonen loop der dingen, al voor twee eeuwen hadden
moeten zijn uitgestorven. Ik kan u zijne functiën het best doen
begrijpen, als ik u vertel, wat Doctors' Commons is. Dat is een
afgelegen gebouw, waar men de kerkelijke wetten napluist en allerlei
kunstgrepen verricht met verouderde parlementsakten, waarvan drie
vierden van het menschdom niets meer weet en het andere vierde in de
meening verkeert, dat ze in de dagen van de Edwards zijn opgegraven.
Men heeft daar het monopolie van de processen over testamenten en
huwelijken en van de geschillen tusschen schepen en booten.”

„Maar, Steerforth, welk een dwaasheid!” riep ik uit. „Gij bedoelt toch
niet, dat er eenige verwantschap zou bestaan tusschen zeezaken en
kerkelijke zaken?”

„Dat bedoel ik ook niet, beste jongen,” hernam hij; „ik zei alleen,
dat ze behandeld en nagepluisd worden door datzelfde troepje menschen
in diezelfde Doctors' Commons. Ga daar eens heen, dan zult gij hen
bezig vinden te snuffelen in de zeetermen van Young's woordenboek
naar aanleiding van eene aanvaring tusschen de ‚Nancy’ en de ‚Sarah
Jane’; of hen hooren voorlezen, dat baas Peggotty en eenige visschers
van Yarmouth in een storm zijn uitgevaren om hulp te bieden aan den
in nood verkeerenden Oostindievaarder ‚Nelson’. Komt gij er op een
anderen dag, dan zult gij hen de getuigen à charge en à décharge in
zake een geestelijke, die uit den band is gesprongen, zien verhooren
en bevinden, dat de rechter in het maritieme proces advocaat is in
het kerkelijke of omgekeerd. Zij doen mij altijd aan acteurs denken:
vandaag is de een rechter, morgen niet; nu eens zijn zij dit, dan dat,
morgen weder wat anders; maar het zijn altijd kleine, voordeelige
zaakjes, die op de wijze van een liefhebberij-comedie voor een
uitgelezen publiek worden afgespeeld.”

„Maar advocaten en proctors zijn toch niet een en hetzelfde?” vroeg ik
een weinig van mijn stuk gebracht. „Is 't wel?”

„Neen,” antwoordde Steerforth, „advocaten zijn rechtsgeleerden, mannen,
die een doctorstitel behaald hebben aan de academie—dat is ook de
reden, waarom ik er iets van weet. De proctors hebben de advocaten
noodig. Beiden ontvangen een vrij aardig honorarium en gewoonlijk
is hunne verhouding zeer vriendschappelijk; over het geheel zou
ik u aanraden eens goed over Doctors' Commons na te denken, David. Zij
vinden zich zelven daar nog al deftig, indien u dat eenigszins kan
gerust stellen.”

Ik hield rekening met de luchthartige wijze, waarop Steerforth de
geheele zaak behandelde, en dacht met zekeren eerbied aan de deftigheid
en oudheid van dat „oude vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof”,
zoodat ik mij volstrekt niet ongenegen betoonde om tante's raad op te
volgen; zij liet mij geheel vrij in mijne keuze, maar vond er geen
bezwaar in mij te zeggen, dat zij op het denkbeeld gekomen was, toen
zij eenigen tijd geleden haar eigen proctor in Doctors' Commons had
opgezocht om haar testament te mijnen gunste te veranderen.

„Dat is in elk geval eene zeer prijzenswaardige handelwijze van uwe
tante,” zei Steerforth toen ik er over sprak; „een handelwijze, die
aanmoediging verdient. Mijn raad is, Groentje, dat gij eens goed over
Doctors' Commons nadenkt.” Ik nam mij voor dit ook te doen en vertelde
toen aan Steerforth dat mijne tante, zooals zij mij geschreven had, mij
te Londen wachtte en voor eene week kamers genomen had in een soort
commensalenhuis in Lincoln's Inn Fields. Er was een steenen trap en
een luik waardoor men gemakkelijk op het dak kon komen, want tante
verbeeldde zich, dat elk huis in Londen des nachts gevaar liep om af
te branden.

Wij legden het verdere gedeelte van onze reis op de aangenaamste wijze
af en spraken nu en dan over Doctors' Commons en over de toekomst,
wanneer ik proctor zijn zou; Steerforth gaf daar allerlei aardigheden
over ten beste, zoodat wij in eene vroolijke stemming te Londen
aankwamen. Hij ging naar huis met de belofte mij den volgenden dag te
komen opzoeken, terwijl ik mij naar Lincoln's Inn Fields begaf en mijne
tante wachtende vond met het avondeten. Had ik een reis om de wereld
gemaakt, dan zouden wij niet blijder kunnen geweest zijn, dat wij
elkander weder gezond en wel aantroffen. Tante schreide dikke tranen
toen wij elkander omhelsden en zei, zich houdende alsof zij lachte:
„als uwe moeder geleefd had, zou dat zwakke schepseltje zeker tranen
gestort hebben!”

„En hebt gij mijnheer Dick zoo alleen gelaten, tante?” vroeg ik. „Dat
spijt mij. Ha, Janet, hoe maakt gij het?”

Toen Janet eene neiging maakte en vroeg hoe het met mijne gezondheid
was, zag ik tante's gezicht langer worden. „Het spijt mij ook,” sprak
zij, haar neus wrijvend. „Ik heb sinds ik hier ben eigenlijk nog geen
gerust uur gehad.”

Nog eer ik antwoorden kon vertelde tante mij de reden daarvan.

„Ik ben overtuigd,” sprak zij, hare hand met een zekere zwaarmoedige
vastberadenheid op de tafel leggende, „dat Dick's karakter niet
standvastig genoeg is om de ezels van het bleekveld te houden. Ik weet
zeker dat hij dit niet flink genoeg doen zal; ik had Janet thuis moeten
laten, dan zou ik geruster zijn geweest. En als het waar is dat er in
mijne afwezigheid ezels op het gras hebben geloopen,” ging zij met
nadruk voort, „dan moet er van avond om vijf uur een geweest zijn. Er
voer mij een koude rilling door het lichaam—ik weet zeker dat er toen
een ezel was.”

Ik trachtte haar op dit punt te troosten, maar zij wilde van geen
troost weten.

„Er was een ezel,” hield zij vol, „en wel die met den korten staart,
waarop de zuster van dien moordenaar reed, toen zij ons een bezoek
brachten.” Dit was de eenige naam waaronder mijne tante juffrouw
Murdstone kende. „Als er één ezel te Dover is, dien ik niet kan
uitstaan, dan is het dat beest!”

Janet waagde het te doen opmerken dat mijne tante zich vermoedelijk
noodeloos ongerust maakte, want dat de ezel, dien zij bedoelde, in den
laatsten tijd gebezigd werd om zand en kiezel te rijden en zich dus
moeilijk aan overtredingen kon schuldig maken. Tante wilde er echter
niets van hooren.

Het souper werd gereed gezet en was lekker en goed warm, ofschoon de
kamers van mijne tante vrij hoog in de lucht waren—ik weet niet of
zij voor haar geld over meer steenen trappen wilde beschikken dan wel
of zij dichter bij het bewuste luik wilde zijn—. Het bestond uit een
gebraden hoentje, biefstuk en groenten en ik deed er alle eer aan, want
het was uitmuntend. Tante had zoo haar eigenaardige denkbeelden over de
levensmiddelen in Londen en at weinig.

„Ik wed dat dit ongelukkige hoentje in een kelder is grootgebracht,”
zei tante, „en nooit de lucht heeft geroken dan op eene binnenplaats.
Ik _hoop_ dat die biefstuk van een rund is, maar ik betwijfel het.
Niets is hier onvervalscht dan het slijk.”

„Zou die kip dan niet van buiten kunnen gekomen zijn?” opperde ik.

„Zeer zeker niet,” antwoordde tante. „Geen winkelier in Londen zou er
plezier in hebben iets te verkoopen, dat werkelijk was hetgeen waarvoor
hij het uitgaf.”

Ik waagde het niet haar tegen te spreken, maar soupeerde heel
smakelijk, hetgeen zij mij blijkbaar met genoegen zag doen. Toen de
tafel afgenomen was hielp Janet haar met haar kapsel en haar nachtmuts,
die iets sierlijker was dan gewoonlijk—„er moest eens brand komen”,
zei tante—en legde haar een omslagdoek over de beenen, zooals zij
elken avond deed, opdat tante warm naar bed zou gaan. Daarna maakte ik
volgens vaste regelen, waarvan niet de geringste afwijking geduld werd,
een glas warmen wijn met water voor haar gereed en sneed een plakje
geroosterd brood voor haar in lange reepjes. Toen bleven wij alleen en
sleten verder den avond te zamen; mijne tante zat tegenover mij haar
wijn met water te drinken en hare reepjes geroosterd brood er in te
soppen, alvorens ze in den mond te steken; terwijl zij mij onder de
kanten van hare nachtmuts door vriendelijk aankeek.

„Wel, Trot,” begon zij eindelijk, „hoe denkt gij over mijn voorstel om
een proctor van u te maken? Of hebt gij er nog niet over nagedacht?”

„Ik heb er al heel veel over gedacht, lieve tante, en er ook lang en
breed met Steerforth over gepraat. Ik zou heel graag proctor worden,
inderdaad.”

„Komaan”, sprak zij, „dat is een goed begin.”

„Ik heb echter één bezwaar, tante.”

„En dat is, Trot?”

„Wel, tante, naar ik vernam is voor de betrekking van proctor eene
storting benoodigd en ik ben daarom bang, dat ik u daarmede op groote
kosten zou jagen.”

„Duizend pond, Trot, op den kop af.”

„Welnu, lieve tante,” hernam ik, mijn stoel wat dichter bijschuivende,
„dat is eene groote som. Gij hebt het grootste gedeelte van mijne
opvoeding bekostigd en zijt altijd even mild voor mij geweest in alle
dingen, de edelmoedigheid zelve.... waarom ik meen dat er nog een
aantal andere betrekkingen te vinden zijn, waarvoor zulk een som niet
vereischt wordt en waarin ik toch ook met goeden wil en volharding
vooruit kan komen. Zou het niet beter zijn dien weg in te slaan? Zijt
gij er wel zeker van dat gij zooveel geld kunt missen en dat het
verstandig is het op deze wijze te besteden? Ik verzoek u, mijne tweede
moeder, dit wel te willen overwegen. Zijt gij er wel zeker van?”

Tante at eerst het reepje geroosterd brood op, waaraan zij bezig was,
keek mij eenige oogenblikken doordringend aan, zette haar glas op den
schoorsteenmantel, vouwde hare handen over den omslagdoek op hare
knieën en zei:

„Trot, mijn kind, mijn eenige levensdoel is van u een goed, flink
en gelukkig mensch te maken. Dat is mijn grootste wensch—van Dick
insgelijks. Ik wilde wel dat sommige menschen Dick dit onderwerp
eens hadden hooren bespreken. Ik verbaas mij telkens over zijne
scherpzinnigheid. Maar niemand weet over hoeveel verstand die man te
beschikken heeft, behalve ik.”

Zij hield een oogenblik op om mijne hand tusschen de hare te nemen en
ging toen voort:

„Het is niet noodig, Trot, het verleden weer aan te roeren, tenzij het
invloed hebben kan op de toekomst. Het is wel mogelijk dat ik meer
vriendschap had moeten voelen voor uw armen vader. Wellicht had ik
ook meer moeten blijven houden van uw lief, onnoozel moedertje, nadat
uw zuster Betsey Trotwood mij zoo had teleurgesteld. Deze gedachte
kwam tenminste bij mij op toen gij daar als een verwaarloosde, vuile
straatjongen bij mij op het erf kwaamt. Van dat oogenblik af, Trot,
zijt gij altijd mijn trots, mijn eer en mijne vreugde geweest. Niemand
kan eenige aanspraak maken op hetgeen ik bezit”—zij aarzelde een
oogenblik—„neen, niemand kan er eenige aanspraak op doen gelden en
gij zijt mijn aangenomen kind.” Tot mijn groote verbazing had zij deze
woorden op eenigszins verlegen toon uitgesproken. „Heb mij maar lief op
mijn ouden dag en verdraag mijne kuren en grillen maar met geduld, dan
zult gij voor die oude vrouw, wier leven lang zoo gelukkig en vreedzaam
niet voorbijging als wel had kunnen zijn, meer doen dan zij ooit voor u
doen kan.”

Het was de eerste maal dat ik tante het verleden hoorde aanroeren. Er
lag eene zekere grootmoedigheid in de kalmte, waarmede zij dit nu deed
en er ook weder van afstapte, die mijne achting en liefde voor haar
zouden verhoogd hebben, als dat nog mogelijk geweest was.

„Alles is dus tusschen ons begrepen en afgesproken, nietwaar,
Trot?” zei tante, „wij behoeven er dus niet verder over te spreken.
Geef mij een kus en morgen ochtend na het ontbijt gaan wij naar de
Commons.”

Dit gesprek bij den haard had langer geduurd dan ik gedacht had. Wij
gingen laat naar bed en ik sliep in eene kamer op dezelfde verdieping
als tante; mijne nachtrust was echter niet ongestoord, want telkens,
wanneer zij een huurkoets of een marktwagen hoorde, klopte zij aan
mijne deur en vroeg of ik de brandweer niet hoorde rijden? Tegen den
ochtendstond sliep zij geruster en liet het mij ook doen.

Tegen den middag wandelden wij naar het kantoor van Spenlow en Jorkins
in Doctors' Commons. Tante, die in iederen man, dien zij in Londen
tegenkwam, een zakkenroller meende te zien, had mij haar beurs gegeven,
waarin tien guinjes en eenig zilvergeld aanwezig waren.

Bij den speelgoedwinkel in Fleetstreet bleven wij een oogenblik staan,
ten einde de reuzen op de klokken van de St. Dunstanskerk te zien
slaan—wij hadden het uur van vertrek zoo geregeld, dat wij juist om
twaalf uur hen bij dat werk moesten betrappen—en wandelden daarna naar
Ludgate Hill en de St. Paulskerk. Juist hadden wij eerstgenoemde plaats
bereikt, toen ik bemerkte, dat tante haar stap begon te verhaasten
en angstig rondkeek. Op hetzelfde oogenblik zag ik, dat een armoedig
gekleed man met een brutaal gezicht was blijven staan om ons te zien
voorbijgaan en daarna ons achter opkwam en haar een duw gaf.

„Trot, beste Trot!” riep tante, op angstigen toon, terwijl zij mij in
mijn arm kneep, „wat moet ik doen?”

„Maak u niet zoo angstig,” antwoordde ik. „Gij behoeft voor niets
bevreesd te zijn. Ga dezen winkel binnen, dan zal ik wel spoedig van
dien man afkomen.”

„Neen, neen, kind!” zei tante. „Spreek niet met hem.... voor al het
geld der wereld niet! Ik smeek, ik beveel het u!”

„Goede Hemel, tante!” zei ik. „Hij is niets dan een onbeschaafde
bedelaar.”

„Gij weet niet wat hij is!” hernam tante. „Gij weet niet wat hij is!
Gij weet niet wat gij zegt!”

Intusschen waren wij een blinde steeg ingeloopen en blijven staan; de
man stond voor de steeg.

„Kijk niet naar hem,” zei tante, toen ik mij verontwaardigd omkeerde,
„haal liever een rijtuig voor mij en wacht op het St. Paulskerkhof.”

„Op u wachten?” herhaalde ik.

„Ja,” zei tante, „ik wil alleen blijven. Ik ga met hem mede.”

„Met hem, tante? Met dien man?”

„Ik weet zeer goed, wat ik zeg!” antwoordde zij, „en ik zeg u dat ik
_moet_. Ga een rijtuig halen!”

Hoe verbaasd ik ook was, ik begreep dat ik niet het recht had te
weigeren, aan zulk een stellig bevel te gehoorzamen. Ik liep eenige
schreden de straat in en wenkte een huurrijtuig, dat toevallig ledig
voorbijkwam. Nog eer ik de trede had kunnen neerslaan, sprong tante
er in en de man volgde haar. Zij gaf mij met zulk een ernstig gezicht
te kennen dat ik zou heengaan, dat ik, hoe verbaasd ook, het rijtuig
onmiddellijk den rug toekeerde. Ik hoorde haar nog zeggen tegen den
koetsier: „Rijd maar ergens heen! Rijd maar recht door!” en toen reden
zij mij voorbij de hoogte op.

Nu kwam mij hetgeen mijnheer Dick verteld had en wat ik voor inbeelding
gehouden had, weder voor den geest. Ik kon niet meer twijfelen of deze
persoon was dezelfde, van wien hij op zulk eene geheimzinnige wijze
melding gemaakt had, ofschoon ik mij onmogelijk kon voorstellen hoe
hij zulk een macht over mijne tante had kunnen verkrijgen. Na een half
uur op het kerkhof in de gelegenheid te zijn geweest om tot kalmte te
komen, zag ik het rijtuig aankomen. De koetsier hield bij mij stil
en mijne tante zat er alleen in. Zij was nog niet genoeg van hare
ontroering bekomen om terstond het voorgenomen bezoek af te leggen,
waarom zij mij verzocht naast haar plaats te nemen en den koetsier te
zeggen, dat hij eenigen tijd langzaam op en neer moest rijden. Zij
zeide niets dan: „Lieve Trot, vraag mij niet wat het was en denk er
niet meer aan.” Eindelijk had zij hare kalmte geheel teruggekregen en
zei, dat zij nu zeer goed in staat was om het rijtuig te verlaten. Toen
zij mij hare beurs terug gaf, die ik haar in de steeg had overhandigd,
ontwaarde ik dat alle guinjes verdwenen waren en zij niets dan het
zilvergeld had overgehouden.

De toegang tot Doctors' Commons bestond in eene kleine, lage,
overwelfde gang. Nauwelijks waren wij eenige schreden verder gegaan
of het stadsgewoel scheen als door een tooverhand tot stilte te zijn
gebracht en nog slechts heel in de verte voort te duren. Over eenige
pleintjes en door nauwe straatjes kwamen wij aan het kantoor van de
Heeren Spenlow en Jorkins; in het voorportaal van dezen tempel, waarin
elke pelgrim zonder aankloppen mocht binnengaan, zaten drie of vier
klerken copiewerk te verrichten. Een van hen, een klein, uitgedroogd
mannetje, dat alleen zat en een stijve, bruine pruik droeg,—in weerwil
van het gewicht van het oogenblik kon ik niet nalaten te denken dat die
pruik van peperkoek gemaakt was—stond op, heette mijne tante welkom en
liet ons in de kamer van mijnheer Spenlow.

„Mijnheer Spenlow is binnen, mejuffrouw,” zei het manneke, „het is
vandaag zitting, maar het is hier dichtbij; ik zal hem dadelijk laten
roepen.”

Toen wij alleen waren in afwachting van mijnheer Spenlow's komst, nam
ik de gelegenheid te baat om eens rond te kijken. Het ameublement
in deze kamer was ouderwetsch en stoffig, het groene laken op de
schrijftafel had alle kleur verloren; er lagen zooveel bundeltjes
papieren en processtukken, alle voorzien van een opschrift, waarop het
Hof vermeld stond waarvoor ze behandeld waren, dat ik verward geraakte
onder het groote aantal Hoven, en mij afvroeg of ik wel ooit die
verschillende namen uit elkander zou kennen.

Behalve deze bundels papieren zag ik overal in het rond lijvige
boekdeelen, die alle geschreven getuigenverhooren bevatten, van elke
zaak afzonderlijk, alsof elke zaak een roman was in tien of twintig
deelen. Dit alles zag er uit alsof hier uit een ruime beurs geput werd
en gaf mij een aangenamen indruk van het proctorsambt. Nog was ik
bezig met toenemend welgevallen dit en alles om mij heen te bekijken,
toen wij haastige voetstappen hoorden in het voorportaal en mijnheer
Spenlow binnenkwam in een zwarte toga met hermelijn gevoerd. Hij nam
zijn hoed af en scheen haast te hebben. Overigens was hij klein van
gestalte, had dun haar, droeg onberispelijke laarzen en de stijfste
halsboord en de witte das, die ik ooit iemand heb zien dragen. Al zijne
kleeren waren stijf dichtgeknoopt en zijne bakkebaarden zoo sierlijk
gekruld, dat hij daaraan ongetwijfeld veel tijd moest besteden. Zijn
gouden horlogeketting was zoo zwaar dat ik niet kon nalaten te denken
aan een sterken, gouden arm om het horloge te voorschijn te halen,
zooals men wel boven goudsmidswinkels aantreft. Hij was met zooveel
zorg gekleed, en alles wat hij aan het lijf had was zoo stijf, dat hij
zich onmogelijk kon buigen, en wanneer hij papieren inkeek, die op zijn
schrijftafel lagen verplicht was zijn geheel lichaam voorover te buigen
evenals Punch.

Ik werd terstond door mijne tante voorgesteld en allerbeleefdst
ontvangen.

„Dus, mijnheer Copperfield,” zei hij „gij hebt het plan opgevat ons
beroep voor het uwe te kiezen. Toen ik laatst de eer genoot een
onderhoud te hebben met juffrouw Trotwood, deelde ik haar toevallig
mede—op nieuw een buiging als Punch—dat hier eene plaats vacant is.
Juffrouw Trotwood was wel zoo beleefd mij te vertellen dat zij een neef
had, voor wiens opvoeding zij had zorg gedragen en dien zij nu gaarne
in eene goede betrekking zou geplaatst zien. Indien ik het wel heb, heb
ik nu het genoegen—weer Punch—dien neef voor mij te zien.”

Ik boog insgelijks en zei dat mijne tante mij op de hoogte had gesteld
van de vacature; dat ik wel zin in deze betrekking had en in elk geval
mijn best zou doen om er zin in te krijgen, maar dat ik daarvan niet
zeker kon zijn als ik er niet meer van wist dan op dit oogenblik het
geval was. „Hoewel het slechts voor den vorm is,” voegde ik er bij,
„meen ik toch dat de gelegenheid bestaat mij op de hoogte te stellen
alvorens mij onherroepelijk te verbinden.”

„O, zeker! zeker!” zei mijnheer Spenlow. „Wij geven altijd een maand
proeftijd. Het zou mij aangenaam zijn, indien wij drie maanden konden
geven, maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins....”

„En de borgtocht is duizend pond, nietwaar?” vroeg ik.

„De borgtocht—de onkosten van het zegel er onder begrepen—is duizend
pond,” antwoordde mijnheer Spenlow. „Zooals ik juffrouw Trotwood reeds
meedeelde, zou ik wel genegen zijn billijker voorwaarden te stellen,
maar mijnheer Jorkins heeft zijn eigen denkwijzen in dit opzicht en ik
moet die nu eenmaal respecteeren. Mijnheer Jorkins acht duizend pond
eigenlijk te weinig.”

„Ik onderstel, mijnheer,” zei ik, mijne tante eenigszins willende
verlichten, „dat het hier niet de gewoonte is een klerk, die zeer
bruikbaar en geheel op de hoogte van zijne taak is,”—ik kreeg eene
kleur, want deze woorden moesten wel den indruk maken alsof ik mij
zelven wilde prijzen—„ik onderstel dat het niet de gewoonte is, later,
zulk een klerk eenig honorarium...”

Mijnheer Spenlow lichtte met groote moeite zijn hoofd juist ver genoeg
uit zijn boorden op om het te schudden en antwoordde, zonder mij den
zin te laten voleindigen:

„Neen, ik zal niet zeggen hoe ik zelf over dit onderwerp denk, mijnheer
Copperfield; maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins is op dat punt
onvermurwbaar.”

Het denkbeeld, dat ik eenmaal van aangezicht tot aangezicht zou moeten
staan met dien vreeselijken mijnheer Jorkins, joeg mij angst aan.
Later kwam ik echter tot de ontdekking, dat hij iemand was met een
zachtmoedig karakter, wel is waar een weinig somber, maar hij hield
zich gewoonlijk achteraf en werd dan gebezigd als het onbarmhartige
en hardnekkige element in de zaak. Indien een klerk verhooging vroeg
van zijn salaris, wilde mijnheer Jorkins er nooit iets van weten. Als
een cliënt draalde met het betalen van de kostenrekening, heette het
dat mijnheer Jorkins op betalen aandrong en hoe pijnlijk dit mijnheer
Spenlow ook aandeed, mijnheer Jorkins kende geen genade. De engel
Spenlow zou steeds hart en hand geopend hebben gehad, indien de duivel
Jorkins het hem niet had belet. Ouder wordende merkte ik op, dat er nog
veel meer kantoren waren, die de zaken op dezelfde wijze behandelden
als de firma Spenlow en Jorkins!

Er werd afgesproken dat mijne proefmaand zoo spoedig zou beginnen als
mij beliefde en dat mijne tante noch in de stad behoefde te blijven
noch daarheen behoefde terug te keeren, want het contract, waarvan ik
het onderwerp uitmaakte, kon even goed ter teekening naar Dover worden
gezonden. Toen wij het hierover eens waren, bood mijnheer Spenlow mij
aan, mij mede te nemen naar het Hof en mij daar het een en ander te
laten zien. Ik nam dit aanbod gaarne aan en zoo vertrokken wij, tante
op mijnheer Spenlow's kantoor achterlatende; zij waagde zich daar niet,
zooals zij zeide, en hield, naar ik vermoed, alle gerechtshoven voor
buskruitmolens, die elk oogenblik in de lucht konden vliegen.

Mijnheer Spenlow bracht mij over een pleintje, door deftige huizen
omringd; uit de doctorstitels voor de namen op de deuren maakte ik op,
dat hier de geleerde advocaten woonden, waarvan Steerforth mij verteld
had. Aan het einde van dit pleintje traden wij een huis en daarna een
groot, somber vertrek binnen, dat mij denken deed aan een kapel. Het
boveneinde van deze zaal was van het overige gedeelte door een hek
afgesloten en daar, op een verhevenheid in den vorm van een hoefijzer,
zaten bovenvermelde doctors in roode toga's, met witte pruiken, op
ouderwetsche stoelen, zooals men ze vaak in eetzalen aantreft. Achter
een lessenaar, zooals de predikanten op den preekstoel gebruiken, in
het midden van het hoefijzer, zat een oude heer, dien ik, als ik hem in
een dierentuin ontmoet had, voor een uil zou hebben gehouden, doch die,
zooals mij later bleek, de president was. In de binnenruimte van het
hoefijzer, doch lager, zaten eenige heeren, in dezelfde kleeding als
mijnheer Spenlow, aan eene groene tafel. Hunne dassen waren alle even
stijf en zij keken trotsch in het rond; dit laatste schijn ik echter
niet goed gezien te hebben, want wanneer een van hen opgeroepen werd om
eene vraag van den president te beantwoorden, zag ik telkens dezelfde
schaapachtige uitdrukking op hun gelaat. Het publiek werd gevormd
door een jongen met een bouffante om en een armoedig uitziend heer,
die heimelijk beschuitkruimels zat te eten uit den achterzak van zijn
jas. Beiden zaten bij de kachel in het midden van de zaal. De doodsche
stilte in de zaal werd door niets verbroken dan door het snorren van de
kachel en door de stem van een der doctors, die langzaam tusschen eene
geheele bibliotheek van bewijsstukken doorliep en nu en dan eens stil
bleef staan op zijn wandeling om een betoog te houden. Hoe het zij, ik
woonde nooit in mijn leven elders zulk een droomerig, slaapverwekkend
familiepartijtje bij en ik voelde dat het voor een jongmensch
ongetwijfeld een kalmeerend middel zijn moest, om met deze lieden samen
te werken—behalve misschien als cliënt.

Zeer voldaan over de deftigheid van dit ouderwetsche, afgelegen plekje,
gaf ik aan mijnheer Spenlow te kennen, dat ik voorloopig genoeg
gezien had, zoodat wij mijne tante gingen opzoeken. Met haar verliet
ik dus Doctors' Commons weder; ik voelde mij zeer jong tegenover de
heeren Spenlow en Jorkins en was mij bewust, dat de klerken, toen wij
voorbijgingen, elkander met de pen in de zij staken en op mij wezen.

Zonder eenig nieuw avontuur kwamen wij te Lincoln's Inn Fields aan;
alleen wekte een ongelukkige ezel voor een volgeladen groentekar
pijnlijke herinneringen bij mijne tante op. Wij spraken weder lang
en breed over mijne plannen, toen wij behouden en wel thuis waren
en aangezien ik begreep, dat zij naar Dover terugverlangde, omdat
zij zich, met het oog op brand, vervalschte levensmiddelen en
zakkenrollers, geen half uur op haar gemak gevoelde in Londen, haalde
ik haar over, zich niet verder om mij te bekommeren en mij gerust aan
mij zelven over te laten.

„Ik ben hier morgen juist een week, mijn jongen, en heb dat ook
gedacht,” antwoordde zij. „In Buckinghamstreet zijn een paar kamers te
huur, die juist geschikt voor u zouden zijn.”

Na deze inleiding haalde zij eene advertentie te voorschijn, die
zij zorgvuldig uit een nieuwsblad geknipt had, en las voor, dat in
Buckinghamstreet, in de buurt van het Adelphi-theater kamers te huur
waren met het uitzicht op de rivier; bijzonder lieve, gezellige kamers,
zeer geschikt voor een ongetrouwd heer, die aan een der gerechtshoven
werkzaam was. De kamers konden terstond betrokken worden. De huurprijs
was matig en de huur kon desverlangd ook voor één maand worden
aangegaan.

„Wel, tante!” riep ik uit, „dat is juist wat wij zoeken!” Ik kreeg een
kleur van blijdschap bij de gedachte, alleen op kamers te zullen wonen.

„Kom dan,” antwoordde tante, terwijl zij onmiddellijk den hoed opzette,
dien zij eene minuut te voren had weggelegd. „Wij zullen ze eens gaan
bekijken.”

De advertentie verwees ons om inlichtingen naar eene zekere juffrouw
Crupp; wij schelden daarom aan het onderhuis, waar wij vermoedden,
dat juffrouw Crupp hare tenten had opgeslagen. Eerst na drie of vier
malen gescheld te hebben konden wij er in slagen die dame te bewegen
ons te woord te staan; eindelijk verscheen zij echter. Zij was eene
forschgebouwde vrouw en droeg een nankingsche japon, waaronder een
flanellen onderrok uitkwam.

„Kunnen wij de kamers ook zien, die gij te huur aanbiedt, juffrouw?”
vroeg tante.

„Voor dezen heer?” zei juffrouw Crupp, terwijl zij in haar zak naar de
sleutels zocht.

„Ja, voor mijn neef,” antwoordde tante.

„Ze zullen voor u geknipt zijn!” verklaarde juffrouw Crupp. Daarna
gingen wij naar boven.

De kamers waren op de bovenste verdieping—eene groote geruststelling
voor mijne tante, want ik was nu dicht bij het dak—en bestonden
uit een klein portaaltje, waar men bijna niets zien kon, een
provisiekamertje, waar volslagen duisternis heerschte, een zitkamer
en een slaapkamer. De meubels waren oud, maar goed genoeg voor mij en
waarlijk, men kon de rivier zien. Toen ik mijne ingenomenheid betuigd
had, gingen tante en juffrouw Crupp naar het provisiekamertje om de
voorwaarden te bespreken, terwijl ik op de sofa in de zitkamer plaats
nam en mij nauwelijks kon voorstellen, dat ik voortaan in zulk een
paleis zou wonen. Na een woordenstrijd, die nog al eenigen tijd duurde,
keerden de dames terug en ik zag tot mijne groote blijdschap, zoowel op
juffrouw Crupp's gezicht als op dat van mijne tante, dat zij het eens
waren geworden.

„Zijn dit de meubels van den laatsten bewoner?” vroeg tante.

„Ja, mevrouw,” antwoordde juffrouw Crupp.

„Waar is hij gebleven?”

Juffrouw Crupp begon vreeselijk te hoesten en bracht intusschen met
veel moeite uit:

„Hij is hier ziek geworden, mevrouw en..... uhu!.... uhu!.... uhu!....
groote Goedheid, hij is hier gestorven!”

„Hé, wat? waaraan?” vroeg tante.

„Wel, mevrouw, hij dronk te veel,” zei juffrouw Crupp op
vertrouwelijken toon. „En rooken!”

„Rooken? Gij bedoelt toch niet dat de schoorsteenen rooken?” viel tante
in.

„Neen, mevrouw, sigaren en pijpen.”

„Dat is in elk geval niet aanstekelijk, Trot,” zei tante, tot mij
gewend.

„Neen, zeker niet,” antwoordde ik.

Kortom, toen tante zag hoe zeer ik ingenomen was met mijn nieuw
verblijf, huurde zij de kamers voor een maand, om ze, indien ik na het
einde daarvan tevreden was, voor een jaar in te huren. Juffrouw Crupp
zou voor mijn linnengoed zorgen en voor mij koken en zei met nadruk,
dat zij voor mij zorgen zou alsof ik haar eigen kind was. Twee dagen
later zou ik mijn nieuw verblijf in bezit nemen en juffrouw Crupp
verklaarde bij het afscheid den Hemel te danken, omdat zij nu iemand
had, voor wien zij zorgen kon.

Op den weg naar huis vertelde tante mij, hoe zij vertrouwde, dat het
leven, dat ik nu te gemoet ging, mij flinkheid en zelfvertrouwen
zou geven, hetgeen alles was, dat ik noodig had. Zij herhaalde dit
den volgenden dag meermalen, terwijl wij maatregelen beraamden om
mijne kleederen en boeken van mijnheer Wickfield naar Londen te doen
overzenden. Naar aanleiding daarvan schreef ik een langen brief met
al de wederwaardigheden, op mijn uitstapje ondervonden, aan Agnes, en
toen tante den volgenden dag heenging, nam zij dien brief mede. Ten
einde niet al te lang over al deze bijzonderheden uit te weiden, voeg
ik er nog slechts bij, dat zij met milde hand zorgde voor alles wat ik
gedurende mijne proefmaand noodig had; dat Steerforth tot mijne groote
teleurstelling en ook tot die van tante niet verscheen, en dat ik tante
veilig zag zitten in de diligence op Dover, met Janet naast zich,
blijde dat het goede leven van de ezels en hunne drijvers nu weer uit
was. Toen de diligence uit het gezicht was, bleef ik een oogenblik in
gepeins verzonken staan. Mijne gedachten dwaalden af naar den tijd,
toen ik ook alleen in Londen was achtergelaten, en met een dankbaar
hart sloeg ik den weg in naar Buckingham-street.



XXIV.

Mijn eerste buitensporigheid.


O, welk een heerlijke gedachte was het, heer en meester te zijn op
zulk een paleis! Als ik de deur achter mij sloot had ik een gevoel,
zooals Robinson Crusoë moet gehad hebben, als hij zijn versterkte hut
was binnengegaan en de ladder achter zich opgetrokken had. Heerlijke
gedachte, om daar door de stad te wandelen met de sleutels van mijn
eigen woning in den zak; te weten, dat ik iemand vragen kon met mij
naar mijn kamer te gaan en zeker te zijn, dat ik daarmede niemand
overlast aandeed, tenzij aan mij zelven. Heerlijke gedachte, om mij
zelven in en uit te kunnen laten, te komen en te gaan zonder iemand
iets te vragen, juffrouw Crupp te schellen, wanneer ik haar noodig had,
en haar uit de ingewanden der aarde te doen oprijzen—indien zij, dat
spreekt van zelf, genegen was om te komen. Dit alles, ik herhaal het,
was heerlijk, maar ik moet er bijvoegen, dat er ook wel tijden waren,
waarin ik het alles behalve aangenaam vond.

Des morgens, vooral bij mooi weder, was het heerlijk. Als de zon
scheen, genoot ik van het vrije leven en hoe hooger zij steeg, hoe
vrijer en opgewekter ik mij gevoelde, maar tegen het vallen van den
avond begon dat gevoel te kwijnen. Hoe het kwam weet ik niet, maar
bij lamplicht vond ik mijn leven niet zoo heerlijk. Ik miste iemand
om mede te praten. Ik miste Agnes vooral. Een akelig ledig was in de
plaats getreden van die lieve bewaarster mijner geheimen. De afstand
tusschen mij en juffrouw Crupp scheen dagelijks grooter te worden.
Ik dacht aan mijn voorganger, die gestorven was tengevolge van veel
drinken en rooken, en de wensch kwam in mij op, dat hij ware blijven
leven, dan zou hij daar waarschijnlijk op mijne plaats gezeten hebben.

Toen ik er twee dagen en twee nachten had doorgebracht, scheen het mij
toe of ik er reeds een jaar was en toch voelde ik mij geen uur ouder en
werd meer dan ooit geplaagd door mijn eigen jeugdigheid.

Aangezien Steerforth nog niet verscheen, begon ik te vreezen, dat hij
ziek was; ik verliet daarom het kantoor den derden dag wat vroeger
dan gewoonlijk en wandelde naar Highgate. Mevrouw Steerforth was zeer
blijde mij te zien en vertelde mij, dat haar zoon met een vriend
uit Oxford naar een anderen vriend te St. Alban's was gegaan en den
volgenden dag werd terugverwacht. Ik hield zooveel van Steerforth, dat
ik jaloersch was op die beide vrienden. Mevrouw Steerforth noodigde
mij uit om te blijven eten, hetgeen ik deed; maar ik geloof, dat wij
den geheelen avond over niets spraken dan over hem. Ik vertelde haar,
hoe de menschen in Yarmouth met hem dweepten en welk een aangenaam
reisgenoot hij voor mij geweest was. Juffrouw Dartle deed allerlei
geheimzinnige vragen, maar stelde toch ook veel belang in al ons doen
en laten. Zij zeide zoo dikwijls: „Was het waarlijk zoo?” dat zij alles
uit mij perste wat zij verlangde te weten. Zij zag er nog juist zoo uit
als ik haar beschreven heb, maar het gezelschap van de twee dames deed
mij zoo goed en viel zoo in mijn smaak, dat ik werkelijk een weinig
verliefd op haar begon te worden. Ik kon niet nalaten dien avond en ook
op mijne wandeling naar huis verscheidene malen te denken, welk een
aangenaam gezelschap zij zijn zou in Buckinghamstreet.

Den volgenden morgen zat ik te ontbijten—het was verbazend hoeveel
koffie juffrouw Crupp gebruikt en hoe slap die toch was—toen
Steerforth tot mijne onbeschrijfelijke vreugde binnentrad.

„Beste Steerforth!” riep ik uit, „ik begon te denken dat ik u nimmer
terug zou zien!”

„Ik ben den morgen, nadat ik thuiskwam, met geweld weggehaald!”
antwoordde hij. „Wel, Groentje, wat leidt gij hier een prachtig
oude-jongeheerenleven!”

Ik liet hem, niet zonder eenigen trots, mijne appartementen—de
provisiekamer incluis—zien en hij prees alles zeer. „Luister eens,
Groentje,” voegde hij er bij, „ik zal mij hier inkwartieren, tenzij gij
mij wegjaagt.”

Dat was een heerlijk bericht. Ik zei dan ook, dat, als hij daarop wilde
wachten, hij nog langen tijd zou kunnen blijven. „Maar wilt gij niet
ontbijten?” vroeg ik met de hand aan het schelkoord. „Juffrouw Crupp
zal versche koffie voor u zetten en ik wat spek bakken op mijn kachel.”

„Neen, dank u!” zei Steerforth. „Schel maar niet! Ik kan niet! Ik moet
ontbijten bij een van mijne vrienden, die in het Piazza-hôtel logeert
in Covent Garden.”

„Maar dan komt gij toch bij mij eten?” vroeg ik.

„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet! Niets zou ik liever doen, maar ik
moet bij mijn beide vrienden blijven. Wij scheiden morgen reeds.”

„Breng hen dan mede, dan eten wij met ons vieren,” hernam ik. „Zouden
zij willen komen?”

„O, zij zullen gaarne willen komen,” antwoordde Steerforth, „maar wij
zullen u overlast aandoen. Gij zoudt beter doen met ons ergens te komen
eten.”

Onder geen voorwendsel wilde ik dat aannemen, te meer niet, omdat het
mij voorkwam, dat ik mijne kamers toch ook eens moest inwijden en zich
daarvoor geen betere gelegenheid zou opdoen dan deze. Ik was trotscher
dan ooit op mijne kamers, nu Steerforth ze had geprezen, en brandde van
verlangen om te toonen wat ze al zoo konden opleveren. Toen Steerforth
weg was schelde ik juffrouw Crupp en maakte haar met mijn wanhopend
voornemen bekend. Juffrouw Crupp begon te zeggen, dat ik natuurlijk
niet van haar verwachten kon, dat zij aan tafel zou bedienen; zij kende
echter een handig jongmensch, die het waarschijnlijk wel voor vijf
shillings zou willen doen. Of ik dat goed vond? Het spreekt van zelf,
dat ik daartegen niets kon inbrengen. Vervolgens zei juffrouw Crupp,
dat zij natuurlijk niet op twee plaatsen te gelijk zijn kon—daar
was evenmin iets tegen te zeggen—en dat dus een klein meisje met
een kaars in de provisiekamer onmisbaar was, ten einde onafgebroken
borden te wasschen. Ik vroeg wat zulk een meisje daarvoor hebben moest
en juffrouw Crupp antwoordde dat ik, naar zij meende, van achttien
stuivers niet armer zou worden. Ik zei, dat ik het ook niet dacht en
alzoo was ook dit vastgesteld. „En nu,” vervolgde juffrouw Crupp, „wat
moet er zijn?” De smid, die juffrouw Crupp's kachelplaat gemaakt had,
moet wel een voorbeeld geweest zijn van iemand met weinig overleg,
want er konden niets dan ossenlappen en gestoofde aardappelen op
gereed worden gemaakt. En wat de vischketel betrof..... „wil mijnheer
de ruimte eens komen bekijken?” vroeg juffrouw Crupp. Nu, oprechter
kon het goede mensch niet spreken! Alsof ik daardoor iets wijzer zou
zijn geworden! Ik bedankte daarom voor het vriendelijk aanbod en zei:
„Welnu dan, geen visch!” Maar juffrouw Crupp hernam: „Zeg dat nu niet,
het is de tijd van de oesters, waarom geen oesters?”—Dus.... oesters!
Daarna ging juffrouw Crupp voort: „Indien ik u een raad schuldig ben,
is het deze: Een paar gebraden hoentjes.... van den kok; een schotel
gestoofd rundvleesch met groente.... van den kok; twee kleinigheden om
te flankeeren, b. v. pasteitjes of nierenbroodjes.... van den kok een
taart en—indien ik daarvan hield—wat rhum- of andere gelei.... van
den kok. Op deze wijze,” ging juffrouw Crupp voort, „stelt gij mij in
de gelegenheid, om al mijne aandacht aan de aardappelen te wijden en de
kaas en de selderij zoo voor te dienen, als ik wenschte dat het altijd
gedaan werd.”

Ik volgde juffrouw Crupp's raad op en deed in hoogst eigen persoon de
bestellingen bij den kok. Later op den dag langs een vleeschwinkel
komende, zag ik daar een gespikkelde zelfstandigheid voor het raam
liggen, die op marmer geleek en van een etiquette voorzien was, waarop
te lezen stond: „Schildpadsoep.” Ik ging den winkel binnen en kocht
er een stuk van, dat, naar ik later vernam, voor vijftien personen
genoeg zou zijn geweest. Na veel tegenstribbelen nam juffrouw Crupp op
zich, dit preparaat op te warmen, maar eenmaal in vloeibaren toestand
gebracht, scheen het zoo weg te slinken, dat Steerforth het een
„mondterging” vond voor vier personen.

Nadat alles zoo ver in orde was gebracht, kocht ik in Covent Garden
een klein dessert en deed bij een wijnkooper in die buurt eene vrij
aanzienlijke bestelling. Toen ik in den namiddag thuis kwam en de
flesschen in een vierkant op de provisiekamer zag staan, schrikte ik
van het groote aantal—niettegenstaande er twee te weinig waren, tot
groote ontsteltenis van juffrouw Crupp.

De vrienden van Steerforth heetten Grainger en Markham. Beiden
waren vroolijke, levenslustige knapen; Grainger was iets ouder dan
Steerforth; Markham zag er jonger uit—ik schatte hem twintig jaar.
Ik merkte op, dat laatstgenoemde altijd van zich zelven sprak als van
„iemand” en nooit de eerste persoon enkelvoud gebruikte.

„Iemand voelt zich hier zeer op zijn gemak, mijnheer Copperfield,” zei
hij, van zich zelven sprekende.

„De stand is niet slecht,” antwoordde ik, „en de kamers zijn inderdaad
heel gezellig.”

„Ik hoop, dat gij beiden een goeden eetlust hebt meegebracht,” zei
Steerforth.

„Waarlijk,” antwoordde Markham, „het stadsleven schijnt den eetlust op
te wekken. Men heeft den geheelen dag honger, men eet onophoudelijk.”

In het eerst was ik een weinig verlegen en voelde ik mij veel te jong
om aan het hoofd van de tafel plaats te nemen, waarom ik Steerforth
verzocht op de eereplaats te gaan zitten en zelf tegenover hem plaats
nam. Alles was goed, uitmuntend zelfs; wij dronken een stevig glas wijn
en Steerforth deed zoo zijn best om den gang er in te houden, dat de
feestelijke stemming geen oogenblik verbroken werd. Ik zelf was niet
zoo spraakzaam gedurende den maaltijd, als ik wel gewenscht had te
zijn; want mijne plaats was vlak tegenover de deur en telkens wanneer
het „handige jonge mensch” de kamer uitging, zag ik een oogenblik later
zijn schaduw op den muur afgeteekend, met een flesch voor den mond. Ook
het meisje verschafte mij eenige onrust, niet omdat zij verzuimde de
borden te wasschen, maar door ze te breken. Zij was nieuwsgierig van
aard en wilde zij die ondeugd botvieren, dan kon zij niet, zooals haar
stellig bevolen was, in het provisiekamertje blijven; zij kwam daarom
telkens om een hoekje kijken en als zij dan bemerkte dat zij betrapt
werd, richtte zij in haar angst eene groote verwoesting aan onder de
borden, die zij op den grond had geplaatst. Dit waren echter kleine
onaangenaamheden, die, zoodra het tafellaken weggenomen en het dessert
gereed gezet was, vergeten waren; op hetzelfde tijdstip ontdekte ik,
dat het „handige jongmensch” stomdronken was. Ik gaf hem heimelijk het
bevel, om juffrouw Crupp verder met zijn gezelschap te vereeren en het
kleine meisje mede naar de kelderverdieping te nemen, waarna ik mij
ongestoord aan de vreugde kon wijden.

Ik begon bijzonder vroolijk en opgeruimd te worden; allerlei
half-vergeten voorvallen kwamen mij in de gedachten, zoodat ik
buitengewoon spraakzaam werd; ik lachte hartelijk om mijne eigen
grappen en om die van de anderen; riep Steerforth tot de orde,
omdat hij niet vlug genoeg inschonk als de glazen ledig waren; nam
uitnoodigingen aan om in Oxford te komen; gaf als mijn voornemen te
kennen elke week zulk een diner op mijne kamer te zullen geven, zonder
dat daartoe uitnoodigingen voor behoefden te worden rondgezonden;
en nam eindelijk zooveel snuif uit een doos van Grainger, dat ik
genoodzaakt was naar de provisiekamer te gaan, waar ik ongeveer
tien minuten, niezende doorbracht. Al sneller en sneller liet ik de
flesschen rondgaan en telkens sprong ik op met den kurketrekker in de
hand om nieuwe open te trekken, lang voordat het noodig was.

Ik stelde een dronk in op Steerforth's gezondheid, zeide dat hij mijn
beste vriend was, de beschermer van mijne jeugd, de metgezel in mijne
eerste jongelingsjaren. Ik zeide blijde te zijn op zijne gezondheid
te mogen drinken. Ik zeide dat ik meer verplichting aan hem had dan
ik hem ooit vergelden kon en hem meer achting toedroeg dan ik in
woorden kon uitdrukken. En eindelijk: „Ad fundum, op Steerforth!
Lang zal hij leven! Hoezee!” En wij dronken driemalen ad fundum
en eindelijk nog een vol glas ad fundum. Ik brak mijn glas toen ik
opstond om hem de hand te schudden en zei in twee woorden: „Steerforth,
gij-zijt-de-poolstar-op-mijn-levensweg.”

Ik merkte eensklaps op, dat er iemand aan het zingen was; het was
Markham, die ten beste gaf: „Als de zorgen soms u kwellen,” en zoo
voort. Hij beloofde ons daarna een toost te zullen instellen: Op „de
meisjes!” Ik verzette mij daartegen en wilde het niet toestaan. Ik
zeide dat het niet fatsoenlijk was zulk een toost in te stellen, dat
ik op mijn eigen kamer niet zou toestaan anders dan op de „dames”
te drinken. Ik kreeg hooge woorden met hem, voornamelijk omdat ik
Steerforth en Grainger zag lachen om mij—of om hem—of om ons beiden.
Hij zei dat men iemand niet zoo de wet moest stellen. Ik zeide dat
het wel degelijk moest. Hij zeide dat men iemand niet behoefde te
beleedigen. Ik zeide dat hij daarin gelijk had—dat onder mijn dak,
waar de wetten der gastvrijheid werden geëerbiedigd, nooit iemand
beleedigd mocht worden. Hij zeide dat het niet met iemand's waardigheid
streed te zeggen, dat ik een duivelsche beste jongen was. Ik stelde
onmiddellijk een dronk op hem in.

Iemand stak een sigaar op en wij volgden zijn voorbeeld. Ik rookte en
deed mijn best om eene opkomende neiging tot huiveren te bedwingen.
Steerforth had een toost op mij ingesteld, die mij bijna tot tranen
toe bewogen had. Ik bedankte hem en sprak de hoop uit, dat de heeren
den volgenden dag en den daarop volgenden dag bij mij zouden komen
dineeren—telkens te 5 uur, zoodat wij een langen avond voor ons
hadden om van elkanders gezelschap te genieten. Ik had behoefte op nog
iemand's gezondheid te drinken en stelde een toost in op mijne tante,
op Betsey Trotwood, de beste van haar geslacht!

Er lag iemand uit het raam van mijn slaapkamer, ten einde zijn
voorhoofd tegen de kouden steenen te drukken en den avondwind in zijn
gezicht te laten spelen. Die iemand was ik zelf. Ik zei tegen mij zelf:
„Copperfield, waarom hebt gij gerookt? Gij wist dat gij het niet kunt
verdragen.” Toen bekeek iemand zich met onzekere oogen in den spiegel.
Die iemand was ik weer. Wat was ik bleek! Er lag een wezenlooze
uitdrukking in mijne oogen, en mijn haar .... alleen mijn haar, niets
anders—zag er uit of het dronken was.

Iemand zei: „laat ons naar de comedie gaan, Copperfield!” Nu was ik
niet meer in de slaapkamer, maar zat aan de rinkelende, met glazen
bedekte tafel; de lamp en Grainger aan mijne rechter, Markham aan mijne
linkerzij, en Steerforth tegenover mij—allen in de mist en heel ver
weg. De comedie? Zeker! Uitstekend! Ga mede! Maar gij moet mij niet
kwalijk nemen als ik het laatst naar beneden ga en de lamp uitblaas—er
moest eens brand komen.

Vermoedelijk was het aan de duisternis toe te schrijven, maar ik
kon de deur niet vinden, ik tastte in het rond en zocht in de
venstergordijnen, toen Steerforth mij lachend bij een arm nam en buiten
bracht. Wij daalden de trap af vlak achter elkander. Toen wij bijna
beneden waren viel er iemand; iemand anders zei dat het Copperfield
was. Deze valsche aantijging maakte mij boos, maar toen ik mij zelven
op den rug in de gang vond liggen, begreep ik toch, dat er wel eenigen
grond voor zijn kon.

Een mistige avond met groote kringen om de lantarens op de straat. Ik
hoorde iemand van ons duidelijk zeggen, dat het vochtig was, maar ik
meende, dat het vriezend weer was. Steerforth nam mij mede onder een
lantaren, sloeg mijn kleeren af en zette mijn hoed recht—zonderling!
Ik weet nog niet waar die hoed vandaan was gekomen, want ik had dien
eerst niet opgehad.

Een man, in een hokje zittend met een opening als in een duiventil,
keek in de mist en nam van iemand geld aan, vragende of ik die heer
was, voor wien betaald werd; hij scheen te aarzelen—als ik het mij
tenminste goed herinner, want ik zag bijna niets meer van hem, dan het
puntje van zijn neus—of hij wel geld voor mij zou aannemen. Korten
tijd daarna zaten wij heel hoog in een gloeiende zaal en keken naar
beneden in het parterre; het scheen mij toe dat het daar rookte,
zoo onduidelijk zag ik de menschen, die daar zaten. Er was ook een
groot tooneel, dat er, in vergelijking met de straat, heel helder en
zindelijk uitzag; er liepen menschen op heen en weer, die met elkander
praatten over allerlei dingen, maar volkomen onverstaanbaar. Er was
eene schitterende verlichting en er was muziek en in de loges zaten
dames en ik weet niet wat er al meer was. Het geheel maakte op mij den
indruk, alsof het gebouw, met alles wat er in was, leerde zwemmen, zoo
wonderlijk dwarrelde alles dooreen, wanneer ik trachtte het te doen
stilstaan.

Op iemand's voorstel besloten wij naar beneden te gaan, naar de loges,
waar de dames zaten. Ik zag in het voorbijgaan een heer languit op
een sofa liggen met een tooneelkijker voor de oogen, en ik zag ook
mij zelven, ten voeten uit in een spiegel. Daarna werd ik een van de
loges binnengeduwd en scheen iets gezegd te hebben, terwijl ik was gaan
zitten, want de menschen om mij heen riepen: „Stilte!” en de dames
wierpen mij verontwaardigde blikken toe en.... wat zag ik daar? Ja!
Agnes zat vlak voor mij in dezelfde loge tusschen een heer en eene
dame, die ik niet kende. Ik zie haar gezicht nu voor mij, beter dan ik
het op dat oogenblik zag; zij keek mij verbaasd en verwijtend aan.

„Agnes!” zei ik met een dikke tong. „Goede Hemel! Agnes!”

„Stil! smeek ik u!” antwoordde zij, maar ik begreep volstrekt niet
waarom. „Gij hindert de menschen! Kijk liever naar het tooneel!”

Ik volgde haar bevel op en trachtte mijn oogen op het tooneel gevestigd
te houden en iets te verstaan van hetgeen er gesproken werd, maar te
vergeefs. Een oogenblik later keek ik weder naar haar en zag ik haar
wegkruipen in een hoekje en haar hand naar het voorhoofd brengen.

„Agnes!” zei ik. „Ik vrees dat gij niet wel zijt.”

„O, jawel. Maak u over mij niet ongerust, Trotwood,” antwoordde zij.
„Luister eens! Gaat gij spoedig heen?”

„Of ik spoedig weer heenga?” herhaalde ik.

„Ja.”

Een oogenblik kwam de dwaze gedachte in mij op om haar te antwoorden,
dat ik wachten zou om haar naar beneden te geleiden. Ik onderstel,
dat ik ook wel zoo iets gezegd zal hebben, want zij keek mij eenige
oogenblikken doordringend aan en scheen mij te begrijpen. Zachtjes
sprak zij:

„Ik weet wel dat gij doen wilt wat ik u verzoek, als ik u zeg dat ik
het ernstig meen. Ga nu heen, Trotwood, om mij genoegen te doen; vraag
aan uwe vrienden of zij u naar huis willen brengen.”

Zij had mij voor een oogenblik tot het besef van mijn toestand
gebracht en hoewel ik natuurlijk boos op haar was, schaamde ik mij
toch ook en met een kort: ‚Goenach!’—hetgeen voor goeden nacht! moest
doorgaan—stond ik op en ging heen. De vrienden volgden mij en ik
stapte in eens uit de loge in mijn slaapkamer, waar Steerforth alleen
bij mij was en mij hielp bij het ontkleeden en waar ik hem met horten
en stooten vertelde, dat Agnes mijne zuster was, en hem bezwoer den
kurketrekker op te zoeken om een flesch open te trekken.

Ik zal maar niet beschrijven, hoe daar iemand in mijn bed lag,
die al het voorgevallene, kris en kras door elkander, als in een
koortsachtigen droom herhaalde en doorleefde, terwijl het bed op de
baren van de zee scheen te drijven en geen oogenblik stil stond! Hoe
ik, toen die iemand langzaam in mij begon over te gaan, een keel zoo
droog en een tong zoo hard had als perkament, ja, meende, dat mijne
tong de bodem was van een ledigen ketel, door langdurig gebruik
versleten, die boven een zacht vuur hing, en de binnenvlakten van
mijne handen gloeiende ijzeren platen, die zelfs met geen ijs waren te
verkoelen.....

O, die angst, die wroeging en schaamte, toen ik den volgenden morgen
weder tot bewustzijn was gekomen! O, dat afgrijzen van mij zelven,
die angst, dat ik minstens duizend misdrijven had gepleegd, die ik
allen vergeten had en waarvoor ik nimmer boete zou kunnen doen—de
herinnering aan dien onvergetelijken blik, waarmede Agnes mij had
aangekeken—de marteling omdat ik haar onmogelijk iets van mij kon
laten weten, want in mijne afschuwelijke dronkenschap had ik niet
gevraagd, hoe zij te Londen kwam en waar zij logeerde—de walging, die
ik ondervond bij den aanblik van de kamer, waar het drinkgelag was
gehouden—het bonzen in mijn hoofd—de stank van de sigarenrook, al die
glazen en eindelijk de onmogelijkheid om uit te gaan, ja, zelfs om op
te staan! O, welk een vreeselijken dag bracht ik door!

O, welk een avond, toen ik bij den haard zittende, met een kop bouillon
van lamsvleesch, waarop tallooze oogjes vet dreven, in de hand, meende
den weg op te zullen gaan van mijn voorganger. Een oogenblik kwam het
plan in mij op om naar Dover te snellen en alles te bekennen! Welk een
avond, toen juffrouw Crupp binnenkwam om den bouillonkop weg te halen
en mij, als eenig overblijfsel van het feest, een klein nierenbroodje
te brengen en ik werkelijk eene opwelling kreeg om mij aan hare
nankingsche borst te werpen en vol berouw uit te roepen: „O, juffrouw
Crupp, juffrouw Crupp, laat die klieken maar blijven! Ik voel mij zoo
ellendig!”—De eenige reden, die mij weerhield, was de twijfel of
juffrouw Crupp wel de persoon was om zooveel vertrouwen in te stellen!



XXV.

Goede en booze engelen.


Toen ik op den morgen na dien dag van hoofdpijn, berouw en ellende—op
zonderlinge wijze in de war omtrent den datum van mijn diner, alsof
een troep Titans met een reusachtigen hefboom den dag van eergisteren
eenige maanden hadden teruggewrongen—op het punt was om uit te gaan,
zag ik een boodschaplooper de trap opkomen met een brief in de hand.
Op dit oogenblik nam hij de zaak, waarover hij was uitgezonden, heel
kalmpjes op, maar toen hij mij bovenaan de trap over de leuning zag
kijken, versnelde hij zijn gang en kwam boven, hijgende alsof hij zich
bijzonder had uitgesloofd.

„Is u mijnheer T. Copperfield?” vroeg hij met zijn klein stokje even
tegen zijn hoed tikkend.

Ik kon nauwelijks antwoord geven, zoo ontroerde ik bij de gedachte, dat
deze brief van Agnes zijn moest. Evenwel, ik zei, dat ik mijnheer T.
Copperfield was en hij geloofde het, gaf mij den brief en bleef wachten
op antwoord.

Ik liet hem op het portaal wachten, ging mijn kamer binnen, sloot de
deur en was zoo zenuwachtig, dat ik eerst den brief op de ontbijttafel
moest neerleggen en den buitenkant nog eens goed bekijken eer ik
besluiten kon het zegel te verbreken. Het was een vriendelijk briefje,
waarin geen woord gerept werd van onze ontmoeting in de komedie. Het
behelsde niets anders dan: „Beste Trotwood. Ik logeer bij een agent van
papa, bij mijnheer Waterbrook, Ely-plein, Holborn. Komt gij mij vandaag
een bezoek brengen? Bepaal zelf het uur maar. Steeds uwe u liefhebbende
Agnes.”

Ik had zooveel tijd noodig om een antwoord op te stellen, dat mij
voldeed dat ik niet weet wat de boodschaplooper wel van mij gedacht
moet hebben, tenzij hij meende, dat ik nog moest leeren schrijven.
Ik moet wel een half dozijn antwoorden geschreven hebben. Een er van
begon: „Hoe kan ik ooit de hoop koesteren, lieve Agnes, den walgelijken
indruk uit te wisschen,” dat beviel mij niet en werd verscheurd.
Een ander begon: „Shakespeare zegt, lieve Agnes, ‚wat is het toch
vreemd, dat iemand zoo dikwijls zijn vijand in den mond steekt’”—dit
herinnerde mij aan Markham en werd daarom niet voortgezet. Ik
beproefde zelfs in versmaat te antwoorden, maar ook dat gelukte niet.
Eindelijk nam ik genoegen met het navolgende: „Lieve Agnes. Uw briefje
is gelijk gij zelve zijt. Kan ik er grooter loftuiting aan brengen dan
deze? Ik kom te vier uur. Uwen u toegenegen en berouwvolle T. C.” Met
dit briefje, dat ik, zoodra het uit mijne handen was, weder wilde
terughalen, vertrok de looper eindelijk.

Indien deze dag voor een der ambtenaren van Doctors' Commons half zoo
vreeselijk was als voor mij, dan was het zeker tot straf voor zijn
aandeel in die oude, vermolmde, kerkelijke rommelzoo. Ik verliet het
kantoor alzoo te half vier en stond reeds eenige minuten later de
aangeduide woning te bespieden, maar toch was het ruim kwartier
over vieren op de klok van de St. Andreaskerk, eer ik genoeg moed
bijeengezameld had om de hand naar de huisschel uit te strekken, die in
den linker deurpost van mijnheer Waterbrook's woning was aangebracht.
Het kantoor van mijnheer Waterbrook was op de benedenverdieping,
terwijl op de tweede bezoeken werden ontvangen. Ik werd in een lief,
doch eenigzins smal salon gelaten, waar Agnes aan een beursje zat te
werken. Zij zag er zoo lief en kalm uit en herinnerde mij zoo sterk
aan den onbezorgden, schuldeloozen schooljongen in Canterbury, in
tegenstelling van den lompen, dronken, met sigarendamp doortrokken
ellendeling in de komedie, dat ik mij geheel overgaf aan mijne
opwelling van schaamte en berouw, kortom, mij erg dwaas aanstelde.
Ik geloof zelfs, dat de waterlanders te voorschijn kwamen. Tot op
dit oogenblik heb ik nog niet met zekerheid kunnen bepalen of dit de
verstandigste dan wel de belachelijkste partij was, die ik kiezen kon.

„Als het iemand anders ware geweest, Agnes,” sprak ik, mijn hoofd
afwendende, „zou het mij niet half zooveel leed doen! Maar dat gij mij
in dien toestand zien moest! O, ik wilde dat ik vóór dien tijd maar
gestorven was!”

Zij legde haar handje gedurende een oogenblik op mijn arm—zoo kon
alleen hare hand mij aanraken—en ik voelde mij daardoor zoo getroost
en bemoedigd, dat ik niet kon nalaten die hand dankbaar te kussen.

„Ga zitten,” zei Agnes op vroolijken toon. „Wees niet zoo verdrietig,
Trotwood. Indien gij mij niet zoudt kunnen vertrouwen, in wie zoudt gij
dan wel vertrouwen kunnen stellen?”

„O, Agnes!” antwoordde ik. „Gij zijt mijn goede engel!”

Zij glimlachte, maar er lag, naar het mij voorkwam, iets droevigs in
dien lach.

„Ja, Agnes, mijn goede engel. Altijd mijn goede engel!”

„Indien ik dat was, Trotwood, zou er één ding zijn, dat ik niet in mijn
hart mocht opsluiten,” antwoordde zij.

Ik keek haar vragend aan, doch had reeds een vaag vermoeden van hetgeen
zij bedoelde.

„Ik zou u waarschuwen,” hernam zij en keek mij daarbij scherp aan,
„tegen uw boozen engel.”

„Maar, lieve Agnes,” riep ik uit, „gij bedoelt Steerforth toch niet....”

„Ja, zeker, Trotwood,” antwoordde zij.

„Dan verkeert gij in eene grove dwaling, Agnes. Steerforth.... mijn
booze engel of van wien ook! Hij, mijn leidsman, mijn beschermer en
vriend! Maar, lieve Agnes! Is het niet onbillijk en geheel in strijd
met uw eerlijk hart, hem te beoordeelen naar hetgeen gij op dien
bewusten avond van mij gezien hebt?”

„Ik beoordeel hem niet naar hetgeen ik dien bewusten avond van u gezien
heb,” antwoordde zij kalm.

„Naar wat dan?”

„Naar vele dingen.... beuzelingen op zich zelve, maar allen te zamen
genomen voor mij ernstig genoeg. Ik beoordeel hem voornamelijk naar
hetgeen gij van hem verteld hebt, Trotwood, en naar den invloed, dien
hij op u heeft geoefend.”

Er was in hare lieve stem altijd iets, dat een snaar in mijn binnenste
scheen aan te roeren, die alleen bij deze aanraking trilde. Het was
altijd een ernstige klank, maar als die heel ernstig was, zooals nu,
dan trilde de snaar zoo, dat ik er geheel door werd overmeesterd. Ik
bleef haar aanstaren, terwijl zij haar hoofd over haar werk boog; ik
zat nog naar haar te luisteren, hoewel zij niet meer sprak en hoe ik
ook aan Steerforth gehecht was, op dit oogenblik kwam de aureool,
waarin hij mij altijd verschenen was, mij minder schitterend voor.

„Het is wel vermetel van mij,” hervatte Agnes, opkijkende, „van mij,
die steeds in zulk een afzondering heb geleefd en zoo weinig van de
wereld ken, u raad te willen geven en zelfs zulk een bepaalde meening
uit te spreken. Maar ik weet, waarin die vermetelheid haar oorsprong
vindt, Trotwood: in de herinnering aan onze gemeenschappelijke
opvoeding en in mijne belangstelling in alles wat u betreft. Dit is
het, wat mij zoo vermetel maakt. Ik ben er zeker van, dat het dit is.
Ik heb een gevoel alsof er iemand anders tot u spreekt, wanneer ik u
waarschuw, dat gij een gevaarlijken vriend hebt.”

Wederom keek ik haar aan, wederom luisterde ik naar haar, nadat zij
reeds langen tijd zweeg, en wederom verbleekte het beeld, dat zich zulk
een eereplaats in mijn hart veroverd had.

„Ik ben niet zoo onredelijk om te verwachten,” zei Agnes op haar
gewonen toon, „dat gij op eenmaal afstand wilt of kunt doen van een
gevoel, dat eene overtuiging voor u geworden is, dat in uw trouwe hart
is vastgeworteld. Gij moogt dat zelfs niet overhaast doen. Ik vraag u
alleen of gij altijd aan mij denken zult..... ik bedoel, Trotwood,”
vervolgde zij met een kalmen glimlach, want ik was op het punt om haar
in de rede te vallen en zij wist waarom, „ik bedoel dat gij, telkens
wanneer gij aan mij denkt, ook zult denken aan hetgeen ik u gezegd
heb. Wilt gij mij nu dit alles wel vergeven?”

„Ik zal het u vergeven, Agnes,” antwoordde ik, „wanneer gij Steerforth
recht wilt laten wedervaren en evenveel van hem houden wilt als ik doe.”

„Niet eerder?” vroeg Agnes.

Ik zag een schaduw over haar gelaat glijden toen ik zijn naam noemde,
maar zij beantwoordde mijn glimlach, en de ongedwongen vertrouwelijke
toon van vroeger keerde terug.

„En wanneer, Agnes,” vroeg ik, „zult gij mij het gebeurde van dien
avond vergeven?”

„Wanneer ik er weder aan denk,” zei Agnes.

Zij had op deze wijze van het onderwerp willen afstappen, maar ik was
er te zeer mede vervuld om daarin te kunnen bewilligen; ik moest haar
vertellen hoe het gekomen was, dat ik mij zoo was te buiten gegaan
en welk een reeks van toevallige omstandigheden mij eindelijk in de
komedie had gebracht. Het was werkelijk eene verademing voor mij, dat
ik het doen kon, dat ik eens kon uitweiden over de verplichting, die
ik aan Steerforth had voor de wijze, waarop hij voor mij zorg gedragen
had, toen ik niet meer in staat was om voor mij zelven te zorgen.

„Gij moet niet vergeten,” zei Agnes kalm op een ander onderwerp
overgaande, zoodra ik had uitgesproken, „dat gij mij altijd zoudt
vertellen, als gij op de eene of andere wijze in moeilijkheden geraakt
of verliefd wordt. Wie is de opvolgster van juffrouw Larkins, Trotwood?”

„Niemand, Agnes.”

„Jawel, er is wel iemand, Trotwood,” zei Agnes lachend
en met opgeheven vinger.

„Neen, Agnes, op mijn woord niet! De eenige dame, met wie ik hier heb
kennis gemaakt, is een zekere juffrouw Dartle, een zeer verstandig
meisje; zij woont bij Steerforth's mama. Ik ben echter niet verliefd op
haar, al praat ik gaarne met haar.”

Agnes lachte om haar eigen scherpzinnigheid en zei, dat, indien ik
vertrouwen in haar bleef stellen, zij een klein register zou aanleggen
van al mijne verliefdheden, met de datums, den duur en den afloop van
elke afzonderlijk, op de wijze als de tafels van de regeeringen der
koningen en koninginnen van Engeland. Daarna vroeg zij of ik Uriah ook
gezien had.

„Uriah Heep?” riep ik: „Neen! Is hij in Londen?”

„Hij komt elken dag beneden op het kantoor,” antwoordde Agnes. „Hij was
reeds een week vóór mij in Londen. Ik vrees voor onaangename zaken,
Trotwood.”

„Gij maakt u toch over niets ongerust, Agnes?” vroeg ik. „Welke
onaangename zaken kunnen dat zijn?”

Agnes legde haar werk ter zijde, vouwde de handen over elkander en
antwoordde mij met dien eigenaardigen, zachten oogopslag: „Ik vermoed,
dat hij een compagnieschap wenscht aan te gaan met papa.”

„Wat? Uriah? Die gemeene, lage kerel zou het zoover brengen met zijne
kruiperige manieren?” riep ik verontwaardigd uit. „Hebt gij u daar niet
tegen verzet, Agnes? Bedenk eens, hoe nauw de betrekking dan met hem
worden zal! Gij moet het afraden! Gij moet uw vader van zulk een dwazen
stap terughouden, gij moet het beletten, Agnes! Nu is het nog niet te
laat!”

Agnes keek mij hoofdschuddend aan, terwijl ik sprak, en antwoordde met
een dankbaren blik voor mijn warm pleidooi:

„Gij herinnert u zeker ons laatste gesprek over papa? Niet lang
daarna—ongeveer twee of drie dagen—gaf hij mij voor het eerst iets
te kennen van hetgeen ik u nu vertel. Het was treurig hem te zien
worstelen tusschen den wensch om het mij te doen voorkomen, alsof het
zijne vrije keuze was, en de onmogelijkheid om te verbergen, dat hij er
toe genoodzaakt werd. O, ik had zoo'n medelijden met hem.”

„Genoodzaakt, Agnes? Wie noodzaakt hem daartoe?”

„Uriah,” antwoordde zij na even geaarzeld te hebben, „heeft zich
onmisbaar gemaakt voor papa. Hij is slim en opmerkzaam. Hij heeft papa
op diens zwakheden betrapt, ze bevorderd en er partij van getrokken,
totdat—om alles wat ik bedoel maar in een enkel woord uit te spreken,
Trotwood—totdat papa bang voor hem is geworden.”

Ik zag duidelijk, dat zij nog meer had kunnen zeggen, dat zij nog meer
wist of vermoedde; maar ik wilde haar geen leed doen door te vragen
wat het was, want ik begreep, dat zij het voor mij verborgen hield uit
liefde voor haar vader. Ik voelde, dat het langzaam maar zeker zoover
had moeten komen, ja, bij eenig nadenken moest ik wel beseffen, dat het
eindelijk zoo ver had moeten komen. Ik kon er niets op antwoorden.

„Zijn invloed op papa is zeer groot,” hernam Agnes. „Hij geeft altijd
voor nederig en dankbaar te zijn—misschien meent hij dat oprecht; ik
hoop het ten minste; maar zijne positie verschaft hem macht over papa
en ik vrees, dat hij er veel gebruik van maakt.”

Ik zei dat hij een gemeene hond was—voor het oogenblik was dit eene
groote voldoening voor mij.

„Even vóór het tijdstip waarop papa mij deze mededeeling deed,”
vervolgde Agnes, „had hij papa gezegd, dat hij voornemens was heen te
gaan, dat het hem wel speet, maar dat hij betere vooruitzichten had.
Papa was toen zeer neerslachtig en ging zoo gebukt onder de zorgen, als
gij noch ik hem ooit gekend hebben; het denkbeeld van eene associatie
scheen hem wat moed te geven, ofschoon hij er zich te gelijkertijd over
scheen te schamen.”

„En wat zeidet gij op dat bericht, Agnes?”

„Ik hoop gedaan te hebben wat goed was,” antwoordde zij. „Ik voelde,
dat dit offer voor papa's rust noodzakelijk was en drong er dus op
aan, dat hij het zou brengen. Ik zeide dat het den last, die op zijne
schouders drukte, zou verlichten—God geve, dat het zoo zijn zal!—en
dat ik daardoor meer gelegenheid zou hebben om met hem samen te zijn.
O, Trotwood!” sprak Agnes met de handen voor het gelaat om hare tranen
te verbergen, „ik had een gevoel alsof ik een vijand was van papa,
in plaats van zijn liefhebbend kind. Want ik wist hoe zijne liefde
voor mij hem heeft doen veranderen. Ik wist hoe hij den kring zijner
belangstelling en zijner plichten al nauwer en nauwer heeft doen worden
ter wille van mij; hoe zijn angst voor mij een schaduw op zijn leven
geworpen, zijne kracht en zijne energie verlamd hebben; van hoeveel hij
heeft afgezien ter wille van mij. Kon ik dat maar ooit in het reine
brengen! Kon ik maar zijne genezing bewerken evenals ik de onschuldige
oorzaak geweest ben van zijn verval!”

Ik had Agnes nog nooit zien schreien. Ja ik had tranen in haar oogen
gezien, wanneer ik prijzen medebracht van de school; ik had ze gezien
toen wij dat gesprek hadden gehad over haar vader; en ik had ook gezien
hoe zij haar lieve kopje afwendde toen wij afscheid namen, maar zoo
bedroefd als op dit oogenblik had ik haar nooit gezien. Ik was er zoo
door ontroerd, dat ik niet dan op onhandige wijze, heel dwaas, zeggen
kon: „Doe dat niet, Agnes! Doe dat niet, lief zusje.”

Agnes stond, wat haar karakter en haar geestkracht betrof, te ver boven
mij—ik weet dat nu en het doet er niet toe of ik dat toen wist of niet
wist—om lang behoefte te hebben aan mijne smeekbeden. De lieve, kalme
uitdrukking in haar mooi gezichtje, die haar in mijne herinnering van
ieder ander meisje onderscheidde, keerde terug, alsof er een wolkje
langs een helderblauwen hemel was gedreven.

„Wij zullen waarschijnlijk niet lang meer alleen blijven,” hernam
Agnes: „laat ik u dus, terwijl ik nog in de gelegenheid ben, verzoeken,
vriendelijk te zijn jegens Uriah. Stoot hem niet af. Toon hem niet,
dat gij hem niet genegen zijt, al zoudt gij dat ook nog zoo gaarne
willen. Misschien verdient, hij uwe minachting niet, want met zekerheid
kunnen wij hem van geen kwaad beschuldigen. Denk in elk geval eerst aan
papa en mij!”

Agnes had geen gelegenheid om meer te zeggen, want de kamerdeur
werd geopend en mevrouw Waterbrook kwam binnen zeilen; het was een
breede dame of liever.... zij droeg zulke omvangrijke kleederen, dat
ik niet met zekerheid kon bepalen waar de dame begon en de kleederen
eindigden en omgekeerd. Eene vage herinnering doemde in mij op, dat
ik haar in de komedie gezien had, ongeveer zoo alsof ik haar in eene
flauwe tooverlantaarn had gezien; het scheen dat zij zich mijn gezicht
uitstekend herinnerde en mij heimelijk verdacht van nog dronken te
zijn. Langzamerhand kwam zij toch tot de overtuiging, dat ik nuchter
en een bescheiden jongmensch was; zij werd veel vriendelijker en vroeg
mij eerst of ik veel in de parken wandelde en daarna of ik dikwijls
de societeit bezocht. Aangezien ik deze beide vragen ontkennend
beantwoordde, scheen hare goede opinie omtrent mijn persoon te
verminderen, maar zij was zoo beleefd om dat te verbergen en mij voor
den volgenden dag aan hare tafel te noodigen. Ik nam deze uitnoodiging
aan en vertrok, terwijl ik beneden komende naar Uriah informeerde en,
aangezien hij niet aanwezig was, een kaartje voor hem achterliet.

Toen den volgenden dag de huisdeur voor mij geopend werd, kwam het mij
voor alsof ik plotseling in een dampbad van gebraden schapebout stapte,
welke omstandigheid mij deed vermoeden dat _ik_ niet de eenige gast
was; bovendien herkende ik onmiddellijk den boodschaplooper, die in
eene toepasselijke vermomming den huisknecht behulpzaam was en aan den
voet van de trap wachtte om mij aan te dienen. Toen hij mijn naam vroeg
deed hij zijn uiterste best, om mij als een onbekende te behandelen,
maar ik herkende hem en hij herkende mij.

Mijnheer Waterbrook was iemand van middelbaren leeftijd met korten
nek, een reusachtig overhemd en een gezicht, waaraan alleen de zwarte
neus ontbrak om den eigenaar op een puckhondje te doen gelijken. Hij
vertelde mij, dat het hem zeer verheugde de eer te mogen genieten
kennis met mij te maken en nadat ik de verschuldigde hulde aan mevrouw
Waterbrook bewezen had, stelde hij mij met veel plechtigheid voor aan
eene reusachtige dame in een zwart fluweelen japon en met een grooten,
zwart fluweelen hoed op. Deze dame maakte den indruk op mij, dat zij
wel een bloedverwant van Hamlet zijn kon—zijne tante bijvoorbeeld.
Zij heette mevrouw Henry Spiker en haar echtgenoot behoorde ook tot
de genoodigden; nooit ontmoette ik een man, die kouder indruk maakte
dan mijnheer Spiker; zijn hoofd was niet grijs, maar scheen bestrooid
te zijn met rijp. Mijnheer en mevrouw Spiker werden met in het oog
vallenden eerbied bejegend; volgens Agnes was dit het gevolg van zijne
betrekking: hij was iets—wat weet ik niet meer—bij de schatkist.
Uriah Heep behoorde ook tot het gezelschap; hij was in het zwart, en o,
zoo nederig! Terwijl wij elkander de hand gaven, zei hij er trotsch op
te zijn, door mij opgemerkt te worden en bedankte hij mij voor mijne
vriendelijkheid. Ik kon den wensch niet onderdrukken, dat hij wat
minder erkentelijk ware geweest, want hij bleef den geheelen avond om
mij heen dwalen en wanneer ik maar een woord met Agnes wisselde, kon ik
zeker zijn, dat hij met zijne onbeschaamde oogen en zijn lijkkleurig
gezicht als een spook om ons heen waarde om ons te beluisteren.

Er waren nog meer gasten, die allen naar het mij voorkwam, evenals de
champagne, voor deze gelegenheid in het ijs waren gezet. Een van hen
trok echter reeds mijne aandacht nog eer hij binnen was, omdat ik hem
hoorde aandienen met den naam Traddles! Mijn geest vloog terug naar
Salem House; zou het Tommy kunnen zijn, Tommy, die altijd geraamten
teekende op zijne lei? Met buitengewone belangstelling keek ik naar hem
uit. Daar trad een jonge man de kamer binnen, zeer stemmig gekleed, met
kalme, bedaarde manieren, vreemdsoortig gekapt haar en bijzonder wijd
geopende oogen; ik had geen tijd om hem nauwkeurig gade te slaan, zoo
spoedig was hij in een van de donkerste hoekjes verdwenen. Eindelijk
kreeg ik hem goed in het oog en, ja, dat was mijn oude, miskende Tommy
of—mijne oogen hadden mij al heel erg moeten bedriegen.

Ik ging naar mijnheer Waterbrook en zei dat ik meende het genoegen te
hebben een ouden schoolkennis te zien.

„Zoo? Waarlijk?” antwoordde mijnheer Waterbrook verrast. „Gij zijt toch
nog te jong om met mijnheer Henry Spiker op school te zijn geweest?”

„O, dien bedoel ik niet!” zei ik. „Ik bedoel mijnheer Traddles.”

„O, zoo! zoo! waarlijk!” zei mijn gastheer, wiens belangstelling
plotseling zeer gedaald was. „Dat is mogelijk.”

„Indien hij dezelfde is dien ik bedoel,” ging ik voort, „dan hebben wij
elkander op Salem House gekend, een school in de nabijheid van Londen.
Hij was een beste, brave jongen.”

„O, zeker! Traddles is een beste jongen,” zei mijn gastheer, terwijl
hij zijn hoofd schudde alsof hij zeggen wilde: „wij dulden hem hier.”
„Ja, Traddles is een beste jongen.”

„Het is wel toevallig,” hernam ik.

„Ja, dat is het,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „het is zeer
toevallig, dat Traddles hier is hedenavond; hij is van morgen nog
genoodigd, omdat de broeder van mevrouw Henry Spiker ongesteld is en
er dus eene plaats aan tafel onbezet zou zijn geweest. Een hoogst
fatsoenlijk man, die broeder van mevrouw Henry Spiker, mijnheer
Copperfield.”

Ik mompelde iets, dat op een toestemming geleek, maar ik kende den
persoon, over wien mijnheer Waterbrook sprak, volstrekt niet.

„Welke betrekking bekleedt mijnheer Traddles?” vroeg ik.

„Traddles,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „is meester in de rechten.
Ja, hij is een beste jongen ....... hij heeft geen enkelen vijand dan
zich zelf.”

„Wat? Is hij zijne eigen vijand?” vroeg ik. Het speet mij dat te hooren.

„Ja,” antwoordde mijnheer Waterbrook, terwijl hij zijne mond samentrok
en met zijn horlogeketting speelde op de wijze van iemand, wien het
goed gaat in de wereld. „Ik moest eigenlijk zeggen, dat hij een van
die menschen is, welke zich zelven in het licht staan. Ik zou wel een
weddenschap durven aangaan, dat hij nooit vijfhonderd pond waard zal
zijn. Traddles was mij aanbevolen door een collega .... ja, hij heeft
eenig talent om iets te stellen en behoorlijk op schrift te brengen
.... zeker .... ik kan hem nu en dan ook wel eens iets opdragen, iets
dat voor hem .... heel aardig is. O, zeker, zeker....”

De genoegelijke, zelfgenoegzame wijze, waarop mijn gastheer die kleine
woordjes als „ja” en „zeker” uitsprak, trok mijne aandacht. Daar lag
eene wonderlijke uitdrukking in. Ik dacht aan het verhaal van den man,
die, om niet te zeggen met den helm, dan toch met een stormladder
geboren was en al de sporten, een voor een, geleidelijk, zonder eenige
moeite zijnerzijds, was opgeklommen en nu, van de bovenste sport, met
een wijsgeerigen, beschermenden blik op de wormen aan den voet van de
ladder neerkeek.

Nog was ik verdiept in mijne overpeinzingen betreffende deze parabel,
toen de gasten aan tafel verzocht werden. Mijnheer Waterbrook bood den
arm aan Hamlet's tante; mijnheer Henry Spiker aan mevrouw Waterbrook;
Agnes, die ik gaarne naar tafel geleid zou hebben, was in beslag
genomen door een onnoozelen hals met slappe beenen. Uriah, Traddles
en ik kwamen, als de jongsten van het gezelschap, achteraan. Mijne
teleurstelling omdat Agnes mij ontgaan was, werd getemperd, omdat mij
daardoor de gelegenheid werd gegeven de kennismaking met Traddles te
hernieuwen, die mij met groote blijdschap begroette; terwijl Uriah zoo
kruiperig en nederig naast ons voortstapte, dat ik hem gaarne over de
trapleuning zou hebben gesmeten.

Traddles en ik zaten ver van elkander af, daar wij onze plaatsen
aan de tegenovergestelde uiteinden van de tafel vonden; hij, in
den warmen gloed van een dame in rood fluweel; ik, in de schaduw
van Hamlet's tante. Het maal duurde lang en het gesprek liep
over aristocratie en.... bloed. Mevrouw Waterbrook vertelde ons
herhaaldelijk, dat indien zij ééne zwakheid had, dan was het ....
Bloed.

Meermalen kwam de gedachte in mij op, dat wij ons zeker beter
geamuseerd zouden hebben, als wij niet zoo stijf en opgeprikt hadden
gezeten. Wij waren zoo stijf, dat de kring, waarin ons gesprek zich kon
bewegen, ook zeer beperkt was. Een zekere mijnheer en mevrouw Gulpidge
waren ook van de partij en—mijnheer Gulpidge bedoel ik—scheen zoo
iets als rechtsgeleerd adviseur bij de Bank te zijn; en door die Bank
en die schatkist waren wij zoo stijf als men in een hofkring maar zijn
kan. Het familiezwak van Hamlet's tante om telkens alleenspraken te
houden over elk onderwerp, dat maar even werd aangeroerd, was niet
geschikt om daarin verbetering te brengen. Wel is waar werden er weinig
onderwerpen ter sprake gebracht, maar zoodra wij weder op adel en bloed
terugkwamen, had zij een even groot veld voor bespiegelingen als haar
neef zelf.

Al waren wij een gezelschap kannibalen geweest dan zou het woord
„Bloed” geen grootere rol in de gesprekken hebben kunnen spelen.

„Ik moet bekennen, dat ik het geheel eens ben met mijne vrouw,” zei
mijnheer Waterbrook met zijn wijnglas voor het oog. „Andere dingen
laten mij koud, maar Bloed niet!”

„O, er is niets, waarin een mensch zooveel bevrediging kan vinden!” zei
Hamlet's tante. „Er is niets, dat zoo zeer iemand's ideaal kan zijn—in
het algemeen gesproken! Er zijn enkele bekrompen wezens—niet veel.....
ik ben blijde dat te kunnen gelooven..... er zijn er enkele..... die
zouden willen—wat ik noem—knielen voor afgoden. Werkelijke afgoden!
Voor verdiensten, vernuft en zoo al meer. Maar dat zijn onzichtbare
hoedanigheden. Bloed niet! Wij zien het bloed in den neus en herkennen
het als Bloed. Wij zien het in de kin en zeggen: Daar is het! Dat is
Bloed! Het is iets tastbaars. Wij kunnen het aanwijzen. Het laat ons
niet in twijfel.”

De onnoozele hals met de slappe beenen, die Agnes naar tafel had
geleid, kwam nog beslister voor de zaak uit.

„Wat drommel,” zei deze heer met een dommen glimlach om den mond de
tafel rondkijkende, „wat drommel, wij kunnen niet buiten Bloed, dat is
het! Wij moeten Bloed hebben, begrijpt ge! Er zijn wel jonge lieden,
begrijpt ge, die wellicht wat opvoeding en levenswijze betreft, een
weinig beneden hun stand blijven, begrijpt ge, en nu en dan eens een
zijpad inslaan en zichzelven en anderen op verschillende wijzen in
verlegenheid brengen, begrijpt ge; maar, wat drommel, het is toch een
genot te weten, dat zij ook Bloed hebben. Ik zelf zou liever neergeveld
worden door iemand, die Bloed in de aderen heeft, dan opgeraapt door
iemand, die 't niet heeft!”

Deze beschouwing, die de geheele zaak tot den inhoud van een notendop
terugbracht, werd algemeen toegejuicht en bracht dit jonge mensch in
groot aanzien, tot de dames van tafel opstonden. Daarna merkte ik op,
dat mijnheer Gulpidge en mijnheer Spiker, die tot dusver bijzonder
stroef geweest waren, een defensief verbond sloten tegen ons, den
gemeenschappelijken vijand, en over de tafel heen een geheimzinnig
gesprek voerden, dat ons geheel uit het veld moest slaan.

„De zaak van die eerste hypotheek van vier duizend vijf honderd pond
heeft niet den loop genomen, die verwacht was, nietwaar, Spiker?” vroeg
mijnheer Gulpidge.

„Bedoelt gij die van de D van A's?” vroeg mijnheer Spiker.

„De C van B's!” antwoordde mijnheer Gulpidge.

Mijnheer Spiker trok de wenkbrauwen op en keek zeer bezorgd.

„Toen men zich beriep op Lord.... ik behoef den naam niet te noemen....”

„O, ik begrijp u,” zei mijnheer Spiker, „Lord N.....” Mijnheer Gulpidge
knikte even.... „zich beriep op hem, was het antwoord: Geld of geen
ontslag!”

„Goede hemel!” riep mijnheer Spiker.

„Geld of geen ontslag!” herhaalde mijnheer Gulpidge op vasten toon.
„De tweede, die aan bod was.... gij begrijpt mij....”

„K.,” zei mijnheer Spiker met een onheilspellenden blik.

„Welnu, K. weigerde te teekenen. Hij werd nog van Newmarket gehaald,
maar hij weigerde beslist.”

Mijnheer Spiker bleef als versteend zitten.

„Zoo staan de zaken op dit oogenblik,” zei mijnheer Gulpidge, terwijl
hij achter in zijn stoel ging zitten. „Onze vriend Waterbrook zal het
mij wel vergeven, dat ik slechts in algemeene termen heb gesproken; er
zijn al te groote belangen in het spel.”

Mijnheer Waterbrook was al te gelukkig, dat aan zijn tafel zulke
belangen door zulke personen behandeld werden om zelfs te denken
aan kwalijk nemen. Hij trok een hoogst ernstig gezicht—ofschoon ik
vermoedde, dat hij van het gesprek even weinig begreep als ik—en gaf
op luiden toon zijne goedkeuring te kennen over de omzichtigheid,
welke men in acht had genomen.

Na zulk een bewijs van vertrouwen ontvangen te hebben, verlangde
mijnheer Spiker natuurlijk zijn vriend ook een blijk van het zijne te
geven, zoodat dit gesprek door een tweede van nog geheimzinniger aard
gevolgd werd, waarin mijnheer Gulpidge aan de beurt was om zich te
verbazen en door nog een, waarin mijnheer Spiker zich weer verbaasde
en zoo om en om. Gedurende al dien tijd zaten wij, leeken, onder den
indruk van de onvergelijkelijke geheimzinnigheid en belangwekkendheid
der gesprekken, toe te luisteren en onze gastheer wierp ons nu en
dan een trotschen blik toe, als wilde hij zeggen, dat wij, arme
slachtoffers, een heilzame les ontvingen.

Ik was blijde eindelijk naar boven te kunnen gaan, naar Agnes, met
haar in een hoekje te kunnen praten en haar met Traddles in kennis
te brengen, die wel wat verlegen, maar toch nog dezelfde goedhartige
jongen was, als hij op Salem House altijd was geweest. Aangezien hij
genoodzaakt was vroeg heen te gaan, omdat hij den volgenden morgen voor
een maand op reis zou gaan, kon ik mij niet zooveel met hem bezighouden
als ik wel gewenscht had; wij gaven echter elkander ons adres op en
beloofden elkander te zullen opzoeken, zoodra hij terug was. Hij was
ten hoogste verbaasd, dat ik Steerforth wel ontmoette, en sprak met
zooveel warme belangstelling over hem, dat ik hem verzocht Agnes zijne
meening omtrent onzen wederzijdschen vriend mede te deelen. Maar Agnes
keek mij maar aan, zoolang Traddles aan het woord was, en schudde even
haar hoofd, toen dit alleen door mij kon opgemerkt worden.

Aangezien zij hier niet in eene omgeving was, waarin zij zich, naar
het mij ten minste voorkwam, erg thuis kon gevoelen, was ik bijna
blijde te vernemen, dat zij binnen eenige dagen weder zou heengaan,
al deed het vooruitzicht, dat ik dan in de onmogelijkheid zou zijn
haar te ontmoeten, mij pijnlijk aan. Dit gaf mij ook aanleiding te
blijven tot het geheele gezelschap verdwenen was. Met haar te praten
en haar te hooren zingen was zulk een zalige herinnering aan mijn
gelukkig leven in het oude, deftige huis, waaraan zij zoo oneindig veel
had toegebracht, dat ik den geheelen nacht daar had kunnen blijven;
maar toen al de groote lichten in het salon waren uitgedraaid, nam ik
afscheid, hoewel zeer tegen mijn zin. Meer dan ooit voelde ik toen, dat
zij mijn goede engel was en wanneer ik aan haar lief gelaat en haar
vreedzamen glimlach dacht, alsof die werkelijk aan zulk een verheven
wezen als een engel is, toebehoorden, hoop ik daarmede geen kwaad te
hebben gedaan.

Ik zeide, dat het geheele gezelschap was heengegaan, maar ik moet Uriah
Heep daarvan uitzonderen, dien ik daaronder niet reken en die tot het
laatste oogenblik om ons heen draaide. Toen ik de trap afging, was hij
vlak achter mij en toen ik langzaam naar huis wandelde, was hij vlak
naast mij; terwijl hij zijne lange, beenige vingers in een paar groote
Guy Fawkes-handschoenen wegstopte.

Het was volstrekt niet, omdat ik zoo gesteld was op zijn gezelschap,
maar alleen om gevolg te geven aan het verzoek van Agnes, dat ik Uriah
verzocht op mijne kamer een kop koffie te komen drinken.

„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „ik vraag u
vergeving, mijnheer Copperfield, maar dat andere valt mij als van zelf
uit den mond,—ik zou niet gaarne wenschen, dat gij u eenigen dwang
oplegdet door zulk een nederig persoon als ik ben ten uwent te vragen.”

„Er is geen sprake van dwang,” zei ik. „Gaat gij mede?”

„O, heel gaarne,” antwoordde hij, zijn lichaam in allerlei bochten
wringend.

„Welaan dan, ga dan maar mee!” herhaalde ik.

Ik kon het niet helpen dat ik wat kortaf tegen hem was, maar hij
scheen dat niet op te merken. Wij namen den kortsten weg, zonder veel
te praten; en Uriah was nog steeds bezig met zijne vogelverschrikkers
van handschoenen aan te trekken, toen wij reeds voor juffrouw Crupp's
woning stonden. Ik hielp hem de donkere trap op, uit vrees dat hij zijn
hoofd tegen iets zou stooten en daarbij deed zijne vochtige, koude
hand zoo aan een kikvorsch denken, dat ik grooten lust gevoelde om hem
los te laten en weg te loopen. Agnes en mijn begrip van gastvrijheid
behaalden evenwel de overhand en ik bracht hem aan mijn haard. Toen
ik de kaarsen aanstak, sloeg hij de handen ineen van verrukking over
mijne kamer, en toen ik de koffie warm maakte in een eenvoudig tinnen
kannetje, waarin juffrouw Crupp ze gewoonlijk zette—voornamelijk,
vermoed ik, omdat het niet voor dit doel bestemd, maar als kannetje
voor scheerwater geboren was, en omdat er een uitstekende machine,
die veel geld gekost had, in het provisiekamertje stond te
verroesten—legde hij zulk een walgelijke aandoenlijkheid aan den dag,
dat ik hem gaarne het bruine, heete vocht in zijn gezicht zou hebben
gesmeten.

„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,—ik bedoel mijnheer
Copperfield,”—zei hij, „hoe had ik ooit durven denken, dat gij
mij nog eens bedienen zoudt! Maar op allerlei wijzen gebeuren er
dingen met mij, die ik nooit heb durven verwachten in mijn nederigen
staat; waarlijk, de zegeningen stapelen zich op mijn hoofd. Gij zult
ook wel vernomen hebben, jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer
Copperfield—welke vooruitzichten zich voor mij openen?”

Zooals hij daar op de canapee zat, met zijn lange beenen hoog
opgetrokken onder zijn kopje koffie, zijn hoed en zijne handschoenen op
den grond, dicht naast hem, zachtjes roerende met zijn lepeltje; zijne
onbeschermde roode oogen, waarvan de haartjes afgezengd schenen te
zijn, op mij gericht, zonder mij aan te kijken; terwijl de leelijke
inkepingen in zijn neus met de ademhaling op en neer gingen en hij zijn
geheele lichaam telkens slangachtig kronkelde, vervulde hij mij met
walging. Het was heel moeielijk voor mij hem tot gast te hebben, want
ik was nog jong en niet gewoon te verbloemen, wat ik zoo diep gevoelde.

„Gij hebt zeker wel het een en ander van mijne vooruitzichten vernomen,
jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield?”—vroeg Uriah.

„Ja,” antwoordde ik, „wel iets.”

„Zoo, ik dacht wel, dat juffrouw Agnes er van weten zou!” riep hij met
de grootste koelbloedigheid uit. „Ik ben blij te hooren, dat juffrouw
Agnes het weet. Ik ben u dankbaar, jongeheer—mijnheer Copperfield!”

Ik had hem den laarzentrekker, die juist voor mij op den grond lag, wel
naar het hoofd willen werpen, omdat hij mij verleid had iets mede te
deelen, dat met Agnes in verband stond, hoe onbeduidend het ook was. Ik
dronk echter mijn kop koffie ledig.

„Wat hebt gij een profetischen blik gehad, mijnheer Copperfield!”
vervolgde Uriah. „Goede Hemel, wat hebt gij een profetischen blik
gehad! Herinnert gij u nog hoe gij eens zeidet, dat ik nog eenmaal
deelgenoot zou worden in de zaak van mijnheer Wickfield, dat het
misschien nog eens Wickfield en Heep zou worden! _Gij_ moogt het u niet
herinneren, maar iemand, die nederig is, jongeheer Copperfield, bewaart
zulke woorden als een kostbaren schat.”

„Ik herinner mij wel er over gesproken te hebben,” zei ik, „ofschoon ik
het op dat oogenblik niet waarschijnlijk achtte.”

„O, wie zou er ooit over hebben durven denken, mijnheer Copperfield!”
hernam Uriah opgewonden, „ik zelf zeker niet. Ik herinner mij nog met
deze zelfde lippen gezegd te hebben, dat ik daartoe veel te nederig
was. En zoo beschouwde ik mij zelven inderdaad ook.”

Hij zat met dien zekeren grijnslach om den mond naar het vuur te
kijken, terwijl ik naar hem keek.

„Maar de nederigste menschen, jongeheer Copperfield,” hernam hij na
eene kleine pauze, „kunnen medewerken tot het goede. Het verheugt
mij te mogen zeggen, dat ik medegewerkt heb tot het goede voor
mijnheer Wickfield, en dat ik daarmede hoop voort te gaan. O, mijnheer
Copperfield, hij is zulk een braaf man, maar hij is zoo onvoorzichtig
geweest!”

„Het spijt mij dat te hooren,” zei ik, maar kon niet nalaten er op
bitsen toon bij te voegen: „in vele opzichten.”

„Zeker, zeker, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „in vele
opzichten. Ten opzichte van juffrouw Agnes in de eerste plaats!
Herinnert gij u niet uw eigen welsprekende getuigenis, jongeheer
Copperfield? Ik herinner mij zeer goed, hoe gij op zekeren dag zeidet
dat iedereen haar moest bewonderen en hoe dankbaar ik u was voor deze
woorden! Gij hebt dat zonder twijfel vergeten, jongeheer Copperfield?”

„Neen,” antwoordde ik droogjes.

„O, wat ben ik blijde, dat gij deze woorden niet vergeten hebt!” riep
Uriah uit. „Te denken, dat gij de eerste geweest zijt, die het vonkje
eerzucht in mijne borst hebt aangeblazen en dat gij het niet hebt
vergeten! O!—Zoudt gij mij nog een kopje koffie willen inschenken?”

In den nadruk, dien hij op de woorden „vonkje eerzucht” legde, en in
de wijze, waarop hij mij aankeek, was iets, dat mij deed ontstellen,
alsof ik werkelijk zijn binnenste in lichtelaaie voor mij zag. Zijn
verzoek, dat op een geheel anderen toon werd uitgesproken, bracht mij
weder tot mij zelven; ik schonk hem terstond in, doch met onvaste hand,
tengevolge van het plotselinge opgekomen bewustzijn, dat ik niet tegen
hem was opgewassen, en met een gevoel van angst en wantrouwen voor
hetgeen hij verder zeggen zou, dat onmogelijk aan zijn doordringende
blikken kon ontsnappen.

Hij zei echter niets, maar roerde in zijn koffie, nam een paar kleine
slokjes, veegde zijn kin af met zijne koude, griezelige hand, keek in
het vuur en de kamer rond, keek mij aan met een grijnslach, kronkelde
zijn lichaam in de zonderlingste bochten, roerde weder zijne koffie om,
proefde ze, maar bleef het stilzwijgen bewaren.

„Dus is mijnheer Wickfield,” zei ik eindelijk, „die zooveel waard is
als vijfhonderd Heeps en .... Copperfields,”—al had mijn leven op het
spel gestaan, zou ik niet hebben kunnen nalaten deze twee namen als met
een ruk te scheiden—„onvoorzichtig geweest, nietwaar, mijnheer Heep?”

„Ja, heel onvoorzichtig, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah met
een verlegen zuchtje. „O, zoo onvoorzichtig! Maar waarom noemt gij mij
niet Uriah, zooals vroeger?”

„Welnu dan, Uriah!” zei ik, niet zonder moeite dien naam uitsprekende.

„Dank u!” riep hij met warmte uit. „Dank u, jongeheer Copperfield.
Als ik dien naam uit uw mond hoor, is 't mij alsof ik een oud, bekend
klokje hoor luiden. Neem mij niet kwalijk, maar waarover spraken wij
toch?”

„Over mijnheer Wickfield, meen ik.”

„O, ja, dat is waar,” hernam Uriah. „Ja, hij is zeer onvoorzichtig
geweest, jongeheer Copperfield. Aan niemand dan aan u zou ik er een
woord over durven reppen. En zelfs tegen u kan ik die zaak ook niet
meer dan even aanroeren. Ware iemand anders in mijne plaats geweest
gedurende de laatste jaren, dan zou hij nu zeker mijnheer Wickfield—en
hij is, zoo'n brave man, jongeheer Copperfield!—onder den duim hebben
gehad. On... der.... den duim!” herhaalde Uriah langzaam, terwijl
hij zijne afschuwelijke hand boven mijn tafel uitstrekte en er zoo hard
met den duim op drukte, dat de tafel, ja de heele kamer er van trilde.
Al had ik hem met zijn horrelvoet op mijnheer Wickfield's hoofd zien
staan, zou ik hem niet meer hebben kunnen haten dan op dit oogenblik.

„O, jongeheer Copperfield,” ging hij op zachten toon voort, geheel
verschillend van het gebaar met zijn duim, waarmede hij even hard bleef
drukken, „er is niet aan te twijfelen. Schade en schande zou zijn deel
geweest zijn en... wie weet wat nog meer. Mijnheer Wickfield weet dit
zoo goed als ik. Ik ben het nederige werktuig, dat hem nederig dient,
en hij verheft mij tot eene hoogte, die ik niet gehoopt heb ooit te
zullen bereiken. Hoe dankbaar moet ik hem wel wezen!” Hij had na deze
woorden het gelaat naar mij toegekeerd, zonder mij aan te kijken, nam
den krommen duim van de plek, waar hij dien had geplant, en wreef er
zacht mede over zijn kaken alsof hij zich ging scheren.

Ik herinner mij nog hoe mijn hart van verontwaardiging klopte, toen ik
aan zijn geslepen gezicht, dat door het roode licht van het haardvuur
met een rossen gloed was overtogen, bemerkte dat hij zich gereed maakte
om nog meer te vertellen.

„Maar, jongeheer Copperfield,” begon hij, „houd ik u ook op?”

„O, volstrekt niet; ik ben niet gewoon vroeg naar bed te gaan.”

„Dank u, jongeheer Copperfield! Ik ben uit den nederigen staat, waarin
gij mij gekend hebt, opgeklommen, dat is waar, maar ik ben toch
nederig gebleven. Ik hoop nooit anders dan nederig te zullen zijn.
Gij zult mijn nederigheid ook wel niet in twijfel trekken, jongeheer
Copperfield, indien ik u eene vertrouwelijke mededeeling doe? Is 't
wel?”

„O, neen,” antwoordde ik, niet zonder inspanning.

„Dank u!” Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn en begon zijn
handpalmen af te drogen.

„Juffrouw Agnes, jongeheer Copperfield....”

„Wel, Uriah?”

„O, wat is het toch heerlijk zoo, alsof 't van zelf spreekt, Uriah
genoemd te worden!” riep hij, terwijl hij opsprong als een visch, die
op het droge ligt.

„Gij vondt van avond ook, dat zij er allerbekoorlijkst uitzag,
nietwaar, jongeheer Copperfield?”

„Ik vond dat zij er uitzag als altijd, ver boven hare omgeving
staande,” antwoordde ik.

„O, dank u! Ja, dat is zoo waar!” riep hij. „Ik dank u hartelijk voor
deze woorden!”

„Dat is volstrekt niet noodig,” zei ik op eenigszins afgemeten toon.
„Wat zou u aanleiding kunnen geven om mij daarvoor te bedanken?”

„Dat, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „is juist het geheim
waarvan ik u in vertrouwen mededeeling wilde doen. Zoo nederig als
ik ben,” hij wreef zijne handen nog krachtiger en bleef in het vuur
kijken, „en zoo nederig als mijne moeder is en zoo laag als ons
nederig, doch eerlijk dak altijd is geweest—ik wil u mijn geheim wel
toevertrouwen, jongeheer Copperfield, want ik heb mij aangetrokken
tot u gevoeld van het oogenblik af, dat ik u in den hittewagen zag
aankomen—heeft het beeld van Agnes eene eerste plaats ingenomen in
mijn hart. O, jongeheer Copperfield, ik heb Agnes zoo lief, dat ik den
grond zou willen kussen, waarop zij haar voet heeft gezet!”

Als ik mij goed herinner, kwam het dolzinnige denkbeeld bij mij op den
gloeienden pook uit het vuur te nemen en hem daarmede te doorsteken. Ik
schudde het met geweld van mij af, maar het beeld van Agnes, dat zelfs
door deze ééne gedachte van dit roodharig monster werd gehoond, bleef
mij bij, terwijl ik hem aankeek, zooals hij daar scheef en verdraaid op
zijn stoel zat, alsof zijn lage ziel het leelijke lichaam in de klauwen
had—ik werd er duizelig van.

Hij scheen in mijne oogen hoe langer hoe grooter en dikker te worden;
de vier muren van mijne kamer schenen het geluid van zijne stem te
weerkaatsen en de zonderlinge gewaarwording maakte zich van mij
meester—eene gewaarwording, die wellicht aan niemand vreemd is—dat
ditzelfde tooneel vroeger nog eens had plaats gehad, in lang vervlogen
tijden, en dat ik wist, wat hij nu zou zeggen.

Gelukkig merkte ik nog tijdig eene uitdrukking op in zijn gelaat, die
mij herinnerde aan de macht, welke hij over Agnes' vader had, en aan
haar verzoek om hem te ontzien. Ik vroeg hem zoo kalm, als ik een
minuut te voren onmogelijk had kunnen doen, of hij Agnes zijne liefde
reeds had verklaard.

„O, neen, jongeheer Copperfield!” antwoordde hij, „o, neen! Aan niemand
dan aan u! Gij ziet, dat ik nog moeite heb, om mij uit mijn nederigen
stand te verheffen. Ik koester veel hoop, omdat zij wel weet, hoeveel
diensten ik haar vader bewezen heb—ik vertrouw ten minste, dat ik
hem veel diensten bewezen heb, jongeheer Copperfield—en hoe ik zijn
weg zal blijven effenen. Zij is zoo gehecht aan haar vader, jongeheer
Copperfield— o, hoe beminnelijk is dat in eene dochter!—dat ik hare
genegenheid om zijnentwil denk te verwerven.”

Ik doorzag het plan van den fielt tot in de geringste bijzonderheden en
begreep, waarom hij het mij blootlegde.

„Zoo gij de goedheid wildet hebben, jongeheer Copperfield,” vervolgde
hij, „mijn geheim voor u te houden en, in het algemeen, mij niet
tegen te werken, zoudt gij mij eene groote gunst bewijzen. Gij wilt
natuurlijk geen onaangenaamheden in het leven roepen. Ik weet, dat
gij een goed hart bezit, maar wijl gij mij alleen gekend hebt in mijn
nederigen staat—in mijn nederigsten staat, moest ik zeggen, want ik
ben nog maar een gering persoon—zoudt gij mij, zonder het te willen
bij mijn Agnes kunnen tegenwerken. Ik noem haar reeds „de mijne”,
jongeheer Copperfield, zooals gij bemerkt. Ik hoop daartoe binnen
eenige dagen het recht te verkrijgen.”

Lieve, bekoorlijke Agnes! Te lief, te bekoorlijk voor wien ook! Zou het
mogelijk zijn, dat zij bestemd was om de vrouw te worden van zulk een
ellendeling?

„Er is geen haast bij, begrijpt ge, jongeheer Copperfield,” vervolgde
Uriah op zijn lijmerigen toon, terwijl ik hem met deze gedachte in
mijne ziel zat aan te staren. „Mijne Agnes is nog jong en mijne
moeder en ik willen er ons eerst geheel bovenop werken en een aantal
veranderingen brengen in onze wijze van leven, alvorens ik met gepaste
vrijmoedigheid mijn verzoek doen kan. Ik zal dan ook tijd hebben om
haar langzamerhand gemeenzaam te maken met de hoop, die leeft in mijn
hart. O, ik ben u zoo verplicht voor uw vertrouwen! O, gij kunt niet
begrijpen welk een rust het mij verschaft, dat gij nu zoo geheel zijt
ingewijd in al mijne geheimen en ik de zekerheid heb, dat gij geen
onaangenaamheden in het leven zult roepen en mij niet zult tegenwerken!”

Hij nam mijne hand, die ik niet durfde terugtrekken, en na die met
zijne klamme vingers gedrukt te hebben, haalde hij een horloge uit den
zak, waarvan de wijzerplaat even vaal en kleurloos was als zijn gezicht.

„Goede Hemel!” riep hij, „het is over eenen. De uren vliegen voorbij
als men zoo vertrouwelijk over den ouden tijd zit te praten, jongeheer
Copperfield! Het is bijna half twee!”

Ik antwoordde dat het naar mijne meening nog later zijn moest. Dit was
eigenlijk eene onwaarheid, maar ik nam die te baat omdat het mij niet
mogelijk was het gesprek nog langer te rekken.

„Goede Hemel!” herhaalde hij peinzend. „De menschen, waar ik logeer—in
een soort logement, jongeheer Copperfield, dichtbij het Nieuwe
Hoofd—zijn zeker al twee uur naar bed.”

„Het spijt mij,” antwoordde ik, „dat hier maar één bed is en dat ik....”

„O, spreek toch niet over bedden, jongeheer Copperfield!” riep hij vol
vuur uit, terwijl hij een been in de hoogte trok. „Maar zoudt gij er
iets tegen hebben als ik hier bij den haard ging liggen?”

„Neem dan liever mijn bed!” zei ik, „dan ga ik voor den haard liggen.”

In zijn overmaat van verbazing en nederigheid wees hij dit aanbod op
zulk een luidruchtige wijze van de hand, dat het geluid van zijne stem
waarschijnlijk tot juffrouw Crupp doordrong, die, naar ik onderstel,
op dat oogenblik lag te slapen in een kamer gelijkvloers met het
laagste peil van de rivier, in slaap gesust door het tikken van een
onverbeterlijke klok, die zij altijd te hulp riep, wanneer wij het
oneens waren over den tijd, en die nooit minder dan drie kwartier
achter was en elken morgen moest worden gelijk gezet. Aangezien geen
enkel argument, dat ik in mijn half versuften toestand aanhaalde om
hem tot het in gebruik nemen van mijne slaapkamer te bewegen, eenigen
invloed oefende op zijne bescheidenheid, was ik wel verplicht om
eenige schikkingen te maken voor zijne rustplaats bij den haard. De
canapee,—veel te kort voor zijn lang lichaam—de canapeekussens,
een deken, een tafelkleed, een schoon ontbijtservet en een overjas
verschaften hem ligging en dekking, waarvoor hij mij zeer dankbaar was.
Na hem een slaapmuts geleend te hebben, die hij onmiddellijk opzette en
die hem zoo afschuwelijk stond, dat ik er na dien tijd nooit meer een
gebruikt heb, liet ik hem aan zijn lot over.

Ik zal dien nacht nimmer vergeten. Ik zal nimmer vergeten hoe ik
lag te woelen en te wentelen in mijn bed; ik kon de gedachte niet
van mij afzetten, dat Agnes met dien ellendigen fielt zou moeten
trouwen; onophoudelijk deed ik mij zelven de vraag: wat moet ik doen
en wat kan ik doen en telkens weder kwam ik tot het besluit om niets
te doen, om alles wat ik gehoord had voor mij zelven te houden en
hare gemoedsrust niet te verstoren. Wanneer ik maar even insliep, rezen
de beelden van Agnes met hare lieve oogen en van haar vader, zooals
hij haar ook in mijn bijzijn zoo menigmaal had aangestaard, voor mij
op. Zij keken mij smeekend aan en vervulden mij met een onbestemd
gevoel van angst. Werd ik wakker dan benauwde mij het bewustzijn, dat
Uriah Heep daar in de aangrenzende kamer lag te slapen, als een levende
nachtmerrie en maakte zich de bijgeloovige vrees van mij meester, dat
ik een duivel van de gemeenste soort gehuisvest had. En dan kwam mij
telkens die gloeiende pook weer in de gedachte en wilde mij maar niet
verlaten. Half slapend, en half wakend zag ik dien gloeiend rood voor
mij en ik hoorde het gesis, als ik hem in zijn lichaam stak. Eindelijk
begon deze gedachte mij zoo te kwellen dat ik opstond en naar hem ging
kijken. En daar lag hij op zijn rug te snorken met verstopten neus en
open mond, terwijl zijn beenen ver—hoe ver weet ik niet—buiten de
canapee uitstaken. In de werkelijkheid was hij nog leelijker dan in
mijne zieke verbeelding; ik kon het niet helpen, maar elk half uur
moest ik naar hem gaan kijken ten einde voedsel te geven aan het gevoel
van afschuw, dat hij bij mij opwekte. En toch scheen de lange, lange
nacht geen einde te zullen nemen en de donkere, zwarte lucht den dag
achter een ondoordringbaren sluier verborgen te houden.

Toen ik hem des morgens al vroeg de trap zag afgaan—ik dankte den
Hemel, dat hij niet wilde blijven ontbijten—had ik een gevoel alsof
met hem ook de nacht had afscheid genomen, en toen ik naar het kantoor
ging, verzocht ik juffrouw Crupp de vensters wijd open te zetten, ten
einde mijne zitkamer te luchten en te zuiveren van zijn onreinen adem.



XXVI.

Ik verlies mijn hart.


Ik merkte niets meer van Uriah Heep vóór den dag, waarop Agnes de
stad verliet. Ik was toen aan het diligencekantoor, om afscheid van
haar te nemen en haar te zien vertrekken en daar zag ik hem, gereed
om met dezelfde gelegenheid naar Canterbury terug te keeren. Het deed
mij goed, toen ik opmerkte, dat hij met zijne dunne, moerbeikleurige
overjas, waarvan de taille veel te kort en de schouders te hoog waren,
en met zijne parapluie, zoo groot als een kleine tent, op den hoek van
de achterbank bovenop zat; terwijl Agnes natuurlijk binnen een plaatsje
had gekregen. Waarschijnlijk was dit eene belooning voor de pogingen,
die ik aanwendde, om vriendelijk jegens hem te zijn in tegenwoordigheid
van Agnes. Evenals na het diner bij de Waterbrooks zweefde hij ook nu
als een gier om ons heen, terwijl hij elk woord, dat Agnes tot mij of
ik tot Agnes sprak, trachtte op te vangen.

De mededeelingen, welke hij mij op mijne kamer had gedaan, hielden
mij voordurend bezig en in verband met hetgeen Agnes mij omtrent de
compagnieschap had verteld, lieten ze mij geen oogenblik met rust. Er
moest gehandeld worden en ik hoop den rechten weg gekozen te hebben.
Overtuigd dat dit offer voor de rust van Agnes' vader noodzakelijk was
geworden, drong ik er bij hem op aan het te brengen. Een beklemmend
voorgevoel, dat ook zij zou zwichten en tot elk offer bereid zou worden
gevonden, indien haar vader daarmede te redden was, maakte zich van mij
meester. Ik wist, hoe innig lief zij hem had en tot welke opofferingen
zij bereid was. Ik wist uit haar eigen mond, dat zij zich beschouwde
als de onschuldige oorzaak van zijne afdwalingen en in de meening
verkeerde, dat zij eene groote schuld aan hem had af te doen. Ik kon
geen troost vinden in de omstandigheid, dat ik zag, hoe groot het
onderscheid was tusschen haar en dien roodharigen ellendeling met zijn
moerbeikleurige jas, want juist in dat onderscheid, in dat verschil
tusschen de zelfverloochening van hare reine ziel en de lage baatzucht
van de zijne lag mijns inziens het groote gevaar. En dit wist hij en
had hij met zijn sluw karakter reeds sinds lang doorgrond.

Ik was echter zoo heilig overtuigd, dat het vooruitzicht op zulk een
offer Agnes' geluk voor altijd moest verwoesten; ik wist zoo zeker, dat
zij er niets van vermoedde en er dus nog geen schaduw op haar geluk
was geworpen, dat ik door haar te waarschuwen haar rust zou hebben
verstoord. Daarom scheidden wij zonder eenige opheldering; zij wuifde
mij uit het portierraampje met de hand toe en zei mij glimlachend
vaarwel, terwijl haar booze geest boven haar zat te grijnzen, alsof
hij reeds zeker was van zijn triomf. Ik kon dien afscheidsgroet niet
zoo spoedig vergeten. Toen Agnes mij schreef, dat zij veilig en wel
was aangekomen, voelde ik mij nog even wanhopig als toen ik haar zag
wegrijden. Geen oogenblik kon ik aan mijne gedachten den vrijen loop
laten, of dit onderwerp hield mij bezig en mijne onrust verdubbelde.
Geen nacht ging voorbij waarin ik niet over Agnes droomde. Haar lot
werd een deel van mijn leven en zoo onafscheidelijk van mij zelven als
mijn eigen hoofd.

Ik had tijd genoeg om over Agnes en den belager van haar geluk na te
denken, want Steerforth was, zooals hij mij schreef, te Oxford en zoo
was ik, behalve in de kantooruren, bijna altijd alleen. Ik geloof dat
zich in deze dagen een gevoel van achterdocht tegen Steerforth van mij
had meester gemaakt. Ik schreef hem heel vriendelijk in antwoord op
zijn brief, maar ik geloof dat ik eigenlijk blijde was, dat hij in deze
dagen niet naar Londen kon komen. De waarheid was, dat ik geheel onder
den invloed verkeerde van Agnes en dat Steerforth daaraan geen afbreuk
kon doen; bovendien deed de invloed van Agnes zich krachtiger gelden
omdat mijne gedachten steeds met haar vervuld waren.

Intusschen ging de eene dag en de eene week na de andere voorbij. Ik
was nu voor vast op het kantoor van de heeren Spenlow en Jorkins.
Behalve mijn huishuur en wat daaraan verbonden was, gaf tante mij
negentig pond 's jaars. Mijne kamers waren voor een jaar gehuurd
en ofschoon ik ze 's avonds nog al somber en bovendien de avonden
zelve lang vond, kon ik er toch uren achtereen in de gelijkmoedigste
stemming zitten koffiedrinken; in mijne herinnering lijkt het mij of
ik in dit tijdperk van mijn leven emmers van dat lauwe, bruine vocht
verslonden heb. Omstreeks dezen tijd deed ik ook drie ontdekkingen: ten
eerste, dat juffrouw Crupp het slachtoffer was van eene vreemdsoortige
kwaal, door haar „krampen” genoemd, die gewoonlijk vergezeld ging van
een buitengewoon rooden neus en bestreden moest worden met groote
hoeveelheden pepermunt; ten tweede, dat eene eigenaardigheid in de
temperatuur van mijn provisiekamertje telkens mijne brandewijnflesschen
deed springen; en eindelijk, dat ik geheel alleen in de wereld
en bijzonder geneigd was, om aan dat gevoel van eenzaamheid in
hoogdravende gedichten lucht te geven.

De dag, waarop ik mijne intrede deed op het kantoor, werd niet door
eenige feestelijkheid opgeluisterd; alleen tracteerde ik de klerken
op sandwiches met sherry en ging 's avonds alleen naar de komedie.
Ik ging „de Verlatene” zien, een stuk, dat met den geest in Doctors'
Commons volkomen overeenkwam en mij zoo aandoenlijk stemde dat ik, toen
ik mij, thuis komende, in den spiegel bekeek, mij zelve bijna niet
herkende. Toen onze overeenkomst beklonken was, zei mijnheer Spenlow
dat hij mij gaarne aan zijne familie zou voorstellen, maar dat zijn
huishouden eenigszins in de war was, omdat hij zijne dochter wachtte,
die ter voltooiing harer opvoeding naar Parijs was geweest. Zoodra
zij terug was, zou het hem een groot genoegen zijn mij te ontvangen,
verklaarde hij. Ik wist dat hij weduwnaar was met ééne dochter en zei
dus, dat ik erkentelijk was voor zijne goede bedoeling.

Mijnheer Spenlow hield zijn woord. Veertien dagen later ongeveer kwam
hij op zijne belofte terug en zei dat het hem zeer veel genoegen zou
doen, indien ik hem den volgenden Zaterdag een bezoek wilde brengen
en dan tot Maandag blijven. Ik kon met hem mederijden, heen en terug.
Natuurlijk wilde ik hem dit genoegen wel doen.

Toen de dag aanbrak wekte zelfs mijn reistaschje de eerbied op van de
gesalariëerde klerken, voor wie het huis te Norwood nog steeds een
mysterie gebleven was. Een van hen vertelde mij, dat mijnheer Spenlow
niets op zijne tafel had dan zilver en Chineesch porcelein; een ander
deelde mij mede, dat de champagne daar even rijkelijk vloeide als bij
anderen gewoon tafelbier. De oude klerk met de pruik, mijnheer Tiffey,
was meermalen voor zaken buiten geweest en telkens doorgedrongen tot
de ontbijtkamer, die hij mij beschreef als de weelderigst ingerichte
kamer, welke hij ooit gezien had. Hij had daar bruine Oost-Indische
sherry gedronken, zoo heerlijk, dat men er van moest knipoogen.

Er werd dien dag in het Consistorie een reeds lang aanhangige zaak
behandeld—het gold de excommunicatie van eene bakker, die zich
verzet had tegen eene door den kerkeraad vastgestelde belasting
op het onderhoud van eene straat—en aangezien het dossier van de
getuigenverhooren volgens mijne berekening tweemaal zoo groot was als
Robinson Crusoë, werd het laat eer onze werkzaamheden geëindigd waren.
Evenwel, hij werd voor zes weken in den ban gedaan en in de kosten
veroordeeld; toen verlieten de proctor van den bakker en de rechter en
de advocaten van beide partijen—allen meer of minder na verwant aan
elkander—de stad, en reden mijnheer Spenlow en ik in zijn phaëton weg.

De phaëton was een sierlijk rijtuig en de paarden strekten hunne
halzen uit en lichtten hunne pooten op, alsof ze wisten, dat zij tot
Doctors' Commons behoorden. Er was groote wedijver in het maken van
vertooning in Doctors' Commons en er werden een aantal sierlijke
equipages op nagehouden; hoewel ik meen en altijd zal blijven meenen,
dat in mijn tijd de grootste wedijver bestond in de stijfheid van de
boorden, die zoo stijf gedragen werden als een man ze bij mogelijkheid
dragen kan.

Wij hadden een zeer aangenamen rit en mijnheer Spenlow besprak met mij
het beroep, dat ik gekozen had. Hij zei dat het het aangenaamste beroep
van de gansche wereld was en volstrekt niet verward moest worden met
dat van procureur, omdat het er hemelsbreed van verschilde, veel minder
machinaal en veel voordeeliger was.

„In Doctors' Commons neemt men de zaken veel gemakkelijker op,” zei
hij, „daarom vormen wij ook eene bijzondere klasse van menschen. Het
is wel niet aangenaam dat wij hoofdzakelijk door procureurs in den arm
worden genomen, want procureurs behooren tot een lagere soort menschen,
waarop alle proctors uit de hoogte neerzien.”

Ik vroeg hem welke zaken hij de beste achtte voor ons, waarop hij
antwoordde, dat een betwiste erfenis, waarin een lief landgoedje van
dertig of veertig duizend pond de hoofdschotel vormde, naar zijne
ondervinding de beste zaak was. „In zulke zaken”, vertelde hij,
„valt er niet alleen wat af bij elk stadium, waarin het proces wordt
gebracht, maar de verhooren van getuigen à charge en à décharge kunnen
tot in het oneindige worden voortgezet, om niet eens te spreken van de
appèls, eerst op de Gedelegeerden en daarna op de Lords. Bovendien is
men zeker dat de kosten uit de opbrengst van het goed worden betaald en
beijveren zich dus beide partijen, om het proces in alle instantiën met
groote verwoedheid te voeren en behoeft men zich niet te storen aan de
onkosten.” Daarna begon hij een lofspraak te houden op Doctors' Commons
in het algemeen. Wat men vooral bewonderen moest in de Commons, dat was
de beknoptheid. Commons was de eenvoudigst ingerichte zaak op de
wereld. Het was een voorbeeld van eenvoudigheid. Men kon alles wel in
een notedop pakken. Bijvoorbeeld: „Gij brengt een aanvraag om scheiding
of over teruggave van eene erfenis voor het Consistorie. Goed! De zaak
wordt daar behandeld, alsof men aan een allegaartje zit met zijne
familie; men speelt op zijn gemak zijn spel uit. Goed! Men is niet
tevreden met de uitspraak van het Consistorie, wat nu? Wel, men brengt
de zaak voor „the Arches.” Wat is „the Arches”? Hetzelfde Hof in
dezelfde kamer met dezelfde balie, dezelfde advocaten, maar met een
anderen rechter, want de rechter uit het Consistorie zou daar elken
zittingdag als advocaat kunnen komen pleiten. En dan begint het
allegaartje opnieuw. Neem aan dat men nog niet tevreden is. Goed! Wat
dan? Wel, dan volgt een appèl op „de Gedelegeerden.” Wie zijn „de
Gedelegeerden?” Wel, dat zijn de advocaten, die geen zaak aanhangig
hebben, die toegekeken hebben bij het allegaartje, terwijl het bij
beide hoven werd gespeeld, die de kaarten hebben zien schudden en
afnemen, die het spel gevolgd en met al de spelers een praatje
gemaakt hebben en nu kersversch optreden als rechters, om de zaak
tot genoegen van wederzijdsche partijen te beslissen. Ontevreden
menschen mogen spreken over heerschende misbruiken in de Commons,
over geheimzinnigheid in de Commons en over de noodzakelijkheid om de
Commons te hervormen”, eindigde mijnheer Spenlow op plechtigen toon,
„dat is zeker, dat toen de prijs van de tarwe het hoogst was, de
Commons het meest te doen hadden; en men mag met de hand op het hart
tegenover de geheele wereld verklaren: „Raakt men aan de Commons, dan
raakt men aan het Land!””

Ik had met de grootste aandacht naar zijne woorden geluisterd en
hoewel ik betwijfelde of het Land werkelijk wel zooveel aan de Commons
verplicht was, als mijnheer Spenlow beweerde, zweeg ik uit eerbied voor
zijne meerdere ondervinding. Die quaestie over den prijs van de tarwe
ging—ik moet dit in mijne groote bescheidenheid meedeelen—boven mijn
begrip en ik heb die tot nu toe nog niet begrepen. Bij elke gelegenheid
heeft mij die quaestie den mond gesnoerd—mijn leven lang. Ik kan niet
zeggen, waarom of met welk recht, maar telkens wanneer ik mijn oude
vriend de tarwe op het tapijt hoorde brengen—en hij deed dat, naar ik
opmerkte, altijd—achtte ik mijn zaak verloren.

Dit was een uitweiding. _Ik_ zal niet aan de Commons raken en
dientengevolge het Land ten val brengen. Door mijn stilzwijgen gaf ik
mijne instemming met hetgeen mijn meerdere in jaren en in ondervinding
mij had medegedeeld zoo onderdanig mogelijk te kennen en op het verder
gedeelte van den rit spraken wij over „de Verlatene”, over het drama
in het algemeen en over de paarden, tot wij bij het hek van mijnheer
Spenlow's buitengoed stilhielden.

Er was een allerliefste tuin bij mijnheer Spenlow's woning en ofschoon
het jaargetijde nu wel niet gunstig was om een tuin te bewonderen, was
deze toch zoo keurig onderhouden, dat ik er verrukt van was. Er was een
fraai grasperk, er waren heerlijke boomgroepen en mooie plekjes met
verrukkelijke vergezichten en overwelfde wandelpaden die ik nog even in
de duisternis kon onderscheiden. „Wat moet het hier heerlijk zijn in
den zomer als alle heesters en bloemen in vollen bloei staan! Zonder
twijfel zijn deze de geliefkoosde wandelingen voor juffrouw Spenlow!”
dacht ik.

Wij gingen het huis binnen, dat vroolijk verlicht was, en kwamen in de
vestibule, die vol hing en stond met alle soorten van hoeden, petten,
overjassen, plaids, handschoenen, rijzweepen en wandelstokken. „Waar is
juffrouw Dora?” vroeg mijnheer Spenlow aan den knecht. „Dora!” dacht
ik. „Wat een mooie naam!”

Wij traden eene kamer aan onze linkerhand binnen—ik onderstel dat het
de ontbijtkamer was, die door den bruinen Indischen Sherry reeds eene
zekere vermaardheid voor mij gekregen had—en daar hoorde ik eene stem
zeggen: „mijnheer Copperfield, mijne dochter Dora en hare vertrouwde
vriendin!” Geen twijfel of deze stem behoorde aan mijnheer Spenlow;
maar ik wist het niet en het kon mij ook niet schelen. Ik dacht aan
niets meer op dat oogenblik. Mijn lot was in deze zelfde minuut
beslist. Ik gaf mij gevangen; ik voelde mij in slavenketenen geslagen!
In één woord, ik was smoorlijk verliefd op Dora Spenlow! Zij was geen
menschelijk wezen meer voor mij; zij was eene fee, eene sylphide, ik
weet zelf niet wat zij was.... zij was alles wat een mensch nooit
gezien heeft, alles, waarnaar elk mensch smacht. In een oogwenk had de
liefde mij als een afgrond verzwolgen. Ik kon niet op den rand blijven,
niet naar beneden, niet achterwaarts zien, ik stortte hals over kop in
de diepte, eer ik nog een woord tot haar had kunnen zeggen.

„Ik”, hoorde ik een welbekende stem zeggen, toen ik een buiging gemaakt
en eenige woorden gemompeld had, „_ik_ heb mijnheer Copperfield meer
gezien.”

Zij, die dit zei, was niet Dora, maar hare vertrouwde vriendin....
juffrouw Murdstone!

Ik geloof niet dat ik erg verbaasd was. Voor zoover ik kon nagaan, was
ik op dat oogenblik niet meer vatbaar voor verbazing. Waarover zou ik
mij in 's Hemelsnaam nog hebben kunnen verbazen dan over Dora Spenlow?
Ik zei: „Hoe vaart gij, juffrouw Murdstone? Ik hoop—goed.” Zij
antwoordde: „Heel goed,” waarop ik vroeg: „En hoe maakt het mijnheer
Murdstone?” „Dank u,” antwoordde zij, „mijn broeder is heel wel.”

Mijnheer Spenlow, die, naar ik vermoed, zeer verwonderd was te zien,
dat wij elkander kenden, zei nu:

„Ik ben blijde, Copperfield, dat gij en juffrouw Murdstone nog oude
kennissen zijt.”

„Mijnheer Copperfield en ik,” zei juffrouw Murdstone met kalme
waardigheid, „zijn zelfs verwanten. Vroeger zijn wij eenigen tijd met
elkander bekend geweest. Dat was in zijne jeugd. Omstandigheden hebben
ons gescheiden; ik zou hem niet herkend hebben.”

Ik antwoordde, dat ik haar onder alle omstandigheden zou herkend
hebben, hetgeen maar al te waar was.

„Juffrouw Murdstone heeft de goedheid gehad,” vertelde mijnheer Spenlow
mij, „den post—als ik het zoo noemen mag—van vertrouwde vriendin
mijner dochter wel te willen aannemen. Aangezien mijne dochter het
ongeluk heeft gehad hare moeder te verliezen, heeft juffrouw Murdstone
de verplichting op zich genomen van hare gezellin en hare beschermster
te zijn.”

De gedachte vloog mij door het brein, dat juffrouw Murdstone, evenals
het zakinstrumentje, dat gewoonlijk ploertendooder genoemd wordt,
minder tot verdediging dan tot den aanval geschikt was. Aangezien ik
echter voor alles, behalve voor Dora, slechts vluchtige gedachten
over had, keek ik haar weder aan en meende ik in haar lief, doch
op dit oogenblik ontevreden gezichtje te lezen, dat zij niet
bijzonder ingenomen was met deze vertrouwde vriendin als gezellin en
beschermster. De schel, die op dit oogenblik door het huis weerklonk
en volgens mijnheer Spenlow de eerste etensbel was, maakte aan dit
eerste samenzijn een einde, want ik moest mij kleeden. Het denkbeeld,
om zoo verliefd als ik toen was, mij te kleeden of iets anders te
doen, dat eenige inspanning kostte, was eigenlijk al te dwaas. Ik kon
slechts, bij den haard zittende, op het sleuteltje van mijn reiszak
bijten en aan de betooverende, jonge, beminnelijke Dora denken. Wat had
zij prachtige oogen en wat een figuurtje en wat een gezichtje en hoe
verrukkelijk en natuurlijk was alles wat zij deed!

De schel werd opnieuw geluid, doch zoo spoedig, dat ik mijn toilet
bijna geheel vergat in plaats van er zooveel zorg aan te besteden als
onder zulke omstandigheden wenschelijk was. Ik ging naar beneden en
vond daar nog meer gasten. Dora stond te praten met een heer met grijze
haren; maar hoe grijs ook en al vertelde hij dat hij al grootvader was,
ik was toch jaloersch op hem. O, o! Ik zal de gemoedsstemming, waarin
ik verkeerde, nooit vergeten! Ik was op iedereen jaloersch. Ik kon het
niet uitstaan dat er iemand was, die mijnheer Spenlow beter kende dan
ik. Het was een ware marteling voor mij hem over voorvallen te hooren
spreken, die ik niet had bijgewoond. Toen een zeer beleefd heer met een
glad, kaal hoofd mij over de tafel heen vroeg of dit de eerste maal
was, dat ik mijnheer Spenlow's plaats bezocht, had ik hem wel kunnen
aanvliegen.

Ik herinner mij niemand meer van de aanwezigen dan Dora. Ik kan mij
volstrekt niet meer herinneren wat er rondgediend werd; ik voedde mij
met Dora en liet ongetwijfeld een half dozijn schotels voorbij gaan. Ik
zat naast haar; ik sprak met haar. Zij had het liefste stemmetje, het
aantrekkelijkste lachje, de aardigste en betooverendste maniertjes, die
ooit een jongen man in verrukking gebracht hebben. Alles, wat zij was
en deed, kon met een verkleinwoordje aangeduid worden. Naar het mij
voorkwam, verhoogde dit hare aantrekkelijkheid in geen geringe mate.

Toen zij met juffrouw Murdstone de kamer uitging—er waren geen andere
dames—verzonk ik in een droomerig gepeins, dat alleen verstoord werd
door het wreed vermoeden, dat juffrouw Murdstone allerlei onthullingen
zou doen in mijn nadeel. De beleefde heer met het gladde, kale hoofd
vertelde mij eene lange geschiedenis—ik meen over tuinieren. Als ik
het mij goed herinner, sprak hij eenige malen het woord „tuinman”
uit. Ik hield mij alsof ik aandachtig toeluisterde, maar ik wandelde
intusschen in Eden's tuin—met Dora.

Het onbewegelijke, nijdige gezicht van juffrouw Murdstone, toen wij
later het salon binnentraden, was wel geschikt om aan mijne vrees voor
lasterpraat voedsel te geven. Op de meest onverwachte wijze werd die
vrees mij echter ontnomen.

„David Copperfield,” zei juffrouw Murdstone, terwijl zij mij in een
vensternis wenkte, „luister eens.”

Daar stond ik tegenover juffrouw Murdstone.

„David Copperfield”, sprak zij, „ik wensch hier alle
familieomstandigheden buiten beschouwing te laten. Ze vormen nu juist
geen uitlokkend onderwerp tot discours.”

„Dat doen ze niet, juffrouw,” antwoordde ik.

„Dat doen ze niet,” herhaalde juffrouw Murdstone. „Ik verlang het
verleden, met zijne oneenigheid en zijne onbetamelijkheden niet in mijn
geheugen terug te roepen. Ik heb veel beleedigingen moeten aanhooren
van een persoon—het spijt mij voor mijne sekse, dat die persoon eene
vrouw was—wier naam ik niet zonder eene gewaarwording van toorn en
afschuw zou kunnen noemen: het is daarom beter dien maar achterwege te
laten.”

Wel is waar kookte ik inwendig, maar ik zei, dat het zeker beter zijn
zou haar naam niet te noemen. Ik zou op geen oneerbiedigen toon over
haar kunnen hooren spreken, voegde ik er bij, zonder op zeer stelligen
toon mijn gevoelen te zeggen.

Juffrouw Murdstone sloot de oogen en boog op minachtende wijze het
hoofd; daarna opende zij de oogen weder langzaam en zei:

„David Copperfield, ik zal het niet verbloemen, dat ik in uwe jeugd
eene hoogst ongunstige meening van u had opgevat. Mogelijk heb ik mij
vergist; het is echter even goed mogelijk, dat gij opgehouden hebt deze
meening te rechtvaardigen. Hoe het zij, ik behoor tot eene familie,
die, naar ik meen, uitmunt door vastheid; ik zal dus niet zeggen, dat
ik mij laat meesleepen door de omstandigheden of door veranderingen. Ik
mag mijne meening hebben van u; gij moogt de uwe hebben van mij.”

Nu was het mijne beurt om het hoofd te buigen.

„Het is echter niet noodzakelijk,” ging juffrouw Murdstone voort, „dat
onze meeningen hier in botsing komen. In de gegeven omstandigheden is
het zelfs beter als ze niet in botsing komen. Nu de wisselingen van
het lot ons opnieuw bij elkander hebben gebracht en zonder twijfel nog
vele malen bij elkander brengen zullen, komt het mij het beste voor,
dat wij elkander hier bejegenen als verre verwanten. Het is voldoende
familie-aangelegenheden aan te nemen, om op dien voet met elkander om
te gaan en het is geheel onnoodig, dat wij elkander tot het voorwerp
van wederzijdsche aanmerkingen zouden maken. Zijt gij dat met mij eens?”

„Juffrouw Murdstone,” antwoordde ik, „mijne meening is, dat gij en
mijnheer Murdstone mij wreed en mijne moeder zeer onvriendelijk
behandeld hebben. Deze meening zal ik behouden zoo lang ik leef. Toch
neem ik uw voorstel aan.”

Nogmaals sloot juffrouw Murdstone de oogen en boog zij het hoofd.
Daarna ging zij heen, terwijl zij even den rug van mijne hand met
hare ijzige vingers aanraakte en onder het heengaan de kettinkjes om
hare polsen en haar hals verschikte; het waren nog dezelfde, die zij
droeg toen ik haar voor het eerst gezien had. Deze kettinkjes deden
mij, in verband met juffrouw Murdstone's karakter, aan de kettingen en
sloten van eene gevangenisdeur denken; ze moesten aan allen, die haar
ontmoetten, doen raden, wat daar achter te verwachten was.

Alles wat ik mij van het overige van dien avond herinner is, dat ik
de koningin van mijn hart Fransche liederen hoorde zingen, die in het
algemeen eindigden met Ta ra la, Ta ra la! en eene verheerlijking van
het dansen inhielden. Zij accompagneerde zich zelve op een prachtig
instrument, dat op een guitaar geleek. Verder herinner ik mij, dat ik
in een toestand van ongekende gelukzaligheid zat te luisteren; dat ik
alle ververschingen van de hand sloeg; dat ik vooral een afschuw had
van punch; dat, toen juffrouw Murdstone haar in „bescherming” nam en
haar naar hare kamer bracht, zij mij toelachte en mij haar verrukkelijk
handje aanbood, dat ik, bij toeval in den spiegel kijkende, de
opmerking maakte, dat ik er erg dom en versuft uitzag en eindelijk,
dat ik in een staat van bedwelming naar bed ging en verliefder dan ooit
opstond!

Het was een heerlijke morgen en nog heel vroeg; ik wist dus niets
beters te doen dan eene wandeling te maken door de overdekte lanen,
die ik den vorigen avond had gezien, en mij haar beeld voordurend voor
oogen te stellen. In de gang had ik eene ontmoeting met haar hondje,
Jip genaamd, als afkorting van Gipsy. Ik haalde het aan, want ik hield
natuurlijk dol veel van het dier; maar het liet mij twee rijen scherpe
tanden zien en ging onder een stoel zitten brommen zonder iets van mij
te willen weten.

Het was koel en eenzaam in den tuin. Ik wandelde rond en vroeg mij
telkens af hoe gelukkig ik wel zijn zou, indien het ooit tot een
engagement mocht komen met dit beminnelijk schepseltje. Aan trouwen,
aan fortuin en alles wat daarmede in verband stond, dacht ik evenmin
als toen ik verliefd was op de kleine Emily. De toestemming te erlangen
om haar Dora te mogen noemen, haar te mogen schrijven, te mogen
liefhebben en aanbidden, te weten, dat zij aan mij bleef denken al was
zij ook te midden van andere menschen, dat was in mijn oog het hoogste,
dat een mensch verlangen kon en zeker het hoogste, dat ik verlangen
kon. Het lijdt geen twijfel of ik was zeer sentimenteel gestemd, ja,
wellicht had men mij dwaas verliefd kunnen noemen, maar toch lag daarin
zooveel reinheid van hart verborgen, dat ik, al mag ik er nu eens om
lachen, geen oogenblik met een gevoel van minachting aan deze dagen
terugdenk.

Ik had nog niet lang gewandeld, toen ik, een hoek omslaande, Dora voor
mij zag staan. Er gaat mij nog een rilling door de leden van het hoofd
tot de voeten, wanneer mijne gedachten naar dat oogenblik terugkeeren;
dan beeft de pen in mijne hand.

„Gij,... zijt.... wel.... vroeg op, juffrouw Spenlow,” zei ik.

„Het is zoo vervelend in huis,” antwoordde zij, „en juffrouw Murdstone
is onuitstaanbaar. Zij praat allerlei nonsens en zegt dat de nevel
eerst moet optrekken voor ik mag uitgaan. De nevel optrekken!”—o, wat
klonk de lach, waarmede deze woorden gepaard gingen, welluidend!—„Op
Zondagmorgen, als ik mij niet op de guitaar mag oefenen, moet ik toch
iets doen! Ik zei gisteren avond aan papa, dat ik uit _moest_. Het is
bovendien nu het helderste oogenblik van den geheelen dag! Vindt gij
dat ook niet?”

Ik waagde het een stoute vlucht te nemen en zei, niet zonder stotteren,
dat het werkelijk op dit oogenblik zeer helder voor mij was, maar dat
het nog geen minuut geleden heel donker geweest was.

„Beduidt dit een compliment?” vroeg Dora, „of bedoelt gij dat het weer
werkelijk is omgeslagen?”

Ik stotterde nog erger dan zoo even, toen ik antwoordde dat het geen
compliment beduidde, maar de zuivere waarheid was; hoewel ik niet had
opgemerkt dat er eenige verandering in het weder gekomen was. „Het is
alleen in mijn eigen gevoel,” voegde ik er bedeesd bij, om niets aan
duidelijkheid te wenschen over te laten.

Nooit zag ik zulke krullen—hoe kon ik dat ook, want niemand bezat ze
ooit zoo!—als die, welke zij nu naar voren schudde om haar blos te
verbergen. En het stroohoedje met de blauwe linten, dat op die krullen
stond..... o, hoe gaarne zou ik het als een schat van groote waarde in
Buckinghamstreet hebben opgehangen!

„Gij zijt onlangs uit Parijs teruggekomen, niet waar?” vroeg ik.

„Ja,” klonk haar antwoord. „Zijt gij daar ooit geweest?”

„Neen.”

„O, dan hoop ik, dat gij er spoedig zult heengaan. Het is een prachtige
stad! Het zal u daar best bevallen!”

De uitdrukking, welke deze woorden op mijn gelaat teweegbrachten,
moet wel van innige zielesmart getuigd hebben. Zij hoopte, dat ik op
reis zou gaan; zij onderstelde, dat ik op reis kon gaan! O, het was
ondragelijk! Ik had een diepe minachting voor Parijs, voor Frankrijk!
Ik zeide, dat ik in de gegeven omstandigheden voor geen geld ter wereld
Engeland zou willen verlaten. Niets zou mij daartoe kunnen bewegen.
Kortom, zij schudde de krullen weder naar voren, toen haar hondje naar
buiten kwam rennen en ons uit den nood hielp. Het dier was dadelijk
jaloersch op mij en bleef mij maar aanblaffen. Zij nam hem in hare
armen—nu was het mijne beurt om jaloersch te zijn—en liefkoosde hem,
maar hij bleef nijdig keffen. Hij wilde niet toestaan, dat ik hem even
aanraakte, maar toen gaf zij hem een klap. De tikjes, die zij hem
tot straf op zijn mopneusje gaf, terwijl hij knipoogde en hare hand
likte en nog maar steeds bleef voortbrommen als een contrabas, had ik
gaarne opgevangen. Eindelijk werd hij stil—geen wonder, terwijl hij
haar mollig kinnetje op zijn kop voelde!—en wandelden wij verder om de
oranjerie te bekijken.

„Gij zijt niet erg bevriend met juffrouw Murdstone, is 't wel?” vroeg
Dora. „Koest, liefje!”

Deze laatste woorden waren tot den hond gericht. Hadden ze mij maar
gegolden!

„Neen,” antwoordde ik. „Niet bijzonder.”

„Zij is een vervelend schepsel,” hernam Dora pruilend. „Ik kan mij niet
begrijpen wat papa bewogen kan hebben, dat mensch tot mijne gezellin te
kiezen. Wie heeft er nu een beschermster noodig? Ik ben overtuigd dat
ik er geen noodig heb. Jip kan mij veel beter beschermen dan juffrouw
Murdstone.... nietwaar Jip?”

Het dier kwispelde toen zij hem een kus op zijn kopje gaf.

„Papa noemt haar mijne vertrouwde vriendin, maar ik ben overtuigd dat
zij het niet is.... is zij wel, Jip? Wij kunnen geen vertrouwen stellen
in zulk een wrevelig schepsel, Jip en ik. Wij zullen zelve de menschen
wel kiezen, aan wie wij ons vertrouwen schenken, en laten ons die niet
opdringen.... is 't niet, Jip?”

Jip maakte een geluid, dat een bewijs van instemming moest verbeelden
en eenigszins geleek op het zingen van het water in een theeketel. Voor
mij was elk woord een nieuw kettinkje, dat boven de andere rijen om
haar hals werd geklonken.

„Het is wel hard in stede van eene lieve, vriendelijke mama zulk eene
stuursche, sombere oude paai tot gezelschap te hebben, zoo'n mensch,
dat ons overal volgt—is het niet, Jip? Treur maar niet, Jip. Wij
willen geen vertrouwde en zullen zooveel plezier maken als wij maar
kunnen.... wij zullen haar plagen in plaats van behagen.... nietwaar,
Jip?”

Als dit nog langer geduurd had zou ik ongetwijfeld op mijn knieën zijn
gevallen, op gevaar af in het grint het vel er af te schuren en buiten
de deur gezet te worden. Gelukkig was de oranjerie nu niet meer veraf.
Het was daar binnen een ware tentoonstelling van prachtige geraniums.
Wij wandelden er langs en Dora bleef nu en dan staan om er een te
bewonderen en dan bewonderde ik de zelfde en dan hield Dora, ondeugend
lachend, Jip in de hoogte en liet hem aan de bloemen ruiken; kortom,
wij mogen ons al niet alle drie in het tooverland gewaand hebben, ik
waande mij er zeker in. De geur van een geranium blad wekt nu nog een
gevoel van verbazing op over de verandering, die dan in mij plaats
grijpt; ik zie dan een stroohoedje met blauwe linten en eene menigte
krullen en een klein zwart hondje, dat door twee slanke armen in de
hoogte wordt gehouden tegen een muur van bloemen en frissche bladeren.

Juffrouw Murdstone had ons reeds gezocht. Zij vond ons in de oranjerie
en bood Dora haar gerimpelde wang aan tot een kus. Daarna nam zij
Dora's arm en marcheerde met ons naar de ontbijtkamer, alsof wij deel
uitmaakten van eene militaire lijkstaatsie.

Hoeveel kopjes thee ik dronk, omdat Dora ze gezet had, durf ik niet
zeggen. Ik herinner mij echter zeer goed, dat ik zooveel verzwolg dat
mijn zenuwgestel—indien ik er een gehad had in die dagen—zeer zeker
overstuur zou zijn geraakt. Na het ontbijt gingen wij gezamenlijk naar
de kerk. Juffrouw Murdstone zat tusschen Dora en mij in, maar ik hoorde
_haar_ zingen en toen verdween de geheele gemeente als in een nevel. De
preek was natuurlijk.... over Dora en ik vrees dat dit alles is, wat ik
van de godsdienstoefening weet.

Wij hadden een stillen dag. Geen bezoek, een wandeling, een huiselijk
middagmaal met ons vieren en den avond brachten wij door met het
bekijken van platen en boeken; terwijl juffrouw Murdstone met een preek
voor zich zat en ons voortdurend in het oog hield. O, weinig vermoedde
mijnheer Spenlow, toen hij na het middagmaal tegenover mij zat, met
den zakdoek over het hoofd, hoe vurig ik hem in mijne verbeelding
als schoonzoon omhelsde. Weinig ook vermoedde hij, dat hij, toen ik
des avonds afscheid van hem nam, in mijne verbeelding juist zijne
toestemming had gegeven tot mijne verloving met Dora en dat ik Gods
zegen inriep over hem en zijn huis.

Wij vertrokken den volgenden morgen vroeg, want er was dien dag eene
zaak voor het Admiraliteitshof over het bergloon van eene geredde
lading. In dit proces werd eene volledige kennis vereischt van de
geheele zeevaartkunst, zoodat de rechter, begrijpende dat men het in de
Commons nog niet ver daarin gebracht had twee oud-zeeofficieren te hulp
had geroepen. Dora was echter reeds beneden om thee te zetten en ik had
het twijfelachtig genoegen, in den phaëton zittende, mijn hoed te mogen
afnemen voor Dora, die met Jip in den arm op de stoep stond.

Ik zal het niet wagen eene beschrijving te geven van hetgeen de
Admiraliteit dien dag voor mij was; van den onzin, dien ik in mijne
gedachten van het proces maakte, terwijl ik zat te luisteren; van het
visioen dat ik had, toen ik den naam „Dora” meende gegraveerd te zien
op de zilveren roeispaan, die op de tafel lag als symbool van de hooge
rechtspraak, noch van hetgeen er in mij omging, toen mijnheer Spenlow
naar huis ging zonder mij—ik had nog de dwaze hoop gekoesterd, dat hij
mij zou medenemen—als ware ik zelf een matroos, die op een onbewoond
eiland was achtergelaten, terwijl het schip met volle zeilen zee had
gekozen. Als de oude Hof eens kon wakker geschud worden en in den een
of anderen vorm een voorstelling geven kon van de droomen, die ik daar
over Dora droomde, zou het blijken hoe trouw ik haar ben geweest.
Ik bedoel niet de droomen van dien dag alleen, neen, van alle dagen
en weken en zittingen. Ik ging er heen, niet om te luisteren naar
hetgeen er verhandeld werd, maar om over Dora te denken. Als ik ooit
eenige aandacht aan de processen heb gewijd, terwijl ze in al hunne
lengte langzaam langs mij heen trokken, was het om mij bij die over
huwelijksaangelegenheden te verbazen, dat gehuwde lieden wel eens
niet gelukkig konden zijn, en om bij processen over erfenissen te
overpeinzen welke stappen ik, indien mij dat geld was nagelaten, ten
opzichte van Dora zou nemen. In de eerste week van mijne verliefdheid
kocht ik vier prachtige vesten—niet voor mij zelven, want mij liet
uiterlijk vertoon koud, maar voor Dora—trok op straat stroogele
handschoenen van geitenleder aan en legde den grondslag voor alle
likdoorns, die ik ooit gehad heb. Konden de laarzen, die ik in deze
dagen droeg, maar te voorschijn gebracht en met den werkelijken vorm
van mijne voeten vergeleken worden, dan zou op waarlijk aandoenlijke
wijze de toestand van mijn hart kunnen blijken.

En toch, niettegenstaande ik mij voor mijn leven kreupel maakte als
een stille hulde aan Dora, wandelde ik dagelijks mijlen achtereen in
de hoop haar te ontmoeten. Niet alleen was ik op den weg naar Norwood
spoedig even goed bekend als de brievenbesteller van die wijk, maar ik
doorkruiste Londen op dezelfde wijze. Ik wandelde door de straten waar
de beste winkels voor dames waren; ik bespiedde de Bazar uren achtereen
en dwaalde door de parken tot ik doodmoe thuis kwam. Nu en dan, met
lange tusschenpoozen, werd ik op het onverwachts beloond. Nu eens zag
ik haar handschoen mij toewuiven uit het portier van een rijtuig; een
andere maal ontmoette ik haar met juffrouw Murdstone en wandelde ik
met beiden eenige straten door, terwijl ik met Dora sprak. Na zulk een
ontmoeting voelde ik mij telkens diep ellendig, omdat ik geen woord
gerept had over hetgeen mij dag en nacht bezig hield, of omdat zij
geen denkbeeld hebben kon van mijne onbegrensde vereering of omdat zij
blijkbaar niet het minste om mij gaf. Zooals van zelf spreekt, was ik
steeds in afwachting van eene tweede uitnoodiging van mijnheer Spenlow;
maar telkens werd ik teleurgesteld—er volgde er geen.

Juffrouw Crupp moet eene vrouw geweest zijn met veel menschenkennis;
want toen mijne verliefdheid nog slechts een week oud was, en ik nog
niet den moed had gehad aan Agnes duidelijker te schrijven dan: „ik
heb een bezoek gebracht aan mijnheer Spenlow, wiens familie bestaat
uit ééne dochter”—ik herhaal, juffrouw Crupp moet veel menschenkennis
bezeten hebben want zelfs in dit eerste tijdperk van mijne toenemende
verliefdheid ontdekte zij, wat er aan de hand was. Op zekeren avond
kwam zij boven—ik was juist in eene zeer neerslachtige stemming—om
te vragen of ik haar ook kon helpen aan een weinig tinctuur van
paradijsbloemen met wat rhabarberstroop en zeven droppels nagelolie,
welk middel voor hare kwaal, waaraan zij weder lijdende was, het beste
was. Kon ik dat niet, dan was een weinig brandewijn—op een na het
beste middel—haar ook welkom. Brandewijn, voegde zij er bij, is wel
niet zoo lekker, maar het is op één na het beste middel. Aangezien
ik van het eerste middel nooit gehoord en het tweede in mijne kast
voorhanden had, gaf ik juffrouw Crupp een glas van het tweede, hetgeen
zij, opdat ik niet denken zou, dat er een onbehoorlijk gebruik van
gemaakt werd, in mijne tegenwoordigheid leeg dronk.

„Wees toch vroolijk, mijnheer,” sprak zij, „ik kan u zoo niet zien,
mijnheer, ik ben zelve moeder.”

Ik begreep de toepassing van deze laatste omstandigheid op mijn
persoon niet goed, maar ik keek haar toch zoo vriendelijk en opgeruimd
mogelijk aan.

„Kom, mijnheer,” hervatte juffrouw Crupp. „Neem het mij niet kwalijk,
maar ik weet wat het is, mijnheer. Daar is een jonge dame in het spel.”

„Juffrouw Crupp?” antwoordde ik met een kleur.

„Wel sapperloot! Houd den moed er toch in, mijnheer!” zei juffrouw
Crupp met een bemoedigend knikje. „Men gaat er niet aan dood, mijnheer!
Als zij geen lachje voor u heeft, zijn er genoeg, die het wel hebben.
Gij zijt een nette, jonge man, voor wien men een lachje _moet_ over
hebben, mijnheer Copperfull; gij moet u zelven niet weggooien,
mijnheer.”

Juffrouw Crupp noemde mij altijd mijnheer Copperfull, vermoedelijk
omdat dit mijn naam _niet_ was.

„Wat doet u onderstellen, juffrouw Crupp, dat er een jong meisje in het
spel is?” vroeg ik.

„Mijnheer Copperfull,” antwoordde zij met pathos: „_Ik_ ben zelve
moeder.”

Gedurende eenige minuten kon juffrouw Crupp niets doen dan hare hand
op haar nankingschen boezem leggen en zich sterken tegen vernieuwde
aanvallen van hare kwaal door haar glaasje met kleine teugjes te
ledigen. Eindelijk hernam zij:

„Toen deze kamers door uwe lieve tante gehuurd werden, mijnheer
Copperfull, was ik blijde nu eens iemand te zullen krijgen, voor wien
ik zorgen kon. ‚Goddank,’ zei ik, ‚nu heb ik iemand gevonden voor wien
ik zorgen kan!’—Gij eet niet genoeg, mijnheer en gij drinkt ook niet
genoeg.”

„Grondt gij daarop uw vermoeden, juffrouw Crupp?” vroeg ik.

„Mijnheer!” hernam juffrouw Crupp op plechtigen, ja, verwijtenden
toon, „ik heb voor meer jongeheeren gewasschen dan voor u. Een jonge
heer kan al te veel werk maken van zich zelven, maar ook al te weinig;
hij kan zijn haar met zorg opmaken, maar ook zonder zorg; hij kan te
groote maar ook te kleine schoenen dragen. Dit hangt alles samen met
het karakter en met zijne opvoeding, maar in welk uiterste hij ook mag
vervallen.... er is altijd eene jonge dame in het spel.”

Juffrouw Crupp sprak zoo beslist en schudde zoo hevig met het hoofd,
dat ik er geen woord tegen kon inbrengen.

„Daar hebt gij bijvoorbeeld dien heer, die hier gestorven is,”
vervolgde zij, „die werd verliefd op een buffetjuffrouw en....
onmiddellijk moest ik zijn vesten laten innemen, niettegenstaande zijn
maag erg was opgezet van het drinken.”

„Juffrouw Crupp,” antwoordde ik, „ik moet u verzoeken, de dame, van wie
bij mij sprake is, niet op ééne lijn te stellen met een buffetjuffrouw
of iemand van dat allooi.”

„Mijnheer Copperfull,” hernam juffrouw Crupp, „ik ben zelve moeder en
niet voor niet. Ik vraag u vergiffenis indien ik mij heb opgedrongen.
Ik verlang mij niet op te dringen wanneer ik niet welkom ben. Maar
gij zijt nog jong, mijnheer Copperfull, en daarom geef ik u den raad
vroolijk te zijn, mijnheer, moed te houden en u zelven niet weg te
gooien. Gij moest eens de eene of andere liefhebberij ter hand nemen,
mijnheer Copperfull, kegelen bijvoorbeeld; dat is eene gezonde beweging
en zal u wat afleiding geven.”

Na deze woorden verklaarde juffrouw Crupp zeer dankbaar te zijn voor
den brandewijn—de flesch was zoo goed als ledig—maakte eene statige
buiging en ging heen. Toen zij in de duisternis van het portaal
verdween, bleef de indruk bij mij achter, dat juffrouw Crupp niet van
vrijpostigheid was vrij te pleiten; toch was ik haar dankbaar voor haar
raad, waarvan ik zou gebruik maken, al was het op eene andere wijze dan
zij bedoeld had; ik zou dien beschouwen als eene waarschuwing om mijn
geheim beter te bewaren.



XXVII.

Tommy Traddles.


Of het een gevolg was van juffrouw Crupp's raad om wat afleiding te
zoeken, durf ik niet beweren, maar den volgenden dag kwam ik op den
inval om Traddles eens te gaan opzoeken. Zijn verloftijd was sinds lang
ten einde en hij woonde in een klein straatje bij de Veeartsenijschool
in Camden Town, een wijk, volgens een onzer klerken hoofdzakelijk door
studenten bewoond, die levende ezels opkochten en op hunne kamers
proefnemingen deden op deze dieren.

Nadat de klerk mij ook den weg naar de veeartsenijschool gewezen had,
stapte ik dienzelfden avond er heen, om mijn ouden schoolkameraad een
bezoek te brengen.

Ik vond de buurt niet zoo aanlokkelijk als ik ter wille van Traddles
wel gewenscht zou hebben. De bewoners schenen de gewoonte te hebben
alles wat zij niet meer gebruikten op straat te werpen, waardoor deze
niet alleen modderig en vunzig was, maar ten gevolge van de vele
koolbladeren op één lange mesthoop geleek. Trouwens, het vuilnis
bestond niet alleen uit plantaardige overblijfselen, want terwijl
ik naar het nommer van Traddles' woning zocht, zag ik zelfs een
schoen, een platgetrapte sauspan, een zwarten hoed en een paraplu in
verschillende graden van ontbinding.

In het algemeen bracht deze buurt mij den tijd in herinnering, dien
ik met mijnheer en mevrouw Micawber had doorgebracht. Het huis,
dat ik zocht, maakte een niet te beschrijven indruk van vervallen
grootheid, waardoor het zich van alle andere huizen in de straat
onderscheidde—ofschoon ze alle naar hetzelfde eentonige ontwerp waren
gebouwd en aan de eerste schrijfoefeningen van een schooljongen deden
denken, die het nog niet verder gebracht had dan hanepooten—en mij
nog meer aan mijnheer en mevrouw Micawber herinnerde. En nog sterker
werd ik aan hen herinnerd, toen ik te gelijk met den melkboer op de
vervallen stoep stond en de deur geopend werd om dezen te woord te
staan.

„Wel,” zei de melkboer tot een zeer jeugdig dienstmeisje, „hebt gij dat
kleine rekeningetje van mij afgegeven?”

„Ja, mijnheer zei dat hij er om zou denken,” antwoordde het meisje.

„Omdat,” vervolgde de melkboer, voortgaande alsof hij geen antwoord
ontvangen had en, naar het mij voorkwam, meer sprekende tot iemand, die
bovenaan de trap scheen te staan, dan tot het dienstmeisje—„omdat dit
kleine rekeningetje al zoo lang loopt, dat ik vrees het heelemaal te
zullen zien wegloopen en er nimmer meer iets van te zullen hooren. Ik
zal dat echter niet afwachten!” vervolgde de melkboer met verheffing
van stem en met een blik naar de trap.

Het verbaasde mij, dat deze man in zulk eene zachte, vloeiende waar als
melk handelde, want zijne manieren waren zoo ruw en woest, dat ik hem
eerder voor een slager of een koopman in brandewijn zou gehouden hebben.

De stem van het dienstmeisje was moeilijk verstaanbaar, maar naar de
beweging van hare lippen te oordeelen, zeide zij dat het onmiddellijk
zou worden voldaan.

„Ik zal u eens wat zeggen,” sprak de melkboer, terwijl hij het meisje
voor het eerst aankeek en tegelijkertijd bij de kin pakte, „houdt gij
veel van melk?”

„Ja, heel veel,” antwoordde zij.

„Goed, dan krijgt gij morgen geen droppel, verstaat gij? Geen droppel
hoor!”

Het kwam mij zoo voor alsof haar gezicht opvroolijkte bij het
vooruitzicht, dat zij vandaag wel melk zou krijgen en waarlijk, na
ontevreden zijn hoofd te hebben geschud, liet de melkboer haar kin
los, opende zijne kan en goot de gewone hoeveelheid in haar kannetje
over. Daarna ging hij brommend heen en gaf aan de volgende deur met een
kwaadaardig klinkende stem van zijne aankomst kennis.

„Woont hier mijnheer Traddles?” vroeg ik toen.

Eene geheimzinnige stem achter in de gang antwoordde: ‚Ja’, waarop het
meisje eveneens antwoordde: ‚Ja’.

„Is mijnheer thuis?” vroeg ik.

Opnieuw antwoordde de geheimzinnige stem bevestigend en opnieuw vernam
ik de echo van het meisje. Ik ging naar binnen en volgens aanwijzing
van het meisje de trap op, in het bewustzijn, dat ik bespied werd door
een geheimzinnig oog, behoorende bij dezelfde geheimzinnige stem.

Toen ik boven kwam—het huis had behalve den beganen grond slechts
ééne verdieping—wachtte Traddles mij reeds op het portaal op. Hij was
blijde mij te zien en heette mij hartelijk welkom op zijne kamer, die
aan de voorzijde van het huis lag en netjes, ofschoon karig gemeubeld
was. Zooals ik zag was het zijn eenige kamer, want er stond een soort
bed, dat tevens voor canapee dienst deed, en zijn schoenborstels en
smeerfleschje lagen op eene boekenplank achter eene dictionnaire. Zijne
tafel was met papieren bedekt en hij scheen in een oud jasje hard te
hebben zitten werken. Voor zoover ik weet, keek ik naar niets, maar
zag ik alles, zelfs het kerkje, dat op zijn porceleinen inktkoker was
geschilderd—eene kunst, waarin ik mij ten tijde van de Micawbers ook
geoefend had. Hij had een aantal vernuftige inrichtingen aangebracht
op zijne kamer om zijn latafel, zijn laarzen, zijn scheerspiegeltje
en zoo al meer aan het oog te onttrekken. Dit trok te meer mijne
aandacht omdat ik daardoor herinnerd werd aan den Traddles uit mijne
schooljaren, die, volgens het model van olifantshokken, papieren
gevangenissen voor de vliegen maakte, en om zich over ondergane
mishandelingen te troosten, zich onledig hield met de merkwaardige
bezigheid, waarvan ik reeds meermalen melding maakte.

In een hoek van de kamer stond iets, zorgvuldig bedekt met een lang,
wit laken. Ik kon zelfs niet gissen wat het was.

„Traddles,” zei ik, toen ik plaats genomen en hem nogmaals de hand
geschud had, „het verheugt mij u te zien.”

„En ik ben ook blijde u te zien, Copperfield,” antwoordde hij. „Ik ben
zelfs zeer blijde u te zien. Juist omdat ik zoo blij was, toen ik u bij
de Waterbrooks herkende en omdat ik zag, dat gij zoo blij waart mij te
herkennen, gaf ik u dit adres op in plaats van mijn kantoor.”

„Zoo! Houdt gij kantoor?” vroeg ik.

„Ja, ik beschik over het vierde van een kamer en een gang, en over
het vierde van een klerk,” antwoordde Traddles. „Ik houd met nog drie
anderen kantoor—dat lijkt alsof wij het druk hebben—en met ons vieren
betalen wij één klerk. Hij kost mij een kroon in de week.”

In den glimlach, waarmede hij dit alles vertelde, meende ik zijn
eenvoudig karakter en goed humeur te herkennen, terwijl ik tevens de
overtuiging kreeg, dat hij, als van ouds, met tegenspoeden te kampen
had.

„Het is volstrekt niet, omdat ik ook maar een weinigje trotsch ben,
Copperfield,” zei hij, „dat ik gewoonlijk mijn adres niet hier opgeef.
Het is alleen omdat degenen, die mij wenschen te bezoeken, wellicht
niet gaarne hier komen. Wat mij zelven aangaat—ik moet mij door de
wereld heenslaan en het zou belachelijk zijn, indien ik mij wilde
voordoen alsof dit niet zoo was.”

„Gij studeert voor advocaat, nietwaar? Mijnheer Waterbrook vertelde het
mij,” zei ik.

„O, ja,” antwoordde Traddles, terwijl hij zijne handen langzaam over
elkander wreef, „ik studeer voor advocaat. Eigenlijk ben ik er nu pas
mede begonnen, want de storting van honderd pond was een heel ding.
Een heel ding!” herhaalde hij met eene beweging alsof hij zich een kies
had laten trekken.

„Weet gij wel wat ik niet kan nalaten te denken, terwijl ik hier zoo
zit, Traddles?” vroeg ik.

„Neen,” antwoordde hij.

„Waar dat hemelsblauwe pakje gebleven is, dat gij zoo lang gedragen
hebt.”

„Goede Hemel! Ja,” riep hij lachend. „Het zat zoo strak om armen en
beenen, weet gij wel? Goede Hemel! Ja, dat was een gelukkige tijd!”

„Naar het mij voorkomt hadden onze meesters dien tijd nog veel
gelukkiger voor ons kunnen maken, zonder dat het aan onze kennis
geschaad zou hebben,” antwoordde ik.

„Dat is wel mogelijk,” zei Traddles. „Maar wij hebben toch ook nog al
eens plezier gehad. Herinnert gij u die avonden op de slaapkamer, als
wij souper hadden? En als gij verteldet? Ha, ha, ha! En weet gij nog
wel hoeveel ransel ik kreeg omdat ik huilde toen mijnheer Mell wegging?
O, die Creakle! Ik zou hem nog wel eens willen terugzien!”

„Hij heeft u slecht behandeld, Traddles,” zei ik op verontwaardigden
toon, alsof ik hem den vorigen dag nog had zien ranselen.

„Vindt gij dat?” hernam Traddles. „Waarlijk? 't Is mogelijk, maar dat
is lang voorbij! O, die oude Creakle!”

„Gij hebt uwe verdere opvoeding van een oom gehad, nietwaar?” vroeg ik.

„Ja, juist, het was dezelfde, wien ik altijd zou schrijven; maar ik
stelde het ook altijd weer uit! Ha, ha, ha! Ja, ik had toen een oom,
maar hij is niet lang nadat ik de school verlaten had gestorven.”

„Zoo, waarlijk!”

„Ja, hij was lakenhandelaar geweest—lakenhandelaar in ruste—zoo noemt
men dat immers?—en had mij tot zijn erfgenaam gemaakt. Hij hield
echter niet van mij toen ik grooter werd.”

„Meent gij dat werkelijk?” vroeg ik. Hij bleef zoo kalm dat ik hem wel
van eene andere meening verdenken moest.

„Ja, zeker, beste Copperfield! Ik meen het!” antwoordde hij. „Het was
wel ongelukkig maar hij hield volstrekt niet van mij. Hij zei dat ik
volstrekt niet aan zijne verwachtingen beantwoordde en daarom trouwde
hij met zijne huishoudster.”

„En wat deedt gij toen?” vroeg ik.

„Ik deed niets bijzonders,” zei Traddles. „Ik woonde bij hem in,
wachtende tot ik in de wereld gezonden zou worden: maar ziet, op
eenmaal werd hij ziek en stierf. En zijne vrouw hertrouwde met een
jongen man en ik moest voor mij zelven zorgen.”

„En heeft hij u niets nagelaten, Traddles?”

„O, zeker, zeker! Ik kreeg vijftig pond; maar ik was nooit opgeleid
tot eenig beroep, zoodat ik in het begin niet wist wat te beginnen.
Evenwel, ik begon toch iets, geholpen door den zoon van een
rechtsgeleerde, door Yawler, dien gij ook nog wel op Salem House gekend
hebt—hij had zoo'n scheeven neus. Herinnert gij u hem niet?”

„Neen, hij is daar niet tegelijk met mij geweest. In mijn tijd waren er
alleen rechte neuzen.”

„Nu, dat doet er ook niet toe,” hernam Traddles. „Ik begon met zijne
hulp processtukken over te schrijven, maar dat bracht weinig op; daarna
maakte ik uittreksels en dergelijk zulk soort van werk. Gij weet,
Copperfield, ik ben altijd een werkezel geweest en daarom ging mij
dit werk ook vrij vlug af. Welnu, ik kwam daardoor op het denkbeeld
om mij als student in de rechten te laten inschrijven en daarmede
verdween alles wat ik nog van mijn vijftig pond over had. Yawler
bezorgde mij echter eene aanbeveling bij een drietal kantoren—o. a.
bij de Waterbrooks—zoodat ik tamelijk veel werk kreeg. Ook was ik
zoo gelukkig kennis te maken met een uitgever, die eene encyclopaedie
wil uitgeven en voor dezen ben ik nu nog aan het werk. Ik stel niet
slecht, Copperfield,” voegde hij er bij op zijn gewonen, eenvoudigen,
opgeruimden toon; „maar oorspronkelijkheid heb ik geen zier. Ik geloof
niet, dat er ooit een jong mensch heeft bestaan, die zoo weinig
oorspronkelijkheid had als ik.”

Aangezien Traddles scheen te wachten tot ik dit als iets, dat van
zelf sprak, zou toestemmen, knikte ik en vervolgde hij met dezelfde
onwrikbare kalmte als zoo even:

„Zoo bracht ik langzamerhand door zeer zuinig te leven de honderd
pond bijeen,” vertelde hij, „en den Hemel zij dank, nu zijn ze
betaald, maar het was”—hij maakte dezelfde beweging weder, alsof
hem een kies getrokken was—„het was een heel ding. Ik leef nu nog
van zulk soort werk en hoop dezer dagen aan een nieuwsblad verbonden
te zullen worden—dan heb ik zoo goed als mijn fortuin gemaakt. En,
Copperfield, gij zijt nog zoo geheel dezelfde als vroeger en hebt nog
altijd datzelfde joviale gezicht en ik ben zoo blij, dat gij bij mij
zijt gekomen—ik zal dus ook niets voor u verbergen. Weet dan, dat ik
geëngageerd ben!”

Geëngageerd! O, Dora!

„Zij is de dochter van een predikant in Devonshire, één van tien
kinderen. Ja!”—hij merkte op dat ik onwillekeurig een blik wierp op
den inktkoker—„dat is de kerk! Gij gaat dit hek aan de linkerhand
in en dan zoo rond,” vervolgde hij, met den vinger langs den inktkoker
gaande, „en juist op deze plek, waar ik de pen houd, staat het huis met
het front naar de kerk, zooals gij begrijpt.”

Het genot, waarmede hij mij al deze bijzonderheden vertelde, drong
eerst later tot mijn geest door, want mijne zelfzuchtige gedachten
hadden zich gedurende dien tijd onledig gehouden met de indeeling van
het huis en den tuin van mijnheer Spenlow.

„O, zij is zulk een lief meisje!” zei Traddles; „een weinig ouder dan
ik, maar allerliefst. Ik vertelde u immers, dat ik uit de stad ging?
Welnu, ik ben bij haar geweest. Ik ben er te voet heengegaan en ook
te voet teruggekeerd en had een heerlijken tijd. Het is waar, ons
engagement zal wel lang duren, maar ons wachtwoord is: ‚Wachten en
hopen!’ Wij zeggen maar telkens tegen elkander: ‚Wacht en hoop!’ En
zij zou wachten op mij, al werd zij zestig, Copperfield!”

Traddles stond na deze woorden op en legde met een zegevierenden
glimlach de hand op het witte laken, dat reeds mijne aandacht had
getrokken.

„Toch hebben wij niet gewacht om het een en ander voor onze huishouding
aan te schaffen,” ging hij voort. „Neen, neen, wij hebben reeds een
begin gemaakt. Het moet langzaam aan gaan, maar het begin is er.
Hier”—hij trok met evenveel trots als behoedzaamheid het laken
weg—„zijn twee meubelstukken om mede te beginnen. Dezen bloempot met
standaard heeft zij zelve gekocht. Men zet zoo iets in de spreekkamer,”
lichtte hij toe, terwijl hij een weinig achteruitging om het op zijn
gemak te bewonderen, „met eene plant er in en—klaar is men! Dit
tafeltje met marmeren blad—het heeft een middellijn van twee voet
tien—kocht _ik_. Gij wilt een boek neerleggen, begrijpt ge, of er komt
bezoek voor u of voor uwe vrouw en wilt ergens een kop thee neerzetten
en—gij zijt weer klaar! Het is merkwaardig netjes afgewerkt en staat
zoo vast als een rots!”

Ik prees beide stukken zeer en Traddles spreidde er met dezelfde
behoedzaamheid het laken overheen, als hij het er afgenomen had.

„Het is nog wel niet veel in verhouding van hetgeen er zijn moet,”
hernam Traddles, „maar het is toch iets. De tafellakens, kussensloopen
en dergelijke zaken bezwaren mij het meest, Copperfield. En dan
het keukengereedschap—kaarsenbakken, braadpannen en dergelijke
noodzakelijke dingen—dat loopt zoo op! Maar: ‚Wacht en hoop!’ En ik
verzeker u, dat zij het liefste meisje van de wereld is!”

„O, daarvan ben ik overtuigd!” loog ik.

„Intusschen,” hervatte Traddles, „en dat is het laatste, wat ik over
mij zelven zal leuteren—maak ik het best. Gemeenlijk eet ik bij de
menschen beneden; werkelijk heel aardige menschen. Zoowel mijnheer als
mevrouw Micawber....”

„Beste Traddles!” riep ik uit, „wat zegt gij daar?”

Traddles keek mij aan, alsof hij zich verbaasde over hetgeen _ik_ zei.

„Mijnheer en mevrouw Micawber!” herhaalde ik. „Maar dat zijn intieme
kennissen van me!”

Op hetzelfde oogenblik vernam ik een tik op de deur, dien ik mij o,
zoo goed herinnerde van Windsor Terrace en die door niemand kon zijn
gegeven dan door mijnheer Micawber. Geen twijfel meer of ik bevond
mij in de woning van mijne oude vrienden. Ik verzocht Traddles zijn
huisheer uit te noodigen om binnen te komen, hetgeen Traddles terstond
deed, waarop mijnheer Micawber, niets veranderd—spanbroek, wandelstok,
overhemd, boorden, lorgnet, alles onveranderd—als een jeugdig
gentleman van goeden huize de kamer binnentrad.

„Excuseer mij, mijnheer Traddles,” zei mijnheer Micawber met dezelfde
galmende stem als vroeger en voor een oogenblik het neuriën stakend,
„ik wist niet dat zich iemand, een vreemdeling in deze woning, in uw
heiligdom bevond.”

Mijnheer Micawber maakte even eene buiging voor mij en trok zijne
boorden wat op.

„Hoe vaart gij